summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42867-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42867-0.txt')
-rw-r--r--42867-0.txt10899
1 files changed, 10899 insertions, 0 deletions
diff --git a/42867-0.txt b/42867-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3bf8691
--- /dev/null
+++ b/42867-0.txt
@@ -0,0 +1,10899 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42867 ***
+
+ KLEA EN IRENE
+
+ ROMAN
+ VAN
+ GEORGE EBERS
+
+ IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
+ Prof. Dr. H. C. ROGGE
+
+
+
+ AMSTERDAM,
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Aan den grooten eerwaardigen, uit gehouwen steen opgetrokken Griekschen
+Serapis-tempel, en de daaraan grenzende kleinere heiligdommen van
+Asklepius Anubis en van Astarte, in het woestijngebied van Memphis'
+doodenstad, sluit zich eene rij van breede lage, uit ongebakken tegels
+gebouwde huisjes aan, niet ongelijk aan een troepje bedelaarskinderen,
+die door een sierlijk uitgedoschten koning bij de hand worden geleid.
+
+Naarmate de gladde en gele zandsteenwanden van den tempel, door de
+morgenzon verlicht, met helderder glans te voorschijn komen, des te
+onaanzienlijker en ruiger zien die grauwe bijgebouwen er uit. Als de
+wind om hunne muren blaast, terwijl deze door de zonnestralen beschenen
+worden, zijn zij in een stofwolk gehuld, gelijk droge wegen, wanneer
+een luchtstroom daarover strijkt. De vertrekken, die deze gebouwen
+bevatten, zijn zelfs niet met kalk bestreken, en daar de Nijltegels,
+waaruit de binnenwanden zijn opgemetseld, vermengd zijn met gesneden
+stroo, dat overal met kleine harde stoppels uit de muren te voorschijn
+komt, zoo is het even onaangenaam voor de hand ze aan te raken,
+als voor het oog ze te zien.
+
+Toen zij, eeuwen geleden, gebouwd werden tusschen den eigenlijken
+tempel en den ringmuur, die dezen omgeeft en aan de oostzijde
+het acaciënbosch van Serapis in twee helften verdeelt, bleven zij
+voor de blikken der bezoekers van het heiligdom verborgen door den
+achterwand van een zuilengang, die aan de oostzijde van den voorhof
+oprees. Thans is een gedeelte van de kolonade ingestort, zoodat
+men door deze opening enkele dezer steenen huisjes kan zien, aan
+de tempelzijde voorzien van deuren en vensters, of liever eene rij
+zonder eenige kunst aangebrachte gaten, die tot ingang en uitkijk
+moeten dienen. Waar eene deur is, ziet men geen venster, en waar
+venstergaten in den wand zijn aangebracht, mist men weder eene deur,
+en toch zijn geen twee der vertrekken van dit langwerpig, smal,
+slechts éene verdieping hooge gebouw met elkander verbonden.
+
+Door de opening in de zuilengaanderij voert een smal, veel betreden,
+met grijs stof bedekt pad, over puin, langs steenblokken en stukken
+van zuilen, die voor een nieuwen bouw bestemd zijn. Het werk schijnt
+alleen gedurende den nacht gestaakt te zijn, want breekijzer en koevoet
+liggen nog op en bij de werkstukken. Deze weg leidt naar het grauwe
+gebouw, en eindigt bij eene kleine geslotene houten deur, die zóo
+ruw getimmerd is, en zóo gebrekkig in haar hengsels hangt, dat zich
+eene vlugge grijze kat, met voorover gebogen kop, de buik langs den
+grond schurende, tusschen haar onderkant en den dorpel, die slechts
+eenige vingerbreedten boven den grond uitsteekt, weet door te wringen.
+
+Zoodra het lenige dier weder recht op zijne pooten staat, likt het
+zijn glimmend vel dadelijk glad en schoon, kromt zijn rug en kijkt
+met groene fonkelende oogen naar het huis, dat het zoo even verliet,
+en waarachter op dit oogenblik de morgenzon oprijst. Verblind door
+de heldere stralen keert het zich om, en loopt voorzichtig en met
+onhoorbare schreden naar boven den tempelhof in.
+
+Het vertrek, waaruit de kat te voorschijn kwam, is klein en ziet er
+bijzonder armoedig uit. Het zou er volslagen donker zijn, wanneer de
+gaten in het dak en de spleten in de deur het licht niet veroorloofden
+binnen te dringen in deze uiterst beperkte ruimte. Tegen de ruwe grauwe
+wanden staat niets dan een houten kist, en daarnaast op den grond ziet
+men een paar aarden schalen, benevens eene sierlijk bewerkte kruik van
+echt blinkend goud, die in deze armoedige omgeving eene zonderlinge
+figuur maakt. Geheel op den achtergrond bespeurt men bovendien twee
+matten van boomschors gevlochten, die over eenige schapenvachten
+zijn uitgespreid. Het zijn de bedden van de beide bewoonsters van
+dit vertrek, waarvan er eene gezeten is op eene kleine bank van
+palmtakken, terwijl zij al geeuwend de lange, glanzige, bruine haren
+begint te ordenen.
+
+Zij toont zich niet bijzonder handig bij het verrichten van dezen
+allesbehalve gemakkelijken arbeid, en nog minder geduldig, want nu
+de hoornen tanden een nieuwen hinderpaal ontmoeten, werpt zij de kam
+op haar bed. Hoewel zij deze noch te driftig, noch te hard door haar
+hoofdtooi heeft gehaald, knijpt zij de oogen toch zóo stevig dicht,
+en drukt zij de kleine sneeuwwitte tanden zóo diep in de vochtige
+roode onderlip, dat men wezenlijk zou denken, dat zij zich hevig pijn
+had gedaan.
+
+Op dit oogenblik laat zich buiten de deur een slepende stap
+hooren. Haastig slaat zij de groote kastanjebruine oogen op,
+vol verbazing rondziende. Er speelt een lachje om haren mond, en
+haar geheele voorkomen, nu zoo vriendelijk, is plotseling geheel
+veranderd als het uiterlijk van een vlinder, die uit de schaduw in
+den zonneschijn vliegt, die zich weerspiegelt in het glinsterend stof
+zijner vleugels.
+
+Er wordt driftig eene hand aan de los in hare hengsels hangende deur
+geslagen, zóo hard dat zij kraakt. Terstond daarop wordt door de
+opening boven den dorpel, waardoor de kat een uitgang had gevonden,
+een houten bord geschoven, waarop een dun rond brood ligt, en een
+aarden schaaltje met wat olijvenolie staat. Het laatste bevat niet
+meer, dan de halve dop van een hoenderei bevatten kan, maar de olie
+schijnt versch te zijn en glanst zoo zuiver als goud. Het meisje
+is de deur genaderd, heeft het bord naar zich toegehaald en roept,
+zoodra zij met de oogen het brood gemeten heeft, half klagend, half
+verwijtend: "Zoo weinig? Is dat voor ons beiden?"
+
+Bij deze vraag hebben hare vroolijke gelaatstrekken eensklaps wederom
+eene andere uitdrukking aangenomen. Hare heldere oogen zijn zóo
+troosteloos naar de deur gericht, als ware daarbuiten het licht van
+zon en sterren uitgebluscht. Toch is hetgeen haar krenkt niet anders
+dan de geringe hoeveelheid brood, die trouwens nauwelijks groot
+genoeg is om den honger van éen jeugdig menschenkind te stillen,
+hoewel twee personen daarmede verzadigd moeten worden. Wat echter in
+het leven van den eenen mensch nietsbeduidend is, kan den ander zeer
+gewichtig toeschijnen, en in zijne schatting eene zaak van groote
+beteekenis zijn.
+
+De verwijtende woorden van de klagende hebben hun weg door de deur
+gevonden, en de oude vrouw, die het bord over den dorpel heeft
+geschoven, riep haar haastig maar niet onvriendelijk toe: "Heden is
+er niet meer, Irene!"
+
+"Maar dat is schandelijk!" hernam het meisje, met tranen in de
+oogen. "Van dag tot dag wordt het broodje kleiner. Al waren we
+musschen, dan zouden wij er nog niet genoeg aan hebben! Gij weet wat
+ons toekomt, en wij zullen niet ophouden te klagen en onze grieven
+te uiten. Serapion moet een nieuw smeekschrift voor ons opstellen,
+en als de koning verneemt, hoe schandelijk men ons behandelt...."
+
+"Ja, als hij het verneemt," hernam de oude, haar in de rede
+vallende. "Maar vele winden blazen tegen het woord der arme, eer het
+tot 's konings oor kan doordringen. Ik weet een korter weg voor u en
+uwe zuster, wanneer u dat hongerlijden zoo erg mishaagt. Wie er uitziet
+als mijne lieve kleine Irene, die behoeft geen gebrek te hebben."
+
+"En hoe zie ik er dan uit?" vroeg het meisje, en bij deze woorden
+scheen weder een zonnestraal langs haar aardig gezichtje te glijden.
+
+"Juist zoo," antwoordde zij lachende, "dat gij u gerust ten allen
+tijde naast uwe zuster kunt vertoonen. Gisteren bij den optocht zag de
+groote Romein, aan de zijde der koningin, ten minste even dikwijls naar
+haar als naar Kleopatra zelve. Als gij er toen ook bij waart geweest,
+zou hij in het geheel geen oog meer voor de vorstin hebben gehad,
+want gij ziet er, ge moogt het wel weten, allerliefst uit. Niet waar,
+zulk een woordje is menigeen nog welkomer dan brood. Overigens bezit
+gij een spiegel; kijk daarin, als ge honger hebt."
+
+De sloffende tred van het oudje stierf langzaam weg, doch het meisje
+greep naar de gouden kruik, zette de deur op een kier, zoodat het
+daglicht op de blanke oppervlakte kon vallen, en spiegelde zich
+daarin. Maar door de ronding van het kostbaar vaatwerk werden de
+trekken van haar gelaat verwrongen, en opgeruimd blies zij met haar
+spits mondje over het wanstaltige beeld voor hare oogen, zoodat het
+door den vochtigen adem geheel beneveld werd. Vervolgens zette zij
+de kruik lachend op den grond, naderde de kist, haalde daaruit een
+kleinen metalen spiegel te voorschijn, bekeek zich daarin goed een en
+andermaal, schikte haar glanzende haren nu eens zus, dan eens zoo,
+en wilde het voorwerp juist uit de hand leggen, toen zij opeens
+aan het ruikertje van violen dacht, dat zij reeds bij het ontwaken
+had opgemerkt, en dat door hare zuster gisteren met de steeltjes in
+een schaaltje vol water moest zijn gelegd. Zonder dralen nam zij de
+zacht geurende bloemen, droogde de groene stengels met haar kleed af,
+hield den spiegel nog eens omhoog, en stak de violen in het haar.
+
+Hoe helder fonkelden thans weder hare oogen, hoe blijde greep zij
+naar het brood! En welke heerlijke tooneelen deden zich op voor hare
+verbeelding, terwijl zij het eene stukje na het andere afbrak, het
+even doopte in de frissche olijvenolie en snel opat. Eens, op het
+nieuwjaarsfeest, had zij een blik geworpen in de koninklijke tent,
+en dáar mannen en vrouwen gezien, die bij het feestmaal op purperen
+kussens lagen. Zij droomde nu, dat zij aan die tafel vol kostbaar
+vaatwerk had plaats genomen; zij liet zich in den geest door met
+kransen getooide knapen bedienen, luisterde naar de liederen van fluit-
+en harpspelers en--och, zij was nog half een kind, en daarbij zoo
+hongerig als men in die jaren is--nam voor zich in de verbeelding
+de sappigste en zoetste lekkernijen uit schotels van louter goud,
+en at zich zat, zoo recht van harte zat, tot het laatste stukje brood
+en de laatste druppels olie verdwenen waren.
+
+Zoodra hare hand op het ledige bord niets meer vond, verdween
+opeens het droomgezicht. Verrast en met schrik keek zij in het
+droge olieschaaltje en naar de plaats, waar nog zoo even het brood
+had gelegen.
+
+"Ach," zuchtte zij diep, keerde het bord nog eens om, als ware het
+mogelijk op de achterzijde een nieuw brood en nieuwe olie te vinden,
+schudde teleurgesteld haar hoofd en zag nadenkend voor zich. Dit
+duurde echter maar weinige oogenblikken, want de deur van het vertrek
+werd geopend, en eene slanke gestalte trad binnen. Het was hare zuster
+Klea, wier karig maal zij al droomend had verteerd, terwijl deze voor
+haar gedurende den halven nacht had genaaid en vóor zonsopgang was
+uitgegaan, om uit de zonnebron voor het morgenoffer water te dragen
+naar het altaar van Serapis.
+
+Zij die te huis kwam groette de andere met een zwijgend maar
+vriendelijk knikje. Zij scheen te vermoeid te zijn om te spreken,
+droogde de zweetdruppels van haar voorhoofd af met den sluier, die
+het achterhoofd bedekte, en zette zich neder op het deksel van de kist.
+
+Irene staarde terstond weer op het ledige bord en overlegde bij
+zichzelve, of zij hare schuld zou bekennen en hare vermoeide zuster
+om vergeving bidden, dan of zij de berisping, die zij verdiend had,
+door eene aardigheid zou afwenden, gelijk haar dit dikwijls was
+gelukt. Het laatste scheen haar gemakkelijker, en daarom verkoos zij
+dezen weg in te slaan. Haastig, maar niet zonder eenigen schroom,
+trad zij op hare zuster toe en zeide met komischen ernst:
+
+"Zie eens goed uit uwe oogen, Klea, bemerkt ge niets aan mij? Mij
+dunkt, ik moet er uitzien als een krokodil, die een geheel nijlpaard
+heeft verslonden, of als de heilige slang, wanneer zij een konijntje
+heeft opgeslokt. Begrijpt eens, terwijl ik mijn brood at, kwam mij
+onvoorziens ook het uwe tusschen de tanden; nu wil ik echter...."
+
+Zij die aldus werd aangesproken wierp een blik op het ledige bord,
+en viel hare zuster in de rede met op zachten toon uit te roepen:
+"Ik was zoo hongerig!"
+
+Er lag geen verwijt in deze woorden, maar zij getuigden van groote
+uitputting. Toen nu de jeugdige misdadigster haar oog op hare
+teruggekeerde zuster richtte, en zag hoe zij daar zat, afgemat en ineen
+gezonken, het ongelijk haar aangedaan dragende zonder een enkel woord
+van berisping, werd haar licht beweeglijk gemoed met medelijden en
+droefheid vervuld. In tranen uitbarstende, wierp zij zich voor hare
+zuster neder, omvatte hare knieën en riep uit, terwijl hare woorden
+telkens door snikken werden afgebroken:
+
+"Ach Klea, arme Klea, welk een leed heb ik u weder aangedaan! Geloof
+mij, ik wilde u niet krenken. Ik weet eigenlijk zelve niet hoe
+het gekomen is. Doch datgene waartoe eene macht daar binnen mij
+aandrijft, schijn ik niet te kunnen laten, en ik weet altijd eerst
+als het gebeurd is, of ik kwaad of goed heb gedaan. Gij hebt voor
+mij gewerkt en u zelve afgetobd, en ik, slecht meisje, moet u zulks
+op deze wijze vergelden! Maar gij zult geen honger lijden, dat zult
+gij niet, neen, dat zult gij niet!"
+
+"Spreek er maar niet meer over," zeide de andere, terwijl zij hare
+zuster vol liefde over het bruine haar streek. Daarbij stuitte
+echter hare hand op de viooltjes in de glanzige lokken. Hare lippen
+beefden en er kwam leven in hare kwijnende oogen, toen zij de bloemen
+bespeurde, en naar het ledige schaaltje greep, waarin zij ze gisteren
+zoo zorgvuldig had neergelegd.
+
+Irene bemerkte terstond hoe de gelaatstrekken van hare zuster
+veranderden, en daar zij geloofde dat deze alleen verrast was over
+haar aardig hoofdtooisel, vroeg zij op vroolijken toon: "Zie ik er
+naar uw zin uit met deze bloemen?"
+
+Klea had de hand reeds uitgestrekt, om de viooltjes te nemen uit de
+bruine lokken van hare zuster, die nog altijd aan hare voeten geknield
+lag. Doch na deze vraag liet zij den arm zinken en zeide luider en
+beslister dan zoo even, met eene voor een meisje buitengewoon diepe,
+ja bijna mannelijke, maar toch welluidende stem:
+
+"Dit ruikertje hoort mij toe, maar gij kunt het behouden tot den
+middag, als het verwelkt zal zijn; geef het mij dan weder."
+
+"Behoort het u toe?" herhaalde de andere, en hief hare groote oogen
+verwonderd op naar hare zuster, wier eigendom tot op deze ure ook
+het hare was geweest. "Maar ik mocht immers altijd de bloemen nemen,
+die gij medebracht; wat bijzonders is er dan aan deze?"
+
+"Het zijn slechts viooltjes, gelijk alle andere," antwoordde Klea,
+terwijl een donkere blos haar gelaat overtoog, "maar de koningin
+heeft ze gedragen."
+
+"De koningin!" riep hare zuster, sprong van den grond op en klapte
+vol verbazing in de handen. "Gaf zij u bloemen? En dat vertelt gij
+mij nu eerst? Inderdaad, gij hebt gisteren, toen gij van den optocht
+terugkwaamt, alleen naar mijn voet gevraagd en of mijne kleederen wel
+heel waren, doch verder hebt gij geen syllabe met mij gesproken. Hebt
+gij den ruiker van Kleopatra zelve gekregen?"
+
+"Hoe kunt ge dat denken!" gaf Klea ten antwoord. "Een van die haar
+vergezelden wierp mij de bloemen toe. Doch zwijgen wij hierover! Wees
+zoo goed mij de kruik eens aan te geven; mijne mond is droog en ik
+kan van dorst bijna niet spreken."
+
+Terwijl zij dit zeide, steeg het bloed haar weder naar het hoofd en
+kleurden hare wangen, maar Irene merkte het niet op. Blijde dat zij
+haar onrecht door een dienst weder goed kon maken, was zij naar de
+waterkruik gesneld, en terwijl Klea haar houten bekertje vulde en
+ledigde, zeide zij, terwijl zij haar kleine voetje sierlijk omhoog
+hief en het der drinkende toonde:
+
+"Zie maar, de schram is geheel genezen, en mijn voet kan de sandalen
+weder velen. Thans ga ik ze aanbinden, om Serapion brood voor u
+te vragen. Misschien geeft hij ons een paar dadels daarbij. Toe,
+maak den riem hier aan mijn enkel wat losser, mijn vel is zoo dun en
+gevoelig; mij doet reeds pijn wat gij nauwelijks bemerkt. Zie eens,
+hoe ik mij nu met vasten tred bewegen kan. Tegen den middag ga ik weder
+met u mede om de kruik voor het altaar te vullen; later kan ik u ook
+vergezellen bij den optocht, die gisteren werd aangekondigd. Zullen
+de koningin en de aanzienlijke vreemdelingen weder getuigen zijn van
+de processie? Wat zou dat heerlijk zijn! Kom, nu ga ik, en vóor gij
+den laatsten beker hebt gedronken, zult gij het brood hebben. Want
+als ik den oude aardig weet te vleien, zegt hij niet 'neen'."
+
+Toen Irene de deur open deed en het volle zonlicht haar bescheen, blonk
+haar bruin hoofdhaar in den gouden gloed, en het scheen hare zuster,
+die haar naoogde, als vermengde zich de glans, die haar omzweefde,
+met de stralen der dagvorstin.
+
+Het laatste wat de achterblijvende zag van haar die naar buiten ging,
+was het bundeltje violen. Zij was nu alleen, en het hoofd zachtkens
+schuddende, prevelde zij in zichzelve: "Ik geef haar alles, en zij
+ontneemt mij het eenige wat ik nog overheb. Driemalen heb ik dien
+Romein ontmoet, gisteren schonk hij mij de viooltjes, die ik voor
+mijzelve bewaren wilde; en thans...."
+
+Zij drukte bij deze woorden den beker, dien zij in de hand hield,
+vaster aan de lippen, die zich pijnlijk samentrokken. Doch dit duurde
+slechts een oogenblik, daarna richtte zij zich hoog op en zeide op
+vasten toon: "Zóó moet het ook zijn!"
+
+Thans zweeg zij, zette den beker naast zich op de kist, streek met
+de achterzijde van hare hand over het voorhoofd, alsof dit haar pijn
+deed, keek mijmerend in haren schoot, en weldra zonk het hoofd der
+vermoeide op zijde en was zij ingesluimerd.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het tichelsteenen huis, waarin zich het vertrek der zusters bevond,
+en dat bovendien door andere beambten van de tempelgebouwen en
+een aantal pelgrims werd bewoond, heette het pastophorium [1]. De
+laatste kwamen uit alle deelen van Egypte ter bedevaart hierheen,
+en overnachtten gaarne in het heiligdom der godheid.
+
+Irene ging, nadat zij hare zuster verlaten had, vele deuren voorbij,
+die, nu de zon was opgegaan, geopend waren. Haastig beantwoordde
+zij den groet van vele bekenden en onbekenden, die haar met een
+vriendelijk gelaat nakeken, als ware hare verschijning in den vroegen
+morgen hun een goed voorteeken. Spoedig kwam zij aan een gebouw, dat
+zich aan het noordeinde van het pastophorium aansloot. Het had geen
+deur, maar wel op manshoogte zes ongeslotene vensteropeningen, aan
+de zijde van den weg. Uit het eerste, dat zij bereikte, zag haar het
+bleeke en van diepe rimpels doorsnedene gelaat van een grijsaard aan.
+
+Zij riep den oude opgewekt den vroolijken groet der Hellenen toe:
+"Wees blijde!" Hij gebood haar echter, zonder de lippen te bewegen,
+ernstig en veelbeteekenend met de magere hand en de kleine starende,
+matte oogen te wachten, en reikte haar daarop een houten bord toe,
+waarop eenige dadels en een half brood lagen.
+
+"Voor het altaar van den god?" vroeg het meisje.
+
+De grijsaard knikte toestemmend, en Irene ging, zoo zeker als iemand,
+die goed weet wat van hem gevorderd wordt, met haren lichten last
+verder. Maar reeds na weinige schreden en eer zij nog het laatste
+venster bereikt had, bleef zij staan, want duidelijk lieten zich
+stemmen en voetstappen hooren, en weldra vertoonden zich aan het
+uiteinde van het pastophorium, waarheen zij ging, en dat grensde aan
+het kleine acaciënbosch van Serapis, hetwelk zich buiten den ringmuur
+verder uitbreidde, eenige mannen, wier verschijning hare opmerkzaamheid
+gaande maakte. Doch zij durfde de vreemdelingen niet te gemoet gaan,
+en wachtte, vlak tegen den wand van het pastophorium staande en naar
+hun gesprek luisterende, tot zij voorbij zouden zijn.
+
+De voorste van deze vroege tempelbezoekers was een stevig man, met
+een langen staf in de rechterhand. Hij sprak tot de beide mannen
+die hem volgden, zooals gidsen van beroep gewoon zijn te doen, het
+woord voerende alsof zij hunne toehoorders uit een onzichtbaar boek
+voorlezen, en die men liever niet met vragen in de rede valt, aangezien
+men begrijpt dat zij niet veel meer weten, dan zij juist zeggen.
+
+Van zijne beide zeer opmerkzaam luisterende hoorders was de een in
+een lang veelkleurig gewaad gehuld, en rijk met gouden ketens en
+ringen getooid, terwijl de ander over de korte chiton [2] slechts
+eene witte wollen Romeinsche toga droeg, die over den linker schouder
+was geslagen. Zijn rijk gekleede metgezel was een man van leeftijd,
+met een gevuld baardeloos gelaat en dunne grijzende haren.
+
+De luisterende Irene zag den laatste met bewondering en verbazing
+aan, maar slechts om, nadat zij hare aandacht had gewijd aan de stof
+zijner kleeding en de sieraden die hij droeg, de slanke gestalte van
+den jongeling aan zijne zijde des te opmerkzamer op te nemen.
+
+"Precies de dikke poedel van den kok Hoeï met een jongen leeuw,"
+prevelde zij in zichzelve, terwijl zij den behaaglijken tred van
+den een en den zelfbewusten, veerkrachtigen gang van den ander
+waarnam. Daarbij kon zij de verzoeking bijna niet weerstaan, om
+de ouden heer na te doen. Maar die overmoedige opwelling zou weldra
+worden onderdrukt, want nauwelijks had de geleider den Romein verteld,
+dat hier de vrome mannen, die in vrijwillige gevangenschap als de
+aan Serapis gewijden, de godheid dienden, hunne cellen bewoonden,
+dat zij hun voedsel door een venster--en met zijn staf wees hij er
+heen--ontvingen, toen eensklaps een luik, waartegen de gids van dit
+ongelijke paar menschen met zijn stok had gestooten, met zooveel
+snelheid en kracht openvloog, alsof een windstoot het had getroffen
+en tegen den wand geslagen. Even plotseling kwam een menschenhoofd,
+met grimmig gelaat en golvende grijze haren, als de manen van een
+leeuwenkop, uit het venster te voorschijn, en schreeuwde hem die
+geklopt had met eene zware basstem toe:
+
+"Ik wou dat mijn luik uw rug was, gij onbeschaamde kerel, dan had
+uw lange stok op de rechte plaats getroffen. Of zat er in plaats van
+deze tong een knuppel in mijn mond, dan zou ik dien zwaaien, tot zij
+zoo moede was als die van een redenaar, die drie uren lang voor het
+volk zijn ledig stroo heeft uitgedorscht. Nauwelijks is de zon op,
+of deze klaplooper sleept het nieuwsgierig gespuis naar ons toe! Wek
+ons voortaan te middernacht uit den slaap en smijt met steenen tegen
+de verrotte luiken! Mijne laatste begroeting van voor drie weken heeft
+zeker uitgewerkt; die van heden zal, hoop ik, langer nawerken. Gij
+mannen, hoort mij! Gelijk de raven het leger achternavliegen, om
+de gesneuvelden te verslinden, zoo stelt deze zich ten dienste der
+vreemdelingen, om hunne zakken te ledigen. En jij, die je tolk noemt,
+en toen je Grieksch leerdet, je beetje Egyptisch hebt vergeten, ik
+raad je als je vreemdelingen hebt te geleiden, ze naar de Sphinx te
+brengen. Of laat hen in den tempel van Ptah den Apis naar de toekomst
+vragen, of voer hen naar de wildbaan des konings te Alexandrië,
+of in de kroegen van Kanopus, maar niet tot ons. Want wij zijn geen
+faisanten, geen fluitspeelsters of wonderdieren, die het zich moeten
+laten welgevallen dat men hen aangaapt. Gij, mannen, moet u een beteren
+gids kiezen, als dat sistrum [3] dat u zijn erbarmelijk geklingel laat
+hooren, wanneer gij het schudt. Wat uzelven betreft, heb ik alleen
+dit te zeggen: Nieuwsgierige oogen zijn onbescheiden gasten, waarvoor
+een slimme waard op zijne hoede is, door de deur voor hen te sluiten."
+
+Irene verschrikte opnieuw en drukte zich nog vaster tegen den pilaar,
+die haar verborgen hield, want al krakend vloog het luik, dat de
+kluizenaar door middel van een touw, hetwelk aan het uiterste einde
+was bevestigd, met geweld naar zich toehaalde, dicht, en onttrok hem
+aan de blikken van de vreemdelingen. Doch slechts voor een oogenblik,
+want de verroeste hengsels waarin het hing, waren tegen zulk een
+heftigen ruk niet bestand, en langzaam boog het zich naar beneden.
+
+De man die zoo hard geklopt had strekte zijne armen uit, om het
+tegen te houden, maar het was zwaar, en hij zou het zeker niet hebben
+kunnen houden, wanneer niet de jonkman in Romeinsche kleederdracht
+hem de behulpzame hand had geboden, en het vallende luik gemakkelijk
+en zonder inspanning, alsof het niet uit zware planken samengesteld
+maar uit dunne wilgentakken gevlochten was, met hand en schouder in
+de hoogte had getild.
+
+"Nog een beetje hooger," riep de kluizenaar zijn helper toe. "Houd
+het ding op den scherpen kant! Zoo! Schuif het nu nog wat op! Daar
+is het erbarmelijk monstertuig, en daar mag het blijven liggen. Als
+de vleermuizen mij dezen nacht een bezoek brengen, zal ik om ulieden
+denken, en ze voor u groeten!"
+
+"Gij zoudt beter doen, u die moeite te besparen," zeide de jonkman
+koeltjes en voornaam. "Ik zal u een timmerman sturen, die het luik
+opnieuw zal vast maken. Ook vragen wij u verschooning, want wij hebben
+de schade veroorzaakt, die u getroffen heeft."
+
+De grijskop liet den jongen Romein uitspreken en zeide toen, nadat
+hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen: "Gij zijt sterk en
+weldenkend. Gij zoudt mij bevallen, wanneer gij in ander gezelschap
+waart. Uw timmerman heb ik niet noodig, laat mij alleen een hamer
+brengen, een bijl en stevige spijkers. Wilt ge mij voorts nog een
+dienst bewijzen, pakt u dan weg!"
+
+"We gaan al," zeide de man in de bonte kleeding, met eene pieperige
+vrouwenstem. "Wat blijft een mensch, dien kwajongens uit eene veilige
+schuilplaats met vuilnis werpen, anders over dan zich te verwijderen."
+
+"Kom, ga maar heen," zeide hij lachend, wien deze beschimping gold, "en
+als gij er lust in hebt, groote Eulaeus, dadelijk tot naar Samothrace
+[4]. Den weg zult gij nog wel niet vergeten zijn, sedert gij den
+koning hebt geraden met zijne schatten daarheen te vluchten. Wanneer
+ge echter vreezen mocht dien alleen niet te kunnen vinden, dan kan
+ik u dien tolk en gids daar aanbevelen, om hem u te wijzen."
+
+De eunuuch Eulaeus, een aanzienlijk raadsheer van koning Ptolemaeus,
+dien men Philometor, d. i. den moederlievende noemde, verbleekte hij
+deze woorden, wierp den ouden een gramstorigen blik toe en gaf den
+jongen Romein een wenk. Deze had echter geen zin om hem te volgen,
+want de knorrige zonderling beviel hem, misschien wel omdat hij
+bemerkte, dat zijn persoon den ouden man, die anders niet schroomde
+zijne ontevredenheid te uiten, welgevallig was. Bovendien had hij
+aan diens oordeel over de mannen, die hem begeleidden, niets toe
+te voegen. Daarom keerde hij zich naar den eunuuch en zeide beleefd:
+"Ontvang mijn dank voor uw geleide, en laat u niet langer om mijnentwil
+van gewichtiger bezigheden afhouden."
+
+Eulaeus boog en antwoordde: "Ik weet wat mijn plicht is. De koning
+heeft u aan mijne leiding toevertrouwd. Veroorloof mij daar ginds
+onder dien acacia op u te wachten."
+
+Toen nu de eunuuch met den gids zich verwijderde in de richting van
+het groene boschje, hoopte Irene eindelijk gelegenheid te hebben,
+tot het doen van haar verzoek. Maar de Romein was voor de cel van
+den oude blijven staan, en had een gesprek met hem aangeknoopt, dat
+zij niet durfde storen. Met een stillen zucht plaatste zij het haar
+toevertrouwde bord met het brood en de dadels op een uitstekenden
+steen aan hare zijde, ging met de armen en de beenen over elkander
+gekruist tegen den wand leunen en spitste hare ooren om te luisteren.
+
+"Ik ben geen Griek," zeide de jongeling, "en gij dwaalt, als gij meent,
+dat ik uit nieuwsgierigheid naar Egypte ben gereisd en tot u gekomen."
+
+"Doch wie den tempel binnengaat," hernam de andere, hem in de rede
+vallende, "enkel om te bidden, die kiest zich geen Eulaeus, zou ik
+meenen, geen paar als die twee, die daar onder den acacia geen zegen
+over uw hoofd zullen afsmeeken, tot zijne geleiders. Ik zou ten minste,
+als ik een dief was, niet met dezen uitgaan om te stelen. Wat dreef
+u naar den tempel van Serapis?"
+
+"Thans mag ik op mijne beurt u van nieuwsgierigheid betichten."
+
+"Nu ja," riep de grijskop. "Als eerlijk koopman neem ik de munt aan,
+waarmede ikzelf gaarne betaal. Komt gij dan om u een droom te laten
+uitleggen, of om daarboven in den tempel te slapen en een droomgezicht
+te ontvangen?"
+
+"Zie ik er dan zoo slaperig uit," vroeg de Romein, "als wilde ik,
+een uur na zonsopgang, weder naar bed gaan?"
+
+"Het zou ook kunnen zijn," riep de kluizenaar, "dat voor u de dag
+van gisteren eigenlijk nog niet om is, en dat het u, op het einde
+van een gastmaal, was ingevallen, ons een bezoek te brengen, en bij
+Serapis uw hoofdpijn uit te slapen."
+
+"Er schijnt u toch nog al wat ter oore te komen, van hetgeen er buiten
+deze muren voorvalt," gaf de Romein hem ten antwoord. "Als ik u op
+de straat tegenkwam, zou ik u wel voor een schipper kunnen houden,
+of voor een bouwmeester, die over vele weerspannige arbeiders te
+gebieden heeft. Na alles wat men mij in Athene en hier van u en uws
+gelijken vertelde, had ik mij eene andere voorstelling van u gevormd."
+
+"Welke dan?" vroeg Serapion lachend. "Ik vraag dit, op gevaar af van
+nog eens voor nieuwsgierig gehouden te worden."
+
+"Ik zou u wel willen antwoorden," hernam de ander, "maar als ik u de
+volle waarheid zeg, dan stel ik mij bloot aan een nog grooter gevaar,
+van namelijk door u even onvriendelijk weggestuurd te worden, als
+mijn arme gids daarginds."
+
+"Spreek maar," antwoordde de grijskop, "voor verschillende lijven
+heb ik ook verschillende kleedingstukken, en niet het slechtste voor
+hem, die mij vergast op het zeldzaam gerecht van waarheid. Maar eer
+ge mij uwe bittere spijzen te proeven geeft, moet ge mij zeggen,
+hoe gij heet."
+
+"Wil ik den gids roepen?" vroeg de Romein met schalkschen lach. "Die
+kan u eene beschrijving geven van mijn persoon, en u de geheele
+geschiedenis van mijn huis vertellen. Doch ik wil u niet boos maken:
+ik heet Publius."
+
+"Zoo heet althans éen op de drie van uwe landslieden."
+
+"Ik ben van het geslacht der Cornelii, en wel van de familie der
+Scipio's," antwoordde de jonkman met zachte stem, als wilde hij zelfs
+den schijn vermijden van met zijn aanzienlijken naam te pronken.
+
+"Ge zijt dus een voornaam, een zeer groot heer," zeide de kluizenaar,
+terwijl hij eene buiging maakte van uit zijne cel. "Trouwens dat wist
+ik wel van te voren, want alleen een edelman gaat op uwe jaren met
+zulk een vasten stap, ofschoon de stevige beenen op zulke teedere
+enkels rusten. Dus Publius Cornelius...."
+
+"Genoeg, noem mij Scipio, of nog liever bij mijn voornaam Publius,"
+verzocht de jonkman. "Gij zelf heet Serapion, en ik wil u thans
+zeggen, wat gij omtrent mij wenscht te weten. Toen men mij vertelde,
+dat zich in dezen tempel lieden bevonden, die zich in kleine vertrekken
+lieten opsluiten, om ze nimmer te verlaten, maar zich alleen met hunne
+droomen bezig te houden en in stille overpeinzing te leven, dacht ik
+dat zij zwakhoofden moesten zijn of gekken, of beiden tegelijk."
+
+"Goed zoo," zeide Serapion hem in de rede vallende, "aan eene vierde
+mogelijkheid hebt gij dus niet gedacht. Maar als zich nu eens onder
+dezen mannen bevonden, die men tegen hun wil houdt opgesloten, en als
+ik eens juist tot die soort van gevangenen behoorde? Ik heb u allerlei
+dingen gevraagd, en ge zijt mij het antwoord niet schuldig gebleven,
+daarom moogt gij nu ook weten, hoe ik in deze ellendige kooi kom,
+en waarom ik daarin blijf. Ik ben van goeden huize, want mijn vader
+was opzichter van de koornschuur dezes tempels en van Macedonische
+afkomst; mijne moeder was echter eene Egyptische. Die moeder heeft
+mij ter kwader ure ter wereld gebracht, op den zeven-en-twintigsten
+van de maand Paophi [5], dus op den dag die in de heilige boeken een
+ongeluksdag wordt genoemd, en dat men het kind, op dien dag geboren,
+opgesloten moet houden, daar het anders door een slangenbeet zal
+sterven. Tengevolge dezer onheilspellende uitspraak, zijn velen, die
+op denzelfden dag geboren zijn, vroeger reeds, even als ik, in zulk
+eene kooi opgesloten. Mijn vader had mij gaarne de vrijheid gegund,
+maar mijn oom, een horoscoop in den tempel van Ptah, die op mijne
+moeder een onbeperkten invloed had, benevens zijne vrienden, ontdekten
+nog meer slechte voorteekenen aan mij; zij lazen in de sterren,
+dat mij allerlei onheil wachtte op mijn levensweg; zij verzekerden
+dat de Hathors niets dan kwaad over mij beschoren hadden, en hielden
+zoolang bij hem aan, tot men mij--wij woonden beneden in Memphis--voor
+de kluizenaarscel bestemde. Ik dank deze ellende aan mijne eigene
+moeder, die uit louter liefde voor mij dit lot heeft gekozen. Gij
+ziet mij vragend aan, jonkman; het leven zal ook u wel leeren, dat de
+ergste haat tegen iemand gericht hem dikwijls meer baat, dan blinde
+teederheid die de perken te buiten gaat. Lezen, schrijven en wat men
+gewoon is priesterzonen te onderwijzen, dat alles heb ik geleerd,
+maar nimmer heb ik geleerd mij geduldig in mijn lot te schikken. Toen
+ik geen baardelooze knaap meer was, is het mij gelukt vrij te komen,
+en heb ik overal in de wereld rondgezworven. Ik ben te Rome geweest,
+te Karthago en in Syrië. Eindelijk kreeg ik weder lust uit den Nijl te
+drinken, en keerde ik naar Egypte terug. Waarom? Omdat het mij, dwaas,
+dikwijls toescheen, dat water en brood mij in mijne gevangenschap in
+het vaderland beter hadden gesmaakt, dan koek en wijn terwijl ik vrij
+was in den vreemde.
+
+"In mijn ouderlijk huis vond ik nog slechts mijne moeder terug, want
+mijn vader was van kommer gestorven. Vóor mijne vlucht was zij eene
+statige vrouw, doch toen ik terugkwam zag ik dat hare schoonheid geheel
+was verwelkt en zij haar einde naderde. De angst, die haar folterde,
+over mij, ellendeling, had, zooals de arts verzekerde, hare krachten
+gesloopt, en dat viel mij zwaar te dragen.... Toen nu ten laatste
+de goede kleine vrouw, die mij, wilde knaap, zoo zacht kon streelen,
+mij op haar sterfbed smeekte, weder in mijne kluis terug te keeren,
+heb ik toegegeven en haar gezworen, dat ik geduldig in mijne kooi zou
+blijven tot aan mijn einde. Want ik ben als de wateren in het noorden:
+een kind kan mij met de handen klieven, of ik ben koud en hard als
+kristal. De oude vrouw stierf spoedig nadat ik den eed gezworen had,
+en dat ik woord hield ziet gij. Ook hebt gij kunnen opmerken, op
+welke wijze ik mij in mijn lot schik."
+
+"Vrij geduldig," hernam Publius. "Ik zou vrij wat weerspanniger met
+mijne ketenen rammelen dan gij. Mij dunkt, het moet u goed doen zoo
+eens uit te gisten, gelijk gij zooeven hebt gedaan."
+
+"Als zoete wijn van Chios," antwoordde de kluizenaar. Daarbij smakte
+hij met de tong, als proefde hij het edele druivennat, en stak hij
+zijn ruigharig hoofd ver uit het venster. Hierdoor kreeg hij Irene
+in het oog, en riep haar dadelijk vroolijk toe: "Wat doet ge daar
+kind? Gij staat daar, als wachttet gij op het geluk, om het een
+'goeden morgen' toe te roepen."
+
+Het meisje greep haastig met de eene hand het bordje, streek met de
+andere het haar glad, en terwijl zij een weinig blozend de mannen
+naderde, liet Publius verrast de oogen vol bewondering op haar rusten.
+
+Behalve hij had nog een ander, die op dit oogenblik, komende van het
+acaciën-boschje, den Romein tegemoet ging, de woorden van Serapion
+vernomen, en riep, vóor hij beiden nog bereikt had: "Zij zal op het
+geluk wachten, zegt die man daar? En gij hoort dit aan, Publius,
+en antwoordt niet, dat zijzelve het geluk brengt, waar zij zich
+slechts vertoont?"
+
+Hij die zoo sprak was een met bijzondere zorg gekleede jonge Griek,
+die ondertusschen den granaatbloesem, dien hij in de hand hield, achter
+het oor stak, om zijn vriend Publius de rechterhand te schudden, en
+daarna zijn bevallig open en fijn besneden, bijna vrouwelijk gelaat
+naar den kluizenaar te keeren. Want door hem toe te spreken wenschte
+hij ook diens aandacht op zich te vestigen.
+
+"Met den groet van Plato, 'doe wat schoon en recht is,' nader ik
+u!" riep hij. Daarna ging hij kalmer voort. "Wel is waar behoeft
+gij deze vermaning ternauwernood, want gij behoort onder hen, die de
+kunst verstaan om de echte, dat is de innerlijke vrijheid deelachtig
+te worden. Wie toch kan vrijer zijn dan hij, die geene behoeften
+kent? Daar nu niemand edeler is dan hij, die van alle vrijen het
+meest vrij is, zoo neemt gij den cijns mijner vereering aan, en laat
+een groet van Lysias van Corinthe u welgevallig zijn, die even als
+Alexander gaarne met u, den Diogenes van Egypte, zou willen ruilen,
+wanneer het hem gegund werd, uit de opening van uwe anders niet
+bijzonder begeerlijke woning, steeds de lieftallige gedaante van
+deze jonkvrouw...."
+
+"Genoeg, jong heertje," zeide Serapion, den woordenvloed van den
+Griek stuitende. "Deze jonkvrouw behoort in onzen tempel te huis,
+en wien de lust mocht bekruipen, om met haar te spreken als ware zij
+eene fluitspeelster, die heeft met mij, haar beschermer, te doen. Ja
+met mij; en uw vriend dáar zal gaarne getuigen, dat het niet raadzaam
+is met mij en mijns gelijken den strijd aan te binden.--Gaat nu wat
+achteruit, jongelieden, en laat dit meisje mij zeggen wat zij begeert."
+
+Toen Irene nu tegenover den kluizenaar stond, en hem haastig en zacht
+verteld had, wat zij had gedaan, en dat hare zuster Klea nu op haar
+wachtte, begon Serapion eerst luid te lachen, en zeide daarna met
+zachte stem, maar opgeruimd, op den toon van een vader, die zijn
+dochtertje plaagt: "Zij heeft voor twee gegeten, en staat hier op
+haar teenen, en rekt zich uit tot aan mijn venster, als stak in dit
+rokje geen oververzadigd menschenkind, maar een luchtgeest. Wij kunnen
+lachen, maar Klea, dat arme schepsel, zal honger hebben, niet waar?"
+
+Irene sprak geen woord, doch terwijl zij zich nog hooger dan te voren
+op de teenen uitrekte, keerde zij Serapion haar geheele gelaat toe,
+en knikte herhaaldelijk, van harte toestemmend, met het lieve kopje.
+
+Terwijl zij hem schelmsch en tegelijk zoo innig smeekend in de oogen
+zag, riep de kluizenaar: "Gij verlangt dus dat ik u mijn ontbijt voor
+Klea zal geven. Doch daar kan niets van inkomen, want dat ontbijt
+is er geweest en niet meer terug te vinden. Alleen de dadelpitten
+zijn daarvan nog over. Maar op dat bordje dáar in uwe hand ligt een
+redelijk maal."
+
+"Het is het offer van den ouden Phibis voor Serapis," gaf het meisje
+ten antwoord.
+
+"Hm, hm, nu ja," bromde de oude. "Als het voor den god is.... Doch
+deze kan het inderdaad beter ontberen, dan zulk een arm, uitgehongerd
+menschenkind."
+
+Daarop ging hij echter voort met ernst en nadruk, evenals een
+onderwijzer, die de onvoorzichtige woorden, door zijne leerlingen
+uit zijn mond vernomen, met waardiger taal wil goedmaken: "Voorzeker,
+wat ons is toevertrouwd, mogen wij ons niet toeëigenen, en eerst de
+godheid--dan de menschen. Wist ik nu maar hoe men.... Maar bij de
+ziel mijns vaders, Serapis zelf zendt ons wat wij noodig hebben! Hei
+daar! edele Scipio, of, daar ik u zoo noemen mag, Publius, kom toch
+wat naderbij, en kijk eens met mij naar dien acacia ginds: Ziet gij
+daar mijn vriend, den gids, en het brood en de gebraden hoentjes,
+die uw slaaf voor hem uit de lederen tasch haalt? Nu zet hij zelfs
+eene wijnkruik op het kleed, dat hij voor de groote voeten van Eulaeus
+heeft uitgespreid. Aanstonds zullen zij ook u ter maaltijd noodigen,
+maar ik weet een lief hongerig kind, welks ontbijt heden morgen door
+een witte kat is opgevreten. Breng mij voor dat schepseltje een half
+brood en een kippenboutje, en als ge wilt ook nog een granaatappel,
+of eene van die perziken, die de eunuuch daar juist met zijne vinger
+bevoelt. Van deze kunt gij er ook wel twee geven, want ik kan ze
+allebei wel gebruiken."
+
+"Serapion!" zeide Irene op zacht verwijtenden toon, en sloeg de oogen
+neder. De Griek riep echter met geestdrift: "Meer, veel meer kan ik
+u brengen. Ik vlieg dadelijk heen...."
+
+"Blijf!" viel Publius hem in de rede, met gebiedende stem, terwijl hij
+hem bij den schouder terughield. "Het verzoek van Serapion gold mij,
+en ik wensch mijn vriend in eigen persoon een dienst te bewijzen."
+
+"Ga gij dan!" riep de Griek Publius achterna, die zich snel
+verwijderde. "Gij gunt mij dus den dank niet van de schoonste lippen
+in Memphis. Zie eens, Serapion, wat haast hij maakt! Nu moet die
+arme Eulaeus opstaan. Een nijlpaard zou van hem kunnen leeren, hoe
+men dat op de meest onbeholpen manier doen moet. Dat noem ik korte
+metten maken. Zoo'n Romein vraagt niet veel eer hij neemt. Daar heeft
+hij reeds wat hij hebben wil. Eulaeus kijkt hem na als eene melkkoe,
+die men haar kalf afneemt. Ik voor mij eet ook liever de perziken op,
+dan dat ik ze door een ander weg zie halen. Als het volk op het Forum
+dit eens zien kon! Publius Cornelius Scipio Nasica, de lijfelijke
+kleinzoon van den grooten Africaan, die in elke hand een schotel
+draagt, als een slaaf die bij het gastmaal bedient! Welnu, Publius,
+wat brengt Rome ditmaal als overwinnaar naar huis?"
+
+"Heerlijke perziken, en een gebraden fazant," antwoordde Cornelius
+lachend, en reikte den kluizenaar de beide schotels door zijn venster
+toe. "Er blijft nog genoeg voor den oude over."
+
+"Dank, hartelijk dank!" zeide Serapion, riep Irene met een wenk nader,
+gaf haar een goudgeel tarwebrood, de helft van het gebraad, dat
+Eulaeus reeds in tweeën had gedeeld, benevens twee perziken. Daarbij
+fluisterde hij haar zachtkens toe: "De andere helft mag Klea, als die
+dáar weg zijn, zelve bij mij komen halen. Bedank thans dien goeden
+heer en ga heen."
+
+Een oogenblik stond het meisje verlegen en sprakeloos tegenover den
+Romein. Voor den ernstigen blik zijner donkere oogen sloeg zij de hare
+neder. Haar gelaat kleurde van schaamte en met de kleine sneeuwwitte
+tanden beet zij zich op de onderlip. Eindelijk vatte zij moed en zeide:
+"Gij zijt wel goed. Ik kan mij niet in mooie woorden uitdrukken,
+maar vriendelijk zeg ik u dank."
+
+"En uw vriendelijke dank," antwoordde Publius, "maakt dezen kostelijken
+morgen voor mij nog schooner. Tot een aandenken aan dezen en aan u
+zou ik wel een van die viooltjes uit uw haar willen bezitten."
+
+"Neem ze alle!" riep Irene, maakte het ruikertje snel uit de haren
+los, en reikte het den Romein toe. Maar eer deze de bloemen aannemen
+kon, trok zij de hand terug, en zeide met een ernstig gezicht: "De
+koningin heeft ze in de hand gehouden! Mijne zuster Klea heeft ze
+gisteren bij den optocht gekregen."
+
+Bij deze woorden veranderden de gelaatstrekken van Cornelius, en
+vroeg hij met gebiedende kortheid en scherpte: "Heeft uwe zuster
+zwart haar, en is zij grooter dan gij, en draagt zij bij optochten
+een gouden krans? Schonk zij u deze bloemen?--Ja, zegt gij? Nu, 't
+zij zoo. Zij heeft dit ruikertje van mij gekregen, maar hoewel zij
+het aannam schijnt zij er toch weinig mede in haar schik geweest te
+zijn. Want wat men op prijs stelt, dat geeft men niet weg. Zoo moge
+het dan vliegen!"
+
+Terwijl hij dit sprak wierp Publius de bloemen over het huis en zeide
+vervolgens op vriendelijken toon: "Gij, mijn kind, zult schadeloos
+gesteld worden voor den verloren haartooi. Geef mij uwe granaat,
+Lysias."
+
+"Waarachtig niet," antwoordde deze. "Gij verlangdet in eigen persoon
+uw vriend Serapion een dienst te bewijzen, toen ge mij zoo even
+terughieldt om de perziken te halen. Thans verlang ik met eigene hand
+de schoone Irene mijn granaat te geven."
+
+"Neem dan den bloesem van hem aan," zeide Publius, en keerde hem
+opeens den rug toe, terwijl Lysias zijn granaat in de handen stak
+van het meisje, waarmede zij het houten bord vast hield. De harde
+bejegening van den Romein gaf haar een gevoel, als had eene ruwe hand
+haar aangeraakt. Zwijgend en schuchter boog zij, om daarop haastig
+naar hare woning terug te keeren.
+
+Publius staarde haar peinzend na, tot Lysias hem toeriep: "Hoe heb
+ik het nu? Is heden morgen de vroolijke Eros in den tempel van den
+somberen Serapis verdwaald geraakt?"
+
+"Dat zou niet goed zijn," haastte de kluizenaar zich te zeggen:
+"want de Cerberus voor de voeten van onzen god zou den winderigen
+jongen"--en bij deze woorden zag hij den Griek veelbeteekenend
+aan--"weldra de beweeglijke vleugels uitplukken."
+
+"Als hij zich ten minste door het driekoppig ongedierte liet vangen,"
+zeide Lysias lachend. "Maar kom nu, Publius, Eulaeus heeft thans lang
+genoeg gewacht."
+
+"Ga gij dan naar hem toe," antwoordde de Romein. "Ik volg u weldra,
+maar eerst heb ik nog een woordje met Serapion te spreken."
+
+Deze laatste had, sedert Irene vertrokken was, zijne aandacht gewijd
+aan den acacia, waaronder de eunuuch nog altijd zat te smullen. Toen
+de Romein hem nu aansprak, schudde hij met weerzin het groote hoofd,
+en zeide:
+
+"Uwe oogen zijn zeker niet slechter dan de mijne. Zie eens hoe dat
+heer onder het kauwen zijne kaken beweegt en met de lippen smakt! Bij
+Serapis, men kan het karakter van een mensch leeren kennen, wanneer
+men hem ziet eten. Gij weet dat ik niet voor mijn plezier in deze
+kooi zit, maar om éene rede ben ik er dankbaar voor, namelijk dat
+ik daardoor niet in de verzoeking kom om te doen, wat lieden van
+het slag van Eulaeus genieten noemen, want zulk genieten, zeg ik u,
+verlaagt een mensch."
+
+"Zoo zijt gij dan toch meer wijsgeer, dan gij wilt schijnen,"
+antwoordde Publius.
+
+"Ik wil van niets den schijn aannemen," antwoordde de kluizenaar,
+"want mij is het om het even, wat anderen van mij denken. Maar wanneer
+iemand, die niets te doen heeft, die zelden in zijne rust gestoord
+wordt en over allerlei dingen zoo zijne eigene gedachten heeft, een
+wijsgeer is, noem dan mij zóo als gij wilt. Zoo gij ooit goeden raad
+noodig hebt, moogt ge mij altijd opnieuw bezoeken, want gij bevalt mij,
+en misschien zijt gij in staat mij een gewichtigen dienst te bewijzen."
+
+"Spreek slechts," zeide de Romein. "Van harte gaarne wil ik u van
+dienst zijn."
+
+"Ditmaal niet," antwoordde Serapion zacht, "maar kom, als gij tijd
+hebt, op een anderen keer weder, natuurlijk zonder uwe metgezellen
+van heden, ten minste zonder Eulaeus, die van alle schurken, welke
+ik ooit ontmoet heb, de slechtste is. Misschien kan het zijn nut
+hebben, wanneer ik reeds heden u zeg, dat ik u niet spreken wil over
+mijzelven, want wat zou ik begeeren?--maar dat het geldt het geluk
+of het ongeluk der kruikdraagsters die gij beide hebt gezien en die
+bescherming noodig hebben."
+
+"Om de oudste, om Klea, en niet om uwentwil kwam ik hierheen," zeide
+Publius vrijmoedig. "Zij heeft iets in haar gang, in hare oogen,
+dat anderen mogelijk afstoot, maar mij aantrekt. Hoe komt een meisje
+met zulk een voornaam uiterlijk in uwen tempel?"
+
+"Als gij terugkomt," antwoordde de kluizenaar, "vertel ik u de
+geschiedenis van de zusters, en wat zij aan Eulaeus te danken
+hebben. Ga nu heen, en houd u reeds dadelijk overtuigd, dat deze
+meisjes hier goed bewaakt worden tegen lichtzinnige aardigheden. Ik
+maak deze opmerking met het oog op den Griek, die overigens een
+hulpsche flinke knaap is, niet om uwentwil, want gij ziet er uit als
+een rechtschapen man, en als gij weet wie die meisjes zijn, zult gij
+mij gaarne helpen om hunne belangen te bevorderen."
+
+"Dat heb ik heden reeds gedaan met groot genoegen," riep Publius, nam
+daarop afscheid van den kluizenaar, en richtte zijne schreden naar
+Eulaeus, dien hij begroette met de woorden: "Dat was een kostelijke
+morgen!"
+
+"Deze zou voor mij nog schooner zijn geweest," antwoordde de eunuuch,
+"wanneer ge mij wat minder lang van uw gezelschap hadt beroofd."
+
+"Dat beteekent," hernam de Romein, "dat ik langer dan behoorlijk is
+ben weggebleven."
+
+"Gij handelt, zooals al uwe landgenooten gewoon zijn te doen,"
+hernam de ander met eene diepe buiging, "die zelfs koningen in hunne
+voorvertrekken laten wachten."
+
+"Gij draagt echter geen kroon," liet Publius er bits op volgen,
+"en zoo iemand, dan verstaat een oud hoveling de kunst om geduld
+te oefenen...."
+
+"Wanneer het volgens den wil zijns konings zoo zijn moet," zeide
+Eulaeus hem in de rede vallende, "weet de grijze hoveling ook
+te zwijgen, wanneer het jongelieden lust hem te hoonen." "Dit
+geldt ons beiden," hernam Publius, terwijl hij zich tot den Griek
+wendde. "Beantwoord gij hem nu, Lysias, want ik heb genoeg gehoord
+en gesproken, en uw tong is vlugger dan de mijne."
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Gelijk Irene's voet geene vast aangehaalde riemen kon verdragen,
+zoo was haar gemoed uiterst gevoelig voor ieder ruw woord. De taal
+en de houding van den Romein hadden haar daarom gegriefd.
+
+Met gebogen hoofd ging zij naar hare woning, en het scheelde niet
+veel of zij weende. Maar vóor zij den drempel genaderd was, viel
+haar oog op de perziken en het gebraad in hare hand. Zij dacht nu
+opeens aan hare zuster, en hoe goed der hongerige dit heerlijk maal
+zou smaken. Er speelde weder een lachje om haren mond, er straalde
+blijdschap uit hare oogen, en met haastige schreden zette zij haar
+weg voort. Het kwam niet bij haar op, dat Klea naar de viooltjes zou
+vragen, en dat de Romein in hare schatting meer zou zijn, dan ieder
+ander vreemdeling, die goed voor haar was.
+
+Zij had buiten hare zuster geene andere levensgezellin gehad,
+en na den arbeid, wanneer andere meisjes over het smachten naar
+liefde en de vrees voor haar lief en leed spreken, kwamen deze twee
+gewoonlijk zoo zwaar vermoeid te huis, dat zij naar niets anders
+verlangden dan naar rust en slaap. Bleef hun al eens een uurtje over
+voor gezelligen kout, dan begon Klea altijd weder te vertellen van
+haar beider ouderlijk huis. En Irene, die ook tusschen de sombere
+muren van den Serapis-tempel menig onschuldig genoegen zocht en vond,
+luisterde gaarne naar haar, en viel haar telkens in de rede met vragen,
+en met kleine voorvallen en trekken te verhalen, welke zij zich uit
+hare kindsheid meende te herinneren, hoewel vele bijzonderheden,
+die zij door de werking harer uitermate levendige en scheppende
+verbeeldingskracht geheel tot haar eigendom had gemaakt, haar eerst
+bekend waren geworden door hare zuster.
+
+Klea had de lange afwezigheid van Irene niet opgemerkt, want spoedig
+nadat deze haar verlaten had, was zij, door honger en vermoeienis
+overmand, ingesluimerd. Alvorens haar knikkend hoofd tot rust kwam
+en hare oogleden zich sloten, kwamen er zeer pijnlijke trekken rondom
+haar mond, die echter even spoedig weer verdwenen. Daarop opende zij
+even hare lippen, en gelijk eene zachte lentekoelte over eene bevrozen
+bloem, zoo vloog er een lachje over hare wangen, die langzamerhand
+met een hoogeren blos werden overtogen.
+
+Zij die daar sliep was zeker niet geboren voor eentonigheid en
+onthouding, maar om de liefde met al hare zaligheid bij anderen te
+wekken en zelve te genieten.
+
+Het werd steeds warmer in het vertrek der zusters en daarbij stil,
+zeer stil. Nu eens hoorde men alleen het gegons eener vlieg, die vloog
+rondom het olieschaaltje, dat Irene geledigd had, dan weder de steeds
+versnellende ademhaling van haar die sliep.
+
+Ieder spoor van afmatting was van Klea's aangezicht verdwenen. Hare
+lippen openden zich om een kus te geven en te ontvangen. Vuurrood
+kleurden zich hare wangen. Eindelijk hief zij de handen omhoog en
+stamelde in haar droom, met afwerend gebaar: "Neen, toch niet, neen,
+stellig niet: ik bid u, liefste...." Toen zonk haar arm neder, en
+sloeg tegen de kist, waarop zij zat, zoodat zij ontwaakte.
+
+Langzaam opende zij de oogen met een zalig lachje; daarop hief zij de
+met lange zijden haren bezette oogleden al hooger en hooger op, totdat
+haar wijd geopend oog verschrikt in de ruimte staarde, als had het iets
+buitengewoons ontmoet. Zóo bleef zij een tijd lang zitten, zonder zich
+te verroeren. Toen richtte zij zich op, bracht de rechterhand tegen
+haar voorhoofd en vóor hare oogen, kromp ineen, als had zij iets
+ontzettends gezien, of als had een ijskoude wind haar aangeblazen,
+en prevelde afgebroken, de tanden telkens op elkander klemmende:
+
+"Wat moet dat beteekenen? Hoe komen deze gedachten in mij op? Wat
+zijn dat voor booze geesten, die ons in den droom dingen laten doen
+en ondervinden, welke wij wakende zeer, zeer ver uit ons hart en
+onze verbeelding zouden bannen? Ik zou mijzelve kunnen minachten,
+haten zelfs om dit droomgezicht, want ik, rampzalige, liet het toe,
+dat hij mij omhelsde, en geen bittere toorn, neen, iets gansch anders,
+een onuitsprekelijk zalig gevoel doortintelde daarbij mijne ziel."
+
+Onder het uitspreken dezer woorden balde zij hare handen tot vuisten,
+die zij tegen hare slapen drukte. Daarna liet zij de armen weder slap
+in den schoot zinken, en het hoofd schuddend zeide zij op een anderen,
+op zachteren toon:
+
+"Maar waarlijk, het is slechts een droom geweest, en--gij eeuwige
+goden--wanneer wij slapen--ja, wat dan?--Zoover moest het met mij
+komen! Aan mijne onreine gedachten voeg ik thans nog toe, dat ik onwaar
+ben tegen mijzelve! Neen, geen demon heeft mij dezen droom toegezonden,
+deze was slechts eene afspiegeling van hetgeen ik gisteren gevoelde,
+en eergisteren en vroeger, als die vreemde groote man mij nogmaals,
+nu reeds voor de vierde maal, aanzag, met dien machtigen blik in
+de oogen, en mij daarbij--hoe vele uren is het reeds geleden?--de
+viooltjes toereikte. Heb ik toen het aangezicht afgewend, en zijne
+stoutheid met toornige blikken gestraft? Zou het niet mogelijk zijn
+ook met de oogen een vijand te verjagen? Dat is mij tot hiertoe altijd
+gelukt, zoo vaak een man mij aankeek, maar gisteren was ik hiertoe
+niet in staat. Toch was ik zoo wakker als in deze ure. Wat wil toch
+die vreemdeling van mij? Wat verlangt zijn doordringende blik, die
+mij sedert dagen vervolgt, waarheen ik mij ook wendde, en mij ook
+in den slaap de rust ontrooft? Waarom opende ik voor hem het oog,
+dat de poort des harten is? Thans woekert daar binnen het gif voort,
+dat ik heb ingedronken! Maar ik ruk het uit, en als Irene terugkeert,
+dan vertrap ik de viooltjes, of ik laat ze haar behouden, die ze weldra
+verschrompeld en geurloos laat verdorren. Want ik wil rein blijven,
+zelfs in mijne droomen; wat beteekent anders mijne reinheid?"
+
+Met deze woorden brak zij haar alleenspraak af, want zij had Irene's
+stem gehoord, en de klank dier stem scheen allerweldadigst op haar
+gemoed te werken. De bitter pijnlijke trek die zoo even nog haar
+schoon gelaat ontsierd had, verdween, en weder ruim ademhalende,
+prevelde zij: "Ik ben toch nog niet gansch arm en ellendig, zoolang
+ik haar heb, en hare stem mag vernemen."
+
+Toen Irene, die onderweg aan een tempeldienaar de onaanzienlijke
+offergaven van den kluizenaar Phibis voor het altaar van Serapis
+had overgegeven, het vertrek binnentrad, hield zij het bord met het
+geschenk van den Romein achter den rug verborgen, en riep reeds op
+den dorpel hare zuster toe: "Raad nu eens wat ik hier heb?"
+
+"Brood en dadels van Serapion," was Klea's antwoord.
+
+"O neen," riep de andere, terwijl zij hare zuster het bord voorhield,
+"enkel lekkernijen voor goden en koningen. Betast deze perzik eens! Is
+het niet als voeldet ge de wangetjes van den kleinen Philo? Als
+ik altijd zulk eene heerlijke schadevergoeding vond, dan mocht gij
+wel wenschen, dat ik elken morgen uw ontbijt opat. En weet gij wel,
+wie ons dit alles heeft geschonken? Neen, dat kunt gij niet raden! De
+groote Romein gaf het mij, dezelfde van wien gij gisteren de viooltjes
+hebt ontvangen."
+
+Klea's aangezicht verbleekte, en zij vroeg kortaf, op strengen toon:
+"Hoe weet gij dat?"
+
+"Omdat hijzelf het mij gezegd heeft," antwoordde Irene, op gansch
+anderen toon, want het oog harer zuster was strak op haar gericht,
+en zag haar aan met eene uitdrukking van strengen ernst, die haar
+tot hiertoe vreemd was.
+
+"En waar zijn de viooltjes?" vroeg Klea verder.
+
+"Hij nam ze weg, en zijn vriend gaf mij dezen granaatbloesem",
+stamelde Irene. "Hijzelf wilde mij dien overhandigen, maar de Griek,
+een schoon, vroolijk jongmensch, liet het niet toe en legde dien dáar
+op het bord. Ziedaar, neem hem, maar zie mij niet langer zoo aan,
+ik kan het waarlijk niet verdragen!"
+
+"Ik wil dien bloesem niet hebben," zeide de andere, niet zonder
+bitsheid. Daarop sloeg zij de oogen neder en vroeg zacht: "Heeft de
+Romein de viooltjes gehouden?"
+
+"Hij behield--neen, Klea, neen, ik wil u niet voorliegen! Hij wierp ze
+over het huis en sprak daarbij zulke ruwe woorden, dat ik verschrikte,
+en hem haastig den rug toekeerde; want ik voelde reeds, hoe mij de
+tranen in de oogen welden. Wat hebt gij toch met dien Romein? Ik maak
+mij zoo angstig; ik gevoel mij zoo gejaagd als wanneer er een onweder
+opkomt, waarvoor ik bang ben. En wat zien uwe lippen bleek! Dat
+komt zeker van het lange vasten. Kom eet u nu eens zat. Maar Klea,
+waarvoor kijkt ge mij zoo aan, zoo donker, zoo akelig? Ik kan dezen
+blik niet verdragen, neen, ik kan het niet!"
+
+Irene begon luid te snikken, doch hare zuster naderde haar, streek de
+zachte haren van haar voorhoofd weg, en zeide vriendelijk: "Ik ben
+niet boos op u, mijn kind, en wil u geen verdriet doen. Kon ik maar
+weenen als gij, wanneer wolken mijn hart benevelen, dan vertoonde zich
+ook hier binnen de blauwe hemel weder even spoedig als bij u. Droog
+thans uw oogen af, ga hierover in den tempel en vraag, wanneer men
+ons wacht voor de zangoefening, en hoe laat de optocht begint."
+
+Irene voldeed aan dit bevel. Met gebogen hoofd was zij naar buiten
+gegaan, doch spoedig daarna sloeg zij de oogen weder vroolijk op, want
+zij dacht aan den optocht. Toen haar inviel, dat zij den opgeruimden
+vriend van den Romein, daarbij zou wederzien, keerde zij nog eens in
+het vertrek terug, legde haar granaatbloesem in het napje, waaruit
+zij in den morgen de viooltjes had genomen, groette hare zuster even
+vroolijk als altijd, en overlegde bij zichzelve, of zij na den optocht
+de bloem in het haar of op de borst zou steken. Zij moest haar in elk
+geval dragen, want zij diende te toonen, dat zij zulk een geschenk
+op prijs wist te stellen.
+
+Zoodra Klea alleen was, greep zij met eene driftige beweging naar
+het bord, dat Irene haar gebracht had, wierp der grijze kat, die het
+vertrek was binnengeslopen, het gebraad toe, en wendde daarbij het
+gelaat af, want reeds de geur van den fazant hinderde haar. Nadat
+de kat zich met haar welkomen buit in een hoek van de kamer had
+teruggetrokken, greep zij eene der perziken, en hief de hand op, om
+de schoone vrucht door eene opening in het dak van haar vertrek naar
+buiten te werpen. Maar zij voerde dit voornemen niet uit, want zij
+bedacht, dat zij Irene en het zoontje van den portier met de zoete
+vrucht verblijden kon. Daarom legde zij haar weder op het bord,
+en greep naar het brood, want de honger begon haar zeer te kwellen.
+
+Reeds was zij gereed het goudgele gebak te breken, maar eene vluchtige
+opwelling volgende, wierp zij ook dit weder op het bord en prevelde:
+"Ik wil hem ook zelfs niet voor het geringste te danken hebben. Doch
+ik zal deze gave der godheid niet wegwerpen, gelijk hij mijne
+viooltjes deed, want dat zou zonde zijn. Laat het brood eene hongerige
+verzadigen, dan doet het toch eenig goeds, waarvoor hij misschien nog
+den dank van een god ontvangt. Tusschen hem en mij moet alles voorbij
+zijn, en zoo hij zich heden andermaal bij den optocht vertoont, en
+het hem lust mij nog eens aan te zien, zoo zal ik mijne oogen weten te
+dwingen de zijne te ontwijken. Ik wil het, en zal het doen! Maar gij,
+eeuwige goden, en gij bovenal, groote Serapis, wien ik gewillig dien,
+zonder uwen bijstand zal ik hiertoe niet in staat zijn; helpt, ja
+helpt mij hem te vergeten, opdat mijne gedachten rein mogen blijven!"
+
+Onder het uitspreken dezer woorden wierp zij zich voor de kist neder,
+drukte haar voorhoofd tegen het harde hout, en trachtte te bidden. Zij
+bad de goden slechts om éen ding, namelijk den man te kunnen vergeten
+die haar de rust harer ziel had ontroofd.
+
+Maar evenals wolken, die voorbijdrijven tusschen een hemellichaam en
+het oog van den sterrekundige, die het wil waarnemen, onophoudelijk
+den astronoom in zijnen arbeid storen; evenals straatrumoer een schoon
+lied, waarnaar wij zoo gaarne zouden willen hooren, telkens en telkens
+weder afbreekt en door verward gedruisch bederft, zoo vertoonde zich
+aan Klea onophoudelijk het beeld van den Romein, terwijl zij bad om
+bevrijding van elke gedachte aan hem. Eindelijk kwam het haar voor als
+geleek zij een mensch, die een rotsblok met inspanning van al zijne
+krachten wenscht op te richten, en die, in plaats van den steen op
+te heffen, door zijn last ter aarde wordt gebogen; zij toch ontwaarde
+dat, trots al haar worstelen in den gebede, de vijand, dien zij verre
+van zich wenschte te verwijderen, haar steeds meer naderde in plaats
+van te vluchten en zich in weerwil van den hardnekkigsten tegenstand,
+van hare ziel meester maakte.
+
+Eindelijk staakte zij dezen vruchteloozen strijd, stond op, koelde
+haar gloeiend gelaat met frisch water af, en haalde de riemen van
+haar sandalen vaster aan, want in den tempel, in de nabijheid van de
+godheid, hoopte zij de rust deelachtig te worden, die zij hier niet
+vinden kon.
+
+Vóor de deur van haar kamer trof zij Irene aan, die haar mededeelde,
+dat om den optocht, die te vier uren na den middag zou beginnen,
+de zangoefening zou worden uitgesteld.
+
+Toen Klea zich vervolgens verwijderde, om hare schreden naar den tempel
+te richten, riep hare zuster haar achterna: "Gij blijft toch niet
+lang uit? Er zal weldra weder water noodig zijn voor de offergaven."
+
+"Ga gij dan maar aan den arbeid," verzocht Klea, "er is toch niet
+veel noodig, want spoedig zal de tempel ledig zijn, wegens den
+optocht. Met enkele kruiken zult gij kunnen volstaan. Daar binnen
+ligt een broodje en een perzik voor u, den anderen moet ik voor den
+kleinen Philo bewaren."
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+Zonder te luisteren naar hetgeen Irene hiertegen inbracht, ging Klea
+met rassche schreden naar den tempel. Zij sloeg geen acht op hen,
+die in het voorhof, voorover gebogen of met de armen omhoog geheven,
+stonden te bidden, of die, als zij van Egyptische afkomst waren,
+op den gladden geplaveiden vloer knielden. Want zij begon zelve zich
+dadelijk tot den god te wenden om te bidden.
+
+Zij betrad thans de groote voorzaal van het heiligdom, die alleen
+door de ingewijden en tempeldienaren, waartoe ook zij behoorde,
+betreden mocht worden. Hier verhieven zich in de rondte vele slanke
+zuilenschachten, als leliën stengels, gekroond met schoone afgeronde
+bloemkelken. Hier zag zij aan de steenen zoldering boven haar hoofd
+den nachtelijken hemel afgebeeld, en de glanzende nooit stilstaande
+en toch eeuwig rustende gesternten, de planeten en vaste sterren,
+die uit hunne gouden barken stil op haar nederblikten.
+
+Ja, hier was het schemerdonker en kalm genoeg voor eene
+gedachtenwisseling met de godheid!
