summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--44506-0.txt6326
-rw-r--r--44506-h/44506-h.htm6991
-rw-r--r--44506-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--44506-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--44506-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--44506-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 107247 bytes
-rw-r--r--44506-h/images/titlepage.pngbin0 -> 15620 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/44506-8.txt6717
-rw-r--r--old/44506-8.zipbin0 -> 116768 bytes
-rw-r--r--old/44506-h.zipbin0 -> 254114 bytes
-rw-r--r--old/44506-h/44506-h.htm7404
-rw-r--r--old/44506-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--old/44506-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--old/44506-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--old/44506-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 107247 bytes
-rw-r--r--old/44506-h/images/titlepage.pngbin0 -> 15620 bytes
19 files changed, 27454 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/44506-0.txt b/44506-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ad427ab
--- /dev/null
+++ b/44506-0.txt
@@ -0,0 +1,6326 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***
+
+ CHRISTUSLEGENDEN
+
+
+ Naar het Zweedsch
+ van
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ Schrijfster van:
+ "Gösta Berling", "Ingrid",
+ "De Koninginnen van Kungahälla",
+ "De Wonderen van den Antichrist",
+ "Jeruzalem", "Onzichtbare Ketenen".
+
+ door
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+
+ Geautoriseerde uitgave
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De heilige nacht 1
+ Het visioen van den Keizer 11
+ De bron der Wijzen 23
+ De Kinderen van Bethlehem 37
+ De vlucht naar Egypte 69
+ In Nazareth 81
+ In den Tempel 89
+ De Zweetdoek van de Heilige Veronica 111
+ Vogel Roodborst 179
+ Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus 191
+ De Kaarsvlam 207
+
+
+
+
+
+
+
+DE HEILIGE NACHT.
+
+
+Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij
+niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de
+dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in
+den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.
+
+Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
+zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
+stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
+kind had het zoo goed als wij.
+
+Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
+dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
+een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
+verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
+ze: "En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou."
+
+Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
+alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en
+daarvan was het refrein: "Koud waait de wind over de zee".
+
+En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en
+een gezangvers.
+
+Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
+verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik
+'t zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus' geboorte.
+
+Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
+dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis,
+toen zij was heengegaan.
+
+Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond--en toen
+ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik
+nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen,
+bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.
+
+En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen,
+dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor
+al het pleizier, dat zij ons gedaan had.
+
+En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve,
+ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen.
+
+Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
+van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger
+vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open
+kon maken.
+
+En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed
+leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon 't wel
+schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten.
+
+Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
+legenden van Christus verzamel, die ik nu in 't Oosten gehoord heb,
+wordt dat kleine verhaal van Jezus' geboorte, dat Grootmoeder me
+placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over
+spreken en het opnemen in mijn verzameling.
+
+
+
+'t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder
+en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet
+meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het
+speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden
+en de Kerstlichtjes zien.
+
+Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen.
+
+"Er was eens een man," zei ze, "die uitging in den donkeren nacht
+om vuur te leenen. Hij ging van 't eene huis naar het andere en
+klopte aan.
+
+"Ach, vrienden," zei hij, "helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind
+gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"Maar 't was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand
+antwoordde hem.
+
+"De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het
+schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur
+in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen
+te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.
+
+"Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was,
+zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen
+te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden
+de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd
+gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan,
+hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij
+vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in 't been wilde
+bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar
+de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet
+gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond.
+
+"Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de
+schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door
+kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het
+vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich."
+
+Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
+laten haar in de rede te vallen. "Waarom werden ze niet wakker,
+Grootmoeder?" vroeg ik.
+
+"Dat zul je straks hooren," zei Grootmoeder, en vertelde voort.
+
+"Toen de man bijna bij 't vuur was, zag de herder op. Hij was een oud,
+knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij
+den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien
+hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem
+dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij
+hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in."
+
+Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede:
+"Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?" Maar
+Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort:
+
+"Nu kwam de man bij den herder en zei: "Vriend, help mij, en leen me
+wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur
+aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"De herder had 't liefste "neen" gezegd, maar toen hij er over dacht,
+dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen
+niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen
+treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat
+hij vroeg.
+
+"Neem zooveel ge noodig hebt," zei hij tot den man.
+
+"Maar 't vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar
+niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep,
+waarin hij de heete kolen dragen kon.
+
+"Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: "Neem zooveel als gij noodig
+hebt," en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen.
+
+"Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen
+en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet,
+toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
+man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren."
+
+Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: "Grootmoeder,
+waarom wilden de kolen den man niet branden?"
+
+"Dat zul je hooren," zei Grootmoeder, en vertelde verder:
+
+"Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag,
+werd hij heel verbaasd: "Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat
+de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet
+doodt en 't vuur niet zengt?"
+
+"Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: "Wat is dit toch voor een
+nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?"
+
+"Toen zei de man: "Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet
+ziet." En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw
+en kind te kunnen verwarmen.
+
+"Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het
+oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
+beteekenen.
+
+"Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde.
+
+"Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen,
+maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien
+was dan kale, naakte steenen wanden.
+
+"Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou
+kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was,
+werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.
+
+"En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte
+schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje
+daarop moest leggen.
+
+"Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen
+zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had
+kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.
+
+"Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met
+zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en
+allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de
+wereld zou redden uit haar zonden.
+
+"Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad
+wilden doen.
+
+"En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze
+overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs
+den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en
+als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje.
+
+"Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles
+zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen
+onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren,
+dat hij op de knieën viel en God dankte."
+
+Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: "Maar
+wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht
+vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden."
+
+En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: "Dat moet
+je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
+jou. 't Zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in
+zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods
+heerlijkheid kunnen zien."
+
+
+
+
+
+
+
+HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.
+
+
+Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning
+in Jeruzalem.
+
+Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
+neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had;
+men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen
+was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men
+kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders,
+want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren
+thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.
+
+En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
+staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
+hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
+gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
+sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
+hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich
+onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde
+niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet
+haar geuren uit te ademen.
+
+In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
+blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
+levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
+willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper
+zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.
+
+Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
+keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
+het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren
+den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde,
+dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord,
+dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun
+wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld
+door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.
+
+Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
+de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de
+kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of
+soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.
+
+De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk
+duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige
+altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat
+er verder voor het offer noodig was.
+
+Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
+lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den
+nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de
+ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet,
+openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.
+
+Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand
+van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst,
+dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een
+oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de
+rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon
+zijn dan de oude Sibylle.
+
+Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die
+oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet
+bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij
+is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er
+zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist
+vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer
+en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der
+boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen,
+aan wie ze zijn afgezonden?"
+
+Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het
+voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging
+gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat
+aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
+over de oogen, uit in den nacht.
+
+Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
+in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.
+
+Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?
+
+Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis
+was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte,
+wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden
+ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
+zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.
+
+Zij dachten: "Er moet iets vreeselijks gebeuren."
+
+Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
+keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem
+in om den nieuwen god te begroeten.
+
+Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
+en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
+zijn beschermgeest te begroeten.
+
+Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een
+visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen
+was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof
+ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met
+den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij
+boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras,
+maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.
+
+Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
+en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen
+en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de
+kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de
+glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
+waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven
+niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en
+de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.
+
+Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
+berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde,
+de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit
+de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon
+den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich
+vrij en verdween in 't duister van den nacht.
+
+Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
+sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.
+
+Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders
+meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door
+den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang,
+eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.
+
+Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende
+gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen
+engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen
+over de wijde vlakte.
+
+Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
+de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde
+het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle
+krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de
+duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar
+duisteren nacht.
+
+De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
+en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
+ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.
+
+Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
+haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk
+werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich
+overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte
+engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen,
+als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen
+cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen
+en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden,
+stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden,
+om van het wonder te vertellen.
+
+Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
+oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een
+groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den
+bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
+engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
+versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.
+
+Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven
+een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een
+rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven
+en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich
+op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het
+huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de
+lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad,
+ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't
+Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden
+frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke
+geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te
+bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan
+den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
+duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.
+
+Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
+zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen
+zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die
+aangebeden moet worden op het Kapitool."
+
+En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
+zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar
+visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en
+ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond
+was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in
+haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de
+gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde
+rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.
+
+Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
+ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees
+zij naar het verre oosten.
+
+"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte
+opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in
+het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen
+rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In
+den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje,
+dat op een stroobos op den grond lag.
+
+En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.
+
+"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den
+heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden."
+
+Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
+zich had.
+
+Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
+oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
+veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
+een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
+woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:
+
+"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de
+wereld vernieuwt.
+
+"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen."
+
+Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
+mannen, liep langzaam den berg af en verdween.
+
+Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een
+tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte
+hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat:
+"Altaar des Hemels", Ara Coeli.
+
+
+
+
+
+
+
+DE BRON DER WIJZEN.
+
+
+In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en
+verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras.
+
+'t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de
+minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
+veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.
+
+De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar
+Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen
+hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van
+David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen
+tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.
+
+Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
+die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
+uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien
+uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden
+in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de
+opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den
+bodem maakte hem onrein en troebel.
+
+Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
+op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wanneer 't met jou gedaan kan zijn,"
+zei de droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de
+diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er,
+Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."
+
+"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron; "niemand kan me helpen. Daar
+zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn."
+
+"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei de
+droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu
+wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.
+
+Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
+als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
+pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen,
+den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige
+droppels van den bodem.
+
+Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de
+droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte.
+
+"Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zoo
+licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat 't met
+je gedaan is."
+
+De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht,
+die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land
+van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige
+koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen
+eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
+verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.
+
+Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
+kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
+de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
+aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.
+
+De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
+in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
+vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
+kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
+was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk,
+dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan,
+die daar kwam aanzetten in den nacht.
+
+Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
+tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
+schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk
+de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.
+
+Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid
+was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat
+de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en
+dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje,
+en bereden door schoone, voorname ruiters.
+
+De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
+zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen,
+en hun ruiters stegen af.
+
+De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen,
+schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten
+en wonderlijk opeengestapelde pakken.
+
+De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
+door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
+gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
+glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van
+den hemel genomen was.
+
+"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij
+verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."
+
+"Zoo wordt zij vandaag nog genoemd," zei de droogte; "maar morgen is
+het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."
+
+"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is
+dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar
+heeft zij haar naam?"
+
+"Ik weet dat ze heilig is," zei de droogte; "maar wat kan haar dat
+helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."
+
+De drie reizigers zagen elkander aan.
+
+"Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.
+
+"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen," zei
+de droogte trotsch.
+
+"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.
+
+En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit,
+en luisterden.
+
+De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
+sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:
+
+"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn
+ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren
+drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm,
+wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in
+eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
+niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
+melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De
+menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren,
+den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde
+wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige
+wijsheid uit Ethiopië gekomen was.
+
+De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar
+aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des
+nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid
+zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het
+wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten.
+
+Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
+begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
+wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
+wekte de beide anderen.
+
+"Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
+te slapen," sprak hij tot hen. "Ontwaakt en heft uw oogen op naar
+den hemel."
+
+"Nu," zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht,
+dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was
+zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep
+en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde
+er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten,
+sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.
+
+Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen
+een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als
+een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon
+hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen--God late ze alle
+verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en
+het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte
+naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen
+hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
+hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en
+er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig
+stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en
+straalde als de schoonste onder de sterren.
+
+Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
+op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van
+Cyrus en Alexander te boven zou gaan.
+
+En ze zeiden tot elkander: "Laat ons naar den vader en de moeder
+van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
+hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met
+een gouden armband."
+
+Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen
+de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in
+de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke
+woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe
+ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen
+getroost voort met de ster als wegwijzer.
+
+Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
+den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning,
+dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
+edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
+spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
+moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
+macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo.
+
+Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
+zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
+minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
+zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
+behoefden te dragen.
+
+"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei de droogte,
+"en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood,
+maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen
+den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten,
+bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze
+hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende
+boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den
+nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen
+zij verder.
+
+"Voor een mensch," ging de droogte voort, "was het een heerlijke
+wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden
+te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het
+diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den
+heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar:
+"God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten."
+
+"Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging de droogte
+voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn,
+even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren
+trots en verwoestende gierigheid. "Wij zijn Godsgezanten," herhaalden
+de drie Wijzen. "De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet
+te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud."
+
+"Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
+heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de
+stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag
+te schitteren.
+
+"De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren
+en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen
+niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
+stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar
+gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie
+wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen.
+
+"Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje
+van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot
+staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk
+te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te
+verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar
+den heuvel.
+
+"Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?" zeiden
+ze. "Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten,
+en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat
+kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier
+in het dal."
+
+De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb
+ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is
+dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart."
+
+"De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam,
+dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging de
+droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten
+weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden,
+van den heuvel verdwenen."
+
+De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht
+lag een uitdrukking van diepe smart.
+
+"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van 't standpunt
+van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat
+de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij
+tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde de droogte
+bevend verder, "zooals het veld in den herfst, als de sterke regens
+beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel
+werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.
+
+"Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind
+te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
+niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
+smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
+drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over
+het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de
+ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.
+
+"En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen
+opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind
+en zeiden: "Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
+kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
+heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe."
+
+"Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij
+opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een
+koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de
+melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
+zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken
+en koning werden--ieder in zijn eigen land."
+
+De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar:
+"Ge hebt goed verteld," zeiden zij.
+
+"Maar het verwondert mij," zei de eene, "dat de drie Wijzen niets
+voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad
+geheel vergeten?"
+
+"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede
+vreemdeling, "om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat
+verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden
+in het dal van de nederigheid?"
+
+"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft
+de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"
+
+Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
+had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
+zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
+Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
+beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
+dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+DE KINDEREN VAN BETHLEHEM.
+
+
+Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op
+wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange
+speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat
+men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners
+gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw
+onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten
+hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman, maar hij nam
+nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien.
+
+"Dat is niet de moeite waard om naar te kijken," scheen hij te willen
+zeggen. "Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen
+aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat
+zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen
+zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een
+schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas
+vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets
+kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den
+Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang
+naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
+de roode bloeddroppels."
+
+Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
+leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit
+veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
+schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
+voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten,
+en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden
+om naar zooiets onbeduidends te kijken. "Die menschen weten niet wat
+mooi is," dacht hij.
+
+En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
+olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde
+zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag
+een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen
+zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen,
+nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de
+woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen
+met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den
+een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar
+niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
+aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
+terug te gaan.
+
+"Zie, dàt is mooi," dacht de krijgsman, "dat is de moeite waard voor
+een dapper man, om te zien."
+
+Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
+had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
+heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
+begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. "Wat is
+daar voor aardigs aan?" dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen,
+als zij naar de spelen der kinderen keken. "'t Is wonderlijk, dat
+menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben."
+
+Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten
+de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
+oud kon zijn, op 't veld komen om te spelen. 't Was een arm kind,
+met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.
+
+De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
+'t zelf te merken.
+
+'t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over 't
+veld sprong; 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes
+zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij
+nog verbaasder.
+
+"Bij mijn zwaard!" zei hij eindelijk. "Dit kind speelt niet als
+anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?"
+
+'t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat
+deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een
+bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen
+was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon
+opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
+opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
+gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
+knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen
+haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die
+manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den
+heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.
+
+"Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb,"
+dacht de krijgsman. "Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen
+helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den
+koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien,
+als hij in 't leven blijft!"
+
+De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
+de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
+kijken. "Dat is toch wonderlijk," dacht hij. "Ik heb hier nu volle
+drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets
+gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind."
+
+Maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het
+kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
+vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
+gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
+tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
+worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als
+de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou
+kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de
+hand om zijn speer, als om steun te zoeken.
+
+En nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag,
+hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
+was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er
+niet van aan zooiets akeligs te denken.
+
+Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie
+veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken
+neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren,
+die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn
+sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en
+mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg,
+naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken
+troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte
+hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de
+bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden
+en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen
+beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van
+den jongen aanzag. "Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar
+voor zijn," zei hij. "Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat
+niet, die stijve planten zoo te buigen."
+
+Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
+kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
+zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind
+zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek,
+dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de
+eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle
+pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een
+wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. "Kijk nu zoo'n kind eens,"
+dacht hij. "'t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
+kan. Wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien, die niet
+verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou 't gaan als zoo
+iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een
+huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den
+grond te boren met alle manschappen aan boord?" Weer moest hij denken
+aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch
+werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. "Nu er
+zulk een kind gekomen is als dit," dacht hij, "is die vreeselijke tijd
+misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de
+dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen
+alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart
+hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten
+zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald,
+en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er
+zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man."
+
+En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven
+en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen,
+voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend
+met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam.
+
+Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine
+trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel
+onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.
+
+'t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm
+en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
+hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. 't Scheen
+den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn
+oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en 't
+vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was,
+dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen,
+vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te
+verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te
+toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting
+voor de zon behoefde te zoeken.
+
+Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam
+de kleine jongen, die gewoonlijk op 't veld speelde, plotseling naar
+hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde,
+en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het
+bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe,
+bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen
+hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als
+een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê.
+
+"Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor
+mij te halen?" dacht de krijgsman. "Dat is toch al te onwijs! Zou
+een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat
+hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet
+noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij
+en zijns gelijken de wereld uit waren!"
+
+De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
+opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
+hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje
+water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man
+daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.
+
+Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
+water aan.
+
+Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder
+over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
+hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
+eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
+soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde
+hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken,
+dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad
+aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.
+
+Hij zag het niet in 't lieve gezichtje, maar bleef stijf en
+onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
+hem wilde doen.
+
+Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
+wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op
+en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat
+bij het water zou kunnen komen.
+
+De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
+helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.
+
+Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
+zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij
+roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde
+smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet
+oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
+van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer
+op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij
+kon van het water op, dat het in de handjes hield.
+
+'t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg,
+maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had,
+voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm
+en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun
+moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de
+roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.
+
+Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
+neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg
+zich verwonderd af: "Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? 't
+Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen."
+
+Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. "'t Is
+immers maar een kind," dacht hij, "'t weet zelf niet waarom het zoo
+of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst
+vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien
+kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens,
+dat hij me geholpen heeft."
+
+En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
+geïrriteerd tegen 't kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche
+soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag
+komen. "Kijk," dacht hij, "wat ben ik door dien jongen in gevaar
+geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij
+mij met een kind in de armen hebben zien staan."
+
+De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
+of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
+een geheim meê te deelen. "Als wij maar tien stappen van de poort
+weggaan," antwoordde de krijgsman, "dan kan niemand ons hooren."
+
+"Je weet," zei de hoofdman, "dat koning Herodes meer dan eens getracht
+heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn
+profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal
+bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een
+duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt
+dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil."
+
+"Ja, dat begrijp ik," zei de krijgsman levendig, "maar dat moet immers
+de eenvoudigste zaak van de wereld zijn."
+
+"Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn," zei de hoofdman, "als de
+koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde
+was."
+
+De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. "'t Is jammer,
+dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen."
+
+"Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen
+Vredevorst onschadelijk te kunnen maken," ging de hoofdman voort. "Hij
+looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil."
+
+"Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning
+of geschenken," antwoordde de soldaat.
+
+"Ik dank je," antwoordde de hoofdman. "Hoor nu wat de koning van plan
+is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een
+feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen
+de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun
+moeders. En op dit feest----"
+
+Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag,
+die op het gezicht van den soldaat kwam.
+
+"Vriend," ging hij voort, "je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes
+van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij
+mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen."
+
+De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
+verteld had, zei hij: "Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
+grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming
+zal mislukken."
+
+"Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt," zei de krijgsman.
+
+Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op
+zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
+tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
+dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.
+
+Plotseling begon de krijgsman te lachen.--"'t Is waar," zei hij,
+"ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt
+vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd."
+
+De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
+avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten.
+
+Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
+een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.
+
+Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats,
+door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven
+elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest
+voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.
+
+Deze galerij was, evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel,
+zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
+lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
+druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
+granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer
+was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs
+de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage
+divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs.
+
+In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
+waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water
+speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in
+een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.
+
+Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De
+kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid
+in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op
+de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe
+gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen,
+met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op
+de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere,
+wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen.
+
+De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
+genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
+waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
+past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen
+haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen,
+die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.
+
+Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
+bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
+krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
+onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
+gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
+schare verwonderd aan te zien.
+
+"Waarom staan die daar?" fluisterden zij; "meent Herodes, dat we ons
+niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden
+noodig zijn om op ons te passen?"
+
+Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een
+koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis
+vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
+zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.
+
+In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
+onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig
+kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die
+Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor
+zijn kleine gasten geschapen had.
+
+Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
+honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
+hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken
+voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een
+oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek
+van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde,
+die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.
+
+Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat
+zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden,
+die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen
+werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
+gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
+gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten,
+dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich
+nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien
+of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen.
+
+Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten
+stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk
+voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers
+konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen.
+
+Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet
+kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
+een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
+bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
+dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.
+
+Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
+ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
+wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze
+over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
+guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
+verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
+en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
+muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats.
+
+In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
+kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
+van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
+van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
+kreet op de krijgslieden toe.
+
+Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
+ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
+met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
+wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen
+zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen
+te wreken door hun moordenaren te worgen.
+
+Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis
+klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de
+krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen
+onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden
+leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief
+hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind
+te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen
+zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo
+vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of
+terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het
+gevaar van hem voorbij te gaan.
+
+"Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf,"
+dacht de krijgsman, "een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats
+verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan
+had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn."
+
+Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw,
+die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar
+hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog,
+kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van 't gevecht
+waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de
+galerij gekomen.
+
+"Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen," dacht de krijgsman;
+"noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond...."
+
+De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog,
+en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind
+te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in
+haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind
+het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
+boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn
+in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
+verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
+bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem
+die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van
+dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard,
+in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen
+te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
+korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
+moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij
+haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
+verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.
+
+
+
+Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden
+op wacht, dicht bij de stadspoort. 't Was nog vroeg en de zware poorten
+waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat
+zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders
+stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners
+van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien
+nacht, dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten.
+
+"Bij mijn zwaard," zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe
+straat inzag, die naar de poort leidde, "ik geloof, dat Voltigius
+een onverstandig besluit genomen heeft. 't Was beter geweest als
+hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had
+laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt
+is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders
+zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de
+poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist
+hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig
+is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen." En hij
+dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen
+in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of
+in balen met koren op een karavaan.
+
+Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
+trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in 't oog,
+die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard
+en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een
+bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich
+met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde.
+
+Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
+vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder,
+die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij
+den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had. Hij dacht: "Dat
+doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt."
+
+Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind,
+dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog
+geslagen kleedingstuk.
+
+"Ik ben er zeker van dat zij het is," dacht hij, "die mij gisteren
+ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange
+gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder
+zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed
+durven hopen."
+
+De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
+stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
+tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
+krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.
+
+"Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?" vroeg de man.
+
+"Je moogt dadelijk gaan," zei de soldaat; "ik moet alleen maar eerst
+even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt."
+
+"Wat is daaraan te zien?" zei de man, "het is alleen wat brood en wijn,
+waar we vandaag van moeten leven."
+
+"Het is misschien waar, wat je zegt," zei de soldaat; "maar als dat
+zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet
+gewillig zien wat ze draagt?"
+
+"Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te
+laten gaan."
+
+Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
+de hand op zijn arm.
+
+"Neen, ga nu niet vechten," smeekte ze. "Ik zal hem laten zien wat
+ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen."
+
+En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
+den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.
+
+En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
+voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw
+onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een
+schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.
+
+"Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt," zei hij.
+
+"Je ziet nu wat ik draag," antwoordde de vrouw.
+
+Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet
+anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
+veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij
+kon er nauwelijks naar kijken.
+
+Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
+afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
+dan de koele bloembladeren.
+
+Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
+den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep,
+dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.
+
+Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:
+
+"Wil je ons nu laten gaan?"
+
+De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden
+had en trad op zij.
+
+Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
+hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
+glimlach!
+
+"Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar
+zag," zei ze tegen den krijgsman.
+
+En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
+ze in 't gezicht waren.
+
+En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
+dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind.
+
+Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
+uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
+kwamen loopen. "Houd ze!" riepen ze. "Sluit de poort voor hen! Laat
+hen niet ontkomen!"
+
+En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor
+van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn
+huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
+ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
+grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
+'t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had.
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen
+de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een
+woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het
+paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in
+'t zadel en joeg voort over den weg.
+
+
+
+Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn,
+die 't zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen
+van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht,
+waar maar geen einde aan kwam.
+
+"'t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen
+zinken," zei hij morrend. "Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet
+zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had
+kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden,
+dat ik ze nooit kan vinden."
+
+Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij
+vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen
+hem beschermden.
+
+"'t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger
+en dorst omkom in dit eenzame land!" zei hij herhaaldelijk in zichzelf.
+
+Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
+wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu
+al twee keer het kind had laten ontkomen. 't Was niet denkbaar,
+dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.
+
+"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog
+leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de
+krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te
+verzachten--mij aan het kruis zal slaan."
+
+'t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in
+deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in
+'t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de
+ruiter beide waren op 't punt te bezwijken.
+
+Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
+vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer
+dan ooit.
+
+"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het
+de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in
+deze vreeselijke woestijn."
+
+Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den
+weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.
+
+Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de
+grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,"
+dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
+kan hervatten."
+
+Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
+beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.
+
+Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
+als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.
+
+Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman
+iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam
+die mee in de grot.
+
+De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf
+binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren
+een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt,
+in diepen slaap verzonken.
+
+De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat
+zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had
+nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen,
+buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht.
+
+Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
+het slapende kind.
+
+Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en
+mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden.
+
+Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
+zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
+'t bekijken van zijn offer.
+
+Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd,
+want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de
+leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.
+
+"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom
+heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde
+vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht:
+"Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot
+aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen."
+
+Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht,
+verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste
+zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken."
+
+Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
+geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
+die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog
+en om zijn hoofd.
+
+De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
+jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
+die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
+
+Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard
+stil en stond naar de bij te luisteren.
+
+Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
+zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie
+in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën,
+die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het
+een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden
+en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort.
+
+Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.
+
+"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij.
+
+Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
+een diepe blos kwam op zijn gezicht.
+
+"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen
+dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd
+met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den
+jongen vredevorst te vernietigen.
+
+"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft,"
+zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard
+naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen
+zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.
+
+Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie
+oogen aan te zien, die als sterren straalden.
+
+En de krijgsman boog een knie voor het kind.
+
+"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de
+overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt
+degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt."
+
+Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl
+de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen.
+
+
+
+
+
+
+
+DE VLUCHT NAAR EGYPTE.
+
+
+Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange,
+lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de
+woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen,
+want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen,
+dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.
+
+Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien
+over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn
+geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen
+van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee
+eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk
+een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch
+zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de
+palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
+geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.
+
+"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om
+te sterven."
+
+De palm wierp snel een blik om zich heen.
+
+"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet
+vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen
+van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een
+zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de
+slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm
+zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen
+treffen en de vrees ze doen sterven."
+
+En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
+stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
+kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
+jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
+weer aan die twee zwervers denken.
+
+"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste
+vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den
+arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."
+
+De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk
+zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm,
+dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.
+
+"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie,
+dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje
+heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen
+en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn
+vluchtelingen."
+
+"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel
+hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten
+afwachten, dan de woestijn in te gaan.
+
+"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan
+zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten
+gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was,
+heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen,
+heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en
+is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht
+geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan,
+maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....
+
+"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen,
+maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht
+van een dorstig mensch maar al te goed."
+
+En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
+zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
+alsof ze boven het vuur gehouden werden.
+
+"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn
+wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij
+de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig
+zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen
+zooals ik.
+
+"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden
+kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij,
+dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak
+moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in
+mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik
+was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste
+uur geweest zijn."
+
+De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.
+
+"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei
+hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat
+me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar
+die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het
+wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."
+
+En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
+herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende
+schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin
+van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De
+schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had
+haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
+
+"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu
+een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen
+zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan,
+die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de
+pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.
+
+"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de
+palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste
+aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd
+heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"
+
+"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het
+klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is
+goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet
+sterven."
+
+De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
+gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
+naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als
+zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten
+van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
+voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
+moesten omkomen....
+
+Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
+daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
+zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw
+legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van
+de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn
+beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen
+over spraken, dat zij sterven moesten.
+
+Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
+twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
+verwachte koning van Juda geboren zou zijn.
+
+"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor
+deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."
+
+Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.
+
+De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
+krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat
+zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.
+
+"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.
+
+"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij
+hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"
+
+Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
+den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in
+het hart.
+
+De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de
+uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
+grenzenlooze vertwijfeling.
+
+De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
+werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd
+op en zag naar de kroon van den boom.
+
+"O, dadels, dadels!" riep zij.
+
+Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte,
+dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo
+gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij
+wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
+zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op
+kunnen klimmen?
+
+De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
+hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw,
+niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
+rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep
+van zijn moeder gehoord.
+
+Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
+alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
+hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd
+trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er
+een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij
+ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn
+lief kinderstemmetje:
+
+"Palm, buig je, palm, buig je."
+
+Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan
+zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling
+na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij
+kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind,
+zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij
+ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon
+met de trillende bladen het woestijnzand raakte.
+
+Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet
+kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit
+de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom
+nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
+streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:
+
+"Sta op, palm, sta op, palm."
+
+En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
+veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.
+
+"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm
+in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van
+deze menschen."
+
+Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.
+
+"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke,
+die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
+vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"
+
+Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen
+de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.
+
+"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet
+sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"
+
+"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de
+woestijnreizigers.
+
+
+
+
+
+
+
+IN NAZARETH.
+
+
+Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep
+van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels
+te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den
+pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
+zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
+Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
+bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
+hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat
+gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn
+buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem
+zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.
+
+Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood
+haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij
+gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor
+'t oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan
+een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf
+niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de
+oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze
+waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus
+had zijn voorraad met hem gedeeld.
+
+Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een
+kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd
+uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats
+van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.
+
+Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
+kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
+omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij
+kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en
+dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn
+vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de
+bosschen op Tabor.
+
+Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam
+hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde;
+zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes;
+zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor
+hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo
+rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.
+
+De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
+zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat
+te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote,
+leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte,
+krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
+dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
+uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld,
+wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager
+en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem
+te luisteren.
+
+Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat
+mooie vogels Judas maakt," zei hij.
+
+Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
+zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
+niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn
+werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels
+en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver,
+dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die
+met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat
+verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood,
+alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg
+kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten
+van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de
+zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.
+
+Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
+die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
+bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
+dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
+met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren
+en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.
+
+En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
+een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
+klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als
+van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te
+zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet
+van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei
+met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van
+de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
+trachtte den zonneschijn op te vangen.
+
+Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
+vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
+te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan
+zijn arme vogels geven.
+
+"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."
+
+"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg,
+zooals ze zijn."
+
+Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
+hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na
+den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
+vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat
+te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
+zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.
+
+Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei
+veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
+lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.
+
+"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en
+kunnen zingen?"
+
+Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.
+
+Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
+geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij
+was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels
+kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier
+van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.
+
+Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
+lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in
+de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"
+
+Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
+fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze
+veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen
+en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
+de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze
+in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.
+
+En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus'
+voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen,
+zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.
+
+Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte
+hem tegelijk.
+
+Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
+stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot
+en liefkoosde hem.
+
+"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen
+schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste
+mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een
+wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den
+adem des levens in de doode klei blaast?"
+
+
+
+
+
+
+
+IN DEN TEMPEL.
+
+
+Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in
+den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een
+mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.
+
+De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
+om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
+lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
+vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
+onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
+het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
+koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig
+waren om ze op haar hengsels te doen draaien.
+
+Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
+om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
+merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
+duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij
+woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.
+
+Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
+hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
+daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
+nauwe straat te Nazareth te spelen.
+
+Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
+des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
+toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.
+
+Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
+medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen,"
+zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."
+
+Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
+gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
+spoedig in.
+
+Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:
+
+"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij
+hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij
+dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."
+
+"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren
+werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een
+machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van
+een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd,
+dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan
+een timmerman in Nazareth."
+
+"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen
+wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer
+van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal
+een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik
+begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen
+voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."
+
+"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van,
+dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn
+eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."
+
+"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar
+ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan,
+waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest
+hem hier naar dezen tempel te brengen."
+
+"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We
+zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."
+
+"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei
+de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten
+zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden
+opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den
+koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet
+voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."
+
+Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.
+
+"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die
+rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der
+menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken
+en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden
+en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil
+ik leven, daarvoor ben ik geboren."
+
+"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te
+zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te
+dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."
+
+De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei
+ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op
+hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het
+werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen,
+door te trachten hem voor ons te behouden."
+
+"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.
+
+Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.
+
+"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het
+loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."
+
+Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den
+tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
+door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
+'t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
+den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot
+en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
+bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
+van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij
+oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
+getracht had er een toon uit te halen.
+
+Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
+staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.
+
+"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet,"
+antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen,
+toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er
+ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan,
+zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."
+
+Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
+knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin
+was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem
+aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed
+te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten
+breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof,
+diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had
+koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had
+hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen
+afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die
+verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant
+naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag
+de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest;
+aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde,
+zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de
+moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar:
+"Wat is dat voor een brug?"
+
+"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en
+wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die
+zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal,
+kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en
+liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle,
+trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte
+hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had
+laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.
+
+Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
+ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
+in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk,
+zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door
+kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde
+kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen
+liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen
+en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles
+wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten
+en was uitgehold door vele voetstappen.
+
+Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit
+voor pilaren?"
+
+"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina
+van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid
+noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en
+hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met
+groote oogen naar de zuilen.
+
+"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder
+lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen,
+die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt
+wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het
+gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
+hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."
+
+Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet
+anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug
+en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij
+vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.
+
+En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
+denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
+te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
+hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
+maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
+waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.
+
+De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring
+zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam
+hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens
+te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel
+voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.
+
+Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen
+wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het
+duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek,
+waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.
+
+Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij
+ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
+dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
+rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij,
+dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.
+
+Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
+zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat
+het zelfs onmogelijk was het te beproeven.
+
+Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
+meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.
+
+Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters
+van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te
+beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
+grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
+weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
+hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
+gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht
+een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.
+
+De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig
+handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar
+dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm
+dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt
+zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.
+
+Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken
+man, en zei tot hem:
+
+"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald
+heeft?"
+
+Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite
+nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen
+recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij
+de som schuldig, die ik van haar begeer."
+
+Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
+deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen
+zou geven.
+
+Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij
+zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
+Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
+waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
+zijn haar dochters tot slavinnen te maken."
+
+Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen,
+en keek door de spleet.
+
+"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.
+
+Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
+heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig
+en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter
+wille van die arme vrouw.
+
+Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
+een weg te banen.
+
+En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden,
+naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf,
+en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts
+en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het
+tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.
+
+Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.
+
+In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen
+stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder
+verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van
+de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem
+voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen
+aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had
+in Gods tempel.
+
+Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
+de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.
+
+Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij
+verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar
+gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn
+ouders en de reis naar huis herinnerd.
+
+"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op
+mij wachten."
+
+Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor
+de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar
+minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had
+even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte
+van den grooten tempel lag.
+
+Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
+gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar
+kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij,
+dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging
+op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.
+
+Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
+te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
+oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
+te probeeren.
+
+En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
+dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.
+
+Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
+bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
+witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden
+en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers
+kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
+bijwoonden.
+
+Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje
+droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het
+een groote wond had.
+
+De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
+offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
+geschenk den Heer niet aanbieden kon.
+
+De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
+want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan
+God kon offeren voor zijn genezing.
+
+"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn
+gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."
+
+"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de
+priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te
+offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het
+is over de Paradijsbrug te loopen!"
+
+De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk
+aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien
+kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.
+
+De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
+op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.
+
+Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om
+zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme,
+dien hij verlangde te helpen.
+
+Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk;
+zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."
+
+Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
+sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
+dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder
+zijn voet.
+
+En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
+heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem,
+alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.
+
+Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
+er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
+toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook
+de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen
+kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen,
+die daar stonden.
+
+De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
+dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze
+tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
+geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."
+
+En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over
+de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem
+niet vinden.
+
+Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
+weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
+van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
+"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
+wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
+Stem van den Wereldvorst."
+
+En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
+naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
+geleund stond.
+
+Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
+aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
+zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
+had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.
+
+Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
+te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude
+bazuin zou kunnen blazen.
+
+Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
+durfde probeeren.
+
+Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij
+ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn,
+alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.
+
+Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man
+zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een
+van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij
+een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat
+deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem
+de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen
+onder een valschen naam.
+
+Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
+geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid
+te hooren en de leer van den eenigen God.
+
+"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar
+ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide,
+dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn
+verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."
+
+Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin
+bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote
+koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
+is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden,
+daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
+leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
+tempel ontheiligt."
+
+Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders
+heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan
+uw voeten sterven."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige
+stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
+wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap
+zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
+"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen,
+zoodat hij geholpen was."
+
+Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte
+hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat
+vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
+daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.
+
+En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij
+haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
+ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
+klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.
+
+Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine
+jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken
+aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.
+
+Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
+vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
+"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God
+heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
+ge wordt ingewijd in Zijn dienst."
+
+Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
+op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit
+en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen
+zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren
+was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u
+op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"
+
+Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:
+
+"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een
+heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid."
+
+Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
+hadden geen tijd om te luisteren.
+
+Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
+en vroegen het hun.
+
+Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
+heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en
+dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
+staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden
+geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.
+
+Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
+vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.
+
+Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn,
+laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is,
+waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."
+
+Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.
+
+"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten;
+daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij
+vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over
+hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om
+een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn
+lippen heeft gebracht."
+
+De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
+dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.
+
+Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.
+
+En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
+schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op
+en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen
+zich in en gingen met hem uit den tempel.
+
+Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
+"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?"
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij
+verloren waart."
+
+Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
+de moeder.
+
+"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij
+was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik
+uw stem hoorde."
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag
+gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart."
+
+Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
+het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb
+niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen,
+omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem
+hoorde, kwam ik weer bij u terug."
+
+"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor
+mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af
+aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen
+zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen
+omvatten, die de aarde bevolken."
+
+
+
+
+
+
+
+DE ZWEETDOEK VAN DE HEILIGE VERONICA.
+
+
+I.
+
+In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius
+gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich
+neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren
+vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand
+bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur
+opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op
+den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld
+en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze
+hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat
+hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen,
+die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.
+
+"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over
+verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders
+hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar
+geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet,
+dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden."
+
+"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog
+in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de
+arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme
+vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die
+hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen
+ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen
+bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge
+toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en
+een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen."
+
+De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
+de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar
+gezicht rustte.
+
+"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik
+ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven."
+
+En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
+niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom,
+nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.
+
+Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
+kamer binnen.
+
+Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
+deel zonder aarzelen.
+
+Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
+geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die
+oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
+zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
+aarden schotels."
+
+Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze
+trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
+haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
+veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
+nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
+daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
+plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
+vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.
+
+Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat
+zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
+leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken."
+
+Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten,
+en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.
+
+Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
+de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.
+
+Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
+eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was
+het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
+hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal
+het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die
+ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en
+ik de hut reeds in bezit genomen hebben."
+
+De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die
+zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,"
+zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven."
+
+"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt
+er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt
+oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan."
+
+Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde
+zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen
+had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge
+vrouw in 't gesprek:
+
+"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die
+oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen
+wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat
+zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar
+dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de
+wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn
+als haar dood te laten hongeren."
+
+Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
+onderzoekend aan.
+
+"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij
+barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?"
+
+Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf
+groote barmhartigheid ondervonden hebben."
+
+
+
+
+II.
+
+De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot
+groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit
+van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het
+niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.
+
+Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den
+grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten,
+zagen zij een oud man het pad opkomen.
+
+'t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als
+die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
+uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen,
+en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn
+houding was fier en zijn bewegingen waren snel.
+
+De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
+zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen
+is en nu op weg naar huis is."
+
+Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
+staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
+doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald,
+vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen
+te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen."
+
+Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is
+zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar
+ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij
+dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen,
+zal ik heel dankbaar zijn."
+
+Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
+hut lagen.
+
+De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
+maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd
+met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar
+hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.
+
+Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
+uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t
+Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en
+arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt,
+ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?"
+
+Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
+de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
+hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.
+
+De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp,
+dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik
+al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius
+was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een
+groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets
+anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken
+alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft
+laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking."
+
+"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge
+vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd
+het hoofd.
+
+"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe
+somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen
+hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin."
+
+"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij
+beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is
+als in 't begin van zijn regeering."
+
+"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten
+Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede
+en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af
+aan nog erger wordt dan hij geweest is."
+
+"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken
+zal dan hij al is?" vroeg de man.
+
+Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
+waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet
+zien kon.
+
+De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
+glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.
+
+"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in
+zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
+altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
+gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
+keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals
+ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden
+waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren,
+was de oude min van den keizer: Faustina."
+
+"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij
+gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft."
+
+"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij
+heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de
+Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang
+hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op
+het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
+Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
+draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van
+een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem
+daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen
+vol slaven en kostbaar huisraad."
+
+"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man.
+
+Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De
+jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude
+vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was,
+had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk
+uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat
+daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht
+voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.
+
+"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou
+hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden
+is zij hem nu ook ontrouw geworden."
+
+De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde
+troostend de hand op haar arm.
+
+Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch
+niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't
+hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben
+er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen
+zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was,
+en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is,
+dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft
+hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor
+haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij
+'t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken."
+
+De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van
+deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de
+oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.
+
+"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,"
+antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan
+'t hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen
+ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden."
+
+"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer
+verlaten?"
+
+"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de
+vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet
+één van haar schatten meêgenomen."
+
+"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de
+jonge vrouw met haar zachte stem.
+
+"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt
+het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar
+vaderland genomen heeft."
+
+"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de
+jonge vrouw.
+
+"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem
+verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende
+om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch
+wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij
+heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
+want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is."
+
+"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat
+ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is
+opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft
+altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den
+keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik
+begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht
+te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de
+bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat
+ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik
+zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst
+om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij
+van mij heenging op de lange reis."
+
+De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er
+niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
+ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
+als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
+in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen
+van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die
+hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht."
+
+Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
+oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
+zag hem vast in de oogen en antwoordde:
+
+"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
+wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
+geen zonde en schande behoeven te zien."
+
+Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
+vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.
+
+De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is
+dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen.
+
+De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.
+
+"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar
+de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw.
+
+De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
+op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius,
+er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat
+is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw,
+waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan
+vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat."
+
+Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
+waar langs hij gekomen was.
+
+
+
+
+III.
+
+Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude
+vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over,
+dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en
+macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar
+Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker
+nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen
+en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze,
+dat ze hem verlaten heeft."
+
+"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te
+beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor
+de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem
+leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn
+wantrouwen en wreedheid genezen worden."
+
+"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de
+vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar
+ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet."
+
+De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te
+missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
+oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen,
+of ze al haar verdriet vergat.
+
+Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
+ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar
+het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de
+eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.
+
+Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
+altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
+stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
+aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
+gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen
+voor offerdieren.
+
+De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
+tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
+Tiberius wilden bidden.
+
+Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
+van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
+dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
+altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
+er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.
+
+Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
+vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem
+wel ging.
+
+Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
+verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
+verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
+aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
+blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
+heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld,
+dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.
+
+De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
+"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een
+and'ren keizer?"
+
+"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben
+opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer."
+
+"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets
+hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk
+ongeluk den keizer getroffen heeft?"
+
+"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een
+ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt
+voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam,
+is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend
+dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die
+ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij
+binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men
+hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge
+begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin
+om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard,"
+voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem
+te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?"
+
+Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.
+
+Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die
+door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend
+hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.
+
+Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten
+langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als
+staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch
+met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze
+richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte
+straten te gaan.
+
+
+
+
+IV.
+
+Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland
+Capri op. 't Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom
+en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende
+wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die
+naar de villa van Tiberius leidden.
+
+Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in
+den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
+altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
+vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs,
+van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld
+van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen,
+die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.
+
+Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
+grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
+vrouw op haar weg ontdekte.
+
+Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
+ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben,
+en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
+gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd,
+en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een
+paar plaatsen de balustraden afgebroken.
+
+Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van
+menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland
+te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen
+van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en
+tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers
+huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt
+had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor
+de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.
+
+"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt
+om ons ongeluk te verzachten."
+
+"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo
+eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont."
+
+"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat
+een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de
+ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
+als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat
+wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben."
+
+"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn
+de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer,
+en al de kwispelstaartende gelukzoekers?"
+
+"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf;
+"de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen
+hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen."
+
+Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf
+ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de
+geneesheeren van de ziekte van Tiberius?"
+
+"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of
+zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina,
+dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert,
+uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het
+niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet,
+uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen
+wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er
+toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele
+dagen verlengen."
+
+De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar
+een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht
+te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen
+Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een
+opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren
+met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar
+half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren
+stoffig en vuil.
+
+Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
+op het terras had moeten kruipen.
+
+Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
+toen de slaaf en Faustina aankwamen.
+
+Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar
+Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf
+komen? Breng hem gauw weg."
+
+Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
+aarde boog voor den ellendige, die daar lag.
+
+"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap
+te brengen."
+
+Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
+hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.
+
+Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien,
+dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden
+als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in
+machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw
+met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord,
+dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch
+geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken,
+krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand
+hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig
+had om een mensch te veranderen.
+
+Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
+naast hem te schreien.
+
+"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te
+openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij
+schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is."
+
+Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
+legde het in haar schoot.
+
+Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
+van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in
+een gezonden slaap.
+
+
+
+
+V.
+
+Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de
+eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de
+arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan
+in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe
+en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel
+droeg en hij legde die in de hand van den man.
+
+"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid
+bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen
+wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de
+bergen ligt als een arendsnest."
+
+"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar
+gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende
+ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."
+
+"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven,
+dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer
+teruggegaan was?"
+
+"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij,
+dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk
+genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter
+wille van den armen keizer."
+
+De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
+te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten
+niet toe.
+
+"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet
+laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd
+is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun
+ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"
+
+De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
+den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
+Faustina's terugkomst.
+
+Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de
+vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
+neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet
+te verraden.
+
+Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet,
+dat dit een beschikking van God is?"
+
+"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee
+zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude
+vrouw hierheen voerde naar onze deur."
+
+Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
+weer tot den slaaf.
+
+"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar
+Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw
+vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge
+vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet
+lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw
+eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."
+
+De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
+voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:
+
+"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn
+vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte
+dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden
+verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen,
+zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn
+vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een
+kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd,
+werd zij door de ziekte aangetast."
+
+Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
+het hoofd en sprak tot hen:
+
+"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw
+vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
+dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"
+
+Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij
+geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers
+zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen
+wat ik gezegd heb."
+
+"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw
+vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.
+
+"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag
+verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid
+leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in
+Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door
+alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken,
+die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht
+waarheid was.
+
+"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de
+groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk
+kunnen redden."
+
+Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij
+ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen,
+waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over
+groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was,
+een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn
+donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze
+elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:
+
+"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+Profeet van Nazareth vinden kan."
+
+Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond,
+vroeg hij:
+
+"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"
+
+"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak
+tot hem:
+
+"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt
+geen profeet."
+
+Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:
+
+"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon
+u aan de priesters."
+
+De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat
+ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
+vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
+die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen
+hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe:
+"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+profeet van Nazareth vinden kan."
+
+"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar
+haar toe.
+
+"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Maar de man reed nog nader bij.
+
+"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen
+geneesmeester noodig."
+
+"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit
+zieke ouders geboren in een grot."
+
+Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer,
+als een pas uitgekomen bloem.
+
+"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.
+
+"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest
+zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."
+
+Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is
+helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
+de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."
+
+En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
+gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
+versierde.
+
+"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.
+
+Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
+vleugel van een pas ontpopten vlinder.
+
+"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."
+
+"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.
+
+"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens
+voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"
+
+"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."
+
+Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.
+
+"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
+verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.
+
+"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet
+van Nazareth," antwoordde de man.
+
+Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
+vol tranen.
+
+"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij
+hebt mij genezen!"
+
+En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
+op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters
+en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig
+naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit
+zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld
+was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek
+geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier
+naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."
+
+Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van
+Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."
+
+Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de
+onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
+geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
+verderf stort."
+
+Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich
+in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde,
+ook onrein zou verklaard worden.
+
+Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den
+man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet
+ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"
+
+Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen,
+gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar
+wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar
+geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de
+arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en
+viel hem in de rede.
+
+"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga
+met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht
+al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De
+keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."
+
+Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
+de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.
+
+"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze
+twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij,
+die ze haat.
+
+"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen
+brengen."
+
+
+
+
+VI.
+
+De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen
+Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te
+zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar
+zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij
+van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld
+of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
+als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
+verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand,
+die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?
+
+De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw
+verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden
+en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te
+paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden,
+als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar
+gevolg uitmaakten.
+
+Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
+met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
+waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend
+kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van
+Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde
+heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met
+vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de
+witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun
+oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de
+zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide,
+dat men meende het te kunnen zien groeien.
+
+Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
+zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen,
+die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en
+paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de
+vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt
+hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
+scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
+een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
+schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot,
+dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om
+te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich
+fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.
+
+Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
+maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
+wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich
+te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
+gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de
+pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg,
+maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
+zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
+den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
+zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
+voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend
+op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen,
+die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.
+
+Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
+werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
+spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een
+jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht,
+dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen,
+maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de
+goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
+dezen mooien morgen heen te trekken."
+
+Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
+bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een
+groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere,
+schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op
+haar schedel Jeruzalem droeg.
+
+Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
+kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
+duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
+waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.
+
+'t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land
+bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
+plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun
+tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
+woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels
+zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren,
+zangen en feestvreugde.
+
+De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun
+lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
+haar reed:
+
+"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen
+zijn."
+
+"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was
+uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren
+in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan
+trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."
+
+Faustina bedacht zich een oogenblik:
+
+"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het
+volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan
+dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk,
+dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem
+is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"
+
+"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is
+hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der
+goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat
+ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."
+
+Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen
+en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in
+Jeruzalem bevond.
+
+"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van
+de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij
+is een vroom en rechtvaardig man."
+
+Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
+oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
+begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun
+tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem,
+dien ge zoekt."
+
+Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't
+diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn
+top te bereiken.
+
+De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
+zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
+barmhartigheid van de reizigers inriepen.
+
+Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
+Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend,
+die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem
+onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar
+ge hem vinden zult, dien ge zoekt."
+
+Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't
+Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs
+werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn
+handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
+integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins,
+dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.
+
+Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
+vraag een paar maal herhalen.
+
+"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek
+u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."
+
+De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen
+hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn
+en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom
+vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen
+Galileër."
+
+De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in
+zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze
+voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar
+ze hem 't beste kan vinden."
+
+Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn
+dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een
+boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen
+vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet
+niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."
+
+Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
+hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.
+
+"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten
+allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."
+
+Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag
+niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij
+niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet
+gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"
+
+Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder
+gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen
+we niets te weten."
+
+Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
+twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar
+had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te
+wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag,
+vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
+in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
+wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.
+
+De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
+uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
+dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
+bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis
+over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde
+om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.
+
+"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.
+
+Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te
+roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en
+lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
+stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"
+
+Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
+ter zijde.
+
+"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat
+niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang
+laten gaan."
+
+De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn
+hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven
+in mijn oogen zetten."
+
+Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
+zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil
+naast hem.
+
+De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen,
+drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van
+den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"
+
+Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.
+
+"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg
+ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."
+
+Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den
+weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die
+u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem,
+waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het
+stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet
+genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"
+
+"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil
+alleen weten, waar ge uw meester hebt."
+
+Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
+voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,"
+riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de
+poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn
+verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.
+
+"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,"
+zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het
+zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen
+onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?
+
+Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
+grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken,
+dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is,
+nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
+dat men over hem spreekt."
+
+Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en
+kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't
+Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten
+keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs
+wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten,
+niet te keeren stroom.
+
+"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome
+zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."
+
+Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
+hen wachtten.
+
+"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan
+te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen
+raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt
+wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor
+na middernacht."
+
+Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
+en gaf dit over aan een der slaven.
+
+Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.
+
+Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
+hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
+breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.
+
+"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen,
+dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze
+herberg aan."
+
+Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
+eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de
+straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort
+der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een
+gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.
+
+Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die
+de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat
+over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
+onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat
+niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in
+zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen
+van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele
+met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee,
+onder kreten, die de ooren verscheurden.
+
+"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend
+toch een helper in den uitersten nood!"
+
+Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij
+waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
+om hem te bevrijden.
+
+Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die
+gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar
+houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor
+dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den
+grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand
+zijn gezicht kon zien.
+
+Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
+zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op,
+dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn
+hoofd gedrukt was.
+
+"Wie is die man?" vroeg zij.
+
+Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer
+maken wou."
+
+"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,"
+zei de oude vrouw weemoedig.
+
+De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De
+beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
+daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij
+dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.
+
+Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden
+moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een
+paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene
+te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te
+dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk
+vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.
+
+Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
+zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn
+voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar
+bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet
+en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen
+trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende
+oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.
+
+Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
+in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
+majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen
+door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
+vreemden man.
+
+"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem
+een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze
+vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen
+gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden
+zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen,
+om hem aan zijn beulen te ontrukken.
+
+De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
+alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen,
+die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte
+zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.
+
+De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
+haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
+haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
+hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
+zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
+de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren
+de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
+gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
+hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
+hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
+bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
+haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
+had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en
+zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
+sterven, hij kan niet sterven!"
+
+Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
+werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit
+hun handen rukken.
+
+Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
+en een onmacht overvallen.
+
+Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
+te houden.
+
+Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg
+haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een
+barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude
+een bed op den steenen vloer.
+
+Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die
+haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest
+gaan liggen.
+
+"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad
+zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij
+is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom
+niet overwonnen wordt."
+
+"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de
+koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij
+niet verbazen als we een hevig onweer kregen."
+
+Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met
+rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
+van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
+terwijl hij op haar ontwaken wachtte.
+
+
+
+
+VII.
+
+De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had
+den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.
+
+Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de
+mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer
+geplaveid was en met edele gewassen beplant.
+
+Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
+gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
+lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
+aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
+op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en
+pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele
+van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.
+
+Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
+staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.
+
+Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet,
+dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij,
+die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen
+kan van al ons lijden?"
+
+Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
+paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
+afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus
+heeft hem gedood."
+
+Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen
+op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door
+medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze
+was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.
+
+Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van
+haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
+als een markt was.
+
+En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
+zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
+naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
+die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
+meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
+meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
+over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
+zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
+weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.
+
+Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het
+dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk
+werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun:
+"Wat verlangt ge?"
+
+Toen begonnen allen te roepen en zeiden:
+
+"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden
+is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"
+
+Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van
+de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt,
+Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
+als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen
+zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot,
+en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te
+wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.
+
+Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
+het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op
+de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
+bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.
+
+Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade,
+die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."
+
+Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien
+van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
+en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
+sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
+de balustrade en keken naar beneden.
+
+En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
+neer op de binnenplaats.
+
+Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
+gevangenen van de wereld.
+
+Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
+met zware ijzeren ketenen.
+
+Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
+aansleepen met hun mokers.
+
+En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
+roeiriemen van ijzer gesmeed.
+
+En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
+hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.
+
+Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
+en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven,
+die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
+geeselslagen.
+
+Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe
+open!"
+
+Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg
+hun: "Wat is het dat gij verlangt?"
+
+En dezen antwoordden als de anderen:
+
+"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen
+is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."
+
+De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:
+
+"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
+ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
+voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend
+van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.
+
+Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
+in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
+nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
+te zien."
+
+Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
+haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
+was ingeslapen.
+
+Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
+zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.
+
+Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade,
+die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan
+te wachten."
+
+Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel
+ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar
+ik ben."
+
+Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
+buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op
+het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.
+
+Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer
+zag zij, dat de plaats vol menschen was.
+
+En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
+waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen
+en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele
+plaats er door overstroomd werd.
+
+En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden
+op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun
+verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden
+riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.
+
+Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter
+kwam zooals te voren en opende de deur.
+
+En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat
+zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten
+Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op
+aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken
+en het zwaard tot een wijngaardmes."
+
+Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen,
+ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier
+niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar
+zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik
+wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op
+'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar
+schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.
+
+Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
+weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had
+en was beginnen te droomen.
+
+Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
+en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.
+
+En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen
+zien, die op uw binnenplaats wachten."
+
+Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen
+genoeg gezien."
+
+Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar
+man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis
+verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek
+gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.
+
+"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.
+
+Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
+vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen
+te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger
+was aangekomen.
+
+Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede
+schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.
+
+De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
+man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het
+kan niemand anders zijn."
+
+"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk
+den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en
+luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.
+
+Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
+"Wien zoekt gij?"
+
+En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth,
+die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept
+hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen
+ander geneesmeester wegnemen kan."
+
+Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
+"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."
+
+Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats
+wachtten en gaf hun een bevel.
+
+Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
+versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
+sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
+slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn,
+als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde
+rijkdom geven."
+
+Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide:
+"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet
+worden vervuld."
+
+Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen
+haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van
+juweelen glinsterde.
+
+En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de
+macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter,
+als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."
+
+Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het
+staat niet in mijn macht u te helpen."
+
+Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
+een gouden hoofdring en een purperen mantel.
+
+"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te
+benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te
+geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens
+den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt
+en Tiberius geneest."
+
+Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
+jammerend:
+
+"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt,
+is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."
+
+
+
+
+VIII.
+
+Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar
+slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij
+was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij
+de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen,
+dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.
+
+"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.
+
+"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het
+rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."
+
+Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze:
+"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"
+
+"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde
+dadelijk een der slavinnen.
+
+"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,"
+zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het
+paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."
+
+Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
+aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.
+
+Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot
+koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem
+moet laten kruisigen."
+
+Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
+verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier
+vandaag een ontzettend ongeluk."
+
+Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
+begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen,
+zoodat ze zei:
+
+"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd,
+zal ik trachten hem die te brengen."
+
+Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
+wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.
+
+Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
+hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar
+de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had
+Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in
+Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge
+leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.
+
+Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
+zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.
+
+Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
+landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
+had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
+landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen
+van een vrouw.
+
+Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar
+een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man
+dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."
+
+Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
+troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
+onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.
+
+Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is
+dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"
+
+Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't
+Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat
+over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
+alles eentonig grijs scheen.
+
+Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.
+
+"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een
+rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."
+
+Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
+vrouw toe.
+
+"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat
+de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge
+een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat,
+al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven
+is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden
+verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."
+
+Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat
+dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans
+niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
+veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
+verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang
+nog de oude Tiberius..."
+
+Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden,
+dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij
+hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.
+
+Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
+zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
+onmogelijk ontgaan.
+
+"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het
+u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu
+eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren,
+wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de
+bedoeling te begrijpen."
+
+Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene
+visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij
+lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun
+voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de
+landvoogd zelf.
+
+Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is
+meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn
+oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert
+mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van
+den landvoogd."
+
+"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke
+ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij
+mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door
+de goden gezonden."
+
+"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den
+Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de
+jonge redenaar toe.
+
+De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
+"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener
+bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij
+hem in 't leven vindt."
+
+Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen
+tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en
+profeten geworden waart."
+
+Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien
+niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een
+ijlbode zondt."
+
+"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de
+landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't
+land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk,
+omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."
+
+"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien
+heb," zei de jonge redenaar.
+
+"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,"
+zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich,
+zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen,
+hem niet had kunnen helpen."
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis
+als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed
+het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd
+staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde
+men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen
+en vallende pilaren.
+
+Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd
+een slaaf.
+
+"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet
+van Nazareth van het kruis genomen moet worden."
+
+De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal
+naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de
+aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen
+wachtten op de terugkomst van den slaaf.
+
+Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.
+
+"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze.
+
+"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf,
+kwam de aardbeving."
+
+Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de
+buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er
+een nieuwe aardbeving gekomen was.
+
+Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en
+Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te
+vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken."
+
+Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden
+gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich
+van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk
+gekomen is.
+
+
+
+
+IX.
+
+De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer
+opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde
+zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de
+vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: "Als er barmhartigheid bij
+de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen
+armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is."
+
+Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid
+naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was
+op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna
+gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.
+
+Maar Tiberius zei alleen:
+
+"Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven
+in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars
+en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt
+opgedaan?"
+
+Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet
+van Nazareth verwacht had.
+
+"Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor
+meendet dat het nutteloos zou zijn?"
+
+"Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit," zei de keizer. "Waarom zou
+ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?"
+
+Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.
+
+"Dat is weer uw oude listigheid," viel zij uit. "Dat is juist wat ik u
+'t allerminst vergeven kan."
+
+"Ge hadt niet bij mij terug moeten komen," zei Tiberius. "Ge hadt in
+uw bergen moeten blijven."
+
+Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls
+getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn
+van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat
+ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze
+nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.
+
+"Maar de man was werkelijk een profeet," zei ze. "Ik heb hem
+gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij
+een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan."
+
+"Ik ben blij, dat ge hem sterven liet," antwoordde Tiberius. "Hij
+was een Majesteitsschenner en een oproerstichter."
+
+Weer was Faustina bijna boos geworden.
+
+"Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken,"
+zei ze. "Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet
+begaan."
+
+"Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch
+zeker niet beter dan iemand anders," zei de keizer mat. "Waar is de
+mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient."
+
+Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen,
+waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.
+
+"Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven," zeide ze. "Ik zei
+u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat
+is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een
+oogenblik bekijken?"
+
+Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop
+flauw het beeld van een menschengezicht.
+
+De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: "Die man
+zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat
+was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen,
+zoo dikwijls ik het zie."
+
+De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen
+geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de
+smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals
+het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het
+voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed,
+en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.
+
+Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam
+het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij
+opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden
+tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze
+hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.
+
+Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. "Is
+dit een mensch?" zei hij, zacht en week. "Is dit een mensch?"
+
+Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over
+zijn wangen te stroomen. "Ik treur over uw dood, gij onbekende,"
+fluisterde hij.
+
+"Faustina," riep hij eindelijk uit, "waarom hebt gij dien mensch
+laten sterven! Hij zou mij genezen hebben."
+
+En weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld.
+
+"Gij, mensch!" zeide hij na een poos. "Als ik van u mijn gezondheid
+niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand
+rusten op hen, die mij u ontstolen hebben."
+
+Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden
+en viel voor het beeld op de knieën.
+
+"Gij zijt de mensch!" zei hij. "Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit
+te zullen zien." En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht
+en verteerde handen. "Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters,
+maar gij zijt de mensch!"
+
+Hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld, dat hij den grond raakte.
+
+"Erbarm u over mij, gij onbekende," zei hij, en zijn tranen
+bevochtigden de steenen. "Als gij in 't leven gebleven waart, zou uw
+aanblik alleen mij genezen hebben."
+
+De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. 't Was beter
+geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende
+zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot
+zou zijn als hij het zag.
+
+En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het
+beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.
+
+Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd,
+en hij was zooals hij vroeger geweest was. 't Was alsof de ziekte
+wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in
+zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik,
+dat hij liefde en medelijden voelde.
+
+
+
+Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.
+
+De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een
+onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina
+zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij
+het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.
+
+De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen
+en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om
+hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord
+hadden, schreiden ze stil en de man zei: "Ik weet, dat ik er heel
+mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee
+elkaar hadden ontmoet."
+
+Maar de vrouw antwoordde: "Het kon niet anders zijn. 't Was een te
+groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer,
+wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen."
+
+De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus'
+leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen,
+die de gekruiste gepredikt had.
+
+Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar
+sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel
+van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica,
+omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun
+Verlosser te brengen.
+
+
+
+
+
+
+
+VOGEL ROODBORST.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld schiep, toen Hij
+niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen
+en ze te gelijk een naam gaf.
+
+Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende,
+zou men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan,
+kunnen verklaren.
+
+Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de
+vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte,
+zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve
+Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.
+
+En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij
+maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het,
+zoodra hij een paar stappen op de wei in 't Paradijs gedaan had,
+en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze
+Lieve Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei:
+"Je naam is ezel, ezel, ezel!"
+
+En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het dier wat uit opdat
+hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.
+
+Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen
+werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren,
+die merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er
+van proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar
+giftigen angel allen weg, die bij den honig kwamen.
+
+Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte haar.
+
+"Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het liefelijkste wat
+er in de schepping is," zei Onze Lieve Heer; "maar daarom gaf ik je nog
+niet het recht om hard tegen je naaste te wezen. Onthoud het nu goed:
+als je iemand steekt, die je honig proeven wil, dan moet je sterven."
+
+Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar
+vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.
+
+Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te scheppen
+en in 't leven te roepen. En tegen den avond viel het Hem in om een
+kleinen, grauwen vogel te maken.
+
+"Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei Onze Lieve Heer tot
+den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn open hand en
+liet hem vliegen.
+
+Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde
+bekeken, waarop hij leven zou, kreeg hij ook lust om zich zelf te
+bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn borst
+was even grijs als al het andere.
+
+Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water,
+maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.
+
+Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer
+zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders
+te voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn
+schouders en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leliën
+en duizendschoonen.
+
+'t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in lichte
+bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en
+eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.
+
+Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.
+
+"Ik wil U maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
+
+"Wat wilt ge weten?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben, van
+mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik roodborstje
+genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?"
+
+En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine
+zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten,
+heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige
+roode halskragen, hanen met roode kammen, om niet te spreken van
+vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk dacht hij er aan hoe
+weinig er maar noodig was,--maar een klein droppeltje verf op zijn
+borst--om hem tot den mooien vogel te maken, waar zijn naam voor paste.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs
+ben?" vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve Heer
+zou zeggen: "Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je borstveeren
+rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het klaar."
+
+Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je
+roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf
+maar zien, dat je je roode borstveeren verdient."
+
+En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw
+uitvliegen.
+
+De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een kleine
+vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen? Het
+eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen. Hij
+ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het was
+alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou
+zetten en die kleuren.
+
+
+
+Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den
+heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd hadden menschen en dieren
+het Paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. En de menschen
+waren zoover gekomen, dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en
+de zee te bevaren. Zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft,
+ja, ze hadden al lang geleden geleerd, groote tempels en machtige
+steden te bouwen zooals Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe
+dag, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.
+
+En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen,
+kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn jongen,
+die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.
+
+Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren
+scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle
+roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord
+heeft en uitging uit Gods Hand.
+
+"En zie nu eens," besloot hij treurig. "Zooveel jaren zijn
+voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels
+zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat niemand
+ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze
+vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen."
+
+De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen
+niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die
+onschatbare roode kleur te verwerven.
+
+"We hebben allen gedaan wat we konden," zei het vogeltje; "maar het is
+alles mislukt. Het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen
+vogel, die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk zóó hevig
+lief te hebben, dat hij zijn borst voelde gloeien.
+
+"Och," dacht hij toen, "nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van
+Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat mijn borstveeren
+rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart woont." Maar het
+mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook
+mislukken zal.
+
+De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren,
+dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.
+
+"Wij hebben ook op het zingen gehoopt," zei de oude vogel, nu in lange
+gerekte tonen sprekend. "Reeds het eerste roodborstje zong zoo, dat
+zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen. "Ach,"
+dacht hij, "het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn
+borstveeren rood verven zal."
+
+"Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de
+jongen gehoord.
+
+"We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid," zei de
+vogel. "Reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en
+zijn borst vlamde van strijdlust. "Ach," dacht hij, "mijn borstveeren
+zullen rood worden van den strijdlust, die gloeit in mijn hart."
+
+"Maar 't mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden
+beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude
+vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij
+dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden
+kunnen bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en
+vechten. Wat konden.... De vogel hield midden in den zin op, want uit
+een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen
+en de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn
+nest had.
+
+Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange speren,
+beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig voorttrekkende
+priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles een troep
+wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke huilende
+bende straatslijpers!
+
+De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij
+vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden
+en zijn jongen gedood.
+
+"Wees voorzichtig!" riep hij den weerloozen diertjes toe, "kruip
+bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat gaat dwars
+over ons heen, daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen,
+daar komt de heele woeste bende aanstormen."
+
+Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil
+zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.
+
+Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn
+jongen uit.
+
+"Neen, dat is al te vreeselijk," zei hij, "ik wil niet, dat jelui
+dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die gekruisigd moeten
+worden." En hij spreidde de vleugels uit, zoodat de kleinen niets
+zien konden. Ze hoorden alleen dreunende hamerslagen, jammerkreten
+en het wilde gejoel van het volk. Het roodborstje volgde het heele
+tooneel met oogen groot van ontzetting, hij kon de blikken niet van
+de drie ongelukkigen afwenden.
+
+"Wat zijn de menschen wreed," zei de vogel na een poos, "het is hun
+nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen, maar
+ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe
+doornen gezet."
+
+"Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat zijn
+bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zoo heerlijk en ziet om
+zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem lief moet hebben. Het
+is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem lijden zie."
+
+Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man,
+die de doornenkroon droeg.
+
+"Als ik mijn broeder de arend was," dacht hij, "zou ik de spijkers
+uit zijn handen rukken, en met mijn sterke klauwen al die menschen
+op de vlucht jagen, die hem pijnigen."
+
+Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide
+en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.
+
+"Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen
+gemartelde doen," dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op
+in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen. Hij
+zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen, want
+hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een mensch
+te naderen.
+
+Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met
+zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde
+gedrongen was.
+
+Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den
+gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en
+verfde al zijn teere borstveertjes.
+
+Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe:
+"Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw geslacht
+naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld."
+
+Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe:
+"Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen."
+
+"Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man,
+die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron."
+
+Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van
+zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende
+roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst
+van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag.
+
+
+
+
+
+
+
+ONZE LIEVE HEER EN DE HEILIGE PETRUS.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus
+pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben
+rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge
+kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken,
+dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over
+de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
+bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
+rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een
+dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat
+men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
+duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest
+zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een
+reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest,
+dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te
+twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest
+voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor
+dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer
+bestuurder van de heele wereld was.
+
+En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen,
+dat hij daar blij om was.
+
+Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
+Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
+hadden moeten zijn.
+
+Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
+te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een
+hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
+maken hadden.
+
+Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
+berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog
+verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders,
+en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter
+zich gelaten.
+
+Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
+boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
+reizigers in nood te kunnen helpen.
+
+Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
+en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en
+daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks
+een steenbok vooruit kon komen.
+
+Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
+doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
+gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
+had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.
+
+Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
+voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
+doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
+stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
+niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op
+den berg gekomen.
+
+Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.
+
+"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien,
+dat u moed zal geven om alles te verdragen."
+
+Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos
+hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.
+
+"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge
+kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien
+van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs,
+en hier wonen de zaligen."
+
+Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig
+uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze
+Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen
+schijn van zon en sterren."
+
+Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
+Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
+boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
+Paradijs viel.
+
+En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
+en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.
+
+Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar
+de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
+Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
+dood overwint."
+
+En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw
+begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets
+anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
+verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk
+en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met
+beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.
+
+Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
+geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon
+zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een
+groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
+en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen
+had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den
+heiligen Petrus opzoeken.
+
+Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
+grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
+verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem
+zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak
+hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de
+bekommeringen der aarde samen rondwandelden.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen
+antwoord kon geven.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer
+opnieuw.
+
+Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
+de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
+Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn
+eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel,
+dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij
+deed en Hij werd ook niet boos op hem.
+
+"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als
+te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.
+
+Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
+hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen
+Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.
+
+"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige
+Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven."
+
+En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
+zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.
+
+"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst
+moet ge mij zeggen wat u mishaagt."
+
+"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden
+in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus.
+
+Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid
+vervuld was en Hij werd niet boos op hem.
+
+"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt,"
+zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt."
+
+Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
+was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar
+dagen geleden."
+
+"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw
+moeder niet hier in het Paradijs gekomen is."
+
+"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart
+zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren.
+
+"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen,"
+zei hij.
+
+Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
+werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
+was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit
+aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen,
+die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of
+een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
+heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was,
+dat zij de zaligheid niet kon genieten.
+
+"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder
+zich gelukkig zou voelen bij ons?"
+
+"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren,"
+zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?"
+
+"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen,"
+antwoordde Onze Lieve Heer.
+
+"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen,"
+zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht.
+
+En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een
+felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij
+bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou
+toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste,
+maar hij wilde niet toegeven.
+
+Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de
+hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen.
+
+"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige
+Petrus.
+
+Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
+een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
+wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in
+de hel te kunnen zien.
+
+Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet
+meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
+alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.
+
+Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
+op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis
+naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels
+uitspreidde om niet al te snel te vallen.
+
+Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister
+wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs
+op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de
+verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd
+door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij
+werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was.
+
+"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij.
+
+Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
+oogen.
+
+"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan,"
+zei Hij.
+
+Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
+doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
+engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
+werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.
+
+Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
+punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
+waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
+leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
+opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
+gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen,
+dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend
+van wanhoop.
+
+De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen
+uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend
+naar boven gericht.
+
+Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
+een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
+zonder te probeeren er uit te komen.
+
+Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
+was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
+lichamen en hoofden.
+
+En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar
+niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer.
+
+Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
+zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
+engel behoefde te zijn.
+
+Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn
+moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de
+vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl
+hij haar opzocht.
+
+Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
+engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
+"Neem mij mee, neem mij mee!"
+
+En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
+millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog
+op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
+dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.
+
+Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus
+en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield
+zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer
+vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na,
+zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd.
+
+Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
+gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
+bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
+verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
+sloeg en haar ophief.
+
+"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij.
+
+Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
+Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
+vreugde over te geven.
+
+Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap,
+omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen
+zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag,
+dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het
+toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan
+haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het
+waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en
+de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was,
+zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden.
+
+Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
+scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
+zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
+vogeltje naar den hemel droeg.
+
+Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
+onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
+zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.
+
+De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
+oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij
+zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander
+en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de
+geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen.
+
+Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid
+te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze
+begonnen was.
+
+En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
+zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
+dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel.
+
+Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van
+den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing
+en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan
+naar het gezegende Paradijs.
+
+Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige
+Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem
+voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen
+om op den berg te zijn.
+
+Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
+aangezicht werd duister als de nacht.
+
+Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
+van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot
+het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu
+ook vrij van deze laatste gemaakt had.
+
+Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen,
+alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.
+
+Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen
+lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem
+een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
+een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.
+
+Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
+Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.
+
+"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht,
+dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart."
+
+Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat
+voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren
+en mijn medemenschen zie lijden?"
+
+Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
+diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs
+bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan
+niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze
+te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze
+dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde,
+waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen."
+
+
+
+
+
+
+
+DE KAARSVLAM.
+
+
+I.
+
+Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden
+was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de
+zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij
+hield er niet veel van om het uit te oefenen.
+
+Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
+een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
+zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
+van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
+waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
+te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
+brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in
+te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak
+de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was
+balken en stutten te halen, om het te steunen.
+
+Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit
+in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
+krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
+hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
+waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht
+hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
+vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met
+zijn tegenstanders.
+
+Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond
+grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet
+beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen
+genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er
+een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.
+
+Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
+was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
+en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
+zou zijn.
+
+Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
+voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
+mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
+litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten,
+en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.
+
+Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
+een wijs en machtig man.
+
+Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als
+Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca
+had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met
+iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming
+gaf, had hij tegen Raniero gezegd: "Ik meen opgemerkt te hebben,
+dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan
+die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het
+zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het
+haar niet beletten zult."
+
+Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
+Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
+Raniero gaf die belofte dadelijk. "Daar kunt ge zeker van zijn,
+Jacopo," zei hij; "dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van
+mij weg wil."
+
+Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen
+beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval,
+dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige
+dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend
+en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op
+een moeilijker doel te schieten.
+
+Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel,
+die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde
+aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond
+toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen
+hij opvloog, in de lucht.
+
+Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
+die het maar hooren wilde.
+
+Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
+werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
+iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf
+het hem spoedig en had hem even lief als tevoren.
+
+Alles ging nu een poos weer goed.
+
+De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote
+werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te
+hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo's werkplaats
+en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over.
+
+Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
+te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn
+garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van
+het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten
+Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen,
+dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn
+knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk
+kon laten gelooven.
+
+Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
+betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
+daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
+er ook op, als Francisca het hoorde.
+
+Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing,
+als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
+plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
+stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
+was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
+groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.
+
+Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: "Er is nog wel
+genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken."
+
+Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren
+als in het eerst.
+
+Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië
+geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en
+fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar
+in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat
+er velen waren, die met hem spotten.
+
+Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
+gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
+
+Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
+viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker,
+die tusschen de kool stond.
+
+Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
+hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
+en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
+eene stuk na het andere afknipte.
+
+Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was
+niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend,
+dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen
+schaden.
+
+Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
+rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem
+zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.
+
+Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
+dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
+groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca's
+voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence
+had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op,
+dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen.
+
+Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug,
+en kwam er mee naar beneden.
+
+Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
+wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier
+zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde.
+
+Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
+werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
+zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
+familie dacht.
+
+"Ik denk aan iets anders," zei Francisca; "en dat is mijn liefde; ik
+weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat."
+
+Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
+Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al
+kon verdragen.
+
+Op Raniero's werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man
+had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben
+ook na haar huwelijk.
+
+Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
+ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die
+niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
+Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.
+
+Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.
+
+Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
+en hing zich op.
+
+Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
+getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
+een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
+afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne.
+
+Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: "Als ik nog een jaar
+bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even
+arm als ik vroeger rijk geweest ben."
+
+Toen besloot ze Raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan
+wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou
+haten als ze hem nu liefhad.
+
+Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
+zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.
+
+Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
+haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken,
+en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.
+
+Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.
+
+"Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd,
+of ze weer onder mijn dak mag wonen," zei hij tot zijn schoonzoon,
+"en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen,
+volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt."
+
+Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
+heel kalm:
+
+"Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
+teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren."
+
+Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
+"Ze is vóór den avond alweer bij me terug."
+
+Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.
+
+Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die
+reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte
+hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef
+daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele
+stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte.
+
+Het bracht Francisca niet bij hem terug.
+
+Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
+dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet
+doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in
+dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok
+weg uit Florence.
+
+Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
+aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
+heeren.
+
+Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
+werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
+groote mannen.
+
+Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
+heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
+en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat
+beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
+waren geschonken.
+
+Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend
+waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet
+weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.
+
+In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige
+Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het
+Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een
+slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht
+hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te
+bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem
+terug zou komen.--
+
+
+
+
+II.
