summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44506-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 18:44:19 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 18:44:19 -0700
commit2a45733533c0657f6a946166a9cc9a3e07b04113 (patch)
treef1db8d08a5e261f60f9e3871d12eff43e1dec0df /44506-0.txt
initial commit of ebook 44506HEADmain
Diffstat (limited to '44506-0.txt')
-rw-r--r--44506-0.txt6326
1 files changed, 6326 insertions, 0 deletions
diff --git a/44506-0.txt b/44506-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ad427ab
--- /dev/null
+++ b/44506-0.txt
@@ -0,0 +1,6326 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***
+
+ CHRISTUSLEGENDEN
+
+
+ Naar het Zweedsch
+ van
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ Schrijfster van:
+ "Gösta Berling", "Ingrid",
+ "De Koninginnen van Kungahälla",
+ "De Wonderen van den Antichrist",
+ "Jeruzalem", "Onzichtbare Ketenen".
+
+ door
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+
+ Geautoriseerde uitgave
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De heilige nacht 1
+ Het visioen van den Keizer 11
+ De bron der Wijzen 23
+ De Kinderen van Bethlehem 37
+ De vlucht naar Egypte 69
+ In Nazareth 81
+ In den Tempel 89
+ De Zweetdoek van de Heilige Veronica 111
+ Vogel Roodborst 179
+ Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus 191
+ De Kaarsvlam 207
+
+
+
+
+
+
+
+DE HEILIGE NACHT.
+
+
+Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij
+niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de
+dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in
+den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.
+
+Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
+zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
+stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
+kind had het zoo goed als wij.
+
+Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
+dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
+een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
+verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
+ze: "En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou."
+
+Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
+alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en
+daarvan was het refrein: "Koud waait de wind over de zee".
+
+En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en
+een gezangvers.
+
+Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
+verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik
+'t zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus' geboorte.
+
+Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
+dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis,
+toen zij was heengegaan.
+
+Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond--en toen
+ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik
+nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen,
+bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.
+
+En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen,
+dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor
+al het pleizier, dat zij ons gedaan had.
+
+En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve,
+ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen.
+
+Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
+van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger
+vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open
+kon maken.
+
+En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed
+leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon 't wel
+schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten.
+
+Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
+legenden van Christus verzamel, die ik nu in 't Oosten gehoord heb,
+wordt dat kleine verhaal van Jezus' geboorte, dat Grootmoeder me
+placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over
+spreken en het opnemen in mijn verzameling.
+
+
+
+'t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder
+en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet
+meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het
+speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden
+en de Kerstlichtjes zien.
+
+Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen.
+
+"Er was eens een man," zei ze, "die uitging in den donkeren nacht
+om vuur te leenen. Hij ging van 't eene huis naar het andere en
+klopte aan.
+
+"Ach, vrienden," zei hij, "helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind
+gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"Maar 't was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand
+antwoordde hem.
+
+"De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het
+schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur
+in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen
+te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.
+
+"Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was,
+zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen
+te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden
+de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd
+gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan,
+hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij
+vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in 't been wilde
+bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar
+de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet
+gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond.
+
+"Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de
+schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door
+kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het
+vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich."
+
+Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
+laten haar in de rede te vallen. "Waarom werden ze niet wakker,
+Grootmoeder?" vroeg ik.
+
+"Dat zul je straks hooren," zei Grootmoeder, en vertelde voort.
+
+"Toen de man bijna bij 't vuur was, zag de herder op. Hij was een oud,
+knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij
+den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien
+hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem
+dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij
+hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in."
+
+Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede:
+"Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?" Maar
+Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort:
+
+"Nu kwam de man bij den herder en zei: "Vriend, help mij, en leen me
+wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur
+aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"De herder had 't liefste "neen" gezegd, maar toen hij er over dacht,
+dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen
+niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen
+treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat
+hij vroeg.
+
+"Neem zooveel ge noodig hebt," zei hij tot den man.
+
+"Maar 't vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar
+niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep,
+waarin hij de heete kolen dragen kon.
+
+"Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: "Neem zooveel als gij noodig
+hebt," en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen.
+
+"Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen
+en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet,
+toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
+man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren."
+
+Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: "Grootmoeder,
+waarom wilden de kolen den man niet branden?"
+
+"Dat zul je hooren," zei Grootmoeder, en vertelde verder:
+
+"Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag,
+werd hij heel verbaasd: "Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat
+de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet
+doodt en 't vuur niet zengt?"
+
+"Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: "Wat is dit toch voor een
+nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?"
+
+"Toen zei de man: "Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet
+ziet." En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw
+en kind te kunnen verwarmen.
+
+"Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het
+oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
+beteekenen.
+
+"Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde.
+
+"Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen,
+maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien
+was dan kale, naakte steenen wanden.
+
+"Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou
+kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was,
+werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.
+
+"En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte
+schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje
+daarop moest leggen.
+
+"Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen
+zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had
+kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.
+
+"Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met
+zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en
+allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de
+wereld zou redden uit haar zonden.
+
+"Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad
+wilden doen.
+
+"En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze
+overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs
+den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en
+als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje.
+
+"Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles
+zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen
+onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren,
+dat hij op de knieën viel en God dankte."
+
+Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: "Maar
+wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht
+vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden."
+
+En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: "Dat moet
+je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
+jou. 't Zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in
+zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods
+heerlijkheid kunnen zien."
+
+
+
+
+
+
+
+HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.
+
+
+Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning
+in Jeruzalem.
+
+Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
+neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had;
+men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen
+was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men
+kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders,
+want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren
+thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.
+
+En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
+staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
+hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
+gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
+sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
+hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich
+onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde
+niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet
+haar geuren uit te ademen.
+
+In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
+blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
+levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
+willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper
+zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.
+
+Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
+keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
+het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren
+den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde,
+dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord,
+dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun
+wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld
+door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.
+
+Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
+de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de
+kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of
+soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.
+
+De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk
+duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige
+altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat
+er verder voor het offer noodig was.
+
+Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
+lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den
+nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de
+ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet,
+openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.
+
+Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand
+van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst,
+dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een
+oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de
+rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon
+zijn dan de oude Sibylle.
+
+Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die
+oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet
+bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij
+is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er
+zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist
+vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer
+en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der
+boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen,
+aan wie ze zijn afgezonden?"
+
+Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het
+voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging
+gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat
+aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
+over de oogen, uit in den nacht.
+
+Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
+in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.
+
+Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?
+
+Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis
+was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte,
+wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden
+ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
+zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.
+
+Zij dachten: "Er moet iets vreeselijks gebeuren."
+
+Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
+keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem
+in om den nieuwen god te begroeten.
+
+Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
+en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
+zijn beschermgeest te begroeten.
+
+Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een
+visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen
+was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof
+ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met
+den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij
+boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras,
+maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.
+
+Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
+en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen
+en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de
+kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de
+glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
+waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven
+niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en
+de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.
+
+Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
+berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde,
+de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit
+de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon
+den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich
+vrij en verdween in 't duister van den nacht.
+
+Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
+sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.
+
+Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders
+meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door
+den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang,
+eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.
+
+Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende
+gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen
+engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen
+over de wijde vlakte.
+
+Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
+de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde
+het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle
+krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de
+duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar
+duisteren nacht.
+
+De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
+en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
+ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.
+
+Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
+haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk
+werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich
+overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte
+engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen,
+als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen
+cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen
+en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden,
+stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden,
+om van het wonder te vertellen.
+
+Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
+oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een
+groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den
+bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
+engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
+versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.
+
+Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven
+een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een
+rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven
+en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich
+op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het
+huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de
+lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad,
+ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't
+Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden
+frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke
+geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te
+bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan
+den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
+duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.
+
+Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
+zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen
+zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die
+aangebeden moet worden op het Kapitool."
+
+En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
+zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar
+visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en
+ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond
+was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in
+haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de
+gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde
+rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.
+
+Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
+ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees
+zij naar het verre oosten.
+
+"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte
+opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in
+het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen
+rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In
+den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje,
+dat op een stroobos op den grond lag.
+
+En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.
+
+"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den
+heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden."
+
+Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
+zich had.
+
+Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
+oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
+veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
+een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
+woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:
+
+"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de
+wereld vernieuwt.
+
+"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen."
+
+Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
+mannen, liep langzaam den berg af en verdween.
+
+Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een
+tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte
+hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat:
+"Altaar des Hemels", Ara Coeli.
+
+
+
+
+
+
+
+DE BRON DER WIJZEN.
+
+
+In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en
+verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras.
+
+'t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de
+minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
+veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.
+
+De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar
+Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen
+hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van
+David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen
+tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.
+
+Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
+die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
+uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien
+uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden
+in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de
+opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den
+bodem maakte hem onrein en troebel.
+
+Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
+op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wanneer 't met jou gedaan kan zijn,"
+zei de droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de
+diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er,
+Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."
+
+"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron; "niemand kan me helpen. Daar
+zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn."
+
+"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei de
+droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu
+wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.
+
+Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
+als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
+pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen,
+den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige
+droppels van den bodem.
+
+Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de
+droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte.
+
+"Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zoo
+licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat 't met
+je gedaan is."
+
+De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht,
+die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land
+van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige
+koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen
+eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
+verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.
+
+Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
+kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
+de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
+aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.
+
+De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
+in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
+vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
+kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
+was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk,
+dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan,
+die daar kwam aanzetten in den nacht.
+
+Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
+tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
+schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk
+de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.
+
+Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid
+was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat
+de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en
+dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje,
+en bereden door schoone, voorname ruiters.
+
+De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
+zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen,
+en hun ruiters stegen af.
+
+De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen,
+schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten
+en wonderlijk opeengestapelde pakken.
+
+De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
+door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
+gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
+glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van
+den hemel genomen was.
+
+"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij
+verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."
+
+"Zoo wordt zij vandaag nog genoemd," zei de droogte; "maar morgen is
+het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."
+
+"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is
+dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar
+heeft zij haar naam?"
+
+"Ik weet dat ze heilig is," zei de droogte; "maar wat kan haar dat
+helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."
+
+De drie reizigers zagen elkander aan.
+
+"Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.
+
+"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen," zei
+de droogte trotsch.
+
+"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.
+
+En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit,
+en luisterden.
+
+De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
+sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:
+
+"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn
+ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren
+drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm,
+wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in
+eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
+niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
+melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De
+menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren,
+den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde
+wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige
+wijsheid uit Ethiopië gekomen was.
+
+De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar
+aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des
+nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid
+zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het
+wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten.
+
+Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
+begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
+wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
+wekte de beide anderen.
+
+"Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
+te slapen," sprak hij tot hen. "Ontwaakt en heft uw oogen op naar
+den hemel."
+
+"Nu," zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht,
+dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was
+zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep
+en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde
+er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten,
+sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.
+
+Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen
+een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als
+een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon
+hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen--God late ze alle
+verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en
+het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte
+naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen
+hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
+hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en
+er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig
+stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en
+straalde als de schoonste onder de sterren.
+
+Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
+op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van
+Cyrus en Alexander te boven zou gaan.
+
+En ze zeiden tot elkander: "Laat ons naar den vader en de moeder
+van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
+hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met
+een gouden armband."
+
+Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen
+de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in
+de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke
+woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe
+ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen
+getroost voort met de ster als wegwijzer.
+
+Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
+den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning,
+dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
+edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
+spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
+moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
+macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo.
+
+Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
+zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
+minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
+zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
+behoefden te dragen.
+
+"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei de droogte,
+"en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood,
+maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen
+den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten,
+bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze
+hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende
+boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den
+nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen
+zij verder.
+
+"Voor een mensch," ging de droogte voort, "was het een heerlijke
+wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden
+te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het
+diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den
+heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar:
+"God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten."
+
+"Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging de droogte
+voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn,
+even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren
+trots en verwoestende gierigheid. "Wij zijn Godsgezanten," herhaalden
+de drie Wijzen. "De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet
+te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud."
+
+"Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
+heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de
+stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag
+te schitteren.
+
+"De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren
+en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen
+niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
+stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar
+gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie
+wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen.
+
+"Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje
+van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot
+staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk
+te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te
+verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar
+den heuvel.
+
+"Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?" zeiden
+ze. "Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten,
+en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat
+kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier
+in het dal."