+
+De zuilen, die haar omgaven, kwamen haar voor een woud te zijn
+van reusachtige planten uit eene andere wereld, en het was haar
+als stroomden uit die bloemkapiteelen, die het gewelf droegen,
+wierookgeuren, die hare door vasten en door innerlijke gejaagdheid
+prikkelbare zintuigen benevelden.
+
+Zij hield de oogen ten hemel gericht en de armen over de borst
+gekruist, terwijl zij de groote hal doorliep, om met langzame schreden
+eene kleinere en lagere zaal te naderen, op welken stikdonkeren
+achtergrond een voorhangsel van zware, kostbare stof de koperen deur
+van het Allerheiligste bedekte.
+
+Het was ook haar verboden deze gewijde plaats te betreden. Doch
+heden gevoelde zij zich zoo geheel vervuld van smachtend verlangen
+naar den bijstand van den god, dat zij het Allerheiligste naderde,
+ondanks het strenge gebod om daarvan verre verwijderd te blijven,
+dat zij nog nooit had overtreden. Vol vromen eerbied boog zij zich ter
+aarde naast de poort van het heilig vertrek en dook weg in een hoek,
+die een vooruitstekende pijler met den achterwand van de zaal vormde.
+
+De innige behoefte, om buiten ons eene macht te zoeken, die ons
+levenslot bestuurt, is ieder volk, elken mensch eigen; ja, zij behoort
+even stellig tot het wezen van ieder redelijk schepsel, wie hij ook
+zijn moge, als de drang om naar de oorzaken te vragen, wanneer wij
+zekere werkingen waarnemen; als de lust om te zien, wanneer het licht
+de aarde beschijnt, of om te hooren, wanneer de trillende golven
+der tonen ons oor bereiken. Ongetwijfeld bezitten alle menschen dit
+godsdienstig gevoel niet in dezelfde mate, gelijk dit met elke gave
+het geval is. Bij Klea was het van nature zeer sterk, en eene vrome
+moeder had het bovendien door leering en voorbeeld ontwikkeld, terwijl
+haar vader haar altijd maar éen ding geleerd had, namelijk oprecht
+te zijn, onverbiddelijk oprecht voor anderen zoowel als voor zichzelve.
+
+Op later leeftijd hield zij zich dagelijks bezig met den dienst in
+den tempel van den god, dien zij voor den grootsten en machtigsten
+onder alle goddelijke wezens had leeren houden. Dikwijls had zij
+uit de verte gezien, hoe het voorhangsel van het sanctuarium op
+zijde werd geschoven; hoe het beeld van Serapis met den kalathos
+[6] op het hoofd en den Cerberus aan zijne voeten in de schemering
+van het Allerheiligste zichtbaar werd; hoe een lichtstraal, die
+als door een wonder uit de duisternis te voorschijn kwam, hem langs
+het voorhoofd streek en den mond kuste, wanneer de priesters zijne
+goedheid in hunne liederen prezen. Bij andere gelegenheden werden er
+opeens lichten ontstoken aan de zijden van de godheid, of gingen zij
+even plotseling vanzelf weder uit.
+
+Zoo gaarne vereerde zij dan den grooten hemelheer, die na elke zon die
+onderging eene nieuwe liet verrijzen; die het leven wekte uit den dood;
+die den afgestorvene opwekte en tot goddelijke waardigheid verhief,
+als hij op aarde de waarheid had gehuldigd en waarachtig bevonden
+werd voor zijne rechters in de andere wereld. Boven elke andere deugd
+beloonde Serapis de waarheid, die haar vader haar geleerd had lief
+te hebben, en als het hoogste levensgoed in waarde te houden. Met de
+waarheid woog de god de harten. En zoo dikwijls Klea zich zijn beeld
+voorstelde in menschelijke gedaante, droeg hij de ernstige en zachte
+trekken haars vaders, meende zij hem te hooren spreken met de woorden
+van den man, aan wien zij het leven dankte, die haar zoo vroeg was
+ontnomen, die zooveel had geleden om den wille zijner gerechtigheid,
+en uit wiens mond zij nooit een woord had vernomen, dat niet den god
+zelven waardig geweest zou zijn.
+
+Zij gevoelde zich zoowel in de nabijheid van haren vader als van
+Serapis, toen zij, dicht in dien donkeren hoek van het Allerheiligste
+weggedoken, zichzelve zonder verschooning aanklaagde, dat onreine
+wenschen haar hart hadden bewogen, en dat zij onoprecht was geweest
+tegen zichzelve, onoprecht tegen Irene, ja dat zij, als het haar
+niet gelukte het beeld van den Romein uit hare ziel te rukken,
+gedwongen zou zijn hare zuster voor te liegen, of het onschuldig en
+zorgeloos gemoed te verontrusten van het licht beweeglijke kind,
+dat zij gewoon was als eene moeder met raad en hulp ter zijde te
+staan. Terwijl haar het schijnbaar lichte zwaar drukte, wist Irene
+het ernstige en zwaarwichtige zonder moeite van zich af te zetten,
+als ware het zoo licht als een veder. Zij was als vochtige klei,
+waarin zelfs de fijne pootjes van den vlinder een spoor achterlaten,
+hare zuster als een spiegel, waarop de nederslag, die de oppervlakte
+benevelt, spoedig geheel verdwijnt.
+
+"Groote god," prevelde zij biddende, "ik ben te moede, als had de
+Romein een brandmerk diep in mijne ziel gedrukt. Help gij mij nu
+de sporen ervan uit te wisschen; help mij, opdat ik weder worde als
+weleer, opdat ik wederom rein en open, zonder veinzen, Irene in de
+oogen kan zien; help mij, opdat ik, gelijk voorheen, tot mijzelve
+durf zeggen: ik heb zoo gedacht en gehandeld, dat mijn vader zich
+zou verheugen, als hij het vernemen kon."
+
+Terwijl zij zoo bad, werd Klea in hare godsdienstige overpeinzingen
+gestoord door de schreden en de stemmen van twee mannen, die het
+Allerheiligste naderden. Plotseling kwam zij tot het volle bewustzijn,
+dat zij hier toefde op eene verbodene plaats, dat men haar streng
+zou straffen, wanneer men haar hier ontdekte.
+
+"Sluit de deur daar!" fluisterde éen van hen die naderden zijn metgezel
+toe, en wees op de poort, die uit de zuilenhal toegang verleende tot
+den prosekos [7], "want ook van de ingewijden, behoeft niemand te zien,
+wat gij hier voor ons verrichten zult..."
+
+Klea herkende de stem van den opperpriester, en begreep dat zij te
+voorschijn komen en vergiffenis vragen moest, doch hoewel het haar
+anders niet aan moed ontbrak, zoo deed zij dit toch niet, maar kroop
+nog dieper in haar schuilhoek, die in volslagen duisternis werd gehuld,
+nadat de metalen deur van de zaal zonder vensters, waarin zij zich
+bevond, gesloten was. Zij nam vervolgens waar, hoe men het voorhangsel
+wegschoof en de deuren opende, die het sanctuarium afsloten; hoorde
+hoe men den vuurboor draaide; zag eene schemering van licht uit het
+heiligdom te voorschijn komen en vernam daarna hamerslagen en het
+strijken van vijlen.
+
+Het stille Allerheiligste was eene smidswerkplaats geworden, maar
+hoe luid het daar ook toeging, toch scheen het Klea toe, dat haar
+hart nog luider klopte dan het metalen werktuig van Krates, een der
+oudste priesters van Serapis, die het toezicht had over de heilige
+gereedschappen. Deze was gewoon met niemand dan met den opperpriester
+te spreken, en beroemd ook onder zijn Grieksche landgenooten, omdat
+hij de kunst verstond gebroken metalen vaatwerk te herstellen,
+stevige sloten te vervaardigen en zilver en goud te smeden.
+
+Toen de zusters voor vijf jaren in den tempel kwamen, was Irene erg
+bang geweest voor dezen kleinen dwerg met zijne breede schouders en
+scherp uitstekende beenderen, wiens rimpelig gelaat wel van kurk
+scheen te zijn, en die eene pijnlijke ziekte had in zijne voeten,
+zoodat hij vaak niet loopen kon. De smid had zich hierover niet boos
+maar recht vroolijk gemaakt, want zoo dikwijls hij het toen elfjarig
+kind tegenkwam, trok hij zijn bovenlip op tegen den vuurrooden neus,
+verdraaide zijne oogen en grijnsde afschuwelijk, om den angst, dien
+hij de kleine aanjoeg, nog te vermeerderen. Hij was van nature niet
+boos, maar hij bezat noch vrouw noch kind, geen broeders of zusters
+of vrienden, en ieder menschenkind begeert zoo vurig, dat anderen
+iets voor hem voelen zullen, dat velen liever gevreesd worden, dan
+dat men geen acht op hen slaat.
+
+Nadat Irene haar angst voor den oude had overwonnen, verzocht zij
+menigmaal den man, dien alle andere tempelbewoners voor stroef en
+ongenaakbaar hielden, op de haar eigene vleiende manier, waarmede zij
+de harten wist te veroveren, om nog eens een gezicht voor haar te
+trekken. Dat deed hij dan ook en lachte, als de kleine wederom tot
+haar eigen plezier en tot het zijne bang werd en het op een loopen
+zette. Toen Irene weinige dagen geleden haar kamer moest houden, omdat
+zij haar voet had bezeerd, gebeurde wat men voor onmogelijk zou hebben
+gehouden. Hij vroeg Klea vol deelneming, waar hare zuster toch bleef,
+en gaf haar een koek voor het meisje.
+
+Terwijl Krates arbeidde, werd er geen woord tusschen hem en den
+opperpriester gewisseld. Thans legde hij den hamer neder en zeide:
+"Ik houd niet van zulk soort werk, maar dit is toch gelukt, zou ik
+meenen. Ieder achter het altaar verborgen tempeldienaar kan thans
+de lichten uitblusschen en aansteken, zonder dat zelfs de slimste
+in staat is het bedrog op te merken. Plaats u nu bij de deur van de
+groote zaal en spreek het woord."
+
+Klea hoorde hoe de opperpriester aan dezen wensch gehoor gaf en op
+zingenden toon riep: "En zoo gebiedt hij den nacht en het wordt dag,
+en de uitgedoofde kaars, en zij licht met glans. Wanneer gij ons ooit
+nabij zijt, Serapis, zoo vertoon u thans aan ons!"
+
+Een heldere lichtstroom kwam na deze woorden uit het sanctuarium te
+voorschijn, maar verdween plotseling, toen de opperpriester zong:
+"Zoo vertoont gij u als het licht voor de kinderen der waarheid,
+maar de kinderen van den leugen straft gij met duisternis."
+
+"Nog eens?" vroeg Krates, op den toon van iemand die wenscht, dat
+het antwoord ontkennend zal luiden.
+
+"Ik verzoek u het andermaal te doen," antwoordde de
+opperpriester. "Zóo, ditmaal gelukte het spel nog beter dan zoo
+even. Ik was vooraf zeker van uw kunst, doch vergeet niet, waarop het
+hier vooral aankomt. De beide koningen en de koningin zullen misschien
+het feest bijwonen, Philometor en Kleopatra in elk geval, en zij
+hebben de oogen goed open. Bovendien zal de Romein, die nu reeds voor
+de vierde maal aan de processie deelnam, hen begeleiden, en wanneer
+ik hem juist beoordeel, dan behoort hij, gelijk zooveel grooten van
+zijn volk, tot dezulken, die zich weinig om anderen bekommeren, als
+het noodig is zich met de oude goden tevreden te stellen, en die de
+wonderen welke wij hun kunnen vertoonen, niet zoomaar op goed geloof
+aannemen, maar aan eene nuchtere kritiek onderwerpen. Lieden van dit
+slag, die zich schamen niet te bidden, die echter niet philosopheeren,
+maar juist zooveel nadenken als noodig is om goed te handelen, dat
+zijn de gevaarlijkste vijanden van het bovenzinlijke."
+
+"En de natuuronderzoekers dan in het museum?" vroeg Krates: "Zij
+gelooven slechts aan de werkelijkheid van hetgeen zij zien en tasten
+kunnen."
+
+"Daarom zijn juist zij," antwoordde de opperpriester, "dikwijls zeer
+gemakkelijk door uwe kunst te misleiden. Daar zij toch eene werking
+zien zonder oorzaken, zijn zij te eer geneigd de niet waarneembare
+oorzaken voor bovenzinnelijk te houden. Doe thans de deuren weder
+open, laten wij door het zijpoortje naar buiten gaan en neem gijzelf
+ditmaal de taak op u Serapis een handje te helpen. Bedenk wel, dat
+Philometor alleen dan de akkerschenking zal bekrachtigen, wanneer hij,
+bij het verlaten van den tempel, diep doordrongen is van de grootheid
+van onzen god. Zou het mogelijk zijn vóor den verjaardag van koning
+Euergetes, die in Memphis gevierd zal worden, het nieuwe wierookvat
+gereed te hebben?"
+
+"Wij zullen zien," gaf Krates ten antwoord. "Eerst moet ik echter
+het slot van de groote poort van het Apis-graf in elkaar zetten,
+want zoolang ik het in mijne werkplaats bij mij heb, kan ieder den
+grafkelder openen, die eene pen door het gat boven den grendel steekt,
+en ieder dien sluiten, die de ijzeren bouten verschuift. Laat mij
+maar roepen, alvorens het spel met de lichten begint; ondanks mijne
+ellendige voeten, zal ik komen. Omdat ik deze zaak nu eens op mij
+genomen heb, en daarom alleen, zal ik haar voleindigen, doch ik zou
+meenen, dat ook zonder zulke bedrieglijke middelen...."
+
+"Wij bedriegen niet," zeide de opperpriester, zijn medehelper streng
+berispende. "Wij geven alleen kortzichtigen menschenkinderen in
+bevattelijken, zinnelijk waarneembaren vorm het leven en werken der
+godheid te aanschouwen."
+
+Na deze woorden keerde de trotsche man den smid den rug toe, en
+verliet door eene zijpoort de zaal. Krates opende echter de ijzeren
+deur en sprak, terwijl hij zijne werktuigen bijeenzocht, zoo luid
+in zichzelven, dat Klea het in haar schuilhoek duidelijk verstond:
+"'t Kan mij niet schelen, maar bedrog is bedrog, hetzij een god een
+koning, of een kind een bedelaar bedriegt."
+
+"Bedrog is bedrog," zeide Klea den smid na, en trad, nadat de laatste
+het vertrek had verlaten, uit haar schuilhoek te voorschijn. Zij
+bleef staan in de groote voorzaal en zag in het rond. Voor de eerste
+maal merkte zij op, dat de kleuren op den wand hier en daar waren
+verdwenen, dat de zuilen in den loop der tijden veel hadden geleden,
+en dat de tegels van den vloer losgeraakt waren. De geur van den
+wierook had thans voor haar iets walglijk zoets, en toen zij een ouden
+man voorbijging, die met de grootste geestdrift biddende zijne armen
+omhoog hief, zag zij met een blik van medelijden op hem neder.
+
+Toen zij de pylonen [8] was doorgegaan, die het eigenlijk heiligdom
+afsloten, keerde zij zich om en schudde, terwijl zij er op terugzag,
+verwonderd het hoofd. Voorzeker, zij wist dat sedert een uur geen
+steen aan den Serapis-tempel veranderd was, en toch scheen hij haar
+even vreemd toe als het landschap, dat wij in lentetooi leerden kennen,
+en in den winter met ontbladerde boomen wederzien; evenzeer veranderd
+als een vrouwelijk gelaat, dat wij onder den sluier, die het bedekte,
+voor schoon hielden, en dat ons, ontdaan van dit hulsel, blijkt vol
+rimpels en zonder eenige aanvalligheid te zijn.
+
+Zoodra zij het woord van den smid "bedrog is bedrog" vernam, ontwaarde
+zij een pijnlijk gevoel in hare borst, en was zij niet in staat de
+tranen tegen te houden, die opwelden in hare oogen, anders aan weenen
+weinig gewoon. Maar zoodra zij met hare eigene lippen het harde oordeel
+van den ouden Krates had nagezegd, waren hare tranen opgedroogd, en nu
+zij in opgewonden stemming den tempel overzag, evenals een wandelaar
+die van een goeden vriend afscheid neemt, haalde zij vrijer adem,
+richtte zich hooger op en keerde het heiligdom van Serapis, met een
+gewond hart maar trotsch, den rug toe.
+
+Bij de woning van den deurwachter kwam haar een kind te gemoet,
+waggelende op zijne voetjes en met de armpjes in de hoogte. Zij
+hief het van den grond op, kuste het en vroeg daarna de moeder, die
+haar kwam groeten, om een stukje brood, want de honger begon haar
+nu gevoelig te kwellen. Terwijl zij het droge baksel opat, bleef het
+kind op haar schoot zitten, en volgde met groote oogen de bewegingen
+van hare hand en haren mond. Het was een knaapje van ongeveer vijf
+jaren, met zulke zwakke beentjes, dat zij den last van zijn lichaam
+nauwelijks konden dragen, maar met een allerliefst gezichtje. Het
+ventje zag er bijzonder wezenloos uit, alleen als de kleine Philo
+Klea zag aankomen, begonnen zijne oogjes van vreugde te flonkeren.
+
+"Neem deze melk," zeide de moeder van het knaapje, terwijl zij de
+jonkvrouw een aarden schaaltje overhandigde, "al is het niet veel,
+en ook dit zou ik u zelfs niet kunnen aanbieden, als Philo eten wilde
+gelijk andere kinderen. Maar het schijnt dat het slikken hem pijn
+doet, hij drinkt twee druppels en eet een hapje; meer gebruikt hij
+echter niet, of men moet hem klappen geven."
+
+"Gij hebt hem toch niet weder geslagen?" vroeg Klea verwijtend,
+en drukte het kind aan haren boezem.
+
+"Ik niet, maar mijn man," antwoordde de vrouw, terwijl zij verlegen
+aan haar kleed trok. "Het kind is op een gunstigen dag en in eene
+goede ure geboren, en toch blijft het zwak en leert niet praten. En
+dat ergert Phianchi."
+
+"Hij zal alles weder bederven!" zeide Klea ontevreden. "Waar is hij?"
+
+"Hij werd in den tempel geroepen."
+
+"Doet het hem dan geen plezier, dat Philo 'vader' tegen hem zegt, en
+'moeder' tegen u, dat hij mij bij den naam noemt en velerlei dingen
+weet te onderscheiden?" vroeg het meisje.
+
+"O zeker," antwoordde de vrouw. "Hij zegt, dat gij het jongske praten
+leert als een spreeuw, en wij zijn u daarvoor dankbaar."
+
+"Ik vraag geen dank," haastte Klea zich te zeggen, "maar hetgeen ik
+verlang is, dat gij den jongen niet scheldt en straft, maar dat ge u
+met mij verheugt wanneer gij ziet, dat zijn arme sluimerende geest
+langzaam ontwaakt. Als het zoo met hem voortgaat, zal het lieve
+kereltje nog eens recht verstandig worden.--Hoe heet ik, mijn jongen?"
+
+"Ke-ea," antwoordde de kleine, terwijl hij zijne vriendin toelachte.
+
+"En proef nu eens, wat ik hier in de hand heb. Wat is dat? Ik kan wel
+zien dat gij het weet. Het heet--nu fluister het mij maar zacht in
+het oor.--Ja, ja, zoo is 't, me-mel-melk, juist zoo, mijn jongen! Het
+is melk en zóo heet het. Doe nu je bekje eens open en zeg het mij
+vlug na--nog eens, en nog eens weder. Als je het twaalfmaal goed
+gezegd hebt, geef ik je een kus.--Zie zoo, nu hebt ge ook het kusje
+verdiend. Ik geef je er hier een en daar een.--Hoe heet dat dingetje
+daar? Je o--? Je oor! Ja zoo is het goed,--en dat is je neus."
+
+De oogjes van het kind helderden onder deze vriendelijke les al meer en
+meer op. Klea zoo min als haar kleine leerling werden het moede, tot
+dat, na verloop van een uur, het geluid van den slag op het koperen
+bekken, dat lang naklonk, haar wegriep. Toen zij wilde heengaan
+waggelde de kleine haar pruilend achterna. Doch zij nam het jongske
+op den arm, droeg het weder naar zijne moeder, en ging daarop naar
+hare kamer, om zichzelve en hare zuster voor den optocht te kleeden.
+
+Op den weg naar het pastophorium dacht zij weder aan haren gang naar
+den tempel en aan haar gebed. "Vóor het sanctuarium," zeide zij tot
+zichzelve, "mocht het mij niet gelukken mijne ziel te bevrijden van
+hetgeen haar verontrustte, maar wel toen ik mijn best deed, om het
+tongetje van den armen jongen los te maken. Elke reine plaats, zou ik
+meenen, kan een god zich ten heiligdom kiezen, en is eene kinderziel
+niet reiner dan een altaar, waarbij de waarheid wordt gehoond?"
+
+In hare kamer trad Irene haar te gemoet. Deze had het haar reeds
+opgemaakt, den granaatbloesem daarin gestoken, en vroeg Klea thans,
+of zij haar zoo beviel.
+
+"Gij ziet er uit als Aphrodite zelve," antwoordde Klea, en gaf haar een
+kus op het voorhoofd. Vervolgens schikte zij de plooien in het gewaad
+harer zuster, maakte hare sieraden vast, en begon ook zichzelve aan
+te kleeden. Terwijl zij hare sandalen vaster aanhaalde, vroeg Irene:
+"Waarom zucht gij zoo pijnlijk?" en Klea antwoordde: "Het is mij als
+hadden ze mij heden andermaal van mijne ouders beroofd."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De optocht was afgeloopen.
+
+Bij den dienst, die daaraan was voorafgegaan in het Grieksche Serapeum,
+had Ptolemaeus Philometor aan de priesterschap van dezen tempel
+volstrekt niet het geheele, maar slechts een matig deel toegestaan
+van het akkergeschenk, waarover zij hem vele smeekschriften hadden
+overhandigd.
+
+Nadat het hof weder naar Memphis opgebroken en de processie ontbonden
+was, keerden ook de zusters in hun vertrek terug, Irene met blozende
+wangen en een lachje om den mond, Klea met zekeren somberen en
+onheilspellenden glans in de oogen.
+
+Terwijl de beide zusters zonder te spreken hunne kamer naderden,
+riep een tempeldienaar de oudste, en beval haar hem te volgen naar
+den opperpriester, die verlangde haar te spreken. Zwijgend reikte
+Klea hierop aan Irene hare kruik over, en werd in een vertrek van
+den tempel gebracht, hetwelk diende tot bewaarplaats der heilige
+gereedschappen. Terwijl zij daar wachtte, vlijde zij zich op een
+zetel neder.
+
+Ook de mannen, die in den morgen het pastophorium bezochten, hadden met
+de koninklijke familie den optocht gevolgd. Nadat de feestelijkheid was
+afgeloopen, verwijderde de Romein Publius zich van zijne geleiders,
+en ging spoedig, zonder afscheid te nemen en strak voor zich ziende,
+naar het pastophorium en de tent van den kluizenaar Serapion.
+
+De oude vernam reeds van verre den voetstap van den jonkman, die met
+zijne stevige zolen, zijn zelfbewusten en krachtigen gang, heel anders
+liep dan de priesters van Serapis, met hun zachten tred. Vriendelijk
+heette hij hem welkom met de hand en den mond.
+
+Publius bedankte hem koeltjes en ernstig, en zeide daarop bits en zeer
+kortaf: "Mijn tijd is beperkt. Ik denk Memphis weldra te verlaten. Doch
+ik beloofde uw verzoek aan te hooren, en omdat ik woord wil houden,
+zoek ik u op, heden reeds, maar, zoo als ik zeide, alleen om woord te
+houden. De draagsters der waterkruiken, waarvan ge mij een en ander
+wilt mededeelen, gaan mij niets aan. Ik geef om hen evenveel als om
+de zwaluwen, die daar over het huis vliegen."
+
+"Toch hebt gij heden morgen om Klea's wil eene lange wandeling
+gemaakt," antwoordde Serapion.
+
+"Ik heb dikwijls nog veel verder geloopen om een hert te schieten,"
+hernam de Romein. "Wij mannen vervolgen het wild niet, omdat wij
+verlangen het te bezitten, maar omdat wij vermaak scheppen in het
+jagen. Doch er zijn ook jagersnaturen onder de vrouwen. In plaats van
+speer en boog gebruiken zij vurige blikken, en wanneer zij dan meenen,
+dat zij hun wild daarmede getroffen hebben, dan keeren zij het den rug
+toe. Tot deze soort behoort ook uwe Klea, en die lieve kleine van heden
+morgen ziet er uit, als liet zij zich gaarne jagen. Intusschen lust
+het mij even weinig het wild als de jager van een meisje te zijn. Drie
+dagen moet ik mij nog beneden in Memphis ophouden, om enkele zaken
+af te doen, dan keer ik dit dwaze land voor altijd den rug toe."
+
+"Heden morgen," zeide Serapion, die begon te vermoeden wat deze
+boosheid, die maar al te duidelijk sprak uit de woorden van den Romein,
+had opgewekt, "heden morgen scheen het, dat gij met uwe afreis vrij wat
+minder haast maaktet dan thans. Het komt mij dus voor, dat gij zelf
+op een vluchtend wild gelijkt; maar Klea ken ik beter dan gij. Het
+jagen is haar zaak niet, maar nog minder laat zij zich jagen, want
+zij bezit eene eigenschap, die gij, waarde Publius Scipio, zeker boven
+alle andere zult kennen en waardeeren: zij is trotsch, zeer trotsch,
+en zij mag het zijn, hoe minachtend gij ook uw neus optrekt, als wildet
+ge zeggen: Hoe komt eene kruikdraagster van Serapis, een arm schepsel,
+dat slecht gevoed wordt en eene ondergeschikte betrekking bekleedt,
+aan een trots, die hoogstens met eenig recht ontwaken kan bij hen, die
+boven anderen door een of ander voorrecht uitsteken? Dit meisje nu,
+ge kunt mij gelooven, heeft vele redenen om haar hoofd op te heffen,
+niet alleen omdat zij van vrije, edele ouders afstamt; omdat zij eene
+zeldzame schoonheid bezit; omdat zij, zelve nog een jong kind zijnde,
+met zelfverloochenende liefde en trouw, als eene moeder zich een ander
+kind, eene jongere zuster heeft aangetrokken,--maar inzonderheid, en
+gij zult dit, als ik u goed beoordeel, beter dan andere jongelieden
+kunnen begrijpen, omdat zij trotsch blijven moet, ten einde bij de
+nederige diensten, die zij helaas, gedwongen is te verrichten, nimmer
+te vergeten, dat zij eene vrije edele vrouw is. Gij kunt van uwe
+hooghartigheid afstand doen en toch blijven die gij zijt; maar deed
+zij het, en begon zij zich te voelen als een dienstbare, dan zou zij
+ten laatste worden, wat zij niet is en toch zijn moet. Een edel ros,
+dat men dwingt lasten te trekken, wordt tot een karrepaard, zoo haast
+het verleert den kop op te heffen en de pooten vrij te bewegen. Klea is
+trotsch omdat zij het zijn moet, en wanneer gij rechtvaardig zijt, zult
+ge op deze jonkvrouw niet boos zijn, omdat zij u misschien vriendelijk
+heeft aangezien, daar gij van de goden een uiterlijk hebt ontvangen,
+geschikt om aan elke vrouw te behagen. Doch alle pogingen om hare gunst
+te winnen zouden schipbreuk lijden, omdat zij zich voor te goed houdt,
+om zelfs door een Cornelius met zich te laten spelen, en toch voor te
+gering, dan dat zij ooit zou durven hopen, dat iemand van uw stand
+zich zou vernederen, om haar tot vrouw te begeeren. Ongetwijfeld
+heeft zij u beleedigd, doch ik kan slechts vermoeden waardoor. Is
+het door hare trots, dan mag u dat niet krenken, want eene vrouw is
+als een krijgsman, die het harnas alleen dan aangespt, wanneer zij
+wordt bedreigd door een tegenstander, wiens wapenen zij vreest."
+
+De kluizenaar had deze woorden, om niet door zijn buurman gehoord
+te worden, meer gefluisterd dan overluid gesproken, en wischte zich,
+toen hij zweeg, het zweet van het voorhoofd, want als iets zijn gemoed
+aandeed, dan was hij gewoon zijn zware stem luide te laten klinken,
+en het kostte hem dus geen geringe inspanning, deze stem zoolang in
+te houden.
+
+Publius had hem strak aangekeken, maar daarna de oogen nederslagen,
+en Serapion tot het einde aangehoord, zonder hem in de rede te
+vallen. Daarbij was hij van schaamte gaan blozen, als ware hij een
+schoolknaap; en toch was hij een zelfbewust en kloekmoedig jonkman, die
+in moeilijke omstandigheden zichzelven volkomen wist te beheerschen,
+zooals men dit van een man in de kracht des levens verwacht. Bij
+al zijne handelingen placht hij nauwkeurig te weten wat hij wilde,
+en zonder opwinding alleen datgene te doen, wat hem goed en nuttig
+toescheen. Onder de woorden van den kluizenaar drong zich nu de vraag
+aan hem op, wat hij toch eigenlijk van de kruikdraagster verlangde,
+en daar hij geen antwoord kon vinden, begon hij te weifelen. Deze
+onzekerheid en ontevredenheid met zichzelven klom hooger naarmate
+hetgeen hij hoorde hem juister toescheen, en hij zich in den grond van
+zijn hart minder geneigd gevoelde om afstand te doen van het meisje,
+waaraan hij dagen lang, ook tegen zijn wil, had moeten denken, wier
+beeld hij gaarne uit zijn gemoed zou hebben verwijderd, dat hem echter
+juist om de woorden van den kluizenaar begeerlijker voorkwam dat ooit
+te voren.
+
+"Misschien hebt gij gelijk," antwoordde hij, na eenige oogenblikken
+zwijgens, insgelijks op zachten toon, want op eene zachte toespraak
+volgt gewoonlijk een niet minder zacht antwoord. "Gij kent dit meisje
+beter dan ik, doch wanneer gij haar naar waarheid hebt geteekend, dan
+zal het juist goed zijn, dat ik bij mijn voornemen blijf en Egypte,
+of laat ik het maar ronduit zeggen, uwe beschermelinge verlaat,
+want ik heb van haar niet anders te wachten dan òf een nederlaag
+òf eene overwinning, waarover ik later slechts berouw zou kunnen
+gevoelen. Klea heeft heden mijne blikken ontweken, als vloeide er uit
+mijne oogen gif, gelijk uit den tand van een adder. Ik heb derhalve
+met haar niets meer uit te staan. Toch zou ik wel willen weten hoe
+zij in dezen tempel is gekomen, en als ik haar van dienst kan zijn,
+wil ik het doen--om uwentwil. Vertel mij thans wat gij weet, en zeg
+mij wat ge van mij begeert."
+
+De kluizenaar knikte met het hoofd, ten teeken van bijval, wenkte hem
+nader te komen en terwijl hij zich nederboog naar het oor van den
+man, dat naar hem was toegekeerd, vroeg hij zacht: "Is de koningin
+u gunstig gezind?"
+
+Toen Publius hierop toestemmend had geantwoord, begon Serapion,
+met een uitroep van tevredenheid, aldus zijn verhaal:
+
+"Heden morgen hebt gij vernomen, hoe ikzelf in deze kooi kwam, en
+dat mijn vader opzichter van de tempelschuur is geweest. Terwijl ik
+in den vreemde omzwierf, werd hij van zijn ambt ontzet, en misschien
+ware hij in de gevangenis gestorven, wanneer een braaf man hem niet
+geholpen had zijne eer en vrijheid te redden. Dit alles zou u niets
+aangaan, en zou ik daarom wel voor mijzelven kunnen houden, maar deze
+man was de vader van Klea en de kleine Irene; de vijand, door wien
+de mijne onschuldig lijden moest, is de bandiet Eulaeus. Gij weet,
+of waarschijnlijk weet gij het niet, dat de priesterschap bij wijze
+van belasting bepaalde leverantiën heeft te doen aan het koninklijk
+hof. Zoo, weet gij het? Het is ook waar, gij Romeinen stelt meer
+belang in rechts- en administratiezaken, dan in voorwerpen van kunst
+en in ideeën. Het was het werk van mijn vader, deze schenkingen uit
+te betalen en van den eunuuch ze in ontvangst te nemen. Maar deze
+vetgemeste baardelooze gulzigaard, deze veelvraat, wien elke perzik,
+die hij gegeten heeft en in het vervolg mogelijk nog verslinden zal
+tot vergif moge worden, hield de helft van het geleverde achterwege,
+en toen de rentmeesters bemerkten, dat in 's konings schatkamer dáar,
+waar men koorn en geweven stoffen meende te zullen vinden, niets
+dan ledige ruimte was, maakten zij alarm, hetwelk natuurlijk eer het
+oor bereikte van den dief, die bij het hof veel invloed had, dan dat
+van mijn arme vader. Gij hebt Egypte een wonderlijk land genoemd of
+zoo iets, en dat is het ook werkelijk, niet alleen om die steenen
+tarwebrooden daar ginds, die gij pyramiden noemt, en dergelijke zaken
+meer, maar omdat hier dingen gebeuren kunnen, die bij u in Rome zoo
+onmogelijk zouden zijn als maneschijn op den middag, of een paard
+met een staart aan zijn neus! Eer het kwam tot een aanklacht tegen
+Eulaeus beschuldigde hij mijn vader van verduistering der goederen,
+en vóor het districtshoofd met zijne beambten een blik in de acten had
+geslagen, stond hun oordeel over den valschelijk aangeklaagde reeds
+vast, want de eunuuch had een vonnis van hen gekocht, gelijk men een
+visch of een koolstruik op de markt inkoopt. In den ouden tijd werd
+hier te lande de godin der gerechtigheid afgebeeld met geslotene oogen,
+thans kijkt zij in de wereld rond als een schele vrouw, die met éen
+oog den koning aanziet, en met het andere gluurt naar het goud in
+de handen van den aanklager of den beschuldigde. Mijn arme vader
+werd natuurlijk veroordeeld, en reeds begon hij in de gevangenis
+te twijfelen aan de gerechtigheid der goden, toen om zijnentwil het
+grootste wonder geschiedde, dat in dit land der wonderen ooit heeft
+plaats gehad, sedert de Grieken in Alexandrië heerschen. Een eerlijk
+man trok zich zonder menschenvrees de reeds verloren zaak van den
+armen veroordeelde aan, en rustte niet, voor hij hem zijne eer en
+zijne vrijheid had teruggegeven. Maar de gevangenschap, de schande,
+de verkropte verontwaardiging hadden langzamerhand de krachten van
+den mishandelden man gesloopt, gelijk een houtworm een cederstam
+verteert. Hij kwijnde weg en stierf. Met zijn redder, Klea's vader,
+liep het, tot loon voor deze moedige daad, nog erger af dan met hem,
+want hier aan den Nijl wordt de deugd op aarde gestraft, gelijk bij u
+de ondeugd. Waar de ongerechtigheid heerschappij voert, daar ziet men
+het schrikkelijkste gebeuren, namelijk dat de goden partij schijnen
+te trekken voor de boozen. Hij die niet hoopt op eene vergelding
+aan gene zijde des grafs, zorgt wel, zoo hij geen dwaas of wijsgeer
+is--en dat komt in de meeste gevallen op hetzelfde neer--dat zijn
+wandel niet al te rein is.
+
+"Philotas, de vader van de kruikdraagsters, wiens ouders uit Syracuse
+afkomstig waren, behoorde tot de aanhangers van de leer van Zeno [9],
+die ook bij u in Rome vele vrienden heeft en had het als beambte
+ver gebracht, want hij was voorzitter der Chrematisten, dat is een
+college van rechters, dat buiten Egypte zijns gelijke wel niet heeft,
+en zijn alouden roem beter gehandhaafd heeft dan eenig ander. Het
+trekt rond van district tot district, en vestigt zijn verblijf in
+de hoofdsteden om recht te spreken. Wanneer er appèl aangeteekend
+wordt tegen het vonnis, gewezen door het gerechtshof van deze of
+gene plaats, waarvan het districtshoofd voorzitter is, zoo wordt de
+zaak nog eens behandeld voor de Chrematisten, die gewoonlijk noch den
+aanklager noch den beschuldigde kennen. Door deze instelling kunnen
+de bewoners der provinciën zich de moeite en kosten besparen van eene
+reis naar Alexandrië of sedert het rijk verdeeld is, naar Memphis,
+waar de oppergerechtshoven bovendien met zaken overladen zijn.
+
+"Onder alle voorzitters van de Chrematisten heeft niemand ooit zooveel
+naam gemaakt als Philotas, de vader van Klea en Irene. Evenmin als
+een musch zich waagt tegen een valk, evenmin beproefde iemand hem
+om te koopen, en hij was niet minder verstandig dan rechtvaardig,
+want hij was even bekend met de oude wet der Egyptenaren als met die
+der Grieken, en menig omkoopbaar rechter is op zijn hoede geweest,
+zoodra het bekend werd dat Philotas zich met zijne Chrematisten op
+reis had begeven, en heeft in plaats van een valsch een rechtvaardig
+oordeel geveld.
+
+"Toen Kleopatra, de weduwe van Epiphanes, nog leefde en voor hare
+zonen Philometor en Euergetes, die thans in Memphis en Alexandrië
+regeeren, de voogdijschap voerde, hield zij Philotas in hooge eer en
+verhief hem tot den rang van verwant des konings. Doch zij was juist
+gestorven, toen de brave man mijns vaders zaak op nieuw ter hand nam,
+en hem uit den kerker bevrijdde.
+
+"De roover Eulaeus en zijn spitsbroeder Lenaeus stonden juist op het
+toppunt van hun macht, want de jonge onmondige koning liet zich door
+hen leiden als een kind door zijne min. Als mijn vader een eerlijk
+man was, dan moest de eunuuch een boef zijn. Toen nu de Chrematisten
+dreigden Eulaeus voor hun rechtbank te dagen, wist die ellendeling den
+krijg te bewerken om het bezit van Coelesyrië tegen 's konings oom,
+Antiochus Epiphanes.
+
+"Gij weet hoe smadelijk deze onderneming voor ons afliep, hoe
+Philometor bij Pelusium geslagen werd, en zich met zijne schatten
+op raad van Eulaeus, naar Samothrace redde, hoe Philometor's broeder
+Euergetes in Alexandrië tot koning werd uitgeroepen, Antiochus Memphis
+innam, en zijn ouderen neef vervolgens hier het bewind liet voeren,
+alsof hij zijn vasal of pupil was. In die dagen van vernedering
+nu wist de eunuuch zich te ontdoen van Philotas voor wien hij alle
+reden had om bevreesd te zijn, als wandelde in den persoon van den
+Chrematist zijn eigen geweten, met het zwaard der gerechtigheid in
+de hand, op twee beenen onder de menschen rond, om hen te vertellen
+welk een spitsboef hij was.
+
+"Memphis had, zonder ernstig weerstand te bieden, voor Antiochus
+de poorten van den witten muur geopend, en de Syrische koning, die
+een wonderlijk man was, en vaak lust gevoelde om onder het volk
+te verkeeren, als was hijzelf een gewoon man, ontbood Philotas,
+die even vertrouwd was met Egyptische gebruiken en wetten als met
+de Helleensche, bij zich, liet zich door hem in de rechtszalen en
+op de markt brengen, en begiftigde hem op zijne wijze nu eens met
+nietswaardige lompen, dan weder met vorstelijke geschenken.
+
+"Nadat Philometor door de Romeinen van de voogdijschap van den Syriër
+was bevrijd geworden, en in Memphis als zelfstandig vorst regeeren
+kon, beschuldigde Eulaeus den vader der kruikdraagsters, dat hij
+Memphis aan Antiochus in handen had gespeeld, en rustte niet voordat
+de onschuldige man, beroofd van zijne aanzienlijke bezittingen,
+met zijne vrouw naar de Ethiopische bergwerken was gesleept om er
+dwangarbeid te verrichten. Toen dit alles plaats had, zat ik reeds
+in deze kooi, doch van mijn broeder Glaucus, die aan het hoofd staat
+van de politiewacht in het paleis, en vele dingen eerder verneemt
+dan andere lieden, hoorde ik wat er omging, en het gelukte mij de
+dochtertjes van Philotas heimelijk in dezen tempel te laten brengen,
+en alzoo te bewaren voor het lot, dat hunne ouders trof. Dat is nu
+vijf jaren geleden, en gij weet thans hoe het komt, dat de dochters
+van een aanzienlijk man water dragen voor het altaar van Serapis;
+waarom ik liever zelf lijd, dan dat ik haar eenig leed zie wedervaren;
+en waarom ik Eulaeus giftige wortels gun in plaats van zoete perziken."
+
+"En Philotas is heden nog dwangarbeider?" vroeg de Romein,
+tandenknarsend van toorn.
+
+"Ja, Publius," antwoordde de kluizenaar. "En dit 'ja' laat zich
+gemakkelijk uitspreken, en het kost ook geen moeite daarbij de handen
+te ballen tot vuisten, maar het valt zwaar, zeer zwaar zelfs aan het
+lijden te denken, dat een man als Philotas en eene edele onschuldige
+vrouw, die zoo schoon was, schoon als Hera en Aphrodite te zamen,
+bij zulk een harden ongewonen arbeid, onder een brandende zon en den
+geesel der opzichters, hebben door te staan. Misschien zijn zij tot hun
+geluk reeds aan de gevolgen der hun aangedane kwellingen gestorven, en
+zijn hunne dochters weezen! Die arme meisjes! Buiten den opperpriester
+is hier niemand, die eigenlijk weet wie zij zijn. Kwam de eunuuch
+het te weten, dan zou hij ze even als hare ouders doen wegvoeren,
+zoo waar ik Serapion heet."
+
+"Hij moest het eens wagen!" riep Publius, terwijl hij de rechterhand
+dreigend omhoog hief.
+
+"Kalm, kalm, mijn vriend," smeekte de kluizenaar, "niet nu alleen,
+maar bij alles wat gij voor de zusters zult willen doen. Want een
+Eulaeus hoort niet alleen met zijne eigene ooren, doch ook door die
+van duizend anderen, en bijna alles wat er aan het hof geschiedt moet
+door zijne handen gaan, daar hij de briefschrijver is. Gij zeidet dat
+de koningin u welgezind was. Dat is veel waard, want haar gemaal zal
+alles doen wat zij wenscht, en een Eulaeus zal, als vorstinnen ten
+minste gelijk zijn aan de andere vrouwen die ik ken, in de oogen van
+Kleopatra niet veel waard zijn."
+
+"En al ware dit ook niet het geval," zeide Publius, den kluizenaar,
+gloeiende van verontwaardiging, in de rede vallende, "dan zou ik hem
+toch ten val brengen. Want een man als Philotas mag niet ten onder
+gaan, en zijne zaak zal van nu aan de mijne worden; hier hebt gij mijne
+hand, en mag ik mij verheugen van edele voorvaderen af te stammen,
+dan is dit vooral omdat de belofte van een Cornelius niet minder,
+dan eene reeds volbrachte daad van een ander beteekent."
+
+De kluizenaar schudde den jongeling de rechterhand, knikte hem
+vriendelijk toe, en zijne vochtige oogen straalden daarbij van blijde
+ontroering.
+
+Vervolgens keerde hij den Romein haastig den rug toe, om weldra weder
+te keeren met een papyrus-rol van grooten omvang in de hand.
+
+"Neem dit aan," zeide hij, terwijl hij den Romein het stuk
+overhandigde. "Ik heb alles, wat ik u zooeven mededeelde,
+overeenkomstig de waarheid met eigene hand opgeteekend, en wel in
+den vorm van een smeekschrift. Dergelijke dingen, dat weet ik, worden
+bij het hof alleen dan ordelijk afgedaan, wanneer men ze schriftelijk
+behandelt. Is de koningin genegen uw wensch te vervullen, overhandig
+haar dan deze rol en verzoek haar een genadebrief. Kunt gij dat
+bewerken, dan is alles gewonnen."
+
+Publius nam de rol, reikte den kluizenaar nog eens de hand, en
+deze riep, zichzelven vergetend, met luider stem: "De goden mogen
+u zegenen, en door u den edelsten aller menschen van zijn lijden
+verlossen. Reeds begon ik te wanhopen, maar als gij ons bijstaat,
+dan is nog niet alles verloren."
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+"Vergeef mij wanneer ik ulieden stoor."
+
+Met deze woorden brak de eunuuch Eulaeus, die zacht en ongemerkt het
+pastophorium genaderd was, terwijl hij zich voor Publius eerbiedig
+boog, den uitroep van den kluizenaar af. "Is het geoorloofd te vragen
+tot welk verbond een der edelste zonen van Rome dezen wonderlijken
+man de hand reikt?"
+
+"Vragen staat ieder vrij," antwoordde Publius kortaf en scherp,
+"maar het is niet ieders zaak te antwoorden, en heden ook niet de
+mijne. Ik zeg u vaarwel, Serapion, maar niet voor lang, denk ik."
+
+"Veroorlooft ge mij u te vergezellen?" vroeg de eunuuch.
+
+"Gij zijt mij zonder vergunning toch gevolgd."
+
+"Ik deed het op bevel van mijn koning, en voldoe alleen aan zijn bevel,
+wanneer ik u ook thans mijn geleide aanbied."
+
+"Ik ga vooruit, en kan u niet weren, als ge mij volgt."
+
+"Ik verzoek u echter te bedenken," antwoordde de eunuuch, "dat het
+mij slecht zou voegen, als een dienstknecht achter u te loopen."
+
+"Ik eerbiedig den wil van mijn gastheer, den koning, die u opdroeg mij
+te volgen," antwoordde de Romein. "Doch vóor de tempelpoort kunt gij
+uw wagen en kan ik den mijne bestijgen. Een oud hoveling zal gaarne
+den wil van zijn gebieder vervullen."
+
+"Hij vervult dien ook," hernam Eulaeus deemoedig, maar even als de
+gespleten tong uit den bek van een slang snel te voorschijn komt
+en nog sneller verdwijnt, zoo schoot zijn oog eerst een blik vol
+dreigenden haat, daarna een anderen, argwanend gericht op de rol,
+die de Romein in zijne hand hield.
+
+Publius gaf geen acht op deze blikken, en liep haastig naar het
+acaciënbosch. De kluizenaar zag intusschen het ongelijke paar na,
+en toen hij den machtigen eunuuch den jongeling achterna zag loopen,
+zette hij de handen in zijne zijde, blies zijne dikke wangen op,
+en barstte, zoodra het paar achter de acaciën verdwenen was, in luid
+gelach uit. Als Serapions lachspieren eens in beweging waren, lieten
+ze zich niet gemakkelijk tot rust brengen, en hij lachte nog altijd,
+toen Klea, eenige oogenblikken na het vertrek van den Romein voor
+zijne kluis verscheen.
+
+Hij wilde zijne beschermelinge vroolijk ontvangen, maar nadat hij haar
+goed in het aangezicht had gezien, zeide hij bezorgd: "Ge ziet er
+uit, als ware u de geest van een afgestorvene verschenen. Uwe roode
+lippen zijn bleek, en onder uwe oogen zie ik donkere schaduwen. Wat
+is u wedervaren, mijn kind? Irene, ik weet het, heeft toch met u
+de processie bijgewoond. Hebt gij slechte berichten van uwe ouders
+gekregen?--Gij schudt het hoofd. Nu, kindlief, dan denkt gij zeker
+meer dan gij moest aan zeker iemand. Wat stijgt u het bloed naar
+de wangen! O zeker, de schoone Publius van Rome heeft u te diep in
+de oogen gezien--hij is ook een schoon jonkman, een echte man, een
+trouw vriend...."
+
+"Houd op," viel Klea haar vriend en beschermer in de rede, terwijl zij,
+ten teeken van afwijzing, met haar vlakke hand de lucht doorsneed,
+als wilde zij Serapions toespraak in twee helften deelen. "Ik wil
+niets meer van hem hooren."
+
+"Heeft hij u onbetamelijk bejegend?" vroeg de kluizenaar.
+
+"Ja," riep Klea schaamrood en met eene heftigheid, die anders vreemd
+was aan haar bezadigd karakter. "Ja, met uitdagende blikken vervolgt
+hij mij onophoudelijk."
+
+"Met zijne blikken alleen?" vroeg de kluizenaar. "Maar wij zien toch
+ook naar de verhevene zon en de lieflijke bloemen zooveel wij kunnen,
+en zonder dat zij het ons kwalijk nemen!"
+
+"De zon staat te hoog en de onbezielde bloem te laag, dan dat een
+mensch haar zou kunnen beleedigen," antwoordde Klea. "Maar die Romein
+is niet meer en niet minder dan ik, het oog spreekt even goed een
+taal als de mond, en wat het zijne van mij verlangt, dat jaagt mij
+het bloed naar de wangen, en wekt nu zelfs, terwijl ik er aan denk,
+mijne verontwaardiging op."
+
+"Daarom hebt gij ook zoo angstvallig zijne blikken ontweken."
+
+"Wie zeide u dat?"
+
+"Publius zelf, en daar uwe hardvochtigheid hem smart deed, wilde hij
+Egypte verlaten. Ik heb hem echter bewogen te blijven, want als er éen
+sterveling is, van wien ik voor u en de uwen iets goeds verwacht...."
+
+"Dan is hij het zeker niet!" zeide Klea op stelligen toon. "Gij zijt
+een man, en meent nu misschien dat gij, toen gij nog jong waart en u
+vrij kondt bewegen in de wereld, niet anders zoudt gehandeld hebben
+dan hij, volgens hetgeen de mannen hun recht noemen. Doch kondet gij
+hier in mijn binnenste lezen, of met het hart van eene vrouw gevoelen,
+dan zoudt gij anders denken. Gelijk het woestijnzand, dat door den wind
+over de akkers wordt gedreven, hun vriendelijk groen in akelig grauw
+verandert; gelijk de storm, die den blauwen spiegel der zeevlakte
+verkeert in een golvend mengsel van zwarte draaikolken en gistend
+schuim, zoo heeft de uitdagende stoutheid van dezen man de kalmte van
+mijn gemoed wreed verstoord. Voor de vierde maal vervolgden mij zijne
+blikken bij den optocht. Gisteren had ik het gevaar ingezien, maar
+heden--ik moet het u wel zeggen, want gij zijt een vader voor mij,
+en wien anders in de wereld zou ik het durven toevertrouwen?--heden
+heb ik mij in staat gevoeld zijn blik te ontwijken. En toch gevoelde
+ik gedurende de lange, eindeloos lange uren van het feest, dat zijn
+oog onophoudelijk het mijne zocht. Dat geene dwaling mij misleidt,
+zou ik geweten hebben, ook al had Publius Scipio--doch waarom neem
+ik dezen naam op mijne lippen?--ook al had die Romein zich niet bij
+u beroemd op zijn aanval tegen een onschuldig meisje gericht. En dat
+gij, juist gij u tot zijn bondgenoot kunt maken! Maar dat hebt gij
+niet gedaan, neen, zeker niet, want gij wist hoe ik bij den optocht
+te moede moest zijn, terwijl ik de oogen nedersloeg en voelde dat
+zijn blik mij ontwijdde, als de regen, die in het vorig jaar de pas
+ontloken bloesems van de druiven des tempels wegspoelde. Het was mij,
+als werd er een net vastgesnoerd om mijn hart. En welk een net! Als
+had men in de plaats van vlas een vlam om het spinrokken gewonden,
+en deze tot dunne draden uitgesponnen, en met dit gloeiend garen
+mazen geknoopt, zóo was het! Ik voelde de draden en knoopen branden
+op mijne ziel, en kon ze niet verwijderen, en durfde mij zelfs niet
+verroeren. Ja, zie mij maar angstig aan en schud vrij het hoofd,
+zóo is het geweest, en die brandwonden doen mij ook thans nog pijn,
+erger dan ik u beschrijven kan."
+
+"Maar Klea," viel Serapion het meisje in de rede, "ge zijt buiten
+uzelve, en als van een demon bezeten. Ga naar den tempel en bid,
+of als dat niet helpt, naar Asklepius of Anubis, en laat den boozen
+geest uitbannen."
+
+"Ik heb de hulp van geen uwer goden noodig," antwoordde het meisje in
+de grootste spanning. "Ja, ik wenschte dat gij aan het noodlot zijn
+loop hadt gelaten, en dat wij in het lijden van onze ouders mochten
+deelen, want wat ons hier dreigt is nog verschrikkelijker dan in
+de brandende zon stofgoud te ziften, of het kwarts in vijzels te
+stampen. Ik kwam niet tot u om over den Romein te spreken, maar om
+u te vertellen wat de opperpriester mij, terstond na den optocht,
+heeft medegedeeld."
+
+"Nu?" vroeg Serapion op gerekten toon, en bijna angstig, terwijl hij
+zijn hals uitrekte, met zijn borstelig hoofd het meisje naderde,
+en zijne oogen zoo wijd openspalkte, dat de dikten daaronder half
+verdwenen.
+
+"Hij deelde mij eerst mede," hernam Klea, "hoe treurig het gesteld
+was met de inkomsten des tempels."
+
+"Het is waar," vulde de kluizenaar aan, "dat Antiochus het beste
+deel van den tempelschat heeft geroofd, en dat de kroon, die voor de
+heiligdommen der Egyptische goden altijd geld over heeft, onze akkers
+met groote belastingen heeft bezwaard. Maar gij wordt, zou ik meenen,
+al karig genoeg, ja veel slechter dan billijk is bedeeld, want voor
+uw onderhoud wordt,--ik weet het nauwkeurig, want het geld is door
+mijne handen gegaan--aan den tempel eene som betaald, van welker
+interesten men niet slechts twee weinig etende vogeltjes, zooals gij
+zijt, maar tien hongerige matrozen zou kunnen onderhouden. Bovendien
+verricht gij moeielijke diensten, zonder er eenige vergoeding voor
+te ontvangen. Waarachtig, men kon er nog meer zijde bij spinnen als
+men een bedelaar zijne lompen ontstal, dan als men u beroofde. Wat
+zou de opperpriester dan toch willen?"
+
+"Hij zegt dat wij vijf jaren lang door de priesterschap zijn gevoed
+en beschermd, dat den tempel nog meer gevaren dreigen om onzentwil,
+dat wij òf het heiligdom moeten verlaten, òf besluiten de plaats
+te vervangen van de beide tweelingzusters Arsinoë en Doris, die tot
+dusverre bij het doodenfeest aan de baar van den gestorven god, in
+de kleeding van Isis en Nephthys, klaagliederen hebben gezongen, en
+onder gejammer en klaagtonen het wijwater hebben aangedragen voor de
+lijken, die in den tempel worden gebracht om ingezegend te worden. Deze
+meisjes, zegt Asklepiodorus, worden te oud en zijn niet schoon genoeg
+meer voor dat werk, doch de tempel is verplicht hen te onderhouden
+tot hun dood. De middelen van den tempel zijn niet toereikende om,
+behalve haar en ons beiden nog twee andere dienaressen van den god
+te voeden, derhalve zullen Arsinoë en Doris alleen nog het wijwater
+uitgieten, maar wij zullen het rouwklagen voor de dooden op ons nemen."
+
+"Maar gij zijt geene tweelingen!" zeide Serapion, en volgens het
+voorschrift mogen alleen de zoodanigen als Isis en Nephthys Osiris
+beweenen."
+
+"Men wil ons tot tweelingen maken," hernam Klea, terwijl zij minachtend
+de lippen optrok. "Irene's haren zullen zoo zwart geverfd worden als
+de mijne, en hare voetzolen zullen hooger worden gemaakt, opdat zij
+zoo groot schijne als ik ben."
+
+"U kleiner te maken dan gij zijt zou hun zeker ook niet gelukken,
+en lichte haren laten zich gemakkelijker donker dan donkere
+licht kleuren," zeide Serapion, met moeite zijne verontwaardiging
+intoomende. "Wat voor antwoord hebt gij gegeven op dezen voorslag,
+die zeker zonderling mag heeten?"
+
+"Het eenige dat ik geven kon. Ik zeide neen, doch verklaarde mij
+bereid, niet door vrees gedreven, maar omdat wij aan den tempel veel
+verschuldigd zijn, met Irene elken anderen dienst te verrichten,
+alleen dezen niet."
+
+"En Asklepiodorus?"
+
+"Hij heeft mij met geene toornige woorden gekrenkt, en bewaarde,
+ofschoon ik hem tegensprak, zijne deftige kalmte. Ja soms nam hij mij
+verbaasd met de oogen op, als of hij iets geheel nieuws en vreemds
+aan mij ontdekte. Ten laatste wees hij er op, hoeveel moeite zich
+de zangmeester van den tempel met ons had gegeven; hoe goed mijne
+zwaardere stem harmonieerde met de hooge stem van Irene; hoe grooten
+lof wij konden inoogsten met de klaagliederen schoon voor te dragen;
+hoe gaarne hij ons, wanneer wij besloten ons het ambt van de tweelingen
+te laten welgevallen, eene betere woning en overvloediger voedsel zou
+bezorgen. Evenals men valken door honger mak maakt, zoo heeft hij er,
+geloof ik, de proef van genomen, of hij ook ons door schralen kost
+gedwee kon maken. Misschien doe ik hem onrecht, maar ik gevoel mij
+heden al te zeer geneigd van hem en de andere vaders, het ergste
+te denken. 't Zij zoo het wil! In elk geval sprak hij verder niet
+tegen, toen ik bij mijne weigering bleef, maar hij liet mij gaan met
+de uitnoodiging om mij over drie dagen weder bij hem te vervoegen,
+ten einde hem mede te deelen, of wij genegen waren te doen wat hij
+verlangde, dan of wij den tempel dachten te verlaten. Ik neigde,
+ging naar de deur en stond reeds op den drempel, toen hij mij nog eens
+terugriep en zeide: "Denk ook aan uwe ouders en aan hun lot!" Dit zeide
+hij op plechtigen, bijna dreigenden toon, en verder sprak hij niets,
+maar keerde mij haastig den rug toe. Wat mag hij met deze vermaning
+bedoelen? Ik denk toch elken dag, ieder uur aan vader en moeder,
+en herinner Irene gedurig aan hen!"
+
+De kluizenaar bromde bij deze woorden, ontevreden en nadenkend,
+in zichzelven. Toen zij had uitgesproken, zeide hij ernstig:
+"Asklepiodorus heeft met hetgeen hij zeide meer bedoeld dan gij
+vermoedt. Iedere volzin, waarmede hij een weerspannige van zich laat
+gaan, is een noot, waarvan men eerst de schaal moet open breken om
+de kern te vinden. Als hij tot u zegt, dat gij aan uwe ouders en
+hun treurig lot moet denken, dan kan dit in zijn mond en onder deze
+omstandigheden moeilijk iets anders beteekenen, dan dat gij niet moet
+vergeten, hoe gemakkelijk u het lot van uw vader zou kunnen treffen,
+wanneer gij het wagen mocht u te onttrekken aan de bescherming
+van den tempel. Asklepiodorus heeft er zijne bedoeling mede gehad,
+toen hij u mededeelde--het kan nauwelijks een week geleden zijn,
+dat ge mij dit verteld hebt--hoe vaak de bloedverwanten van hen,
+die tot dwangarbeid in de bergwerken veroordeeld zijn, ook daarheen
+worden gezonden. Ja, mijn kind, dat laatste woord van Asklepiodorus
+heeft een schrikkelijken zin! De kalmte en trots, waarmede gij alles
+opneemt, verontrusten mij, en gij weet toch dat ik niet tot hen behoor,
+die vreesachtig zijn of anderen schrik aanjagen. Wat men van ulieden
+vergt is zeker hoogst onaangenaam, maar neemt het op u; het zal,
+zoo ik hoop, niet voor langen tijd zijn! Doe het om der wille van mij
+en de arme Irene, want gij zult ook wel buiten deze muren in de ruwe
+wereld met al hare begeerlijkheden uzelve staande weten te houden, maar
+Irene, de kleine Irene, zal daartoe niet in staat zijn. Weet verder,
+mijne Klea, mijn lieve schat, dat wij thans iemand gevonden hebben,
+die uwe zaak tot de zijne maakt, die tot de aanzienlijken behoort
+en veel vermag. Doch wat kan in drie dagen niet gebeuren! Het is
+mij niet mogelijk ulieden te zien verbannen, en te denken dat men u
+met woest volk in een afzichtelijk vaartuig naar de bergwerken voert
+in het heete zuiden, waar men eerst de zielen vermoordt en dan het
+lichaam. Gij zult niet dulden, dat mij en uzelve en Irene dit leed
+wordt aangedaan, neen, mijne liefste, neen mijn hart, dat moogt ge,
+dat zult ge niet doen! Zijt gijlieden dan mijne kinderen niet, mijne
+dochtertjes, de eenige vreugde mijns levens? En nu zoudt ge mij alleen
+laten in deze kooi, omdat gij zoo hooghartig zijt!"
+
+De stem begaf den sterken man, en in zijne oogen welden dikke tranen,
+die voor en na over zijne wangen biggelden in zijn baard, en op Klea's
+arm, dien hij met beide handen tot zich had getrokken.
+
+Ook de oogen van het meisje werden verduisterd door heete tranen, toen
+zij haar anders zoo ruwen vriend zag weenen. Doch zij bleef standvastig
+en zeide, terwijl zij haar hand uit de zijne trachtte te bevrijden:
+"Gij weet wel, vader, dat veel mij hier aan dezen tempel bindt:
+mijne zuster, gij, en de kleine Philo van den poortwachter. Het zal
+mij zwaar, vreeselijk zwaar vallen u te verlaten, maar liever wil ik
+dit leed en ieder ander verduren dan Irene toestaan als klaagvrouw
+de plaats te vervangen van Arsinoë of de zwarte Doris. Stel u
+dat levenslustige kind voor met verf besmeerd en toegetakeld,
+knielend aan het voeteinde van eene baar, met gehuichelde klachten en
+afgeperste tranen jammerende en steunende. Zij zou een leugen worden
+van vleesch en been, zichzelve een walg, en voor mij, die toch bij
+haar de plaats eener moeder vervult, van den morgen tot den avond
+een knagend verwijt. Doch wat vraag ik naar mij zelve! Zonder mijn
+gelaat te vertrekken, zou ik mij in het kleed der godin steken, mij
+naar de baar laten leiden en daar jammeren en weeklagen, zoodat het
+ieder die het hoorde door de ziel zou snijden. Want in mijn hart is
+de zetel mijner smart, en het is gelijk aan het oog van den blinde,
+dat het laatste gezichtsvermogen verliest, omdat een stroom van
+zilte tranen zonder ophouden daarover vloeit. Misschien zouden die
+klaagliederen verlichting geven aan mijne ziel, die zoo vervuld is
+van leed als een beker die overloopt. Doch liever zou ik willen,
+dat een wolk mij voor eeuwig het zonlicht benam, dat een nevelfloers
+alle gesternten voor mij bedekte, dat zwarte rook de lucht verpestte,
+die ik moet inademen om te leven, dan te dulden dat Irene's lichaam
+misvormd, hare ziel verduisterd, haar gulle lach in jammerkreten en
+hare vroolijke kinderzin in somber getreur veranderd werd. Liever
+ga ik weg van hier en van u, om met mijne ouders in ellende en dood
+onder te gaan, dan dit mede aan te zien, dan dit te verdragen."
+
+Serapion bedekte bij deze woorden zijn aangezicht met beide
+handen. Klea keerde hem echter haastig den rug toe en ging onder
+een diepe zucht naar haar kamer. Irene placht haar anders tegemoet
+te snellen, wanneer zij hare schreden vernam, doch heden werd Klea
+door niemand begroet. In het vertrek begon het door de invallende
+nachtelijke duisternis reeds donker te worden, zoodat haar oog zoo
+dadelijk hare zuster niet vond, want deze zat ineengehurkt in een hoek,
+hield haar gelaat achter beide handen verborgen en weende in stilte.
+
+"Wat scheelt er aan?" vroeg Klea, terwijl zij hare weenende zuster
+bezorgd naderde, zich over haar heen boog en beproefde haar op
+te richten.
+
+"Laat mij met rust," zeide Irene snikkend, wendde zich met eene snelle
+beweging half van hare zuster af, en verzette zich als een halsstarrig
+kind tegen hare liefkoozingen.
+
+Toen Klea vervolgens, om haar tot bedaren te brengen, zacht en
+vriendelijk de hand streek over hare lokken, sprong zij op en riep op
+heftigen toon, onder tranen: "Ik heb sedert een uur moeten weenen,
+altijd door weenen. Lysias van Corinthe heeft na den optocht zoo
+vriendelijk met mij gesproken, maar gij, gij geeft niets om mij,
+en laat mij zoolang alleen in dit akelig morsig hol. Neen, ik houd
+het hier niet langer uit, en zoo gij mij niet vasthoudt, vlieg ik
+uit dezen tempel, want daar buiten is het helder en vroolijk, maar
+hier is het somber en afgrijselijk."
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+In het midden van den witten vestingmuur van Memphis, dat rondom
+door bastions en wallen was omgeven, lag het oude koningspaleis, een
+eerwaardig, nieuw gepleisterd gebouw van gebakken tegels, met zijne
+tallooze voorhoven, gangen, vertrekken, zalen, met in den vorm van
+veranda's aangebrachte en bont beschilderde houten bijgebouwen, en
+een schoon gemetseld gedeelte, rijk aan zuilen, geheel in Griekschen
+stijl opgetrokken. Het was van alle zijden omgeven door een weelderig
+aangelegden tuin, en een geheele schare van arbeiders was altijd bezig
+de bloembedden, de schaduwrijke paden, de boomen en struikgewassen te
+verzorgen, de vijvers schoon te houden, de daarin zwemmende visschen te
+voeden, het wildpark na te zien, waarin viervoetige dieren van allerlei
+soort, van den olifant met zijn loggen gang tot de vlugge antilope, en
+bontgevederde vogels uit alle landen in groote menigte te zien waren.
+
+Een lichte witte rook steeg op uit de prachtige badzaal. Men hoorde de
+honden luide blaffen in hunne hokken en hengsten hinniken, trappelen
+en rammelen met hunne halsketens in de lange open paardenstallen.
+
+Aan het oude paleis sloot zich het theater aan, een nieuw gebouw in een
+halven cirkel opgetrokken. Voorts zag men midden in den tuin en buiten
+den muur, die er omheen liep, vele groote tenten voor de lijfwachten,
+de gezanten en schrijverscolleges, alsmede andere die weder voor
+spijszalen dienden voor de hofbeambten. De groote ruimte, waarover men
+uit de straten der stad in de koningsburcht kwam, was door de soldaten
+ingenomen. Langs de zijden, achter schaduwrijke lanen, lagen de huizen
+der manschappen van de wacht en de gevangenissen. Andere krijgers
+waren in tenten vlak tegen de muren van het eigenlijke paleis gelegerd.
+
+Juist op dit oogenblik drongen het gekletter hunner wapenen en de
+Grieksche commando's hunner aanvoerders tot de vertrekken door, waarin
+de koningin haar verblijf hield. Deze vertrekken waren hoog gelegen,
+want Kleopatra hield zich gedurende den zomertijd het liefst op in
+luchtige tenten, die opgeslagen waren op het vlakke, met marmeren
+beeldzuilen rijk versierde dak van het koninklijk paleis, half onder
+breedbladerige planten van het zuiden en geheele boschjes van bloeiend
+struikgewas verscholen.
+
+Slechts een enkele toegang leidde tot dit met vorstelijke pracht
+ingericht asyl, waarom dag en nacht de zachte koeltjes van de
+rivierzijde speelden. Niemand mocht ongeroepen tot dit verblijf
+doordringen en de rust der koningin storen, want aan den voet der
+breede trappen, die naar het dak voerden, waakten veteranen uit den
+Macedonischen krijgsadel, die Kleopatra niet minder onbepaald hadden
+te gehoorzamen, dan den koning zelven. Deze aanzienlijke wacht werd
+nu tegen zonsondergang afgelost, en de koningin vernam de bevelen
+der officieren, die aan haar hoofd stonden, en het gekletter der
+schilden, die tegen de zwaarden sloegen of op den steenen vloer
+werden afgezet. Want zij was uit haar tent naar buiten getreden en
+richtte hare blikken naar het westen, naar de ondergaande zon, die
+den gelen, aan graven zoo rijken en naakten keten van het Libisch
+kalksteengebergte, en de in groepen achter elkander zich verheffende
+pyramidenrijen overgoot met een wonderbaren gloed, die langzamerhand
+ook aan den helderen hemel, die zich welfde over het dal van Memphis,
+de dunne zilverachtige wolkjes rooskleurig tintte en met gouden
+randen omzoomde.
+
+De koningin, die thans naar buiten trad met de jonge Griekin, de
+blonde Zoë, eene dochter van den opperjagermeester Zenodotus, die van
+alle der met haar opgevoede speelgenooten haar het liefst was, bleef,
+ofschoon zij naar het westen zag, ongevoelig voor de toovermacht van
+dit heerlijk schouwspel. Want terwijl zij, om den verblindenden glans
+der zonnestralen af te weren, de vlakke hand als een scherm boven
+hare oogen hield, zeide zij:
+
+"Waar mag toch Cornelius gebleven zijn? Toen wij voor den tempel
+onzen wagen bestegen, was hij verdwenen, en zoo ver ik den weg
+in het gebied van Sokari en Serapis overzien kan, bespeur ik noch
+zijn wagen, noch dien van Eulaeus, die hem vergezellen moest. Het is
+alles behalve beleefd, zóo heen te gaan zonder afscheid te nemen. Ja,
+ik zou het ondankbaar kunnen noemen, daar ik beloofd had hem op den
+terugrit te vertellen van mijnen broeder Euergetes, die heden middag
+met zijne vrienden is aangekomen, en dien hij toch ook nog niet kent,
+daar Euergetes zich in Cyrene ophield, toen Publius Cornelius Scipio
+te Alexandrië aan wal stapte.--Ziet gij die zwarte schaduwen daar
+bij de wijnbergen van Kakem? Dat is hij misschien! Maar neen, gij
+hebt gelijk, dat zijn vogels, die dicht bij elkander over den weg
+vliegen. Gij ziet dus ook verder niets? Niets? En wij hebben beiden
+toch jonge scherpe oogen.--Ik ben benieuwd hoe Euergetes aan Publius
+Scipio bevallen zal. Er zijn schier geen twee wezens, die meer van
+elkander verschillen dan zij, en toch hebben zij iets wezenlijks met
+elkander gemeen."
+
+"Beiden zijn mannen," viel Zoë de koningin in de rede, en zag
+haar daarbij aan, als verwachtte zij een woord van bijval van hare
+meesteres.
+
+"Dat zijn zij," antwoordde Kleopatra trotsch. "Wel is waar is
+mijn broeder nog zoo jong, dat hij, als hij geen koningszoon was,
+nauwelijks den kring der knapen ontwassen, en onder andere epheben
+[10] een jonkman zou zijn, en toch vindt hij onder anderen bijna
+niemand, die hem in wilskracht en stoutmoedigheid in het handelen
+overtreft. Hij heeft reeds eer ik met Philometor huwde, Alexandrië
+en Cyrene zich toegeëigend, dat rechtens toekomt aan mijn echtgenoot,
+die de oudste van ons drieën is. Dit was wel niet broederlijk van hem
+gehandeld, en wij zouden zeker nog vele andere gronden hebben om boos
+op hem te zijn. Maar toen ik hem onlangs na negen maanden weder zag,
+vergat ik dit alles en ik heette hem welkom, als had die jonge titan,
+van wien het niemand zou behoeven te verwonderen, wanneer het hem eens
+gelukte den Pelion op den Ossa te stapelen, enkel weldaden bewezen aan
+mij en zijn broeder, die nu toch eenmaal overeenkomstig de gewoonte
+in het geslacht der pharaonen en het gebruik van ons huis mijn gemaal
+is. Ik weet wel hoe wild hij soms zijn kon, hoe hij alle perken kon te
+buiten gaan en teugelloos voorthollen, maar ik vergeef het hem licht,
+daar ook in mijne aderen het bloed snel vliet, en omdat de bron,
+waaruit zulke uitspattingen voortkomen, kracht is, echte onbedwingbare
+kracht. Zulk een degelijke kracht is het juist wat wij het liefst in
+mannen bewonderen, daar dit de eenige gave is, die de goden ons met
+spaarzamer hand hebben toebedeeld dan hun. Het leven vermag vaak de
+al te snelle stroomen te beteugelen, maar of het gelukken zal met
+den geweldigen loop van dezen, durf ik betwijfelen. In elk geval
+komt zulk een stroom vooruit, en blijft krachtig tot het einde, dat
+hem zeker eens plotseling overvalt, en zulk een wild water is mij
+wel zoo lief als een kalme vliet in de vlakte, die niemand schade
+doet en die om lang te leven ten laatste in een moeras verdampt. Zoo
+iemand, dan mag men hem dat opbruisend karakter vergeven, want even
+mateloos en buitengewoon als zijne gebreken, ja ik zeg het ronduit,
+zijne ondeugden zijn, zijn toch ook, als hij maar wil, de groote
+eigenschappen van mijn broeder, die oud en jong betooveren. En wie
+overtreft hem in Griekenland en Egypte in scherpzinnigheid en energie?"