+
+Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote
+vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad.
+
+Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in 't rond
+hoorde men gedruisch en gejoel.
+
+Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
+bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
+konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.
+
+Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij
+had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren.
+
+Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
+die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien
+avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.
+
+Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
+boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk
+van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
+aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
+aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
+meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij
+hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer
+verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.
+
+Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
+waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
+rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
+tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
+verhaal te doen.
+
+Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid,
+en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.
+
+"Het gebeurde eens," zei de Nar, "dat Onze Lieve Heer en de heilige
+Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs
+gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad
+om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te
+wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar
+de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap,
+en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld
+en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd.
+
+Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het
+Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus
+en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.
+
+"Waar zou ik tevreden mee zijn?" vroeg de heilige Petrus heftig.
+
+"Nu," zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, "ik dacht, dat je blij zou
+zijn met wat je vandaag gezien hadt."
+
+Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.
+
+"Het is waar," zei hij, "dat ik er jaren lang over geklaagd heb,
+dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er
+vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven
+zooals het was."
+
+Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
+van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
+belangstelling te luisteren dan in het begin.
+
+"Toen de heilige Petrus dit gezegd had," ging de Nar voort, terwijl
+hij een listigen blik op de ridders wierp, "boog hij zich over de
+tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven
+Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een
+bergdal naar boven stak.
+
+"Ziet Ge die hoopen lijken daar," zei hij; "en ziet Ge het bloed, dat
+op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen,
+die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende
+brandhoopen?"
+
+Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.
+
+Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls
+boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar
+nooit toegewenscht, dat zij 't zoo slecht hebben zou.
+
+Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping
+te maken.
+
+"Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd
+hebben met de grootste onverschrokkenheid."
+
+Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
+maar hij haastte zich met verder vertellen.
+
+"Neen, stoor me niet," zei hij, "nu weet ik niet meer waar ik gebleven
+ben. O ja, 't is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een
+paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te
+zien. "Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,"
+zei hij. "Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
+heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
+volgelingen te krijgen."
+
+De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te
+lachen. "Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?" riepen
+ze.
+
+"Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet
+verdedigt," zei een ander.
+
+"Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar," zei de Nar.
+
+"Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was,
+het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en
+zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan
+dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden
+en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang,
+dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij
+zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden
+naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de
+stad. "Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?" vroeg hij.
+
+"En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in 't leger een drinkgelag
+gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische
+danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen
+verspeelde men den buit en...."
+
+"Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden," viel Raniero
+in. "Was dat ook niet een groote zonde?"
+
+De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: "Wacht
+maar, dat zal ik je wel betaald zetten."
+
+"Neen, val me nou niet in de rede," verzocht hij weer. "Een arme Nar
+vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: "De heilige
+Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel
+eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel
+antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon.
+
+"Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen," zei
+de heilige Petrus, "en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen
+dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets
+goeds van terecht."
+
+"Nar, Nar," zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer
+in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand
+opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort.
+
+"Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met
+recht bestraft wordt, maar in 't volgend oogenblik boog Hij zich
+haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger.
+
+"De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. "Waar ziet Ge
+naar?" vroeg hij verwonderd."
+
+De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen
+Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat
+Onze Lieve Heer in 't oog gekregen had.
+
+"Onze Lieve Heer antwoordde, dat 't niets bijzonders was," zei de Nar,
+"maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus
+volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien
+dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar
+buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een
+menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit
+de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging
+het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten
+scharen ridders en ledigden de bekers. 't Eenige verschil was, dat er
+daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De
+heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was
+toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel
+strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende
+hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En
+hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen,
+'t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof,
+met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen,
+met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem."
+
+Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
+gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
+henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid.
+
+"Je bent een brutale kerel," zei Raniero, "laat ons nu eens hooren
+waar je heen wilt."
+
+"Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets," ging de Nar voort, "dat maakte,
+dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den
+heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een
+van de ridders een brandende kaars naast zich had."
+
+Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd
+nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
+wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om
+te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken.
+
+"De heilige Petrus zag nu," vertelde de Nar, "dat hoewel de tent
+overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende
+kaars naast zich had. 't Was een groote dikke kaars, een die er op
+berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen
+kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar
+gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden."
+
+'t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen
+op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was
+als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd,
+want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige
+Graf had aangestoken. Hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen,
+die uit te laten gaan.
+
+"Toen de heilige Petrus die kaars daar zag," zei de Nar, "werd het
+hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch
+kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben."
+
+"Nu ja," zei hij, "dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong
+na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen
+mocht aansteken aan het Heilige Graf."
+
+"Ja, zoo is het," zei Onze Lieve Heer, "en zooals je ziet, heeft hij
+zijn kaars nog aan."
+
+De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
+Raniero wierp: "De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje
+medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. "Kunt Ge niet begrijpen
+waarom hij die kaars nog aan heeft?" zei hij. "Ge meent zeker, dat
+hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij
+denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend
+werd als de dapperste in 't leger naast Godfried van Bouillon."
+
+Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
+boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen
+het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
+verdragen.
+
+"Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen," zei de Nar. "Zie je niet
+hoe bang hij voor die kaars is?" vroeg Hij. "Hij houdt de hand voor
+de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze
+uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen,
+die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen."
+
+Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere
+waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij
+voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige
+kaarsvlam schertste.
+
+"De heilige Petrus was nog wantrouwend," ging de Nar voort. "Hij
+vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, "hij hoort
+juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje
+verslijten." zei hij.
+
+Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. "Heilige Petrus,
+heilige Petrus," zei hij. "Onthoud nu, dat die ridder daar vromer
+dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan
+als 't niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en
+noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien
+verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt."
+
+Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero's karakter
+en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn
+die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den
+Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel,
+die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was,
+dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er
+op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn,
+zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren,
+eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was,
+had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite
+niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. "Ik zal
+hem op een anderen keer wel krijgen," dacht hij, en ging weer zitten.
+
+De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot
+Raniero en wilde de scherts voortzetten: "Er is toch één ding wat zeker
+is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je
+in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen."
+
+Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte
+niet volgen zou.
+
+"Nergens anders om," zei de ridder, "dan dat het kostbaarste wat je
+gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het
+heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die
+kun je toch niet naar Florence zenden."
+
+Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
+dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een
+eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager
+en zei tot hem: "Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis,
+morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam."
+
+Maar de wapendrager antwoordde knorrig "neen" op dit bevel. "Dat is
+iets wat ik niet op mij nemen wil," zeide hij. "Hoe zou het mogelijk
+zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn,
+voor ik buiten de legerplaats was."
+
+Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
+allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
+te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
+waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek,
+dat geen van Raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
+geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
+geduld en riep uit: "Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht
+worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen."
+
+"Bedenk u wel voor gij zooiets belooft," zei een ridder, "gij laat
+hier een vorstendom achter."
+
+"Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen," riep
+Raniero, "ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd."
+
+De oude wapendrager verdedigde zich: "Heer, voor u is het iets anders,
+gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden."
+
+Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. "Ik
+zal ook alleen reizen," zei hij.
+
+Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
+met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
+
+"Waarom lach jelui niet meer?" vroeg Raniero. "Die onderneming is
+maar een kinderspel voor een dapper man."
+
+
+
+
+III.
+
+Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te
+paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen
+had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren
+kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij
+was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed
+paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel
+had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de
+vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
+reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
+goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
+Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
+voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
+gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
+dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
+mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
+was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.
+
+Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort,
+ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend
+schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten,
+die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.
+
+Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was
+heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
+gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.
+
+Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
+kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero
+ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt
+was om uit te gaan.
+
+Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
+paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
+het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat
+hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die
+manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de
+tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen
+hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel
+opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren
+geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel
+kale heuvels.
+
+Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
+mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
+plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero,
+die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd
+hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen,
+ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag
+dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen
+te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
+kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
+fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
+spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
+uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
+hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
+hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde,
+maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
+weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
+als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.
+
+De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met
+het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij
+namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
+geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de
+beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
+zijn kaars niet uit.
+
+Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe
+goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te
+krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn
+voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden."
+
+Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf,
+alsof het van hout was.
+
+Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
+ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die
+kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
+als een dwaze bedelaar."
+
+Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
+onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
+verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust
+niet kon weerstaan het door te zetten.
+
+Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
+heuvels om zich heen.
+
+Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
+hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht
+hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?"
+
+De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
+door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
+zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
+snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
+zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder
+verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe
+om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar,
+maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag
+dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed
+om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan
+den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en
+op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden
+doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.
+
+Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
+hield, die boete deed.
+
+Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
+den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
+doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt
+om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de
+gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw
+aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden
+met ladingen levensmiddelen.
+
+Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden,
+met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!"
+
+De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
+eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!"
+
+Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd
+hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens
+sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen
+te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen
+gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op
+den weg.
+
+Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je
+"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars
+keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij,
+dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit,
+maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij
+en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het
+gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.
+
+"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht
+hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij
+was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk,
+dat zijn tocht hem zou gelukken.
+
+Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die
+de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote,
+overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen,
+waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers,
+maar de menschen moesten bij de dieren slapen.
+
+'t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats
+voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een
+middagmaal aan hun heer.
+
+Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik
+begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben
+door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker
+door de wereld, als men mij voor een gek houdt."
+
+Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
+stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling
+niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar
+nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij
+strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot
+den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
+hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.
+
+"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij
+probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was
+en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
+van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
+iets wat hij zich voorgenomen had.
+
+Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
+
+Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met
+een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest
+u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar
+hier hebt gij ze weer."
+
+Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig
+van u dat gij ze uitgedaan hebt."
+
+"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen
+gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze
+zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult
+gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft."
+
+Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
+verder in de beste stemming.
+
+
+
+
+IV.
+
+Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van
+Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de
+roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen.
+
+Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
+van Syrië. Vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland
+van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En
+van daar was het nog ver tot Florence.
+
+Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
+pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood
+met hem deelden.
+
+Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
+lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
+daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
+waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
+en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
+hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij
+had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als
+een kaarsvlam. Dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest,
+dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had.
+
+Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
+onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.
+
+"Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb,"
+zei hij.
+
+Op een avond reed Raniero een stad binnen. 't Was avond en de
+huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero
+zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
+herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
+loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als
+een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat
+ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij
+was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van
+overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
+waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
+dat hij haar zou terugwinnen.
+
+De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
+hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
+in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen.
+
+Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij,
+dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den
+berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere
+menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch
+heiligengraf. 't Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met
+een gewelfd dak. Hij vond, dat het 't beste was, daar zijn toevlucht
+te nemen.
+
+Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
+sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het
+zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist,
+dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat
+het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen
+en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg,
+heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor
+'t altaar van de Heilige Maagd.
+
+'t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en
+zag hij de bliksemstralen.
+
+En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak
+een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij
+het heilige licht hoefde te gebruiken.
+
+
+
+Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
+Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
+meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
+zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
+gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
+zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
+naderen zou.
+
+Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
+verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op
+en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op
+dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.
+
+Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
+sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
+pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg
+naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder
+hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
+berg op.
+
+Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
+kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
+kaarsen, die ze droegen.
+
+Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de
+kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige
+vlam was aangemaakt.
+
+
+
+Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
+een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
+tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
+het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
+hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat,
+en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit
+zou zijn.
+
+Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag
+dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
+en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
+wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut.
+
+Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
+strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze
+te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze
+vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang
+voor hem waren maar hij dacht: "Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
+anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
+zijn ze niet bang voor mij."
+
+Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
+het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
+die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
+troubadour was.
+
+Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
+aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: "Een
+gek! een gek!" maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan:
+
+"Hebt ge lang op deze wijze gereisd?" vroeg hij hem.
+
+"Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen," antwoordde Raniero.
+
+"Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?"
+
+"Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem
+ging," antwoordde Raniero.
+
+Toen sprak Robert Taillefer tot hem: "Ik ben ook een van hen, die een
+vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt
+gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen,
+mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven."
+
+Toen antwoordde Raniero: "Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het
+ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen
+zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een
+liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge
+ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
+
+"Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen
+vreugde smaken. Maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden
+tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig
+kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt,
+ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het
+volgend oogenblik de vlam u begeeft."
+
+Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: "Wat ge voor uw
+vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne."
+
+
+
+Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen
+in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg
+hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. "'t Vuur is bij mij
+uitgegaan," zei ze, "mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur,
+zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken."
+
+Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een
+afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
+werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd.
+
+Toen sprak de vrouw tot hem: "Geef mij vuur, pelgrim, want het leven
+van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden."
+
+En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
+aansteken aan zijn vlam.
+
+Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
+bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
+den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
+aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
+wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine
+viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich
+de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en
+stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.
+
+Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: "Gij zegt, dat de vlam
+die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij
+zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?"
+
+"Waar werd uw vlam aangestoken?" vroeg de vrouw.
+
+"Die werd aangestoken op het graf van Christus," zei Raniero.
+
+"Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
+menschenliefde," zei de vrouw.
+
+Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
+apostel voor zulke deugden.
+
+Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
+dat hij in de nabijheid van Florence was.
+
+Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
+af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
+verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina
+had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij
+het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
+overwinningen en veroveringen.
+
+Toen merkte Raniero, dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die
+herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen.
+
+Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was,
+die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen,
+zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig
+waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde
+blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen
+arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
+in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te
+maken. "Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd," dacht hij,
+"ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft."
+
+
+
+
+V.
+
+Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed. Nauwelijks was
+hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de kap over het
+gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een bedelaar
+stond op en riep het gewone: "Pazzo! pazzo!"
+
+Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief,
+die in lang geen ander werk gehad had, dan op zijn rug te liggen en
+naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen hetzelfde:
+"Pazzo! pazzo!"
+
+Daar ze nu met hun drieën aan het schreeuwen waren, maakten ze leven
+genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen aanrennen
+uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn versleten
+mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: "Pazzo! pazzo!"
+
+Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten,
+zonder op het geroep te letten.
+
+Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op
+en trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de
+hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens
+te ontkomen.
+
+Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om
+het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam
+te beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op
+elkaars rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen
+naar de kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar
+verdrongen, dat het hun niet lukte de vlam te dooven.
+
+Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan
+de vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn
+kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren
+op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.
+
+Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars
+te beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren
+gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een
+martelaar. De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat
+krioelde van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te
+nemen. De vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden
+met hun baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.
+
+Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een
+vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en
+ging er haastig mee naar binnen.
+
+'t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen,
+maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond;
+toen hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig
+ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard
+was de eenige, die bij hem bleef staan.
+
+Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli Uberti
+uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog mooi,
+haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.
+
+Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was
+bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem
+een schok door de leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote macht over
+hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze: "Hier
+is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe graag je
+die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te helpen."
+
+Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon langzaam
+op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was bijna
+weer gevallen.
+
+Toen beproefde hij op het paard te komen.
+
+Francesca hielp hem.
+
+"Waar wil je heen?" vroeg zij, toen hij eindelijk in 't zadel zat.
+
+"Ik wil naar de domkerk," zei hij.
+
+"Dan ga ik mee," sprak ze; "want ik wil naar de mis."
+
+En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.
+
+Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar Raniero
+zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te zien. Hij
+hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.
+
+Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de
+kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten
+zou. Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde
+weten wat ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero
+krankzinnig thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd
+was, wilde zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid
+daarvan bespaard bleef.
+
+Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide,
+maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen
+haar. Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.
+
+Hij liet zich naar de sacristy brengen.
+
+Daar steeg hij van 't paard. Hij ging alleen de sacristy in, naar
+den geestelijke.
+
+Francesca ging de kerk binnen.
+
+Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren
+onaangestoken ten teeken van rouw.
+
+Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder
+vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.
+
+In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters
+bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop
+vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de
+geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis
+tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten
+laatste ging ook de bisschop.
+
+Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor
+en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri
+naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde
+wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem
+bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca
+had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden
+terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke sprak lang en goed. Hij
+zei ten slotte met luider stem: "Nu kan het wel is waar een kleinigheid
+schijnen, dat een kaarsvlam hier naar Florence gebracht werd, maar ik
+zeg u, bidt God, dat hij Florence veel dragers van het heilig vuur
+zendt, dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder
+de steden."
+
+Toen de geestelijke zijn toespraak geëindigd had, gingen de hoofddeuren
+van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der haast
+geordend was kunnen worden, trok naar binnen.
+
+Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door
+de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en
+naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis
+gedragen had.
+
+Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond een
+oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een gezel,
+dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had
+om oneenigheid met hem.
+
+Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei
+hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:
+
+"'t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat Raniero met heilig
+vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger nooit gehoord of
+beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk
+is. Daarom zou ik willen vragen dat men 't heele volk bekendmake
+met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft meegebracht dat dit
+werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is aangestoken."
+
+Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: "Nu helpe mij God! Hoe
+kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen en
+wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen."
+
+"Raniero is een eerlijk ridder," zei de bisschop, "en wij gelooven
+hem op zijn woord."
+
+"Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden," zei
+Oddo. "Hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben. Zijn pages
+kunnen wel voor hem getuigen."
+
+Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar voren
+en ging op Raniero toe: "Wat hebben wij getuigen van noode?" zei
+zij. "Alle vrouwen in Florence willen er op zweren, dat Raniero de
+waarheid zegt."
+
+Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar
+dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam.
+
+Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat Raniero
+de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen
+had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.
+
+Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. "Ik denk
+wel, dat allen weten, dat er geen al te groote vriendschap bestond
+tusschen mijn schoonzoon en mij," zeide hij, "maar nu willen toch
+mijn zonen en ik allen borg voor hem staan. Wij gelooven, dat hij
+het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat hij die zulk een
+onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en edelaardig man is,
+dien wij met vreugde in ons midden opnemen."
+
+Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk, dat
+hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte groep
+en 't was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet wilden opgeven.
+
+Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk
+zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op
+zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.
+
+Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel
+hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een
+nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht
+aansteken? Oddo's woorden waren een doodsteek geweest. Nu de twijfel
+eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had een
+gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.
+
+Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het
+vloog recht op Raniero's kaars aan. Hij had geen tijd die terug te
+trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.
+
+Raniero's arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen. Maar in 't
+eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting, 't Was beter
+dan dat menschen het gedaan hadden.
+
+'t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward
+rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis komen.
+
+Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: "De vogel brandt! Het
+heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken."
+
+Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een
+fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het
+snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond
+Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem
+kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel
+verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.
+
+Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: "God wilde het! God
+heeft voor hem getuigd!"
+
+En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders, twijfelden
+niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen, verrukt over
+dit wonder Gods: "God wilde het! God heeft voor hem getuigd!"
+
+
+
+Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte
+alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was. Maar
+de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri, ter
+herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd
+een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht
+en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den
+huidigen dag.
+
+Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk jaar
+op den avond vóór Paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan
+Raniero's thuiskomst met het heilige vuur, en dat men daarbij altijd
+een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen. En dit feest is er
+zeker van 't jaar nog geweest, wanneer daar niet pas een verandering
+in gebracht is.
+
+Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig
+vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de
+heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een
+voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren,
+te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.
+
+Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van
+Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***
diff --git a/44506-h/44506-h.htm b/44506-h/44506-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e428b8e
--- /dev/null
+++ b/44506-h/44506-h.htm
@@ -0,0 +1,6991 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2013-12-25T13:49:24Z. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>Christuslegenden</title>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=UTF-8">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Selma Lagerl&ouml;f">
+<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Selma Lagerl&ouml;f">
+<meta name="DC.Title" content="Christuslegenden">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="#####">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+font-size: 100%;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.correctiontable
+{
+width: 75%;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext, table.alignedverse
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedverse
+{
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second
+{
+width: 45%;
+}
+table.alignedverse td.linenumbers
+{
+width: 10%;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, .h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.40em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.71em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+tr, td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.bottom
+{
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+span.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Table border styles */
+/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */
+table.borderOutside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Table with borders on the vertical inside edges. */
+table.verticalBorderInside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 0px solid black;
+}
+/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */
+table.borderAll
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Special purpose tables: */
+table.intralinear
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+}
+table.intralinear td
+{
+font-size: small;
+text-align: center;
+}
+table.ditto
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+vertical-align: bottom;
+}
+table.ditto tr.s
+{
+height: 0;
+color: white;
+line-height: 0;
+}
+table.ditto tr.s td
+{
+padding: 0px;
+}
+table.ditto tr.d td
+{
+text-align: center;
+line-height: 10pt;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+span.tocPageNum, span.flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt
+{
+font-family: monospace;
+}
+.underline
+{
+text-decoration: underline;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+h1, .h1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+h1, h2, .h1, .h2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd21e101width
+{
+width:579px;
+}
+.xd21e108width
+{
+width:488px;
+}
+.xd21e116
+{
+text-align:center;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e101width"><img src="images/frontcover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="579" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e108width"><img src="images/titlepage.png" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="488" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e116">Christuslegenden</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">Christuslegenden</div>
+</div>
+<div class="byline">Naar het Zweedsch<br>
+Van<br>
+<span class="docAuthor">Selma Lagerl&ouml;f</span><br>
+<span class="sc">Schrijfster van</span>:<br>
+&bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;, &bdquo;Ingrid&rdquo;, &bdquo;De
+Koninginnen van Kungah&auml;lla&rdquo;, &bdquo;De Wonderen van den
+Antichrist&rdquo;, &bdquo;Jeruzalem&rdquo;, &bdquo;Onzichtbare
+Ketenen&rdquo;.<br>
+Door<br>
+<span class="docAuthor">Margaretha Meijboom</span></div>
+<div class="docImprint">Geautoriseerde uitgave<br>
+Amsterdam<br>
+H. J. W. Becht</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e116">Boek-, courant- en steendrukkerij G. J.
+Thieme, Nijmegen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Inhoud.</h2>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td>
+<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1" id="xd21e167" name=
+"xd21e167">De heilige nacht</a></td>
+<td class="tocPageNum">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2" id="xd21e173" name=
+"xd21e173">Het visioen van den Keizer</a></td>
+<td class="tocPageNum">11</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3" id="xd21e179" name=
+"xd21e179">De bron der Wijzen</a></td>
+<td class="tocPageNum">23</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4" id="xd21e185" name=
+"xd21e185">De Kinderen van Bethlehem</a></td>
+<td class="tocPageNum">37</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5" id="xd21e191" name=
+"xd21e191">De vlucht naar Egypte</a></td>
+<td class="tocPageNum">69</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6" id="xd21e197" name=
+"xd21e197">In Nazareth</a></td>
+<td class="tocPageNum">81</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7" id="xd21e203" name=
+"xd21e203">In den Tempel</a></td>
+<td class="tocPageNum">89</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8" id="xd21e209" name=
+"xd21e209">De Zweetdoek van de Heilige Veronica</a></td>
+<td class="tocPageNum">111</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9" id="xd21e215" name=
+"xd21e215">Vogel Roodborst</a></td>
+<td class="tocPageNum">179</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch10" id="xd21e221" name=
+"xd21e221">Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus</a></td>
+<td class="tocPageNum">191</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch11" id="xd21e228" name=
+"xd21e228">De Kaarsvlam</a></td>
+<td class="tocPageNum">207</td>
+</tr>
+</table>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name=
+"pb1">1</a>]</span></p>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name=
+"pb3">3</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e167">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De heilige nacht.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot
+verdriet. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad
+heb. Dat was de dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij
+elken dag in den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.</p>
+<p>Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
+zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
+stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
+kind had het zoo goed als wij.</p>
+<p>Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
+dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
+een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
+verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
+ze: &bdquo;En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik
+jou.&rdquo;</p>
+<p>Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
+alle dagen. Een van die liedjes was <span class="pagenum">[<a id="pb4"
+href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>van een ridder en een meermin en
+daarvan was het refrein: &bdquo;Koud waait de wind over de
+zee&rdquo;.</p>
+<p>En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en een
+gezangvers.</p>
+<p>Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
+verwarde herinnering. Er is maar &eacute;&eacute;n dat ik nog
+z&oacute;&oacute; goed weet, dat ik &rsquo;t zou kunnen navertellen.
+Dat is een verhaal van Jezus&rsquo; geboorte.</p>
+<p>Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
+dat wat ik me &rsquo;t allerbest herinner&mdash;en dat is het groote
+gemis, toen zij was heengegaan.</p>
+<p>Ik herinner me dien morgen, toen de canap&eacute; daar leeg
+stond&mdash;en toen ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen
+zou! Dat weet ik nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe
+wij, kinderen, bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.</p>
+<p>En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons
+toen, dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken
+voor al het pleizier, dat zij ons gedaan had.</p>
+<p>En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze
+hoeve, ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom
+kwamen.</p>
+<p>Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
+van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger vrij
+uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open kon
+maken. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
+"pb5">5</a>]</span></p>
+<p>En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en
+speelgoed leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon
+&rsquo;t wel schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan
+haar dachten.</p>
+<p>Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
+legenden van Christus verzamel, die ik nu in &rsquo;t Oosten gehoord
+heb, wordt dat kleine verhaal van Jezus&rsquo; geboorte, dat
+Grootmoeder me placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar
+nog eens over spreken en het opnemen in mijn verzameling.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>&rsquo;t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve
+Grootmoeder en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij
+mochten niet meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was.
+En het speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten
+rijden en de Kerstlichtjes zien.</p>
+<p>Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te
+vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Er was eens een man,&rdquo; zei ze, &bdquo;die uitging in den
+donkeren nacht om vuur te leenen. Hij ging van &rsquo;t eene huis naar
+het andere en klopte aan.</p>
+<p>&bdquo;Ach, vrienden,&rdquo; zei hij, &bdquo;helpt mij. Mijn vrouw
+heeft pas een kind gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den
+kleine te verwarmen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t was laat in den nacht. En alle menschen
+sliepen. Niemand antwoordde hem. <span class="pagenum">[<a id="pb6"
+href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte
+het schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het
+vuur in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om
+heen te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.</p>
+<p>&bdquo;Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen
+gekomen was, zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den
+herder lagen te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en
+sperden de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid
+werd gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen
+staan, hij zag hun tanden wit glimmen in &rsquo;t schijnsel van het
+vuur en zij vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in
+&rsquo;t been wilde bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel
+kwam hangen. Maar de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten,
+wilden niet gehoorzamen en de man werd in &rsquo;t minst niet
+gewond.</p>
+<p>&bdquo;Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had.
+Maar de schapen lagen z&oacute;&oacute; dicht op elkaar, rug aan rug,
+dat hij er niet door kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren
+en liep naar het vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde
+zich.&rdquo;</p>
+<p>Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
+laten haar in de rede te vallen. &bdquo;Waarom werden ze niet wakker,
+Grootmoeder?&rdquo; vroeg ik. <span class="pagenum">[<a id="pb7" href=
+"#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zul je straks hooren,&rdquo; zei Grootmoeder, en vertelde
+voort.</p>
+<p>&bdquo;Toen de man bijna bij &rsquo;t vuur was, zag de herder op.
+Hij was een oud, knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle
+menschen. En toen hij den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen
+spitsen staf, dien hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde
+hoedde, en wierp hem dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man
+aan, maar eer hij hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem
+ver het veld in.&rdquo;</p>
+<p>Toen Grootmoeder z&oacute;&oacute;ver gekomen was, viel ik haar weer
+in de rede: &bdquo;Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet
+treffen?&rdquo; Maar Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde
+voort:</p>
+<p>&bdquo;Nu kwam de man bij den herder en zei: &bdquo;Vriend, help
+mij, en leen me wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en
+ik moet vuur aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De herder had &rsquo;t liefste &bdquo;neen&rdquo; gezegd,
+maar toen hij er over dacht, dat zijn honden den man geen kwaad hadden
+kunnen doen, dat de schapen niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn
+staf hem niet had willen treffen, werd hij een beetje bang en durfde
+hem niet weigeren wat hij vroeg.</p>
+<p>&bdquo;Neem zooveel ge noodig hebt,&rdquo; zei hij tot den man.</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of
+takken, maar niets dan een gloeiende hoop <span class="pagenum">[<a id=
+"pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>en de vreemde had geen schop
+of schep, waarin hij de heete kolen dragen kon.</p>
+<p>&bdquo;Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: &bdquo;Neem zooveel
+als gij noodig hebt,&rdquo; en hij was er blij om, dat de man geen vuur
+zou kunnen meenemen.</p>
+<p>&bdquo;Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn
+handen en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen
+niet, toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
+man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren.&rdquo;</p>
+<p>Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen:
+&bdquo;Grootmoeder, waarom wilden de kolen den man niet
+branden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zul je hooren,&rdquo; zei Grootmoeder, en vertelde
+verder:</p>
+<p>&bdquo;Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles
+zag, werd hij heel verbaasd: &bdquo;Wat kan dat toch voor een nacht
+zijn, dat de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer
+niet doodt en &rsquo;t vuur niet zengt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: &bdquo;Wat is dit
+toch voor een nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen
+barmhartigheid betoonen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen zei de man: &bdquo;Ik kan het u niet zeggen, als gij het
+zelf niet ziet.&rdquo; En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te
+maken en vrouw en kind te kunnen verwarmen.</p>
+<p>&bdquo;Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet <span class=
+"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>geheel uit
+het oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
+beteekenen.</p>
+<p>&bdquo;Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij
+woonde.</p>
+<p>&bdquo;Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te
+wonen, maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te
+zien was dan kale, naakte steenen wanden.</p>
+<p>&bdquo;Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel
+dood zou kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig
+man was, werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.</p>
+<p>&bdquo;En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte
+witte schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het
+kindje daarop moest leggen.</p>
+<p>&bdquo;Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te
+kunnen zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet
+had kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.</p>
+<p>&bdquo;Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van
+engeltjes met zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in
+de hand en allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was,
+die de wereld zou redden uit haar zonden.</p>
+<p>&bdquo;Toen begreep hij, dat alle dingen z&oacute;&oacute; blij
+waren, dat ze geen kwaad wilden doen.</p>
+<p>&bdquo;En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag
+ze overal. Zij zaten in de grot en buiten <span class="pagenum">[<a id=
+"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>op den berg en zij vlogen
+langs den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen
+en als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het
+kindje.</p>
+<p>&bdquo;Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En
+dat alles zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had
+kunnen onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend
+waren, dat hij op de knie&euml;n viel en God dankte.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei:
+&bdquo;Maar wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken
+Kerstnacht vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien
+konden.&rdquo;</p>
+<p>En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: &bdquo;Dat
+moet je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
+jou. &rsquo;t Zit hem niet in kaarsen en lampen en &rsquo;t is niet
+verborgen in zon of maan, maar het &eacute;&eacute;ne noodige is, dat
+wij oogen hebben, die Gods heerlijkheid kunnen zien.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name=
+"pb11">11</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13"
+name="pb13">13</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e173">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Het visioen van den Keizer.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was
+en Herodes koning in Jeruzalem.</p>
+<p>Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
+neerdaalde. &rsquo;t Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien
+had; men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder
+terechtgekomen was. Het was onmogelijk het water van het land te
+onderscheiden en men kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon
+ook niet anders, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle
+sterren waren thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat
+afgewend.</p>
+<p>En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
+staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
+hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
+gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
+sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
+hooren knarsen <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
+"pb14">14</a>]</span>onder zijn voeten. Alles was versteend en hield
+zich onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. &rsquo;t
+Gras durfde niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden
+&rsquo;t niet haar geuren uit te ademen.</p>
+<p>In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
+blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
+levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
+willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper zou
+een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.</p>
+<p>Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
+keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
+het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren den
+keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde, dat
+hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord, dat
+hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun wil in
+deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld door enkele
+vertrouwden, dit offer ging brengen.</p>
+<p>Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
+de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de kooi
+met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of soldaten
+<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name=
+"pb15">15</a>]</span>of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste
+vrienden.</p>
+<p>De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door &rsquo;t
+nachtelijk duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het
+drievoetige altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige
+vuur&mdash;en alles wat er verder voor het offer noodig was.</p>
+<p>Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
+lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den nacht.
+Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de ledige
+plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet, openbaarde
+het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.</p>
+<p>Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand van
+de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst, dat
+het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een oeroud
+steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de rots gekomen
+was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon zijn dan de oude
+Sibylle.</p>
+<p>Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien.
+Die oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er
+niet bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht.
+&bdquo;Zij is het,&rdquo; fluisterden ze elkaar toe, &bdquo;die zooveel
+jaren telt als er zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn.
+Waarom is zij juist vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat
+zal zij den keizer en het rijk <span class="pagenum">[<a id="pb16"
+href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span>voorspellen, zij, die haar
+profetie&euml;n op de bladeren der boomen schrijft en weet, dat de wind
+orakelspreuken brengt tot hen, aan wie ze zijn afgezonden?&rdquo;</p>
+<p>Zij waren z&oacute;&oacute; bang, dat allen op de knie&euml;n zouden
+zijn gevallen met het voorhoofd op den grond, als de <span class="corr"
+id="xd21e387" title="Bron: sybille">sibylle</span> ook maar een enkele
+beweging gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze
+zat aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
+over de oogen, uit in den nacht.</p>
+<p>Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
+in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.</p>
+<p>Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?</p>
+<p>Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis was.
+Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte, wat een
+ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden ze niet
+hooren. Maar &rsquo;t was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
+zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en
+machteloos.</p>
+<p>Zij dachten: &bdquo;Er moet iets vreeselijks gebeuren.&rdquo;</p>
+<p>Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
+keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem in
+om den nieuwen god te begroeten.</p>
+<p>Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
+en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
+zijn beschermgeest te begroeten. <span class="pagenum">[<a id="pb17"
+href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
+<p>Maar de waarheid was, dat de oude sibylle z&oacute;&oacute; verdiept
+was in een visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het
+Kapitool gekomen was. Zij was met haar geest in verre landen en het was
+haar, alsof ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte
+zij met den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras
+hield. Zij boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen
+bosjes gras, maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende
+schapen.</p>
+<p>Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
+en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij &rsquo;t vuur te
+slapen en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om
+de kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met
+de glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
+waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven niet
+naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en de wilde
+dieren legden zich ter ruste naast de menschen.</p>
+<p>Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
+berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde, de
+kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit de
+kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon den
+vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich vrij en
+verdween in &rsquo;t duister van den nacht. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span></p>
+<p>Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
+sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.</p>
+<p>Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij &rsquo;t kolenvuur der
+herders meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid,
+dat door den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het
+lang, eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den
+hemel.</p>
+<p>Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende,
+schitterende gestalten daarboven in &rsquo;t donker voortglijden.
+&rsquo;t Waren kleine scharen engelen, die liefelijk zingend en als
+zoekend heen en weer vlogen over de wijde vlakte.</p>
+<p>Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
+de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde het
+altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle krachten
+inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de duif door
+zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar duisteren
+nacht.</p>
+<p>De keizer was ontzet. Hij viel op de knie&euml;n voor het leege
+altaar en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
+ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.</p>
+<p>Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
+haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk werd
+het z&oacute;&oacute; krachtig, dat het de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>herders
+wekte. Zij hieven zich overeind op de ellebogen en zagen glanzende
+scharen van zilverwitte engelen zich boven hen in &rsquo;t donker
+bewegen in lange, golvende rijen, als trekvogels. Sommigen hadden
+luiten en violen in de hand, anderen cithers en harpen, en hun lied
+klonk zoo vroolijk als kinderlachen en zoo zorgeloos als
+leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden, stonden ze op om naar de
+stad op den berg te gaan, waar zij woonden, om van het wonder te
+vertellen.</p>
+<p>Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
+oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een groote
+heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den bergtop
+glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
+engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
+versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.</p>
+<p>Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld
+boven een lagen stal bij de stadspoort. &rsquo;t Was een onooglijk
+gebouw met een rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond
+de ster boven en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen
+zetten zich op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand
+achter het huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog
+was de lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven <span class=
+"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>de
+bergstad, ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte
+bij &rsquo;t Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken.
+Zij voelden frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan,
+liefelijke geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber
+begon te bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog
+aan den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
+duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.</p>
+<p>Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
+zijn vrienden en slaven vielen op de knie&euml;n. &bdquo;Ave,
+Caesar!&rdquo; riepen zij. &bdquo;Uw beschermgeest heeft U geantwoord.
+Gij zijt de God, die aangebeden moet worden op het Kapitool.&rdquo;</p>
+<p>En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
+z&oacute;&oacute; luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar
+uit haar visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de
+rots en ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den
+afgrond was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was
+vreeselijk in haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om
+haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere
+huid bekleedde rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.</p>
+<p>Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
+ging. Met de eene hand vatte zij hem <span class="pagenum">[<a id=
+"pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>om den pols, met de
+andere wees zij naar het verre oosten.</p>
+<p>&bdquo;Zie,&rdquo; beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en
+zag. De ruimte opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot
+het land in het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een
+steilen rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen.
+In den stal zag hij een jonge moeder op de knie&euml;n voor een kindje,
+dat op een stroobos op den grond lag.</p>
+<p>En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme
+kind.</p>
+<p>&bdquo;Ave, Caesar!&rdquo; zei ze met een hoonlach.
+&bdquo;D&aacute;&aacute;r is de God, die op den heuvel van het Kapitool
+zal worden aangebeden.&rdquo;</p>
+<p>Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
+zich had.</p>
+<p>Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
+oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
+veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
+een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
+woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:</p>
+<p>&bdquo;Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die
+de wereld vernieuwt.</p>
+<p>&bdquo;Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte
+menschen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name=
+"pb22">22</a>]</span></p>
+<p>Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
+mannen, liep langzaam den berg af en verdween.</p>
+<p>Maar Augustus liet den volgenden dag &rsquo;t volk streng verbieden
+een tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan
+richtte hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde
+dat: &bdquo;Altaar des Hemels&rdquo;, <i lang="la">Ara C&oelig;li</i>.
+<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name=
+"pb23">23</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25"
+name="pb25">25</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e179">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De bron der Wijzen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het oude land van Juda ging de droogte rond, met
+holle oogen en verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord
+gras.</p>
+<p>&rsquo;t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen,
+de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
+veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde
+beken.</p>
+<p>De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde
+naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water
+tusschen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde
+bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met
+slependen tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar
+Jeruzalem leidt.</p>
+<p>Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
+die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
+uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien uit
+<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
+"pb26">26</a>]</span>&eacute;&eacute;n grooten, uitgeholden steen
+bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die
+anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en
+slik en modder van den bodem maakte hem onrein en troebel.</p>
+<p>Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
+op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.</p>
+<p>&bdquo;Ik zou wel eens willen weten, wanneer &rsquo;t met jou gedaan
+kan zijn,&rdquo; zei de droogte. &bdquo;Je zult wel geen waterader
+kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen.
+En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen
+sprake zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je kunt gerust wezen,&rdquo; zuchtte de bron; &bdquo;niemand
+kan me helpen. Daar zou minstens een brona&acirc;r uit het Paradijs
+voor noodig zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is,&rdquo;
+zei de droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en
+nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien
+sterven.</p>
+<p>Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
+als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
+pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen, den
+aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige droppels
+van den bodem.</p>
+<p>Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering <span class=
+"pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>viel,
+keek de droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de
+diepte.</p>
+<p>&bdquo;Ik blijf hier vannacht,&rdquo; riep ze. &bdquo;Haast je maar
+niet. Als het zoo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker
+van, dat &rsquo;t met je gedaan is.&rdquo;</p>
+<p>De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete
+nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over
+het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en
+dorstige koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen.
+Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
+verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.</p>
+<p>Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
+kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
+de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
+aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.</p>
+<p>De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
+in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
+vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
+kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
+was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk, dat
+er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar
+kwam aanzetten in den nacht. <span class="pagenum">[<a id="pb28" href=
+"#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
+<p>Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
+tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
+schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk de
+reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.</p>
+<p>Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid was.
+Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de drie
+eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk
+opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje, en bereden door
+schoone, voorname ruiters.</p>
+<p>De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
+zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun
+ruiters stegen af.</p>
+<p>De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar
+kwamen, schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en
+bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.</p>
+<p>De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
+door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
+gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
+glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van den
+hemel genomen was.</p>
+<p>&bdquo;Wij komen uit een ver land,&rdquo; zei een van de
+vreemdelingen, &bdquo;en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk
+de Bron der Wijzen is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo wordt zij vandaag nog genoemd,&rdquo; zei de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>droogte;
+&bdquo;maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht
+sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie,&rdquo; zei de man;
+&bdquo;maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit
+uitdrogen? En vanwaar heeft zij haar naam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet dat ze heilig is,&rdquo; zei de droogte; &bdquo;maar
+wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het
+Paradijs.&rdquo;</p>
+<p>De drie reizigers zagen elkander aan.</p>
+<p>&bdquo;Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?&rdquo;
+vroegen ze.</p>
+<p>&bdquo;Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en
+stroomen,&rdquo; zei de droogte trotsch.</p>
+<p>&bdquo;Doe ons dan het genoegen en vertel ons die,&rdquo; vroegen de
+vreemdelingen.</p>
+<p>En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit, en
+luisterden.</p>
+<p>De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
+sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:</p>
+<p>&bdquo;In Gabes, in Medi&euml;, een stad die aan de grenzen van de
+woestijn ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele
+jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel
+arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog
+in eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
+niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
+<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
+"pb30">30</a>]</span>melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en
+met dikke lippen. De menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te
+kunnen leeren, den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar
+den derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat
+nooit eenige wijsheid uit Ethiopi&euml; gekomen was.</p>
+<p>De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar aan.
+Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des nachts op
+hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid zich den
+tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare,
+dat zij bij dingen en menschen opmerkten.</p>
+<p>Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
+begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
+wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
+wekte de beide anderen.</p>
+<p>&bdquo;Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
+te slapen,&rdquo; sprak hij tot hen. &bdquo;Ontwaakt en heft uw oogen
+op naar den hemel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was
+een nacht, dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het
+heelal was zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf
+gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het
+licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op
+ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun
+oppervlakte. <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name=
+"pb31">31</a>]</span></p>
+<p>Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen een
+zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en
+kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten.
+Maar hij lichtte zooals rozen&mdash;God late ze alle
+verdorren&mdash;wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter
+en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht
+barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk,
+toen hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
+hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en er
+wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig stralend
+rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als
+de schoonste onder de sterren.</p>
+<p>Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
+op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus
+en Alexander te boven zou gaan.</p>
+<p>En ze zeiden tot elkander: &bdquo;Laat ons naar den vader en de
+moeder van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
+hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met een
+gouden armband.&rdquo;</p>
+<p>Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij
+gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een
+oogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge,
+<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name=
+"pb32">32</a>]</span>lieflijke woestijn, die de menschen verafschuwen.
+Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het
+woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als
+wegwijzer.</p>
+<p>Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
+den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning, dien ze
+zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
+edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
+spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
+moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
+macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van
+Salomo.</p>
+<p>Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
+zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
+minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
+zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
+behoefden te dragen.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e566" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ik lag op de loer in de woestijn als een
+leeuw,&rdquo; zei de droogte, &bdquo;en wilde mij op deze reizigers
+werpen met alle ellende van den dood, maar ze ontkwamen mij. De ster
+leidde hen den heelen nacht en tegen den morgen, toen het licht werd en
+de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte
+over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een
+bron en vruchtdragende boomen vonden. Daar <span class=
+"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>rustten
+zij den geheelen dag en eerst tegen den nacht, toen ze het sterrenlicht
+over het woestijnzand zagen, gingen zij verder.</p>
+<p>&bdquo;Voor een mensch,&rdquo; ging de droogte voort, &bdquo;was het
+een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch
+dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels.
+Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen
+zonneschijn en den heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden
+aanhoudend tegen elkaar: &bdquo;God beschermt ons en zegent onzen gang;
+wij zijn Zijn gezanten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen,&rdquo;
+ging de droogte voort. &bdquo;Het hart van die sterrenreizigers
+veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij
+werden vol onvruchtbaren trots en verwoestende gierigheid. &bdquo;Wij
+zijn Godsgezanten,&rdquo; herhaalden de drie Wijzen. &bdquo;De vader
+van den pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een
+karavaan schenkt, beladen met goud.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
+heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad
+Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag te
+schitteren.</p>
+<p>&bdquo;De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en
+muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij
+zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
+stad <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name=
+"pb34">34</a>]</span>in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van
+den weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door de opening en
+toonde den drie wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot
+rustig lag te slapen.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het
+hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de
+grot staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een
+koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun
+tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en
+liepen terug naar den heuvel.</p>
+<p>&bdquo;Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als
+wij?&rdquo; zeiden ze. &bdquo;Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij
+met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van
+een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn
+kudde hoeden zal hier in het dal.&rdquo;</p>
+<p>De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe.
+&bdquo;Heb ik geen gelijk?&rdquo; scheen zij te vragen. &bdquo;Er is
+iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan
+het menschenhart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun
+voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd
+hadden,&rdquo; ging de droogte voort. &bdquo;En zij zagen omhoog om de
+ster te vinden en den rechten weg. Maar toen was de ster, die zij heel
+uit het oosten gevolgd hadden, van den heuvel verdwenen.&rdquo;</p>
+<p>De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging <span class=
+"pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>en op
+hun aangezicht lag een uitdrukking van diepe smart.</p>
+<p>&bdquo;Wat nu gebeurde,&rdquo; ging de spreekster voort, &bdquo;is
+van &rsquo;t standpunt van een mensch uit gezien, misschien gelukkig.
+Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen,
+begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde,&rdquo;
+vertelde de droogte bevend verder, &bdquo;zooals het veld in den
+herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor
+donder en bliksem, hun ziel werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart
+als groen gras.</p>
+<p>&bdquo;Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het
+kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
+niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
+smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
+drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over het
+water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster,
+die hen uit het oosten hierheen geleid had.</p>
+<p>&bdquo;En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde
+hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en
+zeiden: &bdquo;Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
+kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
+heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>hoofden,
+en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter
+dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden,
+de melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
+zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en
+koning werden&mdash;ieder in zijn eigen land.&rdquo;</p>
+<p>De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen
+haar: &bdquo;Ge hebt goed verteld,&rdquo; zeiden zij.</p>
+<p>&bdquo;Maar het verwondert mij,&rdquo; zei de eene, &bdquo;dat de
+drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze
+zulk een weldaad geheel vergeten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?&rdquo; zei de
+tweede vreemdeling, &bdquo;om den menschen te herinneren, dat het
+geluk, dat verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden
+kan worden in het dal van de nederigheid?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?&rdquo; zei de
+derde. &bdquo;Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het
+Paradijs?&rdquo;</p>
+<p>Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
+had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
+zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
+Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
+beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
+dat zij uit het Paradijs gehaald hadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e185">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Kinderen van Bethlehem.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch
+krijgsman op wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en
+een lange speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna
+onbeweeglijk, zoodat men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was.
+De stadsbewoners gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer
+in de schaduw onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en
+wijnhandelaars zetten hun manden en potjes op &rsquo;t veld naast den
+krijgsman, maar hij nam nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om
+ze aan te zien.</p>
+<p>&bdquo;Dat is niet de moeite waard om naar te kijken,&rdquo; scheen
+hij te willen zeggen. &bdquo;Wat geef ik om jelui, die werken en handel
+drijven en komen aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een
+leger zien, dat zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij
+het krioelen zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich
+op een schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met
+stormpas vooruitsnellen <span class="pagenum">[<a id="pb40" href=
+"#pb40" name="pb40">40</a>]</span>om de muren van een belegerde stad te
+bestormen. Niets kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang
+er naar den Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik
+verlang naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
+de roode bloeddroppels.&rdquo;</p>
+<p>Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
+leli&euml;n. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op
+dit veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
+schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
+voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten, en
+dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden om naar
+zooiets onbeduidends te kijken. &bdquo;Die menschen weten niet wat mooi
+is,&rdquo; dacht hij.</p>
+<p>En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
+olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde zich
+ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybi&euml;. Hij zag
+een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen zand
+trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen, nergens
+een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de woestijn of
+een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen met wankelende
+schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den een na den ander
+omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar niettegenstaande
+<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name=
+"pb41">41</a>]</span>dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
+aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
+terug te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Zie, d&agrave;t is mooi,&rdquo; dacht de krijgsman,
+&bdquo;dat is de moeite waard voor een dapper man, om te
+zien.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
+had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
+heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
+begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. &bdquo;Wat
+is daar voor aardigs aan?&rdquo; dacht hij, wanneer hij menschen zag
+lachen, als zij naar de spelen der kinderen keken. &bdquo;&rsquo;t Is
+wonderlijk, dat menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond
+buiten de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
+oud kon zijn, op &rsquo;t veld komen om te spelen. &rsquo;t Was een arm
+kind, met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.</p>
+<p>De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
+&rsquo;t zelf te merken.</p>
+<p>&rsquo;t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over
+&rsquo;t veld sprong; &rsquo;t was alsof hij over de punten van de
+grassprietjes zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde,
+werd hij nog verbaasder.</p>
+<p>&bdquo;Bij mijn zwaard!&rdquo; zei hij eindelijk. &bdquo;Dit kind
+speelt niet als anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig
+is?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name=
+"pb42">42</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af,
+zoodat deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om
+een bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar
+beladen was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen
+kon opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
+opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
+gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
+knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen haar
+woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die manier
+een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den heelen
+dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.</p>
+<p>&bdquo;Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien
+heb,&rdquo; dacht de krijgsman. &bdquo;Hoe komt hij er toch bij die
+bijen te willen helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en
+die hem op den koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch
+van groeien, als hij in &rsquo;t leven blijft!&rdquo;</p>
+<p>De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
+de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
+kijken. &bdquo;Dat is toch wonderlijk,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Ik heb
+hier nu volle drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe
+heb ik niets gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit
+kind.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
+"pb43">43</a>]</span></p>
+<p>Maar de krijgsman was in &rsquo;t geheel niet ingenomen met het
+kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
+vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
+gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
+tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
+worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als de
+krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou kunnen
+worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de hand om
+zijn speer, als om steun te zoeken.</p>
+<p>En nu&mdash;hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen
+zag, hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
+was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er niet
+van aan zooiets akeligs te denken.</p>
+<p>Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie veld
+speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken neerkletteren.
+Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren, die op de teere
+lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn sierlijke vrienden te
+worden. Hij haastte zich naar de grootste en mooiste van hen en boog
+den stijven stengel, die de bloemen droeg, naar den grond, zoodat de
+regendroppels den onderkant van de kelken troffen. En zoo gauw hij dit
+met &eacute;&eacute;n bloemsteel gedaan had, haastte hij zich naar een
+anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de bloemkelken naar den
+grond gekeerd stonden. <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44"
+name="pb44">44</a>]</span>En toen naar een derden en een vierden tot
+alle bloemen van het veld voor den hevigen regen beschut waren. De
+krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van den jongen aanzag.
+&bdquo;Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar voor
+zijn,&rdquo; zei hij. &bdquo;Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat
+gaat niet, die stijve planten zoo te buigen.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
+kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
+zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind zonder de
+minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek, dat geen enkele
+gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de eene bloem naar de andere
+en alle geredde lelies prijkten in volle pracht op het veld. Toen de
+krijgsknecht dat zag, werd hij door een wonderlijk gevoel van toorn
+aangegrepen. &bdquo;Kijk nu zoo&rsquo;n kind eens,&rdquo; dacht hij.
+&bdquo;&rsquo;t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
+kan. Wat zal er voor een man uit zoo&rsquo;n jongen groeien, die niet
+verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou &rsquo;t gaan als
+zoo iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd
+een huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in
+den grond te boren met alle manschappen aan boord?&rdquo; Weer moest
+hij denken aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de
+tijd toch werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan.
+&bdquo;Nu er zulk een kind gekomen <span class="pagenum">[<a id="pb45"
+href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>is als dit,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;is die vreeselijke tijd misschien heel nabij. Nu al is er vrede
+in de heele wereld en zal de dag van oorlog misschien nooit meer
+aanbreken. Van nu af aan zullen alle menschen gezind zijn als dit kind.
+Zij zullen niet eens het hart hebben een bij of een bloem te vernielen.
+Geen groote heldenfeiten zullen meer verricht worden, geen heerlijke
+overwinningen behaald, en geen stralende held zal zegevierend naar het
+kapitool trekken. Er zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een
+dapper man.&rdquo;</p>
+<p>En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te
+beleven en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te
+komen, voelde zich zoo ge&euml;rgerd door den kleinen driejarige, dat
+hij dreigend met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij
+kwam.</p>
+<p>Op een anderen dag waren het geen leli&euml;n of bijen, die de
+kleine trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog
+veel onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.</p>
+<p>&rsquo;t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den
+helm en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
+hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. &rsquo;t
+Scheen den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed.
+Zijn oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en
+&rsquo;t vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo
+gehard was, dat hij de brandende <span class="pagenum">[<a id="pb46"
+href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>hitte in de Afrikaansche
+woestijn kon verdragen, vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan
+zijn gewone plaats te verlaten. Hij had er integendeel plezier in den
+voorbijgangers te toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij
+geen beschutting voor de zon behoefde te zoeken.</p>
+<p>Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden,
+kwam de kleine jongen, die gewoonlijk op &rsquo;t veld speelde,
+plotseling naar hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn
+vrienden hoorde, en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij
+niet binnen het bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs
+naar hem toe, bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart
+weg. Toen hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen
+uitgebreid als een schotel en bracht op die manier een paar droppels
+water me&ecirc;.</p>
+<p>&bdquo;Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om
+water voor mij te halen?&rdquo; dacht de krijgsman. &bdquo;Dat is toch
+al te onwijs! Zou een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen
+verdragen! Wat hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te
+brengen, die niet noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik
+wou, dat hij en zijns gelijken de wereld uit waren!&rdquo;</p>
+<p>De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
+opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
+hij den krijgsman naderde, <span class="pagenum">[<a id="pb47" href=
+"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>hield hij zijn oogen angstig op het
+beetje water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de
+man daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.</p>
+<p>Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
+water aan.</p>
+<p>Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en
+verder over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
+hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
+eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
+soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde hem
+met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken, dat hij
+me&ecirc;gebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad aan
+te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.</p>
+<p>Hij zag het niet in &rsquo;t lieve gezichtje, maar bleef stijf en
+onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
+hem wilde doen.</p>
+<p>Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
+wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op en
+strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat bij
+het water zou kunnen komen.</p>
+<p>De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
+helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.</p>
+<p>Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
+zonnestralen zoo heftig neerstroomden <span class="pagenum">[<a id=
+"pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>over den krijgsman, dat
+hij roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd
+voelde smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij
+niet oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
+van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer op
+den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij kon
+van het water op, dat het in de handjes hield.</p>
+<p>&rsquo;t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen
+kreeg, maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd
+had, voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn
+helm en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden
+hun moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en
+de roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.</p>
+<p>Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
+neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg zich
+verwonderd af: &bdquo;Wat was dat voor water, dat het kind me gaf?
+&rsquo;t Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid
+toonen.&rdquo;</p>
+<p>Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte.
+&bdquo;&rsquo;t Is immers maar een kind,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;&rsquo;t weet zelf niet waarom het zoo of zoo doet. Hij speelt
+maar het spelletje, dat hij het prettigst vindt. Zou hij dank krijgen
+van de bijen of van de lelies? Voor dien kleinen snaak hoef ik me toch
+geen moeite <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name=
+"pb49">49</a>]</span>te geven, hij weet niet eens, dat hij me geholpen
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
+ge&iuml;rriteerd tegen &rsquo;t kind, toen hij den aanvoerder der
+Romeinsche soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit
+zag komen. &bdquo;Kijk,&rdquo; dacht hij, &bdquo;wat ben ik door dien
+jongen in gevaar geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij
+gekomen was, zou hij mij met een kind in de armen hebben zien
+staan.&rdquo;</p>
+<p>De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
+of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
+een geheim me&ecirc; te deelen. &bdquo;Als wij maar tien stappen van de
+poort weggaan,&rdquo; antwoordde de krijgsman, &bdquo;dan kan niemand
+ons hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je weet,&rdquo; zei de hoofdman, &bdquo;dat koning Herodes
+meer dan eens getracht heeft een kind machtig te worden, dat hier in
+Bethlehem opgroeit. Zijn profeten en priesters hebben hem gezegd, dat
+dit kind zijn troon zal bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld,
+dat de nieuwe Koning een duizendjarig rijk van vrede en heiligheid
+stichten zal. Je begrijpt dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken
+wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat begrijp ik,&rdquo; zei de krijgsman levendig,
+&bdquo;maar dat moet immers de eenvoudigste zaak van de wereld
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn,&rdquo; zei de
+<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
+"pb50">50</a>]</span>hoofdman, &bdquo;als de koning maar wist welk van
+al de kinderen in Bethlehem het bedoelde was.&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. &bdquo;&rsquo;t
+Is jammer, dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent
+den jongen Vredevorst onschadelijk te kunnen maken,&rdquo; ging de
+hoofdman voort. &bdquo;Hij looft een prachtig geschenk uit aan
+iedereen, die hem helpen wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder
+belooning of geschenken,&rdquo; antwoordde de soldaat.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank je,&rdquo; antwoordde de hoofdman. &bdquo;Hoor nu wat
+de koning van plan is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon
+vieren door een feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem,
+die tusschen de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd
+met hun moeders. En op dit feest&mdash;&mdash;&rdquo;</p>
+<p>Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag, die
+op het gezicht van den soldaat kwam.</p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; ging hij voort, &bdquo;je hoeft niet bang te
+zijn, dat Herodes van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng
+nu je oor bij mijn mond, dan zal ik je zijn plannen
+toevertrouwen.&rdquo;</p>
+<p>De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
+verteld had, zei hij: &bdquo;Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
+grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming zal
+mislukken.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51"
+name="pb51">51</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt,&rdquo; zei
+de krijgsman.</p>
+<p>Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op zijn
+post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
+tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
+dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.</p>
+<p>Plotseling begon de krijgsman te lachen.&mdash;&bdquo;&rsquo;t Is
+waar,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik zal me niet lang aan dat kind daar
+hoeven te ergeren. Dat wordt vanavond ook op het feest van Herodes
+genoodigd.&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
+avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te
+sluiten.</p>
+<p>Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
+een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.</p>
+<p>Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats, door
+gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven elkaar.
+Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest voor de
+Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.</p>
+<p>Deze galerij was, evenzoo op &rsquo;s konings uitdrukkelijk bevel,
+zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
+lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
+druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
+<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name=
+"pb52">52</a>]</span>granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten
+bedekt waren. De vloer was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als
+een kleed, en langs de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de
+tafels en de lage divans, overal liepen guirlanden van schitterend
+witte lelies langs.</p>
+<p>In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
+waar glinsterende zilver- en goudvisschen in &rsquo;t doorschijnende
+water speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en
+in een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.</p>
+<p>Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij.
+De kinderen werden dadelijk bij &rsquo;t binnenkomen in &rsquo;t paleis
+getooid in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van
+rozen op de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en
+blauwe gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen
+neerhingen, met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind
+hoog op de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer
+andere, wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de
+armen.</p>
+<p>De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
+genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
+waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
+past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen haar
+maaltijd zonder die fiere gracieuse <span class="pagenum">[<a id="pb53"
+href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>waardigheid af te leggen, die
+het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.</p>
+<p>Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
+bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
+krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
+onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
+gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
+schare verwonderd aan te zien.</p>
+<p>&bdquo;Waarom staan die daar?&rdquo; fluisterden zij; &bdquo;meent
+Herodes, dat we ons niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er
+zooveel krijgslieden noodig zijn om op ons te passen?&rdquo;</p>
+<p>Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een koning.
+Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis vol
+krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
+zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.</p>
+<p>In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
+onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig kwamen
+ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die Herodes hun
+aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor zijn kleine
+gasten geschapen had.</p>
+<p>Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
+honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
+hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken voor
+<span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
+"pb54">54</a>]</span>hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars,
+die in een oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een
+anderen hoek van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers
+toonde, die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.</p>
+<p>Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat zoo
+de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden, die
+onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen werden
+geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
+gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
+gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten, dachten
+ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich nog op een
+afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien of ze levend
+waren en zich wezenlijk konden bewegen.</p>
+<p>Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de
+soldaten stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen
+ongelooflijk voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al
+dat lekkers konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te
+grijpen.</p>
+<p>Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid
+niet kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
+een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
+bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
+dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name=
+"pb55">55</a>]</span></p>
+<p>Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
+ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
+wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze over
+hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
+guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
+verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
+en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
+muur, v&oacute;&oacute;r zij ze naar beneden wierpen op de donkere
+plaats.</p>
+<p>In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
+kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
+van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
+van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
+kreet op de krijgslieden toe.</p>
+<p>Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
+ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
+met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
+wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen zich
+op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen te
+wreken door hun moordenaren te worgen.</p>
+<p>Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het
+paleis klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden,
+stond de krijgsman, die <span class="pagenum">[<a id="pb56" href=
+"#pb56" name="pb56">56</a>]</span>gewoonlijk de wacht hield aan de
+stadspoort, volkomen onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de
+galerij naar beneden leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het
+bloedbad. Alleen hief hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het
+gelukt was haar kind te grijpen en die er de trap mee trachtten af te
+vluchten. En alleen zijn gezicht, terwijl hij daar somber en
+onbeweeglijk stond, was zoo vreeselijk, dat de vluchtenden liever over
+de balustrade sprongen of terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich
+bloot te stellen aan het gevaar van hem voorbij te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post
+gaf,&rdquo; dacht de krijgsman, &bdquo;een jong, onnadenkend soldaat
+zou zijn plaats verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik
+mij hiervandaan had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen
+ontkomen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge
+vrouw, die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht
+naar hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze
+voorbijvloog, kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van
+&rsquo;t gevecht waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het
+eind van de galerij gekomen.</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen,&rdquo; dacht de
+krijgsman; &bdquo;noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet
+hier stond....&rdquo;</p>
+<p>De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>vaart,
+alsof ze vloog, en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat
+van het kind te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met
+het kind in haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en
+het kind het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden
+neervallen.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
+boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn in
+het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
+verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
+bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem die
+vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van dat
+kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard, in de
+hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen te
+houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
+korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
+moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij haar
+haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
+verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn
+kameraden op wacht, dicht bij de stadspoort. &rsquo;t Was nog vroeg en
+de zware poorten waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand
+<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name=
+"pb58">58</a>]</span>verwacht had, dat zij dien morgen geopend zouden
+worden, want geen schare landarbeiders stroomden de stad uit zooals
+gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners van Bethlehem waren zoo vol
+ontzetting over het bloedbad van dien nacht, dat niemand &rsquo;t
+waagde zijn huis te verlaten.</p>
+<p>&bdquo;Bij mijn zwaard,&rdquo; zei de soldaat, terwijl hij daar
+stond en de nauwe straat inzag, die naar de poort leidde, &bdquo;ik
+geloof, dat Voltigius een onverstandig besluit genomen heeft. &rsquo;t
+Was beter geweest als hij de poorten gesloten had gehouden en ieder
+huis in de stad had laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had,
+wien het gelukt is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op,
+dat zijn ouders zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze
+weten, dat de poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen
+vangen juist hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet
+verstandig is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te
+verbergen.&rdquo; En hij dacht er over na, of ze ook zouden probeeren
+het kind te verbergen in de manden met vruchten op een ezel of in een
+grooten oliepot. Of in balen met koren op een karavaan.</p>
+<p>Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
+trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in &rsquo;t
+oog, die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen
+hard en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had
+een bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof <span class=
+"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>hij
+besloten was zich met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem
+versperren wilde.</p>
+<p>Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
+vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder, die
+hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij den rok
+van haar kleed over &rsquo;t hoofd geslagen had. Hij dacht: &bdquo;Dat
+doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm
+draagt.&rdquo;</p>
+<p>Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het
+kind, dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het
+omhoog geslagen kleedingstuk.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben er zeker van dat zij het is,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;die mij gisteren ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar
+ik herken die lange gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op
+den arm, zonder zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op
+zooveel voorspoed durven hopen.&rdquo;</p>
+<p>De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
+stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
+tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
+krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.</p>
+<p>&bdquo;Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?&rdquo;
+vroeg de man.</p>
+<p>&bdquo;Je moogt dadelijk gaan,&rdquo; zei de soldaat; &bdquo;ik moet
+alleen maar eerst even zien, wat je vrouw onder haar kleed
+verbergt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name=
+"pb60">60</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is daaraan te zien?&rdquo; zei de man, &bdquo;het is
+alleen wat brood en wijn, waar we vandaag van moeten leven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is misschien waar, wat je zegt,&rdquo; zei de soldaat;
+&bdquo;maar als dat zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat
+zij mij dan niet gewillig zien wat ze draagt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij
+te laten gaan.&rdquo;</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
+de hand op zijn arm.</p>
+<p>&bdquo;Neen, ga nu niet vechten,&rdquo; smeekte ze. &bdquo;Ik zal
+hem laten zien wat ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad
+kan doen.&rdquo;</p>
+<p>En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
+den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.</p>
+<p>En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
+voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw onder
+haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een schitterend
+witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt,&rdquo; zei
+hij.</p>
+<p>&bdquo;Je ziet nu wat ik draag,&rdquo; antwoordde de vrouw.</p>
+<p>Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk,
+niet anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
+veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij kon
+er nauwelijks naar kijken. <span class="pagenum">[<a id="pb61" href=
+"#pb61" name="pb61">61</a>]</span></p>
+<p>Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
+afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
+dan de koele bloembladeren.</p>
+<p>Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
+den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep, dat hij
+geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.</p>
+<p>Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:</p>
+<p>&bdquo;Wil je ons nu laten gaan?&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort
+gehouden had en trad op zij.</p>
+<p>Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
+hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
+glimlach!</p>
+<p>&bdquo;Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je
+het maar zag,&rdquo; zei ze tegen den krijgsman.</p>
+<p>En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
+ze in &rsquo;t gezicht waren.</p>
+<p>En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
+dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend
+kind.</p>
+<p>Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
+uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
+kwamen loopen. &bdquo;Houd ze!&rdquo; riepen ze. &bdquo;Sluit de poort
+voor hen! Laat hen niet ontkomen!&rdquo;</p>
+<p>En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>dat zij
+het spoor van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in
+zijn huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
+ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
+grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
+&rsquo;t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen
+had.</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een
+Bedou&iuml;en de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde
+zonder een woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld
+van het paard, wierp hem op den grond, en met &eacute;&eacute;n sprong
+was hij zelf in &rsquo;t zadel en joeg voort over den weg.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke
+bergwoestijn, die &rsquo;t zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog
+altijd de vluchtelingen van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over
+dien vruchteloozen tocht, waar maar geen einde aan kwam.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond
+kunnen zinken,&rdquo; zei hij morrend. &bdquo;Hoe dikwijls ben ik hun
+in deze dagen niet zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer
+naar het kind had kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin
+bang te worden, dat ik ze nooit kan vinden.&rdquo;</p>
+<p>Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
+"pb63">63</a>]</span>overmacht strijdt. Hij vroeg zich af of het
+mogelijk was dat de goden deze menschen tegen hem <span class="corr"
+id="xd21e886" title="Bron: beschermde">beschermden</span>.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer
+ik van honger en dorst omkom in dit eenzame land!&rdquo; zei hij
+herhaaldelijk in zichzelf.</p>
+<p>Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
+wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu al
+twee keer het kind had laten ontkomen. &rsquo;t Was niet denkbaar, dat
+Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.</p>
+<p>&bdquo;Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem
+nog leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden,&rdquo; zei
+de krijgsman. &bdquo;&rsquo;t Waarschijnlijkste is, dat hij&mdash;om
+zijn ellende te verzachten&mdash;mij aan het kruis zal
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het
+rijden in deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe
+ravijnen in &rsquo;t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog.
+Het paard en de ruiter beide waren op &rsquo;t punt te bezwijken.</p>
+<p>Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
+vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer dan
+ooit.</p>
+<p>&bdquo;Ik moet het opgeven,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Voorwaar, ik
+geloof niet, dat het de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten
+toch omkomen in deze vreeselijke woestijn.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>die zich
+aan den weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.</p>
+<p>Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de grot-opening.
+&bdquo;Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,&rdquo; dacht
+hij. &bdquo;Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
+kan hervatten.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
+beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.</p>
+<p>Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
+als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.</p>
+<p>Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de
+krijgsman iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af
+en nam die mee in de grot.</p>
+<p>De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij &rsquo;t gewelf
+binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. &rsquo;t
+Waren een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren
+uitgestrekt, in diepen slaap verzonken.</p>
+<p>De krijgsman had nooit zijn hart z&oacute;&oacute; voelen bonzen als
+toen hij dat zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo
+lang had nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te
+slapen, buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn
+macht.</p>
+<p>Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
+het slapende kind.</p>
+<p>Hij bracht de punt van &rsquo;t zwaard zacht bij &rsquo;t hart
+<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name=
+"pb65">65</a>]</span>van het kind en mikte nauwkeurig om het met
+&eacute;&eacute;n stoot te dooden.</p>
+<p>Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
+zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
+&rsquo;t bekijken van zijn offer.</p>
+<p>Maar toen hij &rsquo;t kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog
+verhoogd, want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen
+en de leli&euml;n had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.</p>
+<p>&bdquo;Ja zeker,&rdquo; dacht hij, &bdquo;dat had ik al lang moeten
+begrijpen. Daarom heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de
+aangekondigde vredevorst.&rdquo; Hij liet zijn zwaard weer zakken,
+terwijl hij dacht: &bdquo;Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes
+neerleg, zal hij mij tot aanvoerder van zijn lijfwacht
+aanstellen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende
+bracht, verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: &bdquo;Deze
+keer tenminste zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te
+ontrukken.&rdquo;</p>
+<p>Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
+geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
+die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog en
+om zijn hoofd.</p>
+<p>De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
+jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
+die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
+<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
+"pb66">66</a>]</span></p>
+<p>Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn
+zwaard stil en stond naar de bij te luisteren.</p>
+<p>Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
+zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie in
+zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leli&euml;n,
+die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het een
+bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden en het
+hadden helpen ontkomen door de stadspoort.</p>
+<p>Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.</p>
+<p>&bdquo;Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden,&rdquo;
+fluisterde hij.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
+een diepe blos kwam op zijn gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een
+bewezen dienst te vergelden?&rdquo; fluisterde hij. Hij voerde een
+korten strijd met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen
+lust om den jongen vredevorst te vernietigen.</p>
+<p>&bdquo;Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered
+heeft,&rdquo; zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde
+zijn zwaard naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun
+ontwaken begrijpen zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.</p>
+<p>Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag <span class=
+"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>hem met
+zijn mooie oogen aan te zien, die als sterren straalden.</p>
+<p>En de krijgsman boog een knie voor het kind.</p>
+<p>&bdquo;Heer, Gij zijt de machtige,&rdquo; sprak hij. &bdquo;Gij zijt
+de sterke, de overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben.
+Gij zijt degene, die slangen en schorpioenen in het stof
+treedt.&rdquo;</p>
+<p>Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot,
+terwijl de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde
+kinderoogen. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
+"pb69">69</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71"
+name="pb71">71</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e191">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De vlucht naar Egypte.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide
+voor lange, lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die
+door de woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te
+bewonderen, want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht
+te zeggen, dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou
+worden.</p>
+<p>Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien over de
+woestijn, kreeg hij op een dag iets in &rsquo;t oog, dat zijn geweldige
+bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen van
+verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee eenzame
+menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk een
+afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch zeker
+twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,&mdash;want de
+palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
+geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Voorwaar,&rdquo; zei de palm tot zichzelf, &bdquo;die twee
+zijn hier gekomen om te sterven.&rdquo;</p>
+<p>De palm wierp snel een blik om zich heen.</p>
+<p>&bdquo;Het verwondert me,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat de leeuwen dien
+buit nog niet vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik
+nog geen van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht
+een zevenvoudige dood,&rdquo; dacht de palm. &bdquo;De leeuw zal ze
+verslinden, de slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen,
+de zandstorm zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek
+zal hen treffen en de vrees ze doen sterven.&rdquo;</p>
+<p>En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
+stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
+kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
+jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
+weer aan die twee zwervers denken.</p>
+<p>&bdquo;Bij de droogte en den storm!&rdquo; zei de palm, de twee
+gevaarlijkste vijanden van het leven aanroepende, &bdquo;wat heeft die
+vrouw daar op den arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij
+zich hebben.&rdquo;</p>
+<p>De palm, die v&egrave;rziende was, zooals de ouden van dagen
+gewoonlijk zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op
+den arm, dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan,&rdquo; zei
+de palm. &bdquo;Ik zie, dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt
+<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name=
+"pb73">73</a>]</span>en dat om het kindje heengeslagen. Zij heeft het
+in groote haast uit zijn bedje genomen en is er me&ecirc; weggesneld.
+Nu begrijp ik het: deze menschen zijn vluchtelingen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch zijn het dwazen,&rdquo; ging de palm voort. &bdquo;Als
+niet een engel hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun
+vijanden moeten afwachten, dan de woestijn in te gaan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e994" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan
+is. De man was aan zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is
+naar buiten gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur
+gekomen was, heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen
+gevlogen, heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te
+volgen, en is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de
+vlucht geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles
+gegaan, maar toch zeg ik:&mdash;als geen engel ze beschermt....</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e998" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Zij zijn z&oacute;&oacute; bang, dat ze
+nog geen moeheid of ander lijden voelen, maar ik zie hoe de dorst hun
+uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht van een dorstig mensch maar al
+te goed.&rdquo;</p>
+<p>En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
+zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
+alsof ze boven het vuur gehouden werden.</p>
+<p>&bdquo;Als ik een mensch was,&rdquo; zij hij, &bdquo;zou ik me nooit
+in de woestijn wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder <span class=
+"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>wortels
+te bezitten, die bij de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet
+wel heel moedig zijn. Zelfs voor palmen kan &rsquo;t hier gevaarlijk
+zijn. Zelfs voor palmen zooals ik.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1008" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken
+terug te keeren. Hun vijanden kunnen nooit zoo wreed zijn als de
+woestijn. Misschien meenen zij, dat het gemakkelijk is hier te leven.
+Maar ik weet, dat zelfs ik vaak moeite gehad heb om in &rsquo;t leven
+te blijven. Ik herinner me nog hoe in mijn jeugd een stormwind een
+heelen berg zand over me heen gooide. Ik was bijna gestikt. Als ik had
+kunnen sterven, zou dat mijn laatste uur geweest zijn.&rdquo;</p>
+<p>De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk
+doen.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon
+gaan,&rdquo; zei hij, &bdquo;alle punten aan mijn bladen moeten
+trillen. Ik weet niet, wat me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme
+vreemdelingen. Maar die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me
+aan het wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde.&rdquo;</p>
+<p>En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
+herinnerde de palm zich hoe eens, h&eacute;&eacute;l lang geleden, twee
+schitterende schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de
+koningin van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo
+vergezeld. De schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de
+koning had haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name=
+"pb75">75</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ter herinnering aan dit oogenblik,&rdquo; zei toen de
+koningin, &bdquo;leg ik nu een dadelpit in den grond en ik wil, dat
+daaruit een palm ontkiemen zal, die zal groeien en leven tot er in Juda
+een koning zal opstaan, die grooter is dan Salomo.&rdquo; En toen zij
+dit gezegd had, stak zij de pit in den grond en haar tranen
+bevochtigden die.</p>
+<p>&bdquo;Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk,&rdquo;
+zei de palm. &bdquo;Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de
+schoonste aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik
+geleefd heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen,&rdquo; zei de
+palm, &bdquo;en het klinkt droevig als een doodslied. Het is als een
+voorteeken. &rsquo;t Is goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan,
+want ik kan niet sterven.&rdquo;</p>
+<p>De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
+gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
+naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als zij
+voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten van
+den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
+voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
+moesten omkomen....</p>
+<p>Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
+daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
+zonken zij ineen van <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76"
+name="pb76">76</a>]</span>wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De
+vrouw legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand
+van de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met
+zijn beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er
+samen over spraken, dat zij sterven moesten.</p>
+<p>Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
+twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
+verwachte koning van Juda geboren zou zijn.</p>
+<p>&bdquo;Het suist al sterker in mijn bladen,&rdquo; zei de palm.
+&bdquo;Spoedig zal voor deze arme vluchtelingen hun laatste ure
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.</p>
+<p>De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
+krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat zij
+zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.</p>
+<p>&bdquo;God zal ons bijstaan,&rdquo; zei de vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen,&rdquo; zei de
+man. &bdquo;Wij hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons
+bijstaan?&rdquo;</p>
+<p>Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
+den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in het
+hart.</p>
+<p>De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knie&euml;n. Maar
+de uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
+grenzenlooze vertwijfeling. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href=
+"#pb77" name="pb77">77</a>]</span></p>
+<p>De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
+werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd op
+en zag naar de kroon van den boom.</p>
+<p>&bdquo;O, dadels, dadels!&rdquo; riep zij.</p>
+<p>Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm
+wenschte, dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels
+zoo gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik.
+Hij wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
+zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op kunnen
+klimmen?</p>
+<p>De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
+hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw, niet
+naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
+rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep van
+zijn moeder gehoord.</p>
+<p>Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
+alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
+hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd trok
+hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er een
+glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij ging op
+den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn lief
+kinderstemmetje:</p>
+<p>&bdquo;Palm, buig je, palm, buig je.&rdquo;</p>
+<p>Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm <span class=
+"pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>suisde,
+alsof een orkaan zijn takken schudde en door den langen palmestam ging
+de eene rilling na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te
+machtig was. Hij kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam
+voor het kind, zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen
+boog zonk hij ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de
+groote kroon met de trillende bladen het woestijnzand raakte.</p>
+<p>Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een
+vreugdekreet kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen
+los uit de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de
+boom nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
+streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:</p>
+<p>&bdquo;Sta op, palm, sta op, palm.&rdquo;</p>
+<p>En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
+veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.</p>
+<p>&bdquo;Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen,&rdquo; zei de
+oude palm in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. &bdquo;Dat is niet
+voor een van deze menschen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man en de vrouw lagen op hun knie&euml;n en loofden God.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de
+sterke, die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
+vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
+"pb79">79</a>]</span></p>
+<p>Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok,
+zagen de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord
+was.</p>
+<p>&bdquo;Hoe kan dit zijn?&rdquo; zeide een reiziger. &bdquo;Deze palm
+zou immers niet sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter
+was dan Salomo?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien heeft hij dien ook gezien,&rdquo; antwoordde een
+ander van de woestijnreizigers. <span class="pagenum">[<a id="pb81"
+href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id=
+"pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e197">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">In Nazareth.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij
+op de stoep van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met
+vogels te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van
+den pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
+zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
+Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
+bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
+hem nooit iets durven vragen. Maar zie&mdash;hij wist nauwelijks hoe
+dat gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar
+zijn buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had
+hem zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen
+maken.</p>
+<p>Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en
+rood haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die
+hij gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens.