+
+De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb
+ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is
+dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart."
+
+"De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam,
+dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging de
+droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten
+weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden,
+van den heuvel verdwenen."
+
+De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht
+lag een uitdrukking van diepe smart.
+
+"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van 't standpunt
+van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat
+de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij
+tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde de droogte
+bevend verder, "zooals het veld in den herfst, als de sterke regens
+beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel
+werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.
+
+"Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind
+te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
+niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
+smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
+drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over
+het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de
+ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.
+
+"En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen
+opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind
+en zeiden: "Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
+kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
+heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe."
+
+"Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij
+opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een
+koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de
+melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
+zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken
+en koning werden--ieder in zijn eigen land."
+
+De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar:
+"Ge hebt goed verteld," zeiden zij.
+
+"Maar het verwondert mij," zei de eene, "dat de drie Wijzen niets
+voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad
+geheel vergeten?"
+
+"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede
+vreemdeling, "om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat
+verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden
+in het dal van de nederigheid?"
+
+"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft
+de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"
+
+Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
+had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
+zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
+Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
+beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
+dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+DE KINDEREN VAN BETHLEHEM.
+
+
+Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op
+wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange
+speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat
+men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners
+gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw
+onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten
+hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman, maar hij nam
+nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien.
+
+"Dat is niet de moeite waard om naar te kijken," scheen hij te willen
+zeggen. "Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen
+aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat
+zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen
+zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een
+schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas
+vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets
+kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den
+Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang
+naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
+de roode bloeddroppels."
+
+Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
+leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit
+veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
+schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
+voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten,
+en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden
+om naar zooiets onbeduidends te kijken. "Die menschen weten niet wat
+mooi is," dacht hij.
+
+En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
+olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde
+zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag
+een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen
+zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen,
+nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de
+woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen
+met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den
+een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar
+niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
+aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
+terug te gaan.
+
+"Zie, dàt is mooi," dacht de krijgsman, "dat is de moeite waard voor
+een dapper man, om te zien."
+
+Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
+had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
+heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
+begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. "Wat is
+daar voor aardigs aan?" dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen,
+als zij naar de spelen der kinderen keken. "'t Is wonderlijk, dat
+menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben."
+
+Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten
+de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
+oud kon zijn, op 't veld komen om te spelen. 't Was een arm kind,
+met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.
+
+De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
+'t zelf te merken.
+
+'t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over 't
+veld sprong; 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes
+zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij
+nog verbaasder.
+
+"Bij mijn zwaard!" zei hij eindelijk. "Dit kind speelt niet als
+anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?"
+
+'t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat
+deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een
+bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen
+was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon
+opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
+opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
+gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
+knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen
+haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die
+manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den
+heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.
+
+"Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb,"
+dacht de krijgsman. "Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen
+helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den
+koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien,
+als hij in 't leven blijft!"
+
+De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
+de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
+kijken. "Dat is toch wonderlijk," dacht hij. "Ik heb hier nu volle
+drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets
+gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind."
+
+Maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het
+kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
+vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
+gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
+tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
+worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als
+de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou
+kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de
+hand om zijn speer, als om steun te zoeken.
+
+En nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag,
+hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
+was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er
+niet van aan zooiets akeligs te denken.
+
+Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie
+veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken
+neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren,
+die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn
+sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en
+mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg,
+naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken
+troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte
+hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de
+bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden
+en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen
+beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van
+den jongen aanzag. "Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar
+voor zijn," zei hij. "Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat
+niet, die stijve planten zoo te buigen."
+
+Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
+kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
+zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind
+zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek,
+dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de
+eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle
+pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een
+wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. "Kijk nu zoo'n kind eens,"
+dacht hij. "'t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
+kan. Wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien, die niet
+verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou 't gaan als zoo
+iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een
+huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den
+grond te boren met alle manschappen aan boord?" Weer moest hij denken
+aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch
+werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. "Nu er
+zulk een kind gekomen is als dit," dacht hij, "is die vreeselijke tijd
+misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de
+dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen
+alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart
+hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten
+zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald,
+en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er
+zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man."
+
+En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven
+en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen,
+voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend
+met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam.
+
+Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine
+trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel
+onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.
+
+'t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm
+en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
+hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. 't Scheen
+den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn
+oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en 't
+vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was,
+dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen,
+vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te
+verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te
+toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting
+voor de zon behoefde te zoeken.
+
+Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam
+de kleine jongen, die gewoonlijk op 't veld speelde, plotseling naar
+hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde,
+en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het
+bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe,
+bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen
+hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als
+een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê.
+
+"Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor
+mij te halen?" dacht de krijgsman. "Dat is toch al te onwijs! Zou
+een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat
+hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet
+noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij
+en zijns gelijken de wereld uit waren!"
+
+De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
+opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
+hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje
+water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man
+daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.
+
+Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
+water aan.
+
+Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder
+over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
+hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
+eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
+soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde
+hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken,
+dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad
+aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.
+
+Hij zag het niet in 't lieve gezichtje, maar bleef stijf en
+onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
+hem wilde doen.
+
+Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
+wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op
+en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat
+bij het water zou kunnen komen.
+
+De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
+helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.
+
+Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
+zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij
+roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde
+smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet
+oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
+van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer
+op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij
+kon van het water op, dat het in de handjes hield.
+
+'t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg,
+maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had,
+voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm
+en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun
+moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de
+roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.
+
+Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
+neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg
+zich verwonderd af: "Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? 't
+Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen."
+
+Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. "'t Is
+immers maar een kind," dacht hij, "'t weet zelf niet waarom het zoo
+of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst
+vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien
+kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens,
+dat hij me geholpen heeft."
+
+En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
+geïrriteerd tegen 't kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche
+soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag
+komen. "Kijk," dacht hij, "wat ben ik door dien jongen in gevaar
+geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij
+mij met een kind in de armen hebben zien staan."
+
+De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
+of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
+een geheim meê te deelen. "Als wij maar tien stappen van de poort
+weggaan," antwoordde de krijgsman, "dan kan niemand ons hooren."
+
+"Je weet," zei de hoofdman, "dat koning Herodes meer dan eens getracht
+heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn
+profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal
+bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een
+duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt
+dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil."
+
+"Ja, dat begrijp ik," zei de krijgsman levendig, "maar dat moet immers
+de eenvoudigste zaak van de wereld zijn."
+
+"Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn," zei de hoofdman, "als de
+koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde
+was."
+
+De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. "'t Is jammer,
+dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen."
+
+"Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen
+Vredevorst onschadelijk te kunnen maken," ging de hoofdman voort. "Hij
+looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil."
+
+"Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning
+of geschenken," antwoordde de soldaat.
+
+"Ik dank je," antwoordde de hoofdman. "Hoor nu wat de koning van plan
+is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een
+feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen
+de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun
+moeders. En op dit feest----"
+
+Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag,
+die op het gezicht van den soldaat kwam.
+
+"Vriend," ging hij voort, "je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes
+van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij
+mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen."
+
+De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
+verteld had, zei hij: "Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
+grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming
+zal mislukken."
+
+"Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt," zei de krijgsman.
+
+Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op
+zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
+tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
+dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.
+
+Plotseling begon de krijgsman te lachen.--"'t Is waar," zei hij,
+"ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt
+vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd."
+
+De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
+avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten.
+
+Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
+een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.
+
+Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats,
+door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven
+elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest
+voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.
+
+Deze galerij was, evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel,
+zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
+lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
+druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
+granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer
+was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs
+de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage
+divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs.
+
+In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
+waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water
+speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in
+een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.
+
+Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De
+kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid
+in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op
+de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe
+gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen,
+met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op
+de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere,
+wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen.
+
+De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
+genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
+waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
+past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen
+haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen,
+die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.
+
+Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
+bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
+krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
+onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
+gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
+schare verwonderd aan te zien.
+
+"Waarom staan die daar?" fluisterden zij; "meent Herodes, dat we ons
+niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden
+noodig zijn om op ons te passen?"
+
+Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een
+koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis
+vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
+zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.
+
+In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
+onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig
+kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die
+Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor
+zijn kleine gasten geschapen had.
+
+Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
+honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
+hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken
+voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een
+oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek
+van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde,
+die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.
+
+Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat
+zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden,
+die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen
+werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
+gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
+gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten,
+dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich
+nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien
+of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen.
+
+Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten
+stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk
+voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers
+konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen.
+
+Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet
+kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
+een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
+bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
+dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.
+
+Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
+ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
+wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze
+over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
+guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
+verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
+en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
+muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats.
+
+In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
+kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
+van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
+van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
+kreet op de krijgslieden toe.
+
+Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
+ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
+met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
+wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen
+zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen
+te wreken door hun moordenaren te worgen.
+
+Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis
+klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de
+krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen
+onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden
+leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief
+hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind
+te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen
+zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo
+vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of
+terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het
+gevaar van hem voorbij te gaan.
+
+"Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf,"
+dacht de krijgsman, "een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats
+verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan
+had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn."
+
+Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw,
+die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar
+hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog,
+kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van 't gevecht
+waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de
+galerij gekomen.
+
+"Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen," dacht de krijgsman;
+"noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond...."
+
+De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog,
+en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind
+te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in
+haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind
+het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
+boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn
+in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
+verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
+bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem
+die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van
+dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard,
+in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen
+te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
+korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
+moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij
+haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
+verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.
+
+
+
+Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden
+op wacht, dicht bij de stadspoort. 't Was nog vroeg en de zware poorten
+waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat
+zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders
+stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners
+van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien
+nacht, dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten.
+
+"Bij mijn zwaard," zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe
+straat inzag, die naar de poort leidde, "ik geloof, dat Voltigius
+een onverstandig besluit genomen heeft. 't Was beter geweest als
+hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had
+laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt
+is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders
+zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de
+poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist
+hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig
+is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen." En hij
+dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen
+in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of
+in balen met koren op een karavaan.
+
+Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
+trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in 't oog,
+die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard
+en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een
+bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich
+met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde.
+
+Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
+vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder,
+die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij
+den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had. Hij dacht: "Dat
+doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt."
+
+Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind,
+dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog
+geslagen kleedingstuk.
+
+"Ik ben er zeker van dat zij het is," dacht hij, "die mij gisteren
+ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange
+gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder
+zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed
+durven hopen."
+
+De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
+stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
+tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
+krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.
+
+"Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?" vroeg de man.
+
+"Je moogt dadelijk gaan," zei de soldaat; "ik moet alleen maar eerst
+even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt."
+
+"Wat is daaraan te zien?" zei de man, "het is alleen wat brood en wijn,
+waar we vandaag van moeten leven."
+
+"Het is misschien waar, wat je zegt," zei de soldaat; "maar als dat
+zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet
+gewillig zien wat ze draagt?"
+
+"Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te
+laten gaan."
+
+Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
+de hand op zijn arm.
+
+"Neen, ga nu niet vechten," smeekte ze. "Ik zal hem laten zien wat
+ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen."
+
+En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
+den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.
+
+En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
+voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw
+onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een
+schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.
+
+"Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt," zei hij.
+
+"Je ziet nu wat ik draag," antwoordde de vrouw.
+
+Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet
+anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
+veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij
+kon er nauwelijks naar kijken.
+
+Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
+afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
+dan de koele bloembladeren.
+
+Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
+den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep,
+dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.
+
+Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:
+
+"Wil je ons nu laten gaan?"
+
+De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden
+had en trad op zij.
+
+Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
+hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
+glimlach!
+
+"Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar
+zag," zei ze tegen den krijgsman.
+
+En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
+ze in 't gezicht waren.
+
+En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
+dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind.
+
+Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
+uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
+kwamen loopen. "Houd ze!" riepen ze. "Sluit de poort voor hen! Laat
+hen niet ontkomen!"
+
+En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor
+van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn
+huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
+ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
+grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
+'t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had.
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen
+de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een
+woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het
+paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in
+'t zadel en joeg voort over den weg.
+
+
+
+Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn,
+die 't zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen
+van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht,
+waar maar geen einde aan kwam.
+
+"'t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen
+zinken," zei hij morrend. "Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet
+zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had
+kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden,
+dat ik ze nooit kan vinden."
+
+Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij
+vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen
+hem beschermden.