+
+"Gij moogt trotsch op hem zijn," antwoordde Zoë. "Zoo hoog als
+Euergetes kan zelfs een Publius Scipio niet vliegen."
+
+"Maar daarentegen mist Euergetes die vaste en kalme zekerheid van
+Cornelius. De man, die de goede eigenschappen dezer beiden in zich
+vereenigt, behoeft, zou ik denken voor geen god te wijken."
+
+"Hij zou onder ons, onvolkomene stervelingen, de eenige volmaakte
+zijn," gaf Zoë ten antwoord. "Maar een volmaakt mensch kunnen de goden
+niet dulden, daar zij zich anders de moeite zouden moeten geven met
+een van hunne schepselen te wedijveren."
+
+"Daar komt er nog een aan, in wien niets valt af te keuren," riep de
+jonge koningin, terwijl zij eene rijk gekleede vrouw van middelbaren
+leeftijd te gemoet ijlde, die haar kind, een tweejarig bleek knaapje,
+tot haar bracht. Teeder, maar met onstuimige drift greep zij naar den
+kleine, om hem op den arm te nemen, maar het zwakke kind, hetwelk haar
+eerst had toegelachen, verschrikte, wendde zich eensklaps van haar
+af, en trachtte zijn smal gezichtje te verbergen in het kleed van de
+aanzienlijke voedster, terwijl het de armpjes om haar hals sloeg.
+
+De koningin wierp zich dadelijk op de knieën, vatte daarna het
+knaapje bij den schouder, en deed al haar best, eerst door vleiende
+woorden, vervolgens met geweld, om het te bewegen de plooien los te
+laten van het kleed, waarin het zich schuil hield, en zich tot haar
+te wenden. Doch niettegenstaande de vrouw, die ook de min van het
+knaapje was geweest, de pogingen der koningin ondersteunde, door
+het vriendelijk toe te spreken, zoo begon het kind toch van angst
+te schreien, en zich des te heftiger te verweren tegen de teedere
+liefkozingen van zijne moeder, naarmate deze te hartstochtelijker
+moeite deed om het tot zich te lokken. Eindelijk hief de voedster den
+jongen prins in de hoogte en wilde hem aan zijne moeder overreiken,
+doch nu ging het schreien van de weerspannige kleine, die zijne
+armpjes krampachtig vastklemde om den hals zijner voedster, in luid
+schreeuwen over.
+
+Terwijl door de moeder deze niet zeer aangename strijd werd gevoerd
+tegen de eigenzinnigheid van haar kind, liet zich in den voorhof
+van het paleis het geratel van raderen en den hoefslag van paarden
+hooren. Nauwelijks had de koningin dit geluid vernomen, of zij keerde
+zich van het schreiende knaapje af en snelde naar de borstwering van
+het dak, terwijl zij Zoë toeriep:
+
+"Publius Scipio komt! Het is meer dan tijd, dat ik mij voor het
+feestmaal kleed. Wil die onaardige jongen nog altijd niet zoet
+zijn? Breng hem dan maar weg, Praxinoa, en weet, dat ik zeer
+ontevreden op u ben. Want gij vervreemdt mijn eigen kind van mij,
+om den toekomstigen koning voor u te winnen. Dat moge eene beuzeling
+schijnen, maar het bewijst mij dat gij onbekwaam zijt, en niet
+geschikt voor het ambt, dat u werd toevertrouwd. Gij hebt uw plicht
+als min vervuld, doch ik zal eene andere vrouw voor den knaap zoeken
+en vinden. Geene tegenspraak! Geene tranen! Ik heb al genoeg aan de
+tranen van het kind."
+
+Met deze woorden, luid en hartstochtelijk uitgesproken, keerde zij zich
+af van Praxinoa, de vrouw van een aanzienlijk man van Macedonischen
+adel. Terwijl deze als versteend bleef staan, ging zij in hare tent,
+waarbinnen zooeven eenige lampen met verschillende armen op kleine
+sierlijk bewerkte tafeltjes waren geplaatst. Deze laatste waren,
+evenals alle gereedschappen in de kleedtent der koningin, vervaardigd
+uit gepolijst elpenbeen, dat fraai uitkwam tegen het hemelsblauwe,
+met zilveren leliën en aren doorweven tentdoek, de tijgervellen,
+waarmede alle kussens overtrokken waren, en de witte wollige met een
+blauwe guirlande omzoomde vloertapijten.
+
+De koningin wierp zich onstuimig op een zetel voor haar kleedtafel
+neder, keek zoolang in den spiegel, alsof zij haar gelaat en haar dik
+roodblond haar voor de eerste maal zag, en zeide daarop, zich half
+tot Zoë wendende, half tot hare uitverkorene kamenier uit Athene,
+die met andere dienstmaagden achter haar stond:
+
+"Het was eene dwaasheid, mijn donker haar blond te verwen. Doch nu moet
+het zoo blijven, want Publius Scipio, die geen begrip heeft van onze
+kunsten, heeft deze kleur buitengemeen schoon gevonden, en hij behoeft
+niet te weten van waar ze komt. Het Egyptisch hoofdtooisel daar,
+met den kop van een gier, waarmede de koning mij het liefst ziet,
+vinden Lysias en ook de Romein barbaarsch. Zoo moet ook ieder het
+noemen, die met de Egyptenaars niets te maken heeft. Doch wij zijn
+heden avond toch onder ons, en daarom wil ik den krans van gouden
+aren met druiven van Saphir opzetten. Meent gij, Zoë, dat daarbij
+het doorzichtig gewaad van bombyx zal passen, dat gisteren uit Cos
+is gekomen? Maar het bevalt mij niet, want het is te dun geweven,
+het is niet in staat iets te verbergen, en ik mis juist tegenwoordig
+de noodige ronding. Een gevolg van dat eeuwigdurend verdriet, de
+gejaagdheid, die zorgen! Hoe moest ik mij gisteren weder weren in
+den raad; want mijn gemaal geeft altijd maar toe, stemde met alles
+in en wilde het ieder naar den zin maken. Als iets afgekeurd moet
+worden, dien ik tusschen beide te komen, hoe ongaarne ik het ook
+doe, en hoezeer het mij ook tegen de borst stuit, dat ik anderen
+boos maken, teleurstellen, iets weigeren moet. Ik moet mij dat laten
+welgevallen, mij hard en ongevoelig voordoen, om voor mijn echtgenoot
+den twijfelachtigen roem te bewaren, dat hij de zachtmoedigste en
+vriendelijkste van alle mannen en vorsten is. Daar mijn zoon een
+eigen wil heeft, geeft dit aanleiding tot hevige tooneelen, maar
+het is beter zóo, dan dat die kleine Philopator zich maar in ieders
+armen zou werpen. De opvoeding van een knaap moet allereerst hierin
+bestaan, dat men hem leert 'neen' te zeggen. Zelve zeg ik dikwijls
+'ja' als ik het niet moest doen, maar ik ben eene vrouw, en wij
+zijn schooner als wij toegeven, dan wanneer wij ons verzetten. En
+wat toch is ons van meer gewicht dan schoon te zijn! Laten wij dus
+blijven bij dit lichtblauwe gewaad, en leggen wij daarover dit net
+van gouddraad met die Saphiren op de knoopen. Dat zal goed passen
+bij het hoofdtooisel.--Ga voorzichtig met de kam te werk, Thaïs, want
+gij doet mij pijn!--Ik mag niet langer praten. Zoë geef mij die rol
+daar aan. Ik wil een weinig tot mijzelve komen, vóor ik naar beneden
+ga, om mij met de mannen aan het gastmaal te onderhouden. Wanneer
+men het doodenrijk en den Serapis heeft bezocht, en wij herinnerd
+zijn geworden aan de onsterflijkheid der ziel en aan het lot dat
+haar wacht in eene andere wereld, dan wil men gaarne eens herlezen,
+wat de beminnenswaardigste onder alle denkers over dergelijke dingen
+weet te zeggen.--Hier moogt gij beginnen, Zoë!"
+
+De speelgenoote van Kleopatra gaf de dienstmaagden, die niets te doen
+hadden, een wenk, dat zij zich zouden verwijderen; zijzelve zette
+zich neder op een laag kussen tegenover de koningin, en begon met eene
+geoefende stem vol uitdrukking te lezen. Zij las altijd door, zonder
+dat eenig ander geluid haar stoorde, dan het geklingel der sieraden,
+het geruisch der kostbare stoffen, het druppelen van de olieën en
+reukwerken, die in kristallen schalen werden uitgegoten, de korte en
+zacht gefluisterde vragen der meisjes, die de koningin tooiden, en
+de niet minder haastig en onmerkbaar gegevene antwoorden van Kleopatra.
+
+Allen die zich niet bezighielden met de persoon van de koningin--en
+er waren zeker wel twintig jongere en oudere vrouwen, die in groepen
+langs de wanden van de groote tent stonden of op kussens op den grond
+zaten--wachtten, zonder zich te verroeren, als had de machtspreuk van
+een toovenaar hen doen verstijven, het oogenblik af, waarop het ook
+hunne beurt zou worden diensten te bewijzen. Alleen door hunne oogen
+en door zachte bewegingen van de vingers wisselden zij met elkander
+van gedachten, want zij wisten dat de koningin zeer ongaarne werd
+gestoord, terwijl men haar voorlas, en dat zij zich niet ontzag alles
+wat in strijd was met hare wenschen en neigingen, als een knellenden
+schoen of eene versletene snaar van zich te werpen.
+
+De trekken van Kleopatra waren onregelmatig en scherp, hare
+kaakbeenderen en lippen, waarachter sneeuwwitte doch ver van elkander
+staande tanden glinsterden, te sterk ontwikkeld. Doch zoolang zij haar
+best deed om hetgeen werd voorgelezen te volgen en te begrijpen, en
+met schitterende oogen, als die eener profetes, en met half geopenden
+mond naar de woorden van Plato geluisterd had, was het alsof zij
+door een onbeschrijflijk fijnen lichtgloed werd omschenen, die uit
+eene hoogere wereld afkomstig scheen en haar ten hoogste bekoorlijk
+maakte. Toen was zij veel schooner dan thans, nu haar toilet gereed
+was, en zij, nadat Zoë Plato uit de hand had gelegd, door de vrouwen
+die haar omgaven met luide en overdreven vleiende woorden werd begroet.
+
+De koningin zag zich gaarne zoo levendig toegejuicht, en om de
+bewondering van velen te kunnen genieten, moest, terwijl men haar
+optooide, het aantal vrouwen bij haar kaptafel zoo groot zijn. Van alle
+zijden werden haar spiegels voorgehouden, en ieder beijverde zich om de
+plooien beter te leggen, of de met edelsteenen versierde riemen harer
+sandalen recht te trekken. Deze prees de volheid harer lokken, eene
+andere haren slanken lichaamsbouw, of het teedere harer gewrichten,
+of hare buitengewoon kleine handen en voeten. Een meisje maakte een
+ander, luid genoeg om door de koningin gehoord te worden, opmerkzaam
+op den glans harer oogen, die reiner was dan die der saphiren van
+haar voorhoofd en gewaad. En de kamenier Thaïs uit Athene verzekerde,
+dat Kleopatra gezetter was geworden, want haar gouden gordel was
+heden veel minder gemakkelijk te sluiten dan tien dagen geleden.
+
+Thans gaf de koningin een wenk; Zoë wierp een zilveren kogel in een
+bekken van hetzelfde metaal, dat rijk met drijfwerk was versierd, en
+terstond daarop lieten zich voor de opening van de tent de voetstappen
+der lijfwacht hooren.
+
+Kleopatra trad naar buiten, overzag met een haastigen blik het door
+brandende pekpannen en fakkels helder verlichte dak, en de marmeren
+beeldwerken, die tegen het donker loof duidelijk uitkwamen, en ging
+toen, zonder om te zien naar de tent, waarin hare kinderen sliepen,
+naar den draagstoel, dien Macedonische edelen op het dak gedragen en
+dáar neergezet hadden. Zoë en de Atheensche Thaïs ondersteunden haar,
+toen zij in den draagstoel steeg, en de speelgenooten, dienstmaagden
+en andere vrouwen, die uit naburige tenten waren toegesneld, vormden
+een boog aan beide zijden van haren weg, en lieten luide kreten van
+vreugde en bewondering hooren, toen hare meesteres, hoog verheven op
+de schouders van die haar droegen, allen voorbijzweefde. De diamanten
+aan het handvatsel van Kleopatra's veeren waaier fonkelden, toen zij
+hare vrouwen groette met eene genadige vriendelijkheid, welke hem die
+begroet wordt herinnert hoe ver hij staat beneden hem die groet. Elke
+beweging harer hand was koninklijk trotsch en afgemeten, in hare oogen
+was echter duidelijk te lezen, hoe de jonge vrouw zich ongedwongen
+verlustigde in haar kostbaar en schoon toilet, hoe zij ingenomen was
+met haar eigen persoon en zich verblijdde in het vooruitzicht van
+vroolijke feestelijke uren.
+
+Eindelijk verdween de draagstoel in de poort van de breede trappen,
+die naar het dak leidden, en de Atheensche Thaïs zuchtte zacht in
+zichzelve en dacht: "Kondt gij ook maar eens in zulk een sierlijke
+schulp van met allerlei kleuren schitterend paarlemoer als eene godin
+door de lucht zweven, gedragen door schoone jongelingen, gevierd en
+van alle zijden toegejuicht! Daar boven trekt de wassende Selene de
+nietige sterren koel en zwijgend voorbij, en evenzoo trok zij met hare
+in purper gekleede fakkeldragers hier tusschen de tenten door, alle
+vlammen en lichten ook ons armen voorbij, naar het feestmaal. En naar
+welk een maaltijd, en welke gasten! Allen hierboven jubelden haar toe,
+en het kwam mij voor, als had zelfs onder die koude marmerbeelden dáar
+het ernstige gelaat van Zeno den mond geopend, en haar een vleiend
+woord nageroepen. En toch zouden Zoë, en de blonde Lysippa, en de
+zwartlokkige dochter van Demetrius, en ik, arm schepsel, schooner,
+veel schooner zijn dan zij, als wij ons met kostbare kleederen en
+juweelen konden tooien, waarvoor koningen gaarne hun rijk zouden
+verkoopen; als wij eveneens Aphrodite konden nadoen met te tronen in
+een schulp, die, als dreef zij in de zee, op smaragdgroen vloeispaath
+rust; als dolfijnen, met paarlen en turkooizen bezet, onze voetbanken
+waren, en witte struisvederen als zilveren wolkjes, die in Athene op
+schoone lentedagen den hemel sieren, boven onze hoofden zweefden. Dat
+doorzichtig gewaad, hetwelk zij niet durfde aantrekken, zou mij wel
+mooi staan! Als het toch eens waarheid was, wat Zoë gisteren moest
+voorlezen, dat de zielen der menschen bestemd zijn om altijd weder in
+eene nieuwe gedaante op aarde te wandelen! Misschien kwam dan mijne
+ziel nog eens in een koningskind ter wereld! Een prins zou ik liever
+niet worden, want van dien wordt zooveel gevorderd, maar wel eene
+prinses. Wat zou dat heerlijk zijn!"
+
+Zulke en nog meer dergelijke dingen droomde Thaïs, terwijl Zoë vóor
+de tent van het vorstelijk kind met hare nicht, de eerste opvoedster
+van prins Philopator, een zacht en druk gesprek hield.
+
+De min van den koninklijken knaap droogde van tijd tot tijd hare
+oogen af, terwijl zij onder hartstochtelijk snikken sprak: "Mijn
+eigen kleintje, mijne andere kinderen, mijn echtgenoot en ons fraai
+huis in Alexandrië heb ik verlaten, om een prins te zoogen en hem
+op te voeden. Mijn geluk, mijne vrijheid, mijne nachtrust heb ik
+opgeofferd ter wille van de koningin en dit knaapje. En hoe word ik nu
+daarvoor beloond! In tegenwoordigheid van u en hare speelgenooten,
+zegt mij die nauwelijks negentienjarige vrouw, die nog half een
+kind is, op dezen tienden dag den dienst op, alsof ik eene gehuurde
+dienstmaagd was en niet de dochter en de vrouw van een edelman. En
+dat waarom? Omdat in haar zoon het onstuimige bloed vloeit van haar
+geslacht, omdat de knaap niet in de armen wil vliegen eener moeder,
+die dagen achtereen niet naar hem vraagt, en alleen in oogenblikken,
+wanneer zij elke andere luim bevredigd en niets beters te doen heeft,
+zich om hem bekommert. De vorsten deelen hun gunst en hunne ongenade
+alleen billijk uit, zoolang zij kinderen zijn. Die kleine weet zeer
+goed te onderscheiden wat ik voor hem ben en doe, en wat Kleopatra voor
+hem is. Kon ik het over mij verkrijgen hem heimelijk te mishandelen,
+dan zou deze moeder, die toch zoo weinig moeder toont te zijn, weldra
+haar zin krijgen. Hoe zwaar het mij ook valt dit zwakke kind, dat mij
+zoo na aan het hart ligt, alsof het mijn eigen kind was,--ja nader
+nog, durf ik wel zeggen--reeds nu te verlaten, zoo wil ik het toch
+doen, zelfs op gevaar af dat Kleopatra ons, mij en mijn echtgenoot,
+in het ongeluk zal storten, gelijk zij reeds zoo menigeen deed,
+die het waagde haar wil te weerstreven."
+
+De min van den prins begon luide te weenen; maar Zoë legde haar
+hand op den schouder der beproefde, en zeide om haar te troosten:
+"Ik weet dat gij meer van de luimen van Kleopatra te lijden hebt, dan
+wij allen. Maar neem toch geen overhaast besluit! Morgen zendt zij u,
+gelijk zij vaak deed als zij u beleedigd had, een fraai geschenk,
+en wanneer zij u telkens en telkens weder krenkt, zal zij het ook
+telkens en telkens weder goed trachten te maken, tot dit jaar voorbij
+is, wanneer gij uw plicht bij den prins hebt vervuld, en weder naar
+uw gezin kunt terugkeeren. Wij moeten allen geduld oefenen. Wij leven
+als lieden, die een bouwvallig huis bewonen, en wien heden een steen
+en morgen een balk op het hoofd of de voeten dreigt te vallen. Nemen
+wij kalm op wat ons treft, dan tracht men onze wonden te heelen, doch
+spreken wij tegen, dan mogen alle goden ons genadig zijn. Kleopatra
+toch is als een gespannen boog, waaraan de pijl ontvliegt zoodra ook
+maar een kind, eene muis, een tochtje de pees beroert; zij is als een
+boordevol vat, dat overvloeit, wanneer een blad, een nieuwe druppel,
+een enkele traan daarin valt. Wij allen zouden onder een leven als
+het hare bezwijken, maar zij heeft ieder uur afwisseling noodig, iets
+wat haar opwekt en opnieuw in spanning brengt. Zij komt laat van het
+gastmaal; nauwelijks zes uren ligt zij, onrustig slapende, te bed,
+en tot op het tijdstip dat wij haar weder voor den maaltijd tooien,
+gunt zij zich zelf niet zoolang rust als het steentje noodig heeft,
+om uit de klauw van den kraanvogel ter aarde te vallen. Uit den raad
+komende gaat zij over tot geleerde gesprekken; zij laat de boeken
+liggen om in den tempel te offeren en te bidden; uit het heiligdom
+komende, begeeft zij zich naar de werkplaatsen der kunstenaars;
+van de schilderijen en de beeldzuilen weder in de audientiezaal;
+na het ontvangen van onderdanen en vreemdelingen weder in het
+schrijfvertrek; na het beantwoorden van brieven weder naar den
+optocht en de offerande; na de vervulling dezer godsdienstplichten
+weder hierheen en in de kleedtent, waar zij, terwijl men haar toilet
+maakt, luistert naar mijne voorlezing uit diepzinnige geschriften. En
+hoe scherp luistert zij! Geen woord ontgaat haar, en geheele volzinnen
+weet zij te onthouden. Door die eindeloos afwisselende inspanning moet
+hare ziel wel zijn als een lid van ons lichaam, dat ziek is doordat
+wij er al te veel van vergden, en pijn doet wanneer men het onzacht
+aanraakt. Wij zijn in haar oog niets anders dan ellendige muggen,
+waarnaar men slaat, wanneer zij het ons te lastig maken, en de goden
+mogen hem genadig zijn, dien de hand dezer koningin treft! Euergetes
+slaat met zwaarden doormidden, wat hem in den weg staat; Kleopatra
+steekt met dolken, en in hare hand is èn hare eigene macht èn die
+van haren gehoorzamen gemaal vereenigd.--Ga dus niet weg! Duld, wat
+gij niet kunt afwenden, evenals ik niet mor, wanneer ik mij onder
+het lezen verspreek, en zij mij de rol uit de hand rukt en voor de
+voeten werpt. En dan heb ik slechts voor mijzelve te vreezen, maar
+gij ook voor uw man en uwe kinderen."
+
+Praxinoa boog, hoewel bedroefd, het hoofd, ten teeken van toestemming,
+en zeide: "Heb dank voor deze woorden. Ik denk altijd alleen met
+het hart, maar gij het meest met het hoofd. Gij hebt gelijk; ook
+ditmaal blijft mij niets over dan mij geduldig te schikken. Maar heb
+ik eens de taak vervuld, die ik hier op mij nam, en ben ik weder te
+huis, dan laat ik een groot offer slachten voor Asklepius en Hygiea,
+alsof ik van eene zware krankheid genezen was. Dit weet ik nu reeds,
+dat ik liever als eene arme dienstmaagd aan den handmolen sta, dan
+dat ik met deze rijke en vergode koningin zou willen ruilen, die,
+om haar leven ten volle te kunnen genieten, gejaagd en onrustig het
+beste voorbijvliegt, wat dit aanzijn den mensch biedt. Zulk een leven
+zonder rust, komt mij schrikkelijk, allerverschrikkelijkst voor,
+en hoe dor en ledig moet het hart eener moeder zijn, die zich met
+zooveel andere dingen heeft bezig te houden, dat zij de liefde van haar
+eigen kind, die zelfs iedere dagloonersvrouw verkwikt, niet vermag te
+winnen. Liever alles, alles geduldig dragen, dan zóo koningin te zijn."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+"Hoe, niemand hier die mij tegemoet komt?" vroeg de koningin, toen zij
+genaderd was aan den voet van den porphieren trap, die leidde naar de
+voorzaal, waardoor men de feestzaal binnentrad. Zij zag verstoord de
+kamerdienaren aan, die haar begeleidden, en herhaalde, terwijl zij
+de kleine hand tot een vuist balde: "Ik kom, en vind hier niemand!"
+
+Dit 'niemand' had in dit geval eene bijzondere beteekenis, want op
+den met marmerplaten belegden vloer van de groote ruimte, die rondom
+door zuilengangen was omgeven, waarboven de sterrenhemel als een dak
+was uitgespannen en waarheen de koningin wees met hare hand, stonden
+meer dan honderd Macedonische lijfwachten, in den rijksten wapendos,
+en even zoovele aanzienlijke hofbeambten, die de titels droegen van
+vaders, broeders, verwanten, vrienden en bijzondere vrienden des
+konings. Deze allen ontvingen hunne gebiedster met een veelstemmig:
+"heil!" maar Kleopatra scheen niemand hunner een blik waardig te
+achten. Deze menigte was in haar oog nog minder dan de lucht, die wij
+moeten inademen om te leven; zij was voor haar als de lastige rook,
+als dwarrelend stof, waarvoor wij gaarne uit den weg zouden gaan,
+doch dat de wandelaar zich toch getroosten moet, om verder te komen.
+
+De koningin had verwacht, dat de weinige gasten, die zij en haar
+broeder Euergetes zich voor dit gastmaal hadden uitgekozen, haar aan de
+trappen zouden welkom heeten, dat zij haar, die zich hoog verheven in
+haar schelpvormigen draagstoel eene godin gelijk achtte, naar omlaag
+zouden zien zweven. Zij had zich reeds verheugd op de bewondering van
+den door dit schouwspel getroffen Romein, en op de vleierij van den
+Korinthiër Lysias. Thans was het meest indrukwekkend oogenblik in de
+rol, die zij dezen avond dacht te spelen, onopgemerkt voorbijgegaan,
+en de gedachte kwam bij haar op zich weder terug te laten dragen naar
+haar dak, om eerst, wanneer zij zeker kon zijn van de aanwezigheid
+der gasten, hen nog eenmaal tegemoet te zweven. Maar meer nog dan al
+het andere, zelfs meer dan smart en berouw, vreesde zij den schijn
+van zich belachelijk te maken. Zij liet derhalve de dragers bevelen
+stil te staan, en terwijl de overste dergenen, die de gasten moesten
+binnenleiden, zijne waardigheid vergetende, op een draf wegvloog,
+om haar gemaal hare nadering te melden, gaf zij de voornaamsten
+der rijksgrooten een wenk, ten einde met koele vriendelijkheid
+eenige genadige woorden tot hen te richten. Doch slechts weinige,
+want weldra vlogen de deuren van thyia-hout, waarmede de eigenlijke
+feestzaal gesloten was, open, en de koning trad met zijne vrienden
+Kleopatra tegemoet.
+
+"Hoe konden wij u zoo vroeg verwachten!" riep Philometor zijne
+gemalin toe.
+
+"Is het dan inderdaad nog vroeg?" vraagde de vorstin, "of verras ik
+u alleen, omdat gij vergeten hebt mij op te wachten?"
+
+"Hoe onbillijk zijt gij!" hernam de koning. "Gij moest toch weten dat
+gij, hoe vroeg gij ook moogt verschijnen, naar mijn wensch altijd te
+laat komt."
+
+"En naar onze wenschen," zeide de Korinthiër Lysias, "noch te vroeg,
+noch te laat, maar ter juister tijd, evenals het geluk, de overwinning
+en de genezing."
+
+"De genezing, die eene ziekte onderstelt?" vroeg Kleopatra, en er
+kwam weder vuur en opgewektheid in hare glinsterende oogen.
+
+"Ik begrijp Lysias volkomen," zeide Publius, voor den Korinthiër
+het woord opvattende, "want ik ben eens op het veld van Mars met
+mijn paard gevallen, moest weken lang op mijne legerstede blijven
+liggen, en weet bij ervaring dat er geen zaliger gewaarwording is, dan
+wanneer men herstelt en de verloren krachten voelt terugkeeren. Hij
+heeft dus willen zeggen, dat men zich in uwe nabijheid bijzonder wel
+moet gevoelen."
+
+"Veelmeer," dus liet Lysias hier dadelijk op volgen, "schijnt onze
+koningin mij toe de genezing zelve te zijn, daar wij ons, zoolang
+zij in ons midden werd gemist, krank gevoelden en smachtten van
+heimwee. Uwe nadering, Kleopatra, is de krachtigste artsenij en geeft
+ons de verlorene gezondheid weder!"
+
+Kleopatra boog bevallig en als tot dank met haren veeren waaier,
+en draaide daarbij snel het handvatsel, opdat de daarop bevestigde
+diamanten helder zouden schitteren. Daarop wendde zij zich tot de
+beide vrienden en zeide: "Uwe vriendelijke woorden zijn wel gemeend,
+en staan in verhouding tot elkander als twee steenen in een kleinood
+gevat, waarvan de een fonkelt, omdat hij kunstig werd geslepen en aan
+alles wat licht geeft vele spiegelvlakken aanbiedt, maar de ander
+omdat hij echt is en zijn eigen vuur bezit. Het echte en het ware
+zijn éen; de Egyptenaars hebben ook voor beide maar éen woord, en
+uwe vriendelijke toespraak, mijn Scipio--maar ik mag u wel Publius
+noemen, niet waar?--uwe vriendelijke toespraak, Publius, schijnt
+mij meer waar te zijn, dan die van uw scherpzinnigen vriend, wiens
+woorden voor ijdeler ooren dan de mijne berekend zijn. Ik bid u,
+reik mij thans uwe hand!"
+
+De schelp waarin zij gezeten was werd nedergelaten, en door Publius
+en haar gemaal ondersteund, steeg de koningin uit en begaf zich met
+hare gasten naar de feestzaal.
+
+Zoodra het voorhangsel achter haar gesloten was en Kleopatra zacht
+eenige woorden met den koning had gewisseld, richtte zij zich weder tot
+den Romein, wien de eunuuch Eulaeus inmiddels op zijde was getreden,
+en sprak: "Gij komt uit Athene, Publius, doch gij schijnt daar de
+lessen over de logica niet bijzonder trouw gevolgd te hebben. Hoe is
+het anders mogelijk dat gij, die de gezondheid voor het hoogste goed
+houdt en die zooeven verklaardet u nergens zoo wel te gevoelen als
+in mijne nabijheid, dat gij mij na den optocht, geheel tegen onze
+afspraak, zoo snel verlaten kondt? Mag ik vragen welke bezigheden..."
+
+"Onze edele vriend," antwoordde de eunuuch met een diepe buiging,
+zonder de koningin te laten uitspreken, schijnt een bijzonder
+welgevallen gevonden te hebben in de gebaarde kluizenaars van Serapis
+en bij hen zijne Atheensche studiën te willen voltooien."
+
+"Daaraan heeft hij goed gedaan," hernam Kleopatra, "want van hen
+kon hij leeren, zijne aandacht te vestigen op dat derde gedeelte van
+het leven, waarvan men in Athene het minst spreekt, op de toekomst,
+bedoel ik--"
+
+"Deze behoort aan de goden," gaf de Romein ten antwoord. "Zij
+komt vroeg genoeg, en daarover heb ik ook met den kluizenaar niet
+gesproken. Eulaeus mag wel weten, dat integendeel alles, wat ik van
+den zonderlingen man in het Serapeum vernam, op verledene dingen
+betrekking heeft."
+
+"Maar hoe is het mogelijk," vroeg de eunuuch op zijn beurt, "dat
+iemand, wien eene Kleopatra aanbood haar gezelschap te schenken,
+zoo lang aan iets anders dacht, dan aan de heerlijkheid van het
+tegenwoordige?"
+
+"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde Publius haastig, "dat gij
+voor het tegenwoordige in de bres springt, en liever niet om uw
+verleden denkt."
+
+"Dat verleden was rijk aan zorg en moeite," antwoordde de eunuuch
+met groote zelfbeheersching, "gelijk mijne vorstin wel weet door
+hare vorstelijke moeder, en uit eigene ervaring. Zij zal mij ook
+weten te beschermen tegen den onverdienden haat, waarmede machtige
+vijanden mij schijnen te willen vervolgen. Veroorloof mij, koningin,
+dat ik eerst laat aan den maaltijd verschijn. Deze edele heer liet
+mij uren lang in het Serapeum wachten, en de plannen aangaande de
+nieuwe gebouwen in den Isistempel van Philae moeten nog heden in orde
+worden gebracht, om morgen vroeg in den raad uw hoogen gemaal en zijn
+verheven broeder Euergetes..."
+
+"Gij zijt verontschuldigd," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende.
+
+Nadat Eulaeus zich verwijderd had, kwam de koningin dichter bij
+Publius en zeide: "Gij zijt boos op dezen misschien niet aangenamen,
+maar in elk geval bruikbaren en verdienstelijken man. Mag ik vragen,
+of alleen zijn persoon u afstoot, dan of er daadzaken zijn, die uwen
+afkeer, en als ik wel heb gezien, uwe bitter vijandelijke gezindheid
+tegen hem hebben gewekt?"
+
+"Beide," antwoordde Publius. "Ik vermoedde van den aanvang in dezen
+eunuuch niets goeds te zullen vinden, en weet thans dat, als ik mij
+in hem bedrogen heb, dit in zijn voordeel is geweest. Tegen morgen
+vraag ik u een uurtje gehoor; dan wil ik u een en ander omtrent
+hem mededeelen, dat niet past op dezen avond, die aan de vreugde
+is gewijd, want het betreft treurige dingen, die afkeer wekken. Gij
+behoeft niet nieuwsgierig te zijn, want het zijn zaken die tot het
+verledene behooren, en u noch mij aangaan."
+
+Dit onderhoud werd afgebroken door den opperhofmeester en den schenker,
+die allen aan tafel noodigden, en weldra was het koninklijk echtpaar
+met zijne gasten aangelegen.
+
+In het middelmatig groot vertrek, waarin Ptolemaeus Philometor het
+liefst met weinige uitverkorene vrienden placht feest te vieren,
+paarde zich Oostersche pracht aan de schoonheid van Grieksche
+vormen. Evenals de groote receptiezaal en de mannenzaal, waarin de
+gasten van den koning zich verzamelden, met zijne twintig deuren en
+hooge porfierzuilen, ontving het zijn licht van boven, want alleen de
+vensterlooze wanden en sierlijke albasten zuilen met hunne Korinthische
+akantus-kapiteelen droegen eene smalle overdekking, de middenruimte
+was echter onbedekt. Thans, nu het vertrek rondom door honderden
+lampen werd verlicht, was over deze wijde opening, waardoor het bij
+dag beschenen werd door den helderen zonneglans, een van gouddraad
+gevlochten en met halve manen en sterren van blinkend bergkristal
+versierd net, klein van mazen, uitgespreid om de vleermuizen en
+nachtvlinders, die op het licht komen toevliegen, af te weren.
+
+Ook de eetzaal des konings was bijna daghelder verlicht, en wel door
+talrijke veelarmige luchters, die door lieflijke kindergestalten van
+marmer en metaal werden gedragen. Elke voeg van de mozaïkschilderij
+op den vloer, welke de komst van Hercules op den Olympus, den maaltijd
+der goden en de verbazing van den overbluften held over de pracht van
+het hemelsche drinkgelag voorstelde, was duidelijk te onderkennen,
+en honderd vlammen spiegelden zich langs de wanden in het gepolijste
+gele marmer uit de groeven van Hippo Rhegium. Daar hadden bekwame
+kunstenaars van kostbare steenen, als lazuursteen, malachiet, kwarts,
+bloedjaspis, achaat en chalcedon, allerlei afbeeldingen ingelegd
+van vruchten, muziekinstrumenten en groepen van geschoten wild. Op
+de pijlers zag men de maskers der muzen van het blijspel en van het
+treurspel, fakkels, thyrsusstaven met wijnranken en klimop omwonden en
+Pansfluiten. Deze laatste ornamenten waren van gedreven goud en zilver,
+met half-edelsteenen bezet, en lagen op den marmeren ondergrond, als
+de metalen knoppen van lederen schilden, of het rijke beslag op de
+scheede van een zwaard. Langs de friesen zagen de gasten eene schoone
+voorstelling in relief van een Dionysos-optocht, dien de beeldhouwer
+Brayxis voor Ptolemaeus Soter gemodelleerd en in elpenbeen en goud
+uitgevoerd had.
+
+Al wat het oog in dit vertrek boeide was schoon en kostbaar, en droeg
+vooral een vroolijk karakter voordat Kleopatra den troon beklom. Doch
+zij had, even als in hare woonvertrekken, zoo ook hier de borstbeelden
+der groote Helleensche wijsgeeren en dichters, van Thales uit Miletus
+tot Strato, die het toeval op den troon der godheid plaatste, van
+Hesiodus tot Kallimachus, op marmeren voetstukken doen plaatsen, en het
+masker van de tragische muze doen plaatsen naast dat der komische. Want
+aan haar tafel, placht zij te zeggen, wenschte zij niemand te zien,
+wien een degelijk en ernstig gesprek niet hooger genot kon schenken,
+dan spijs, drank en gelach.
+
+In plaats van gelijk andere vrouwen op een stoel, of aan het voeteinde
+van het rustbed van haar gemaal, in zittende houding, het gastmaal bij
+te wonen, lag zij op haar eigen rustbed, waarachter de borstbeelden
+stonden van de dichteres Sappho en van Aspasia, de vriendin van
+Pericles. Zij matigde zich als een recht aan voor eene wijsgeer, en zoo
+al niet voor eene dichteres, dan toch voor iemand die de dichtkunst en
+de muziek wist te waardeeren, gehouden te worden. Waarom zou zij niet
+liever aanliggen, dan zitten, daar zij toch wist hoe voordeelig hare
+figuur uitkwam, als zij zich schilderachtig op het kussen uitstrekte,
+en het hoofd steunde met den arm, die op de leuning van hare legerstede
+rustte, een arm, die juist wel niet schoon was te noemen, doch waaraan
+altijd de edelste gewrochten van de Alexandrijnsche kunst in het
+graveeren van edelgesteenten en het bewerken van goud, te zien waren.
+
+Doch zij koos de liggende houding vooral om der wille harer voeten,
+want geene vrouw in geheel Griekenland en Egypte bezat kleiner en
+fijner gevormde dan zij. Daarom waren ook hare sandalen zóo gesneden,
+dat zij, als zij stond of liep, alleen de voetzolen bedekten, maar
+de sierlijke blanke teenen met de rooskleurige nagels en de zoo fijn
+gevormde enkels onbedekt lieten. Bij een gastmaal legde zij, even als
+de mannen, haar schoeisel geheel af, om hare voeten eerst te verbergen
+maar dadelijk weder te vertoonen, wanneer zij begreep dat de striemen,
+die de riemen der sandalen in haar teeder vel achter lieten, geheel
+verdwenen waren.
+
+De eunuuch Eulaeus was een bovenmatig bewonderaar van deze voeten,
+niet gelijk hij voorgaf, om der wille harer schoonheid, maar omdat
+hij, als de koningin met hare teenen speelde, raden kon wat er in haar
+omging, wanneer hij dit niet kon opmaken uit haar stem en hare oogen,
+die bijzonder geoefend waren in de kunst van veinzen.
+
+Negen, in den vorm van een hoefijzer geordende rustbedden, drie
+aan drie, met leuningen van ebbenhout en kussens van dof olijfgroen
+brokaat, waarin fijne bloemen van goud en zilver geweven, of als met
+een lichte hand gestrooid waren, noodigden de gasten uit zich neder
+te vlijen.
+
+De koningin fluisterde schouderophalend met den kamerheer, naar het
+scheen niet zeer aangenaam verrast, over hetgeen zij vernam, en deze
+wees nu ieder der genoodigden in het bijzonder zijn plaats aan. De
+koningin nam plaats op het rustbed rechts van de achterste groep,
+haar gemaal bezette dat ter linkerzijde, terwijl de sopha tusschen
+hen beiden open bleef voor Euergetes, den broeder van het vorstelijk
+echtpaar. Een der drie aanligbedden, die zich met een rechten hoek
+aansloten bij die der vorstelijke familie, werd Publius aangewezen,
+en wel dat naast de koningin. Tegenover hem lag de Korinthiër Lysias,
+aan de zijde des konings. Naast hem bleven twee bedden over, terwijl
+de dappere en verstandige Hiërax, de vriend en trouwe dienaar van
+Euergetes, eene plaats vond aan de zijde van den Romein.
+
+Terwijl de dienaren het vertrek met rozenbladeren bestrooiden,
+welriekende wateren sprengden en kleine zilveren tafeltjes met stevige
+bladen van edel roodbruin en witgevlekt porfier, naast de ligplaats
+van elken gast nederzetten, richtte de koning zich tot zijne gasten
+met een vriendelijken groet, zich verontschuldigende, dat zij zoo
+weinig in aantal waren.
+
+"Eulaeus," zeide hij, "heeft ons moeten verlaten om dringende
+bezigheden, en onze koninklijke broeder zit zeker nog met Aristarchus,
+die met hem uit Alexandrië gekomen is, achter de boeken. Doch hij
+heeft stellig beloofd te zullen komen."
+
+"Hoe kleiner dit gezelschap is," zeide Lysias met eene diepe buiging,
+"des te eervoller is het bij eene keus tot het getal uwer uitverkorenen
+te behooren."
+
+"Ik meende reeds uit de goeden de besten genoodigd te hebben,"
+zeide de koningin; "maar de weinige vrienden, die ik hier wilde zien,
+schijnt mijn broeder Euergetes nog te veel geweest te zijn. Want hij,
+die in de woning van een ander bevelen geeft, alsof het zijne eigene
+was, heeft den kamerheer verboden onze geleerde vrienden te noodigen,
+waaronder Agatharchides, de voortreffelijke leermeester van mij en mijn
+broeder, dien gij kent, alsmede onze joodsche vrienden, die gisteren
+aan ons gastmaal deelnamen, en die ik op de lijst had gezet. Ik heb er
+vrede mede, want ik houd van het getal der muzen, en wellicht wilde
+hij u, Publius, eene eer bewijzen, want wij zijn hier op Romeinsche
+wijze bijeen. Ter eere van u, en niet van hem, zullen wij heden geen
+muziek hebben; gij zeidet immers dat muziek bij een gastmaal u niet
+bijzonder aangenaam was. Euergetes speelt zelf voortreffelijk op de
+harp. Overigens is het goed dat hij, gelijk altijd, eerst laat komt,
+want overmorgen is het zijn geboortedag, en dien wil hij hier bij
+ons en niet in Alexandrië vieren. Ook de priesterlijke gezanten,
+die in Bruchium vergaderd zijn, zullen hier te Memphis komen, om hem
+geluk te wenschen. Wij moeten dus iets voorbereiden dat schitterend
+zal zijn. Nu zijt gij wel geen vriend van Eulaeus, Publius, doch hij
+is het bekwaamst voor zulke dingen, en ik hoop dat hij weldra terug
+zal keeren, om mij goeden raad te geven."
+
+"Des morgens zullen wij een grooten optocht doen plaats hebben,"
+zeide de koning. "Euergetes is een liefhebber van praalvertooningen,
+en ik wil hem gaarne toonen, hoezeer zijn bezoek ons verheugd heeft."
+
+De vriendelijke trekken van den koning namen bij deze, uit den grond
+van zijn hart gesprokene woorden, eene bijzonder innemende uitdrukking
+aan. Zijne gemalin zeide echter op bedenkelijken toon: "Ja, als wij
+in Alexandrië waren! Maar hier onder al dat Egyptische volk--."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De laatste woorden van de koningin werden afgebroken door een
+schaterend gelach, dat door de marmeren wanden van het feestvertrek
+werd teruggekaatst. Eerst verschrikte zij, maar zij begon vriendelijk
+te glimlachen, toen zij haren broeder Euergetes herkende, die, den
+kamerheer op zijde dringende, op de gasten toetrad vergezeld van een
+Griek, die ouder was dan hij.
+
+"Bij alle bewoners van den Olympus en al dat gespuis van goden en vee,
+dat de tempels aan den Nijl bevolkt," riep de pas aangekomene, terwijl
+hij nog altijd zoo luid lachte, dat zijne vleezige wangen en zijn
+buitengewoon sterk jeugdig lichaam beefde en schudde. "Bij uwe schoone
+kleine voeten, Kleopatra, die zich zoo gemakkelijk laten verbergen,
+en die men toch altijd moet zien; bij al uwe zachtaardige deugden,
+Philometor, ik geloof dat gij beproeven wilt den grooten Philadelphus
+of onzen Syrischen oom Antiochus te overtreffen, en een optocht zonder
+weerga zult doen houden, en wel te mijner eer! Braaf zoo! Ik zal zelf
+deelnemen aan die wonderlijke vertooning, en met mijn dikke lichaam
+een Eros voorstellen, met boog en pijlkoker. Eene Ethiopische vrouw
+moet dan voor mijne moeder Aphrodite spelen. Zij zal er prachtig
+uitzien, als zij met hare zwartachtige huid uit het witte zeeschuim
+opstijgt. En wat zoudt ge denken van een Pallas met kort kroeshaar,
+van Gratiën met breede Ethiopische platvoeten, en van een Egyptenaar
+met een kaal geschoren kop, die terwijl de zon zich in zijn gladden
+schedel spiegelt, Phoebus Apollo kan voorstellen?"
+
+Onder deze woorden wierp de twintigjarige reus zich op het ledige
+rustbed neder tusschen zijne zuster en zijn broeder. Nadat de laatste
+hem den naam van den Romein had genoemd, en hij dezen niet zonder
+waardigheid begroet had, riep Euergetes een der jonge Macedonische
+edelen, die de gasten als schenker bediende, tot zich, liet zijn
+beker een- en andermaal, ja ten derde maal vullen, dronk dien telkens
+snel en zonder ophouden ledig, en zeide dan hardop, terwijl hij beide
+handen door zijne verwarde blonde haren haalde, zoodat ze hoog boven
+zijn grooten schedel en breed voorhoofd uitstaken: "Ik moet inhalen,
+wat gij mij vóor zijt. Nog een beker, Diokleides!"
+
+"Wildeman!" zeide Kleopatra vermanend, terwijl zij hem half in scherts,
+half in ernst met den vinger dreigde. "Wat ziet ge er uit!"
+
+"Als Silenus, doch zonder bokspooten," antwoordde Euergetes. "Geef
+me een spiegel, Diokleides! Gij hebt de blikken der koningin maar te
+volgen, om er een te vinden.--Juist, daar is het ding.--Waarachtig,
+het beeld, dat het mij toont, bevalt mij niet slecht. Ik zie daar
+een schedel, waarop behalve de twee kronen van Egypte, nog wel een
+derde plaats zou kunnen vinden, een die zooveel hersens bevat, dat
+men daarmede de koppen van vier koningen tot aan den rand zou kunnen
+vullen. Ik zie twee haviksoogen, die altijd scherp zien, zelfs al is
+hun gebieder dronken, en die voor niets te vreezen hebben, behalve dat
+het vleesch op deze vroolijke wangen, als het zoo blijft voortgroeien,
+eindelijk hun licht betimmeren zal, evenals eene drachme, die men in
+de spleet van een boom heeft gestoken, door het aanwassend hout wordt
+ingesloten, of als een luik, dat wordt toegeschoven, het venster
+bedekt. Die kerel daar in den spiegel verwurgt met deze handen en
+armen, als 't moet, een volwassen nijlpaard. De keten, die dezen
+hals versieren zal, moet dubbel zoo lang zijn als die, welke een wel
+doorvoed Egyptisch opperpriester gewoon is te dragen. Ik zie in dezen
+spiegel een man, die uit een kolossaal stuk deeg en uit een vettere
+vastere stof is gebakken, dan andere lieden. En als dat fijne beeld
+daar op die blanke oppervlakte een doorzichtig kleed draagt, wat kunt
+gij, Kleopatra, daar tegen hebben? De Ptolemaeën in Alexandrië moeten
+voor den invoerhandel zorgen; dat heeft de groote zoon van Lagos reeds
+ingezien, en wat zou er worden van den handel met Kos, wanneer ik den
+fijnsten bombyx niet kocht, daar gij, koningin, hen die daarin handelen
+niets te verdienen geeft, en gij u, als eene Vestaalsche maagd, in
+een gewaad van tapijtengoed hult.--Komaan, eene krans op mijn hoofd,
+en nog eene tweede, en nieuwe wijn in den beker! Op het welzijn van
+Rome, en op het uwe, Publius Cornelius Scipio, en, mijn Aristarchus,
+op onze laatste kritische onderstelling, op het fijn denken en het
+flink drinken!"
+
+"Op flink denken en fijn drinken," antwoordde hij, die alzoo werd
+toegesproken, haastig, terwijl hij den beker ophief en dien langzaam
+naar zijn langen, schoon gevormden en zacht gewelfden neus en aan
+zijne dunne lippen bracht.
+
+"Oho, Aristarchus!" riep Euergetes, terwijl hij zijn breed voorhoofd
+fronste. "Gij bevalt mij beter, als gij de woorden uwer dichters en
+schrijvers zift, dan als gij de toosten van een drinkenden koning
+kritiseert. 'Fijn drinken' is 'slurpen', en dat slurpen bij kleine
+teugen laat ik voor de roerdompen en ander gevogelte over, dat t'huis
+hoort in het riet. Gij verstaat mij, hoop ik? In het riet, hetzij
+dit al of niet tot schrijfstift is versneden."
+
+"Onder fijn drinken," gaf de groote criticus doodbedaard, terwijl hij
+met zijne smalle hand het zachte grijze haar van zijn hoog voorhoofd
+wegstreek, den jongen koning ten antwoord; "onder fijn drinken
+versta ik het drinken van uitgelezen wijn. En hebt gij ooit iets
+fijners geproefd, dan dit druivensap van Anthylla, dat uw verheven
+broeder ons doet schenken? Uw dronk, zooals die door mij is omgekeerd,
+prijst u als een flink denker en tegelijk den milden gever van dezen
+kostelijken drank."
+
+"Goed gevonden," riep Kleopatra, in de handen klappende. "Ziet gij,
+Publius, hier hebt gij eene proeve van de rapheid eener Alexandrijnsche
+tong."
+
+"Ja," viel Euergetes in, "als men met syllaben te velde kon trekken
+even als met speren, dan zouden die heeren van het Museum in de
+Alexander-stad, met hun Aristarchus aan het hoofd, de verbondene
+legers van Rome en Karthago in een paar uren tot rede brengen."
+
+"Wij zijn echter niet in den krijg, maar aan een vreedzaam drinkgelag,"
+zeide de koning vriendelijk, om vrede te bewaren. "Gij hebt intusschen
+ons geheim afgeluisterd, Euergetes, en den draak gestoken met mijne
+trouwe Egyptenaars, in wier plaats ik gaarne blanke Grieken zou
+stellen, wanneer Alexandrië mij nog toebehoorde en niet u. Toch zal
+het op uw feest niet ontbreken aan een waardigen optocht."
+
+"Schept gij dan waarlijk nog vermaak in zulk een vervelenden
+ganzenmarsch?" vroeg Euergetes, en rekte zich op zijn rustbed uit,
+terwijl hij de handen gevouwen tegen zijn achterhoofd hield. "Liever
+gewen ik mij aan dat fijne drinken van Aristarchus, dan dat ik uren
+lang toeschouwer moet zijn van deze ijdele praalvertooning. Alleen
+onder twee voorwaarden verklaar ik mij bereid, mij stil te zullen
+houden, en bovendien mij minstens een halven dag geduldig te willen
+vervelen, gelijk een aap in de kooi; vooreerst wanneer het onzen
+Romeinschen gastvriend Publius Cornelius Scipio genoegen doet zulk
+een schouwspel te zien, dat echter, sedert onze oom Antiochus ons
+uitplunderde en wij, broeders, Egypte onder ons verdeeld hebben,
+in de verste verte niet vergeleken kan worden met de triumftochten
+der Romeinsche overwinnaars; of, ten anderen, als ge mij toestaat in
+persoon aan den optocht deel te nemen."
+
+"Wat mij aangaat, o koning," zeide Publius, "behoeven er geene
+feestelijke optochten gehouden te worden, althans niet zulke, waarbij
+ik gedwongen ben toeschouwer te zijn."
+
+"Ik schep nog altijd vermaak in zulke optochten," zeide Kleopatra's
+gemaal, Philometor. "Ik wordt het niet moede, zulke goed geordende
+groepen en het gewoel der vroolijke menigte te zien."
+
+"En ik," zeide Kleopatra, gloei en huiver daarbij van aandoening,
+en menigmaal komen mij tranen in de oogen, wanneer het volk luid
+jubelt. Eene groote verscheidenheid, die tot éen geheel samenwerkt,
+maakt altijd een even machtigen indruk. Eén druppel, éen zandkorrel,
+éen bouwsteen zijn op zichzelf onbeduidende dingen, maar hoe
+hartverheffend is het, wanneer millioenen van deze zich vereenigen tot
+een zee, een zandwoestijn, eene pyramide! Iemand die alleen jubelt
+heeft veel van een gek, die uit het dolhuis is weggeloopen, maar
+wanneer duizenden menschen samen jubelen, wordt ook een koud gemoed
+geweldig aangegrepen. Hoe kan u, Publius Scipio, wiens wil krachtig
+ontwikkeld schijnt te zijn, een schouwspel koud laten, waarbij zulk
+een groote menschenmassa door één wil schijnt bezield te zijn?"
+
+"Kan er dan," vroeg de Romein, "bij dit volksgejuich inderdaad sprake
+zijn van een zelfstandigen wil? Juist bij zulk eene voorstelling
+wordt ieder een werktuigelijk naäper en naprater van anderen. Ik voor
+mij verkies mijn weg zelf te vinden, en mij van niets afhankelijk te
+maken dan van de wetten en plichten, die de staat, waartoe ik behoor,
+mij oplegt."
+
+"Maar ik," zeide Euergetes, "heb die optochten van kindsbeen steeds
+van de beste plaats gezien, en daarvoor straft mij nu het noodlot
+met onverschilligheid voor deze en dergelijke vertooningen, terwijl
+de arme stumpers, die alleen de neuzen, de haren of de ruggen te zien
+krijgen van hen die medewerken, zich steeds opnieuw aan dat spektakel
+vergapen. Op Publius Scipio behoef ik, zooals gij gehoord hebt, geen
+acht te slaan, hoe gaarne ik het anders ook deed. Wat zoudt gij er
+wel van zeggen, Kleopatra, als ik eens in persoon aan mijn optocht--,
+ik zeg mijnen, want hij wordt te mijner eer gehouden,--deelnam? Dat
+was dan eerst eens iets nieuws, en bovendien iets vermakelijks."
+
+"Meer nieuw en vermakelijk dan passend, zou ik denken," antwoordde
+Kleopatra norsch.
+
+"Maar dat moest u juist genoegen doen," hernam Euergetes lachend,
+"want behalve uw broeder ben ik ook nog uw mededinger, en zoo iemand
+ziet men liever dalen dan stijgen."
+
+"Daar is niets wat u recht geeft tot zulke woorden," viel de koning in,
+en de toon van zijn zachte stem gaf duidelijk te verstaan, dat hij het
+gesprokene betreurde, en zulke dingen niet hooren wilde. "Wij hebben
+u lief," ging hij voort, "wij gunnen u uwe bezitting naast de onze,
+en verzoeken u dringend zelfs in scherts zulk eene taal niet te voeren,
+opdat al het verledene vergeten blijve."
+
+"En bovendien," voegde Kleopatra er bij, "dat gij uw waardigheid als
+koning en uw naam als geleerde niet zult bezoedelen door kluchten
+te vertoonen."
+
+"Schoolmeesteres! Weet gij dan wat ik van zins was? Ik wilde als
+Alcibiades verschijnen, met een gevolg van fluitspeelsters, in
+gezelschap van Aristarchus, die voor Socrates zou moeten spelen. Men
+vertelt mij immers altijd, dat Alcibiades en ik--in vele opzichten,
+zeggen zij die het oprecht meenen: in alle opzichten, beweren
+hoffelijker vrienden--op elkaar gelijken."
+
+Publius nam bij deze woorden het vormlooze in het doorzichtig kleed
+gehulde lichaam van den jongen koninklijken woesteling met scherpe
+blikken op, en daar hem hierbij voor den geest stond, een heerlijk
+standbeeld van den lieveling der Atheners, dat hij aan den Ilissus
+had gezien, zweefde er een spottend lachje om zijne lippen.
+
+Dit laatste bleef voor Euergetes niet verborgen, en het krenkte hem,
+daar hij niets liever zag, dan dat men hem met den neef van Pericles
+vergeleek. Doch hij onderdrukte zijn toorn, want Publius Cornelius
+Scipio was de naaste bloedverwant der meest invloedrijke mannen aan
+den Tiber, en al bezat hij zelf koninklijke macht, zoo stond toch
+Rome boven hem gelijk de wil der godheid.
+
+Kleopatra bespeurde wat er in haar broeder omging, en om hem de
+gelegenheid tot antwoorden te ontnemen en zijn gedachten af te leiden,
+zeide zij vroolijk: "Zoo willen wij dan den optocht laten varen en
+aan iets anders denken, om uw geboortedag te vieren. Gij, Lysias,
+moet in zulke dingen ervaren zijn, want Publius vertelde mij, dat
+gij alle vertooningen in Korinthe regelt. Wat zullen wij dan doen,
+om Euergetes en ons een vroolijk feest te bereiden?"
+
+De Korinthiër staarde een oogenblik in zijn beker, schoof dien langzaam
+heen en weer op het marmeren blad van het tafeltje aan zijne zijde,
+tusschen oesterpasteien en frissche asperges, en zeide eindelijk met
+een blik, die hoop op aller bijval uitdrukte:
+
+"Bij den grooten optocht, die onder Ptolemaeus Philadelphus plaats had,
+en waarvan Agatharchides mij gisteren de beschrijving van Kallixenus,
+een ooggetuige, te lezen gaf, werden allerlei voorstellingen uit het
+leven der goden aan het volk te aanschouwen gegeven. Laten wij in dit
+heerlijk paleis blijven, en zelven de schoone groepen weergeven, die
+de groote kunstenaars der oudheid geschilderd of afgebeeld hebben. Wij
+moeten daartoe echter minder bekende kiezen."
+
+"Uitnemend!" riep Kleopatra, in levendige verrukking. "Op wien gelijkt
+mijn kolossale broeder meer dan op Heracles, en wel op den zoon van
+Alcmene, zooals Lysippus dien opgevat en gebeeldhouwd heeft. Laten
+wij dus het leven van Heracles voorstellen, naar de beroemde modellen,
+en aan Euergetes de rol van den heros overlaten."
+
+"Dien neem ik op mij," zeide de jonge koning terstond, terwijl hij de
+enorme spieren op zijn borst en zijne armen betastte. En gij moogt mij
+er wel zeer dankbaar voor zijn, dat ik dit doe, want die slangenwurger
+miste het beste, en Lysippus heeft hem niet zonder voordacht afgebeeld
+met een kleinen kop op het kolossale lichaam. Doch ik zal er niets
+tegen inbrengen."
+
+"Wanneer ik Omphale voorstel, wilt gij dan aan mijne voeten
+zitten?" vroeg Kleopatra.
+
+"Wie zou zich niet gaarne aan zulke voetjes nederzetten?" hernam
+Euergetes. "Kiezen wij nu terstond nog iets anders uit den grooten
+voorraad, die voorhanden is. Maar met Lysias waarschuw ik voor hetgeen
+algemeen bekend is."
+
+"Er zijn alledaagschheden, zoowel voor het oog als voor het oor,"
+zeide Kleopatra, "maar wat algemeen als goed wordt erkend, pleegt
+ook het schoonste te zijn."
+
+"Veroorloof mij," hervatte Lysias, "u op een marmeren beeldhouwwerk
+opmerkzaam te maken, dat zeer verheven is uitgevoerd. Het is oud en
+schoon, en toch geloof ik, aan weinigen uwer bekend. Het bevindt zich
+bij de bron van mijn ouderlijk huis te Korinthe, en werd reeds eeuwen
+geleden door een groot Peloponnesisch kunstenaar gewrocht. Publius
+was verrukt, toen hij dit werk zag, en het is ook onbeschrijfelijk
+heerlijk. Het geeft op voortreffelijke wijze de echtverbintenis te
+aanschouwen van Herakles met Hebe, van den onder de goden opgenomen
+Heros met de eeuwige jeugd.--Zoudt gij u, o koning, door Pallas Athene
+en door uwe moeder Alcmene ter bruiloft met Hebe willen doen geleiden?"
+
+"Waarom niet?" vroeg Euergetes; "maar die Hebe moet schoon zijn. Daar
+is echter éen bezwaar. Hoe krijgen wij de bron uit uws vaders huis
+tegen morgen of overmorgen hier? Men kan zulk een groep niet schikken
+uit het hoofd, zonder het origineel. En al vertelt men ook, dat het
+standbeeld van Serapis van Sinope naar Alexandrië is gevlogen, en al
+zijn er ook toovenaars te Memphis...."
+
+"Die hebben wij niet noodig," zeide Publius, den koning in de rede
+vallende. "Terwijl ik als gast vertoefde in het ouderlijk huis van
+mijn vriend, dat, vergun mij dit op te merken, prachtiger is dan de
+oude koningsburcht van Gyges te Sardes, liet ik naar het kostelijk
+beeldwerk steenen snijden, bestemd tot huwelijksgeschenken voor mijne
+zuster. Deze zijn bijzonder goed gelukt en liggen in mijne tent."
+
+"Hebt gij eene zuster?" vroeg de koningin, terwijl zij zich boog naar
+den Romein. "Gij zult mij van haar een en ander moeten vertellen."
+
+"Zij is een meisje als alle andere," antwoordde Publius vóor zich
+ziende, want het stuitte hem tegen de borst, in gezelschap van een
+Euergetes over zijne zuster te spreken.
+
+"Gij zijt onbillijk, gelijk alle broeders," zeide Kleopatra met
+een glimlach, "en ik moet meer van haar hooren, want"--en bij deze
+woorden fluisterde zij zacht, terwijl zij Publius veelbeteekenend
+aanzag--"alles wat u aangaat, heeft waarde voor mij."
+
+Gedurende het gesprek hadden Ptolemaeus en zijn broeder zich tot
+den Korinthiër gericht met vragen over het huwelijk van Herakles met
+Hebe, en alle dischgenooten hoorden met opmerkzaamheid naar Lysias,
+toen hij zeide: "Dit schoone kunstwerk stelt eigenlijk geen bruiloft
+voor, maar het oogenblik waarop de bruidegom zijne bruid in de armen
+wordt gevoerd.
+
+"De heros, getooid met de leeuwenhuid en met de knots op zijn schouder,
+gaat, geleid door Pallas Athene, die bij dit werk des vredes de lans
+ter aarde gebogen houdt en den helm in de hand draagt, en vergezeld
+door zijne moeder Alcmene, den optocht der bruid te gemoet. Deze wordt
+geopend door niemand minder dan Apollo zelf, die het huwelijkslied
+zingt onder het bespelen van zijne luit. Naast hem treedt zijne
+zuster Artemis gevolgd door de moeder der bruid, begeleid door Hermes,
+den bode der goden, als gezant van Zeus.
+
+"Dan komt de hoofdgroep, die tot de schoonste werken der Grieksche
+kunst behoort, welke ik ken. Hebe gaat den bruidegom te gemoet,
+zachtkens voortgetrokken door Aphrodite, de godin der liefde. Maar
+Peitho, de godin der overreding, legt de hand op den arm der bruid,
+dringt haar ongemerkt naar voren, en keert haar aangezicht af, want
+wat gezegd moest worden heeft zij gezegd, en zij lacht in stilte. Hebe
+toch heeft haar oor niet gesloten voor hare stem, en wie eens naar
+Peitho geluisterd heeft, moet doen wat zij wil."
+
+"En Hebe?" vroeg Kleopatra.
+
+"Zij slaat de oogen neder en houdt den arm, waarop de hand van Peitho
+rust, met eene afwerende beweging van de vingers, op welker toppen
+een pas geplukt roosje zweeft, in de hoogte, als wilde zij zeggen:
+'Ach laat mij toch met vrede; ik ben bang voor dien man'; als wilde
+zij vragen: 'Zou het niet beter zijn als ik bleef wat ik ben, en uwe
+lokstem niet volgde noch Aphrodite's drang?' Deze Hebe is verrukkelijk,
+en gij, koningin, moet haar voorstellen!"
+
+"Ik?" vroeg Kleopatra. "Maar gij zeidet, dat zij de oogen nederslaat."
+
+"Dat doet zij uit maagdelijke schuchterheid, haar gang moet zijn als
+die van eene schroomvallige maagd. Haar lang gewaad valt in rechte
+plooien op hare voeten neder, terwijl Peitho het hare schalks,
+en zich in 't geheim verheugende over hare nieuwe overwinning, met
+duim en wijsvinger in de hoogte houdt. Ook de figuur van Peitho zou
+u bijzonder goed passen."
+
+"Ik denk dat ik Peitho zal voorstellen," viel de koningin den
+Korinthiër in de rede. "Hebe is eene knop, eene nog niet geheel
+ontloken bloem, maar ik ben moeder, en vlei mij bovendien ook een
+weinig wijsgeer te zijn...."
+
+"En," viel Aristarchus in, "gij kunt met recht zeggen, dat gij, bij
+alle aanlokkelijkheid der jeugd, eigenschappen bezit, die bij Peitho
+passen, de godin, die niet alleen de harten maar ook de geesten weet
+te betooveren. Evenals rozen, zoo zijn ook jonge meisjes verrukkelijk
+om te zien, doch wie niet alleen de fraaie kleur liefheeft, maar ook
+den geur en daarmede bedoel ik verkwikking, opwekking en verrijking
+des geestes--die wende zich tot den reeds ontsloten bloemknop,
+evenals de rozenkweekers aan het meer Moeris alleen de knoppen
+van hunne pleegkinderen tot spoedig verwelkende ruikers en kransen
+samenwinden, maar deze niet gebruiken kunnen om fijne geurige olie
+daaruit te bereiden. Voor dit doel hebben zij de bloem noodig in
+vollen bloei. Stel gij Peitho voor, koningin; de godin zelve mag
+trotsch zijn op zulk eene plaatsvervangster!"
+
+"Moge zij," sprak Kleopatra, "even trotsch zijn als ik gelukkig ben,
+nu ik zulke woorden mag hooren uit den mond van Aristarchus! Het
+blijft dus afgesproken, ik zal Peitho zijn. Mijne speelgenoote Zoë
+mag Artemis voorstellen, en hare ernstige zuster Pallas Athene. Voor
+de moeder kunnen wij over vele oude matronen beschikken. De oudste
+dochter van den intendant schijnt mij voor de rol van Aphrodite het
+meest geschikt te zijn; zij is wonderschoon."
+
+"Is zij ook dom?" vroeg Euergetes. "Dat behoort bij die eeuwig lachende
+Cyprische godin."
+
+"Dom genoeg, denk ik, voor dit doel," hernam Kleopatra met een
+lach. "Doch hoe komen wij aan eene Hebe, gelijk gij, Lysias, haar
+beschreven hebt? Het dochtertje van den Arabarch [11] Ahmes is een
+lieftallig kind."
+
+"Maar zij is bruin, zoo donkerkleurig als deze voortreffelijke wijn,
+en bovendien te zeer eene echte Egyptische," zeide de opperschenker,
+die het toezicht had over de jonge Macedonische bedienden, terwijl
+hij zich diep boog en met alle bescheidenheid de aandacht vestigde
+op zijne eigene zestienjarige dochter. Maar tegen dit meisje had
+de koningin aan te voeren, dat zij veel grooter was dan zijzelve,
+die toch naast Hebe moest staan en de hand op haren arm leggen.
+
+Andere meisjes werden weder op andere gronden afgewezen, en reeds sloeg
+Euergetes voor eene postduif naar Alexandrië te zenden, ten einde
+van daar een schoon Helleensch kind met een sneldravend vierspan te
+laten komen naar Memphis, waar de donkere Egyptische goden en menschen
+beter gedijen dan de Grieksche, toen Lysias uitriep:
+
+"Ik heb heden het meisje gezien, dat wij noodig hebben; eene Hebe,
+als had zij de marmeren groep in mijns vaders huis verlaten, en als
+had een god haar beweging, kleur en levenswarmte geschonken. Zij is
+schuchter, blank en blozend, en van uwe grootte, koningin. Als gij
+het mij toestaat, zal ik u nader zeggen wie zij is, maar eerst ga ik
+naar onze tent, om de gesneden steenen met de afbeelding van onzen
+marmergroep te halen."
+
+"Gij zult ze vinden in het elpenbeenen kistje op den bodem van mijn
+kleederkist," zeide Publius. "Hier hebt gij den sleutel."
+
+"Haast u," riep de koningin, "want wij allen zijn benieuwd, waar gij
+hier in Memphis uwe blanke, blozende en schuchtere Hebe ontdekt hebt."
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Sedert Lysias het koningspaar en de gasten verlaten had, was er een
+uur verloopen. De bekers waren dikwijls gevuld en geledigd. De eunuuch
+Eulaeus was verschenen om aan het gastmaal deel te nemen, en het
+gesprek was geheel van karakter veranderd, want het was niet langer
+eene en dezelfde aangelegenheid, die alle aanwezigen bezighield. De
+beide koningen onderhielden zich met Aristarchus over de in Griekenland
+verstrooide handschriften van oudere dichters en werken van geleerden,
+en de beste wijze om zich óf de origineelen óf nauwkeurige afschriften
+voor de bibliotheek van het museum te verschaffen. Hiërax vertelde
+den eunuuch van het laatste Dionysos-feest en de opvoeringen van de
+nieuwste blijspelen te Alexandrië, en Eulaeus was verstandig genoeg om
+den schijn aan te nemen, alsof hij met beide ooren luisterde, en brak
+zijn verhaal dikwijls af door verstandige vragen, die onmiddellijk
+op het gesprokene betrekking hadden.
+
+Toch was zijne opmerkzaamheid uitsluitend op de koningin gericht,
+die zich geheel van den Romein Publius had meester gemaakt, en
+hem op zachten toon verhaalde, hoe hare tegenwoordige levenswijze
+hare krachten verteerde, hoe hare tegenwoordige omgeving haar hart
+onbevredigd liet en zij vol geestdrift was voor Rome en mannelijke
+kracht. Daarbij gloeiden hare wangen en vonkelden hare oogen, want hoe
+grooter haar aandeel was in het gesprek, des te aangenamer werd zij
+bezig gehouden, zoo zij meende. Publius, die alles behalve spraakzaam
+was, brak hare mededeelingen maar zelden af, alleen voegde hij, als
+het te pas kwam, een vleiend woord er tusschen. Hij toch dacht aan
+den raad dien de kluizenaar hem gegeven had, en wenschte Kleopatra
+voor zich te winnen.
+
+Niettegenstaande hij een fijn gehoor had, verstond de eunuuch slechts
+weinig van hun fluisterend gesprek, want de verbazende stem van koning
+Euergetes klonk boven de gesprekken van alle overigen uit. Doch
+Eulaeus verstond de kunst fragmentarische volzinnen in zijn geest
+snel te verbinden, en althans in het algemeen den zin te vatten van
+hetgeen zij zeiden.
+
+De koningin liet den wijn bijna onaangeroerd, maar zij wist bij
+drinkgelagen zich door hare eigene woorden op te winden. Op dit
+oogenblik, juist terwijl hare broeders en Aristarchus met elkander
+in eene levendige woordenwisseling gewikkeld waren, hief zij haren
+beker op, roerde dien even met de lippen aan, en reikte hem daarop
+aan Publius toe, terwijl zij zijn beker greep.
+
+De jonge Romein wist, wat deze haastige behandeling te beteekenen
+had. Zoo verwisselde ook in zijn vaderland eene door Amor getroffene
+vrouw met haren geliefde den beker, of den appel, waarin zij met hare
+witte tanden had gebeten.
+
+Evenals een wandelaar, die zorgeloos zijn weg vervolgt, terwijl
+hij naar maan en sterren ziet, totdat hij opeens den diepen donkeren
+afgrond bemerkt, die aan zijne voeten gaapt, zoo gevoelde Publius eene
+koude rilling door al zijne leden. Als een bliksemstraal schoot door
+zijne ziel de gedachte aan zijne moeder en herinnerde hij zich, hoe
+zij hem had gewaarschuwd voor de verleidelijke listen der Egyptische
+vrouwen, en inzonderheid voor eene vrouw, die hem thans niet als eene
+koningin aanzag, maar met onstuimig verlangen en vrees. Hoe gaarne had
+hij de oogen neergeslagen en den beker onaangeroerd gelaten! Maar haar
+oog hield het zijne als met strikken en banden gevangen en het scheen
+den onverschrokken zoon van zulk een dapper volk een al te vermetel
+waagstuk den beker af te wijzen. En hoe zou hij er ook den moed toe
+gehad hebben, de hoogste gunst te vergelden met eene beleediging,
+die geene vrouw, en allerminst eene Kleopatra, ooit kon vergeven?
+
+Inderdaad, menigeen heeft zijn levensgeluk verspeeld en velerlei
+zonden zijn bedreven, omdat de gunst eener vrouw voor elken man
+een vereerend geschenk is dat hem vleit, ook al wordt het hem
+aangeboden door onwaardige handen, aangeboden door eene die hij niet
+liefheeft. Vleierij is echter een sleutel tot het hart, en wanneer
+dit laatste slechts half daarvoor geopend is, laat zich altijd de
+stem van den verleider hooren, die spreekt: "Door eene afwijzing
+zoudt gij krenken."
+
+Dergelijke overwegingen waren het, die snel de ziel van den opgewonden
+Romein doorkruisten, toen hij den beker der koningin aanvatte, en met
+zijne lippen beroerde op dezelfde plaats, waar de hare dien hadden
+aangeraakt. Terwijl hij vervolgens den bokaal ledigde, gevoelde
+hij plotseling een afkeer bij zich opkomen van die spraakzame, rijk
+getooide levendige vrouw daar naast hem, die hem hare liefde opdrong,
+waarom hij niet gebedeld had. Daar stond hem op eens het beeld van
+de arme kruikdraagster volkomen duidelijk voor den geest, en hij zag
+Klea voor zich, zooals zij trotsch hem afwijzende, zijne blikken met
+opzet vermijdende, inderdaad meer op eene koningin geleek, dan deze
+vorstin met haar diadeem aan zijne zijde.