+<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
+"pb84">84</a>]</span>Voor &rsquo;t oogenblik was hij stil; hij kibbelde
+en vocht niet, maar werkte aan een stuk klei op dezelfde manier als
+Jezus, maar die klei had hij zelf niet kunnen krijgen, hij durfde den
+pottenbakker nauwelijks onder de oogen te komen, want die beschuldigde
+hem van steenen op zijn broze waar te gooien en zou hem met stokslagen
+hebben weggejaagd. Jezus had zijn voorraad met hem gedeeld.</p>
+<p>Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in
+een kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er
+altijd uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in
+plaats van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare
+vleugels.</p>
+<p>Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
+kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
+omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij kon
+hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en dan van
+ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn vogels zoo
+mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de bosschen op
+Tabor.</p>
+<p>Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene
+kwam hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en
+liefde; zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en
+zusjes; zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden,
+<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
+"pb85">85</a>]</span>liedjes voor hem zingen, als zijn moeder van hem
+wegging. Hij had zich nooit zoo rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu
+eenzaam of verlaten wezen.</p>
+<p>De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
+zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat te
+zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote, leege
+teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus&rsquo; lichte,
+krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
+dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
+uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld, wat
+alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak z&oacute;&oacute;, dat de
+waterdrager en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om
+naar hem te luisteren.</p>
+<p>Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. &bdquo;Kijk
+eens wat mooie vogels Judas maakt,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
+zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
+niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn werk.
+En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels en reed
+door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver, dat haar
+schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die met een
+Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat verhief,
+en de zonneschijn die tegen <span class="pagenum">[<a id="pb86" href=
+"#pb86" name="pb86">86</a>]</span>den avond kwam was rozerood, alsof
+die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg kwam,
+terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten van den
+pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de zaag van
+den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.</p>
+<p>Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
+die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
+bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
+dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
+met den fonkelenden zonneglans te verven, die &rsquo;t water, den
+huismuren en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.</p>
+<p>En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
+een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
+klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als van
+diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te zien of
+hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet van blijde
+bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei met
+zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van de
+straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
+trachtte den zonneschijn op te vangen.</p>
+<p>Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
+vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
+te grijpen, de <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur
+aan zijn arme vogels geven.</p>
+<p>&bdquo;Wacht, Judas!&rdquo; zei Jezus. &bdquo;Ik zal bij je komen en
+je vogels verven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei Judas, &bdquo;je moogt er niet aankomen, ze
+zijn mooi genoeg, zooals ze zijn.&rdquo;</p>
+<p>Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
+hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na den
+ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
+vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat te
+streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
+zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.</p>
+<p>Toen hij zijn voet terugtrok en &rsquo;t vogeltje in een propje klei
+veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
+lachen, en hij hief den voet op om <span class="corr" id="xd21e1130"
+title="Niet in bron">er</span> nog een te vertrappen.</p>
+<p>&bdquo;Judas!&rdquo; riep Jezus, &bdquo;wat doe je? weet je niet,
+dat ze leven en kunnen zingen?&rdquo;</p>
+<p>Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.</p>
+<p>Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
+geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij was
+niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels kunnen
+vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier van zijn
+vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p>
+<p>Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
+lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in de
+handen en riep ze toe: &bdquo;Vliegt weg, vliegt weg!&rdquo;</p>
+<p>Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
+fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze veilig
+waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen en
+wegvlogen op Jezus&rsquo; bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
+de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze in
+angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus&rsquo; voeten.</p>
+<p>En daar bleef hij liggen en wentelde zich in &rsquo;t stof, en kuste
+Jezus&rsquo; voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te
+vertrappen, zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.</p>
+<p>Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem&mdash;en
+haatte hem tegelijk.</p>
+<p>Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
+stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot en
+liefkoosde hem.</p>
+<p>&bdquo;Arm kind,&rdquo; zei ze. &bdquo;Je weet niet, dat je iets
+geprobeerd hebt wat geen schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan
+wordt je de ongelukkigste mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan,
+als we probeerden een wedstrijd aan te gaan met Hem, die met
+zonneschijn schildert en den adem des levens in de doode klei
+blaast?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91"
+name="pb91">91</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e203">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">In den Tempel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een
+kind, die in den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje
+was zulk een mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden
+als sterren.</p>
+<p>De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
+om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
+lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
+vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
+onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
+het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
+koperen poorten, die z&oacute;&oacute; zwaar waren, dat er dertig man
+voor noodig waren om ze op haar hengsels te doen draaien.</p>
+<p>Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
+om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
+merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
+duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>waar zij
+woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.</p>
+<p>Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
+hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
+daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
+nauwe straat te Nazareth te spelen.</p>
+<p>Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
+des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
+toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.</p>
+<p>Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
+medelijden met hem kreeg. &bdquo;Nu hebben we te lang met je
+geloopen,&rdquo; zei ze. &bdquo;Kom, nu moet je een poosje
+rusten.&rdquo;</p>
+<p>Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
+gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
+spoedig in.</p>
+<p>Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik,
+dat hij hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als
+hij dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben ook bang geweest voor deze reis,&rdquo; zei de man.
+&bdquo;Toen hij geboren werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er
+op wezen dat hij een machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent
+de waardigheid van <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93"
+name="pb93">93</a>]</span>een koning onder deze bekommeringen en
+gevaren? Ik heb altijd gezegd, dat het voor hem en ons het beste was,
+als hij nooit anders werd dan een timmerman in Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al sinds zijn vijfde jaar,&rdquo; zei de moeder nadenkend,
+&bdquo;zijn er geen wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf
+herinnert zich niets meer van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd
+is. Hij is nu heelemaal een kind met andere kinderen. Gods wil
+geschiede boven alles, maar ik begin bijna te hopen, dat de Heer in
+Zijn genade een ander zal kiezen voor die groote roeping, en Hij mij
+mijn zoon zal laten behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat mij betreft,&rdquo; zei de man, &bdquo;ik ben er in elk
+geval zeker van, dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen,
+die er in zijn eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare,&rdquo; zei de
+vrouw. &bdquo;Maar ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets
+gebeuren kan, waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang
+voor geweest hem hier naar dezen tempel te brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is,&rdquo; zei
+de man. &bdquo;We zullen hem nu gauw weer thuis hebben in
+Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den
+tempel,&rdquo; zei de vrouw. &bdquo;Ik was bang voor de profeten, die
+hier op hun matten zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen
+kwam, ze zouden opstaan en zich <span class="pagenum">[<a id="pb94"
+href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>neerbuigen voor het kind en hem
+begroeten als den koning van Judea. &rsquo;t Is wonderlijk, dat ze zijn
+heerlijkheid niet voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit
+gezien.&rdquo;</p>
+<p>Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan &rsquo;t bijna niet begrijpen,&rdquo; zei ze.
+&bdquo;Ik dacht dat, als hij die rechters zag, die zitten in &rsquo;t
+huis van den Heilige en de twisten der menschen beslechten, en die
+leeraars, die tot hun leerlingen spreken en de priesters, die den Heer
+dienen, hij opeens wakker zou worden en zeggen: &bdquo;Hier, bij die
+rechters, die leeraars, die priesters wil ik leven, daarvoor ben ik
+geboren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen
+opgesloten te zitten?&rdquo; viel de man haar in de rede.
+&bdquo;&rsquo;t Is beter voor hem rond te dwalen op de heuvels en
+bergen om Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>De moeder zuchtte even. &bdquo;Hij is zoo gelukkig bij ons
+thuis,&rdquo; zei ze. &bdquo;Wat is hij niet blij, als hij met de
+schaapherders mee mag op hun eenzame zwerftochten, of op &rsquo;t veld
+gaan, om te zien naar het werk der landlieden? Ik kan niet gelooven,
+dat we verkeerd doen, door te trachten hem voor ons te
+behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij besparen hem een groote smart,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.</p>
+<p>&bdquo;Zie zoo,&rdquo; zei de moeder, &bdquo;ben je nu uitgerust?
+Sta nu op, want het loopt tegen den avond en wij moeten naar onze
+slaapplaatsen terug.&rdquo;</p>
+<p>Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw <span class=
+"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>toen zij
+den tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
+door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
+&rsquo;t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
+den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot en
+zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
+bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
+van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij oude
+letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
+getracht had er een toon uit te halen.</p>
+<p>Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
+staan. &bdquo;Wat is dat daar?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p>&bdquo;Dat is de groote bazuin, die &bdquo;de Stem van den
+Wereldvorst heet,&rdquo; antwoordde de moeder. &bdquo;Daarme&ecirc;
+riep Mozes de kinderen Isra&euml;ls bijeen, toen ze in de woestijn
+verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er ook maar een enkelen
+toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan, zal alle volken der
+aarde onder zijn heerschappij brengen.&rdquo;</p>
+<p>Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
+knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin was
+het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem aantrok.
+Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed te bekijken.
+Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in <span class="corr" id=
+"xd21e1221" title="Niet in bron">een</span> grooten breeden tempelhof
+kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof, diep en breed, die al
+van <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name=
+"pb96">96</a>]</span>oudsher zoo geweest was. Die spleet had koning
+Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had hij er
+over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen afgrond.
+Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die verscheidene
+ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant naar boven
+lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag de kling nog
+over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest; aan de einden
+zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde, zoodra iemand
+met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de moeder den knaap met
+een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar: &bdquo;Wat is dat voor
+een brug?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die is daar neergelegd door koning Salomo,&rdquo; antwoordde
+de moeder, &bdquo;en wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof
+kunt oversteken op die zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner
+is dan een zonnestraal, kun je er zeker van zijn in het Paradijs te
+komen.&rdquo; En ze lachte en liep haastig verder, maar de knaap bleef
+staan en zag naar de smalle, trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij
+haar gehoorzaamde, zuchtte hij er over, dat ze hem die twee wonderbare
+dingen niet eerder had laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om
+ze te bekijken.</p>
+<p>Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
+ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
+in een hoek een paar <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97"
+name="pb97">97</a>]</span>pilaren van zwart marmer, op hetzelfde
+voetstuk, z&oacute;&oacute; dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een
+strootje tusschen door kon gestoken worden. Zij waren hoog en
+majestueus, met rijk versierde kapiteelen, waarom een rij van
+wonderlijk gevormde dierenkoppen liep. Maar geen duimbreed van die
+mooie zuilen was zonder schrammen en scheuren, zij waren &rsquo;t meest
+beschadigd en versleten van alles wat in den tempel was. Zelfs de vloer
+er omheen was glad afgesleten en was uitgehold door vele
+voetstappen.</p>
+<p>Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: &bdquo;Wat
+zijn dit voor pilaren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar
+Palestina van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der
+Rechtvaardigheid noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig
+voor God en hij heeft nooit een zonde begaan.&rdquo; De knaap bleef
+staan en zag met groote oogen naar de zuilen.</p>
+<p>&bdquo;Je zult wel niet probeeren er door te komen,&rdquo; zei de
+moeder lachend. &bdquo;Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door
+de velen, die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je
+kunt wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor
+het gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
+hun schouders tegen om ze in beweging te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag
+niet anders v&oacute;&oacute;r zich dan de Poort der Rechtvaardigheid,
+de Paradijsbrug en de Stem van <span class="pagenum">[<a id="pb98"
+href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>den Wereldvorst. Van zulke
+wonderbare dingen had hij vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar
+niet vergeten.</p>
+<p>En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
+denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
+te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
+hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
+maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
+waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel
+langzaam.</p>
+<p>De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de
+verwarring zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken.
+Plotseling kwam hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan
+om ze nog eens te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden.
+Hij zou wel voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.</p>
+<p>Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen wilde.
+Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het duurde
+niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek, waar de
+twee zwarte zusterzuilen stonden.</p>
+<p>Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd.
+Hij ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
+dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
+rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>vond
+hij, dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
+zuilen door te dringen. Maar zij stonden z&oacute;&oacute; dicht bij
+elkaar, dat het zelfs onmogelijk was het te beproeven.</p>
+<p>Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
+meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.</p>
+<p>Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de
+rechters van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten
+te beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
+grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
+weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
+hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
+gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht een
+arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.</p>
+<p>De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig handelde.
+Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar dwingen
+het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm dat zij,
+als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt zou zijn aan
+den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.</p>
+<p>Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den
+rijken man, en zei tot hem: <span class="pagenum">[<a id="pb100" href=
+"#pb100" name="pb100">100</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet
+betaald heeft?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de rijke: &bdquo;Heer, ik ben een rijk man; zou ik
+de moeite nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik
+daar geen recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand
+zal gaan door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze
+vrouw mij de som schuldig, die ik van haar begeer.&rdquo;</p>
+<p>Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
+deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen zou
+geven.</p>
+<p>Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij zich
+zelf: &bdquo;Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
+Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
+waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
+zijn haar dochters tot slavinnen te maken.&rdquo;</p>
+<p>Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen, en
+keek door de spleet.</p>
+<p>&bdquo;Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk,&rdquo;
+dacht hij.</p>
+<p>Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
+heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig en
+zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter wille van
+die arme vrouw.</p>
+<p>Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
+een weg te banen. <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101"
+name="pb101">101</a>]</span></p>
+<p>En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek
+stonden, naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het
+gewelf, en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een
+rechts en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat
+het tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.</p>
+<p>Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.</p>
+<p>In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De
+menschen stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een
+wonder verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste
+van de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en
+hem voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn
+bezittingen aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed
+gezworen had in Gods tempel.</p>
+<p>Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
+de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.</p>
+<p>Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij verdwenen.
+Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar gleden, was hij
+als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn ouders en de reis naar
+huis herinnerd.</p>
+<p>&bdquo;Nu moet ik mij haasten,&rdquo; dacht hij; &bdquo;anders
+moeten mijn ouders op mij wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten
+<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name=
+"pb102">102</a>]</span>had voor de Poort der Rechtvaardigheid; hij
+dacht, dat hij er maar een paar minuten gebleven was. Daarom meende
+hij, dat hij nog wel tijd had even naar de Paradijsbrug te kijken, die
+in een heel ander gedeelte van den grooten tempel lag.</p>
+<p>Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
+gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar kon
+gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij, dat
+dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging op den
+rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.</p>
+<p>Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
+te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
+oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
+te probeeren.</p>
+<p>En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
+dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.</p>
+<p>Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
+bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
+witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden en
+offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers kwamen
+brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
+bijwoonden.</p>
+<p>Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel <span class=
+"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name=
+"pb103">103</a>]</span>klein mager lammetje droeg, dat nog op den koop
+toe door een hond gebeten was, zoodat het een groote wond had.</p>
+<p>De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
+offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
+geschenk den Heer niet aanbieden kon.</p>
+<p>De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
+want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan God
+kon offeren voor zijn genezing.</p>
+<p>&bdquo;Ge moet mij dit offer laten brengen,&rdquo; zei hij;
+&bdquo;anders komt mijn gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon
+zal sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb,&rdquo;
+zei de priester; &bdquo;maar het is bij de wet verboden een beschadigd
+dier te offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als
+het is over de Paradijsbrug te loopen!&rdquo;</p>
+<p>De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er
+dadelijk aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen.
+Misschien kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd
+werd.</p>
+<p>De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
+op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.</p>
+<p>Hij dacht er in &rsquo;t geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan
+om zeker te zijn van het Paradijs. Zijn <span class="pagenum">[<a id=
+"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>gedachten waren bij
+den arme, dien hij verlangde te helpen.</p>
+<p>Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: &bdquo;Dat is
+onmogelijk; zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens
+dragen.&rdquo;</p>
+<p>Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
+sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
+dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder zijn
+voet.</p>
+<p>En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
+heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem, alsof
+hij een vogel geweest was en vleugels had.</p>
+<p>Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
+er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
+toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook de
+anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen kling
+liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen, die daar
+stonden.</p>
+<p>De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
+dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze tot
+hem: &bdquo;God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
+geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het
+offeren.&rdquo;</p>
+<p>En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die
+over de kloof was geloopen, maar <span class="pagenum">[<a id="pb105"
+href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>toen zij naar hem zochten,
+konden ze hem niet vinden.</p>
+<p>Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
+weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
+van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
+&bdquo;Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
+wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
+Stem van den Wereldvorst.&rdquo;</p>
+<p>En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
+naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
+geleund stond.</p>
+<p>Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
+aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
+zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
+had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
+te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude bazuin
+zou kunnen blazen.</p>
+<p>Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
+durfde probeeren.</p>
+<p>Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd
+voorbij ging. Hij dacht er alleen aan wat d&agrave;t wel voor een
+gevoel zou zijn, alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te
+vereenigen.</p>
+<p>Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man zat
+en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een van de
+jongelingen, die aan <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106"
+name="pb106">106</a>]</span>zijn voeten zaten en zei hem, dat hij een
+bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat deze
+jongeling een vreemde was en geen Isra&euml;liet. En nu vroeg hem de
+heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen onder
+een valschen naam.</p>
+<p>Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
+geloopen had en over groote zee&euml;n gevaren was, om de ware wijsheid
+te hooren en de leer van den eenigen God.</p>
+<p>&bdquo;Mijn ziel versmachtte van verlangen,&rdquo; zei hij tot den
+heilige; &bdquo;maar ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als
+ik niet zeide, dat ik een Isra&euml;liet was. Daarom heb ik gelogen,
+opdat aan mijn verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij
+bij u blijven.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. &bdquo;Gij zult
+evenmin bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die
+groote koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
+is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden, daar
+gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
+leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
+tempel ontheiligt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de jongeling bleef staan en zeide: &bdquo;Ik wil nergens anders
+heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan uw
+voeten sterven.&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van <span class=
+"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>den
+heilige stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
+wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap zat
+daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
+&bdquo;Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin
+blazen, zoodat hij geholpen was.&rdquo;</p>
+<p>Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik
+wenschte hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die
+dat vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
+daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.</p>
+<p>En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of
+hij haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
+ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
+klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote
+tempelruim.</p>
+<p>Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een
+kleine jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de
+klanken aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.</p>
+<p>Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
+vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
+&bdquo;Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt!
+God heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
+ge wordt ingewijd in Zijn dienst.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p>
+<p>Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
+op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit en
+zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: &bdquo;Wij hebben onzen
+zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren was
+meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u op weg
+ook voorbij een alleenloopend kind gereden?&rdquo;</p>
+<p>Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij
+een heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid.&rdquo;</p>
+<p>Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
+hadden geen tijd om te luisteren.</p>
+<p>Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
+en vroegen het hun.</p>
+<p>Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
+heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en dat
+geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
+staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden geen
+tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.</p>
+<p>Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
+vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.</p>
+<p>Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: &bdquo;Nu we <span class=
+"pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>toch
+hier zijn, laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een
+kind is, waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is
+gekomen.&rdquo;</p>
+<p>Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.</p>
+<p>&bdquo;Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen
+zitten; daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet.
+Zij vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over hem.
+Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om een
+glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn lippen
+heeft gebracht.&rdquo;</p>
+<p>De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
+dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.</p>
+<p>Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.</p>
+<p>En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
+schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op en
+kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen zich
+in en gingen met hem uit den tempel.</p>
+<p>Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
+&bdquo;Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem
+hoorde?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou ik niet schreien?&rdquo; zei de moeder; &bdquo;ik meende
+dat je voor mij verloren waart.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p>
+<p>Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
+de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Waarom schreit ge?&rdquo; vroeg het kind; &bdquo;ik wist niet
+dat de dag voorbij was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam
+bij u, zoodra ik uw stem hoorde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou ik niet schreien?&rdquo; zei de moeder; &bdquo;ik heb je
+den heelen dag gezocht; ik meende dat je voor mij verloren
+waart.&rdquo;</p>
+<p>Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
+het aanbreken van den dag zei het kind: &bdquo;Waarom schreit ge? ik
+heb niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten
+doen, omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw
+stem hoorde, kwam ik weer bij u terug.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn zoon,&rdquo; antwoordde de moeder, &bdquo;ik schrei,
+omdat ge toch voor mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer
+toebehooren. Van nu af aan zal uw geheele streven zijn:
+rechtvaardigheid, en uw verlangen zal uitgaan naar het Paradijs en uw
+liefde zal alle arme menschen omvatten, die de aarde bevolken.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name=
+"pb111">111</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb113" href=
+"#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e209">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Zweetdoek van de Heilige Veronica.</h2>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In een van de laatste jaren van de regeering van
+keizer Tiberius gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn
+vrouw zich neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen.
+Zij waren vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit
+van iemand bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider
+zijn deur opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw,
+ineengedoken op den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen
+mantel gewikkeld en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar
+niettegenstaande dat, kwam ze hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze
+opstond en hem te gemoet ging, dat hij onwillekeurig denken moest aan
+wat de sagen vertellen van godinnen, die in de gedaante van een oude
+vrouw de menschen bezocht hadden.</p>
+<p>&bdquo;Mijn vriend,&rdquo; zei de oude tegen den arbeider, &bdquo;ge
+moet u er niet over verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen
+heb. Mijn ouders hebben in deze <span class="pagenum">[<a id="pb114"
+href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>hut gewoond en hier werd ik
+voor bijna negentig jaar geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten
+te vinden. Ik wist niet, dat menschen haar opnieuw in bezit genomen
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo
+hoog in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan,&rdquo; zei
+de arbeider; &bdquo;maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en
+wij arme vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u,
+die hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw
+hoogen ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door
+menschen bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu
+vindt ge toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel
+geitenmelk en een stuk brood, als ge dat voor lief wilt
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
+de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar gezicht
+rustte.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen
+doorgebracht,&rdquo; zei ze; &bdquo;ik ben de kunst nog niet vergeten
+een wolf uit zijn hol te verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
+niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom, nog
+kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.</p>
+<p>Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
+kamer binnen. <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
+"pb115">115</a>]</span></p>
+<p>Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
+deel zonder aarzelen.</p>
+<p>Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
+geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: &bdquo;Waar kan toch die
+oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
+zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
+aarden schotels.&rdquo;</p>
+<p>Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof
+ze trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
+haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
+veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
+nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
+daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
+plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
+vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.</p>
+<p>Maar de man en de vrouw dachten: &bdquo;Het zal zeker wel waar zijn,
+dat zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
+leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas
+maken.&rdquo;</p>
+<p>Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten, en
+dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.</p>
+<p>Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
+de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p>
+<p>Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
+eenzaam en arm was, dat hij uitriep: &bdquo;Als ik mij niet vergis, was
+het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
+hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal het
+wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die ge nog
+te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en ik de hut
+reeds in bezit genomen hebben.&rdquo;</p>
+<p>De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. &bdquo;Maar deze
+hut, die zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als
+van mij,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik heb geen recht u daaruit te
+verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar het is toch de hut van uw ouders,&rdquo; zei de
+arbeider; &bdquo;en ge hebt er zeker meer recht op dan ik. Bovendien
+zijn wij jong en gij zijt oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen
+heengaan.&rdquo;</p>
+<p>Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij
+wendde zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet
+begrepen had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de
+jonge vrouw in &rsquo;t gesprek:</p>
+<p>&bdquo;Als ik mocht doen wat ik wilde,&rdquo; zei ze tegen den man,
+&bdquo;zou ik die oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar
+kinderen beschouwen wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op
+te passen. Wat zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut
+gaven en haar dan verlieten? Het zou vreeselijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>voor
+haar zijn alleen hier in de wildernis te wonen en waar zou ze van
+leven? Het zou hetzelfde zijn als haar dood te laten
+hongeren.&rdquo;</p>
+<p>Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
+onderzoekend aan.</p>
+<p>&bdquo;Waarom spreekt ge zoo,&rdquo; vroeg ze; &bdquo;waarom bewijst
+ge mij barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de jonge vrouw: &bdquo;Dat doen wij, omdat we
+eenmaal zelf groote barmhartigheid ondervonden hebben.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den
+arbeider en zij sloot groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch
+zei ze hun nooit van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij
+begrepen, dat ze het niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het
+haar gevraagd hadden.</p>
+<p>Maar op een avond, toen &rsquo;t werk gedaan was en ze alle drie op
+den grooten platten steen voor de deur zaten en &rsquo;t avondmaal
+gebruikten, zagen zij een oud man het pad opkomen.</p>
+<p>&rsquo;t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed
+als die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
+uitdrukking. &rsquo;t Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende
+oogen, en de lijnen om <span class="pagenum">[<a id="pb118" href=
+"#pb118" name="pb118">118</a>]</span>den mond spraken van bitterheid en
+verachting. Zijn houding was fier en zijn bewegingen waren snel.</p>
+<p>De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
+zag: &bdquo;Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst
+ontslagen is en nu op weg naar huis is.&rdquo;</p>
+<p>Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
+staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
+doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: &bdquo;Zijt ge
+verdwaald, vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de
+moeite hierheen te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die
+hier wonen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: &bdquo;Ja,
+&rsquo;t is zooals ge zegt,&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik ben verdwaald en
+nu weet ik niet waar ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten
+uitrusten en mij dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve
+te komen, zal ik heel dankbaar zijn.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
+hut lagen.</p>
+<p>De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
+maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd met
+hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar hun
+levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.</p>
+<p>Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
+uit te hooren: &bdquo;Ge ziet hoe <span class="pagenum">[<a id="pb119"
+href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>verlaten en eenzaam we
+wonen,&rdquo; zei hij. &bdquo;&rsquo;t Is wel een jaar geleden, dat ik
+iemand anders sprak dan herders en arbeiders in den wijngaard. Kunt
+gij, die van een of ander leger komt, ons niet wat vertellen van Rome
+en van den keizer?&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
+de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
+hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest
+zijn.</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: &bdquo;Ik
+begrijp, dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk,
+hoewel ik al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van
+Tiberius was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij
+eens een groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan
+niets anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome
+spreken alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus
+heeft laten gevangen nemen en terechtstellen,&mdash;alleen op een
+verdenking.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet,&rdquo;
+barstte de jonge vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig
+en verwonderd het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt werkelijk gelijk,&rdquo; zei de vreemde, terwijl een
+trek van diepe somberheid op zijn gezicht kwam. &bdquo;Tiberius weet,
+dat alle menschen hem haten, en dat brengt hem bijna tot
+waanzin.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120"
+name="pb120">120</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat zegt ge?&rdquo; antwoordde de vrouw. &bdquo;Waarom zouden
+we hem haten? Wij beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een
+groot keizer is als in &rsquo;t begin van zijn regeering.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge vergist u,&rdquo; zei de vreemde. &bdquo;Alle menschen
+haten en verachten Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets
+dan een wreede en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij
+van nu af aan nog erger wordt dan hij geweest is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster
+maken zal dan hij al is?&rdquo; vroeg de man.</p>
+<p>Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
+waarschuwend teeken gaf, maar z&oacute;&oacute; in &rsquo;t verborgen,
+dat hij &rsquo;t niet zien kon.</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
+glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe
+in zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
+altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
+gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
+keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals ik
+zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden waard
+waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren, was de
+oude min van den keizer: Faustina.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, ik heb van haar gehoord,&rdquo; zei de
+<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
+"pb121">121</a>]</span>arbeider. &bdquo;Men heeft mij gezegd, dat de
+keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te
+stellen. Hij heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op
+de Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld.
+Zoolang hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis
+op het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
+Rome&rsquo;s voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
+draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van een
+keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem daarheen
+vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen vol slaven
+en kostbaar huisraad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft het werkelijk goed gehad,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield.
+De jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de
+oude vrouw gebeurde. Reeds van &rsquo;t oogenblik, dat de vreemde
+gekomen was, had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en
+vriendelijk uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven
+en zat daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde
+recht voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.</p>
+<p>&bdquo;Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig
+leven zou hebben,&rdquo; zei de vreemdeling, &bdquo;maar
+niettegenstaande al zijn weldaden is zij hem nu ook ontrouw
+geworden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122"
+name="pb122">122</a>]</span></p>
+<p>De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw
+legde troostend de hand op haar arm.</p>
+<p>Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. &bdquo;Ik
+kan toch niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is
+aan &rsquo;t hof, als ge zegt,&rdquo; zeide ze, zich tot den vreemde
+wendend. &bdquo;Ik ben er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad,
+alsof hij haar eigen zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op
+zijn edele jeugd was, en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het
+voor haar geweest is, dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed
+geworden is. Ze heeft hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd.
+&rsquo;t Moet vreeslijk voor haar geweest zijn, dat dit alles
+vergeefsch was. Eindelijk heeft zij &rsquo;t niet kunnen uithouden hem
+al dieper en dieper te zien zinken.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij &rsquo;t hooren
+van deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield
+de oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.</p>
+<p>&bdquo;Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw
+zegt,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Faustina is werkelijk niet gelukkig
+geweest aan &rsquo;t hof. Maar &rsquo;t is toch vreemd, dat zij den
+keizer in haar hoogen ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij
+hem had uitgehouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;W&agrave;t zegt ge daar?&rdquo; zei de man. &bdquo;Heeft de
+oude Faustina den keizer verlaten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist,&rdquo;
+zei de vreemde. &bdquo;Ze is even arm teruggegaan <span class=
+"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>als
+ze gekomen is. Ze heeft niet &eacute;&eacute;n van haar schatten
+me&ecirc;genomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan
+is?&rdquo; vroeg de jonge vrouw met haar zachte stem.</p>
+<p>&bdquo;Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men
+houdt het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van
+haar vaderland genomen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?&rdquo;
+vroeg de jonge vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat
+ze hem verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem
+diende om loon en geschenken&mdash;zij zoo goed als de anderen. Ze weet
+toch wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft.
+Hij heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
+want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ken haar niet,&rdquo; zei de jonge vrouw, &bdquo;maar ik
+geloof toch, dat ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De
+oude vrouw is opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en
+zij heeft altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker
+nooit den keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar
+ik begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende
+recht te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit
+de bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht
+<span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name=
+"pb124">124</a>]</span>hebben, dat ik genoeg gedaan had als ik mijn
+heer een leven lang gediend had. Ik zou eindelijk weggegaan zijn van
+een weelderig leven en keizersgunst om mijn ziel te doen genieten van
+eer en rechtvaardigheid, voor zij van mij heenging op de lange
+reis.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. &bdquo;Ge denkt
+er niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
+ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
+als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
+in,&rdquo; ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de
+oogen van de jonge vrouw, &bdquo;in de heele wereld is er nu niemand
+meer, die hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
+oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
+zag hem vast in de oogen en antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
+wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
+geen zonde en schande behoeven te zien.&rdquo;</p>
+<p>Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
+vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.</p>
+<p>De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan.
+&bdquo;Is dat ook uw laatste woord?&rdquo; scheen hij te willen zeggen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name=
+"pb125">125</a>]</span></p>
+<p>De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel
+steken.</p>
+<p>&bdquo;Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet
+hij haar de rust gunnen in haar laatste dagen,&rdquo; zei de jonge
+vrouw.</p>
+<p>De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
+op. &bdquo;Mijn vrienden,&rdquo; zei hij, &bdquo;wat men ook zeggen mag
+van Tiberius, er is toch &eacute;&eacute;n ding, dat hij beter geleerd
+heeft dan anderen&mdash;en dat is ontberen. Ik heb nog maar
+&eacute;&eacute;n ding te zeggen: als die oude vrouw, waar we over
+spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan vriendelijk. De
+gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat.&rdquo;</p>
+<p>Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
+waar langs hij gekomen was.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit
+meer met de oude vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij
+er zich over, dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al
+dien rijkdom en macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. &bdquo;Zou
+ze niet gauw weer naar Tiberius teruggaan?&rdquo; vroegen zij elkander
+af. &bdquo;Zij heeft hem zeker nog lief. &rsquo;t Is in de hoop, dat
+dit hem tot bezinning zal brengen en hem er toe brengen zich te
+bekeeren van zijn slechte handelwijze, dat ze hem verlaten
+heeft.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
+"pb126">126</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zoo&rsquo;n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw
+leven te beginnen,&rdquo; zei de arbeider. &bdquo;Hoe wil je zijn
+groote verachting voor de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem
+kunnen komen en hem leeren ze lief te hebben? V&oacute;&oacute;r dit
+gebeurd is, kan hij niet van zijn wantrouwen en wreedheid genezen
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen,&rdquo;
+zei de vrouw. &bdquo;Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die
+twee elkaar ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen
+niet.&rdquo;</p>
+<p>De oude vrouw scheen haar vorig leven in &rsquo;t geheel niet te
+missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
+oude dien mocht verzorgen, was ze z&oacute;&oacute; vergenoegd, dat het
+scheen, of ze al haar verdriet vergat.</p>
+<p>Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
+ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar het
+Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de eene
+zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.</p>
+<p>Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
+altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
+stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
+aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
+gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen voor
+offerdieren. <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span></p>
+<p>De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
+tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
+Tiberius wilden bidden.</p>
+<p>Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
+van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
+dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
+altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
+er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.</p>
+<p>Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
+vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem wel
+ging.</p>
+<p>Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
+verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
+verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
+aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
+blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
+heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld, dat
+daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.</p>
+<p>De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
+&bdquo;Wat moet dat beteekenen?&rdquo; zei ze. &bdquo;Is Tiberius dood?
+Hebben wij een and&rsquo;ren keizer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde de Romein, &bdquo;Tiberius is nog
+keizer. Maar wij hebben opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden
+baten hem niet meer.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb128" href=
+"#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; zei de oude, &bdquo;ik woon ver weg in de
+bergen, waar men niets hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge
+me niet zeggen welk ongeluk den keizer getroffen heeft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het vreeselijkste van alle,&rdquo; zei de man. &bdquo;Hij is
+aangetast door een ziekte, die vroeger niet in Itali&euml; bekend
+geweest is, maar die schijnt voor te komen in &rsquo;t oosten. Sinds
+die ellende over den keizer kwam, is zijn aangezicht veranderd, zijn
+stem is als die van een knorrend dier geworden en zijn teenen en
+vingers teren weg. En voor die ziekte schijnt geen geneesmiddel te
+bestaan. Men gelooft, dat hij binnen eenige weken zal sterven, maar als
+hij niet sterft moet men hem afzetten, want zoo&rsquo;n ziek, ellendig
+mensch kan niet regeeren. Ge begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is.
+Het baat niet de godin om geluk voor hem aan te roepen. En &rsquo;t is
+ook de moeite niet waard,&rdquo; voegde hij er bij met een glimlach,
+&bdquo;niemand heeft nu meer iets van hem te hopen en te vreezen.
+Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?&rdquo;</p>
+<p>Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd
+staan.</p>
+<p>Voor &rsquo;t eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als
+iemand, die door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug
+en trillend hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de
+lucht.</p>
+<p>Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de
+voeten langzaam en bewoog zich wankelend <span class="pagenum">[<a id=
+"pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>voort. Ze zag om naar
+iets wat ze als staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte
+het haar toch met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te
+overwinnen. Ze richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de
+dicht bevolkte straten te gaan.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een week later ging de <span class="corr" id=
+"xd21e1640" title="Bron: oud">oude</span> Faustina de steile helling
+van het eiland Capri op. &rsquo;t Was een warme dag en het vreeslijk
+gevoel van ouderdom en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich
+langs de slingerende wegen naar boven werkte op de in de rots
+uitgehouwen trappen, die naar de villa van Tiberius leidden.</p>
+<p>Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was
+in den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
+altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
+vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige
+Lybi&euml;rs, van gezanten uit de provincie&mdash;die in lange
+optochten vergezeld van slaven aankwamen&mdash;van sollicitanten, van
+aanzienlijke mannen, die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de
+feesten van den keizer.</p>
+<p>Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
+grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
+vrouw op haar weg ontdekte. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href=
+"#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
+<p>Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
+ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, en
+toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
+gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, en
+domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een paar
+plaatsen de balustraden afgebroken.</p>
+<p>Maar &rsquo;t allerzonderlingste vond ze toch die volkomen
+afwezigheid van menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden
+zich op het eiland te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die
+eindelooze scharen van krijgslieden en slaven, van danseressen en
+muzikanten, van koks en tafelbedienden, van paleiswachters en
+tuinarbeiders, die tot &rsquo;s keizers huishouding hoorden. Eerst toen
+Faustina het bovenste terras bereikt had, kreeg ze een paar oude slaven
+in &rsquo;t oog, die op de stoep voor de villa zaten. Toen ze hen
+naderde, stonden ze op en bogen voor haar.</p>
+<p>&bdquo;Wees gegroet, Faustina!&rdquo; zei de een. &bdquo;Het is een
+god, die u zendt om ons ongeluk te verzachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat toch, Milo,&rdquo; vroeg Faustina, &bdquo;waarom
+is &rsquo;t hier zoo eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius
+nog op Capri woont.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest,
+dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor
+de ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
+<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
+"pb131">131</a>]</span>als wij niet hadden geweigerd hem te
+gehoorzamen. En ge weet, dat wij den keizer en zijn moeder ons heele
+leven gediend hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vraag niet alleen naar slaven,&rdquo; antwoordde Faustina,
+&bdquo;waar zijn de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden
+van den keizer, en al de kwispelstaartende gelukzoekers?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen,&rdquo;
+zei de slaaf; &bdquo;de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de
+lijfwacht, komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders
+mag hem naderen.&rdquo;</p>
+<p>Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De
+slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: &bdquo;Wat
+zeggen de geneesheeren van de ziekte van Tiberius?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet
+eens of zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen,
+Faustina, dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle
+voedsel weigert, uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat
+een zieke het niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de
+keizer doet, uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u
+vertrouwen wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien
+gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge
+zijn leven vele dagen verlengen.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen
+naar een terras, waar Tiberius zich <span class="pagenum">[<a id=
+"pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>gewoonlijk ophield om
+het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen
+Vesuvius. Toen Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig
+wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en
+voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken
+hier en daar half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien
+mensch waren stoffig en vuil.</p>
+<p>Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
+op het terras had moeten kruipen.</p>
+<p>Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
+toen de slaaf en Faustina aankwamen.</p>
+<p>Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe:
+&bdquo;Maar Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den
+keizer zelf komen? Breng hem gauw weg.&rdquo;</p>
+<p>Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
+aarde boog voor den ellendige, die daar lag.</p>
+<p>&bdquo;Caesar Tiberius,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik heb u eindelijk
+een blijde boodschap te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
+hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.</p>
+<p>Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had
+uitgezien, dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog
+zou worden als die van een <span class="corr" id="xd21e1687" title=
+"Bron: sybille">sibylle</span>. In dat oogenblik was ze ineen gezonken
+als <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name=
+"pb133">133</a>]</span>in machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor
+zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen. Want
+wel had Faustina gehoord, dat de keizer vreeselijk veranderd moest
+wezen, maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te
+stellen als den sterken, krachtigen man, dien zij het laatst gezien
+had. Zij had ook iemand hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte
+en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen.</p>
+<p>Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
+naast hem te schreien.</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge nu gekomen, Faustina?&rdquo; zei hij toen zonder de
+oogen te openen. &bdquo;Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij
+stondt en om mij schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar
+een dwaling is.&rdquo;</p>
+<p>Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
+legde het in haar schoot.</p>
+<p>Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
+van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een
+gezonden slaap.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eenige weken later kwam een van de slaven van den
+keizer naar de eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den
+avond, en de arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon
+ondergaan in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam
+<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name=
+"pb134">134</a>]</span>op hen toe en groette hen. Daarop nam hij een
+zware beurs, die hij in den gordel droeg en hij legde die in de hand
+van den man.</p>
+<p>&bdquo;Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij
+barmhartigheid bewezen hebt,&rdquo; zei de slaaf; &bdquo;zij verzoekt u
+voor dit geld u een eigen wijngaard te koopen en u een huis te bouwen,
+dat niet zoo hoog op de bergen ligt als een arendsnest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?&rdquo; zei de man;
+&bdquo;we hebben haar gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet
+meer terugkwam, meende ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze
+ellendige bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Herinner je je niet,&rdquo; zei de vrouw, &bdquo;dat ik niet
+wilde gelooven, dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer
+naar den keizer teruggegaan was?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; gaf de man toe; &bdquo;dat heb je werkelijk
+gezegd, en ik ben blij, dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina
+op die manier rijk genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen,
+maar ook ter wille van den armen keizer.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
+te komen v&oacute;&oacute;r de nacht inviel. Maar dit stonden de beide
+echtgenooten niet toe.</p>
+<p>&bdquo;Ge moet bij ons blijven tot morgen,&rdquo; zeiden ze.
+&bdquo;We kunnen u niet laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat
+met Faustina gebeurd is. Waarom is zij weer naar den keizer
+teruggegaan? Hoe was hun ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij
+elkaar zijn?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135"
+name="pb135">135</a>]</span></p>
+<p>De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
+den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
+Faustina&rsquo;s terugkomst.</p>
+<p>Toen de slaaf zijn verhaal ge&euml;indigd had, zag hij den man en de
+vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
+neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet te
+verraden.</p>
+<p>Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: &bdquo;Gelooft ge
+niet, dat dit een beschikking van God is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei de vrouw, &bdquo;zeker was het hiervoor, dat
+de Heer ons over zee zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn
+bedoeling, toen Hij de oude vrouw hierheen voerde naar onze
+deur.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
+weer tot den slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; zeide hij tot hem, &bdquo;ge moet een
+boodschap voor mij naar Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor
+woord: &bdquo;Zoo groet u uw vriend, de wijngaardarbeider uit de
+Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge vrouw gezien, die mijn echtgenoote
+is. Vondt ge haar schoonheid niet lieflijk en haar gezondheid
+bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw eenmaal aan dezelfde ziekte
+geleden, die nu Tiberius heeft aangetast.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
+voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:</p>
+<p>&bdquo;Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg <span class=
+"pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span>haar
+dan, dat mijn vrouw en ik uit Palestina in Azi&euml; komen, een land,
+waar die ziekte dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de
+melaatschen worden verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame
+plaatsen moeten wonen, zich hun woning zoekend in greppels en grotten.
+Zeg Faustina, dat mijn vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en
+zoolang ze nog een kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot
+een jonge maagd, werd zij door de ziekte aangetast.&rdquo;</p>
+<p>Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
+het hoofd en sprak tot hen:</p>
+<p>&bdquo;Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers
+uw vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
+dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?&rdquo;</p>
+<p>Maar de man antwoordde: &bdquo;Het zou het beste voor haar zijn, als
+ze mij geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet
+boodschappers zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch
+bevestigen wat ik gezegd heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god,
+dat uw vrouw genezen is?&rdquo; vroeg de slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de arbeider; &bdquo;het is zooals ge
+zegt. Op een dag verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in
+de eenzaamheid leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in
+Nazareth in Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte
+genezen door alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te
+leggen.<span class="corr" id="xd21e1750" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> <span class="pagenum">[<a id="pb137"
+href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>Maar de zieken, die daar
+lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht waarheid
+was.</p>
+<p>&bdquo;Ons kan niemand genezen,&rdquo; zeiden ze; &bdquo;al sinds de
+dagen van de groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn
+ongeluk kunnen redden.&rdquo;</p>
+<p>Maar er was &eacute;&eacute;n van hen, die geloofde, en dat was een
+jonge maagd. Zij ging weg van de anderen om te trachten naar de stad
+Nazareth te komen, waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag,
+toen ze over groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en
+slank was, een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken
+lag. Zijn donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar
+eer ze elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:</p>
+<p>&bdquo;Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar
+ik den Profeet van Nazareth vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar
+stond, vroeg hij:</p>
+<p>&bdquo;Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen
+en mij van mijn ziekte genezen.&rdquo;</p>
+<p>Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij
+sprak tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij
+zijt geen profeet.&rdquo;</p>
+<p>Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:</p>
+<p>&bdquo;Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en
+vertoon u aan de priesters.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb138"
+href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span></p>
+<p>De zieke dacht: &bdquo;Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk,
+dat ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
+vraag.&rdquo; En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
+die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen hij
+zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe: &bdquo;Kom
+niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den profeet
+van Nazareth vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat verlangt ge van den profeet?&rdquo; vroeg de man en reed
+langzaam naar haar toe.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal
+en mij van mijn ziekte genezen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man reed nog nader bij.</p>
+<p>&bdquo;Van welke ziekte wilt ge genezen worden?&rdquo; vroeg hij.
+&bdquo;Gij hebt geen geneesmeester noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?&rdquo; zeide zij.
+&bdquo;Ik ben uit zieke ouders geboren in een grot.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer, als
+een pas uitgekomen bloem.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!&rdquo; barstte hij
+uit.</p>
+<p>&bdquo;Spot nu ook niet met mij,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik weet dat
+mijn trekken verwoest zijn en dat mijn stem is als het knorren van een
+wild dier.&rdquo;</p>
+<p>Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: &bdquo;Uw stem
+is helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
+de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name=
+"pb139">139</a>]</span></p>
+<p>En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
+gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
+versierde.</p>
+<p>&bdquo;Ge kunt u hier spiegelen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
+vleugel van een pas ontpopten vlinder.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; riep ze, &bdquo;dat is mijn gezicht
+niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is uw gezicht,&rdquo; zei de ruiter.</p>
+<p>&bdquo;Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof
+wagens voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zij klinkt als de schoonste melodie&euml;n van een
+citherspeler.&rdquo;</p>
+<p>Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen
+was.</p>
+<p>&bdquo;Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
+verdwijnt?&rdquo; vroeg zij den ruiter.</p>
+<p>&bdquo;Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de
+Profeet van Nazareth,&rdquo; antwoordde de man.</p>
+<p>Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
+vol tranen.</p>
+<p>&bdquo;O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!&rdquo; riep
+zij uit. &bdquo;Gij hebt mij genezen!&rdquo;</p>
+<p>En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
+op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters en
+vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig naar
+alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name=
+"pb140">140</a>]</span>woestijn uit zieke ouders geboren was, wilden
+zij niet gelooven, dat zij hersteld was. &bdquo;Ga terug vanwaar ge
+gekomen zijt,&rdquo; zeiden zij. &bdquo;Als ge ziek geweest zijt, moet
+ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier naar de stad komen
+om ons met uw ziekte te besmetten.&rdquo;</p>
+<p>Zij sprak tot hen: &bdquo;Ik weet, dat ik gezond ben, want de
+Profeet van Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd
+gelegd.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: &bdquo;Wie is hij, dat hij de
+onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
+geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
+verderf stort.&rdquo;</p>
+<p>Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar
+zich in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar
+beschermde, ook onrein zou verklaard worden.</p>
+<p>Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot
+den man, die haar op het veld gevonden had: &bdquo;Waar moet ik nu
+heengaan? Moet ik weer naar de woestijn, naar de zieken
+terug?&rdquo;</p>
+<p>Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar:
+&bdquo;Neen, gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten
+gaan, maar wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land,
+waar geen wetten voor reinen en onreinen zijn.<a id="xd21e1839" name=
+"xd21e1839"></a> En zij ...&rdquo; maar toen de arbeider zoover gekomen
+was met zijn verhaal, stond de slaaf op en viel hem in de rede.
+<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name=
+"pb141">141</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge behoeft me niets meer te zeggen,&rdquo; zei hij,
+&bdquo;sta liever op en ga met mij mee&mdash;gij, die de bergen hier
+kent, zoodat ik mijn terugtocht al vannacht beginnen kan en niet tot
+morgen behoef te wachten. De keizer en Faustina kunnen uw boodschap
+geen oogenblik te vroeg hooren.&rdquo;</p>
+<p>Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
+de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet slapen,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik moet er steeds
+aan denken, dat deze twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle
+menschen liefheeft en hij, die ze haat.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1849" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit
+haar voegen zou kunnen brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VI.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok
+door het afgelegen Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den
+profeet te zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan
+aan haar zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht:
+wat wij van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met
+geweld of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
+als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
+verkeert. En wie kan beter Tiberius&rsquo; voorspraak zijn dan iemand,
+die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf? <span class=
+"pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span></p>
+<p>De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw verjongd.
+Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden en op weg
+naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te paard. Zij
+scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden, als de
+Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar gevolg
+uitmaakten.</p>
+<p>Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
+met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
+waarover zij den eersten dag hadden gereden, was &eacute;&eacute;n
+enkel schitterend kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen
+ze in de bergen van Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de
+verschillend gevormde heuvels, waar de weg zich tusschen door
+slingerde, waren beplant met vruchtboomen, die in vollen bloei stonden.
+En toen de reizenden de witrose bloesems van abrikozen en perziken moe
+werden, konden zij hun oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof
+te zien, dat uit de zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat
+zoo snel groeide, dat men meende het te kunnen zien groeien.</p>
+<p>Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
+zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen, die
+dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en paden,
+van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de vlakte kwamen
+de reizigers. Toen zij <span class="pagenum">[<a id="pb143" href=
+"#pb143" name="pb143">143</a>]</span>den weg naar Jeruzalem bereikt
+hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
+scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
+een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
+schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot, dat
+ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om te
+loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich fier
+door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.</p>
+<p>Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
+maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
+wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich te
+beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
+gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de pas
+uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg, maar
+bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
+zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
+den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
+zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
+voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend op
+wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen, die waren
+als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p>
+<p>Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
+werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
+spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een jongen
+Romein, die naast haar reed, zeide: &bdquo;Ik droomde vannacht, dat ik
+Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen, maar
+juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. &rsquo;t Komt mij voor alsof de
+goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
+dezen mooien morgen heen te trekken.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
+bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. V&oacute;&oacute;r haar
+lag een groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de
+donkere, schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots,
+die op haar schedel Jeruzalem droeg.</p>
+<p>Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
+kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
+duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
+waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.</p>
+<p>&rsquo;t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele
+land bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
+plechtigheid. Die &rsquo;t verst woonden, waren al gekomen en hadden
+hun tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
+woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van <span class=
+"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>alle
+lichte heuvels zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van
+witte kleeren, zangen en feestvreugde.</p>
+<p>De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en
+hun lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
+haar reed:</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar, Sulpicius, &rsquo;t geheele volk moet naar
+Jeruzalem gekomen zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is werkelijk zoo,&rdquo; antwoordde de Romein, die door
+Tiberius was uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij
+verscheidene jaren in Judea gewoond had. &bdquo;Zij vieren nu het
+groote lentefeest en dan trekken alle menschen, oude en jonge, naar
+Jeruzalem.&rdquo;</p>
+<p>Faustina bedacht zich een oogenblik:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat
+het volk hoogtij viert,&rdquo; zei ze. &bdquo;Dat kan niet anders
+beteekenen dan dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge &rsquo;t
+niet voor mogelijk, dat hij, dien we zoeken&mdash;de Profeet van
+Nazareth, ook naar Jeruzalem is gekomen om aan &rsquo;t feest deel te
+nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina,&rdquo; sprak de Romein.
+&bdquo;Hij is hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een
+beschikking der goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge
+blij zijn, dat ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet
+behoeft te maken.&rdquo;</p>
+<p>Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij
+kwamen en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich
+in Jeruzalem bevond.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien,&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name=
+"pb146">146</a>]</span>antwoordde een van de wandelaars. &bdquo;Zeker
+is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij is een vroom en
+rechtvaardig man.&rdquo;</p>
+<p>Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
+oosten van de stad lag. &bdquo;Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
+begroeid?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Daar richten de Galile&euml;rs
+gewoonlijk hun tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen
+over hem, dien ge zoekt.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar
+&rsquo;t diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op
+zijn top te bereiken.</p>
+<p>De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
+zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
+barmhartigheid van de reizigers inriepen.</p>
+<p>Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
+Faustina toe: &bdquo;Zie daar,&rdquo; zei ze, op een van de bedelaars
+wijzend, die op den muur zat, &bdquo;dat is een Galile&euml;r. Ik
+herinner me, dat ik hem onder de leerlingen van den Profeet gezien heb.
+Hij kan u zeggen waar ge hem vinden zult, dien ge zoekt.&rdquo;</p>
+<p>Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen.
+&rsquo;t Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar
+grijs werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en
+zijn handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
+integendeel, hij scheen zoo verdiept in <span class="pagenum">[<a id=
+"pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>bekommering en
+gepeins, dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.</p>
+<p>Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
+vraag een paar maal herhalen.</p>
+<p>&bdquo;Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galile&euml;r zijt.
+Ik verzoek u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan
+vinden.&rdquo;</p>
+<p>De Galile&euml;r sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar
+toen hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door
+toorn en ontzetting aangegrepen. &bdquo;Wat zegt ge toch!&rdquo; stoof
+hij op. &bdquo;Waarom vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van
+hem! Ik ben geen Galile&euml;r.&rdquo;</p>
+<p>De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. &bdquo;Ik heb u
+toch in zijn gezelschap gezien,&rdquo; viel zij in. &bdquo;Wees niet
+bang, maar zeg deze voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den
+keizer is, waar ze hem &rsquo;t beste kan vinden.&rdquo;</p>
+<p>Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder.
+&bdquo;Zijn dan alle menschen waanzinnig vandaag?&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Zijn ze door een boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij
+naar dien man komen vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg,
+dat ik den Profeet niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb
+hem nooit gezien.&rdquo;</p>
+<p>Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
+hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord,&rdquo; zeiden
+zij. &bdquo;Wij weten allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen
+zijt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: &bdquo;Ik heb het
+vandaag niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat
+men mij niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij
+niet gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?&rdquo;</p>
+<p>Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. &bdquo;Laat ons
+verder gaan,&rdquo; zeide ze. &bdquo;Die man daar is immers waanzinnig.
+Van hem komen we niets te weten.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
+twee stappen van de stadspoort, toen de Isra&euml;lietische vrouw, die
+haar had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig
+te wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg
+lag, vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
+in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
+wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.</p>
+<p>De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
+uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
+dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
+bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis over
+zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde om
+gemakkelijker overreden of vertrapt te worden. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?&rdquo; vroeg
+Faustina.</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan
+te roepen: &bdquo;Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden
+en lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
+stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
+ter zijde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zondaar, die boete wil doen,&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Laat u dat niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet
+het zijn gang laten gaan.&rdquo;</p>
+<p>De man op den weg ging voort met roepen: &bdquo;Zet uw hielen op
+mijn hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun
+hoeven in mijn oogen zetten.&rdquo;</p>
+<p>Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
+zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil naast
+hem.</p>
+<p>De Isra&euml;lietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen
+helpen, drong nu weer tot haar door: &bdquo;Die man hoorde ook tot de
+leerlingen van den Profeet,&rdquo; zei ze. &bdquo;Wilt ge, dat ik hem
+naar zijn meester vraag?&rdquo;</p>
+<p>Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den
+liggende.</p>
+<p>&bdquo;Wat hebt gij, Galile&euml;rs, vandaag met uw meester
+gedaan?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Ik zie u verspreid op wegen en paden,
+maar hem zie ik nergens.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in <span class=
+"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>het
+stof van den weg lag, zich op de knie&euml;n. &bdquo;Wat is dat voor
+een boozen geest, die u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?&rdquo;
+zei hij met een stem, waarin de grootste wanhoop klonk. &bdquo;Ge ziet
+immers, dat ik mij in het stof van den weg gelegd heb om vertreden te
+worden. Is dat u nog niet genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen
+wat ik met hem gedaan heb?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt,&rdquo; zei de
+vrouw. &bdquo;Ik wil alleen weten, waar ge uw meester hebt.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
+voor de ooren. &bdquo;Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten
+sterven,&rdquo; riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat
+zich voor de poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting,
+terwijl zijn verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere
+vleugels.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen
+gekomen zijn,&rdquo; zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij
+was ontstemd door het zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een
+man, die zulke dwazen onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor
+den keizer te doen?</p>
+<p>Ook de Isra&euml;lietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
+grooten ernst tot Faustina: &bdquo;Vrouwe, draal niet met hem op te
+zoeken, dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen
+is, nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
+dat men over hem spreekt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb151"
+href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p>
+<p>Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder &rsquo;t poortgewelf
+door en kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen
+waren. &rsquo;t Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de
+stad<span class="corr" id="xd21e1970" title="Niet in bron">.</span> De
+rijdenden moesten keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten
+trachtten te vergeefs wegen te banen. De menschen bleven zich
+voortspoeden in een dichten, niet te keeren stroom.</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar,&rdquo; zei de oude vrouw tot Sulpicius, &bdquo;de
+straten van Rome zijn stille lusthoven in vergelijking met
+deze.&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
+hen wachtten.</p>
+<p>&bdquo;Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te
+loopen dan te rijden,&rdquo; zei hij. &bdquo;Als gij niet al te moe
+zijt, zou ik u willen raden te voet naar het paleis van den landvoogd
+te gaan. Dat ligt wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar
+zeker niet voor na middernacht.&rdquo;</p>
+<p>Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
+en gaf dit over aan een der slaven.</p>
+<p>Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de
+stad.</p>
+<p>Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
+hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
+breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.</p>
+<p>&bdquo;Zie daar, Faustina,&rdquo; zeide hij, &bdquo;als wij daar
+maar <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
+"pb152">152</a>]</span>komen kunnen, dan zijn we waar we wezen moeten.
+Die straat loopt recht op onze herberg aan.&rdquo;</p>
+<p>Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
+eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de straat
+bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort der
+Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een gevangene,
+die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.</p>
+<p>Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die de
+terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat over,
+strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
+onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat niet
+alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in zijden
+kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen van de
+stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,&mdash;vele met
+beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee, onder
+kreten, die de ooren verscheurden.</p>
+<p>&bdquo;O God,&rdquo; riepen ze. &bdquo;Red hem! Zend Uw engel om hem
+te redden! Zend toch een helper in den uitersten nood!&rdquo;</p>
+<p>Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden.
+Zij waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
+om hem te bevrijden.</p>
+<p>Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span>die
+den man, die gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot,
+zwaar houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak
+voor dezen last. Die drukte hem z&oacute;&oacute;, dat zijn lichaam
+geheel tot op den grond gebogen werd. Hij hield het hoofd
+z&oacute;&oacute; diep voorover, dat niemand zijn gezicht kon zien.</p>
+<p>Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
+zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op, dat
+hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn hoofd
+gedrukt was.</p>
+<p>&bdquo;Wie is die man?&rdquo; vroeg zij.</p>
+<p>Een van de omstanders antwoordde: &bdquo;Dat is een, die zich keizer
+maken wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard
+is,&rdquo; zei de oude vrouw weemoedig.</p>
+<p>De veroordeelde bezweek onder &rsquo;t kruis, hij liep al langzamer.
+De beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
+daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij dat
+deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.</p>
+<p>Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden moeite
+het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een paar
+vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene te
+helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te dwingen
+tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk vatten een
+paar van hem dat aan om het op te lichten. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
+zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn voorhoofd,
+dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar bloeddruppels.
+Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet en bloed. Hij
+hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen trilden,
+alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende oogen waren
+vol tranen en bijna dof,&mdash;gekweld en uitgeput als hij was.</p>
+<p>Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
+in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
+majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen door
+smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
+vreemden man.</p>
+<p>&bdquo;O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?&rdquo; barstte zij uit
+en ging hem een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen
+schoten. Ze vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van
+dezen gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van
+medelijden zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem
+toeloopen, om hem aan zijn beulen te ontrukken.</p>
+<p>De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
+alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen, die
+hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knie&euml;n, hij drukte
+zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.
+<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name=
+"pb155">155</a>]</span></p>
+<p>De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
+haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
+haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
+hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
+zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
+de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren de
+beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
+gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
+hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
+hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
+bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
+haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
+had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en zij
+riep uit: &bdquo;Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
+sterven, hij kan niet sterven!&rdquo;</p>
+<p>Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
+werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit hun
+handen rukken.</p>
+<p>Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
+en een onmacht overvallen.</p>
+<p>Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
+te houden.</p>
+<p>Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje <span class=
+"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>en
+hij droeg haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was
+een barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de
+oude een bed op den steenen vloer.</p>
+<p>Zij was niet bewusteloos, maar z&oacute;&oacute; sterk was de
+duizeling, die haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden,
+maar moest gaan liggen.</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang
+in de stad zijn te veel voor haar geweest,&rdquo; zei Sulpicius tegen
+den koopman. &bdquo;Zij is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat
+hij door den ouderdom niet overwonnen wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn,&rdquo;
+zei de koopman. &bdquo;De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het
+zou mij niet verbazen als we een hevig onweer kregen.&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep
+met rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
+van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
+terwijl hij op haar ontwaken wachtte.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VII.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge
+vrouw en zij had den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen
+droomen.</p>
+<p>Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>en
+neerzag op de mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche
+zeden met marmer geplaveid was en met edele gewassen beplant.</p>
+<p>Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
+gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
+lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
+aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
+op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en pijn.
+En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele van de
+voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.</p>
+<p>Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
+staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.</p>
+<p>Toen antwoordden zij hem en zeiden: &bdquo;Wij zoeken den grooten
+Profeet, dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van
+Nazareth? Hij, die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons
+verlossen kan van al ons lijden?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
+paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
+afwijzen: &bdquo;Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken.
+Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;</p>
+<p>Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en
+tandenknarsen op, dat zij het niet aanhooren <span class=
+"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>kon.
+Haar hart werd verscheurd door medelijden en de tranen stroomden haar
+uit de oogen. Maar doordat ze was beginnen te schreien, was ze wakker
+geworden.</p>
+<p>Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak
+van haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
+als een markt was.</p>
+<p>En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
+zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
+naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
+die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
+meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
+meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
+over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
+zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
+weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond
+spraken.</p>
+<p>Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die
+het dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen.
+Eindelijk werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg
+hun: &bdquo;Wat verlangt ge?&rdquo;</p>
+<p>Toen begonnen allen te roepen en zeiden:</p>
+<p>&bdquo;Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God
+gezonden is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
+"pb159">159</a>]</span></p>
+<p>Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon
+van de wereld: &bdquo;Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet
+zoekt, Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;</p>
+<p>Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
+als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen zij
+zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot, en toen
+zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te wringen en
+te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.</p>
+<p>Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
+het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op de
+cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
+bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.</p>
+<p>Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: &bdquo;Ga naar de
+balustrade, die het dak omgeeft en zie neer op de
+binnenplaats.&rdquo;</p>
+<p>Maar in den droom weigerde zij, en zeide: &bdquo;Ik wil niets meer
+zien van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen.&rdquo;</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
+en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
+sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
+de balustrade en keken naar beneden.</p>
+<p>En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
+neer op de binnenplaats. <span class="pagenum">[<a id="pb160" href=
+"#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p>
+<p>Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
+gevangenen van de wereld.</p>
+<p>Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
+met zware ijzeren ketenen.</p>
+<p>Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
+aansleepen met hun mokers.</p>
+<p>En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
+roeiriemen van ijzer gesmeed.</p>
+<p>En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
+hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.</p>
+<p>Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
+en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven, die
+moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
+geeselslagen.</p>
+<p>Al die ongelukkigen riepen uit &eacute;&eacute;n mond en zeiden:
+&bdquo;Doe open! doe open!&rdquo;</p>
+<p>Toen trad de slaaf, die den ingang <span class="corr" id="xd21e2111"
+title="Bron: bewaakten">bewaakte</span>, naar buiten en hij vroeg hun:
+&bdquo;Wat is het dat gij verlangt?&rdquo;</p>
+<p>En dezen antwoordden als de anderen:</p>
+<p>&bdquo;Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde
+gekomen is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun
+geluk.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht<span class="corr"
+id="xd21e2120" title="Bron: .">:</span></p>
+<p>&bdquo;Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem
+gedood.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name=
+"pb161">161</a>]</span></p>
+<p>Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
+ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
+voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend van
+schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.</p>
+<p>Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
+in zichzelf: &bdquo;Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
+nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
+te zien.&rdquo;</p>
+<p>Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
+haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
+was ingeslapen.</p>
+<p>Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
+zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.</p>
+<p>Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: &bdquo;Ga naar de
+balustrade, die &rsquo;t dak omgeeft en zie, wie <span class="corr" id=
+"xd21e2137" title="Bron: het het">het</span> zijn, die op de plaats
+staan te wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: &bdquo;Ik heb vannacht
+zooveel ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven
+waar ik ben.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
+buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op het
+hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.</p>
+<p>Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>te
+werpen en weer zag zij, dat de plaats vol menschen was.</p>
+<p>En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
+waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen en
+met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele plaats
+er door overstroomd werd.</p>
+<p>En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun
+geliefden op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen,
+die hun verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar
+geliefden riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.</p>
+<p>Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de
+poortwachter kwam zooals te voren en opende de deur.</p>
+<p>En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren:
+&bdquo;Wat zoekt gij in dit huis?&rdquo; En zij antwoordden: &bdquo;Wij
+zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden
+zal en vrede op aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een
+zeis zal maken en het zwaard tot een wijngaardmes.&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de slaaf: &bdquo;Laat nu niet meer menschen mij
+komen plagen, ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: &bdquo;De groote
+Profeet is hier niet. Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;<span class=
+"corr" id="xd21e2159" title="Niet in bron">&rdquo;</span> Daarop sloot
+hij de poort. Maar zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu
+komen zou. &bdquo;Ik wil het niet meer hooren,&rdquo; zei ze en snelde
+weg van de balustrade. Op &rsquo;tzelfde oogenblik werd zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name=
+"pb163">163</a>]</span>wakker en toen merkte ze, dat zij in haar schrik
+uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.</p>
+<p>Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
+weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had en
+was beginnen te droomen.</p>
+<p>Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
+en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.</p>
+<p>En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: &bdquo;Ga naar de
+menschen zien, die op uw binnenplaats wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij dacht: &bdquo;Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht
+ongelukkigen genoeg gezien.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort
+en haar man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn
+huis verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het
+hek gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.</p>
+<p>&bdquo;Kent gij dien man niet?&rdquo; vroeg hij en wees naar
+beneden.</p>
+<p>Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
+vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen te
+ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger was
+aangekomen.</p>
+<p>Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met
+breede schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p>
+<p>De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
+man toe: &bdquo;Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is.
+Het kan niemand anders zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen hem ook te herkennen,&rdquo; zei haar man en legde
+dadelijk den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten
+zijn en luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.</p>
+<p>Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
+&bdquo;Wien zoekt gij?&rdquo;</p>
+<p>En de reiziger antwoordde: &bdquo;Ik zoek den grooten Profeet van
+Nazareth, die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer
+Tiberius roept hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke
+ziekte, die geen ander geneesmeester wegnemen kan.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
+&bdquo;Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld
+worden.&rdquo;</p>
+<p>Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de
+plaats wachtten en gaf hun een bevel.</p>
+<p>Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
+versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
+sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
+slaaf, die de poort bewaakte en zeide: &bdquo;Dit alles zal &rsquo;t
+zijne zijn, als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der
+aarde rijkdom geven.&rdquo;</p>
+<p>Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
+"pb165">165</a>]</span>voren en zeide: &bdquo;Heer, wees niet vertoornd
+op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet worden vervuld.&rdquo;</p>
+<p>Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen
+kwamen haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk
+van juweelen glinsterde.</p>
+<p>En de keizer sprak tot den slaaf: &bdquo;Zie hier. Wat ik hem
+aanbied is de macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de
+hoogste rechter, als hij mij maar volgt en Tiberius geneest.&rdquo;</p>
+<p>Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: &bdquo;Heer,
+het staat niet in mijn macht u te helpen.&rdquo;</p>
+<p>Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
+een gouden hoofdring en een purperen mantel.</p>
+<p>&bdquo;Zie,&rdquo; sprak hij, &bdquo;dit is de wil des keizers. Hij
+belooft hem te benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de
+wereld te geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen
+volgens den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand
+uitsteekt en Tiberius geneest.&rdquo;</p>
+<p>Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
+jammerend:</p>
+<p>&bdquo;Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij
+zoekt, is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VIII.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder
+dag en haar slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met
+aankleeden. Zij was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk
+vroeg zij de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde
+toen, dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.</p>
+<p>&bdquo;Ik had hem graag willen spreken,&rdquo; zei de jonge
+vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Meesteres,&rdquo; zei de slavin, &bdquo;dat gaat moeilijk nu
+midden onder het rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het
+afgeloopen is.&rdquo;</p>
+<p>Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg
+ze: &bdquo;Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit
+Nazareth?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch
+wonderdoener,&rdquo; antwoordde dadelijk een der slavinnen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem
+vraagt,&rdquo; zei een andere slavin. &bdquo;Hij is het juist, dien de
+Joden hier naar het paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te
+laten verhooren.&rdquo;</p>
+<p>Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
+aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.</p>
+<p>Toen zij terugkwam zei ze: &bdquo;Ze klagen hem aan, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name=
+"pb167">167</a>]</span>omdat hij zich tot koning over dit land maken
+wil en zij roepen, dat de landvoogd hem moet laten
+kruisigen.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
+verschrikt en zeide: &bdquo;Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt
+hier vandaag een ontzettend ongeluk.&rdquo;</p>
+<p>Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
+begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen, zoodat
+ze zei:</p>
+<p>&bdquo;Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den
+landvoogd, zal ik trachten hem die te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
+wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.</p>
+<p>Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
+hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar de
+gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had Pilatus
+een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in Jeruzalem
+waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge leeraar in de
+welsprekendheid en nog een paar anderen.</p>
+<p>Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
+zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.</p>
+<p>Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
+landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
+had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
+<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name=
+"pb168">168</a>]</span>landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten
+leiden door de droomen van een vrouw.</p>
+<p>Zij antwoordde stil en bedroefd: &bdquo;Voorwaar, dit was geen
+droom, maar een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt
+tenminste den man dezen eenen dag nog in &rsquo;t leven moeten
+laten.&rdquo;</p>
+<p>Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
+troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
+onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.</p>
+<p>Maar na een poos hief een van hen &rsquo;t hoofd op en zei:
+&bdquo;Wat is dat? Hebben we z&oacute;&oacute; lang aan tafel gezeten,
+dat de dag al voorbij is?&rdquo;</p>
+<p>Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde.
+&rsquo;t Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel,
+dat over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
+alles eentonig grijs scheen.</p>
+<p>Evenals al &rsquo;t andere verloren ook hun eigen aangezichten hun
+kleur.</p>
+<p>&bdquo;Wij zien er uit als dooden&rdquo;, zei de jonge redenaar met
+een rilling. &bdquo;Onze wangen zijn grauw en onze lippen
+zwart.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
+vrouw toe.</p>
+<p>&bdquo;Ach, liefste!&rdquo; riep ze eindelijk uit, &bdquo;ziet ge nu
+nog niet in, dat de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn
+vertoornd, omdat ge een heilig en onschuldig man <span class=
+"pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>ter
+dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat, al is hij nu misschien al aan
+&rsquo;t kruis geslagen, hij nog niet gestorven is. Laat hem afnemen
+van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden verbinden. Sta
+alleen toe, dat hij in &rsquo;t leven teruggeroepen wordt.&rdquo;</p>
+<p>Maar Pilatus antwoordde lachend: &bdquo;Zeker hebt gij gelijk, dat
+dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans niet
+verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
+veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
+verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang nog
+de oude Tiberius...&rdquo;</p>
+<p>Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was z&oacute;&oacute;
+diep geworden, dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien
+staan. Hij hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te
+brengen.</p>
+<p>Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
+zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
+onmogelijk ontgaan.</p>
+<p>&bdquo;Zie nu eens,&rdquo; zei hij tot zijn vrouw. &bdquo;Nu
+komt&rsquo; t mij voor, dat het u gelukt is ons genoegen te bederven
+met uw droomen. Maar als ge nu eenmaal aan niets anders denken kunt,
+laat ons dan liever hooren, wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij
+zullen beproeven de bedoeling te begrijpen.&rdquo;</p>
+<p>Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij &rsquo;t
+eene visioen na het andere vertelde, werden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span>haar
+gasten al ernstiger. Zij lieten hun bekers onaangeroerd staan en er
+kwamen rimpels in hun voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles
+onzin noemde, was de landvoogd zelf.</p>
+<p>Toen &rsquo;t verhaal uit was, zei de jonge redenaar:
+&bdquo;Voorwaar, dat is meer dan een droom, want ik heb vandaag niet
+den keizer, maar zijn oude vriendin Faustina de stad zien
+binnentrekken. Het verwondert mij alleen, dat zij zich nog niet heeft
+vertoond in &rsquo;t paleis van den landvoogd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een
+vreeselijke ziekte is aangetast,&rdquo; merkte de aanvoerder op.
+&bdquo;&rsquo;t Komt ook mij mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw
+een waarschuwing is, door de goden gezonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is in &rsquo;t geheel niet ongelooflijk, dat
+Tiberius iemand tot den Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed
+te roepen,&rdquo; stemde de jonge redenaar toe.</p>
+<p>De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
+&bdquo;Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen
+wonderdoener bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen,
+dat hij hem in &rsquo;t leven vindt.&rdquo;</p>
+<p>Pilatus antwoordde half boos: &bdquo;Is &rsquo;t die duisternis, die
+u allen tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen
+droomuitleggers en profeten geworden waart.&rdquo;</p>
+<p>Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: &bdquo;&rsquo;t Zou
+misschien niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge
+een ijlbode zondt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb171" href=
+"#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken,&rdquo;
+antwoordde de landvoogd. &bdquo;Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht
+en orde hier in &rsquo;t land, als men hoorde, dat de landvoogd een
+misdadiger genade schonk, omdat zijn vrouw een akeligen droom had
+gehad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in
+Jeruzalem gezien heb,&rdquo; zei de jonge redenaar.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer
+verdedigen,&rdquo; zei Pilatus. &bdquo;Hij zal wel begrijpen, dat deze
+dweper, die zich, zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet
+mishandelen, hem niet had kunnen helpen.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde
+het huis als door een geweldigen rollenden donderslag, en een
+aardbeving deed het veld schudden. &rsquo;t Paleis van den landvoogd
+bleef onbeschadigd staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving
+duurde, hoorde men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van
+instortende huizen en vallende pilaren.</p>
+<p>Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd een
+slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de
+Profeet van Nazareth van het kruis genomen moet worden.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal
+naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de
+aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen
+wachtten op de terugkomst van den slaaf. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p>
+<p>Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.</p>
+<p>&bdquo;Vondt ge hem nog in leven?&rdquo; vroeg deze.</p>
+<p>&bdquo;Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den
+geest gaf, kwam de aardbeving.&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de
+buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er een
+nieuwe aardbeving gekomen was.</p>
+<p>Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: &bdquo;Het is de oude
+Faustina en Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen
+om u te vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te
+zoeken.&rdquo;</p>
+<p>Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen
+werden gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden
+zich van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het
+ongeluk gekomen is.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IX.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had
+den keizer opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak,
+durfde zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op
+de vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: &bdquo;Als er
+barmhartigheid bij de goden geweest was, zouden zij me hebben laten
+sterven eer ik dezen armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle
+hoop voorbij is.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb173" href=
+"#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
+<p>Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste
+onverschilligheid naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote
+wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem
+aankwam, en hoe zij hem bijna gered had, begon zij te schreien door de
+pijn van die teleurstelling.</p>
+<p>Maar Tiberius zei alleen:</p>
+<p>&bdquo;Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel
+leven in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars
+en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt
+opgedaan?&rdquo;</p>
+<p>Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet
+van Nazareth verwacht had.</p>
+<p>&bdquo;Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge
+aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit,&rdquo; zei de
+keizer. &bdquo;Waarom zou ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de
+macht heb dit in te willigen?&rdquo;</p>
+<p>Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid
+had.</p>
+<p>&bdquo;Dat is weer uw oude listigheid,&rdquo; viel zij uit.
+&bdquo;Dat is juist wat ik u &rsquo;t allerminst vergeven
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hadt niet bij mij terug moeten komen,&rdquo; zei Tiberius.
+&bdquo;Ge hadt in uw bergen moeten blijven.&rdquo;</p>
+<p>Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo
+dikwijls getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar
+de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was
+voorbij, dat ze <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174"
+name="pb174">174</a>]</span>in ernst met den keizer twisten kon. Zij
+sprak zachter, hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om
+gelijk te krijgen.</p>
+<p>&bdquo;Maar de man was werkelijk een profeet,&rdquo; zei ze.
+&bdquo;Ik heb hem gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde
+ik, dat hij een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood
+liet gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, dat ge hem sterven liet,&rdquo; antwoordde
+Tiberius. &bdquo;Hij was een Majesteitsschenner en een
+oproerstichter.&rdquo;</p>
+<p>Weer was Faustina bijna boos geworden.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem
+gesproken,&rdquo; zei ze. &bdquo;Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is
+aangeklaagd, niet begaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is
+hij toch zeker niet beter dan iemand anders,&rdquo; zei de keizer mat.
+&bdquo;Waar is de mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood
+verdient.&rdquo;</p>
+<p>Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te
+doen, waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven,&rdquo; zeide
+ze. &bdquo;Ik zei u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn
+gezicht legde. Dat is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt
+ge dien een oogenblik bekijken?&rdquo;</p>
+<p>Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop
+flauw het beeld van een menschengezicht. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p>
+<p>De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging:
+&bdquo;Die man zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht
+hij in staat was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen
+vol tranen, zoo dikwijls ik het zie.&rdquo;</p>
+<p>De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen
+geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart.
+Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals het op den
+zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd, de
+stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, en den mond,
+waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.</p>
+<p>Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder
+kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag
+hij opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op
+denzelfden tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden,
+toonden ze hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had
+aanschouwd.</p>
+<p>Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in.
