diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 18:44:19 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 18:44:19 -0700 |
| commit | 2a45733533c0657f6a946166a9cc9a3e07b04113 (patch) | |
| tree | f1db8d08a5e261f60f9e3871d12eff43e1dec0df /44506-0.txt | |
Diffstat (limited to '44506-0.txt')
| -rw-r--r-- | 44506-0.txt | 6326 |
1 files changed, 6326 insertions, 0 deletions
diff --git a/44506-0.txt b/44506-0.txt new file mode 100644 index 0000000..ad427ab --- /dev/null +++ b/44506-0.txt @@ -0,0 +1,6326 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 *** + + CHRISTUSLEGENDEN + + + Naar het Zweedsch + van + SELMA LAGERLÖF + + Schrijfster van: + "Gösta Berling", "Ingrid", + "De Koninginnen van Kungahälla", + "De Wonderen van den Antichrist", + "Jeruzalem", "Onzichtbare Ketenen". + + door + MARGARETHA MEIJBOOM + + + Geautoriseerde uitgave + Amsterdam + H. J. W. Becht + + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De heilige nacht 1 + Het visioen van den Keizer 11 + De bron der Wijzen 23 + De Kinderen van Bethlehem 37 + De vlucht naar Egypte 69 + In Nazareth 81 + In den Tempel 89 + De Zweetdoek van de Heilige Veronica 111 + Vogel Roodborst 179 + Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus 191 + De Kaarsvlam 207 + + + + + + + +DE HEILIGE NACHT. + + +Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij +niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de +dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in +den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld. + +Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar +zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen, +stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen +kind had het zoo goed als wij. + +Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me, +dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan +een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een +verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei +ze: "En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou." + +Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet +alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en +daarvan was het refrein: "Koud waait de wind over de zee". + +En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en +een gezangvers. + +Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe, +verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik +'t zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus' geboorte. + +Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve +dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis, +toen zij was heengegaan. + +Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond--en toen +ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik +nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen, +bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen. + +En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen, +dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor +al het pleizier, dat zij ons gedaan had. + +En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve, +ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen. + +Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur +van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger +vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open +kon maken. + +En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed +leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon 't wel +schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten. + +Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de +legenden van Christus verzamel, die ik nu in 't Oosten gehoord heb, +wordt dat kleine verhaal van Jezus' geboorte, dat Grootmoeder me +placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over +spreken en het opnemen in mijn verzameling. + + + +'t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder +en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet +meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het +speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden +en de Kerstlichtjes zien. + +Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen. + +"Er was eens een man," zei ze, "die uitging in den donkeren nacht +om vuur te leenen. Hij ging van 't eene huis naar het andere en +klopte aan. + +"Ach, vrienden," zei hij, "helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind +gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen." + +"Maar 't was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand +antwoordde hem. + +"De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het +schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur +in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen +te slapen en een oude herder zat hen te hoeden. + +"Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was, +zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen +te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden +de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd +gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan, +hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij +vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in 't been wilde +bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar +de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet +gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond. + +"Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de +schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door +kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het +vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich." + +Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet +laten haar in de rede te vallen. "Waarom werden ze niet wakker, +Grootmoeder?" vroeg ik. + +"Dat zul je straks hooren," zei Grootmoeder, en vertelde voort. + +"Toen de man bijna bij 't vuur was, zag de herder op. Hij was een oud, +knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij +den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien +hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem +dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij +hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in." + +Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede: +"Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?" Maar +Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort: + +"Nu kwam de man bij den herder en zei: "Vriend, help mij, en leen me +wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur +aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen." + +"De herder had 't liefste "neen" gezegd, maar toen hij er over dacht, +dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen +niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen +treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat +hij vroeg. + +"Neem zooveel ge noodig hebt," zei hij tot den man. + +"Maar 't vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar +niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep, +waarin hij de heete kolen dragen kon. + +"Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: "Neem zooveel als gij noodig +hebt," en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen. + +"Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen +en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet, +toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de +man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren." + +Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: "Grootmoeder, +waarom wilden de kolen den man niet branden?" + +"Dat zul je hooren," zei Grootmoeder, en vertelde verder: + +"Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag, +werd hij heel verbaasd: "Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat +de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet +doodt en 't vuur niet zengt?" + +"Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: "Wat is dit toch voor een +nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?" + +"Toen zei de man: "Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet +ziet." En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw +en kind te kunnen verwarmen. + +"Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het +oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon +beteekenen. + +"Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde. + +"Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen, +maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien +was dan kale, naakte steenen wanden. + +"Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou +kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was, +werd hij aangedaan en wilde het kind helpen. + +"En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte +schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje +daarop moest leggen. + +"Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen +zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had +kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren. + +"Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met +zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en +allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de +wereld zou redden uit haar zonden. + +"Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad +wilden doen. + +"En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze +overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs +den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en +als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje. + +"Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles +zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen +onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren, +dat hij op de knieën viel en God dankte." + +Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: "Maar +wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht +vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden." + +En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: "Dat moet +je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik +jou. 't Zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in +zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods +heerlijkheid kunnen zien." + + + + + + + +HET VISIOEN VAN DEN KEIZER. + + +Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning +in Jeruzalem. + +Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde +neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had; +men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen +was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men +kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders, +want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren +thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend. + +En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren +staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren +hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee +gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand +sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben +hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich +onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde +niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet +haar geuren uit te ademen. + +In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet, +blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de +levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben +willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper +zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten. + +Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het +keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar +het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren +den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel +bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk +zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde, +dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord, +dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun +wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld +door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen. + +Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en +de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de +kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of +soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden. + +De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk +duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige +altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat +er verder voor het offer noodig was. + +Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom +lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den +nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de +ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet, +openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was. + +Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand +van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst, +dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een +oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de +rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon +zijn dan de oude Sibylle. + +Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die +oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet +bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij +is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er +zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist +vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer +en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der +boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen, +aan wie ze zijn afgezonden?" + +Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het +voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging +gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat +aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand +over de oogen, uit in den nacht. + +Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel +in de verte gebeurde, beter te kunnen zien. + +Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht? + +Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis +was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte, +wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden +ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude +zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos. + +Zij dachten: "Er moet iets vreeselijks gebeuren." + +Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den +keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem +in om den nieuwen god te begroeten. + +Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer +en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om +zijn beschermgeest te begroeten. + +Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een +visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen +was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof +ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met +den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij +boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras, +maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen. + +Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld +en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen +en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de +kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de +glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen, +waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven +niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en +de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen. + +Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den +berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde, +de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit +de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon +den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich +vrij en verdween in 't duister van den nacht. + +Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude +sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had. + +Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders +meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door +den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang, +eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel. + +Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende +gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen +engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen +over de wijde vlakte. + +Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde +de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde +het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle +krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de +duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar +duisteren nacht. + +De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar +en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de +ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen. + +Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel +haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk +werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich +overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte +engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen, +als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen +cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen +en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden, +stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden, +om van het wonder te vertellen. + +Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de +oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een +groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den +bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende +engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders +versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden. + +Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven +een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een +rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven +en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich +op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het +huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de +lucht, lichtend van stralende engelenvleugels. + +Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad, +ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't +Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden +frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke +geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te +bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan +den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee +duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer. + +Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar +zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen +zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die +aangebeden moet worden op het Kapitool." + +En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk +zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar +visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en +ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond +was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in +haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de +gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde +rimpelend, hard als boombast, haar lichaam. + +Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet +ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees +zij naar het verre oosten. + +"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte +opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in +het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen +rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In +den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje, +dat op een stroobos op den grond lag. + +En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind. + +"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den +heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden." + +Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor +zich had. + +Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe +oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem +veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en +een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak +woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen: + +"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de +wereld vernieuwt. + +"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen." + +Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen +mannen, liep langzaam den berg af en verdween. + +Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een +tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte +hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat: +"Altaar des Hemels", Ara Coeli. + + + + + + + +DE BRON DER WIJZEN. + + +In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en +verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras. + +'t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de +minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe +veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken. + +De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar +Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen +hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van +David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen +tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt. + +Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, +die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna +uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien +uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden +in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de +opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den +bodem maakte hem onrein en troebel. + +Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld +op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst. + +"Ik zou wel eens willen weten, wanneer 't met jou gedaan kan zijn," +zei de droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de +diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, +Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn." + +"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron; "niemand kan me helpen. Daar +zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn." + +"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei de +droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu +wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. + +Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich +als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel +pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen, +den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige +droppels van den bodem. + +Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de +droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte. + +"Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zoo +licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat 't met +je gedaan is." + +De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht, +die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land +van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige +koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen +eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en +verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster. + +Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een +kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over +de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan +aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag. + +De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw +in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water +vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en +kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al +was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk, +dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, +die daar kwam aanzetten in den nacht. + +Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp +tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij +schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk +de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren. + +Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid +was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat +de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en +dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje, +en bereden door schoone, voorname ruiters. + +De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden +zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, +en hun ruiters stegen af. + +De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, +schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten +en wonderlijk opeengestapelde pakken. + +De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar +door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte +gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder +glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van +den hemel genomen was. + +"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij +verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is." + +"Zoo wordt zij vandaag nog genoemd," zei de droogte; "maar morgen is +het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven." + +"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is +dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar +heeft zij haar naam?" + +"Ik weet dat ze heilig is," zei de droogte; "maar wat kan haar dat +helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs." + +De drie reizigers zagen elkander aan. + +"Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze. + +"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen," zei +de droogte trotsch. + +"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen. + +En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit, +en luisterden. + +De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een +sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal: + +"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn +ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren +drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, +wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in +eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast +niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was +melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De +menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren, +den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde +wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige +wijsheid uit Ethiopië gekomen was. + +De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar +aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des +nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid +zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het +wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten. + +Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht +begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen +wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij +wekte de beide anderen. + +"Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht +te slapen," sprak hij tot hen. "Ontwaakt en heft uw oogen op naar +den hemel." + +"Nu," zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht, +dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was +zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep +en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde +er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, +sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte. + +Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen +een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als +een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon +hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen--God late ze alle +verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en +het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte +naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen +hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, +hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en +er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig +stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en +straalde als de schoonste onder de sterren. + +Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur +op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van +Cyrus en Alexander te boven zou gaan. + +En ze zeiden tot elkander: "Laat ons naar den vader en de moeder +van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien +hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met +een gouden armband." + +Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen +de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in +de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke +woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe +ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen +getroost voort met de ster als wegwijzer. + +Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder +den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning, +dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met +edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te +spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn +moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en +macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo. + +Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te +zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met +minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij +zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer +behoefden te dragen. + +"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei de droogte, +"en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood, +maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen +den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, +bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze +hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende +boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den +nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen +zij verder. + +"Voor een mensch," ging de droogte voort, "was het een heerlijke +wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden +te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het +diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den +heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: +"God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten." + +"Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging de droogte +voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, +even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren +trots en verwoestende gierigheid. "Wij zijn Godsgezanten," herhaalden +de drie Wijzen. "De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet +te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud." + +"Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de +heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de +stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag +te schitteren. + +"De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren +en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen +niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de +stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar +gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie +wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen. + +"Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje +van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot +staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk +te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te +verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar +den heuvel. + +"Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?" zeiden +ze. "Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, +en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat +kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier +in het dal." + +De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb +ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is +dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart." + +"De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam, +dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging de +droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten +weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, +van den heuvel verdwenen." + +De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht +lag een uitdrukking van diepe smart. + +"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van 't standpunt +van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat +de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij +tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde de droogte +bevend verder, "zooals het veld in den herfst, als de sterke regens +beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel +werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. + +"Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind +te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich +niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste +smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te +drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over +het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de +ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had. + +"En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen +opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind +en zeiden: "Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare +kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd +heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe." + +"Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij +opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een +koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de +melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men +zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken +en koning werden--ieder in zijn eigen land." + +De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: +"Ge hebt goed verteld," zeiden zij. + +"Maar het verwondert mij," zei de eene, "dat de drie Wijzen niets +voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad +geheel vergeten?" + +"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede +vreemdeling, "om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat +verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden +in het dal van de nederigheid?" + +"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft +de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?" + +Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij +had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En +zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie +Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen +beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, +dat zij uit het Paradijs gehaald hadden. + + + + + + + +DE KINDEREN VAN BETHLEHEM. + + +Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op +wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange +speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat +men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners +gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw +onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten +hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman, maar hij nam +nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien. + +"Dat is niet de moeite waard om naar te kijken," scheen hij te willen +zeggen. "Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen +aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat +zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen +zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een +schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas +vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets +kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den +Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang +naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens, +de roode bloeddroppels." + +Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met +leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit +veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone +schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de +voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten, +en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden +om naar zooiets onbeduidends te kijken. "Die menschen weten niet wat +mooi is," dacht hij. + +En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de +olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde +zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag +een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen +zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen, +nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de +woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen +met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den +een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar +niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder +aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en +terug te gaan. + +"Zie, dàt is mooi," dacht de krijgsman, "dat is de moeite waard voor +een dapper man, om te zien." + +Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats, +had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem +heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij +begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. "Wat is +daar voor aardigs aan?" dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen, +als zij naar de spelen der kinderen keken. "'t Is wonderlijk, dat +menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben." + +Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten +de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar +oud kon zijn, op 't veld komen om te spelen. 