+
+Kleopatra verheugde zich over zijn lang en langzaam drinken, want zij
+meende dat de Romein hiermede wilde zeggen, hoe hij niet ophouden kon
+zich gelukkig te prijzen over de gunst die zij hem bewezen had. Geen
+oogenblik wendde zij hare blikken van hem af, en met genoegen nam
+zij waar, hoe zijne wangen beurtelings bleek en rood werden. Zij
+merkte niet op dat Eulaeus met bliksemende oogen alles opmerkte,
+wat er tusschen haar en Publius omging.
+
+Eindelijk zette de Romein den beker neder en zocht verlegen naar een
+antwoord op hare vraag, hoe de wijn hem had gesmaakt.
+
+"Heerlijk, voortreffelijk," zeide hij ten laatste met moeite, doch
+zag bij deze woorden niet meer Kleopatra aan, maar Euergetes, die
+juist luide uitriep: "Uren lang heb ik over deze plaats nagedacht,
+u mijn gronden ontwikkeld, en u laten uitspreken, Aristarchus, maar
+ik blijf daarbij--en wie het loochenen wil doet Homerus onrecht--dat
+voor iu moet gelezen worden siu.
+
+Euergetes zeide dit met zoo groote opgewondenheid, dat zijne woorden
+alle andere gasten overstemden. Publius beschouwde ze als een welkom
+middel, om de noodzakelijkheid te ontgaan gevoelens te veinzen, die
+hij volstrekt niet koesterde, en daarom zeide hij, terwijl hij zich
+half tot Euergetes half tot Kleopatra richtte:
+
+"Wat komt het er op aan te weten, of wij zus of zoo, iu of siu moeten
+lezen. Ik kan veel in anderen eerbiedigen, wat mij persoonlijk vreemd
+is, maar ik ben niet instaat te begrijpen, hoe een krachtig handelend
+man, een verstandig vorst en een flink drinker als gij zijt, Euergetes,
+zich uren lang kan neerzetten achter half vergane papyrus-rollen,
+en zich het hoofd kan breken over de vraag, of dit of dat woord bij
+Homerus zóo of anders moet luiden."
+
+"Gij beproeft evenzeer uwe krachten aan andere dingen," gaf Euergetes
+ten antwoord. "Ik houd wat onder dezen gouden hoofdwrong steekt
+voor het beste wat ik heb, en ik oefen mijne scherpzinnigheid in
+het fijnste en kleinste, evenals ik de kracht van mijne armen gaarne
+beproef aan den sterksten athleet. Laatst heb ik er vijf in het zand
+geworpen, en zij beven al, als ik in het Timagetische worstelperk
+[12] verschijn. Er zou in de wereld geen kracht zijn, als er geen
+tegenstand was, en niemand zou weten hoe sterk hij is, wanneer hij
+geene hinderpalen ontmoette. Ik zoek de zoodanige op, die het meest
+met mijn aard overeenkomen, en ik kan het niet helpen, wanneer ze
+niet in uw smaak vallen. Een edel ros zou deze voortreffelijk bereide
+spijzen, wanneer ze het dier werden voorgezet, versmaden en niet kunnen
+begrijpen hoe dwaze menschen zoo iets zouts lekker kunnen vinden. Niet
+alle schepselen houden van zout. Hun die ver van de zee wonen smaken
+de oesters niet, maar ik als lekkerbek open zelf de schalen om ze zoo
+versch te kunnen opslurpen, en ze warm en wel in mijn wijn te mengen."
+
+"Ik houd niet van overmatig zoute spijzen, en wat het openmaken van
+die zeedieren betreft, dat laat ik gaarne aan mijne slaven over,"
+antwoordde Publius. "Ik win daardoor tijd en bespaar mij onnutten
+arbeid."
+
+"Dat weet ik," zeide Euergetes. "Gij houdt er Grieksche slaven op
+na, die voor u moeten lezen en schrijven. Er is immers eene markt,
+waarop men lieden kan koopen, die ons kwaad humeur moeten verdragen,
+wanneer wij de nachten in drinkgelagen hebben doorgebracht? Aan den
+Tiber gaan andere dingen de mannen meer ter harte dan studie."
+
+"En," zeide Aristarchus, hem in de rede vallende, "men ontzegt
+zich daardoor de edelste en fijnste genietingen, want het reinste
+genot is altijd dat, hetwelk wij ons verwerven door opofferingen
+en krachtsinspanning."
+
+"Doch wat gij door deze soort van arbeid wint," hernam Publius, "is
+klein en beteekent niet veel. Ik stel u mij daarbij voor als een man,
+die in het zweet zijns aanschijns een blok steen voortsjouwt, om het op
+een musschenveertje te leggen, opdat de wind het niet weg zal waaien."
+
+"Wat is klein en wat is groot?" vroeg Aristarchus. "Tegenstrijdige
+opvattingen over de zelfde zaak kunnen beide waar zijn, want het
+hangt alleen van onszelven en onze eigene waarneming af, hoe de
+dingen zich aan ons voordoen, zooals koud of warm, aangenaam of
+onaangenaam. Als Protagoras zegt, dat de mensch de maatstaf is van
+alle dingen, dan is dit de meest aannemelijke van alle stellingen der
+sophisten. Overigens zult gij inzien, dat zelfs het kleinste voorwerp
+des te hooger beteekenis heeft, naarmate het geheel, waarvan het een
+deel uitmaakt, meer volmaakt is. Snijd een karrepaard een oor af,
+wat schaadt het? Maar denk nu eens dat dit gebeurde met een edel ros,
+hetwelk gij op het veld van Mars afrijdt! Bij eene boerin heeft een
+rimpel, een tand meer of minder weinig te beteekenen, maar anders is
+het bij het gelaat van eene gevierde schoone. Haal krassen, zooveel
+als gij wilt, over het menschenbeeld, dat door de ruwe vingers van
+een pottenbakker op een waterkruik is geboetseerd, aan het armoedig
+vaatwerk zal het niet veel schade doen, maar al krast gij ook maar
+met eene naald over den gesneden steen met de beeltenissen van
+Ptolemaeus en Arsinoë, die het kleed van Kleopatra om haren schoonen
+hals samenhoudt, de rijkste vorstin zou het betreuren, alsof zij een
+onherstelbaar verlies geleden had.
+
+"Wat is er volmaakter en meer waard om zorgvuldig bewaard te worden,
+dan de edelste werken van groote dichters en denkers! Deze voor
+schade te vrijwaren, deze te zuiveren van de fouten, die in den loop
+der tijden hun onberispelijk werk zijn ingeslopen, ziedaar wat wij
+ons ten doel stellen. En als wij steenblokken voortrollen, dan doen
+wij het niet om ze op een musschenveertje te wentelen, opdat de wind
+er niet mede zou spelen, maar om de deur te sluiten, waarachter een
+kostbaren schat wordt bewaard, en deze voor schade te behoeden.
+
+"De praatjes van meisjes bij eene bron mogen met den wind verwaaien,
+en niemand behoeft zich daarover te bekommeren; maar kan een zoon een
+enkel woord vergeten van de lessen, die een stervende vader hem als
+richtsnoer voor zijn levensweg medegeeft? Wanneer gijzelf zulk een
+zoon waart, en uw oor had de vermaningen van den stervenden slechts
+onvolledig opgevangen, hoeveel talenten zoudt gij dan wel willen
+betalen, om de ontbrekende woorden te kunnen aanvullen! Wat zijn de
+onsterfelijke werken van groote dichters en denkers anders dan zulke
+heilige terechtwijzingen, die voorwaar niet tot een enkele, maar tot
+alle beschaafden gericht zijn, waar zij zich ook bevinden. Evenals
+heden, zullen zij nog na duizend jaren de nakomelingen leeren,
+hunne harten verheffen en verblijden, en deze zullen, als zij geene
+ontaarde zonen zijn, ook hun danken, die hunne beste krachten wijden
+aan het aanvullen en in zijne oorspronkelijke zuiverheid herstellen
+van hetgeen hunne groote voorvaderen hebben gezegd, eer het door
+zorgeloosheid en domheid verminkt en bedorven wordt.
+
+"Hij die als koning Euergetes in Homerus éene juiste syllabe in de
+plaats zet van eene valsche, die heeft, naar ik meen, alle volgende
+geslachten een dienst, en wel een grooten dienst bewezen--"
+
+"Wat gij daar zegt," hernam Publius, "klinkt overtuigend, maar
+toch ben ik nog niet volkomen overtuigd; zeker omdat ik van jongs
+af geleerd heb, daden boven woorden te stellen. Het gemakkelijkst
+zou ik mij kunnen verzoenen met uw vervelend geknutsel, wanneer ik
+mij voorstel dat aan u werd opgedragen de juiste bewoordingen te
+herstellen van wetten, die geheel verkeerd kunnen worden opgevat,
+wanneer er een woord is uitgevallen; of dat mij een slecht bericht
+over eene enkele handeling, of over den levensloop van een vriend of
+bloedverwant werd voorgelegd, en mij verzocht werd dit van fouten en
+verkeerde uitleggingen te zuiveren."
+
+"Maar wat zijn de werken der heldendichters en geschiedschrijvers dan
+anders dan de dichterlijk uitgewerkte of overeenkomstig de waarheid
+verhaalde levensgeschiedenissen onzer vaderen?" vroeg Aristarchus. "Het
+is juist aan deze dat mijn koning en studiegenoot zich met bijzonderen
+ijver wijdt."
+
+"Wanneer hij niet drinkt en doorslaat en regeert, en met offers
+en processiën en andere dwaasheden zijn tijd verbeuzelt," zeide
+Euergetes. "Ware ik geen koning, misschien zou er dan uit mij een
+Aristarchus zijn gegroeid. Thans ben ik een halve vorst, want de eene
+helft van mijn rijk behoort aan u, Philometor,--en een halve geleerde,
+want wanneer vind ik rust genoeg om te denken en te schrijven?
+
+"Alles is half, ja half aan mij, terwijl ik, als het gewicht den
+doorslag gaf, een..." en hij sloeg zich op zijn lijf en zijn voorhoofd,
+"een dubbel man zou zijn."
+
+"Geheel," dus ging hij voort, "meer dan geheel ben ik alleen bij het
+drinkgelag, wanneer de wijn fonkelt in de bekers en ik de oogen zie
+schitteren in de aanvallige kopjes der fluitspeelsters te Alexandrië
+en te Cyrene; menigmaal ook in den raad, wanneer het er op aankomt;
+en overal wanneer er iets buitengewoons te doen is, waarvoor mijn
+broeder en gij allen wèl, en misschien alleen de Romeinen niet terug
+zouden deinzen. Zoo is het, en gij zult het ondervinden!"
+
+Euergetes had deze laatste woorden, met vuurroode wangen en onrustig
+heen en weer rollende oogen, meer uitgeschreeuwd dan gesproken,
+terwijl hij den krans met den gouden hoofdband had afgenomen en weder
+met de handen door zijne haren streek. Zijne zuster hield daarbij
+beide ooren dicht en zeide:
+
+"Gij doet mij pijn! Daar niemand u tegenspreekt en gij niet gewoon
+zijt als de Scythen door hard spreken uwe beweringen te bekrachtigen,
+zoo zoudt gij beter doen het metaal uwer stem te sparen voor het
+mededeelen van datgene, waarmede gij ons, zoo ik hoop, heden nog
+vermaken zult. Voor uw kracht, waarop gij roem draagt, hebben wij ons
+reeds meer dan eens moeten buigen, doch thans, bij dit vroolijk maal,
+willen wij daaraan niet denken, maar liever blijven bij het gesprek,
+dat ons verkwikt en zoo goed begonnen werd. Door zulk eene warme
+verdediging van alles wat in Alexandrië het hart der Hellenen vervult,
+gelukt het ons wellicht onzen Publius Scipio, en door hem ook vele
+jonge Romeinen, achting in te boezemen voor eene geestesrichting,
+die hij alleen veroordeelen kon, zoolang hij nog niet is staat was
+haar te begrijpen.
+
+"Soms maakt het treffend woord van een dichter ons op eenmaal
+duidelijk, wat wij ondanks lange geleerde uiteenzettingen niet vermogen
+te vatten. Ik herinner mij zulk een woord, dat een onbekende heeft
+gesproken, en dat u allen, en ook u, Aristarchus, bevallen zal. Het
+vat in korte woorden den inhoud van ons gesprek samen en luidt aldus:
+
+
+ 't Kleine menschenkind, aan 't strand,
+ Speelt aan d'oever van den tijd,
+ Schept er met zijn tengre hand
+ Druppels uit de eeuwigheid.
+
+ 't Kleine menschenkind wil zoeken,
+ Wat er fluistrend ommedwerrelt,
+ Schrijft het in geschiednisboeken
+ Die hij noemt het boek der wereld.
+
+
+"Wij hebben deze verzen aan een verstandig vriend te danken, en een
+ander maakte er de volgende variant op.
+
+
+ Schepte niet het kleine menschenkind,
+ Druppels uit der tijden oceaan,
+ Wat geschiedde ware ras als wind
+ In het niet der eeuwigheid vergaan.
+
+ Druppels uit de golven van den tijd
+ Schept het menschenkind met kleine hand,
+ Maar bij 't licht van 't denkende verstand
+ Spiegelt daarin toch zich de eeuwigheid.
+
+
+"Kleine menschenkinderen zijn wij allen, maar hen die druppels
+verzamelen mogen wij zeker niet geringer schatten dan hen, die aan
+den oever van den oceaan hun leven doorbrengen met spel en strijd...."
+
+"En liefde," zeide de eunuuch zachtjes, haar in de rede vallende,
+terwijl zijn blik zich naar Publius richtte.
+
+"De strophen van uw dichter zijn bevallig en treffend," zeide
+Aristarchus, het woord nemende, en eene vergelijking met het kind
+dat druppels schept, laat ik mij gaarne aanleunen. Er is een tijdperk
+geweest, dat helaas met den grooten Aristoteles is afgesloten, waarin
+onder de Grieken mannen waren, die den oceaan, waarvan gij spreekt,
+met nieuwen toevoer voedden. Want de goden hadden hun de kracht
+geschonken bronnen te doen ontspringen, evenals die wonderdoener Mozes,
+van wien ons onlangs de jood Onias vertelde, en wiens geschiedenis ik
+in het heilige boek der Hebreën heb nageslagen. Deze--ik bedoel dien
+Mozes--sloeg slechts water voor het lichaam uit de rots, terwijl wij
+aan onze wijsgeeren en dichters een lafenis voor den geest en het
+hart te danken hebben, die nimmer opdroogt.
+
+"Thans is de tijd voorbij, waarin zulke scheppende geesten, die goden
+gelijken, geboren worden, en dat hebben uwe voorvaderen, o koningin,
+wel erkend, toen zij den grondslag legden tot het museum in Alexandrië
+en de boekverzameling, waarvan ik bewaarder ben, en die ik, dank zij
+uwe hulp, mag uitbreiden. Wat in de dagen onzer grootheid was ontstaan,
+kon, toen Ptolemaeus Soter het museum oprichtte, niet door nieuwe
+werken vermeerderd worden; maar hij stelde ons, druppels verzamelende
+kinderen, tot taak alles bijeen te brengen, te ziften en te zuiveren,
+en voor deze taak zijn wij, geloof ik, opgewassen.
+
+"Men zegt, dat het niet minder moeielijk is een vermogen te behouden
+als het te vergaderen, en zoo hebben wij, die zulke bewaarders zijn,
+toch altijd aanspraak op eenigen lof, en dat te meer, omdat wij de
+kunst verstaan het gevondene goed te ordenen, tot ons voordeel aan te
+wenden, toe te passen, te verklaren en in waarde te doen toenemen. Als
+er uit onzen kring iets nieuws te voorschijn komt, is dit altijd
+slechts eene voortzetting van het oude. Toch is het ons ook gelukt dat
+oude op velerlei gebied, met name op dat der ervaringswetenschappen,
+te overvleugelen. De verheven geest van het voorgeslacht zag overal
+rond in de ruimte, maar onze kortzichtige blik kan het nabijliggende
+scherper onderzoeken. Wij hebben den zekeren weg voor elken arbeid
+des geestes gevonden, namelijk de wetenschappelijke methode, en beter
+dan onzen voorgangers gelukt het ons de dingen nauwkeurig waar te
+nemen, zooals zij zijn. Ziedaar waarom in onzen kring op het gebied
+van de natuurwetenschappen, de wiskunde, de kennis van den hemel,
+de werktuigkunde en de aardbeschrijving ongehoorde resultaten worden
+verkregen. Ook de ijver waarmede mijne geestverwanten verzamelen..."
+
+"Is groot!" riep Euergetes, hem in de rede vallende. "Maar met het
+stof, dat zij bijeenscharrelen, verstikken zij het frissche denken,
+en daar het hun vóor alle dingen bij het verzamelen om 'het vele' te
+doen is, vergeten zij te ziften wat groot en wat klein is, en geven
+zij aan Publius Scipio en zijns gelijken, die over den arbeid der
+geleerden de schouders ophalen, gegronde reden om hen in het gezicht
+uit te lachen. Gaarne zou ik drie vierde van uwe geleerden aan een
+handwerk zetten, en ik doe het nog eens op zekeren dag, ja ik doe
+het.--Dan jaag ik al uw ellendig gespuis het museum en mijn hoofdstad
+uit. Dan kunnen zij bij u, Philometor, die alles bewondert waartoe
+gijzelf niet in staat zijt, die alles bezitten wilt wat ik wegwerp,
+en hen vertroetelt die ik verafschuw, een goed onderkomen vinden, en
+Kleopatra speelt wellicht bij hun intocht te Memphis wel op de harp."
+
+"Wellicht," antwoordde de koningin, met een bitter lachje. "Want
+het is zeer waarschijnlijk, dat uw toorn ook waardiger mannen zal
+treffen. Ik zal mij tegen dien tijd in de muziek oefenen, en daarbij
+gebruik maken van het werk, dat gij begonnen zijt over de harmonie te
+schrijven. Heden levert gij ons proeven, hoever gij reeds gevorderd
+zijt in de kunst, de tonen uwer ziel harmonisch te stemmen."
+
+"Ha, zoo bevalt ge mij," riep Euergetes. "Zoo houd ik van u,
+zuster! Het staat een jongen adelaar slecht, te kirren als eene duif,
+en gij hebt scherpe nagels, al verbergt gij ze ook onder zachte veeren.
+
+"Het is waar, dat ik over de harmonie schrijf, en ik doe het met
+voorliefde, want zij behoort tot de verschijnselen, wier waarneming
+het meest binnen ons bereik ligt en die bovendien onvergankelijk zijn,
+daar zelfs geen godheid ze zuiver en onvermengd in de werkelijkheid
+kan ontdekken. Waar vindt gij harmonie in die worsteling en dat
+gewarrel van het leven des heelals? En ons aanzijn zelf is een
+verkleind spiegelbeeld van dat wordings- en vernietigingsproces,
+waaraan alles onderworpen is wat met de zinnen is waar te nemen, nu
+eens langzaam en onmerkbaar, dan weder onder geweldige stuiptrekkingen,
+maar nooit op eene harmonische wijze.
+
+"Deze harmonie, die zelfs vreemd is aan het leven der goden, deze
+harmonie, die ik ken en toch niet in staat ben te vatten, die ik lief
+heb en toch niet bezit, waarnaar ik smacht en die mij altijd ontvlucht,
+zij is in de wereld der ideeën en dáar alleen te huis. Ik ben als een
+dorstige, en zij is voor mij de verre onbereikbare bron. Ik drijf
+op de oneindige zee en zij is een land, dat al verder terugwijkt,
+hoe meer ik het waan te naderen.
+
+"Wie noemt mij het rijk, waarin zij ongestoord en onverhinderd als
+koningin regeert? Wien gaat een schoone ernstiger ter harte: hem die
+slapend in hare armen rust, of hem die door hartstochtelijk verlangen
+naar haar wordt verteerd? Ik zoek, wat gijlieden meent te bezitten,
+ha ha! te bezitten!
+
+"Ziet eens rond in de wereld en in het leven, ziet eens met mij
+rond in dit vertrek, waarop gij trotsch zijt! Een Griek heeft het
+gebouwd, maar dewijl gij niet meer tevreden zijt met de welluidendheid
+van eenvoudige vormen; daar de pracht van het oosten, waarin gij
+geboren zijt, u toelacht, omdat zij uwe ijdelheid streelt, en u,
+zoo vaak gij haar aanschouwt, herinnert dat gij rijk en machtig
+zijt, hebt gij den bouwmeester bevolen niet te letten op eenvoud
+en waardigheid, maar zulk een bont onding samen te stellen als dit,
+dat juist zooveel gelijkt op de feestzaal van een Pericles, als ik
+of gij, Kleopatra, in onzen feesttooi op een god of eene godin van
+Phidias in hun eenvoudig gewaad. Doch, dat moet gij weten! Maar u,
+Kleopatra, heb ik dit te zeggen: Ik schrijf thans over de harmonie,
+en later misschien ook over gerechtigheid, waarheid en deugd; hoewel
+ik weet dat dit enkel zaken zijn, die noch in de natuur, noch in
+ons leven voorkomen, en waarmede ik mij bij mijne handelingen niet
+inlaat, doch die mij in elk geval wel een onderzoek waard schijnen,
+evenals elke andere dwaling, door wier ontdekking men komen kan tot de
+erkentenis van hetgeen stellig waar is. Wijl de eene mensch den ander
+vreest, heeft men aan deze beperkingen--gerechtigheid, waarheid of
+hoe zij verder heeten mogen--hoogdravende benamingen gegeven, heeft
+men ze tot eigenschappen der goden gestempeld en onder bescherming
+der hemelbewoners gesteld. Ja, men ging in zijne bezorgdheid zoover,
+dat men als schoon en goed aanprees zich te spenen van het vrije genot
+des levens ter wille van deze drogbeelden. Denk aan Antisthenes en
+zijne navolgers, denk aan die gekken, die zich in den Serapis-tempel
+hebben opgesloten! Alleen wat vrij is, is schoon, en niemand is minder
+vrij dan hij, die zijne neigingen te allen tijde, en dan nog meestal
+te vergeefs tracht te breidelen, om in den geest van vreesachtige
+zwakhoofden deugdzaam, rechtvaardig en overeenkomstig de waarheid te
+leven. Het eene dier verslindt het andere, nadat het hem gelukt is zijn
+vijand in openlijken strijd of door list te overmeesteren. De klimop
+verstikt den boom; het woestijnzand doodt de velden; sterren vallen
+van den hemel en aardbevingen vernielen steden. Gij gelooft aan goden,
+wat mij betreft ik geloof er ook aan; wanneer nu dezen het leven op
+elk gebied zóo hebben ingericht, dat de sterkere den zwakkere moet
+overwinnen, waarom zal ik dan mijne kracht niet gebruiken, en haar
+laten beperken door die hooggeroemde verdoovingsdranken, die slimme
+voorvaderen hebben bereidt om mij en mijns gelijken het heete bloed
+te koelen en de gespierde vuist te verlammen?
+
+"Bij mijne geboorte heb ik den naam Euergetes, d. i., 'weldoener',
+ontvangen, doch wanneer men mij eens Kakergetes d. i. 'boosdoener',
+noemen wil, kan mij dit weinig schelen, want wat gij goed noemt heet
+beperking, en wat gij boos noemt, vrijheid en onbeteugelde kracht. Voor
+een luiaard en lediglooper zou ik niet willen doorgaan, want alles in
+de natuur is beweging en werkzaamheid, en daar ik met Aristippus genot
+als het hoogste goed heb erkend, zoo wil ik den roem gaarne verwerven,
+meer genoten te hebben dan alle anderen, eerst met den geest, maar
+niet minder ook met dit lichaam, dat ik liefheb en vertroetel."
+
+Terwijl hij zoo sprak, hadden verschillende der aanwezigen luide
+teekenen van ontevredenheid gegeven. Publius, die voor het eerst
+in zijn leven zulk een lastertaal hoorde, had de woorden van den
+onstuimigen jonkman met ontzetting gevolgd. Hij gevoelde zich
+niet opgewassen tegen dien sterken, in alle kunsten van denken en
+redeneeren fijn geslepen geest, maar toch kon hij niet nalaten het
+gehoorde te weerleggen, en daarom zeide hij, toen Euergetes zweeg,
+om zijn pas gevulden beker te ledigen:
+
+"Als wij allen uwe grondstellingen wilden volgen, dan zou er, geloof
+ik, in weinige eeuwen niemand meer zijn, om ze aan te nemen, want de
+aarde zou ontvolkt zijn. Gezonde moeders zouden de schriftrollen,
+waarin gij zoo zorgvuldig 'iu' in 'siu' veranderd hebt, gebruiken,
+waar zij ze maar vonden, om in dit aan hout zoo arme land er de soep
+voor hunne kinderen op te koken. Eerst hebt gij er u op beroemd, dat
+gij een Alcibiades waart, maar hetgeen dezen Griek onderscheidde en de
+oorzaak was waarom de Atheners zoo hoog met hem wegliepen,--ik bedoel
+zijne schoonheid--is allerminst te vereenigen met deze leer, die de
+menschen tot denkende roofdieren verlagen zal. Want wie voor schoon
+gehouden wil worden, moet--dat heb ik reeds in Rome geleerd en niet
+voor 't eerst in Athene vernomen, en ik heb het goed onthouden--die
+moet vóor alle dingen de kunst verstaan zich te beperken en maat te
+houden. Een Titan heeft misschien gedacht en geredeneerd als gij,
+een Alcibiades zeker niet!"
+
+Euergetes steeg het bloed naar het hoofd, toen hij dit hoorde, maar
+hij hield het scherpe beleedigende antwoord in, dat hem op de lippen
+zweefde. Het overwinnen van de toornige opwelling in zijn gemoed werd
+hem lichter gemaakt, door dat juist op dit oogenblik Lysias tot de
+feestvierenden terugkeerde, die, na zich verontschuldigd te hebben
+over zijn langdurig uitblijven, eerst Kleopatra en daarna haren
+gemaal de gesneden steenen van zijn vriend Publius voorlegde. Zij
+werden uitbundig geprezen; ook Euergetes was alles behalve karig
+in zijn lof. Elk der aanwezige gasten moest toestemmen nooit iets
+schooners en bevalligers te hebben gezien, dan deze Hebe, met de
+oogen zoo schuchter nedergeslagen, dan deze godin der overreding,
+die hare hand legde op den arm der bruid.
+
+"Ik zal Peitho voorstellen," zeide Kleopatra, op beslisten toon.
+
+"En ik Heracles!" riep Euergetes.
+
+"Maar wie," vroeg koning Philometor, "is nu de schoone, die gij
+Lysias, voor dit onvergelijkelijk lieftallig beeld van Hebe op het oog
+hebt. Terwijl gij afwezig waart, heb ik mij de gelaatstrekken van alle
+vrouwen en meisjes, die onze burcht bezoeken, voor den geest geroepen,
+maar om de eene na de andere te verwerpen."
+
+"De schoone, die ik bedoel," antwoordde Lysias, "heeft noch dit paleis,
+noch eenig ander ooit betreden, en ik begin bijkans te vreezen,
+dat ik te ver ga, wanneer ik onze verhevene koningin voorstel, een
+armoedig kind, al is het ook maar in eene vertooning, eene plaats in
+te ruimen aan hare zijde."
+
+"Ik moet althans haar arm met mijne hand aanraken," zeide de
+koningin bezorgd, terwijl zij de vingers introk, als vreesde zij
+iets onreins aan te raken. "Wanneer gij een bloemenmeisje bedoelt,
+eene fluitspeelster, of zoo eene...."
+
+"Hoe zou ik u zoo iets onbetamelijks durven voorslaan," zeide
+Lysias, de koningin haastig in de rede vallende. "De jonkvrouw,
+waarop ik doel, zal zoowat zestien jaren tellen; zij is de onschuld
+in eigen persoon, en ziet er uit als eene bloemknop, die na nog éen
+verkwikkenden regen, in den vroegen morgen kan ontluiken, maar nu nog
+in zijne kelkbladeren besloten is. Zij is van Helleensche afkomst,
+van uwe grootte, Kleopatra, heeft wonderbaarschoone gazellenoogen in
+haar kopje, dat met dik bruin haar is getooid, heeft als zij lacht
+bevallige kuiltjes in de wangen, en zij zal ongetwijfeld lachen,
+als zulk eene Peitho haar toespreekt."
+
+"Gij spant onze nieuwsgierigheid," zeide koning Philometor. "In welken
+tuin wast deze bloem?"
+
+"En hoe komt het," vroeg Kleopatra, "dat mijn echtgenoot deze bloem
+niet reeds lang heeft opgemerkt, en in ons paleis overgeplant?"
+
+"Vermoedelijk," antwoordde Lysias, "omdat hij die u, de schoonste
+roos van Egypte, bezit, de viooltjes aan den weg te gering acht,
+om er naar om te zien. Bovendien is de heg, waartegen mijn knopje
+opwies, gelegen in een duister oord, dat moeielijk te vinden is,
+en streng bewaakt wordt. Om kort te gaan, onze Hebe is eene der
+kruikdraagsters in den tempel van Serapis, en heet Irene."
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Lysias behoorde tot die menschen, van wie men, wat zij ook zeggen,
+niet onderstellen kan, dat het ernstig is gemeend. Zijne mededeeling,
+dat hij eene dienares van Serapis voor geschikt hield om eene Hebe
+voor te stellen, klonk zoo vroolijk natuurlijk, alsof hij kinderen
+een fabeltje vertelde, maar zijne woorden werkten op allen die ze
+hoorden als het geruisch van water, dat een schip binnendringt.
+
+Publius was geheel verbleekt, en had eerst, nadat zijn vriend den naam
+van Irene had uitgesproken, zijne kalmte eenigermate teruggekregen.
+
+Philometor had met zijn beker op de tafel geklopt en opgewonden
+uitgeroepen: "Eene dienares van Serapis als Hebe bij eene feestelijke
+vertooning! Houdt ge dat voor mogelijk, Kleopatra?"
+
+"Het is niet uit te voeren, volstrekt onmogelijk," antwoordde de
+koningin op stelligen toon.
+
+Euergetes, die evenals de anderen groote oogen had opgezet toen de
+Korinthiër sprak, keek langen tijd zwijgend in zijn beker, terwijl zijn
+broeder en zijne zuster nog verder hunne verwondering en afkeuring
+uitspraken, en gewaagden van den eerbied en het ontzag, die zelfs
+koningen voor priesters van Serapis moeten gevoelen. Eindelijk nam
+hij zijn krans en den hoofdband weder af, streek zijn haar met beide
+handen op en zeide toen dood bedaard en zeker:
+
+"Wij hebben eene Hebe noodig, en nemen haar, waar wij haar
+vinden. Wanneer gij aarzelt het meisje te laten halen, dan zal
+het op mijn bevel geschieden. De priesterschap van Serapis bestaat
+grootendeels uit Grieken, en hun hoofd is een Helleen. Lieden als
+hij geven niet veel om een half volwassen kind, als zij er u of mij
+genoegen mede kunnen doen. Hij weet zoo goed, als wij allen, dat de
+eene hand de andere wascht. De vraag is alleen--want vrouwenmisbaar
+zou ik liefst vermijden--of dit meisje al of niet genegen is te komen,
+als wij haar roepen. Wat denkt gij er van, Lysias?"
+
+"Ik geloof dat zij liever heden dan morgen uit hare gevangenis bevrijd
+wil worden," antwoordde Lysias. "Irene is opgewekt van aard. Zij
+lacht zoo natuurlijk en rein, als een spelend kind, en men laat haar
+bovendien in hare kooi verhongeren."
+
+"Dan ga ik haar morgen halen!" riep Euergetes.
+
+"Maar," merkte Kleopatra op, haren broeder in de rede vallende,
+"Asklepiodorus heeft ons en niet u te gehoorzamen, en wij, ik en
+mijn gemaal...."
+
+"Gij wilt u dat priestervolk niet tot vijand maken!" zeide Euergetes
+lachend. "Als het nog Egyptenaren waren! Als men dezen aan hun
+tempeldienst raakt, komt men er niet zonder kleerscheuren af. Maar wij
+hebben hier, zooals ik zeide, met Grieken te doen. Wat hebt gij van
+dezen te vreezen? Wat mij aangaat, kunt gij deze Hebe laten waar zij
+is, maar ik heb mij nu eenmaal op deze voorstelling verheugd, en daarom
+vertrek ik morgen zoodra ik zal uitgeslapen zijn, naar Alexandrië,
+wanneer gij deze zaak niet in orde brengt, en mij, Herakles, niet de
+bruid tegemoet voert, die de goden voor hem gekozen hebben. Wat ik
+zeg, dat meen ik, en het is mijne gewoonte niet op eene zaak terug
+te komen. Nu wordt het tijd, dat wij ons eens vertoonen aan onze
+vrienden, die in het aangrenzend vertrek feestvieren. Zij beginnen
+al luidruchtig te worden, en het zal ook niet vroeg meer zijn."
+
+Terwijl hij dit zeide, rees Euergetes van zijn rustbed op, en wenkte
+Hiërax en een kamerdienaar, die de plooien van zijn doorzichtig gewaad
+in orde brachten. Philometor en Kleopatra fluisterden onderwijl,
+de schouders ophalende en het hoofd schuddende.
+
+Publius omklemde met zijne rechterhand den pols van den Korinthiër,
+en beet hem in 't oor: "Gij moet hen niet helpen, wanneer gij prijs
+stelt op mijn vriendschap. Zoodra het voegzaam geschieden kan, breken
+wij op."
+
+Euergetes wachtte niet gaarne. Reeds richtte hij zijne schreden naar
+de deur, toen Kleopatra hem terug riep, en op zacht verwijtenden
+toon zeide: "Gij weet dat wij gaarne de zeden der Egyptenaars volgen,
+door alle wenschen te vervullen, die een vriend en broeder tegen zijn
+geboortedag koestert. Maar daarom is het niet goed van u gehandeld,
+dat gij ons iets tracht af te dwingen, wat wij u noode weigeren,
+en toch niet kunnen vervullen, zonder ons bloot te stellen aan de
+grootste moeilijkheden. Vorder, bidden wij u, iets anders en wij
+zullen het u zeker toestaan als wij kunnen."
+
+De jonge reus beantwoordde deze bede zijner zuster met luid gelach,
+zwaaide met zijn arm, maakte eene afwijzende beweging met de hand en
+zeide toen: "Het eenige wat ik gaarne zou willen hebben van alles wat
+gij bezit, staat gij toch niet vrijwillig af; zoo blijve het dus bij
+onze afspraak. Gij bezorgt mij mijne Hebe, of ik ga mijns weegs."
+
+Kleopatra wisselde andermaal met den koning eenige korte woorden en
+vluchtige blikken, en Euergetes keek haar daarbij brutaal aan, terwijl
+hij de beenen uit elkander spreidde, zijn kolossaal bovenlichaam
+voorover boog, en beide vuisten in zijne heupen zette.
+
+Er lag in deze houding haars broeders zulk een overmoed, zulk een
+jongensachtig drieste en onbeschaamde uitdaging, dat Kleopatra met
+moeite een kreet van afkeer terughield, eer zij zeide: "Wij zijn nu
+eenmaal broer en zuster, en zullen toegeven ter wille van den vrede,
+die met zooveel moeite tusschen ons werd hersteld en bewaard. Het
+beste zal zijn, dat wij Asklepiodorus verzoeken...."
+
+Hier viel Euergetes haar in de rede met hard in de handen te klappen en
+lachend te zeggen: "Zoo is het goed, zuster! Bezorg mij slechts mijne
+Hebe! Hoe gij dat aanlegt is mij om 't even; dat is uwe zaak. Morgen
+avond wordt er repetitie gehouden en overmorgen zal de voorstelling
+plaats hebben, waarvan de kleinkinderen nog gewagen zullen. Aan eene
+schitterende schare van toeschouwers zal het ook niet ontbreken,
+want ik hoop dat zij, die mij komen gelukwenschen, zoowel die den
+priesterband als die den wapenrok dragen, intijds aanwezig zijn.--Komt,
+mijne heeren, wij willen eens zien, wat daar binnen aan de tafel voor
+goeds te hooren en te drinken is."
+
+De deuren werden geopend; de tonen der muziek, vrij luide gesprekken,
+het gedruisch van klinkende bekers en schaterend gelach drongen door
+in de zaal der vorstelijke personen, en alle gasten, met uitzondering
+van den eunuuch volgden Euergetes.
+
+Kleopatra liet hen zwijgend vertrekken! Publius alleen riep zij een
+'tot wederziens' toe, doch den Korinthiër hield zij terug en zeide:
+"Gij, Lysias, zijt oorzaak van deze moeilijkheid. Tracht alles weer
+goed te maken, door het meisje tot ons te brengen. Weiger niet! Ik
+zal over haar waken, zorgvuldig waken, verlaat u daarop!"
+
+"Zij is een zedige jonkvrouw," antwoordde Lysias, "en zal mij zeker
+niet gewillig volgen. Toen ik voorstelde haar de rol van Hebe op
+te dragen, hield ik mij overtuigd, dat een woord uit den mond van u
+beiden, den vorst en de vorstin, voldoende zou zijn om de bestuurders
+van den tempel het verzoek te doen inwilligen, om haar voor eenige uren
+aan ons toe te vertrouwen, terwille van een onschuldig spel.--Vergeef
+mij dat ook ik u thans verlaat. Ik heb den sleutel der kast van mijn
+vriend nog bij mij, en moet hem dien brengen."
+
+"Zou men haar niet heimelijk kunnen wegvoeren?" vroeg Kleopatra haren
+gemaal, nadat ook de Korinthiër de andere gasten gevolgd was.
+
+"Als er maar geene aanranding plaats heeft en geenerlei geweld wordt
+gepleegd!" zeide koning Philometor bezorgd. "Ik weet geen beter middel,
+dan dat ik aan Asklepiodorus schrijf, en hem vriendelijk verzoek
+deze Ismene, of Irene, of hoe het ongelukskind ook heet, voor eenige
+dagen aan u toe te vertrouwen, omdat zij een gunstigen indruk op u
+maakte. Ik kan het uitzicht openen op eene grootere akkerschenking
+dan die van heden, welk ver beneden zijne verwachting is gebleven."
+
+"Veroorloof mij u te verzoeken, verheven heer," zeide Eulaeus, die
+nu met het koninklijk echtpaar alleen was, op onderdanigen toon,
+"bij deze gelegenheid niets groots toe te zeggen, want zoodra dit
+gebeurt zal Asklepiodorus aan uw wensch een gewicht hechten...."
+
+"Dat hij niet heeft en niet hebben moet," zeide de koningin, hem in
+de rede vallende. "Het is beneden onze waardigheid, ter wille van een
+hongerig schepsel, een waterdraagster, zoovele woorden te verspillen
+en zooveel onrust te hebben. Maar hoe brengen wij dit tot een goed
+einde? wat raadt gij, Eulaeus?"
+
+"Voor deze vraag zeg ik u dank, hooge vorstin," antwoordde de
+eunuuch. "Mijn heer de koning moet, zou ik meenen, dit meisje laten
+weg voeren, doch niet met geweld door een man, dien zij zeker niet
+zoo spoedig volgen zal als noodig is, maar door eene vrouw.
+
+"Ik denk hierbij aan het oude Egyptische sprookje van de beide
+broeders, dat u zeker bekend is. De pharao wenschte de vrouw van den
+jongste te bezitten, die op den cederberg woonde, en zond gewapende
+lieden uit om haar te halen, maar van dezen kwam er slechts éen
+terug, want Bataou had ze allen verslagen. Daarna werd er eene vrouw
+uitgezonden met kostbare sieraden, waarop vrouwen zoo gesteld zijn,
+en haar volgde de schoone naar het paleis, zonder weerstand te bieden.
+
+"Besparen wij de moeite van boden te zenden, maar beginnen wij
+terstond met de vrouw. Uwe speelgenoote Zoë zal zulk een opdracht
+voortreffelijk vervullen. Wie kan ons iets verwijten, wanneer zulk
+een ijdel meisje hare wachters ontloopt?"
+
+"Maar iedereen zal haar als Hebe zien," zeide Philometor met een zucht,
+"en ons, de beschermers van den Serapisdienst, voor tempelschenders
+uitmaken, wanneer Asklepiodorus hun dit voorpraat. Neen, neen, eerst
+moet de opperpriester gunstig gestemd worden. In geval hij zwarigheden
+maakt, maar ook niet eer, mag Zoë beproeven, of zij slagen kan."
+
+"Zoo zal het geschieden," zeide de koningin, als kwam het haar toe
+de voorslag van haar gemaal te bekrachtigen.
+
+"Laat mij uwe speelgenoote begeleiden," vroeg Eulaeus, en uw verzoek
+aan Asklepiodorus voordragen. Terwijl ik met den opperpriester spreek,
+moet Zoë het meisje op alle manieren trachten te winnen, en wat wij
+willen doen, moet reeds morgen geschieden, anders komt de Romein
+ons voor. Ik weet dat hij een oog heeft op Irene, die inderdaad zeer
+schoon is. Hij schenkt haar bloemen, voedert zijn vogeltje met fazant,
+perziken en andere lekkernijen, laat zich door zijn schatje, zoo
+dikwijls het maar geschieden kan, in het Serapeum lokken, blijft daar
+uren lang, neemt als een vrome aan de optochten deel, om de viooltjes,
+die gij hem genadig hebt vereerd, te schenken aan zijne schoone,
+die zeker liever koninklijke bloemen draagt dan andere."
+
+"Leugenaar?" riep de koningin opeens, den hoveling in de rede vallende,
+in zulk een hevige opgewondenheid, zoo bovenmate verstoord en buiten
+zichzelve van verontwaardiging, dat haar gemaal van schrik een paar
+passen achteruitdeinsde.
+
+"Gij zijt een lasteraar, een snoode eerroover! De Romein valt u
+openlijk aan, maar gij sluipt in het donker als de schorpioen, en
+tracht uw vijand in de voetzool te steken. De schilder Apelles heeft
+ons, kleinkinderen van Lagus, in de schilderij, waarop hij Antiphilus
+ten toon stelde, voor lieden van uw gehalte gewaarschuwd. Als ik u
+aanzie, denk ik aan zijn demon van den laster. Die spijt, die boosheid,
+sprekende uit listige oogen, en die op haar offer loerende woede, welke
+op het vuurrood gelaat te lezen staat, hebt gij beiden gemeen. Gij
+zoudt wel willen, niet waar, dat die jongeling, dien de laster op
+het doek van Apelles bij de haren met zich voortsleurt, onze Publius
+was, en dat ook u die vuige holoogige gedaante van den nijd, en die
+afzichtelijke vrouwen, list en bedrog, bijstand boden? Maar ik herinner
+mij ook dien hoog ten hemel geheven arm, die de bescherming vraagt van
+de godin en van den koning; ook den trouwen oprechten blik van dien
+ter aarde geworpen knaap. En al is Publius Scipio mans genoeg, om zich
+tegen openbare aanvallen te verdedigen, zoo zal ik hem toch beschermen
+tegen elken aanval uit een hinderlaag.--Weg uit dit vertrek! Pak u weg,
+zeg ik u, en gij zult ondervinden, hoe wij lasteraars straffen!"
+
+Terwijl zij dus sprak, wierp Eulaeus zich voor de koningin op
+de knieën. Kleopatra haalde diep adem; de snelle beweging harer
+neusvleugels teekende hare gemoedsaandoening. Zij zag voor zich uit,
+als merkte zij den eunuuch niet op, tot haar gemaal naar haar toeging
+en met een hartroerende stem zeide: "Veroordeel hem toch niet, zonder
+hem te hooren, en reik hem de hand om op te staan. Geef hem in elk
+geval gelegenheid, uw toorn te doen bedaren, door ons de kruikdraagster
+te bezorgen, zonder Asklepiodorus te vertoornen.--Maak het weer goed,
+Eulaeus, en gij zult in ons een voorspraak bij Kleopatra vinden."
+
+De koning wees met den vinger naar de deur. Eulaeus verwijderde
+zich in diep gebogen houding, terwijl hij, achterwaarts gaande,
+den uitgang zocht.
+
+Toen Philometor met zijne gemalin alleen was, zeide hij op zacht
+verwijtenden toon: "Hoe kondt gij u zoo onverstandig laten medeslepen
+door uw toorn? Een trouw en verstandig dienaar, die tot de weinigen
+behoort, welke nog in leven zijn van allen die onze moeder lief waren,
+jaagt men toch niet weg als een onbekwamen oppasser. En welk groot
+misdrijf heeft hij dan begaan? Is dat een vergrijp waarover men zich
+zóo boos moet maken, wanneer een goedaardig oud man, van een jonkman,
+die voor de wereld leeft en die niets van de geheimzinnige heiligheid
+van Serapis begrijpt, zonder erg vertelt, dat deze behagen schept
+in een meisje, hetwelk ieder bewondert die het ziet; dat hij haar
+opzoekt en hare schoonheid met bloemen huldigt...."
+
+"Met bloemen huldigt?" vroeg Kleopatra, op nieuw opvliegende. "Neen,
+neen, men beticht hem, dat hij eene jonkvrouw, die aan Serapis
+toebehoort, aan Serapis, zeg ik, vervolgt. Maar dat is eenvoudig
+niet waar, dat is gelogen, en gij zoudt als ik hiertegen in verzet
+komen, wanneer gij u boos kondt maken als een man en gij Eulaeus niet
+gebruiktet voor vele dingen, waarvan ik wel kennis draag, al gelieft
+gij ze evenals andere voor mij te verzwijgen. Laat hem het meisje
+halen; doch hebben wij haar hier, en bevind ik, dat de klacht van
+den Romein over Eulaeus, die ik morgen wil aanhooren, gegrond is,
+dan zult gij zien, dat ik mannelijke gestrengheid genoeg bezit voor
+ons beiden. Kom nu mede, want zij die daar binnen zijn wachten op ons."
+
+De koningin verhief haar stem; kamerheeren en dienaars snelden toe,
+hare schelpvormige draagstoel werd weder te voorschijn gehaald,
+en weldra werd zij aan de zijde van haren gemaal, hoog in de lucht
+zwevende, de groote zuilengalerij binnen gedragen, waar de grooten van
+het hof, de bevelhebber der troepen, de aanzienlijkste der Egyptische
+beambten, die uit de provinciën waren aangekomen, vele kunstenaars
+en geleerden, alsmede de buitenlandsche gezanten in lange rijen waren
+aangelegen, en die, daar het eigenlijke maal reeds was afgeloopen, den
+wijn eer aandeden. De Grieken en de donkerder gekleurde Egyptenaars
+waren hier ongeveer even talrijk vertegenwoordigd, doch onder hen,
+en vooral onder de geleerden en officieren, bevonden zich ook vele
+Israëlieten en Syriërs.
+
+Het koninklijk paar werd door de feestvierenden met gejubel en
+betuigingen van eerbied ontvangen. Kleopatra lachte zoo vriendelijk
+als ooit te voren; zij wuifde ook nog met den waaier, nadat zij
+den draagstoel had verlaten. Toch schonk zij aan niemand onder
+de aanwezigen ook zelfs de minste opmerkzaamheid, want zij zocht
+Publius, eerst in de nabijheid van het rustbed, dat voor haar was
+open gehouden, daarna onder de andere Hellenen, de Egyptenaars, de
+Joden en de gezanten. Doch zij vond hem niet, en toen zij ten laatste
+den kamerheer aan hare zijde vroeg, waar de Romein zich bevond, werd
+terstond de persoon geroepen, die met de zorg voor de gezanten belast
+was. Deze was een zeer hooggeplaatst beambte, die tot taak had voor
+de vertegenwoordigers van vreemde machten te zorgen. Hij was bij de
+hand, want hij wachtte reeds lang op eene gelegenheid, om Kleopatra
+den groet van Publius Cornelius Scipio over te brengen, en haar uit
+zijn naam mede te deelen, dat hij zich naar zijne tent had begeven,
+omdat er brieven uit Rome voor hem waren aangekomen.
+
+"Is dat waar?" vroeg de koningin, terwijl zij haar waaier liet zinken
+en den verzorger der gezanten streng aanzag.
+
+"De triremis [13] Proteus, die van Brundisium komt," antwoordde de
+aangesprokene, "is gisteren de haven van Eunostus binnengeloopen,
+en een uur geleden bracht een bode te paard den brief. En zeker was
+het geen gewone brief, maar het was een schrijven van den senaat;
+ik ken den vorm en het zegel."
+
+"En de Korinthiër Lysias?"
+
+"Hij vergezelt den Romein."
+
+"Heeft de senaat ook aan dezen geschreven?" vroeg Kleopatra scherp en
+spottend. Daarna keerde zij den verzorger der gezanten den rug toe,
+zonder hem te groeten, en zeide, terwijl zij zich tot den kamerheer
+wendde, op afgemeten toon, als moest zij eene rechtszitting leiden:
+"Koning Euergetes zit daar midden onder de Egyptenaars naast de
+tempelgezanten uit het bovenland. Hij ziet er uit als hield hij voor
+hen eene redevoering; zij hangen aan zijne lippen. Wat spreekt hij,
+en wat moet dit weder beteekenen?"
+
+"Vóor gij kwaamt, zat hij onder de Syriërs en Joden, en deelde hun
+mede, wat kooplieden en schrijvers, die hij naar het Zuiden had
+gezonden, bericht hadden omtrent de landen, die bij de meren liggen,
+waardoor, naar men zegt, de Nijl stroomt. Hij meent dat zich bij
+den oorsprong van den heiligen vloed, die toch niet, gelijk de ouden
+geloofden, uit den oceaan kan ontspringen, nieuwe bronnen van rijkdom
+hebben opgedaan."
+
+"En?" vroeg Kleopatra, "wat maakt hij nu daar aan de Egyptenaars wijs?"
+
+De kamerheer ging haastig naar de plaats waar Euergetes lag, en keerde
+weldra terug tot de koningin, die intusschen eenige vriendelijke
+woorden had gewisseld met den Joodschen generaal Onias, om haar
+zacht mede te deelen, dat de koning eene plaats uit den Timaeus van
+Plato verklaarde, waar Solon met lof spreekt van de hooge wijsheid
+der priesters van Saïs, dat hij met vuur sprak en de Egyptenaars hem
+luide hun bijval betuigden.
+
+Kleopatra's gelaat betrok al meer en meer, doch zij hield het achter
+haren waaier verborgen. Zij wenkte Philometor naderbij te komen en
+fluisterde hem in 't oor: "Blijf in de nabijheid van Euergetes; het is
+bedenkelijk, dat hij zich zooveel met de Egyptenaars inlaat. Hij legt
+het er op toe hen welgevallig te zijn, en deze aanvallige duivel weet
+ieder, dien hij in ernst voor zich wil innemen, in zijne strikken te
+vangen. Hij heeft mij dezen avond verbitterd; ik laat u verder alleen.
+
+"Tot wederziens op morgen!--ik wil de klacht van den Romein op mijn
+dak mede aanhooren, want daar waait altijd een koeler stroom. Verlangt
+gij daarbij te zijn, dan laat ik u roepen, maar eerst wensch ik hem
+alleen te spreken, want hij heeft brieven van den senaat ontvangen,
+die misschien iets gewichtigs inhouden. Tot morgen dus!"
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl in de groote zuilengalerij vele bekers geledigd en de
+deelnemers aan het drinkgelag steeds levendiger en luidruchtiger
+werden; terwijl Kleopatra de dienstmaagden en speelgenooten, die
+haar uitkleedden, voor kwaadwillig en onhandig uitmaakte, omdat elke
+aanraking haar zeer deed, en iedere naald, die werd uitgehaald, haar
+pijn veroorzaakte, liepen de Romein Publius en zijn vriend Lysias in
+groote spanning in hun tent op en neder.
+
+"Spreek wat zachter," zeide de Korinthiër, "want elke griffioen, die op
+deze doorluchtige wanden is geweven, schijnt mij op de loer te liggen
+en ons te beluisteren.--Neen, ik heb mij niet vergist. Toen ik hierheen
+ging, om de gesneden steenen te halen, zag ik van verre door de deur
+eene schemering van licht. Doch de indringer moet gewaarschuwd zijn
+geworden, want juist toen ik bij de lantaarn kwam voor de tent der
+bedienden, ging het licht uit, en de fakkel, die anders voor onze
+deur brandt, was in het geheel niet aangestoken. Maar het schijnsel
+op den weg was voldoende, om eene mansgestalte te herkennen, die
+heensloop als een gladde, zwarte salamander door een moeras. Hij
+droeg een lang gewaad, was behangen met gouden sieraden, die ik in de
+flauwe schemering van mijn lampje kon zien fonkelen.--Gij weet dat ik
+goede oogen heb; ik geef er éen van de twee als ik mij vergist heb,
+en de kat, die bij ons was binnengeslopen, niet de eunuuch Eulaeus
+is geweest."
+
+"En waarom liet ge hem niet vasthouden?" vroeg Publius gemelijk.
+
+"Omdat het rondom onze tent stikdonker was," antwoordde Lysias, "en
+die dikkert even behendig is als een vette das, wanneer de honden
+hem op de hielen zitten. Uilen, vleermuizen en al dat ongedierte,
+hetwelk in den nacht op buit uitgaat, is afschuwelijk, en deze Eulaeus,
+die als een hyena grijnst als hij lacht...."
+
+"Deze Eulaeus zal mij leeren kennen en ondervinden, dat het niet
+geraden is met den zoon van mijn vader een strijd te beginnen."
+
+"Maar gij zijt begonnen met hem juist niet vriendelijk en hoffelijk
+te bejegenen," zeide Lysias, "en dat was niet wijs gehandeld."
+
+"Wijs of niet!" riep de Romein in drift, hij is een schurk. Dat
+gaat mij niet aan, zoolang hij op een afstand blijft; doch wanneer
+hij zich, zooals sedert de laatste dagen het geval is, voortdurend
+aan mij opdringt om mij te beloeren, en mij behandelt als ware hij
+mijns gelijke, dan zal ik hem toonen, dat hij zich vergist. Over
+gebrek aan openhartigheid heeft hij niet te klagen; hij weet wat ik
+van hem denk en dat ik niet vrees hem te lijf te gaan. Als ik zijne
+listen met list wilde te keer gaan, dan trok ik aan het kortste
+einde, want in arglistigheid is hij mij de baas. Met mijne manier
+om in het openbaar te strijden, die hem nieuw is en hem overbluft,
+kom ik tegenover hem het verst; deze strookt ook meer met mijn aard
+en valt mij gemakkelijker dan eene andere. Hij is sluw, ja meer dan
+dat, hij is scherpzinnig, en zoo heeft hij terstond de aanklacht,
+waarmede ik hem bedreigde, in verband gebracht met het geschrift,
+dat de kluizenaar Serapion mij in zijne tegenwoordigheid overhandigde.
+
+"Daar ligt het. Zie maar!
+
+"Daar hij echter niet alleen doorslepen maar ook een schurk is--twee
+eigenschappen, die eigenlijk met elkander in tegenspraak zijn, want
+niemand die waarlijk slim is kan tegen de wetten handelen--heeft
+hij den draad, waarmede de schriftrol gesloten was, heimelijk
+losgemaakt. Maar zie, hij heeft geen tijd gehad het stuk weder
+dicht te maken. Hij zal het geheel of gedeeltelijk gelezen hebben,
+en ik gun hem de vreugde, die hij gesmaakt moet hebben, toen hij zijn
+eigen persoon daar als in een spiegel zag. De kluizenaar schrijft een
+krachtige stijl en schildert met forsche penseelstreken en schelle
+kleuren. Wanneer hij dat geschrift ten einde toe heeft gelezen,
+dan bespaart mij dit de moeite om hem te verklaren, wat ik van plan
+ben tegen hem in te brengen. Hebt gij hem nog tijdig gestoord, dan
+zal ik bij mijne aanklacht uitvoeriger dienen te zijn; hoe dit zij,
+het is mij onverschillig!"
+
+"Neen, het mag u niet onverschillig zijn," zeide Lysias; "want in
+het eerste geval zal Eulaeus tijd hebben om leugens te verzinnen
+en getuigen om te koopen tot zijne verdediging. Zulke belangrijke
+geschriften zou ik, wanneer iemand ze mij wilde toevertrouwen,
+zorgvuldig wegsluiten en verzegelen, wanneer ik althans niet evenals
+gij vergat zulks te doen. Waar hebt gij het schrijven van den senaat,
+dat de bode u straks heeft gebracht?"
+
+"Dat stuk ligt reeds lang in deze kast gesloten," antwoordde Publius,
+en maakte eene beweging met de hand, als wilde hij haar vast drukken
+tegen zijn kleed, waaronder hij den brief zorgvuldig verborgen hield.
+
+"Mag men den inhoud niet weten?" vroeg de Korinthiër.
+
+"Neen! het is nu ook geen tijd om daarover te spreken. Allereerst
+hebben wij te overleggen, hoe het laatste onheil, door u gesticht,
+weder goedgemaakt kan worden. Is het niet schandelijk van u, dat
+gij het aanvallig schepseltje welks kinderlijke schuchterheid wij
+heden morgen met welgevallen hebben opgemerkt, dat gij het meisje,
+waarvan gijzelf mij, toen wij terugkeerden, zeidet, dat zij u deed
+denken aan uwe lieve zuster, wilt overleveren aan den wildsten van
+alle woestelingen, die ik ooit ontmoet heb, aan dit monster, dat
+behagen schept in allerlei buitensporigheden, en zijn eer stelt in
+al wat slecht is? Wat heeft Euergetes...."
+
+"Bij onzen beschermgod Poseidon," riep Lysias, terwijl hij zijn vriend
+haastig in de rede viel, "ik dacht in het geheel niet aan dien dubbelen
+Alcibiades, toen ik op haar de aandacht vestigde. Wat doet hij, die
+eene tooneelvoorstelling moet leiden, niet al om zich te verzekeren
+van den bijval zijner toeschouwers? En--laat ik eerlijk zijn--voor
+mijzelven wilde ik Irene in het paleis brengen, want ik ben smoorlijk
+op haar verliefd; zij heeft mijn hart getroffen."
+
+"Even als Kallista en Phryne en de fluitspeelster Stephanion." zeide
+de Romein, de schouders ophalende.
+
+"Hoe anders?" vroeg de Korinthiër, terwijl hij zijn vriend verbaasd
+aanzag. "Eros heeft vele pijlen in zijn koker, de eene treft dieper
+dan de andere, en ik geloof dat de wond, die ik heden ontving, weken
+lang pijn zal doen, als ik dit kind, hetwelk nog bekoorlijker is dan
+de zoo bewonderde Hebe aan onze bron, moet prijs geven."
+
+"Ik raad u hoe eer hoe liever u aan deze gedachte te gewennen,"
+zeide Publius ernstig, terwijl hij vóor den Korinthiër ging staan
+met de armen over elkaar gekruist. "Wat zoudt ge van mij wel zeggen,
+wanneer het mij inviel, uw aardig zusje, waarop--ik herhaal het--Irene
+zoo veel gelijkt, listig uit het huis uwer ouders te lokken?"
+
+"Niet zulke vergelijkingen, bid ik u," hernam de Korinthiër, en zoo
+kortaf boos, als de Romein hem nog nooit gezien had.
+
+"Gij maakt u ten onrechte toornig," antwoordde Publius kalm en
+ernstig. "Uwe zuster is een bevallige jonkvrouw, het sieraad van uwe
+deftige familie, en toch durf ik de arme Irene..."
+
+"Met haar vergelijken, wilt gij zeggen," zeide Lysias, op nieuw
+opstuivende. "Dit is een slechte dank voor de gastvrijheid, die
+gij bij mijne ouders hebt genoten, en die gij altijd zoo geroemd
+hebt. Ik ben een goede kerel, die van u meer dan van iemand anders kan
+verdragen, waarom weet ikzelf niet; maar in deze zaak wil ik van geen
+gekscheren weten! Mijne zuster is de eenige dochter van de rijkste,
+de edelste familie van Korinthe, om wier hand reeds velen aanzoek
+hebben gedaan. Zij is geen haar minder dan het kind van uw eigene
+ouders, en ik wilde wel eens zien wat gij zoudt zeggen, wanneer ik
+het waagde de trotsche Lucretia te vergelijken met dit arme ding,
+dat als eene dienstmaagd water draagt...."
+
+"Ga uw gang!" zeide Publius gelaten, den Korinthiër in de rede
+vallende. "Ik neem u niet kwalijk dat gij u boos maakt, want gij
+weet niet wie die beide zusters in den Serapis-tempel zijn. Overigens
+vullen zij de waterkruiken niet voor menschen, maar voor een God. Daar,
+neem deze rol en lees het schrift door, terwijl ik den brief uit Rome
+beantwoord. Hei! Spartacus, steek nog eenige lampen aan!"
+
+Weldra zaten de jonge mannen tegenover elkander aan de tafel, die
+midden in hunne tent stond. Publius schreef ijverig door en keek alleen
+op, wanneer zijn vriend, die het bericht van den kluizenaar las,
+onwillig met de hand op de tafel sloeg, of van zijn zetel opsprong
+en voor zichzelf zijne verontwaardiging lucht gaf in bittere woorden.
+
+Zij waren beiden tegelijk gereed, en toen Cornelius zijn brief gevouwen
+en verzegeld, en Lysias de rol op de tafel geworpen had, vroeg de
+Romein, terwijl hij zijn vriend strak aanzag, op gerekten toon: "Nu?"
+
+"Ja, nu!" herhaalde Lysias. "Nu verkeer ik weder in de treurige
+omstandigheid, dat ik mij zelven voor dommer moet houden dan u,
+dat ik u gelijk geven en vergeving vragen moet, omdat ik u voor een
+onbeschaamde en wat niet al heb gehouden. Maar hoe kon ik dit ook
+weten! Neen, zulk een allerschandelijkste geschiedenis als in dat
+ding te lezen staat, heb ik nooit gehoord. Zoo iets kan ook alleen in
+Egypte voorkomen dat zich om de goden noch om hunne geboden bekommert!
+
+"Die arme kleine Irene!--Hoe heeft dat goede kind onder dit alles
+zulk een vroolijk gezichtje kunnen behouden!
+
+"Ik zou mijzelven als een schooljongen kunnen ranselen, omdat ik,
+gek der gekken, den machtigsten en buitensporigsten man in dit gansche
+land, omdat ik juist Euergetes op dit meisje opmerkzaam heb gemaakt!
+
+"Wat moet er gedaan worden, om Irene tegen hem te beschermen? Ik kan
+de gedachte niet verdragen, dat ik haar in zijne klauwen moet zien
+geraken, en dat wil ik ook niet dulden! Zijt gij niet van oordeel,
+dat het goed zou zijn als wij ons die kruikdraagsters aantrokken?"
+
+"Dat is niet alleen goed, maar zelfs plicht," zeide Publius, vast
+besloten. "Sukkels zouden we zijn, als wij het niet deden. Sedert de
+kluizenaar mij in het vertrouwen heeft genomen, komt het mij voor,
+dat op mij de verplichting rust over deze meisjes, aan wie men de
+ouders heeft ontstolen, als een voogd te waken, en gij, beste Lysias,
+moet mij helpen!"
+
+"De oudste der zusters heeft mij juist niet zeer vriendelijk bejegend,
+maar daarom acht ik haar niet minder. De jongste schijnt minder
+ernstig en teruggetrokken te zijn dan Klea. Ik merkte wel op, hoe zij
+uw glimlach beantwoordde, toen de processie werd ontbonden. Daarna
+zijt gij, evenmin als ik, terstond terug gereden, en ik heb reden
+om te gelooven, dat Irene u terughield. Ik verzoek u dringend:
+wees openhartig en zeg mij alles, want wij moeten eenstemmig en met
+overleg handelen, wanneer het gelukken zal dit spel van Euergetes
+te verijdelen."
+
+"Ik heb juist niet veel te vertellen," antwoordde de Korinthiër. "Na
+den optocht ging ik in het pastophorium, natuurlijk om Irene te zien,
+en liet mij, om geen opzien te wekken, door de pelgrims vertellen,
+welke droomgezichten de god hun had toegezonden, en welken raad zij in
+den tempel van Asklepius hadden ontvangen tegen hunne eigene kwalen,
+en die van hunne nichten en neven. Zoo verliep er wel een half uur
+eer Irene kwam.
+
+"Zij droeg een mandje, waarin de gouden haartooi lag, dien zij bij
+het feest had gedragen, en dien zij nu naar den schatmeester terug
+moest brengen. De granaatbloesem, dien zij heden morgen van mij had
+aangenomen, viel mij reeds van verre in het oog. Toen zij mij opmerkte
+en tot over de ooren kleurde, terwijl zij de oogen nedersloeg, dacht
+ik voor het eerst: Precies als de Hebe aan onze bron!
+
+"Zij wilde mij voorbijgaan, maar ik hield haar tegen, verzocht haar
+mij het sieraad te laten zien, dat zij in de hand hield, zeide haar
+allerlei dingen, die een meisje gaarne hoort, en vroeg haar eindelijk,
+of men haar streng bewaakte, en of van hare fijne handjes en voetjes,
+die voor beter dingen gevormd waren dan voor water dragen, veel werd
+gevergd. En zij bleef mij het antwoord niet schuldig, maar bij alles
+wat zij zeide, sloeg zij maar zelden de oogen op.
+
+"Hoe langer men haar aanziet des te lieflijker schijnt zij te
+zijn. Toch is zij nog geheel een kind, maar zoo'n kind, dat zich te
+huis niet meer op zijn plaats gevoelt, dat van glans en vreugde en
+vrijheid droomt, terwijl men het in een armzalig donker vertrek opsluit
+en laat verkwijnen. Die arme schepsels mogen den tempel nooit verlaten,
+behalve bij optochten en vóor zonsopgang. Het deed mij aan, toen zij
+vertelde, dat zij altijd zoo ontzettend moede waren en zoo gaarne nog
+wat sliepen, als zij gewekt werden, om bij het krieken van den morgen,
+terwijl het nog half donker en koud is, er op uit te gaan. Dan moet
+zij uit eene put, die men de zonnebron noemt, waterscheppen."
+
+"Weet gij waar die bron ligt?" vroeg Publius.
+
+"Achter het acaciënbosch," antwoordde Lysias. "De gids heeft mij haar
+gewezen. Zij moet bijzonder heilig water bevatten, en bij zonsopgang
+mag voor den god geen ander water geplengd worden. Die meisjes moeten
+zoo vroeg opstaan, omdat, wanneer het nieuwe licht zich vertoont,
+bij het altaar van Serapis dit water niet ontbreken mag. Het wordt
+dan als drankoffer door de priesters op de aarde gegoten."
+
+Aan Publius was, terwijl hij scherp toeluisterde, geen woord ontgaan
+van hetgeen zijn vriend had gezegd. Thans keerde hij zich haastig
+om, opende de deur van de tent, trad naar buiten, en zag op naar de
+sterren, die in ontelbare menigte, met wonderbare pracht aan den
+donkerblauwen hemel schitterend, stil hunne banen beschreven, ten
+einde zich aangaande hun stand te vergewissen. De maan was reeds
+ondergegaan, en de morgenster, welker glans en grootte de Romein
+elken nacht bewonderde, sedert hij in de pyramidenstad verwijlde,
+reeds lang opgekomen.
+
+Een koude wind streek langs het voorhoofd van den jonkman, en terwijl
+hij huiverend zijn gewaad over zijne borst samentrok, dacht hij
+aan de zusters, die weldra in de frissche morgenlucht naar buiten
+moesten. Nog eens verhief hij zijn blik naar het uitspansel, en het
+was hem daarbij als zag hij voor zijne oogen Klea's trotsche gestalte,
+gehuld in een met sterren bezaaide mantel. Zijn hart ging open, en het
+was hem alsof de koelte, die zijn steeds sneller jagende borst indrong,
+zoo rein en frisch was als de aether, die het Elysium omzweeft,
+en daarbij zoo sterk, dat zij zijn adem beklemde. Nog altijd meende
+hij Klea's beeltenis voor zich te zien; doch zoodra hij zijne hand
+naar de wonderbare verschijning uitstrekte, verdween zij, want het
+getrappel van paarden en het geratel van wielen liet zich hooren en
+herinnerde Publius, die niet gewoon was zich aan droomerijen over te
+geven als er gehandeld moest worden, aan hetgeen hem gedrongen had
+naar buiten te gaan. De eene wagen na den anderen kwam aanrijden,
+terwijl hij zijne tent weder binnen ging.
+
+Hier ontving Lysias, die tijdens zijne afwezigheid nadenkend op en
+neder had geloopen, hem met de vraag: "hoe lang duurt het nog eer de
+zon opgaat?"
+
+"Geen twee uren meer," antwoordde de Romein, "en deze moeten wij niet
+ongebruikt laten voorbijgaan, als wij niet te laat willen komen."
+
+"Zoo denk ik ook," zeide de Korinthiër. "Spoedig zullen de zusters
+buiten den tempel bij de zonnebron zijn, en dan noodig ik Irene uit,
+mij te volgen. Gij gelooft niet dat ik dit gedaan zal krijgen? Ik
+eigenlijk ook niet; maar zij volgt misschien toch, wanneer ik beloof
+haar iets moois te laten zien, en zij niet vermoedt, dat het er om
+te doen is haar van hare zuster te scheiden; want zij is nog geheel
+een kind."
+
+"Maar Klea is ernstig en verstandig," hernam Publius met een
+bedenkelijk gelaat, "en op haar zal de lichtvaardige toon, waarop
+gij zoo gaarne spreekt, een slechten indruk maken. Bedenk dit wel en
+neem er den proef van.--Neen, neen, gij moogt haar niet om den tuin
+leiden! Vertel haar, zonder dat Irene het hoort, de volle waarheid,
+met den ernst dien de zaak vereischt, en zij zal hare zuster niet
+terughouden, als zij weet hoe groot en hoe nabij het gevaar is,
+dat haar bedreigt.
+
+"Goed," zeide de Korinthiër. "Ik zal zoo plechtig en ernstig spreken,
+dat de censor in uwe geboortestad, wiens voorhoofd het diepst gerimpeld
+en wiens baard het grijst is er bij mij vergeleken als een danser op
+een Dionysos-feest zal uitzien. Ik zal er uitzien als Cato, toen hij
+er bitter over klaagde, dat de lekkerbekken in Rome in zijn tijd meer
+betaalden voor een vaatje nieuwen haring dan voor een juk ossen. Gij
+zult over mij voldaan zijn! Maar waar breng ik Irene heen? Misschien
+kan ik een der koninklijke wagens gebruiken, die daar onophoudelijk
+voorrijden, om de gasten naar huis te brengen."
+
+"Dat heb ik ook gedacht," antwoordde Publius. "Ga mede met den overste
+der Diadochen, wiens deftige woning men ons gisteren heeft gewezen. Zij
+ligt op den weg naar het Serapeum, en onlangs aan het gastmaal hebt ge
+u voortdurend met hem onderhouden. Maak u daar van den wagenmenner af,
+door hem een goudstuk te geven, opdat hij ons niet verrade, en rijdt
+niet weder hierheen, maar naar de haven. Ik zal met onzen reiswagen
+en met mijne eigene paarden bij den kleinen Isistempel wachten, Irene
+in ontvangst nemen, en haar naar hare nieuwe schuilplaats voeren,
+terwijl gij den wagen van Euergetes naar den menner terugbrengt."
+
+"Dit voorstel bevalt mij toch maar half," antwoordde Lysias
+nadenkend. "Mogelijk had ik gisteren aan u overgelaten mijn
+granaatbloesem aan Irene te geven, maar haar zelve....."
+
+"Ik verlang niets van haar," zeide de Romein ontevreden. "Maar gij
+mocht naar ik meen, wel wat meer ijver toonen om mij te helpen, ten
+einde haar te beschermen voor het gevaar, dat haar door uw schuld
+bedreigt.--Wij kunnen haar niet hierheen brengen, doch ik meen een
+veilige schuilplaats voor haar gevonden te hebben. Herinnert ge u
+den beeldhouwer Apollodorus, aan wien mijn vader ons had aanbevolen,
+en zijne vriendelijke vrouw, welke ons dien heerlijken wijn van Chios
+voorzette? Die man heeft verplichting aan mij, want mijn vader heeft
+hem het vervaardigen opgedragen van den mozaïekvloer in de nieuwe
+bogengalerij, die hij op het kapitool liet bouwen, en later heeft
+mijn vader hem gered, toen naijverige kunstgenooten hem naar het
+leven stonden. Gijzelf hebt gehoord, hoe hij zijn persoon en alles
+wat hij bezit te mijner beschikking stelde."
+
+"Zeker, zeker," zeide Lysias haastig. "Maar zeg mij, hebt gij ook niet
+het hoogst bevreemdend verschijnsel opgemerkt, dat juist kunstenaars,
+dus menschen die meer dan andere hun leven wijden aan het streven
+naar idealen, bijzonder genegen zijn de laagste neigingen, als nijd,
+afgunst, en..."