+&bdquo;Is dit een mensch?&rdquo; zei hij, zacht en week. &bdquo;Is dit
+een mensch?&rdquo;</p>
+<p>Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over
+zijn wangen te stroomen. &bdquo;Ik treur over uw dood, gij
+onbekende,&rdquo; fluisterde hij.</p>
+<p>&bdquo;Faustina,&rdquo; riep hij eindelijk uit, &bdquo;waarom hebt
+gij dien mensch laten sterven! Hij zou mij genezen hebben.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name=
+"pb176">176</a>]</span></p>
+<p>En weer verzonk hij geheel in &rsquo;t beschouwen van het beeld.</p>
+<p>&bdquo;Gij, mensch!&rdquo; zeide hij na een poos. &bdquo;Als ik van
+u mijn gezondheid niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar
+zal mijn hand rusten op hen, die mij u ontstolen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden
+en viel voor het beeld op de knie&euml;n.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de mensch!&rdquo; zei hij. &bdquo;Gij zijt, wat ik
+niet geloofd heb ooit te zullen zien.&rdquo; En hij wees op zichzelf,
+op zijn verwoest gezicht en verteerde handen. &bdquo;Ik en anderen zijn
+wilde dieren en monsters, maar gij zijt de mensch!&rdquo;</p>
+<p>Hij boog het hoofd zoo diep over &rsquo;t beeld, dat hij den grond
+raakte.</p>
+<p>&bdquo;Erbarm u over mij, gij onbekende,&rdquo; zei hij, en zijn
+tranen bevochtigden de steenen. &bdquo;Als gij in &rsquo;t leven
+gebleven waart, zou uw aanblik alleen mij genezen hebben.&rdquo;</p>
+<p>De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. &rsquo;t Was
+beter geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende
+zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot
+zou zijn als hij het zag.</p>
+<p>En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het
+beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.</p>
+<p>Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, en
+hij was zooals hij vroeger geweest <span class="pagenum">[<a id="pb177"
+href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>was. &rsquo;t Was alsof de
+ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen,
+die in zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het
+oogenblik, dat hij liefde en medelijden voelde.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.</p>
+<p>De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een
+onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina
+zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij het
+volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.</p>
+<p>De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en
+te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om hun
+tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord
+hadden, schreiden ze stil en de man zei: &bdquo;Ik weet, dat ik er heel
+mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee
+elkaar hadden ontmoet.&rdquo;</p>
+<p>Maar de vrouw antwoordde: &bdquo;Het kon niet anders zijn. &rsquo;t
+Was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God,
+de Heer, wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen.&rdquo;</p>
+<p>De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van
+Jezus&rsquo; leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te
+verkondigen, die de gekruiste gepredikt had.</p>
+<p>Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar
+sterfbed. Maar zij konden haar nog <span class="pagenum">[<a id="pb178"
+href="#pb178" name="pb178">178</a>]</span>v&oacute;&oacute;r haar dood
+tot een discipel van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden
+haar Veronica, omdat het haar gegeven was aan de menschen <i>het ware
+beeld</i> van hun Verlosser te brengen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e215">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Vogel Roodborst.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld
+schiep, toen Hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle
+dieren en gewassen en ze te gelijk een naam gaf.</p>
+<p>Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende, zou
+men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan, kunnen
+verklaren.</p>
+<p>Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de
+vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte,
+zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve
+Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.</p>
+<p>En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij
+maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het,
+zoodra hij een paar stappen op de wei in &rsquo;t Paradijs gedaan had,
+en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze Lieve
+Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei: &bdquo;Je
+naam is ezel, ezel, ezel!&rdquo;</p>
+<p>En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>dier
+wat uit opdat hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.</p>
+<p>Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen
+werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren, die
+merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er van
+proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftigen
+angel allen weg, die bij den honig kwamen.</p>
+<p>Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte
+haar.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het
+liefelijkste wat er in de schepping is,&rdquo; zei Onze Lieve Heer;
+&bdquo;maar daarom gaf ik je nog niet het recht om hard tegen je naaste
+te wezen. Onthoud het nu goed: als je iemand steekt, die je honig
+proeven wil, dan moet je sterven.&rdquo;</p>
+<p>Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar
+vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te
+scheppen en in &rsquo;t leven te roepen. En tegen den avond viel het
+Hem in om een kleinen, grauwen vogel te maken.</p>
+<p>&bdquo;Onthoud goed dat je naam roodborstje is,&rdquo; zei Onze
+Lieve Heer tot den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn
+open hand en liet hem vliegen.</p>
+<p>Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde
+bekeken, waarop hij leven zou, <span class="pagenum">[<a id="pb183"
+href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>kreeg hij ook lust om zich
+zelf te bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn
+borst was even grijs als al het andere.</p>
+<p>Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water,
+maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.</p>
+<p>Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer
+zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders te
+voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn schouders
+en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leli&euml;n en
+duizendschoonen.</p>
+<p>&rsquo;t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in
+lichte bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en
+eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.</p>
+<p>Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil U maar &eacute;&eacute;n ding vragen,&rdquo; zei de
+kleine vogel.</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge weten?&rdquo; vroeg Onze Lieve Heer.</p>
+<p>&bdquo;Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben,
+van mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik
+roodborstje genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?&rdquo;</p>
+<p>En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine
+zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten,
+heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige
+<span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name=
+"pb184">184</a>]</span>roode halskragen, hanen met roode kammen, om
+niet te spreken van vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk
+dacht hij er aan hoe weinig er maar noodig was,&mdash;maar een klein
+droppeltje verf op zijn borst&mdash;om hem tot den mooien vogel te
+maken, waar zijn naam voor paste.</p>
+<p>&bdquo;Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs
+ben?&rdquo; vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve
+Heer zou zeggen: &bdquo;Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je
+borstveeren rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het
+klaar.&rdquo;</p>
+<p>Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: &bdquo;Ik heb
+je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf
+maar zien, dat je je roode borstveeren verdient.&rdquo;</p>
+<p>En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw
+uitvliegen.</p>
+<p>De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een
+kleine vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen?
+Het eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen.
+Hij ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het
+was alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou
+zetten en die kleuren.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den
+heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd <span class=
+"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name=
+"pb185">185</a>]</span>hadden menschen en dieren het Paradijs verlaten
+en zich over de aarde verspreid. En de menschen waren zoover gekomen,
+dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Zij
+hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft, ja, ze hadden al lang
+geleden geleerd, groote tempels en machtige steden te bouwen zooals
+Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe dag, die ook lang
+herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.</p>
+<p>En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een
+kleinen, kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn
+jongen, die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.</p>
+<p>Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren
+scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle
+roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord
+heeft en uitging uit Gods Hand.</p>
+<p>&bdquo;En zie nu eens,&rdquo; besloot hij treurig. &bdquo;Zooveel
+jaren zijn voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel
+jonge vogels zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat
+niemand ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine
+grijze vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te
+winnen.&rdquo;</p>
+<p>De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen
+niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die
+onschatbare roode kleur te verwerven. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;We hebben allen gedaan wat we konden,&rdquo; zei het
+vogeltje; &bdquo;maar het is alles mislukt. Het eerste roodborstje al
+ontmoette eens een anderen vogel, die sprekend op hem leek en hij begon
+dien dadelijk z&oacute;&oacute; hevig lief te hebben, dat hij zijn
+borst voelde gloeien.</p>
+<p>&bdquo;Och,&rdquo; dacht hij toen, &bdquo;nu begrijp ik het! Het is
+de bedoeling van Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat
+mijn borstveeren rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart
+woont.&rdquo; Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is
+en zooals het u ook mislukken zal.<a id="xd21e2508" name=
+"xd21e2508"></a></p>
+<p>De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren,
+dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben ook op het zingen gehoopt,&rdquo; zei de oude
+vogel, nu in lange gerekte tonen sprekend. &bdquo;Reeds het eerste
+roodborstje zong zoo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij begon
+opnieuw te hopen. &bdquo;Ach,&rdquo; dacht hij, &bdquo;het is de
+zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveeren rood verven
+zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en
+zooals het ook u mislukken zal.&rdquo;</p>
+<p>Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de
+jongen gehoord.</p>
+<p>&bdquo;We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze
+dapperheid,&rdquo; zei de vogel. &bdquo;Reeds het eerste roodborstje
+streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust.
+&bdquo;Ach,&rdquo; dacht hij, &bdquo;mijn borstveeren <span class=
+"pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name=
+"pb187">187</a>]</span>zullen rood worden van den strijdlust, die
+gloeit in mijn hart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt
+is en zooals het ook u mislukken zal.&rdquo;</p>
+<p>De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden beproeven
+&rsquo;t zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude vogel
+antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij dat hopen
+daar zooveel uitstekende voorvaderen &rsquo;t doel niet hadden kunnen
+bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en vechten.
+Wat konden...<span class="corr" id="xd21e2527" title=
+"Niet in bron">.</span> De vogel hield midden in den zin op, want uit
+een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen en
+de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn nest
+had.</p>
+<p>Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange
+speren, beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig
+voorttrekkende priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles
+een troep wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke
+huilende bende straatslijpers!</p>
+<p>De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij
+vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden en
+zijn jongen gedood.</p>
+<p>&bdquo;Wees voorzichtig!&rdquo; riep hij den weerloozen diertjes
+toe, &bdquo;kruip bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat
+gaat dwars over ons heen, daar komt <span class="pagenum">[<a id=
+"pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>een soldaat met
+sandalen met ijzeren zolen, daar komt de heele woeste bende
+aanstormen.&rdquo;</p>
+<p>Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil
+zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.</p>
+<p>Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn
+jongen uit.</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat is al te vreeselijk,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik wil
+niet, dat jelui dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die
+gekruisigd moeten worden.&rdquo; En hij spreidde de vleugels uit,
+zoodat de kleinen niets zien konden. Ze hoorden alleen dreunende
+hamerslagen, jammerkreten en het wilde gejoel van het volk. Het
+roodborstje volgde het heele tooneel met oogen groot van ontzetting,
+hij kon de blikken niet van de drie ongelukkigen afwenden.</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn de menschen wreed,&rdquo; zei de vogel na een poos,
+&bdquo;het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te
+nagelen, maar ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon
+van scherpe doornen gezet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat
+zijn bloed vloeit,&rdquo; ging hij voort. &bdquo;En die man is zoo
+heerlijk en ziet om zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem
+lief moet hebben. Het is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik
+hem lijden zie.&rdquo;</p>
+<p>Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den
+man, die de doornenkroon droeg. <span class="pagenum">[<a id="pb189"
+href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Als ik mijn broeder de arend was,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;zou ik de spijkers uit zijn handen rukken, en met mijn sterke
+klauwen al die menschen op de vlucht jagen, die hem
+pijnigen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide
+en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.</p>
+<p>&bdquo;Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen
+gemartelde doen,&rdquo; dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog
+op in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen.
+Hij zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen,
+want hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een
+mensch te naderen.</p>
+<p>Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met
+zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde
+gedrongen was.</p>
+<p>Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den
+gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en
+verfde al zijn teere borstveertjes.</p>
+<p>Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe:
+&bdquo;Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw
+geslacht naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe:
+&bdquo;Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name=
+"pb190">190</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen
+man, die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere
+bron.&rdquo;</p>
+<p>Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van
+zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende
+roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst
+van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span>
+<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name=
+"pb193">193</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e221">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige
+Petrus pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te
+hebben rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren
+lang. Ge kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel
+denken, dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en
+over de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
+bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
+rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een dak
+boven &rsquo;t hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat men
+gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
+duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest zijn
+eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een reis. De
+heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest, dat alles goed
+zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te twijfelen en
+onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name=
+"pb194">194</a>]</span>geweest voor den heiligen Petrus, dien stakker,
+te begrijpen waar het voor dienen moest, dat zij het z&oacute;&oacute;
+zwaar hadden, als Onze Lieve Heer bestuurder van de heele wereld
+was.</p>
+<p>En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt
+begrijpen, dat hij daar blij om was.</p>
+<p>Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
+Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
+hadden moeten zijn.</p>
+<p>Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
+te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem me&ecirc;genomen en was
+een hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
+maken hadden.</p>
+<p>Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
+berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.&mdash;Zij waren
+nog verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der
+herders, en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver
+achter zich gelaten.</p>
+<p>Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
+boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
+reizigers in nood te kunnen helpen.</p>
+<p>Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
+en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa&rsquo;s aangekomen, die hier
+en daar met kanten <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195"
+name="pb195">195</a>]</span>en punten naar boven staken, zoodat daar
+nauwelijks een steenbok vooruit kon komen.</p>
+<p>Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
+doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
+gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
+had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.</p>
+<p>Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
+voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
+doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
+stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
+niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op den
+berg gekomen.</p>
+<p>Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Nog niet,&rdquo; antwoordde Onze Lieve Heer, &bdquo;want ik
+wil u iets laten zien, dat u moed zal geven om alles te
+verdragen.&rdquo;</p>
+<p>Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een
+eindeloos hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.</p>
+<p>&bdquo;Deze muur gaat verder om den berg,&rdquo; sprak Onze Lieve
+Heer, &bdquo;en ge kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig
+mensch iets zien van wat daar achter is, want daar zijn de velden van
+het Paradijs, en hier wonen de zaligen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er <span class=
+"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name=
+"pb196">196</a>]</span>ongeloovig uitzag. &bdquo;Daar binnen is het
+niet donker en koud als hier,&rdquo; sprak Onze Lieve Heer. &bdquo;Daar
+is het zomer en staat alles groen in den helderen schijn van zon en
+sterren.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
+Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
+boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
+Paradijs viel.</p>
+<p>En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
+en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.</p>
+<p>Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: &bdquo;Laat ons weer
+naar de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
+Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
+dood overwint.&rdquo;</p>
+<p>En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht
+opnieuw begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren
+niets anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
+verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk en
+hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met beide
+handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
+geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon zat,
+boog zeven maal <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197"
+name="pb197">197</a>]</span>voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus
+een groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
+en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen had.
+Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den heiligen
+Petrus opzoeken.</p>
+<p>Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
+grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
+verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem zoo
+bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak hem toe,
+zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de bekommeringen
+der aarde samen rondwandelden.</p>
+<p>&bdquo;Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?&rdquo; vroeg Onze
+Lieve Heer.</p>
+<p>Maar de droefheid van den heiligen Petrus was z&oacute;&oacute;
+groot, dat hij geen antwoord kon geven.</p>
+<p>&bdquo;Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?&rdquo; vroeg Onze
+Lieve Heer opnieuw.</p>
+<p>Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
+de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
+Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn eer
+en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel, dat de
+heilige Petrus z&oacute;&oacute; bedroefd was, dat hij niet wist wat
+hij deed en Hij werd ook niet boos op hem. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge moet me toch zeggen wat u scheelt,&rdquo; zei Hij even
+zachtmoedig als te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.</p>
+<p>Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
+hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen Lieven
+Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.</p>
+<p>&bdquo;Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben,&rdquo; zei de
+heilige Petrus. &bdquo;Ik wil geen dag langer in het Paradijs
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
+zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.</p>
+<p>&bdquo;Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan,&rdquo; zei Hij,
+&bdquo;maar eerst moet ge mij zeggen wat u mishaagt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij
+beiden in de wereld allerlei ellende verdroegen,&rdquo; zei de heilige
+Petrus.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met
+bitterheid vervuld was en Hij werd niet boos op hem.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge
+wilt,&rdquo; zei Hij, &bdquo;alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo
+bedroefd maakt.&rdquo;</p>
+<p>Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
+was. &bdquo;Ik had een oude moeder,&rdquo; zei hij, &bdquo;en zij
+stierf een paar dagen geleden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu weet ik, wat u kwelt,&rdquo; zei Onze Lieve Heer.
+<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
+"pb199">199</a>]</span>&bdquo;Ge lijdt, omdat uw moeder niet hier in
+het Paradijs gekomen is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo is het,&rdquo; antwoordde de heilige Petrus, en weer werd
+zijn smart z&oacute;&oacute; hevig, dat hij begon te snikken en te
+jammeren.</p>
+<p>&bdquo;Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht
+komen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
+werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
+was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit aan
+iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen, die
+aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of een
+stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
+heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was, dat
+zij de zaligheid niet kon genieten.</p>
+<p>&bdquo;Heilige Petrus,&rdquo; zei Hij, &bdquo;hoe kunt ge zoo zeker
+weten, dat uw moeder zich gelukkig zou voelen bij ons?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven
+verhooren,&rdquo; zei de heilige Petrus. &bdquo;Wie zou nu niet
+gelukkig in het Paradijs zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van
+anderen,&rdquo; antwoordde Onze Lieve Heer.</p>
+<p>&bdquo;Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet
+passen,&rdquo; zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij
+aan Hem dacht.</p>
+<p>En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige <span class=
+"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name=
+"pb200">200</a>]</span>Petrus door zulk een felle smart getroffen was,
+dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij bleef een poos staan wachten
+of de heilige Petrus ook berouw zou toonen en begrijpen, dat zijn
+moeder niet in het Paradijs paste, maar hij wilde niet toegeven.</p>
+<p>Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar
+de hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te
+halen.</p>
+<p>&bdquo;Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt,&rdquo; vroeg de
+heilige Petrus.</p>
+<p>Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
+een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
+wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in de
+hel te kunnen zien.</p>
+<p>Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in &rsquo;t begin
+niet meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
+alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.</p>
+<p>Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
+op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis naar
+beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels uitspreidde
+om niet al te snel te vallen.</p>
+<p>Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan &rsquo;t
+duister wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het
+Paradijs op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf
+en <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name=
+"pb201">201</a>]</span>dat de verdoemden op den bodem daarvan huisden.
+Hij zag hoe de engel altijd door daalde en daalde, zonder nog geheel in
+de diepte te komen. Hij werd er geheel door ontzet, dat het
+z&oacute;&oacute; ver weg was.</p>
+<p>&bdquo;Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn
+moeder,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
+oogen.</p>
+<p>&bdquo;Er is geen gewicht z&oacute;&oacute; groot, dat mijn engel
+niet dragen kan,&rdquo; zei Hij.</p>
+<p>Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
+doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
+engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
+werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.</p>
+<p>Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
+punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
+waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
+leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
+opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
+gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen, dat
+ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend van
+wanhoop.</p>
+<p>De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de
+armen uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen
+voortdurend naar boven gericht. <span class="pagenum">[<a id="pb202"
+href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span></p>
+<p>Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
+een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
+zonder te probeeren er uit te komen.</p>
+<p>Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
+was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
+lichamen en hoofden.</p>
+<p>En weer werd de heilige Petrus onrustig. &bdquo;Ge zult zien, dat
+hij haar niet vindt,&rdquo; zei hij tegen Onzen Lieven Heer.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
+zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
+engel behoefde te zijn.</p>
+<p>Maar &rsquo;t scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de
+engel zijn moeder niet vinden kon onder die massa&rsquo;s onzaligen.
+Hij spreidde de vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den
+afgrond, terwijl hij haar opzocht.</p>
+<p>Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
+engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
+&bdquo;Neem mij mee, neem mij mee!&rdquo;</p>
+<p>En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
+millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog op
+&rsquo;tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
+dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.</p>
+<p>Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>den
+heiligen Petrus en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden.
+De engel hield zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij
+heen en weer vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen
+hem na, zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden
+meegesleurd.</p>
+<p>Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
+gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
+bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
+verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
+sloeg en haar ophief.</p>
+<p>&bdquo;Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt,&rdquo;
+riep hij.</p>
+<p>Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
+Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
+vreugde over te geven.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van
+blijdschap, omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu
+nog iets hen zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd,
+toen hij zag, dat&mdash;hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen
+hij haar opnam&mdash;het toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was
+zich vast te haken aan haar, die gered zou worden, om met haar naar het
+Paradijs te gaan. Het waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude
+vrouw vastklemden, en de heilige Petrus vond, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>dat
+het een groote eer voor zijn moeder was, zooveel ongelukkigen van de
+verdoemenis te redden.</p>
+<p>Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
+scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
+zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
+vogeltje naar den hemel droeg.</p>
+<p>Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
+onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
+zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.</p>
+<p>De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
+oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij zelf
+zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander en liet
+ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de geheele
+ruimte van weeklachten en vervloekingen.</p>
+<p>Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar
+barmhartigheid te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door
+zooals ze begonnen was.</p>
+<p>En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
+zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
+dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knie&euml;n
+viel.</p>
+<p>Eindelijk was er nog maar &eacute;&eacute;n onzalige, die zich aan
+de moeder van den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar
+hals hing en vlak aan haar <span class="pagenum">[<a id="pb205" href=
+"#pb205" name="pb205">205</a>]</span>ooren smeekte en bad, dat zij haar
+zou laten meegaan naar het gezegende Paradijs.</p>
+<p>Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de
+heilige Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het
+kwam hem voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te
+doen om op den berg te zijn.</p>
+<p>Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
+aangezicht werd duister als de nacht.</p>
+<p>Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
+van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot het
+haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu ook vrij
+van deze laatste gemaakt had.</p>
+<p>Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het
+scheen, alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.</p>
+<p>Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne
+handen lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor
+hem een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
+een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
+Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.</p>
+<p>&bdquo;Heilige Petrus,&rdquo; zei Onze Lieve Heer eindelijk,
+&bdquo;nooit heb ik gedacht, dat ge nog z&oacute;&oacute; zoudt
+schreien, als ge in &rsquo;t Paradijs gekomen waart.&rdquo;</p>
+<p>Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: <span class=
+"pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>&bdquo;Wat is dat voor een Paradijs, waar ik
+hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren en mijn medemenschen zie
+lijden?&rdquo;</p>
+<p>Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
+diepste smart. &bdquo;Wat zou ik liever willen, dan u allen een
+Paradijs bereiden van louter stralend geluk?&rdquo; sprak hij.
+&bdquo;Begrijpt ge dan niet, dat ik daarom naar beneden naar de
+menschen ben gegaan, om ze te leeren hun naasten lief te hebben als
+zichzelf? Want zoolang ze dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in
+den hemel of op aarde, waar smart en droefheid hen niet bereiken
+kunnen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb209" href=
+"#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e228">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Kaarsvlam.</h2>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een
+republiek geworden was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri
+heette. Hij was de zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk
+geleerd, maar hij hield er niet veel van om het uit te oefenen.</p>
+<p>Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
+een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
+zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
+van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
+waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
+te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
+brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in te
+storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak de
+armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was balken
+en stutten te halen, om het te steunen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span></p>
+<p>Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit in
+Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
+krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
+hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
+waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht hij
+evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
+vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met zijn
+tegenstanders.</p>
+<p>Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar
+bestond grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden
+niet beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke
+mannen genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij
+stelden er een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan
+ergens anders.</p>
+<p>Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
+was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
+en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
+zou zijn.</p>
+<p>Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
+voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
+mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
+litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in &rsquo;t
+besluiten, en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets
+ruws. <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name=
+"pb211">211</a>]</span></p>
+<p>Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
+een wijs en machtig man.</p>
+<p>Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo&rsquo;n
+vechtersbaas als Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk
+verzet. Francisca had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat
+ze nooit met iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn
+toestemming gaf, had hij tegen Raniero gezegd: &bdquo;Ik meen opgemerkt
+te hebben, dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker
+winnen dan die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn
+dochter het zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil
+terugkeeren, ge het haar niet beletten zult.&rdquo;</p>
+<p>Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
+Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
+Raniero gaf die belofte dadelijk. &bdquo;Daar kunt ge zeker van zijn,
+Jacopo,&rdquo; zei hij; &bdquo;dat ik nooit een vrouw zal terughouden,
+die van mij weg wil.&rdquo;</p>
+<p>Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen
+hen beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den
+inval, dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot
+eenige dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig
+geoefend en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens
+probeeren op een moeilijker doel te schieten.</p>
+<p>Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte <span class=
+"pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span>niets dan een kwartel, die in een kooi boven de
+deur van de plaats zat. De vogel behoorde aan Francisca, en zij hield
+heel veel van het dier. Maar Raniero zond toch een knecht om de kooi
+open te maken, en schoot den kwartel toen hij opvloog, in de lucht.</p>
+<p>Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
+die het maar hooren wilde.</p>
+<p>Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
+werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
+iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf het
+hem spoedig en had hem even lief als tevoren.</p>
+<p>Alles ging nu een poos weer goed.</p>
+<p>De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een
+groote werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt
+te hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo&rsquo;s
+werkplaats en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de
+stad over.</p>
+<p>Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
+te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn garen
+en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van het
+fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten Florence
+verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen, dat dit
+bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn knechten,
+maar hij begreep spoedig, <span class="pagenum">[<a id="pb213" href=
+"#pb213" name="pb213">213</a>]</span>dat hij dat den menschen moeilijk
+kon laten gelooven.</p>
+<p>Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
+betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
+daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
+er ook op, als Francisca het hoorde.</p>
+<p>Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing, als
+toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
+plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
+stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
+was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
+groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.</p>
+<p>Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: &bdquo;Er is
+nog wel genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan
+raken.&rdquo;</p>
+<p>Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig
+waren als in het eerst.</p>
+<p>Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar
+Veneti&euml; geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht
+van zij en fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te
+pronken. Maar in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te
+kleeden, zoodat er velen waren, die met hem spotten.</p>
+<p>Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
+gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
+<span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name=
+"pb214">214</a>]</span></p>
+<p>Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
+viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker, die
+tusschen de kool stond.</p>
+<p>Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
+hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
+en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
+eene stuk na het andere afknipte.</p>
+<p>Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca
+was niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte
+voortdurend, dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou
+kunnen schaden.</p>
+<p>Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
+rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem zouden
+praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.</p>
+<p>Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
+dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
+groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van
+Francisca&rsquo;s voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig
+man in Florence had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren
+er trotsch op, dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het
+daar ophangen.</p>
+<p>Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den
+rug, en kwam er mee naar beneden.</p>
+<p>Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
+wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat <span class="pagenum">[<a id=
+"pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>hij toch niet op die
+manier zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij
+behoorde.</p>
+<p>Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
+werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
+zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
+familie dacht.</p>
+<p>&bdquo;Ik denk aan iets anders,&rdquo; zei Francisca; &bdquo;en dat
+is mijn liefde; ik weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die
+manier voortgaat.&rdquo;</p>
+<p>Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
+Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al kon
+verdragen.</p>
+<p>Op Raniero&rsquo;s werkplaats was een knecht, die klein en mank was.
+Die man had Francisca liefgehad v&oacute;&oacute;r ze trouwde. En hij
+bleef haar liefhebben ook na haar huwelijk.</p>
+<p>Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
+ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die niet
+verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
+Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.</p>
+<p>Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.</p>
+<p>Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
+en hing zich op.</p>
+<p>Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
+getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
+een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
+<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name=
+"pb216">216</a>]</span>afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot
+was als in den beginne.</p>
+<p>Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: &bdquo;Als ik nog
+een jaar bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog
+even arm als ik vroeger rijk geweest ben.&rdquo;</p>
+<p>Toen besloot ze Raniero&rsquo;s huis te verlaten en bij haar vader
+te gaan wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk
+zou haten als ze hem nu liefhad.</p>
+<p>Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
+zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.</p>
+<p>Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
+haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken, en
+beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.</p>
+<p>Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.</p>
+<p>&bdquo;Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij
+gevraagd, of ze weer onder mijn dak mag wonen,&rdquo; zei hij tot zijn
+schoonzoon, &bdquo;en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u
+terug te komen, volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt.&rdquo;</p>
+<p>Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
+heel kalm:</p>
+<p>&bdquo;Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
+terugge&euml;ischt hebben, die mij niet wil toebehooren.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
+"pb217">217</a>]</span></p>
+<p>Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
+&bdquo;Ze is v&oacute;&oacute;r den avond alweer bij me
+terug.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.</p>
+<p>Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen,
+die reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het
+gelukte hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen.
+Hij bleef daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de
+geheele stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij
+verwachtte.</p>
+<p>Het bracht Francisca niet bij hem terug.</p>
+<p>Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
+dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet doen
+kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in dezelfde
+stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok weg uit
+Florence.</p>
+<p>Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
+aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
+heeren.</p>
+<p>Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
+werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
+groote mannen.</p>
+<p>Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
+heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
+en beste te schenken <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218"
+name="pb218">218</a>]</span>wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor
+dat beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
+waren geschonken.</p>
+<p>Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad
+bekend waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti
+niet weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.</p>
+<p>In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige Graf te
+bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het Oosten.
+Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een slot en
+een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht hij, dat
+hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te bedrijven,
+dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem terug zou
+komen.&mdash;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was,
+heerschte er groote vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de
+stad.</p>
+<p>Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in
+&rsquo;t rond hoorde men gedruisch en gejoel.</p>
+<p>Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
+bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
+konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.</p>
+<p>Maar Raniero had alle reden om een groot feest te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name=
+"pb219">219</a>]</span>vieren, want hij had dien dag grooter eer
+behaald dan ooit te voren.</p>
+<p>Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
+die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien avond
+was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.</p>
+<p>Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
+boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk van
+het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
+aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
+aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
+meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij hem
+voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer verheugd
+over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.</p>
+<p>Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
+waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
+rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
+tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
+verhaal te doen.</p>
+<p>Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid, en
+hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.</p>
+<p>&bdquo;Het gebeurde eens,&rdquo; zei de Nar, &bdquo;dat Onze Lieve
+Heer en de heilige Petrus een heelen dag in den hoogsten <span class=
+"pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name=
+"pb220">220</a>]</span>toren op den burg in het Paradijs gezeten en
+naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad om op te letten,
+dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te wisselen. Onze Lieve
+Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar de heilige Petrus had nu
+eens in de handen geklapt van blijdschap, en dan weer met afschuw het
+hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld en gelachen, en dan weer had hij
+geschreid en gejammerd.</p>
+<p>Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over
+het Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen
+Petrus en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.</p>
+<p>&bdquo;Waar zou ik tevreden mee zijn?&rdquo; vroeg de heilige Petrus
+heftig.</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, &bdquo;ik dacht,
+dat je blij zou zijn met wat je vandaag gezien hadt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.</p>
+<p>&bdquo;Het is waar,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat ik er jaren lang over
+geklaagd heb, dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar
+na wat er vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen
+blijven zooals het was.&rdquo;</p>
+<p>Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
+van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
+belangstelling te luisteren dan in het begin. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Toen de heilige Petrus dit gezegd had,&rdquo; ging de Nar
+voort, terwijl hij een listigen blik op de ridders wierp, &bdquo;boog
+hij zich over de tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet
+Onzen Lieven Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots,
+die uit een bergdal naar boven stak.</p>
+<p>&bdquo;Ziet Ge die hoopen lijken daar,&rdquo; zei hij; &bdquo;en
+ziet Ge het bloed, dat op die straten stroomt en ziet Ge de naakte,
+ellendige gevangenen, die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al
+die rookende brandhoopen?&rdquo;</p>
+<p>Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.</p>
+<p>Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel
+dikwijls boos geweest was op die stad daar, maar z&oacute;&oacute; veel
+kwaad had hij haar nooit toegewenscht, dat zij &rsquo;t zoo slecht
+hebben zou.</p>
+<p>Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een
+tegenwerping te maken.</p>
+<p>&bdquo;Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven
+gewaagd hebben met de grootste onverschrokkenheid.&rdquo;</p>
+<p>Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
+maar hij haastte zich met verder vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Neen, stoor me niet,&rdquo; zei hij, &bdquo;nu weet ik niet
+meer waar ik gebleven ben. O ja, &rsquo;t is waar, ik wou juist zeggen,
+dat de heilige Petrus een paar tranen afdroogde die in zijn oogen
+kwamen en die hem beletten te zien. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>&bdquo;Ik had nooit
+kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
+heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
+volgelingen te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk
+te lachen. &bdquo;Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons,
+Nar?&rdquo; riepen ze.</p>
+<p>&bdquo;Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons
+niet verdedigt,&rdquo; zei een ander.</p>
+<p>&bdquo;Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar,&rdquo; zei de
+Nar.</p>
+<p>&bdquo;Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang
+was, het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar
+door, en zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze
+eindelijk er aan dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen
+in boethemden en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet
+zoo lang, dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog
+hij zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar
+beneden naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten
+de stad. &bdquo;Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning
+vieren?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e2976" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in
+&rsquo;t leger een drinkgelag gehouden werd. Ridders en krijgsknechten
+zaten naar Syrische danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond;
+met dobbelsteenen verspeelde men den buit en....&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden,&rdquo;
+viel Raniero in. &bdquo;Was dat ook niet een groote zonde?&rdquo;</p>
+<p>De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde:
+&bdquo;Wacht maar, dat zal ik je wel betaald zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, val me nou niet in de rede,&rdquo; verzocht hij weer.
+&bdquo;Een arme Nar vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja,
+<i>dit</i> was het: &bdquo;De heilige Petrus vroeg Onzen Lieven Heer
+met zijn strengste stem, of Hij veel eer behaalde met dat volk daar. En
+hierop moest Onze Lieve Heer wel antwoorden, dat hij dat niet zeggen
+kon.</p>
+<p>&bdquo;Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis
+gingen,&rdquo; zei de heilige Petrus, &bdquo;en roovers en moordenaars
+zijn ze nog op dezen dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen
+laten, daar komt niets goeds van terecht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nar, Nar,&rdquo; zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen
+er een eer in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat
+iemand opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard
+voort.</p>
+<p>&bdquo;Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij
+met recht bestraft wordt, maar in &rsquo;t volgend oogenblik boog Hij
+zich haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan
+vroeger.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e2997" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>De heilige Petrus keek toen ook naar
+beneden. &bdquo;Waar ziet Ge naar?&rdquo; vroeg hij
+verwonderd.&rdquo;</p>
+<p>De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders
+zagen Onzen Lieven Heer en Petrus voor <span class="pagenum">[<a id=
+"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>zich, en ze waren
+nieuwsgierig wat Onze Lieve Heer in &rsquo;t oog gekregen had.</p>
+<p>&bdquo;Onze Lieve Heer antwoordde, dat &rsquo;t niets <span class=
+"corr" id="xd21e3006" title="Bron: bizonders">bijzonders</span>
+was,&rdquo; zei de Nar, &bdquo;maar Hij bleef toch steeds naar beneden
+kijken. De heilige Petrus volgde de richting van Zijn blikken en hij
+kon niets anders zien dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat
+te kijken, waar buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden
+en waar een menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare
+wapens, die uit de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In
+die tent ging het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger.
+Daar zaten scharen ridders en ledigden de bekers. &rsquo;t Eenige
+verschil was, dat er daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan
+ergens anders. De heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve
+Heer zoo blij was toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen
+schitterde. Zooveel strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar
+bijeen zag, meende hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien
+te hebben. En hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste
+van allen, &rsquo;t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot
+en grof, met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en
+schrammen, met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem.&rdquo;</p>
+<p>Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
+gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
+henzelf te hooren <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225"
+name="pb225">225</a>]</span>spreken en zij lachten maar om zijn
+onbescheidenheid.</p>
+<p>&bdquo;Je bent een brutale kerel,&rdquo; zei Raniero, &bdquo;laat
+ons nu eens hooren waar je heen wilt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets,&rdquo; ging de Nar voort,
+&bdquo;dat maakte, dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij
+was. Hij vroeg den heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk
+zoo was, dat een van de ridders een brandende kaars naast zich
+had.&rdquo;</p>
+<p>Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd nu
+eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
+wijnkan om hem die in &rsquo;t gezicht te werpen, maar hij bedwong zich
+om te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou
+strekken.</p>
+<p>&bdquo;De heilige Petrus zag nu,&rdquo; vertelde de Nar, &bdquo;dat
+hoewel de tent overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders
+een brandende kaars naast zich had. &rsquo;t Was een groote dikke
+kaars, een die er op berekend was een dag en een nacht te branden. De
+ridder, die geen kandelaar had om ze in te zetten, had een massa
+steenen bij elkaar gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te
+houden.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden.
+Allen wezen op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die
+heelemaal zoo was als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het
+bloed naar het hoofd, want dit was de kaars, die hij een paar uur
+geleden aan het Heilige Graf had aangestoken. Hij had &rsquo;t niet
+<span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
+"pb226">226</a>]</span>over zich kunnen verkrijgen, die uit te laten
+gaan.</p>
+<p>&bdquo;Toen de heilige Petrus die kaars daar zag,&rdquo; zei de Nar,
+&bdquo;werd het hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om
+was, maar toch kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu ja,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat is die ridder, die
+vanmorgen op den muur sprong na den Heer van Bouillon en die vanavond
+zijn kaars v&oacute;&oacute;r alle anderen mocht aansteken aan het
+Heilige Graf.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het,&rdquo; zei Onze Lieve Heer, &bdquo;en zooals
+je ziet, heeft hij zijn kaars nog aan.&rdquo;</p>
+<p>De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
+Raniero wierp: &bdquo;De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een
+beetje medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. &bdquo;Kunt Ge niet
+begrijpen waarom hij die kaars nog aan heeft?&rdquo; zei hij. &bdquo;Ge
+meent zeker, dat hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar
+kijkt. Maar hij denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen
+hij erkend werd als de dapperste in &rsquo;t leger naast Godfried van
+Bouillon.&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
+boos, maar hij dwong zich om me&ecirc; te lachen. Hij wist, dat allen
+het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
+verdragen.</p>
+<p>&bdquo;Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen,&rdquo; zei de Nar.
+&bdquo;Zie je niet hoe bang hij voor die kaars is?&rdquo; vroeg Hij.
+&bdquo;Hij houdt de hand voor de vlam, zoodra iemand de tent uit of in
+gaat, uit angst dat ze uitwaaien <span class="pagenum">[<a id="pb227"
+href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>zal. En hij is aldoor bezig
+de nachtvlinders weg te jagen, die er omheen vliegen en dreigen ze uit
+te blazen.&rdquo;</p>
+<p>Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere waarheid.
+Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij voelde, dat hij
+niet verdragen kon, dat iemand over de heilige kaarsvlam schertste.</p>
+<p>&bdquo;De heilige Petrus was nog wantrouwend,&rdquo; ging de Nar
+voort. &bdquo;Hij vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende,
+&bdquo;hij hoort juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of
+het bidbankje verslijten.&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. &bdquo;Heilige
+Petrus, heilige Petrus,&rdquo; zei hij. &bdquo;Onthoud nu, dat die
+ridder daar vromer dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en
+vroomheid uitgaan als &rsquo;t niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe
+Raniero weduwen en noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en
+bedroefden zien verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam
+verzorgt.&rdquo;</p>
+<p>Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero&rsquo;s
+karakter en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf
+vond &egrave;n die scherts &egrave;n dat lachen onverdraaglijk. Hij
+vloog op en wilde den Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo
+heftig tegen de tafel, die niet anders was dan een deur, die op een
+paar schragen gelegd was, dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen
+bleek het hoe Raniero er op gesteld was, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>de kaars brandende te
+houden. Hij bedwong zijn toorn, zoodat hij den tijd nam ze op te nemen
+en de vlam weer aan te wakkeren, eer hij op den Nar aanliep. Maar toen
+hij met de kaars klaar was, had de Nar de tent al verlaten en Raniero
+begreep, dat het de moeite niet loonen zou hem in het duister van den
+nacht te vervolgen. &bdquo;Ik zal hem op een anderen keer wel
+krijgen,&rdquo; dacht hij, en ging weer zitten.</p>
+<p>De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich
+tot Raniero en wilde de scherts voortzetten: &bdquo;Er is toch
+&eacute;&eacute;n ding wat zeker is, Raniero, en dat is, dat je dezen
+keer niet het kostbaarste wat je in den strijd gewonnen hebt, naar de
+Madonna in Florence kunt sturen.&rdquo;</p>
+<p>Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude
+gewoonte niet volgen zou.</p>
+<p>&bdquo;Nergens anders om,&rdquo; zei de ridder, &bdquo;dan dat het
+kostbaarste wat je gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de
+oogen van het heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt
+aangestoken. En die kun je toch niet naar Florence zenden.&rdquo;</p>
+<p>Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
+dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een eind
+te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager en zei
+tot hem: &bdquo;Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis, morgen
+moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p>
+<p>Maar de wapendrager antwoordde knorrig &bdquo;neen&rdquo; op dit
+bevel. &bdquo;Dat is iets wat ik niet op mij nemen wil,&rdquo; zeide
+hij. &bdquo;Hoe zou het mogelijk zijn naar Florence te reizen met een
+kaarsvlam? Die zou uit zijn, voor ik buiten de legerplaats
+was.&rdquo;</p>
+<p>Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
+allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
+te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
+waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek, dat
+geen van Raniero&rsquo;s mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
+geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
+geduld en riep uit: &bdquo;Die kaarsvlam zal toch naar Florence
+gebracht worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bedenk u wel voor gij zooiets belooft,&rdquo; zei een ridder,
+&bdquo;gij laat hier een vorstendom achter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal
+brengen,&rdquo; riep Raniero, &bdquo;ik zal doen wat niemand anders
+heeft aangedurfd.&rdquo;</p>
+<p>De oude wapendrager verdedigde zich: &bdquo;Heer, voor u is het iets
+anders, gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen
+zenden.&rdquo;</p>
+<p>Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet.
+&bdquo;Ik zal ook alleen reizen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
+met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
+<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
+"pb230">230</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waarom lach jelui niet meer?&rdquo; vroeg Raniero. &bdquo;Die
+onderneming is maar een kinderspel voor een dapper man.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag
+steeg Raniero te paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar
+daar overheen had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de
+ijzeren kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden
+worden. Hij was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op
+een goed paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn
+zadel had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat
+de vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
+reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
+goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
+Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
+voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
+gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
+dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
+mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
+was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.</p>
+<p>Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel <span class=
+"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name=
+"pb231">231</a>]</span>langzaam voort, ter wille van de kaarsvlam. Die
+brandde slecht, met een rood trillend schijnsel, in den dikken nevel.
+Voortdurend kwamen er groote insecten, die met klapperende
+vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.</p>
+<p>Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was heel
+opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
+gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.</p>
+<p>Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
+kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero ze
+met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt was
+om uit te gaan.</p>
+<p>Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
+paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
+het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat hij
+met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die manier
+gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de tocht
+moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen hij over
+de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel opgetrokken.
+Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren geen menschen of
+gehuchten of groene boomen en gewassen,&mdash;enkel kale heuvels.</p>
+<p>Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
+mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
+plundering leefden. Zij hadden <span class="pagenum">[<a id="pb232"
+href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>achter een bergje gelegen en
+Raniero, die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds
+omringd hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf
+mannen, ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero
+zag dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep
+heen te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
+kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
+fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
+spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
+uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
+hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
+hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde, maar
+daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
+weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
+als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.</p>
+<p>De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij
+met het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen.
+Zij namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
+geld. &rsquo;t Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en
+de beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
+zijn kaars niet uit.</p>
+<p>Een van hen was op Raniero&rsquo;s paard gesprongen. Toen hij merkte
+hoe goed dat was scheen hij een beetje <span class="pagenum">[<a id=
+"pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>medelijden met den
+ridder te krijgen. Hij riep hem toe: &bdquo;Zie eens, we zullen niet al
+te hard zijn voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te
+rijden.&rdquo;</p>
+<p>Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en
+stijf, alsof het van hout was.</p>
+<p>Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
+ging zitten, zei hij in zich zelf: &bdquo;Ik moet betooverd zijn door
+die kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
+als een dwaze bedelaar.&rdquo;</p>
+<p>Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
+onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
+verlangen om het t&ograve;ch te doen was over hem gekomen, dat hij den
+lust niet kon weerstaan het door te zetten.</p>
+<p>Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
+heuvels om zich heen.</p>
+<p>Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
+hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht hij
+in zich zelf: &bdquo;Zouden ze aarde eten?&rdquo;</p>
+<p>De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
+door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
+zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
+snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
+zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens <span class=
+"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name=
+"pb234">234</a>]</span>tegen een herder verdedigen kon. Hij trok alleen
+de kaars wat dichter naar zich toe om die te beschutten. De herder
+sloeg er nog een paar keer naar, maar toen bleef hij verwonderd staan
+en hield op met slaan. Hij zag dat Raniero&rsquo;s mantel in brand
+geraakt was, maar dat hij niets deed om het vuur te stuiten, zoolang de
+vlam in gevaar was. Men kon aan den herder zien, dat hij zich schaamde.
+Hij liep Raniero lang na, en op een plaats, waar de weg heel smal was
+en tusschen twee afgronden doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde
+het paard voor hem.</p>
+<p>Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
+hield, die boete deed.</p>
+<p>Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
+den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
+doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt om
+daarheen te trekken. &rsquo;t Waren pelgrims, die jaren lang op de
+gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. &rsquo;t Waren
+nieuw aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen
+spoedden met ladingen levensmiddelen.</p>
+<p>Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam
+rijden, met een brandende kaars in de hand, riepen ze: &bdquo;Een gek,
+een gek!&rdquo;</p>
+<p>De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
+eigen taal: &bdquo;pazzo, pazzo!&rdquo; dat beteekent: &bdquo;een gek,
+een gek!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235"
+name="pb235">235</a>]</span></p>
+<p>Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen,
+werd hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen.
+Opeens sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de
+roependen te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen
+aankwamen gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig
+alleen op den weg.</p>
+<p>Raniero kwam nu weer tot zichzelf. &bdquo;Ze hadden wel gelijk toen
+ze je &bdquo;pazzo&rdquo; noemden,&rdquo; zei hij tot zich zelf,
+terwijl hij naar de kaars keek; want hij wist niet waar die gebleven
+was. Eindelijk zag hij, dat die van den weg was afgerold in een
+greppel. De vlam was uit, maar hij zag vuur glinsteren in een droog
+bosje gras daar dicht bij en hij begreep dat het geluk hem gediend had,
+zoodat de kaars het gras had kunnen aansteken v&oacute;&oacute;r ze was
+uitgegaan.</p>
+<p>&bdquo;Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite
+geweest,&rdquo; dacht hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in
+den zadel zette. Hij was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet
+heel waarschijnlijk, dat zijn tocht hem zou gelukken.</p>
+<p>Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats,
+die de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. &rsquo;t Was
+een groote, overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde
+plaatsen, waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen
+kamers, maar de menschen moesten bij de dieren slapen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch
+plaats voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en
+een middagmaal aan hun heer.</p>
+<p>Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij:
+&bdquo;Ik begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan
+hebben door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker
+gemakkelijker door de wereld, als men mij voor een gek
+houdt.&rdquo;</p>
+<p>Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
+stroo zitten, en hield de kaars in de handen. &rsquo;t Was zijn
+bedoeling niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was
+toch maar nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk
+moe, hij strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door
+tot den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
+hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.</p>
+<p>&bdquo;Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan,&rdquo; zei
+hij. En hij probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu
+voorbij was en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
+van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
+iets wat hij zich voorgenomen had.</p>
+<p>Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
+<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
+"pb237">237</a>]</span></p>
+<p>Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met een
+brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: &bdquo;Ik moest u
+gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar hier
+hebt gij ze weer.&rdquo;</p>
+<p>Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: &bdquo;Het was
+verstandig van u dat gij ze uitgedaan hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb ze niet uitgedaan,&rdquo; zei de man, &bdquo;ik zag
+dat ze brandde toen gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang
+voor u was dat ze zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze
+geworden is zult gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
+verder in de beste stemming.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens
+over zee van Joppe naar Itali&euml; te gaan. Maar hij veranderde van
+besluit toen de roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over
+land te reizen.</p>
+<p>Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
+van Syri&euml;. Vandaar ging de reis naar &rsquo;t westen langs het
+schiereiland van Klein-Azi&euml;. Later weer naar het noorden heel tot
+Konstantinopel. En van daar was het nog ver tot Florence.</p>
+<p>Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
+pelgrims, die nu in menigte naar <span class="pagenum">[<a id="pb238"
+href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span>Jeruzalem stroomden, die hun
+brood met hem deelden.</p>
+<p>Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
+lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
+daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
+waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
+en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
+hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij had
+nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als een
+kaarsvlam. Dat stond hem in &rsquo;t begin zoo flauw voor den geest,
+dat hij zich afvroeg of &rsquo;t ook iets was dat hij gedroomd had.</p>
+<p>Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
+onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.</p>
+<p>&bdquo;Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord
+heb,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Op een avond reed Raniero een stad binnen. &rsquo;t Was avond en de
+huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero zag
+toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
+herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
+loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als een
+kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat ze
+aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij was
+verbaasd over die gedachte, maar hij <span class="pagenum">[<a id=
+"pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>werd er meer en meer
+van overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
+waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
+dat hij haar zou terugwinnen.</p>
+<p>De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
+hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
+in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke
+dagen.</p>
+<p>Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij, dat er
+een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den berg tusschen
+vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere menschenwoning.
+Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch heiligengraf.
+&rsquo;t Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met een gewelfd
+dak. Hij vond, dat het &rsquo;t beste was, daar zijn toevlucht te
+nemen.</p>
+<p>Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
+sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het zoo
+vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist, dat er
+buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat het niet
+moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen en vuur aan
+te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg, heel heilig, en
+wilde er niets anders me&ecirc; aanmaken dan kaarsen voor &rsquo;t
+altaar van de Heilige Maagd.</p>
+<p>&rsquo;t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder
+rollen en zag hij de bliksemstralen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p>
+<p>En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor &rsquo;t graf
+en stak een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder
+dat hij het heilige licht hoefde te gebruiken.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
+Sicili&euml; reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
+meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
+zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
+gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
+zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
+naderen zou.</p>
+<p>Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
+verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op en
+stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op dien
+berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.</p>
+<p>Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
+sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
+pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg naar
+een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging me&ecirc;. Onder
+hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
+berg op.</p>
+<p>Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
+kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
+kaarsen, die ze droegen. <span class="pagenum">[<a id="pb241" href=
+"#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p>
+<p>Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich &rsquo;t pad af en stak een
+van de kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de
+heilige vlam was aangemaakt.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
+een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
+tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
+het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
+hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat, en
+hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit zou
+zijn.</p>
+<p>Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero
+zag dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
+en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
+wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen
+beschut.</p>
+<p>Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
+strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze te
+streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze vangen.
+Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang voor hem
+waren maar hij dacht: &bdquo;Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
+anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
+zijn ze niet bang voor mij.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb242"
+href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p>
+<p>Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
+het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
+die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
+troubadour was.</p>
+<p>Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
+aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: &bdquo;Een
+gek! een gek!&rdquo; maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter
+aan:</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge lang op deze wijze gereisd?&rdquo; vroeg hij hem.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen,&rdquo;
+antwoordde Raniero.</p>
+<p>&bdquo;Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit
+Jeruzalem ging,&rdquo; antwoordde Raniero.</p>
+<p>Toen sprak Robert Taillefer tot hem: &bdquo;Ik ben ook een van hen,
+die een vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar
+misschien kunt gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van
+Jeruzalem hierheen, mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal
+uitdooven.&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde Raniero: &bdquo;Heer, dat is een zwaar werk, al
+lijkt het ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge
+volkomen zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet
+toe een liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt
+ge ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
+"pb243">243</a>]</span></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3233" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ge moogt niet anders in uwe gedachten
+hebben dan deze vlam, en geen vreugde smaken. Maar waarom ik u &rsquo;t
+allermeest afraad denzelfden tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u
+geen oogenblik veilig kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook
+heengedragen hebt, ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet
+verwachten, dat het volgend oogenblik de vlam u begeeft.&rdquo;</p>
+<p>Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: &bdquo;Wat ge
+voor uw vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne.&rdquo;</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Raniero was in Itali&euml; gekomen; hij reed op een dag op eenzame
+wegen in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en
+vroeg hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. &bdquo;&rsquo;t Vuur
+is bij mij uitgegaan,&rdquo; zei ze, &bdquo;mijn kinderen hebben
+honger. Leen mij vuur, zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor
+hen bakken.&rdquo;</p>
+<p>Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op
+een afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
+werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige
+Maagd.</p>
+<p>Toen sprak de vrouw tot hem: &bdquo;Geef mij vuur, pelgrim, want het
+leven van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te
+houden.&rdquo;</p>
+<p>En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
+aansteken aan zijn vlam. <span class="pagenum">[<a id="pb244" href=
+"#pb244" name="pb244">244</a>]</span></p>
+<p>Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
+bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
+den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
+aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
+wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine viel
+vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich de
+vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en stak
+zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.</p>
+<p>Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: &bdquo;Gij zegt, dat
+de vlam die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge
+mij zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen
+heb?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar werd uw vlam aangestoken?&rdquo; vroeg de vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Die werd aangestoken op het graf van Christus,&rdquo; zei
+Raniero.</p>
+<p>&bdquo;Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
+menschenliefde,&rdquo; zei de vrouw.</p>
+<p>Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
+apostel voor zulke deugden.</p>
+<p>Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
+dat hij in de nabijheid van Florence was.</p>
+<p>Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
+af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
+verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina had
+achtergelaten <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name=
+"pb245">245</a>]</span>en die er zich op zouden verheugen, dat hij het
+oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
+overwinningen en veroveringen.</p>
+<p>Toen merkte Raniero, dat hij in &rsquo;t geheel geen vreugde voelde
+bij die herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting
+namen.</p>
+<p>Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man
+was, die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem
+gedwongen, zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en
+barmhartig waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij
+voelde blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun
+huizen arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
+in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te maken.
+&bdquo;Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt
+heeft.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed.
+Nauwelijks was hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de
+kap over het gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een
+bedelaar stond op en riep het gewone: &bdquo;Pazzo! pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief,
+die in lang geen ander werk gehad <span class="pagenum">[<a id="pb246"
+href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>had, dan op zijn rug te
+liggen en naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen
+hetzelfde: &bdquo;Pazzo! pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Daar ze nu met hun drie&euml;n aan het schreeuwen waren, maakten ze
+leven genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen
+aanrennen uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn
+versleten mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: &bdquo;Pazzo!
+pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten,
+zonder op het geroep te letten.</p>
+<p>Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op en
+trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de hoogte
+en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens te
+ontkomen.</p>
+<p>Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om
+het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam te
+beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op elkaars
+rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen naar de
+kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar verdrongen,
+dat het hun niet lukte de vlam te dooven.</p>
+<p>Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan de
+vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn
+kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren
+op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.
+<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name=
+"pb247">247</a>]</span></p>
+<p>Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars te
+beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren gevallen
+en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een martelaar.
+De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat krioelde
+van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te nemen. De
+vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden met hun
+baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.</p>
+<p>Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een
+vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en
+ging er haastig mee naar binnen.</p>
+<p>&rsquo;t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen,
+maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond; toen
+hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig
+ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard
+was de eenige, die bij hem bleef staan.</p>
+<p>Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli
+Uberti uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog
+mooi, haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.</p>
+<p>Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was
+bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem
+een schok door de <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248"
+name="pb248">248</a>]</span>leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote
+macht over hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze:
+&bdquo;Hier is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe
+graag je die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te
+helpen.&rdquo;</p>
+<p>Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon
+langzaam op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was
+bijna weer gevallen.</p>
+<p>Toen beproefde hij op het paard te komen.</p>
+<p>Francesca hielp hem.</p>
+<p>&bdquo;Waar wil je heen?&rdquo; vroeg zij, toen hij eindelijk in
+&rsquo;t zadel zat.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil naar de domkerk,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>&bdquo;Dan ga ik mee,&rdquo; sprak ze; &bdquo;want ik wil naar de
+mis.&rdquo;</p>
+<p>En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.</p>
+<p>Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar
+Raniero zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te
+zien. Hij hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.</p>
+<p>Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de
+kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten zou.
+Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde weten wat
+ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero krankzinnig
+thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd was, wilde
+zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid daarvan
+bespaard bleef. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249"
+name="pb249">249</a>]</span></p>
+<p>Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide,
+maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen haar.
+Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.</p>
+<p>Hij liet zich naar de sacristy brengen.</p>
+<p>Daar steeg hij van &rsquo;t paard. Hij ging alleen de sacristy in,
+naar den geestelijke.</p>
+<p>Francesca ging de kerk binnen.</p>
+<p>Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren
+onaangestoken ten teeken van rouw.</p>
+<p>Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder
+vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.</p>
+<p>In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters
+bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop
+vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de
+geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis
+tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten
+laatste ging ook de bisschop.</p>
+<p>Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor
+en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri
+naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde
+wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem
+bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca
+had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden
+<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke
+sprak lang en goed. Hij zei ten slotte met luider stem: &bdquo;Nu kan
+het wel is waar een kleinigheid schijnen, dat een kaarsvlam hier naar
+Florence gebracht werd, maar ik zeg u, bidt God, dat hij Florence veel
+dragers van het heilig vuur zendt, dan zal het groot en machtig worden
+en een gezegende onder de steden.&rdquo;</p>
+<p>Toen de geestelijke zijn toespraak ge&euml;indigd had, gingen de
+hoofddeuren van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der
+haast geordend was kunnen worden, trok naar binnen.</p>
+<p>Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken
+door de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en
+naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis
+gedragen had.</p>
+<p>Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond
+een oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een
+gezel, dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen
+had om oneenigheid met hem.</p>
+<p>Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei
+hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat
+Raniero met heilig vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger
+nooit gehoord of beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het
+onmogelijk is. <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name=
+"pb251">251</a>]</span>Daarom zou ik willen vragen dat men &rsquo;t
+heele volk bekendmake met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft
+meegebracht dat dit werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is
+aangestoken.&rdquo;</p>
+<p>Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: &bdquo;Nu helpe mij God!
+Hoe kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen
+en wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raniero is een eerlijk ridder,&rdquo; zei de bisschop,
+&bdquo;en wij gelooven hem op zijn woord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou
+worden,&rdquo; zei Oddo. &bdquo;Hij zal wel niet heelemaal alleen
+gereden hebben. Zijn pages kunnen wel voor hem getuigen.&rdquo;</p>
+<p>Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar
+voren en ging op Raniero toe: &bdquo;Wat hebben wij getuigen van
+noode?&rdquo; zei zij. &bdquo;Alle vrouwen in Florence willen er op
+zweren, dat Raniero de waarheid zegt.&rdquo;</p>
+<p>Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar
+dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de
+kaarsvlam.</p>
+<p>Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat
+Raniero de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak
+bewezen had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.</p>
+<p>Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. &bdquo;Ik
+denk wel, dat allen weten, dat er geen <span class="pagenum">[<a id=
+"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>al te groote
+vriendschap bestond tusschen mijn schoonzoon en mij,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;maar nu willen toch mijn zonen en ik allen borg voor hem staan.
+Wij gelooven, dat hij het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat
+hij die zulk een onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en
+edelaardig man is, dien wij met vreugde in ons midden
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk,
+dat hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte
+groep en &rsquo;t was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet
+wilden opgeven.</p>
+<p>Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk
+zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op
+zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.</p>
+<p>Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel
+hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een
+nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht
+aansteken? Oddo&rsquo;s woorden waren een doodsteek geweest. Nu de
+twijfel eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had
+een gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.</p>
+<p>Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het
+vloog recht op Raniero&rsquo;s kaars aan. Hij had geen tijd die terug
+te trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.</p>
+<p>Raniero&rsquo;s arm zonk neer en tranen kwamen in zijn <span class=
+"pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name=
+"pb253">253</a>]</span>oogen. Maar in &rsquo;t eerste oogenblik voelde
+hij het als een verlichting, &rsquo;t Was beter dan dat menschen het
+gedaan hadden.</p>
+<p>&rsquo;t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde
+verward rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis
+komen.</p>
+<p>Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: &bdquo;De vogel brandt!
+Het heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken.&rdquo;</p>
+<p>Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een
+fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het
+snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond
+Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem
+kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel
+verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.</p>
+<p>Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: &bdquo;God wilde
+het! God heeft voor hem getuigd!&rdquo;</p>
+<p>En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders,
+twijfelden niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen,
+verrukt over dit wonder Gods: &bdquo;God wilde het! God heeft voor hem
+getuigd!&rdquo;</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte
+alle zijn levensdagen en wijs en <span class="pagenum">[<a id="pb254"
+href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>voorzichtig en barmhartig
+was. Maar de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri,
+ter herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd
+een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht
+en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den
+huidigen dag.</p>
+<p>Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk
+jaar op den avond v&oacute;&oacute;r Paschen een feest gevierd wordt
+ter herinnering aan Raniero&rsquo;s thuiskomst met het heilige vuur, en
+dat men daarbij altijd een kunstvogel met vuur door den dom laat
+vliegen. En dit feest is er zeker van &rsquo;t jaar nog geweest,
+wanneer daar niet pas een verandering in gebracht is.</p>
+<p>Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig
+vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de
+heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een
+voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren,
+te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.</p>
+<p>Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van
+Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 reviews"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Zweedsche Pers over
+&bdquo;Christuslegenden&rdquo;.</p>
+<p><b>Stockholms Dagblad:</b></p>
+<p>De wereldberoemde schrijfster van &bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;
+en &bdquo;Jeruzalem&rdquo; heeft in haar nieuw werk
+&bdquo;Christuslegenden&rdquo; iets geleverd, dat eenig is in onze
+hedendaagsche literatuur, door dat zij de uitnemendste voorstellingen
+van de moderne vertelkunst als werktuig eener religieuse inspiratie
+gebruikt, waarvan de uitingen door hun echte en spontane naieviteit
+ongezocht herinneren aan wat de godsdienstige genie&euml;n der oudste
+christelijke kerk eens gaven, als ze in gedichten en kunstwerken hun
+ingevingen en droomen vereeuwigden.</p>
+<p><b lang="sv">Kvinden og Samfundet:</b></p>
+<p><b>De &bdquo;Christuslegenden&rdquo; zijn paarlen in de Noordsche
+literatuur en zullen eens tot de klassieke werken gerekend
+worden.</b></p>
+<p><b lang="sv">Karlstads Tidning:</b></p>
+<p>Dat men in deze schilderingen nooit het geringste streven naar iets
+merkwaardigs voelt, dat zij zulk een eenvoudige, kinderlijke, voor
+allen verstaanbare taal spreken, dit alles maakt ze tot zeldzaam echte
+kunstwerken, oorspronkelijk, aangrijpend, soms zelfs subliem.</p>
+<p>Zij, die in kunst alleen schoonheid zoeken, kunnen ook genieten van
+deze legenden, maar&mdash;ik herhaal het&mdash;hun grootste beteekenis
+krijgen ze toch voor hen, die er meer in zoeken dan hun uiterlijken
+glans. Selma Lagerl&ouml;f is, goddank, iets anders en meer dan een
+klinkend metaal en een luidende bel. Ze is iets anders en meer dan een
+groot genie, ze is een groot hart, vol liefde, verlangend anderen de
+troost en de zekerheid mee te deelen, die ze zelf voelt als het
+voornaamste.</p>
+<p><b>G. B. in de <span lang="sv">Falun Kurir</span>:</b></p>
+<p>Deze legenden zijn geschreven met hetzelfde meesterschap, dezelfde
+onvergelijkelijke vertelkunst, die hun volle ontwikkeling en al hun
+glans vertoonde in &bdquo;Jeruzalem&rdquo;. Als men &rsquo;t boek uit
+heeft weet men niet welke legende men &rsquo;t hoogste stelt. Ze zijn
+allen voortreffelijk.</p>
+<p><b>H. K. in <span lang="sv">Verdens Gang</span>:</b></p>
+<p>Niet alleen behandelen ze allen Jezus, niet alleen vinden we in
+allen dezelfde rijke dichterlijke eigenschappen. Maar wat ze het
+diepste tot &eacute;&eacute;n geheel maakt is, dat ze met het aan Selma
+Lagerl&ouml;f eigen, stille pathos het centrale, het schoonste van
+Jezus leer verkondigen. Zij vertellen van de geheimzinnige Almacht der
+Liefde, die al &rsquo;t booze in Natuur en menschen overwint, hoe
+medelijden en toewijding, die zich zelf vergeet, ook de ruwste
+gemoederen verandert en alles in &rsquo;t leven nieuw en schoon
+maakt.</p>
+<p><b lang="sv">Dagen:</b></p>
+<p>De laatste vertelling, de kaarsvlam, van den wilden Raniero di
+Ranieri, wier heele ziel veranderd wordt door de taak, die hij in
+bluffenden overmoed op zich genomen heeft: een kaarsvlam onbeschadigd
+van het heilige graf naar Florence te dragen, is een meesterwerkje uit
+&eacute;&eacute;n stuk gegoten, zeker niet geheel vrij van bizarrerie,
+maar toch doortrokken van de meest levende en heldere symboliek. Zij
+vormt de uitnemende afsluiting van dezen voortreffelijken cyclus, die
+niet warm genoeg kan aanbevolen worden aan alle vrienden van
+po&euml;zie in ons land.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>Bij den Uitgever dezes verscheen mede</i>:</p>
+<p>JERUZALEM I <span class="sc">EN</span> II</p>
+<p>(IN DALECARLI&Euml; en IN HET HEILIGE LAND).</p>
+<p>Prijs per deel ing. &fnof; <b>3.50</b>; geb. &fnof; <b>3.90</b>.</p>
+<p>De Nederlandsche Pers over &bdquo;Jeruzalem&rdquo;:</p>
+<p>De Nieuwe Courant:</p>
+<p><b>Dit is weer een heerlijk boek van de geniale
+dichteres-in-proza.</b> Frissche oorspronkelijkheid, stoute fantasie,
+diepe zielkunde<span class="corr" id="xd21e3492" title=
+"Niet in bron">,</span> forsche stijl en krachtige typeering. Al deze
+menschen leven een sterk persoonlijk leven. <b>Zooals in G&ouml;sta
+Berling bestaat het boek uit hoofdstukken, die, hoewel ze in verband
+staan met elkaar, elk op zichzelf een mooi fragment vormen, zonder
+overgang, abrupt zonder dorheid.</b> Het boek is zoo vol, dat elke
+andere schrijver verscheidene deelen had noodig gehad om het leven van
+deze menschengroep te vertellen. Maar Selma Lagerl&ouml;f geeft dan ook
+enkel het essenti&euml;ele, zonder beschrijvingen. En welk een kracht
+ligt er niet in deze zelfbeperking! <b>Prachtig zijn de Inleiding, De
+ondergang van l&rsquo;Univers, De verkooping, Gertrud. Dit is een boek
+vol intens zieleleven, dat ons alleen daarom niet zoo verrast als
+G&ouml;sta Berling, omdat wij gewend zijn van Selma Lagerl&ouml;f niet
+anders dan gaven van schoonheid te ontvangen. Want zij is als de
+bevoorrechte koningsdochter uit oude sprookjes: van haar dichterlippen
+regent het rozen en paarlen.</b></p>
+<p>De Nederlander:</p>
+<p>Wij hebben hier met <b>een belangrijk verschijnsel op godsdienstig
+gebied</b> te doen. Gewone roman-lectuur is &rsquo;t niet. Maar wie
+walgt van het alledaagsche, zal Selma Lagerl&ouml;f danken, en daartoe
+zal zeker medewerken de uitnemende wijze, waarop Mej. Meijboom haar
+taak heeft volbracht.</p>
+<p><b>Wij verklaren in langen tijd niets te hebben gelezen, dat zooveel
+te genieten en te denken gaf.</b></p>
+<p>De Amsterdammer:</p>
+<p><b>Selma Lagerl&ouml;f is een andere Zweedsche nachtegaal. Zij zingt
+uit de ziel en de ziel uit van haar volk. En zij doet dat als een
+nachtegaal. Niet in diep-doordachte, kunstig geweven zangen. Als een
+nachtegaal gaat zij zonder gezochte overgangen van de eene stemming in
+de andere, rapsodisch maar bekorend.</b></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>GOEDKOOPE UITGAAF</i></p>
+<p>VAN</p>
+<p>G&Ouml;STA BERLING</p>
+<p>Het beroemde boek van SELMA LAGERL&Ouml;F</p>
+<p>Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM</p>
+<p>Prijs ingenaaid &fnof; <b>1.50</b>, in prachtband &fnof;
+<b>1.90</b></p>
+<p>EENIGE BLADEN OVER G&Ouml;STA BERLING.</p>
+<p>Het Algemeen Handelsblad:</p>
+<p>Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van
+sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke,
+schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van
+meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel
+misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij
+het ook duur gekocht, geluk. Het is een boek van echte po&euml;zie,
+verteld op de manier die <span class="corr" id="xd21e3546" title=
+"Bron: velen">vele</span> Scandinavi&euml;rs tegenwoordig eigen is,
+zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar met
+korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en prikkelend
+tegelijk.</p>
+<p><b>Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden,
+v&oacute;&oacute;r hij het geheel genoten heeft.</b></p>
+<p>Het Vaderland:</p>
+<p>Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet
+loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een
+bijzonder en <span class="corr" id="xd21e3558" title=
+"Bron: oorspronkeiijk">oorspronkelijk</span> talent; men zou zeggen,
+dat er in haar iets van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te
+veel gezegd. <b>&bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo; is een boek om
+tweemaal te lezen.</b></p>
+<p>De Kerkelijke Courant:</p>
+<p>Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan &bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;. Zonderling. De geschiedenis van
+een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste
+toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander
+gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche
+schrijfster Selma Lagerl&ouml;f, die in Margaretha Meijboom een
+uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent
+van meedeelen in z&oacute;&oacute; aantrekkelijk, dat men menige
+bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen
+overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar
+eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn
+een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>Bij den Uitgever dezes verscheen ook</i>:</p>
+<p>ONZICHTBARE KETENEN</p>
+<p><span class="sc">Naar het Zweedsch van</span> SELMA
+LAGERL&Ouml;F</p>
+<p>DOOR</p>
+<p>MARGARETHA MEIJBOOM.</p>
+<p>PRIJS: Ingenaaid &fnof; <b>3.50</b>; gebonden &fnof;
+<b>3.90</b>.</p>
+<p>De Nederlandsche Pers over &bdquo;Onzichtbare Ketenen&rdquo;.</p>
+<p>De Nederlander:</p>
+<p>In de geschriften van <span class="sc">Selma Lagerl&ouml;f</span> is
+iets dat sterk aantrekt, waarvan bekoring uitgaat, dat sympathie
+verwekt bij hen, die vatbaar zijn voor hoogere indrukken, dan die door
+&rsquo;t gewone, &rsquo;t alledaagsche worden verwekt. Daar gaat van
+wat ze schrijft, eene geheimzinnige kracht uit. Zij noemt dit boek
+&bdquo;Onzichtbare Ketenen.&rdquo; En met recht. De verhalende verwijlt
+met haar geest menigmaal in hoogere sferen, een andere onzichtbare
+wereld, waar gerechtigheid en liefde wonen, waarheen menige ziel zich
+getrokken gevoelt in deze wereld vol onrecht en bitterheid. Daardoor
+heeft haar arbeid in dezen materialistischen tijd groote beteekenis en
+waarde.</p>
+<p>Groot Nederland:</p>
+<p>Een bundel korte verhalen, door &bdquo;onzichtbare ketenen&rdquo;
+verbonden. De meeste hebben een fantastisch, sprookjesachtig tintje,
+dat er een eigenaardig cachet aan geeft. Ook bevatten sommige wel een
+dieperen zin, geen tendenz die zich hinderlijk opdringt, maar iets dat
+den lezer dwingt eens even na te denken en soms het gelezene nog weer
+na te slaan. Onder de mooiste noem ik: &bdquo;De Vogelvrijen&rdquo;,
+&bdquo;de Legende van het Vogelnest&rdquo;, &bdquo;de Sage van
+Reor&rdquo;, &bdquo;een Kerstgast&rdquo;, en &bdquo;Vrouw Vasten en
+Petter Nord&rdquo;. Geestig en vermakelijk is &bdquo;Oom Ruben&rdquo;,
+en allerliefst &bdquo;het Kuikentje&rdquo;. Hier en daar deed de
+schrijfster mij aan anderen denken, vooral in &bdquo;Oom Ruben&rdquo;
+en ook in &bdquo;Vrouw Vasten.&rdquo; <span class="sc">Selma
+Lagerl&ouml;f&rsquo;s</span> fantasie is zoo dartel en weelderig als
+een jong veulen en dreigt ieder oogenblik uit den band te springen. Het
+krachtigst is zij wel waar zij die rijke fantasie niet al te bandeloos
+laat doorhollen, maar een leidende gedachte die in bedwang houdt.</p>
+<p>Nieuwe Courant:</p>
+<p><b>Het heele boek is weer een gave om blij en dankbaar te
+genieten.</b></p>
+<p>Kerkelijke Courant:</p>
+<p><b>Ook het eenvoudigste maal kruidt zij door de specerijen van haar
+geest en gemoed tot eene uitgezochte lekkernij, al zal den een
+aanstaan, wat met een anders smaak slechts matig overeenkomt.</b></p>
+</div>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41"
+title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
+"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
+schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
+stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
+einde van dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2013-12-16 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctiontable" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e387">16</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1687">132</a></td>
+<td class="width40 bottom">sybille</td>
+<td class="width40 bottom">sibylle</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">32</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e994">73</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e998">73</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1008">74</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1849">141</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2976">222</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2997">223</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3233">243</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e886">63</a></td>
+<td class="width40 bottom">beschermde</td>
+<td class="width40 bottom">beschermden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1130">87</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">er</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1221">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1640">129</a></td>
+<td class="width40 bottom">oud</td>
+<td class="width40 bottom">oude</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1750">136</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2159">162</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1839">140</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2508">186</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">151</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2527">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2111">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">bewaakten</td>
+<td class="width40 bottom">bewaakte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2120">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2137">161</a></td>
+<td class="width40 bottom">het het</td>
+<td class="width40 bottom">het</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3006">224</a></td>
+<td class="width40 bottom">bizonders</td>
+<td class="width40 bottom">bijzonders</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3492">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3546">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">velen</td>
+<td class="width40 bottom">vele</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3558">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">oorspronkeiijk</td>
+<td class="width40 bottom">oorspronkelijk</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44506 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/44506-h/images/book.png b/44506-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/44506-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/44506-h/images/card.png b/44506-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/44506-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/44506-h/images/external.png b/44506-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/44506-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/44506-h/images/frontcover.jpg b/44506-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..42a564c
--- /dev/null
+++ b/44506-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/44506-h/images/titlepage.png b/44506-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..f5d7d7c
--- /dev/null
+++ b/44506-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..21eb500
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #44506 (https://www.gutenberg.org/ebooks/44506)
diff --git a/old/44506-8.txt b/old/44506-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..7374b8c
--- /dev/null
+++ b/old/44506-8.txt
@@ -0,0 +1,6717 @@
+The Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Christuslegenden
+
+Author: Selma Lagerlof
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 25, 2013 [EBook #44506]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CHRISTUSLEGENDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ CHRISTUSLEGENDEN
+
+
+ Naar het Zweedsch
+ van
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ Schrijfster van:
+ "Gösta Berling", "Ingrid",
+ "De Koninginnen van Kungahälla",
+ "De Wonderen van den Antichrist",
+ "Jeruzalem", "Onzichtbare Ketenen".
+
+ door
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+
+ Geautoriseerde uitgave
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De heilige nacht 1
+ Het visioen van den Keizer 11
+ De bron der Wijzen 23
+ De Kinderen van Bethlehem 37
+ De vlucht naar Egypte 69
+ In Nazareth 81
+ In den Tempel 89
+ De Zweetdoek van de Heilige Veronica 111
+ Vogel Roodborst 179
+ Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus 191
+ De Kaarsvlam 207
+
+
+
+
+
+
+
+DE HEILIGE NACHT.
+
+
+Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij
+niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de
+dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in
+den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.
+
+Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
+zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
+stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
+kind had het zoo goed als wij.
+
+Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
+dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
+een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
+verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
+ze: "En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou."
+
+Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
+alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en
+daarvan was het refrein: "Koud waait de wind over de zee".
+
+En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en
+een gezangvers.
+
+Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
+verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik
+'t zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus' geboorte.
+
+Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
+dat wat ik me 't allerbest herinner--en dat is het groote gemis,
+toen zij was heengegaan.
+
+Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond--en toen
+ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik
+nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen,
+bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.
+
+En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen,
+dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor
+al het pleizier, dat zij ons gedaan had.
+
+En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve,
+ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen.
+
+Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
+van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger
+vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open
+kon maken.
+
+En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed
+leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon 't wel
+schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten.
+
+Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
+legenden van Christus verzamel, die ik nu in 't Oosten gehoord heb,
+wordt dat kleine verhaal van Jezus' geboorte, dat Grootmoeder me
+placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over
+spreken en het opnemen in mijn verzameling.
+
+
+
+'t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder
+en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet
+meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het
+speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden
+en de Kerstlichtjes zien.
+
+Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen.
+
+"Er was eens een man," zei ze, "die uitging in den donkeren nacht
+om vuur te leenen. Hij ging van 't eene huis naar het andere en
+klopte aan.
+
+"Ach, vrienden," zei hij, "helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind
+gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"Maar 't was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand
+antwoordde hem.
+
+"De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het
+schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur
+in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen
+te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.
+
+"Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was,
+zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen
+te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden
+de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd
+gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan,
+hij zag hun tanden wit glimmen in 't schijnsel van het vuur en zij
+vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in 't been wilde
+bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar
+de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet
+gehoorzamen en de man werd in 't minst niet gewond.
+
+"Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de
+schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door
+kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het
+vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich."
+
+Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
+laten haar in de rede te vallen. "Waarom werden ze niet wakker,
+Grootmoeder?" vroeg ik.
+
+"Dat zul je straks hooren," zei Grootmoeder, en vertelde voort.
+
+"Toen de man bijna bij 't vuur was, zag de herder op. Hij was een oud,
+knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij
+den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien
+hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem
+dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij
+hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in."
+
+Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede:
+"Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?" Maar
+Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort:
+
+"Nu kwam de man bij den herder en zei: "Vriend, help mij, en leen me
+wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur
+aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen."
+
+"De herder had 't liefste "neen" gezegd, maar toen hij er over dacht,
+dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen
+niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen
+treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat
+hij vroeg.
+
+"Neem zooveel ge noodig hebt," zei hij tot den man.
+
+"Maar 't vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar
+niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep,
+waarin hij de heete kolen dragen kon.
+
+"Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: "Neem zooveel als gij noodig
+hebt," en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen.
+
+"Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen
+en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet,
+toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
+man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren."
+
+Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: "Grootmoeder,
+waarom wilden de kolen den man niet branden?"
+
+"Dat zul je hooren," zei Grootmoeder, en vertelde verder:
+
+"Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag,
+werd hij heel verbaasd: "Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat
+de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet
+doodt en 't vuur niet zengt?"
+
+"Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: "Wat is dit toch voor een
+nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?"
+
+"Toen zei de man: "Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet
+ziet." En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw
+en kind te kunnen verwarmen.
+
+"Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het
+oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
+beteekenen.
+
+"Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde.
+
+"Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen,
+maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien
+was dan kale, naakte steenen wanden.
+
+"Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou
+kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was,
+werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.
+
+"En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte
+schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje
+daarop moest leggen.
+
+"Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen
+zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had
+kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.
+
+"Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met
+zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en
+allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de
+wereld zou redden uit haar zonden.
+
+"Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad
+wilden doen.
+
+"En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze
+overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs
+den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en
+als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje.
+
+"Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles
+zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen
+onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren,
+dat hij op de knieën viel en God dankte."
+
+Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: "Maar
+wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht
+vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden."
+
+En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: "Dat moet
+je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
+jou. 't Zit hem niet in kaarsen en lampen en 't is niet verborgen in
+zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods
+heerlijkheid kunnen zien."
+
+
+
+
+
+
+
+HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.
+
+
+Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning
+in Jeruzalem.
+
+Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
+neerdaalde. 't Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had;
+men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen
+was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men
+kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders,
+want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren
+thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.
+
+En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
+staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
+hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
+gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
+sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
+hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich
+onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. 't Gras durfde
+niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden 't niet
+haar geuren uit te ademen.
+
+In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
+blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
+levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
+willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper
+zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.
+
+Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
+keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
+het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren
+den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde,
+dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord,
+dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun
+wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld
+door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.
+
+Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
+de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de
+kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of
+soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.
+
+De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door 't nachtelijk
+duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige
+altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur--en alles wat
+er verder voor het offer noodig was.
+
+Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
+lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den
+nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de
+ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet,
+openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.
+
+Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand
+van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst,
+dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een
+oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de
+rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon
+zijn dan de oude Sibylle.
+
+Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die
+oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet
+bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. "Zij
+is het," fluisterden ze elkaar toe, "die zooveel jaren telt als er
+zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist
+vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer
+en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der
+boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen,
+aan wie ze zijn afgezonden?"
+
+Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het
+voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging
+gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat
+aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
+over de oogen, uit in den nacht.