+
+"'t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger
+en dorst omkom in dit eenzame land!" zei hij herhaaldelijk in zichzelf.
+
+Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
+wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu
+al twee keer het kind had laten ontkomen. 't Was niet denkbaar,
+dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.
+
+"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog
+leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de
+krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te
+verzachten--mij aan het kruis zal slaan."
+
+'t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in
+deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in
+'t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de
+ruiter beide waren op 't punt te bezwijken.
+
+Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
+vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer
+dan ooit.
+
+"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het
+de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in
+deze vreeselijke woestijn."
+
+Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den
+weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.
+
+Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de
+grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,"
+dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
+kan hervatten."
+
+Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
+beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.
+
+Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
+als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.
+
+Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman
+iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam
+die mee in de grot.
+
+De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf
+binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren
+een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt,
+in diepen slaap verzonken.
+
+De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat
+zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had
+nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen,
+buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht.
+
+Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
+het slapende kind.
+
+Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en
+mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden.
+
+Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
+zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
+'t bekijken van zijn offer.
+
+Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd,
+want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de
+leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.
+
+"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom
+heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde
+vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht:
+"Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot
+aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen."
+
+Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht,
+verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste
+zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken."
+
+Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
+geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
+die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog
+en om zijn hoofd.
+
+De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
+jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
+die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
+
+Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard
+stil en stond naar de bij te luisteren.
+
+Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
+zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie
+in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën,
+die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het
+een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden
+en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort.
+
+Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.
+
+"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij.
+
+Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
+een diepe blos kwam op zijn gezicht.
+
+"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen
+dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd
+met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den
+jongen vredevorst te vernietigen.
+
+"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft,"
+zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard
+naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen
+zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.
+
+Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie
+oogen aan te zien, die als sterren straalden.
+
+En de krijgsman boog een knie voor het kind.
+
+"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de
+overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt
+degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt."
+
+Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl
+de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen.
+
+
+
+
+
+
+
+DE VLUCHT NAAR EGYPTE.
+
+
+Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange,
+lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de
+woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen,
+want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen,
+dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.
+
+Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien
+over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn
+geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen
+van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee
+eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk
+een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch
+zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de
+palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
+geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.
+
+"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om
+te sterven."
+
+De palm wierp snel een blik om zich heen.
+
+"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet
+vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen
+van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een
+zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de
+slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm
+zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen
+treffen en de vrees ze doen sterven."
+
+En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
+stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
+kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
+jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
+weer aan die twee zwervers denken.
+
+"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste
+vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den
+arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."
+
+De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk
+zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm,
+dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.
+
+"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie,
+dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje
+heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen
+en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn
+vluchtelingen."
+
+"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel
+hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten
+afwachten, dan de woestijn in te gaan.
+
+"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan
+zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten
+gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was,
+heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen,
+heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en
+is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht
+geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan,
+maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....
+
+"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen,
+maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht
+van een dorstig mensch maar al te goed."
+
+En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
+zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
+alsof ze boven het vuur gehouden werden.
+
+"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn
+wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij
+de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig
+zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen
+zooals ik.
+
+"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden
+kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij,
+dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak
+moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in
+mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik
+was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste
+uur geweest zijn."
+
+De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.
+
+"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei
+hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat
+me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar
+die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het
+wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."
+
+En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
+herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende
+schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin
+van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De
+schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had
+haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
+
+"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu
+een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen
+zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan,
+die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de
+pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.
+
+"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de
+palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste
+aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd
+heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"
+
+"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het
+klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is
+goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet
+sterven."
+
+De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
+gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
+naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als
+zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten
+van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
+voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
+moesten omkomen....
+
+Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
+daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
+zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw
+legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van
+de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn
+beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen
+over spraken, dat zij sterven moesten.
+
+Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
+twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
+verwachte koning van Juda geboren zou zijn.
+
+"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor
+deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."
+
+Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.
+
+De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
+krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat
+zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.
+
+"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.
+
+"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij
+hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"
+
+Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
+den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in
+het hart.
+
+De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de
+uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
+grenzenlooze vertwijfeling.
+
+De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
+werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd
+op en zag naar de kroon van den boom.
+
+"O, dadels, dadels!" riep zij.
+
+Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte,
+dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo
+gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij
+wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
+zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op
+kunnen klimmen?
+
+De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
+hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw,
+niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
+rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep
+van zijn moeder gehoord.
+
+Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
+alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
+hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd
+trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er
+een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij
+ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn
+lief kinderstemmetje:
+
+"Palm, buig je, palm, buig je."
+
+Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan
+zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling
+na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij
+kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind,
+zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij
+ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon
+met de trillende bladen het woestijnzand raakte.
+
+Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet
+kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit
+de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom
+nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
+streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:
+
+"Sta op, palm, sta op, palm."
+
+En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
+veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.
+
+"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm
+in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van
+deze menschen."
+
+Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.
+
+"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke,
+die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
+vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"
+
+Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen
+de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.
+
+"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet
+sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"
+
+"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de
+woestijnreizigers.
+
+
+
+
+
+
+
+IN NAZARETH.
+
+
+Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep
+van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels
+te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den
+pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
+zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
+Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
+bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
+hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat
+gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn
+buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem
+zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.
+
+Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood
+haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij
+gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor
+'t oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan
+een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf
+niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de
+oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze
+waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus
+had zijn voorraad met hem gedeeld.
+
+Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een
+kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd
+uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats
+van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.
+
+Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
+kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
+omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij
+kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en
+dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn
+vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de
+bosschen op Tabor.
+
+Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam
+hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde;
+zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes;
+zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor
+hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo
+rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.
+
+De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
+zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat
+te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote,
+leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte,
+krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
+dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
+uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld,
+wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager
+en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem
+te luisteren.
+
+Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat
+mooie vogels Judas maakt," zei hij.
+
+Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
+zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
+niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn
+werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels
+en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver,
+dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die
+met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat
+verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood,
+alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg
+kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten
+van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de
+zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.
+
+Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
+die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
+bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
+dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
+met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren
+en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.
+
+En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
+een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
+klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als
+van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te
+zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet
+van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei
+met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van
+de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
+trachtte den zonneschijn op te vangen.
+
+Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
+vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
+te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan
+zijn arme vogels geven.
+
+"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."
+
+"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg,
+zooals ze zijn."
+
+Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
+hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na
+den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
+vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat
+te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
+zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.
+
+Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei
+veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
+lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.
+
+"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en
+kunnen zingen?"
+
+Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.
+
+Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
+geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij
+was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels
+kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier
+van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.
+
+Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
+lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in
+de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"
+
+Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
+fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze
+veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen
+en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
+de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze
+in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.
+
+En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus'
+voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen,
+zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.
+
+Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte
+hem tegelijk.
+
+Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
+stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot
+en liefkoosde hem.
+
+"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen
+schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste
+mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een
+wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den
+adem des levens in de doode klei blaast?"
+
+
+
+
+
+
+
+IN DEN TEMPEL.
+
+
+Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in
+den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een
+mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.
+
+De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
+om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
+lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
+vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
+onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
+het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
+koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig
+waren om ze op haar hengsels te doen draaien.
+
+Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
+om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
+merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
+duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij
+woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.
+
+Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
+hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
+daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
+nauwe straat te Nazareth te spelen.
+
+Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
+des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
+toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.
+
+Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
+medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen,"
+zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."
+
+Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
+gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
+spoedig in.
+
+Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:
+
+"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij
+hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij
+dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."
+
+"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren
+werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een
+machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van
+een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd,
+dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan
+een timmerman in Nazareth."
+
+"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen
+wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer
+van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal
+een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik
+begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen
+voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."
+
+"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van,
+dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn
+eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."
+
+"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar
+ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan,
+waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest
+hem hier naar dezen tempel te brengen."
+
+"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We
+zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."
+
+"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei
+de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten
+zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden
+opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den
+koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet
+voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."
+
+Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.
+
+"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die
+rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der
+menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken
+en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden
+en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil
+ik leven, daarvoor ben ik geboren."
+
+"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te
+zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te
+dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."
+
+De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei
+ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op
+hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het
+werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen,
+door te trachten hem voor ons te behouden."
+
+"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.
+
+Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.
+
+"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het
+loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."
+
+Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den
+tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
+door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
+'t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
+den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot
+en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
+bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
+van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij
+oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
+getracht had er een toon uit te halen.
+
+Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
+staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.
+
+"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet,"
+antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen,
+toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er
+ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan,
+zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."
+
+Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
+knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin
+was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem
+aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed
+te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten
+breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof,
+diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had
+koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had
+hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen
+afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die
+verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant
+naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag
+de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest;
+aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde,
+zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de
+moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar:
+"Wat is dat voor een brug?"
+
+"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en
+wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die
+zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal,
+kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en
+liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle,
+trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte
+hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had
+laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.
+
+Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
+ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
+in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk,
+zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door
+kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde
+kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen
+liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen
+en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles
+wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten
+en was uitgehold door vele voetstappen.
+
+Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit
+voor pilaren?"
+
+"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina
+van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid
+noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en
+hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met
+groote oogen naar de zuilen.
+
+"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder
+lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen,
+die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt
+wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het
+gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
+hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."
+
+Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet
+anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug
+en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij
+vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.
+
+En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
+denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
+te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
+hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
+maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
+waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.
+
+De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring
+zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam
+hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens
+te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel
+voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.
+
+Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen
+wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het
+duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek,
+waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.
+
+Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij
+ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
+dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
+rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij,
+dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.
+
+Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
+zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat
+het zelfs onmogelijk was het te beproeven.
+
+Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
+meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.
+
+Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters
+van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te
+beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
+grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
+weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
+hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
+gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht
+een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.
+
+De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig
+handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar
+dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm
+dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt
+zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.
+
+Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken
+man, en zei tot hem:
+
+"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald
+heeft?"
+
+Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite
+nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen
+recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij
+de som schuldig, die ik van haar begeer."
+
+Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
+deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen
+zou geven.
+
+Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij
+zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
+Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
+waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
+zijn haar dochters tot slavinnen te maken."
+
+Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen,
+en keek door de spleet.
+
+"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.
+
+Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
+heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig
+en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter
+wille van die arme vrouw.
+
+Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
+een weg te banen.
+
+En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden,
+naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf,
+en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts
+en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het
+tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.
+
+Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.
+
+In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen
+stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder
+verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van
+de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem
+voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen
+aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had
+in Gods tempel.
+
+Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
+de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.
+
+Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij
+verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar
+gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn
+ouders en de reis naar huis herinnerd.
+
+"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op
+mij wachten."
+
+Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor
+de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar
+minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had
+even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte
+van den grooten tempel lag.
+
+Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
+gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar
+kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij,
+dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging
+op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.
+
+Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
+te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
+oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
+te probeeren.
+
+En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
+dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.
+
+Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
+bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
+witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden
+en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers
+kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
+bijwoonden.
+
+Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje
+droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het
+een groote wond had.
+
+De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
+offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
+geschenk den Heer niet aanbieden kon.
+
+De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
+want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan
+God kon offeren voor zijn genezing.
+
+"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn
+gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."
+
+"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de
+priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te
+offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het
+is over de Paradijsbrug te loopen!"
+
+De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk
+aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien
+kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.
+
+De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
+op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.
+
+Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om
+zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme,
+dien hij verlangde te helpen.
+
+Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk;
+zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."
+
+Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
+sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
+dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder
+zijn voet.
+
+En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
+heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem,
+alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.
+
+Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
+er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
+toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook
+de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen
+kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen,
+die daar stonden.
+
+De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
+dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze
+tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
+geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."
+
+En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over
+de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem
+niet vinden.
+
+Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
+weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
+van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
+"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
+wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
+Stem van den Wereldvorst."
+
+En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
+naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
+geleund stond.
+
+Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
+aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
+zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
+had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.
+
+Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
+te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude
+bazuin zou kunnen blazen.
+
+Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
+durfde probeeren.
+
+Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij
+ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn,
+alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.
+
+Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man
+zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een
+van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij
+een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat
+deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem
+de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen
+onder een valschen naam.
+
+Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
+geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid
+te hooren en de leer van den eenigen God.
+
+"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar
+ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide,
+dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn
+verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."