't Was een arm kind, +met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde. + +De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder +'t zelf te merken. + +'t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over 't +veld sprong; 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes +zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij +nog verbaasder. + +"Bij mijn zwaard!" zei hij eindelijk. "Dit kind speelt niet als +anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?" + +'t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat +deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een +bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen +was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon +opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet +opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te +gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de +knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen +haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die +manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den +heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen. + +"Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb," +dacht de krijgsman. "Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen +helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den +koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien, +als hij in 't leven blijft!" + +De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en +de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te +kijken. "Dat is toch wonderlijk," dacht hij. "Ik heb hier nu volle +drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets +gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind." + +Maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het +kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een +vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk +gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een +tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd +worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als +de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou +kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de +hand om zijn speer, als om steun te zoeken. + +En nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag, +hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel +was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er +niet van aan zooiets akeligs te denken. + +Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie +veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken +neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren, +die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn +sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en +mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg, +naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken +troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte +hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de +bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden +en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen +beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van +den jongen aanzag. "Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar +voor zijn," zei hij. "Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat +niet, die stijve planten zoo te buigen." + +Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den +kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind +zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind +zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek, +dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de +eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle +pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een +wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. "Kijk nu zoo'n kind eens," +dacht hij. "'t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen +kan. Wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien, die niet +verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou 't gaan als zoo +iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een +huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den +grond te boren met alle manschappen aan boord?" Weer moest hij denken +aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch +werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. "Nu er +zulk een kind gekomen is als dit," dacht hij, "is die vreeselijke tijd +misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de +dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen +alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart +hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten +zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald, +en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er +zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man." + +En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven +en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen, +voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend +met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam. + +Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine +trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel +onnoodiger en ondankbaarder voorkwam. + +'t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm +en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat +hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. 't Scheen +den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn +oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en 't +vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was, +dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen, +vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te +verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te +toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting +voor de zon behoefde te zoeken. + +Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam +de kleine jongen, die gewoonlijk op 't veld speelde, plotseling naar +hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde, +en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het +bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe, +bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen +hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als +een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê. + +"Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor +mij te halen?" dacht de krijgsman. "Dat is toch al te onwijs! Zou +een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat +hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet +noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij +en zijns gelijken de wereld uit waren!" + +De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast +opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl +hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje +water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man +daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken. + +Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het +water aan. + +Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder +over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het +hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat +eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den +soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde +hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken, +dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad +aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde. + +Hij zag het niet in 't lieve gezichtje, maar bleef stijf en +onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor +hem wilde doen. + +Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen +wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op +en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat +bij het water zou kunnen komen. + +De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde +helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen. + +Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de +zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij +roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde +smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet +oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf +van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer +op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij +kon van het water op, dat het in de handjes hield. + +'t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg, +maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had, +voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm +en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun +moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de +roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen. + +Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer +neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg +zich verwonderd af: "Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? 't +Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen." + +Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. "'t Is +immers maar een kind," dacht hij, "'t weet zelf niet waarom het zoo +of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst +vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien +kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens, +dat hij me geholpen heeft." + +En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer +geïrriteerd tegen 't kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche +soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag +komen. "Kijk," dacht hij, "wat ben ik door dien jongen in gevaar +geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij +mij met een kind in de armen hebben zien staan." + +De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem +of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem +een geheim meê te deelen. "Als wij maar tien stappen van de poort +weggaan," antwoordde de krijgsman, "dan kan niemand ons hooren." + +"Je weet," zei de hoofdman, "dat koning Herodes meer dan eens getracht +heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn +profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal +bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een +duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt +dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil." + +"Ja, dat begrijp ik," zei de krijgsman levendig, "maar dat moet immers +de eenvoudigste zaak van de wereld zijn." + +"Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn," zei de hoofdman, "als de +koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde +was." + +De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. "'t Is jammer, +dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen." + +"Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen +Vredevorst onschadelijk te kunnen maken," ging de hoofdman voort. "Hij +looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil." + +"Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning +of geschenken," antwoordde de soldaat. + +"Ik dank je," antwoordde de hoofdman. "Hoor nu wat de koning van plan +is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een +feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen +de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun +moeders. En op dit feest----" + +Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag, +die op het gezicht van den soldaat kwam. + +"Vriend," ging hij voort, "je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes +van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij +mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen." + +De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles +verteld had, zei hij: "Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de +grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming +zal mislukken." + +"Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt," zei de krijgsman. + +Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op +zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd +tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig +dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder. + +Plotseling begon de krijgsman te lachen.--"'t Is waar," zei hij, +"ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt +vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd." + +De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de +avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten. + +Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar +een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat. + +Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats, +door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven +elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest +voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben. + +Deze galerij was, evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel, +zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken +lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke +druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine +granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer +was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs +de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage +divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs. + +In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer, +waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water +speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in +een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak. + +Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De +kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid +in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op +de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe +gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen, +met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op +de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere, +wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen. + +De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats +genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar, +waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het +past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen +haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen, +die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is. + +Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de +bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen +krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen +onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen +gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste +schare verwonderd aan te zien. + +"Waarom staan die daar?" fluisterden zij; "meent Herodes, dat we ons +niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden +noodig zijn om op ons te passen?" + +Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een +koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis +vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de +zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden. + +In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en +onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig +kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die +Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor +zijn kleine gasten geschapen had. + +Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze +honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen +hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken +voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een +oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek +van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde, +die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden. + +Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat +zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden, +die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen +werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche +gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden +gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten, +dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich +nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien +of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen. + +Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten +stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk +voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers +konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen. + +Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet +kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht, +een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk +bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem, +dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen. + +Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die +ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij +wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze +over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en +guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze +verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard +en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den +muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats. + +In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De +kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend +van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn +van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken +kreet op de krijgslieden toe. + +Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen +ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen +met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te +wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen +zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen +te wreken door hun moordenaren te worgen. + +Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis +klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de +krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen +onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden +leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief +hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind +te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen +zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo +vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of +terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het +gevaar van hem voorbij te gaan. + +"Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf," +dacht de krijgsman, "een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats +verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan +had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn." + +Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw, +die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar +hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog, +kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van 't gevecht +waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de +galerij gekomen. + +"Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen," dacht de krijgsman; +"noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond...." + +De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog, +en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind +te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in +haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind +het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen. + +Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen +boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn +in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en +verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij +bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem +die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van +dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard, +in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen +te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den +korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge +moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij +haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was +verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden. + + + +Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden +op wacht, dicht bij de stadspoort. 't Was nog vroeg en de zware poorten +waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat +zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders +stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners +van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien +nacht, dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten. + +"Bij mijn zwaard," zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe +straat inzag, die naar de poort leidde, "ik geloof, dat Voltigius +een onverstandig besluit genomen heeft. 't Was beter geweest als +hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had +laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt +is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders +zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de +poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist +hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig +is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen." En hij +dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen +in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of +in balen met koren op een karavaan. + +Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou +trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in 't oog, +die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard +en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een +bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich +met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde. + +Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de +vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder, +die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij +den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had. Hij dacht: "Dat +doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt." + +Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind, +dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog +geslagen kleedingstuk. + +"Ik ben er zeker van dat zij het is," dacht hij, "die mij gisteren +ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange +gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder +zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed +durven hopen." + +De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de +stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier +tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de +krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde. + +"Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?" vroeg de man. + +"Je moogt dadelijk gaan," zei de soldaat; "ik moet alleen maar eerst +even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt." + +"Wat is daaraan te zien?" zei de man, "het is alleen wat brood en wijn, +waar we vandaag van moeten leven." + +"Het is misschien waar, wat je zegt," zei de soldaat; "maar als dat +zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet +gewillig zien wat ze draagt?" + +"Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te +laten gaan." + +Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde +de hand op zijn arm. + +"Neen, ga nu niet vechten," smeekte ze. "Ik zal hem laten zien wat +ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen." + +En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar +den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op. + +En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand +voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw +onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een +schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag. + +"Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt," zei hij. + +"Je ziet nu wat ik draag," antwoordde de vrouw. + +Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet +anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het +veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij +kon er nauwelijks naar kijken. + +Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich +afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets +dan de koele bloembladeren. + +Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid +den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep, +dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze. + +Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze: + +"Wil je ons nu laten gaan?" + +De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden +had en trad op zij. + +Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op +hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken +glimlach! + +"Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar +zag," zei ze tegen den krijgsman. + +En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang +ze in 't gezicht waren. + +En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van, +dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind. + +Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten +uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan +kwamen loopen. "Houd ze!" riepen ze. "Sluit de poort voor hen! Laat +hen niet ontkomen!" + +En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor +van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn +huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn +ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een +grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die +'t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had. + +Op 'tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen +de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een +woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het +paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in +'t zadel en joeg voort over den weg. + + + +Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn, +die 't zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen +van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht, +waar maar geen einde aan kwam. + +"'t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen +zinken," zei hij morrend. "Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet +zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had +kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden, +dat ik ze nooit kan vinden." + +Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij +vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen +hem beschermden. + +"'t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger +en dorst omkom in dit eenzame land!" zei hij herhaaldelijk in zichzelf. + +Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst +wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu +al twee keer het kind had laten ontkomen. 