+
+Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
+in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.
+
+Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?
+
+Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis
+was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte,
+wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden
+ze niet hooren. Maar 't was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
+zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.
+
+Zij dachten: "Er moet iets vreeselijks gebeuren."
+
+Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
+keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem
+in om den nieuwen god te begroeten.
+
+Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
+en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
+zijn beschermgeest te begroeten.
+
+Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een
+visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen
+was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof
+ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met
+den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij
+boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras,
+maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.
+
+Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
+en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij 't vuur te slapen
+en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de
+kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de
+glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
+waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven
+niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en
+de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.
+
+Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
+berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde,
+de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit
+de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon
+den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich
+vrij en verdween in 't duister van den nacht.
+
+Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
+sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.
+
+Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij 't kolenvuur der herders
+meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door
+den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang,
+eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.
+
+Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende
+gestalten daarboven in 't donker voortglijden. 't Waren kleine scharen
+engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen
+over de wijde vlakte.
+
+Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
+de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde
+het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle
+krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de
+duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar
+duisteren nacht.
+
+De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
+en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
+ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.
+
+Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
+haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk
+werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich
+overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte
+engelen zich boven hen in 't donker bewegen in lange, golvende rijen,
+als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen
+cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen
+en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden,
+stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden,
+om van het wonder te vertellen.
+
+Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
+oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een
+groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den
+bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
+engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
+versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.
+
+Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven
+een lagen stal bij de stadspoort. 't Was een onooglijk gebouw met een
+rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven
+en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich
+op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het
+huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de
+lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad,
+ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij 't
+Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden
+frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke
+geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te
+bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan
+den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
+duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.
+
+Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
+zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. "Ave, Caesar!" riepen
+zij. "Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die
+aangebeden moet worden op het Kapitool."
+
+En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
+zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar
+visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en
+ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond
+was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in
+haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de
+gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde
+rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.
+
+Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
+ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees
+zij naar het verre oosten.
+
+"Zie," beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte
+opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in
+het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen
+rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In
+den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje,
+dat op een stroobos op den grond lag.
+
+En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.
+
+"Ave, Caesar!" zei ze met een hoonlach. "Dáár is de God, die op den
+heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden."
+
+Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
+zich had.
+
+Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
+oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
+veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
+een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
+woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:
+
+"Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de
+wereld vernieuwt.
+
+"Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen."
+
+Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
+mannen, liep langzaam den berg af en verdween.
+
+Maar Augustus liet den volgenden dag 't volk streng verbieden een
+tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte
+hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat:
+"Altaar des Hemels", Ara Coeli.
+
+
+
+
+
+
+
+DE BRON DER WIJZEN.
+
+
+In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en
+verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras.
+
+'t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de
+minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
+veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.
+
+De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar
+Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen
+hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van
+David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen
+tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.
+
+Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
+die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
+uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien
+uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden
+in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de
+opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den
+bodem maakte hem onrein en troebel.
+
+Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
+op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.
+
+"Ik zou wel eens willen weten, wanneer 't met jou gedaan kan zijn,"
+zei de droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de
+diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er,
+Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."
+
+"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron; "niemand kan me helpen. Daar
+zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn."
+
+"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei de
+droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu
+wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.
+
+Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
+als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
+pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen,
+den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige
+droppels van den bodem.
+
+Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de
+droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte.
+
+"Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zoo
+licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat 't met
+je gedaan is."
+
+De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht,
+die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land
+van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige
+koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen
+eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
+verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.
+
+Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
+kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
+de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
+aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.
+
+De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
+in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
+vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
+kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
+was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk,
+dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan,
+die daar kwam aanzetten in den nacht.
+
+Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
+tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
+schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk
+de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.
+
+Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid
+was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat
+de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en
+dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje,
+en bereden door schoone, voorname ruiters.
+
+De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
+zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen,
+en hun ruiters stegen af.
+
+De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen,
+schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten
+en wonderlijk opeengestapelde pakken.
+
+De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
+door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
+gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
+glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van
+den hemel genomen was.
+
+"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij
+verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."
+
+"Zoo wordt zij vandaag nog genoemd," zei de droogte; "maar morgen is
+het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."
+
+"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is
+dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar
+heeft zij haar naam?"
+
+"Ik weet dat ze heilig is," zei de droogte; "maar wat kan haar dat
+helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."
+
+De drie reizigers zagen elkander aan.
+
+"Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.
+
+"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen," zei
+de droogte trotsch.
+
+"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.
+
+En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit,
+en luisterden.
+
+De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
+sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:
+
+"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn
+ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren
+drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm,
+wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in
+eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
+niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
+melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De
+menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren,
+den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde
+wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige
+wijsheid uit Ethiopië gekomen was.
+
+De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar
+aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des
+nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid
+zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het
+wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten.
+
+Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
+begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
+wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
+wekte de beide anderen.
+
+"Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
+te slapen," sprak hij tot hen. "Ontwaakt en heft uw oogen op naar
+den hemel."
+
+"Nu," zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht,
+dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was
+zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep
+en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde
+er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten,
+sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.
+
+Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen
+een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als
+een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon
+hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen--God late ze alle
+verdorren--wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en
+het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte
+naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen
+hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
+hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en
+er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig
+stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en
+straalde als de schoonste onder de sterren.
+
+Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
+op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van
+Cyrus en Alexander te boven zou gaan.
+
+En ze zeiden tot elkander: "Laat ons naar den vader en de moeder
+van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
+hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met
+een gouden armband."
+
+Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen
+de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in
+de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke
+woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe
+ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen
+getroost voort met de ster als wegwijzer.
+
+Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
+den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning,
+dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
+edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
+spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
+moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
+macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo.
+
+Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
+zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
+minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
+zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
+behoefden te dragen.
+
+"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei de droogte,
+"en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood,
+maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen
+den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten,
+bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze
+hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende
+boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den
+nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen
+zij verder.
+
+"Voor een mensch," ging de droogte voort, "was het een heerlijke
+wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden
+te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het
+diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den
+heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar:
+"God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten."
+
+"Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging de droogte
+voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn,
+even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren
+trots en verwoestende gierigheid. "Wij zijn Godsgezanten," herhaalden
+de drie Wijzen. "De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet
+te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud."
+
+"Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
+heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de
+stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag
+te schitteren.
+
+"De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren
+en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen
+niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
+stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar
+gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie
+wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen.
+
+"Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje
+van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot
+staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk
+te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te
+verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar
+den heuvel.
+
+"Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?" zeiden
+ze. "Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten,
+en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat
+kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier
+in het dal."
+
+De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb
+ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is
+dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart."
+
+"De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam,
+dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging de
+droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten
+weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden,
+van den heuvel verdwenen."
+
+De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht
+lag een uitdrukking van diepe smart.
+
+"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van 't standpunt
+van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat
+de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij
+tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde de droogte
+bevend verder, "zooals het veld in den herfst, als de sterke regens
+beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel
+werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.
+
+"Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind
+te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
+niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
+smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
+drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over
+het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de
+ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.
+
+"En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen
+opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind
+en zeiden: "Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
+kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
+heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe."
+
+"Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij
+opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een
+koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de
+melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
+zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken
+en koning werden--ieder in zijn eigen land."
+
+De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar:
+"Ge hebt goed verteld," zeiden zij.
+
+"Maar het verwondert mij," zei de eene, "dat de drie Wijzen niets
+voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad
+geheel vergeten?"
+
+"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede
+vreemdeling, "om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat
+verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden
+in het dal van de nederigheid?"
+
+"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft
+de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"
+
+Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
+had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
+zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
+Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
+beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
+dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+DE KINDEREN VAN BETHLEHEM.
+
+
+Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op
+wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange
+speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat
+men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners
+gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw
+onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten
+hun manden en potjes op 't veld naast den krijgsman, maar hij nam
+nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien.
+
+"Dat is niet de moeite waard om naar te kijken," scheen hij te willen
+zeggen. "Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen
+aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat
+zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen
+zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een
+schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas
+vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets
+kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den
+Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang
+naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
+de roode bloeddroppels."
+
+Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
+leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit
+veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
+schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
+voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten,
+en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden
+om naar zooiets onbeduidends te kijken. "Die menschen weten niet wat
+mooi is," dacht hij.
+
+En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
+olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde
+zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag
+een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen
+zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen,
+nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de
+woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen
+met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den
+een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar
+niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
+aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
+terug te gaan.
+
+"Zie, dàt is mooi," dacht de krijgsman, "dat is de moeite waard voor
+een dapper man, om te zien."
+
+Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
+had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
+heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
+begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. "Wat is
+daar voor aardigs aan?" dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen,
+als zij naar de spelen der kinderen keken. "'t Is wonderlijk, dat
+menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben."
+
+Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten
+de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
+oud kon zijn, op 't veld komen om te spelen. 't Was een arm kind,
+met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.
+
+De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
+'t zelf te merken.
+
+'t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over 't
+veld sprong; 't was alsof hij over de punten van de grassprietjes
+zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij
+nog verbaasder.
+
+"Bij mijn zwaard!" zei hij eindelijk. "Dit kind speelt niet als
+anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?"
+
+'t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat
+deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een
+bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen
+was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon
+opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
+opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
+gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
+knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen
+haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die
+manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den
+heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.
+
+"Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb,"
+dacht de krijgsman. "Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen
+helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den
+koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien,
+als hij in 't leven blijft!"
+
+De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
+de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
+kijken. "Dat is toch wonderlijk," dacht hij. "Ik heb hier nu volle
+drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets
+gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind."
+
+Maar de krijgsman was in 't geheel niet ingenomen met het
+kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
+vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
+gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
+tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
+worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als
+de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou
+kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de
+hand om zijn speer, als om steun te zoeken.
+
+En nu--hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag,
+hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
+was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er
+niet van aan zooiets akeligs te denken.
+
+Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie
+veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken
+neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren,
+die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn
+sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en
+mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg,
+naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken
+troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte
+hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de
+bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden
+en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen
+beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van
+den jongen aanzag. "Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar
+voor zijn," zei hij. "Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat
+niet, die stijve planten zoo te buigen."
+
+Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
+kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
+zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind
+zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek,
+dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de
+eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle
+pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een
+wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. "Kijk nu zoo'n kind eens,"
+dacht hij. "'t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
+kan. Wat zal er voor een man uit zoo'n jongen groeien, die niet
+verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou 't gaan als zoo
+iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een
+huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den
+grond te boren met alle manschappen aan boord?" Weer moest hij denken
+aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch
+werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. "Nu er
+zulk een kind gekomen is als dit," dacht hij, "is die vreeselijke tijd
+misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de
+dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen
+alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart
+hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten
+zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald,
+en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er
+zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man."
+
+En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven
+en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen,
+voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend
+met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam.
+
+Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine
+trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel
+onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.
+
+'t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm
+en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
+hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. 't Scheen
+den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn
+oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en 't
+vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was,
+dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen,
+vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te
+verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te
+toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting
+voor de zon behoefde te zoeken.
+
+Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam
+de kleine jongen, die gewoonlijk op 't veld speelde, plotseling naar
+hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde,
+en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het
+bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe,
+bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen
+hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als
+een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê.
+
+"Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor
+mij te halen?" dacht de krijgsman. "Dat is toch al te onwijs! Zou
+een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat
+hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet
+noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij
+en zijns gelijken de wereld uit waren!"
+
+De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
+opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
+hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje
+water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man
+daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.
+
+Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
+water aan.
+
+Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder
+over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
+hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
+eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
+soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde
+hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken,
+dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad
+aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.
+
+Hij zag het niet in 't lieve gezichtje, maar bleef stijf en
+onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
+hem wilde doen.
+
+Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
+wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op
+en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat
+bij het water zou kunnen komen.
+
+De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
+helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.
+
+Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
+zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij
+roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde
+smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet
+oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
+van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer
+op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij
+kon van het water op, dat het in de handjes hield.
+
+'t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg,
+maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had,
+voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm
+en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun
+moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de
+roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.
+
+Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
+neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg
+zich verwonderd af: "Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? 't
+Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen."
+
+Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. "'t Is
+immers maar een kind," dacht hij, "'t weet zelf niet waarom het zoo
+of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst
+vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien
+kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens,
+dat hij me geholpen heeft."
+
+En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
+geïrriteerd tegen 't kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche
+soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag
+komen. "Kijk," dacht hij, "wat ben ik door dien jongen in gevaar
+geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij
+mij met een kind in de armen hebben zien staan."
+
+De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
+of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
+een geheim meê te deelen. "Als wij maar tien stappen van de poort
+weggaan," antwoordde de krijgsman, "dan kan niemand ons hooren."
+
+"Je weet," zei de hoofdman, "dat koning Herodes meer dan eens getracht
+heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn
+profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal
+bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een
+duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt
+dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil."
+
+"Ja, dat begrijp ik," zei de krijgsman levendig, "maar dat moet immers
+de eenvoudigste zaak van de wereld zijn."
+
+"Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn," zei de hoofdman, "als de
+koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde
+was."
+
+De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. "'t Is jammer,
+dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen."
+
+"Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen
+Vredevorst onschadelijk te kunnen maken," ging de hoofdman voort. "Hij
+looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil."
+
+"Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning
+of geschenken," antwoordde de soldaat.
+
+"Ik dank je," antwoordde de hoofdman. "Hoor nu wat de koning van plan
+is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een
+feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen
+de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun
+moeders. En op dit feest----"
+
+Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag,
+die op het gezicht van den soldaat kwam.
+
+"Vriend," ging hij voort, "je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes
+van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij
+mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen."
+
+De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
+verteld had, zei hij: "Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
+grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming
+zal mislukken."
+
+"Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt," zei de krijgsman.
+
+Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op
+zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
+tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
+dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.
+
+Plotseling begon de krijgsman te lachen.--"'t Is waar," zei hij,
+"ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt
+vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd."
+
+De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
+avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten.
+
+Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
+een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.
+
+Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats,
+door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven
+elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest
+voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.
+
+Deze galerij was, evenzoo op 's konings uitdrukkelijk bevel,
+zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
+lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
+druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
+granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer
+was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs
+de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage
+divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs.
+
+In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
+waar glinsterende zilver- en goudvisschen in 't doorschijnende water
+speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in
+een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.
+
+Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De
+kinderen werden dadelijk bij 't binnenkomen in 't paleis getooid
+in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op
+de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe
+gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen,
+met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op
+de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere,
+wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen.
+
+De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
+genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
+waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
+past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen
+haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen,
+die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.
+
+Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
+bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
+krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
+onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
+gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
+schare verwonderd aan te zien.
+
+"Waarom staan die daar?" fluisterden zij; "meent Herodes, dat we ons
+niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden
+noodig zijn om op ons te passen?"
+
+Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een
+koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis
+vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
+zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.
+
+In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
+onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig
+kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die
+Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor
+zijn kleine gasten geschapen had.
+
+Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
+honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
+hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken
+voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een
+oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek
+van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde,
+die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.
+
+Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat
+zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden,
+die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen
+werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
+gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
+gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten,
+dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich
+nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien
+of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen.
+
+Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten
+stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk
+voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers
+konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen.
+
+Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet
+kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
+een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
+bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
+dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.
+
+Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
+ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
+wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze
+over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
+guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
+verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
+en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
+muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats.
+
+In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
+kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
+van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
+van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
+kreet op de krijgslieden toe.
+
+Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
+ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
+met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
+wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen
+zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen
+te wreken door hun moordenaren te worgen.
+
+Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis
+klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de
+krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen
+onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden
+leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief
+hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind
+te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen
+zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo
+vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of
+terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het
+gevaar van hem voorbij te gaan.
+
+"Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf,"
+dacht de krijgsman, "een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats
+verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan
+had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn."
+
+Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw,
+die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar
+hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog,
+kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van 't gevecht
+waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de
+galerij gekomen.
+
+"Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen," dacht de krijgsman;
+"noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond...."
+
+De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog,
+en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind
+te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in
+haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind
+het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
+boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn
+in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
+verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
+bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem
+die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van
+dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard,
+in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen
+te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
+korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
+moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij
+haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
+verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.
+
+
+
+Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden
+op wacht, dicht bij de stadspoort. 't Was nog vroeg en de zware poorten
+waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat
+zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders
+stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners
+van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien
+nacht, dat niemand 't waagde zijn huis te verlaten.
+
+"Bij mijn zwaard," zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe
+straat inzag, die naar de poort leidde, "ik geloof, dat Voltigius
+een onverstandig besluit genomen heeft. 't Was beter geweest als
+hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had
+laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt
+is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders
+zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de
+poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist
+hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig
+is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen." En hij
+dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen
+in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of
+in balen met koren op een karavaan.
+
+Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
+trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in 't oog,
+die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard
+en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een
+bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich
+met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde.
+
+Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
+vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder,
+die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij
+den rok van haar kleed over 't hoofd geslagen had. Hij dacht: "Dat
+doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt."
+
+Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind,
+dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog
+geslagen kleedingstuk.
+
+"Ik ben er zeker van dat zij het is," dacht hij, "die mij gisteren
+ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange
+gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder
+zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed
+durven hopen."
+
+De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
+stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
+tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
+krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.
+
+"Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?" vroeg de man.
+
+"Je moogt dadelijk gaan," zei de soldaat; "ik moet alleen maar eerst
+even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt."
+
+"Wat is daaraan te zien?" zei de man, "het is alleen wat brood en wijn,
+waar we vandaag van moeten leven."
+
+"Het is misschien waar, wat je zegt," zei de soldaat; "maar als dat
+zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet
+gewillig zien wat ze draagt?"
+
+"Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te
+laten gaan."
+
+Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
+de hand op zijn arm.
+
+"Neen, ga nu niet vechten," smeekte ze. "Ik zal hem laten zien wat
+ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen."
+
+En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
+den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.
+
+En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
+voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw
+onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een
+schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.
+
+"Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt," zei hij.
+
+"Je ziet nu wat ik draag," antwoordde de vrouw.
+
+Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet
+anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
+veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij
+kon er nauwelijks naar kijken.
+
+Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
+afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
+dan de koele bloembladeren.
+
+Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
+den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep,
+dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.
+
+Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:
+
+"Wil je ons nu laten gaan?"
+
+De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden
+had en trad op zij.
+
+Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
+hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
+glimlach!
+
+"Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar
+zag," zei ze tegen den krijgsman.
+
+En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
+ze in 't gezicht waren.
+
+En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
+dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind.
+
+Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
+uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
+kwamen loopen. "Houd ze!" riepen ze. "Sluit de poort voor hen! Laat
+hen niet ontkomen!"
+
+En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor
+van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn
+huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
+ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
+grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
+'t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had.
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen
+de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een
+woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het
+paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in
+'t zadel en joeg voort over den weg.
+
+
+
+Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn,
+die 't zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen
+van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht,
+waar maar geen einde aan kwam.
+
+"'t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen
+zinken," zei hij morrend. "Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet
+zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had
+kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden,
+dat ik ze nooit kan vinden."
+
+Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij
+vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen
+hem beschermden.
+
+"'t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger
+en dorst omkom in dit eenzame land!" zei hij herhaaldelijk in zichzelf.
+
+Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
+wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu
+al twee keer het kind had laten ontkomen. 't Was niet denkbaar,
+dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.
+
+"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog
+leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de
+krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te
+verzachten--mij aan het kruis zal slaan."
+
+'t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in
+deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in
+'t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de
+ruiter beide waren op 't punt te bezwijken.
+
+Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
+vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer
+dan ooit.
+
+"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het
+de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in
+deze vreeselijke woestijn."
+
+Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den
+weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.
+
+Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de
+grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,"
+dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
+kan hervatten."
+
+Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
+beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.
+
+Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
+als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.
+
+Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman
+iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam
+die mee in de grot.
+
+De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf
+binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren
+een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt,
+in diepen slaap verzonken.
+
+De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat
+zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had
+nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen,
+buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht.
+
+Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
+het slapende kind.
+
+Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en
+mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden.
+
+Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
+zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
+'t bekijken van zijn offer.
+
+Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd,
+want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de
+leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.
+
+"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom
+heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde
+vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht:
+"Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot
+aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen."
+
+Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht,
+verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste
+zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken."
+
+Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
+geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
+die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog
+en om zijn hoofd.
+
+De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
+jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
+die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
+
+Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard
+stil en stond naar de bij te luisteren.
+
+Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
+zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie
+in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën,
+die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het
+een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden
+en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort.
+
+Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.
+
+"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij.
+
+Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
+een diepe blos kwam op zijn gezicht.
+
+"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen
+dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd
+met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den
+jongen vredevorst te vernietigen.
+
+"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft,"
+zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard
+naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen
+zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.
+
+Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie
+oogen aan te zien, die als sterren straalden.
+
+En de krijgsman boog een knie voor het kind.
+
+"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de
+overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt
+degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt."
+
+Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl
+de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen.
+
+
+
+
+
+
+
+DE VLUCHT NAAR EGYPTE.
+
+
+Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange,
+lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de
+woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen,
+want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen,
+dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.
+
+Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien
+over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn
+geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen
+van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee
+eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk
+een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch
+zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de
+palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
+geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.
+
+"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om
+te sterven."
+
+De palm wierp snel een blik om zich heen.
+
+"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet
+vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen
+van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een
+zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de
+slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm
+zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen
+treffen en de vrees ze doen sterven."
+
+En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
+stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
+kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
+jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
+weer aan die twee zwervers denken.
+
+"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste
+vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den
+arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."
+
+De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk
+zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm,
+dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.
+
+"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie,
+dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje
+heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen
+en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn
+vluchtelingen."
+
+"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel
+hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten
+afwachten, dan de woestijn in te gaan.
+
+"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan
+zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten
+gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was,
+heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen,
+heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en
+is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht
+geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan,
+maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....
+
+"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen,
+maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht
+van een dorstig mensch maar al te goed."
+
+En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
+zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
+alsof ze boven het vuur gehouden werden.
+
+"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn
+wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij
+de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig
+zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen
+zooals ik.
+
+"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden
+kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij,
+dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak
+moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in
+mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik
+was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste
+uur geweest zijn."
+
+De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.
+
+"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei
+hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat
+me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar
+die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het
+wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."
+
+En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
+herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende
+schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin
+van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De
+schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had
+haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
+
+"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu
+een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen
+zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan,
+die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de
+pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.
+
+"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de
+palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste
+aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd
+heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"
+
+"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het
+klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is
+goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet
+sterven."
+
+De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
+gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
+naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als
+zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten
+van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
+voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
+moesten omkomen....
+
+Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
+daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
+zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw
+legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van
+de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn
+beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen
+over spraken, dat zij sterven moesten.
+
+Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
+twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
+verwachte koning van Juda geboren zou zijn.
+
+"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor
+deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."
+
+Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.
+
+De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
+krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat
+zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.
+
+"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.
+
+"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij
+hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"
+
+Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
+den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in
+het hart.
+
+De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de
+uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
+grenzenlooze vertwijfeling.
+
+De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
+werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd
+op en zag naar de kroon van den boom.
+
+"O, dadels, dadels!" riep zij.
+
+Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte,
+dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo
+gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij
+wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
+zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op
+kunnen klimmen?
+
+De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
+hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw,
+niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
+rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep
+van zijn moeder gehoord.
+
+Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
+alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
+hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd
+trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er
+een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij
+ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn
+lief kinderstemmetje:
+
+"Palm, buig je, palm, buig je."
+
+Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan
+zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling
+na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij
+kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind,
+zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij
+ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon
+met de trillende bladen het woestijnzand raakte.
+
+Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet
+kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit
+de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom
+nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
+streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:
+
+"Sta op, palm, sta op, palm."
+
+En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
+veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.
+
+"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm
+in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van
+deze menschen."
+
+Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.
+
+"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke,
+die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
+vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"
+
+Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen
+de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.
+
+"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet
+sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"
+
+"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de
+woestijnreizigers.
+
+
+
+
+
+
+
+IN NAZARETH.
+
+
+Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep
+van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels
+te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den
+pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
+zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
+Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
+bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
+hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat
+gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn
+buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem
+zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.
+
+Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood
+haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij
+gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor
+'t oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan
+een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf
+niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de
+oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze
+waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus
+had zijn voorraad met hem gedeeld.
+
+Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een
+kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd
+uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats
+van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.
+
+Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
+kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
+omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij
+kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en
+dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn
+vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de
+bosschen op Tabor.
+
+Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam
+hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde;
+zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes;
+zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor
+hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo
+rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.
+
+De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
+zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat
+te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote,
+leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte,
+krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
+dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
+uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld,
+wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager
+en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem
+te luisteren.
+
+Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat
+mooie vogels Judas maakt," zei hij.
+
+Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
+zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
+niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn
+werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels
+en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver,
+dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die
+met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat
+verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood,
+alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg
+kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten
+van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de
+zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.
+
+Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
+die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
+bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
+dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
+met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren
+en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.
+
+En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
+een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
+klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als
+van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te
+zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet
+van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei
+met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van
+de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
+trachtte den zonneschijn op te vangen.
+
+Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
+vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
+te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan
+zijn arme vogels geven.
+
+"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."
+
+"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg,
+zooals ze zijn."
+
+Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
+hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na
+den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
+vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat
+te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
+zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.
+
+Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei
+veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
+lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.
+
+"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en
+kunnen zingen?"
+
+Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.
+
+Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
+geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij
+was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels
+kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier
+van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.
+
+Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
+lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in
+de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"
+
+Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
+fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze
+veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen
+en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
+de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze
+in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.
+
+En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus'
+voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen,
+zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.
+
+Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte
+hem tegelijk.
+
+Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
+stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot
+en liefkoosde hem.
+
+"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen
+schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste
+mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een
+wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den
+adem des levens in de doode klei blaast?"
+
+
+
+
+
+
+
+IN DEN TEMPEL.
+
+
+Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in
+den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een
+mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.
+
+De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
+om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
+lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
+vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
+onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
+het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
+koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig
+waren om ze op haar hengsels te doen draaien.
+
+Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
+om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
+merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
+duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij
+woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.
+
+Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
+hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
+daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
+nauwe straat te Nazareth te spelen.
+
+Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
+des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
+toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.
+
+Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
+medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen,"
+zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."
+
+Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
+gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
+spoedig in.
+
+Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:
+
+"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij
+hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij
+dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."
+
+"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren
+werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een
+machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van
+een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd,
+dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan
+een timmerman in Nazareth."
+
+"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen
+wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer
+van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal
+een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik
+begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen
+voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."
+
+"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van,
+dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn
+eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."
+
+"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar
+ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan,
+waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest
+hem hier naar dezen tempel te brengen."
+
+"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We
+zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."
+
+"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei
+de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten
+zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden
+opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den
+koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet
+voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."
+
+Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.
+
+"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die
+rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der
+menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken
+en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden
+en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil
+ik leven, daarvoor ben ik geboren."
+
+"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te
+zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te
+dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."
+
+De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei
+ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op
+hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het
+werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen,
+door te trachten hem voor ons te behouden."
+
+"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.
+
+Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.
+
+"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het
+loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."
+
+Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den
+tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
+door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
+'t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
+den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot
+en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
+bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
+van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij
+oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
+getracht had er een toon uit te halen.
+
+Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
+staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.
+
+"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet,"
+antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen,
+toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er
+ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan,
+zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."
+
+Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
+knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin
+was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem
+aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed
+te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten
+breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof,
+diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had
+koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had
+hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen
+afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die
+verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant
+naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag
+de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest;
+aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde,
+zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de
+moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar:
+"Wat is dat voor een brug?"
+
+"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en
+wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die
+zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal,
+kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en
+liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle,
+trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte
+hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had
+laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.
+
+Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
+ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
+in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk,
+zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door
+kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde
+kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen
+liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen
+en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles
+wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten
+en was uitgehold door vele voetstappen.
+
+Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit
+voor pilaren?"
+
+"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina
+van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid
+noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en
+hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met
+groote oogen naar de zuilen.
+
+"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder
+lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen,
+die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt
+wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het
+gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
+hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."
+
+Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet
+anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug
+en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij
+vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.
+
+En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
+denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
+te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
+hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
+maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
+waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.
+
+De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring
+zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam
+hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens
+te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel
+voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.
+
+Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen
+wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het
+duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek,
+waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.
+
+Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij
+ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
+dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
+rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij,
+dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.
+
+Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
+zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat
+het zelfs onmogelijk was het te beproeven.
+
+Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
+meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.
+
+Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters
+van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te
+beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
+grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
+weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
+hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
+gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht
+een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.
+
+De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig
+handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar
+dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm
+dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt
+zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.
+
+Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken
+man, en zei tot hem:
+
+"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald
+heeft?"
+
+Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite
+nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen
+recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij
+de som schuldig, die ik van haar begeer."
+
+Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
+deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen
+zou geven.
+
+Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij
+zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
+Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
+waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
+zijn haar dochters tot slavinnen te maken."
+
+Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen,
+en keek door de spleet.
+
+"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.
+
+Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
+heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig
+en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter
+wille van die arme vrouw.
+
+Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
+een weg te banen.
+
+En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden,
+naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf,
+en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts
+en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het
+tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.
+
+Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.
+
+In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen
+stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder
+verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van
+de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem
+voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen
+aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had
+in Gods tempel.
+
+Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
+de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.
+
+Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij
+verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar
+gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn
+ouders en de reis naar huis herinnerd.
+
+"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op
+mij wachten."
+
+Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor
+de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar
+minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had
+even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte
+van den grooten tempel lag.
+
+Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
+gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar
+kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij,
+dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging
+op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.
+
+Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
+te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
+oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
+te probeeren.
+
+En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
+dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.
+
+Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
+bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
+witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden
+en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers
+kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
+bijwoonden.
+
+Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje
+droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het
+een groote wond had.
+
+De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
+offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
+geschenk den Heer niet aanbieden kon.
+
+De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
+want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan
+God kon offeren voor zijn genezing.
+
+"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn
+gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."
+
+"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de
+priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te
+offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het
+is over de Paradijsbrug te loopen!"
+
+De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk
+aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien
+kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.
+
+De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
+op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.
+
+Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om
+zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme,
+dien hij verlangde te helpen.
+
+Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk;
+zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."
+
+Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
+sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
+dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder
+zijn voet.
+
+En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
+heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem,
+alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.
+
+Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
+er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
+toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook
+de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen
+kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen,
+die daar stonden.
+
+De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
+dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze
+tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
+geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."
+
+En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over
+de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem
+niet vinden.
+
+Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
+weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
+van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
+"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
+wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
+Stem van den Wereldvorst."
+
+En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
+naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
+geleund stond.
+
+Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
+aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
+zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
+had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.
+
+Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
+te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude
+bazuin zou kunnen blazen.
+
+Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
+durfde probeeren.
+
+Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij
+ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn,
+alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.
+
+Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man
+zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een
+van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij
+een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat
+deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem
+de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen
+onder een valschen naam.
+
+Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
+geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid
+te hooren en de leer van den eenigen God.
+
+"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar
+ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide,
+dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn
+verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."
+
+Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin
+bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote
+koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
+is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden,
+daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
+leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
+tempel ontheiligt."
+
+Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders
+heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan
+uw voeten sterven."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige
+stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
+wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap
+zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
+"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen,
+zoodat hij geholpen was."
+
+Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte
+hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat
+vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
+daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.
+
+En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij
+haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
+ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
+klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.
+
+Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine
+jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken
+aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.
+
+Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
+vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
+"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God
+heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
+ge wordt ingewijd in Zijn dienst."
+
+Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
+op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit
+en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen
+zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren
+was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u
+op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"
+
+Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:
+
+"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een
+heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid."
+
+Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
+hadden geen tijd om te luisteren.
+
+Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
+en vroegen het hun.
+
+Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
+heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en
+dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
+staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden
+geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.
+
+Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
+vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.
+
+Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn,
+laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is,
+waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."
+
+Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.
+
+"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten;
+daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij
+vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over
+hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om
+een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn
+lippen heeft gebracht."
+
+De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
+dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.
+
+Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.
+
+En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
+schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op
+en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen
+zich in en gingen met hem uit den tempel.
+
+Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
+"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?"
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij
+verloren waart."
+
+Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
+de moeder.
+
+"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij
+was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik
+uw stem hoorde."
+
+"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag
+gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart."
+
+Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
+het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb
+niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen,
+omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem
+hoorde, kwam ik weer bij u terug."
+
+"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor
+mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af
+aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen
+zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen
+omvatten, die de aarde bevolken."
+
+
+
+
+
+
+
+DE ZWEETDOEK VAN DE HEILIGE VERONICA.
+
+
+I.
+
+In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius
+gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich
+neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren
+vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand
+bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur
+opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op
+den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld
+en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze
+hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat
+hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen,
+die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.
+
+"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over
+verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders
+hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar
+geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet,
+dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden."
+
+"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog
+in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de
+arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme
+vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die
+hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen
+ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen
+bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge
+toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en
+een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen."
+
+De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
+de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar
+gezicht rustte.
+
+"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik
+ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven."
+
+En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
+niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom,
+nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.
+
+Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
+kamer binnen.
+
+Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
+deel zonder aarzelen.
+
+Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
+geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die
+oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
+zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
+aarden schotels."
+
+Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze
+trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
+haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
+veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
+nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
+daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
+plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
+vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.
+
+Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat
+zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
+leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken."
+
+Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten,
+en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.
+
+Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
+de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.
+
+Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
+eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was
+het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
+hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal
+het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die
+ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en
+ik de hut reeds in bezit genomen hebben."
+
+De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die
+zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,"
+zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven."
+
+"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt
+er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt
+oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan."
+
+Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde
+zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen
+had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge
+vrouw in 't gesprek:
+
+"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die
+oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen
+wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat
+zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar
+dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de
+wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn
+als haar dood te laten hongeren."
+
+Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
+onderzoekend aan.
+
+"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij
+barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?"
+
+Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf
+groote barmhartigheid ondervonden hebben."
+
+
+
+
+II.
+
+De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot
+groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit
+van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het
+niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.
+
+Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den
+grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten,
+zagen zij een oud man het pad opkomen.
+
+'t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als
+die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
+uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen,
+en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn
+houding was fier en zijn bewegingen waren snel.
+
+De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
+zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen
+is en nu op weg naar huis is."
+
+Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
+staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
+doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald,
+vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen
+te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen."
+
+Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is
+zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar
+ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij
+dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen,
+zal ik heel dankbaar zijn."
+
+Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
+hut lagen.
+
+De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
+maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd
+met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar
+hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.
+
+Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
+uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t
+Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en
+arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt,
+ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?"
+
+Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
+de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
+hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.
+
+De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp,
+dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik
+al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius
+was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een
+groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets
+anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken
+alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft
+laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking."
+
+"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge
+vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd
+het hoofd.
+
+"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe
+somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen
+hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin."
+
+"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij
+beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is
+als in 't begin van zijn regeering."
+
+"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten
+Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede
+en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af
+aan nog erger wordt dan hij geweest is."
+
+"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken
+zal dan hij al is?" vroeg de man.
+
+Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
+waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet
+zien kon.
+
+De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
+glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.
+
+"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in
+zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
+altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
+gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
+keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals
+ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden
+waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren,
+was de oude min van den keizer: Faustina."
+
+"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij
+gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft."
+
+"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij
+heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de
+Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang
+hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op
+het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
+Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
+draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van
+een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem
+daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen
+vol slaven en kostbaar huisraad."
+
+"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man.
+
+Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De
+jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude
+vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was,
+had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk
+uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat
+daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht
+voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.
+
+"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou
+hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden
+is zij hem nu ook ontrouw geworden."
+
+De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde
+troostend de hand op haar arm.
+
+Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch
+niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't
+hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben
+er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen
+zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was,
+en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is,
+dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft
+hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor
+haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij
+'t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken."
+
+De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van
+deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de
+oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.
+
+"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,"
+antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan
+'t hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen
+ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden."
+
+"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer
+verlaten?"
+
+"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de
+vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet
+één van haar schatten meêgenomen."
+
+"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de
+jonge vrouw met haar zachte stem.
+
+"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt
+het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar
+vaderland genomen heeft."
+
+"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de
+jonge vrouw.
+
+"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem
+verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende
+om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch
+wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij
+heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
+want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is."
+
+"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat
+ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is
+opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft
+altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den
+keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik
+begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht
+te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de
+bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat
+ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik
+zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst
+om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij
+van mij heenging op de lange reis."
+
+De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er
+niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
+ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
+als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
+in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen
+van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die
+hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht."
+
+Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
+oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
+zag hem vast in de oogen en antwoordde:
+
+"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
+wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
+geen zonde en schande behoeven te zien."
+
+Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
+vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.
+
+De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is
+dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen.
+
+De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.
+
+"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar
+de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw.
+
+De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
+op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius,
+er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat
+is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw,
+waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan
+vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat."
+
+Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
+waar langs hij gekomen was.
+
+
+
+
+III.
+
+Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude
+vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over,
+dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en
+macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar
+Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker
+nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen
+en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze,
+dat ze hem verlaten heeft."
+
+"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te
+beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor
+de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem
+leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn
+wantrouwen en wreedheid genezen worden."
+
+"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de
+vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar
+ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet."
+
+De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te
+missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
+oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen,
+of ze al haar verdriet vergat.
+
+Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
+ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar
+het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de
+eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.
+
+Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
+altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
+stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
+aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
+gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen
+voor offerdieren.
+
+De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
+tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
+Tiberius wilden bidden.
+
+Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
+van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
+dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
+altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
+er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.
+
+Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
+vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem
+wel ging.
+
+Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
+verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
+verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
+aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
+blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
+heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld,
+dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.
+
+De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
+"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een
+and'ren keizer?"
+
+"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben
+opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer."
+
+"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets
+hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk
+ongeluk den keizer getroffen heeft?"
+
+"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een
+ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt
+voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam,
+is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend
+dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die
+ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij
+binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men
+hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge
+begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin
+om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard,"
+voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem
+te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?"
+
+Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.
+
+Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die
+door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend
+hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.
+
+Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten
+langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als
+staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch
+met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze
+richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte
+straten te gaan.
+
+
+
+
+IV.
+
+Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland
+Capri op. 't Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom
+en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende
+wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die
+naar de villa van Tiberius leidden.
+
+Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in
+den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
+altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
+vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs,
+van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld
+van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen,
+die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.
+
+Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
+grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
+vrouw op haar weg ontdekte.
+
+Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
+ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben,
+en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
+gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd,
+en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een
+paar plaatsen de balustraden afgebroken.
+
+Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van
+menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland
+te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen
+van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en
+tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers
+huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt
+had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor
+de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.
+
+"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt
+om ons ongeluk te verzachten."
+
+"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo
+eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont."
+
+"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat
+een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de
+ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
+als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat
+wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben."
+
+"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn
+de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer,
+en al de kwispelstaartende gelukzoekers?"
+
+"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf;
+"de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen
+hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen."
+
+Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf
+ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de
+geneesheeren van de ziekte van Tiberius?"
+
+"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of
+zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina,
+dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert,
+uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het
+niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet,
+uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen
+wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er
+toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele
+dagen verlengen."
+
+De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar
+een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht
+te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen
+Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een
+opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren
+met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar
+half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren
+stoffig en vuil.
+
+Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
+op het terras had moeten kruipen.
+
+Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
+toen de slaaf en Faustina aankwamen.
+
+Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar
+Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf
+komen? Breng hem gauw weg."
+
+Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
+aarde boog voor den ellendige, die daar lag.
+
+"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap
+te brengen."
+
+Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
+hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.
+
+Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien,
+dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden
+als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in
+machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw
+met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord,
+dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch
+geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken,
+krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand
+hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig
+had om een mensch te veranderen.
+
+Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
+naast hem te schreien.
+
+"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te
+openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij
+schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is."
+
+Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
+legde het in haar schoot.
+
+Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
+van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in
+een gezonden slaap.
+
+
+
+
+V.
+
+Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de
+eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de
+arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan
+in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe
+en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel
+droeg en hij legde die in de hand van den man.
+
+"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid
+bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen
+wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de
+bergen ligt als een arendsnest."
+
+"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar
+gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende
+ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."
+
+"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven,
+dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer
+teruggegaan was?"
+
+"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij,
+dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk
+genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter
+wille van den armen keizer."
+
+De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
+te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten
+niet toe.
+
+"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet
+laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd
+is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun
+ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"
+
+De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
+den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
+Faustina's terugkomst.
+
+Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de
+vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
+neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet
+te verraden.
+
+Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet,
+dat dit een beschikking van God is?"
+
+"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee
+zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude
+vrouw hierheen voerde naar onze deur."
+
+Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
+weer tot den slaaf.
+
+"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar
+Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw
+vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge
+vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet
+lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw
+eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."
+
+De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
+voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:
+
+"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn
+vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte
+dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden
+verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen,
+zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn
+vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een
+kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd,
+werd zij door de ziekte aangetast."
+
+Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
+het hoofd en sprak tot hen:
+
+"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw
+vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
+dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"
+
+Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij
+geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers
+zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen
+wat ik gezegd heb."
+
+"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw
+vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.
+
+"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag
+verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid
+leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in
+Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door
+alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken,
+die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht
+waarheid was.
+
+"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de
+groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk
+kunnen redden."
+
+Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij
+ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen,
+waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over
+groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was,
+een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn
+donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze
+elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:
+
+"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+Profeet van Nazareth vinden kan."
+
+Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond,
+vroeg hij:
+
+"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"
+
+"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak
+tot hem:
+
+"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt
+geen profeet."
+
+Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:
+
+"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon
+u aan de priesters."
+
+De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat
+ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
+vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
+die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen
+hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe:
+"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den
+profeet van Nazareth vinden kan."
+
+"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar
+haar toe.
+
+"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en
+mij van mijn ziekte genezen."
+
+Maar de man reed nog nader bij.
+
+"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen
+geneesmeester noodig."
+
+"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit
+zieke ouders geboren in een grot."
+
+Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer,
+als een pas uitgekomen bloem.
+
+"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.
+
+"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest
+zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."
+
+Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is
+helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
+de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."
+
+En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
+gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
+versierde.
+
+"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.
+
+Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
+vleugel van een pas ontpopten vlinder.
+
+"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."
+
+"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.
+
+"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens
+voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"
+
+"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."
+
+Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.
+
+"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
+verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.
+
+"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet
+van Nazareth," antwoordde de man.
+
+Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
+vol tranen.
+
+"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij
+hebt mij genezen!"
+
+En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
+op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters
+en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig
+naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit
+zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld
+was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek
+geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier
+naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."
+
+Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van
+Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."
+
+Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de
+onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
+geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
+verderf stort."
+
+Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich
+in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde,
+ook onrein zou verklaard worden.
+
+Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den
+man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet
+ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"
+
+Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen,
+gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar
+wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar
+geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de
+arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en
+viel hem in de rede.
+
+"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga
+met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht
+al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De
+keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."
+
+Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
+de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.
+
+"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze
+twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij,
+die ze haat.
+
+"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen
+brengen."
+
+
+
+
+VI.
+
+De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen
+Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te
+zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar
+zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij
+van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld
+of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
+als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
+verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand,
+die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?
+
+De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw
+verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden
+en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te
+paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden,
+als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar
+gevolg uitmaakten.
+
+Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
+met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
+waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend
+kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van
+Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde
+heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met
+vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de
+witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun
+oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de
+zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide,
+dat men meende het te kunnen zien groeien.
+
+Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
+zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen,
+die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en
+paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de
+vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt
+hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
+scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
+een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
+schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot,
+dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om
+te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich
+fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.
+
+Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
+maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
+wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich
+te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
+gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de
+pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg,
+maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
+zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
+den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
+zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
+voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend
+op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen,
+die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.
+
+Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
+werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
+spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een
+jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht,
+dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen,
+maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de
+goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
+dezen mooien morgen heen te trekken."
+
+Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
+bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een
+groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere,
+schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op
+haar schedel Jeruzalem droeg.
+
+Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
+kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
+duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
+waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.
+
+'t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land
+bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
+plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun
+tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
+woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels
+zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren,
+zangen en feestvreugde.
+
+De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun
+lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
+haar reed:
+
+"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen
+zijn."
+
+"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was
+uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren
+in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan
+trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."
+
+Faustina bedacht zich een oogenblik:
+
+"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het
+volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan
+dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk,
+dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem
+is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"
+
+"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is
+hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der
+goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat
+ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."
+
+Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen
+en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in
+Jeruzalem bevond.
+
+"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van
+de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij
+is een vroom en rechtvaardig man."
+
+Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
+oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
+begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun
+tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem,
+dien ge zoekt."
+
+Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't
+diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn
+top te bereiken.
+
+De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
+zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
+barmhartigheid van de reizigers inriepen.
+
+Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
+Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend,
+die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem
+onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar
+ge hem vinden zult, dien ge zoekt."
+
+Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't
+Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs
+werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn
+handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
+integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins,
+dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.
+
+Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
+vraag een paar maal herhalen.
+
+"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek
+u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."
+
+De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen
+hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn
+en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom
+vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen
+Galileër."
+
+De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in
+zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze
+voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar
+ze hem 't beste kan vinden."
+
+Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn
+dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een
+boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen
+vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet
+niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."
+
+Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
+hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.
+
+"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten
+allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."
+
+Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag
+niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij
+niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet
+gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"
+
+Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder
+gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen
+we niets te weten."
+
+Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
+twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar
+had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te
+wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag,
+vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
+in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
+wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.
+
+De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
+uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
+dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
+bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis
+over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde
+om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.
+
+"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.
+
+Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te
+roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en
+lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
+stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"
+
+Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
+ter zijde.
+
+"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat
+niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang
+laten gaan."
+
+De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn
+hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven
+in mijn oogen zetten."
+
+Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
+zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil
+naast hem.
+
+De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen,
+drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van
+den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"
+
+Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.
+
+"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg
+ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."
+
+Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den
+weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die
+u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem,
+waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het
+stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet
+genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"
+
+"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil
+alleen weten, waar ge uw meester hebt."
+
+Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
+voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,"
+riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de
+poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn
+verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.
+
+"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,"
+zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het
+zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen
+onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?
+
+Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
+grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken,
+dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is,
+nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
+dat men over hem spreekt."
+
+Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en
+kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't
+Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten
+keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs
+wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten,
+niet te keeren stroom.
+
+"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome
+zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."
+
+Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
+hen wachtten.
+
+"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan
+te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen
+raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt
+wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor
+na middernacht."
+
+Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
+en gaf dit over aan een der slaven.
+
+Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.
+
+Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
+hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
+breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.
+
+"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen,
+dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze
+herberg aan."
+
+Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
+eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de
+straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort
+der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een
+gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.
+
+Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die
+de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat
+over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
+onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat
+niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in
+zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen
+van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele
+met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee,
+onder kreten, die de ooren verscheurden.
+
+"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend
+toch een helper in den uitersten nood!"
+
+Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij
+waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
+om hem te bevrijden.
+
+Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die
+gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar
+houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor
+dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den
+grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand
+zijn gezicht kon zien.
+
+Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
+zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op,
+dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn
+hoofd gedrukt was.
+
+"Wie is die man?" vroeg zij.
+
+Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer
+maken wou."
+
+"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,"
+zei de oude vrouw weemoedig.
+
+De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De
+beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
+daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij
+dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.
+
+Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden
+moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een
+paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene
+te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te
+dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk
+vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.
+
+Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
+zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn
+voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar
+bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet
+en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen
+trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende
+oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.
+
+Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
+in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
+majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen
+door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
+vreemden man.
+
+"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem
+een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze
+vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen
+gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden
+zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen,
+om hem aan zijn beulen te ontrukken.
+
+De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
+alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen,
+die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte
+zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.
+
+De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
+haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
+haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
+hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
+zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
+de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren
+de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
+gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
+hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
+hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
+bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
+haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
+had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en
+zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
+sterven, hij kan niet sterven!"
+
+Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
+werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit
+hun handen rukken.
+
+Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
+en een onmacht overvallen.
+
+Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
+te houden.
+
+Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg
+haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een
+barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude
+een bed op den steenen vloer.
+
+Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die
+haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest
+gaan liggen.
+
+"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad
+zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij
+is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom
+niet overwonnen wordt."
+
+"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de
+koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij
+niet verbazen als we een hevig onweer kregen."
+
+Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met
+rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
+van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
+terwijl hij op haar ontwaken wachtte.
+
+
+
+
+VII.
+
+De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had
+den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.
+
+Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de
+mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer
+geplaveid was en met edele gewassen beplant.
+
+Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
+gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
+lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
+aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
+op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en
+pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele
+van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.
+
+Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
+staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.
+
+Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet,
+dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij,
+die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen
+kan van al ons lijden?"
+
+Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
+paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
+afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus
+heeft hem gedood."
+
+Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen
+op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door
+medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze
+was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.
+
+Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van
+haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
+als een markt was.
+
+En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
+zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
+naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
+die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
+meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
+meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
+over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
+zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
+weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.
+
+Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het
+dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk
+werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun:
+"Wat verlangt ge?"
+
+Toen begonnen allen te roepen en zeiden:
+
+"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden
+is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"
+
+Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van
+de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt,
+Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
+als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen
+zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot,
+en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te
+wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.
+
+Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
+het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op
+de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
+bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.
+
+Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade,
+die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."
+
+Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien
+van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."
+
+Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
+en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
+sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
+de balustrade en keken naar beneden.
+
+En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
+neer op de binnenplaats.
+
+Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
+gevangenen van de wereld.
+
+Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
+met zware ijzeren ketenen.
+
+Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
+aansleepen met hun mokers.
+
+En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
+roeiriemen van ijzer gesmeed.
+
+En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
+hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.
+
+Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
+en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven,
+die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
+geeselslagen.
+
+Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe
+open!"
+
+Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg
+hun: "Wat is het dat gij verlangt?"
+
+En dezen antwoordden als de anderen:
+
+"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen
+is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."
+
+De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:
+
+"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."
+
+Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
+ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
+voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend
+van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.
+
+Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
+in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
+nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
+te zien."
+
+Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
+haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
+was ingeslapen.
+
+Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
+zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.
+
+Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade,
+die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan
+te wachten."
+
+Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel
+ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar
+ik ben."
+
+Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
+buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op
+het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.
+
+Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer
+zag zij, dat de plaats vol menschen was.
+
+En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
+waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen
+en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele
+plaats er door overstroomd werd.
+
+En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden
+op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun
+verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden
+riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.
+
+Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter
+kwam zooals te voren en opende de deur.
+
+En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat
+zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten
+Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op
+aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken
+en het zwaard tot een wijngaardmes."
+
+Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen,
+ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier
+niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar
+zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik
+wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op
+'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar
+schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.
+
+Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
+weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had
+en was beginnen te droomen.
+
+Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
+en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.
+
+En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen
+zien, die op uw binnenplaats wachten."
+
+Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen
+genoeg gezien."
+
+Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar
+man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis
+verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek
+gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.
+
+"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.
+
+Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
+vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen
+te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger
+was aangekomen.
+
+Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede
+schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.
+
+De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
+man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het
+kan niemand anders zijn."
+
+"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk
+den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en
+luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.
+
+Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
+"Wien zoekt gij?"
+
+En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth,
+die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept
+hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen
+ander geneesmeester wegnemen kan."
+
+Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
+"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."
+
+Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats
+wachtten en gaf hun een bevel.
+
+Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
+versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
+sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
+slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn,
+als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde
+rijkdom geven."
+
+Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide:
+"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet
+worden vervuld."
+
+Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen
+haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van
+juweelen glinsterde.
+
+En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de
+macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter,
+als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."
+
+Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het
+staat niet in mijn macht u te helpen."
+
+Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
+een gouden hoofdring en een purperen mantel.
+
+"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te
+benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te
+geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens
+den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt
+en Tiberius geneest."
+
+Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
+jammerend:
+
+"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt,
+is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."
+
+
+
+
+VIII.
+
+Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar
+slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij
+was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij
+de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen,
+dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.
+
+"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.
+
+"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het
+rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."
+
+Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze:
+"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"
+
+"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde
+dadelijk een der slavinnen.
+
+"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,"
+zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het
+paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."
+
+Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
+aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.
+
+Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot
+koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem
+moet laten kruisigen."
+
+Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
+verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier
+vandaag een ontzettend ongeluk."
+
+Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
+begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen,
+zoodat ze zei:
+
+"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd,
+zal ik trachten hem die te brengen."
+
+Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
+wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.
+
+Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
+hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar
+de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had
+Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in
+Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge
+leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.
+
+Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
+zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.
+
+Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
+landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
+had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
+landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen
+van een vrouw.
+
+Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar
+een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man
+dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."
+
+Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
+troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
+onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.
+
+Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is
+dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"
+
+Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't
+Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat
+over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
+alles eentonig grijs scheen.
+
+Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.
+
+"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een
+rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."
+
+Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
+vrouw toe.
+
+"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat
+de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge
+een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat,
+al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven
+is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden
+verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."
+
+Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat
+dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans
+niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
+veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
+verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang
+nog de oude Tiberius..."
+
+Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden,
+dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij
+hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.
+
+Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
+zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
+onmogelijk ontgaan.
+
+"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het
+u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu
+eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren,
+wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de
+bedoeling te begrijpen."
+
+Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene
+visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij
+lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun
+voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de
+landvoogd zelf.
+
+Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is
+meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn
+oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert
+mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van
+den landvoogd."
+
+"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke
+ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij
+mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door
+de goden gezonden."
+
+"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den
+Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de
+jonge redenaar toe.
+
+De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
+"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener
+bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij
+hem in 't leven vindt."
+
+Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen
+tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en
+profeten geworden waart."
+
+Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien
+niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een
+ijlbode zondt."
+
+"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de
+landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't
+land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk,
+omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."
+
+"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien
+heb," zei de jonge redenaar.
+
+"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,"
+zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich,
+zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen,
+hem niet had kunnen helpen."
+
+Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis
+als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed
+het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd
+staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde
+men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen
+en vallende pilaren.
+
+Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd
+een slaaf.
+
+"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet
+van Nazareth van het kruis genomen moet worden."
+
+De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal
+naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de
+aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen
+wachtten op de terugkomst van den slaaf.
+
+Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.
+
+"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze.
+
+"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf,
+kwam de aardbeving."
+
+Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de
+buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er
+een nieuwe aardbeving gekomen was.
+
+Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en
+Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te
+vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken."
+
+Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden
+gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich
+van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk
+gekomen is.
+
+
+
+
+IX.
+
+De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer
+opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde
+zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de
+vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: "Als er barmhartigheid bij
+de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen
+armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is."
+
+Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid
+naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was
+op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna
+gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.
+
+Maar Tiberius zei alleen:
+
+"Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven
+in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars
+en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt
+opgedaan?"
+
+Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet
+van Nazareth verwacht had.
+
+"Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor
+meendet dat het nutteloos zou zijn?"
+
+"Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit," zei de keizer. "Waarom zou
+ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?"
+
+Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.
+
+"Dat is weer uw oude listigheid," viel zij uit. "Dat is juist wat ik u
+'t allerminst vergeven kan."
+
+"Ge hadt niet bij mij terug moeten komen," zei Tiberius. "Ge hadt in
+uw bergen moeten blijven."
+
+Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls
+getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn
+van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat
+ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze
+nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.
+
+"Maar de man was werkelijk een profeet," zei ze. "Ik heb hem
+gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij
+een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan."
+
+"Ik ben blij, dat ge hem sterven liet," antwoordde Tiberius. "Hij
+was een Majesteitsschenner en een oproerstichter."
+
+Weer was Faustina bijna boos geworden.
+
+"Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken,"
+zei ze. "Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet
+begaan."
+
+"Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch
+zeker niet beter dan iemand anders," zei de keizer mat. "Waar is de
+mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient."
+
+Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen,
+waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.
+
+"Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven," zeide ze. "Ik zei
+u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat
+is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een
+oogenblik bekijken?"
+
+Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop
+flauw het beeld van een menschengezicht.
+
+De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: "Die man
+zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat
+was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen,
+zoo dikwijls ik het zie."
+
+De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen
+geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de
+smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals
+het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het
+voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed,
+en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.
+
+Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam
+het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij
+opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden
+tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze
+hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.
+
+Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. "Is
+dit een mensch?" zei hij, zacht en week. "Is dit een mensch?"
+
+Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over
+zijn wangen te stroomen. "Ik treur over uw dood, gij onbekende,"
+fluisterde hij.
+
+"Faustina," riep hij eindelijk uit, "waarom hebt gij dien mensch
+laten sterven! Hij zou mij genezen hebben."
+
+En weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld.
+
+"Gij, mensch!" zeide hij na een poos. "Als ik van u mijn gezondheid
+niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand
+rusten op hen, die mij u ontstolen hebben."
+
+Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden
+en viel voor het beeld op de knieën.
+
+"Gij zijt de mensch!" zei hij. "Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit
+te zullen zien." En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht
+en verteerde handen. "Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters,
+maar gij zijt de mensch!"
+
+Hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld, dat hij den grond raakte.
+
+"Erbarm u over mij, gij onbekende," zei hij, en zijn tranen
+bevochtigden de steenen. "Als gij in 't leven gebleven waart, zou uw
+aanblik alleen mij genezen hebben."
+
+De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. 't Was beter
+geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende
+zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot
+zou zijn als hij het zag.
+
+En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het
+beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.
+
+Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd,
+en hij was zooals hij vroeger geweest was. 't Was alsof de ziekte
+wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in
+zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik,
+dat hij liefde en medelijden voelde.
+
+
+
+Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.
+
+De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een
+onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina
+zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij
+het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.
+
+De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen
+en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om
+hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord
+hadden, schreiden ze stil en de man zei: "Ik weet, dat ik er heel
+mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee
+elkaar hadden ontmoet."
+
+Maar de vrouw antwoordde: "Het kon niet anders zijn. 't Was een te
+groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer,
+wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen."
+
+De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus'
+leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen,
+die de gekruiste gepredikt had.
+
+Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar
+sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel
+van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica,
+omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun
+Verlosser te brengen.
+
+
+
+
+
+
+
+VOGEL ROODBORST.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld schiep, toen Hij
+niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen
+en ze te gelijk een naam gaf.
+
+Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende,
+zou men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan,
+kunnen verklaren.
+
+Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de
+vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte,
+zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve
+Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.
+
+En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij
+maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het,
+zoodra hij een paar stappen op de wei in 't Paradijs gedaan had,
+en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze
+Lieve Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei:
+"Je naam is ezel, ezel, ezel!"
+
+En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het dier wat uit opdat
+hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.
+
+Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen
+werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren,
+die merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er
+van proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar
+giftigen angel allen weg, die bij den honig kwamen.
+
+Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte haar.
+
+"Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het liefelijkste wat
+er in de schepping is," zei Onze Lieve Heer; "maar daarom gaf ik je nog
+niet het recht om hard tegen je naaste te wezen. Onthoud het nu goed:
+als je iemand steekt, die je honig proeven wil, dan moet je sterven."
+
+Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar
+vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.
+
+Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te scheppen
+en in 't leven te roepen. En tegen den avond viel het Hem in om een
+kleinen, grauwen vogel te maken.
+
+"Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei Onze Lieve Heer tot
+den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn open hand en
+liet hem vliegen.
+
+Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde
+bekeken, waarop hij leven zou, kreeg hij ook lust om zich zelf te
+bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn borst
+was even grijs als al het andere.
+
+Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water,
+maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.
+
+Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer
+zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders
+te voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn
+schouders en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leliën
+en duizendschoonen.
+
+'t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in lichte
+bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en
+eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.
+
+Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.
+
+"Ik wil U maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
+
+"Wat wilt ge weten?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben, van
+mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik roodborstje
+genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?"
+
+En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine
+zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten,
+heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige
+roode halskragen, hanen met roode kammen, om niet te spreken van
+vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk dacht hij er aan hoe
+weinig er maar noodig was,--maar een klein droppeltje verf op zijn
+borst--om hem tot den mooien vogel te maken, waar zijn naam voor paste.
+
+"Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs
+ben?" vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve Heer
+zou zeggen: "Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je borstveeren
+rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het klaar."
+
+Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je
+roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf
+maar zien, dat je je roode borstveeren verdient."
+
+En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw
+uitvliegen.
+
+De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een kleine
+vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen? Het
+eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen. Hij
+ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het was
+alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou
+zetten en die kleuren.
+
+
+
+Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den
+heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd hadden menschen en dieren
+het Paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. En de menschen
+waren zoover gekomen, dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en
+de zee te bevaren. Zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft,
+ja, ze hadden al lang geleden geleerd, groote tempels en machtige
+steden te bouwen zooals Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe
+dag, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.
+
+En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen,
+kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn jongen,
+die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.
+
+Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren
+scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle
+roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord
+heeft en uitging uit Gods Hand.
+
+"En zie nu eens," besloot hij treurig. "Zooveel jaren zijn
+voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels
+zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat niemand
+ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze
+vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen."
+
+De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen
+niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die
+onschatbare roode kleur te verwerven.
+
+"We hebben allen gedaan wat we konden," zei het vogeltje; "maar het is
+alles mislukt. Het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen
+vogel, die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk zóó hevig
+lief te hebben, dat hij zijn borst voelde gloeien.
+
+"Och," dacht hij toen, "nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van
+Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat mijn borstveeren
+rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart woont." Maar het
+mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook
+mislukken zal.
+
+De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren,
+dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.
+
+"Wij hebben ook op het zingen gehoopt," zei de oude vogel, nu in lange
+gerekte tonen sprekend. "Reeds het eerste roodborstje zong zoo, dat
+zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen. "Ach,"
+dacht hij, "het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn
+borstveeren rood verven zal."
+
+"Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de
+jongen gehoord.
+
+"We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid," zei de
+vogel. "Reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en
+zijn borst vlamde van strijdlust. "Ach," dacht hij, "mijn borstveeren
+zullen rood worden van den strijdlust, die gloeit in mijn hart."
+
+"Maar 't mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals
+het ook u mislukken zal."
+
+De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden
+beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude
+vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij
+dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden
+kunnen bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en
+vechten. Wat konden.... De vogel hield midden in den zin op, want uit
+een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen
+en de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn
+nest had.
+
+Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange speren,
+beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig voorttrekkende
+priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles een troep
+wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke huilende
+bende straatslijpers!
+
+De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij
+vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden
+en zijn jongen gedood.
+
+"Wees voorzichtig!" riep hij den weerloozen diertjes toe, "kruip
+bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat gaat dwars
+over ons heen, daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen,
+daar komt de heele woeste bende aanstormen."
+
+Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil
+zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.
+
+Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn
+jongen uit.
+
+"Neen, dat is al te vreeselijk," zei hij, "ik wil niet, dat jelui
+dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die gekruisigd moeten
+worden." En hij spreidde de vleugels uit, zoodat de kleinen niets
+zien konden. Ze hoorden alleen dreunende hamerslagen, jammerkreten
+en het wilde gejoel van het volk. Het roodborstje volgde het heele
+tooneel met oogen groot van ontzetting, hij kon de blikken niet van
+de drie ongelukkigen afwenden.
+
+"Wat zijn de menschen wreed," zei de vogel na een poos, "het is hun
+nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen, maar
+ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe
+doornen gezet."
+
+"Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat zijn
+bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zoo heerlijk en ziet om
+zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem lief moet hebben. Het
+is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem lijden zie."
+
+Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man,
+die de doornenkroon droeg.
+
+"Als ik mijn broeder de arend was," dacht hij, "zou ik de spijkers
+uit zijn handen rukken, en met mijn sterke klauwen al die menschen
+op de vlucht jagen, die hem pijnigen."
+
+Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide
+en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.
+
+"Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen
+gemartelde doen," dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op
+in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen. Hij
+zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen, want
+hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een mensch
+te naderen.
+
+Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met
+zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde
+gedrongen was.
+
+Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den
+gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en
+verfde al zijn teere borstveertjes.
+
+Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe:
+"Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw geslacht
+naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld."
+
+Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe:
+"Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen."
+
+"Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man,
+die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron."
+
+Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van
+zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende
+roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst
+van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag.
+
+
+
+
+
+
+
+ONZE LIEVE HEER EN DE HEILIGE PETRUS.
+
+
+Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus
+pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben
+rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge
+kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken,
+dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over
+de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
+bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
+rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een
+dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat
+men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
+duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest
+zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een
+reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest,
+dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te
+twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest
+voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor
+dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer
+bestuurder van de heele wereld was.
+
+En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen,
+dat hij daar blij om was.
+
+Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
+Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
+hadden moeten zijn.
+
+Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
+te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een
+hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
+maken hadden.
+
+Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
+berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog
+verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders,
+en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter
+zich gelaten.
+
+Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
+boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
+reizigers in nood te kunnen helpen.
+
+Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
+en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en
+daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks
+een steenbok vooruit kon komen.
+
+Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
+doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
+gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
+had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.
+
+Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
+voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
+doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
+stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
+niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op
+den berg gekomen.
+
+Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.
+
+"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien,
+dat u moed zal geven om alles te verdragen."
+
+Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos
+hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.
+
+"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge
+kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien
+van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs,
+en hier wonen de zaligen."
+
+Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig
+uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze
+Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen
+schijn van zon en sterren."
+
+Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
+Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
+boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
+Paradijs viel.
+
+En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
+en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.
+
+Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar
+de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
+Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
+dood overwint."
+
+En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw
+begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets
+anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
+verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk
+en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met
+beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.
+
+Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
+geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon
+zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een
+groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
+en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen
+had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den
+heiligen Petrus opzoeken.
+
+Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
+grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
+verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem
+zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak
+hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de
+bekommeringen der aarde samen rondwandelden.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer.
+
+Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen
+antwoord kon geven.
+
+"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer
+opnieuw.
+
+Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
+de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
+Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn
+eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel,
+dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij
+deed en Hij werd ook niet boos op hem.
+
+"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als
+te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.
+
+Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
+hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen
+Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.
+
+"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige
+Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven."
+
+En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
+zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.
+
+"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst
+moet ge mij zeggen wat u mishaagt."
+
+"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden
+in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus.
+
+Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid
+vervuld was en Hij werd niet boos op hem.
+
+"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt,"
+zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt."
+
+Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
+was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar
+dagen geleden."
+
+"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw
+moeder niet hier in het Paradijs gekomen is."
+
+"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart
+zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren.
+
+"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen,"
+zei hij.
+
+Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
+werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
+was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit
+aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen,
+die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of
+een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
+heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was,
+dat zij de zaligheid niet kon genieten.
+
+"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder
+zich gelukkig zou voelen bij ons?"
+
+"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren,"
+zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?"
+
+"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen,"
+antwoordde Onze Lieve Heer.
+
+"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen,"
+zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht.
+
+En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een
+felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij
+bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou
+toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste,
+maar hij wilde niet toegeven.
+
+Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de
+hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen.
+
+"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige
+Petrus.
+
+Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
+een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
+wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in
+de hel te kunnen zien.
+
+Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet
+meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
+alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.
+
+Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
+op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis
+naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels
+uitspreidde om niet al te snel te vallen.
+
+Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister
+wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs
+op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de
+verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd
+door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij
+werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was.
+
+"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij.
+
+Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
+oogen.
+
+"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan,"
+zei Hij.
+
+Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
+doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
+engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
+werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.
+
+Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
+punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
+waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
+leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
+opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
+gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen,
+dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend
+van wanhoop.
+
+De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen
+uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend
+naar boven gericht.
+
+Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
+een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
+zonder te probeeren er uit te komen.
+
+Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
+was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
+lichamen en hoofden.
+
+En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar
+niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer.
+
+Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
+zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
+engel behoefde te zijn.
+
+Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn
+moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de
+vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl
+hij haar opzocht.
+
+Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
+engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
+"Neem mij mee, neem mij mee!"
+
+En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
+millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog
+op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
+dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.
+
+Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus
+en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield
+zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer
+vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na,
+zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd.
+
+Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
+gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
+bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
+verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
+sloeg en haar ophief.
+
+"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij.
+
+Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
+Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
+vreugde over te geven.
+
+Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap,
+omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen
+zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag,
+dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het
+toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan
+haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het
+waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en
+de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was,
+zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden.
+
+Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
+scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
+zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
+vogeltje naar den hemel droeg.
+
+Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
+onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
+zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.
+
+De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
+oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij
+zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander
+en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de
+geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen.
+
+Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid
+te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze
+begonnen was.
+
+En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
+zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
+dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel.
+
+Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van
+den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing
+en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan
+naar het gezegende Paradijs.
+
+Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige
+Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem
+voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen
+om op den berg te zijn.
+
+Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
+aangezicht werd duister als de nacht.
+
+Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
+van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot
+het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu
+ook vrij van deze laatste gemaakt had.
+
+Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen,
+alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.
+
+Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen
+lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem
+een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
+een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.
+
+Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
+Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.
+
+"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht,
+dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart."
+
+Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat
+voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren
+en mijn medemenschen zie lijden?"
+
+Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
+diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs
+bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan
+niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze
+te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze
+dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde,
+waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen."
+
+
+
+
+
+
+
+DE KAARSVLAM.
+
+
+I.
+
+Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden
+was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de
+zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij
+hield er niet veel van om het uit te oefenen.
+
+Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
+een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
+zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
+van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
+waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
+te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
+brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in
+te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak
+de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was
+balken en stutten te halen, om het te steunen.
+
+Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit
+in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
+krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
+hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
+waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht
+hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
+vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met
+zijn tegenstanders.
+
+Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond
+grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet
+beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen
+genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er
+een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.
+
+Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
+was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
+en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
+zou zijn.
+
+Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
+voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
+mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
+litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten,
+en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.
+
+Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
+een wijs en machtig man.
+
+Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als
+Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca
+had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met
+iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming
+gaf, had hij tegen Raniero gezegd: "Ik meen opgemerkt te hebben,
+dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan
+die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het
+zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het
+haar niet beletten zult."
+
+Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
+Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
+Raniero gaf die belofte dadelijk. "Daar kunt ge zeker van zijn,
+Jacopo," zei hij; "dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van
+mij weg wil."
+
+Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen
+beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval,
+dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige
+dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend
+en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op
+een moeilijker doel te schieten.
+
+Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel,
+die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde
+aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond
+toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen
+hij opvloog, in de lucht.
+
+Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
+die het maar hooren wilde.
+
+Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
+werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
+iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf
+het hem spoedig en had hem even lief als tevoren.
+
+Alles ging nu een poos weer goed.
+
+De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote
+werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te
+hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo's werkplaats
+en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over.
+
+Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
+te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn
+garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van
+het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten
+Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen,
+dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn
+knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk
+kon laten gelooven.
+
+Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
+betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
+daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
+er ook op, als Francisca het hoorde.
+
+Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing,
+als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
+plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
+stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
+was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
+groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.
+
+Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: "Er is nog wel
+genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken."
+
+Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren
+als in het eerst.
+
+Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië
+geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en
+fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar
+in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat
+er velen waren, die met hem spotten.
+
+Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
+gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
+
+Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
+viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker,
+die tusschen de kool stond.
+
+Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
+hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
+en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
+eene stuk na het andere afknipte.
+
+Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was
+niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend,
+dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen
+schaden.
+
+Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
+rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem
+zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.
+
+Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
+dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
+groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca's
+voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence
+had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op,
+dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen.
+
+Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug,
+en kwam er mee naar beneden.
+
+Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
+wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier
+zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde.
+
+Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
+werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
+zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
+familie dacht.
+
+"Ik denk aan iets anders," zei Francisca; "en dat is mijn liefde; ik
+weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat."
+
+Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
+Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al
+kon verdragen.
+
+Op Raniero's werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man
+had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben
+ook na haar huwelijk.
+
+Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
+ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die
+niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
+Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.
+
+Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.
+
+Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
+en hing zich op.
+
+Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
+getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
+een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
+afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne.
+
+Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: "Als ik nog een jaar
+bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even
+arm als ik vroeger rijk geweest ben."
+
+Toen besloot ze Raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan
+wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou
+haten als ze hem nu liefhad.
+
+Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
+zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.
+
+Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
+haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken,
+en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.
+
+Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.
+
+"Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd,
+of ze weer onder mijn dak mag wonen," zei hij tot zijn schoonzoon,
+"en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen,
+volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt."
+
+Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
+heel kalm:
+
+"Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
+teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren."
+
+Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
+"Ze is vóór den avond alweer bij me terug."
+
+Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.
+
+Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die
+reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte
+hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef
+daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele
+stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte.
+
+Het bracht Francisca niet bij hem terug.
+
+Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
+dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet
+doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in
+dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok
+weg uit Florence.
+
+Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
+aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
+heeren.
+
+Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
+werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
+groote mannen.
+
+Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
+heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
+en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat
+beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
+waren geschonken.
+
+Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend
+waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet
+weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.
+
+In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige
+Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het
+Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een
+slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht
+hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te
+bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem
+terug zou komen.--
+
+
+
+
+II.
+
+Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote
+vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad.
+
+Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in 't rond
+hoorde men gedruisch en gejoel.
+
+Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
+bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
+konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.
+
+Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij
+had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren.
+
+Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
+die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien
+avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.
+
+Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
+boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk
+van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
+aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
+aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
+meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij
+hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer
+verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.
+
+Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
+waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
+rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
+tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
+verhaal te doen.
+
+Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid,
+en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.
+
+"Het gebeurde eens," zei de Nar, "dat Onze Lieve Heer en de heilige
+Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs
+gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad
+om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te
+wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar
+de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap,
+en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld
+en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd.
+
+Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het
+Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus
+en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.
+
+"Waar zou ik tevreden mee zijn?" vroeg de heilige Petrus heftig.
+
+"Nu," zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, "ik dacht, dat je blij zou
+zijn met wat je vandaag gezien hadt."
+
+Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.
+
+"Het is waar," zei hij, "dat ik er jaren lang over geklaagd heb,
+dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er
+vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven
+zooals het was."
+
+Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
+van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
+belangstelling te luisteren dan in het begin.
+
+"Toen de heilige Petrus dit gezegd had," ging de Nar voort, terwijl
+hij een listigen blik op de ridders wierp, "boog hij zich over de
+tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven
+Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een
+bergdal naar boven stak.
+
+"Ziet Ge die hoopen lijken daar," zei hij; "en ziet Ge het bloed, dat
+op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen,
+die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende
+brandhoopen?"
+
+Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.
+
+Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls
+boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar
+nooit toegewenscht, dat zij 't zoo slecht hebben zou.
+
+Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping
+te maken.
+
+"Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd
+hebben met de grootste onverschrokkenheid."
+
+Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
+maar hij haastte zich met verder vertellen.
+
+"Neen, stoor me niet," zei hij, "nu weet ik niet meer waar ik gebleven
+ben. O ja, 't is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een
+paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te
+zien. "Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,"
+zei hij. "Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
+heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
+volgelingen te krijgen."
+
+De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te
+lachen. "Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?" riepen
+ze.
+
+"Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet
+verdedigt," zei een ander.
+
+"Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar," zei de Nar.
+
+"Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was,
+het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en
+zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan
+dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden
+en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang,
+dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij
+zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden
+naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de
+stad. "Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?" vroeg hij.
+
+"En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in 't leger een drinkgelag
+gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische
+danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen
+verspeelde men den buit en...."
+
+"Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden," viel Raniero
+in. "Was dat ook niet een groote zonde?"
+
+De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: "Wacht
+maar, dat zal ik je wel betaald zetten."
+
+"Neen, val me nou niet in de rede," verzocht hij weer. "Een arme Nar
+vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: "De heilige
+Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel
+eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel
+antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon.
+
+"Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen," zei
+de heilige Petrus, "en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen
+dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets
+goeds van terecht."
+
+"Nar, Nar," zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer
+in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand
+opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort.
+
+"Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met
+recht bestraft wordt, maar in 't volgend oogenblik boog Hij zich
+haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger.
+
+"De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. "Waar ziet Ge
+naar?" vroeg hij verwonderd."
+
+De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen
+Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat
+Onze Lieve Heer in 't oog gekregen had.
+
+"Onze Lieve Heer antwoordde, dat 't niets bijzonders was," zei de Nar,
+"maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus
+volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien
+dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar
+buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een
+menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit
+de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging
+het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten
+scharen ridders en ledigden de bekers. 't Eenige verschil was, dat er
+daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De
+heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was
+toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel
+strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende
+hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En
+hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen,
+'t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof,
+met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen,
+met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem."
+
+Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
+gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
+henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid.
+
+"Je bent een brutale kerel," zei Raniero, "laat ons nu eens hooren
+waar je heen wilt."
+
+"Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets," ging de Nar voort, "dat maakte,
+dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den
+heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een
+van de ridders een brandende kaars naast zich had."
+
+Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd
+nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
+wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om
+te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken.
+
+"De heilige Petrus zag nu," vertelde de Nar, "dat hoewel de tent
+overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende
+kaars naast zich had. 't Was een groote dikke kaars, een die er op
+berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen
+kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar
+gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden."
+
+'t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen
+op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was
+als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd,
+want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige
+Graf had aangestoken. Hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen,
+die uit te laten gaan.
+
+"Toen de heilige Petrus die kaars daar zag," zei de Nar, "werd het
+hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch
+kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben."
+
+"Nu ja," zei hij, "dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong
+na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen
+mocht aansteken aan het Heilige Graf."
+
+"Ja, zoo is het," zei Onze Lieve Heer, "en zooals je ziet, heeft hij
+zijn kaars nog aan."
+
+De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
+Raniero wierp: "De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje
+medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. "Kunt Ge niet begrijpen
+waarom hij die kaars nog aan heeft?" zei hij. "Ge meent zeker, dat
+hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij
+denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend
+werd als de dapperste in 't leger naast Godfried van Bouillon."
+
+Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
+boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen
+het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
+verdragen.
+
+"Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen," zei de Nar. "Zie je niet
+hoe bang hij voor die kaars is?" vroeg Hij. "Hij houdt de hand voor
+de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze
+uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen,
+die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen."
+
+Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere
+waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij
+voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige
+kaarsvlam schertste.
+
+"De heilige Petrus was nog wantrouwend," ging de Nar voort. "Hij
+vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, "hij hoort
+juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje
+verslijten." zei hij.