+
+Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin
+bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote
+koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
+is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden,
+daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
+leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
+tempel ontheiligt."
+
+Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders
+heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan
+uw voeten sterven."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige
+stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
+wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap
+zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
+"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen,
+zoodat hij geholpen was."
+
+Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte
+hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat
+vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
+daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.
+
+En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij
+haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
+ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
+klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.
+
+Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine
+jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken
+aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.
+
+Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
+vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
+"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God
+heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
+ge wordt ingewijd in Zijn dienst."
+
+Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
+op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit
+en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen
+zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren
+was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u
+op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"
+
+Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:
+
+"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een
+heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid."
+
+Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
+hadden geen tijd om te luisteren.
+
+Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
+en vroegen het hun.
+
+Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
+heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en
+dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
+staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden
+geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.
+
+Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
+vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.
+
+Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn,
+laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is,
+waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."
+
+Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.
+
+"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten;
+daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij
+vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over
+hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om
+een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn
+lippen heeft gebracht."
+
+De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
+dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.
+
+Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.
+
+En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
+schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op
+en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen
+zich in en gingen met hem uit den tempel.
+
+Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
+"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?"
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij
+verloren waart."
+
+Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
+de moeder.
+
+"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij
+was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik
+uw stem hoorde."
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag
+gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart."
+
+Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
+het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb
+niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen,
+omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem
+hoorde, kwam ik weer bij u terug."
+
+"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor
+mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af
+aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen
+zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen
+omvatten, die de aarde bevolken."
+
+
+
+
+
+
+
+DE ZWEETDOEK VAN DE HEILIGE VERONICA.
+
+
+I.
+
+In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius
+gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich
+neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren
+vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand
+bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur
+opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op
+den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld
+en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze
+hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat
+hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen,
+die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.
+
+"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over
+verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders
+hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar
+geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet,
+dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden."
+
+"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog
+in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de
+arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme
+vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die
+hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen
+ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen
+bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge
+toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en
+een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen."
+
+De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
+de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar
+gezicht rustte.
+
+"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik
+ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven."
+
+En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
+niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom,
+nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.
+
+Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
+kamer binnen.
+
+Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
+deel zonder aarzelen.
+
+Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
+geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die
+oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
+zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
+aarden schotels."
+
+Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze
+trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
+haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
+veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
+nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
+daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
+plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
+vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.
+
+Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat
+zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
+leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken."
+
+Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten,
+en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.
+
+Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
+de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.
+
+Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
+eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was
+het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
+hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal
+het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die
+ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en
+ik de hut reeds in bezit genomen hebben."
+
+De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die
+zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,"
+zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven."
+
+"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt
+er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt
+oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan."
+
+Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde
+zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen
+had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge
+vrouw in 't gesprek:
+
+"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die
+oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen
+wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat
+zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar
+dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de
+wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn
+als haar dood te laten hongeren."
+
+Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
+onderzoekend aan.
+
+"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij
+barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?"
+
+Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf
+groote barmhartigheid ondervonden hebben."
+
+
+
+
+II.
+
+De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot
+groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit
+van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het
+niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.
+
+Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den
+grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten,
+zagen zij een oud man het pad opkomen.
+
+'t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als
+die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
+uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen,
+en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn
+houding was fier en zijn bewegingen waren snel.
+
+De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
+zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen
+is en nu op weg naar huis is."
+
+Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
+staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
+doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald,
+vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen
+te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen."
+
+Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is
+zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar
+ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij
+dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen,
+zal ik heel dankbaar zijn."
+
+Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
+hut lagen.
+
+De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
+maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd
+met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar
+hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.
+
+Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
+uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t
+Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en
+arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt,
+ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?"
+
+Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
+de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
+hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.
+
+De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp,
+dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik
+al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius
+was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een
+groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets
+anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken
+alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft
+laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking."
+
+"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge
+vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd
+het hoofd.
+
+"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe
+somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen
+hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin."
+
+"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij
+beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is
+als in 't begin van zijn regeering."
+
+"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten
+Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede
+en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af
+aan nog erger wordt dan hij geweest is."
+
+"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken
+zal dan hij al is?" vroeg de man.
+
+Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
+waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet
+zien kon.
+
+De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
+glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.
+
+"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in
+zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
+altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
+gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
+keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals
+ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden
+waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren,
+was de oude min van den keizer: Faustina."
+
+"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij
+gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft."
+
+"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij
+heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de
+Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang
+hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op
+het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
+Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
+draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van
+een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem
+daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen
+vol slaven en kostbaar huisraad."
+
+"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man.
+
+Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De
+jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude
+vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was,
+had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk
+uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat
+daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht
+voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.
+
+"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou
+hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden
+is zij hem nu ook ontrouw geworden."
+
+De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde
+troostend de hand op haar arm.
+
+Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch
+niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't
+hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben
+er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen
+zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was,
+en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is,
+dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft
+hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor
+haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij
+'t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken."
+
+De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van
+deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de
+oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.
+
+"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,"
+antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan
+'t hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen
+ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden."
+
+"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer
+verlaten?"
+
+"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de
+vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet
+één van haar schatten meêgenomen."
+
+"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de
+jonge vrouw met haar zachte stem.
+
+"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt
+het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar
+vaderland genomen heeft."
+
+"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de
+jonge vrouw.
+
+"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem
+verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende
+om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch
+wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij
+heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
+want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is."
+
+"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat
+ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is
+opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft
+altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den
+keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik
+begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht
+te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de
+bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat
+ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik
+zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst
+om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij
+van mij heenging op de lange reis."
+
+De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er
+niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
+ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
+als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
+in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen
+van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die
+hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht."
+
+Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
+oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
+zag hem vast in de oogen en antwoordde:
+
+"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
+wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
+geen zonde en schande behoeven te zien."
+
+Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
+vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.
+
+De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is
+dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen.
+
+De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.
+
+"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar
+de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw.
+
+De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
+op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius,
+er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat
+is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw,
+waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan
+vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat."
+
+Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
+waar langs hij gekomen was.
+
+
+
+
+III.
+
+Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude
+vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over,
+dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en
+macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar
+Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker
+nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen
+en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze,
+dat ze hem verlaten heeft."
+
+"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te
+beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor
+de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem
+leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn
+wantrouwen en wreedheid genezen worden."
+
+"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de
+vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar
+ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet."
+
+De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te
+missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
+oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen,
+of ze al haar verdriet vergat.
+
+Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
+ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar
+het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de
+eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.
+
+Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
+altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
+stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
+aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
+gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen
+voor offerdieren.
+
+De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
+tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
+Tiberius wilden bidden.
+
+Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
+van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
+dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
+altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
+er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.
+
+Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
+vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem
+wel ging.
+
+Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
+verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
+verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
+aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
+blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
+heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld,
+dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.
+
+De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
+"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een
+and'ren keizer?"
+
+"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben
+opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer."
+
+"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets
+hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk
+ongeluk den keizer getroffen heeft?"
+
+"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een
+ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt
+voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam,
+is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend
+dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die
+ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij
+binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men
+hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge
+begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin
+om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard,"
+voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem
+te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?"
+
+Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.
+
+Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die
+door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend
+hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.
+
+Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten
+langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als
+staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch
+met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze
+richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte
+straten te gaan.
+
+
+
+
+IV.
+
+Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland
+Capri op. 't Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom
+en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende
+wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die
+naar de villa van Tiberius leidden.
+
+Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in
+den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
+altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
+vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs,
+van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld
+van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen,
+die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.
+
+Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
+grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
+vrouw op haar weg ontdekte.
+
+Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
+ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben,
+en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
+gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd,
+en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een
+paar plaatsen de balustraden afgebroken.
+
+Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van
+menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland
+te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen
+van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en
+tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers
+huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt
+had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor
+de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.
+
+"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt
+om ons ongeluk te verzachten."
+
+"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo
+eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont."
+
+"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat
+een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de
+ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
+als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat
+wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben."
+
+"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn
+de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer,
+en al de kwispelstaartende gelukzoekers?"
+
+"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf;
+"de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen
+hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen."
+
+Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf
+ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de
+geneesheeren van de ziekte van Tiberius?"
+
+"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of
+zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina,
+dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert,
+uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het
+niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet,
+uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen
+wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er
+toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele
+dagen verlengen."
+
+De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar
+een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht
+te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen
+Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een
+opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren
+met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar
+half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren
+stoffig en vuil.
+
+Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
+op het terras had moeten kruipen.
+
+Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
+toen de slaaf en Faustina aankwamen.
+
+Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar
+Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf
+komen? Breng hem gauw weg."
+
+Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
+aarde boog voor den ellendige, die daar lag.
+
+"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap
+te brengen."
+
+Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
+hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.
+
+Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien,
+dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden
+als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in
+machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw
+met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord,
+dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch
+geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken,
+krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand
+hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig
+had om een mensch te veranderen.
+
+Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
+naast hem te schreien.
+
+"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te
+openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij
+schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is."
+
+Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
+legde het in haar schoot.
+
+Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
+van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in
+een gezonden slaap.
+
+
+
+
+V.
+
+Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de
+eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de
+arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan
+in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe
+en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel
+droeg en hij legde die in de hand van den man.
+
+"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid
+bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen
+wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de
+bergen ligt als een arendsnest."
+
+"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar
+gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende
+ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."
+
+"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven,
+dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer
+teruggegaan was?"
+
+"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij,
+dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk
+genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter
+wille van den armen keizer."
+
+De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
+te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten
+niet toe.
+
+"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet
+laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd
+is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun
+ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"
+
+De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
+den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
+Faustina's terugkomst.
+
+Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de
+vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
+neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet
+te verraden.
+
+Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet,
+dat dit een beschikking van God is?"
+
+"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee
+zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude
+vrouw hierheen voerde naar onze deur."
+
+Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
+weer tot den slaaf.
+
+"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar
+Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw
+vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge
+vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet
+lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw
+eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."
+
+De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
+voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:
+
+"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn
+vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte
+dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden
+verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen,
+zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn
+vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een
+kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd,
+werd zij door de ziekte aangetast."
+
+Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
+het hoofd en sprak tot hen:
+
+"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw
+vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
+dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"
+
+Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij
+geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers
+zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen
+wat ik gezegd heb."
+
+"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw
+vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.
+
+"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag
+verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid
+leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in
+Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door
+alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken,
+die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht
+waarheid was.
+
+"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de
+groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk
+kunnen redden."
+
+Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij
+ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen,
+waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over
+groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was,
+een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn
+donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze
+elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:
+
+"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+Profeet van Nazareth vinden kan."
+
+Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond,
+vroeg hij:
+
+"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"
+
+"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak
+tot hem:
+
+"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt
+geen profeet."
+
+Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:
+
+"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon
+u aan de priesters."
+
+De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat
+ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
+vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
+die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen
+hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe:
+"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+profeet van Nazareth vinden kan."
+
+"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar
+haar toe.
+
+"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Maar de man reed nog nader bij.
+
+"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen
+geneesmeester noodig."
+
+"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit
+zieke ouders geboren in een grot."
+
+Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer,
+als een pas uitgekomen bloem.
+
+"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.
+
+"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest
+zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."
+
+Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is
+helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
+de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."
+
+En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
+gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
+versierde.
+
+"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.
+
+Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
+vleugel van een pas ontpopten vlinder.
+
+"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."
+
+"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.
+
+"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens
+voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"
+
+"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."
+
+Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.
+
+"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
+verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.
+
+"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet
+van Nazareth," antwoordde de man.
+
+Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
+vol tranen.
+
+"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij
+hebt mij genezen!"
+
+En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
+op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters
+en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig
+naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit
+zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld
+was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek
+geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier
+naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."
+
+Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van
+Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."
+
+Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de
+onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
+geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
+verderf stort."
+
+Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich
+in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde,
+ook onrein zou verklaard worden.
+
+Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den
+man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet
+ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"
+
+Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen,
+gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar
+wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar
+geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de
+arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en
+viel hem in de rede.
+
+"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga
+met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht
+al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De
+keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."
+
+Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
+de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.
+
+"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze
+twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij,
+die ze haat.
+
+"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen
+brengen."
+
+
+
+
+VI.