't Was niet denkbaar, +dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven. + +"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog +leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de +krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te +verzachten--mij aan het kruis zal slaan." + +'t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in +deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in +'t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de +ruiter beide waren op 't punt te bezwijken. + +Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de +vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer +dan ooit. + +"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het +de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in +deze vreeselijke woestijn." + +Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den +weg verhief, den gewelfden ingang van een grot. + +Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de +grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte," +dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht +kan hervatten." + +Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan +beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant. + +Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend, +als honig en een menigte bijen gonsden er om heen. + +Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman +iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam +die mee in de grot. + +De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf +binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren +een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt, +in diepen slaap verzonken. + +De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat +zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had +nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen, +buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht. + +Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over +het slapende kind. + +Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en +mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden. + +Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij +zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij +'t bekijken van zijn offer. + +Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd, +want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de +leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort. + +"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom +heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde +vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht: +"Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot +aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen." + +Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht, +verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste +zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken." + +Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot +geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij, +die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog +en om zijn hoofd. + +De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine +jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was, +die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes. + +Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard +stil en stond naar de bij te luisteren. + +Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar +zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie +in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën, +die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het +een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden +en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort. + +Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug. + +"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij. + +Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en +een diepe blos kwam op zijn gezicht. + +"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen +dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd +met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den +jongen vredevorst te vernietigen. + +"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft," +zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard +naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen +zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren. + +Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie +oogen aan te zien, die als sterren straalden. + +En de krijgsman boog een knie voor het kind. + +"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de +overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt +degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt." + +Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl +de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen. + + + + + + + +DE VLUCHT NAAR EGYPTE. + + +Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange, +lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de +woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen, +want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen, +dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden. + +Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien +over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn +geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen +van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee +eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk +een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch +zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de +palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen, +geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden. + +"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om +te sterven." + +De palm wierp snel een blik om zich heen. + +"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet +vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen +van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een +zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de +slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm +zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen +treffen en de vrees ze doen sterven." + +En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen +stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle +kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend +jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest +weer aan die twee zwervers denken. + +"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste +vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den +arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben." + +De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk +zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm, +dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep. + +"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie, +dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje +heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen +en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn +vluchtelingen." + +"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel +hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten +afwachten, dan de woestijn in te gaan. + +"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan +zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten +gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was, +heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen, +heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en +is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht +geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan, +maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt.... + +"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen, +maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht +van een dorstig mensch maar al te goed." + +En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door +zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om, +alsof ze boven het vuur gehouden werden. + +"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn +wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij +de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig +zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen +zooals ik. + +"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden +kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij, +dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak +moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in +mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik +was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste +uur geweest zijn." + +De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen. + +"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei +hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat +me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar +die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het +wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde." + +En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen, +herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende +schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin +van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De +schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had +haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden. + +"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu +een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen +zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan, +die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de +pit in den grond en haar tranen bevochtigden die. + +"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de +palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste +aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd +heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?" + +"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het +klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is +goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet +sterven." + +De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers +gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure +naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als +zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten +van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar +voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze +moesten omkomen.... + +Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich +daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen, +zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw +legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van +de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn +beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen +over spraken, dat zij sterven moesten. + +Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van +twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote, +verwachte koning van Juda geboren zou zijn. + +"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor +deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan." + +Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn. + +De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de +krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat +zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven. + +"God zal ons bijstaan," zei de vrouw. + +"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij +hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?" + +Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen +den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in +het hart. + +De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de +uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van +grenzenlooze vertwijfeling. + +De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker +werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd +op en zag naar de kroon van den boom. + +"O, dadels, dadels!" riep zij. + +Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte, +dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo +gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij +wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe +zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op +kunnen klimmen? + +De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen +hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw, +niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had +rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep +van zijn moeder gehoord. + +Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet +alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had +hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd +trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er +een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij +ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn +lief kinderstemmetje: + +"Palm, buig je, palm, buig je." + +Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan +zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling +na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij +kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind, +zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij +ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon +met de trillende bladen het woestijnzand raakte. + +Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet +kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit +de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom +nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam, +streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje: + +"Sta op, palm, sta op, palm." + +En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn +veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen. + +"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm +in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van +deze menschen." + +Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God. + +"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke, +die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze +vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?" + +Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen +de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was. + +"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet +sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?" + +"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de +woestijnreizigers. + + + + + + + +IN NAZARETH. + + +Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep +van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels +te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den +pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was +zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden +Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te +bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had +hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat +gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn +buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem +zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken. + +Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood +haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij +gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor +'t oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan +een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf +niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de +oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze +waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus +had zijn voorraad met hem gedeeld. + +Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een +kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd +uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats +van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels. + +Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de +kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend +omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij +kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en +dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn +vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de +bosschen op Tabor. + +Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam +hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde; +zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes; +zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor +hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo +rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen. + +De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn +zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat +te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote, +leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte, +krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem, +dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren +uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld, +wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager +en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem +te luisteren. + +Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat +mooie vogels Judas maakt," zei hij. + +Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of +zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar +niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn +werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels +en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver, +dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die +met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat +verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood, +alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg +kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten +van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de +zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria. + +Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes, +die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat +bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het +dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels +met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren +en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf. + +En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit +een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van +klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als +van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te +zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet +van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei +met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van +de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en +trachtte den zonneschijn op te vangen. + +Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn +vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem +te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan +zijn arme vogels geven. + +"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven." + +"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg, +zooals ze zijn." + +Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En +hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na +den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels +vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat +te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje +zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van. + +Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei +veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te +lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen. + +"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en +kunnen zingen?" + +Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel. + +Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had +geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij +was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels +kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier +van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over. + +Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich +lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in +de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!" + +Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig +fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze +veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen +en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich +de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze +in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten. + +En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus' +voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen, +zooals hij het zijn speelgoed gedaan had. + +Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte +hem tegelijk. + +Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had, +stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot +en liefkoosde hem. + +"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen +schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste +mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een +wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den +adem des levens in de doode klei blaast?" + + + + + + + +IN DEN TEMPEL. + + +Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in +den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een +mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren. + +De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was +om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en +lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen, +vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te +onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen, +het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote +koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig +waren om ze op haar hengsels te doen draaien. + +Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel +om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het +merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang +duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij +woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken. + +Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof +hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats +daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de +nauwe straat te Nazareth te spelen. + +Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde, +des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar +toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid. + +Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder +medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen," +zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten." + +Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest +gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep +spoedig in. + +Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man: + +"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij +hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij +dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven." + +"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren +werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een +machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van +een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd, +dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan +een timmerman in Nazareth." + +"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen +wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer +van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal +een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik +begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen +voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden." + +"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van, +dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn +eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan." + +"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar +ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan, +waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest +hem hier naar dezen tempel te brengen." + +"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We +zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth." + +"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei +de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten +zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden +opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den +koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet +voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien." + +Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken. + +"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die +rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der +menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken +en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden +en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil +ik leven, daarvoor ben ik geboren." + +"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te +zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te +dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth." + +De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei +ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op +hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het +werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen, +door te trachten hem voor ons te behouden." + +"Wij besparen hem een groote smart," zei de man. + +Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd. + +"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het +loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug." + +Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den +tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij +door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor +'t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen +den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot +en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en +bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben +van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij +oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand +getracht had er een toon uit te halen. + +Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd +staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij. + +"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet," +antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen, +toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er +ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan, +zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen." + +Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de +knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin +was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem +aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed +te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten +breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof, +diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had +koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had +hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen +afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die +verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant +naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag +de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest; +aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde, +zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de +moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar: +"Wat is dat voor een brug?" + +"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en +wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die +zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal, +kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en +liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle, +trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte +hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had +laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken. + +Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote +ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden +in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk, +zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door +kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde +kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen +liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen +en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles +wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten +en was uitgehold door vele voetstappen. + +Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit +voor pilaren?" + +"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina +van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid +noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en +hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met +groote oogen naar de zuilen. + +"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder +lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen, +die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt +wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het +gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er +hun schouders tegen om ze in beweging te brengen." + +Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet +anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug +en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij +vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten. + +En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders +denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel +te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen +hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen, +maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen +waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam. + +De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring +zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam +hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens +te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel +voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn. + +Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen +wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het +duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek, +waar de twee zwarte zusterzuilen stonden. + +Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij +ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan +dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen, +rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij, +dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had. + +Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee +zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat +het zelfs onmogelijk was het te beproeven. + +Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij +meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken. + +Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters +van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te +beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over +grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren +weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die +hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man, +gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht +een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn. + +De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig +handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar +dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm +dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt +zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven. + +Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken +man, en zei tot hem: + +"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald +heeft?" + +Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite +nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen +recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan +door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij +de som schuldig, die ik van haar begeer." + +Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en +deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen +zou geven. + +Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij +zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der +Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de +waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te +zijn haar dochters tot slavinnen te maken." + +Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen, +en keek door de spleet. + +"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij. + +Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er +heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig +en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter +wille van die arme vrouw. + +Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich +een weg te banen. + +En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden, +naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf, +en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts +en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het +tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon. + +Dat wekte de grootste verbazing en ontroering. + +In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen +stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder +verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van +de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem +voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen +aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had +in Gods tempel. + +Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door +de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was. + +Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij +verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar +gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn +ouders en de reis naar huis herinnerd. + +"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op +mij wachten." + +Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor +de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar +minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had +even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte +van den grooten tempel lag. + +Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was +gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar +kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij, +dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging +op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken. + +Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs +te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde +oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar +te probeeren. + +En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van, +dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken. + +Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich +bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen +witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden +en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers +kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening +bijwoonden. + +Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje +droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het +een groote wond had. + +De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht +offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig +geschenk den Heer niet aanbieden kon. + +De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen, +want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan +God kon offeren