+
+Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. "Heilige Petrus,
+heilige Petrus," zei hij. "Onthoud nu, dat die ridder daar vromer
+dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan
+als 't niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en
+noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien
+verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt."
+
+Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero's karakter
+en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn
+die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den
+Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel,
+die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was,
+dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er
+op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn,
+zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren,
+eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was,
+had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite
+niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. "Ik zal
+hem op een anderen keer wel krijgen," dacht hij, en ging weer zitten.
+
+De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot
+Raniero en wilde de scherts voortzetten: "Er is toch één ding wat zeker
+is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je
+in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen."
+
+Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte
+niet volgen zou.
+
+"Nergens anders om," zei de ridder, "dan dat het kostbaarste wat je
+gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het
+heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die
+kun je toch niet naar Florence zenden."
+
+Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
+dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een
+eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager
+en zei tot hem: "Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis,
+morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam."
+
+Maar de wapendrager antwoordde knorrig "neen" op dit bevel. "Dat is
+iets wat ik niet op mij nemen wil," zeide hij. "Hoe zou het mogelijk
+zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn,
+voor ik buiten de legerplaats was."
+
+Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
+allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
+te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
+waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek,
+dat geen van Raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
+geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
+geduld en riep uit: "Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht
+worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen."
+
+"Bedenk u wel voor gij zooiets belooft," zei een ridder, "gij laat
+hier een vorstendom achter."
+
+"Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen," riep
+Raniero, "ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd."
+
+De oude wapendrager verdedigde zich: "Heer, voor u is het iets anders,
+gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden."
+
+Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. "Ik
+zal ook alleen reizen," zei hij.
+
+Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
+met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
+
+"Waarom lach jelui niet meer?" vroeg Raniero. "Die onderneming is
+maar een kinderspel voor een dapper man."
+
+
+
+
+III.
+
+Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te
+paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen
+had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren
+kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij
+was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed
+paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel
+had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de
+vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
+reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
+goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
+Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
+voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
+gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
+dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
+mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
+was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.
+
+Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort,
+ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend
+schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten,
+die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.
+
+Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was
+heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
+gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.
+
+Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
+kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero
+ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt
+was om uit te gaan.
+
+Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
+paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
+het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat
+hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die
+manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de
+tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen
+hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel
+opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren
+geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel
+kale heuvels.
+
+Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
+mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
+plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero,
+die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd
+hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen,
+ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag
+dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen
+te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
+kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
+fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
+spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
+uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
+hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
+hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde,
+maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
+weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
+als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.
+
+De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met
+het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij
+namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
+geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de
+beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
+zijn kaars niet uit.
+
+Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe
+goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te
+krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn
+voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden."
+
+Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf,
+alsof het van hout was.
+
+Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
+ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die
+kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
+als een dwaze bedelaar."
+
+Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
+onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
+verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust
+niet kon weerstaan het door te zetten.
+
+Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
+heuvels om zich heen.
+
+Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
+hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht
+hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?"
+
+De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
+door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
+zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
+snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
+zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder
+verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe
+om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar,
+maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag
+dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed
+om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan
+den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en
+op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden
+doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.
+
+Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
+hield, die boete deed.
+
+Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
+den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
+doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt
+om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de
+gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw
+aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden
+met ladingen levensmiddelen.
+
+Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden,
+met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!"
+
+De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
+eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!"
+
+Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd
+hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens
+sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen
+te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen
+gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op
+den weg.
+
+Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je
+"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars
+keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij,
+dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit,
+maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij
+en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het
+gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.
+
+"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht
+hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij
+was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk,
+dat zijn tocht hem zou gelukken.
+
+Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die
+de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote,
+overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen,
+waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers,
+maar de menschen moesten bij de dieren slapen.
+
+'t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats
+voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een
+middagmaal aan hun heer.
+
+Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik
+begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben
+door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker
+door de wereld, als men mij voor een gek houdt."
+
+Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
+stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling
+niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar
+nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij
+strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot
+den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
+hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.
+
+"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij
+probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was
+en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
+van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
+iets wat hij zich voorgenomen had.
+
+Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
+
+Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met
+een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest
+u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar
+hier hebt gij ze weer."
+
+Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig
+van u dat gij ze uitgedaan hebt."
+
+"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen
+gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze
+zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult
+gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft."
+
+Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
+verder in de beste stemming.
+
+
+
+
+IV.
+
+Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van
+Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de
+roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen.
+
+Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
+van Syrië. Vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland
+van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En
+van daar was het nog ver tot Florence.
+
+Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
+pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood
+met hem deelden.
+
+Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
+lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
+daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
+waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
+en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
+hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij
+had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als
+een kaarsvlam. Dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest,
+dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had.
+
+Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
+onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.
+
+"Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb,"
+zei hij.
+
+Op een avond reed Raniero een stad binnen. 't Was avond en de
+huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero
+zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
+herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
+loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als
+een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat
+ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij
+was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van
+overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
+waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
+dat hij haar zou terugwinnen.
+
+De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
+hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
+in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen.
+
+Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij,
+dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den
+berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere
+menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch
+heiligengraf. 't Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met
+een gewelfd dak. Hij vond, dat het 't beste was, daar zijn toevlucht
+te nemen.
+
+Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
+sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het
+zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist,
+dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat
+het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen
+en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg,
+heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor
+'t altaar van de Heilige Maagd.
+
+'t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en
+zag hij de bliksemstralen.
+
+En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak
+een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij
+het heilige licht hoefde te gebruiken.
+
+
+
+Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
+Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
+meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
+zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
+gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
+zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
+naderen zou.
+
+Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
+verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op
+en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op
+dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.
+
+Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
+sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
+pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg
+naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder
+hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
+berg op.
+
+Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
+kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
+kaarsen, die ze droegen.
+
+Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de
+kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige
+vlam was aangemaakt.
+
+
+
+Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
+een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
+tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
+het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
+hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat,
+en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit
+zou zijn.
+
+Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag
+dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
+en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
+wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut.
+
+Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
+strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze
+te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze
+vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang
+voor hem waren maar hij dacht: "Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
+anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
+zijn ze niet bang voor mij."
+
+Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
+het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
+die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
+troubadour was.
+
+Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
+aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: "Een
+gek! een gek!" maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan:
+
+"Hebt ge lang op deze wijze gereisd?" vroeg hij hem.
+
+"Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen," antwoordde Raniero.
+
+"Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?"
+
+"Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem
+ging," antwoordde Raniero.
+
+Toen sprak Robert Taillefer tot hem: "Ik ben ook een van hen, die een
+vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt
+gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen,
+mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven."
+
+Toen antwoordde Raniero: "Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het
+ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen
+zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een
+liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge
+ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
+
+"Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen
+vreugde smaken. Maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden
+tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig
+kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt,
+ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het
+volgend oogenblik de vlam u begeeft."
+
+Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: "Wat ge voor uw
+vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne."
+
+
+
+Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen
+in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg
+hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. "'t Vuur is bij mij
+uitgegaan," zei ze, "mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur,
+zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken."
+
+Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een
+afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
+werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd.
+
+Toen sprak de vrouw tot hem: "Geef mij vuur, pelgrim, want het leven
+van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden."
+
+En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
+aansteken aan zijn vlam.
+
+Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
+bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
+den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
+aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
+wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine
+viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich
+de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en
+stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.
+
+Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: "Gij zegt, dat de vlam
+die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij
+zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?"
+
+"Waar werd uw vlam aangestoken?" vroeg de vrouw.
+
+"Die werd aangestoken op het graf van Christus," zei Raniero.
+
+"Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
+menschenliefde," zei de vrouw.
+
+Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
+apostel voor zulke deugden.
+
+Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
+dat hij in de nabijheid van Florence was.
+
+Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
+af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
+verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina
+had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij
+het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
+overwinningen en veroveringen.
+
+Toen merkte Raniero, dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die
+herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen.
+
+Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was,
+die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen,
+zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig
+waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde
+blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen
+arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
+in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te
+maken. "Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd," dacht hij,
+"ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft."
+
+
+
+
+V.
+
+Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed. Nauwelijks was
+hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de kap over het
+gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een bedelaar
+stond op en riep het gewone: "Pazzo! pazzo!"
+
+Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief,
+die in lang geen ander werk gehad had, dan op zijn rug te liggen en
+naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen hetzelfde:
+"Pazzo! pazzo!"
+
+Daar ze nu met hun drieën aan het schreeuwen waren, maakten ze leven
+genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen aanrennen
+uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn versleten
+mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: "Pazzo! pazzo!"
+
+Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten,
+zonder op het geroep te letten.
+
+Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op
+en trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de
+hoogte en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens
+te ontkomen.
+
+Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om
+het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam
+te beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op
+elkaars rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen
+naar de kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar
+verdrongen, dat het hun niet lukte de vlam te dooven.
+
+Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan
+de vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn
+kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren
+op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.
+
+Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars
+te beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren
+gevallen en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een
+martelaar. De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat
+krioelde van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te
+nemen. De vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden
+met hun baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.
+
+Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een
+vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en
+ging er haastig mee naar binnen.
+
+'t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen,
+maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond;
+toen hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig
+ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard
+was de eenige, die bij hem bleef staan.
+
+Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli Uberti
+uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog mooi,
+haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.
+
+Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was
+bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem
+een schok door de leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote macht over
+hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze: "Hier
+is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe graag je
+die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te helpen."
+
+Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon langzaam
+op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was bijna
+weer gevallen.
+
+Toen beproefde hij op het paard te komen.
+
+Francesca hielp hem.
+
+"Waar wil je heen?" vroeg zij, toen hij eindelijk in 't zadel zat.
+
+"Ik wil naar de domkerk," zei hij.
+
+"Dan ga ik mee," sprak ze; "want ik wil naar de mis."
+
+En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.
+
+Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar Raniero
+zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te zien. Hij
+hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.
+
+Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de
+kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten
+zou. Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde
+weten wat ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero
+krankzinnig thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd
+was, wilde zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid
+daarvan bespaard bleef.
+
+Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide,
+maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen
+haar. Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.
+
+Hij liet zich naar de sacristy brengen.
+
+Daar steeg hij van 't paard. Hij ging alleen de sacristy in, naar
+den geestelijke.
+
+Francesca ging de kerk binnen.
+
+Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren
+onaangestoken ten teeken van rouw.
+
+Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder
+vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.
+
+In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters
+bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop
+vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de
+geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis
+tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten
+laatste ging ook de bisschop.
+
+Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor
+en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri
+naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde
+wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem
+bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca
+had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden
+terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke sprak lang en goed. Hij
+zei ten slotte met luider stem: "Nu kan het wel is waar een kleinigheid
+schijnen, dat een kaarsvlam hier naar Florence gebracht werd, maar ik
+zeg u, bidt God, dat hij Florence veel dragers van het heilig vuur
+zendt, dan zal het groot en machtig worden en een gezegende onder
+de steden."
+
+Toen de geestelijke zijn toespraak geëindigd had, gingen de hoofddeuren
+van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der haast
+geordend was kunnen worden, trok naar binnen.
+
+Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken door
+de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en
+naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis
+gedragen had.
+
+Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond een
+oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een gezel,
+dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen had
+om oneenigheid met hem.
+
+Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei
+hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:
+
+"'t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat Raniero met heilig
+vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger nooit gehoord of
+beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het onmogelijk
+is. Daarom zou ik willen vragen dat men 't heele volk bekendmake
+met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft meegebracht dat dit
+werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is aangestoken."
+
+Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: "Nu helpe mij God! Hoe
+kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen en
+wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen."
+
+"Raniero is een eerlijk ridder," zei de bisschop, "en wij gelooven
+hem op zijn woord."
+
+"Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou worden," zei
+Oddo. "Hij zal wel niet heelemaal alleen gereden hebben. Zijn pages
+kunnen wel voor hem getuigen."
+
+Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar voren
+en ging op Raniero toe: "Wat hebben wij getuigen van noode?" zei
+zij. "Alle vrouwen in Florence willen er op zweren, dat Raniero de
+waarheid zegt."
+
+Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar
+dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de kaarsvlam.
+
+Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat Raniero
+de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak bewezen
+had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.
+
+Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. "Ik denk
+wel, dat allen weten, dat er geen al te groote vriendschap bestond
+tusschen mijn schoonzoon en mij," zeide hij, "maar nu willen toch
+mijn zonen en ik allen borg voor hem staan. Wij gelooven, dat hij
+het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat hij die zulk een
+onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en edelaardig man is,
+dien wij met vreugde in ons midden opnemen."
+
+Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk, dat
+hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte groep
+en 't was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet wilden opgeven.
+
+Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk
+zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op
+zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.
+
+Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel
+hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een
+nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht
+aansteken? Oddo's woorden waren een doodsteek geweest. Nu de twijfel
+eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had een
+gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.
+
+Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het
+vloog recht op Raniero's kaars aan. Hij had geen tijd die terug te
+trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.
+
+Raniero's arm zonk neer en tranen kwamen in zijn oogen. Maar in 't
+eerste oogenblik voelde hij het als een verlichting, 't Was beter
+dan dat menschen het gedaan hadden.
+
+'t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde verward
+rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis komen.
+
+Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: "De vogel brandt! Het
+heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken."
+
+Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een
+fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het
+snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond
+Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem
+kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel
+verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.
+
+Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: "God wilde het! God
+heeft voor hem getuigd!"
+
+En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders, twijfelden
+niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen, verrukt over
+dit wonder Gods: "God wilde het! God heeft voor hem getuigd!"
+
+
+
+Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte
+alle zijn levensdagen en wijs en voorzichtig en barmhartig was. Maar
+de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri, ter
+herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd
+een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht
+en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den
+huidigen dag.
+
+Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk jaar
+op den avond vóór Paschen een feest gevierd wordt ter herinnering aan
+Raniero's thuiskomst met het heilige vuur, en dat men daarbij altijd
+een kunstvogel met vuur door den dom laat vliegen. En dit feest is er
+zeker van 't jaar nog geweest, wanneer daar niet pas een verandering
+in gebracht is.
+
+Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig
+vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de
+heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een
+voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren,
+te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.
+
+Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van
+Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CHRISTUSLEGENDEN ***
+
+***** This file should be named 44506-8.txt or 44506-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/4/4/5/0/44506/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
diff --git a/old/44506-8.zip b/old/44506-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..ac9c76e
--- /dev/null
+++ b/old/44506-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h.zip b/old/44506-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..df3528f
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h/44506-h.htm b/old/44506-h/44506-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..8751d60
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/44506-h.htm
@@ -0,0 +1,7404 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2013-12-25T13:49:24Z. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>Christuslegenden</title>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Selma Lagerl&ouml;f">
+<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Selma Lagerl&ouml;f">
+<meta name="DC.Title" content="Christuslegenden">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="#####">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+font-size: 100%;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.correctiontable
+{
+width: 75%;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext, table.alignedverse
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedverse
+{
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second
+{
+width: 45%;
+}
+table.alignedverse td.linenumbers
+{
+width: 10%;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, .h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.40em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.71em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+tr, td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.bottom
+{
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+span.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Table border styles */
+/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */
+table.borderOutside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Table with borders on the vertical inside edges. */
+table.verticalBorderInside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 0px solid black;
+}
+/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */
+table.borderAll
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Special purpose tables: */
+table.intralinear
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+}
+table.intralinear td
+{
+font-size: small;
+text-align: center;
+}
+table.ditto
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+vertical-align: bottom;
+}
+table.ditto tr.s
+{
+height: 0;
+color: white;
+line-height: 0;
+}
+table.ditto tr.s td
+{
+padding: 0px;
+}
+table.ditto tr.d td
+{
+text-align: center;
+line-height: 10pt;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+span.tocPageNum, span.flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt
+{
+font-family: monospace;
+}
+.underline
+{
+text-decoration: underline;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+h1, .h1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+h1, h2, .h1, .h2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd21e101width
+{
+width:579px;
+}
+.xd21e108width
+{
+width:488px;
+}
+.xd21e116
+{
+text-align:center;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Christuslegenden
+
+Author: Selma Lagerlof
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 25, 2013 [EBook #44506]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CHRISTUSLEGENDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e101width"><img src="images/frontcover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="579" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e108width"><img src="images/titlepage.png" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="488" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e116">Christuslegenden</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">Christuslegenden</div>
+</div>
+<div class="byline">Naar het Zweedsch<br>
+Van<br>
+<span class="docAuthor">Selma Lagerl&ouml;f</span><br>
+<span class="sc">Schrijfster van</span>:<br>
+&bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;, &bdquo;Ingrid&rdquo;, &bdquo;De
+Koninginnen van Kungah&auml;lla&rdquo;, &bdquo;De Wonderen van den
+Antichrist&rdquo;, &bdquo;Jeruzalem&rdquo;, &bdquo;Onzichtbare
+Ketenen&rdquo;.<br>
+Door<br>
+<span class="docAuthor">Margaretha Meijboom</span></div>
+<div class="docImprint">Geautoriseerde uitgave<br>
+Amsterdam<br>
+H. J. W. Becht</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e116">Boek-, courant- en steendrukkerij G. J.
+Thieme, Nijmegen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Inhoud.</h2>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td>
+<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1" id="xd21e167" name=
+"xd21e167">De heilige nacht</a></td>
+<td class="tocPageNum">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2" id="xd21e173" name=
+"xd21e173">Het visioen van den Keizer</a></td>
+<td class="tocPageNum">11</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3" id="xd21e179" name=
+"xd21e179">De bron der Wijzen</a></td>
+<td class="tocPageNum">23</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4" id="xd21e185" name=
+"xd21e185">De Kinderen van Bethlehem</a></td>
+<td class="tocPageNum">37</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5" id="xd21e191" name=
+"xd21e191">De vlucht naar Egypte</a></td>
+<td class="tocPageNum">69</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6" id="xd21e197" name=
+"xd21e197">In Nazareth</a></td>
+<td class="tocPageNum">81</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7" id="xd21e203" name=
+"xd21e203">In den Tempel</a></td>
+<td class="tocPageNum">89</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8" id="xd21e209" name=
+"xd21e209">De Zweetdoek van de Heilige Veronica</a></td>
+<td class="tocPageNum">111</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9" id="xd21e215" name=
+"xd21e215">Vogel Roodborst</a></td>
+<td class="tocPageNum">179</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch10" id="xd21e221" name=
+"xd21e221">Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus</a></td>
+<td class="tocPageNum">191</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch11" id="xd21e228" name=
+"xd21e228">De Kaarsvlam</a></td>
+<td class="tocPageNum">207</td>
+</tr>
+</table>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name=
+"pb1">1</a>]</span></p>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name=
+"pb3">3</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e167">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De heilige nacht.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot
+verdriet. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad
+heb. Dat was de dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij
+elken dag in den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.</p>
+<p>Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar
+zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen,
+stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen
+kind had het zoo goed als wij.</p>
+<p>Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me,
+dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan
+een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een
+verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei
+ze: &bdquo;En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik
+jou.&rdquo;</p>
+<p>Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet
+alle dagen. Een van die liedjes was <span class="pagenum">[<a id="pb4"
+href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>van een ridder en een meermin en
+daarvan was het refrein: &bdquo;Koud waait de wind over de
+zee&rdquo;.</p>
+<p>En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en een
+gezangvers.</p>
+<p>Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe,
+verwarde herinnering. Er is maar &eacute;&eacute;n dat ik nog
+z&oacute;&oacute; goed weet, dat ik &rsquo;t zou kunnen navertellen.
+Dat is een verhaal van Jezus&rsquo; geboorte.</p>
+<p>Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve
+dat wat ik me &rsquo;t allerbest herinner&mdash;en dat is het groote
+gemis, toen zij was heengegaan.</p>
+<p>Ik herinner me dien morgen, toen de canap&eacute; daar leeg
+stond&mdash;en toen ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen
+zou! Dat weet ik nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe
+wij, kinderen, bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.</p>
+<p>En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons
+toen, dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken
+voor al het pleizier, dat zij ons gedaan had.</p>
+<p>En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze
+hoeve, ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom
+kwamen.</p>
+<p>Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur
+van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger vrij
+uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open kon
+maken. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
+"pb5">5</a>]</span></p>
+<p>En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en
+speelgoed leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon
+&rsquo;t wel schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan
+haar dachten.</p>
+<p>Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de
+legenden van Christus verzamel, die ik nu in &rsquo;t Oosten gehoord
+heb, wordt dat kleine verhaal van Jezus&rsquo; geboorte, dat
+Grootmoeder me placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar
+nog eens over spreken en het opnemen in mijn verzameling.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>&rsquo;t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve
+Grootmoeder en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij
+mochten niet meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was.
+En het speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten
+rijden en de Kerstlichtjes zien.</p>
+<p>Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te
+vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Er was eens een man,&rdquo; zei ze, &bdquo;die uitging in den
+donkeren nacht om vuur te leenen. Hij ging van &rsquo;t eene huis naar
+het andere en klopte aan.</p>
+<p>&bdquo;Ach, vrienden,&rdquo; zei hij, &bdquo;helpt mij. Mijn vrouw
+heeft pas een kind gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den
+kleine te verwarmen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t was laat in den nacht. En alle menschen
+sliepen. Niemand antwoordde hem. <span class="pagenum">[<a id="pb6"
+href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte
+het schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het
+vuur in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om
+heen te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.</p>
+<p>&bdquo;Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen
+gekomen was, zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den
+herder lagen te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en
+sperden de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid
+werd gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen
+staan, hij zag hun tanden wit glimmen in &rsquo;t schijnsel van het
+vuur en zij vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in
+&rsquo;t been wilde bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel
+kwam hangen. Maar de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten,
+wilden niet gehoorzamen en de man werd in &rsquo;t minst niet
+gewond.</p>
+<p>&bdquo;Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had.
+Maar de schapen lagen z&oacute;&oacute; dicht op elkaar, rug aan rug,
+dat hij er niet door kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren
+en liep naar het vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde
+zich.&rdquo;</p>
+<p>Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet
+laten haar in de rede te vallen. &bdquo;Waarom werden ze niet wakker,
+Grootmoeder?&rdquo; vroeg ik. <span class="pagenum">[<a id="pb7" href=
+"#pb7" name="pb7">7</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zul je straks hooren,&rdquo; zei Grootmoeder, en vertelde
+voort.</p>
+<p>&bdquo;Toen de man bijna bij &rsquo;t vuur was, zag de herder op.
+Hij was een oud, knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle
+menschen. En toen hij den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen
+spitsen staf, dien hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde
+hoedde, en wierp hem dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man
+aan, maar eer hij hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem
+ver het veld in.&rdquo;</p>
+<p>Toen Grootmoeder z&oacute;&oacute;ver gekomen was, viel ik haar weer
+in de rede: &bdquo;Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet
+treffen?&rdquo; Maar Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde
+voort:</p>
+<p>&bdquo;Nu kwam de man bij den herder en zei: &bdquo;Vriend, help
+mij, en leen me wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en
+ik moet vuur aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De herder had &rsquo;t liefste &bdquo;neen&rdquo; gezegd,
+maar toen hij er over dacht, dat zijn honden den man geen kwaad hadden
+kunnen doen, dat de schapen niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn
+staf hem niet had willen treffen, werd hij een beetje bang en durfde
+hem niet weigeren wat hij vroeg.</p>
+<p>&bdquo;Neem zooveel ge noodig hebt,&rdquo; zei hij tot den man.</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of
+takken, maar niets dan een gloeiende hoop <span class="pagenum">[<a id=
+"pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>en de vreemde had geen schop
+of schep, waarin hij de heete kolen dragen kon.</p>
+<p>&bdquo;Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: &bdquo;Neem zooveel
+als gij noodig hebt,&rdquo; en hij was er blij om, dat de man geen vuur
+zou kunnen meenemen.</p>
+<p>&bdquo;Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn
+handen en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen
+niet, toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de
+man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren.&rdquo;</p>
+<p>Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen:
+&bdquo;Grootmoeder, waarom wilden de kolen den man niet
+branden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zul je hooren,&rdquo; zei Grootmoeder, en vertelde
+verder:</p>
+<p>&bdquo;Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles
+zag, werd hij heel verbaasd: &bdquo;Wat kan dat toch voor een nacht
+zijn, dat de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer
+niet doodt en &rsquo;t vuur niet zengt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: &bdquo;Wat is dit
+toch voor een nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen
+barmhartigheid betoonen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen zei de man: &bdquo;Ik kan het u niet zeggen, als gij het
+zelf niet ziet.&rdquo; En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te
+maken en vrouw en kind te kunnen verwarmen.</p>
+<p>&bdquo;Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet <span class=
+"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>geheel uit
+het oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon
+beteekenen.</p>
+<p>&bdquo;Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij
+woonde.</p>
+<p>&bdquo;Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te
+wonen, maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te
+zien was dan kale, naakte steenen wanden.</p>
+<p>&bdquo;Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel
+dood zou kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig
+man was, werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.</p>
+<p>&bdquo;En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte
+witte schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het
+kindje daarop moest leggen.</p>
+<p>&bdquo;Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te
+kunnen zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet
+had kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.</p>
+<p>&bdquo;Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van
+engeltjes met zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in
+de hand en allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was,
+die de wereld zou redden uit haar zonden.</p>
+<p>&bdquo;Toen begreep hij, dat alle dingen z&oacute;&oacute; blij
+waren, dat ze geen kwaad wilden doen.</p>
+<p>&bdquo;En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag
+ze overal. Zij zaten in de grot en buiten <span class="pagenum">[<a id=
+"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>op den berg en zij vlogen
+langs den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen
+en als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het
+kindje.</p>
+<p>&bdquo;Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En
+dat alles zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had
+kunnen onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend
+waren, dat hij op de knie&euml;n viel en God dankte.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei:
+&bdquo;Maar wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken
+Kerstnacht vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien
+konden.&rdquo;</p>
+<p>En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: &bdquo;Dat
+moet je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik
+jou. &rsquo;t Zit hem niet in kaarsen en lampen en &rsquo;t is niet
+verborgen in zon of maan, maar het &eacute;&eacute;ne noodige is, dat
+wij oogen hebben, die Gods heerlijkheid kunnen zien.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name=
+"pb11">11</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13"
+name="pb13">13</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e173">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Het visioen van den Keizer.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was
+en Herodes koning in Jeruzalem.</p>
+<p>Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde
+neerdaalde. &rsquo;t Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien
+had; men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder
+terechtgekomen was. Het was onmogelijk het water van het land te
+onderscheiden en men kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon
+ook niet anders, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle
+sterren waren thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat
+afgewend.</p>
+<p>En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren
+staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren
+hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee
+gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand
+sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben
+hooren knarsen <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
+"pb14">14</a>]</span>onder zijn voeten. Alles was versteend en hield
+zich onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. &rsquo;t
+Gras durfde niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden
+&rsquo;t niet haar geuren uit te ademen.</p>
+<p>In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet,
+blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de
+levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben
+willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper zou
+een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.</p>
+<p>Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het
+keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar
+het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren den
+keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde, dat
+hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord, dat
+hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun wil in
+deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld door enkele
+vertrouwden, dit offer ging brengen.</p>
+<p>Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en
+de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de kooi
+met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of soldaten
+<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name=
+"pb15">15</a>]</span>of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste
+vrienden.</p>
+<p>De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door &rsquo;t
+nachtelijk duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het
+drievoetige altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige
+vuur&mdash;en alles wat er verder voor het offer noodig was.</p>
+<p>Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom
+lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den nacht.
+Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de ledige
+plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet, openbaarde
+het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.</p>
+<p>Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand van
+de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst, dat
+het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een oeroud
+steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de rots gekomen
+was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon zijn dan de oude
+Sibylle.</p>
+<p>Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien.
+Die oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er
+niet bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht.
+&bdquo;Zij is het,&rdquo; fluisterden ze elkaar toe, &bdquo;die zooveel
+jaren telt als er zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn.
+Waarom is zij juist vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat
+zal zij den keizer en het rijk <span class="pagenum">[<a id="pb16"
+href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span>voorspellen, zij, die haar
+profetie&euml;n op de bladeren der boomen schrijft en weet, dat de wind
+orakelspreuken brengt tot hen, aan wie ze zijn afgezonden?&rdquo;</p>
+<p>Zij waren z&oacute;&oacute; bang, dat allen op de knie&euml;n zouden
+zijn gevallen met het voorhoofd op den grond, als de <span class="corr"
+id="xd21e387" title="Bron: sybille">sibylle</span> ook maar een enkele
+beweging gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze
+zat aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand
+over de oogen, uit in den nacht.</p>
+<p>Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel
+in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.</p>
+<p>Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?</p>
+<p>Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis was.
+Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte, wat een
+ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden ze niet
+hooren. Maar &rsquo;t was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude
+zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en
+machteloos.</p>
+<p>Zij dachten: &bdquo;Er moet iets vreeselijks gebeuren.&rdquo;</p>
+<p>Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den
+keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem in
+om den nieuwen god te begroeten.</p>
+<p>Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer
+en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om
+zijn beschermgeest te begroeten. <span class="pagenum">[<a id="pb17"
+href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
+<p>Maar de waarheid was, dat de oude sibylle z&oacute;&oacute; verdiept
+was in een visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het
+Kapitool gekomen was. Zij was met haar geest in verre landen en het was
+haar, alsof ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte
+zij met den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras
+hield. Zij boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen
+bosjes gras, maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende
+schapen.</p>
+<p>Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld
+en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij &rsquo;t vuur te
+slapen en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om
+de kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met
+de glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen,
+waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven niet
+naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en de wilde
+dieren legden zich ter ruste naast de menschen.</p>
+<p>Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den
+berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde, de
+kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit de
+kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon den
+vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich vrij en
+verdween in &rsquo;t duister van den nacht. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span></p>
+<p>Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude
+sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.</p>
+<p>Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij &rsquo;t kolenvuur der
+herders meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid,
+dat door den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het
+lang, eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den
+hemel.</p>
+<p>Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende,
+schitterende gestalten daarboven in &rsquo;t donker voortglijden.
+&rsquo;t Waren kleine scharen engelen, die liefelijk zingend en als
+zoekend heen en weer vlogen over de wijde vlakte.</p>
+<p>Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde
+de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde het
+altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle krachten
+inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de duif door
+zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar duisteren
+nacht.</p>
+<p>De keizer was ontzet. Hij viel op de knie&euml;n voor het leege
+altaar en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de
+ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.</p>
+<p>Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel
+haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk werd
+het z&oacute;&oacute; krachtig, dat het de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>herders
+wekte. Zij hieven zich overeind op de ellebogen en zagen glanzende
+scharen van zilverwitte engelen zich boven hen in &rsquo;t donker
+bewegen in lange, golvende rijen, als trekvogels. Sommigen hadden
+luiten en violen in de hand, anderen cithers en harpen, en hun lied
+klonk zoo vroolijk als kinderlachen en zoo zorgeloos als
+leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden, stonden ze op om naar de
+stad op den berg te gaan, waar zij woonden, om van het wonder te
+vertellen.</p>
+<p>Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de
+oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een groote
+heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den bergtop
+glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende
+engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders
+versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.</p>
+<p>Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld
+boven een lagen stal bij de stadspoort. &rsquo;t Was een onooglijk
+gebouw met een rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond
+de ster boven en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen
+zetten zich op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand
+achter het huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog
+was de lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven <span class=
+"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span>de
+bergstad, ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte
+bij &rsquo;t Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken.
+Zij voelden frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan,
+liefelijke geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber
+begon te bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog
+aan den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee
+duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.</p>
+<p>Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar
+zijn vrienden en slaven vielen op de knie&euml;n. &bdquo;Ave,
+Caesar!&rdquo; riepen zij. &bdquo;Uw beschermgeest heeft U geantwoord.
+Gij zijt de God, die aangebeden moet worden op het Kapitool.&rdquo;</p>
+<p>En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk
+z&oacute;&oacute; luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar
+uit haar visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de
+rots en ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den
+afgrond was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was
+vreeselijk in haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om
+haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere
+huid bekleedde rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.</p>
+<p>Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet
+ging. Met de eene hand vatte zij hem <span class="pagenum">[<a id=
+"pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>om den pols, met de
+andere wees zij naar het verre oosten.</p>
+<p>&bdquo;Zie,&rdquo; beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en
+zag. De ruimte opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot
+het land in het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een
+steilen rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen.
+In den stal zag hij een jonge moeder op de knie&euml;n voor een kindje,
+dat op een stroobos op den grond lag.</p>
+<p>En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme
+kind.</p>
+<p>&bdquo;Ave, Caesar!&rdquo; zei ze met een hoonlach.
+&bdquo;D&aacute;&aacute;r is de God, die op den heuvel van het Kapitool
+zal worden aangebeden.&rdquo;</p>
+<p>Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor
+zich had.</p>
+<p>Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe
+oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem
+veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en
+een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak
+woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:</p>
+<p>&bdquo;Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die
+de wereld vernieuwt.</p>
+<p>&bdquo;Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte
+menschen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name=
+"pb22">22</a>]</span></p>
+<p>Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen
+mannen, liep langzaam den berg af en verdween.</p>
+<p>Maar Augustus liet den volgenden dag &rsquo;t volk streng verbieden
+een tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan
+richtte hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde
+dat: &bdquo;Altaar des Hemels&rdquo;, <i lang="la">Ara C&oelig;li</i>.
+<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name=
+"pb23">23</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25"
+name="pb25">25</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e179">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De bron der Wijzen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het oude land van Juda ging de droogte rond, met
+holle oogen en verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord
+gras.</p>
+<p>&rsquo;t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen,
+de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe
+veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde
+beken.</p>
+<p>De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde
+naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water
+tusschen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde
+bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met
+slependen tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar
+Jeruzalem leidt.</p>
+<p>Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen,
+die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna
+uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien uit
+<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
+"pb26">26</a>]</span>&eacute;&eacute;n grooten, uitgeholden steen
+bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die
+anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en
+slik en modder van den bodem maakte hem onrein en troebel.</p>
+<p>Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld
+op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.</p>
+<p>&bdquo;Ik zou wel eens willen weten, wanneer &rsquo;t met jou gedaan
+kan zijn,&rdquo; zei de droogte. &bdquo;Je zult wel geen waterader
+kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen.
+En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen
+sprake zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je kunt gerust wezen,&rdquo; zuchtte de bron; &bdquo;niemand
+kan me helpen. Daar zou minstens een brona&acirc;r uit het Paradijs
+voor noodig zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is,&rdquo;
+zei de droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en
+nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien
+sterven.</p>
+<p>Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich
+als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel
+pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen, den
+aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige droppels
+van den bodem.</p>
+<p>Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering <span class=
+"pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>viel,
+keek de droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de
+diepte.</p>
+<p>&bdquo;Ik blijf hier vannacht,&rdquo; riep ze. &bdquo;Haast je maar
+niet. Als het zoo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker
+van, dat &rsquo;t met je gedaan is.&rdquo;</p>
+<p>De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete
+nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over
+het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en
+dorstige koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen.
+Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en
+verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.</p>
+<p>Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een
+kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over
+de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan
+aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.</p>
+<p>De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw
+in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water
+vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en
+kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al
+was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk, dat
+er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar
+kwam aanzetten in den nacht. <span class="pagenum">[<a id="pb28" href=
+"#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
+<p>Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp
+tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij
+schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk de
+reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.</p>
+<p>Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid was.
+Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de drie
+eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk
+opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje, en bereden door
+schoone, voorname ruiters.</p>
+<p>De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden
+zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun
+ruiters stegen af.</p>
+<p>De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar
+kwamen, schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en
+bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.</p>
+<p>De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar
+door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte
+gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder
+glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van den
+hemel genomen was.</p>
+<p>&bdquo;Wij komen uit een ver land,&rdquo; zei een van de
+vreemdelingen, &bdquo;en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk
+de Bron der Wijzen is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo wordt zij vandaag nog genoemd,&rdquo; zei de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>droogte;
+&bdquo;maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht
+sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie,&rdquo; zei de man;
+&bdquo;maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit
+uitdrogen? En vanwaar heeft zij haar naam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet dat ze heilig is,&rdquo; zei de droogte; &bdquo;maar
+wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het
+Paradijs.&rdquo;</p>
+<p>De drie reizigers zagen elkander aan.</p>
+<p>&bdquo;Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?&rdquo;
+vroegen ze.</p>
+<p>&bdquo;Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en
+stroomen,&rdquo; zei de droogte trotsch.</p>
+<p>&bdquo;Doe ons dan het genoegen en vertel ons die,&rdquo; vroegen de
+vreemdelingen.</p>
+<p>En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit, en
+luisterden.</p>
+<p>De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een
+sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:</p>
+<p>&bdquo;In Gabes, in Medi&euml;, een stad die aan de grenzen van de
+woestijn ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele
+jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel
+arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog
+in eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast
+niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was
+<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
+"pb30">30</a>]</span>melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en
+met dikke lippen. De menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te
+kunnen leeren, den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar
+den derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat
+nooit eenige wijsheid uit Ethiopi&euml; gekomen was.</p>
+<p>De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar aan.
+Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des nachts op
+hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid zich den
+tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare,
+dat zij bij dingen en menschen opmerkten.</p>
+<p>Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht
+begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen
+wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij
+wekte de beide anderen.</p>
+<p>&bdquo;Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht
+te slapen,&rdquo; sprak hij tot hen. &bdquo;Ontwaakt en heft uw oogen
+op naar den hemel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was
+een nacht, dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het
+heelal was zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf
+gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het
+licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op
+ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun
+oppervlakte. <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name=
+"pb31">31</a>]</span></p>
+<p>Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen een
+zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en
+kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten.
+Maar hij lichtte zooals rozen&mdash;God late ze alle
+verdorren&mdash;wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter
+en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht
+barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk,
+toen hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster,
+hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en er
+wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig stralend
+rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als
+de schoonste onder de sterren.</p>
+<p>Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur
+op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus
+en Alexander te boven zou gaan.</p>
+<p>En ze zeiden tot elkander: &bdquo;Laat ons naar den vader en de
+moeder van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien
+hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met een
+gouden armband.&rdquo;</p>
+<p>Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij
+gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een
+oogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge,
+<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name=
+"pb32">32</a>]</span>lieflijke woestijn, die de menschen verafschuwen.
+Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het
+woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als
+wegwijzer.</p>
+<p>Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder
+den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning, dien ze
+zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met
+edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te
+spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn
+moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en
+macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van
+Salomo.</p>
+<p>Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te
+zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met
+minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij
+zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer
+behoefden te dragen.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e566" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ik lag op de loer in de woestijn als een
+leeuw,&rdquo; zei de droogte, &bdquo;en wilde mij op deze reizigers
+werpen met alle ellende van den dood, maar ze ontkwamen mij. De ster
+leidde hen den heelen nacht en tegen den morgen, toen het licht werd en
+de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte
+over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een
+bron en vruchtdragende boomen vonden. Daar <span class=
+"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>rustten
+zij den geheelen dag en eerst tegen den nacht, toen ze het sterrenlicht
+over het woestijnzand zagen, gingen zij verder.</p>
+<p>&bdquo;Voor een mensch,&rdquo; ging de droogte voort, &bdquo;was het
+een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch
+dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels.
+Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen
+zonneschijn en den heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden
+aanhoudend tegen elkaar: &bdquo;God beschermt ons en zegent onzen gang;
+wij zijn Zijn gezanten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen,&rdquo;
+ging de droogte voort. &bdquo;Het hart van die sterrenreizigers
+veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij
+werden vol onvruchtbaren trots en verwoestende gierigheid. &bdquo;Wij
+zijn Godsgezanten,&rdquo; herhaalden de drie Wijzen. &bdquo;De vader
+van den pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een
+karavaan schenkt, beladen met goud.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de
+heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad
+Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag te
+schitteren.</p>
+<p>&bdquo;De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en
+muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij
+zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de
+stad <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name=
+"pb34">34</a>]</span>in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van
+den weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door de opening en
+toonde den drie wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot
+rustig lag te slapen.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het
+hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de
+grot staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een
+koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun
+tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en
+liepen terug naar den heuvel.</p>
+<p>&bdquo;Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als
+wij?&rdquo; zeiden ze. &bdquo;Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij
+met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van
+een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn
+kudde hoeden zal hier in het dal.&rdquo;</p>
+<p>De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe.
+&bdquo;Heb ik geen gelijk?&rdquo; scheen zij te vragen. &bdquo;Er is
+iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan
+het menschenhart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun
+voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd
+hadden,&rdquo; ging de droogte voort. &bdquo;En zij zagen omhoog om de
+ster te vinden en den rechten weg. Maar toen was de ster, die zij heel
+uit het oosten gevolgd hadden, van den heuvel verdwenen.&rdquo;</p>
+<p>De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging <span class=
+"pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>en op
+hun aangezicht lag een uitdrukking van diepe smart.</p>
+<p>&bdquo;Wat nu gebeurde,&rdquo; ging de spreekster voort, &bdquo;is
+van &rsquo;t standpunt van een mensch uit gezien, misschien gelukkig.
+Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen,
+begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde,&rdquo;
+vertelde de droogte bevend verder, &bdquo;zooals het veld in den
+herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor
+donder en bliksem, hun ziel werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart
+als groen gras.</p>
+<p>&bdquo;Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het
+kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich
+niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste
+smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te
+drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over het
+water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster,
+die hen uit het oosten hierheen geleid had.</p>
+<p>&bdquo;En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde
+hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en
+zeiden: &bdquo;Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare
+kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd
+heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>hoofden,
+en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter
+dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden,
+de melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men
+zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en
+koning werden&mdash;ieder in zijn eigen land.&rdquo;</p>
+<p>De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen
+haar: &bdquo;Ge hebt goed verteld,&rdquo; zeiden zij.</p>
+<p>&bdquo;Maar het verwondert mij,&rdquo; zei de eene, &bdquo;dat de
+drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze
+zulk een weldaad geheel vergeten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?&rdquo; zei de
+tweede vreemdeling, &bdquo;om den menschen te herinneren, dat het
+geluk, dat verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden
+kan worden in het dal van de nederigheid?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?&rdquo; zei de
+derde. &bdquo;Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het
+Paradijs?&rdquo;</p>
+<p>Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij
+had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En
+zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie
+Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen
+beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water,
+dat zij uit het Paradijs gehaald hadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e185">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Kinderen van Bethlehem.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch
+krijgsman op wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en
+een lange speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna
+onbeweeglijk, zoodat men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was.
+De stadsbewoners gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer
+in de schaduw onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en
+wijnhandelaars zetten hun manden en potjes op &rsquo;t veld naast den
+krijgsman, maar hij nam nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om
+ze aan te zien.</p>
+<p>&bdquo;Dat is niet de moeite waard om naar te kijken,&rdquo; scheen
+hij te willen zeggen. &bdquo;Wat geef ik om jelui, die werken en handel
+drijven en komen aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een
+leger zien, dat zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij
+het krioelen zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich
+op een schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met
+stormpas vooruitsnellen <span class="pagenum">[<a id="pb40" href=
+"#pb40" name="pb40">40</a>]</span>om de muren van een belegerde stad te
+bestormen. Niets kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang
+er naar den Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik
+verlang naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens,
+de roode bloeddroppels.&rdquo;</p>
+<p>Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met
+leli&euml;n. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op
+dit veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone
+schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de
+voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten, en
+dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden om naar
+zooiets onbeduidends te kijken. &bdquo;Die menschen weten niet wat mooi
+is,&rdquo; dacht hij.</p>
+<p>En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de
+olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde zich
+ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybi&euml;. Hij zag
+een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen zand
+trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen, nergens
+een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de woestijn of
+een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen met wankelende
+schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den een na den ander
+omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar niettegenstaande
+<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name=
+"pb41">41</a>]</span>dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder
+aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en
+terug te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Zie, d&agrave;t is mooi,&rdquo; dacht de krijgsman,
+&bdquo;dat is de moeite waard voor een dapper man, om te
+zien.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats,
+had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem
+heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij
+begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. &bdquo;Wat
+is daar voor aardigs aan?&rdquo; dacht hij, wanneer hij menschen zag
+lachen, als zij naar de spelen der kinderen keken. &bdquo;&rsquo;t Is
+wonderlijk, dat menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond
+buiten de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar
+oud kon zijn, op &rsquo;t veld komen om te spelen. &rsquo;t Was een arm
+kind, met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.</p>
+<p>De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder
+&rsquo;t zelf te merken.</p>
+<p>&rsquo;t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over
+&rsquo;t veld sprong; &rsquo;t was alsof hij over de punten van de
+grassprietjes zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde,
+werd hij nog verbaasder.</p>
+<p>&bdquo;Bij mijn zwaard!&rdquo; zei hij eindelijk. &bdquo;Dit kind
+speelt niet als anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig
+is?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name=
+"pb42">42</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af,
+zoodat deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om
+een bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar
+beladen was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen
+kon opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet
+opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te
+gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de
+knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen haar
+woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die manier
+een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den heelen
+dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.</p>
+<p>&bdquo;Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien
+heb,&rdquo; dacht de krijgsman. &bdquo;Hoe komt hij er toch bij die
+bijen te willen helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en
+die hem op den koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch
+van groeien, als hij in &rsquo;t leven blijft!&rdquo;</p>
+<p>De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en
+de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te
+kijken. &bdquo;Dat is toch wonderlijk,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Ik heb
+hier nu volle drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe
+heb ik niets gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit
+kind.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
+"pb43">43</a>]</span></p>
+<p>Maar de krijgsman was in &rsquo;t geheel niet ingenomen met het
+kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een
+vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk
+gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een
+tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd
+worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als de
+krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou kunnen
+worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de hand om
+zijn speer, als om steun te zoeken.</p>
+<p>En nu&mdash;hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen
+zag, hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel
+was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er niet
+van aan zooiets akeligs te denken.</p>
+<p>Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie veld
+speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken neerkletteren.
+Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren, die op de teere
+lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn sierlijke vrienden te
+worden. Hij haastte zich naar de grootste en mooiste van hen en boog
+den stijven stengel, die de bloemen droeg, naar den grond, zoodat de
+regendroppels den onderkant van de kelken troffen. En zoo gauw hij dit
+met &eacute;&eacute;n bloemsteel gedaan had, haastte hij zich naar een
+anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de bloemkelken naar den
+grond gekeerd stonden. <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44"
+name="pb44">44</a>]</span>En toen naar een derden en een vierden tot
+alle bloemen van het veld voor den hevigen regen beschut waren. De
+krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van den jongen aanzag.
+&bdquo;Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar voor
+zijn,&rdquo; zei hij. &bdquo;Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat
+gaat niet, die stijve planten zoo te buigen.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den
+kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind
+zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind zonder de
+minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek, dat geen enkele
+gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de eene bloem naar de andere
+en alle geredde lelies prijkten in volle pracht op het veld. Toen de
+krijgsknecht dat zag, werd hij door een wonderlijk gevoel van toorn
+aangegrepen. &bdquo;Kijk nu zoo&rsquo;n kind eens,&rdquo; dacht hij.
+&bdquo;&rsquo;t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen
+kan. Wat zal er voor een man uit zoo&rsquo;n jongen groeien, die niet
+verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou &rsquo;t gaan als
+zoo iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd
+een huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in
+den grond te boren met alle manschappen aan boord?&rdquo; Weer moest
+hij denken aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de
+tijd toch werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan.
+&bdquo;Nu er zulk een kind gekomen <span class="pagenum">[<a id="pb45"
+href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>is als dit,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;is die vreeselijke tijd misschien heel nabij. Nu al is er vrede
+in de heele wereld en zal de dag van oorlog misschien nooit meer
+aanbreken. Van nu af aan zullen alle menschen gezind zijn als dit kind.
+Zij zullen niet eens het hart hebben een bij of een bloem te vernielen.
+Geen groote heldenfeiten zullen meer verricht worden, geen heerlijke
+overwinningen behaald, en geen stralende held zal zegevierend naar het
+kapitool trekken. Er zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een
+dapper man.&rdquo;</p>
+<p>En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te
+beleven en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te
+komen, voelde zich zoo ge&euml;rgerd door den kleinen driejarige, dat
+hij dreigend met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij
+kwam.</p>
+<p>Op een anderen dag waren het geen leli&euml;n of bijen, die de
+kleine trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog
+veel onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.</p>
+<p>&rsquo;t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den
+helm en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat
+hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. &rsquo;t
+Scheen den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed.
+Zijn oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en
+&rsquo;t vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo
+gehard was, dat hij de brandende <span class="pagenum">[<a id="pb46"
+href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>hitte in de Afrikaansche
+woestijn kon verdragen, vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan
+zijn gewone plaats te verlaten. Hij had er integendeel plezier in den
+voorbijgangers te toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij
+geen beschutting voor de zon behoefde te zoeken.</p>
+<p>Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden,
+kwam de kleine jongen, die gewoonlijk op &rsquo;t veld speelde,
+plotseling naar hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn
+vrienden hoorde, en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij
+niet binnen het bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs
+naar hem toe, bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart
+weg. Toen hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen
+uitgebreid als een schotel en bracht op die manier een paar droppels
+water me&ecirc;.</p>
+<p>&bdquo;Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om
+water voor mij te halen?&rdquo; dacht de krijgsman. &bdquo;Dat is toch
+al te onwijs! Zou een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen
+verdragen! Wat hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te
+brengen, die niet noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik
+wou, dat hij en zijns gelijken de wereld uit waren!&rdquo;</p>
+<p>De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast
+opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl
+hij den krijgsman naderde, <span class="pagenum">[<a id="pb47" href=
+"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>hield hij zijn oogen angstig op het
+beetje water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de
+man daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.</p>
+<p>Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het
+water aan.</p>
+<p>Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en
+verder over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het
+hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat
+eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den
+soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde hem
+met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken, dat hij
+me&ecirc;gebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad aan
+te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.</p>
+<p>Hij zag het niet in &rsquo;t lieve gezichtje, maar bleef stijf en
+onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor
+hem wilde doen.</p>
+<p>Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen
+wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op en
+strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat bij
+het water zou kunnen komen.</p>
+<p>De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde
+helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.</p>
+<p>Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de
+zonnestralen zoo heftig neerstroomden <span class="pagenum">[<a id=
+"pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>over den krijgsman, dat
+hij roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd
+voelde smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij
+niet oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf
+van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer op
+den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij kon
+van het water op, dat het in de handjes hield.</p>
+<p>&rsquo;t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen
+kreeg, maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd
+had, voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn
+helm en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden
+hun moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en
+de roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.</p>
+<p>Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer
+neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg zich
+verwonderd af: &bdquo;Wat was dat voor water, dat het kind me gaf?
+&rsquo;t Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid
+toonen.&rdquo;</p>
+<p>Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte.
+&bdquo;&rsquo;t Is immers maar een kind,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;&rsquo;t weet zelf niet waarom het zoo of zoo doet. Hij speelt
+maar het spelletje, dat hij het prettigst vindt. Zou hij dank krijgen
+van de bijen of van de lelies? Voor dien kleinen snaak hoef ik me toch
+geen moeite <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name=
+"pb49">49</a>]</span>te geven, hij weet niet eens, dat hij me geholpen
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer
+ge&iuml;rriteerd tegen &rsquo;t kind, toen hij den aanvoerder der
+Romeinsche soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit
+zag komen. &bdquo;Kijk,&rdquo; dacht hij, &bdquo;wat ben ik door dien
+jongen in gevaar geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij
+gekomen was, zou hij mij met een kind in de armen hebben zien
+staan.&rdquo;</p>
+<p>De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem
+of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem
+een geheim me&ecirc; te deelen. &bdquo;Als wij maar tien stappen van de
+poort weggaan,&rdquo; antwoordde de krijgsman, &bdquo;dan kan niemand
+ons hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je weet,&rdquo; zei de hoofdman, &bdquo;dat koning Herodes
+meer dan eens getracht heeft een kind machtig te worden, dat hier in
+Bethlehem opgroeit. Zijn profeten en priesters hebben hem gezegd, dat
+dit kind zijn troon zal bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld,
+dat de nieuwe Koning een duizendjarig rijk van vrede en heiligheid
+stichten zal. Je begrijpt dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken
+wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat begrijp ik,&rdquo; zei de krijgsman levendig,
+&bdquo;maar dat moet immers de eenvoudigste zaak van de wereld
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn,&rdquo; zei de
+<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
+"pb50">50</a>]</span>hoofdman, &bdquo;als de koning maar wist welk van
+al de kinderen in Bethlehem het bedoelde was.&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. &bdquo;&rsquo;t
+Is jammer, dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent
+den jongen Vredevorst onschadelijk te kunnen maken,&rdquo; ging de
+hoofdman voort. &bdquo;Hij looft een prachtig geschenk uit aan
+iedereen, die hem helpen wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder
+belooning of geschenken,&rdquo; antwoordde de soldaat.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank je,&rdquo; antwoordde de hoofdman. &bdquo;Hoor nu wat
+de koning van plan is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon
+vieren door een feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem,
+die tusschen de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd
+met hun moeders. En op dit feest&mdash;&mdash;&rdquo;</p>
+<p>Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag, die
+op het gezicht van den soldaat kwam.</p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; ging hij voort, &bdquo;je hoeft niet bang te
+zijn, dat Herodes van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng
+nu je oor bij mijn mond, dan zal ik je zijn plannen
+toevertrouwen.&rdquo;</p>
+<p>De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles
+verteld had, zei hij: &bdquo;Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de
+grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming zal
+mislukken.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51"
+name="pb51">51</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt,&rdquo; zei
+de krijgsman.</p>
+<p>Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op zijn
+post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd
+tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig
+dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.</p>
+<p>Plotseling begon de krijgsman te lachen.&mdash;&bdquo;&rsquo;t Is
+waar,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik zal me niet lang aan dat kind daar
+hoeven te ergeren. Dat wordt vanavond ook op het feest van Herodes
+genoodigd.&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de
+avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te
+sluiten.</p>
+<p>Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar
+een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.</p>
+<p>Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats, door
+gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven elkaar.
+Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest voor de
+Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.</p>
+<p>Deze galerij was, evenzoo op &rsquo;s konings uitdrukkelijk bevel,
+zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken
+lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke
+druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine
+<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name=
+"pb52">52</a>]</span>granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten
+bedekt waren. De vloer was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als
+een kleed, en langs de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de
+tafels en de lage divans, overal liepen guirlanden van schitterend
+witte lelies langs.</p>
+<p>In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer,
+waar glinsterende zilver- en goudvisschen in &rsquo;t doorschijnende
+water speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en
+in een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.</p>
+<p>Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij.
+De kinderen werden dadelijk bij &rsquo;t binnenkomen in &rsquo;t paleis
+getooid in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van
+rozen op de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en
+blauwe gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen
+neerhingen, met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind
+hoog op de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer
+andere, wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de
+armen.</p>
+<p>De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats
+genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar,
+waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het
+past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen haar
+maaltijd zonder die fiere gracieuse <span class="pagenum">[<a id="pb53"
+href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>waardigheid af te leggen, die
+het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.</p>
+<p>Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de
+bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen
+krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen
+onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen
+gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste
+schare verwonderd aan te zien.</p>
+<p>&bdquo;Waarom staan die daar?&rdquo; fluisterden zij; &bdquo;meent
+Herodes, dat we ons niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er
+zooveel krijgslieden noodig zijn om op ons te passen?&rdquo;</p>
+<p>Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een koning.
+Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis vol
+krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de
+zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.</p>
+<p>In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en
+onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig kwamen
+ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die Herodes hun
+aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor zijn kleine
+gasten geschapen had.</p>
+<p>Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze
+honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen
+hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken voor
+<span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
+"pb54">54</a>]</span>hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars,
+die in een oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een
+anderen hoek van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers
+toonde, die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.</p>
+<p>Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat zoo
+de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden, die
+onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen werden
+geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche
+gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden
+gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten, dachten
+ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich nog op een
+afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien of ze levend
+waren en zich wezenlijk konden bewegen.</p>
+<p>Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de
+soldaten stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen
+ongelooflijk voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al
+dat lekkers konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te
+grijpen.</p>
+<p>Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid
+niet kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht,
+een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk
+bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem,
+dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name=
+"pb55">55</a>]</span></p>
+<p>Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die
+ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij
+wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze over
+hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en
+guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze
+verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard
+en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den
+muur, v&oacute;&oacute;r zij ze naar beneden wierpen op de donkere
+plaats.</p>
+<p>In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De
+kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend
+van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn
+van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken
+kreet op de krijgslieden toe.</p>
+<p>Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen
+ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen
+met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te
+wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen zich
+op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen te
+wreken door hun moordenaren te worgen.</p>
+<p>Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het
+paleis klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden,
+stond de krijgsman, die <span class="pagenum">[<a id="pb56" href=
+"#pb56" name="pb56">56</a>]</span>gewoonlijk de wacht hield aan de
+stadspoort, volkomen onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de
+galerij naar beneden leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het
+bloedbad. Alleen hief hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het
+gelukt was haar kind te grijpen en die er de trap mee trachtten af te
+vluchten. En alleen zijn gezicht, terwijl hij daar somber en
+onbeweeglijk stond, was zoo vreeselijk, dat de vluchtenden liever over
+de balustrade sprongen of terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich
+bloot te stellen aan het gevaar van hem voorbij te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post
+gaf,&rdquo; dacht de krijgsman, &bdquo;een jong, onnadenkend soldaat
+zou zijn plaats verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik
+mij hiervandaan had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen
+ontkomen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge
+vrouw, die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht
+naar hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze
+voorbijvloog, kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van
+&rsquo;t gevecht waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het
+eind van de galerij gekomen.</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen,&rdquo; dacht de
+krijgsman; &bdquo;noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet
+hier stond....&rdquo;</p>
+<p>De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>vaart,
+alsof ze vloog, en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat
+van het kind te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met
+het kind in haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en
+het kind het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden
+neervallen.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen
+boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn in
+het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en
+verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij
+bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem die
+vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van dat
+kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard, in de
+hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen te
+houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den
+korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge
+moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij haar
+haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was
+verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn
+kameraden op wacht, dicht bij de stadspoort. &rsquo;t Was nog vroeg en
+de zware poorten waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand
+<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name=
+"pb58">58</a>]</span>verwacht had, dat zij dien morgen geopend zouden
+worden, want geen schare landarbeiders stroomden de stad uit zooals
+gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners van Bethlehem waren zoo vol
+ontzetting over het bloedbad van dien nacht, dat niemand &rsquo;t
+waagde zijn huis te verlaten.</p>
+<p>&bdquo;Bij mijn zwaard,&rdquo; zei de soldaat, terwijl hij daar
+stond en de nauwe straat inzag, die naar de poort leidde, &bdquo;ik
+geloof, dat Voltigius een onverstandig besluit genomen heeft. &rsquo;t
+Was beter geweest als hij de poorten gesloten had gehouden en ieder
+huis in de stad had laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had,
+wien het gelukt is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op,
+dat zijn ouders zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze
+weten, dat de poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen
+vangen juist hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet
+verstandig is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te
+verbergen.&rdquo; En hij dacht er over na, of ze ook zouden probeeren
+het kind te verbergen in de manden met vruchten op een ezel of in een
+grooten oliepot. Of in balen met koren op een karavaan.</p>
+<p>Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou
+trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in &rsquo;t
+oog, die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen
+hard en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had
+een bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof <span class=
+"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>hij
+besloten was zich met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem
+versperren wilde.</p>
+<p>Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de
+vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder, die
+hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij den rok
+van haar kleed over &rsquo;t hoofd geslagen had. Hij dacht: &bdquo;Dat
+doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm
+draagt.&rdquo;</p>
+<p>Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het
+kind, dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het
+omhoog geslagen kleedingstuk.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben er zeker van dat zij het is,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;die mij gisteren ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar
+ik herken die lange gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op
+den arm, zonder zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op
+zooveel voorspoed durven hopen.&rdquo;</p>
+<p>De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de
+stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier
+tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de
+krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.</p>
+<p>&bdquo;Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?&rdquo;
+vroeg de man.</p>
+<p>&bdquo;Je moogt dadelijk gaan,&rdquo; zei de soldaat; &bdquo;ik moet
+alleen maar eerst even zien, wat je vrouw onder haar kleed
+verbergt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name=
+"pb60">60</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is daaraan te zien?&rdquo; zei de man, &bdquo;het is
+alleen wat brood en wijn, waar we vandaag van moeten leven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is misschien waar, wat je zegt,&rdquo; zei de soldaat;
+&bdquo;maar als dat zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat
+zij mij dan niet gewillig zien wat ze draagt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij
+te laten gaan.&rdquo;</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde
+de hand op zijn arm.</p>
+<p>&bdquo;Neen, ga nu niet vechten,&rdquo; smeekte ze. &bdquo;Ik zal
+hem laten zien wat ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad
+kan doen.&rdquo;</p>
+<p>En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar
+den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.</p>
+<p>En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand
+voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw onder
+haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een schitterend
+witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt,&rdquo; zei
+hij.</p>
+<p>&bdquo;Je ziet nu wat ik draag,&rdquo; antwoordde de vrouw.</p>
+<p>Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk,
+niet anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het
+veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij kon
+er nauwelijks naar kijken. <span class="pagenum">[<a id="pb61" href=
+"#pb61" name="pb61">61</a>]</span></p>
+<p>Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich
+afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets
+dan de koele bloembladeren.</p>
+<p>Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid
+den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep, dat hij
+geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.</p>
+<p>Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:</p>
+<p>&bdquo;Wil je ons nu laten gaan?&rdquo;</p>
+<p>De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort
+gehouden had en trad op zij.</p>
+<p>Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op
+hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken
+glimlach!</p>
+<p>&bdquo;Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je
+het maar zag,&rdquo; zei ze tegen den krijgsman.</p>
+<p>En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang
+ze in &rsquo;t gezicht waren.</p>
+<p>En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van,
+dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend
+kind.</p>
+<p>Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten
+uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan
+kwamen loopen. &bdquo;Houd ze!&rdquo; riepen ze. &bdquo;Sluit de poort
+voor hen! Laat hen niet ontkomen!&rdquo;</p>
+<p>En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>dat zij
+het spoor van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in
+zijn huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn
+ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een
+grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die
+&rsquo;t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen
+had.</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een
+Bedou&iuml;en de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde
+zonder een woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld
+van het paard, wierp hem op den grond, en met &eacute;&eacute;n sprong
+was hij zelf in &rsquo;t zadel en joeg voort over den weg.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke
+bergwoestijn, die &rsquo;t zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog
+altijd de vluchtelingen van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over
+dien vruchteloozen tocht, waar maar geen einde aan kwam.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond
+kunnen zinken,&rdquo; zei hij morrend. &bdquo;Hoe dikwijls ben ik hun
+in deze dagen niet zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer
+naar het kind had kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin
+bang te worden, dat ik ze nooit kan vinden.&rdquo;</p>
+<p>Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
+"pb63">63</a>]</span>overmacht strijdt. Hij vroeg zich af of het
+mogelijk was dat de goden deze menschen tegen hem <span class="corr"
+id="xd21e886" title="Bron: beschermde">beschermden</span>.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer
+ik van honger en dorst omkom in dit eenzame land!&rdquo; zei hij
+herhaaldelijk in zichzelf.</p>
+<p>Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst
+wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu al
+twee keer het kind had laten ontkomen. &rsquo;t Was niet denkbaar, dat
+Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.</p>
+<p>&bdquo;Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem
+nog leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden,&rdquo; zei
+de krijgsman. &bdquo;&rsquo;t Waarschijnlijkste is, dat hij&mdash;om
+zijn ellende te verzachten&mdash;mij aan het kruis zal
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het
+rijden in deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe
+ravijnen in &rsquo;t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog.
+Het paard en de ruiter beide waren op &rsquo;t punt te bezwijken.</p>
+<p>Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de
+vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer dan
+ooit.</p>
+<p>&bdquo;Ik moet het opgeven,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Voorwaar, ik
+geloof niet, dat het de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten
+toch omkomen in deze vreeselijke woestijn.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>die zich
+aan den weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.</p>
+<p>Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de grot-opening.
+&bdquo;Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte,&rdquo; dacht
+hij. &bdquo;Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht
+kan hervatten.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan
+beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.</p>
+<p>Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend,
+als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.</p>
+<p>Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de
+krijgsman iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af
+en nam die mee in de grot.</p>
+<p>De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij &rsquo;t gewelf
+binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. &rsquo;t
+Waren een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren
+uitgestrekt, in diepen slaap verzonken.</p>
+<p>De krijgsman had nooit zijn hart z&oacute;&oacute; voelen bonzen als
+toen hij dat zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo
+lang had nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te
+slapen, buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn
+macht.</p>
+<p>Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over
+het slapende kind.</p>
+<p>Hij bracht de punt van &rsquo;t zwaard zacht bij &rsquo;t hart
+<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name=
+"pb65">65</a>]</span>van het kind en mikte nauwkeurig om het met
+&eacute;&eacute;n stoot te dooden.</p>
+<p>Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij
+zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij
+&rsquo;t bekijken van zijn offer.</p>
+<p>Maar toen hij &rsquo;t kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog
+verhoogd, want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen
+en de leli&euml;n had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.</p>
+<p>&bdquo;Ja zeker,&rdquo; dacht hij, &bdquo;dat had ik al lang moeten
+begrijpen. Daarom heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de
+aangekondigde vredevorst.&rdquo; Hij liet zijn zwaard weer zakken,
+terwijl hij dacht: &bdquo;Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes
+neerleg, zal hij mij tot aanvoerder van zijn lijfwacht
+aanstellen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende
+bracht, verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: &bdquo;Deze
+keer tenminste zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te
+ontrukken.&rdquo;</p>
+<p>Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot
+geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij,
+die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog en
+om zijn hoofd.</p>
+<p>De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine
+jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was,
+die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
+<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
+"pb66">66</a>]</span></p>
+<p>Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn
+zwaard stil en stond naar de bij te luisteren.</p>
+<p>Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar
+zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie in
+zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leli&euml;n,
+die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het een
+bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden en het
+hadden helpen ontkomen door de stadspoort.</p>
+<p>Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.</p>
+<p>&bdquo;Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden,&rdquo;
+fluisterde hij.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en
+een diepe blos kwam op zijn gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een
+bewezen dienst te vergelden?&rdquo; fluisterde hij. Hij voerde een
+korten strijd met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen
+lust om den jongen vredevorst te vernietigen.</p>
+<p>&bdquo;Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered
+heeft,&rdquo; zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde
+zijn zwaard naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun
+ontwaken begrijpen zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.</p>
+<p>Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag <span class=
+"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>hem met
+zijn mooie oogen aan te zien, die als sterren straalden.</p>
+<p>En de krijgsman boog een knie voor het kind.</p>
+<p>&bdquo;Heer, Gij zijt de machtige,&rdquo; sprak hij. &bdquo;Gij zijt
+de sterke, de overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben.
+Gij zijt degene, die slangen en schorpioenen in het stof
+treedt.&rdquo;</p>
+<p>Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot,
+terwijl de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde
+kinderoogen. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
+"pb69">69</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71"
+name="pb71">71</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e191">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De vlucht naar Egypte.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide
+voor lange, lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die
+door de woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te
+bewonderen, want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht
+te zeggen, dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou
+worden.</p>
+<p>Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien over de
+woestijn, kreeg hij op een dag iets in &rsquo;t oog, dat zijn geweldige
+bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen van
+verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee eenzame
+menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk een
+afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch zeker
+twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,&mdash;want de
+palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
+geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Voorwaar,&rdquo; zei de palm tot zichzelf, &bdquo;die twee
+zijn hier gekomen om te sterven.&rdquo;</p>
+<p>De palm wierp snel een blik om zich heen.</p>
+<p>&bdquo;Het verwondert me,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat de leeuwen dien
+buit nog niet vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik
+nog geen van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht
+een zevenvoudige dood,&rdquo; dacht de palm. &bdquo;De leeuw zal ze
+verslinden, de slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen,
+de zandstorm zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek
+zal hen treffen en de vrees ze doen sterven.&rdquo;</p>
+<p>En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
+stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
+kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
+jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
+weer aan die twee zwervers denken.</p>
+<p>&bdquo;Bij de droogte en den storm!&rdquo; zei de palm, de twee
+gevaarlijkste vijanden van het leven aanroepende, &bdquo;wat heeft die
+vrouw daar op den arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij
+zich hebben.&rdquo;</p>
+<p>De palm, die v&egrave;rziende was, zooals de ouden van dagen
+gewoonlijk zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op
+den arm, dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan,&rdquo; zei
+de palm. &bdquo;Ik zie, dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt
+<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name=
+"pb73">73</a>]</span>en dat om het kindje heengeslagen. Zij heeft het
+in groote haast uit zijn bedje genomen en is er me&ecirc; weggesneld.
+Nu begrijp ik het: deze menschen zijn vluchtelingen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch zijn het dwazen,&rdquo; ging de palm voort. &bdquo;Als
+niet een engel hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun
+vijanden moeten afwachten, dan de woestijn in te gaan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e994" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan
+is. De man was aan zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is
+naar buiten gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur
+gekomen was, heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen
+gevlogen, heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te
+volgen, en is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de
+vlucht geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles
+gegaan, maar toch zeg ik:&mdash;als geen engel ze beschermt....</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e998" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Zij zijn z&oacute;&oacute; bang, dat ze
+nog geen moeheid of ander lijden voelen, maar ik zie hoe de dorst hun
+uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht van een dorstig mensch maar al
+te goed.&rdquo;</p>
+<p>En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
+zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
+alsof ze boven het vuur gehouden werden.</p>
+<p>&bdquo;Als ik een mensch was,&rdquo; zij hij, &bdquo;zou ik me nooit
+in de woestijn wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder <span class=
+"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>wortels
+te bezitten, die bij de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet
+wel heel moedig zijn. Zelfs voor palmen kan &rsquo;t hier gevaarlijk
+zijn. Zelfs voor palmen zooals ik.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1008" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken
+terug te keeren. Hun vijanden kunnen nooit zoo wreed zijn als de
+woestijn. Misschien meenen zij, dat het gemakkelijk is hier te leven.
+Maar ik weet, dat zelfs ik vaak moeite gehad heb om in &rsquo;t leven
+te blijven. Ik herinner me nog hoe in mijn jeugd een stormwind een
+heelen berg zand over me heen gooide. Ik was bijna gestikt. Als ik had
+kunnen sterven, zou dat mijn laatste uur geweest zijn.&rdquo;</p>
+<p>De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk
+doen.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon
+gaan,&rdquo; zei hij, &bdquo;alle punten aan mijn bladen moeten
+trillen. Ik weet niet, wat me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme
+vreemdelingen. Maar die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me
+aan het wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde.&rdquo;</p>
+<p>En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
+herinnerde de palm zich hoe eens, h&eacute;&eacute;l lang geleden, twee
+schitterende schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de
+koningin van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo
+vergezeld. De schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de
+koning had haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name=
+"pb75">75</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ter herinnering aan dit oogenblik,&rdquo; zei toen de
+koningin, &bdquo;leg ik nu een dadelpit in den grond en ik wil, dat
+daaruit een palm ontkiemen zal, die zal groeien en leven tot er in Juda
+een koning zal opstaan, die grooter is dan Salomo.&rdquo; En toen zij
+dit gezegd had, stak zij de pit in den grond en haar tranen
+bevochtigden die.</p>
+<p>&bdquo;Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk,&rdquo;
+zei de palm. &bdquo;Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de
+schoonste aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik
+geleefd heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen,&rdquo; zei de
+palm, &bdquo;en het klinkt droevig als een doodslied. Het is als een
+voorteeken. &rsquo;t Is goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan,
+want ik kan niet sterven.&rdquo;</p>
+<p>De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
+gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
+naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als zij
+voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten van
+den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
+voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
+moesten omkomen....</p>
+<p>Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
+daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
+zonken zij ineen van <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76"
+name="pb76">76</a>]</span>wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De
+vrouw legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand
+van de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met
+zijn beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er
+samen over spraken, dat zij sterven moesten.</p>
+<p>Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
+twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
+verwachte koning van Juda geboren zou zijn.</p>
+<p>&bdquo;Het suist al sterker in mijn bladen,&rdquo; zei de palm.
+&bdquo;Spoedig zal voor deze arme vluchtelingen hun laatste ure
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.</p>
+<p>De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
+krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat zij
+zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.</p>
+<p>&bdquo;God zal ons bijstaan,&rdquo; zei de vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen,&rdquo; zei de
+man. &bdquo;Wij hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons
+bijstaan?&rdquo;</p>
+<p>Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
+den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in het
+hart.</p>
+<p>De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knie&euml;n. Maar
+de uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
+grenzenlooze vertwijfeling. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href=
+"#pb77" name="pb77">77</a>]</span></p>
+<p>De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
+werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd op
+en zag naar de kroon van den boom.</p>
+<p>&bdquo;O, dadels, dadels!&rdquo; riep zij.</p>
+<p>Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm
+wenschte, dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels
+zoo gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik.
+Hij wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
+zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op kunnen
+klimmen?</p>
+<p>De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
+hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw, niet
+naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
+rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep van
+zijn moeder gehoord.</p>
+<p>Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
+alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
+hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd trok
+hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er een
+glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij ging op
+den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn lief
+kinderstemmetje:</p>
+<p>&bdquo;Palm, buig je, palm, buig je.&rdquo;</p>
+<p>Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm <span class=
+"pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>suisde,
+alsof een orkaan zijn takken schudde en door den langen palmestam ging
+de eene rilling na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te
+machtig was. Hij kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam
+voor het kind, zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen
+boog zonk hij ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de
+groote kroon met de trillende bladen het woestijnzand raakte.</p>
+<p>Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een
+vreugdekreet kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen
+los uit de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de
+boom nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
+streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:</p>
+<p>&bdquo;Sta op, palm, sta op, palm.&rdquo;</p>
+<p>En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
+veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.</p>
+<p>&bdquo;Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen,&rdquo; zei de
+oude palm in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. &bdquo;Dat is niet
+voor een van deze menschen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man en de vrouw lagen op hun knie&euml;n en loofden God.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de
+sterke, die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
+vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
+"pb79">79</a>]</span></p>
+<p>Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok,
+zagen de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord
+was.</p>
+<p>&bdquo;Hoe kan dit zijn?&rdquo; zeide een reiziger. &bdquo;Deze palm
+zou immers niet sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter
+was dan Salomo?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien heeft hij dien ook gezien,&rdquo; antwoordde een
+ander van de woestijnreizigers. <span class="pagenum">[<a id="pb81"
+href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id=
+"pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e197">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">In Nazareth.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij
+op de stoep van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met
+vogels te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van
+den pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
+zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
+Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
+bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
+hem nooit iets durven vragen. Maar zie&mdash;hij wist nauwelijks hoe
+dat gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar
+zijn buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had
+hem zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen
+maken.</p>
+<p>Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en
+rood haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die
+hij gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens.
+<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
+"pb84">84</a>]</span>Voor &rsquo;t oogenblik was hij stil; hij kibbelde
+en vocht niet, maar werkte aan een stuk klei op dezelfde manier als
+Jezus, maar die klei had hij zelf niet kunnen krijgen, hij durfde den
+pottenbakker nauwelijks onder de oogen te komen, want die beschuldigde
+hem van steenen op zijn broze waar te gooien en zou hem met stokslagen
+hebben weggejaagd. Jezus had zijn voorraad met hem gedeeld.</p>
+<p>Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in
+een kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er
+altijd uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in
+plaats van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare
+vleugels.</p>
+<p>Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
+kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
+omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij kon
+hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en dan van
+ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn vogels zoo
+mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de bosschen op
+Tabor.</p>
+<p>Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene
+kwam hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en
+liefde; zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en
+zusjes; zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden,
+<span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
+"pb85">85</a>]</span>liedjes voor hem zingen, als zijn moeder van hem
+wegging. Hij had zich nooit zoo rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu
+eenzaam of verlaten wezen.</p>
+<p>De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
+zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat te
+zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote, leege
+teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus&rsquo; lichte,
+krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
+dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
+uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld, wat
+alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak z&oacute;&oacute;, dat de
+waterdrager en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om
+naar hem te luisteren.</p>
+<p>Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. &bdquo;Kijk
+eens wat mooie vogels Judas maakt,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
+zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
+niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn werk.
+En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels en reed
+door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver, dat haar
+schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die met een
+Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat verhief,
+en de zonneschijn die tegen <span class="pagenum">[<a id="pb86" href=
+"#pb86" name="pb86">86</a>]</span>den avond kwam was rozerood, alsof
+die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg kwam,
+terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten van den
+pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de zaag van
+den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.</p>
+<p>Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
+die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
+bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
+dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
+met den fonkelenden zonneglans te verven, die &rsquo;t water, den
+huismuren en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.</p>
+<p>En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
+een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
+klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als van
+diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te zien of
+hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet van blijde
+bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei met
+zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van de
+straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
+trachtte den zonneschijn op te vangen.</p>
+<p>Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
+vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
+te grijpen, de <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur
+aan zijn arme vogels geven.</p>
+<p>&bdquo;Wacht, Judas!&rdquo; zei Jezus. &bdquo;Ik zal bij je komen en
+je vogels verven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei Judas, &bdquo;je moogt er niet aankomen, ze
+zijn mooi genoeg, zooals ze zijn.&rdquo;</p>
+<p>Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
+hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na den
+ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
+vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat te
+streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
+zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.</p>
+<p>Toen hij zijn voet terugtrok en &rsquo;t vogeltje in een propje klei
+veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
+lachen, en hij hief den voet op om <span class="corr" id="xd21e1130"
+title="Niet in bron">er</span> nog een te vertrappen.</p>
+<p>&bdquo;Judas!&rdquo; riep Jezus, &bdquo;wat doe je? weet je niet,
+dat ze leven en kunnen zingen?&rdquo;</p>
+<p>Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.</p>
+<p>Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
+geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij was
+niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels kunnen
+vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier van zijn
+vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span></p>
+<p>Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
+lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in de
+handen en riep ze toe: &bdquo;Vliegt weg, vliegt weg!&rdquo;</p>
+<p>Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
+fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze veilig
+waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen en
+wegvlogen op Jezus&rsquo; bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
+de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze in
+angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus&rsquo; voeten.</p>
+<p>En daar bleef hij liggen en wentelde zich in &rsquo;t stof, en kuste
+Jezus&rsquo; voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te
+vertrappen, zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.</p>
+<p>Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem&mdash;en
+haatte hem tegelijk.</p>
+<p>Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
+stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot en
+liefkoosde hem.</p>
+<p>&bdquo;Arm kind,&rdquo; zei ze. &bdquo;Je weet niet, dat je iets
+geprobeerd hebt wat geen schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan
+wordt je de ongelukkigste mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan,
+als we probeerden een wedstrijd aan te gaan met Hem, die met
+zonneschijn schildert en den adem des levens in de doode klei
+blaast?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91"
+name="pb91">91</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e203">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">In den Tempel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een
+kind, die in den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje
+was zulk een mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden
+als sterren.</p>
+<p>De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
+om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
+lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
+vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
+onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
+het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
+koperen poorten, die z&oacute;&oacute; zwaar waren, dat er dertig man
+voor noodig waren om ze op haar hengsels te doen draaien.</p>
+<p>Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
+om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
+merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
+duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>waar zij
+woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.</p>
+<p>Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
+hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
+daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
+nauwe straat te Nazareth te spelen.</p>
+<p>Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
+des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
+toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.</p>
+<p>Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
+medelijden met hem kreeg. &bdquo;Nu hebben we te lang met je
+geloopen,&rdquo; zei ze. &bdquo;Kom, nu moet je een poosje
+rusten.&rdquo;</p>
+<p>Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
+gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
+spoedig in.</p>
+<p>Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik,
+dat hij hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als
+hij dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben ook bang geweest voor deze reis,&rdquo; zei de man.