+
+"Maar mensch!" riep Publius den Korinthiër knorrig in de rede vallende,
+"kunt gij dan geen enkel oogenblik bij dezelfde zaak blijven, en
+niets vóor u houden van wat u invalt? Wij hadden thans, dacht ik,
+over gewichtiger dingen te spreken dan over de wangunst, waarmede
+kunstenaars en misschien ook geleerden elkander vervolgen.--De
+beeldhouwer Apollodorus nu, die verplichting aan mij heeft, woont
+sedert zes maanden hier met zijne vrouw en zijne dochters, want
+hij moest voor Philometor de beelden der wijsgeeren en der dieren
+vervaardigen, die thans het plein van de Apis-graven versieren. Zijne
+zonen staan aan het hoofd van zijne groote werkplaats te Alexandrië,
+en wanneer hij, hetgeen dikwijls gebeurt, met zijn Nijl-boot daarheen
+vaart, kan hij Irene medenemen en op een schip zetten. Waarheen wij
+haar brengen zullen, om haar uit de handen van Euergetes te redden,
+dat zullen wij later met Apollodorus overleggen."
+
+"Goed, zeer goed," zeide de Korinthiër toestemmend. "Bij Herakles,
+ik ben niet wantrouwend, maar dat gijzelf Irene bij Apollodorus wilt
+brengen, bevalt mij toch niet, want als men u in haar gezelschap
+ziet, kan onze gansche onderneming schipbreuk lijden. Zend liever de
+vrouw van den beeldhouwer, die in Memphis weinig bekend is, naar den
+Isistempel, met een sluier of mantel, om het meisje te verbergen. Groet
+ook die vroolijke Milesische voor mij, en zeg haar--neen, zeg haar
+niets--ik zie haar toch later zelf bij den tempel van Isis."
+
+Terwijl de jongelieden deze laatste woorden met elkander spraken,
+hadden de slaven hun de mantels omgehangen. Thans traden zij te zamen
+naar buiten, wenschten elkander veel geluk, en spoedden zich voort,
+de Romein om zijne eigene paarden te laten inspannen, Lysias om met
+den overste der Diadochen een wagen des konings te bestijgen, en verder
+te handelen overeenkomstig het plan, dat hij met Publius besproken had.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De eene wagen na den ander rende de hooge poort uit van het koninklijk
+paleis naar de stad, waar alles nog rustig sliep.
+
+In de groote feestzaal was het stil geworden, en donkerkleurige
+slaven begonnen bij het flauwe licht van enkele lampen, die nog niet
+uitgedoofd waren, den mozaïekvloer, die bezaaid lag met bladeren van
+rozen en andere bloemen, uit de verwelkte klimop- en populier-kransen
+gevallen, en die hier en daar door den uitgestorten wijn donkerrood
+was gekleurd, met bezems en dweilen te reinigen.
+
+In een hoek zat een jongen fluitspeler, door wijn en slaperigheid
+bevangen. De popelkrans, die zijne lokken had gesierd, was hem van
+het voorhoofd gegleden, en bedekte zijn aanvallig gelaat, doch zijne
+fluit hield hij ook in den slaap met de vingers omklemd.
+
+De bedienden lieten hem slapen, en deden hun werk zonder acht op
+hem te slaan; een opzichter alleen wees met den vinger naar hem en
+zeide lachend: "Zijne kameraden gingen niet nuchterder naar huis dan
+die dáar. Het is een aardige jongen, en bovendien de beminde van de
+schoone Chloë, die hem heden vruchteloos wachten zal."
+
+"Misschien ook morgen," antwoordde een ander, "want als de dikke haar
+ziet, zoo heeft zij den langsten tijd aan den armen Damon toebehoord."
+
+Maar de dikke, zooals de Alexandrijnen en met hen de overige
+Egyptenaars koning Euergetes betitelden, dacht in deze ure om
+geene Chloë of haars gelijken. Hij bevond zich in het bad, dat
+een deel uitmaakte van zijne schitterend ingerichte woning. Geheel
+ontkleed stond hij in het lauwe water, waarmede een groot bassin
+van wit marmer gevuld was. In de heldere oppervlakte van het
+welriekende water spiegelden zich de beelden van jonge nymphen,
+die verliefde saters ontvloden, en het schitterend licht van vele
+lampen, die aan de zoldering hingen. Aan de smalle zijde van dit
+bassin lag de gebaarde gestalte van den Nijlgod, over wien zestien
+kinderfiguren--zinnebeeldige voorstelling van het aantal ellen, tot
+welke de groote stroom van Egypte moest stijgen, om vruchtbaarheid
+over het land te verspreiden--vroolijk heen klauterden, tot vreugde van
+hun eerbiedwaardigen vader. Uit de vaas, waarop de waardige grijsaard
+zijn arm liet rusten, vloeide een breede stroom koud water, die door
+vijf schoone jongelingen opgevangen werd in slanke albasten vazen;
+ten einde het over het hoofd, de sterk gespierde borst, den rug en
+de armen van den jongen badenden koning uit te gieten.
+
+"Meer, nog meer, altijd meer!" riep Euergetes, toen de jongelingen
+met scheppen en gieten begonnen te vertragen, en zoodra weder eene
+nieuwe watermassa over hem werd uitgegoten, begon hij te proesten en
+te snuiven van genot, en dikke stralen verspreidden zich naar alle
+zijden, zoodra de luchtstroom uit zijne longen zich een weg baande
+door het water dat van zijn hoofd afvloeide.
+
+Eindelijk riep hij uit: "Genoeg!" plonsde zoo zwaar als hij was in
+het water, zoodat het in de hoogte spatte, alsof men een rotsblok
+daarin had geslingerd; bleef een tijdlang onder de oppervlakte van
+het vochtig element, en steeg toen langs de marmeren trappen uit het
+bad, schudde daarbij uit moedwil geweldig zijn hoofd, om, als een
+overmoedige knaap zijne vrienden en dienaars, die rondom het bassin
+stonden, kletsnat te maken, liet zich in hagelwitte ragfijne linnen
+doeken wikkelen, met kostbare welriekende oliën besprengen, en trad
+daarna in een klein vertrek, rondom met tapijten behangen.
+
+Daar wierp hij zich op eene verhevenheid van zachte kussens neder,
+en zeide, diep ademhalend: "Nu ben ik weer lekker, en gevoel ik mij
+zoo nuchter als een kind, dat nog niets anders dan de moedermelk
+heeft geproefd. Pindarus heeft gelijk, er gaat niets boven water,
+het bluscht zelfs den heeten gloed, dien de wijn in hoofd en hart
+ontsteekt. Heb ik heden avond veel onzin verteld, Hiërax?"
+
+De man die alzoo werd aangesproken, de bevelhebber van de troepen des
+konings en zijn uitverkoren vriend, sloeg vragend een blik in 't rond
+op alle aanwezigen, doch daar Euergetes hem beval zonder schroom te
+spreken, antwoordde hij: "Zelfs de wijn is niet in staat een geest
+als de uwe zoo te ontzenuwen, dat gij dwaasheden zoudt zeggen. Maar
+gij zijt onvoorzichtig geweest, en het zou wonder zijn als Philometor
+niet gemerkt had...."
+
+"Voortreffelijk!" zeide de koning, hem in de rede vallende, en
+richtte zich op zijn kussen in de hoogte. "Gij Hiërax, en gij Komanus,
+blijft hier, de overigen kunnen gaan. Maar verwijder u niet te ver,
+opdat gij bij de hand zijt als ik u noodig heb. Er komen nu dagen,
+waarin zooveel gebeuren moet als anders in jaren."
+
+Zij die verlof hadden gekregen verwijderden zich, alleen hij die den
+koning moest aankleeden, een aanzienlijk Macedoniër, bleef talmend
+bij de deur staan. Doch Euergetes gaf dezen met een wenk te kennen,
+dat hij zich insgelijks verwijderen moest, en riep hem na: "Ik ben
+goed wakker en zal niet naar bed gaan. Drie uren na zonsopgang wacht
+ik Aristarchus--en wel om te werken. Leg de handschriften gereed die
+ik medenam.--Wacht de eunuuch Eulaeus in het voorvertrek? Ja? Des
+te beter!
+
+"Ziezoo, nu zijn wij alleen, mijne wijze vrienden Hiërax en Komanus,
+en moet ik beginnen met u openhartig te zeggen dat ge mij ditmaal
+toeschijnt alles behalve verstandig te zijn; ofschoon gij daarover
+anders denkt. Verstandig is hij, die een wijden kring van gedachten
+onbeperkt beheerscht, zoo zelfs, dat hem wat nabij is even weinig
+in den weg staat als wat nog verre ligt; onverstandig is hij, die
+maar éen ding tegelijk ziet. Het gebied van bekrompenen reikt niet
+verder dan hun neus lang is, dat van dwazen en phantasten ligt in de
+onbereikbare verte. Ik wil u niet uitschelden, want ook menig wijs
+man heeft zijne dwaze buien, doch stellig en zeker ziet gij heden
+door in de ruimte te staren het nabijliggende over het hoofd. Daarom
+zijt gij gestruikeld. Waart gij niet in deze fout vervallen, zoo
+zoudt gij niet zoo verwonderd hebben opgezien, toen zoo even mij dit
+'voortreffelijk' ontsnapte.
+
+"Geeft nu acht! Philometor en zijne zuster weten zeer goed hoe ik
+gezind ben, en wat zij van mij te verwachten hebben. Had ik het
+masker voorgedaan van een tevreden man, die niet meer verlangt dan
+hij heeft, dan zouden zij verwonderd opgezien en vermoed hebben dat
+er onraad was. Daarom vertoonde ik mij juist als altijd, en zelfs nog
+onbeschaamder dan gewoonlijk. Daarom sprak ik zoo open over hetgeen
+ik begeer, dat zij voor later op elke daad van geweld van mij zijn
+voorbereid, maar bezwaarlijk op dit oogenblik een listige overrompeling
+zullen verwachten; want wie zijn vijand van achteren wil overvallen,
+maakt geen gerucht.
+
+"Indien ik geloof sloeg aan uw deugdleer, zou ik het voor niet zeer
+schoon houden, iemand van achteren aan te vallen. Nu zie ook ik liever
+het aangezicht dan den rug der menschen, vooral van mijn broeder en
+mijne zuster, die onder de fijn gevormde lieden behooren. Maar wat
+zal men doen? Ten slotte is altijd hij er het best aan toe, die de
+overwinning behaalt en het spel wint.
+
+"Mijne manier van vechten kan ook wel door wijzen worden verdedigd. Wie
+muizen wil vangen heeft spek noodig; wie menschen in een strik wil
+lokken, moet weten hoe zij gevoelen en denken, en er allereerst op
+bedacht zijn hen op een dwaalspoor te brengen. Een stier is het minst
+gevaarlijk, wanneer hij in woede rechtuit holt, en zijn tweebeenige
+tegenpartij wanneer hij niet weet wat te doen, en op goed geluk af
+nu rechts dan links loopt.
+
+"Heb dank voor uw bijval, want ik heb dien verdiend, en hoop u dien te
+kunnen vergelden, mijn Hiërax. Ik ben verlangend naar uw bericht. Schud
+dit kussen hier onder mijn hoofd wat op, en dan kunt gij beginnen."
+
+"Alles schijnt mij toe voortreffelijk te staan," antwoordde de
+overste. "Onze keurbenden, de Hetaeren [14] en Diadochen, twee duizend
+vijfhonderd man, zijn onderweg hierheen en slaan morgen reeds ten
+noorden van Memphis hunne legerplaats op. Vijfhonderd zullen er met
+de priesters en anderen, die u komen gelukwenschen op uw geboortedag,
+binnen de muren worden gelaten, de overige tweeduizend houden zich
+schuil in hunne tenten. De aanvoerder der Philobasilisten [15] van uw
+broeder Philometor is omgekocht en staat aan onze zijde. Maar hij was
+duur, want Komanus moest hem twintig talenten bieden eer hij toehapte."
+
+"Die zal hij hebben," zeide de koning lachend, "en hij mag ze behouden,
+tot ik lust krijg hem te verdenken, en hem naar verdienste te beloonen,
+door zijne bezittingen verbeurd te verklaren. Spreek verder!"
+
+"Om den opstand in Thebe te onderdrukken, zond Philometor eergisteren
+de beste soldaten, de vaandels van Disilaus en die uit Arsinoë [16]
+naar het Zuiden. Het heeft inderdaad niet weinig gekost, de raddraaiers
+te werven en de ontevredenheid tot eene uitbarsting te doen komen."
+
+"Mijn broeder vergoedt ons deze voorschotten," zeide de koning,
+hem in de rede vallende, "wanneer wij zijn schat in onze schatkist
+overstorten. Nu verder."
+
+"Het meeste last zullen wij hebben met de priesters en Joden. De eerste
+trekken partij voor Philometor, omdat hij de oudste zoon uws vaders is,
+en vooral omdat hij veel gedaan heeft aan de tempels van Apollinopolis
+en Philae. De Joden hangen hem aan, omdat hij hen bijna meer begunstigt
+dan de Grieken; omdat hij zoowel als zijne gemalin, uwe verhevene
+zuster, zich inlaten met hunne godsdienstige kibbelarijen; omdat hij
+met hen redetwist over de leer, die in hun heilig boek is vervat,
+en zich aan tafel met niemand liever bezig houdt dan juist met hen."
+
+"Ik zal zorgen dat de wijn en het gebraad, waarmede zij zich
+hier vetmesten, hen niet meer smaken zullen," riep Euergetes,
+heftig verstoord. "Heden heb ik mij al genoeg geërgerd over hunne
+tegenwoordigheid aan tafel, want zij hebben heldere oogen en een
+verstand, zoo scherp en spits als hun neus. Zij zijn het gevaarlijkst
+als zij iets te vreezen hebben, of op winst kunnen rekenen. Daarbij
+valt het niet te loochenen, dat zij trouw zijn en vasthoudend,
+en daar de meesten hunner wat bezitten, zoo maken zij althans in
+Alexandrië zelden gemeene zaak met de schreeuwende menigte. Alleen de
+nijd kan er hun een verwijt van maken, dat zij vlijtig en ondernemend
+zijn, want hun voorbeeld en dat van hunne Phoenicische stamgenooten,
+heeft de Hellenen tot meerdere bedrijvigheid geprikkeld. In tijd van
+vrede gaat het hun het best, en daar het in het gebied van Philometor
+en Kleopatra rustiger toegaat dan bij mij, zoo hangen zij hen aan,
+leenen mijn broeder geld en bezorgen mijne zuster gesneden steenen,
+saffieren en smaragden, fraaie stoffen en andere vrouwensnuisterijen,
+tegen beschreven papyrus, dat weldra niet meer waard zal zijn dan
+de veder, die den groenen schreeuwleelijk daar op zijn stok uit zijn
+vleugel is gevallen."
+
+"Het is mij onbegrijpelijk dat zulke verstandige lieden niet kunnen
+inzien, dat er niets bestendigers is dan het onbestendige, niets
+zekerder dan dat niets zeker is, en dat zij daarom hunnen God voor
+den eenig waren, hunne leer voor absoluut en volmaakt houden, en
+verachten wat andere volken gelooven. Deze inbeelding maakt hen tot
+gekken, maar misschien juist om hun opgeschroefd zelfbewustzijn en
+hun vast vertrouwen op hunnen god in de lucht, ook tot goede soldaten."
+
+"Ja, dat zijn ze," zeide Hiërax bevestigend, "maar zij laten zich
+liever en voor minder geld voor uw broeder aanwerven, dan voor ons."
+
+"Ik zal hun toonen," sprak de koning, "dat ik in dit opzicht hun
+smaak verkeerd en strafwaardig vind. De priesters heb ik noodig, want
+zij leeren het volk gehoorzaam te zijn en zijne ellende geduldig te
+gedragen. Maar de Joden," en bij deze woorden rolden zijne vurige oogen
+wild door zijn hoofd, "roei ik uit, als de tijd daartoe gekomen is."
+
+"Dat zal ook voor onze schatkamer goed zijn," zeide Komanus lachende.
+
+"En voor de tempels van het land," vulde Euergetes aan, "want andere
+vijanden tracht ik te verdelgen, maar de priesters poog ik voor mij
+te winnen, en dat moet ik doen, wanneer het rijk van Philometor mij
+ten deel valt, want de Egyptenaren verlangen een god tot koning. En
+tot de waardigheid van een god, voor wien mijne bruine onderdanen
+met genoegen en zonder mij het leven door opstanden te verbitteren,
+gaarne de knieën willen buigen, kan ik het alleen dan brengen,
+wanneer de priesters mij erkennen en daartoe verheffen."
+
+"En toch," bracht Hiërax hiertegen in, de eenige dienaar van Euergetes,
+die zich niet ontzag hem in gewichtige aangelegenheden tegen te
+spreken, "en toch zal heden de opperpriester van Serapis om uwentwil
+op eene zware proef worden gesteld. Gij dringt aan op de uitlevering
+van een meisje, dat in dienst van den god is en Philometor zal niet
+verzuimen...."
+
+"Zal niet verzuimen," zeide Euergetes, den volzin voltooiende, "den
+machtigen Asklepiodorus mede te deelen, dat hij het lieve meisje
+niet voor zich maar voor mij verlangt. Wist gij dat Eros mijn hart
+heeft getroffen, en ik voor deze aanminnige Irene gloei van liefde,
+ofschoon het dezen oogen nog niet vergund werd haar te zien!
+
+"Gij gelooft mij op mijn woord, dat kan ik u aanzien, en ik spreek
+de zuivere waarheid. Want deze kleine Hebe wil ik bezitten, zoo waar
+ik den troon mijns broeders hoop te verwerven. Maar ik plant mijne
+boomen niet enkel om mijn tuin te versieren, maar ook om er voordeel
+van te trekken. Gij zult het zien, hoe ik tegelijk met dit schoonste
+liefje den opperpriester van Serapis weet te winnen, die wel is waar
+een Griek, maar ook een man is niet gemakkelijk te buigen.
+
+"Mijn werktuig wacht reeds buiten! Verlaat mij thans en beveelt den
+eunuuch Eulaeus bij mij te brengen."
+
+"Gij zijt als de godheid," zeide Komanus diep buigende, "en wij zijn
+maar sterfelijke menschen. Voor ons zwakker verstand schijnen vaak
+uwe handelingen duister en onbevattelijk, doch wanneer dat, wat ons
+toeschijnt op niets goeds te kunnen uitloopen, het doel treft, moeten
+wij verbaasd erkennen, dat gij wel langs vele slingerpaden zijt gegaan,
+maar toch den besten weg gekozen hebt."
+
+De koning bleef een wijl alleen, fronste de wenkbrauwen, en zag
+nadenkend voor zich. Zoodra hij echter de zachte voetstappen van
+den eunuuch en de zwaardere van den man die hem binnenleidde hoorde
+naderen, nam hij weder het gelaat aan van iemand, die alleen voor zijn
+genoegen leeft, riep Eulaeus een vroolijk welkom toe en herinnerde hem
+aan zijn eigene kindsheid, en hoe dikwijls de eunuuch hem geholpen
+had om zijne moeder te overreden de reeds geweigerde wenschen van
+den knaap te vervullen.
+
+"Maar, oude vriend," ging de koning voort, "de tijden zijn veranderd,
+en heden zegt gij: Alles voor Philometor en niets meer voor den
+armen Euergetes, hoewel deze, als de jongste, juist uw hulp het meest
+noodig heeft!"
+
+De eunuuch boog glimlachende, waarmede hij wilde te kennen geven,
+dat hij zeer goed begreep, hoe weinig die laatste woorden des konings
+ernstig gemeend waren, en zeide: "Ik was altijd van plan, en geloof
+ook thans nog den zwakste van u beiden te dienen."
+
+"Gij bedoelt mijne zuster?"
+
+"De vorstin Kleopatra behoort tot een geslacht, dat wij vaak ten
+onrechte het zwakke noemen. Ofschoon gij zeker geliefdet te schertsen,
+toen gij de laatste vraag hebt gesteld, acht ik mij toch verplicht
+u bepaald te antwoorden, dat ik niet haar maar koning Philometor
+bedoelde."
+
+"Philometor? Gij gelooft dus niet aan zijne sterkte, houdt mij
+voor krachtiger dan hem en hebt mij nog heden aan het gastmaal
+uw dienst aangeboden, en mij verteld, dat aan u was opgedragen
+de uitlevering van de kleine dienares van Serapis in naam des
+konings van den opperpriester Asklepiodorus te vragen?--Is dat
+den zwakkere dienen? Waart gij misschien dronken, toen ge mij dat
+mededeeldet?--Neen? Dan zijt gij matiger geweest dan ik.--Zijt gij
+ook van zienswijze veranderd? Maar dat zou mij verwonderen, want uwe
+beginselen gebieden u toch den zwakkeren zoon mijner moeder...."
+
+"Gij drijft den spot met mij," zeide de hoveling, den koning met een
+zacht verwijt, doch niet zonder eenige bitterheid in zijne stem, in
+de rede vallende.--"Wanneer ik mij ter uwer beschikking heb gesteld,
+is dit niet uit wankelmoedigheid geschied, maar juist omdat ik begeer
+trouw te blijven aan het eenig doel mijns levens."
+
+"En dat is?"
+
+"Te zorgen voor het heil van dit land, in den geest van uwe verhevene
+moeder, wier raadsman ik was."
+
+"Gij vergeet het andere, namelijk voor uzelven zoo goed mogelijk
+te zorgen."
+
+"Dit vergat ik niet, maar sprak het niet uit, want ik weet dat de
+tijd van een koning precies is afgemeten, en bovendien komt het mij
+voor evenzeer vanzelf te spreken, dat iemand om zijn eigen persoon
+denkt, als dat iemand, wanneer hij een paard koopt, ook de schaduw
+er bij krijgt."
+
+"Hoe fijn! Maar ik berisp u hierover evenmin als het meisje, dat
+zich voor den spiegel plaatst, om zich voor den geliefde te tooien,
+en tegelijk zich vermeit in hare eigene schoonheid.--Doch laten wij
+nu terugkomen op hetgeen gij het eerst gezegd hebt. Als ik u goed
+verstaan heb, meent gij ter wille van Egypte mij die diensten te
+moeten aanbieden, die gij tot dusverre aan mijn broeder hebt bewezen?"
+
+"Juist! In dezen moeielijken tijd heeft het land den wil en de hand
+noodig van een krachtig aanvoerder."
+
+"En daarvoor houdt ge mij dus!"
+
+"Voor een reus in kracht van wil, van lichaam en van geest, wiens
+begeerte, om de beide deelen van Egypte weder te vereenigen en alleen
+te bezitten, niet onvervuld kan blijven, wanneer hij met overleg zijn
+slag slaat, en wanneer...."
+
+"Wanneer?" zeide de koning den eunuuch na, en zag hem scherp in de
+oogen, zoodat hij de zijne nedersloeg en zacht antwoordde: "Wanneer
+Rome zich hiertegen niet verzet."
+
+Euergetes haalde de schouders op en vervolgde op ernstigen toon. "Het
+is hiermede als met het noodlot, dat bij alles wat wij doen den
+doorslag geeft. Waarlijk ik liet het niet ontbreken aan buitengewone
+offers, om deze macht, die zich niet laat keeren, tevreden te stellen,
+en mijn agent, door wiens handen grootere sommen gaan dan door die
+van den betaalmeester mijner troepen, schrijft mij, dat men mij in
+den senaat niet ongunstig gezind is."
+
+"Hetzelfde weten wij ook van onzen agent. Gij hebt aan den Tiber meer
+vrienden dan Philometor, o koning, maar onze laatste brief is reeds
+eenige weken oud, en in de laatste dagen zijn er dingen gebeurd..."
+
+"Spreek op!" zeide Euergetes, terwijl hij zich in zijne kussens recht
+overeind zette. "Maar als ge mij een strik spant en spreekt als het
+werktuig van mijn broeder, dan laat ik u, al wildet gij ook naar de
+afgelegenste holen der Troglodyten [17] ontvluchten, ja dan laat ik
+u, zoo waarachtig als ik een echte zoon van mijn vader hoop te zijn,
+dan laat ik u opvangen en levend in stukken scheuren."
+
+"Zulk een straf zou ik verdiend hebben," antwoordde Eulaeus deemoedig
+en ging voort: "Als ik goed heb gezien, staan ons reeds in de eerste
+dagen groote dingen te wachten."
+
+"Ja!" zeide Euergetes zonder aarzelen.
+
+"Doch juist nu zullen Philometor's belangen in Rome beter bepleit
+worden dan ooit te voren. Gij hebt den jongen Publius Scipio aan
+'s konings tafel leeren kennen, en u weinig ijverig getoond om zijne
+gunst te winnen."
+
+"Hij behoort tot de familie der Corneliërs" zeide de koning hem in
+de rede vallende, "een voornaam persoon voorzeker, die verwant is
+aan allen die aan den Tiber zich inbeelden groot te zijn; doch hij
+is geen gezant; hij reist maar van Athene naar Alexandrië om wat
+kennis op te doen, hetgeen hij meer dan noodig heeft; hij verheft
+zijn hoofd fierder en beweegt zijne lippen vrijer dan hem tegenover
+koningen past, omdat die jongelieden denken dat het hun goed staat
+zich als ouderen aan te stellen."
+
+"Hij heeft meer te beteekenen dan gij denkt."
+
+"Dan noodig ik hem bij mij te Alexandrië en zal hem binnen drie dagen
+voor mij weten te winnen, zoo waar ik Euergetes heet."
+
+"Dan zal het te laat zijn, want hij heeft heden, dat weet ik zeker,
+volmacht van den senaat gekregen, om in geval van nood te spreken in
+naam van den gezant, dien men weder tot ons wil zenden."
+
+"En dat hoor ik nu eerst!" riep de koning, en sprong van zijn rustbed
+op. "Mijne vrienden, als ik er nog heb die dezen naam verdienen, mijne
+dienaars en boden, allen zijn ze doof, blind en lam!--Ik heb een afkeer
+van dien trotschen onvriendelijken knaap, maar ik noodig hem morgen,
+neen heden nog op een vroolijk gastmaal, en zend hem het schoonste
+vierspan van de paarden die ik uit Cyrene medebracht. Ik zal...."
+
+"Alles zal vruchteloos zijn," zeide Eulaeus ernstig en bedaard,
+"want hij bezit in den volsten en uitgebreidsten zin van het woord,
+de gunst, ja, ik veroorloof mij het ronduit te zeggen, de warme
+toegenegenheid van koningin Kleopatra, en hij geniet deze kostelijkste
+aller gaven met een dankbaar hart. Philometor laat, gelijk in alles,
+ook hierin de dingen maar gaan zoo ze willen. Kleopatra en Publius,
+Publius en Kleopatra verblijden zich openlijk in hunne wederzijdsche
+liefde, zien elkander in de oogen, als een herderspaar in Arkadië,
+verwisselen hunne bekers en kussen met hunne lippen den rand, waar
+de ander den mond aan gezet heeft. Beloof en geef dien man wat gij
+ook wilt, hij zal uwe zuster trouw blijven, en als het u gelukt hen
+van den troon te stooten, dan zal hij om uw persoon, evenals Popilius
+Laenas om uw oom Antiochus, een kring trekken en zeggen: wanneer gij
+het waagt hier buiten te treden, dan hebt gij Rome tot vijand!"
+
+Euergetes hoorde deze woorden zwijgend aan, rukte toen de doeken
+waarmede men zijn lichaam had omwonden, los, en liep in stormachtige
+gejaagdheid in zijn vertrek op en neder, van tijd tot tijd steunende
+en brullende als een wilde stier, die zich beknelt voelt door
+touwen en banden, en te vergeefs al zijne krachten inspant om ze te
+verscheuren. Eindelijk bleef hij voor Eulaeus staan en vroeg: "Wat
+weet gij nog meer van den Romein?"
+
+"De man, die u niet veroorloofde u met Alcibiades te vergelijken,
+tracht zelf den lieveling der meisjes te Athene na te doen, want het
+is hem niet genoeg een koning het hart zijner gemalin te ontstelen,
+hij strekt bovendien zijne hand uit naar de schoonste dienstmaagd van
+den hoogsten god. De kruikdraagster, welke de vriend van den Romein,
+Lysias, als Hebe heeft aanbevolen, is het liefje van Cornelius. Zeker
+verwacht hij hier hare gunsten gemakkelijker te kunnen genieten in
+uw vroolijk paleis dan in den somberen tempel van Serapis."
+
+Toen hij dit hoorde sloeg de koning zich voor het hoofd en riep:
+"Koning te zijn, en een man die het opneemt tegen tien, en dan zich
+dit kalm en wel te moeten laten welgevallen als een boer, wiens
+zaadveld mijne ruiters vertreden!--Alles kan hij verijdelen, alles,
+mijne plannen zoowel als mijne wenschen, en mij blijft niets over
+dan de vuisten te ballen en van woede te stikken!
+
+"Maar dit steunen en op de tanden knarsen is even nutteloos als
+mijn razen en vloeken bij de legerstede mijner stervende moeder,
+die toch dood bleef en niet weder opstond.--Ware die Cornelius een
+Griek, een Syriër, een Egyptenaar, ja ware hij mijn eigen broeder,
+ik zeg u, Eulaeus, hij zou mij niet lang in den weg staan. Maar hij
+heeft volmacht van Rome, en Rome is het noodlot, Rome is het noodlot!"
+
+Diep ademhalende en als verlamd viel de koning op het rustbed neder,
+terwijl hij zijn aangezicht in de zachte kussens drukte. Doch Eulaeus
+trad onhoorbaar zacht naar den jongen man toe en fluisterde hem met
+plechtige bedaardheid in het oor: "Rome is het noodlot, maar ook Rome
+vermag niets tegen het noodlot. Cornelius moet sterven, omdat hij de
+dochter uwer moeder verleidt, en u, den redder van Egypte, in den weg
+staat. Een moord aan hem gepleegd zou de senaat schrikkelijk wreken,
+maar wat kan deze doen, wanneer wilde dieren zijn gevolmachtigden op
+het lijf vallen en in stukken scheuren?"
+
+"Kostelijk, overheerlijk!" riep Euergetes uit, terwijl hij weder
+overeind sprong, en de groote oogen zoo verrast en stralende van
+blijdschap opsloeg, als had zich de hemel voor hem geopend, en als
+zag hij de verhevene goden maaltijd houden aan gouden tafels.
+
+"Gij zijt een groot man, Eulaeus," zoo ging hij voort, "en ik zal
+u weten te beloonen. Maar kent gij de wilde dieren die wij noodig
+hebben, en zal het mogelijk zijn te zorgen, dat niemand het wagen
+durft, ook maar den schijn van een vermoeden te koesteren, dat de
+wonden, die hunne tanden en klauwen zullen openrijten, door dolken,
+haken of lansspitsen veroorzaakt zijn?"
+
+"Heb hiervoor geen zorg," antwoordde Eulaeus; "deze roofdieren hebben
+het hier in Memphis meer gedaan, en staan in 's konings dienst...."
+
+"Zie nu mijn zachtmoedigen broeder eens aan!" zeide Euergetes
+lachend. "Hij beroemt zich behalve in den slag nooit iemand gedood
+te hebben, en nu...."
+
+"Philometor heeft ook eene gemalin," zeide de eunuuch, den koning in
+de rede vallende.
+
+"Ja, die vrouwen," hernam Euergetes, "wat kan men van haar al niet
+leeren!" Daarop vroeg hij op zachten toon: "Wanneer kunnen uwe beesten
+aan het werk gaan?"
+
+"De zon is sedert lang opgegaan. Eer zij weder ondergaat moet ik
+mijne maatregelen nemen, maar tegen middernacht kan, naar ik gis, de
+daad volbracht zijn. Wij maken eene afspraak met den Romein omtrent
+eene samenkomst, lokken hem naar den tempel van Serapis en op zijn
+terugtocht door de woestijn..."
+
+"Ja dan!" riep de koning, terwijl hij met zijne hand op zijne borst
+stootte, als had hij een dolk daarin. Vervolgens voegde hij er bij
+op vermanenden toon: "Maar uwe lieden moeten sterk zijn als leeuwen
+en voorzichtig als katten. Als gij geld noodig hebt, wendt u dan tot
+Komanus; of nog beter, neem dezen buidel.--Is het genoeg? Dan moet
+ik u nog vragen: Hebt gijzelf reden om den Romein te haten?"
+
+"Ja," antwoordde Eulaeus zonder aarzelen. "Hij vermoedt, dat ik
+alles weet, wat hij in het schild voert, en vervolgt mij met valsche
+aanklachten, die mij heden in ernstig gevaar kunnen brengen. Als gij
+hoort, dat hij de koningin heeft overgehaald mij gevangen te nemen,
+zorg dan terstond voor mijne bevrijding."
+
+"Niemand zal u een haar krenken, verlaat u daarop. Ik zie dat gij
+reden hebt, gelijk spel met mij te spelen, en dat verheugt mij,
+want men werkt alleen met al zijne kracht voor zichzelven. En nu
+mijne laatste vraag: Wanneer haalt gij de kleine Hebe?"
+
+"Over een uur ga ik naar Asklepiodorus; maar wij kunnen het meisje
+eerst morgen gebruiken, want eerst moet zij als lokaas voor Cornelius
+in den tempel blijven."
+
+"Ik wil geduld oefenen, maar dan heb ik u nog iets op te dragen. Stel
+den opperpriester de zaak zoo voor, alsof mijn broeder met de
+kruikdraagster voor mij op te eischen,--op te eischen, zeg ik--een
+mijner luimen wenscht te bevredigen. Beleedig den man, voor zooveel
+gij doen kunt zonder achterdocht te wekken. Als ik den man goed ken,
+blijft hij op zijn recht staan en zal hij standvastig weigeren. Dan
+komt na u mijn Komanus met groeten, geschenken en beloften.
+
+"Morgen, wanneer volbracht is wat met den Romein geschieden moet,
+haalt gij het meisje in naam mijns broeders met list of geweld, en
+overmorgen, wanneer de goden mij genadig helpen, en beide deelen van
+Egypte in mijne hand vereenigen, dan openbaar ik aan Asklepiodorus,
+dat ik Philometor heb gestraft voor zijn vergrijp tegen den tempel,
+en van de regeering ontzet heb. Serapis zal zien wie zijn vriend is!
+
+"Als alles naar wensch gaat, dan benoem ik u, dat beloof ik bij de
+zielen mijner afgestorven voorvaderen, tot Epitroop [18] van de opnieuw
+vereenigde rijken. Ik ben heden voor u op ieder uur te spreken."
+
+De eunuuch verwijderde zich met zoo vluggen tred, alsof hij door dit
+gesprek met den koning zijne jeugd had teruggekregen.
+
+Toen Hiërax, Komanus en andere beambten het vertrek weder binnentraden,
+beval Euergetes hun zijn vriend Publius Cornelius Scipio in den
+loop van den voormiddag zijne vier edelste Cyrenische rossen aan te
+bieden, als een teeken zijner hoogachting en toegenegenheid. Daarop
+liet hij zich kleeden, zocht Aristarchus op en zette zich met hem
+aan den arbeid.
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De tempel van Serapis lag in diepe rust, geheel gehuld in het duister,
+dat zijne veelvuldige deelen voor het oog onzichtbaar maakte, en
+hem het aanzien gaf van eene op zichzelf staande rotsmassa, door een
+blauwzwarten nevel omgeven. Ook buiten den tempel was alles in rust,
+doch nu liet zich in de stilte van den nacht, die elk gedruisch scheen
+te verdubbelen, de hoefslag der paarden en het geratel van wielen
+vernemen. Vóordat de wagen, die dit geraas veroorzaakte, bij den
+tempel was aangekomen, hield zij stil, en wel achter het acaciënbosch
+van den god, want van daar hoorde men het gehinnik van een paard.
+
+De hengst, die dit geluid deed hooren, was een van de paarden des
+konings. De Korinthiër Lysias bond het dier juist aan een boom, dicht
+bij den weg, aan den zoom van het boschje; hij wierp zijn mantel over
+den rug van het dampende ros, baande zich tastend van acacia tot
+acacia een pad, en vond weldra de zonnebron, op welker borstwering
+hij ging zitten. Een scherpe koude luchtstroom verhief zich uit het
+oosten, als voorbode van het opgaan der zon, en eene flauwe schemering
+begon de kronen der hooge boomen, die in de duisternis als het ware
+éen groot zwart dak vormden, langzamerhand te doen uitkomen. Uit den
+tuin van den Asklepius-tempel liet zich hanengekraai hooren, en toen
+de Korinthiër vroolijk opstond, om door snel op en neder te loopen
+zijn bloed te verwarmen, hoorde hij in de richting van den ringmuur
+des tempels, welks omtrekken steeds scherper begrensd uit het duister
+te voorschijn kwamen, een deur kraken.
+
+Met gespannen opmerkzaamheid keek hij nu den weg af, waar het
+opkomend licht meer en meer de schaduwen deed verdwijnen, en sneller
+begon zijn hart te kloppen, toen hij eene gedaante waarnam, die met
+haastige schreden naar de bron ging. Hetgeen hij zag naderen was
+inderdaad een menschelijk wezen, dat door geen ander werd begeleid;
+het was geen man, maar eene vrouw in een lang gewaad. Maar het kwam
+hem voor dat zij die hij zocht, kleiner was dan de vrouwengestalte
+die steeds naderbij kwam. Kwam de oudere en niet de jongere zuster,
+om wie het hem toch alleen te doen was, heden naar de bron?
+
+Thans kon hij reeds haar lichten tred onderscheiden; nu was zij nog
+maar door een jonge acaciënstruik, die haar aan zijn blik onttrok,
+van hem gescheiden. Zie, daar plaatst zij twee kruiken op den grond;
+zij trekt zonder moeite een emmer in de hoogte en vult de kruik,
+die zij in de linkerhand droeg. Thans keert zij haar aangezicht
+naar den horizont, die meer en meer door schitterend licht wordt
+verhelderd. Lysias meent Irene herkend te hebben, ja nu, dank zij
+alle beschermgoden, nu weet hij het zeker. Vóor hem staat de jongste,
+niet de oudste zuster, staat het meisje dat hij zoekt.
+
+Door de wilde acaciënstruik nog altijd half verborgen, en met
+zachte stem, om Irene niet te doen schrikken, roept hij haar bij den
+naam. Toch was het der jonkvrouw, die hier nog nooit op dit uur door
+een mensch was verrast, alsof haar van schrik het bloed in de aderen
+stolde. Zij stond als aan den grond genageld, en drukte bevreesd de
+koude, vochtige gouden kruik van den god tegen hare borst.
+
+Lysias riep haar nu luider bij den naam, en voegde er, altijd nog
+met eene gedempte stem, bij: "Schrik niet, Irene, ik ben Lysias de
+Korinthiër, uw vriend, wiens granaat gij gisteren hebt gedragen, en
+die u na den optocht aansprak. Sta mij toe u goeden morgen te zeggen!"
+
+Het meisje nam, toen zij deze woorden hoorde, haar kruik in de
+linkerhand, liet die met zijn inhoud nederdalen, legde de rechterhand
+op haar borst en zeide na eene diepe ademhaling: "Wat hebt gij
+mij vreeselijk doen ontstellen! Ik dacht dat een dwalende geest,
+die nog niet naar de onderwereld is teruggekeerd, mij had geroepen,
+want eerst de opgaande zon verjaagt de geesten."
+
+"Maar niet menschen van vleesch en been, die geen kwaad in hun schild
+voeren. Ik zou, dit moogt ge gerust gelooven, gaarne bij u blijven
+tot Helios weder ondergaat, wanneer gij mij dit vergunt."
+
+"Ik heb u niets te vergunnen en niets te verbieden," antwoordde Irene;
+"maar hoe komt gij op dit uur hier?"
+
+"Op mijn wagen," antwoordde Lysias lachend.
+
+"Gekheid! Ik wil weten wat gij hier op dit uur aan de zonnebron zoekt?"
+
+"Wat anders dan u? Gij hebt mij gisteren gezegd, dat gij gaarne slaapt,
+en dat doe ik ook. Maar om u weder te zien, heb ik zeer gaarne mijne
+nachtrust bekort."
+
+"Maar hoe kondt gij weten....?"
+
+"Gij zeidet mij gisteren zelve op welken tijd gij den tempel moogt
+verlaten."
+
+"Heb ik u dat gezegd?--Groote Serapis, wat wordt het reeds licht! Ik
+word bestraft, als de kruik niet vóor zonsopgang op het altaar
+staat. En daar is ook nog die voor mijne Klea."
+
+"Ik zal die terstond voor u vullen.--Ziezoo, dat is gedaan! Nu draag
+ik beide voor u naar het einde van het boschje, wanneer ge mij belooft
+weldra weder te komen, want ik heb u allerlei dingen te vragen."
+
+"Vooruit, nu vooruit," zeide het meisje dringend. "Ik weet heel
+weinig; vraag maar altijd door, want het komt er toch niet op aan,
+welk antwoord ik geef."
+
+"Ja, toch! Wanneer ik u bijvoorbeeld verzocht mij wat van uwe ouders
+te vertellen? Mijn vriend Publius, dien gij immers kent, en ik hebben
+gehoord, hoe hard en onrechtvaardig zij gestraft zijn geworden,
+en zouden gaarne alles in het werk stellen om hen te bevrijden."
+
+"Ik kom, ik kom zeker," riep Irene nu, luid en opgewekt. "Wil ik ook
+Klea medebrengen? Zij werd heden midden in den nacht bij den portier
+geroepen, wiens kind zwaar ziek is geworden. Mijne zuster houdt
+zeer veel van de kleine, en Philo wil alleen van haar artsenijen
+innemen. Het knaapje was in haar schoot ingesluimerd, en toen kwam
+zijne moeder en verzocht mij voor ons beiden het water te dragen. Geef
+nu de kruiken aan mij, want op dit uur mag niemand buiten ons den
+tempel betreden."
+
+"Daar hebt gij ze! Stoor nu om mijnentwil uwe zuster niet in de
+verpleging van haar kleinen kranke, want ik zou u ook nog een en
+ander willen zeggen, wat zij niet behoeft te hooren, en u misschien
+verblijden zal. Ik ga nu naar de bron terug. Vaarwel, en laat mij
+niet te lang wachten!"
+
+Lysias sprak deze woorden op teederen overredenden toon, en de
+jonkvrouw antwoordde hem zacht en snel, terwijl zij zich rasch
+verwijderde: "Ik kom, als de zon boven de kim is."
+
+De Korinthiër keek haar na, tot zij in den tempel verdwenen was,
+en het hart werd hem week, zoo week als sedert jaren niet gebeurd
+was. Onwillekeurig dacht hij aan den tijd, dat hij zijne zuster, toen
+zij nog een klein kind was, gaarne op de proef stelde, en haar met een
+ernstig gezicht vroeg hem hare koek of haren appel te geven, dien hij
+toch niet hebben wilde. Bijna altijd had de kleine wat hij verlangde
+met de lieve handjes aan zijn mond gebracht, en daarbij was hij dan
+vaak te moede geweest als thans. Irene was toch ook nog een kind, en
+niet minder zorgeloos dan zijne lieveling in het ouderlijk huis, en
+even als zijn zusje hem het beste wat zij had aanbood, zoo vertrouwde
+zij hare maagdelijke onschuld, ja, dacht hij, het heiligste wat zij
+bezat toe aan den lichtvaardigen Lysias, voor wien eerbare vrouwen in
+Korinthe de oogen nedersloegen en hunne aankomende zonen waarschuwden.
+
+"Ik doe u niets, lief kind," prevelde hij in zichzelven, toen hij
+zich eindelijk omkeerde, om weder naar de zonnebron te gaan.
+
+Hij begon haastig te loopen, maar na weinige schreden stond hij
+stil, want een verrassend en wonderbaar schouwspel vertoonde zich
+voor zijne oogen. Werd Memphis een prooi der vlammen? Verteerde het
+vuur den nevelsluier, die zijn weg naar den tempel had omhuld?--Daar
+stonden de stammen der acaciën als donkere zuilen te midden van
+den brand, waarachter de alles verterende gloed hoog opsloeg ten
+hemel. Tusschen de takken, de doornige stammen, de witte bloemtrossen
+en de paarsgewijze geordende bladeren glansde en flikkerde goud en
+purperkleurig licht, en de wolken aan den hemel waren lichter gekleurd
+dan de rozen, waarmede Kleopatra zich aan het gastmaal had getooid.
+
+Zoo ging de zon in zijn vaderland niet op! Of had hij misschien
+opmerkzamer naar de aarde dan naar den hemel gekeken, wanneer hij te
+Korinthe of te Athene bij het krieken van den morgen beschonken van
+gastmalen naar huis waggelde?
+
+Op dit oogenblik hinnikten zijne hengsten, als wilden zij het
+vierspan van den naderenden zonnegod begroeten. Hij vloog door het
+bosch naar hen toe, klopte hen op de glanzige halzen, terwijl hij
+hen met woorden tot rust bracht, en overzag toen de reuzenstad aan
+zijne voeten, waarover zich een vioolkleurige nevel had uitgebreid,
+de ernstige pyramiden, dien de morgenstond een vroolijk rozenkleurig
+feestkleed had omgeworpen, den ontzaglijken tempel van Ptah, met de
+hooge kolossen vóor zijne pylonen, den Nijl, waarin zich de heerlijke
+tinten des hemels afspiegelden, en het kalkgebergte achter de vlekken
+Babylon en Troja, waarvan een Jood aan den koninklijken disch gisteren
+gezegd had, dat onder zijne landslieden de sage liep, dat dit gebergte
+al zijn boomtooi had prijsgegeven, om de heuvelen der heilige stad
+Jeruzalem daarmede te tooien.
+
+Gelijk de groote robijn, die aan het gastmaal het doorzichtig gewaad
+van koning Euergetes aan zijn breeden hals samenhield, bij het licht
+der kaarsen flikkerde zoo weerkaatsten thans de rotsachtige wanden
+van dit naakt gebergte het morgenlicht, en Lysias aanschouwde, hoe de
+dagvorstin achter hem zich verhief met verblindenden glans en hare
+stralen als millioenen gouden pijlen uitzond, om haar vijandin, de
+machtige duisternis op de vlucht te drijven en te vernietigen. Voor
+hem die, als hij niet zwelgde en zijn genot zocht in de baden, bij
+het ringspel in het worstelperk, bij hanen- en kwartelgevechten, in
+het theater en bij Dionysos-optochten, zijne geest gaarne oefende
+in de scholen der philosophen, ten einde ook aan de gastmalen in
+het gesprek te kunnen schitteren,--voor hem waren Eos [19], Helios
+[20] en Phoebus Apollo sedert lang niets anders dan namen, waarmede
+men zekere verschijnselen en begrippen gevoeglijk kon aanduiden. Doch
+heden, terwijl hij getuige was van dezen zonsopgang, geloofde hij weder
+als in zijne kindsche dagen aan den god, en zag hij hem weder in den
+geest op zijn gouden wagen, omstuwd door zijn schitterend gevolg,
+dat door de lucht zweefde, fakkels dragende en bloemen strooiende,
+de schuimbekkende rossen van zijn vierspan beteugelen; heden hief
+hij geloovig de armen omhoog en bad luide: "Ik gevoel mij heden
+zoo opgewekt en luchthartig. Zeker heb ik dit te danken aan uwe
+tegenwoordigheid, Phoebus Apollo, die zelf het licht zijt. O laat
+het zoo blijven...."
+
+Hier hield hij plotseling op en liet zijne armen zinken, want hij
+hoorde voetstappen naderen. Glimlachend over zijne kinderachtige
+zwakheid, want zoo beschouwde hij zijn gebed, en toch blijmoedig
+gestemd na deze vrome daad, keerde hij de zon, die nu geheel was
+opgegaan, den rug toe en stond tegen over Irene.
+
+"Ik meende reeds," riep zij hem toe, "dat gij ongeduldig waart
+geworden en heengegaan, toen ik u niet meer aan de bron vond. Dat zou
+mij gespeten hebben. Doch gij hebt zeker naar het opgaan van Helios
+gekeken. Dat zie ik alle dagen, en toch maak ik mij altijd angstig,
+wanneer de lucht zoo rood ziet als heden morgen, want onze Egyptische
+voedster heeft mij verteld, wanneer het 's morgens in het oosten erg
+rood ziet, dan heeft de zonnegod zijne vijanden verslagen, en kleurt
+hun bloed den hemel, den berg en de wolken."
+
+"Maar gij zijt immers eene Griekin," zeide Lysias, en moest dus weten
+dat Eos deze tinten verwekt, wanneer zij met hare rooskleurige vingers
+den horizon aanraakt, eer Helios verschijnt. Heden zijt gij voor mij
+het morgenrood geweest, dat een schoonen dag voorstelt."
+
+"Een morgenrood als dat van heden," hernam Irene, "geeft groote
+hitte, storm en misschien onweder, zegt de portier, die veel omgaat
+met de horoscopen, die op de torens naast de tempelpoort de sterren
+en de hemelteekens waarnemen. Hij is de vader van den armen kleinen
+Philo.--Ik had Klea nog mede willen brengen, want zij weet van onze
+ouders meer dan ik, maar zij verzocht mij haar met rust te laten,
+want het halsje van het kind is als toegegroeid, en als het veel
+schreeuwt, heeft de arts gezegd moet het stikken. De kleine is alleen
+rustig wanneer Klea hem op den arm houdt. Zij is ook zoo goed en denkt
+nooit aan zichzelve. Van middernacht is zij al bezig den zwaren jongen
+op haar schoot te wiegen."
+
+"Later zullen wij ook met haar spreken," zeide de Korinthiër, "maar
+heden ben ik om uwentwil gekomen. Gij hebt zulke levendige oogen en
+uw mondje ziet er uit, alsof het gevormd was om te lachen en niet
+om klaagliederen te zingen. Hoe houdt gij het uit in dien gesloten
+kerker bij al die deftige in wit en zwart gekleede mannen?"
+
+"Daar zijn ook goede en vriendelijke onder hen. Het meest houd ik van
+den ouden Krates. Hij zet tegen ieder een boos gezicht, maar met mij
+maakt hij een praatje en gekheid en laat mij dikwijls zulke nette en
+kunstig bewerkte dingen zien."
+
+"Ik zeide u immers, dat gij gelijkt op het morgenrood, waartegen geen
+duisternis bestand is."
+
+"Als gij maar eens wist hoe onbezonnen ik zijn kan, hoe dikwijls ik
+Klea, die toch nooit onaardig is, verdriet aandoe, dan zoudt ge u
+wel wachten mij met eene godin te vergelijken. Ook de kleine Krates
+vergelijkt mij dikwijls met de lieflijkste dingen, maar dat klinkt
+altijd zoo komiek, dat ik er om lachen moet. Liever luister ik naar
+u als gij mij vleit."
+
+"Daarvoor ben ik jong en jeugd past bij jeugd. Uwe zuster is ouder
+en veel ernstiger dan gij. Hebt gij nooit een meisje van uw leeftijd
+gehad, waarmede gij kondt spelen, en voor wie gij geene geheimen hadt?"
+
+"Ja, toen ik nog zeer klein was; maar sedert onze ouders in het ongeluk
+zijn geraakt en wij hier in dezen tempel zijn, ben ik altijd alleen
+met Klea.--Wat wildet gij van mijn vader weten?"
+
+"Dat zal ik u later vragen. Zeg mij nu eens: Hebt gij nooit met andere
+meisjes krijgertje of verstoppertje gespeeld? Mocht gij nooit bij
+de Dionysos-feesten uitgaan om te zien hoe vroolijk het op de straat
+toeging? Hebt gij wel ooit op een wagen gereden?"
+
+"Vroeger misschien, maar dat ben ik vergeten. Hoe zou ik er toe komen,
+hier in den tempel? Klea zegt, dat het ook niet goed is aan zulke
+dingen te denken. Zij vertelt mij veel van onze ouders, hoe moeder
+voor ons zorgde en wat vader gezegd heeft. Is er iets voorgevallen
+dat hem gunstig kan zijn? Zou den koning de waarheid ter oore zijn
+gekomen? Vraag toch spoedig wat gij te vragen hebt, want ik ben reeds
+te lang hier buiten gebleven."
+
+Terwijl zij dit zeide, hinnikten de ongeduldige hengsten op
+nieuw. Lysias, die in dit praatje met Irene een buitengewoon behagen
+schepte, maar daarbij het doel van zijn tocht geen oogenblik vergat,
+wees nu snel naar de plek waar de paarden stonden en zeide: "Hoordet
+gij dat gehinnik? Die moedige beesten hebben mij hierheen gebracht,
+en ik versta de kunst ze te mennen. Ja, ik heb met mijn eigen vierspan
+bij de laatste Isthmische spelen den krans gewonnen. Gij zegt dat
+gij nog nooit op een wagen hebt gestaan. Wat zoudt gij er van denken,
+om er eens de proef van te nemen? Gaarne wil ik u achter het boschje
+een weinig op en neder rijden."
+
+Irene luisterde naar deze woorden, terwijl hare oogen van vreugde
+blonken. In de handen klappende riep zij uit: "Zal ik als de
+koningin op een wagen rijden met prachtige paarden? Neen, dat is niet
+mogelijk!--Waar staan uwe paarden?"
+
+Zij had in dit oogenblik Klea vergeten, en het zieke kind, haar plicht
+van naar den tempel terug te keeren, ja zelfs hare ouders, en met
+vlugge schreden volgde zij den Korinthiër, sprong op den tweewieligen
+wagen, en hield zich aan de borstwering vast, toen Lysias zich naast
+haar plaatste, de leidsels greep en de vurigheid der weelderige beesten
+met een sterke en geoefende hand beteugelde. Zich geheel overgevende
+aan hem die haar ontvoerde, stond zij in kinderlijke onschuld en zonder
+eenige vrees naast hem, toen de wagen wegreed. Zonder dat zij het
+vermoedde, dekten haar vriendelijke machten met schild en pantser,
+namelijk hare onschuld en de gedachte aan hare ouders, die Lysias
+zelf in haar had doen ontwaken, en die weldra weder levendig werd.
+
+Vrijer ademhalende en vervuld van een zalig gevoel, zoo als een
+vogel moet hebben, wanneer hij voor het eerst uit zijn duister
+nest in de lucht opstijgt, riep zij telkens: "Dat is schoon, dat is
+heerlijk!" en dan weder: "Hoe klieven we de lucht, als waren we vlugge
+zwaluwen! Sneller, Lysias, sneller!--Neen, dat gaat al te hard! Houd
+wat in, anders val ik!--O neen, ik ben niet bang! Het is zoo heerlijk,
+evenals een Nijlschip bij storm den stroom, met borst en aangezicht
+den wind te klieven."
+
+Lysias stond dicht bij haar. Toen hij op haar wensch de rossen in
+galop had gebracht en hij haar zag wankelen, strekte hij onwillekeurig
+de hand uit, om haar midden te omvatten, maar Irene ontweek hem en
+drukte zich vast tegen de borstwering van den wagen aan hare zijde;
+en telkens als hij haar aanraakte, hield zij de armen stijf tegen het
+lijf en trok zich samen als het fijn gevoelig blad van een kruidje
+roer-me-niet, dat met een ander voorwerp in aanraking komt.
+
+Zij vroeg aan den Korinthiër haar te vergunnen ook eens de teugels te
+houden. Terstond voldeed hij aan haar verzoek, gaf haar de leidsels
+in handen, doch hield, achter haar staande, voorzichtig de einden
+in zijne eigene hand. Hij zag op hare glanzige haren, die sierlijk
+langs haar hoofd afvielen op hare blanke, een weinig naar voren
+gebogen hals. Een onweerstaanbaar verlangen bekroop hem zijne lippen
+op haar hoofd te drukken. Doch hij deed het niet, want hij dacht aan
+het woord van zijn vriend, dat hij voor deze meisjes handelen moest,
+alsof hij haar voogd ware. Dat zou hij ook doen, en meer dan dat, als
+een vader wilde hij voor haar zorgen. Zoo dikwijls de wagen echter
+tegen een steen stiet, en hij haar aanraakte om haar te steunen,
+ontwaakte de onderdrukte begeerte op nieuw, en eens, toen haar haren
+zeer dicht bij zijne lippen kwamen, kuste hij haar werkelijk, maar
+slechts als een vriend en een broeder.
+
+Zij moest den adem zijner lippen gevoeld hebben, want haastig keerde
+zij zich om, gaf hem de teugels terug, drukte haar hand tegen het
+voorhoofd en zeide op gansch anderen, zacht klagenden toon: "Het is
+niet goed zoo; ik bid u, laat de paarden omkeeren."
+
+Eer Lysias, die, in plaats van haar gehoor te geven, aan de teugels
+rukte, om de paarden nog meer aan te drijven, het rechte antwoord vond,
+had Irene opgezien naar de zon, en terwijl zij met hare hand naar
+het oosten wees, zeide zij: "Wat is het al laat! Wat zal ik zeggen
+als men mij zoekt en zij vragen waar ik zoo lang geweest ben? Waarom
+keert gij niet om? Waarom zegt ge mij niets van mijne ouders?"
+
+De laatste woorden waren met eenige heftigheid uitgesproken, en toen
+Lysias niet zoo dadelijk wist, wat hij er op zeggen zou, en ook geen
+beweging maakte om de paarden in te houden, greep zij zelve naar de
+teugels en zeide: "Wilt gij nu omkeeren, ja of neen?"
+
+"Neen," antwoordde de Korinthiër bepaald, "maar...."
+
+"Is dat de bedoeling!" riep het meisje buiten zichzelve. "Gij denkt
+mij listig te ontvoeren, maar wacht, wacht...."
+
+Eer Lysias het verhinderen kon, had Irene zich omgedraaid, en een
+poging gedaan om van den snel voortrollenden wagen te springen. Doch
+haar geleider was vlugger dan zij, greep eerst haar kleed, toen haar
+gordel, sloeg zijn arm om hare heupen en trok de weerspannige naar
+het midden van den wagen.
+
+Bevend, met de kleine voeten stampende en de oogen vol tranen zocht
+zij zijn hand van haren gordel te verwijderen. Doch nu bracht hij
+zijne rossen tot staan en zeide vriendelijk maar ernstig: "Wat
+ik gedaan heb is om uw bestwil geschied, en als gij het beveelt,
+wil ik ook de paarden doen omkeeren. Maar eerst moet ge mij hooren;
+want toen ik u door een list op dezen wagen lokte, deed ik dit omdat
+ik vreesde, dat gij zoudt weigeren mij te volgen, terwijl ik wist,
+dat ieder uitstel u aan schrikkelijke gevaren blootstelde. Ik heb
+den naam uws vaders volstrekt niet met een misdadig doel gebruikt,
+want mijn vriend Publius Scipio, die zeer machtig is, denkt alles
+te doen om hem de vrijheid te verschaffen, en ulieden weder in zijne
+armen te voeren. Maar, Irene, dat zou nooit kunnen gebeuren, wanneer
+wij u daar gelaten hadden, waar gij tot hiertoe hebt vertoefd."
+
+Onder deze woorden zag het meisje Lysias verwonderd aan, en brak
+zijne mededeeling af, om te zeggen: "ik heb toch niemand eenig
+leed gedaan. Wie kan er wat bij winnen, met mij, arm schepsel,
+te vervolgen?"
+
+"Uw vader was de braafste aller menschen," antwoordde Lysias, "en toch
+werd hij als een misdadiger naar de bergwerken gesleept. Men bepaalt
+er zich niet toe het onrecht en de boozen te vervolgen. Hebt gij wel
+van koning Euergetes gehoord, die men bij zijne geboorte "weldoener"
+noemde, en die zich door zijne euveldaden den naam van "kwaaddoener"
+verworven heeft? Deze heeft gehoord dat gij schoon zijt, en wil den
+opperpriester dwingen u aan hem uit te leveren. Geeft Asklepiodorus
+toe, en wat vermag hij tegen de macht van een koning, zoo wordt
+gij onder de fluitspeelsters en geblankette meisjes opgenomen,
+die bij zijne wilde drinkgelagen met beschonken mannen aan tafel
+stoeien. Als uwe ouders u zoo moesten wedervinden, dan ware het voor
+hen toch beter...."
+
+"Is het waarheid, wat gij zegt?" vroeg Irene met gloeiende wangen.
+
+"Ja," antwoordde Lysias op vasten toon. "Zie, Irene, ik heb ook nog
+een vader en eene lieve moeder en eene zuster, die er uitziet als
+gij; bij hunne hoofden, bij hen wier namen nooit over mijne lippen
+zijn gekomen in tegenwoordigheid van andere vrouwen wier gunst ik
+zocht, zweer ik u, dat ik louter waarheid heb gesproken, dat ik niets
+anders in den zin heb dan u te redden, dat ik, als gij het gebiedt,
+u, zoodra ik zal weten dat gij geborgen zijt, nimmer wil wederzien,
+hoe zwaar mij dit ook zal vallen. Want ik heb u lief, arme, lieve
+kleine Irene, meer dan gij gelooven kunt."
+
+Lysias vatte het meisje bij de hand, doch zij trok de hare snel
+terug en zeide, terwijl zij de in tranen zwemmende oogen naar hem
+opsloeg, luide en met overtuiging: "Ik geloof u, want zoo kan iemand
+niet spreken die een ander wil misleiden. Maar hoe weet gij dit
+alles? Waarheen wilt gij mij brengen? Zal Klea mij volgen?"
+
+"Bij de brave familie van een beeldhouwer zult gij vooreerst verborgen
+worden. Klea zullen wij heden nog kennis geven van alles wat met
+u gebeurd is, en wanneer wij de vrijstelling uwer ouders hebben
+verkregen, dan.... Maar help, o Zeus! Ziet gij dien wagen daar? Vergis
+ik mij niet, dan zijn het de schimmels van den eunuuch Eulaeus. Als
+hij ons hier zag, dan ware alles verloren!
+
+"Houd u thans vast, want wij moeten jagen als in de renbaan!--Zoo, nu
+zijn wij achter den heuvel, en daar, bij den kleinen Isistempel, wacht
+u reeds de waardige echtgenoote van uwen toekomstigen gastvriend. Zij
+zal wel zitten in dien gesloten wagen naast de palmen.
+
+"Ja zeker, zeker, Klea zal alles vernemen, opdat zij zich over u niet
+ongerust make! Weldra zeg ik u vaarwel, maar zult gij, lieve Irene, dan
+later ook nog menigmaal aan den armen Lysias denken, of heeft Aurora,
+die hem, zooals hij zich vleide, heden morgen door hare verschijning
+zooveel geluk voorspelde, hem werkelijk geen schoonen dag, maar kommer
+en leed voorzegd?"
+
+Onder deze woorden trok de Korinthiër de teugels in, dwong de paarden
+tot een langzamen stap en zag Irene vol teederheid in de oogen. Zij
+beantwoordde dezen blik met innige hartelijkheid, maar tranen rolden
+uit hare anders zoo heldere oogen.
+
+"Zeg mij nu," sprak de Korinthiër op smeekenden toon: "Zult gij mij
+niet vergeten? Mag ik u spoedig bij uw gastvriend een bezoek brengen?"
+
+Irene had zoo gaarne 'ja' en nog eens 'ja' en duizendmaal 'ja'
+geroepen, en toch had zij, die zoo gereedelijk aan elke aandoening
+des harten toegaf, in dit gewichtig uur de kracht om hare hand, die
+de Korinthiër had gegrepen, zachtkens uit de zijne te trekken en hem
+ernstig te antwoorden. "Altijd wil ik aan u denken, en altijd weder,
+maar gij moogt mij eerst opzoeken, wanneer mijne Klea weder bij
+mij is."
+
+"Maar Irene, bedenk toch, als nu..." zeide Lysias hartstochtelijk.
+
+"Gij hebt mij bij de hoofden uwer dierbaarste betrekkingen gezworen,
+dat gij mijn wil zoudt eerbiedigen," zeide het meisje, hem in de rede
+vallende. "Zeker, ik geloof, en ik geloof zoo gaarne, dat gij goed
+voor mij zijt, maar ik geloof het niet meer, als gij geen woord houdt.
+
+"Zie daar komt ons eene vrouw te gemoet, die er vriendelijk
+uitziet.--Zij wenkt mij reeds!--Ja, tot haar wil ik gaarne gaan,
+en toch ben ik zoo beklemd, meer dan ik zeggen kan. Maar ik voel mij
+tevens zoo dankbaar! Denk gij somwijlen aan mij, Lysias en aan onzen
+rit, aan het gesprek en aan mijne ouders. O ik bid u, doe voor hen
+al wat gij maar kunt.--Als ik mijne tranen maar kon inhouden, maar
+dat kan ik niet!"
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Lysias had goed gezien. De wagen met de schimmels, dien hij op zijn
+vlucht met Irene had ontweken, behoorde aan den eunuuch Eulaeus. Omdat
+de morgen koel was, en omdat Zoë, de speelgenoote van Kleopatra,
+hem vergezelde, had hij een gesloten voertuig genomen, waarin hij op
+zachte kussens gezeten was naast de Macedonische, terwijl hij haar door
+druk en op zijne wijze geestig gepraat voor zich zocht te winnen. Op
+de heenreis, dacht hij, zal ik haar gunstig voor mij stemmen, dan
+spreek ik op den terugtocht over mijne eigene aangelegenheden.
+
+De tijd vloog voor beiden spoedig en aangenaam om, en noch zij noch hij
+gaven acht op den hoefslag der paarden, die Irene wegvoerden. Achter
+het acaciënbosch steeg Eulaeus uit en verzocht de Macedonische zich
+te willen bezighouden, terwijl hij een en ander met den opperpriester
+te verhandelen had. Misschien, merkte hij op, kon zij den tijd van
+wachten nuttig besteden, door voorloopig kennis te maken met haar
+die voor Hebe zou spelen.
+
+Irene was reeds lang in het huis van den beeldhouwer Apollodorus
+vriendelijk opgenomen, toen beiden elkander weder bij de koets
+ontmoetten, Eulaeus slechts schijnbaar, Zoë inderdaad hoogst onvoldaan
+over hetgeen zij in den tempel te verrichten hadden gehad. De
+opperpriester had de eisch van Philometor, om de kruikdraagster
+op den geboortedag van koning Euergetes naar het paleis te zenden,
+onvoorwaardelijk afgewezen. De eunuuch, die hem vroeger meermalen
+genegen had gevonden toe te geven, had hem tot zulk eene bepaalde
+weigering niet in staat geacht.
+
+Zoë had de kruikdraagster niet eens gezien. "Ik geloof," zeide de
+slimme vriendin van Kleopatra, "dat ik u te laat gevolgd ben, en dat,
+toen ik een half uur na u den tempel binnenging, omdat eerst de oude
+arts Imhotep en daarna een helper van den beeldhouwer Apollodorus, die
+mij nieuwe busten liet zien, mij hadden opgehouden,--de opperpriester
+reeds bevel had gegeven het meisje verborgen te houden. Want toen ik
+begeerde haar te zien, bracht men mij eerst in een ellendig vertrek,
+dat mij voorkwam meer geschikt te zijn voor koeien of geiten dan voor
+eene Hebe, zelfs voor eene gewaande,--maar ik vond het geheel ledig.
+
+"Vervolgens verwees men mij naar den Serapis-tempel, waar een
+priester bezig was eenige meisjes zangonderwijs te geven; toen
+weer elders heen, en eindelijk, nadat ik nergens eenig spoor van de
+beroemde Irene had gevonden, naar de woning van een der deurwachters
+van dezen tempel. Een leelijk wijf opende mij de deur en zeide, dat
+Irene sedert lang niet meer bij haar was, maar wel hare oudere zuster,
+die ik nu liet verzoeken bij mij te komen.
+
+"Maar wat kreeg ik ten antwoord? De godin Klea--want zoo noem ik
+haar, omdat zij nu eens de zuster eener Hebe is--heeft een ziek kind
+te verplegen, en wanneer ik haar wilde zien, dan kon ik haar komen
+opzoeken. Dat klonk mij toe, alsof zij mij wilde doen weten, dat de
+weg van mij tot haar even ver was als die van haar tot mij.
+
+"In elk geval achtte ik het der moeite waard, die kruikdraagster, die
+zich zoo zeer hare waarde bewust was, eens in de oogen te zien, en ik
+trad een armzalig vertrek binnen--ik walg er nog van, als ik denk aan
+de vunze lucht, die mij in dat armoedig verblijf te gemoet kwam--en
+daar zat zij met een onnoozel, stervend kind op den schoot. Die
+geheele omgeving was zoo treurig en afschrikwekkend, dat ze mij nog
+weken lang in den droom benauwen en mijne vroolijke uren bederven zal.
+
+"Ik bleef ook niet lang bij die arme lieden, maar ik moet erkennen
+dat, als Irene zooveel van eene Hebe heeft als hare oudere zuster van
+Hera, Euergetes grond heeft om boos te zijn, wanneer Asklepiodorus
+hem dit meisje weigert. Menige koningin, en niet het minst zij, die
+ons beiden het naast is, zou haar halve rijk willen geven, wanneer
+zij zulk eene gestalte, zulk eene houding bezat, als deze dienstmaagd.
+
+"En met welke oogen zag zij mij aan, toen zij opstond met het hoestende
+doodsbleeke kind in de armen, en mij vroeg wat ik van hare zuster
+verlangde! Een indrukwekkende sombere ernst gloeide in die oogen, die
+uit een Medusa-kop in haar hoofd schenen overgebracht te zijn. Daar
+lag zelfs eene bedreiging in, die zich in geen anderen zin dan in
+dezen liet opvatten: 'Verlang niets van haar wat mij niet bevalt, of
+gij wordt op staanden voet in een rots veranderd.' Op mijne vragen
+antwoordde zij geen twintig woorden, en toen ik buiten de frissche
+lucht inademde, die mij nog nooit zoo goed heeft gedaan als voor de
+deur van dit afzichtelijk hol, wist ik verder niets dan dat niemand
+de schuilplaats kende, waarin de schoone Irene verborgen was, of
+althans zich zoo hield, en dat ik goed zou doen met niet verder naar
+haar te vragen.
+
+"Wat zal Philometor nu doen? Wat zult gij hem raden?"
+
+"Wat men door zachte woorden niet erlangt, is dikwijls voor een
+kostbaar geschenk te koop," antwoordde de eunuuch. "Gij weet toch,
+van alle bestaande woorden is er geen, waarmede die heeren minder
+vertrouwd zijn dan het kleine woordje 'genoeg'; maar wie valt het
+gemakkelijk dit woordje uit te spreken?
+
+"Gij vertelt mij daar van den trots en de strenge afwijzende houding
+der zuster van onze Hebe. Ik heb haar ook gezien en vind dat haar
+beeld in de Stoa [21] zou kunnen geplaatst worden als een toonbeeld
+van strenge deugd in menschelijke gedaante. En terwijl in den regel de
+kinderen op de ouders gelijken, was hun vader de grootste gulzigaard en
+listigste spitsboef, die er ooit op twee beenen liep, en op zeer goede
+gronden moest hij naar de goudmijnen gezonden worden. Ter wille van
+de dochter eens misdadigers wordt gij thans door stof en zonnehitte
+gejaagd, en gij moet u eene smadelijke behandeling en een afwijzend
+antwoord laten welgevallen.
+
+"Maar die deern bedreigt mij met een wezenlijk gevaar. Gij weet toch
+dat Kleopatra thans een luim heeft, om den Romein Publius Scipio
+bijzondere gunsten te bewijzen, maar diezelfde Publius loopt onze
+Hebe na, heeft haar beloofd te zullen bewerken, dat aan haar vader
+onverdiend genade wordt geschonken, en wil nu beproeven of hij op
+mij soms de beschuldiging van diefstal kan laden. De koningin wil
+hem nog heden gehoor verleenen, en gij weet niet hoeveel vijanden
+zich ieder op den hals haalt, die als ik jaren achtereen belast
+was met het bestuur eener groote hofhouding. De koning erkent met
+dankbaarheid wat ik voor zijne moeder en voor hem heb gedaan, doch
+wanneer Publius Scipio, in de ure waarin hij mij aanklaagt, het hart
+van Kleopatra weet te winnen, dan ben ik verloren. Gij zijt altijd
+in de omgeving der koningin, breng gij haar aan 't verstand wie deze
+deernen zijn, en wat den Romein aanleiding gaf om mij met de schuld
+haars vaders te belasten. Er zal zich wel eene gelegenheid opdoen,
+om u en de uwen een anderen vriendschapsdienst te bewijzen."
+
+"Ellendig gespuis!" riep Zoë. "Verlaat u op mij; ik zal niet zwijgen,
+want ik doe altijd wat goed is, en kan ook niet zien dat anderen
+onrecht lijden, en allerminst dat een man van uw verdiensten in zijne
+eer wordt getast, omdat een trotsche vreemdeling behagen schept in
+een aardig dingetje en eene opgeblazene pop."