voor zijn genezing. + +"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn +gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven." + +"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de +priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te +offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het +is over de Paradijsbrug te loopen!" + +De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk +aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien +kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd. + +De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond +op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op. + +Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om +zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme, +dien hij verlangde te helpen. + +Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk; +zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen." + +Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op +sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij, +dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder +zijn voet. + +En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem +heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem, +alsof hij een vogel geweest was en vleugels had. + +Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap +er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om, +toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook +de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen +kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen, +die daar stonden. + +De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden +dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze +tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw +geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren." + +En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over +de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem +niet vinden. + +Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij +weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets +van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht: +"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te +wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de +Stem van den Wereldvorst." + +En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten +naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur +geleund stond. + +Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon +aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij +zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien +had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken. + +Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde +te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude +bazuin zou kunnen blazen. + +Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens +durfde probeeren. + +Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij +ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn, +alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen. + +Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man +zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een +van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij +een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat +deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem +de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen +onder een valschen naam. + +Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen +geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid +te hooren en de leer van den eenigen God. + +"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar +ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide, +dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn +verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven." + +Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin +bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote +koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het +is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden, +daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn +leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den +tempel ontheiligt." + +Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders +heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan +uw voeten sterven." + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige +stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde, +wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap +zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht: +"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen, +zoodat hij geholpen was." + +Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte +hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat +vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte +daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was. + +En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij +haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich +ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk +klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim. + +Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine +jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken +aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen. + +Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den +vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem: +"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God +heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat +ge wordt ingewijd in Zijn dienst." + +Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan +op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit +en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen +zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren +was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u +op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?" + +Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden: + +"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een +heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan +door de Poort der Rechtvaardigheid." + +Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders +hadden geen tijd om te luisteren. + +Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen +en vroegen het hun. + +Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een +heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en +dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles +staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden +geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in. + +Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te +vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel. + +Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn, +laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is, +waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen." + +Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien. + +"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten; +daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij +vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over +hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om +een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn +lippen heeft gebracht." + +De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen +dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was. + +Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien. + +En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand +schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op +en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen +zich in en gingen met hem uit den tempel. + +Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg: +"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?" + +"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij +verloren waart." + +Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide +de moeder. + +"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij +was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik +uw stem hoorde." + +"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag +gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart." + +Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij +het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb +niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen, +omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem +hoorde, kwam ik weer bij u terug." + +"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor +mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af +aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen +zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen +omvatten, die de aarde bevolken." + + + + + + + +DE ZWEETDOEK VAN DE HEILIGE VERONICA. + + +I. + +In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius +gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich +neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren +vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand +bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur +opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op +den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld +en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze +hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat +hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen, +die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden. + +"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over +verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders +hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar +geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet, +dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden." + +"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog +in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de +arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme +vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die +hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen +ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen +bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge +toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en +een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen." + +De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het +de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar +gezicht rustte. + +"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik +ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven." + +En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er +niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom, +nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch. + +Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de +kamer binnen. + +Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan +deel zonder aarzelen. + +Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk +geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die +oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van +zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit +aarden schotels." + +Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze +trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met +haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel +veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren +nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader +daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een +plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden +vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten. + +Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat +zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het +leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken." + +Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten, +en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam. + +Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor +de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur. + +Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig +eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was +het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht +hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal +het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die +ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en +ik de hut reeds in bezit genomen hebben." + +De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die +zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij," +zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven." + +"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt +er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt +oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan." + +Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde +zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen +had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge +vrouw in 't gesprek: + +"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die +oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen +wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat +zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar +dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de +wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn +als haar dood te laten hongeren." + +Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze +onderzoekend aan. + +"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij +barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?" + +Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf +groote barmhartigheid ondervonden hebben." + + + + +II. + +De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot +groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit +van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het +niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden. + +Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den +grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten, +zagen zij een oud man het pad opkomen. + +'t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als +die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere +uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen, +en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn +houding was fier en zijn bewegingen waren snel. + +De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem +zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen +is en nu op weg naar huis is." + +Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel +staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut +doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald, +vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen +te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen." + +Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is +zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar +ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij +dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen, +zal ik heel dankbaar zijn." + +Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de +hut lagen. + +De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen, +maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd +met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar +hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig. + +Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem +uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t +Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en +arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt, +ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?" + +Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat +de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de +hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn. + +De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp, +dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik +al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius +was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een +groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets +anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken +alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft +laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking." + +"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge +vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd +het hoofd. + +"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe +somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen +hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin." + +"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij +beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is +als in 't begin van zijn regeering." + +"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten +Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede +en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af +aan nog erger wordt dan hij geweest is." + +"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken +zal dan hij al is?" vroeg de man. + +Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een +waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet +zien kon. + +De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige +glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen. + +"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in +zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem +altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn +gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den +keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals +ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden +waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren, +was de oude min van den keizer: Faustina." + +"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij +gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft." + +"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij +heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de +Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang +hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op +het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van +Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een +draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van +een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem +daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen +vol slaven en kostbaar huisraad." + +"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man. + +Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De +jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude +vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was, +had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk +uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat +daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht +voor zich uit met een streng gezicht, als versteend. + +"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou +hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden +is zij hem nu ook ontrouw geworden." + +De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde +troostend de hand op haar arm. + +Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch +niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't +hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben +er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen +zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was, +en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is, +dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft +hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor +haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij +'t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken." + +De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van +deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de +oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig. + +"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt," +antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan +'t hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen +ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden." + +"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer +verlaten?" + +"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de +vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet +één van haar schatten meêgenomen." + +"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de +jonge vrouw met haar zachte stem. + +"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt +het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar +vaderland genomen heeft." + +"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de +jonge vrouw. + +"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem +verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende +om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch +wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij +heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen, +want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is." + +"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat +ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is +opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft +altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den +keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik +begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht +te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de +bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat +ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik +zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst +om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij +van mij heenging op de lange reis." + +De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er +niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan +ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen, +als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens +in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen +van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die +hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht." + +Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de +oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge +zag hem vast in de oogen en antwoordde: + +"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat +wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof +geen zonde en schande behoeven te zien." + +Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn +vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen. + +De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is +dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen. + +De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken. + +"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar +de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw. + +De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht +op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius, +er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat +is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw, +waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan +vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat." + +Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg +waar langs hij gekomen was. + + + + +III. + +Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude +vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over, +dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en +macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar +Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker +nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen +en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze, +dat ze hem verlaten heeft." + +"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te +beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor +de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem +leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn +wantrouwen en wreedheid genezen worden." + +"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de +vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar +ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet." + +De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te +missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de +oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen, +of ze al haar verdriet vergat. + +Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en +ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar +het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de +eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht. + +Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot +altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats +stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en +aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen +gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen +voor offerdieren. + +De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan +tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor +Tiberius wilden bidden. + +Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld +van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren, +dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het +altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters +er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen. + +Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te +vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem +wel ging. + +Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een +verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en +verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen +aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar +blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere +heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld, +dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld. + +De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger: +"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een +and'ren keizer?" + +"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben +opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer." + +"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets +hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk +ongeluk den keizer getroffen heeft?" + +"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een +ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt +voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam, +is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend +dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die +ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij +binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men +hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge +begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin +om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard," +voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem +te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?" + +Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan. + +Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die +door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend +hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht. + +Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten +langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als +staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch +met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze +richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte +straten te gaan. + + + + +IV. + +Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland +Capri op. 't Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom +en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende +wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die +naar de villa van Tiberius leidden. + +Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in +den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren +altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het +vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs, +van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld +van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen, +die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer. + +Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De +grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude +vrouw op haar weg ontdekte. + +Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De +ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, +en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne +gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, +en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een +paar plaatsen de balustraden afgebroken. + +Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van +menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland +te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen +van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en +tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers +huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt +had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor +de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar. + +"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt +om ons ongeluk te verzachten." + +"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo +eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont." + +"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat +een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de +ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd, +als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat +wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben." + +"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn +de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer, +en al de kwispelstaartende gelukzoekers?" + +"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf; +"de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen +hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen." + +Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf +ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de +geneesheeren van de ziekte van Tiberius?" + +"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of +zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina, +dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert, +uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het +niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet, +uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen +wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er +toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele +dagen verlengen." + +De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar +een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht +te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen +Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een +opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren +met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar +half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren +stoffig en vuil. + +Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar +op het terras had moeten kruipen. + +Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet, +toen de slaaf en Faustina aankwamen. + +Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar +Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf +komen? Breng hem gauw weg." + +Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter +aarde boog voor den ellendige, die daar lag. + +"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap +te brengen." + +Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week +hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen. + +Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien, +dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden +als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in +machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw +met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord, +dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch +geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken, +krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand +hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig +had om een mensch te veranderen. + +Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil +naast hem te schreien. + +"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te +openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij +schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is." + +Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en +legde het in haar schoot. + +Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel +van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in +een gezonden slaap. + + + + +V. + +Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de +eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de +arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan +in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe +en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel +droeg en hij legde die in de hand van den man. + +"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid +bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen +wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de +bergen ligt als een arendsnest." + +"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar +gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende +ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen." + +"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven, +dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer +teruggegaan