+&bdquo;Toen hij geboren werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er
+op wezen dat hij een machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent
+de waardigheid van <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93"
+name="pb93">93</a>]</span>een koning onder deze bekommeringen en
+gevaren? Ik heb altijd gezegd, dat het voor hem en ons het beste was,
+als hij nooit anders werd dan een timmerman in Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al sinds zijn vijfde jaar,&rdquo; zei de moeder nadenkend,
+&bdquo;zijn er geen wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf
+herinnert zich niets meer van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd
+is. Hij is nu heelemaal een kind met andere kinderen. Gods wil
+geschiede boven alles, maar ik begin bijna te hopen, dat de Heer in
+Zijn genade een ander zal kiezen voor die groote roeping, en Hij mij
+mijn zoon zal laten behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat mij betreft,&rdquo; zei de man, &bdquo;ik ben er in elk
+geval zeker van, dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen,
+die er in zijn eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare,&rdquo; zei de
+vrouw. &bdquo;Maar ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets
+gebeuren kan, waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang
+voor geweest hem hier naar dezen tempel te brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is,&rdquo; zei
+de man. &bdquo;We zullen hem nu gauw weer thuis hebben in
+Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den
+tempel,&rdquo; zei de vrouw. &bdquo;Ik was bang voor de profeten, die
+hier op hun matten zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen
+kwam, ze zouden opstaan en zich <span class="pagenum">[<a id="pb94"
+href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>neerbuigen voor het kind en hem
+begroeten als den koning van Judea. &rsquo;t Is wonderlijk, dat ze zijn
+heerlijkheid niet voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit
+gezien.&rdquo;</p>
+<p>Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan &rsquo;t bijna niet begrijpen,&rdquo; zei ze.
+&bdquo;Ik dacht dat, als hij die rechters zag, die zitten in &rsquo;t
+huis van den Heilige en de twisten der menschen beslechten, en die
+leeraars, die tot hun leerlingen spreken en de priesters, die den Heer
+dienen, hij opeens wakker zou worden en zeggen: &bdquo;Hier, bij die
+rechters, die leeraars, die priesters wil ik leven, daarvoor ben ik
+geboren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen
+opgesloten te zitten?&rdquo; viel de man haar in de rede.
+&bdquo;&rsquo;t Is beter voor hem rond te dwalen op de heuvels en
+bergen om Nazareth.&rdquo;</p>
+<p>De moeder zuchtte even. &bdquo;Hij is zoo gelukkig bij ons
+thuis,&rdquo; zei ze. &bdquo;Wat is hij niet blij, als hij met de
+schaapherders mee mag op hun eenzame zwerftochten, of op &rsquo;t veld
+gaan, om te zien naar het werk der landlieden? Ik kan niet gelooven,
+dat we verkeerd doen, door te trachten hem voor ons te
+behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij besparen hem een groote smart,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.</p>
+<p>&bdquo;Zie zoo,&rdquo; zei de moeder, &bdquo;ben je nu uitgerust?
+Sta nu op, want het loopt tegen den avond en wij moeten naar onze
+slaapplaatsen terug.&rdquo;</p>
+<p>Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw <span class=
+"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>toen zij
+den tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
+door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
+&rsquo;t eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
+den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot en
+zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
+bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
+van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij oude
+letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
+getracht had er een toon uit te halen.</p>
+<p>Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
+staan. &bdquo;Wat is dat daar?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p>&bdquo;Dat is de groote bazuin, die &bdquo;de Stem van den
+Wereldvorst heet,&rdquo; antwoordde de moeder. &bdquo;Daarme&ecirc;
+riep Mozes de kinderen Isra&euml;ls bijeen, toen ze in de woestijn
+verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er ook maar een enkelen
+toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan, zal alle volken der
+aarde onder zijn heerschappij brengen.&rdquo;</p>
+<p>Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
+knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin was
+het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem aantrok.
+Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed te bekijken.
+Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in <span class="corr" id=
+"xd21e1221" title="Niet in bron">een</span> grooten breeden tempelhof
+kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof, diep en breed, die al
+van <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name=
+"pb96">96</a>]</span>oudsher zoo geweest was. Die spleet had koning
+Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had hij er
+over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen afgrond.
+Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die verscheidene
+ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant naar boven
+lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag de kling nog
+over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest; aan de einden
+zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde, zoodra iemand
+met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de moeder den knaap met
+een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar: &bdquo;Wat is dat voor
+een brug?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die is daar neergelegd door koning Salomo,&rdquo; antwoordde
+de moeder, &bdquo;en wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof
+kunt oversteken op die zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner
+is dan een zonnestraal, kun je er zeker van zijn in het Paradijs te
+komen.&rdquo; En ze lachte en liep haastig verder, maar de knaap bleef
+staan en zag naar de smalle, trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij
+haar gehoorzaamde, zuchtte hij er over, dat ze hem die twee wonderbare
+dingen niet eerder had laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om
+ze te bekijken.</p>
+<p>Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
+ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
+in een hoek een paar <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97"
+name="pb97">97</a>]</span>pilaren van zwart marmer, op hetzelfde
+voetstuk, z&oacute;&oacute; dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een
+strootje tusschen door kon gestoken worden. Zij waren hoog en
+majestueus, met rijk versierde kapiteelen, waarom een rij van
+wonderlijk gevormde dierenkoppen liep. Maar geen duimbreed van die
+mooie zuilen was zonder schrammen en scheuren, zij waren &rsquo;t meest
+beschadigd en versleten van alles wat in den tempel was. Zelfs de vloer
+er omheen was glad afgesleten en was uitgehold door vele
+voetstappen.</p>
+<p>Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: &bdquo;Wat
+zijn dit voor pilaren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar
+Palestina van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der
+Rechtvaardigheid noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig
+voor God en hij heeft nooit een zonde begaan.&rdquo; De knaap bleef
+staan en zag met groote oogen naar de zuilen.</p>
+<p>&bdquo;Je zult wel niet probeeren er door te komen,&rdquo; zei de
+moeder lachend. &bdquo;Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door
+de velen, die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je
+kunt wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor
+het gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
+hun schouders tegen om ze in beweging te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag
+niet anders v&oacute;&oacute;r zich dan de Poort der Rechtvaardigheid,
+de Paradijsbrug en de Stem van <span class="pagenum">[<a id="pb98"
+href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>den Wereldvorst. Van zulke
+wonderbare dingen had hij vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar
+niet vergeten.</p>
+<p>En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
+denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
+te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
+hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
+maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
+waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel
+langzaam.</p>
+<p>De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de
+verwarring zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken.
+Plotseling kwam hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan
+om ze nog eens te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden.
+Hij zou wel voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.</p>
+<p>Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen wilde.
+Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het duurde
+niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek, waar de
+twee zwarte zusterzuilen stonden.</p>
+<p>Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd.
+Hij ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
+dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
+rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>vond
+hij, dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
+zuilen door te dringen. Maar zij stonden z&oacute;&oacute; dicht bij
+elkaar, dat het zelfs onmogelijk was het te beproeven.</p>
+<p>Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
+meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.</p>
+<p>Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de
+rechters van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten
+te beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
+grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
+weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
+hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
+gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht een
+arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.</p>
+<p>De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig handelde.
+Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar dwingen
+het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm dat zij,
+als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt zou zijn aan
+den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.</p>
+<p>Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den
+rijken man, en zei tot hem: <span class="pagenum">[<a id="pb100" href=
+"#pb100" name="pb100">100</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet
+betaald heeft?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de rijke: &bdquo;Heer, ik ben een rijk man; zou ik
+de moeite nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik
+daar geen recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand
+zal gaan door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze
+vrouw mij de som schuldig, die ik van haar begeer.&rdquo;</p>
+<p>Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
+deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen zou
+geven.</p>
+<p>Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij zich
+zelf: &bdquo;Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
+Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
+waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
+zijn haar dochters tot slavinnen te maken.&rdquo;</p>
+<p>Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen, en
+keek door de spleet.</p>
+<p>&bdquo;Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk,&rdquo;
+dacht hij.</p>
+<p>Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
+heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig en
+zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter wille van
+die arme vrouw.</p>
+<p>Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
+een weg te banen. <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101"
+name="pb101">101</a>]</span></p>
+<p>En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek
+stonden, naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het
+gewelf, en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een
+rechts en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat
+het tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.</p>
+<p>Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.</p>
+<p>In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De
+menschen stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een
+wonder verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste
+van de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en
+hem voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn
+bezittingen aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed
+gezworen had in Gods tempel.</p>
+<p>Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
+de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.</p>
+<p>Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij verdwenen.
+Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar gleden, was hij
+als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn ouders en de reis naar
+huis herinnerd.</p>
+<p>&bdquo;Nu moet ik mij haasten,&rdquo; dacht hij; &bdquo;anders
+moeten mijn ouders op mij wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten
+<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name=
+"pb102">102</a>]</span>had voor de Poort der Rechtvaardigheid; hij
+dacht, dat hij er maar een paar minuten gebleven was. Daarom meende
+hij, dat hij nog wel tijd had even naar de Paradijsbrug te kijken, die
+in een heel ander gedeelte van den grooten tempel lag.</p>
+<p>Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
+gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar kon
+gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij, dat
+dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging op den
+rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.</p>
+<p>Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
+te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
+oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
+te probeeren.</p>
+<p>En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
+dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.</p>
+<p>Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
+bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
+witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden en
+offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers kwamen
+brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
+bijwoonden.</p>
+<p>Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel <span class=
+"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name=
+"pb103">103</a>]</span>klein mager lammetje droeg, dat nog op den koop
+toe door een hond gebeten was, zoodat het een groote wond had.</p>
+<p>De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
+offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
+geschenk den Heer niet aanbieden kon.</p>
+<p>De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
+want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan God
+kon offeren voor zijn genezing.</p>
+<p>&bdquo;Ge moet mij dit offer laten brengen,&rdquo; zei hij;
+&bdquo;anders komt mijn gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon
+zal sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb,&rdquo;
+zei de priester; &bdquo;maar het is bij de wet verboden een beschadigd
+dier te offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als
+het is over de Paradijsbrug te loopen!&rdquo;</p>
+<p>De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er
+dadelijk aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen.
+Misschien kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd
+werd.</p>
+<p>De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
+op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.</p>
+<p>Hij dacht er in &rsquo;t geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan
+om zeker te zijn van het Paradijs. Zijn <span class="pagenum">[<a id=
+"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>gedachten waren bij
+den arme, dien hij verlangde te helpen.</p>
+<p>Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: &bdquo;Dat is
+onmogelijk; zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens
+dragen.&rdquo;</p>
+<p>Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
+sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
+dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder zijn
+voet.</p>
+<p>En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
+heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem, alsof
+hij een vogel geweest was en vleugels had.</p>
+<p>Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
+er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
+toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook de
+anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen kling
+liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen, die daar
+stonden.</p>
+<p>De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
+dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze tot
+hem: &bdquo;God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
+geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het
+offeren.&rdquo;</p>
+<p>En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die
+over de kloof was geloopen, maar <span class="pagenum">[<a id="pb105"
+href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>toen zij naar hem zochten,
+konden ze hem niet vinden.</p>
+<p>Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
+weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
+van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
+&bdquo;Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
+wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
+Stem van den Wereldvorst.&rdquo;</p>
+<p>En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
+naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
+geleund stond.</p>
+<p>Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
+aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
+zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
+had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.</p>
+<p>Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
+te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude bazuin
+zou kunnen blazen.</p>
+<p>Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
+durfde probeeren.</p>
+<p>Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd
+voorbij ging. Hij dacht er alleen aan wat d&agrave;t wel voor een
+gevoel zou zijn, alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te
+vereenigen.</p>
+<p>Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man zat
+en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een van de
+jongelingen, die aan <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106"
+name="pb106">106</a>]</span>zijn voeten zaten en zei hem, dat hij een
+bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat deze
+jongeling een vreemde was en geen Isra&euml;liet. En nu vroeg hem de
+heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen onder
+een valschen naam.</p>
+<p>Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
+geloopen had en over groote zee&euml;n gevaren was, om de ware wijsheid
+te hooren en de leer van den eenigen God.</p>
+<p>&bdquo;Mijn ziel versmachtte van verlangen,&rdquo; zei hij tot den
+heilige; &bdquo;maar ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als
+ik niet zeide, dat ik een Isra&euml;liet was. Daarom heb ik gelogen,
+opdat aan mijn verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij
+bij u blijven.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. &bdquo;Gij zult
+evenmin bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die
+groote koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
+is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden, daar
+gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
+leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
+tempel ontheiligt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de jongeling bleef staan en zeide: &bdquo;Ik wil nergens anders
+heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan uw
+voeten sterven.&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van <span class=
+"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>den
+heilige stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
+wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap zat
+daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
+&bdquo;Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin
+blazen, zoodat hij geholpen was.&rdquo;</p>
+<p>Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik
+wenschte hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die
+dat vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
+daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.</p>
+<p>En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of
+hij haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
+ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
+klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote
+tempelruim.</p>
+<p>Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een
+kleine jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de
+klanken aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.</p>
+<p>Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
+vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
+&bdquo;Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt!
+God heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
+ge wordt ingewijd in Zijn dienst.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p>
+<p>Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
+op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit en
+zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: &bdquo;Wij hebben onzen
+zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren was
+meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u op weg
+ook voorbij een alleenloopend kind gereden?&rdquo;</p>
+<p>Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij
+een heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
+door de Poort der Rechtvaardigheid.&rdquo;</p>
+<p>Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
+hadden geen tijd om te luisteren.</p>
+<p>Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
+en vroegen het hun.</p>
+<p>Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
+heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en dat
+geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
+staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden geen
+tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.</p>
+<p>Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
+vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.</p>
+<p>Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: &bdquo;Nu we <span class=
+"pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>toch
+hier zijn, laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een
+kind is, waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is
+gekomen.&rdquo;</p>
+<p>Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.</p>
+<p>&bdquo;Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen
+zitten; daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet.
+Zij vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over hem.
+Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om een
+glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn lippen
+heeft gebracht.&rdquo;</p>
+<p>De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
+dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.</p>
+<p>Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.</p>
+<p>En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
+schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op en
+kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen zich
+in en gingen met hem uit den tempel.</p>
+<p>Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
+&bdquo;Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem
+hoorde?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou ik niet schreien?&rdquo; zei de moeder; &bdquo;ik meende
+dat je voor mij verloren waart.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p>
+<p>Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
+de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Waarom schreit ge?&rdquo; vroeg het kind; &bdquo;ik wist niet
+dat de dag voorbij was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam
+bij u, zoodra ik uw stem hoorde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou ik niet schreien?&rdquo; zei de moeder; &bdquo;ik heb je
+den heelen dag gezocht; ik meende dat je voor mij verloren
+waart.&rdquo;</p>
+<p>Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
+het aanbreken van den dag zei het kind: &bdquo;Waarom schreit ge? ik
+heb niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten
+doen, omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw
+stem hoorde, kwam ik weer bij u terug.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn zoon,&rdquo; antwoordde de moeder, &bdquo;ik schrei,
+omdat ge toch voor mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer
+toebehooren. Van nu af aan zal uw geheele streven zijn:
+rechtvaardigheid, en uw verlangen zal uitgaan naar het Paradijs en uw
+liefde zal alle arme menschen omvatten, die de aarde bevolken.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name=
+"pb111">111</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb113" href=
+"#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e209">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Zweetdoek van de Heilige Veronica.</h2>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In een van de laatste jaren van de regeering van
+keizer Tiberius gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn
+vrouw zich neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen.
+Zij waren vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit
+van iemand bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider
+zijn deur opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw,
+ineengedoken op den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen
+mantel gewikkeld en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar
+niettegenstaande dat, kwam ze hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze
+opstond en hem te gemoet ging, dat hij onwillekeurig denken moest aan
+wat de sagen vertellen van godinnen, die in de gedaante van een oude
+vrouw de menschen bezocht hadden.</p>
+<p>&bdquo;Mijn vriend,&rdquo; zei de oude tegen den arbeider, &bdquo;ge
+moet u er niet over verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen
+heb. Mijn ouders hebben in deze <span class="pagenum">[<a id="pb114"
+href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>hut gewoond en hier werd ik
+voor bijna negentig jaar geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten
+te vinden. Ik wist niet, dat menschen haar opnieuw in bezit genomen
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo
+hoog in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan,&rdquo; zei
+de arbeider; &bdquo;maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en
+wij arme vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u,
+die hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw
+hoogen ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door
+menschen bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu
+vindt ge toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel
+geitenmelk en een stuk brood, als ge dat voor lief wilt
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het
+de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar gezicht
+rustte.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen
+doorgebracht,&rdquo; zei ze; &bdquo;ik ben de kunst nog niet vergeten
+een wolf uit zijn hol te verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er
+niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom, nog
+kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.</p>
+<p>Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de
+kamer binnen. <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
+"pb115">115</a>]</span></p>
+<p>Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan
+deel zonder aarzelen.</p>
+<p>Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk
+geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: &bdquo;Waar kan toch die
+oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van
+zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit
+aarden schotels.&rdquo;</p>
+<p>Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof
+ze trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met
+haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel
+veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren
+nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader
+daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een
+plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden
+vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.</p>
+<p>Maar de man en de vrouw dachten: &bdquo;Het zal zeker wel waar zijn,
+dat zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het
+leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas
+maken.&rdquo;</p>
+<p>Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten, en
+dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.</p>
+<p>Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor
+de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p>
+<p>Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig
+eenzaam en arm was, dat hij uitriep: &bdquo;Als ik mij niet vergis, was
+het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht
+hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal het
+wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die ge nog
+te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en ik de hut
+reeds in bezit genomen hebben.&rdquo;</p>
+<p>De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. &bdquo;Maar deze
+hut, die zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als
+van mij,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik heb geen recht u daaruit te
+verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar het is toch de hut van uw ouders,&rdquo; zei de
+arbeider; &bdquo;en ge hebt er zeker meer recht op dan ik. Bovendien
+zijn wij jong en gij zijt oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen
+heengaan.&rdquo;</p>
+<p>Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij
+wendde zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet
+begrepen had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de
+jonge vrouw in &rsquo;t gesprek:</p>
+<p>&bdquo;Als ik mocht doen wat ik wilde,&rdquo; zei ze tegen den man,
+&bdquo;zou ik die oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar
+kinderen beschouwen wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op
+te passen. Wat zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut
+gaven en haar dan verlieten? Het zou vreeselijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>voor
+haar zijn alleen hier in de wildernis te wonen en waar zou ze van
+leven? Het zou hetzelfde zijn als haar dood te laten
+hongeren.&rdquo;</p>
+<p>Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze
+onderzoekend aan.</p>
+<p>&bdquo;Waarom spreekt ge zoo,&rdquo; vroeg ze; &bdquo;waarom bewijst
+ge mij barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de jonge vrouw: &bdquo;Dat doen wij, omdat we
+eenmaal zelf groote barmhartigheid ondervonden hebben.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den
+arbeider en zij sloot groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch
+zei ze hun nooit van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij
+begrepen, dat ze het niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het
+haar gevraagd hadden.</p>
+<p>Maar op een avond, toen &rsquo;t werk gedaan was en ze alle drie op
+den grooten platten steen voor de deur zaten en &rsquo;t avondmaal
+gebruikten, zagen zij een oud man het pad opkomen.</p>
+<p>&rsquo;t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed
+als die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere
+uitdrukking. &rsquo;t Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende
+oogen, en de lijnen om <span class="pagenum">[<a id="pb118" href=
+"#pb118" name="pb118">118</a>]</span>den mond spraken van bitterheid en
+verachting. Zijn houding was fier en zijn bewegingen waren snel.</p>
+<p>De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem
+zag: &bdquo;Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst
+ontslagen is en nu op weg naar huis is.&rdquo;</p>
+<p>Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel
+staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut
+doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: &bdquo;Zijt ge
+verdwaald, vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de
+moeite hierheen te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die
+hier wonen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: &bdquo;Ja,
+&rsquo;t is zooals ge zegt,&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik ben verdwaald en
+nu weet ik niet waar ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten
+uitrusten en mij dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve
+te komen, zal ik heel dankbaar zijn.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de
+hut lagen.</p>
+<p>De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,
+maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd met
+hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar hun
+levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.</p>
+<p>Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem
+uit te hooren: &bdquo;Ge ziet hoe <span class="pagenum">[<a id="pb119"
+href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>verlaten en eenzaam we
+wonen,&rdquo; zei hij. &bdquo;&rsquo;t Is wel een jaar geleden, dat ik
+iemand anders sprak dan herders en arbeiders in den wijngaard. Kunt
+gij, die van een of ander leger komt, ons niet wat vertellen van Rome
+en van den keizer?&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat
+de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de
+hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest
+zijn.</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: &bdquo;Ik
+begrijp, dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk,
+hoewel ik al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van
+Tiberius was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij
+eens een groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan
+niets anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome
+spreken alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus
+heeft laten gevangen nemen en terechtstellen,&mdash;alleen op een
+verdenking.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet,&rdquo;
+barstte de jonge vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig
+en verwonderd het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt werkelijk gelijk,&rdquo; zei de vreemde, terwijl een
+trek van diepe somberheid op zijn gezicht kwam. &bdquo;Tiberius weet,
+dat alle menschen hem haten, en dat brengt hem bijna tot
+waanzin.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120"
+name="pb120">120</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat zegt ge?&rdquo; antwoordde de vrouw. &bdquo;Waarom zouden
+we hem haten? Wij beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een
+groot keizer is als in &rsquo;t begin van zijn regeering.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge vergist u,&rdquo; zei de vreemde. &bdquo;Alle menschen
+haten en verachten Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets
+dan een wreede en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij
+van nu af aan nog erger wordt dan hij geweest is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster
+maken zal dan hij al is?&rdquo; vroeg de man.</p>
+<p>Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een
+waarschuwend teeken gaf, maar z&oacute;&oacute; in &rsquo;t verborgen,
+dat hij &rsquo;t niet zien kon.</p>
+<p>De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige
+glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe
+in zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem
+altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn
+gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den
+keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals ik
+zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden waard
+waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren, was de
+oude min van den keizer: Faustina.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, ik heb van haar gehoord,&rdquo; zei de
+<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
+"pb121">121</a>]</span>arbeider. &bdquo;Men heeft mij gezegd, dat de
+keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te
+stellen. Hij heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op
+de Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld.
+Zoolang hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis
+op het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van
+Rome&rsquo;s voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een
+draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van een
+keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem daarheen
+vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen vol slaven
+en kostbaar huisraad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft het werkelijk goed gehad,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield.
+De jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de
+oude vrouw gebeurde. Reeds van &rsquo;t oogenblik, dat de vreemde
+gekomen was, had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en
+vriendelijk uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven
+en zat daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde
+recht voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.</p>
+<p>&bdquo;Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig
+leven zou hebben,&rdquo; zei de vreemdeling, &bdquo;maar
+niettegenstaande al zijn weldaden is zij hem nu ook ontrouw
+geworden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122"
+name="pb122">122</a>]</span></p>
+<p>De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw
+legde troostend de hand op haar arm.</p>
+<p>Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. &bdquo;Ik
+kan toch niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is
+aan &rsquo;t hof, als ge zegt,&rdquo; zeide ze, zich tot den vreemde
+wendend. &bdquo;Ik ben er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad,
+alsof hij haar eigen zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op
+zijn edele jeugd was, en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het
+voor haar geweest is, dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed
+geworden is. Ze heeft hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd.
+&rsquo;t Moet vreeslijk voor haar geweest zijn, dat dit alles
+vergeefsch was. Eindelijk heeft zij &rsquo;t niet kunnen uithouden hem
+al dieper en dieper te zien zinken.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij &rsquo;t hooren
+van deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield
+de oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.</p>
+<p>&bdquo;Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw
+zegt,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Faustina is werkelijk niet gelukkig
+geweest aan &rsquo;t hof. Maar &rsquo;t is toch vreemd, dat zij den
+keizer in haar hoogen ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij
+hem had uitgehouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;W&agrave;t zegt ge daar?&rdquo; zei de man. &bdquo;Heeft de
+oude Faustina den keizer verlaten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist,&rdquo;
+zei de vreemde. &bdquo;Ze is even arm teruggegaan <span class=
+"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span>als
+ze gekomen is. Ze heeft niet &eacute;&eacute;n van haar schatten
+me&ecirc;genomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan
+is?&rdquo; vroeg de jonge vrouw met haar zachte stem.</p>
+<p>&bdquo;Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men
+houdt het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van
+haar vaderland genomen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?&rdquo;
+vroeg de jonge vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat
+ze hem verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem
+diende om loon en geschenken&mdash;zij zoo goed als de anderen. Ze weet
+toch wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft.
+Hij heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,
+want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ken haar niet,&rdquo; zei de jonge vrouw, &bdquo;maar ik
+geloof toch, dat ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De
+oude vrouw is opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en
+zij heeft altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker
+nooit den keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar
+ik begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende
+recht te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit
+de bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht
+<span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name=
+"pb124">124</a>]</span>hebben, dat ik genoeg gedaan had als ik mijn
+heer een leven lang gediend had. Ik zou eindelijk weggegaan zijn van
+een weelderig leven en keizersgunst om mijn ziel te doen genieten van
+eer en rechtvaardigheid, voor zij van mij heenging op de lange
+reis.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. &bdquo;Ge denkt
+er niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan
+ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,
+als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens
+in,&rdquo; ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de
+oogen van de jonge vrouw, &bdquo;in de heele wereld is er nu niemand
+meer, die hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de
+oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge
+zag hem vast in de oogen en antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat
+wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof
+geen zonde en schande behoeven te zien.&rdquo;</p>
+<p>Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn
+vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.</p>
+<p>De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan.
+&bdquo;Is dat ook uw laatste woord?&rdquo; scheen hij te willen zeggen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name=
+"pb125">125</a>]</span></p>
+<p>De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel
+steken.</p>
+<p>&bdquo;Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet
+hij haar de rust gunnen in haar laatste dagen,&rdquo; zei de jonge
+vrouw.</p>
+<p>De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht
+op. &bdquo;Mijn vrienden,&rdquo; zei hij, &bdquo;wat men ook zeggen mag
+van Tiberius, er is toch &eacute;&eacute;n ding, dat hij beter geleerd
+heeft dan anderen&mdash;en dat is ontberen. Ik heb nog maar
+&eacute;&eacute;n ding te zeggen: als die oude vrouw, waar we over
+spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan vriendelijk. De
+gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat.&rdquo;</p>
+<p>Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg
+waar langs hij gekomen was.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit
+meer met de oude vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij
+er zich over, dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al
+dien rijkdom en macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. &bdquo;Zou
+ze niet gauw weer naar Tiberius teruggaan?&rdquo; vroegen zij elkander
+af. &bdquo;Zij heeft hem zeker nog lief. &rsquo;t Is in de hoop, dat
+dit hem tot bezinning zal brengen en hem er toe brengen zich te
+bekeeren van zijn slechte handelwijze, dat ze hem verlaten
+heeft.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
+"pb126">126</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zoo&rsquo;n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw
+leven te beginnen,&rdquo; zei de arbeider. &bdquo;Hoe wil je zijn
+groote verachting voor de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem
+kunnen komen en hem leeren ze lief te hebben? V&oacute;&oacute;r dit
+gebeurd is, kan hij niet van zijn wantrouwen en wreedheid genezen
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen,&rdquo;
+zei de vrouw. &bdquo;Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die
+twee elkaar ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen
+niet.&rdquo;</p>
+<p>De oude vrouw scheen haar vorig leven in &rsquo;t geheel niet te
+missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
+oude dien mocht verzorgen, was ze z&oacute;&oacute; vergenoegd, dat het
+scheen, of ze al haar verdriet vergat.</p>
+<p>Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
+ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar het
+Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de eene
+zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.</p>
+<p>Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
+altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
+stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
+aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
+gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen voor
+offerdieren. <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span></p>
+<p>De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
+tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
+Tiberius wilden bidden.</p>
+<p>Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
+van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
+dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
+altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
+er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.</p>
+<p>Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
+vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem wel
+ging.</p>
+<p>Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
+verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
+verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
+aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
+blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
+heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld, dat
+daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.</p>
+<p>De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
+&bdquo;Wat moet dat beteekenen?&rdquo; zei ze. &bdquo;Is Tiberius dood?
+Hebben wij een and&rsquo;ren keizer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde de Romein, &bdquo;Tiberius is nog
+keizer. Maar wij hebben opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden
+baten hem niet meer.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb128" href=
+"#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; zei de oude, &bdquo;ik woon ver weg in de
+bergen, waar men niets hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge
+me niet zeggen welk ongeluk den keizer getroffen heeft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het vreeselijkste van alle,&rdquo; zei de man. &bdquo;Hij is
+aangetast door een ziekte, die vroeger niet in Itali&euml; bekend
+geweest is, maar die schijnt voor te komen in &rsquo;t oosten. Sinds
+die ellende over den keizer kwam, is zijn aangezicht veranderd, zijn
+stem is als die van een knorrend dier geworden en zijn teenen en
+vingers teren weg. En voor die ziekte schijnt geen geneesmiddel te
+bestaan. Men gelooft, dat hij binnen eenige weken zal sterven, maar als
+hij niet sterft moet men hem afzetten, want zoo&rsquo;n ziek, ellendig
+mensch kan niet regeeren. Ge begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is.
+Het baat niet de godin om geluk voor hem aan te roepen. En &rsquo;t is
+ook de moeite niet waard,&rdquo; voegde hij er bij met een glimlach,
+&bdquo;niemand heeft nu meer iets van hem te hopen en te vreezen.
+Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?&rdquo;</p>
+<p>Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd
+staan.</p>
+<p>Voor &rsquo;t eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als
+iemand, die door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug
+en trillend hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de
+lucht.</p>
+<p>Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de
+voeten langzaam en bewoog zich wankelend <span class="pagenum">[<a id=
+"pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>voort. Ze zag om naar
+iets wat ze als staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte
+het haar toch met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te
+overwinnen. Ze richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de
+dicht bevolkte straten te gaan.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een week later ging de <span class="corr" id=
+"xd21e1640" title="Bron: oud">oude</span> Faustina de steile helling
+van het eiland Capri op. &rsquo;t Was een warme dag en het vreeslijk
+gevoel van ouderdom en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich
+langs de slingerende wegen naar boven werkte op de in de rots
+uitgehouwen trappen, die naar de villa van Tiberius leidden.</p>
+<p>Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was
+in den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren
+altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het
+vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige
+Lybi&euml;rs, van gezanten uit de provincie&mdash;die in lange
+optochten vergezeld van slaven aankwamen&mdash;van sollicitanten, van
+aanzienlijke mannen, die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de
+feesten van den keizer.</p>
+<p>Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De
+grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude
+vrouw op haar weg ontdekte. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href=
+"#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
+<p>Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De
+ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, en
+toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne
+gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, en
+domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een paar
+plaatsen de balustraden afgebroken.</p>
+<p>Maar &rsquo;t allerzonderlingste vond ze toch die volkomen
+afwezigheid van menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden
+zich op het eiland te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die
+eindelooze scharen van krijgslieden en slaven, van danseressen en
+muzikanten, van koks en tafelbedienden, van paleiswachters en
+tuinarbeiders, die tot &rsquo;s keizers huishouding hoorden. Eerst toen
+Faustina het bovenste terras bereikt had, kreeg ze een paar oude slaven
+in &rsquo;t oog, die op de stoep voor de villa zaten. Toen ze hen
+naderde, stonden ze op en bogen voor haar.</p>
+<p>&bdquo;Wees gegroet, Faustina!&rdquo; zei de een. &bdquo;Het is een
+god, die u zendt om ons ongeluk te verzachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat toch, Milo,&rdquo; vroeg Faustina, &bdquo;waarom
+is &rsquo;t hier zoo eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius
+nog op Capri woont.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest,
+dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor
+de ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd,
+<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
+"pb131">131</a>]</span>als wij niet hadden geweigerd hem te
+gehoorzamen. En ge weet, dat wij den keizer en zijn moeder ons heele
+leven gediend hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vraag niet alleen naar slaven,&rdquo; antwoordde Faustina,
+&bdquo;waar zijn de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden
+van den keizer, en al de kwispelstaartende gelukzoekers?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen,&rdquo;
+zei de slaaf; &bdquo;de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de
+lijfwacht, komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders
+mag hem naderen.&rdquo;</p>
+<p>Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De
+slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: &bdquo;Wat
+zeggen de geneesheeren van de ziekte van Tiberius?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet
+eens of zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen,
+Faustina, dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle
+voedsel weigert, uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat
+een zieke het niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de
+keizer doet, uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u
+vertrouwen wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien
+gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge
+zijn leven vele dagen verlengen.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen
+naar een terras, waar Tiberius zich <span class="pagenum">[<a id=
+"pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>gewoonlijk ophield om
+het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen
+Vesuvius. Toen Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig
+wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en
+voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken
+hier en daar half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien
+mensch waren stoffig en vuil.</p>
+<p>Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar
+op het terras had moeten kruipen.</p>
+<p>Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet,
+toen de slaaf en Faustina aankwamen.</p>
+<p>Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe:
+&bdquo;Maar Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den
+keizer zelf komen? Breng hem gauw weg.&rdquo;</p>
+<p>Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter
+aarde boog voor den ellendige, die daar lag.</p>
+<p>&bdquo;Caesar Tiberius,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik heb u eindelijk
+een blijde boodschap te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week
+hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.</p>
+<p>Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had
+uitgezien, dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog
+zou worden als die van een <span class="corr" id="xd21e1687" title=
+"Bron: sybille">sibylle</span>. In dat oogenblik was ze ineen gezonken
+als <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name=
+"pb133">133</a>]</span>in machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor
+zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen. Want
+wel had Faustina gehoord, dat de keizer vreeselijk veranderd moest
+wezen, maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te
+stellen als den sterken, krachtigen man, dien zij het laatst gezien
+had. Zij had ook iemand hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte
+en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen.</p>
+<p>Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil
+naast hem te schreien.</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge nu gekomen, Faustina?&rdquo; zei hij toen zonder de
+oogen te openen. &bdquo;Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij
+stondt en om mij schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar
+een dwaling is.&rdquo;</p>
+<p>Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en
+legde het in haar schoot.</p>
+<p>Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel
+van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een
+gezonden slaap.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eenige weken later kwam een van de slaven van den
+keizer naar de eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den
+avond, en de arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon
+ondergaan in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam
+<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name=
+"pb134">134</a>]</span>op hen toe en groette hen. Daarop nam hij een
+zware beurs, die hij in den gordel droeg en hij legde die in de hand
+van den man.</p>
+<p>&bdquo;Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij
+barmhartigheid bewezen hebt,&rdquo; zei de slaaf; &bdquo;zij verzoekt u
+voor dit geld u een eigen wijngaard te koopen en u een huis te bouwen,
+dat niet zoo hoog op de bergen ligt als een arendsnest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?&rdquo; zei de man;
+&bdquo;we hebben haar gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet
+meer terugkwam, meende ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze
+ellendige bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Herinner je je niet,&rdquo; zei de vrouw, &bdquo;dat ik niet
+wilde gelooven, dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer
+naar den keizer teruggegaan was?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; gaf de man toe; &bdquo;dat heb je werkelijk
+gezegd, en ik ben blij, dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina
+op die manier rijk genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen,
+maar ook ter wille van den armen keizer.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken
+te komen v&oacute;&oacute;r de nacht inviel. Maar dit stonden de beide
+echtgenooten niet toe.</p>
+<p>&bdquo;Ge moet bij ons blijven tot morgen,&rdquo; zeiden ze.
+&bdquo;We kunnen u niet laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat
+met Faustina gebeurd is. Waarom is zij weer naar den keizer
+teruggegaan? Hoe was hun ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij
+elkaar zijn?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135"
+name="pb135">135</a>]</span></p>
+<p>De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder
+den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van
+Faustina&rsquo;s terugkomst.</p>
+<p>Toen de slaaf zijn verhaal ge&euml;indigd had, zag hij den man en de
+vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen
+neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet te
+verraden.</p>
+<p>Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: &bdquo;Gelooft ge
+niet, dat dit een beschikking van God is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei de vrouw, &bdquo;zeker was het hiervoor, dat
+de Heer ons over zee zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn
+bedoeling, toen Hij de oude vrouw hierheen voerde naar onze
+deur.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich
+weer tot den slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Vriend,&rdquo; zeide hij tot hem, &bdquo;ge moet een
+boodschap voor mij naar Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor
+woord: &bdquo;Zoo groet u uw vriend, de wijngaardarbeider uit de
+Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge vrouw gezien, die mijn echtgenoote
+is. Vondt ge haar schoonheid niet lieflijk en haar gezondheid
+bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw eenmaal aan dezelfde ziekte
+geleden, die nu Tiberius heeft aangetast.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging
+voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:</p>
+<p>&bdquo;Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg <span class=
+"pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span>haar
+dan, dat mijn vrouw en ik uit Palestina in Azi&euml; komen, een land,
+waar die ziekte dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de
+melaatschen worden verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame
+plaatsen moeten wonen, zich hun woning zoekend in greppels en grotten.
+Zeg Faustina, dat mijn vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en
+zoolang ze nog een kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot
+een jonge maagd, werd zij door de ziekte aangetast.&rdquo;</p>
+<p>Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend
+het hoofd en sprak tot hen:</p>
+<p>&bdquo;Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers
+uw vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,
+dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?&rdquo;</p>
+<p>Maar de man antwoordde: &bdquo;Het zou het beste voor haar zijn, als
+ze mij geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet
+boodschappers zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch
+bevestigen wat ik gezegd heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god,
+dat uw vrouw genezen is?&rdquo; vroeg de slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de arbeider; &bdquo;het is zooals ge
+zegt. Op een dag verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in
+de eenzaamheid leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in
+Nazareth in Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte
+genezen door alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te
+leggen.<span class="corr" id="xd21e1750" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> <span class="pagenum">[<a id="pb137"
+href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>Maar de zieken, die daar
+lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht waarheid
+was.</p>
+<p>&bdquo;Ons kan niemand genezen,&rdquo; zeiden ze; &bdquo;al sinds de
+dagen van de groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn
+ongeluk kunnen redden.&rdquo;</p>
+<p>Maar er was &eacute;&eacute;n van hen, die geloofde, en dat was een
+jonge maagd. Zij ging weg van de anderen om te trachten naar de stad
+Nazareth te komen, waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag,
+toen ze over groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en
+slank was, een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken
+lag. Zijn donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar
+eer ze elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:</p>
+<p>&bdquo;Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar
+ik den Profeet van Nazareth vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar
+stond, vroeg hij:</p>
+<p>&bdquo;Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen
+en mij van mijn ziekte genezen.&rdquo;</p>
+<p>Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij
+sprak tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij
+zijt geen profeet.&rdquo;</p>
+<p>Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:</p>
+<p>&bdquo;Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en
+vertoon u aan de priesters.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb138"
+href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span></p>
+<p>De zieke dacht: &bdquo;Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk,
+dat ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik
+vraag.&rdquo; En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,
+die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen hij
+zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe: &bdquo;Kom
+niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den profeet
+van Nazareth vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat verlangt ge van den profeet?&rdquo; vroeg de man en reed
+langzaam naar haar toe.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal
+en mij van mijn ziekte genezen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man reed nog nader bij.</p>
+<p>&bdquo;Van welke ziekte wilt ge genezen worden?&rdquo; vroeg hij.
+&bdquo;Gij hebt geen geneesmeester noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?&rdquo; zeide zij.
+&bdquo;Ik ben uit zieke ouders geboren in een grot.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer, als
+een pas uitgekomen bloem.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!&rdquo; barstte hij
+uit.</p>
+<p>&bdquo;Spot nu ook niet met mij,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik weet dat
+mijn trekken verwoest zijn en dat mijn stem is als het knorren van een
+wild dier.&rdquo;</p>
+<p>Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: &bdquo;Uw stem
+is helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over
+de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name=
+"pb139">139</a>]</span></p>
+<p>En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar
+gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel
+versierde.</p>
+<p>&bdquo;Ge kunt u hier spiegelen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de
+vleugel van een pas ontpopten vlinder.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; riep ze, &bdquo;dat is mijn gezicht
+niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is uw gezicht,&rdquo; zei de ruiter.</p>
+<p>&bdquo;Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof
+wagens voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zij klinkt als de schoonste melodie&euml;n van een
+citherspeler.&rdquo;</p>
+<p>Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen
+was.</p>
+<p>&bdquo;Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken
+verdwijnt?&rdquo; vroeg zij den ruiter.</p>
+<p>&bdquo;Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de
+Profeet van Nazareth,&rdquo; antwoordde de man.</p>
+<p>Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen
+vol tranen.</p>
+<p>&bdquo;O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!&rdquo; riep
+zij uit. &bdquo;Gij hebt mij genezen!&rdquo;</p>
+<p>En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad
+op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters en
+vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig naar
+alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name=
+"pb140">140</a>]</span>woestijn uit zieke ouders geboren was, wilden
+zij niet gelooven, dat zij hersteld was. &bdquo;Ga terug vanwaar ge
+gekomen zijt,&rdquo; zeiden zij. &bdquo;Als ge ziek geweest zijt, moet
+ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier naar de stad komen
+om ons met uw ziekte te besmetten.&rdquo;</p>
+<p>Zij sprak tot hen: &bdquo;Ik weet, dat ik gezond ben, want de
+Profeet van Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd
+gelegd.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: &bdquo;Wie is hij, dat hij de
+onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze
+geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het
+verderf stort.&rdquo;</p>
+<p>Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar
+zich in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar
+beschermde, ook onrein zou verklaard worden.</p>
+<p>Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot
+den man, die haar op het veld gevonden had: &bdquo;Waar moet ik nu
+heengaan? Moet ik weer naar de woestijn, naar de zieken
+terug?&rdquo;</p>
+<p>Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar:
+&bdquo;Neen, gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten
+gaan, maar wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land,
+waar geen wetten voor reinen en onreinen zijn.<a id="xd21e1839" name=
+"xd21e1839"></a> En zij ...&rdquo; maar toen de arbeider zoover gekomen
+was met zijn verhaal, stond de slaaf op en viel hem in de rede.
+<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name=
+"pb141">141</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge behoeft me niets meer te zeggen,&rdquo; zei hij,
+&bdquo;sta liever op en ga met mij mee&mdash;gij, die de bergen hier
+kent, zoodat ik mijn terugtocht al vannacht beginnen kan en niet tot
+morgen behoef te wachten. De keizer en Faustina kunnen uw boodschap
+geen oogenblik te vroeg hooren.&rdquo;</p>
+<p>Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in
+de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet slapen,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik moet er steeds
+aan denken, dat deze twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle
+menschen liefheeft en hij, die ze haat.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1849" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit
+haar voegen zou kunnen brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VI.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok
+door het afgelegen Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den
+profeet te zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan
+aan haar zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht:
+wat wij van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met
+geweld of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,
+als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer
+verkeert. En wie kan beter Tiberius&rsquo; voorspraak zijn dan iemand,
+die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf? <span class=
+"pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span></p>
+<p>De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw verjongd.
+Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden en op weg
+naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te paard. Zij
+scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden, als de
+Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar gevolg
+uitmaakten.</p>
+<p>Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw
+met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,
+waarover zij den eersten dag hadden gereden, was &eacute;&eacute;n
+enkel schitterend kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen
+ze in de bergen van Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de
+verschillend gevormde heuvels, waar de weg zich tusschen door
+slingerde, waren beplant met vruchtboomen, die in vollen bloei stonden.
+En toen de reizenden de witrose bloesems van abrikozen en perziken moe
+werden, konden zij hun oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof
+te zien, dat uit de zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat
+zoo snel groeide, dat men meende het te kunnen zien groeien.</p>
+<p>Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis
+zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen, die
+dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en paden,
+van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de vlakte kwamen
+de reizigers. Toen zij <span class="pagenum">[<a id="pb143" href=
+"#pb143" name="pb143">143</a>]</span>den weg naar Jeruzalem bereikt
+hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote
+scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op
+een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn
+schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot, dat
+ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om te
+loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich fier
+door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.</p>
+<p>Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij
+maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze
+wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich te
+beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien
+gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de pas
+uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg, maar
+bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn
+zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van
+den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van
+zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd
+voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend op
+wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen, die waren
+als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p>
+<p>Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze
+werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij
+spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een jongen
+Romein, die naast haar reed, zeide: &bdquo;Ik droomde vannacht, dat ik
+Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen, maar
+juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. &rsquo;t Komt mij voor alsof de
+goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er
+dezen mooien morgen heen te trekken.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug
+bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. V&oacute;&oacute;r haar
+lag een groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de
+donkere, schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots,
+die op haar schedel Jeruzalem droeg.</p>
+<p>Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond
+kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag
+duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,
+waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.</p>
+<p>&rsquo;t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele
+land bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote
+plechtigheid. Die &rsquo;t verst woonden, waren al gekomen en hadden
+hun tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad
+woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van <span class=
+"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>alle
+lichte heuvels zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van
+witte kleeren, zangen en feestvreugde.</p>
+<p>De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en
+hun lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast
+haar reed:</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar, Sulpicius, &rsquo;t geheele volk moet naar
+Jeruzalem gekomen zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is werkelijk zoo,&rdquo; antwoordde de Romein, die door
+Tiberius was uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij
+verscheidene jaren in Judea gewoond had. &bdquo;Zij vieren nu het
+groote lentefeest en dan trekken alle menschen, oude en jonge, naar
+Jeruzalem.&rdquo;</p>
+<p>Faustina bedacht zich een oogenblik:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat
+het volk hoogtij viert,&rdquo; zei ze. &bdquo;Dat kan niet anders
+beteekenen dan dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge &rsquo;t
+niet voor mogelijk, dat hij, dien we zoeken&mdash;de Profeet van
+Nazareth, ook naar Jeruzalem is gekomen om aan &rsquo;t feest deel te
+nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina,&rdquo; sprak de Romein.
+&bdquo;Hij is hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een
+beschikking der goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge
+blij zijn, dat ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet
+behoeft te maken.&rdquo;</p>
+<p>Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij
+kwamen en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich
+in Jeruzalem bevond.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien,&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name=
+"pb146">146</a>]</span>antwoordde een van de wandelaars. &bdquo;Zeker
+is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij is een vroom en
+rechtvaardig man.&rdquo;</p>
+<p>Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten
+oosten van de stad lag. &bdquo;Ziet ge die berghelling, met olijfboomen
+begroeid?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Daar richten de Galile&euml;rs
+gewoonlijk hun tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen
+over hem, dien ge zoekt.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar
+&rsquo;t diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op
+zijn top te bereiken.</p>
+<p>De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop
+zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de
+barmhartigheid van de reizigers inriepen.</p>
+<p>Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op
+Faustina toe: &bdquo;Zie daar,&rdquo; zei ze, op een van de bedelaars
+wijzend, die op den muur zat, &bdquo;dat is een Galile&euml;r. Ik
+herinner me, dat ik hem onder de leerlingen van den Profeet gezien heb.
+Hij kan u zeggen waar ge hem vinden zult, dien ge zoekt.&rdquo;</p>
+<p>Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen.
+&rsquo;t Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar
+grijs werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en
+zijn handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;
+integendeel, hij scheen zoo verdiept in <span class="pagenum">[<a id=
+"pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>bekommering en
+gepeins, dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.</p>
+<p>Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn
+vraag een paar maal herhalen.</p>
+<p>&bdquo;Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galile&euml;r zijt.
+Ik verzoek u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan
+vinden.&rdquo;</p>
+<p>De Galile&euml;r sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar
+toen hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door
+toorn en ontzetting aangegrepen. &bdquo;Wat zegt ge toch!&rdquo; stoof
+hij op. &bdquo;Waarom vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van
+hem! Ik ben geen Galile&euml;r.&rdquo;</p>
+<p>De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. &bdquo;Ik heb u
+toch in zijn gezelschap gezien,&rdquo; viel zij in. &bdquo;Wees niet
+bang, maar zeg deze voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den
+keizer is, waar ze hem &rsquo;t beste kan vinden.&rdquo;</p>
+<p>Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder.
+&bdquo;Zijn dan alle menschen waanzinnig vandaag?&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Zijn ze door een boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij
+naar dien man komen vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg,
+dat ik den Profeet niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb
+hem nooit gezien.&rdquo;</p>
+<p>Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast
+hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord,&rdquo; zeiden
+zij. &bdquo;Wij weten allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen
+zijt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: &bdquo;Ik heb het
+vandaag niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat
+men mij niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij
+niet gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?&rdquo;</p>
+<p>Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. &bdquo;Laat ons
+verder gaan,&rdquo; zeide ze. &bdquo;Die man daar is immers waanzinnig.
+Van hem komen we niets te weten.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan
+twee stappen van de stadspoort, toen de Isra&euml;lietische vrouw, die
+haar had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig
+te wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg
+lag, vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt
+in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een
+wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.</p>
+<p>De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder
+uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten
+dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij
+bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis over
+zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde om
+gemakkelijker overreden of vertrapt te worden. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?&rdquo; vroeg
+Faustina.</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan
+te roepen: &bdquo;Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden
+en lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot
+stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het
+ter zijde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zondaar, die boete wil doen,&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Laat u dat niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet
+het zijn gang laten gaan.&rdquo;</p>
+<p>De man op den weg ging voort met roepen: &bdquo;Zet uw hielen op
+mijn hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun
+hoeven in mijn oogen zetten.&rdquo;</p>
+<p>Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden
+zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil naast
+hem.</p>
+<p>De Isra&euml;lietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen
+helpen, drong nu weer tot haar door: &bdquo;Die man hoorde ook tot de
+leerlingen van den Profeet,&rdquo; zei ze. &bdquo;Wilt ge, dat ik hem
+naar zijn meester vraag?&rdquo;</p>
+<p>Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den
+liggende.</p>
+<p>&bdquo;Wat hebt gij, Galile&euml;rs, vandaag met uw meester
+gedaan?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Ik zie u verspreid op wegen en paden,
+maar hem zie ik nergens.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in <span class=
+"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>het
+stof van den weg lag, zich op de knie&euml;n. &bdquo;Wat is dat voor
+een boozen geest, die u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?&rdquo;
+zei hij met een stem, waarin de grootste wanhoop klonk. &bdquo;Ge ziet
+immers, dat ik mij in het stof van den weg gelegd heb om vertreden te
+worden. Is dat u nog niet genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen
+wat ik met hem gedaan heb?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt,&rdquo; zei de
+vrouw. &bdquo;Ik wil alleen weten, waar ge uw meester hebt.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen
+voor de ooren. &bdquo;Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten
+sterven,&rdquo; riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat
+zich voor de poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting,
+terwijl zijn verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere
+vleugels.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen
+gekomen zijn,&rdquo; zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij
+was ontstemd door het zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een
+man, die zulke dwazen onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor
+den keizer te doen?</p>
+<p>Ook de Isra&euml;lietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met
+grooten ernst tot Faustina: &bdquo;Vrouwe, draal niet met hem op te
+zoeken, dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen
+is, nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,
+dat men over hem spreekt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb151"
+href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p>
+<p>Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder &rsquo;t poortgewelf
+door en kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen
+waren. &rsquo;t Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de
+stad<span class="corr" id="xd21e1970" title="Niet in bron">.</span> De
+rijdenden moesten keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten
+trachtten te vergeefs wegen te banen. De menschen bleven zich
+voortspoeden in een dichten, niet te keeren stroom.</p>
+<p>&bdquo;Voorwaar,&rdquo; zei de oude vrouw tot Sulpicius, &bdquo;de
+straten van Rome zijn stille lusthoven in vergelijking met
+deze.&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden
+hen wachtten.</p>
+<p>&bdquo;Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te
+loopen dan te rijden,&rdquo; zei hij. &bdquo;Als gij niet al te moe
+zijt, zou ik u willen raden te voet naar het paleis van den landvoogd
+te gaan. Dat ligt wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar
+zeker niet voor na middernacht.&rdquo;</p>
+<p>Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard
+en gaf dit over aan een der slaven.</p>
+<p>Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de
+stad.</p>
+<p>Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het
+hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins
+breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.</p>
+<p>&bdquo;Zie daar, Faustina,&rdquo; zeide hij, &bdquo;als wij daar
+maar <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
+"pb152">152</a>]</span>komen kunnen, dan zijn we waar we wezen moeten.
+Die straat loopt recht op onze herberg aan.&rdquo;</p>
+<p>Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den
+eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de straat
+bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort der
+Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een gevangene,
+die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.</p>
+<p>Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die de
+terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat over,
+strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten
+onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat niet
+alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in zijden
+kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen van de
+stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,&mdash;vele met
+beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee, onder
+kreten, die de ooren verscheurden.</p>
+<p>&bdquo;O God,&rdquo; riepen ze. &bdquo;Red hem! Zend Uw engel om hem
+te redden! Zend toch een helper in den uitersten nood!&rdquo;</p>
+<p>Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden.
+Zij waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen
+om hem te bevrijden.</p>
+<p>Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span>die
+den man, die gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot,
+zwaar houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak
+voor dezen last. Die drukte hem z&oacute;&oacute;, dat zijn lichaam
+geheel tot op den grond gebogen werd. Hij hield het hoofd
+z&oacute;&oacute; diep voorover, dat niemand zijn gezicht kon zien.</p>
+<p>Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den
+zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op, dat
+hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn hoofd
+gedrukt was.</p>
+<p>&bdquo;Wie is die man?&rdquo; vroeg zij.</p>
+<p>Een van de omstanders antwoordde: &bdquo;Dat is een, die zich keizer
+maken wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard
+is,&rdquo; zei de oude vrouw weemoedig.</p>
+<p>De veroordeelde bezweek onder &rsquo;t kruis, hij liep al langzamer.
+De beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen
+daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij dat
+deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.</p>
+<p>Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden moeite
+het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een paar
+vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene te
+helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te dwingen
+tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk vatten een
+paar van hem dat aan om het op te lichten. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht
+zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn voorhoofd,
+dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar bloeddruppels.
+Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet en bloed. Hij
+hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen trilden,
+alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende oogen waren
+vol tranen en bijna dof,&mdash;gekweld en uitgeput als hij was.</p>
+<p>Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als
+in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol
+majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen door
+smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien
+vreemden man.</p>
+<p>&bdquo;O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?&rdquo; barstte zij uit
+en ging hem een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen
+schoten. Ze vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van
+dezen gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van
+medelijden zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem
+toeloopen, om hem aan zijn beulen te ontrukken.</p>
+<p>De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,
+alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen, die
+hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knie&euml;n, hij drukte
+zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.
+<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name=
+"pb155">155</a>]</span></p>
+<p>De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl
+haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij
+haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn
+hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,
+zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om
+de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren de
+beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den
+gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij
+hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen
+hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij
+bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen
+haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,
+had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en zij
+riep uit: &bdquo;Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet
+sterven, hij kan niet sterven!&rdquo;</p>
+<p>Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd
+werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit hun
+handen rukken.</p>
+<p>Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling
+en een onmacht overvallen.</p>
+<p>Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande
+te houden.</p>
+<p>Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje <span class=
+"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>en
+hij droeg haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was
+een barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de
+oude een bed op den steenen vloer.</p>
+<p>Zij was niet bewusteloos, maar z&oacute;&oacute; sterk was de
+duizeling, die haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden,
+maar moest gaan liggen.</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang
+in de stad zijn te veel voor haar geweest,&rdquo; zei Sulpicius tegen
+den koopman. &bdquo;Zij is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat
+hij door den ouderdom niet overwonnen wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn,&rdquo;
+zei de koopman. &bdquo;De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het
+zou mij niet verbazen als we een hevig onweer kregen.&rdquo;</p>
+<p>Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep
+met rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen
+van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,
+terwijl hij op haar ontwaken wachtte.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VII.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge
+vrouw en zij had den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen
+droomen.</p>
+<p>Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>en
+neerzag op de mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche
+zeden met marmer geplaveid was en met edele gewassen beplant.</p>
+<p>Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
+gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
+lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
+aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
+op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en pijn.
+En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele van de
+voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.</p>
+<p>Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
+staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.</p>
+<p>Toen antwoordden zij hem en zeiden: &bdquo;Wij zoeken den grooten
+Profeet, dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van
+Nazareth? Hij, die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons
+verlossen kan van al ons lijden?&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
+paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
+afwijzen: &bdquo;Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken.
+Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;</p>
+<p>Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en
+tandenknarsen op, dat zij het niet aanhooren <span class=
+"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>kon.
+Haar hart werd verscheurd door medelijden en de tranen stroomden haar
+uit de oogen. Maar doordat ze was beginnen te schreien, was ze wakker
+geworden.</p>
+<p>Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak
+van haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
+als een markt was.</p>
+<p>En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
+zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
+naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
+die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
+meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
+meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
+over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
+zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
+weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond
+spraken.</p>
+<p>Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die
+het dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen.
+Eindelijk werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg
+hun: &bdquo;Wat verlangt ge?&rdquo;</p>
+<p>Toen begonnen allen te roepen en zeiden:</p>
+<p>&bdquo;Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God
+gezonden is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
+"pb159">159</a>]</span></p>
+<p>Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon
+van de wereld: &bdquo;Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet
+zoekt, Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;</p>
+<p>Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
+als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen zij
+zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot, en toen
+zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te wringen en
+te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.</p>
+<p>Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
+het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op de
+cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
+bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.</p>
+<p>Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: &bdquo;Ga naar de
+balustrade, die het dak omgeeft en zie neer op de
+binnenplaats.&rdquo;</p>
+<p>Maar in den droom weigerde zij, en zeide: &bdquo;Ik wil niets meer
+zien van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen.&rdquo;</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
+en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
+sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
+de balustrade en keken naar beneden.</p>
+<p>En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
+neer op de binnenplaats. <span class="pagenum">[<a id="pb160" href=
+"#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p>
+<p>Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
+gevangenen van de wereld.</p>
+<p>Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
+met zware ijzeren ketenen.</p>
+<p>Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
+aansleepen met hun mokers.</p>
+<p>En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
+roeiriemen van ijzer gesmeed.</p>
+<p>En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
+hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.</p>
+<p>Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
+en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven, die
+moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
+geeselslagen.</p>
+<p>Al die ongelukkigen riepen uit &eacute;&eacute;n mond en zeiden:
+&bdquo;Doe open! doe open!&rdquo;</p>
+<p>Toen trad de slaaf, die den ingang <span class="corr" id="xd21e2111"
+title="Bron: bewaakten">bewaakte</span>, naar buiten en hij vroeg hun:
+&bdquo;Wat is het dat gij verlangt?&rdquo;</p>
+<p>En dezen antwoordden als de anderen:</p>
+<p>&bdquo;Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde
+gekomen is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun
+geluk.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht<span class="corr"
+id="xd21e2120" title="Bron: .">:</span></p>
+<p>&bdquo;Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem
+gedood.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name=
+"pb161">161</a>]</span></p>
+<p>Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
+ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
+voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend van
+schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.</p>
+<p>Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
+in zichzelf: &bdquo;Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
+nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
+te zien.&rdquo;</p>
+<p>Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
+haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
+was ingeslapen.</p>
+<p>Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
+zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.</p>
+<p>Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: &bdquo;Ga naar de
+balustrade, die &rsquo;t dak omgeeft en zie, wie <span class="corr" id=
+"xd21e2137" title="Bron: het het">het</span> zijn, die op de plaats
+staan te wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: &bdquo;Ik heb vannacht
+zooveel ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven
+waar ik ben.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
+buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op het
+hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.</p>
+<p>Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>te
+werpen en weer zag zij, dat de plaats vol menschen was.</p>
+<p>En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
+waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen en
+met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele plaats
+er door overstroomd werd.</p>
+<p>En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun
+geliefden op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen,
+die hun verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar
+geliefden riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.</p>
+<p>Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de
+poortwachter kwam zooals te voren en opende de deur.</p>
+<p>En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren:
+&bdquo;Wat zoekt gij in dit huis?&rdquo; En zij antwoordden: &bdquo;Wij
+zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden
+zal en vrede op aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een
+zeis zal maken en het zwaard tot een wijngaardmes.&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde de slaaf: &bdquo;Laat nu niet meer menschen mij
+komen plagen, ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: &bdquo;De groote
+Profeet is hier niet. Pilatus heeft hem gedood.&rdquo;<span class=
+"corr" id="xd21e2159" title="Niet in bron">&rdquo;</span> Daarop sloot
+hij de poort. Maar zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu
+komen zou. &bdquo;Ik wil het niet meer hooren,&rdquo; zei ze en snelde
+weg van de balustrade. Op &rsquo;tzelfde oogenblik werd zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name=
+"pb163">163</a>]</span>wakker en toen merkte ze, dat zij in haar schrik
+uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.</p>
+<p>Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
+weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had en
+was beginnen te droomen.</p>
+<p>Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
+en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.</p>
+<p>En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: &bdquo;Ga naar de
+menschen zien, die op uw binnenplaats wachten.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij dacht: &bdquo;Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht
+ongelukkigen genoeg gezien.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort
+en haar man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn
+huis verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het
+hek gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.</p>
+<p>&bdquo;Kent gij dien man niet?&rdquo; vroeg hij en wees naar
+beneden.</p>
+<p>Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
+vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen te
+ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger was
+aangekomen.</p>
+<p>Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met
+breede schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p>
+<p>De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
+man toe: &bdquo;Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is.
+Het kan niemand anders zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen hem ook te herkennen,&rdquo; zei haar man en legde
+dadelijk den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten
+zijn en luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.</p>
+<p>Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
+&bdquo;Wien zoekt gij?&rdquo;</p>
+<p>En de reiziger antwoordde: &bdquo;Ik zoek den grooten Profeet van
+Nazareth, die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer
+Tiberius roept hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke
+ziekte, die geen ander geneesmeester wegnemen kan.&rdquo;</p>
+<p>Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
+&bdquo;Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld
+worden.&rdquo;</p>
+<p>Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de
+plaats wachtten en gaf hun een bevel.</p>
+<p>Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
+versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
+sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
+slaaf, die de poort bewaakte en zeide: &bdquo;Dit alles zal &rsquo;t
+zijne zijn, als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der
+aarde rijkdom geven.&rdquo;</p>
+<p>Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
+"pb165">165</a>]</span>voren en zeide: &bdquo;Heer, wees niet vertoornd
+op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet worden vervuld.&rdquo;</p>
+<p>Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen
+kwamen haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk
+van juweelen glinsterde.</p>
+<p>En de keizer sprak tot den slaaf: &bdquo;Zie hier. Wat ik hem
+aanbied is de macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de
+hoogste rechter, als hij mij maar volgt en Tiberius geneest.&rdquo;</p>
+<p>Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: &bdquo;Heer,
+het staat niet in mijn macht u te helpen.&rdquo;</p>
+<p>Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
+een gouden hoofdring en een purperen mantel.</p>
+<p>&bdquo;Zie,&rdquo; sprak hij, &bdquo;dit is de wil des keizers. Hij
+belooft hem te benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de
+wereld te geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen
+volgens den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand
+uitsteekt en Tiberius geneest.&rdquo;</p>
+<p>Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
+jammerend:</p>
+<p>&bdquo;Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij
+zoekt, is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VIII.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder
+dag en haar slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met
+aankleeden. Zij was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk
+vroeg zij de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde
+toen, dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.</p>
+<p>&bdquo;Ik had hem graag willen spreken,&rdquo; zei de jonge
+vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Meesteres,&rdquo; zei de slavin, &bdquo;dat gaat moeilijk nu
+midden onder het rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het
+afgeloopen is.&rdquo;</p>
+<p>Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg
+ze: &bdquo;Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit
+Nazareth?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch
+wonderdoener,&rdquo; antwoordde dadelijk een der slavinnen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem
+vraagt,&rdquo; zei een andere slavin. &bdquo;Hij is het juist, dien de
+Joden hier naar het paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te
+laten verhooren.&rdquo;</p>
+<p>Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was
+aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.</p>
+<p>Toen zij terugkwam zei ze: &bdquo;Ze klagen hem aan, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name=
+"pb167">167</a>]</span>omdat hij zich tot koning over dit land maken
+wil en zij roepen, dat de landvoogd hem moet laten
+kruisigen.&rdquo;</p>
+<p>Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer
+verschrikt en zeide: &bdquo;Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt
+hier vandaag een ontzettend ongeluk.&rdquo;</p>
+<p>Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,
+begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen, zoodat
+ze zei:</p>
+<p>&bdquo;Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den
+landvoogd, zal ik trachten hem die te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een
+wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.</p>
+<p>Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen
+hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar de
+gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had Pilatus
+een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in Jeruzalem
+waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge leeraar in de
+welsprekendheid en nog een paar anderen.</p>
+<p>Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd
+zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.</p>
+<p>Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de
+landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden
+had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch
+<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name=
+"pb168">168</a>]</span>landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten
+leiden door de droomen van een vrouw.</p>
+<p>Zij antwoordde stil en bedroefd: &bdquo;Voorwaar, dit was geen
+droom, maar een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt
+tenminste den man dezen eenen dag nog in &rsquo;t leven moeten
+laten.&rdquo;</p>
+<p>Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten
+troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een
+onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.</p>
+<p>Maar na een poos hief een van hen &rsquo;t hoofd op en zei:
+&bdquo;Wat is dat? Hebben we z&oacute;&oacute; lang aan tafel gezeten,
+dat de dag al voorbij is?&rdquo;</p>
+<p>Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde.
+&rsquo;t Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel,
+dat over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat
+alles eentonig grijs scheen.</p>
+<p>Evenals al &rsquo;t andere verloren ook hun eigen aangezichten hun
+kleur.</p>
+<p>&bdquo;Wij zien er uit als dooden&rdquo;, zei de jonge redenaar met
+een rilling. &bdquo;Onze wangen zijn grauw en onze lippen
+zwart.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge
+vrouw toe.</p>
+<p>&bdquo;Ach, liefste!&rdquo; riep ze eindelijk uit, &bdquo;ziet ge nu
+nog niet in, dat de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn
+vertoornd, omdat ge een heilig en onschuldig man <span class=
+"pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>ter
+dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat, al is hij nu misschien al aan
+&rsquo;t kruis geslagen, hij nog niet gestorven is. Laat hem afnemen
+van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden verbinden. Sta
+alleen toe, dat hij in &rsquo;t leven teruggeroepen wordt.&rdquo;</p>
+<p>Maar Pilatus antwoordde lachend: &bdquo;Zeker hebt gij gelijk, dat
+dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans niet
+verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood
+veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen
+verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang nog
+de oude Tiberius...&rdquo;</p>
+<p>Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was z&oacute;&oacute;
+diep geworden, dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien
+staan. Hij hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te
+brengen.</p>
+<p>Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten
+zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,
+onmogelijk ontgaan.</p>
+<p>&bdquo;Zie nu eens,&rdquo; zei hij tot zijn vrouw. &bdquo;Nu
+komt&rsquo; t mij voor, dat het u gelukt is ons genoegen te bederven
+met uw droomen. Maar als ge nu eenmaal aan niets anders denken kunt,
+laat ons dan liever hooren, wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij
+zullen beproeven de bedoeling te begrijpen.&rdquo;</p>
+<p>Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij &rsquo;t
+eene visioen na het andere vertelde, werden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span>haar
+gasten al ernstiger. Zij lieten hun bekers onaangeroerd staan en er
+kwamen rimpels in hun voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles
+onzin noemde, was de landvoogd zelf.</p>
+<p>Toen &rsquo;t verhaal uit was, zei de jonge redenaar:
+&bdquo;Voorwaar, dat is meer dan een droom, want ik heb vandaag niet
+den keizer, maar zijn oude vriendin Faustina de stad zien
+binnentrekken. Het verwondert mij alleen, dat zij zich nog niet heeft
+vertoond in &rsquo;t paleis van den landvoogd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een
+vreeselijke ziekte is aangetast,&rdquo; merkte de aanvoerder op.
+&bdquo;&rsquo;t Komt ook mij mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw
+een waarschuwing is, door de goden gezonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is in &rsquo;t geheel niet ongelooflijk, dat
+Tiberius iemand tot den Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed
+te roepen,&rdquo; stemde de jonge redenaar toe.</p>
+<p>De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:
+&bdquo;Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen
+wonderdoener bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen,
+dat hij hem in &rsquo;t leven vindt.&rdquo;</p>
+<p>Pilatus antwoordde half boos: &bdquo;Is &rsquo;t die duisternis, die
+u allen tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen
+droomuitleggers en profeten geworden waart.&rdquo;</p>
+<p>Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: &bdquo;&rsquo;t Zou
+misschien niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge
+een ijlbode zondt.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb171" href=
+"#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken,&rdquo;
+antwoordde de landvoogd. &bdquo;Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht
+en orde hier in &rsquo;t land, als men hoorde, dat de landvoogd een
+misdadiger genade schonk, omdat zijn vrouw een akeligen droom had
+gehad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in
+Jeruzalem gezien heb,&rdquo; zei de jonge redenaar.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer
+verdedigen,&rdquo; zei Pilatus. &bdquo;Hij zal wel begrijpen, dat deze
+dweper, die zich, zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet
+mishandelen, hem niet had kunnen helpen.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde
+het huis als door een geweldigen rollenden donderslag, en een
+aardbeving deed het veld schudden. &rsquo;t Paleis van den landvoogd
+bleef onbeschadigd staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving
+duurde, hoorde men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van
+instortende huizen en vallende pilaren.</p>
+<p>Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd een
+slaaf.</p>
+<p>&bdquo;Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de
+Profeet van Nazareth van het kruis genomen moet worden.&rdquo;</p>
+<p>De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal
+naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de
+aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen
+wachtten op de terugkomst van den slaaf. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p>
+<p>Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.</p>
+<p>&bdquo;Vondt ge hem nog in leven?&rdquo; vroeg deze.</p>
+<p>&bdquo;Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den
+geest gaf, kwam de aardbeving.&rdquo;</p>
+<p>Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de
+buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er een
+nieuwe aardbeving gekomen was.</p>
+<p>Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: &bdquo;Het is de oude
+Faustina en Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen
+om u te vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te
+zoeken.&rdquo;</p>
+<p>Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen
+werden gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden
+zich van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het
+ongeluk gekomen is.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IX.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had
+den keizer opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak,
+durfde zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op
+de vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: &bdquo;Als er
+barmhartigheid bij de goden geweest was, zouden zij me hebben laten
+sterven eer ik dezen armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle
+hoop voorbij is.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb173" href=
+"#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
+<p>Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste
+onverschilligheid naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote
+wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem
+aankwam, en hoe zij hem bijna gered had, begon zij te schreien door de
+pijn van die teleurstelling.</p>
+<p>Maar Tiberius zei alleen:</p>
+<p>&bdquo;Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel
+leven in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars
+en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt
+opgedaan?&rdquo;</p>
+<p>Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet
+van Nazareth verwacht had.</p>
+<p>&bdquo;Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge
+aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit,&rdquo; zei de
+keizer. &bdquo;Waarom zou ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de
+macht heb dit in te willigen?&rdquo;</p>
+<p>Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid
+had.</p>
+<p>&bdquo;Dat is weer uw oude listigheid,&rdquo; viel zij uit.
+&bdquo;Dat is juist wat ik u &rsquo;t allerminst vergeven
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hadt niet bij mij terug moeten komen,&rdquo; zei Tiberius.
+&bdquo;Ge hadt in uw bergen moeten blijven.&rdquo;</p>
+<p>Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo
+dikwijls getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar
+de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was
+voorbij, dat ze <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174"
+name="pb174">174</a>]</span>in ernst met den keizer twisten kon. Zij
+sprak zachter, hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om
+gelijk te krijgen.</p>
+<p>&bdquo;Maar de man was werkelijk een profeet,&rdquo; zei ze.
+&bdquo;Ik heb hem gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde
+ik, dat hij een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood
+liet gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, dat ge hem sterven liet,&rdquo; antwoordde
+Tiberius. &bdquo;Hij was een Majesteitsschenner en een
+oproerstichter.&rdquo;</p>
+<p>Weer was Faustina bijna boos geworden.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem
+gesproken,&rdquo; zei ze. &bdquo;Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is
+aangeklaagd, niet begaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is
+hij toch zeker niet beter dan iemand anders,&rdquo; zei de keizer mat.
+&bdquo;Waar is de mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood
+verdient.&rdquo;</p>
+<p>Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te
+doen, waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven,&rdquo; zeide
+ze. &bdquo;Ik zei u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn
+gezicht legde. Dat is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt
+ge dien een oogenblik bekijken?&rdquo;</p>
+<p>Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop
+flauw het beeld van een menschengezicht. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p>
+<p>De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging:
+&bdquo;Die man zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht
+hij in staat was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen
+vol tranen, zoo dikwijls ik het zie.&rdquo;</p>
+<p>De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen
+geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart.
+Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals het op den
+zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd, de
+stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, en den mond,
+waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.</p>
+<p>Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder
+kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag
+hij opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op
+denzelfden tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden,
+toonden ze hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had
+aanschouwd.</p>
+<p>Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in.
+&bdquo;Is dit een mensch?&rdquo; zei hij, zacht en week. &bdquo;Is dit
+een mensch?&rdquo;</p>
+<p>Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over
+zijn wangen te stroomen. &bdquo;Ik treur over uw dood, gij
+onbekende,&rdquo; fluisterde hij.</p>
+<p>&bdquo;Faustina,&rdquo; riep hij eindelijk uit, &bdquo;waarom hebt
+gij dien mensch laten sterven! Hij zou mij genezen hebben.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name=
+"pb176">176</a>]</span></p>
+<p>En weer verzonk hij geheel in &rsquo;t beschouwen van het beeld.</p>
+<p>&bdquo;Gij, mensch!&rdquo; zeide hij na een poos. &bdquo;Als ik van
+u mijn gezondheid niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar
+zal mijn hand rusten op hen, die mij u ontstolen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden
+en viel voor het beeld op de knie&euml;n.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt de mensch!&rdquo; zei hij. &bdquo;Gij zijt, wat ik
+niet geloofd heb ooit te zullen zien.&rdquo; En hij wees op zichzelf,
+op zijn verwoest gezicht en verteerde handen. &bdquo;Ik en anderen zijn
+wilde dieren en monsters, maar gij zijt de mensch!&rdquo;</p>
+<p>Hij boog het hoofd zoo diep over &rsquo;t beeld, dat hij den grond
+raakte.</p>
+<p>&bdquo;Erbarm u over mij, gij onbekende,&rdquo; zei hij, en zijn
+tranen bevochtigden de steenen. &bdquo;Als gij in &rsquo;t leven
+gebleven waart, zou uw aanblik alleen mij genezen hebben.&rdquo;</p>
+<p>De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. &rsquo;t Was
+beter geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende
+zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot
+zou zijn als hij het zag.</p>
+<p>En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het
+beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.</p>
+<p>Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, en
+hij was zooals hij vroeger geweest <span class="pagenum">[<a id="pb177"
+href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>was. &rsquo;t Was alsof de
+ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen,
+die in zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het
+oogenblik, dat hij liefde en medelijden voelde.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.</p>
+<p>De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een
+onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina
+zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij het
+volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.</p>
+<p>De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en
+te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om hun
+tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord
+hadden, schreiden ze stil en de man zei: &bdquo;Ik weet, dat ik er heel
+mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee
+elkaar hadden ontmoet.&rdquo;</p>
+<p>Maar de vrouw antwoordde: &bdquo;Het kon niet anders zijn. &rsquo;t
+Was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God,
+de Heer, wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen.&rdquo;</p>
+<p>De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van
+Jezus&rsquo; leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te
+verkondigen, die de gekruiste gepredikt had.</p>
+<p>Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar
+sterfbed. Maar zij konden haar nog <span class="pagenum">[<a id="pb178"
+href="#pb178" name="pb178">178</a>]</span>v&oacute;&oacute;r haar dood
+tot een discipel van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden
+haar Veronica, omdat het haar gegeven was aan de menschen <i>het ware
+beeld</i> van hun Verlosser te brengen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e215">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Vogel Roodborst.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld
+schiep, toen Hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle
+dieren en gewassen en ze te gelijk een naam gaf.</p>
+<p>Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende, zou
+men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan, kunnen
+verklaren.</p>
+<p>Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de
+vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte,
+zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve
+Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.</p>
+<p>En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij
+maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het,
+zoodra hij een paar stappen op de wei in &rsquo;t Paradijs gedaan had,
+en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze Lieve
+Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei: &bdquo;Je
+naam is ezel, ezel, ezel!&rdquo;</p>
+<p>En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>dier
+wat uit opdat hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.</p>
+<p>Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen
+werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren, die
+merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er van
+proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftigen
+angel allen weg, die bij den honig kwamen.</p>
+<p>Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte
+haar.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het
+liefelijkste wat er in de schepping is,&rdquo; zei Onze Lieve Heer;
+&bdquo;maar daarom gaf ik je nog niet het recht om hard tegen je naaste
+te wezen. Onthoud het nu goed: als je iemand steekt, die je honig
+proeven wil, dan moet je sterven.&rdquo;</p>
+<p>Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar
+vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te
+scheppen en in &rsquo;t leven te roepen. En tegen den avond viel het
+Hem in om een kleinen, grauwen vogel te maken.</p>
+<p>&bdquo;Onthoud goed dat je naam roodborstje is,&rdquo; zei Onze
+Lieve Heer tot den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn
+open hand en liet hem vliegen.</p>
+<p>Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde
+bekeken, waarop hij leven zou, <span class="pagenum">[<a id="pb183"
+href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>kreeg hij ook lust om zich
+zelf te bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn
+borst was even grijs als al het andere.</p>
+<p>Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water,
+maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.</p>
+<p>Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer
+zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders te
+voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn schouders
+en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leli&euml;n en
+duizendschoonen.</p>
+<p>&rsquo;t Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in
+lichte bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en
+eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.</p>
+<p>Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil U maar &eacute;&eacute;n ding vragen,&rdquo; zei de
+kleine vogel.</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge weten?&rdquo; vroeg Onze Lieve Heer.</p>
+<p>&bdquo;Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben,
+van mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik
+roodborstje genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?&rdquo;</p>
+<p>En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine
+zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten,
+heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige
+<span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name=
+"pb184">184</a>]</span>roode halskragen, hanen met roode kammen, om
+niet te spreken van vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk
+dacht hij er aan hoe weinig er maar noodig was,&mdash;maar een klein
+droppeltje verf op zijn borst&mdash;om hem tot den mooien vogel te
+maken, waar zijn naam voor paste.</p>
+<p>&bdquo;Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs
+ben?&rdquo; vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve
+Heer zou zeggen: &bdquo;Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je
+borstveeren rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het
+klaar.&rdquo;</p>
+<p>Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: &bdquo;Ik heb
+je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf
+maar zien, dat je je roode borstveeren verdient.&rdquo;</p>
+<p>En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw
+uitvliegen.</p>
+<p>De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een
+kleine vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen?