+
+Zoë had gelijk toen zij de lucht in de woning des deurwachters
+afschuwelijk had genoemd; ook de arme, zeker niet verwende Irene
+kon haar evenmin verdragen als de veeleischende speelgenoote eener
+koningin. Het was zelfs voor Klea eene overwinning op zichzelve, te
+vertoeven in dit armzalige vertrek, dat het geheele gezin bevatte,
+waarin op een rookenden haard werd gekookt en gedurende den nacht
+een geit en nog een paar kippen geherbergd werden. Maar zij had in
+de vervulling van hetgeen zij haar plicht achtte reeds zwaardere
+beproevingen doorgestaan, en zij hield zoo zielsveel van den kleinen
+Philo; zij had van hare zorgvuldige pogingen, om den sluimerenden
+geest langzamerhand op te wekken, zooveel voldoening, en vond in de
+teedere dankbaarheid van het kind zoo rijkelijk haar loon, dat zij,
+zoodra zij begreep dat de kleine kranke hare tegenwoordigheid en hare
+verpleging niet missen kon, geheel vergat in welk eene akelige woning
+zij zich bevond.
+
+Imhotep, de beroemdste onder al de priesterlijke artsen in den
+Asklepius-tempel, een man die met de Egyptische geneeskunst even goed
+vertrouwd was als met de Grieksche, wien men, sedert hij door koning
+Philometor uit Alexandrië naar Memphis was geroepen, den nieuwen
+Herophilus noemde,--Imhotep had sedert lang al zijn aandacht gewijd
+aan die sluimerende, maar al meer en meer ontwakende geestvermogens
+van den kleine Philo. Dagelijks zag hij het knaapje, zoo vaak hij den
+tempel betrad. Nauwelijks had Zoë de woning des deurwachters verlaten,
+of hij kwam voor de derde maal naar den kleinen kranke zien.
+
+Klea hield, terwijl hij binnentrad, Philo nog altijd op haar
+schoot. Voor haar stond op een houten onderstel in een kolenbekken,
+een kleine koperen ketel, dien de arts gebracht had. Daaraan was
+een lang riet bevestigd, hetwelk uit twee deelen bestond, die door
+een lederen buis verbonden waren, zoodat het bovenstuk heen en weer
+bewogen kon worden. De kruikdraagster bracht van tijd tot tijd dat riet
+tegen de borst van het kind, opdat het, volgens Imhoteps voorschrift,
+de heete uitstroomende waterdamp zou inademen.
+
+"Heeft het naar wensch gewerkt en de borst wat verruimd?" vroeg
+de arts.
+
+"Ik geloof het wel," antwoordde Klea, "het ratelt zoo niet meer in
+de borst, als het arme kereltje ademhaalt."
+
+De oude man bracht zijn oor aan den mond van de kleine, legde
+zijne hand op het voorhoofd en zeide: "Als de koorts wat afneemt,
+wil ik het beste hopen. Dit inademen van waterdamp is een uitstekend
+middel, wanneer de slijm zich zoo kwaadaardig heeft vastgezet, en een
+eerwaardig middel ook, want het wordt reeds in de oudste geschriften
+van Hermes voor zulke gevallen aanbevolen. Doch nu is het ook genoeg!
+
+"Weet gij dat deze damp sterker is dan paarden en stieren, en de
+vereenigde kracht van een bende reuzen? Ja, deze damp! De ijverige
+Hero van Alexandrië heeft dit kort geleden ontdekt.
+
+"Onze kranke heeft er nu genoeg van, want wij mogen het ventje
+niet te veel verhitten. Neem nu een linnen doek; die dáar is goed,
+al is hij ook niet schoon. Vouw hem op, bevochtig hem flink met koud
+water--dáar staat wat, geloof ik, in dat ellendige ding, waarvoor ik
+geen naam weet--en nu zal ik u laten zien, hoe men hem om den hals
+van den jongen moet slaan.
+
+"Gij behoeft mij niet te bewijzen, dat ge mij begrijpt, Klea, want gij
+zijt handig en hebt bovendien veel geduld. Ik ben nu vijf-en-zestig
+jaren oud en was altijd gezond, maar ik zou bijna wenschen eens krank
+te worden, om mij door u te laten verplegen. Dat arme schepseltje
+dáar heeft het goed, beter dan menig lijdend koningskind, aan wien
+bezoldigde verpleegsters alles doen en geven, wat het maar noodig
+heeft, maar die éen ding niet geven kunnen, omdat zij het niet hebben,
+namelijk dat liefdevolle, vriendelijke, onvermoeide geduld, waardoor
+gij een wonder hebt verricht aan den geest van dit kind en nu gereed
+staat een tweede te doen aan zijn lichaam.
+
+"Neen, neen, meisjelief, niet mij, maar u heeft die vrouw dat te
+danken, wanneer zij haar kind behoudt. Hoort gij het, vrouw? Zeg het
+ook aan uw man, en als gij Klea niet eert als eene godin, en haar de
+handen niet onder den voet legt, dan zal u--nu ik wil u geen kwaad
+toewenschen, want van het goede hebt gij waarlijk al niet te veel."
+
+Na deze woorden ging de vrouw van den deurwachter schuw naar den arts
+en het zieke kind toe, streek haar verwarde haren een weinig uit
+het gezicht, legde de magere armen kruiselings op den rug, zag met
+uitgestrekten hals op het knaapje neer, en vroeg eindelijk aarzelend,
+terwijl zij met domme verbazing naar de natte doeken keek: "Zijn de
+booze geesten uit het kind?"
+
+"Wel zeker," antwoordde de arts. "Klea daar heeft die bezworen en ik
+heb haar geholpen; nu weet gij het."
+
+"Dan kan ik wel even heengaan, niet waar? Ik moet den vloer van den
+voorhof aanvegen."
+
+Klea knikte met het hoofd, ten teeken dat zij gaan kon. Toen zij zich
+verwijderd had, zeide de arts: "Met hoeveel booze geesten hebben we
+toch niet te doen, en met hoe weinige goede! De menschen gelooven ook
+veel liever en gemakkelijker aan schadelijke, dan aan vriendelijke
+en hulpvaardige geesten, want als het hun slecht gaat, en dat is
+gewoonlijk hun eigen schuld, vinden zij het troostrijk en doet het
+hunne ijdelheid goed, wanneer zij er een ander, vooral wanneer zij er
+booze geesten de schuld van kunnen geven. Doch als het hun welgaat,
+als het geluk hun tegenlacht of iets moeielijks hun is gelukt, dan
+willen zij dat natuurlijk aan zichzelven, aan hunne knapheid of hun
+verstandig inzicht dank weten, en lachen zij hem uit, die hen herinnert
+dat zij hiervoor aan hulpvaardige demonen dank verschuldigd zijn. Wat
+mij betreft, ik houd meer van de goede dan van de booze geesten,
+en tot de besten van allen behoort gij zonder twijfel, lief meisje.
+
+"Maar nu ter zake, om het kwartier legt gij een anderen doek om den
+hals van het kind. In dien tusschentijd gaat gij naar buiten, om uw
+borst te verkwikken met wat frissche lucht, want gij ziet bleek. Tegen
+den middag gaat gij wat in uw kamertje en tracht gij te slapen. Men
+mag niets overdrijven, en gij moet mij gehoorzamen."
+
+Klea knikte den arts zoo vriendelijk toe, alsof zij zijne dochter
+was. Imhotep streek met zijne hand over haar hoofd en ging heen. Doch
+zij bleef met het kranke kind alleen in het muffe kamertje, waar
+het al heeter en heeter werd, vernieuwde telkens de compressen en
+verblijdde zich, dat de ademhaling langzamerhand vrijer en minder
+hoorbaar werd. Intusschen overviel haar nu en dan een gevoel van
+afmatting, en sloot zij de oogen een weinig, doch altijd slechts voor
+een kleine poos. Er was in dien toestand tusschen waken en slapen,
+waarin allerlei droombeelden haar voorbij gingen, en die telkens werd
+afgebroken door de herinnering aan een plicht, die zij gemakkelijk
+en gaarne vervulde, en in die ontspanning van alle zenuwen voor haar
+iets weldadigs, waarvan zij de uitwerking begon te gevoelen. Zij
+achtte zich hier recht op haar plaats. De vriendelijke woorden van
+den arts hadden haar goed gedaan. Op den angst over het behoud voor
+dit dierbaar leven volgde nu de gegronde hoop op zijn behoud.
+
+Reeds in den nacht had zij het vaste voornemen opgevat, aan den
+opperpriester te verklaren, dat zij het ambt der tweelingzusters,
+die gewoon waren aan de lijkbaar van Osiris te weeklagen, niet
+op zich nemen kon. Liever wilde zij beproeven voor zich en voor
+Irene--want dat deze met ernst zich aan eene bezigheid zou wijden,
+kwam niet bij haar op--te Alexandrië, waar zelfs blinden en lammen aan
+werk werden geholpen, door handenarbeid haar brood te verdienen. Ook
+dit vooruitzicht, waaraan zij gisteren nog met schrik had gedacht,
+lachte haar nu vriendelijk toe, want het opende haar de mogelijkheid,
+om te toonen, dat zij kracht genoeg bezat om zelfstandig te handelen.
+
+Van tijd tot tijd verscheen ook het beeld van Publius Scipio voor
+hare verbeelding, en zoo vaak dit geschiedde, kleurde zij tot over de
+ooren. Maar heden dacht zij gansch anders aan den man, die hare rust
+verstoorde, dan gisteren, want toen had zij met schaamte zich door hem
+overwonnen gevoeld, doch thans scheen het haar toe, dat zij bij den
+optocht in den afgeloopen middag over hem getriomfeerd had, toen zij
+standvastig zijne blikken ontweek, en hem, toen hij het waagde haar te
+naderen, verstoord den rug toekeerde. Zóo was het goed, want hoe zou
+die trotsche man zich andermaal blootstellen aan zulk eene vernedering!
+
+"Uit, uit! voor altijd uit!" prevelde zij in zichzelve, en hare oogen
+en haar voorhoofd, waarover zooeven een lachje zweefde, namen weder de
+uitdrukking aan van terugstootende hardheid, die den Romein gisteren
+had afgeschrikt en verstoord. Doch weldra kwam er meer zachtheid
+in hare trekken, want zij aanschouwde den smeekenden blik van den
+ernstigen jonkman, zij herinnerde zich al wat de kluizenaar tot
+zijn lof had gezegd, en toen te midden van deze gedachten hare oogen
+dicht vielen, en zij voor weinige oogenblikken insluimerde, zag zij
+Cornelius in den droom, terwijl hij met vasten tred op haar toetrad,
+haar als een kind op den arm nam, hare handen, waarmede zij tegen
+hem worstelde, omklemde en ze met ruw geweld samendrukte, waarna hij
+haar zelve in een boot wierp, die aan den oever van den Nijl geankerd
+lag. Met alle kracht streed zij tegen dezen aanval, gaf van schrik
+een luiden gil en ontwaakte door de klank van haar eigen stem.
+
+Thans stond zij op, droogde hare in tranen zwemmende oogen af, legde
+een nieuwen doek om den hals van het kind, en ging toen, zooals de
+arts gezegd had, naar buiten. De zon stond reeds ter middaghoogte
+en goot hare brandende stralen uit over de gele zandsteenen vloer
+van het voorhof. Slechts een van de zuilengangen, die deze breede
+onoverdekte ruimte omgaven, wierp een smalle schaduw, nauwelijks
+een arm breed. Doch zij ging daar niet heen, want onder dit afdak
+stonden verschillende rustbedden, waarop pelgrims lagen uitgestrekt,
+die hoopten hier in de woning van den God droomen te ontvangen,
+die hun een blik in de toekomst zouden doen slaan.
+
+Klea's hoofd was ongedekt, en juist wilde zij, uit vrees voor den
+gloed van de middagzon, in het huis van den deurwachter teruggaan,
+toen zij een jongen schrijver in witte kleederen, die in bijzonderen
+dienst was van Asklepiodorus, over het voorhof zag komen, terwijl
+hij haar met levendigheid wenkte. Zij ging naar hem toe, maar nog
+vóordat zij hem bereikt had, riep hij haar toe, of hare zuster Irene
+ook in het huis van den wachter was. De opperpriester verlangde haar
+te spreken, maar zij was nergens te vinden.
+
+Klea antwoordde hem, dat ook eene aanzienlijke vrouw van de hofhouding
+der koningin naar haar gevraagd had, doch dat zij Irene vóor het
+aanbreken van den dag, toen zij de kruiken voor het altaar van den
+god uit de zonnebron ging vullen, voor het laatst gezien had.
+
+"Het water voor het vroegste plengoffer," antwoordde de priester,
+"stond op zijn tijd op het altaar, maar voor de tweede en derde
+offeranden moesten Doris en hare zuster het halen. Asklepiodorus is
+niet boos op u, want hij weet van Imhotep, dat gij de zorg voor een
+ziek kind op u hebt genomen, maar wel op Irene. Denk eens na waar
+zij zijn kan. Er moet bovendien iets zeer belangrijks gaande zijn,
+dat de opperpriester haar wil mededeelen."
+
+Klea verschrikte, want de tranen die Irene gisterenavond had geschreid,
+kwamen haar voor den geest en haar kreet van smachtend verlangen naar
+vreugde en vrijheid. Had de onbezonnene aan dit verlangen gehoor
+gegeven, en zich zonder hare voorkennis, al was het ook maar voor
+weinige uren, uit de voeten gemaakt, om de stad met al hare rijke
+afwisseling eens te zien?
+
+Zij bedwong zich, om den bode hare bezorgdheid niet te verraden,
+en zeide met nedergeslagene oogen: "Ik zal haar zoeken."
+
+Haastig ging zij in huis terug, keek nog eens naar het kranke kind,
+riep zijne moeder, wees haar hoe zij de omslagen moest maken,
+drukte haar goed op 't hart, dat zij tot aan haar terugkomst stipt
+en zorgvuldig de voorschriften van Imhotep in acht moest nemen,
+gaf Philo een teedere kus op het voorhoofd, waarbij zij bemerkte,
+dat de kleine veel minder heet was dan in den morgen, en begaf zich
+allereerst naar hare woning.
+
+Daar lag en stond alles nog zooals zij het in den nacht verlaten had,
+alleen de gouden kruiken ontbraken. Dit vermeerderde Klea's angst,
+maar de gedachte dat Irene het kostbaar vaatwerk medegenomen kon
+hebben, om het te verkoopen en haar leven met de opbrengst wat op
+te vroolijken, kwam niet bij haar op. Zij wist wel dat haar zuster
+wat lichtzinnig en licht beweeglijk was, maar tot een slechte daad
+achtte zij haar niet in staat.
+
+Waar zou zij de verlorene zoeken? De kluizenaar Serapion, dien zij
+het eerst aansprak, wist niets van haar. Bij het altaar van Serapis,
+waar zij vervolgens heenging, vond zij de beide kruiken, en bracht
+ze naar hare woning terug.
+
+Misschien was Irene den ouden Krates een bezoek gaan brengen,
+en had zij, terwijl zij naar zijn arbeid keek en met hem praatte,
+tijd en uur vergeten. Maar de priesterlijke smid, dien zij in zijne
+woning opzocht, wist niets aangaande haar mede te deelen. Gaarne had
+hij Klea geholpen om zijne lieveling op te zoeken, maar het nieuwe
+slot van de Apisgroeven moest tegen den middag gereed zijn en zijne
+gezwollene voeten deden hem pijn.
+
+Klea bleef voor de deur van den ouden man in gedachten staan; daar
+viel haar in, dat Irene menigmaal in vrije uren op den duivenslag
+van den tempel was geklommen, om van daar een vergezicht te hebben,
+naar de broedende diertjes te kijken, hare jongen wat voeder in den
+breeden snavel te steken, en de opvliegende zwermen na te oogen. De
+duivenhuisjes, die uit potten bestonden met Nijl-slib aan elkander
+gevoegd, stonden op de schuur, die tegen den zuidelijken ringmuur van
+den tempel was aangebouwd. Zij vloog daarheen door zonnige tuinen
+en weinig beschaduwde gaanderijen, en beklom het platte dak van de
+voorraadschuur, maar zij vond daar noch den ouden duivenoppasser,
+noch zijne beide kleinzonen, die hem in zijn werk hielpen, want zij
+namen alle drie deel aan den maaltijd der tempeldienaars, in het
+voorvertrek van de keuken.
+
+Een en andermaal, ja wel tienmaal riep Klea hare zuster bij den naam,
+maar niemand antwoordde. Het was alsof de zonnegloed elk geluid,
+dat van hare lippen klonk, verteerde.
+
+Nu keek zij in den eersten slag, vervolgens in den tweeden, en den
+derden tot den laatsten. De warmte kwam haar uit die aarden woningen
+der vlugge diertjes te gemoet, alsof het verhitte ovens waren, maar dat
+belette haar niet elken schuilhoek te doorzoeken. Hare wangen gloeiden
+reeds; de heldere zweetdruppels parelden op haar voorhoofd, en het
+kostte haar moeite zich te zuiveren van het stof der duiventillen,
+maar nog was zij niet ontmoedigd.
+
+Misschien was Irene het Anubidium of het heiligdom van Asklepius
+binnengegaan, om de beteekenis te vragen van een zonderling
+droomgezicht, dat zij mogelijk had gehad. Want daar woonde bij
+de priesterlijke geneesheeren ook eene priesteres, die de droomen
+dergenen die genezing zochten nog beter wist uit te leggen dan een
+der kluizenaars, die evenzeer deze kunst uitoefenden. De vragenden
+moesten soms lang voor den Asklepius-tempel staan wachten. Deze
+overweging gaf Klea weder moed, en maakte haar ongevoelig voor
+den heeten zuidwestenwind, die begon op te steken, en voor den
+zonnegloed. Doch toen zij langzaam naar het pastophorium terugkeerde,
+als een soldaat na een verloren slag, leed zij zeer van de hitte,
+en angst en onzekerheid beklemden haar borst. Zij had zoo gaarne
+geweend en dikwijls beproefde zij ook te steunen alsof zij snikte,
+maar de troost der tranen, die het hart verlichten, was haar ontzegd.
+
+Alvorens zij Asklepiodorus ging mededeelen, dat al haar zoeken
+vergeefs was geweest, gevoelde zij zich gedrongen nog eens met haar
+vriend den kluizenaar te spreken; doch eer zij zijne cel nog in
+het oog kon krijgen, trad de schrijver van den opperpriester haar
+opnieuw in den weg en beval haar hem naar den tempel te volgen. Hier
+moest zij in doodelijk ongeduld langer dan een uur in een voorvertrek
+wachten. Eindelijk bracht men haar in eene zaal, waar Asklepiodorus
+en de geheele hoogere priesterschap van Serapis verzameld was.
+
+Schoorvoetende trad Klea voor deze rij van achtbare mannen, en wederom
+moest zij eenige minuten wachten, alvorens de opperpriester haar vroeg,
+of zij niet in staat was eenige inlichtingen te geven aangaande de
+plaats waar de vluchtelinge zich verborgen hield, en of zij niets had
+opgemerkt of vernomen, dat op het spoor kon brengen om haar te vinden,
+want hij, Asklepiodorus, wist, dat als Irene zich heimelijk uit den
+tempel had verwijderd, dit haar evenzeer moest verontrusten als hem.
+
+Klea kon met moeite haar woorden vinden en hare knieën knikten, toen
+zij begon te spreken. Zij weigerde echter den stoel, dien Asklepiodorus
+beval haar te brengen. Op de rij af telde zij alle plaatsen op, waar
+zij hare zuster vruchteloos had gezocht, en toen zij ook het heiligdom
+van Asklepius noemde, en zich daarbij herinnerde, hoe eene aanzienlijke
+vrouw met vele slavinnen en dienstmaagden daar was gekomen om zich een
+droom te doen uitleggen, viel haar ook het bezoek van Zoë in, en de
+vragen die deze speelgenoote van Kleopatra haar eerst overvriendelijk,
+daarna honend en op steeds hoogmoediger toon betreffende hare zuster
+had gedaan. Terstond brak zij zelve haar verhaal af door te zeggen:
+
+"Uit vrije beweging, heilige vader, is Irene zeker niet ontvlucht, maar
+misschien heeft iemand haar verleid den tempel en mij te verlaten;
+zij is nog maar een kind met weinig standvastigheid. Zou het niet
+kunnen zijn dat eene aanzienlijke vrouw haar had overgehaald om mede te
+gaan? Zulk een vrouw heeft mij heden in het huis van den deurwachter
+opgezocht. Zij was rijk gekleed, droeg een gouden halvemaan in het
+blonde krullende, met zijden banden doorvlochten haar, en vroeg met
+aandrang naar mijne zuster. De arts Imhotep, die dikwijls in het
+paleis des konings komt, heeft haar gezien en mij gezegd, dat zij
+Zoë heet en eene speelgenoote is van koningin Kleopatra."
+
+Bij deze woorden ontstond er eene groote opschudding onder de
+verzamelde priesters, en Asklepiodorus riep: "Die vrouwen, die
+vrouwen! Gij hebt dus wel gelijk gehad, Philammon: ik kon en wilde
+het niet gelooven! Kleopatra heeft veel gedaan, wat men alleen
+eene koningin vergeven kan, maar dat zij zich als een werktuig
+laat gebruiken van de wilde hartstochten haars broeders, dat hebt
+gijzelf, Philammon, die eerder het kwade dan het goede gelooft,
+onwaarschijnlijk geacht. Maar wat moet er nu gedaan worden? Hoe kunnen
+wij ons verdedigen tegen geweld en overmacht?"
+
+Klea was met bloedroode wangen en gloeiend van de middaghitte voor de
+priesters verschenen, maar bij de laatste woorden van Asklepiodorus
+werd zij doodsbleek en een koude rilling voer door hare leden. Haars
+vaders kind, hare vroolijke onschuldige Irene geroofd, listig geroofd
+voor Euergetes, den wildsten aller woestelingen, van wiens leven
+Serapion haar eerst gisteren avond een tafereel had opgehangen,
+toen hij de gevaren schilderde, die haar en Irene zouden bedreigen,
+wanneer zij den tempel verlieten. Ja zeker! Men had het voorwerp
+harer teedere zorgen, haar troost en haar vreugde, door haar glans
+en weelde voor te spiegelen, gelokt, om hare Irene in schande te
+doen ondergaan. Zij moest zich vasthouden aan de leuning der stoel,
+die zij eerst geweigerd had, om niet ineen te zinken.
+
+Doch slechts weinige oogenblikken werd zij door deze zwakheid
+beheerscht; toen deed zij haastig twee stappen voorwaarts naar de tafel
+waaraan de opperpriester zat, en klemde zich met de rechterhand aan
+het blad vast. Hare anders zoo diepe welluidende stem klonk heesch,
+toen zij zeide: "Eene vrouw zal zich tot werktuig gemaakt hebben
+van de misdaad, om eene andere vrouw den naam van vrouw onwaardig
+te maken, en gij, gij die beschermers zijt van recht en deugd, die
+geroepen zijt te handelen in den geest der goden, die gij dient,
+gij gevoelt u te zwak om dit te verhinderen? Wanneer gij dit duldt,
+wanneer gij deze misdaad niet stuit, zoo zijt gij--ja, ik laat mij het
+woord niet ontnemen--zoo zijt gij den heiligen naam en den eerbied,
+waarop gij aanspraak maakt, niet waard, zoo klaag ik...."
+
+"Zwijg, meisje!" zeide Asklepiodorus, de vreeselijk opgewonden Klea in
+de rede vallende. "Ik moest u bij de godslasteraars laten opsluiten
+wanneer ik niet begreep, dat de smart u uitzinnig maakt. Wij zullen
+voor de geroofde in de bres weten te springen; maar gij zult zwijgend
+moeten afwachten. Kallimachus, beveel terstond den bode Ismaël het
+zwarte paard in te spannen om naar Memphis te rijden, ten einde
+een schrijven van mij aan de koningin over te brengen. Wij zullen
+het te zamen opstellen en onderteekenen, zoodra wij zeker zijn,
+dat Irene buiten deze muren is weggevoerd. Geef ook bevel om het
+groote bekken te slaan, Philammon, dat alle bewoners van den tempel
+zal samenroepen. Gij, meisje, verlaat deze zaal en begeef u tot
+de anderen."
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Klea had het bevel van den priester terstond opgevolgd en liep,
+zonder recht te weten waarheen, uit den eenen gang van de uitgestrekte
+gebouwen in den anderen, tot de luide klank van de met kracht geslagen
+metalen schijf, welker trillende golvingen tot de verborgenste hoeken
+van den tempel doordrongen, haar deed opschrikken. Deze roepstem gold
+ook haar, en daarom ging zij den hof binnen, waar de vergaderingen
+gewoonlijk werden gehouden.
+
+Het begon hier al levendiger en levendiger te worden. De tempeldienaars
+en dierenverplegers, de deurwachters, de water- en draagstoeldragers
+braken den gemeenschappelijken maaltijd op en stroomden toe,
+terwijl zij onder hun haastigen loop den mond afveegden, of een
+stuk brood, een ramenas of een dadel tusschen de vingers hielden,
+om ze in aller ijl nog op te eten. De wasschers en waschvrouwen van
+de witte priestergewaden kwamen met natte handen, en de koks waren
+midden uit hun werk weggeloopen, terwijl het zweet hun nog van het
+voorhoofd droop. De pastophoren, die in de laboratoriën bezig waren
+met het bereiden van reukwerken en geen tijd gehad hadden om hunne
+handen behoorlijk te reinigen, riekten van verre. De beambten van
+de boekerij en het administratie-bureau der tempelgoederen waren
+de bibliotheek en het kantoor uitgeloopen, met verwarde haren, en
+roode en zwarte inktvlekken op hunne dunne kielen. De schaar van
+zangers en zangeressen naderde in behoorlijke orde, juist zooals
+zij bij elkander stonden onder de oefening in het koorgezang. Met
+hen verschenen ook de bedaagde tweelingzusters, tot wier opvolgsters
+Klea en Irene door Asklepiodorus waren bestemd. De kweekelingen van
+de tempelschool kwamen, onder aanvoering van hunne leermeesters,
+vroolijk en met veel getier den hof binnen, niet weinig in hun schik
+dat de les was opgeschort. De oudsten hunner werden weggezonden om
+het groote baldakijn aan te dragen, waaronder de bestuurders van het
+heiligdom zich verzamelden.
+
+Asklepiodorus verscheen het laatst, en overhandigde aan een jongeren
+schrijver de lijst met de namen van alle bewoners en medeleden van
+den tempel, om deze op te lezen. Dit geschiedde. Ieder, wiens naam
+werd opgelezen, antwoordde duidelijk 'hier' en bij ieder der afwezigen
+werden spoedig de redenen opgegeven, waarom zij niet waren gekomen.
+
+Klea had zich bij de zangeressen gevoegd en wachtte in ademlooze
+spanning lang, eindeloos lang op den naam harer zuster, want eerst
+nadat ook de kleinste scholier en de minste veeknecht zijn 'hier'
+had geroepen, las de schrijver 'De kruikdraagster Klea', en knikte
+haar toe, toen ook zij 'hier' riep.
+
+Daarna verhief hij zijne stem luider dan te voren en las: "de
+kruikdraagster Irene."
+
+Toen op deze oproeping geen antwoord volgde, ontstond er onder
+de vergaderde tempelgenooten eene zachte beweging, evenals het
+golven van een rijp graanveld, wanneer de morgenwind over de aren
+heenstrijkt. Doch allen bewaarden een ademloos stilzwijgen toen
+Asklepiodorus naar voren trad en met eene stem, die overal verstaan
+kon worden, zeide:
+
+"Gij allen zijt in dit uur op mijne roepstem verschenen. De eenige, die
+hem geen gehoor gaven, zijn de aan Serapis gewijde heilige mannen, die
+eene gelofte verbiedt hunne sloten te verbreken, en de kruikdraagster
+Irene. Nog eenmaal roep ik luide, eenmaal, andermaal, ten derdemale
+'Irene', maar altijd blijft zij het antwoord schuldig.--Ik wend mij
+dus tot u, gij allen die hier vergaderd zijt, grooten en kleinen,
+mannen en vrouwen in den dienst van Serapis! Weet iemand uwer ook
+eenig naricht te geven omtrent de verblijfplaats van het meisje? Heeft
+iemand haar gezien, sedert zij bij het aanbreken van den dag het eerste
+plengoffer uit de zonnebron voor het altaar van den God nederzette?
+
+"Gij allen zwijgt?--Heeft dus niemand uwer haar dezen dag ontmoet?
+
+"Nu dan nog eenige vragen, en wie ze beantwoorden kan, trede naar
+voren en spreke naar waarheid.
+
+"Door welke poort heeft zich de aanzienlijke vrouw verwijderd, die
+heden morgen vroeg den tempel bezocht?--Door de oostelijke!--Goed.--Was
+zij alleen?--Ja, alleen.
+
+"Door welke poort verwijderde zich de briefschrijver Eulaeus?--Door
+de oostelijke.--Was hij alleen?--Ja, alleen.
+
+"Heeft iemand uwer den wagen van die aanzienlijke vrouw of dien van
+den briefschrijver ontmoet?"
+
+"Ik!" riep een voerman van den tempel, die dagelijks met zijn span
+ossen naar Memphis ging om van daar voorraad voor de keuken en andere
+benoodigdheden te halen.
+
+"Spreek op!" beval de opperpriester.
+
+"Ik heb," verhaalde de man, "de schimmels van den heer Eulaeus, die
+ik goed ken, bij de wijnbergen van Kakem gezien. Zij trokken eene
+gesloten koets, waarin behalve hij zelf, nog een vrouwspersoon zat."
+
+"Was dat Irene?" vroeg Asklepiodorus.
+
+"Dat weet ik niet," antwoordde de voerman, "want ik kon niemand
+onderscheiden van hen, die in deze kast zaten, maar ik hoorde de
+stem van den eunuuch, en daarna het gelach van een vrouwspersoon,
+dat zoo vroolijk klonk en zoo aanstekelijk werkte, dat ikzelf mijn
+mond vertrekken moest."
+
+Terwijl Klea onder deze mededeeling Irene's vroolijken lach, waaraan
+zij heden voor het eerst met smart dacht, meende te hooren, riep
+de opperpriester: "Deurwachter van de oostelijke poort, kwamen de
+briefschrijver en de aanzienlijke vrouw in elkanders gezelschap ons
+heiligdom binnen, en verlieten zij het weder te zamen?"
+
+"Neen," luidde het antwoord; "zij kwam een half uur later dan hij,
+en verliet den tempel na den eunuuch geheel alleen."
+
+"En Irene is niet door uw poort gegaan? Zij kan er niet door gekomen
+zijn? Ik vraag het u, in den naam der godheid!"
+
+"Het zou toch mogelijk kunnen zijn, heilige vader," antwoordde de
+wachter angstig. "Ik heb een ziek kind; ik ben meer dan eens ons
+vertrek binnengegaan om naar den kleine te zien, doch altijd maar
+voor korten tijd. De poort staat echter open, omdat in Memphis thans
+alles rustig is."
+
+"Gij hebt niet goed gehandeld," antwoordde Asklepiodorus op strengen
+toon, "maar omdat gij de waarheid spreekt, scheld ik u de straf
+kwijt. Wij weten genoeg. Gij, deurwachters, hebt nu naar mij te
+luisteren. Alle poorten van den tempel worden zorgvuldig gesloten,
+en niemand, ook geen pelgrims, ook geen aanzienlijke uit Memphis,
+hoe hoog ook geplaatst, mag in- of uitgaan zonder mijne bijzondere
+vergunning. Weest zoo waakzaam alsof wij een aanval te vreezen
+hadden. Thans ga ieder aan zijn werk."
+
+De vergadering werd ontbonden. De een begaf zich hierheen, de ander
+daarheen. Klea merkte niet op dat velen haar met medelijden aanzagen,
+anderen met een afkeurenden blik, als ware zij verantwoordelijk
+voor de handelwijze van hare zuster. Zij zag ook niet om naar de
+tweelingzusters, in wier plaats zij en Irene zouden komen, en dat
+deed die bejaarde vrouwen leed, die zelve zooveel te treuren hadden,
+zonder dat zij daarbij iets gevoelden, dat zij ijverig, ja met ongeduld
+elke gelegenheid aangrepen, om haar gemoed lucht te geven, wanneer zij
+werkelijk medelijden gevoelden. Maar noch deze medelijdende schepsels
+noch andere tempelbewoners, die naar Klea waren gegaan, met het doel
+haar te ondervragen of te beklagen, waagden het haar aan te spreken,
+omdat zij de oogen zoo diep treurig en zoo onafgebroken neersloeg.
+
+Eindelijk was zij alleen in den grooten hof overgebleven. Haar hart
+klopte sneller dan gewoonlijk en in haar geest gingen gewichtige dingen
+om. Eén ding scheen haar vast te staan. Eulaeus, de onverzoenlijke
+vijand van haar vader, voerde nu ook het kind van den man, dien
+hij te gronde had gericht, ten verderve, en zonder dat zij het wist
+koesterde de opperpriester dezelfde verdenking. Zij, Klea, was zeker
+niet voornemens dit te laten geschieden, zonder eene poging te doen
+om het ongeluk af te wenden. Het werd haar telkens duidelijker,
+dat zij verplicht was, zonder uitstel te handelen.
+
+Allereerst wilde zij haren vriend Serapion om raad vragen; maar juist
+toen zij zijne cel naderde klonk het bekken, dat de priesters opriep
+tot den dienst van den God, en haar herinnerde aan haar plicht om
+water te scheppen. Werktuiglijk, omdat zij enkel aan Irene's redding
+dacht, verrichtte zij thans, wat zij alle dagen gewoon was te doen,
+als die metalen stem haar riep. Zij ging door naar hare woning,
+om de gouden kruik van den god te halen.
+
+Toen zij het verlaten vertrek binnentrad, vloog haar kat haar met
+twee luchtige sprongen te gemoet, kromde den rug, wreef haar ronden
+kop tegen haar voeten, en stak haren mooien zwarten staart zoo recht
+in de lucht, als zij alleen deed wanneer zij recht in haar schik
+was. Klea wilde het aardige dier streelen, doch het sprong terug,
+staarde haar schuw en zooals haar voorkwam boos met de groene oogen
+aan, en trok zich in een hoek terug naast Irene's legerstede.
+
+"Zij heeft zich vergist," dacht Klea, "Zelfs de dieren vinden Irene
+lieftalliger dan mij; en deze Irene, deze Irene..."
+
+Bij deze woorden begon zij te snikken, en wilde op de kist gaan zitten
+ten einde op nieuwe middelen en uitwegen te peinzen, die zij toch alle
+als dwaas en onuitvoerbaar verwerpen moest. Doch daar lag een hemdje
+op de kist, dat zij begonnen was voor den kleinen Philo te naaien,
+en dit herinnerde haar voor het eerst weder aan het kranke kind,
+en vervolgens aan haar plicht om water te scheppen. Zonder talmen
+greep zij de kruik en terwijl zij naar de tempelbron ging, gedacht
+zij de lessen, die haar vader, toen zij hem eens in de gevangenis had
+mogen bezoeken, haar op den levensweg had medegegeven. Maar enkele
+volzinnen uit deze vermanende toespraak, die zijne laatste geweest
+was, kwamen haar thans voor den geest, en toch had zij geen woord
+vergeten. Alzoo had hij gesproken:
+
+"Het zou kunnen schijnen, dat ik, omdat ik gehandeld heb overeenkomstig
+hetgeen ik voor recht en deugdzaam hield, door de goden slecht beloond
+word. Doch dit is niet meer dan schijn, en zoolang het mij gelukken
+zal te leven overeenkomstig de natuur, die hare eeuwige wetten volgt,
+zal niemand het recht hebben mij te beklagen. Inzonderheid zal ik
+mijne zielsrust niet verliezen, zoolang ik, gehoorzaam aan de leus
+van Zeno en Chrysippus, mijzelven niet in tegenspraak breng met de
+grondstellingen van mijn innerlijk wezen. Die rust kan ieder, kunt
+ook gij, die eene vrouw zijt, bewaren, wanneer gij altijd doet wat gij
+als recht erkent en volbrengt wat gij als plicht op u genomen hebt. De
+godheid zelve levert ons een bewijs voor deze leer, daar zij aan ieder,
+die haar volgt, die rust des gemoeds verleent, die haar welgevallig
+moet zijn, daar dit de eenige toestand der ziel is, waarin zij haar
+volkomen zelfstandig laat handelen, en haar noch in iets belemmert noch
+haar in zekere richting voortdrijft. Daarentegen komt hij, die zich
+van het pad der deugd en harer dochter, de strenge plichtsbetrachting,
+verwijdert, nooit tot rust, en met smart voelt hij den greep van een
+verborgene vijandelijke macht, die zijne ziel nu eens voortstuwt,
+dan weder terugtrekt.--Wie de kalmte des gemoeds weet te bewaren, die
+gevoelt zich ook in het ongeluk niet ellendig, en dankbaar leert hij
+onder alle omstandigheden des levens tevreden te zijn, te eerder omdat
+hij vervuld is van het edel bewustzijn, dat het meest overeenkomt met
+het beste deel van zijn wezen, namelijk het bewustzijn van wat recht en
+goed is. Handel dus, mijn kind, zooals het gevoel van recht en plicht
+u voorschrijft, zonder te vragen naar het doel, zonder te berekenen,
+of hetgeen gij doet u blijdschap of verdriet zal berokkenen, zonder
+vrees voor het oordeel der menschen en den nijd der goden, en gij
+zult uwe zielsrust bewaren, die den wijze onderscheidt van den dwaas,
+en ook in de treurigste omstandigheden gelukkig kunnen zijn. Want
+het eenige wezenlijke kwaad is de heerschappij van het slechte, dat
+is van het onnatuurlijk onverstand over ons. Het eenige waarachtige
+geluk is in het bezit der deugd gelegen, maar alleen hij vermag haar
+zijn eigendom te noemen, die haar geheel bezit, en ook in het kleine
+niet tegen haar zondigt. Het goede toch kent zoo min als het booze
+een verschil in graden; ook het geringste vergrijp tegen den plicht,
+het recht en de waarheid, waarop zelfs geen enkele wet eene straf
+heeft gesteld, is in strijd met de deugd.
+
+"Irene," zoo had Philotas zijne toespraak besloten, "kan deze lessen
+nog niet verstaan, maar gij zijt ernstig en verstandig boven uwe
+jaren. Herhaal ze haar dagelijks, en prent gij ze uwe zuster, wie gij
+het gemis eener moeder vergoeden zult, te rechter tijd in het hart,
+als den uitersten wil haars vaders."
+
+Terwijl Klea thans naar de bron binnen den ringmuur ging om water
+te scheppen, herhaalde zij in zich zelve al deze vermaningen; zij
+gevoelde zich daardoor op nieuw bemoedigd en was vast besloten hare
+zuster niet zonder strijd aan den verleider prijs te geven.
+
+Nadat de plengvaten bij het altaar gevuld waren, ging zij naar den
+kleinen Philo terug, wiens toestand haar geen reden van bezorgdheid
+meer scheen te geven. Langer dan een uur bleef zij bij het knaapje,
+waarna zij den woning van den deurwachter verliet, om Serapions raad
+in te winnen en hem mede te deelen, wat zij in het stille ziekenvertrek
+had bedacht.
+
+De kluizenaar placht haar voetstap van verre te herkennen en haar
+uit zijn venster te gemoet te zien, zoo vaak zij hem kwam bezoeken,
+maar heden hoorde hij haar niet, en wel door zijne eigene stappen,
+voor zooverre de uiterst beperkte ruimte zijner kleine cel hem daartoe
+gelegenheid gaf. Hij kon het best nadenken als hij op en neder liep,
+en hij peinsde nu en overlegde, want hij had alles vernomen, wat
+men in den tempel wist omtrent het verdwijnen van Irene. Hij wilde,
+hij moest haar redden, doch hoe meer hij zijn geest inspande, des te
+duidelijker zag hij in, dat elke poging om het ontvoerde kind uit de
+handen zijner machtige roovers te rukken, vergeefs zou zijn.
+
+"En toch, het kan, het mag niet gebeuren!" riep hij uit, en hij stampte
+met zijn krachtigen voet op den grond, even voordat Klea zijne kluis
+bereikte. Doch zoodra hij haar in het oog kreeg, deed hij zijn best om
+zeer bedaard te schijnen, en riep hij met een opgewektheid, die hem
+ook in minder bedenkelijke omstandigheden eigen was: "wij denken na,
+wij peinzen, wij breken ons hoofd, mijn kind, want de goden hebben
+heden morgen geslapen, en wij moeten daarom dubbel wakker zijn.
+
+"Irene, onze lieve Irene!--wie had dat gisteren gedacht! Het zijn
+ellendige streken, waarvoor ik zelfs geen naam weet; en wat zullen
+we nu doen om dat gevreesde monster, dat wilde roofdier zijne buit
+te ontrukken, eer hij ons kind, ons lieve kind verslindt?--Dikwijls
+heb ik mij over mijne eigene domheid geërgerd, maar zóo dom, zóo
+godvergeten dom als heden, heb ik mij nog nooit gevoeld. Als ik
+nadenken wil, dan is het mij, als had men mij dit zware luik voor mijn
+hoofd genageld. Is bij u een denkbeeld opgekomen? Bij mij geen enkel,
+waarover de grootste ezel zich niet zou moeten schamen!"
+
+"Gij, weet dus alles?" vroeg Klea, "en ook, dat waarschijnlijk de
+vijand van onzen vader, Eulaeus, het arme kind door list verlokt
+heeft hem te volgen?"
+
+"Natuurlijk weet ik dit!" zeide Serapion, "Als er een schurkenstreek
+is uitgevoerd, is hij er zoo zeker bij als meel wanneer men brood
+bakt! Maar het bevreemdt mij, dat hij ditmaal zich door Euergetes heeft
+laten inspannen, de oude Philammon heeft mij alles verteld. Zoo straks
+kwam er een bode uit Memphis terug, en bracht een strookje papyrus,
+waarop een jammerlijke knoeier namens Philometor had geschreven,
+dat men aan het hof niets van Irene wist en zich zeer beklaagde dat
+Asklepiodorus zich niet ontzag een valsch spel met den koning te
+spelen. Zij denken er dus volstrekt niet aan, ons kind vrijwillig
+uit te leveren."
+
+"Dan zal ik doen wat mijn plicht is," zeide Klea vast besloten. "Ik
+ga naar Memphis en haal mijne zuster terug."
+
+De kluizenaar staarde het meisje verbaasd aan en zeide: "Welk een
+krankzinnig plan! Wilt gij uzelve in het verderf storten en hun in
+plaats van éen twee offers in handen spelen?"
+
+"Ik weet mij zelven te beschermen, en in Irene's zaak zal ik de
+hulp van Kleopatra inroepen. Zij is eene vrouw, en machtig en kan
+niet dulden...."
+
+"Wat ter wereld is er, dat zij niet zou kunnen verdragen, wanneer het
+haar voordeel of genoegen verschaft? Wie weet wat moois Euergetes
+haar beloofd heeft, als hij over ons meisje kan beschikken! Neen,
+bij Serapis, neen, Kleopatra zal u niet helpen.--Maar daar valt mij
+iets in.--Eén man zou ons ongetwijfeld kunnen helpen. Wij moeten ons
+wenden tot den Romein Publius Scipio, en het is niet moeielijk hem
+te bereiken."
+
+"Van hem," riep Klea blozend, "wil ik goed noch kwaad ontvangen. Ik
+ken hem niet en mag hem niet kennen."
+
+"Maar kind, kind!" zeide de kluizenaar, haar op ernstigen verwijtenden
+toon in de rede vallende, "weegt uw trots dan zooveel zwaarder dan uwe
+liefde, uw plicht en uwe zorg voor uwe zuster? Wat, bij alle goden,
+heeft Publius u aangedaan, dat gij hem zoo angstvallig vermijdt,
+alsof hij melaatsch ware? Alles heeft zijne grenzen, en thans, kom
+aan, het moet er maar uit, want het is nu geen tijd om zich blind te
+houden, wanneer men met beide oogen ziet wat er omgaat. Uw hart is
+vervuld van den Romein en gij gevoelt u tot hem getrokken, maar gij
+zijt een braaf meisje, en om dat te blijven ontvlucht gij hem. Want
+gij wantrouwt uzelve, en weet niet wat er zou gebeuren, wanneer hij
+eens zeide, dat ook hem de pijl van Eros getroffen had.
+
+"Wordt nu maar bleek en rood, en zie mij aan als ware ik uw vijand
+en als zwetste ik verachtelijken onzin. Veel zonderlinge dingen heb
+ik gezien, maar vóor u nog niemand, die enkel uit dapperheid laf is
+geworden, en daarbij past onder alle vrouwen die ik ken aan niemand
+vreesachtigheid zoo slecht als aan mijne vastberadene Klea. De stap
+dien gij zult doen is moeielijk, maar gesp een pantser om uw hart en
+waag het den Romein, die een braaf jonkman is, moedig te gemoet te
+gaan. Zeker, het zal u zwaar vallen hem iets af te smeeken, maar zult
+ge u door enkele schreden over scherpe steenen laten afschrikken? Daar
+staat ons arme kind aan den rand van den afgrond! Komt gij niet
+ter rechter tijd en met het rechte woord tot den eenige, die hier
+nog helpen kan, dan wordt zij in den zwarten poel nedergestooten,
+om daarin onder te gaan, dewijl hare moedige zuster te bevreesd was
+voor zichzelve."
+
+Klea had bij de laatste woorden van den kluizenaar de oogen
+nedergeslagen. Een tijdlang staarde zij somber en zwijgend voor zich;
+eindelijk zeide zij met bevende lippen, en zoo dof als moest zij
+haar eigen vonnis uitspreken: "Zoo zal ik dan den Romein om hulp
+smeeken! Maar hoe kan ik bij hem komen?"
+
+"Nu is mijne Klea weder geheel de dochter haars vaders," antwoordde
+Serapion, reikte haar uit het venstertje van zijne cel beide handen
+toe, en zeide toen verder: "Ik kan den moeielijken weg altijd wel
+wat voor u effenen. Gij kent toch mijn broeder Glaukus, die aan het
+hoofd staat van de politiewacht in het paleis? Ik zal u een woord van
+aanbeveling voor hem medegeven, en om u de taak wat gemakkelijker
+te maken, ook een kleinen brief aan Publius Scipio, die alles zal
+bevatten, waarom het te doen is. Wil Cornelius zelf u te woord staan,
+ga dan tot hem en vertrouw op hem, maar allermeest op uzelven.
+
+"Ga nu heen en wanneer gij de kruik nog eens gevuld hebt moet gij tot
+mij terugkeeren en den brief halen. Hoe vroeger gij kunt gaan des
+te beter, want ik acht het wenschelijk, dat gij voor het aanbreken
+van den nacht den weg door de woestijn, waarop in de duisternis aan
+gevaarlijke landloopers geen gebrek is, achter den rug hebt. Bij mijne
+zuster Leukippa, die in het tolhuis aan de groote haven woont, vindt
+gij, wanneer gij haar dezen ring vertoont, een gastvrije ontvangst
+en een nachtverblijf voor u, en als de hemelsche goden u helpen,
+ook voor Irene."
+
+"Ik dank u, vader," was het eenige wat Klea zeide, waarop zij hem
+met rassche schreden verliet.
+
+Serapion zag haar eerst vriendelijk na; toen nam hij twee met was
+bestreken blaadjes hout uit zijn kist, en schreef met een metalen
+stift op het eene een korten brief aan zijn broeder, op het andere
+eene langeren aan den Romein, die aldus luidde:
+
+"Serapion, de kluizenaar van Serapis, aan Publius Cornelius Scipio
+Nasica, den Romein.
+
+"Serapion groet Publius Scipio en deelt hem mede, dat de jongere
+zuster van Klea, de kruikdraagster Irene, uit den tempel verdwenen is,
+en wel, zooals hij vermoedt, door de list van uw beider vijand den
+briefschrijver Eulaeus, die schijnt te handelen op last van koning
+Ptolemaeus Euergetes. Tracht te weten te komen, waar Irene zich
+bevindt, en breng haar aan den tempel terug, of stel haar te Memphis
+onder de hoede mijner zuster Leukippa, de vrouw van den havenopzichter
+Hipparchus, die in het tolhuis woont. Serapis moge u en wat gij doen
+zult zegenen!"
+
+Toen Klea tot den kluizenaar terugkeerde, had deze juist zijn brief
+voltooid. Het meisje verborg dien in de borstplooien van haar gewaad,
+zeide haar vriend vaarwel en bleef ernstig en bedaard, terwijl Serapion
+haar met vochtige oogen het haar streelde, haar zijne zegewenschen
+medegaf, en haar ten laatste ook nog eene heilaanbrengende amulet,
+die zijne moeder had gedragen, om den hals hing. Het was een oog van
+bergkristal met een spreuk, die tegen kwaad beschermde.
+
+Zonder zich verder op te houden liep zij nu naar de tempelpoort,
+die zij ingevolge het bevel van den opperpriester gesloten vond. De
+wachter, de vader van den kranken Philo, zat daarnaast op een steenen
+bank, om de wacht te houden.
+
+Klea noodigde hem vriendelijk uit haar open te doen, maar de bezorgde
+beambte voldeed niet zoo dadelijk aan haar wensch. Hij herinnerde
+haar aan Asklepiodorus' strenge terechtwijzing, en deelde haar mede,
+dat ongeveer drie uren geleden de groote Romein verzocht had in den
+tempel gelaten te worden, maar dat hij op uitdrukkelijk bevel van
+den opperpriester was afgewezen. Hij had ook naar haar gevraagd en
+beloofd morgen weder te komen.
+
+Bij dit bericht vloog Klea het bloed naar het hoofd. Kon Publius even
+weinig nalaten aan haar te denken als zij aan hem, en had Serapion
+goed gezien?
+
+"De pijl van Eros," dit woord van den kluizenaar vloog haar, als ware
+het zelf een gevleugeld werktuig, door het gemoed, het verschrikte
+haar en deed haar toch goed, maar slechts voor een oogenblik, want
+reeds begon zij hare eigene zwakheid weder streng af te keuren,
+en huiverend moest zij zich zelve bekennen, dat zij op weg was den
+indringer na te loopen. Hetgeen zij ging ondernemen, stond haar in al
+zijne gewaagdheid voor den geest, en ware zij thans teruggekeerd, zoo
+zou het haar niet aan eene verontschuldiging in haar eigen binnenste
+hebben ontbroken, want de tempelpoort was gesloten en mocht voor
+niemand, ook voor haar niet, geopend worden.
+
+Een oogenblik gaf zij met welgevallen aan deze verleidelijke gedachte
+toe, maar zoodra zij weder aan Irene dacht, stond haar besluit op nieuw
+vast, en de poortwachter naderende, zeide zij op zeer beslisten toon:
+"Gij opent mij onverwijld de poort, want gij weet dat ik niet gewoon
+ben eenig kwaad te doen of dit in den zin heb. Wat ik u bidden mag,
+schuif dadelijk den grendel weg."
+
+De man, aan wien Klea zooveel goed had gedaan, tot wien de groote arts
+Imhotep heden nog gezegd had, dat zij de goede geest was van zijn huis,
+en dat hij haar als eene godheid moest eeren, volgde haar bevel op,
+hoewel schoorvoetende en niet zonder weerzin.
+
+De zware grendel week terug, de metalen deur werd geopend, de
+kruikdraagster trad naar buiten, wierp een donkeren sluier over het
+hoofd en begon hare wandeling.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Een geplaveide weg, met sphinxen aan beide zijden, leidde van den
+Griekschen Serapis-tempel naar de in rotsen uitgehouwene Apis-graven
+en de daarnaast en daarboven opgetrokken tempelgebouwen en kapellen,
+waarin de Osirische of gestorvene Apis-stier werd vereerd, die,
+zoolang hij leefde, te Memphis in den tempel van den god Ptah, aan
+wien hij geheiligd was, verpleegd en aangebeden werd [22]. Na zijn
+dood werd dit heilig dier, hetwelk zich door bijzondere kenteekenen
+onderscheidde, op buitengewoon kostbare wijze begraven. Men noemde
+het dier de verrezene Ptah en beschouwde het als eene afbeelding der
+ziel van Osiris, door wiens scheppende kracht al wat gestorven en
+vergaan was,--de mensch die was heengegaan, de verdorde plant en ook
+de hemellichamen na hun ondergang,--werd herboren en een nieuw leven
+ontving. De veranderingen, waaraan het schijnbaar vergaande onderworpen
+was tot dat het in nieuwe vormen herschapen werd, stonden onder de
+bescherming van Osiris-Sokari, die naast Osiris-Apis werd vereerd,
+en in de tempels, reeds in overoude tijden in zuiver Egyptischen stijl
+boven de graven der heilige stieren opgericht, verrichtten Egyptische
+priesters de godsdienstige plechtigheden.
+
+Maar ook de Grieksche dienaars van Serapis--eene godheid die door
+de Ptolemaeën uit Azië naar het Nijldal was overgebracht, om aan
+hunne Helleensche en Egyptische onderdanen een wezen ter vereering
+te geven, aan welks altaren zij zich tot een gemeenschappelijk gebed
+konden vereenigen--offerden, het voorbeeld van hunne vorsten volgende,
+gaarne aan Osiris-Apis, die niet alleen door zijn naam, maar ook door
+zijn innerlijk karakter zeer na aan Serapis verwant was. In kapellen,
+in Griekschen stijl opgetrokken buiten het Egyptische heiligdom,
+waarin steenen stierenbeelden stonden, dienden zij de tot Osiris
+geworden Apis, en lieten zich gaarne in de hoogere beteekenis van
+zijn wezen inwijden. Alle godsdienstige mysteriën in het Grieksche
+vaderland hadden toch ook betrekking op de onsterfelijkheid en het
+lot der zielen in eene andere wereld.
+
+Evenals twee tegenover elkander liggende steden door eene brug, zoo
+waren de Grieksche tempel van Serapis, waartoe de kruikdraagsters
+behoorden, met de Egyptische van Osiris-Apis door de fraai geplaveide
+processie-straat verbonden, waarop Klea thans voortliep. Er was een
+nadere weg naar Memphis, maar zij koos deze, omdat de zandheuvels aan
+beide zijden der met sphinxen bezette straat, die dagelijks van het
+woestijnzand moest schoongeveegd worden, haar aan de blikken harer
+tempelgenooten onttrokken. Van een met borstbeelden van wijsgeeren
+versierd halfrond in de nabijheid van den hoofdingang der nieuwere
+Apis-graven, leidde ook de beste en veiligste weg naar de stad.
+
+Zij keek noch naar de leeuwenlichamen met menschenhoofden ter
+zijde van den weg, noch naar de dierengestalten op den muur die hem
+begrensde; zij sloeg geen acht op de donkerkleurige tempelslaven
+van Osiris-Apis, die het plaveisel met groote bezems aanveegden,
+want zij dacht slechts aan Irene en hare zware taak, en liep haastig
+voort met nedergeslagen oogen.
+
+Maar reeds nadat zij enkele schreden had afgelegd, werd zij vlak
+in hare nabijheid bij den naam geroepen, en toen zij verschrikt de
+oogen opsloeg, stond de kleine smid Krates voor haar, die op haar
+toetrad, haren sluier greep, die een weinig op zijde schoof eer zij
+het verhinderen kon, en vroeg: "Waar gaat gij heen, meisje?"
+
+"Houd mij niet op," smeekte Klea. "Gij weet dat Irene, waarvoor gij
+zoo goed zijt, geroofd is; misschien kan ik haar redden. Maar wanneer
+gij mij verraadt en zij mij volgen..."
+
+"Ik zal u niet belemmeren," sprak de oude man, haar in de rede
+vallende. "Ja als ik niet zulke gezwollen voeten had, dan ging ik met
+u, want ik kan dat arme lieve schepsel maar niet vergeten. Maar ik
+zal blij zijn, als ik weder in mijne werkplaats stil kan gaan zitten,
+want het is precies alsof er in elk mijner groote teenen zulk een
+fabrikant huist als ik ben, en hij daarin bezig is met vijlen, hamers,
+beitels en spijkers. Misschien zal het u toch wel gelukken uwe zuster
+te vinden, want eene listige vrouw is dikwijls geslaagd in hetgeen
+voor wijze mannen te moeilijk was. Ga nu heen, en al zoeken zij ook
+naar u, de oude Krates zal u niet verraden."
+
+Hij knikte Klea vriendelijk toe, en had haar reeds half den rug
+toegekeerd, toen hij zich nog eens omwendde en haar toeriep: "Wacht nog
+een oogenblik, meisje, gij kunt mij een kleinen dienst bewijzen. Ik
+heb zoo straks het nieuwe slot in de deur der Apis-groeve daar ginds
+ingezet. Het is mij zeer goed gelukt, maar aan den eenen sleutel,
+dien ik maakte, heb ik niet genoeg; wij moeten er vier hebben. Wees
+gij zoo goed ze uit mijn naam tegen overmorgen te bestellen bij den
+slotenmaker Heri, die voor de poort van den Sokari-tempel woont, links
+naast de brug over het kanaal. Gij kunt hem niet missen. Even gaarne
+als ik iets nieuws uitvind en maak, even afkeerig ben ik van namaken,
+en naar een voorbeeld werken kan Heri evengoed als ik. Weigerden
+mijne beenen mij hun dienst niet, dan deed ik zelf deze bestelling,
+want wie altijd door den mond van een ander spreekt, wordt dikwijls
+verkeerd of in het geheel niet begrepen."
+
+"Ik wil u gaarne dien weg uitwinnen," antwoordde Klea, terwijl de smid
+zich op het voetstuk van een der sphinxen aan den weg nederzette, de
+lederen tasch, die aan zijne zijde hing, afnam en den inhoud in zijn
+schoot uitschudde. Er kwamen eenige vijlen, beitels en spijkers te
+voorschijn, vervolgens de sleutel en eindelijk ook een scherp puntig
+mes, waarmede Krates de holte voor het slot in het hout van de deur
+gesneden had.
+
+Hij deed nog eenige vijlstreken aan het model voor den handwerksman
+in Memphis, terwijl hij in zichzelven bromde en het hoofd ontevreden
+heen en weer schudde, en zeide ten laatste: "Gij dient mij toch nog
+even naar de deur te volgen, want ik verlang van anderen nauwkeurig
+werk en moet daarom ook streng zijn voor mijzelven."
+
+"Maar ik moet in Memphis zijn, voor het donker wordt," zeide Klea.
+
+"Het zal maar een oogenblik duren, en als gij mij een arm aanbiedt,
+gaat het eens zoo snel. Daar zijn de vijlen en daar is het mes."
+
+"Geef mij dat mes," vroeg Klea. "Dit wapen is spits en blank, en
+toen ik het zag, was het mij als werd mij ingefluisterd, dat ik
+het mede moest nemen. Misschien moet ik in den nacht alleen door
+de woestijn...."
+
+"En," ging de smid voort, "ook de zwakke gevoelt zich sterker, als
+hij een wapen bezit. Steek dat mes maar bij u, mijn kind, doch wees
+voorzichtig, dat gij uzelve er niet mede kwetst. Kom, laat ik u nu
+een arm geven en dan altijd voorwaarts, maar toch niet al te snel."
+
+Klea bracht den smid voor de door hem aangewezene deur, zag met
+bewondering hoe juist de grendel voorsprong, wanneer men den eenen
+deurvleugel tegen den anderen wierp, en hoe gemakkelijk de sleutel
+dien weder terugschoof. Daarna bracht zij Krates naar de sphinx terug,
+waarbij zij hem ontmoet had, en zette vervolgens met rassche schreden
+haar weg voort, want de zon stond reeds zeer laag, en het scheen
+bijna niet mogelijk Memphis te bereiken vóor zij zou zijn ondergegaan.
+
+In de nabijheid van een herberg, die gewoonlijk door soldaten en
+slecht volk werd bezocht, kwam haar een dronken slaaf tegen. Zonder
+schroom naderde zij hem en ging hem voorbij, want het mes in haar
+gordel, waarvan zij het heft in de hand hield, sterkte haar moed,
+en het kwam haar voor, als had zij daarmede eene derde hand gewonnen,
+die krachtiger en minder vreesachtig was dan hare eigene.
+
+Voor de herberg was eene afdeeling soldaten gelegerd, die zich den
+wijn van Kakem, die hier wies aan de oostelijke helling des heuvels
+van het Lybische gebergte, voortreffelijk lieten smaken. Deze lieden
+waren zeer vroolijk, want nadat zij maanden lang als wachters voor de
+Apis-graven en voor de tempels in de Necropolis gelegen hadden, was
+er heden middag plotseling een aanvoerder der Diadochen uit Memphis
+gekomen, met het bevel om terstond op te breken, ten einde vóor den
+nacht de residentie binnen te trekken. Eerst den volgenden morgen
+zouden zij door andere soldaten afgelost worden.
+
+Dit alles vernam Klea van een bode van den Egyptischen tempel in de
+doodenstad, die haar herkende en naar Memphis ging, om, ingevolge een
+opdracht der priesters van Osiris-Apis en Osiris-Sokari een schrijven
+aan den koning over te brengen, waarin verzocht werd de opgeroepen
+soldaten spoedig door andere troepen te vervangen. Een tijdlang ging
+zij met den bode mede, maar weldra kon zij den hardlooper niet meer
+bijhouden, en was zij genoodzaakt achter te blijven.
+
+Voor een tweede herberg zaten de bevelhebbers der soldaten, wier
+getier zij zooeven bij de eerste had gehoord. Al drinkende keken zij
+naar den dans van twee Egyptische deernen, die bij hun dolle sprongen
+giggelden als kakelende hoenders, en zoo zeer de aandacht wisten
+te boeien van hare toeschouwers, die met in de handen te klappen de
+maat voor haar sloegen, dat Klea, die zich voortspoedde, deze wilde
+gezellen ongemerkt voorbijkwam.
+
+Dat soldatenleven, en alles wat haar op den landweg ontmoette, maakte
+de jonkvrouw, die aan de stilte en het rustige leven in den tempel
+van Serapis gewend was, beangst. Daarom sloeg zij een zijpad in,
+dat ook moest leiden naar de stad, die zij reeds met hare pylonen,
+haar burcht en hare huizen, met een avondnevel omsluierd, vóor zich
+zag liggen. In een kwartier zou zij de woestijn wel achter zich
+en het akkerland bereikt hebben, welks blauwgroene oppervlakte al
+donkerder en donkerder werd gekleurd. Achter haar ging de zon achter
+de Lybische bergen onder en weldra--want de schemering duurt kort in
+Egypte--omgaf haar de duisternis van den nacht.
+
+De westenwind, die reeds des morgens was opgestoken, begon feller
+te waaien en vervolgde haar met zijn heeten gloed en het zand, dat
+hij uit de woestijn medevoerde. Thans moest ze in de nabijheid van
+water zijn, want zij hoorde de roerdompen fluiten en meende vochtige
+lucht in te ademen. Nog enkele schreden: daar zonk haar voet in slib
+en zij bemerkte nu, dat zij voor een breede gracht stond, waaruit
+papyrus-stengels hoog opschoten. Het zijpad dat zij had ingeslagen liep
+op dit plantsoen uit en haar bleef niet anders over dan om te keeren,
+en tegen den wind en het haar in het aangezicht waaiende stof in,
+hare wandeling voort te zetten.
+
+Het licht van de herberg wees haar de richting, die zij moest volgen,
+want de maan stond wel aan den hemel, maar er dreven donkere wolken,
+die telkens haar licht onderschepten en de kleinere hemellichten
+voor eenige seconden bedekten. Zij gevoelde nog geene vermoeidheid,
+maar het geschreeuw der mannen en het heesche gejuich der vrouwen,
+dat haar uit die kroeg tegenklonk, vervulde haar weder met angst en
+afschuw. Door zandduinen wadende, en haar kleed ophalende aan distels
+en doornen, die in de woestijn welig wortel hadden geschoten en daarin
+even welig waren opgegroeid als kinderen in het huis van den bedelaar,
+maakte zij een grooten omweg om de herberg heen.
+
+Toen zij vervolgens op den grooten weg voortijlde, meende zij nog
+altijd dit afschuwelijk gelach en de schrille vreugdekreten der
+danseressen te vernemen. Haar bloed stroomde sneller door de aderen,
+haar hoofd gloeide; zij zag Irene voor zich, zoo duidelijk alsof zij
+haar tasten kon, met loshangende haren en fladderende kleederen, als
+eene Maenade bij de Dionysosfeesten in dollen rondedans uit de armen
+van den een in die van den ander vliegen, en hoorde haar waanzinnig
+gillen en schreeuwen als die ongelukkige meisjes, waarvoor zij uit den
+weg was gegaan. Zij gevoelde zich door zulk een onbeschrijfelijken
+angst voor hare zuster aangegrepen, als zij nog nooit te voren had
+ondervonden, en daar zij den wind nu weder in den rug had, liet zij
+zich maar voortstuwen, zette het op een loopen, ja vloog, zonder om
+te zien en te denken aan hetgeen de smid Krates haar had opgedragen,
+als door Erinnyen gedreven de stad in en den met boomen beplanten weg
+langs, die, gelijk zij wist, op de poort van den koningsburcht uitliep.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Vóor de hooge poort van het koninklijk paleis zat een groot getal
+smeekelingen, die hier gewoonlijk van den vroegen morgen tot laat in
+den nacht wachtten, totdat men hen in het paleis riep om het antwoord
+te ontvangen op de verzoekschriften, die zij hadden ingeleverd.
+
+Klea gevoelde zich, toen zij het doel van haar tocht bereikt had, zoo
+geheel van streek en uitgeput, dat zij behoefte gevoelde om wat uit te
+rusten en tot zichzelve te komen, en daarom zette zij zich onder deze
+lieden neder, naast eene vrouw uit Opper-Egypte. Nauwelijks had zij
+met een zwijgenden groet deze plaats ingenomen, of hare praatlustige
+buurvrouw begon met groote uitvoerigheid te vertellen, waarom zij
+naar Memphis was gekomen, en hoe onrechtvaardig de rechters, die met
+haar slechten man gemeene zaak maakten, want de mannen spanden altijd
+tegen de vrouwen samen, haar alles ontzegd hadden, wat volgens het
+huwelijkscontract haar en haren kinderen gewaarborgd was. Reeds twee
+maanden, zeide zij, wachtte zij van 's morgens vroeg tot 's avonds
+laat voor de hooge poort, en verteerde zij in deze dure stad hare
+laatste penningen. Doch dit was haar onverschillig, en als het niet
+anders kon, zou zij ook hare gouden sieraden verkoopen, want eens zou
+haar zaak toch wel voor den koning komen, en dan zou dien slechten
+kerel en zijne medeplichtigen wel aan het verstand worden gebracht,
+wat recht is.
+
+Klea luisterde niet veel naar dit verhaal. Zij verkeerde ten opzichte
+van die vrouw in den toestand van iemand, die het niet verhinderen kan,
+dat een ander hem water, altijd weder water over het hoofd stort. Ten
+laatste begon de vrouw te bespeuren, dat de nieuw aangekomene in het
+geheel niet op haar klacht lette. Zij tikte haar daarom eens tegen
+den schouder en zeide: "Gij schijnt u uitsluitend met uwe eigene
+aangelegenheden bezig te houden. Deze zijn zeker niet van dien aard,
+dat men ze anderen vertellen kan. Met mijne zaken is het in dit
+opzicht beter gesteld."
+
+Het stemgeluid, waarmede deze volzinnen werden gesproken, was zoo
+eentonig en daarbij zoo scherp, dat het Klea hinderde. Zij stond
+dus haastig op, om naar de poort te gaan. De vrouw riep haar nog
+een onvriendelijk woord achterna, doch zij sloeg er geen acht op,
+trok den sluier dichter voor haar gezicht, en trad door de poort
+een ruimer hof binnen, door pekpotten en fakkels helder verlicht,
+waar het wemelde van voetknechten en bereden manschappen. De wacht
+van de poort had haar waarschijnlijk niet opgemerkt, misschien ook
+haar ongemoeid voorbij laten gaan, omdat zij zoo trotsch voortliep. De
+vele krijgsknechten, die zij nu voorbijging, schenen het zoo druk te
+hebben met hunne eigene zaken, dat niemand hunner acht op haar sloeg.
+
+In een smallen door lantarens verlichten gang, die naar een tweeden hof
+leidde, kwam haar een krijgsman te paard tegen, een van de lijfwachten,
+die men Philobasilisten noemde. Het was een jong overmoedig gezel, met
+gele rijlaarzen, en met een pantserhemd over den rooden wapenrok. Hij
+merkte haar op en trachtte haar met zijn paard tegen den muur te
+dringen. Reeds strekte hij de hand uit, om haar den sluier van het
+gezicht te trekken, doch Klea ging voor hem uit den weg en weerde
+met de handen den kop van het paard af, dat haar bijna aanraakte.
+
+De ruiter, die vermaak had in haar vrees, riep haar toe: "Blijf gerust
+staan, hij is niet boos."
+
+"Uw paard of gij?" vroeg Klea en legde daarbij zulk een ernst in haar
+stem, dat de lijfwacht een oogenblik van zijn stuk raakte en haar
+daardoor tijd liet zich uit de nabijheid van het paard te verwijderen.
+
+Maar het bitse woord van de jonkvrouw had den jongen en verwenden
+krijgsman geërgerd, en hoewel hij zelf geen tijd had om haar te
+vervolgen, riep hij toch eenige Cyprische soldaten, die het angstige
+meisje voorbij wilden gaan toe, om hen tegen haar op te hitsen:
+"Kijkt die deerne toch eens onder den sluier, kameraden, en als zij
+er zoo aardig uitziet als zij rank is gebouwd, dan wensch ik u geluk
+met deze vangst."
+
+Hierop drukte hij lachend de enkels tegen den buik van zijn vospaard,
+en draafde langzaam weg, terwijl de Cyprische soldaten Klea opzettelijk
+tijd lieten den tweeden hof binnen te gaan, die nog helderder verlicht
+was dan de eerste, om haar dáar met uitgelaten onbeschaamdheid op
+het lijf te vallen. Het was der hulpelooze en vervolgde als stolde
+haar het bloed in de aderen, en gedurende enkele oogenblikken zag zij
+niets dan een warreling van fonkelende oogen en wapens, van baarden
+en handen, hoorde zij enkel woorden en geluiden, waarvan zij niets
+begreep en alleen wist, dat ze afschuwelijk en ontzettend waren,
+misschien haar met dood en verderf dreigden. Zij hield de armen over
+haar borst gekruist, maar opeens hief zij de handen omhoog om haar
+aangezicht te bedekken, want zij voelde dat een krachtige hand haar
+den sluier van het hoofd rukte.
+
+Deze daad van geweld veranderde hare ontzetting in toornige opwinding,
+en met bliksemende oogen hare gebaarde tegenstanders opnemende,
+riep zij: "Schaamt u, dat gij in 's konings eigen huis als wolven
+eene weerlooze vrouw overvalt, dat gij op eene vreedzame plaats eene
+jonkvrouw den sluier van het hoofd rukt. Uwe moeders mogen zich over
+u schamen, en uwe zusters 'foei' roepen zooals ik thans doe."
+
+Verrast door Klea's indrukwekkende schoonheid, verschrikt door den
+toornigen glans harer oogen en den diepen toon harer stem, die van
+aandoening trilde, waren de Cypriërs voor haar achteruitgegaan. Doch
+de woesteling, die haar den sluier van het hoofd had getrokken, trad
+weder naar haar toe en zeide: "Wie zal om een armzaligen sluier zooveel
+leven maken! Wilt ge mijn schatje zijn, dan koop ik u een nieuwen,
+en nog ander moois bovendien!"
+
+Hij beproefde tegelijk zijn arm om haar middel te slaan. Doch bij
+die aanraking gevoelde zij dat haar aangezicht doodsbleek en hare
+oogen bloedrood werden, en terzelfdertijd vatte hare hand door eene
+onweerstaanbare macht gedreven, den greep van het mes, dat de smid
+Krates haar geleend had, haalde het te voorschijn, hield het met
+sidderenden arm in de hoogte en riep: "Blijf van mij af, of bij
+Serapis, in wiens dienst ik sta, ik vel u neder."
+
+De soldaat, wien deze bedreiging gold, was de man niet, om zich door
+een stuk ijzer in de hand eener vrouw schrik te doen aanjagen. Met
+een snelle beweging greep hij haar pols, om haar te ontwapenen, maar
+ofschoon Klea het mes moest laten vallen, zoo bleef zij toch tegen hem
+worstelen, teneinde zich uit zijn vuist los te wringen. Deze strijd
+van een man tegen eene vrouw, die toch meer scheen te zijn dan hare
+armoedige kleeding deed vermoeden, kwam ook den meesten Cypriërs zoo
+onwaardig voor, en zoo misplaatst in het koninklijk paleis, dat zij
+hun metgezel van Klea losrukten, terwijl weder anderen den roover,
+die zich dapper verweerde, te hulp kwamen.