was?" + +"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij, +dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk +genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter +wille van den armen keizer." + +De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken +te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten +niet toe. + +"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet +laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd +is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun +ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?" + +De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder +den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van +Faustina's terugkomst. + +Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de +vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen +neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet +te verraden. + +Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet, +dat dit een beschikking van God is?" + +"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee +zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude +vrouw hierheen voerde naar onze deur." + +Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich +weer tot den slaaf. + +"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar +Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw +vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge +vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet +lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw +eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast." + +De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging +voort met steeds sterker nadruk op ieder woord: + +"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn +vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte +dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden +verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen, +zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn +vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een +kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd, +werd zij door de ziekte aangetast." + +Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend +het hoofd en sprak tot hen: + +"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw +vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers, +dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?" + +Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij +geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers +zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen +wat ik gezegd heb." + +"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw +vrouw genezen is?" vroeg de slaaf. + +"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag +verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid +leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in +Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door +alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken, +die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht +waarheid was. + +"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de +groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk +kunnen redden." + +Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij +ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen, +waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over +groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was, +een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn +donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze +elkaar ontmoetten, riep ze hem toe: + +"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den +Profeet van Nazareth vinden kan." + +Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond, +vroeg hij: + +"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?" + +"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en +mij van mijn ziekte genezen." + +Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak +tot hem: + +"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt +geen profeet." + +Toen zag hij haar glimlachend aan en zei: + +"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon +u aan de priesters." + +De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat +ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik +vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man, +die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen +hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe: +"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den +profeet van Nazareth vinden kan." + +"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar +haar toe. + +"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en +mij van mijn ziekte genezen." + +Maar de man reed nog nader bij. + +"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen +geneesmeester noodig." + +"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit +zieke ouders geboren in een grot." + +Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer, +als een pas uitgekomen bloem. + +"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit. + +"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest +zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier." + +Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is +helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over +de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek." + +En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar +gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel +versierde. + +"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij. + +Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de +vleugel van een pas ontpopten vlinder. + +"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet." + +"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter. + +"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens +voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?" + +"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler." + +Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was. + +"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken +verdwijnt?" vroeg zij den ruiter. + +"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet +van Nazareth," antwoordde de man. + +Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen +vol tranen. + +"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij +hebt mij genezen!" + +En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad +op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters +en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig +naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit +zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld +was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek +geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier +naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten." + +Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van +Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd." + +Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de +onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze +geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het +verderf stort." + +Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich +in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde, +ook onrein zou verklaard worden. + +Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den +man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet +ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?" + +Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen, +gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar +wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar +geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de +arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en +viel hem in de rede. + +"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga +met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht +al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De +keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren." + +Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in +de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker. + +"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze +twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij, +die ze haat. + +"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen +brengen." + + + + +VI. + +De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen +Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te +zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar +zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij +van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld +of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons, +als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer +verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand, +die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf? + +De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw +verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden +en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te +paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden, +als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar +gevolg uitmaakten. + +Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw +met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron, +waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend +kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van +Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde +heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met +vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de +witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun +oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de +zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide, +dat men meende het te kunnen zien groeien. + +Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis +zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen, +die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en +paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de +vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt +hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote +scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op +een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn +schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot, +dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om +te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich +fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen. + +Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij +maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze +wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich +te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien +gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de +pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg, +maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn +zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van +den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van +zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd +voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend +op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen, +die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel. + +Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze +werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij +spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een +jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht, +dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen, +maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de +goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er +dezen mooien morgen heen te trekken." + +Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug +bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een +groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere, +schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op +haar schedel Jeruzalem droeg. + +Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond +kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag +duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven, +waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa. + +'t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land +bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote +plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun +tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad +woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels +zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren, +zangen en feestvreugde. + +De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun +lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast +haar reed: + +"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen +zijn." + +"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was +uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren +in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan +trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem." + +Faustina bedacht zich een oogenblik: + +"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het +volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan +dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk, +dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem +is gekomen om aan 't feest deel te nemen?" + +"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is +hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der +goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat +ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken." + +Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen +en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in +Jeruzalem bevond. + +"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van +de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij +is een vroom en rechtvaardig man." + +Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten +oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen +begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun +tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem, +dien ge zoekt." + +Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't +diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn +top te bereiken. + +De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop +zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de +barmhartigheid van de reizigers inriepen. + +Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op +Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend, +die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem +onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar +ge hem vinden zult, dien ge zoekt." + +Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't +Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs +werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn +handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen; +integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins, +dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag. + +Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn +vraag een paar maal herhalen. + +"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek +u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden." + +De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen +hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn +en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom +vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen +Galileër." + +De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in +zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze +voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar +ze hem 't beste kan vinden." + +Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn +dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een +boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen +vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet +niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien." + +Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast +hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken. + +"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten +allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt." + +Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag +niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij +niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet +gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?" + +Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder +gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen +we niets te weten." + +Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan +twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar +had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te +wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag, +vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt +in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een +wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was. + +De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder +uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten +dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij +bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis +over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde +om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden. + +"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina. + +Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te +roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en +lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot +stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!" + +Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het +ter zijde. + +"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat +niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang +laten gaan." + +De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn +hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven +in mijn oogen zetten." + +Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden +zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil +naast hem. + +De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen, +drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van +den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?" + +Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende. + +"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg +ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens." + +Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den +weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die +u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem, +waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het +stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet +genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?" + +"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil +alleen weten, waar ge uw meester hebt." + +Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen +voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven," +riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de +poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn +verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels. + +"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn," +zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het +zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen +onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen? + +Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met +grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken, +dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is, +nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen, +dat men over hem spreekt." + +Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en +kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't +Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten +keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs +wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten, +niet te keeren stroom. + +"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome +zijn stille lusthoven in vergelijking met deze." + +Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden +hen wachtten. + +"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan +te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen +raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt +wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor +na middernacht." + +Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard +en gaf dit over aan een der slaven. + +Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad. + +Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het +hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins +breeder straat, die zij bijna bereikt hadden. + +"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen, +dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze +herberg aan." + +Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den +eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de +straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort +der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een +gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden. + +Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die +de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat +over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten +onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat +niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in +zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen +van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele +met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee, +onder kreten, die de ooren verscheurden. + +"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend +toch een helper in den uitersten nood!" + +Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij +waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen +om hem te bevrijden. + +Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die +gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar +houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor +dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den +grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand +zijn gezicht kon zien. + +Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den +zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op, +dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn +hoofd gedrukt was. + +"Wie is die man?" vroeg zij. + +Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer +maken wou." + +"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is," +zei de oude vrouw weemoedig. + +De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De +beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen +daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij +dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich. + +Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden +moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een +paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene +te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te +dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk +vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten. + +Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht +zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn +voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar +bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet +en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen +trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende +oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was. + +Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als +in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol +majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen +door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien +vreemden man. + +"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem +een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze +vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen +gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden +zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen, +om hem aan zijn beulen te ontrukken. + +De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was, +alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen, +die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte +zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht. + +De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl +haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij +haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn +hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt, +zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om +de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren +de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den +gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij +hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen +hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij +bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen +haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren, +had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en +zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet +sterven, hij kan niet sterven!" + +Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd +werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit +hun handen rukken. + +Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling +en een onmacht overvallen. + +Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande +te houden. + +Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg +haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een +barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude +een bed op den steenen vloer. + +Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die +haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest +gaan liggen. + +"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad +zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij +is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom +niet overwonnen wordt." + +"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de +koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij +niet verbazen als we een hevig onweer kregen." + +Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met +rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen +van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien, +terwijl hij op haar ontwaken wachtte. + + + + +VII. + +De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had +den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen. + +Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de +mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer +geplaveid was en met edele gewassen beplant. + +Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en +gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met +lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde +aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos +op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en +pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele +van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis. + +Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging +staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden. + +Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet, +dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij, +die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen +kan van al ons lijden?" + +Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals +paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen +afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus +heeft hem gedood." + +Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen +op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door +medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze +was beginnen te schreien, was ze wakker geworden. + +Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van +haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed +als een markt was. + +En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en +zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die +naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen +die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en +meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en +meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden +over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die +zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En +weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken. + +Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het +dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk +werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun: +"Wat verlangt ge?" + +Toen begonnen allen te roepen en zeiden: + +"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden +is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?" + +Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van +de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt, +Pilatus heeft hem gedood." + +Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk +als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen +zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot, +en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te +wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer. + +Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op +het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op +de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte +bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden. + +Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade, +die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats." + +Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien +van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen." + +Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen +en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout +sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar +de balustrade en keken naar beneden. + +En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag +neer op de binnenplaats. + +Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme +gevangenen van de wereld. + +Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd +met zware ijzeren ketenen. + +Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen +aansleepen met hun mokers. + +En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware +roeiriemen van ijzer gesmeed. + +En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met +hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen. + +Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen +en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven, +die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van +geeselslagen. + +Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe +open!" + +Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg +hun: "Wat is het dat gij verlangt?" + +En dezen antwoordden als de anderen: + +"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen +is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk." + +De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht: + +"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood." + +Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die +ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij +voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend +van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte. + +Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei +in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen +nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef +te zien." + +Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap +haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en +was ingeslapen. + +Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar +zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal. + +Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade, +die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan +te wachten." + +Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel +ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar +ik ben." + +Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die +buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op +het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind. + +Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer +zag zij, dat de plaats vol menschen was. + +En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond +waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen +en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele +plaats er door overstroomd werd. + +En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden +op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun +verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden +riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten. + +Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter +kwam zooals te voren en opende de deur. + +En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat +zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten +Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op +aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken +en het zwaard tot een wijngaardmes." + +Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen, +ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier +niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar +zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik +wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op +'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar +schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was. + +Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en +weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had +en was beginnen te droomen. + +Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man, +en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit. + +En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen +zien, die op uw binnenplaats wachten." + +Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen +genoeg gezien." + +Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar +man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis +verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek +gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen. + +"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden. + +Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die +vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen +te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger +was aangekomen. + +Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede +schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk. + +De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar +man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het +kan niemand anders zijn." + +"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk +den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en +luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd. + +Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg: +"Wien zoekt gij?" + +En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth, +die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept +hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen +ander geneesmeester wegnemen kan." + +Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei: +"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden." + +Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats +wachtten en gaf hun een bevel. + +Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol +versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen +sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den +slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn, +als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde +rijkdom geven." + +Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide: +"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet +worden vervuld." + +Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen +haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van +juweelen glinsterde. + +En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de +macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter, +als hij mij maar volgt en Tiberius geneest." + +Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het +staat niet in mijn macht u te helpen." + +Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met +een gouden hoofdring en een purperen mantel. + +"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te +benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te +geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens +den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt +en Tiberius geneest." + +Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak +jammerend: + +"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt, +is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood." + + + + +VIII. + +Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar +slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij +was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij +de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen, +dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger. + +"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw. + +"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het +rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is." + +Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze: +"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?" + +"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde +dadelijk een der slavinnen. + +"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt," +zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het +paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren." + +Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was +aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich. + +Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot +koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem +moet laten kruisigen." + +Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer +verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier +vandaag een ontzettend ongeluk." + +Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was, +begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen, +zoodat ze zei: + +"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd, +zal ik trachten hem die te brengen." + +Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een +wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht. + +Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen +hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar +de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had +Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in +Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge +leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen. + +Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd +zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen. + +Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de +landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden +had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch +landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen +van een vrouw. + +Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar +een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man +dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten." + +Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten +troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een +onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten. + +Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is +dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?" + +Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't +Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat +over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat +alles eentonig grijs scheen. + +Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur. + +"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een +rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart." + +Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge +vrouw toe. + +"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat +de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge +een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat, +al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven +is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden +verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt." + +Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat +dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans +niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood +veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen +verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang +nog de oude Tiberius..." + +Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden, +dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij +hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen. + +Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten +zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte, +onmogelijk ontgaan. + +"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het +u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu +eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren, +wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de +bedoeling te begrijpen." + +Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene +visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij +lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun +voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de +landvoogd zelf. + +Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is +meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn +oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert +mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van +den landvoogd." + +"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke +ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij +mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door +de goden gezonden." + +"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den +Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de +jonge redenaar toe. + +De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak: +"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener +bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij +hem in 't leven vindt." + +Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen +tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en +profeten geworden waart." + +Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien +niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een +ijlbode zondt." + +"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de +landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't +land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk, +omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad." + +"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien +heb," zei de jonge redenaar. + +"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen," +zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich, +zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen, +hem niet had kunnen helpen." + +Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis +als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed +het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd +staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde +men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen +en vallende pilaren. + +Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd +een slaaf. + +"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet +van Nazareth van het kruis genomen moet worden." + +De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal +naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de +aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen +wachtten op de terugkomst van den slaaf. + +Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan. + +"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze. + +"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf, +kwam de aardbeving." + +Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de +buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er +een nieuwe aardbeving gekomen was. + +Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en +Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te +vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken." + +Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden +gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich +van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk +gekomen is. + + + + +IX. + +De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer +opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde +zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de +vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: "Als er barmhartigheid bij +de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen +armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is." + +Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid +naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was +op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna +gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling. + +Maar Tiberius zei alleen: + +"Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven +in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars +en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt +opgedaan?" + +Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet +van Nazareth verwacht had. + +"Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor +meendet dat het nutteloos zou zijn?" + +"Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit," zei de keizer. "Waarom zou +ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?" + +Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had. + +"Dat is weer uw oude listigheid," viel zij uit. "Dat is juist wat ik u +'t allerminst vergeven kan." + +"Ge hadt niet bij mij terug moeten komen," zei Tiberius. "Ge hadt in +uw bergen moeten blijven." + +Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls +getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn +van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat +ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze +nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen. + +"Maar de man was werkelijk een profeet," zei ze. "Ik heb hem +gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij +een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan." + +"Ik ben blij, dat ge hem sterven liet," antwoordde Tiberius. "Hij +was een Majesteitsschenner en een oproerstichter." + +Weer was Faustina bijna boos geworden. + +"Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken," +zei ze. "Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet +begaan." + +"Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch +zeker niet beter dan iemand anders," zei de keizer mat. "Waar is de +mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient." + +Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen, +waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was. + +"Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven," zeide ze. "Ik zei +u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat +is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een +oogenblik bekijken?" + +Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop +flauw het beeld van een menschengezicht. + +De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: "Die man +zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat +was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen, +zoo dikwijls ik het zie." + +De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen +geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de +smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals +het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het +voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, +en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen. + +Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam +het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij +opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden +tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze +hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd. + +Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. "Is +dit een mensch?" zei hij, zacht en week. "Is dit een mensch?" + +Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over +zijn wangen te stroomen. "Ik treur over uw dood, gij onbekende," +fluisterde hij. + +"Faustina," riep hij eindelijk uit, "waarom hebt gij dien mensch +laten sterven! Hij zou mij genezen hebben." + +En weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld. + +"Gij, mensch!" zeide hij na een poos. "Als ik van u mijn gezondheid +niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand +rusten op hen, die mij u ontstolen hebben." + +Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden +en viel voor het beeld op de knieën. + +"Gij zijt de mensch!" zei hij. "Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit +te zullen zien." En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht +en verteerde handen. "Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters, +maar gij zijt de mensch!" + +Hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld, dat hij den grond raakte. + +"Erbarm u over mij, gij onbekende," zei hij, en zijn tranen +bevochtigden de steenen. "Als gij in 't leven gebleven waart, zou uw +aanblik alleen mij genezen hebben." + +De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. 't Was beter +geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende +zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot +zou zijn als hij het zag. + +En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het +beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen. + +Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, +en hij was zooals hij vroeger geweest was. 't Was alsof de ziekte +wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in +zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik, +dat hij liefde en medelijden voelde. + + + +Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af. + +De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een +onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina +zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij +het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde. + +De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen +en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om +hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord +hadden, schreiden ze stil en de man zei: "Ik weet, dat ik er heel +mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee +elkaar hadden ontmoet." + +Maar de vrouw antwoordde: "Het kon niet anders zijn. 't Was een te +groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer, +wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen." + +De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus' +leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen, +die de gekruiste gepredikt had. + +Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar +sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel +van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica, +omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun +Verlosser te brengen. + + + + + + + +VOGEL ROODBORST. + + +Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld schiep, toen Hij +niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen +en ze te gelijk een naam gaf. + +Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende, +zou men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan, +kunnen verklaren. + +Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de +vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte, +zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve +Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd. + +En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij +maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het, +zoodra hij een paar stappen op de wei in 't Paradijs gedaan had, +en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze +Lieve Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei: +"Je naam is ezel, ezel, ezel!" + +En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het dier wat uit opdat +hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei. + +Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen +werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren, +die merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er +van proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar +giftigen angel allen weg, die bij den honig kwamen. + +Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte haar. + +"Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het liefelijkste wat +er in de schepping is," zei Onze Lieve Heer; "maar daarom gaf ik je nog +niet het recht om hard tegen je naaste te wezen. Onthoud het nu goed: +als je iemand steekt, die je honig proeven wil, dan moet je sterven." + +Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar +vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag. + +Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te scheppen +en in 't leven te roepen. En tegen den avond viel het Hem in om een +kleinen, grauwen vogel te maken. + +"Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei Onze Lieve Heer tot +den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn open hand en +liet hem vliegen. + +Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde +bekeken, waarop hij leven zou, kreeg hij ook lust om zich zelf te +bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn borst +was even grijs als al het andere. + +Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water, +maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken. + +Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer +zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders +te voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn +schouders en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leliën +en duizendschoonen. + +'t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in lichte +bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en +eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand. + +Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte. + +"Ik wil U maar één ding vragen," zei de kleine vogel. + +"Wat wilt ge weten?" vroeg Onze Lieve Heer. + +"Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben, van +mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik roodborstje +genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?" + +En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine +zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten, +heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige +roode halskragen, hanen met roode kammen, om niet te spreken van +vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk dacht hij er aan hoe +weinig er maar noodig was,--maar een klein droppeltje verf op zijn +borst--om hem tot den mooien vogel te maken, waar zijn naam voor paste. + +"Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs +ben?" vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve Heer +zou zeggen: "Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je borstveeren +rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het klaar." + +Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je +roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf +maar zien, dat je je roode borstveeren verdient." + +En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw +uitvliegen. + +De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een kleine +vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen? Het +eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen. Hij +ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het was +alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou +zetten en die kleuren. + + + +Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den +heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd hadden menschen en dieren +het Paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. En de menschen +waren zoover gekomen, dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en +de zee te bevaren. Zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft, +ja, ze hadden al lang geleden geleerd, groote tempels en machtige +steden te bouwen zooals Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe +dag, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde. + +En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen, +kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn jongen, +die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik. + +Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren +scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle +roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord +heeft en uitging uit Gods Hand. + +"En zie nu eens," besloot hij treurig. "Zooveel jaren zijn +voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels +zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat niemand +ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze +vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen." + +De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen +niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die +onschatbare roode kleur te verwerven. + +"We hebben allen gedaan wat we konden," zei het vogeltje; "maar het is +alles mislukt. Het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen +vogel, die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk zóó hevig +lief te hebben, dat hij zijn borst voelde gloeien. + +"Och," dacht hij toen, "nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van +Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat mijn borstveeren +rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart woont." Maar het +mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook +mislukken zal. + +De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren, +dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren. + +"Wij hebben ook op het zingen gehoopt," zei de oude vogel, nu in lange +gerekte tonen sprekend. "Reeds het eerste roodborstje zong zoo, dat +zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen. "Ach," +dacht hij, "het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn +borstveeren rood verven zal." + +"Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals +het ook u mislukken zal." + +Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de +jongen gehoord. + +"We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid," zei de +vogel. "Reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en +zijn borst vlamde van strijdlust. "Ach," dacht hij, "mijn borstveeren +zullen rood worden van den strijdlust, die gloeit in mijn hart." + +"Maar 't mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals +het ook u mislukken zal." + +De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden +beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude +vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij +dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden +kunnen bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en +vechten. Wat konden.... De vogel hield midden in den zin op, want uit +een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen +en de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn +nest had. + +Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange speren, +beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig voorttrekkende +priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles een troep +wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke huilende +bende straatslijpers! + +De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij +vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden +en zijn jongen gedood. + +"Wees voorzichtig!" riep hij den weerloozen diertjes toe, "kruip +bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat gaat dwars +over ons heen, daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen, +daar komt de heele woeste bende aanstormen." + +Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil +zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde. + +Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn +jongen uit. + +"Neen, dat is al te vreeselijk," zei hij, "ik wil niet, dat jelui +dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die gekruisigd moeten +worden." En hij spreidde de vleugels uit, zoodat de kleinen niets +zien konden. Ze hoorden alleen dreunende hamerslagen, jammerkreten +en het wilde gejoel van het volk. Het roodborstje volgde het heele +tooneel met oogen groot van ontzetting, hij kon de blikken niet van +de drie ongelukkigen afwenden. + +"Wat zijn de menschen wreed," zei de vogel na een poos, "het is hun +nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen, maar +ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe +doornen gezet." + +"Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat zijn +bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zoo heerlijk en ziet om +zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem lief moet hebben. Het +is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem lijden zie." + +Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man, +die de doornenkroon droeg. + +"Als ik mijn broeder de arend was," dacht hij, "zou ik de spijkers +uit zijn handen rukken, en met mijn sterke klauwen al die menschen +op de vlucht jagen, die hem pijnigen." + +Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide +en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven. + +"Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen +gemartelde doen," dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op +in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen. Hij +zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen, want +hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een mensch +te naderen. + +Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met +zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde +gedrongen was. + +Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den +gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en +verfde al zijn teere borstveertjes. + +Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe: +"Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw geslacht +naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld." + +Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe: +"Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen." + +"Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man, +die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron." + +Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van +zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende +roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst +van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag. + + + + + + + +ONZE LIEVE HEER EN DE HEILIGE PETRUS. + + +Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus +pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben +rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge +kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken, +dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over +de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een +bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs +rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een +dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat +men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en +duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest +zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een +reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest, +dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te +twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest +voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor +dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer +bestuurder van de heele wereld was. + +En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen, +dat hij daar blij om was. + +Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en +Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden +hadden moeten zijn. + +Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer +te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een +hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te +maken hadden. + +Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den +berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog +verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders, +en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter +zich gelaten. + +Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder +boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om +reizigers in nood te kunnen helpen. + +Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen +en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en +daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks +een steenbok vooruit kon komen. + +Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat +doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich +gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd +had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou. + +Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken +voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het +doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een +stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar +niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op +den berg gekomen. + +Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren. + +"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien, +dat u moed zal geven om alles te verdragen." + +Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos +hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen. + +"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge +kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien +van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs, +en hier wonen de zaligen." + +Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig +uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze +Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen +schijn van zon en sterren." + +Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze +Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij +boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het +Paradijs viel. + +En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel +en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd. + +Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar +de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de +Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den +dood overwint." + +En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw +begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets +anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen +verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk +en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met +beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen. + +Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs +geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon +zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een +groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken, +en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen +had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den +heiligen Petrus opzoeken. + +Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den +grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren +verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem +zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak +hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de +bekommeringen der aarde samen rondwandelden. + +"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer. + +Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen +antwoord kon geven. + +"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer +opnieuw. + +Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich +de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen +Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn +eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel, +dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij +deed en Hij werd ook niet boos op hem. + +"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als +te voren en met nog grooter liefde in zijn stem. + +Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat +hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen +Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen. + +"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige +Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven." + +En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al +zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof. + +"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst +moet ge mij zeggen wat u mishaagt." + +"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden +in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus. + +Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid +vervuld was en Hij werd niet boos op hem. + +"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt," +zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt." + +Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig +was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar +dagen geleden." + +"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw +moeder niet hier in het Paradijs gekomen is." + +"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart +zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren. + +"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen," +zei hij. + +Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde, +werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus +was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit +aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen, +die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of +een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den +heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was, +dat zij de zaligheid niet kon genieten. + +"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder +zich gelukkig zou voelen bij ons?" + +"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren," +zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?" + +"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen," +antwoordde Onze Lieve Heer. + +"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen," +zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht. + +En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een +felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij +bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou +toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste, +maar hij wilde niet toegeven. + +Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de +hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen. + +"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige +Petrus. + +Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van +een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij +wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in +de hel te kunnen zien. + +Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet +meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was +alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende. + +Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds +op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis +naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels +uitspreidde om niet al te snel te vallen. + +Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister +wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs +op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de +verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd +door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij +werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was. + +"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij. + +Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde +oogen. + +"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan," +zei Hij. + +Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon +doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de +engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk +werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag. + +Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse +punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte +waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van +leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen +opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren +gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen, +dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend +van wanhoop. + +De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen +uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend +naar boven gericht. + +Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust +een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen, +zonder te probeeren er uit te komen. + +Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het +was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit +lichamen en hoofden. + +En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar +niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer. + +Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van +zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den +engel behoefde te zijn. + +Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn +moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de +vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl +hij haar opzocht. + +Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den +engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep: +"Neem mij mee, neem mij mee!" + +En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en +millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog +op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan, +dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen. + +Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus +en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield +zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer +vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na, +zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd. + +Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog +gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot +bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde +verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen +sloeg en haar ophief. + +"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij. + +Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen +Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn +vreugde over te geven. + +Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap, +omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen +zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag, +dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het +toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan +haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het +waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en +de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was, +zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden. + +Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij +scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte +zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong +vogeltje naar den hemel droeg. + +Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de +onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los, +zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel. + +De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de +oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij +zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander +en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de +geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen. + +Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid +te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze +begonnen was. + +En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate +zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen, +dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel. + +Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van +den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing +en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan +naar het gezegende Paradijs. + +Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige +Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem +voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen +om op den berg te zijn. + +Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn +aangezicht werd duister als de nacht. + +Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen +van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot +het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu +ook vrij van deze laatste gemaakt had. + +Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen, +alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan. + +Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen +lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem +een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met +een enkelen wiekslag tot in het Paradijs. + +Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en +Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem. + +"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht, +dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart." + +Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat +voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren +en mijn medemenschen zie lijden?" + +Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de +diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs +bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan +niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze +te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze +dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde, +waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen." + + + + + + + +DE KAARSVLAM. + + +I. + +Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden +was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de +zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij +hield er niet veel van om het uit te oefenen. + +Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij +een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een +zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen +van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis, +waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven +te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond, +brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in +te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak +de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was +balken en stutten te halen, om het te steunen. + +Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit +in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon +krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep +hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan, +waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht +hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij +vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met +zijn tegenstanders. + +Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond +grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet +beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen +genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er +een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders. + +Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren +was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde, +en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen +zou zijn. + +Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard +voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou +mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene +litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten, +en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws. + +Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti, +een wijs en machtig man. + +Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als +Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca +had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met +iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming +gaf, had hij tegen Raniero gezegd: "Ik meen opgemerkt te hebben, +dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan +die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het +zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het +haar niet beletten zult." + +Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze +Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar +Raniero gaf die belofte dadelijk. "Daar kunt ge zeker van zijn, +Jacopo," zei hij; "dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van +mij weg wil." + +Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen +beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval, +dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige +dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend +en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op +een moeilijker doel te schieten. + +Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel, +die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde +aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond +toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen +hij opvloog, in de lucht. + +Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen, +die het maar hooren wilde. + +Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had, +werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij +iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf +het hem spoedig en had hem even lief als tevoren. + +Alles ging nu een poos weer goed. + +De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote +werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te +hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo's werkplaats +en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over. + +Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk +te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn +garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van +het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten +Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen, +dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn +knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk +kon laten gelooven. + +Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid +betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero +daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte +er ook op, als Francisca het hoorde. + +Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing, +als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar +plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot +stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het +was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo +groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was. + +Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: "Er is nog wel +genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken." + +Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren +als in het eerst. + +Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië +geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en +fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar +in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat +er velen waren, die met hem spotten. + +Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was +gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis. + +Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap +viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker, +die tusschen de kool stond. + +Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op +hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich +en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het +eene stuk na het andere afknipte. + +Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was +niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend, +dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen +schaden. + +Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit +rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem +zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen. + +Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is +dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een +groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca's +voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence +had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op, +dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen. + +Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug, +en kwam er mee naar beneden. + +Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over +wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier +zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde. + +Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed, +werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze +zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen +familie dacht. + +"Ik denk aan iets anders," zei Francisca; "en dat is mijn liefde; ik +weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat." + +Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want +Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al +kon verdragen. + +Op Raniero's werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man +had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben +ook na haar huwelijk. + +Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als +ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die +niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van +Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten. + +Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij. + +Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg +en hing zich op. + +Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar +getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als +een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken +afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne. + +Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: "Als ik nog een jaar +bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even +arm als ik vroeger rijk geweest ben." + +Toen besloot ze Raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan +wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou +haten als ze hem nu liefhad. + +Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om +zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen. + +Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette +haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken, +en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten. + +Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats. + +"Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd, +of ze weer onder mijn dak mag wonen," zei hij tot zijn schoonzoon, +"en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen, +volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt." + +Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde +heel kalm: + +"Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw +teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren." + +Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf: +"Ze is vóór den avond alweer bij me terug." + +Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden. + +Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die +reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte +hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef +daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele +stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte. + +Het bracht Francisca niet bij hem terug. + +Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te +dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet +doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in +dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok +weg uit Florence. + +Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij +aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele +heeren. + +Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij +werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de +groote mannen. + +Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een +heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste +en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat +beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero +waren geschonken. + +Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend +waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet +weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist. + +In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige +Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het +Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een +slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht +hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te +bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem +terug zou komen.-- + + + + +II. + +Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote +vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad. + +Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in 't rond +hoorde men gedruisch en gejoel. + +Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en +bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren +konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren. + +Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij +had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren. + +Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest, +die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien +avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger. + +Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in +boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk +van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried +aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken +aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen +meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij +hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer +verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd. + +Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim +waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp +rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de +tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk +verhaal te doen. + +Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid, +en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren. + +"Het gebeurde eens," zei de Nar, "dat Onze Lieve Heer en de heilige +Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs +gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad +om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te +wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar +de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap, +en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld +en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd. + +Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het +Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus +en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn. + +"Waar zou ik tevreden mee zijn?" vroeg de heilige Petrus heftig. + +"Nu," zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, "ik dacht, dat je blij zou +zijn met wat je vandaag gezien hadt." + +Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen. + +"Het is waar," zei hij, "dat ik er jaren lang over geklaagd heb, +dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er +vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven +zooals het was." + +Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop +van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter +belangstelling te luisteren dan in het begin. + +"Toen de heilige Petrus dit gezegd had," ging de Nar voort, terwijl +hij een listigen blik op de ridders wierp, "boog hij zich over de +tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven +Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een +bergdal naar boven stak. + +"Ziet Ge die hoopen lijken daar," zei hij; "en ziet Ge het bloed, dat +op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen, +die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende +brandhoopen?" + +Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden. + +Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls +boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar +nooit toegewenscht, dat zij 't zoo slecht hebben zou. + +Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping +te maken. + +"Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd +hebben met de grootste onverschrokkenheid." + +Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval, +maar hij haastte zich met verder vertellen. + +"Neen, stoor me niet," zei hij, "nu weet ik niet meer waar ik gebleven +ben. O ja, 't is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een +paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te +zien. "Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren," +zei hij. "Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp +heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke +volgelingen te krijgen." + +De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te +lachen. "Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?" riepen +ze. + +"Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet +verdedigt," zei een ander. + +"Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar," zei de Nar. + +"Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was, +het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en +zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan +dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden +en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang, +dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij +zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden +naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de +stad. "Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?" vroeg hij. + +"En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in 't leger een drinkgelag +gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische +danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen +verspeelde men den buit en...." + +"Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden," viel Raniero +in. "Was dat ook niet een groote zonde?" + +De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: "Wacht +maar, dat zal ik je wel betaald zetten." + +"Neen, val me nou niet in de rede," verzocht hij weer. "Een arme Nar +vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: "De heilige +Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel +eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel +antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon. + +"Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen," zei +de heilige Petrus, "en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen +dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets +goeds van terecht." + +"Nar, Nar," zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer +in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand +opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort. + +"Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met +recht bestraft wordt, maar in 't volgend oogenblik boog Hij zich +haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger. + +"De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. "Waar ziet Ge +naar?" vroeg hij verwonderd." + +De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen +Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat +Onze Lieve Heer in 't oog gekregen had. + +"Onze Lieve Heer antwoordde, dat 't niets bijzonders was," zei de Nar, +"maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus +volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien +dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar +buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een +menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit +de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging +het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten +scharen ridders en ledigden de bekers. 't Eenige verschil was, dat er +daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De +heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was +toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel +strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende +hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En +hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen, +'t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof, +met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen, +met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem." + +Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te +gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over +henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid. + +"Je bent een brutale kerel," zei Raniero, "laat ons nu eens hooren +waar je heen wilt." + +"Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets," ging de Nar voort, "dat maakte, +dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den +heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een +van de ridders een brandende kaars naast zich had." + +Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd +nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware +wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om +te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken. + +"De heilige Petrus zag nu," vertelde de Nar, "dat hoewel de tent +overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende +kaars naast zich had. 