+Het eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen.
+Hij ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het
+was alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou
+zetten en die kleuren.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den
+heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd <span class=
+"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name=
+"pb185">185</a>]</span>hadden menschen en dieren het Paradijs verlaten
+en zich over de aarde verspreid. En de menschen waren zoover gekomen,
+dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Zij
+hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft, ja, ze hadden al lang
+geleden geleerd, groote tempels en machtige steden te bouwen zooals
+Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe dag, die ook lang
+herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.</p>
+<p>En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een
+kleinen, kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn
+jongen, die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.</p>
+<p>Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren
+scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle
+roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord
+heeft en uitging uit Gods Hand.</p>
+<p>&bdquo;En zie nu eens,&rdquo; besloot hij treurig. &bdquo;Zooveel
+jaren zijn voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel
+jonge vogels zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat
+niemand ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine
+grijze vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te
+winnen.&rdquo;</p>
+<p>De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen
+niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die
+onschatbare roode kleur te verwerven. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;We hebben allen gedaan wat we konden,&rdquo; zei het
+vogeltje; &bdquo;maar het is alles mislukt. Het eerste roodborstje al
+ontmoette eens een anderen vogel, die sprekend op hem leek en hij begon
+dien dadelijk z&oacute;&oacute; hevig lief te hebben, dat hij zijn
+borst voelde gloeien.</p>
+<p>&bdquo;Och,&rdquo; dacht hij toen, &bdquo;nu begrijp ik het! Het is
+de bedoeling van Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat
+mijn borstveeren rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart
+woont.&rdquo; Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is
+en zooals het u ook mislukken zal.<a id="xd21e2508" name=
+"xd21e2508"></a></p>
+<p>De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren,
+dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben ook op het zingen gehoopt,&rdquo; zei de oude
+vogel, nu in lange gerekte tonen sprekend. &bdquo;Reeds het eerste
+roodborstje zong zoo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij begon
+opnieuw te hopen. &bdquo;Ach,&rdquo; dacht hij, &bdquo;het is de
+zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveeren rood verven
+zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en
+zooals het ook u mislukken zal.&rdquo;</p>
+<p>Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de
+jongen gehoord.</p>
+<p>&bdquo;We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze
+dapperheid,&rdquo; zei de vogel. &bdquo;Reeds het eerste roodborstje
+streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust.
+&bdquo;Ach,&rdquo; dacht hij, &bdquo;mijn borstveeren <span class=
+"pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name=
+"pb187">187</a>]</span>zullen rood worden van den strijdlust, die
+gloeit in mijn hart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt
+is en zooals het ook u mislukken zal.&rdquo;</p>
+<p>De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden beproeven
+&rsquo;t zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude vogel
+antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij dat hopen
+daar zooveel uitstekende voorvaderen &rsquo;t doel niet hadden kunnen
+bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en vechten.
+Wat konden...<span class="corr" id="xd21e2527" title=
+"Niet in bron">.</span> De vogel hield midden in den zin op, want uit
+een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen en
+de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn nest
+had.</p>
+<p>Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange
+speren, beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig
+voorttrekkende priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles
+een troep wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke
+huilende bende straatslijpers!</p>
+<p>De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij
+vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden en
+zijn jongen gedood.</p>
+<p>&bdquo;Wees voorzichtig!&rdquo; riep hij den weerloozen diertjes
+toe, &bdquo;kruip bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat
+gaat dwars over ons heen, daar komt <span class="pagenum">[<a id=
+"pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>een soldaat met
+sandalen met ijzeren zolen, daar komt de heele woeste bende
+aanstormen.&rdquo;</p>
+<p>Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil
+zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.</p>
+<p>Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn
+jongen uit.</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat is al te vreeselijk,&rdquo; zei hij, &bdquo;ik wil
+niet, dat jelui dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die
+gekruisigd moeten worden.&rdquo; En hij spreidde de vleugels uit,
+zoodat de kleinen niets zien konden. Ze hoorden alleen dreunende
+hamerslagen, jammerkreten en het wilde gejoel van het volk. Het
+roodborstje volgde het heele tooneel met oogen groot van ontzetting,
+hij kon de blikken niet van de drie ongelukkigen afwenden.</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn de menschen wreed,&rdquo; zei de vogel na een poos,
+&bdquo;het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te
+nagelen, maar ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon
+van scherpe doornen gezet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat
+zijn bloed vloeit,&rdquo; ging hij voort. &bdquo;En die man is zoo
+heerlijk en ziet om zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem
+lief moet hebben. Het is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik
+hem lijden zie.&rdquo;</p>
+<p>Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den
+man, die de doornenkroon droeg. <span class="pagenum">[<a id="pb189"
+href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Als ik mijn broeder de arend was,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;zou ik de spijkers uit zijn handen rukken, en met mijn sterke
+klauwen al die menschen op de vlucht jagen, die hem
+pijnigen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide
+en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.</p>
+<p>&bdquo;Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen
+gemartelde doen,&rdquo; dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog
+op in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen.
+Hij zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen,
+want hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een
+mensch te naderen.</p>
+<p>Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met
+zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde
+gedrongen was.</p>
+<p>Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den
+gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en
+verfde al zijn teere borstveertjes.</p>
+<p>Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe:
+&bdquo;Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw
+geslacht naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe:
+&bdquo;Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name=
+"pb190">190</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen
+man, die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere
+bron.&rdquo;</p>
+<p>Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van
+zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende
+roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst
+van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span>
+<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name=
+"pb193">193</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e221">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Onze Lieve Heer en de Heilige Petrus.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige
+Petrus pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te
+hebben rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren
+lang. Ge kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel
+denken, dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en
+over de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
+bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
+rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een dak
+boven &rsquo;t hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat men
+gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
+duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest zijn
+eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een reis. De
+heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest, dat alles goed
+zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te twijfelen en
+onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name=
+"pb194">194</a>]</span>geweest voor den heiligen Petrus, dien stakker,
+te begrijpen waar het voor dienen moest, dat zij het z&oacute;&oacute;
+zwaar hadden, als Onze Lieve Heer bestuurder van de heele wereld
+was.</p>
+<p>En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt
+begrijpen, dat hij daar blij om was.</p>
+<p>Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
+Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
+hadden moeten zijn.</p>
+<p>Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
+te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem me&ecirc;genomen en was
+een hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
+maken hadden.</p>
+<p>Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
+berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.&mdash;Zij waren
+nog verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der
+herders, en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver
+achter zich gelaten.</p>
+<p>Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
+boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
+reizigers in nood te kunnen helpen.</p>
+<p>Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
+en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa&rsquo;s aangekomen, die hier
+en daar met kanten <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195"
+name="pb195">195</a>]</span>en punten naar boven staken, zoodat daar
+nauwelijks een steenbok vooruit kon komen.</p>
+<p>Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
+doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
+gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
+had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.</p>
+<p>Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
+voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
+doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
+stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
+niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op den
+berg gekomen.</p>
+<p>Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Nog niet,&rdquo; antwoordde Onze Lieve Heer, &bdquo;want ik
+wil u iets laten zien, dat u moed zal geven om alles te
+verdragen.&rdquo;</p>
+<p>Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een
+eindeloos hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.</p>
+<p>&bdquo;Deze muur gaat verder om den berg,&rdquo; sprak Onze Lieve
+Heer, &bdquo;en ge kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig
+mensch iets zien van wat daar achter is, want daar zijn de velden van
+het Paradijs, en hier wonen de zaligen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er <span class=
+"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name=
+"pb196">196</a>]</span>ongeloovig uitzag. &bdquo;Daar binnen is het
+niet donker en koud als hier,&rdquo; sprak Onze Lieve Heer. &bdquo;Daar
+is het zomer en staat alles groen in den helderen schijn van zon en
+sterren.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
+Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
+boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
+Paradijs viel.</p>
+<p>En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
+en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.</p>
+<p>Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: &bdquo;Laat ons weer
+naar de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
+Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
+dood overwint.&rdquo;</p>
+<p>En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht
+opnieuw begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren
+niets anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
+verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk en
+hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met beide
+handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
+geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon zat,
+boog zeven maal <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197"
+name="pb197">197</a>]</span>voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus
+een groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
+en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen had.
+Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den heiligen
+Petrus opzoeken.</p>
+<p>Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
+grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
+verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem zoo
+bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak hem toe,
+zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de bekommeringen
+der aarde samen rondwandelden.</p>
+<p>&bdquo;Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?&rdquo; vroeg Onze
+Lieve Heer.</p>
+<p>Maar de droefheid van den heiligen Petrus was z&oacute;&oacute;
+groot, dat hij geen antwoord kon geven.</p>
+<p>&bdquo;Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?&rdquo; vroeg Onze
+Lieve Heer opnieuw.</p>
+<p>Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
+de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
+Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn eer
+en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel, dat de
+heilige Petrus z&oacute;&oacute; bedroefd was, dat hij niet wist wat
+hij deed en Hij werd ook niet boos op hem. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge moet me toch zeggen wat u scheelt,&rdquo; zei Hij even
+zachtmoedig als te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.</p>
+<p>Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
+hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen Lieven
+Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.</p>
+<p>&bdquo;Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben,&rdquo; zei de
+heilige Petrus. &bdquo;Ik wil geen dag langer in het Paradijs
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
+zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.</p>
+<p>&bdquo;Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan,&rdquo; zei Hij,
+&bdquo;maar eerst moet ge mij zeggen wat u mishaagt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij
+beiden in de wereld allerlei ellende verdroegen,&rdquo; zei de heilige
+Petrus.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met
+bitterheid vervuld was en Hij werd niet boos op hem.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge
+wilt,&rdquo; zei Hij, &bdquo;alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo
+bedroefd maakt.&rdquo;</p>
+<p>Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
+was. &bdquo;Ik had een oude moeder,&rdquo; zei hij, &bdquo;en zij
+stierf een paar dagen geleden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu weet ik, wat u kwelt,&rdquo; zei Onze Lieve Heer.
+<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
+"pb199">199</a>]</span>&bdquo;Ge lijdt, omdat uw moeder niet hier in
+het Paradijs gekomen is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo is het,&rdquo; antwoordde de heilige Petrus, en weer werd
+zijn smart z&oacute;&oacute; hevig, dat hij begon te snikken en te
+jammeren.</p>
+<p>&bdquo;Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht
+komen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
+werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
+was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit aan
+iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen, die
+aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of een
+stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
+heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was, dat
+zij de zaligheid niet kon genieten.</p>
+<p>&bdquo;Heilige Petrus,&rdquo; zei Hij, &bdquo;hoe kunt ge zoo zeker
+weten, dat uw moeder zich gelukkig zou voelen bij ons?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven
+verhooren,&rdquo; zei de heilige Petrus. &bdquo;Wie zou nu niet
+gelukkig in het Paradijs zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van
+anderen,&rdquo; antwoordde Onze Lieve Heer.</p>
+<p>&bdquo;Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet
+passen,&rdquo; zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij
+aan Hem dacht.</p>
+<p>En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige <span class=
+"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name=
+"pb200">200</a>]</span>Petrus door zulk een felle smart getroffen was,
+dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij bleef een poos staan wachten
+of de heilige Petrus ook berouw zou toonen en begrijpen, dat zijn
+moeder niet in het Paradijs paste, maar hij wilde niet toegeven.</p>
+<p>Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar
+de hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te
+halen.</p>
+<p>&bdquo;Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt,&rdquo; vroeg de
+heilige Petrus.</p>
+<p>Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
+een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
+wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in de
+hel te kunnen zien.</p>
+<p>Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in &rsquo;t begin
+niet meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
+alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.</p>
+<p>Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
+op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis naar
+beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels uitspreidde
+om niet al te snel te vallen.</p>
+<p>Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan &rsquo;t
+duister wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het
+Paradijs op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf
+en <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name=
+"pb201">201</a>]</span>dat de verdoemden op den bodem daarvan huisden.
+Hij zag hoe de engel altijd door daalde en daalde, zonder nog geheel in
+de diepte te komen. Hij werd er geheel door ontzet, dat het
+z&oacute;&oacute; ver weg was.</p>
+<p>&bdquo;Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn
+moeder,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
+oogen.</p>
+<p>&bdquo;Er is geen gewicht z&oacute;&oacute; groot, dat mijn engel
+niet dragen kan,&rdquo; zei Hij.</p>
+<p>Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
+doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
+engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
+werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.</p>
+<p>Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
+punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
+waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
+leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
+opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
+gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen, dat
+ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend van
+wanhoop.</p>
+<p>De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de
+armen uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen
+voortdurend naar boven gericht. <span class="pagenum">[<a id="pb202"
+href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span></p>
+<p>Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
+een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
+zonder te probeeren er uit te komen.</p>
+<p>Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
+was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
+lichamen en hoofden.</p>
+<p>En weer werd de heilige Petrus onrustig. &bdquo;Ge zult zien, dat
+hij haar niet vindt,&rdquo; zei hij tegen Onzen Lieven Heer.</p>
+<p>Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
+zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
+engel behoefde te zijn.</p>
+<p>Maar &rsquo;t scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de
+engel zijn moeder niet vinden kon onder die massa&rsquo;s onzaligen.
+Hij spreidde de vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den
+afgrond, terwijl hij haar opzocht.</p>
+<p>Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
+engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
+&bdquo;Neem mij mee, neem mij mee!&rdquo;</p>
+<p>En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
+millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog op
+&rsquo;tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
+dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.</p>
+<p>Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>den
+heiligen Petrus en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden.
+De engel hield zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij
+heen en weer vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen
+hem na, zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden
+meegesleurd.</p>
+<p>Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
+gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
+bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
+verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
+sloeg en haar ophief.</p>
+<p>&bdquo;Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt,&rdquo;
+riep hij.</p>
+<p>Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
+Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
+vreugde over te geven.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van
+blijdschap, omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu
+nog iets hen zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd,
+toen hij zag, dat&mdash;hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen
+hij haar opnam&mdash;het toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was
+zich vast te haken aan haar, die gered zou worden, om met haar naar het
+Paradijs te gaan. Het waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude
+vrouw vastklemden, en de heilige Petrus vond, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>dat
+het een groote eer voor zijn moeder was, zooveel ongelukkigen van de
+verdoemenis te redden.</p>
+<p>Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
+scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
+zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
+vogeltje naar den hemel droeg.</p>
+<p>Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
+onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
+zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.</p>
+<p>De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
+oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij zelf
+zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander en liet
+ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de geheele
+ruimte van weeklachten en vervloekingen.</p>
+<p>Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar
+barmhartigheid te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door
+zooals ze begonnen was.</p>
+<p>En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
+zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
+dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knie&euml;n
+viel.</p>
+<p>Eindelijk was er nog maar &eacute;&eacute;n onzalige, die zich aan
+de moeder van den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar
+hals hing en vlak aan haar <span class="pagenum">[<a id="pb205" href=
+"#pb205" name="pb205">205</a>]</span>ooren smeekte en bad, dat zij haar
+zou laten meegaan naar het gezegende Paradijs.</p>
+<p>Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de
+heilige Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het
+kwam hem voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te
+doen om op den berg te zijn.</p>
+<p>Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
+aangezicht werd duister als de nacht.</p>
+<p>Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
+van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot het
+haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu ook vrij
+van deze laatste gemaakt had.</p>
+<p>Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het
+scheen, alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.</p>
+<p>Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne
+handen lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor
+hem een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
+een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.</p>
+<p>Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
+Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.</p>
+<p>&bdquo;Heilige Petrus,&rdquo; zei Onze Lieve Heer eindelijk,
+&bdquo;nooit heb ik gedacht, dat ge nog z&oacute;&oacute; zoudt
+schreien, als ge in &rsquo;t Paradijs gekomen waart.&rdquo;</p>
+<p>Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: <span class=
+"pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>&bdquo;Wat is dat voor een Paradijs, waar ik
+hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren en mijn medemenschen zie
+lijden?&rdquo;</p>
+<p>Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
+diepste smart. &bdquo;Wat zou ik liever willen, dan u allen een
+Paradijs bereiden van louter stralend geluk?&rdquo; sprak hij.
+&bdquo;Begrijpt ge dan niet, dat ik daarom naar beneden naar de
+menschen ben gegaan, om ze te leeren hun naasten lief te hebben als
+zichzelf? Want zoolang ze dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in
+den hemel of op aarde, waar smart en droefheid hen niet bereiken
+kunnen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span> <span class="pagenum">[<a id="pb209" href=
+"#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#xd21e228">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">De Kaarsvlam.</h2>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een
+republiek geworden was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri
+heette. Hij was de zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk
+geleerd, maar hij hield er niet veel van om het uit te oefenen.</p>
+<p>Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
+een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
+zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
+van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
+waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
+te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
+brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in te
+storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak de
+armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was balken
+en stutten te halen, om het te steunen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span></p>
+<p>Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit in
+Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
+krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
+hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
+waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht hij
+evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
+vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met zijn
+tegenstanders.</p>
+<p>Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar
+bestond grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden
+niet beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke
+mannen genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij
+stelden er een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan
+ergens anders.</p>
+<p>Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
+was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
+en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
+zou zijn.</p>
+<p>Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
+voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
+mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
+litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in &rsquo;t
+besluiten, en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets
+ruws. <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name=
+"pb211">211</a>]</span></p>
+<p>Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
+een wijs en machtig man.</p>
+<p>Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo&rsquo;n
+vechtersbaas als Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk
+verzet. Francisca had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat
+ze nooit met iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn
+toestemming gaf, had hij tegen Raniero gezegd: &bdquo;Ik meen opgemerkt
+te hebben, dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker
+winnen dan die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn
+dochter het zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil
+terugkeeren, ge het haar niet beletten zult.&rdquo;</p>
+<p>Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
+Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
+Raniero gaf die belofte dadelijk. &bdquo;Daar kunt ge zeker van zijn,
+Jacopo,&rdquo; zei hij; &bdquo;dat ik nooit een vrouw zal terughouden,
+die van mij weg wil.&rdquo;</p>
+<p>Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen
+hen beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den
+inval, dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot
+eenige dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig
+geoefend en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens
+probeeren op een moeilijker doel te schieten.</p>
+<p>Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte <span class=
+"pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span>niets dan een kwartel, die in een kooi boven de
+deur van de plaats zat. De vogel behoorde aan Francisca, en zij hield
+heel veel van het dier. Maar Raniero zond toch een knecht om de kooi
+open te maken, en schoot den kwartel toen hij opvloog, in de lucht.</p>
+<p>Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
+die het maar hooren wilde.</p>
+<p>Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
+werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
+iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf het
+hem spoedig en had hem even lief als tevoren.</p>
+<p>Alles ging nu een poos weer goed.</p>
+<p>De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een
+groote werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt
+te hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo&rsquo;s
+werkplaats en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de
+stad over.</p>
+<p>Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
+te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn garen
+en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van het
+fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten Florence
+verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen, dat dit
+bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn knechten,
+maar hij begreep spoedig, <span class="pagenum">[<a id="pb213" href=
+"#pb213" name="pb213">213</a>]</span>dat hij dat den menschen moeilijk
+kon laten gelooven.</p>
+<p>Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
+betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
+daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
+er ook op, als Francisca het hoorde.</p>
+<p>Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing, als
+toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
+plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
+stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
+was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
+groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.</p>
+<p>Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: &bdquo;Er is
+nog wel genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan
+raken.&rdquo;</p>
+<p>Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig
+waren als in het eerst.</p>
+<p>Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar
+Veneti&euml; geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht
+van zij en fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te
+pronken. Maar in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te
+kleeden, zoodat er velen waren, die met hem spotten.</p>
+<p>Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
+gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
+<span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name=
+"pb214">214</a>]</span></p>
+<p>Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
+viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker, die
+tusschen de kool stond.</p>
+<p>Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
+hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
+en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
+eene stuk na het andere afknipte.</p>
+<p>Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca
+was niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte
+voortdurend, dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou
+kunnen schaden.</p>
+<p>Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
+rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem zouden
+praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.</p>
+<p>Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
+dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
+groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van
+Francisca&rsquo;s voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig
+man in Florence had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren
+er trotsch op, dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het
+daar ophangen.</p>
+<p>Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den
+rug, en kwam er mee naar beneden.</p>
+<p>Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
+wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat <span class="pagenum">[<a id=
+"pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>hij toch niet op die
+manier zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij
+behoorde.</p>
+<p>Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
+werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
+zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
+familie dacht.</p>
+<p>&bdquo;Ik denk aan iets anders,&rdquo; zei Francisca; &bdquo;en dat
+is mijn liefde; ik weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die
+manier voortgaat.&rdquo;</p>
+<p>Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
+Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al kon
+verdragen.</p>
+<p>Op Raniero&rsquo;s werkplaats was een knecht, die klein en mank was.
+Die man had Francisca liefgehad v&oacute;&oacute;r ze trouwde. En hij
+bleef haar liefhebben ook na haar huwelijk.</p>
+<p>Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
+ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die niet
+verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
+Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.</p>
+<p>Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.</p>
+<p>Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
+en hing zich op.</p>
+<p>Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
+getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
+een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
+<span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name=
+"pb216">216</a>]</span>afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot
+was als in den beginne.</p>
+<p>Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: &bdquo;Als ik nog
+een jaar bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog
+even arm als ik vroeger rijk geweest ben.&rdquo;</p>
+<p>Toen besloot ze Raniero&rsquo;s huis te verlaten en bij haar vader
+te gaan wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk
+zou haten als ze hem nu liefhad.</p>
+<p>Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
+zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.</p>
+<p>Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
+haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken, en
+beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.</p>
+<p>Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.</p>
+<p>&bdquo;Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij
+gevraagd, of ze weer onder mijn dak mag wonen,&rdquo; zei hij tot zijn
+schoonzoon, &bdquo;en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u
+terug te komen, volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt.&rdquo;</p>
+<p>Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
+heel kalm:</p>
+<p>&bdquo;Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
+terugge&euml;ischt hebben, die mij niet wil toebehooren.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
+"pb217">217</a>]</span></p>
+<p>Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
+&bdquo;Ze is v&oacute;&oacute;r den avond alweer bij me
+terug.&rdquo;</p>
+<p>Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.</p>
+<p>Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen,
+die reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het
+gelukte hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen.
+Hij bleef daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de
+geheele stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij
+verwachtte.</p>
+<p>Het bracht Francisca niet bij hem terug.</p>
+<p>Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
+dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet doen
+kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in dezelfde
+stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok weg uit
+Florence.</p>
+<p>Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
+aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
+heeren.</p>
+<p>Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
+werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
+groote mannen.</p>
+<p>Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
+heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
+en beste te schenken <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218"
+name="pb218">218</a>]</span>wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor
+dat beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
+waren geschonken.</p>
+<p>Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad
+bekend waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti
+niet weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.</p>
+<p>In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige Graf te
+bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het Oosten.
+Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een slot en
+een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht hij, dat
+hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te bedrijven,
+dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem terug zou
+komen.&mdash;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was,
+heerschte er groote vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de
+stad.</p>
+<p>Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in
+&rsquo;t rond hoorde men gedruisch en gejoel.</p>
+<p>Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
+bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
+konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.</p>
+<p>Maar Raniero had alle reden om een groot feest te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name=
+"pb219">219</a>]</span>vieren, want hij had dien dag grooter eer
+behaald dan ooit te voren.</p>
+<p>Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
+die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien avond
+was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.</p>
+<p>Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
+boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk van
+het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
+aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
+aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
+meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij hem
+voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer verheugd
+over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.</p>
+<p>Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
+waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
+rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
+tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
+verhaal te doen.</p>
+<p>Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid, en
+hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.</p>
+<p>&bdquo;Het gebeurde eens,&rdquo; zei de Nar, &bdquo;dat Onze Lieve
+Heer en de heilige Petrus een heelen dag in den hoogsten <span class=
+"pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name=
+"pb220">220</a>]</span>toren op den burg in het Paradijs gezeten en
+naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad om op te letten,
+dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te wisselen. Onze Lieve
+Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar de heilige Petrus had nu
+eens in de handen geklapt van blijdschap, en dan weer met afschuw het
+hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld en gelachen, en dan weer had hij
+geschreid en gejammerd.</p>
+<p>Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over
+het Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen
+Petrus en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.</p>
+<p>&bdquo;Waar zou ik tevreden mee zijn?&rdquo; vroeg de heilige Petrus
+heftig.</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, &bdquo;ik dacht,
+dat je blij zou zijn met wat je vandaag gezien hadt.&rdquo;</p>
+<p>Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.</p>
+<p>&bdquo;Het is waar,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat ik er jaren lang over
+geklaagd heb, dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar
+na wat er vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen
+blijven zooals het was.&rdquo;</p>
+<p>Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
+van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
+belangstelling te luisteren dan in het begin. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Toen de heilige Petrus dit gezegd had,&rdquo; ging de Nar
+voort, terwijl hij een listigen blik op de ridders wierp, &bdquo;boog
+hij zich over de tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet
+Onzen Lieven Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots,
+die uit een bergdal naar boven stak.</p>
+<p>&bdquo;Ziet Ge die hoopen lijken daar,&rdquo; zei hij; &bdquo;en
+ziet Ge het bloed, dat op die straten stroomt en ziet Ge de naakte,
+ellendige gevangenen, die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al
+die rookende brandhoopen?&rdquo;</p>
+<p>Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.</p>
+<p>Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel
+dikwijls boos geweest was op die stad daar, maar z&oacute;&oacute; veel
+kwaad had hij haar nooit toegewenscht, dat zij &rsquo;t zoo slecht
+hebben zou.</p>
+<p>Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een
+tegenwerping te maken.</p>
+<p>&bdquo;Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven
+gewaagd hebben met de grootste onverschrokkenheid.&rdquo;</p>
+<p>Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
+maar hij haastte zich met verder vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Neen, stoor me niet,&rdquo; zei hij, &bdquo;nu weet ik niet
+meer waar ik gebleven ben. O ja, &rsquo;t is waar, ik wou juist zeggen,
+dat de heilige Petrus een paar tranen afdroogde die in zijn oogen
+kwamen en die hem beletten te zien. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>&bdquo;Ik had nooit
+kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
+heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
+volgelingen te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk
+te lachen. &bdquo;Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons,
+Nar?&rdquo; riepen ze.</p>
+<p>&bdquo;Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons
+niet verdedigt,&rdquo; zei een ander.</p>
+<p>&bdquo;Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar,&rdquo; zei de
+Nar.</p>
+<p>&bdquo;Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang
+was, het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar
+door, en zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze
+eindelijk er aan dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen
+in boethemden en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet
+zoo lang, dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog
+hij zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar
+beneden naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten
+de stad. &bdquo;Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning
+vieren?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e2976" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in
+&rsquo;t leger een drinkgelag gehouden werd. Ridders en krijgsknechten
+zaten naar Syrische danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond;
+met dobbelsteenen verspeelde men den buit en....&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden,&rdquo;
+viel Raniero in. &bdquo;Was dat ook niet een groote zonde?&rdquo;</p>
+<p>De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde:
+&bdquo;Wacht maar, dat zal ik je wel betaald zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, val me nou niet in de rede,&rdquo; verzocht hij weer.
+&bdquo;Een arme Nar vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja,
+<i>dit</i> was het: &bdquo;De heilige Petrus vroeg Onzen Lieven Heer
+met zijn strengste stem, of Hij veel eer behaalde met dat volk daar. En
+hierop moest Onze Lieve Heer wel antwoorden, dat hij dat niet zeggen
+kon.</p>
+<p>&bdquo;Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis
+gingen,&rdquo; zei de heilige Petrus, &bdquo;en roovers en moordenaars
+zijn ze nog op dezen dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen
+laten, daar komt niets goeds van terecht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nar, Nar,&rdquo; zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen
+er een eer in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat
+iemand opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard
+voort.</p>
+<p>&bdquo;Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij
+met recht bestraft wordt, maar in &rsquo;t volgend oogenblik boog Hij
+zich haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan
+vroeger.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e2997" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>De heilige Petrus keek toen ook naar
+beneden. &bdquo;Waar ziet Ge naar?&rdquo; vroeg hij
+verwonderd.&rdquo;</p>
+<p>De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders
+zagen Onzen Lieven Heer en Petrus voor <span class="pagenum">[<a id=
+"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>zich, en ze waren
+nieuwsgierig wat Onze Lieve Heer in &rsquo;t oog gekregen had.</p>
+<p>&bdquo;Onze Lieve Heer antwoordde, dat &rsquo;t niets <span class=
+"corr" id="xd21e3006" title="Bron: bizonders">bijzonders</span>
+was,&rdquo; zei de Nar, &bdquo;maar Hij bleef toch steeds naar beneden
+kijken. De heilige Petrus volgde de richting van Zijn blikken en hij
+kon niets anders zien dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat
+te kijken, waar buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden
+en waar een menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare
+wapens, die uit de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In
+die tent ging het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger.
+Daar zaten scharen ridders en ledigden de bekers. &rsquo;t Eenige
+verschil was, dat er daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan
+ergens anders. De heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve
+Heer zoo blij was toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen
+schitterde. Zooveel strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar
+bijeen zag, meende hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien
+te hebben. En hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste
+van allen, &rsquo;t Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot
+en grof, met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en
+schrammen, met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem.&rdquo;</p>
+<p>Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
+gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
+henzelf te hooren <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225"
+name="pb225">225</a>]</span>spreken en zij lachten maar om zijn
+onbescheidenheid.</p>
+<p>&bdquo;Je bent een brutale kerel,&rdquo; zei Raniero, &bdquo;laat
+ons nu eens hooren waar je heen wilt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets,&rdquo; ging de Nar voort,
+&bdquo;dat maakte, dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij
+was. Hij vroeg den heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk
+zoo was, dat een van de ridders een brandende kaars naast zich
+had.&rdquo;</p>
+<p>Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd nu
+eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
+wijnkan om hem die in &rsquo;t gezicht te werpen, maar hij bedwong zich
+om te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou
+strekken.</p>
+<p>&bdquo;De heilige Petrus zag nu,&rdquo; vertelde de Nar, &bdquo;dat
+hoewel de tent overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders
+een brandende kaars naast zich had. &rsquo;t Was een groote dikke
+kaars, een die er op berekend was een dag en een nacht te branden. De
+ridder, die geen kandelaar had om ze in te zetten, had een massa
+steenen bij elkaar gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te
+houden.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden.
+Allen wezen op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die
+heelemaal zoo was als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het
+bloed naar het hoofd, want dit was de kaars, die hij een paar uur
+geleden aan het Heilige Graf had aangestoken. Hij had &rsquo;t niet
+<span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
+"pb226">226</a>]</span>over zich kunnen verkrijgen, die uit te laten
+gaan.</p>
+<p>&bdquo;Toen de heilige Petrus die kaars daar zag,&rdquo; zei de Nar,
+&bdquo;werd het hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om
+was, maar toch kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu ja,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat is die ridder, die
+vanmorgen op den muur sprong na den Heer van Bouillon en die vanavond
+zijn kaars v&oacute;&oacute;r alle anderen mocht aansteken aan het
+Heilige Graf.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het,&rdquo; zei Onze Lieve Heer, &bdquo;en zooals
+je ziet, heeft hij zijn kaars nog aan.&rdquo;</p>
+<p>De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
+Raniero wierp: &bdquo;De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een
+beetje medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. &bdquo;Kunt Ge niet
+begrijpen waarom hij die kaars nog aan heeft?&rdquo; zei hij. &bdquo;Ge
+meent zeker, dat hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar
+kijkt. Maar hij denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen
+hij erkend werd als de dapperste in &rsquo;t leger naast Godfried van
+Bouillon.&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
+boos, maar hij dwong zich om me&ecirc; te lachen. Hij wist, dat allen
+het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
+verdragen.</p>
+<p>&bdquo;Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen,&rdquo; zei de Nar.
+&bdquo;Zie je niet hoe bang hij voor die kaars is?&rdquo; vroeg Hij.
+&bdquo;Hij houdt de hand voor de vlam, zoodra iemand de tent uit of in
+gaat, uit angst dat ze uitwaaien <span class="pagenum">[<a id="pb227"
+href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>zal. En hij is aldoor bezig
+de nachtvlinders weg te jagen, die er omheen vliegen en dreigen ze uit
+te blazen.&rdquo;</p>
+<p>Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere waarheid.
+Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij voelde, dat hij
+niet verdragen kon, dat iemand over de heilige kaarsvlam schertste.</p>
+<p>&bdquo;De heilige Petrus was nog wantrouwend,&rdquo; ging de Nar
+voort. &bdquo;Hij vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende,
+&bdquo;hij hoort juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of
+het bidbankje verslijten.&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. &bdquo;Heilige
+Petrus, heilige Petrus,&rdquo; zei hij. &bdquo;Onthoud nu, dat die
+ridder daar vromer dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en
+vroomheid uitgaan als &rsquo;t niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe
+Raniero weduwen en noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en
+bedroefden zien verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam
+verzorgt.&rdquo;</p>
+<p>Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero&rsquo;s
+karakter en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf
+vond &egrave;n die scherts &egrave;n dat lachen onverdraaglijk. Hij
+vloog op en wilde den Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo
+heftig tegen de tafel, die niet anders was dan een deur, die op een
+paar schragen gelegd was, dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen
+bleek het hoe Raniero er op gesteld was, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>de kaars brandende te
+houden. Hij bedwong zijn toorn, zoodat hij den tijd nam ze op te nemen
+en de vlam weer aan te wakkeren, eer hij op den Nar aanliep. Maar toen
+hij met de kaars klaar was, had de Nar de tent al verlaten en Raniero
+begreep, dat het de moeite niet loonen zou hem in het duister van den
+nacht te vervolgen. &bdquo;Ik zal hem op een anderen keer wel
+krijgen,&rdquo; dacht hij, en ging weer zitten.</p>
+<p>De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich
+tot Raniero en wilde de scherts voortzetten: &bdquo;Er is toch
+&eacute;&eacute;n ding wat zeker is, Raniero, en dat is, dat je dezen
+keer niet het kostbaarste wat je in den strijd gewonnen hebt, naar de
+Madonna in Florence kunt sturen.&rdquo;</p>
+<p>Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude
+gewoonte niet volgen zou.</p>
+<p>&bdquo;Nergens anders om,&rdquo; zei de ridder, &bdquo;dan dat het
+kostbaarste wat je gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de
+oogen van het heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt
+aangestoken. En die kun je toch niet naar Florence zenden.&rdquo;</p>
+<p>Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
+dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een eind
+te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager en zei
+tot hem: &bdquo;Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis, morgen
+moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p>
+<p>Maar de wapendrager antwoordde knorrig &bdquo;neen&rdquo; op dit
+bevel. &bdquo;Dat is iets wat ik niet op mij nemen wil,&rdquo; zeide
+hij. &bdquo;Hoe zou het mogelijk zijn naar Florence te reizen met een
+kaarsvlam? Die zou uit zijn, voor ik buiten de legerplaats
+was.&rdquo;</p>
+<p>Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
+allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
+te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
+waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek, dat
+geen van Raniero&rsquo;s mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
+geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
+geduld en riep uit: &bdquo;Die kaarsvlam zal toch naar Florence
+gebracht worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bedenk u wel voor gij zooiets belooft,&rdquo; zei een ridder,
+&bdquo;gij laat hier een vorstendom achter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal
+brengen,&rdquo; riep Raniero, &bdquo;ik zal doen wat niemand anders
+heeft aangedurfd.&rdquo;</p>
+<p>De oude wapendrager verdedigde zich: &bdquo;Heer, voor u is het iets
+anders, gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen
+zenden.&rdquo;</p>
+<p>Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet.
+&bdquo;Ik zal ook alleen reizen,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
+met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
+<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
+"pb230">230</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waarom lach jelui niet meer?&rdquo; vroeg Raniero. &bdquo;Die
+onderneming is maar een kinderspel voor een dapper man.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag
+steeg Raniero te paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar
+daar overheen had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de
+ijzeren kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden
+worden. Hij was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op
+een goed paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn
+zadel had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat
+de vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
+reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
+goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
+Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
+voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
+gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
+dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
+mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
+was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.</p>
+<p>Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel <span class=
+"pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name=
+"pb231">231</a>]</span>langzaam voort, ter wille van de kaarsvlam. Die
+brandde slecht, met een rood trillend schijnsel, in den dikken nevel.
+Voortdurend kwamen er groote insecten, die met klapperende
+vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.</p>
+<p>Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was heel
+opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
+gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.</p>
+<p>Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
+kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero ze
+met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt was
+om uit te gaan.</p>
+<p>Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
+paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
+het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat hij
+met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die manier
+gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de tocht
+moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen hij over
+de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel opgetrokken.
+Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren geen menschen of
+gehuchten of groene boomen en gewassen,&mdash;enkel kale heuvels.</p>
+<p>Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
+mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
+plundering leefden. Zij hadden <span class="pagenum">[<a id="pb232"
+href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>achter een bergje gelegen en
+Raniero, die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds
+omringd hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf
+mannen, ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero
+zag dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep
+heen te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
+kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
+fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
+spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
+uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
+hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
+hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde, maar
+daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
+weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
+als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.</p>
+<p>De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij
+met het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen.
+Zij namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
+geld. &rsquo;t Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en
+de beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
+zijn kaars niet uit.</p>
+<p>Een van hen was op Raniero&rsquo;s paard gesprongen. Toen hij merkte
+hoe goed dat was scheen hij een beetje <span class="pagenum">[<a id=
+"pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>medelijden met den
+ridder te krijgen. Hij riep hem toe: &bdquo;Zie eens, we zullen niet al
+te hard zijn voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te
+rijden.&rdquo;</p>
+<p>Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en
+stijf, alsof het van hout was.</p>
+<p>Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
+ging zitten, zei hij in zich zelf: &bdquo;Ik moet betooverd zijn door
+die kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
+als een dwaze bedelaar.&rdquo;</p>
+<p>Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
+onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
+verlangen om het t&ograve;ch te doen was over hem gekomen, dat hij den
+lust niet kon weerstaan het door te zetten.</p>
+<p>Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
+heuvels om zich heen.</p>
+<p>Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
+hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht hij
+in zich zelf: &bdquo;Zouden ze aarde eten?&rdquo;</p>
+<p>De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
+door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
+zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
+snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
+zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens <span class=
+"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name=
+"pb234">234</a>]</span>tegen een herder verdedigen kon. Hij trok alleen
+de kaars wat dichter naar zich toe om die te beschutten. De herder
+sloeg er nog een paar keer naar, maar toen bleef hij verwonderd staan
+en hield op met slaan. Hij zag dat Raniero&rsquo;s mantel in brand
+geraakt was, maar dat hij niets deed om het vuur te stuiten, zoolang de
+vlam in gevaar was. Men kon aan den herder zien, dat hij zich schaamde.
+Hij liep Raniero lang na, en op een plaats, waar de weg heel smal was
+en tusschen twee afgronden doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde
+het paard voor hem.</p>
+<p>Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
+hield, die boete deed.</p>
+<p>Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
+den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
+doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt om
+daarheen te trekken. &rsquo;t Waren pelgrims, die jaren lang op de
+gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. &rsquo;t Waren
+nieuw aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen
+spoedden met ladingen levensmiddelen.</p>
+<p>Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam
+rijden, met een brandende kaars in de hand, riepen ze: &bdquo;Een gek,
+een gek!&rdquo;</p>
+<p>De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
+eigen taal: &bdquo;pazzo, pazzo!&rdquo; dat beteekent: &bdquo;een gek,
+een gek!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235"
+name="pb235">235</a>]</span></p>
+<p>Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen,
+werd hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen.
+Opeens sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de
+roependen te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen
+aankwamen gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig
+alleen op den weg.</p>
+<p>Raniero kwam nu weer tot zichzelf. &bdquo;Ze hadden wel gelijk toen
+ze je &bdquo;pazzo&rdquo; noemden,&rdquo; zei hij tot zich zelf,
+terwijl hij naar de kaars keek; want hij wist niet waar die gebleven
+was. Eindelijk zag hij, dat die van den weg was afgerold in een
+greppel. De vlam was uit, maar hij zag vuur glinsteren in een droog
+bosje gras daar dicht bij en hij begreep dat het geluk hem gediend had,
+zoodat de kaars het gras had kunnen aansteken v&oacute;&oacute;r ze was
+uitgegaan.</p>
+<p>&bdquo;Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite
+geweest,&rdquo; dacht hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in
+den zadel zette. Hij was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet
+heel waarschijnlijk, dat zijn tocht hem zou gelukken.</p>
+<p>Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats,
+die de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. &rsquo;t Was
+een groote, overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde
+plaatsen, waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen
+kamers, maar de menschen moesten bij de dieren slapen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch
+plaats voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en
+een middagmaal aan hun heer.</p>
+<p>Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij:
+&bdquo;Ik begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan
+hebben door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker
+gemakkelijker door de wereld, als men mij voor een gek
+houdt.&rdquo;</p>
+<p>Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
+stroo zitten, en hield de kaars in de handen. &rsquo;t Was zijn
+bedoeling niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was
+toch maar nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk
+moe, hij strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door
+tot den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
+hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.</p>
+<p>&bdquo;Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan,&rdquo; zei
+hij. En hij probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu
+voorbij was en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
+van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
+iets wat hij zich voorgenomen had.</p>
+<p>Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
+<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
+"pb237">237</a>]</span></p>
+<p>Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met een
+brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: &bdquo;Ik moest u
+gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar hier
+hebt gij ze weer.&rdquo;</p>
+<p>Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: &bdquo;Het was
+verstandig van u dat gij ze uitgedaan hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb ze niet uitgedaan,&rdquo; zei de man, &bdquo;ik zag
+dat ze brandde toen gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang
+voor u was dat ze zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze
+geworden is zult gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
+verder in de beste stemming.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens
+over zee van Joppe naar Itali&euml; te gaan. Maar hij veranderde van
+besluit toen de roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over
+land te reizen.</p>
+<p>Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
+van Syri&euml;. Vandaar ging de reis naar &rsquo;t westen langs het
+schiereiland van Klein-Azi&euml;. Later weer naar het noorden heel tot
+Konstantinopel. En van daar was het nog ver tot Florence.</p>
+<p>Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
+pelgrims, die nu in menigte naar <span class="pagenum">[<a id="pb238"
+href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span>Jeruzalem stroomden, die hun
+brood met hem deelden.</p>
+<p>Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
+lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
+daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
+waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
+en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
+hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij had
+nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als een
+kaarsvlam. Dat stond hem in &rsquo;t begin zoo flauw voor den geest,
+dat hij zich afvroeg of &rsquo;t ook iets was dat hij gedroomd had.</p>
+<p>Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
+onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.</p>
+<p>&bdquo;Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord
+heb,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>Op een avond reed Raniero een stad binnen. &rsquo;t Was avond en de
+huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero zag
+toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
+herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
+loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als een
+kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat ze
+aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij was
+verbaasd over die gedachte, maar hij <span class="pagenum">[<a id=
+"pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>werd er meer en meer
+van overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
+waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
+dat hij haar zou terugwinnen.</p>
+<p>De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
+hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
+in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke
+dagen.</p>
+<p>Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij, dat er
+een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den berg tusschen
+vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere menschenwoning.
+Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch heiligengraf.
+&rsquo;t Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met een gewelfd
+dak. Hij vond, dat het &rsquo;t beste was, daar zijn toevlucht te
+nemen.</p>
+<p>Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
+sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het zoo
+vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist, dat er
+buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat het niet
+moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen en vuur aan
+te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg, heel heilig, en
+wilde er niets anders me&ecirc; aanmaken dan kaarsen voor &rsquo;t
+altaar van de Heilige Maagd.</p>
+<p>&rsquo;t Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder
+rollen en zag hij de bliksemstralen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p>
+<p>En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor &rsquo;t graf
+en stak een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder
+dat hij het heilige licht hoefde te gebruiken.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
+Sicili&euml; reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
+meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
+zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
+gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
+zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
+naderen zou.</p>
+<p>Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
+verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op en
+stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op dien
+berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.</p>
+<p>Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
+sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
+pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg naar
+een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging me&ecirc;. Onder
+hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
+berg op.</p>
+<p>Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
+kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
+kaarsen, die ze droegen. <span class="pagenum">[<a id="pb241" href=
+"#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p>
+<p>Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich &rsquo;t pad af en stak een
+van de kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de
+heilige vlam was aangemaakt.</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
+een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
+tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
+het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
+hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat, en
+hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit zou
+zijn.</p>
+<p>Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero
+zag dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
+en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
+wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen
+beschut.</p>
+<p>Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
+strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze te
+streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze vangen.
+Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang voor hem
+waren maar hij dacht: &bdquo;Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
+anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
+zijn ze niet bang voor mij.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb242"
+href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p>
+<p>Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
+het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
+die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
+troubadour was.</p>
+<p>Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
+aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: &bdquo;Een
+gek! een gek!&rdquo; maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter
+aan:</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge lang op deze wijze gereisd?&rdquo; vroeg hij hem.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen,&rdquo;
+antwoordde Raniero.</p>
+<p>&bdquo;Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit
+Jeruzalem ging,&rdquo; antwoordde Raniero.</p>
+<p>Toen sprak Robert Taillefer tot hem: &bdquo;Ik ben ook een van hen,
+die een vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar
+misschien kunt gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van
+Jeruzalem hierheen, mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal
+uitdooven.&rdquo;</p>
+<p>Toen antwoordde Raniero: &bdquo;Heer, dat is een zwaar werk, al
+lijkt het ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge
+volkomen zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet
+toe een liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt
+ge ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
+"pb243">243</a>]</span></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3233" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ge moogt niet anders in uwe gedachten
+hebben dan deze vlam, en geen vreugde smaken. Maar waarom ik u &rsquo;t
+allermeest afraad denzelfden tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u
+geen oogenblik veilig kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook
+heengedragen hebt, ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet
+verwachten, dat het volgend oogenblik de vlam u begeeft.&rdquo;</p>
+<p>Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: &bdquo;Wat ge
+voor uw vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne.&rdquo;</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Raniero was in Itali&euml; gekomen; hij reed op een dag op eenzame
+wegen in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en
+vroeg hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. &bdquo;&rsquo;t Vuur
+is bij mij uitgegaan,&rdquo; zei ze, &bdquo;mijn kinderen hebben
+honger. Leen mij vuur, zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor
+hen bakken.&rdquo;</p>
+<p>Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op
+een afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
+werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige
+Maagd.</p>
+<p>Toen sprak de vrouw tot hem: &bdquo;Geef mij vuur, pelgrim, want het
+leven van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te
+houden.&rdquo;</p>
+<p>En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
+aansteken aan zijn vlam. <span class="pagenum">[<a id="pb244" href=
+"#pb244" name="pb244">244</a>]</span></p>
+<p>Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
+bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
+den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
+aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
+wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine viel
+vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich de
+vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en stak
+zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.</p>
+<p>Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: &bdquo;Gij zegt, dat
+de vlam die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge
+mij zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen
+heb?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar werd uw vlam aangestoken?&rdquo; vroeg de vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Die werd aangestoken op het graf van Christus,&rdquo; zei
+Raniero.</p>
+<p>&bdquo;Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
+menschenliefde,&rdquo; zei de vrouw.</p>
+<p>Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
+apostel voor zulke deugden.</p>
+<p>Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
+dat hij in de nabijheid van Florence was.</p>
+<p>Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
+af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
+verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina had
+achtergelaten <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name=
+"pb245">245</a>]</span>en die er zich op zouden verheugen, dat hij het
+oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
+overwinningen en veroveringen.</p>
+<p>Toen merkte Raniero, dat hij in &rsquo;t geheel geen vreugde voelde
+bij die herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting
+namen.</p>
+<p>Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man
+was, die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem
+gedwongen, zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en
+barmhartig waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij
+voelde blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun
+huizen arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
+in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te maken.
+&bdquo;Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd,&rdquo; dacht hij,
+&bdquo;ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt
+heeft.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2 section"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was Paschen toen Raniero Florence binnenreed.
+Nauwelijks was hij de stadspoort binnengekomen, achteruitrijdend, de
+kap over het gezicht getrokken en de brandende kaars in de hand, of een
+bedelaar stond op en riep het gewone: &bdquo;Pazzo! pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Op dit geroep vloog een straatjongen uit een gang en een dagdief,
+die in lang geen ander werk gehad <span class="pagenum">[<a id="pb246"
+href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>had, dan op zijn rug te
+liggen en naar den hemel te kijken, sprong overeind, en beiden riepen
+hetzelfde: &bdquo;Pazzo! pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Daar ze nu met hun drie&euml;n aan het schreeuwen waren, maakten ze
+leven genoeg om alle straatjongens wakker te maken. Die kwamen
+aanrennen uit hoeken en gaten, en zoodra ze Raniero zagen in zijn
+versleten mantel en op zijn ellendig paard, riepen ze: &bdquo;Pazzo!
+pazzo!&rdquo;</p>
+<p>Maar daar was Raniero al aan gewend. Hij reed stil door de straten,
+zonder op het geroep te letten.</p>
+<p>Maar ze vergenoegden zich niet met roepen. Een van hen sprong op en
+trachtte het licht uit te blazen. Raniero hield de kaars in de hoogte
+en trachtte tegelijk zijn paard aan te zetten om den jongens te
+ontkomen.</p>
+<p>Maar zij hielden gelijken tred met hem en deden wat ze konden, om
+het licht uit te blazen. Hoe meer Raniero zich inspande om de vlam te
+beschutten, hoe wilder de straatjongens werden. Zij sprongen op elkaars
+rug en bliezen uit alle macht. Zij gooiden met hunne mutsen naar de
+kaars. Het kwam alleen omdat er zoo veel waren en ze elkaar verdrongen,
+dat het hun niet lukte de vlam te dooven.</p>
+<p>Dat gaf een groote opschudding op straat. De menschen stonden aan de
+vensters te lachen. Niemand had medelijden met den gek, die zijn
+kaarsvlam wilde verdedigen. Het was kerkdag en vele kerkgangers waren
+op weg naar de mis. Zij bleven ook staan en keken naar het spel.
+<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name=
+"pb247">247</a>]</span></p>
+<p>Maar nu stond Raniero recht overeind in het zadel om zijn kaars te
+beveiligen. Hij zag er woest uit. Zijn kap was naar achteren gevallen
+en men zag zijn gezicht uitgeteerd en bleek als dat van een martelaar.
+De kaars hield hij omhoog, zoo hoog hij kon. De heele straat krioelde
+van menschen. Ook de anderen begonnen deel aan het spel te nemen. De
+vrouwen wuifden met haar hoofddoeken, de mannen zwaaiden met hun
+baretten. Allen deden hun best om de kaars uit te krijgen.</p>
+<p>Raniero reed dicht langs een huis met een balcon. Daarop stond een
+vrouw. Zij boog zich over het hek, rukte hem de kaars uit de hand en
+ging er haastig mee naar binnen.</p>
+<p>&rsquo;t Heele volk barstte uit in een schaterend lachen en jubelen,
+maar Raniero wankelde in het zadel en stortte neer op den grond; toen
+hij daar lag, verslagen en bewusteloos, werd de straat spoedig
+ontruimd. Niemand dacht er aan den gevallene te verzorgen. Zijn paard
+was de eenige, die bij hem bleef staan.</p>
+<p>Zoodra de volkshoop weg was uit de straat kwam Francesca degli
+Uberti uit haar huis met een brandende kaars in de hand. Zij was nog
+mooi, haar trekken waren zacht en haar oogen ernstig en diep.</p>
+<p>Zij ging op Raniero toe en boog zich over hem heen. Hij was
+bewusteloos, maar zoodra de lichtglans op zijn gezicht viel, ging hem
+een schok door de <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248"
+name="pb248">248</a>]</span>leden. Het scheen, dat de kaarsvlam groote
+macht over hem had. Toen Francesca zag, dat hij bijgekomen was, zei ze:
+&bdquo;Hier is de kaars; ik rukte je die uit de hand, omdat ik zag hoe
+graag je die brandend wou houden. Ik wist geen andere manier om je te
+helpen.&rdquo;</p>
+<p>Raniero was leelijk gevallen en had zich gekwetst. Hij begon
+langzaam op te staan. Hij wilde loopen; maar zakte in elkaar en was
+bijna weer gevallen.</p>
+<p>Toen beproefde hij op het paard te komen.</p>
+<p>Francesca hielp hem.</p>
+<p>&bdquo;Waar wil je heen?&rdquo; vroeg zij, toen hij eindelijk in
+&rsquo;t zadel zat.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil naar de domkerk,&rdquo; zei hij.</p>
+<p>&bdquo;Dan ga ik mee,&rdquo; sprak ze; &bdquo;want ik wil naar de
+mis.&rdquo;</p>
+<p>En ze nam het paard bij den teugel en leidde het.</p>
+<p>Francesca had van het eerste oogenblik af Raniero herkend. Maar
+Raniero zag niet, wie ze was, want hij nam den tijd niet haar aan te
+zien. Hij hield de oogen uitsluitend op de vlam gevestigd.</p>
+<p>Zij spraken geen woord onder den rit. Raniero dacht alleen aan de
+kaarsvlam en hoe hij die in het laatste oogenblik goed beschutten zou.
+Francesca kon niet spreken, omdat ze liever niet zeker wilde weten wat
+ze vreesde. Zij kon niet anders denken dan dat Raniero krankzinnig
+thuis gekomen was, en hoewel zij daar bijna van overtuigd was, wilde
+zij liever niet met hem spreken, zoodat haar de zekerheid daarvan
+bespaard bleef. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249"
+name="pb249">249</a>]</span></p>
+<p>Na een poos hoorde Raniero, dat iemand naast hem liep en schreide,
+maar Raniero zag haar maar een oogenblik aan en sprak niet tegen haar.
+Hij wilde alleen aan de kaarsvlam denken.</p>
+<p>Hij liet zich naar de sacristy brengen.</p>
+<p>Daar steeg hij van &rsquo;t paard. Hij ging alleen de sacristy in,
+naar den geestelijke.</p>
+<p>Francesca ging de kerk binnen.</p>
+<p>Het was de avond voor Paschen en al de kaarsen in de kerk waren
+onaangestoken ten teeken van rouw.</p>
+<p>Francesca had een gevoel, dat het met haar evenzoo was, dat ieder
+vlammetje van hoop, dat in haar gebrand had, nu gedoofd was.</p>
+<p>In de kerk heerschte groote plechtigheid. Er waren veel priesters
+bij het altaar. De domheeren zaten allen in het koor en de bisschop
+vooraan. Na een poos merkte Francesca, dat er beweging onder de
+geestelijken kwam. Bijna allen, die niet noodzakelijk bij de mis
+tegenwoordig moesten wezen, stonden op en gingen naar de sacristy. Ten
+laatste ging ook de bisschop.</p>
+<p>Toen de mis voorbij was kwam een geestelijke naar voren in het koor
+en begon het volk toe te spreken. Hij vertelde, dat Raniero di Ranieri
+naar Florence was gekomen met heilig vuur van Jeruzalem. Hij vertelde
+wat de ridder onderweg had uitgestaan en geleden, en hij prees hem
+bovenmate. De menschen zaten er verwonderd naar te luisteren. Francesca
+had nooit zulke heerlijke oogenblikken beleefd. Haar tranen stroomden
+<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>terwijl ze zat te luisteren. De geestelijke
+sprak lang en goed. Hij zei ten slotte met luider stem: &bdquo;Nu kan
+het wel is waar een kleinigheid schijnen, dat een kaarsvlam hier naar
+Florence gebracht werd, maar ik zeg u, bidt God, dat hij Florence veel
+dragers van het heilig vuur zendt, dan zal het groot en machtig worden
+en een gezegende onder de steden.&rdquo;</p>
+<p>Toen de geestelijke zijn toespraak ge&euml;indigd had, gingen de
+hoofddeuren van de domkerk open en een processie, zoo goed die in der
+haast geordend was kunnen worden, trok naar binnen.</p>
+<p>Daar gingen de domheeren en monniken en priesters en zij trokken
+door de middelgang naar het altaar. Het allerlaatst kwam de bisschop en
+naast hem Raniero met denzelfden mantel, dien hij op de heele reis
+gedragen had.</p>
+<p>Maar toen Raniero over den drempel van de kerk gekomen was, stond
+een oud man op en ging hem te gemoet. Dit was Oddo, de vader van een
+gezel, dien Raniero op zijn werkplaats had gehad en die zich opgehangen
+had om oneenigheid met hem.</p>
+<p>Toen de man bij den bisschop gekomen was boog hij voor hen. Toen zei
+hij met zoo luide stem, dat allen in de kerk het konden hooren:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een zaak van groot gewicht voor Florence, dat
+Raniero met heilig vuur uit Jeruzalem gekomen is. Zooiets is vroeger
+nooit gehoord of beleefd. Misschien zullen velen daarom zeggen dat het
+onmogelijk is. <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name=
+"pb251">251</a>]</span>Daarom zou ik willen vragen dat men &rsquo;t
+heele volk bekendmake met de bewijzen en getuigen, die Raniero heeft
+meegebracht dat dit werkelijk het vuur is, dat in Jeruzalem is
+aangestoken.&rdquo;</p>
+<p>Toen Raniero deze woorden hoorde, zei hij: &bdquo;Nu helpe mij God!
+Hoe kan ik getuigen hebben? Ik heb de reis alleen gemaakt. Woestijnen
+en wildernissen moeten hier komen en voor mij getuigen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raniero is een eerlijk ridder,&rdquo; zei de bisschop,
+&bdquo;en wij gelooven hem op zijn woord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raniero kon wel begrijpen dat hieraan getwijfeld zou
+worden,&rdquo; zei Oddo. &bdquo;Hij zal wel niet heelemaal alleen
+gereden hebben. Zijn pages kunnen wel voor hem getuigen.&rdquo;</p>
+<p>Toen spoedde Francesca degli Uberti zich uit de volksmassa naar
+voren en ging op Raniero toe: &bdquo;Wat hebben wij getuigen van
+noode?&rdquo; zei zij. &bdquo;Alle vrouwen in Florence willen er op
+zweren, dat Raniero de waarheid zegt.&rdquo;</p>
+<p>Toen glimlachte Raniero en zijn gezicht straalde een oogenblik. Maar
+dadelijk daarna wendde hij oogen en gedachten weer naar de
+kaarsvlam.</p>
+<p>Er ontstond een groot tumult in de kerk. Sommigen zeiden, dat
+Raniero de kaars op het altaar niet mocht aansteken voor hij zijn zaak
+bewezen had. Hierbij voegden zich vele van zijn oude vijanden.</p>
+<p>Toen stond Jacopo degli Uberti op en verdedigde Raniero. &bdquo;Ik
+denk wel, dat allen weten, dat er geen <span class="pagenum">[<a id=
+"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>al te groote
+vriendschap bestond tusschen mijn schoonzoon en mij,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;maar nu willen toch mijn zonen en ik allen borg voor hem staan.
+Wij gelooven, dat hij het heldenfeit heeft volbracht en wij weten, dat
+hij die zulk een onderneming volbrengt, een wijs en voorzichtig en
+edelaardig man is, dien wij met vreugde in ons midden
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>Maar Oddo en vele anderen waren niet voornemens Raniero het geluk,
+dat hij begeerde, te laten genieten. Zij stonden bijeen in een dichte
+groep en &rsquo;t was gemakkelijk te zien, dat zij hun eisch niet
+wilden opgeven.</p>
+<p>Raniero begreep, dat als het nu tot een strijd kwam zij dadelijk
+zouden probeeren de kaarsvlam te dooven. Met de oogen voortdurend op
+zijn tegenstanders gevestigd, hield hij de kaars zoo hoog hij kon.</p>
+<p>Hij zag er doodmoe en wanhopig uit. Men kon hem aanzien, dat hoewel
+hij het zoo lang mogelijk wilde uithouden hij niet anders dan een
+nederlaag verwachtte. Wat baatte het hem nu of hij de vlam mocht
+aansteken? Oddo&rsquo;s woorden waren een doodsteek geweest. Nu de
+twijfel eenmaal gewekt was, zou die verbreid worden en groeien. Hij had
+een gevoel alsof Oddo de kaarsvlam al voorgoed had uitgeblazen.</p>
+<p>Een vogeltje fladderde de kerk in door de groote open deuren. Het
+vloog recht op Raniero&rsquo;s kaars aan. Hij had geen tijd die terug
+te trekken, de vogel stootte er tegen en maakte de vlam uit.</p>
+<p>Raniero&rsquo;s arm zonk neer en tranen kwamen in zijn <span class=
+"pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name=
+"pb253">253</a>]</span>oogen. Maar in &rsquo;t eerste oogenblik voelde
+hij het als een verlichting, &rsquo;t Was beter dan dat menschen het
+gedaan hadden.</p>
+<p>&rsquo;t Vogeltje zette zijn vlucht in de kerk voort en fladderde
+verward rond, zooals vogels gewoonlijk doen, als ze binnenshuis
+komen.</p>
+<p>Opeens bruiste door de kerk een luid roepen: &bdquo;De vogel brandt!
+Het heilige vuur heeft zijn vleugels aangestoken.&rdquo;</p>
+<p>Het diertje piepte angstig. Het vloog een oogenblik rond als een
+fladderende vlam onder de hooge gewelven van het koor. Toen zonk het
+snel en viel dood neer op het altaar van de Madonna.</p>
+<p>Maar op hetzelfde oogenblik, dat de vogel op het altaar viel, stond
+Raniero daar. Hij had zich een weg door de kerk gebaand; niets had hem
+kunnen tegenhouden. En aan de vlammen, die de vleugels van den vogel
+verteerden, stak hij de kaarsen voor het altaar van de Madonna aan.</p>
+<p>Toen hief de bisschop zijn staf omhoog en riep: &bdquo;God wilde
+het! God heeft voor hem getuigd!&rdquo;</p>
+<p>En alle menschen in de kerk, zijn vrienden en tegenstanders,
+twijfelden niet langer, maar waren zeer verbaasd. Zij riepen allen,
+verrukt over dit wonder Gods: &bdquo;God wilde het! God heeft voor hem
+getuigd!&rdquo;</p>
+<p class="tb"></p>
+<p>Van Raniero is nu alleen nog te zeggen dat hij groot geluk smaakte
+alle zijn levensdagen en wijs en <span class="pagenum">[<a id="pb254"
+href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>voorzichtig en barmhartig
+was. Maar de menschen in Florence noemden hem altijd Pazzo di Ranieri,
+ter herinnering, dat men hem voor krankzinnig gehouden had. En dat werd
+een eeretitel voor hem. Hij werd de stamvader van een beroemd geslacht
+en dat nam den naam Pazzi aan, en zoo noemen zij zich nog tot op den
+huidigen dag.</p>
+<p>Verder is het nog de moeite waard te vertellen dat in Florence elk
+jaar op den avond v&oacute;&oacute;r Paschen een feest gevierd wordt
+ter herinnering aan Raniero&rsquo;s thuiskomst met het heilige vuur, en
+dat men daarbij altijd een kunstvogel met vuur door den dom laat
+vliegen. En dit feest is er zeker van &rsquo;t jaar nog geweest,
+wanneer daar niet pas een verandering in gebracht is.</p>
+<p>Maar of het waar is wat velen meenen, dat de dragers van het heilig
+vuur, die in Florence geleefd hebben en die de stad tot een van de
+heerlijkste steden van de wereld hebben gemaakt, aan Raniero een
+voorbeeld genomen hebben en daardoor zijn aangemoedigd om te offeren,
+te lijden en te volharden, zal hier niet beslist worden.</p>
+<p>Want wat er uitgewerkt is door het licht, dat in donkere dagen van
+Jeruzalem is uitgegaan, dat is niet uit te meten noch te berekenen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 reviews"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Zweedsche Pers over
+&bdquo;Christuslegenden&rdquo;.</p>
+<p><b>Stockholms Dagblad:</b></p>
+<p>De wereldberoemde schrijfster van &bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;
+en &bdquo;Jeruzalem&rdquo; heeft in haar nieuw werk
+&bdquo;Christuslegenden&rdquo; iets geleverd, dat eenig is in onze
+hedendaagsche literatuur, door dat zij de uitnemendste voorstellingen
+van de moderne vertelkunst als werktuig eener religieuse inspiratie
+gebruikt, waarvan de uitingen door hun echte en spontane naieviteit
+ongezocht herinneren aan wat de godsdienstige genie&euml;n der oudste
+christelijke kerk eens gaven, als ze in gedichten en kunstwerken hun
+ingevingen en droomen vereeuwigden.</p>
+<p><b lang="sv">Kvinden og Samfundet:</b></p>
+<p><b>De &bdquo;Christuslegenden&rdquo; zijn paarlen in de Noordsche
+literatuur en zullen eens tot de klassieke werken gerekend
+worden.</b></p>
+<p><b lang="sv">Karlstads Tidning:</b></p>
+<p>Dat men in deze schilderingen nooit het geringste streven naar iets
+merkwaardigs voelt, dat zij zulk een eenvoudige, kinderlijke, voor
+allen verstaanbare taal spreken, dit alles maakt ze tot zeldzaam echte
+kunstwerken, oorspronkelijk, aangrijpend, soms zelfs subliem.</p>
+<p>Zij, die in kunst alleen schoonheid zoeken, kunnen ook genieten van
+deze legenden, maar&mdash;ik herhaal het&mdash;hun grootste beteekenis
+krijgen ze toch voor hen, die er meer in zoeken dan hun uiterlijken
+glans. Selma Lagerl&ouml;f is, goddank, iets anders en meer dan een
+klinkend metaal en een luidende bel. Ze is iets anders en meer dan een
+groot genie, ze is een groot hart, vol liefde, verlangend anderen de
+troost en de zekerheid mee te deelen, die ze zelf voelt als het
+voornaamste.</p>
+<p><b>G. B. in de <span lang="sv">Falun Kurir</span>:</b></p>
+<p>Deze legenden zijn geschreven met hetzelfde meesterschap, dezelfde
+onvergelijkelijke vertelkunst, die hun volle ontwikkeling en al hun
+glans vertoonde in &bdquo;Jeruzalem&rdquo;. Als men &rsquo;t boek uit
+heeft weet men niet welke legende men &rsquo;t hoogste stelt. Ze zijn
+allen voortreffelijk.</p>
+<p><b>H. K. in <span lang="sv">Verdens Gang</span>:</b></p>
+<p>Niet alleen behandelen ze allen Jezus, niet alleen vinden we in
+allen dezelfde rijke dichterlijke eigenschappen. Maar wat ze het
+diepste tot &eacute;&eacute;n geheel maakt is, dat ze met het aan Selma
+Lagerl&ouml;f eigen, stille pathos het centrale, het schoonste van
+Jezus leer verkondigen. Zij vertellen van de geheimzinnige Almacht der
+Liefde, die al &rsquo;t booze in Natuur en menschen overwint, hoe
+medelijden en toewijding, die zich zelf vergeet, ook de ruwste
+gemoederen verandert en alles in &rsquo;t leven nieuw en schoon
+maakt.</p>
+<p><b lang="sv">Dagen:</b></p>
+<p>De laatste vertelling, de kaarsvlam, van den wilden Raniero di
+Ranieri, wier heele ziel veranderd wordt door de taak, die hij in
+bluffenden overmoed op zich genomen heeft: een kaarsvlam onbeschadigd
+van het heilige graf naar Florence te dragen, is een meesterwerkje uit
+&eacute;&eacute;n stuk gegoten, zeker niet geheel vrij van bizarrerie,
+maar toch doortrokken van de meest levende en heldere symboliek. Zij
+vormt de uitnemende afsluiting van dezen voortreffelijken cyclus, die
+niet warm genoeg kan aanbevolen worden aan alle vrienden van
+po&euml;zie in ons land.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>Bij den Uitgever dezes verscheen mede</i>:</p>
+<p>JERUZALEM I <span class="sc">EN</span> II</p>
+<p>(IN DALECARLI&Euml; en IN HET HEILIGE LAND).</p>
+<p>Prijs per deel ing. &fnof; <b>3.50</b>; geb. &fnof; <b>3.90</b>.</p>
+<p>De Nederlandsche Pers over &bdquo;Jeruzalem&rdquo;:</p>
+<p>De Nieuwe Courant:</p>
+<p><b>Dit is weer een heerlijk boek van de geniale
+dichteres-in-proza.</b> Frissche oorspronkelijkheid, stoute fantasie,
+diepe zielkunde<span class="corr" id="xd21e3492" title=
+"Niet in bron">,</span> forsche stijl en krachtige typeering. Al deze
+menschen leven een sterk persoonlijk leven. <b>Zooals in G&ouml;sta
+Berling bestaat het boek uit hoofdstukken, die, hoewel ze in verband
+staan met elkaar, elk op zichzelf een mooi fragment vormen, zonder
+overgang, abrupt zonder dorheid.</b> Het boek is zoo vol, dat elke
+andere schrijver verscheidene deelen had noodig gehad om het leven van
+deze menschengroep te vertellen. Maar Selma Lagerl&ouml;f geeft dan ook
+enkel het essenti&euml;ele, zonder beschrijvingen. En welk een kracht
+ligt er niet in deze zelfbeperking! <b>Prachtig zijn de Inleiding, De
+ondergang van l&rsquo;Univers, De verkooping, Gertrud. Dit is een boek
+vol intens zieleleven, dat ons alleen daarom niet zoo verrast als
+G&ouml;sta Berling, omdat wij gewend zijn van Selma Lagerl&ouml;f niet
+anders dan gaven van schoonheid te ontvangen. Want zij is als de
+bevoorrechte koningsdochter uit oude sprookjes: van haar dichterlippen
+regent het rozen en paarlen.</b></p>
+<p>De Nederlander:</p>
+<p>Wij hebben hier met <b>een belangrijk verschijnsel op godsdienstig
+gebied</b> te doen. Gewone roman-lectuur is &rsquo;t niet. Maar wie
+walgt van het alledaagsche, zal Selma Lagerl&ouml;f danken, en daartoe
+zal zeker medewerken de uitnemende wijze, waarop Mej. Meijboom haar
+taak heeft volbracht.</p>
+<p><b>Wij verklaren in langen tijd niets te hebben gelezen, dat zooveel
+te genieten en te denken gaf.</b></p>
+<p>De Amsterdammer:</p>
+<p><b>Selma Lagerl&ouml;f is een andere Zweedsche nachtegaal. Zij zingt
+uit de ziel en de ziel uit van haar volk. En zij doet dat als een
+nachtegaal. Niet in diep-doordachte, kunstig geweven zangen. Als een
+nachtegaal gaat zij zonder gezochte overgangen van de eene stemming in
+de andere, rapsodisch maar bekorend.</b></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>GOEDKOOPE UITGAAF</i></p>
+<p>VAN</p>
+<p>G&Ouml;STA BERLING</p>
+<p>Het beroemde boek van SELMA LAGERL&Ouml;F</p>
+<p>Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM</p>
+<p>Prijs ingenaaid &fnof; <b>1.50</b>, in prachtband &fnof;
+<b>1.90</b></p>
+<p>EENIGE BLADEN OVER G&Ouml;STA BERLING.</p>
+<p>Het Algemeen Handelsblad:</p>
+<p>Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van
+sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke,
+schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van
+meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel
+misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij
+het ook duur gekocht, geluk. Het is een boek van echte po&euml;zie,
+verteld op de manier die <span class="corr" id="xd21e3546" title=
+"Bron: velen">vele</span> Scandinavi&euml;rs tegenwoordig eigen is,
+zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar met
+korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en prikkelend
+tegelijk.</p>
+<p><b>Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden,
+v&oacute;&oacute;r hij het geheel genoten heeft.</b></p>
+<p>Het Vaderland:</p>
+<p>Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet
+loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een
+bijzonder en <span class="corr" id="xd21e3558" title=
+"Bron: oorspronkeiijk">oorspronkelijk</span> talent; men zou zeggen,
+dat er in haar iets van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te
+veel gezegd. <b>&bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo; is een boek om
+tweemaal te lezen.</b></p>
+<p>De Kerkelijke Courant:</p>
+<p>Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan &bdquo;G&ouml;sta Berling&rdquo;. Zonderling. De geschiedenis van
+een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste
+toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander
+gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche
+schrijfster Selma Lagerl&ouml;f, die in Margaretha Meijboom een
+uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent
+van meedeelen in z&oacute;&oacute; aantrekkelijk, dat men menige
+bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen
+overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar
+eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn
+een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>Bij den Uitgever dezes verscheen ook</i>:</p>
+<p>ONZICHTBARE KETENEN</p>
+<p><span class="sc">Naar het Zweedsch van</span> SELMA
+LAGERL&Ouml;F</p>
+<p>DOOR</p>
+<p>MARGARETHA MEIJBOOM.</p>
+<p>PRIJS: Ingenaaid &fnof; <b>3.50</b>; gebonden &fnof;
+<b>3.90</b>.</p>
+<p>De Nederlandsche Pers over &bdquo;Onzichtbare Ketenen&rdquo;.</p>
+<p>De Nederlander:</p>
+<p>In de geschriften van <span class="sc">Selma Lagerl&ouml;f</span> is
+iets dat sterk aantrekt, waarvan bekoring uitgaat, dat sympathie
+verwekt bij hen, die vatbaar zijn voor hoogere indrukken, dan die door
+&rsquo;t gewone, &rsquo;t alledaagsche worden verwekt. Daar gaat van
+wat ze schrijft, eene geheimzinnige kracht uit. Zij noemt dit boek
+&bdquo;Onzichtbare Ketenen.&rdquo; En met recht. De verhalende verwijlt
+met haar geest menigmaal in hoogere sferen, een andere onzichtbare
+wereld, waar gerechtigheid en liefde wonen, waarheen menige ziel zich
+getrokken gevoelt in deze wereld vol onrecht en bitterheid. Daardoor
+heeft haar arbeid in dezen materialistischen tijd groote beteekenis en
+waarde.</p>
+<p>Groot Nederland:</p>
+<p>Een bundel korte verhalen, door &bdquo;onzichtbare ketenen&rdquo;
+verbonden. De meeste hebben een fantastisch, sprookjesachtig tintje,
+dat er een eigenaardig cachet aan geeft. Ook bevatten sommige wel een
+dieperen zin, geen tendenz die zich hinderlijk opdringt, maar iets dat
+den lezer dwingt eens even na te denken en soms het gelezene nog weer
+na te slaan. Onder de mooiste noem ik: &bdquo;De Vogelvrijen&rdquo;,
+&bdquo;de Legende van het Vogelnest&rdquo;, &bdquo;de Sage van
+Reor&rdquo;, &bdquo;een Kerstgast&rdquo;, en &bdquo;Vrouw Vasten en
+Petter Nord&rdquo;. Geestig en vermakelijk is &bdquo;Oom Ruben&rdquo;,
+en allerliefst &bdquo;het Kuikentje&rdquo;. Hier en daar deed de
+schrijfster mij aan anderen denken, vooral in &bdquo;Oom Ruben&rdquo;
+en ook in &bdquo;Vrouw Vasten.&rdquo; <span class="sc">Selma
+Lagerl&ouml;f&rsquo;s</span> fantasie is zoo dartel en weelderig als
+een jong veulen en dreigt ieder oogenblik uit den band te springen. Het
+krachtigst is zij wel waar zij die rijke fantasie niet al te bandeloos
+laat doorhollen, maar een leidende gedachte die in bedwang houdt.</p>
+<p>Nieuwe Courant:</p>
+<p><b>Het heele boek is weer een gave om blij en dankbaar te
+genieten.</b></p>
+<p>Kerkelijke Courant:</p>
+<p><b>Ook het eenvoudigste maal kruidt zij door de specerijen van haar
+geest en gemoed tot eene uitgezochte lekkernij, al zal den een
+aanstaan, wat met een anders smaak slechts matig overeenkomt.</b></p>
+</div>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e41"
+title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink xd21e41" title="Externe link" href=
+"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
+schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
+stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
+einde van dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2013-12-16 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctiontable" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e387">16</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1687">132</a></td>
+<td class="width40 bottom">sybille</td>
+<td class="width40 bottom">sibylle</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">32</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e994">73</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e998">73</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1008">74</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1849">141</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2976">222</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2997">223</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3233">243</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e886">63</a></td>
+<td class="width40 bottom">beschermde</td>
+<td class="width40 bottom">beschermden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1130">87</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">er</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1221">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1640">129</a></td>
+<td class="width40 bottom">oud</td>
+<td class="width40 bottom">oude</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1750">136</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2159">162</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1839">140</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2508">186</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">151</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2527">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2111">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">bewaakten</td>
+<td class="width40 bottom">bewaakte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2120">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2137">161</a></td>
+<td class="width40 bottom">het het</td>
+<td class="width40 bottom">het</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3006">224</a></td>
+<td class="width40 bottom">bizonders</td>
+<td class="width40 bottom">bijzonders</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3492">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3546">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">velen</td>
+<td class="width40 bottom">vele</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href=
+"#xd21e3558">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">oorspronkeiijk</td>
+<td class="width40 bottom">oorspronkelijk</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Christuslegenden, by Selma Lagerlof
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CHRISTUSLEGENDEN ***
+
+***** This file should be named 44506-h.htm or 44506-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/4/4/5/0/44506/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/44506-h/images/book.png b/old/44506-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h/images/card.png b/old/44506-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h/images/external.png b/old/44506-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h/images/frontcover.jpg b/old/44506-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..42a564c
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44506-h/images/titlepage.png b/old/44506-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..f5d7d7c
--- /dev/null
+++ b/old/44506-h/images/titlepage.png
Binary files differ