+
+De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen
+Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te
+zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar
+zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij
+van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld
+of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
+als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
+verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand,
+die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?
+
+De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw
+verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden
+en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te
+paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden,
+als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar
+gevolg uitmaakten.
+
+Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
+met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
+waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend
+kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van
+Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde
+heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met
+vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de
+witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun
+oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de
+zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide,
+dat men meende het te kunnen zien groeien.
+
+Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
+zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen,
+die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en
+paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de
+vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt
+hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
+scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
+een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
+schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot,
+dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om
+te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich
+fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.
+
+Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
+maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
+wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich
+te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
+gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de
+pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg,
+maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
+zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
+den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
+zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
+voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend
+op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen,
+die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.
+
+Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
+werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
+spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een
+jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht,
+dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen,
+maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de
+goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
+dezen mooien morgen heen te trekken."
+
+Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
+bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een
+groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere,
+schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op
+haar schedel Jeruzalem droeg.
+
+Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
+kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
+duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
+waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.
+
+'t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land
+bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
+plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun
+tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
+woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels
+zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren,
+zangen en feestvreugde.
+
+De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun
+lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
+haar reed:
+
+"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen
+zijn."
+
+"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was
+uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren
+in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan
+trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."
+
+Faustina bedacht zich een oogenblik:
+
+"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het
+volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan
+dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk,
+dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem
+is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"
+
+"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is
+hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der
+goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat
+ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."
+
+Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen
+en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in
+Jeruzalem bevond.
+
+"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van
+de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij
+is een vroom en rechtvaardig man."
+
+Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
+oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
+begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun
+tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem,
+dien ge zoekt."
+
+Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't
+diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn
+top te bereiken.
+
+De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
+zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
+barmhartigheid van de reizigers inriepen.
+
+Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
+Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend,
+die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem
+onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar
+ge hem vinden zult, dien ge zoekt."
+
+Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't
+Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs
+werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn
+handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
+integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins,
+dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.
+
+Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
+vraag een paar maal herhalen.
+
+"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek
+u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."
+
+De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen
+hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn
+en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom
+vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen
+Galileër."
+
+De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in
+zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze
+voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar
+ze hem 't beste kan vinden."
+
+Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn
+dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een
+boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen
+vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet
+niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."
+
+Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
+hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.
+
+"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten
+allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."
+
+Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag
+niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij
+niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet
+gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"
+
+Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder
+gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen
+we niets te weten."
+
+Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
+twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar
+had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te
+wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag,
+vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
+in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
+wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.
+
+De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
+uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
+dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
+bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis
+over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde
+om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.
+
+"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.
+
+Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te
+roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en
+lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
+stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"
+
+Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
+ter zijde.
+
+"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat
+niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang
+laten gaan."
+
+De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn
+hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven
+in mijn oogen zetten."
+
+Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
+zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil
+naast hem.
+
+De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen,
+drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van
+den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"
+
+Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.
+
+"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg
+ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."
+
+Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den
+weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die
+u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem,
+waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het
+stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet
+genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"
+
+"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil
+alleen weten, waar ge uw meester hebt."
+
+Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
+voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,"
+riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de
+poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn
+verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.
+
+"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,"
+zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het
+zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen
+onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?
+
+Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
+grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken,
+dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is,
+nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
+dat men over hem spreekt."
+
+Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en
+kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't
+Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten
+keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs
+wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten,
+niet te keeren stroom.
+
+"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome
+zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."
+
+Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
+hen wachtten.
+
+"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan
+te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen
+raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt
+wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor
+na middernacht."
+
+Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
+en gaf dit over aan een der slaven.
+
+Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.
+
+Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
+hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
+breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.
+
+"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen,
+dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze
+herberg aan."
+
+Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
+eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de
+straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort
+der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een
+gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.
+
+Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die
+de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat
+over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
+onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat
+niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in
+zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen
+van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele
+met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee,
+onder kreten, die de ooren verscheurden.
+
+"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend
+toch een helper in den uitersten nood!"
+
+Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij
+waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
+om hem te bevrijden.
+
+Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die
+gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar
+houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor
+dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den
+grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand
+zijn gezicht kon zien.
+
+Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
+zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op,
+dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn
+hoofd gedrukt was.
+
+"Wie is die man?" vroeg zij.
+
+Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer
+maken wou."
+
+"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,"
+zei de oude vrouw weemoedig.
+
+De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De
+beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
+daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij
+dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.
+
+Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden
+moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een
+paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene
+te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te
+dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk
+vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.
+
+Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
+zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn
+voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar
+bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet
+en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen
+trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende
+oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.
+
+Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
+in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
+majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen
+door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
+vreemden man.
+
+"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem
+een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze
+vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen
+gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden
+zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen,
+om hem aan zijn beulen te ontrukken.
+
+De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
+alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen,
+die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte
+zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.
+
+De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
+haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
+haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
+hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
+zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
+de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren
+de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
+gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
+hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
+hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
+bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
+haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
+had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en
+zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
+sterven, hij kan niet sterven!"
+
+Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
+werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit
+hun handen rukken.
+
+Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
+en een onmacht overvallen.
+
+Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
+te houden.
+
+Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg
+haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een
+barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude
+een bed op den steenen vloer.
+
+Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die
+haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest
+gaan liggen.
+
+"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad
+zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij
+is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom
+niet overwonnen wordt."
+
+"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de
+koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij
+niet verbazen als we een hevig onweer kregen."
+
+Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met
+rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
+van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
+terwijl hij op haar ontwaken wachtte.
+
+
+
+
+VII.
+
+De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had
+den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.
+
+Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de
+mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer
+geplaveid was en met edele gewassen beplant.
+
+Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
+gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
+lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
+aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
+op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en
+pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele
+van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.
+
+Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
+staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.
+
+Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet,
+dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij,
+die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen
+kan van al ons lijden?"
+
+Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
+paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
+afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus
+heeft hem gedood."
+
+Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen
+op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door
+medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze
+was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.
+
+Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van
+haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
+als een markt was.
+
+En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
+zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
+naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
+die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
+meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
+meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
+over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
+zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
+weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.
+
+Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het
+dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk
+werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun:
+"Wat verlangt ge?"
+
+Toen begonnen allen te roepen en zeiden:
+
+"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden
+is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"
+
+Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van
+de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt,
+Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
+als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen
+zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot,
+en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te
+wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.
+
+Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
+het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op
+de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
+bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.
+
+Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade,
+die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."
+
+Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien
+van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
+en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
+sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
+de balustrade en keken naar beneden.
+
+En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
+neer op de binnenplaats.
+
+Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
+gevangenen van de wereld.
+
+Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
+met zware ijzeren ketenen.
+
+Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
+aansleepen met hun mokers.
+
+En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
+roeiriemen van ijzer gesmeed.
+
+En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
+hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.
+
+Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
+en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven,
+die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
+geeselslagen.
+
+Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe
+open!"
+
+Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg
+hun: "Wat is het dat gij verlangt?"
+
+En dezen antwoordden als de anderen:
+
+"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen
+is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."
+
+De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:
+
+"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
+ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
+voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend
+van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.
+
+Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
+in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
+nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
+te zien."
+
+Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
+haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
+was ingeslapen.
+
+Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
+zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.
+
+Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade,
+die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan
+te wachten."
+
+Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel
+ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar
+ik ben."
+
+Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
+buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op
+het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.
+
+Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer
+zag zij, dat de plaats vol menschen was.
+
+En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
+waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen
+en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele
+plaats er door overstroomd werd.
+
+En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden
+op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun
+verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden
+riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.
+
+Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter
+kwam zooals te voren en opende de deur.
+
+En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat
+zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten
+Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op
+aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken
+en het zwaard tot een wijngaardmes."
+
+Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen,
+ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier
+niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar
+zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik
+wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op
+'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar
+schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.
+
+Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
+weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had
+en was beginnen te droomen.
+
+Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
+en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.
+
+En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen
+zien, die op uw binnenplaats wachten."
+
+Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen
+genoeg gezien."
+
+Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar
+man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis
+verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek
+gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.
+
+"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.
+
+Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
+vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen
+te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger
+was aangekomen.
+
+Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede
+schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.
+
+De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
+man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het
+kan niemand anders zijn."
+
+"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk
+den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en
+luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.
+
+Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
+"Wien zoekt gij?"
+
+En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth,
+die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept
+hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen
+ander geneesmeester wegnemen kan."
+
+Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
+"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."
+
+Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats
+wachtten en gaf hun een bevel.
+
+Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
+versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
+sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
+slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn,
+als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde
+rijkdom geven."
+
+Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide:
+"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet
+worden vervuld."
+
+Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen
+haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van
+juweelen glinsterde.
+
+En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de
+macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter,
+als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."
+
+Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het
+staat niet in mijn macht u te helpen."
+
+Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
+een gouden hoofdring en een purperen mantel.
+
+"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te
+benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te
+geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens
+den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt
+en Tiberius geneest."
+
+Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
+jammerend:
+
+"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt,
+is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."
+
+
+
+
+VIII.
+
+Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar
+slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij
+was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij
+de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen,
+dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.
+
+"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.
+
+"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het
+rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."
+
+Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze:
+"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"
+
+"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde
+dadelijk een der slavinnen.
+
+"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,"
+zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het
+paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."
+
+Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
+aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.
+
+Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot
+koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem
+moet laten kruisigen."
+
+Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
+verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier
+vandaag een ontzettend ongeluk."
+
+Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
+begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen,
+zoodat ze zei:
+
+"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd,
+zal ik trachten hem die te brengen."
+
+Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
+wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.
+
+Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
+hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar
+de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had
+Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in
+Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge
+leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.
+
+Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
+zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.
+
+Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
+landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
+had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
+landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen
+van een vrouw.
+
+Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar
+een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man
+dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."
+
+Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
+troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
+onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.
+
+Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is
+dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"
+
+Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't
+Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat
+over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
+alles eentonig grijs scheen.
+
+Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.
+
+"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een
+rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."
+
+Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
+vrouw toe.
+
+"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat
+de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge
+een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat,
+al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven
+is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden
+verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."
+
+Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat
+dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans
+niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
+veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
+verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang
+nog de oude Tiberius..."
+
+Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden,
+dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij
+hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.
+
+Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
+zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
+onmogelijk ontgaan.
+
+"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het
+u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu
+eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren,
+wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de
+bedoeling te begrijpen."
+
+Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene
+visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij
+lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun
+voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de
+landvoogd zelf.
+
+Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is
+meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn
+oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert
+mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van
+den landvoogd."
+
+"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke
+ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij
+mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door
+de goden gezonden."
+
+"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den
+Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de
+jonge redenaar toe.
+
+De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
+"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener
+bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij
+hem in 't leven vindt."
+
+Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen
+tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en
+profeten geworden waart."
+
+Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien
+niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een
+ijlbode zondt."
+
+"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de
+landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't
+land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk,
+omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."
+
+"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien
+heb," zei de jonge redenaar.
+
+"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,"
+zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich,
+zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen,
+hem niet had kunnen helpen."
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis
+als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed
+het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd
+staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde
+men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen
+en vallende pilaren.
+
+Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd
+een slaaf.
+
+"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet
+van Nazareth van het kruis genomen moet worden."
+
+De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal
+naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de
+aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen
+wachtten op de terugkomst van den slaaf.
+
+Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.
+
+"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze.
+
+"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf,
+kwam de aardbeving."
+
+Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de
+buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er
+een nieuwe aardbeving gekomen was.
+
+Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en
+Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te
+vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken."
+
+Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden
+gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich
+van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk
+gekomen is.
+
+
+
+
+IX.
+
+De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer
+opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde
+zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de
+vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: "Als er barmhartigheid bij
+de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen
+armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is."
+
+Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid
+naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was
+op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna
+gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.
+
+Maar Tiberius zei alleen:
+
+"Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven
+in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars
+en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt
+opgedaan?"
+
+Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet
+van Nazareth verwacht had.
+
+"Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor
+meendet dat het nutteloos zou zijn?"
+
+"Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit," zei de keizer. "Waarom zou
+ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?"
+
+Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.
+
+"Dat is weer uw oude listigheid," viel zij uit. "Dat is juist wat ik u
+'t allerminst vergeven kan."
+
+"Ge hadt niet bij mij terug moeten komen," zei Tiberius. "Ge hadt in
+uw bergen moeten blijven."