't Was een groote dikke kaars, een die er op +berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen +kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar +gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden." + +'t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen +op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was +als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd, +want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige +Graf had aangestoken. Hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen, +die uit te laten gaan. + +"Toen de heilige Petrus die kaars daar zag," zei de Nar, "werd het +hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch +kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben." + +"Nu ja," zei hij, "dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong +na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen +mocht aansteken aan het Heilige Graf." + +"Ja, zoo is het," zei Onze Lieve Heer, "en zooals je ziet, heeft hij +zijn kaars nog aan." + +De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op +Raniero wierp: "De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje +medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. "Kunt Ge niet begrijpen +waarom hij die kaars nog aan heeft?" zei hij. "Ge meent zeker, dat +hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij +denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend +werd als de dapperste in 't leger naast Godfried van Bouillon." + +Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel +boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen +het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen +verdragen. + +"Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen," zei de Nar. "Zie je niet +hoe bang hij voor die kaars is?" vroeg Hij. "Hij houdt de hand voor +de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze +uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen, +die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen." + +Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere +waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij +voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige +kaarsvlam schertste. + +"De heilige Petrus was nog wantrouwend," ging de Nar voort. "Hij +vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, "hij hoort +juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje +verslijten." zei hij. + +Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. "Heilige Petrus, +heilige Petrus," zei hij. "Onthoud nu, dat die ridder daar vromer +dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan +als 't niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en +noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien +verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt." + +Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero's karakter +en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn +die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den +Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel, +die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was, +dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er +op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn, +zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren, +eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was, +had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite +niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. "Ik zal +hem op een anderen keer wel krijgen," dacht hij, en ging weer zitten. + +De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot +Raniero en wilde de scherts voortzetten: "Er is toch één ding wat zeker +is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je +in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen." + +Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte +niet volgen zou. + +"Nergens anders om," zei de ridder, "dan dat het kostbaarste wat je +gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het +heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die +kun je toch niet naar Florence zenden." + +Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming, +dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een +eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager +en zei tot hem: "Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis, +morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam." + +Maar de wapendrager antwoordde knorrig "neen" op dit bevel. "Dat is +iets wat ik niet op mij nemen wil," zeide hij. "Hoe zou het mogelijk +zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn, +voor ik buiten de legerplaats was." + +Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van +allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op +te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten +waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek, +dat geen van Raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero +geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn +geduld en riep uit: "Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht +worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen." + +"Bedenk u wel voor gij zooiets belooft," zei een ridder, "gij laat +hier een vorstendom achter." + +"Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen," riep +Raniero, "ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd." + +De oude wapendrager verdedigde zich: "Heer, voor u is het iets anders, +gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden." + +Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. "Ik +zal ook alleen reizen," zei hij. + +Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden +met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren. + +"Waarom lach jelui niet meer?" vroeg Raniero. "Die onderneming is +maar een kinderspel voor een dapper man." + + + + +III. + +Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te +paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen +had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren +kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij +was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed +paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel +had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de +vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero +reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles +goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om +Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed +voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam +gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de +dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog +mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero +was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde. + +Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort, +ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend +schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten, +die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen. + +Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was +heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo +gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen. + +Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de +kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero +ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt +was om uit te gaan. + +Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het +paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit +het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat +hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die +manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de +tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen +hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel +opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren +geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel +kale heuvels. + +Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende +mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en +plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero, +die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd +hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen, +ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag +dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen +te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen +kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de +fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo +spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen +uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen +hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het +hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde, +maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen +weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd, +als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen. + +De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met +het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij +namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn +geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de +beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen +zijn kaars niet uit. + +Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe +goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te +krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn +voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden." + +Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf, +alsof het van hout was. + +Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard +ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die +kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden +als een dwaze bedelaar." + +Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de +onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk +verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust +niet kon weerstaan het door te zetten. + +Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele +heuvels om zich heen. + +Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten +hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht +hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?" + +De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem +door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen +zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij +snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was +zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder +verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe +om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar, +maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag +dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed +om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan +den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en +op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden +doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem. + +Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige +hield, die boete deed. + +Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van +den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust +doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt +om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de +gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw +aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden +met ladingen levensmiddelen. + +Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden, +met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!" + +De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn +eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!" + +Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd +hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens +sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen +te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen +gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op +den weg. + +Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je +"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars +keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij, +dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit, +maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij +en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het +gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan. + +"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht +hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij +was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk, +dat zijn tocht hem zou gelukken. + +Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die +de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote, +overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen, +waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers, +maar de menschen moesten bij de dieren slapen. + +'t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats +voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een +middagmaal aan hun heer. + +Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik +begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben +door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker +door de wereld, als men mij voor een gek houdt." + +Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos +stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling +niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar +nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij +strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot +den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars, +hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens. + +"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij +probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was +en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had. + +Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel +van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met +iets wat hij zich voorgenomen had. + +Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het. + +Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met +een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest +u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar +hier hebt gij ze weer." + +Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig +van u dat gij ze uitgedaan hebt." + +"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen +gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze +zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult +gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft." + +Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed +verder in de beste stemming. + + + + +IV. + +Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van +Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de +roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen. + +Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust +van Syrië. Vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland +van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En +van daar was het nog ver tot Florence. + +Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de +pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood +met hem deelden. + +Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet +lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was +daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een +waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed, +en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het +hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij +had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als +een kaarsvlam. Dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest, +dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had. + +Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem +onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had. + +"Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb," +zei hij. + +Op een avond reed Raniero een stad binnen. 't Was avond en de +huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero +zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij +herinnerde hem aan Francesca degli Uberti. + +Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had +loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als +een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat +ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij +was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van +overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen +waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was, +dat hij haar zou terugwinnen. + +De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat +hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan +in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen. + +Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij, +dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den +berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere +menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch +heiligengraf. 't Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met +een gewelfd dak. Hij vond, dat het 't beste was, daar zijn toevlucht +te nemen. + +Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een +sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het +zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist, +dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat +het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen +en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg, +heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor +'t altaar van de Heilige Maagd. + +'t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en +zag hij de bliksemstralen. + +En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak +een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij +het heilige licht hoefde te gebruiken. + + + +Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in +Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich +meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had +zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke +gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was +zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht +naderen zou. + +Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand +verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op +en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op +dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn. + +Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam +sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van +pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg +naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder +hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den +berg op. + +Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar +kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de +kaarsen, die ze droegen. + +Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de +kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige +vlam was aangemaakt. + + + +Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in +een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem +tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon +het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen +hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat, +en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit +zou zijn. + +Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag +dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen +en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de +wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut. + +Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen +strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze +te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze +vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang +voor hem waren maar hij dacht: "Dat is omdat ze weten, dat ik nergens +anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom +zijn ze niet bang voor mij." + +Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit +het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In +die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en +troubadour was. + +Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand +aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: "Een +gek! een gek!" maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan: + +"Hebt ge lang op deze wijze gereisd?" vroeg hij hem. + +"Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen," antwoordde Raniero. + +"Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?" + +"Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem +ging," antwoordde Raniero. + +Toen sprak Robert Taillefer tot hem: "Ik ben ook een van hen, die een +vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt +gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen, +mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven." + +Toen antwoordde Raniero: "Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het +ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen +zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een +liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge +ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag. + +"Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen +vreugde smaken. Maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden +tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig +kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt, +ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het +volgend oogenblik de vlam u begeeft." + +Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: "Wat ge voor uw +vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne." + + + +Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen +in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg +hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. "'t Vuur is bij mij +uitgegaan," zei ze, "mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur, +zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken." + +Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een +afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam +werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd. + +Toen sprak de vrouw tot hem: "Geef mij vuur, pelgrim, want het leven +van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden." + +En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp +aansteken aan zijn vlam. + +Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de +bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op +den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam +aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en +wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine +viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich +de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en +stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan. + +Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: "Gij zegt, dat de vlam +die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij +zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?" + +"Waar werd uw vlam aangestoken?" vroeg de vrouw. + +"Die werd aangestoken op het graf van Christus," zei Raniero. + +"Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en +menschenliefde," zei de vrouw. + +Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge +apostel voor zulke deugden. + +Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag, +dat hij in de nabijheid van Florence was. + +Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam +af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit, +verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina +had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij +het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar +overwinningen en veroveringen. + +Toen merkte Raniero, dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die +herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen. + +Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was, +die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen, +zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig +waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde +blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen +arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats +in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te +maken. "Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd," dacht hij, +"ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft." + + + + +V. + +Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed. Nauwelijks was +hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de kap over het +gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een bedelaar +stond op en riep het gewone: "Pazzo! pazzo!" + +Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief, +die in lang geen ander werk gehad had, dan op zijn rug te liggen en +naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen hetzelfde: +"Pazzo! pazzo!" + +Daar ze nu met hun drieën aan het schreeuwen waren, maakten ze leven +genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen aanrennen +uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn versleten +mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: "Pazzo! pazzo!" + +Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten, +zonder op het geroep te letten. + +Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op +en trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de +hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens +te ontkomen. + +Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om +het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam +te beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op +elkaars rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen +naar de kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar +verdrongen, dat het hun niet lukte de vlam te dooven. + +Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan +de vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn +kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren +op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel. + +Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars +te beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren +gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een +martelaar. De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat +krioelde van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te +nemen. De vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden +met hun baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen. + +Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een +vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en +ging er haastig mee naar binnen. + +'t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen, +maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond; +toen hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig +ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard +was de eenige, die bij hem bleef staan. + +Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli Uberti +uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog mooi, +haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep. + +Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was +bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem +een schok door de leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote macht over +hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze: "Hier +is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe graag je +die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te helpen." + +Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon langzaam +op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was bijna +weer gevallen. + +Toen beproefde hij op het paard te komen. + +Francesca hielp hem. + +"Waar wil je heen?" vroeg zij, toen hij eindelijk in 't zadel zat. + +"Ik wil naar de domkerk," zei hij. + +"Dan ga ik mee," sprak ze; "want ik wil naar de mis." + +En ze nam het paard bij den teugel en leidde het. + +Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar Raniero +zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te zien. Hij +hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd. + +Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de +kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten +zou. Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde +weten wat ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero +krankzinnig thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd +was, wilde zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid +daarvan bespaard bleef. + +Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide, +maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen +haar. Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken. + +Hij liet zich naar de sacristy brengen. + +Daar steeg hij van 't paard. Hij ging alleen de sacristy in, naar +den geestelijke. + +Francesca ging de kerk binnen. + +Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren +onaangestoken ten teeken van rouw. + +Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder +vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was. + +In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters +bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop +vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de +geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis +tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten +laatste ging ook de bisschop. + +Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor +en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri +naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde +wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem +bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca +had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden +terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke sprak lang en goed. Hij +zei ten slotte met luider stem: "Nu kan het wel is waar een kleinigheid +schijnen, dat een kaarsvlam hier naar Florence gebracht werd, maar ik +zeg u, bidt God, dat hij Florence veel dragers van het heilig vuur +zendt, dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder +de steden." + +Toen de geestelijke zijn toespraak geëindigd had, gingen de hoofddeuren +van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der haast +geordend was kunnen worden, trok naar binnen. + +Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door +de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en +naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis +gedragen had. + +Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond een +oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een gezel, +dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had +om oneenigheid met hem. + +Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei +hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren: + +"'t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat Raniero met heilig +vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger nooit gehoord of +beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk +is. Daarom zou ik willen vragen dat men 't heele volk bekendmake +met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft meegebracht dat dit +werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is aangestoken." + +Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: "Nu helpe mij God! Hoe +kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen en +wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen." + +"Raniero is een eerlijk ridder," zei de bisschop, "en wij gelooven +hem op zijn woord." + +"Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden," zei +Oddo. "Hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben. Zijn pages +kunnen wel voor hem getuigen." + +Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar voren +en ging op Raniero toe: "Wat hebben wij getuigen van noode?" zei +zij. "Alle vrouwen in Florence willen er op zweren, dat Raniero de +waarheid zegt." + +Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar +dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam. + +Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat Raniero +de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen +had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden. + +Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. "Ik denk +wel, dat allen weten, dat er geen al te groote vriendschap bestond +tusschen mijn schoonzoon en mij," zeide hij, "maar nu willen toch +mijn zonen en ik allen borg voor hem staan. Wij gelooven, dat hij +het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat hij die zulk een +onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en edelaardig man is, +dien wij met vreugde in ons midden opnemen." + +Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk, dat +hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte groep +en 't was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet wilden opgeven. + +Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk +zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op +zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon. + +Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel +hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een +nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht +aansteken? Oddo's woorden waren een doodsteek geweest. Nu de twijfel +eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had een +gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen. + +Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het +vloog recht op Raniero's kaars aan. Hij had geen tijd die terug te +trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit. + +Raniero's arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen. Maar in 't +eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting, 't Was beter +dan dat menschen het gedaan hadden. + +'t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward +rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis komen. + +Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: "De vogel brandt! Het +heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken." + +Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een +fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het +snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna. + +Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond +Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem +kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel +verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan. + +Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: "God wilde het! God +heeft voor hem getuigd!" + +En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders, twijfelden +niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen, verrukt over +dit wonder Gods: "God wilde het! God heeft voor hem getuigd!" + + + +Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte +alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was. Maar +de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri, ter +herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd +een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht +en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den +huidigen dag. + +Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk jaar +op den avond vóór Paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan +Raniero's thuiskomst met het heilige vuur, en dat men daarbij altijd +een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen. En dit feest is er +zeker van 't jaar nog geweest, wanneer daar niet pas een verandering +in gebracht is. + +Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig +vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de +heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een +voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren, +te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden. + +Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van +Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen. + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 *** |