+
+Terwijl beide partijen onder groot geschreeuw handgemeen werden,
+hijgde Klea naar adem. Haar aanvaller, dien men op den grond trachtte
+te krijgen, hield nog altijd met zijn linkerhand haar pols vast,
+terwijl hij zich met den rechter tegen zijne gezellen verweerde. Zij
+trachtte èn door geweld èn door list zich los te wringen, want te
+midden van het uiterste gevaar en in den opgewonden toestand, waarin
+zij verkeerde, was het haar als had eene windvlaag plotseling allen
+schroom uit hare ziel verjaagd. Zij was weder in staat haar toestand
+duidelijk en met zekerheid te overzien. Als hare hand vrij was,
+dan kon zij wellicht partij trekken van het gevecht der soldaten en
+hier of daar door eene opening heensluipen. Twee-, drie- en viermaal
+beproefde zij door een snellen ruk hare hand los te wringen uit de
+vingers die haar omknelden, doch te vergeefs.
+
+Daar werd opeens aan haar voet een luide langgerekte kreet geslaakt,
+die door de hooge muren van den hof werd weerkaatst en op hetzelfde
+oogenblik voelde zij, hoe de vingers van den aanvaller langzaam en
+éen voor éen haar arm loslieten, als sandalenriemen, die een arts
+behoedzaam om een gebroken enkel losmaakt.
+
+"Die heeft zijn deel," riep de oudste onder de Cypriërs, "zoo schreeuwt
+men maar eens in zijn leven! Waarachtig, de dolk zit dicht onder de
+negende rib. Onzinnige! Dat zijt gij weder Lykos, gij woedende wolf!"
+
+"Hij heeft mij al vechtende diep in de vingers gebeten..."
+
+"Het is altijd om vrouwen, dat gij elkander het vel over de ooren
+haalt," ging de oude voort, den ander in de rede vallende, zonder op
+diens verontschuldiging acht te geven. "Ik heb het ook eens niet beter
+gemaakt, en niemand kan er iets aan doen. Maakt nu dat gij wegkomt,
+want wanneer de Epistrateeg [23] te weten komt, dat wij weder met
+dolken aan den gang zijn geweest...."
+
+De Cypriër had nog niet uitgesproken, en zijne landslieden maakten
+zich juist gereed om het lijk van hun kameraad op te tillen, toen eene
+afdeeling van de politiewacht in gesloten gelederen, uit den gang,
+waarvóor de strijd om het meisje begonnen was, den hof binnenstormde en
+hun, die zich gereed maakten te ontvluchten, den weg versperde. Want
+allen die naar buiten wilden, moesten dien poortgang door, waarin
+Klea door den ruiter was tegengehouden. Elke andere uitgang van den
+tweeden burchthof voerde naar de sterk bewaakte tuinen en gebouwen
+van het eigenlijk gezegde koninklijk paleis.
+
+Het getier, waarvan Klea de aanleiding was, en de kreet van den
+verwonde had de politiewacht doen toesnellen. Weldra waren de
+Cypriërs en het meisje door haar omsingeld en werden zij door een
+nauwen zijweg in den hof der gevangenissen gebracht. Na een kort
+verhoor liet men de gevangen genomen manschappen onder bedekking
+naar hun phalanx brengen, en Klea volgde gaarne den bevelhebber der
+wacht naar eene minder helder verlichte plek van het gevangenisplein,
+want zij herkende in hem terstond den broeder van den kluizenaar,
+Glaukus. Hij herkende wederkeerig in haar de dochter van den man,
+die voor zijn vader alles had gedaan en opgeofferd, en dien hij
+menigmaal in den tempel van Serapis had gegroet en gesproken.
+
+"Wat ik vermag," zeide deze man, die nog langer was dan zijn broeder,
+maar minder breed, nadat hij het briefje van den kluizenaar gelezen en
+Klea hem op een aantal vragen geantwoord had, "wat ik vermag, dat wil
+ik volgaarne voor u en uwe zuster doen, want ik ben niet vergeten,
+wat wij uw vader verschuldigd zijn; maar ik moet het betreuren,
+dat gij u in zulk een gevaar hebt begeven, want het is voor eene
+schoone jonkvrouw altijd bedenkelijk dit paleis op zulk een laat
+uur te betreden. En heden vooral, want het wemelt in de voorhoven
+van krijgsvolk, niet enkel van Philometor maar ook van zijn broeder
+Euergetes, wiens troepen hierheen gekomen zijn ter eere van zijn
+geboortedag. De lieden zijn goed onthaald, en een soldaat die aan
+Dionysos heeft geofferd, grijpt naar de gaven van Eros en Aphrodite
+waar hij ze vindt. Ik zal den brief van mijn broeder aan den Romein
+Publius Cornelius Scipio terstond doen toekomen, maar wanneer gij
+zijn antwoord wilt ontvangen, zult gij wel doen u te laten brengen
+naar mijne vrouw of zuster, die in de stad wonen, en bij de een of
+de ander, den dag van morgen af te wachten. Hier kunt gij geen minuut
+veilig zijn en staat gij aan allerlei plagerijen bloot, wanneer ik u
+verlaat.--Wat moet ik nu doen?--Ik weet er iets op. De eenige veilige
+plaats, die ik u kan aanbieden, is de gevangenis daarginds. De kamer,
+waarin men onderbevelhebbers opsluit, die iets misdreven hebben,
+staat juist ledig en daar zal ik u inbrengen. Het vertrek wordt altijd
+schoon gehouden en gij vindt er ook een bankje in."
+
+Klea volgde den man, die, blijkens de haast waarmede hij handelde,
+in gewichtige bezigheden gestoord was, naar de gevangenis, die zij in
+weinige schreden bereikte, verzocht Glaukus haar het antwoord van den
+Romein zoo mogelijk spoedig over te brengen, verklaarde zich gaarne
+bereid om in donker te blijven, daar zij inzag dat het lamplicht
+haar verraden kon, en zij voor de duisternis niet bevreesd was, en
+liet zich daarna opsluiten. Toen zij hoorde hoe de ijzeren grendel
+knarsend in de metalen holte werd geschoven, voer haar eene lichte
+rilling door de leden, en hoewel de kamer, waarin zij zich bevond,
+niet slechter of kleiner was dan de woning van haar en hare zuster in
+den Serapis-tempel, gevoelde zij zich toch beklemd, want het was haar,
+alsof iets, waaraan zij geen naam kon geven, hare ademhaling beklemde,
+terwijl zij tot de overtuiging kwam, dat zij was opgesloten, en de
+vrijheid miste om te komen en te gaan naar goedvinden.
+
+Door het eenige tralievenster van hare gevangenis, dat op den hof
+uitzag, drong een mat licht naar binnen, waarbij zij een kleine bank
+van palmtakken onderscheiden kon. Daarop zette zij zich neder, om de
+rust te zoeken die zij zoo noodig had. Elke onaangename gewaarwording
+maakte langzamerhand plaats voor het thans ontwakend gevoel van
+verkwikking, en reeds begon de herinnering aan de ontzettende
+oogenblikken, die zij zoo straks had doorleefd, zich te paren met
+vertrouwen en blijde hoop, toen het voor de gevangenis levendiger
+werd en zich daar buiten paardengetrappel en kommando's lieten hooren.
+
+Zij stond van haar bank op en zag hoe twintig ruiters ongeveer,
+in wier vergulde helmen en pantsers het licht der lantarens zich
+weerspiegelde, den uitgestrekten hof van menschen schoonveegden. Als
+de vlammen het wild op eene brandende heide, zoo dreven zij die voor
+zich uit en drong ze naar een anderen hof, om daar weder hetzelfde te
+doen. Althans Klea hoorde ze daar evenals hier luide roepen: "In naam
+des konings!" Eindelijk keerden de ruiters terug en schaarden zich
+tien aan tien aan elk der beide toegangen van den hof als wachtposten.
+
+Dit voor haar zoo geheel nieuw schouwspel zag Klea niet zonder
+belangstelling aan, en toen een der edele rossen, door het licht der
+lantarens verblind, schichtig werd en op zij sprong, keer op keer
+steigerde en zijn berijder dreigde af te werpen, terwijl deze het
+wist in toom te houden, en ten laatste tot staan dwong, veranderde
+die Macedonische krijgsman voor haar in Publius, die zeker niet minder
+goed dan deze een paard kon bedwingen.
+
+Nauwelijks was het door de lijfwacht schoongeveegde plein door alle
+menschen verlaten, of iets nieuws boeide Klea's aandacht. Eerst hoorde
+zij voetstappen in een vertrek, dat aan hare gevangenis grensde. Daarop
+vielen heldere lichtstralen door de fijne spleten van den dunnen wand,
+die haar verblijf van dit andere vertrek scheidde. Vervolgens werden
+de beide vensters, die zich naast de hare bevonden, met zware luiken
+gesloten. Toen sleepte men zetels of banken aan en plaatste allerlei
+voorwerpen op een tafel. Eindelijk werd de deur van dit vertrek zoo
+heftig opengerukt en toegeslagen, dat ook de deur, waarmede haar kamer
+gesloten was, klepperde, en de bank waarnaast zij stond, wankelde.
+
+Op hetzelfde oogenblik riep een zware klankrijke stem, onder luid
+gelach uit volle borst: "Een spiegel, geef een spiegel, Eulaeus! Bij
+den hemel, ik zie er niet uit naar gevangeniskost, maar wel als
+iemand, wiens groote kop vervuld is van goede aanslagen, als een
+die zijn tegenstander met een enkelen greep verworgt en ieder stuk
+buit ras verteert, om eer de strop hem om den hals wordt gelegd,
+in ieder uur, dat hem rest, zooveel te genieten als een ander in
+een ganschen dag! Zoo waar ik Euergetes heet, mijn oom Antiochus,
+die zich zoo gaarne onder het volk begaf, had wel gelijk.
+
+"Al die blinkende ledepoppen, die ons koningen omgeven, omhangen,
+evenals ieder deel van hun lichaam, ook elke uitdrukking van krachtig
+gevoel, als het ware met een sluier, en men zou duizelig worden
+als men bedenkt, dat men, om niet bedrogen te worden, elk woord dat
+men hoort--en, o wee! wat al woorden heeft men te hooren--in zijn
+eigen geest omzetten moet. Het gepeupel daarentegen, dat zich al
+zeer gekleed acht, wanneer het een doorzichtig schort om de heupen
+hangt, is er beter aan toe. Wanneer zulk een naakte wijze, die al wat
+hij bezit bij zich draagt, eens tot een ander van zijn slag zegt:
+gij zijt een hond! dan geeft deze hem als antwoord een slag met de
+vuist in het gezicht. Duidelijker kan het niet! Wanneer daarentegen
+tot hem gezegd wordt: gij zijt een prachtige kerel! dan gelooft hij
+het onvoorwaardelijk en heeft recht het te gelooven.
+
+"Hebt gij gezien hoe die ineengedrongen kleine kerel met zijn wipneus
+en zijne kromme beenen, die zoo breed als lang is, grinnikend van
+pleizier zijne tanden liet zien, toen ik zijn vaste hand prees? Zoo
+lacht een hyena, en ieder goed huisvader noemt dien kerel een
+godvergeten monster. Maar hoe hoog moet hij niet in de gunst staan
+der hemelsche goden, die hem zulk een onberispelijk gebit in den mond
+hebben gestoken, en zoo goed waren het hem vijftig jaren--want zoo
+oud zal die brave man wel zijn--te laten houden. Als deze gezel zijn
+dolk breekt, dan bijt hij zijn offer nog met de tanden dood gelijk
+de vos een eend, of hij slaat hem met de vuisten de beenen doormidden."
+
+"Maar, mijn vorst," antwoordde de eunuuch Eulaeus aan koning
+Euergetes--want deze beiden waren het aangrenzend vertrek
+binnengetreden--droogjes en met een ernst die bij zaken past,
+"die kleine magere Egyptenaar met zijn dun sluik haar is nog
+onverschrokkener, taaier en leniger, en daarom nog wel zooveel
+waard als zijn metgezel. De eene werpt zich terstond met geweld op
+zijne buit, als een rotsblok dat van een dak valt, de ander slaat hem
+onvoorziens den gifttand in het vleesch, als een in het gras verborgen
+adder. De derde, van wien ik goede verwachting had, is eergisteren
+buiten mijn weten een kop kleiner gemaakt, maar het paar, dat gij zoo
+genadig zijt geweest zelf te monsteren, is voldoende. Zij mogen noch
+dolk noch lans gebruiken, maar met strikken en haken en vergiftige
+priemen, die wonden veroorzaken als de steek van een adder, bereiken
+zij even gemakkelijk hun doel. Men kan zich op deze knapen verlaten."
+
+Wederom lachte Euergetes luide en zeide: "Welk een kritiek! Juist
+alsof deze bloedhonden treurspelers waren, van welke de een door
+vuur en hartstocht, de ander door de fijnheid zijner opvatting meer
+indruk weet te maken. Dat noem ik onbevooroordeeld zijn! Maar waarom
+zou men ook in het moorden niet groot kunnen wezen!
+
+"Uit welken beulsstrop hebt gij den hals van den eenen gehaald? Op
+welk blok heeft de kop van den ander gelegen, toen ge hem vondt?--Het
+uur, waarin men wat nieuws ontdekt, behoort tot de goede gerekend te
+worden, en bij Herakles, zulke kerels heb ik in mijn leven nog niet
+ontmoet. Het berouwt mij niet hen gezocht, en als ware ik huns gelijke,
+met hen verkeerd te hebben.
+
+"Neem mij nu dien gescheurden rok van het lijf en verleen mij uw hulp
+om mij te verkleeden. Eer ik aan het gastmaal ga, wil ik mij eerst
+nog eens haastig in mijn bad werpen, want ik gevoel iets onaangenaams
+over al mijn leden. Het is mij alsof ik door de aanraking met dat
+volkje besmet ben geworden. Daar liggen mijne kleederen en mijne
+sandalen. Bind ze mij aan en vertel onder de hand, hoe gij den Romein
+in het net lokt."
+
+Klea kon ieder woord van dit schrikkelijk onderhoud verstaan,
+en huiverend hield zij daarbij de hand tegen het voorhoofd, want
+het kostte haar moeite aan de werkelijkheid te gelooven van de
+voorstellingen, die haar thans voor de oogen werden gebracht. Waakte
+zij, of droomde zij een afgrijselijken droom? Zij wist het niet en
+begreep van alles wat zij hoorde ternauwernood de helft, tot de naam
+van den Romein werd genoemd. Het was haar als werd haar een scherp
+lancet door het hoofd gestoken, dat hare hersenen dwars doorboorde
+van de rechter naar de linkerzijde, toen plotseling de gedachte bij
+haar opkwam, dat die verscheurende dieren in menschelijke gedaante
+door Eulaeus zouden worden losgelaten tegen hem, tegen Publius,
+en weder werd met het oog op zoo iets ongehoords en ontzettends,
+alles weder helder voor haren geest.
+
+Zij sloop zoo zacht mogelijk naar de spleet van den wand, waardoor
+de breedste lichtstraal viel in haar donker vertrek, bracht haar oor
+vóor de opening en zoog nu, als een versmachtende in de woestijn het
+walglijkst water van een zoutachtig meer, in vreeselijke spanning,
+lettergreep voor lettergreep het bericht in, dat de eunuuch gaf
+aan zijn misdadigen vorst, die hem vaak met tegenwerpingen, met
+woorden van bijval of met even in lachen uit te barsten in de rede
+viel. Wat zij vernam was wel geschikt haar half waanzinnig te maken,
+maar hoe meer hetgeen zij hoorde over bepaalde daadzaken liep, des
+te scherper luisterde zij toch, des te meer spande zij zich in om
+hare tegenwoordigheid van geest te behouden.
+
+In haar eigen naam had Eulaeus den Romein uitgenoodigd, zich tegen
+middernacht in de woestijn te laten vinden op eene bepaalde plaats in
+de nabijheid der Apis-graven. De eunuuch herhaalde de woorden, die hij
+met dit doel op een scherf had geschreven, en waarbij Publius dringend
+werd verzocht geheel alleen op de aangewezen plaats te verschijnen,
+want in den tempel mocht zij niet met hem spreken. Ten laatste werd
+hij verzocht haar op de achterzijde van de scherf zijn antwoord mede
+te deelen.
+
+Klea had, toen zij de woorden vernam die de booswicht haar in den
+mond legde, liefst aan haar gevoel van angst, schaamte en toorn in
+luid snikken lucht gegeven, maar het kwam er nu op aan de ooren wijd
+open te houden, want Euergetes vroeg zijn afschuwelijk werktuig:
+"En hoe luidde het antwoord van Cornelius?"
+
+De eunuuch had zeker den koning het scherfje overhandigd, want de
+laatste barstte in luid gelach uit en riep: "Hij loopt dus in den val,
+komt dus op zijn laatst een half uur na middernacht, en laat Klea van
+hare zuster Irene groeten. Hij doet aan minnarijen en schaken in het
+groot en koopt de kruikdraagsters bij paren als duiven op de markt
+of sandalen in een schoenmakerswinkel.--Zie eens, hoe die stumpert
+Grieksch schrijft! Daar maakt hij me in die weinige regels nog twee
+fouten, twee echte schooljongens fouten!
+
+"Die knaap heeft heden een al te gelukkigen dag, dan dat hij,
+overeenkomstig de slechte gewoonte der goden, om de hand, waarmede
+zij hare gunstelingen lang geliefkoosd hebben, in een slaande vuist te
+veranderen, niet op een slechten avond zou mogen rekenen. Amalthea's
+[24] hoorn werd heden over hem uitgestort. Eerst kaapte hij mij mijne
+kleine Hebe, de Irene bij uitnemendheid, die ik morgen van hem hoop
+te erven, voor den neus weg; daarna kreeg hij van mij mijne beste
+Cyrenaeische vossen ten geschenke en daarbij de vleiende verzekering
+mijner zeer te waardeeren vriendschap. Voorts werd hij door mijne
+schoone zuster ontvangen, en het streelt het hart van een republikein
+meer dan men denken zou, wanneer een gekroond hoofd hem gunstig gezind
+is, en eindelijk noodigt hem de zuster van zijn bekoorlijk liefje,
+die, als gij en Zoë waarheid spreekt, tot de uitgelezen schoonheden
+behoort, tot eene samenkomst.
+
+"Dat is voor een bewoner van deze hoogst gebrekkig ingerichte wereld,
+en voor een enkelen dag, die als hij is aangebroken zoo spoedig
+omvliegt, te veel goeds. De gerechtigheid vordert dat wij het noodlot
+een handje helpen, en deze maankop afslaan, die boven hare zusters
+wil uitgroeien. De duizenden, wien het minder voor den wind gaat,
+zouden anders grond hebben over achteruitzetting te klagen."
+
+"Het verheugt mij u in eene gelukkige stemming te zien," zeide Eulaeus.
+
+"Het is daarmede maar zoo zoo," zeide de koning, hem in de rede
+vallende. "Ik geloof dat ik dit vroolijke liedje enkel fluit, om in
+het donker moed te houden. Indien ik op beteren voet verkeerde met
+hetgeen andere lieden angst noemen, dan zou ik wel grond hebben om
+te vreezen, want bij het hanengevecht, dat wij nu begonnen zijn, heb
+ik een kroon op het spel gezet, meer nog dan dit. Eerst morgen zal
+beslist worden, of ik het spel gewonnen dan wel verloren heb. Doch
+dit weet ik heden reeds, dat ik liever mijn plan tegen Philometor en
+mijne uitzichten op de kroon der beide Egypten schipbreuk zag lijden,
+dan onzen aanslag tegen het leven van den Romein. Want eer ik koning
+werd, was ik mensch, en dat zou ik blijven, wanneer mijn troon,
+die nu nog op twee pooten staat, onder mijn last ineen zou storten.
+
+"Mijne waardigheid als vorst is slechts een kleed, ofschoon dan ook het
+kostbaarste van alle gewaden. Wie mij dat kleed bevlekt of beschadigt,
+dien zou ik het zeer gemakkelijk kunnen vergeven, wanneer ten minste
+vergeven in mijn smaak viel. Maar wie den mensch Euergetes te na
+komt, wie het waagt dit lichaam en den geest dien het bevat aan te
+tasten, en zijne wenschen en begeerten te dwarsboomen, dien treed ik
+onverbiddelijk onder den voet, dien wil ik in stukken scheuren! Over
+den Romein is het vonnis geveld, en wanneer uwe moordenaars hun
+plicht doen en de goden het offer aannemen, dat ik hun ter eere bij
+zonsondergang liet slachten voor het welgelukken mijner onderneming,
+dan zal Publius Cornelius Scipio binnen twee uren een lijk zijn.
+
+"Het staat hem vrij over mij, als mensch, te lachen, maar daarom heb ik
+als mensch het recht, en als koning ook de noodige macht, te zorgen,
+dat deze lach zijn laatste is. Kon ik Rome vermoorden evenals hem,
+dan zou mij dit niet weinig verheugen, want Rome alleen staat mij
+in den weg om onder de groote koningen van dezen tijd de grootste
+te worden. Morgen echter zal ik hooger vreugde smaken, wanneer men
+verneemt: Publius Cornelius Scipio is door wilde dieren verscheurd,
+en zijn lijk is zoo gehavend, dat zelfs zijne eigene moeder hem niet
+herkennen zou, hooger vreugde dan wanneer een bode de tijding bracht,
+dat Karthago de macht der Romeinen heeft gebroken."
+
+Met eene stem die, als het rollen des donders bij een snel opkomend
+onweder, steeds luider, dieper en heviger werd, had Euergetes deze
+laatste woorden gesproken. Toen hij eindelijk zweeg zeide Eulaeus:
+"Deze vreugde, mijn vorst, zullen de onsterfelijke goden u niet
+onthouden. De flinke knapen, die gij zoo genadig waart te zien en
+te onderzoeken, treffen zoo zeker als de bliksem van vader Zeus, en
+daar wij door den wagenmenner van den Romein weten, waar hij Irene
+verborgen houdt, zoo zal zij u evenmin ontgaan als de kroon van
+Opper- en Neder-Egypte.--Sta mij nu toe u den mantel om te hangen
+en de lijfwacht te gelasten u te begeleiden, terwijl gij naar uw
+verblijf terugkeert.
+
+"Nog iets," zeide de koning, terwijl hij den eunuuch terughield. "Bij
+de Apis-graven stonden altijd troepen, die de heilige plaatsen moeten
+bewaken, kunnen zij uwen vrienden niet hinderlijk zijn?"
+
+"Ik heb," antwoordde Eulaeus, "alle soldaten en gewapende wachten tot
+den laatsten man naar Memphis opgeroepen, en binnen den witten muur
+onder dak laten brengen. Morgen vroeg, eer gij tot de uitvoering van
+uw plan overgaat, worden zij door eene sterkere afdeeling vervangen,
+opdat zij de troepen van uw broeder hier niet zullen versterken,
+als het op vechten aankomt."
+
+"Ik zal u voor dezen voorzorgsmaatregel weten te beloonen," zeide
+Euergetes, terwijl de eunuuch het vertrek verliet.
+
+Klea hoorde daarop andermaal eene deur open en dicht gaan, en herhaald
+paardengetrappel in den geplaveiden hof. Toen zij vervolgens bevend
+naar het venster ging, zag zij Euergetes zelf, en het groote stevig
+gebouwde paard, dat hem tegemoet werd gevoerd. De verschrikkelijke
+man wond de manen van het ongeduldig steigerende dier om zijne hand,
+en Klea dacht, dat deze logge massa alleen met behulp van vele mannen
+op den rug van het paard zou kunnen komen. Maar zij vergiste zich,
+want met een geweldigen zwaai vloog de reus in de hoogte, en terwijl
+hij zijn hengst enkel met de beenen regeerde, vloog hij den gevangenhof
+uit, van alle zijden door zijn schitterend gevolg omgeven.
+
+Gedurende eenige oogenblikken bleef de hof ledig; daarna
+kwam er een man haastig het plein op, die de kamer, waarin Klea
+vertoefde, openstiet en zich als een onderhoorige en bode van Glaukus
+aanmeldde. "Mijn meester," deelde de vergrijsde politiewacht het meisje
+mede, "laat u groeten en zeggen, dat hij noch den Romein Publius
+Scipio, noch zijn vriend uit Korinthe te huis heeft getroffen. Hij
+is verhinderd u persoonlijk op te zoeken, want hij heeft beide handen
+vol werk, daar er soldaten van beide koningen binnen den witten muur
+liggen en er tusschen hen telkens twist ontstaat. Gij kunt ook niet
+in dit vertrek blijven, want het zal weldra bezet worden door eenige
+onderbevelhebbers, die een vechtpartij begonnen. Glaukus laat u de
+keus, of gij u door mij naar zijne vrouw wilt laten brengen, dan of gij
+naar den tempel, waarin gij tehuis behoort, wilt terugkeeren. In het
+laatste geval zal een wagen--want de stad is vol dronken krijgsvolk--u
+naar de tweede herberg van Kakem brengen, die aan den zoom der woestijn
+staat. Misschien zult gij daar wel een geleider vinden, wanneer gij
+aan den waard zegt wie gij zijt. Het voertuig moet binnen een klein
+uur terug zijn, want het behoort tot de koninklijke rijtuigen, en als
+het gastmaal vroeg afloopt, zou er soms aan wagens gebrek kunnen zijn."
+
+"Ik wil terug naar de plaats waar ik behoor," antwoordde Klea zonder
+aarzelen. "Breng mij terstond naar den wagen."
+
+"Volg mij dan," verzocht de oude man.
+
+"Maar ik ben ongesluierd," merkte Klea op, "en draag niets dan dit
+dunne kleed. Ruwe soldaten hebben mij den sluier van het hoofd en
+den mantel van de schouders gehaald."
+
+"Dan zal ik u den mantel van den overste brengen, die hiernaast ligt
+in de kamer van den bevelhebber, en ook zijn reishoed, welks breede
+rand uw gelaat voldoende bedekken zal. Door uwe statige houding en
+grootte zal men u voor een man aanzien, en dat is goed, want eene
+vrouw, die op dit uur het paleis wilde verlaten, zou er niet ongedeerd
+uitkomen. Morgen zal een slaaf deze kleedingstukken aan uw tempel
+afhalen. Ik durf ze u wel toevertrouwen, want mijn meester heeft
+mij bevolen, dat ik voor u moest zorgen als waart gij zijne eigene
+dochter. Hij laat mij ook zeggen--ik had het bijna vergeten--dat uwe
+zuster den Romein Publius Cornelius Scipio gevolgd is, en niet dien
+anderen zeer gevaarlijken man, gij zult het wel weten. Thans verzoek
+ik u te wachten tot ik terugkom; het zal niet lang duren."
+
+Na eenige oogenblikken keerde de politiewacht met een grooten
+mantel terug, dien Klea geheel omsloeg, en een breedgeranden hoed,
+dien zij diep op haar hoofd drukte. Hij geleidde haar vervolgens
+naar het kwartier van het paleis, waar de koninklijke stallen zich
+bevonden. Zij moest dicht bij den beambte blijven en weldra stond zij
+op een wagen en liet zich door den wagenmenner, die haar hield voor
+een Macedonischen edelman, welke in den nacht uitreed om een geheime
+samenkomst te hebben, rijden naar de tweede herberg op den weg,
+die naar het Serapeum leidde.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Terwijl Klea naar het gesprek van koning Euergetes met den eunuuch
+luisterde, zat Kleopatra in hare tent, en liet zich met niet
+minder zorgvuldigheid maar met andere gewaden dan den vorigen avond
+aankleeden. Heden was zeker niet alles geloopen zooals zij 't wenschte,
+want twee harer kameniers hadden rood bekreten oogen. Hare speelgenoote
+Zoë las weder voor, maar ditmaal niet uit een Helleensch philosoof,
+maar uit de Grieksche vertaling der Joodsche psalmen, over welker
+dichterlijke waarde eenige dagen geleden aan tafel een twistgesprek
+was ontstaan. De Israëlietische generaal Onias had namelijk beweerd,
+dat deze gezangen met die van Alkman of Pindarus op éen lijn gesteld
+konden worden, en er eenige plaatsen uit voorgedragen, die de koningin
+zeer bevallen hadden.
+
+Heden was zij niet geschikt om te denken: zij had iets vreemds, iets
+buitengewoons noodig om zich te verstrooien, en beval daarom Zoë het
+boek der Hebreërs op te slaan, waarvan de vertaling door de Helleensche
+Joden in Alexandrië voor een voortreffelijk, ja door God zelven
+ingegeven werk werd gehouden, waarmede zij door hare Israëlietische
+vrienden en dischgenooten sedert lang kennis had gemaakt.
+
+Kleopatra kon zoo wat een kwartier naar Zoë's voordracht hebben
+geluisterd, toen aan den voet van den trap, die tot haar tent leidde,
+een teeken met de trompet werd gegeven, hetwelk het bezoek van een
+man aankondigde.
+
+De koningin keek onwillig op, gaf hare speelgenoote een wenk om even
+op te houden, en zeide: "Ik wil thans mijn echtgenoot niet zien. Ga,
+Thaïs, en zeg den eunuuch aan den trap, dat ik Philometor laat
+verzoeken mij thans niet te storen.--Lees verder Zoë!"
+
+Reeds waren tien nieuwe psalmen voorgelezen en eenige strophen op
+verlangen van Kleopatra, twee- en driemaal herhaald, toen het vlugge
+Atheensche meisje met hoogroode wangen terugkwam en met eene stem,
+die hare opgewondenheid verried, zeide: "Niet uw echtgenoot, de koning,
+maar uw broeder Euergetes wenscht u te spreken."
+
+"Hij had wel een ander uur kunnen kiezen," antwoordde Kleopatra en
+keek om naar hare kamenier.
+
+Thaïs had de oogen nedergeslagen en met hare vingers wat aan haar kleed
+getrokken, terwijl zij sprak tot haar gebiedster. Doch de koningin,
+wie niets ontging wat zij wilde zien, en die zich heden niet in eene
+stemming bevond om te lachen of iets onbetamelijks ongestraft te laten,
+liet er onmiddellijk op verbitterden toon op volgen, terwijl hare
+stem zich verhief tot snijdende scherpheid: "Het bevalt mij niet,
+wanneer mijne boden zich laten ophouden, door wien het dan ook zij;
+dat moet ge weten! Verlaat mij oogenblikkelijk en ga in uw kamer,
+waar gij blijven zult, tot ik u heden nacht noodig heb om mij uit
+te kleeden. Andromeda mag--hoort gij, oude, gij moogt mijn broeder
+bij mij brengen, en u, denk ik, zal hij sneller laten terugkeeren
+dan Thaïs. Gij behoeft niet ter zijde te zien naar den spiegel,
+want aan uwe rimpels is toch niets te veranderen. Mijn kapsel was
+reeds gereed. Geef mij den linnen mantel om, Olympias, en dan mag hij
+komen!--Daar is hij waarlijk al!--Gij vraagt eerst om verlof, broeder,
+en toch verkiest gij niet te wachten, tot het u gegeven wordt."
+
+"Het verlangen en het wachten," antwoordde Euergetes, "zijn een paar,
+dat zich slecht laat vereenigen. Ik heb den ganschen avond onder
+soldaten met schranzen doorgebracht, ben daarop, om weder eens eenige
+fatsoenlijke gezichten te zien, naar de gevangenis gegaan, heb toen
+een bad genomen daar de verf in de verblijven uwer gevangenen wat
+meer afgeeft en vuiler is, dan in dit kleine godenverblijf, waarin
+het er uitziet en geurt als in Aphrodite's toiletkamer. Ik heb nu
+lust vóor den maaltijd nog eenige goede woorden te hooren."
+
+"Uit mijn mond?" vroeg Kleopatra.
+
+"Er is er geen aan den Nijl en aan den Ilissus, die beter kan spreken."
+
+"Wat verlangt gij van mij te hebben?"
+
+"Ik--van u?"
+
+"Zeker, want zoo vleiend spreekt gij alleen, wanneer gij iets begeert."
+
+"Ik zeide het u reeds! Ik wensch van u iets verstandigs, iets geestigs,
+iets opwekkends te hooren."
+
+"Men kan de geestigheid maar zoo niet commandeeren als eene
+kamenier. Zij verschijnt ongevraagd, en hoe dringender men haar
+beveelt te komen, des te zekerder blijft zij uit."
+
+"Dat mag voor anderen gelden, maar niet voor u, die, ofschoon gij
+verzekert geen Attisch zout te hebben, er toch druk gebruik van
+maakt. Alles is der schoonheid gehoorzaamheid schuldig, ook de scherts
+en de scherptongige Momus, die zelfs de goden niet ontziet."
+
+"Gij vergist u, mijne kameniers komen niets eens op haar tijd terug,
+wanneer ik haar opdraag eene boodschap aan u over te brengen."
+
+"Is het dan niet geoorloofd, op den weg naar den tempel van Aphrodite
+ook aan de Gratiën te offeren?"
+
+"Indien ik eene godin was, dan zou ik weinig ophebben met aanbidders,
+die mijne dienaressen voor mijns gelijken houden."
+
+"Uw verwijt is volkomen billijk, want gij moogt verlangen dat,
+evenals de Joden slechts éen God, allen die u kennen maar éene godin
+vereeren. Maar wat ik u bidden mag, vergelijk u niet andermaal met
+die geestelooze Cyprische deerne. Met het oog op uwe bevalligheid zou
+men er vrede mede kunnen hebben, maar wie zag ooit eene Aphrodite die
+philosopheert en diepzinnige werken leest? Ik heb u zeker in ernstige
+studiën gestoord. Welk boek rolt gij daar op, schoone Zoë?"
+
+"Het heilige boek der Joden, mijn koning," gaf de speelgenoote ten
+antwoord. "Ik weet, dat het u niet behaagt."
+
+"En bevalt het u, die Homerus leest, Pindarus, Sophocles en
+Plato?" vroeg Euergetes.
+
+"Ik vind daarin plaatsen, die van diepe levenswijsheid getuigen, en
+andere, waaraan niemand dichterlijke verheffing zal kunnen ontzeggen,"
+antwoordde Kleopatra. "Veel heeft voorzeker een bijzonder barbaarschen
+bijsmaak, en ik mis juist bij de psalmen, die wij heden lazen, en
+die men het best tot de hymnen rekenen kan, dat getal en die maat der
+lettergrepen, dat volgen van een vasten regel, om kort te gaan, den
+strengen vorm. De koninklijke dichter David was, als hij bij zijne
+lier zong, niet minder vervuld van de godheid dan andere poëten,
+maar het genot van onze dichters, om zwarigheden te overwinnen, die
+zij zich zelven in den weg hebben gelegd, schijnt hij niet gekend
+te hebben. De dichter moet zich slaafsch onderwerpen aan de wet,
+waaraan hij zich vrijwillig heeft gebonden, en aan haar elk zijner
+woorden ondergeschikt maken, en toch moet zijne rede en zijn zang met
+vrijen vleugelslag schijnen te zweven. Ook de Hebreeuwsche grondtekst
+der psalmen kent geen metrische regels."
+
+"Die zou ik ze kunnen schenken," antwoordde Euergetes. Plato wil ook
+de lettergrepen niet meten, en ik ken plaatsen in zijne werken, die in
+den hoogsten graad dichterlijk schoon zijn. Men heeft mij buitendien
+aangetoond, dat ook de Joodsche gedichten evenals de Egyptische zekere
+regels volgen, die ik inderdaad eer rhetorisch dan poëtisch zou willen
+noemen. Men stelt tegenover het eerste lid in eene gedachtenreeks
+een tweede, dat het andere òf door herhaling in een anderen vorm
+bevestigt, òf door eene tegenstelling, die het in zich sluit,
+in een helderder licht plaatst. Zij handelen dus als de redenaars,
+of ook als de schilders, die gaarne aan de lichte kleur eene donkere
+toevoegen, om het licht des te helderder te doen uitkomen. Deze manier
+is wel is waar niet kwaad, maar zij is het juist die mij een afkeer
+doet hebben van dit boek, waarin ook menig gezegde wordt gevonden,
+dat behagen kan aan koningen, die hunnen onderdanen gedweeheid, of
+vaders die hunnen zonen gehoorzaamheid aan hen en aan de wet wenschen
+in te prenten. Ook moeders, die niets meer verlangen dan dat hunne
+kinderen zooveel mogelijk ongedeerd, zonder te stooten of gestooten
+te worden door de wereld komen, langer dan raven of eikeboomen leven
+en met zooveel nakomelingen als mogelijk is gezegend worden, moeten
+deze psalmen voortreffelijk bevallen.
+
+"Ja, die voorschriften zijn van hooge waarde, omdat zij hen, die ze
+opvolgen, de moeite besparen aan zichzelven te denken. De groote god
+der joden moet dan ook alles, wat in dit boek staat, aan de schrijvers
+hebben voorgezegd, zooals ik aan mijn gebochelden schrijver Philippus
+alles dicteer, wat ik wil opteekenen. Zij verklaren ieder, die iets
+van al het op deze rol geschrevene ongerijmd of menschelijk gelieft
+te noemen, voor een godslasteraar en heiligschender. De ideeënleer
+van Plato is ook niet kwaad, en toch heeft Aristoteles haar aan eene
+strenge kritiek onderworpen en getracht haar te weerleggen. Ik hel
+meer over tot de overtuiging van den Stagyriet, gij tot die van den
+edelen Athener, en hoeveel goede leerzame uren hebben wij aan den
+strijd over dit verschil van meening te danken! Hoe vermakelijk is
+het te hooren, wanneer onder die drukke windbuilen in het Museum te
+Alexandrië de Platonisten en Aristotelisten elkander zoo vinnig in
+het haar vliegen, dat zij het allerliefst elkander de koperen bekers
+naar het hoofd zouden smijten, indien zij het niet zonde achtten om
+den wijn, dien ik betaal.
+
+"Wat nu die Joden aangaat, zij meenen de waarheid gevonden te hebben,
+waarnaar wij zoeken. Dat doen zelfs de zoodanigen onder hen, die zich
+ijverig bezighouden met de studie van onze wijsgeeren. Toch weten
+de schrijvers in dit boek alleen van de werkelijkheid der dingen,
+en hun god, die evenmin andere goden naast zich dulden kan als eene
+burgervrouw eene tweede in het huis van haar man, moet de wereld uit
+niets geschapen hebben, met geen ander doel dan om in haar vereerd
+en gevreesd te worden. Wat toch philosophisch ontwikkelde Joden,
+die hun Empedocles kennen--en ik geef toe dat er velen van dit soort
+te Alexandrië zijn, en daaronder fijne scherpzinnige denkers--zich
+toch wel voorstellen onder eene schepping uit niets? Worden zij niet
+tot nadenken gebracht, wanneer zij zich de onwederlegbare stelling
+herinneren, dat niets kan worden, wat niet vooraf is geweest, en
+dat niets, wat eens bestaan heeft, geheel kan vergaan? Zij zijn ten
+minste consequent, wanneer zij het leven van den mensch op niets laten
+uitloopen, uit welk niets al het bestaande te voorschijn kwam. Het
+is niet zeer verkwikkend naar dit boek te leven en te sterven. Als
+mensch, die het slapen zonder droomen weet te waardeeren, na den
+ganschen dag genoten te hebben, en die als hij toch Euergetes niet
+blijven kan, allerliefst in den donkeren afgrond van het niets zou
+springen--kan ik mij met die vernietiging na den dood wel vereenigen,
+maar als philosoof in eeuwigheid niet."
+
+"Gij zijt wel gedwongen," hernam de koningin, "alles in zijn geheel
+en ieder ding afzonderlijk uitsluitend met de maat van het verstand
+te meten, want de Godheid die u boven duizenden rijk heeft begaafd,
+heeft in u, dit weet ik sedert lang, het orgaan hetwelk ons vatbaar
+maakt voor godsdienstige en zedelijke indrukken, met doofheid en
+blindheid geslagen; als het orgaan hooren en zien kon, dan zoudt
+gij evenals ik tot de overtuiging moeten komen, dat deze schriften
+vervuld zijn van hoogen ernst en het gemoed van den lezer geweldig
+aangrijpen. Zij binden hen, die ze geloovig aannemen, aan eene vaste
+wet, en ontnemen aan het leed zijne bitterheid, daar zij leeren,
+dat de smarten komen van een streng vader, welke smarten nu eens
+worden voorgesteld als opvoedingsmiddelen, dan weder als straf
+voor overtredingen van de scherpe en zeer bepaalde geboden. Hun God
+plaatst met de hem eigene onbedriegelijke maar strenge wijsheid hen,
+die hem aanhangen op moeielijke, hobbelige wegen, om hunne kracht te
+beproeven, en hen eindelijk te brengen tot het schoone doel, dat hem
+van den aanvang bekend was."
+
+"Hoe vreemd klinken deze woorden in den mond eener Grieksche vrouw,"
+zeide Euergetes. "Gij spreekt ze zeker den zoon van den Joodschen
+hoogepriester na, die de zaak van zijn toornigen god warm en behendig
+verdedigen kan."
+
+"Ik dacht," antwoordde Kleopatra, "dat die bij uitnemendheid
+krachtige godsgestalte bijzonder in den smaak moest vallen van u,
+in wien ik geen schijn van zwakheid bespeur. Toen onlangs de overste
+der Joodsche soldaten, Dositheos, een geleerd man, voor mijn gemaal
+dien grooten eenigen god trachtte te schilderen, waaraan zijn volk
+met zulk een onwankelbare trouw gehecht is, scheen het mij toe,
+alsof onze schoone levenslustige goden niet veel meer waren dan
+een prettig gezelschap van verliefde heertjes en vroolijke vrouwen,
+vergeleken met dien ernstigen ontzaglijken man, die, als hij wilde,
+ze allen zou kunnen verslinden, gelijk Kronos zijn eigene kinderen."
+
+"Dat is het juist," zeide Euergetes, "wat mij in dit bijgeloof zoo
+bijzonder tegen de borst stuit. Het doodt den zorgeloozen levenslust,
+en zoo dikwijls ik in het boek der Hebreën gelezen heb, kwamen mij
+altijd dingen in de gedachte, waaraan ik liever in het geheel niet
+denk. Als een lastig schuldeischer herinnert het aan elke schuld,
+maar ik bemin het genot en haat alle lastige maners. Ook voor u,
+schoone zuster, bloeit het leven...."
+
+"Goed," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende, "maar ik bewonder
+alles wat groot is. En vindt gij het ook niet stout en heerlijk, dat
+de overweldigende gedachte: er is een eenige, de wereld bewegende
+en vervullende kracht, die de Egyptenaars angstvallig omhullen en
+verbergen, die de priesters aan den Nijl alleen durven openbaren aan
+de bevoorrechten onder hen, die in de oude mysteriën zijn ingewijd,
+en waarvan Helleensche philosophen wel is waar zonder schroom hebben
+gesproken, maar die nog geen Helleen in den godsdienst zijns volks
+heeft ingevoerd: dat die gedachte in de heilige schrift der Joden
+vrij en open wordt uitgesproken? Indien gij niet zulk een afkeer hadt
+van het Hebreeuwsche volk, en gij u, evenals mijn gemaal en ik, hadt
+ingelaten met hunne aangelegenheden en kennis genomen van hun geloof,
+dan zoudt gij rechtvaardiger zijn jegens hen en hunne geschriften,
+en jegens den grooten scheppenden en onderhoudenden geest, hun God."
+
+"Gij verwart dezen ijverzuchtigen, hoogst onbeminnelijken
+en slechtgeluimden wereldtyran met den absoluten geest van
+Aristoteles!" zeide Euergetes. "Het meeste, wat gij en ik en alle
+verstandige Grieken voor hun levensgenot niet kunnen ontberen,
+wordt door hen voor zonde, altijd voor zonde uitgekreten. En toch,
+als mijn zachtzinnige broeder in Alexandrië den scepter zwaaide, zou
+het zijn slimme dienaars misschien gelukken hem tot een vereerder van
+dezen grooten schoolmeester te maken, die zijn ongehoorzaam gebroed
+met vuur en ellende straft."
+
+"Ik wil niet ontkennen," antwoordde Kleopatra, "dat er ook voor mij in
+de leer der Joden iets is, dat mij beklemt, en dat hen na te volgen
+niet veel anders is, dan zich den lust in het leven te benemen. Maar
+genoeg over deze dingen, die ik evenmin als gij genieten wil als
+dagelijkschen kost. Verblijden wij ons dat wij Hellenen zijn en laten
+wij eindelijk naar den maaltijd gaan. Ik vrees dat gij hier boven
+lang niet alles gevonden hebt wat gij zocht."
+
+"O neen, ik gevoel mij heden bijzonder opgewekt en het werken met
+Aristarchus zou niets gegeven hebben. Het is jammer, dat wij over
+dien barbaarschen rommel zijn gaan spreken, er zijn veel schooner
+onderwerpen, die den geest meer verheffen. Weet gij nog hoe wij de
+treurspeldichters en Plato met elkander gelezen hebben?"
+
+"En hoe gij onder de voordrachten over aardrijksbeschrijving onzen
+leeraar Agatharchides vaak in de rede zijt gevallen, om hem op
+dwalingen opmerkzaam te maken? Hebt gij deze studiën in Cyrene
+voortgezet?"
+
+"Natuurlijk! Het is waarachtig jammer, Kleopatra, dat wij niet meer
+samenleven als toen. Met niemand, zelfs niet met Aristarchus, kan men
+aangenamer en nuttiger redetwisten dan met u. Als gij ten tijde van
+Pericles te Athene hadt geleefd, wie weet of gij niet, in plaats van de
+onsterfelijke Aspasia, zijne vriendin geworden waart. Dit Memphis is
+zeker niet de rechte plaats voor u; gij moest toch weder eenige dagen
+in het jaar te Alexandrië komen, dat thans verre boven Athene staat."
+
+"Ik herken u bijna niet meer," zeide Kleopatra, terwijl zij haar
+broeder verbaasd aanzag. "Zoo teeder, zoo kalm, zoo broederlijk hoorde
+ik u niet spreken sedert den dood onzer moeder. Gij hebt zeker iets
+zeer gewichtigs aan ons te verzoeken."
+
+"Nu ziet gij hoe slecht ik beloond word, wanneer ik eens als andere
+menschen mijn hart laat spreken. Het gaat mij als den herdersknaap in
+den fabel, toen de wolf kwam. Ik heb zoo vaak onbroederlijk gehandeld,
+dat gij meent dat ik een masker draag, wanneer ik eens het ware gelaat
+van een broeder toon. Indien ik iets bijzonders aan u te vragen had,
+dan zou ik tot morgen wachten, want op een geboortedag slaat zelfs
+een blinde bedelaar zijn kreupelen metgezel niet licht iets af."
+
+"Wisten wij maar wat gij verlangt, Philometor en ik zouden het zeer
+gaarne geven, hoewel gij steeds buitengewone dingen begeert. Onze
+voorstelling zal bovendien--maar wees zoo goed, Zoë, de meisjes weg te
+zenden, ik heb nog eenige woorden met mijn broeder alleen te spreken."
+
+Nadat het vrouwelijk dienstpersoneel van de koningin zich verwijderd
+had, ging zij voort: "Het doet mij innig leed, maar het beste
+deel van uw geboortefeest zal niet gelukkig uitvallen, want de
+priesters van Serapis zijn boosaardig genoeg om ons Hebe niet te
+willen afstaan. Asklepiodorus schijnt de kleine verstopt te hebben,
+en drijft zijne driestheid zoover, dat hij ons mededeelt, dat men
+het meisje uit den tempel heeft weggevoerd, dat hij ons beticht
+haar geroofd te hebben, en in naam van de geheele priesterschap hare
+teruggave verlangt."
+
+"Gij doet den man onrecht, want ons duifje is het gekir van een doffer
+gevolgd, die haar aan mij niet gunt en thans in zijn nest met haar
+trekkebekt. Ik ben de bedrogene, en mag mij eigenlijk niet boos maken
+op den Romein, want zijne rechten waren ouder dan de mijne."
+
+"De Romein?" vroeg Kleopatra, terwijl zij verbleekte en van haren
+zetel opstond. "Maar dit is niet mogelijk. Gij maakt gemeene zaak met
+Eulaeus en wilt mij tegen Publius Scipio ophitsen. Aan het gastmaal
+hebt gij reeds doen blijken, dat gij hem kwalijk gezind zijt."
+
+"Uw hart schijnt nog al warm voor hem te kloppen. Maar alvorens
+ik u bewijs, dat ik niet lieg of scherts, zou ik u willen vragen:
+wat heeft deze man, met zijn langen naam, deze Publius Cornelius
+Scipio Nasica, behalve zijn Patricische trots, voor boven elken
+schoonen Macedoniër uit de lijfwacht, die recht van lijf en leden
+is, en voor mijn part flink van karakter? Hij is wrang als een zure
+appel, en niet te genieten, en juist al dit voortreffelijke dat gij,
+fijne denkster, gij schoone en welbespraakte wijsgeer, weet te zeggen,
+kan door deze schraal ontwikkelden geest evenmin gewaardeerd worden,
+als de oden van Sappho door een Nubischen matroos."
+
+"Juist daarom," hernam de koningin, "schat ik hem hoog, omdat hij
+anders is dan wij allen, wij--hoe zal ik mij uitdrukken--die altijd
+uit de tweede hand denken en onzen voet altijd zetten op het pad,
+dat de meester, bij wien wij ons aansloten, betreden heeft; wij die
+onzen geest dwingen te denken in vormen, die anderen gekneed hebben,
+en als wij spreken niet gaarne buiten de omtrekken der rhetorische
+figuren gaan, die wij in de school hebben geleerd. Gij hebt deze
+banden verbroken, maar zelfs uw geweldige geest draagt nog de sporen
+daarvan; Publius Scipio daarentegen denkt en spreekt geheel onbevangen,
+en zijn vlugger verstand doet hem zonder moeite en zonder schoolsche
+geleerdheid het rechte vinden. Zijn omgang verkwikt mij als de frissche
+lucht die ik inadem, wanneer ik uit den met wierookwalm vervulden
+tempel naar buiten kom; als brood en melk, die ons onlangs op onze
+vaart over het overstroomde land gebracht werden door een boer,
+nadat wij een jaar lang niets dan lekkernijen hadden gegeten."
+
+"De Romein heeft dus de goede eigenschappen der kinderen," zeide
+Euergetes, het woord nemende. "En wanneer dit het eenige is, dat u in
+hem zoo voortreffelijk schijnt, dan zal uw zoontje weldra de plaats
+van den Corneliër vervangen."
+
+"Niet zoo spoedig! neen, eerst als hij ouder is dan gij nu zijt,
+en een man, een man in den vollen zin van het woord, want dat is
+Publius! Ik geloof, neen, ik weet, dat hij niet in staat is tot eene
+laaghartige handeling, dat hij noch met den mond, noch met de oogen
+onoprecht kan zijn, noch gevoelens huichelen, die hij niet heeft."
+
+"Waarom zijt gij zoo hartstochtelijk, zuster? Zooveel ijver is
+heden overbodig. Gij weet toch, dat ik mijn kalmen dag heb, dat deze
+opwinding u niet goed staat, en dat de Romein niet verdiend heeft,
+dat gij om zijnentwil uzelve zoudt vergeten. Die knaap heeft het
+gewaagd u in mijne tegenwoordigheid aan te zien als Paris Helena
+aanzag, voor hij haar schaakte, hij heeft uit uw beker gedronken en
+heden morgen zeker niets weersproken van hetgeen hij u gisteren avond
+met de oogen en misschien ook met den mond durfde zeggen. En toch was
+hij pas een uur te voren in de doodenstad geweest, om zijn liefje uit
+den tempel van den somberen Serapis in dien van den levenslustigen
+Eros over te brengen."
+
+"Dat zult gij mij bewijzen!" riep de koningin met vuur. "Publius is
+mijn vriend...."
+
+"En ik ben de uwe."
+
+"Het tegendeel hebt gij reeds al te dikwijls bewezen, en nu doet gij
+het opnieuw met leugen en bedrog."
+
+"Gij schijnt," zeide Euergetes, zijne zuster in de rede vallende,
+"gij schijnt van uw onwijsgeerigen minnaar uit Rome geleerd te hebben,
+uw toorn buitengemeen natuurlijk te uiten. Maar ik ben heden, zoo
+als ik zeide, zacht als een katje...."
+
+"Euergetes en zacht!" zeide Kleopatra met een gedwongen lach. "Neen,
+gij beweegt u zacht als eene kat, wanneer zij een vogel beloert,
+en achter uwe zachtheid verbergt gij een of ander slecht plan, dat
+wij tot ons nadeel vroeg genoeg zullen leeren kennen. Gij hebt heden
+met Eulaeus gesproken, die Publius vreest en kent, en het komt mij
+voor als hadt gij een aanslag tegen hem gesmeed. Doch als gij het
+waagt hem een enkelen steen in den weg te leggen, dan zal ik u toonen
+hoe vreeselijk eene zwakke vrouw zijn kan. Nemesis en de Erinnyen,
+Alektro zoowel als Megaera, de verschrikkelijkste onder de godheden,
+zijn vrouwen!"
+
+Kleopatra had deze woorden, van woede tandenknarsende, meer sissend
+geuit dan gesproken, en daarbij haar kleine vuist dreigend tegen
+den broeder opgeheven. Doch Euergetes wist zijne kalmte volmaakt te
+bewaren, tot zij had uitgesproken. Toen deed hij een stap voorwaarts,
+kruiste de armen over zijne borst en vroeg haar met den diepsten
+bastoon van zijne zware stem: "Zijt gij smoorlijk verliefd op dezen
+Publius Cornelius Scipio Nasica, of is het uw voornemen hem en zijne
+geheele voorname kliek in Rome tegen mij te gebruiken?"
+
+Verbolgen en zonder ook maar een oogenblik voor den doordringenden blik
+haars broeders de oogen neder te slaan, antwoordde zij hem terstond:
+"Tot op dit oogenblik misschien slechts het eerste; want wat heb ik
+aan mijn gemaal? Doch als gij voortgaat, zooals gij zijt begonnen, zal
+ik eens gaan overleggen, hoe ik van zijn invloed en zijne genegenheid
+aan den Tiber gebruik zal kunnen maken."
+
+"Genegenheid!" riep Euergetes, en lachte daarbij zoo luide en woest,
+dat Zoë, die aan de deur van de tent stond te luisteren, een zachten
+kreet slaakte en Kleopatra eene schrede voor hem achteruitging. "Hoe
+is het mogelijk dat gij, slimste onder de slimmen, die den dauw hoort
+vallen en het gras ziet groeien, die hier in Memphis den rook ruikt
+van elk vuur, dat men in Alexandrië of in Syrië of zelfs in Rome
+aansteekt; dat gij, de dochter mijner moeder, u juist zoo vergaapt
+aan een breedgeschouderden knaap, alsof ge eene dikke burgerdochter
+of een weversmeisje waart! Deze ongeleerde Adonis, die zijn vreemd
+en streng karakter en de macht die achter hem staat voortreffelijk
+gebruikt om harten in brand te steken, geeft zoo weinig om Kleopatra,
+als ik om de aarden kruik waaruit men water schenkt, als ik dorst
+heb. Gij wilt aan den Tiber partij van hem trekken, maar hij voorkomt
+u en verneemt door u wat er aan den Nijl gebeurt en wat men in den
+senaat juist wenscht te weten.--Gij gelooft mij niet, want niemand
+gelooft gaarne, wat zijn eigen persoon in waarde doet dalen, en
+waarom zoudt ge mij ook gelooven? Want ik stem dadelijk toe, dat ik
+mij zonder schroom van een leugen bedien, wanneer ik door onwaarheid
+verder hoop te komen, dan door de hooggeprezene goddelijke waarheid,
+die wel volgens uw Plato verwant moet zijn aan de aardsche schoonheid,
+maar toch zeer dikwijls blijkt even weinig van nut te zijn als deze
+laatste. Want het schoone en het nuttige sluiten elkander duizendmaal
+uit tegen dat zij tienmaal samenvallen.
+
+"Daar klinkt het bekken reeds voor de derde maal.--Wilt gij het
+bewijs hebben, dat de Romein een uur voor hij u heden morgen bezocht,
+de kleine Hebe uit den tempel weggevoerd en bij den beeldhouwer
+Apollodorus in Memphis onder dak heeft gebracht, zoo hebt ge mij
+morgen vroeg na het eerste offer slechts een bezoek te brengen in mijne
+vertrekken. Gij zult mij buitendien toch willen gelukwenschen. Breng
+ook uwe kinderen mede, want ik ben voornemens hun geschenken te
+geven. Gij zoudt heden aan het gastmaal den Romein zelf kunnen
+ondervragen, maar hij zal niet licht verschijnen, want Eros deelt zijne
+kostelijkste gaven bij nacht uit, en daar de tempel van Serapis bij
+zonsondergang wordt gesloten, heeft Publius zijne Irene nog niet hij
+avond gezien.--Mag ik u en uwe kinderen na het eerste offer wachten?"
+
+Eer Kleopatra tijd had deze vraag te beantwoorden, deed zich weder
+het blazen van de trompet hooren. "Dat is Philometor," zeide Kleopatra
+daarop, "die ons voor het gastmaal komt halen. Ik zal den Romein later
+gelegenheid geven zich zelven te verdedigen, hoewel ik hem, ondanks uw
+aanklacht, vast vertrouw. Heden morgen heb ik hem ernstig gevraagd,
+of het waar was dat hij verliefd was op de schoone Hebe van zijn
+vriend, en hij heeft dit op vasten mannelijken toon ontkend. Wat hij
+mij antwoordde, toen ik het waagde zijne oprechtheid te betwijfelen,
+was uitmuntend en zulk een beschaafd jonkman waardig. Hij neemt
+het ernstiger met de waarheid dan gij. Oprecht te zijn, zeide hij,
+hield hij niet alleen voor schoon en goed maar ook voor verstandig,
+want met den leugen kan men kleine voordeelen behalen, die niet lang
+duren en gelijken op den nachtelijken nevel, die opgelost en vernietigd
+wordt, zoodra de zon zich vertoont, doch de waarheid is het zonlicht
+zelf, dat, hoe vaak het ook verdonkerd wordt, toch altijd weder te
+voorschijn komt. Dat, zeide hij verder, maakt den leugenaar in zijne
+oogen bijzonder verachtelijk, dat hij, om zijn doel te bereiken,
+altijd met nadruk moet doen uitkomen, welk een afschuw hij heeft
+van ieder, die handelt gelijk hij. Een staatsbestuurder kan niet
+altijd oprecht blijven, en ikzelve ben het dikwijls niet geweest,
+maar de omgang met Publius heeft veel goeds in mijn binnenste, dat
+was ingesluimerd, opnieuw gewekt. Wanneer ook deze man zal blijken
+te zijn, wat gij en alle overigen zijt, ja dan volg ik u op uwen weg,
+Euergetes, en lach met deugd en waarheid, en laat op de voetstukken,
+die de borstbeelden van Antisthenes en Zeno dragen, die van Aristippus
+en Strato zetten [25]."
+
+"Gij wilt de beeltenissen der philosophen weder van plaats doen
+verwisselen?" vroeg koning Philometor, die, de tent binnentredende,
+de laatste woorden van Kleopatra had gehoord, "en aan Aristippus zal
+de eereplaats gegeven worden? Ik heb er vrede mede, al leert hij ook,
+dat men de omstandigheden moet beheerschen in plaats van zich door deze
+te laten overheerschen. Dat kan men echter gemakkelijker voorschrijven
+dan in praktijk brengen, en voor niemand is dit moeielijker dan voor
+een koning die het, gelijk wij, Grieken, Egyptenaars en bovendien nog
+Rome naar den zin moet maken. En bovendien mag men zijn ijverzuchtigen
+broeder, met wien men het rijk deelt, niet kwetsen! Wanneer menigeen
+wist wat een koning al niet moet doorlezen en laten schrijven, dan zou
+hij waarlijk geen troon begeeren! Tot een halfuur geleden heb ik weder
+smeekschriften en ingekomen stukken onderzocht en goedgekeurd. Zijt
+gij met de uwe al gereed, Euergetes? Er was hier voor u nog meer
+ingekomen, dan voor ons."
+
+"In een uur was alles afgedaan," antwoordde de ander losweg. "Mijne
+oogen zijn vlugger dan de mond van uw voorlezer, en mijn bescheid
+pleegt in drie woorden te bestaan, terwijl gij uwe schrijvers lange
+verhandelingen dicteert. Zoo ben ik klaar als gij ternauwernood
+begonnen zijt, en toch zou ik u op slag, als het niet te vervelend was,
+ieder geval afzonderlijk, dat mij in de laatste maand werd voorgelegd,
+kunnen noemen en in alle bijzonderheden verklaren."
+
+"Dat zou ik niet kunnen," zeide Philometor bescheiden, "maar ik ken
+en bewonder uwe vlugheid van geest en uw scherp geheugen."
+
+"Gij ziet dat ik meer deug voor koning dan gij," zeide Euergetes
+lachend. "Gij zijt te zachtmoedig en te vriendelijk voor den
+troon. Laat de regeering aan mij over! Jaarlijks vul ik uw schatkist
+met goud, verzoek u met Kleopatra voor altijd naar Alexandrië te
+trekken, en de koninklijke paleizen en tuinen in het Bruchium met
+mij te deelen. Bovendien zal ik uw kleinen Philopator tot opvolger
+benoemen, want ikzelf gevoel geen lust mij op den duur aan eene
+vrouw te verbinden, daar Kleopatra nu eenmaal aan u behoort. Deze
+voorslag is stout, maar bedenk toch, Philometor, hoeveel tijd gij,
+als gij toeslaat, overhoudt voor uwe muziek, uwe twistgesprekken met
+de Joden en al uwe overige liefhebberijen."
+
+"Gij weet toch nooit hoe ver gij met uwe aardigheden gaan moogt,"
+zeide Kleopatra, het woord nemende. "Bovendien verspilt gij nog
+wel zooveel tijd aan uwe grammatische en natuurhistorische studiën,
+als wij aan muziek en belangrijke gesprekken met geleerde vrienden."
+
+"Zoo is het," zeide Philometor, zijne instemming betuigende met
+hetgeen zijne gemalin gezegd had, "men kan u veeleer dan mij onder
+de geleerden van het museum rekenen."
+
+"Maar het onderscheid tusschen ons beiden," antwoordde Euergetes,
+"is dit, dat ik die philosophische napraters en prullenverzamelaars
+te Alexandrië diep veracht, maar voor de wetenschap gloei, als voor
+eene geliefde, terwijl gij daarentegen de geleerden vertroetelt,
+doch u om de wetenschap bitter weinig bekommert."
+
+"Breken wij dit gesprek af," verzocht Kleopatra. "Ik geloof dat gij
+beiden nog nooit een half uur bij elkander zijt geweest, zonder dat
+Euergetes een twist begon en Philometor ten slotte zijn best deed om
+dien uit te maken. De gasten zullen reeds lang op ons wachten. Was
+Publius Scipio ook reeds gekomen?"
+
+"Hij heeft zich laten verontschuldigen," antwoordde de koning en
+krauwde dit zeggende Kleopatra's papegaai den kop, terwijl hij met de
+vingertoppen de veeren van het dier scheidde. "De Korinthiër Lysias
+zit beneden en zegt niet te weten, waar zijn vriend heen is."
+
+"Wij weten het trouwens," zeide Euergetes, en keek de koningin aan met
+een spottenden trek in het gelaat. "Bij Philometor en Kleopatra heeft
+men het goed, maar beter nog bij Eros en Hebe. Gij ziet zoo bleek,
+zuster; zal ik Zoë roepen?"
+
+Kleopatra schudde zwijgend het hoofd, ging op een stoel zitten en
+boog het bovenlijf en haar fraai getooid hoofd ver voorover, alsof
+zij zeer vermoeid was. Euergetes keerde haar den rug toe en sprak
+met zijn broeder over onverschillige dingen, doch zij trok met den
+waaier in de wol van het mollig vloertapijt rechte en kromme lijnen
+en keek nadenkend naar hare voeten. Haar oog viel daarbij op hare
+rijk met edelgesteenten bezette sandalen en fijne teenen, die zij
+vaak met genoegen had beschouwd. Maar thans scheen dit gezicht haar te
+hinderen, want eene plotselinge opwelling volgende maakte zij eene der
+riemen los, en schoof met den linkervoet de sandaal van den rechter,
+schopte die weg en zeide, terwijl zij zich tot haar gemaal wendde:
+"Het is reeds laat, ik gevoel mij niet wel en gij moogt zonder mij
+maaltijd houden."
+
+"Bij de genezende Isis," riep Philometor, zijne gemalin naderende. "Gij
+ziet er lijdend uit. Willen wij artsen laten roepen? Is het werkelijk
+niets anders dan uw gewone hoofdpijn? Den goden zij dank! Maar dat
+gij nu juist heden niet wel moest zijn; ik had zooveel te vertellen,
+en wat de hoofdzaak is, wij zijn met onze voorstelling nog in lang
+niet gereed, wanneer deze ongelukkige Hebe niet ware...."
+
+"Zij is in goede handen," zeide Euergetes, zijn broeder in de rede
+vallende. "De Romein Publius Scipio heeft haar in veiligheid gebracht;
+misschien om mij haar morgen in dank voor de Cyrenaëische paarden, die
+ik hem heden schonk, in de armen te voeren. Hoe glinsteren uwe schoone
+oogen, zuster, zeker van vreugde over deze schoone gedachte. Cornelius
+oefent de kleine wellicht in hare rol, opdat zij morgen een goed
+figuur zal maken. Hebben wij gedwaald, en is Publius ondankbaar en
+wil hij het duifje voor zich behouden, dan kan uwe kamenier, die
+bevallige Atheensche Thaïs, wel voor Hebe spelen. Wat zegt gij van
+dezen inval, Kleopatra?"
+
+"Dat ik u verzoek met zulke scherts te eindigen," riep de koningin op
+heftigen toon. "Niemand slaat acht op mij, niemand heeft medelijden
+met mijne smart, en ik lijd vreeselijk! Euergetes hoont mij en gij,
+Philometor, zoudt mij het liefst medeslepen naar beneden. Als het
+gastmaal maar niet gestoord wordt, als het genot er maar niet onder
+lijdt! Of ik daarbij onderga of niet, daarom bekommert zich niemand."
+
+Onder deze woorden barstte de koningin in tranen uit, en zij wees
+haar gemaal onvriendelijk af, toen hij zijn best deed om haar tot
+bedaren te brengen. Eindelijk droogde zij hare tranen af en zeide:
+"Gaat naar beneden, de gasten wachten."
+
+"Terstond, mijne lieve," antwoordde Philometor "Iets moet ik u nog
+mededeelen, daar ik weet dat het uwe belangstelling zal wekken. De
+Romein heeft u het verzoekschrift voor den overste der Chrematisten,
+den koninklijken verwant Philotas voorgelezen, dat tevens zware
+aanklachten tegen Eulaeus behelst. Ik was van ganscher harte bereid uw
+wensch te vervullen, en den man genade te schenken, die de vader der
+ongelukkige kruikdraagsters is. Doch alvorens ik het decreet opstelde,
+liet ik de lijsten dergenen, die naar de goudmijnen gebannen zijn,
+nazien en daaruit bleek dat Philotas en zijne vrouw reeds een half jaar
+geleden gestorven zijn. De dood heeft dus deze zaak uitgemaakt, en ik
+kan Publius den eersten dienst, dien hij van ons, en wel met bijzondere
+warmte, verlangde, niet bewijzen. Dat doet mij leed om zijnentwil,
+en ook om den armen Philotas, dien onze moeder zeer hoogachtte."
+
+"Mogen de raven hen verslinden," antwoordde Kleopatra, terwijl zij
+haar voorhoofd drukte tegen den elpenbeenen rand, die de met kussens
+versierde leuning van haren stoel omgaf, "Ik bid u nogmaals mij verder
+van uw onderhoud te verschoonen."
+
+De beide koningen voldeden ditmaal aan haar verlangen.
+
+Toen Euergetes haar de hand bood, zeide zij met nedergeslagen oogen,
+en terwijl zij den waaier in de wol van het tapijt stootte: "Ik zal
+u morgen vroeg bedanken."
+
+"Na het eerste offer," voegde Euergetes er bij. "Wanneer ik u goed
+ken, dan zal iets, dat gij bij mij hooren zult, u verheugen, in hooge
+mate verheugen, zoo ik meen! Breng de kinderen ook mede, dat verzoek
+ik van u als eene beleefdheid."
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De wagen waarop Klea stond met den hoed en den mantel van den oversten
+der politiewacht, rolde door de straten van Memphis. Zoolang zij huizen
+en verlichte vensters aan hare rechter- en linkerzijde zag, en zij
+schreeuwende soldaten en burgerlieden tegenkwam, die met lantarens,
+door hen zelven of hunne slaven gedragen, uit kroegen terugkeerden,
+of na tot laat in den nacht gearbeid te hebben, van hunne werkplaatsen
+naar huis gingen, werd zij enkel beheerscht door bitteren haat tegen
+Publius. Aan deze geheele nieuwe gewaarwording, die haar bloed sneller
+door de aderen deed stroomen, en nu eens haar hart wild deed kloppen,
+dan weder bijna stilstaan, paarde zich de gedachte, dat die Corneliër
+een ellendeling was.
+
+Met boosaardige kunstgrepen had hij, de verleider het gewaagd,
+eene van haar beiden, onverschillig of zij het was of hare zuster,
+te verstrikken en tot zich te lokken. "Bij mij," dacht zij, "durft
+hij niet verwachten zijn schandelijk doel te bereiken, en toen hij
+zag dat ik mij wist te verweren, lokte hij het arme kind, dat geen
+weerstand kan bieden, met zich mede, om het te schandvlekken en in
+het ongeluk te storten. Deze goddelooze man handelt als Rome zelf,
+dat het eene land na het andere tot zich weet te trekken. Zoodra de
+brief van den schurk Eulaeus hem ter hand was gesteld, en hij meende
+recht te hebben om te gelooven, dat ook ik door den blik zijner oogen
+overwonnen en gereed ben om in zijne armen te vliegen, strekt hij
+de begeerige hand ook naar mij uit, versmaadt hij den glans van het
+koninklijk gastmaal om door den nacht den woestijn in te trekken,
+en daar--ja er zijn nog straffende goden--een afgrijselijken dood
+te vinden!"
+
+Soms was het stikdonker om haar heen, want zwarte wolken bedekten de
+heldere maan. Memphis lag reeds achter haar en de wagen reed door
+een bosch van hoogstammige palmen, waarin zelfs op den middag het
+licht door zware schaduwen werd getemperd. Toen hier de gedachte,
+dat de verleider den dood tegemoet ging, weder in hare ziel opkwam,
+was het haar als ontbrandde opeens in en rondom haar een helder
+flikkerend licht, en zij had in gejuich willen losbarsten, gelijk
+iemand die naar bloedwraak dorst, wanneer hij zegevierend den voet
+op de borst van zijn verslagen doodsvijand zet.
+
+Zij drukte de tanden vast op elkander en tastte in haar gordel, waarin
+zij het mes van den smid Krates gestoken had. Ware de wagenmenner aan
+hare zijde Publius geweest, met welgevallen zoude zij hem dit wapen in
+het hart gestoken en zichzelve daarna voor de hoeven der paarden en de
+metalen raderen van den wagen geworpen hebben.--Maar neen! Liever nog
+had zij hem stervend in de woestijn gevonden, en hem, vóordat zijn hart
+ophield te kloppen, in het oor geschreeuwd, hoezeer zij hem haatte. En
+wanneer dan geen ademtocht zijne borst meer bewoog, dan zou zij zich
+op hem geworpen en zijne brekende oogen met hare lippen gekust hebben.
+
+Gelijk de donkere golven van eene rivier niet zijn af te scheiden van
+de lichtere van een anderen stroom, waarmede zij zich voor korten
+tijd heeft vermengd, zoo vereenigden zich in hare ziel zachtmoedig
+medelijden en de teederste wenschen van een geheel van liefde vervuld
+hart met de wildste gedachten aan wraak. Al de hartstochten, die tot
+hiertoe in hare ziel gesluimerd hadden, waren losgelaten en verhieven
+luide hunne stem, terwijl zij door de nachtelijke duisternis de
+woestijn tegemoet snelde. Gistend en bruischend, zich verheffende
+en elkander nederwerpende, zoo voerden in haar borst de begeerten,
+die de haat haar toeschreeuwde en de liefde met zoo verlokkende tonen
+haar in de ooren zong, onderling strijd. Als eene tijgerin had zij
+bij dezen rit zich op haar offer kunnen werpen, als eene verstootene
+vrouw de liefde, die haar onthouden werd, van Publius op de knieën
+kunnen afsmeeken. Zoozeer had zij hare bezinning verloren, dat zij
+om tijd noch plaats meer dacht, en zij ontwaakte als uit een wilden
+verwarden droom, toen de wagen plotseling stilhield en de menner haar
+met ruwe stem toeriep: "Wij zijn er, hier moet ik terugkeeren!"
+
+Zij huiverde, trok den mantel dichter om zich en sprong op den weg,
+waar zij roerloos bleef staan, tot de voerman haar toeriep: "Ik heb
+de paarden niet ontzien, edel heertje. Krijg ik nu niets voor een
+slok wijn?"