+
+Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls
+getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn
+van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat
+ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze
+nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.
+
+"Maar de man was werkelijk een profeet," zei ze. "Ik heb hem
+gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij
+een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan."
+
+"Ik ben blij, dat ge hem sterven liet," antwoordde Tiberius. "Hij
+was een Majesteitsschenner en een oproerstichter."
+
+Weer was Faustina bijna boos geworden.
+
+"Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken,"
+zei ze. "Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet
+begaan."
+
+"Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch
+zeker niet beter dan iemand anders," zei de keizer mat. "Waar is de
+mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient."
+
+Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen,
+waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.
+
+"Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven," zeide ze. "Ik zei
+u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat
+is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een
+oogenblik bekijken?"
+
+Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop
+flauw het beeld van een menschengezicht.
+
+De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: "Die man
+zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat
+was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen,
+zoo dikwijls ik het zie."
+
+De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen
+geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de
+smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals
+het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het
+voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed,
+en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.
+
+Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam
+het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij
+opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden
+tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze
+hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.
+
+Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. "Is
+dit een mensch?" zei hij, zacht en week. "Is dit een mensch?"
+
+Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over
+zijn wangen te stroomen. "Ik treur over uw dood, gij onbekende,"
+fluisterde hij.
+
+"Faustina," riep hij eindelijk uit, "waarom hebt gij dien mensch
+laten sterven! Hij zou mij genezen hebben."
+
+En weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld.
+
+"Gij, mensch!" zeide hij na een poos. "Als ik van u mijn gezondheid
+niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand
+rusten op hen, die mij u ontstolen hebben."
+
+Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden
+en viel voor het beeld op de knieën.
+
+"Gij zijt de mensch!" zei hij. "Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit
+te zullen zien." En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht
+en verteerde handen. "Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters,
+maar gij zijt de mensch!"
+
+Hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld, dat hij den grond raakte.
+
+"Erbarm u over mij, gij onbekende," zei hij, en zijn tranen
+bevochtigden de steenen. "Als gij in 't leven gebleven waart, zou uw
+aanblik alleen mij genezen hebben."
+
+De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. 't Was beter
+geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende
+zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot
+zou zijn als hij het zag.
+
+En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het
+beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.
+
+Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd,
+en hij was zooals hij vroeger geweest was. 't Was alsof de ziekte
+wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in
+zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik,
+dat hij liefde en medelijden voelde.
+
+
+
+Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.
+
+De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een
+onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina
+zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij
+het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.
+
+De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen
+en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om
+hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord
+hadden, schreiden ze stil en de man zei: "Ik weet, dat ik er heel
+mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee
+elkaar hadden ontmoet."
+
+Maar de vrouw antwoordde: "Het kon niet anders zijn. 't Was een te
+groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer,
+wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen."
+
+De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus'
+leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen,
+die de gekruiste gepredikt had.
+
+Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar
+sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel
+van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica,
+omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun
+Verlosser te brengen.
+
+
+
+
+
+
+
+VOGEL ROODBORST.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld schiep, toen Hij
+niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen
+en ze te gelijk een naam gaf.
+
+Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende,
+zou men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan,
+kunnen verklaren.
+
+Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de
+vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte,
+zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve
+Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.
+
+En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij
+maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het,
+zoodra hij een paar stappen op de wei in 't Paradijs gedaan had,
+en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze
+Lieve Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei:
+"Je naam is ezel, ezel, ezel!"
+
+En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het dier wat uit opdat
+hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.
+
+Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen
+werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren,
+die merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er
+van proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar
+giftigen angel allen weg, die bij den honig kwamen.
+
+Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte haar.
+
+"Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het liefelijkste wat
+er in de schepping is," zei Onze Lieve Heer; "maar daarom gaf ik je nog
+niet het recht om hard tegen je naaste te wezen. Onthoud het nu goed:
+als je iemand steekt, die je honig proeven wil, dan moet je sterven."
+
+Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar
+vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.
+
+Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te scheppen
+en in 't leven te roepen. En tegen den avond viel het Hem in om een
+kleinen, grauwen vogel te maken.
+
+"Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei Onze Lieve Heer tot
+den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn open hand en
+liet hem vliegen.
+
+Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde
+bekeken, waarop hij leven zou, kreeg hij ook lust om zich zelf te
+bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn borst
+was even grijs als al het andere.
+
+Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water,
+maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.
+
+Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer
+zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders
+te voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn
+schouders en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leliën
+en duizendschoonen.
+
+'t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in lichte
+bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en
+eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.
+
+Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.
+
+"Ik wil U maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
+
+"Wat wilt ge weten?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben, van
+mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik roodborstje
+genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?"
+
+En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine
+zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten,
+heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige
+roode halskragen, hanen met roode kammen, om niet te spreken van
+vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk dacht hij er aan hoe
+weinig er maar noodig was,--maar een klein droppeltje verf op zijn
+borst--om hem tot den mooien vogel te maken, waar zijn naam voor paste.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs
+ben?" vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve Heer
+zou zeggen: "Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je borstveeren
+rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het klaar."
+
+Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je
+roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf
+maar zien, dat je je roode borstveeren verdient."
+
+En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw
+uitvliegen.
+
+De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een kleine
+vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen? Het
+eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen. Hij
+ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het was
+alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou
+zetten en die kleuren.
+
+
+
+Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den
+heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd hadden menschen en dieren
+het Paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. En de menschen
+waren zoover gekomen, dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en
+de zee te bevaren. Zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft,
+ja, ze hadden al lang geleden geleerd, groote tempels en machtige
+steden te bouwen zooals Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe
+dag, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.
+
+En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen,
+kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn jongen,
+die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.
+
+Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren
+scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle
+roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord
+heeft en uitging uit Gods Hand.
+
+"En zie nu eens," besloot hij treurig. "Zooveel jaren zijn
+voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels
+zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat niemand
+ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze
+vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen."
+
+De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen
+niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die
+onschatbare roode kleur te verwerven.
+
+"We hebben allen gedaan wat we konden," zei het vogeltje; "maar het is
+alles mislukt. Het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen
+vogel, die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk zóó hevig
+lief te hebben, dat hij zijn borst voelde gloeien.
+
+"Och," dacht hij toen, "nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van
+Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat mijn borstveeren
+rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart woont." Maar het
+mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook
+mislukken zal.
+
+De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren,
+dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.
+
+"Wij hebben ook op het zingen gehoopt," zei de oude vogel, nu in lange
+gerekte tonen sprekend. "Reeds het eerste roodborstje zong zoo, dat
+zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen. "Ach,"
+dacht hij, "het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn
+borstveeren rood verven zal."
+
+"Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de
+jongen gehoord.
+
+"We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid," zei de
+vogel. "Reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en
+zijn borst vlamde van strijdlust. "Ach," dacht hij, "mijn borstveeren
+zullen rood worden van den strijdlust, die gloeit in mijn hart."
+
+"Maar 't mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden
+beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude
+vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij
+dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden
+kunnen bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en
+vechten. Wat konden.... De vogel hield midden in den zin op, want uit
+een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen
+en de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn
+nest had.
+
+Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange speren,
+beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig voorttrekkende
+priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles een troep
+wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke huilende
+bende straatslijpers!
+
+De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij
+vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden
+en zijn jongen gedood.
+
+"Wees voorzichtig!" riep hij den weerloozen diertjes toe, "kruip
+bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat gaat dwars
+over ons heen, daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen,
+daar komt de heele woeste bende aanstormen."
+
+Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil
+zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.
+
+Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn
+jongen uit.
+
+"Neen, dat is al te vreeselijk," zei hij, "ik wil niet, dat jelui
+dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die gekruisigd moeten
+worden." En hij spreidde de vleugels uit, zoodat de kleinen niets
+zien konden. Ze hoorden alleen dreunende hamerslagen, jammerkreten
+en het wilde gejoel van het volk. Het roodborstje volgde het heele
+tooneel met oogen groot van ontzetting, hij kon de blikken niet van
+de drie ongelukkigen afwenden.
+
+"Wat zijn de menschen wreed," zei de vogel na een poos, "het is hun
+nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen, maar
+ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe
+doornen gezet."
+
+"Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat zijn
+bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zoo heerlijk en ziet om
+zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem lief moet hebben. Het
+is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem lijden zie."
+
+Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man,
+die de doornenkroon droeg.
+
+"Als ik mijn broeder de arend was," dacht hij, "zou ik de spijkers
+uit zijn handen rukken, en met mijn sterke klauwen al die menschen
+op de vlucht jagen, die hem pijnigen."
+
+Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide
+en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.
+
+"Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen
+gemartelde doen," dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op
+in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen. Hij
+zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen, want
+hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een mensch
+te naderen.
+
+Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met
+zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde
+gedrongen was.
+
+Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den
+gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en
+verfde al zijn teere borstveertjes.
+
+Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe:
+"Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw geslacht
+naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld."
+
+Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe:
+"Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen."
+
+"Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man,
+die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron."
+
+Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van
+zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende
+roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst
+van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag.
+
+
+
+
+
+
+
+ONZE LIEVE HEER EN DE HEILIGE PETRUS.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus
+pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben
+rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge
+kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken,
+dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over
+de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
+bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
+rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een
+dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat
+men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
+duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest
+zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een
+reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest,
+dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te
+twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest
+voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor
+dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer
+bestuurder van de heele wereld was.
+
+En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen,
+dat hij daar blij om was.
+
+Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
+Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
+hadden moeten zijn.
+
+Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
+te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een
+hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
+maken hadden.
+
+Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
+berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog
+verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders,
+en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter
+zich gelaten.
+
+Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
+boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
+reizigers in nood te kunnen helpen.
+
+Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
+en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en
+daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks
+een steenbok vooruit kon komen.
+
+Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
+doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
+gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
+had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.
+
+Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
+voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
+doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
+stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
+niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op
+den berg gekomen.
+
+Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.
+
+"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien,
+dat u moed zal geven om alles te verdragen."
+
+Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos
+hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.
+
+"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge
+kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien
+van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs,
+en hier wonen de zaligen."
+
+Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig
+uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze
+Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen
+schijn van zon en sterren."
+
+Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
+Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
+boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
+Paradijs viel.
+
+En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
+en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.
+
+Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar
+de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
+Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
+dood overwint."
+
+En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw
+begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets
+anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
+verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk
+en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met
+beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.
+
+Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
+geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon
+zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een
+groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
+en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen
+had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den
+heiligen Petrus opzoeken.
+
+Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
+grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
+verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem
+zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak
+hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de
+bekommeringen der aarde samen rondwandelden.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen
+antwoord kon geven.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer
+opnieuw.
+
+Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
+de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
+Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn
+eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel,
+dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij
+deed en Hij werd ook niet boos op hem.
+
+"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als
+te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.
+
+Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
+hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen
+Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.
+
+"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige
+Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven."
+
+En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
+zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.
+
+"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst
+moet ge mij zeggen wat u mishaagt."
+
+"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden
+in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus.
+
+Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid
+vervuld was en Hij werd niet boos op hem.
+
+"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt,"
+zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt."
+
+Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
+was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar
+dagen geleden."
+
+"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw
+moeder niet hier in het Paradijs gekomen is."
+
+"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart
+zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren.
+
+"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen,"
+zei hij.
+
+Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
+werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
+was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit
+aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen,
+die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of
+een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
+heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was,
+dat zij de zaligheid niet kon genieten.
+
+"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder
+zich gelukkig zou voelen bij ons?"
+
+"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren,"
+zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?"
+
+"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen,"
+antwoordde Onze Lieve Heer.
+
+"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen,"
+zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht.
+
+En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een
+felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij
+bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou
+toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste,
+maar hij wilde niet toegeven.
+
+Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de
+hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen.
+
+"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige
+Petrus.
+
+Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
+een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
+wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in
+de hel te kunnen zien.
+
+Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet
+meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
+alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.
+
+Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
+op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis
+naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels
+uitspreidde om niet al te snel te vallen.
+
+Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister
+wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs
+op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de
+verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd
+door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij
+werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was.
+
+"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij.
+
+Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
+oogen.
+
+"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan,"
+zei Hij.
+
+Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
+doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
+engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
+werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.
+
+Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
+punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
+waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
+leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
+opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
+gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen,
+dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend
+van wanhoop.
+
+De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen
+uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend
+naar boven gericht.
+
+Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
+een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
+zonder te probeeren er uit te komen.
+
+Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
+was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
+lichamen en hoofden.
+
+En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar
+niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer.
+
+Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
+zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
+engel behoefde te zijn.
+
+Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn
+moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de
+vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl
+hij haar opzocht.
+
+Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
+engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
+"Neem mij mee, neem mij mee!"
+
+En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
+millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog
+op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
+dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.
+
+Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus
+en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield
+zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer
+vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na,
+zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd.
+
+Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
+gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
+bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
+verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
+sloeg en haar ophief.
+
+"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij.
+
+Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
+Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
+vreugde over te geven.
+
+Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap,
+omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen
+zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag,
+dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het
+toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan
+haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het
+waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en
+de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was,
+zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden.
+
+Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
+scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
+zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
+vogeltje naar den hemel droeg.
+
+Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
+onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
+zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.
+
+De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
+oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij
+zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander
+en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de
+geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen.
+
+Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid
+te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze
+begonnen was.
+
+En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
+zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
+dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel.
+
+Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van
+den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing
+en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan
+naar het gezegende Paradijs.
+
+Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige
+Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem
+voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen
+om op den berg te zijn.
+
+Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
+aangezicht werd duister als de nacht.
+
+Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
+van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot
+het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu
+ook vrij van deze laatste gemaakt had.
+
+Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen,
+alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.
+
+Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen
+lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem
+een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
+een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.
+
+Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
+Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.
+
+"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht,
+dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart."
+
+Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat
+voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren
+en mijn medemenschen zie lijden?"
+
+Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
+diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs
+bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan
+niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze
+te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze
+dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde,
+waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen."
+
+
+
+
+
+
+
+DE KAARSVLAM.
+
+
+I.
+
+Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden
+was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de
+zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij
+hield er niet veel van om het uit te oefenen.
+
+Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
+een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
+zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
+van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
+waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
+te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
+brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in
+te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak
+de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was
+balken en stutten te halen, om het te steunen.
+
+Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit
+in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
+krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
+hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
+waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht
+hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
+vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met
+zijn tegenstanders.
+
+Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond
+grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet
+beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen
+genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er
+een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.
+
+Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
+was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
+en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
+zou zijn.
+
+Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
+voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
+mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
+litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten,
+en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.
+
+Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
+een wijs en machtig man.
+
+Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als
+Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca
+had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met
+iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming
+gaf, had hij tegen Raniero gezegd: "Ik meen opgemerkt te hebben,
+dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan
+die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het
+zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het
+haar niet beletten zult."
+
+Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
+Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
+Raniero gaf die belofte dadelijk. "Daar kunt ge zeker van zijn,
+Jacopo," zei hij; "dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van
+mij weg wil."
+
+Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen
+beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval,
+dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige
+dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend
+en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op
+een moeilijker doel te schieten.
+
+Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel,
+die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde
+aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond
+toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen
+hij opvloog, in de lucht.
+
+Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
+die het maar hooren wilde.
+
+Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
+werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
+iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf
+het hem spoedig en had hem even lief als tevoren.
+
+Alles ging nu een poos weer goed.
+
+De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote
+werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te
+hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo's werkplaats
+en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over.
+
+Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
+te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn
+garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van
+het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten
+Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen,
+dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn
+knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk
+kon laten gelooven.
+
+Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
+betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
+daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
+er ook op, als Francisca het hoorde.
+
+Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing,
+als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
+plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
+stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
+was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
+groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.
+
+Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: "Er is nog wel
+genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken."
+
+Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren
+als in het eerst.
+
+Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië
+geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en
+fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar
+in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat
+er velen waren, die met hem spotten.
+
+Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
+gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
+
+Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
+viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker,
+die tusschen de kool stond.
+
+Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
+hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
+en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
+eene stuk na het andere afknipte.
+
+Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was
+niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend,
+dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen
+schaden.
+
+Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
+rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem
+zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.
+
+Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
+dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
+groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca's
+voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence
+had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op,
+dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen.
+
+Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug,
+en kwam er mee naar beneden.
+
+Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
+wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier
+zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde.
+
+Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
+werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
+zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
+familie dacht.
+
+"Ik denk aan iets anders," zei Francisca; "en dat is mijn liefde; ik
+weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat."
+
+Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
+Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al
+kon verdragen.
+
+Op Raniero's werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man
+had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben
+ook na haar huwelijk.
+
+Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
+ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die
+niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
+Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.
+
+Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.
+
+Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
+en hing zich op.
+
+Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
+getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
+een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
+afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne.
+
+Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: "Als ik nog een jaar
+bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even
+arm als ik vroeger rijk geweest ben."
+
+Toen besloot ze Raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan
+wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou
+haten als ze hem nu liefhad.
+
+Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
+zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.
+
+Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
+haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken,
+en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.
+
+Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.
+
+"Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd,
+of ze weer onder mijn dak mag wonen," zei hij tot zijn schoonzoon,
+"en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen,
+volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt."
+
+Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
+heel kalm:
+
+"Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
+teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren."
+
+Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
+"Ze is vóór den avond alweer bij me terug."
+
+Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.
+
+Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die
+reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte
+hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef
+daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele
+stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte.
+
+Het bracht Francisca niet bij hem terug.
+
+Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
+dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet
+doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in
+dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok
+weg uit Florence.
+
+Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
+aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
+heeren.
+
+Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
+werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
+groote mannen.
+
+Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
+heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
+en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat
+beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
+waren geschonken.
+
+Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend
+waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet
+weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.
+
+In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige
+Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het
+Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een
+slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht
+hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te
+bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem
+terug zou komen.--
+
+
+
+
+II.
+
+Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote
+vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad.
+
+Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in 't rond
+hoorde men gedruisch en gejoel.
+
+Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
+bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
+konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.
+
+Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij
+had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren.
+
+Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
+die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien
+avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.
+
+Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
+boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk
+van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
+aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
+aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
+meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij
+hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer
+verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.
+
+Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
+waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
+rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
+tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
+verhaal te doen.
+
+Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid,
+en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.
+
+"Het gebeurde eens," zei de Nar, "dat Onze Lieve Heer en de heilige
+Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs
+gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad
+om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te
+wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar
+de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap,
+en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld
+en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd.
+
+Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het
+Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus
+en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.
+
+"Waar zou ik tevreden mee zijn?" vroeg de heilige Petrus heftig.
+
+"Nu," zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, "ik dacht, dat je blij zou
+zijn met wat je vandaag gezien hadt."
+
+Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.
+
+"Het is waar," zei hij, "dat ik er jaren lang over geklaagd heb,
+dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er
+vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven
+zooals het was."
+
+Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
+van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
+belangstelling te luisteren dan in het begin.
+
+"Toen de heilige Petrus dit gezegd had," ging de Nar voort, terwijl
+hij een listigen blik op de ridders wierp, "boog hij zich over de
+tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven
+Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een
+bergdal naar boven stak.
+
+"Ziet Ge die hoopen lijken daar," zei hij; "en ziet Ge het bloed, dat
+op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen,
+die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende
+brandhoopen?"
+
+Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.
+
+Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls
+boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar
+nooit toegewenscht, dat zij 't zoo slecht hebben zou.
+
+Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping
+te maken.
+
+"Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd
+hebben met de grootste onverschrokkenheid."
+
+Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
+maar hij haastte zich met verder vertellen.
+
+"Neen, stoor me niet," zei hij, "nu weet ik niet meer waar ik gebleven
+ben. O ja, 't is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een
+paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te
+zien. "Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,"
+zei hij. "Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
+heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
+volgelingen te krijgen."
+
+De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te
+lachen. "Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?" riepen
+ze.
+
+"Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet
+verdedigt," zei een ander.
+
+"Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar," zei de Nar.
+
+"Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was,
+het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en
+zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan
+dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden
+en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang,
+dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij
+zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden
+naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de
+stad. "Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?" vroeg hij.
+
+"En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in 't leger een drinkgelag
+gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische
+danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen
+verspeelde men den buit en...."
+
+"Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden," viel Raniero
+in. "Was dat ook niet een groote zonde?"
+
+De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: "Wacht
+maar, dat zal ik je wel betaald zetten."
+
+"Neen, val me nou niet in de rede," verzocht hij weer. "Een arme Nar
+vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: "De heilige
+Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel
+eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel
+antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon.
+
+"Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen," zei
+de heilige Petrus, "en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen
+dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets
+goeds van terecht."
+
+"Nar, Nar," zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer
+in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand
+opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort.
+
+"Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met
+recht bestraft wordt, maar in 't volgend oogenblik boog Hij zich
+haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger.
+
+"De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. "Waar ziet Ge
+naar?" vroeg hij verwonderd."
+
+De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen
+Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat
+Onze Lieve Heer in 't oog gekregen had.
+
+"Onze Lieve Heer antwoordde, dat 't niets bijzonders was," zei de Nar,
+"maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus
+volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien
+dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar
+buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een
+menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit
+de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging
+het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten
+scharen ridders en ledigden de bekers. 't Eenige verschil was, dat er
+daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De
+heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was
+toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel
+strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende
+hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En
+hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen,
+'t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof,
+met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen,
+met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem."
+
+Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
+gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
+henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid.
+
+"Je bent een brutale kerel," zei Raniero, "laat ons nu eens hooren
+waar je heen wilt."
+
+"Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets," ging de Nar voort, "dat maakte,
+dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den
+heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een
+van de ridders een brandende kaars naast zich had."
+
+Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd
+nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
+wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om
+te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken.
+
+"De heilige Petrus zag nu," vertelde de Nar, "dat hoewel de tent
+overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende
+kaars naast zich had. 't Was een groote dikke kaars, een die er op
+berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen
+kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar
+gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden."
+
+'t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen
+op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was
+als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd,
+want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige
+Graf had aangestoken. Hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen,
+die uit te laten gaan.
+
+"Toen de heilige Petrus die kaars daar zag," zei de Nar, "werd het
+hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch
+kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben."
+
+"Nu ja," zei hij, "dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong
+na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen
+mocht aansteken aan het Heilige Graf."
+
+"Ja, zoo is het," zei Onze Lieve Heer, "en zooals je ziet, heeft hij
+zijn kaars nog aan."
+
+De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
+Raniero wierp: "De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje
+medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. "Kunt Ge niet begrijpen
+waarom hij die kaars nog aan heeft?" zei hij. "Ge meent zeker, dat
+hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij
+denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend
+werd als de dapperste in 't leger naast Godfried van Bouillon."
+
+Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
+boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen
+het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
+verdragen.
+
+"Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen," zei de Nar. "Zie je niet
+hoe bang hij voor die kaars is?" vroeg Hij. "Hij houdt de hand voor
+de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze
+uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen,
+die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen."
+
+Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere
+waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij
+voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige
+kaarsvlam schertste.
+
+"De heilige Petrus was nog wantrouwend," ging de Nar voort. "Hij
+vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, "hij hoort
+juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje
+verslijten." zei hij.
+
+Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. "Heilige Petrus,
+heilige Petrus," zei hij. "Onthoud nu, dat die ridder daar vromer
+dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan
+als 't niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en
+noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien
+verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt."
+
+Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero's karakter
+en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn
+die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den
+Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel,
+die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was,
+dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er
+op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn,
+zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren,
+eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was,
+had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite
+niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. "Ik zal
+hem op een anderen keer wel krijgen," dacht hij, en ging weer zitten.
+
+De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot
+Raniero en wilde de scherts voortzetten: "Er is toch één ding wat zeker
+is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je
+in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen."
+
+Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte
+niet volgen zou.
+
+"Nergens anders om," zei de ridder, "dan dat het kostbaarste wat je
+gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het
+heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die
+kun je toch niet naar Florence zenden."
+
+Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
+dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een
+eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager
+en zei tot hem: "Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis,
+morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam."
+
+Maar de wapendrager antwoordde knorrig "neen" op dit bevel. "Dat is
+iets wat ik niet op mij nemen wil," zeide hij. "Hoe zou het mogelijk
+zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn,
+voor ik buiten de legerplaats was."
+
+Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
+allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
+te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
+waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek,
+dat geen van Raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
+geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
+geduld en riep uit: "Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht
+worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen."
+
+"Bedenk u wel voor gij zooiets belooft," zei een ridder, "gij laat
+hier een vorstendom achter."
+
+"Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen," riep
+Raniero, "ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd."
+
+De oude wapendrager verdedigde zich: "Heer, voor u is het iets anders,
+gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden."
+
+Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. "Ik
+zal ook alleen reizen," zei hij.
+
+Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
+met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
+
+"Waarom lach jelui niet meer?" vroeg Raniero. "Die onderneming is
+maar een kinderspel voor een dapper man."
+
+
+
+
+III.
+
+Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te
+paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen
+had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren
+kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij
+was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed
+paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel
+had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de
+vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
+reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
+goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
+Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
+voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
+gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
+dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
+mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
+was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.
+
+Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort,
+ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend
+schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten,
+die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.
+
+Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was
+heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
+gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.
+
+Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
+kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero
+ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt
+was om uit te gaan.
+
+Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
+paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
+het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat
+hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die
+manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de
+tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen
+hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel
+opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren
+geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel
+kale heuvels.
+
+Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
+mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
+plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero,
+die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd
+hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen,
+ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag
+dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen
+te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
+kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
+fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
+spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
+uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
+hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
+hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde,
+maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
+weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
+als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.
+
+De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met
+het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij
+namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
+geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de
+beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
+zijn kaars niet uit.
+
+Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe
+goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te
+krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn
+voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden."
+
+Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf,
+alsof het van hout was.
+
+Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
+ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die
+kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
+als een dwaze bedelaar."
+
+Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
+onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
+verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust
+niet kon weerstaan het door te zetten.
+
+Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
+heuvels om zich heen.
+
+Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
+hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht
+hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?"
+
+De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
+door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
+zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
+snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
+zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder
+verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe
+om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar,
+maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag
+dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed
+om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan
+den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en
+op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden
+doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.
+
+Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
+hield, die boete deed.
+
+Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
+den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
+doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt
+om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de
+gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw
+aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden
+met ladingen levensmiddelen.
+
+Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden,
+met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!"
+
+De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
+eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!"
+
+Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd
+hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens
+sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen
+te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen
+gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op
+den weg.
+
+Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je
+"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars
+keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij,
+dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit,
+maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij
+en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het
+gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.
+
+"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht
+hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij
+was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk,
+dat zijn tocht hem zou gelukken.
+
+Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die
+de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote,
+overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen,
+waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers,
+maar de menschen moesten bij de dieren slapen.
+
+'t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats
+voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een
+middagmaal aan hun heer.
+
+Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik
+begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben
+door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker
+door de wereld, als men mij voor een gek houdt."
+
+Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
+stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling
+niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar
+nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij
+strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot
+den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
+hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.
+
+"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij
+probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was
+en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
+van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
+iets wat hij zich voorgenomen had.
+
+Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
+
+Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met
+een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest
+u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar
+hier hebt gij ze weer."
+
+Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig
+van u dat gij ze uitgedaan hebt."
+
+"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen
+gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze
+zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult
+gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft."
+
+Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
+verder in de beste stemming.
+
+
+
+
+IV.
+
+Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van
+Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de
+roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen.
+
+Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
+van Syrië. Vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland
+van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En
+van daar was het nog ver tot Florence.
+
+Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
+pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood
+met hem deelden.
+
+Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
+lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
+daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
+waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
+en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
+hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij
+had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als
+een kaarsvlam. Dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest,
+dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had.
+
+Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
+onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.
+
+"Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb,"
+zei hij.
+
+Op een avond reed Raniero een stad binnen. 't Was avond en de
+huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero
+zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
+herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
+loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als
+een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat
+ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij
+was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van
+overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
+waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
+dat hij haar zou terugwinnen.
+
+De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
+hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
+in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen.
+
+Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij,
+dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den
+berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere
+menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch
+heiligengraf. 't Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met
+een gewelfd dak. Hij vond, dat het 't beste was, daar zijn toevlucht
+te nemen.
+
+Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
+sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het
+zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist,
+dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat
+het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen
+en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg,
+heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor
+'t altaar van de Heilige Maagd.
+
+'t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en
+zag hij de bliksemstralen.
+
+En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak
+een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij
+het heilige licht hoefde te gebruiken.
+
+
+
+Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
+Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
+meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
+zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
+gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
+zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
+naderen zou.
+
+Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
+verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op
+en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op
+dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.
+
+Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
+sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
+pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg
+naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder
+hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
+berg op.
+
+Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
+kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
+kaarsen, die ze droegen.
+
+Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de
+kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige
+vlam was aangemaakt.
+
+
+
+Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
+een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
+tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
+het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
+hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat,
+en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit
+zou zijn.
+
+Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag
+dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
+en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
+wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut.
+
+Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
+strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze
+te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze
+vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang
+voor hem waren maar hij dacht: "Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
+anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
+zijn ze niet bang voor mij."
+
+Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
+het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
+die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
+troubadour was.
+
+Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
+aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: "Een
+gek! een gek!" maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan:
+
+"Hebt ge lang op deze wijze gereisd?" vroeg hij hem.
+
+"Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen," antwoordde Raniero.
+
+"Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?"
+
+"Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem
+ging," antwoordde Raniero.
+
+Toen sprak Robert Taillefer tot hem: "Ik ben ook een van hen, die een
+vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt
+gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen,
+mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven."
+
+Toen antwoordde Raniero: "Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het
+ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen
+zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een
+liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge
+ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
+
+"Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen
+vreugde smaken. Maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden
+tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig
+kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt,
+ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het
+volgend oogenblik de vlam u begeeft."
+
+Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: "Wat ge voor uw
+vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne."
+
+
+
+Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen
+in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg
+hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. "'t Vuur is bij mij
+uitgegaan," zei ze, "mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur,
+zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken."
+
+Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een
+afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
+werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd.
+
+Toen sprak de vrouw tot hem: "Geef mij vuur, pelgrim, want het leven
+van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden."
+
+En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
+aansteken aan zijn vlam.
+
+Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
+bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
+den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
+aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
+wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine
+viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich
+de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en
+stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.
+
+Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: "Gij zegt, dat de vlam
+die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij
+zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?"
+
+"Waar werd uw vlam aangestoken?" vroeg de vrouw.
+
+"Die werd aangestoken op het graf van Christus," zei Raniero.
+
+"Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
+menschenliefde," zei de vrouw.
+
+Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
+apostel voor zulke deugden.
+
+Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
+dat hij in de nabijheid van Florence was.
+
+Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
+af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
+verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina
+had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij
+het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
+overwinningen en veroveringen.
+
+Toen merkte Raniero, dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die
+herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen.
+
+Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was,
+die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen,
+zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig
+waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde
+blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen
+arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
+in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te
+maken. "Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd," dacht hij,
+"ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft."
+
+
+
+
+V.
+
+Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed. Nauwelijks was
+hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de kap over het
+gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een bedelaar
+stond op en riep het gewone: "Pazzo! pazzo!"
+
+Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief,
+die in lang geen ander werk gehad had, dan op zijn rug te liggen en
+naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen hetzelfde:
+"Pazzo! pazzo!"
+
+Daar ze nu met hun drieën aan het schreeuwen waren, maakten ze leven
+genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen aanrennen
+uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn versleten
+mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: "Pazzo! pazzo!"
+
+Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten,
+zonder op het geroep te letten.
+
+Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op
+en trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de
+hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens
+te ontkomen.
+
+Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om
+het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam
+te beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op
+elkaars rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen
+naar de kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar
+verdrongen, dat het hun niet lukte de vlam te dooven.
+
+Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan
+de vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn
+kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren
+op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.
+
+Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars
+te beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren
+gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een
+martelaar. De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat
+krioelde van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te
+nemen. De vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden
+met hun baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.
+
+Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een
+vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en
+ging er haastig mee naar binnen.
+
+'t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen,
+maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond;
+toen hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig
+ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard
+was de eenige, die bij hem bleef staan.
+
+Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli Uberti
+uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog mooi,
+haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.
+
+Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was
+bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem
+een schok door de leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote macht over
+hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze: "Hier
+is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe graag je
+die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te helpen."
+
+Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon langzaam
+op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was bijna
+weer gevallen.
+
+Toen beproefde hij op het paard te komen.
+
+Francesca hielp hem.
+
+"Waar wil je heen?" vroeg zij, toen hij eindelijk in 't zadel zat.
+
+"Ik wil naar de domkerk," zei hij.
+
+"Dan ga ik mee," sprak ze; "want ik wil naar de mis."
+
+En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.
+
+Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar Raniero
+zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te zien. Hij
+hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.
+
+Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de
+kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten
+zou. Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde
+weten wat ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero
+krankzinnig thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd
+was, wilde zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid
+daarvan bespaard bleef.
+
+Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide,
+maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen
+haar. Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.
+
+Hij liet zich naar de sacristy brengen.
+
+Daar steeg hij van 't paard. Hij ging alleen de sacristy in, naar
+den geestelijke.
+
+Francesca ging de kerk binnen.
+
+Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren
+onaangestoken ten teeken van rouw.
+
+Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder
+vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.
+
+In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters
+bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop
+vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de
+geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis
+tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten
+laatste ging ook de bisschop.
+
+Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor
+en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri
+naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde
+wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem
+bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca
+had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden
+terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke sprak lang en goed. Hij
+zei ten slotte met luider stem: "Nu kan het wel is waar een kleinigheid
+schijnen, dat een kaarsvlam hier naar Florence gebracht werd, maar ik
+zeg u, bidt God, dat hij Florence veel dragers van het heilig vuur
+zendt, dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder
+de steden."
+
+Toen de geestelijke zijn toespraak geëindigd had, gingen de hoofddeuren
+van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der haast
+geordend was kunnen worden, trok naar binnen.
+
+Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door
+de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en
+naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis
+gedragen had.
+
+Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond een
+oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een gezel,
+dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had
+om oneenigheid met hem.
+
+Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei
+hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:
+
+"'t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat Raniero met heilig
+vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger nooit gehoord of
+beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk
+is. Daarom zou ik willen vragen dat men 't heele volk bekendmake
+met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft meegebracht dat dit
+werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is aangestoken."
+
+Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: "Nu helpe mij God! Hoe
+kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen en
+wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen."
+
+"Raniero is een eerlijk ridder," zei de bisschop, "en wij gelooven
+hem op zijn woord."
+
+"Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden," zei
+Oddo. "Hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben. Zijn pages
+kunnen wel voor hem getuigen."
+
+Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar voren
+en ging op Raniero toe: "Wat hebben wij getuigen van noode?" zei
+zij. "Alle vrouwen in Florence willen er op zweren, dat Raniero de
+waarheid zegt."
+
+Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar
+dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam.
+
+Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat Raniero
+de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen
+had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.
+
+Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. "Ik denk
+wel, dat allen weten, dat er geen al te groote vriendschap bestond
+tusschen mijn schoonzoon en mij," zeide hij, "maar nu willen toch
+mijn zonen en ik allen borg voor hem staan. Wij gelooven, dat hij
+het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat hij die zulk een
+onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en edelaardig man is,
+dien wij met vreugde in ons midden opnemen."
+
+Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk, dat
+hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte groep
+en 't was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet wilden opgeven.
+
+Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk
+zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op
+zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.
+
+Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel
+hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een
+nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht
+aansteken? Oddo's woorden waren een doodsteek geweest. Nu de twijfel
+eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had een
+gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.
+
+Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het
+vloog recht op Raniero's kaars aan. Hij had geen tijd die terug te
+trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.
+
+Raniero's arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen. Maar in 't
+eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting, 't Was beter
+dan dat menschen het gedaan hadden.
+
+'t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward
+rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis komen.
+
+Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: "De vogel brandt! Het
+heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken."
+
+Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een
+fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het
+snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond
+Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem
+kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel
+verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.
+
+Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: "God wilde het! God
+heeft voor hem getuigd!"
+
+En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders, twijfelden
+niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen, verrukt over
+dit wonder Gods: "God wilde het! God heeft voor hem getuigd!"
+
+
+
+Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte
+alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was. Maar
+de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri, ter
+herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd
+een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht
+en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den
+huidigen dag.
+
+Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk jaar
+op den avond vóór Paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan
+Raniero's thuiskomst met het heilige vuur, en dat men daarbij altijd
+een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen. En dit feest is er
+zeker van 't jaar nog geweest, wanneer daar niet pas een verandering
+in gebracht is.
+
+Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig
+vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de
+heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een
+voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren,
+te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.
+
+Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van
+Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***