+
+Klea bezat niets dan twee zilveren drachmen, van welke éene aan haar,
+éene aan Irene behoorde. De koning had op den voorlaatsten sterfdag
+zijner moeder eene som beschikbaar gesteld ter verdeeling onder alle
+dienaren en dienaressen van Serapis, en daarvan hadden zij en hare
+zuster elk een zilverstuk gekregen. Klea droeg beide in een zakje bij
+zich, dat ook een ring bevatte, door hare moeder haar bij het afscheid
+gegeven, en de amulet van den kluizenaar Serapion. Het meisje nam nu
+de beide drachmen en gaf ze den wagenmenner, die, nadat hij de rijke
+fooi met de vingertoppen had onderzocht, zijne paarden wendde en riep:
+"Een vroolijke nacht en de bescherming van Aphrodite en alle Erossen."
+
+"Irene's drachme!" prevelde Klea in zichzelve, terwijl het voertuig
+zich verwijderde. Het liefelijke beeld van hare zuster kwam haar voor
+den geest, en zij dacht aan de ure, waarin het nog niet volwassen
+meisje haar het geldstuk had toevertrouwd, daar zij toch alles zou
+verliezen als Klea het niet voor haar bewaarde.
+
+"Wie zal nu voor haar zorgen?" vroeg zij zich verder af, bleef
+peinzend staan en weerde de hartstochtelijke wenschen, die weder in
+haar begonnen te woelen, verre van zich af, om hare verwarde gedachten
+te verzamelen.
+
+Onwillekeurig was zij uit den weg gegaan voor de lichtstraal, die
+uit het venster van de herberg op den weg viel, en haar toch de
+oogen op deed slaan en in die richting voortgaan. Daar zag zij uit
+de duisternis die haar omgaf juist twee mansgezichten, die gericht
+waren naar de plaats waar zij stond. En welke gezichten waren het,
+die zij zag! Het eene vleezige gezicht, omlijst door dicht haar en
+een ongelijkmatig gegroeiden korten ringbaard, was donkerbruin en
+zoo ruw en dierlijk, als het blanke gladde en magere gelaat van den
+ander boosaardig en sluw. De bloederige glazige, ver uitpuilende oogen
+van den eerste teekenden gemeenheid en domheid, terwijl die van den
+tweede rusteloos en onbestendig rondloerden. Dat waren de gehuurde
+moordenaars van Euergetes, dat moesten ze zijn.
+
+Door ontzetting en afschuw als aan den grond genageld, bleef zij staan
+en vreesde dat die verschrikkelijke mannen het kloppen van haar hart
+zouden hooren. Want het was haar alsof dit hart in een hamer was
+veranderd, die in eene ledige ruimte heen en weer werd geslingerd,
+en nu eens tegen haar borst, dan weder onder haar keel sloeg, dat
+het klonk.
+
+"Het heertje is zeker achter de herberg omgegaan; hij kent den naasten
+weg naar de graven. Laten wij hem achterna gaan en brengen wij de
+zaak spoedig ten einde," zeide de breedgeschouderde moordenaar met
+een heesche fluisterende stem, die telkens haperde, en die Klea nog
+ijzingwekkender scheen dan het gezicht van dit monster.
+
+"Opdat hij ons zal hooren aankomen, gij domkop," antwoordde de
+ander. "Als hij een kwartiertje op zijn liefje gewacht heeft, roep
+ik hem bij den naam met de stem van eene vrouw, en bij zijn eersten
+stap in de woestijn breekt gij hem den nek met den zandzak. Wij
+hebben nog tijd genoeg, want het moet nog een goed half uur vóor
+middernacht zijn."
+
+"Des te beter," antwoordde de ander; "onze wijnkruik is nog lang
+niet ledig en wij hebben hem den vuilen waard toch vooruitbetaald,
+eer hij in zijn bed kroop."
+
+"Gij moogt nog maar twee bekers drinken," zeide de schrale op
+bevelenden toon, "want ditmaal hebben wij met een gezonden knaap te
+doen. Setnau kan niet meer meedoen aan het werk, en het gebraad mag
+geen breede wonden hebben, die aan steken of snijden doen denken. Mijne
+tanden zijn niet meer als de uwe, als gij nuchteren zijt, zelfs het
+gekookte vleesch mag niet meer te taai zijn. Als jij je bezuipt en
+misslaat, en ik er niet toe komen kan met de giftnaald te steken,
+dan loopt het ding nog mis. Maar waarom liet de Romein zijn wagen
+niet wachten?"
+
+"Ja waarom liet hij hem wegrijden?" vroeg de ander en staarde met open
+mond naar de richting waaruit men van verre het ratelen der raderen
+hoorde. Zijn metgezel bracht ondertusschen zijne hand aan het oor en
+luisterde in de verte.
+
+Beiden zwegen zij een oogenblik, daarop zeide de dunne: "Daar houdt
+de wagen op bij de eerste herberg. Des te beter! De Romein heeft een
+kostbaar span aan den disselboom en die daar ginds hebben een stal
+voor paarden; in onze spelonk is er nauwelijks plaats voor een ezel
+en niets dan zure wijn en bedorven bier. Ik houd niet van dat goed
+en bespaar mijne drachmen voor Alexandrië en Mareotischen witten. Die
+maakt gezond en zuivert het bloed. Voor het oogenblik zou ik willen,
+dat wij het zoo goed hadden als die paarden daar ginds; die zullen
+veel tijd hebben om uit te blazen."
+
+De andere antwoordde: "Ze zullen veel tijd hebben," grijnsde met een
+breeden mond en ging toen met zijn gezel in de kamer terug om zijn
+beker te vullen.
+
+Ook Klea kon hooren dat de wagen, die haar hierheen had gebracht,
+stilhield, maar zij vermoedde niet, dat de wagenmenner in de eerste
+herberg was gegaan, om zich daar voor de helft van Irene's drachme aan
+wijn te goed te doen. De paarden zouden den verloren tijd wel weder
+inhalen, en zij konden het zonder moeite, want wanneer eindigde het
+gastmaal bij den koning vóor middernacht?
+
+Zoodra Klea de moordenaars de aarden bekers zag vullen, sloop zij eerst
+zacht en op de teenen de herberg voorbij, zocht en vond, toen de maan
+voor korten tijd van achter de wolken te voorschijn kwam, het naaste
+woestijnpad naar de Apis-graven en ijlde toen met rassche schreden
+voorwaarts. Zij keek recht voor zich uit, en toen hare oogen een dor,
+door het bleeke maanlicht beschenen woestijngewas ontmoette, verbeeldde
+zij zich daarachter het gezicht van den moordenaar te zien. De boven
+het zand uitstekende geraamten van gestorven dieren en de uitgebleekte
+kaken van kameelen en ezels, die veel witter glinsterden dan het zand
+der woestijn, schenen leven gekregen te hebben en zich te bewegen, en
+herinnerden haar aan het tijgergebit van den gebaarden booswicht. De
+stofwolken, die haar de steeds aanwakkerende warme westewind in het
+aangezicht joeg, deden haar angst klimmen, want ze vermengden zich
+met den koeleren stroom der nachtlucht, en dikwijls was het haar
+alsof met den warmen adem geesten voorbijzweefden, die met hunne
+koude vingers haar aangezicht beroerden.
+
+Al wat zij waarnam werd door hare verhitte verbeeldingskracht in iets
+vreeselijks veranderd; maar schrikkelijker en huiveringwekkender
+dan alles wat haar oor vernam, en ieder spookbeeld dat haar oog
+bij het fletse maanlicht meende te zien, waren de gedachten aan
+hetgeen werkelijk in de naaste toekomst geschieden moest, was het
+ontzettende dat den Romein en Irene bedreigde. Toch vermocht zij het
+een niet van het ander te scheiden, want maar éen ding vervulde hart
+en zin: angst, dezelfde grenzenlooze, namelooze angst zoowel voor
+doodsgevaar en onuitwischbare schande, als voor elk ijdel drogbeeld
+en het nietigste niets.
+
+Daar trok een groote donkere wolk langzaam voorbij de maan en dichte
+duisternis bedekte alles rondom, en ook de onduidelijke gedaanten,
+die hare verbeelding in schrikbeelden veranderd had. Zij moest haren
+loop vertragen om al tastende met den voet den weg te vinden. Evenals
+een kind iets akeligs, dat naderbij komt, meent te kunnen ontgaan of
+weg te maken door de oogen met de hand te bedekken, zoo voelde hare
+ziel, door de volslagen duisternis die haar omgaf, zich plotseling
+verlost van ontelbare ingebeelde verschrikkingen. Diep ademhalend
+bleef zij staan, verzamelde al hare wilskracht en vroeg zich af wat
+haar te doen stond, om het verschrikkelijkste te voorkomen.
+
+Sedert zij de moordenaars had gezien, was elke gedachte aan wraak,
+elke wensch om den verleider met den dood te straffen geheel uit
+hare ziel geweken. Haar vervulde nog maar éene begeerte, namelijk
+hem, den mensch, te redden uit de klauwen van het verscheurend
+gedierte. Langzaam voortgaande herhaalde zij elk woord, dat zij uit den
+mond van Euergetes, den eunuuch, den kluizenaar en de moordenaars over
+Publius en Irene had vernomen, en zij bracht zich weder elken stap voor
+den geest dien zij gedaan had, sedert zij den tempel verliet. Zoo werd
+zij zich weder volkomen bewust, dat zij was uitgegaan en gevaren had
+getrotseerd en angsten doorworsteld, enkel en alleen om Irene's wil.
+
+Opeens stond het beeld van hare zuster met al hare levendigheid en
+aanvalligheid haar weder voor oogen, zonder dat ijverzuchtige wangunst,
+die zij ook zoolang de hartstocht haar beheerschte zelfs geen enkel
+oogenblik gevoeld had, dit beeld benevelde. Onder hare oogen was
+Irene groot geworden, zorgvuldig door haar behoed en gekoesterd met
+het zonlicht harer liefde. Het was haar een lust geweest voor haar te
+zorgen, voor haar ontberingen te verduren en zware lasten te dragen,
+en toen zij zich, gelijk zij vaak gewoon was te doen, tot haren
+vader richtte, alsof hij tegenwoordig was, en hem met onhoorbare
+woorden vroeg: "Nietwaar, ik heb voor haar gedaan wat ik kon?" en
+zij tot zichzelve moest zeggen, dat hij onmogelijk die vraag anders
+dan toestemmend beantwoorden kon, welden er tranen in hare oogen, en
+de bitterheid en onrust, die zoo straks haar gemoed vervuld hadden,
+verdwenen langzamerhand. Gelijk een koele luchtstroom na een gloeiend
+heeten dag, zoo voer er een zachte verkwikkende adem van dankbare
+vreugde door hare ziel.
+
+Toen zij stil stond, om met hare oogen, die zich meer en meer aan
+het donker gewenden, te zoeken naar eene der tempels aan het einde
+van de sphinxenstraat, waarvan zij nu niet verre meer kon af zijn,
+drong onverwacht aan hare rechterzijde een plechtig veelstemming
+klaaggezang tot haar door. Het waren de priesters van Osiris-Apis,
+die te middernacht op het dak van den tempel de mysteriën van den
+god vierden. Zij kende die hymne wel, waarin de gestorven Osiris werd
+beweend, en die hem opriep om de macht van den dood te breken, op te
+staan, der wereld en den menschen nieuw licht en nieuwe levenskracht
+te geven, en al wat gestorven scheen te zegenen met een nieuw aanzijn.
+
+Dit vrome klaaglied maakte diepen indruk op haar geschokt
+gemoed. Misschien waren ook hare ouders reeds ontslapen, en namen zij,
+éen geworden met den levenden god, deel aan de schikking van het lot
+der wereld en der menschen. Zij hief thans beide armen omhoog, en voor
+de eerste maal, sedert zij zich verontwaardigd van het allerheiligste
+van Serapis had afgekeerd, stortte zij thans hare gansche ziel met
+hartstochtelijke innigheid uit in een vurig stil gebed om kracht
+tot verdere plichtsvervulling en om een teeken, dat haar den weg
+zou wijzen, hoe zij Irene uit het ongeluk en Publius van den dood
+zou redden. Zij gevoelde zich bij dat gebed niet meer alleen, neen,
+het kwam haar voor als stond zij tegenover die onverwinbare, het
+goede beschermende macht, als zag zij dat wezen, waaraan zij thans
+weder geloofde en waarvoor zij geen naam wist, van aangezicht tot
+aangezicht, gelijk eene dochter die om redding smeekt en de knieën
+van haren machtigen vader omvat.
+
+Eenige oogenblikken had zij aldus met omhoog geheven armen gestaan,
+toen de maan, die weder van achter de wolken te voorschijn kwam,
+haar tot zichzelve en de werkelijkheid terugbracht. Thans zag zij in
+hare onmiddellijke nabijheid, nauwelijks honderd schreden van zich
+verwijderd, de sphinxenstraat, aan welker zijde de Apis-graven gelegen
+waren, in de nabijheid waarvan Publius haar verwachten zou. Haar
+hart begon sneller te kloppen en meer en meer werd zij bevreesd voor
+hare eigene zwakheid. Binnen weinige oogenblikken zou zij den Romein
+ontmoeten, en toen zij onwillekeurig de hand aan het hoofd bracht,
+om het haar glad te strijken, ontwaarde zij, dat zij Glaukus hoed
+op haar hoofd en zijn mantel om hare schouders droeg. Langzaam,
+en terwijl zij haar hart nog eens verhief in het gebed, ten einde in
+enkele korte volzinnen om kalmte en bedaardheid te smeeken, schikte zij
+haar gewaad in de plooien en daarbij kwamen hare vingers in aanraking
+met den sleutel tot de Apis-graven, die zij nog altijd bij zich droeg.
+
+Daar kwam bliksemsnel een denkbeeld bij haar op, en zij hield het vast,
+en werkte het uit, terwijl zich hare ademhaling versnelde, tot zij
+meende den rechten weg gevonden te hebben om den man van den dood te
+redden, die zoo rijk was en zoo machtig; die haar niets had gegeven
+maar alles ontnomen, en wien zij, de arme kruikdraagster, met wie
+hij een spel dacht te drijven, nu het kostbaarste van alle goederen,
+het leven, als geschenk kon aanbieden. Serapion had gezegd, en zij
+geloofde het gaarne, dat Publius niet onedel was, en hij behoorde
+zeker niet tot de zoodanigen, die zich ondankbaar toonen jegens
+hunne redders. Zij wilde zich het recht verwerven om iets van hem te
+vorderen, en dat kon niets anders zijn, dan dat hij hare zuster zou
+vrijlaten en weder bij haar brengen.
+
+Wanneer had hij zich toch verstaan met Irene, die zeker licht te
+winnen en nog zoo onervaren was? En hoe spoedig had zij de hand,
+die deze man haar aanbood, gegrepen! Van haar, een kind van het
+oogenblik, kon het haar volstrekt niet verwonderen, en zij begreep
+ook dat Irene's aanvalligheid het hart ook zelfs van een ernstig man
+spoedig moest innemen. En toch!--Bij alle optochten had hij nooit Irene
+maar altijd haarzelve aangezien, en hoe kwam het, dat hij de gewaande
+uitnoodiging om tegen middernacht zich naar de woestijn te begeven,
+zoo snel en zoo gewillig had aangenomen?--Mogelijk lag zij hem toch
+nader aan het hart dan Irene; en als dankbaarheid hem met nieuwe
+koorden tot haar trok, dan kon hij wellicht haar tegemoet komen,
+zijn trots en hare armoede vergeten, en haar tot zijne vrouw begeeren.
+
+Deze gedachte werkte zij volledig uit, doch eer zij gekomen was
+aan het door de borstbeelden der wijsgeeren omgeven rondeel, kwam
+de vraag bij haar op: "En Irene? Zou zij hem gevolgd zijn en haar
+zonder afscheid verlaten hebben, wanneer haar jeugdig hart niet in
+liefde voor Publius was ontgloeid, die zeker boven alle andere mannen
+zulk eene liefde waardig was?--En hij? Zou hij niet uit dankbaarheid
+voor hetgeen zij voornemens was te doen, kunnen besluiten om Irene,
+de arme maar overschoone dochter eener edele familie, tot vrouw te
+nemen, wanneer zij het verlangde?--En als dat nu eens mogelijk was,
+als die twee eens in liefde en eer gelukkig konden zijn, zou zij,
+Klea, dit paar dan scheiden? Zou zij hare Irene wangunstig uit zijne
+armen rukken en in den somberen tempel terugbrengen, die haar thans,
+nadat zij was uitgevlogen in de vrije zonnige lucht, dubbel donker en
+onuitstaanbaar moest voorkomen? Zou zij het zijn, die Irene in het
+ongeluk stortte, Irene, haar kind, den haar toevertrouwden schat,
+dien zij gezworen had te zullen beschermen?
+
+"Neen, nogmaals neen," zeide zij vast besloten. "Zij is tot vreugde
+geboren, en ik om leed te dragen, en wanneer ik u, verhevene godheid,
+nog éen ding mag smeeken, dan zou het dit zijn, dat gij mij deze
+liefde, die mij het hart stuksgewijze als verteerd hout verbreekt,
+uit de ziel wegneemt, en dat gij mij bewaart voor nijd en afgunst,
+wanneer ik haar in zijne armen gelukkig zie. Het valt wel zwaar zijn
+eigen hart te verwoesten, opdat de lente moge bloeien in dat van een
+ander; maar toch is het goed, en onze moeder zou mij prijzen, en vader
+zou zeggen, dat ik in zijn geest had gehandeld en naar de leer der
+mannen, wier beeltenissen daar op die voetstukken staan.--Stil nu,
+mijn arm hart, het moet zoo zijn!"
+
+Terwijl deze gedachten hare ziel vervulden, ging zij de borstbeelden
+van Zeno en Chrysippus voorbij, wierp een blik op hunne door het
+maanlicht beschenen trekken, en toen zij weder op de gladde steenen
+keek, waarmede het rondeel der wijsgeeren geplaveid was, viel haar
+oog op hare eigene in scherpe omtrekken afgeteekende schaduw, welke
+veel geleek op de schaduw van een reiziger, die met een mantel en
+breeden hoed van de eene stad naar de andere wandelt.
+
+"Precies een man!" prevelde zij in zichzelve. Op hetzelfde oogenblik
+zag zij eene andere gestalte, geheel aan de hare gelijk, die ook een
+hoed droeg, naast de opening der Apis-graven verschijnen. Zoodra zij
+meende daarin den Romein te herkennen, kwam in haar sterk geprikkelde
+hersenen een denkbeeld op, dat haar eerst met huivering, maar eensklaps
+daarop met zulk een onuitsprekelijke vreugde vervulde, als misschien
+de adelaar ondervindt, wanneer hij de vleugels krachtig uitslaat
+en zich hoog boven het stof der aarde in den reinen grenzenloozen
+aether verheft. Met een kloppend hart, langzaam en zwaar ademhalende,
+maar met opgerichte houding evenals eene koningin, die een anderen
+vorst te gemoet gaat, met den hoed dien zij van het hoofd had genomen
+in de linker en den sleutel van den smid Krates in de rechterhand,
+richtte zij hare schreden naar Cornelius bij de poort der Apis-graven.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De man dien Klea gezien had, was niemand anders dan de Romein Publius.
+
+Een dag van allerlei gewaarwordingen lag achter hem, want nadat hij
+zich overtuigd had, dat Irene door den beeldhouwer en zijne gemalin
+was opgenomen, alsof zij haar eigen kind ware, was hij naar zijne
+tent teruggereden om andermaal naar Rome te schrijven. Doch het kon
+er niet toe komen, want zijn vriend Lysias liep rusteloos naast hem
+op en neer, en zoo dikwijls hij het schrijfriet op het papyrus zette,
+stoorde hij hem met vragen betreffende den kluizenaar, den beeldhouwer
+en zijne geredde beschermelinge. Toen de Korinthiër eindelijk wilde
+weten, of hij Irene's oogen voor bruin of blauw hield, was hij knorrig
+opgesprongen en had vrij heftig uitgeroepen: "En al waren ze rood of
+groen; wat ging het mij aan?"
+
+Lysias scheen dit antwoord eer te vermaken dan te verdrieten, en
+reeds was hij op het punt zijn vriend te bekennen, dat Irene in
+zijn hart een waren brand had ontstoken, toen zich een stalmeester
+van Euergetes aanmeldde, om den Romein vier kostelijke Cyrenaeische
+vossen te laten zien, die zijn vorst den edelen Publius Cornelius
+Scipio Nasica verzocht te willen aannemen als teeken zijner bijzondere
+vriendschap. Wel een uur lang bewonderden beide vrienden, kenners en
+liefhebbers van paarden, den schoonen bouw en den vluggen tred dezer
+edele dieren.
+
+Vervolgens verscheen er eene kamenier van de koningin om Publius uit
+te noodigen haar terstond te bezoeken. De Romein volgde den bode na
+een kort oponthoud in zijne tent. Hij stak de gesneden steenen met
+de bruiloft van Hebe bij zich, want hij was op weg van de woning des
+beeldhouwers naar het paleis op den inval gekomen deze kunstwerken
+der koningin aan te bieden, nadat hij haar omtrent de herkomst der
+kruikdraagsters zou ingelicht hebben. Publius had scherpe oogen en de
+zwakke zijde van Kleopatra was hem niet ontgaan, maar nooit had hij
+kunnen denken, dat zij haren teugelloozen broeder de behulpzame hand
+zou bieden, om zich met geweld meester te maken van de onschuldige
+dochter van een edelen vader. Thans wilde hij haar, als het ware ter
+vergoeding voor de verijdelde, door zijn vriend ontworpen voorstelling,
+het beeldwerk zelf vereeren, dat zij zich verheugd had zoo schoon te
+zullen zien wedergeven.
+
+Kleopatra ontving hem op haar dak, eene gunst die maar aan weinigen
+te beurt viel, vergunde hem, terwijl zij zelve op haar rustbed lag
+uitgestrekt, zich aan hare voeten neder te zetten, en gaf hem door
+elken blik van haar oog en ieder woord dat zij zeide ondubbelzinnig
+te erkennen, dat zijne tegenwoordigheid haar gelukkig maakte en met
+hartstochtelijke vreugde vervulde. Publius wist het gesprek spoedig op
+de onschuldig in de goudmijnen gesleepte ouders der kruikdraagsters te
+brengen. Kleopatra brak echter zijne voorspraak af, door hem duidelijk
+en zonder omwegen en niet zonder merkbare gemoedsaandoening de vraag
+voor te leggen, of het waar was dat hij zelf die Hebe wenschte te
+bezitten. Zij beantwoordde zijne stellige ontkenning met uitingen van
+ongeloof, en ten laatste zelf met op verwijtenden toon te spreken,
+zoodat hij boos werd en opstuivend haar rondweg verklaarde, dat
+hij het voor onmannelijk en schandelijk hield te liegen, en dat hij
+geene beleediging moeielijker kon verdragen dan twijfel aan zijne
+oprechtheid.
+
+Zulk eene heftige en stellige ontkenning uit den mond van een door haar
+bevoorrecht man, was voor Kleopatra iets nieuws, en zij nam haar niet
+kwalijk, want zij mocht nu gelooven hetgeen zij zoo gaarne geloofde,
+dat Publius niets van de bevallige Hebe begeerde, dat Eulaeus zijn
+vijand belasterde, en dat Zoë zich vergist had, toen zij na haar
+vruchteloos tempelbezoek, waarvan zij zooeven was teruggekeerd, haar
+had medegedeeld, dat Irene het liefje was van den Romein, en dat hij
+zeer vroeg in den morgen, hetzij aan het meisje zelve, hetzij aan
+de priesters in het Serapeum moest verraden hebben wat men met haar
+voorhad. In de ziel van dezen edelen jongeling school geen bedrog,
+kon geen arglistigheid zijn! En zij, die gewoon was geen woord uit
+den mond van hare omgeving te vernemen, zonder zich af te vragen, wat
+daarmede wel bedoeld werd en in hoeverre het gelogen of gehuicheld was,
+zij geloofde den Romein en verheugde zich zoozeer in haar vertrouwen,
+dat zij op een toon van vroolijke lieftalligheid Publius uitnoodigde
+haar het verzoekschrift van den kluizenaar ter lezing te geven.
+
+De Romein overhandigde haar terstond de rol en zeide, dat aangezien
+dit stuk zooveel treurigs inhield, waarvan zij kennis zou moeten
+nemen, hij zich verplicht gevoelde haar ook eene zij het ook zeer
+kleine verrassing te bereiden. Hierbij overhandigde hij haar zijne
+gesneden steenen, en zij toonde zich over deze kleine kunstwerken zoo
+uitgelaten van verrukking, als ware zij niet de rijke koningin, die
+de schoonste gesnedene steenen in de gansche wereld bezat, maar een
+meisje, waaraan men het eerste lang gewenschte gouden sieraad schenkt.
+
+"Kostelijk, heerlijk!" riep zij herhaaldelijk. "En bovendien is dit
+geschenk een onvergetelijk aandenken aan u, lieve vriend, en aan uw
+bezoek in Egypte. Met welke edelgesteenten ik deze ook laat omzetten,
+zelfs diamanten schijnen mij zonder waarde, bij dit uw geschenk
+vergeleken. Het zal, eer ik nog dit verzoekschrift heb gelezen, mijn
+oordeel over den eunuuch en zijn beklagenswaardig offer beslissen. Maar
+ik zal die rol toch lezen, met aandacht lezen, want mijn gemaal houdt
+Eulaeus voor een nuttig, ja bijna onontbeerlijk werktuig, en het zal
+er op aankomen het besluit zoowel als de begenadiging op goede gronden
+te doen rusten. Ik geloof aan de onschuld van den armen Philotas,
+maar al had hij honderd moorden begaan, na dit geschenk stel ik hem
+toch in vrijheid!"
+
+De Romein ergerde zich aan deze woorden, en al wat zij verder had
+gezegd om hem aangenaam te zijn, scheen hem op dit oogenblik, vooral
+om haarzelve, meer te passen in den mond van een omkoopbaar beambte,
+dan van eene koningin. De tijd viel hem lang bij Kleopatra, die hem,
+ondanks zijne eigene terughouding, steeds dringender te verstaan
+gaf, hoe warm haar hart voor hem klopte. Doch hoe meer zij sprak en
+vertelde, des te stiller toonde hij zich. Hij gevoelde zich verlicht
+en haalde weder vrij adem, toen haar gemaal verscheen om Kleopatra
+en ook hem voor het middagmaal af te halen.
+
+Aan tafel beloofde Philometor zich de zaak van Philotas en zijne
+vrouw, die hij beide gekend had, en wier treurig lot hem leed deed,
+te zullen aantrekken. Doch hij verzocht zijne gemalin en den Romein
+den eunuuch Eulaeus eerst dan voor het gerecht te dagen, wanneer
+Euergetes Memphis verlaten zou hebben, want gedurende de aanwezigheid
+van zijn broeder, die tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf,
+kon hij den schrijver nog niet ontberen. Wanneer hij Publius naar
+zichzelven beoordeelen mocht, dan zou er ook hem meer aan gelegen
+zijn onschuldigen recht te doen wedervaren en uit hunne ellende te
+bevrijden, waarvan al het verschrikkelijke hem eerst onlangs door
+zijn leermeester Agatharchides bekend geworden was, dan een man,
+die zijn toom onwaardig was en bovendien zijn straf niet ontgaan kon,
+juist heden of morgen voor den rechter te dagen.
+
+Voordat de brief van Asklepiodorus, waarin het onjuiste vermoeden
+der priesters van Serapis werd uitgesproken, dat namelijk Irene
+op last des konings uit den tempel zou zijn gevoerd, in het paleis
+aankwam, had Publius gelegenheid gevonden om van het vorstelijk paar
+afscheid te nemen. Zelfs Kleopatra waagde het niet iets in te brengen
+tegen zijne stellige verzekering, dat hij heden nog over gewichtige
+aangelegenheden naar Rome moest schrijven. Toen Philometor nu met zijne
+gemalin alleen was, vond hij, wiens toegenegenheid spoedig te winnen
+was, geen woorden genoeg om de voortreffelijke eigenschappen van den
+jongen man te prijzen, die aangewezen scheen om in de toekomst hem
+en zijne zaak te Rome de gewichtigste diensten te bewijzen, en wiens
+vriendschappelijke gezindheid hij wederom--en hij erkende dit met
+vreugde--aan het uitstekend beleid en de voorkomendheid van zijne
+gemalin te danken had.
+
+Toen Publius het paleis had verlaten en haastig zijne tent ging
+opzoeken, gevoelde hij zich als een daglooner, die van een zwaren
+arbeid terugkeert, als een vrijgesprokene, die van een halsmisdaad
+was beschuldigd, als een verdoolde, die weder het rechte pad heeft
+gevonden. De zwoele lucht tusschen de lanen van het meer afgelegen
+gedeelte van den tuin scheen hem minder zwaar om in te ademen,
+dan de koele wind, die rondom het dak van Kleopatra speelde. De
+tegenwoordigheid der koningin kwam hem opwekkend en toch benauwend
+voor, en hoeveel vleiends er ook voor hem was gelegen in de wijze
+waarop de machtige vorstin hem tegemoet kwam, zoo wilde hem dit toch
+even weinig smaken als een heerlijk gerecht op een gouden schotel,
+tot het gebruik waarvan men ons dwingen wil, en dat, als men het dan
+toch eindelijk proeft, walgelijk zoet blijkt te zijn.
+
+Publius was in alle opzichten een man, en zoo hield hij, evenals ieder
+van zijns gelijken zou doen, de liefde, die hem werd opgedrongen,
+voor een eerbewijs uit eene hand, die men niet kan achten, en die
+men daarom liever afwijst dan aanneemt, evenals de lof, die onze
+verdiensten verre overtreft en waaraan een dwaas misschien zijn
+hart ophaalt, verstandige lieden eer ergernis geeft dan dank waardig
+schijnt. Het scheen hem toe dat Kleopatra's toeleg was zich van hem
+te bedienen, allereerst als een vermakelijk speeltuig, vervolgens
+als een bruikbaar handlanger, en dit verdroot en verontrustte den
+ernstigen en prikkelbaren jonkman zoozeer, dat hij het liefst terstond
+en zonder afscheid te nemen Egypte en Memphis verlaten zou hebben.
+
+Toch zou het hem niet gemakkelijk vallen te vertrekken, want zoo vaak
+hij aan Kleopatra dacht, stond ook het beeld van Klea hem voor den
+geest, gelijk wanneer wij denken aan de schaduwen van den nacht ook de
+glans van de zachte maan zich aan onze verbeelding voordoet. Had hij
+Irene gered, zoo wenschte hij ook aan de ouders der kruikdraagsters
+de vrijheid terug te geven. Egypte te verlaten zonder Klea nog eens
+teruggezien te hebben, scheen hem bepaald onmogelijk. Hij verlangde
+zich in eigen persoon nog eens te plaatsen tegenover hare trotsche
+grootheid en haar te zeggen, dat zij eene schoone en koninklijke
+vrouw was, en dat hij haar vriend was, die de ongerechtigheid haatte,
+en om den wille van het recht en ook om harentwil gaarne bereid was
+voor haar en hare ouders groote offers te brengen.
+
+Heden, nog vóor het gastmaal, wilde hij den tempel van Serapis op
+nieuw bezoeken en den kluizenaar dringend vragen een onderhoud te
+willen bewerken tusschen hem en zijne beschermelinge. Als Klea eens
+wist wat hij voor Irene en hare ouders gedaan had, dan zou zij hem wel
+moeten toonen, dat hare trotsche oogen ook vriendelijk konden kijken,
+dan zou zij tot afscheid hem de rechterhand moeten geven, die hij met
+beide handen dacht te omklemmen en aan zijne borst te drukken. Dan
+wilde hij haar zeggen met de verhevenste en warmste woorden, die hij
+maar uitdenken kon, hoe gelukkig hij was haar gevonden te hebben, en
+hoe zwaar het hem viel van haar te scheiden. Misschien liet zij dan ook
+hare hand wel in de zijne en zou zij hem vriendelijk antwoorden. Eenige
+weinige goedhartige en oprechte woorden uit Klea's strengen en toch
+zoo schoonen mond schenen hem hooger waarde te bezitten, dan een kus
+en eene omhelzing van de groote en rijke koningin van Egypte.
+
+Cornelius kon, als hij werd getart, in toorn zichzelven vergeten,
+maar zijn verbeeldingskracht was overigens noch bijzonder levendig
+noch vurig. Terwijl hij zijne paarden liet inspannen en met hen naar
+den Serapis-tempel reed, stond hem gedurig het verheven beeld van de
+kruikdraagster voor oogen, meende hij telkens in plaats van de teugels
+hare hand in de zijne te houden, en als hij herhaalde wat hij haar tot
+afscheid wilde zeggen, en hij in zijn binnenste meende te vernemen,
+dat zij hem met bewogen stem voor zijne edele hulpvaardigheid dankte,
+en dat zij hem nooit vergeten zou, voelde hij dat zijne oogen, die in
+vele jaren geen tranen hadden gekend, vochtig werden, en onwillekeurig
+herinnerde hij zich den dag, waarop hij de zijnen vaarwel zeide, om
+voor de eerste maal ten krijg te trekken. Toen echter hadden er niet in
+zijne eigene oogen, maar wel in die zijner moeder tranen geglinsterd,
+en hij vond dat, als hij Klea met eene andere vrouw vergelijken mocht,
+zij toch het meest geleek op die deftige matrone die hem het leven had
+geschonken; dat Klea naast de dochter van den grooten Scipio Africanus
+er uitzag als eene jeugdige Minerva aan de zijde der verhevene Juno,
+de moeder der goden.
+
+Groot was zijne teleurstelling, toen hij de poort van den
+Serapis-tempel gesloten vond en hij zich gedwongen zag zonder Klea
+of den kluizenaar gezien te hebben, naar Memphis terug te keeren. Wat
+heden niet mogelijk was geweest, kon hij morgen opnieuw beproeven, maar
+zijn verlangen naar de geliefde klom nu tot een pijnlijk heimwee. Toen
+hij weder in zijne tent zat, om zijn tweeden brief naar Rome af te
+schrijven, hinderde de gedachte aan Klea hem telkens weder bij zijn
+ernstig werk. Wel tienmaal sprong hij op, om zijne gedachten opnieuw
+te verzamelen, en even dikwijls moest hij het schrijfriet neerwerpen,
+omdat het beeld van de kruikdraagster zich plaatste tusschen hem en
+zijnen brief. Eindelijk sloeg hij, ongeduldig over zichzelven, met de
+hand op de voor hem staande tafel, drukte eenige oogenblikken beide
+vuisten zoo krachtig in zijne zijde, dat het hem pijn deed, en dwong
+aldus zichzelven zijn plicht te vervullen, alvorens aan iets anders
+te denken. Zijn stalen wilskracht behield ten slotte de overhand,
+en toen het donker begon te worden, was de brief geschreven.
+
+Reeds stond hij gereed het teeken van zijn geslacht, dat in den
+sardonyx van zijn zegelring was gesneden, in het zegelwas af te
+drukken, toen zijn dienaar hem een zwarten slaaf aandiende, die
+verlangde hem te spreken. Cornelius beval hem binnen te leiden, en
+de neger overhandigde hem de scherf, waarop Eulaeus met boosaardige
+bedoeling Klea's uitnoodiging aan hem geschreven had, om tegen
+middernacht bij de Apis-graven te verschijnen. Het listige glurende
+werktuig van zijn vijand was op dit oogenblik voor den jonkman een bode
+der goden, en zonder in het minst eenige verdenking te koesteren,
+schreef hij met hartstochtelijke gejaagdheid op de armzalige,
+potscherf: "Ik zal komen."
+
+Publius wilde den brief aan den senaat, dien hij zooeven voleindigd
+had, eigenhandig en onopgemerkt overhandigen aan den bode, die hem
+gisteren het schrijven uit Rome had gebracht, en daar hij eerder het
+verzoek zou hebben afgeslagen, om een koninklijken schat in dezen nacht
+in ontvangst te nemen, dan de samenkomst met Klea te verzuimen, zoo
+kon hij in geen geval aan het koninklijk gastmaal deelnemen, hoewel
+Kleopatra hem daar overeenkomstig zijne belofte, wachten zou. Hij
+gevoelde nu tot zijn leedwezen het gemis van zijn vriend Lysias,
+want hij wilde alles vermijden wat de koningin beleedigen kon, en de
+Korinthiër, die op dat oogenblik zich zeker met de onbeduidendste
+dingen bezighield, was even vlug in het uitdenken van geschikte
+verontschuldigingen, als hijzelf daarin dom was. Haastig schreef
+Publius dus aan zijn tentgenoot eenige woorden, om hem te verzoeken den
+koning mede te deelen, dat hij door dringende bezigheden verhinderd
+was heden avond aan zijn gastmaal deel te nemen. Hierop sloeg hij
+zijn mantel om, zette zijn reishoed op, die zijn gezicht beschaduwde,
+en begaf zich te voet en zonder geleide, met zijn brief in de eene
+en zijn wandelstaf in de andere hand naar de haven.
+
+De soldaten en politiewachten, die de voorhoven van het paleis
+vervulden, hielden hem voor een bode, riepen den man, die met vasten,
+haastigen tred zich voortspoedde, niet aan, en zoo bereikte hij zonder
+opgehouden of herkend te worden de herberg aan de haven, waar hij
+onder schippers en kooplieden een uur moest wachten, eer zijn bode uit
+het vroolijk vreemdenkwartier, waar hij zich wat te goed had gedaan,
+terugkeerde. Zeer veel had hij te bespreken met dezen man, die den
+volgenden morgen naar Alexandrië en Rome moest vertrekken. Doch Publius
+gunde zich daartoe nauwelijks den noodigen tijd, want reeds een vol
+uur voor middernacht meende hij te moeten opbreken, om naar de door
+Klea aangewezene, hem welbekende plaats te gaan, hoewel hij wist,
+dat hij deze in veel korter tijd bereiken kon. Voor den smachtend
+verlangende daalt de zon nog te langzaam, en een dwaalster vergeet
+eerder haar tijd dan een verliefde, dien de stem der liefde roept.
+
+Om opzien te vermijden bediende hij zich van geen wagen, maar van
+een sterk muildier, dat de waard van de herberg hem met genoegen
+leende. Want de Romein was zoo blijmoedig gestemd, in de hoop Klea
+te zullen ontmoeten, dat hij het aardige kind van den herbergier,
+hetwelk op een bank voor de gelagtafel was ingedommeld, een goudstuk
+tusschen de half geslotene kleine vingers had gestoken, en den
+landwijn, dien hij had gedronken, zonder naar de kosten te vragen,
+veel te duur met den prijs van edelen Falerner had betaald. De waard
+keek hem met verwondering aan, toen hij eindelijk met een sierlijken
+sprong, zonder het groote beest aan te raken, op zijn rug wipte. Het
+kwam Publius zelven voor, alsof hij zich sedert zijn jongenstijd nog
+nooit zoo frisch, zoo uitgelaten vroolijk had gevoeld, als in dit uur.
+
+De weg, die van de haven naar de Apis-graven voerde, was een andere,
+dan die van het koninklijk paleis daarheen geleidde, en welke Klea was
+gegaan. De eerste liep niet langs de herberg, waarin zij de moordenaars
+gezien had. Er werd overdag veel gebruik van gemaakt door pelgrims,
+en de Romein kon ook bij nacht niet dolen, want het muildier dat
+hij bereed kende goed den weg. Dat wist hij ook, want op de vraag,
+waarom de herbergier het beest er op nahield, had deze geantwoord,
+dat hij dagelijks pelgrims, die uit Boven-Egypte kwamen, naar den
+tempel van Serapis en de graven der heilige stieren moest brengen. De
+voorslag van den waard, om hem een ezeldrijver mede te geven, kon
+hij daarom gerust afslaan, en allen die hem zagen opbreken, meenden,
+dat hij naar de stad en het koninklijk paleis terugging.
+
+In langzamen draf reed Publius door de straten der stad, en zoo
+vaak uit eene herberg het gelach der drinkende soldaten tot zijn oor
+doordrong, had hij gaarne daarmede ingestemd. Zoodra hij de doodsche
+woestijn was ingegaan, en aan de sterren zag, dat hij te vroeg bij de
+plaats der samenkomst zou zijn, dwong hij het dier tot een bedaarden
+stap. Hoe meer hij zijn doel naderde, des te ernstiger werd hij en
+des te heftiger klopte zijn hart.--Het moest wel iets gewichtigs,
+iets van groote beteekenis zijn, dat Klea hem op zulk een uur en
+op zulk eene plaats begeerde mede te deelen. Of was zij als duizend
+andere vrouwen, en maakte hij zich op om een uurtje in minnekozerij
+met haar te slijten? Zij had immers voor een paar dagen zijn blik
+beantwoord en zijne viooltjes aangenomen!--Een oogenblik drong deze
+gedachte zich met kracht aan hem op, maar hij zette haar verre van
+zich als dwaas en zijner onwaardig. Eer zou een koning een bedelaar
+aanbieden den troon met hem te deelen, dan dat dit meisje hem zou
+uitnoodigen, op een heimelijke plaats met haar te kouten over Amor's
+zoete gaven. Ongetwijfeld wenschte zij vóor alle dingen zekerheid te
+erlangen omtrent het lot harer zuster; misschien wilde zij ook met hem
+spreken over hare ouders. Doch zij had moeielijk kunnen besluiten om
+hem te roepen, wanneer zij niet geleerd had hem te vertrouwen, en juist
+dit vertrouwen vervulde hem met trots, en bovendien met een levendig
+verlangen naar haar, dat zijn hart al heviger en heviger bestormde.
+
+Terwijl het muildier met langzame maar zekere stappen ook in het
+stikdonker zijn weg zocht en vond, zag hij op naar den hemel en naar
+het spel der wolken, die nu eens als een zwarte massa het licht van
+Selene bedekten, dan weder uit elkander dreven, door eene witachtige
+schemering omgeven, wanneer de zilveren maansikkel ze kliefde,
+gelijk eene zwaan den donkeren waterspiegel. Daarbij dacht hij
+onophoudelijk aan Klea, en half droomend meende hij haar voor zich
+te zien, maar anders en voornamer dan te voren. Want hare gedaante
+groeide al meer en meer in zijne oogen, en werd eindelijk zoo groot,
+dat haar schedel aan het firmament raakte, dat de wolken haar sluier
+en de maan een schitterende diadeem in haren haartooi schenen te
+zijn. Onder den indruk van dit visioen, liet hij de teugels op den hals
+van het muildier vallen, en strekte hij de handen naar deze schoone
+droomgestalte uit, doch hoe verder hij voortreed, des te meer week
+zij terug, en toen de westenwind hem het zand in het aangezicht blies,
+zoodat hij zijne oogen met de hand moest bedekken, verdween zij weder
+geheel en keerde niet weder tot hij bij de Apis-graven was aangekomen.
+
+Hij had gehoopt hier eenige soldaten of wachten te zullen vinden,
+waaraan hij het dier kon toevertrouwen, maar nadat het middernachtelijk
+priestergezang in den tempel van Osiris-Apis was weggestorven, liet
+zich nergens meer in den omtrek eenig geluid hooren, en in zijne
+omgeving was alles zoo stil, zoo stom en zoo bewegingloos, alsof alle
+leven hier ware uit gestorven. Of had een demon hem van het gehoor
+beroofd? Alleen het bruischen van zijn eigen snelvlietend bloed meende
+hij aan zijn oor te vernemen, maar verder niet het minste. Zulk eene
+stilte kent slechts de doodenstad bij nacht, kent alleen de woestijn.
+
+Aan een gedenksteen van graniet vol opschriften maakte hij de teugels
+van het muildier vast, en liep vervolgens naar de plek, die voor de
+samenkomst bestemd was. Volgens den stand der maan moest het later zijn
+dan middernacht, en reeds begon hij zich af te vragen, of hij daar
+waar hij stond moest blijven, dan of hij de kruikdraagster tegemoet
+zou gaan, toen hij eerst zachte voetstappen hoorde en spoedig daarna
+eene hooge gestalte, in een langen mantel gehuld, van de sphinxenlaan
+recht op zich zag afkomen.
+
+Was het een man; was het eene vrouw; was zij het, die hij
+verwachtte? En als zij het was, naderde ooit eene vrouw met zulke
+afgemetene bijna plechtige schreden den vriend, met wien zij een
+onderhoud verlangde?
+
+Thans herkende hij haar gelaat.--Was het door het vale maanlicht,
+dat zij er zoo bloedeloos, zoo marmerbleek scheen uit te zien? Er
+lag eene zekere strakheid in deze trekken, en toch had hij ze nog
+nooit, zelfs niet toen zij blozend zijne viooltjes had aangenomen, zoo
+onberispelijk schoon, zoo gelijkmatig en fijn besneden, zoo voornaam,
+ja zoo eerbiedwekkend gevonden.
+
+Beiden stonden wel eene minuut sprakeloos en toch zeer dicht tegenover
+elkander. Eindelijk brak Publius het stilzwijgen af, door haar vol
+warm gevoel en toch niet zonder schroom, met zijne zware heldere
+stem niets anders toe te roepen, dan een enkel woord, en dit woord
+was haar naam: "Klea!"
+
+Als de wensch: God groete en zegene u; als de welluidendste aller
+accoorden in den zang der Sirenen; als de vrijspraak uit den mond des
+rechters over leven en dood, klonk dit woord, en beroerde met zijne
+trillingen het hart der jonkvrouw. Reeds opende zij hare lippen
+om den Romein zijn naam Publius op niet minder diepen en innigen
+toon toe te roepen, maar zij bedwong zich met al hare zielskracht,
+en zeide zacht en snel: "Gij zijt op dit late uur hierheen gekomen,
+en het is goed dat gij dit deedt."
+
+"Gij hadt mij geroepen," antwoordde de Romein.
+
+"Een ander deed het, niet ik," gaf Klea dof en langzaam ten antwoord,
+als had zij een zwaren last op te heffen, of als viel het ademhalen
+haar zwaar: "Volg mij nu, want het is hier de plaats niet om u dit
+te verklaren."
+
+Bij deze woorden ging Klea naar de geslotene deur der Apis-graven en
+beproefde den sleutel, dien de oude Krates haar had toevertrouwd,
+in het slot te steken; maar deze was nog zoo nieuw en hare vingers
+beefden zoo, dat haar dit niet zoo dadelijk wilde gelukken.
+
+Publius stond intusschen dicht naast haar, terwijl hij zijn best deed
+om haar te helpen, kwamen zijne vingers met de hare in aanraking. Toen
+hij nu, zeker niet zonder er bij te denken, zijne sterke en toch
+bevende hand op de hare legde, liet zij dit een oogenblik toe, want
+het was haar als steeg er een warme damp al wervelend uit hare borst
+op, die haar geest benevelde, haar wilskracht verlamde en een sluier
+wierp over hare oogen.
+
+"Klea," zeide hij andermaal, en greep ook naar hare linkerhand.
+
+Als uit een kortstondigen droom in het werkelijk leven teruggeroepen,
+trok zij terstond de hand terug waarop de zijne rustte, stak den
+sleutel in het slot, opende de poort en zeide bijna met bevelenden
+ernst: "Ga mij voor!"
+
+Publius volgde dit bevel en betrad de ruime voorhal van de eenvoudige,
+in de rots uitgehouwen en flauw verlichte grot. Een gewelfde gang,
+waarvan hij het einde niet zien kon, lag voor hem, en aan beide
+zijden waren links en rechts de toegangen tot de kamers, waarin de
+sarkophagen stonden der gestorvene heilige stieren. Boven elke van
+deze ontzaglijke steenen doodkisten brandde dag en nacht een lamp,
+welker schijnsel, als een tapijt uit lichtstralen geweven, overal waar
+zulk eene grafkamer open stond, door de duisternis van de spelonk
+heenbrekende, een helder flikkerlicht wierp op den donkeren weg,
+die tot het binnengedeelte van de grot voerde.
+
+Welk eene plaats had Klea gekozen, om met hem te spreken! Maar
+al klonk hare stem ook streng, zijzelve was toch niet zoo koud en
+gevoelloos als de schaduwen van den Orkus, waarop deze plaats geleek,
+welke gevuld was van wierookdamp, die zijne borst beklemde. Immers hij
+had gevoeld, dat hare vingers onder de zijnen beefden, en toen hij,
+om haar te helpen, zeer dicht naast haar was gaan staan, had haar hart
+blijkbaar niet minder snel en hevig geklopt dan het zijne.--Ja, wien
+het gelukte dit hart van hard maar rein en edel kristal te smelten,
+over hem zou zich een stroom uitstorten van louter zaligheid!
+
+"Hier zijn wij waar wij wezen moeten," zeide Klea. Daarna ging zij
+voort met korte afgebroken volzinnen. "Blijf gij, waar ge zijt. Laat
+mij de plaats innemen bij de poort. Beantwoord mij nu eerst eene
+vraag: Mijne zuster Irene is uit den tempel verdwenen. Hebt gij haar
+doen wegvoeren?"
+
+"Ik deed het," antwoordde Publius haastig. "Zij laat u groeten en
+u zeggen, hoe best hare nieuwe vrienden haar bevallen. Als ik u zal
+hebben medegedeeld...."
+
+"Thans niet," zeide Klea, hem driftig in de rede vallende. "Keer u
+nu om!--Daarheen, waar gij dat lamplicht ziet flikkeren."
+
+Publius deed gelijk hem bevolen werd, en daarbij gevoelde hij, ofschoon
+anders zoo onverschrokken, eene lichte huivering, want al wat dit
+meisje deed, ja haar geheele voorkomen, was niet alleen plechtig,
+maar scheen hem zoo geheimzinnig toe, als ware zij een profetes.
+
+Daar weergalmde een hevig gekraak door die stille, heilige plaats,
+en hare geluiden plantten zich langs de rotswanden der grot voort,
+al dreunend wegstervende. Publius keek angstig om, maar zijn zoekend
+oog vond Klea niet meer. Toen hij vervolgens naar de deur van de grot
+vloog, hoorde hij hoe ze van buiten werd gesloten. De kruikdraagster
+was hem ontvloden, had de zware deur toegeworpen en hield hem gevangen.
+
+Deze gedachte scheen den Romein zoo onwaardig en onverdraaglijk,
+dat hij, op dit oogenblik voor geen ander gevoel vatbaar dan dat
+van verzet, van gekrenkten trots en van hartstochtelijke begeerte om
+zich te bevrijden, met de voeten tegen de deur trapte en Klea toornig
+toeschreeuwde: "Gij zult de deur openen: ik beveel het u! Laat mij
+dadelijk vrij, of bij alle goden..."
+
+Hij sprak zijne bedreiging niet uit, want in het midden van de rechter
+vleugeldeur der geslotene poort, werd een klein luikje opengedaan,
+waardoor de priesters soms wierookdamp, in de groeve der heilige
+stieren plachten in te laten. Twee-, driemaal, en toen hij nog altijd
+niet bedaren wilde, ook ten vierden maal riep Klea hem toe: "Hoor mij,
+hoor mij toch, Publius!"
+
+Eindelijk hield hij op met razen, en kon zij dus voortgaan: "Dreig mij
+niet, Publius, want gij zult er zeker berouw van hebben, als gij weet
+wat ik u heb mede te deelen. Laat mij uitspreken, en weet reeds nu, dat
+deze poort alle dagen met zonsopgang geopend wordt. Uwe gevangenschap
+duurt niet lang, en gij moet er u in voegen, want ik sloot u op om uw
+leven te redden, ja, uw leven dat in groot gevaar verkeert. Gij noemt
+mijne bezorgdheid dwaasheid? Neen, Publius, zij is maar al te zeer
+gerechtvaardigd, en wanneer gij sterk zijt als man, zoo ben ik het
+als vrouw en door een nietswaardig spooksel zal ik mij nooit schrik
+laten aanjagen. Oordeel zelf, of ik recht heb voor u te vreezen.
+
+"Koning Euergetes en de eunuuch Eulaeus hebben twee afschuwelijke
+booswichten gehuurd, om u te vermoorden. Toen ik uitging om Irene te
+zoeken heb ik alles afgeluisterd. Ik heb de verschrikkelijke wolven,
+die zij op u zouden aanhitsen, met deze oogen gezien, en den aanslag
+tegen u met deze ooren hooren bespreken. Het briefje op die scherf,
+dat mijn naam droeg, heb ik nooit geschreven. Eulaeus heeft het
+gedaan, en gij hebt u door hem in den val laten lokken en zijt in den
+nacht naar de woestijn gegaan. Binnen weinige oogenblikken zullen de
+moordenaars om deze plaats heen sluipen en hun offer zoeken, maar u,
+Publius zullen zij niet vinden, want Klea heeft u gered, dezelfde
+Klea, die gij eerst vriendelijk zijt tegemoetgekomen en wier zuster
+gij daarna geroofd hebt; dezelfde Klea, die gij zooeven bedreigdet
+en die nu terstond, gekleed met hoed en mantel, als een wandelaar,
+dien men bij maneschijn licht voor u kan aanzien, in de woestijn zal
+gaan, en haar arm hart zal prijs geven aan den dolk des moordenaars."
+
+"Waanzinnige!" riep Publius en trapte daarbij uit al zijn macht en
+met zijne voeten tegen de deur. "Wat gij voorhebt is dolzinnig! Ik
+beveel u, doe de deur open. Hoe sterk die knapen ook zijn die Euergetes
+gehuurd heeft, ik ben mans genoeg mijzelven te verdedigen."
+
+"Gij zijt zonder wapenen, Publius, en zij hebben strikken en dolken."
+
+"Open dan de deur en blijf hier bij mij tot de morgen aanbreekt. Het
+is niet grootsch, het is roekeloos zijn leven weg te werpen. Doe
+terstond de poort open, wat ik u bidden mag--ik beveel het u!"
+
+Onder andere omstandigheden zouden deze woorden hare uitwerking niet
+gemist hebben op Klea's gezond verstand, maar de vreeselijke stormen,
+die in de laatste uren over haar hoofd waren gegaan, hadden de rust
+harer ziel verstoord en geroofd. Slechts éene gedachte, éen besluit,
+éen wensch, beheerschte haar geheel en al, namelijk haar aan offers
+zoo rijke leven te besluiten met het grootste van alle, het offer van
+zichzelve, en dat niet alleen om Irene gelukkig te maken en den Romein
+te redden, maar omdat zij, de dochter van zulk een vader, met zulk eene
+daad wilde eindigen; omdat zij, een meisje, Publius toonen wilde wat
+de vrouw vermocht, die door hem bij eene andere werd achtergesteld;
+omdat de dood haar in dit oogenblik geen ramp toescheen, en haar
+geest overspannen door die vreeselijke langdurige opwinding, zich
+niet kon losrukken van het denkbeeld, dat zij zich opofferen wilde,
+zich opofferen moest. Die gedachte koesterde zij thans niet meer,
+deze beheerschte haar gansch en al, en evenals een waanzinnige zich
+gedrongen voelt hetzelfde woord altijd en altijd weder uit te spreken,
+zoo zouden geene gebeden, geene afdoende redeneeringen thans in staat
+zijn geweest haar af te brengen van het voornemen, om haar bloeiend
+leven voor Publius en Irene prijs te geven. Met ingenomenheid en
+trots beschouwde zij dit besluit, dat haar recht gaf, zichzelve als
+een belangrijk persoon aan te melden. Daarom sloot zij haar oor voor
+de bede van den Romein, en zeide met eene hardheid in haar stem, die
+hem verraste: "Zwijg nu, Publius, en luister verder naar mij. Gij
+zijt immers een edelman, en zeker, gij zult het mij dank weten dat
+ik u het leven heb gered."
+
+"Ik weet het u dank en wil het u vergelden," zeide Cornelius, "zoolang
+deze borst nog ademen kan. Maar open toch de poort, ik smeek, ik
+bezweer het u."
+
+"Hoor mij ten einde, de tijd dringt; hoor mij ten einde, Publius. Mijn
+zuster Irene is u gevolgd. Over hare schoonheid behoef ik u niets te
+zeggen, maar gij weet niet hoe goed en kinderlijk vroolijk haar hart
+is: dat kunt gij nu nog niet weten, maar gij zult het ondervinden. Zij,
+dat moet gij nog hooren, is arm evenals ik, maar de dochter van vrije,
+edele ouders. Zweer mij nu, zweer:--Neen, gij moogt mij niet in de
+rede vallen; zweer mij bij het hoofd uws vaders, dat gij haar nooit
+verlaten, dat gij niet anders jegens haar handelen zult, als ware
+zij de eigene dochter van uw besten vriend, of van uwen broeder."
+
+"Ik zweer het u, en zal mijn eed houden, bij het leven van den man,
+wiens hoofd mij heiliger is dan de naam der goden. Maar nu bid ik u
+ook, ja beveel ik u: open mij de deur, Klea, opdat ik u niet verlieze,
+en u zeggen kan, dat mijn hart u behoort, u en u alleen, dat ik u
+liefheb, nameloos lief heb."
+
+"Ik heb uw eed," zeide het meisje in de grootste opgewondenheid,
+terwijl zij van verre in de woestijn schaduwen waarnam die zich heen en
+weer bewogen, "en gij hebt bij het hoofd van uw vader gezworen. Laat
+het Irene nooit berouwen, dat zij u gevolgd is, en heb haar zoo lief,
+als gij in deze ure mij, die u gered heb, meent lief te hebben. Denkt
+beiden aan de arme Klea, die gaarne voor u geleefd zou hebben, maar
+nu voor u sterft. Vergeet mij niet, Publius, want ik heb slechts eens
+mijn hart voor de liefde geopend, maar u, Publius heb ik liefgehad
+met smart en kwelling, en toch met het zoetste gevoel. Nooit heeft
+een sterveling de zaligheid der liefde met volle teugen genoten noch
+is van liefde verteerd gelijk ik."
+
+Zichzelve geheel vergetende, als buiten zichzelve en in een staat van
+bedwelming had zij deze laatste woorden, alsof zij een jubelhymne
+zong, den Romein toegeroepen. Waarom zweeg hij thans, waarom had
+hij niets hierop te antwoorden, daar zij hem toch het verborgenst
+mysterie van haar gemoed geopenbaard, en hem toegestaan had in het
+allerheiligste van haar hart te lezen? Een stroom van gloeiende
+woorden uit zijn mond zou haar terstond naar de woestijn gedreven
+en den dood tegemoet gevoerd hebben; doch zijn zwijgen nagelde haar
+als aan den grond, bracht haar in verwarring, en viel als een kille
+regen in den helderen gloed van haren trots, als olie, die de golven
+breekt, in de branding harer ziel. Zoo kon zij niet van hem scheiden,
+en zij opende dus nog eens de lippen om zijn naam te roepen.
+
+Terwijl zij den Romein hare liefde begon te belijden, als gold het
+eene beschikking bij uitersten wil, was Publius te moede als iemand
+die van dorst versmacht en dien men aan een volle bron brengt,
+terwijl men hem verbiedt zijne lippen met het frissche nat te
+bevochtigen. Hartstochtelijke toorn vervulde zijne ziel, en terwijl
+hij, bijkans vertwijfelende, met rollende oogen in zijne gevangenis
+rondzag, ontmoette zijn oog een tegen den wand staand breekijzer,
+waarmede de werklieden den sarkophaag van den laatst gestorven en
+onlangs begraven Apis ter bestemder plaats hadden gebracht. Als
+iemand die in gevaar verkeert van te verdrinken, zich werpt op een
+drijvenden balk, zoo wierp hij zich op dit werktuig. Toch hoorde hij
+Klea's laatste woorden, waarvan hem geen enkel ontging, terwijl hij
+met het zweet op het voorhoofd, met den metalen hefboom boven den
+dorpel tegen het midden der vleugeldeuren stootte.
+
+Thans was alles buiten stil geworden. Misschien ging de waanzinnige
+de moordenaars reeds tegemoet, en de deur was geweldig zwaar en wilde
+niet verwikken of verwegen. Maar hij moest haar lichten, en wierp zich
+op den grond, schoof zijn schouders onder den hefboom, en drukte met
+zijne gansche lichaam zoo krachtig tegen de ijzeren stang, dat zijne
+beenderen dreigden te breken en zijne pezen te scheuren. Ja, hij meende
+te voelen dat de deur een weinig oprees; wederom en nog eens spande
+hij al zijne jeugdige mannenkracht in. Daar kraakte het hout in zijne
+naden, en de vleugeldeuren van de poort vlogen open, en Klea, door
+ontzetting aangegrepen, ijlde de woestijn in, de moordenaars te gemoet.
+
+Publius sprong terstond overeind, snelde uit zijn kerker naar buiten,
+en zoodra hij Klea zag vluchten, joeg hij haar met groote sprongen
+achterna, haalde haar, die door den mantel in het loopen belemmerd
+werd, met enkele stappen in, en toen zij geen gevolg gaf aan zijn
+verzoek om stil te blijven staan, sneed hij haar den weg af, en zeide,
+niet op liefderijken toon, maar streng en gebiedend: "Gij gaat geen
+stap verder; ik beveel het u."
+
+"Ik ga waarheen ik wil," antwoordde het meisje in groote
+opgewondenheid. "Gij zult mij terstond vrij laten!"
+
+"Gij blijft hier, blijft hier bij mij," zeide Publius, met een
+scherpe stem, greep hare beide handen bij de polsen en omvatte ze
+met zijne ijzeren vingers als met vaste banden. "Ik ben een man en
+gij zijt eene vrouw, en ik zal u leeren wie hier te bevelen heeft en
+wie te gehoorzamen."
+
+Toorn en verzet hadden deze geheel onvoorbedachte woorden den Romein
+op de bevende lippen gelegd, en toen Klea, terwijl hij ze uitsprak met
+inspanning van al hare krachten, die geenszins gering te achten waren,
+hare handen uit de zijne trachtte los te wringen, boog hij, altijd
+nog hevig verstoord, maar toch niet vergetende dat zij eene vrouw was,
+met onweerstaanbare en toch bezadigde kracht, hare armen en dwong haar
+zich voor hem te buigen en langzaam op beide knieën neer te zinken.
+
+Zoodra zij aldus voor hem lag, liet Publius haar los. Terstond
+bedekte zij hare oogen met hare beide handen, die haar pijn deden,
+en snikte luid, zoowel van aandoening als omdat zij zich smadelijk
+vernederd gevoelde.
+
+"Sta nu op," zeide Publius op geheel anderen toon, toen hij haar
+zag weenen: "Valt het u dan zoo zwaar, u aan den wil van den man te
+onderwerpen die u niet wil noch kan laten begaan, en dien gij toch
+lief hebt?"
+
+Hoe zacht en goedig klonken die woorden. Klea sloeg, toen zij ze
+hoorde, de oogen naar Publius op, en toen zij hem als een smeekeling
+op haar zag nederzien, verdween haar toorn geheel en veranderde in
+dankbare ontroering, en nog altijd op hare knieën hem naderende, liet
+zij haar hoofd tegen hem rusten en zeide: "Ik was steeds gedwongen
+op mijzelve te steunen en een ander met liefde te leiden, doch het
+moet toch veel heerlijker zijn zich door de liefde te laten leiden,
+en--u wil ik voor altijd gehoorzamen."
+
+"En ik zal u daarvoor dankbaar zijn met hart en ziel, te ieder
+ure!" zeide Publius, terwijl hij haar ophief. "Gij wildet uw leven
+voor mij ten offer brengen en u behoort het mijne. Ik wil alles voor
+u zijn, gelijk gij voor mij; ik als uw man, gij als mijne vrouw,
+tot aan het einde!"
+
+Hij greep met beide handen hare schouders en keerde haar aangezicht
+naar zich toe. Zij bood niet langer weerstand, want het scheen haar
+zoet zich te voegen naar den wil van dien sterken man. En hoe goed deed
+het haar, die reeds als kind den plicht aanvaard had, zich sterk en
+werkzaam te toonen, zich nu zwak te gevoelen en zich op een sterkeren
+arm te durven verlaten! Zoo zou een rozestam te moede kunnen zijn, die
+voor het eerst den steun gevoelt van den stok, wanneer de zorgende hand
+van den tuinman hem vastbindt. Haar blik hing zoo zalig en toch zoo
+angstig aan den zijne, en nauwelijks beroerde zijn mond voor de eerste
+maal hare lippen tot een kus, of beiden lieten verschrikt elkander los,
+want in de stilte van den nacht werd duidelijk Klea's naam geroepen,
+en dadelijk liet zich in hare nabijheid een luid geschreeuw en dof
+geluid hooren.
+
+"De moordenaars!" riep Klea, en bevende van angst over zichzelve en
+voor hem, drukte zij haar hoofd tegen de borst van haar vriend. De
+heldin, die zoo moedig den dood wilde tegengaan en zoo trotsch was op
+haar deugd, was in weinige oogenblikken eene zwakke, hulpbehoevende,
+kleinmoedige vrouw geworden.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Op het dak van een der pylonen-torens bij de poort van het Serapeum
+stond een horoscoop, die dit hoogste punt van den tempel had beklommen
+om naar de sterren te zien. Doch het scheen wel dat hij in dezen
+nacht zijn plan niet kon uitvoeren, want de donkere wolken, die
+langs het zwerk joegen, bedekten onophoudelijk dat gedeelte van het
+firmament, aan welks waarneming hem het meest gelegen was. Eindelijk
+legde hij ongeduldig zijn instrument, en daarna ook zijn wastafeltje
+en schrijfstift uit de hand, en beval den vader van den kleinen
+zieken Philo, die bij nacht als poortwachter de horoscopen op de
+pylonen-torens moest helpen, zijne gereedschappen naar beneden te
+dragen, want de hemel was heden zijn arbeid niet gunstig.
+
+"Gunstig!" zeide de poortwachter, het laatste woord van den horoscoop
+herhalende, en zijne schouders zoo hoog optrekkende, dat zijn hoofd
+daartusschen geheel verdween. "Dit is een nacht van verschrikkingen en
+zeker dreigt ons een groot onheil. Ik ben nu al vijftien jaren in mijn
+ambt, maar zoo iets heb ik nog maar eens beleefd, en den volgenden dag
+kwamen de soldaten van den Syrischen koning Antiochus, en plunderden
+onze schatkamer leeg. Ja, heden was het nog erger dan toen! Reeds bij
+het opgaan van het hondsgesternte joeg er een schrikkelijk monster door
+de woestijn met de manen van een leeuw; maar eerst na middernacht begon
+het ontzettend gespook, en ook gij huiverdet toen het er op losging
+in de Apis-graven. Verschrikkelijke dingen staan ons te wachten, als
+de heilige stieren verrijzen en met hunne hoornen tegen de grafdeur
+stooten, om haar open te krijgen. Dikwijls reeds zag ik boven de
+oude mausoleën en de rotsgraven uit vroeger eeuwen, de zielen der
+afgestorvenen fladderen en zweven en kruipen. Nu eens wiegelden zij,
+als sperwers met menschenhoofden of als ibissen, met flauwe langzame
+vleugelslagen in de lucht, dan weder trokken zij als ijle grauwachtige
+schaduwen door de woestijn, of schuifelden zij als slangen over het
+zand, of kropen zij huilende als hongerige wolven uit de poorten der
+graven. Vaak hoorde ik ze blaffen als jakhalzen, soms ook lachen als
+hyena's, als zij het aas ruiken. Maar heden hebben zij voor het eerst
+geschreeuwd als woedende menschen, en toen gesteund en gejammerd, alsof
+zij in den vuurpoel zaten en afgrijselijke pijnen hadden te lijden.
+
+"Zie maar eens, daar beweegt het zich weder!--O, heilige vader,
+bezweer ze toch met krachtige spreuken!--Ziet gij dan niet hoe ze
+groeien? Zij zijn wel tweemaal zoo groot als sterfelijke menschen!"
+
+De horoscoop nam een amulet in de hand, prevelde eenige spreuken
+binnensmonds en zocht onderwijl met de oogen de gedaanten, die den
+poortwachter zoo verschrikten. "Ze zijn lang," zeide hij, toen hij
+ze ook ontdekt had, "en nu krimpen zij in en worden al kleiner en
+kleiner, maar toch--. Misschien zijn het bijzonder lange grafroovers,
+want ik kan bijna niet gelooven, dat deze gestalten bovenmenschelijk
+groot waren."
+
+"Tweemaal zoo groot als gij, die niet klein zijt!" zeide de
+poortwachter, en drukte zijne lippen op het amulet in de hand van
+den horoscoop. "En als het roovers zijn, waarom roept dan geen wacht
+hen aan? Waarom heeft hun schreeuwen en stenen de wachtposten niet
+gewekt, die elken nacht daar boven in kwartier liggen?--Dat was weder
+zulk een afgrijselijke jammerkreet! Hebt gij ooit dergelijke tonen
+uit den mond van een mensch vernomen? Groote Serapis, ik bezwijk
+van angst! Ga met mij naar beneden, heilige vader; ik wil weten hoe
+het met mijn kranke zoontje is, want wie zulke dingen heeft gezien,
+komt er niet zonder onheil af."
+
+De rust der doodenstad was wel is waar verstoord geworden, maar
+de geesten der afgestorvenen hadden geen deel aan de ontzettende
+dingen, die in dezen nacht in de woestijn tusschen grafmonumenten en
+rotsspelonken plaats hadden. Zij, die den vrede dezer heilige plaatsen
+verstoorden, waren menschen, die in koelbloedige boosaardigheid
+als kwade geesten met de duisternis een verbond hadden gesloten,
+om een ander mensch in het verderf te storten. Doch het waren ook
+menschen, die te midden der verschrikkingen van dezen vreeselijken
+nacht, in hunne borst de goddelijke kiemen, die de hemel in de zielen
+zijner sterfelijke kinderen heeft gelegd, tot schoone bloesems voelden
+ontplooien. Zoo wordt op den dag van een veldslag, te midden van bloed
+en lijken, een kind geboren, dat zelf gelukkig en anderen gelukkig
+makende, tot heil der zijnen opgroeit.
+
+Het monster met de leeuwenmanen, welks verschijning en haastig
+verdwijnen in de woestijn den poortwachter het allereerst vrees had
+aangejaagd, was op zijn verderen weg naar Memphis ook menig ander
+wandelaar tegengekomen, die, verschrikt door zulk een vreemd uiterlijk,
+getracht had zich te verbergen, of het op een loopen had gezet. Toch
+was het eenvoudig een mensch met warm bloed, met eerlijke bedoelingen,
+met een trouw en liefdevol hart. Maar die hem tegenkwamen konden
+niet in zijne ziel lezen, en in zijn uiterlijk geleek hij bijzonder
+weinig op andere lieden. Zijne voeten, die het loopen ontwend waren
+en een kolossaal lichaam te dragen hadden, bewogen zich moeielijk,
+en de ontzettende baard en de grijze haarmassa op zijn hoofd, die in
+alle richtingen heen en weer vloog, gaven hem zulk een monsterachtig
+aanzien, dat hij zelfs den moedigste, dien hij onvoorziens tegenkwam,
+vrees moest aanjagen.
+
+Twee kramers, die gewoon waren overdag in de nabijheid van het Serapeum
+hunne artikelen aan de pelgrims te koop te bieden, kwamen hem tegen
+in de nabijheid van de stad. Terwijl zij hem nakeken zeide de een:
+"Zaagt gij dat kuchend wangedrocht? Als hij niet vastzat in zijne cel,
+zou ik zeggen, dat het de ruwe kluizenaar Serapion was."
+
+"Gekheid!" zeide de ander. "Die man is door zijne gelofte sterker
+gebonden dan door ketenen en banden. Het zal een van die Syrische
+bedelaars zijn, die zich rondom den Astartetempel ophouden."
+
+"'t Is mogelijk," antwoordde de ander onverschillig. "Laten wij maar
+voortstappen, want mijne vrouw zal ons heden avond op een gebraden
+gans vergasten."
+
+Serapion was wel vast aan zijne tent gebonden, en toch had de kramer
+goed gezien, want hij was het, die daar over den grooten weg waggelde
+en allen die hem tegenkwamen schrik aanjoeg. Het gaan viel hem na
+zijne lange gevangenschap zeer zwaar, vooral omdat hij ongeschoeid
+was, en elke steen op den weg zijn weeke voetzolen pijn deed. Toch
+wist hij het te brengen tot een tamelijk snellen draf, toen hij in
+de verte eene vrouwelijke gedaante zag, welke Klea zijn kon.
+
+Menigeen, die in zijn bijzonderen kring een heel goed figuur maakt,
+wordt een voorwerp van spot voor kinderen, wanneer hij zijne kleine
+omgeving verlaat, om zich met al zijne eigenaardigheden te wagen
+in den stroom der wereld. Zoo ging het ook met Serapion, want in de
+voorstad liepen de straatjongens hem uitjouwend achterna, en eerst
+toen een drietal opgeprikte meisjes, die voor een herberg van den
+dans uitrustten, luide begonnen te lachen, zoodra zij hem in het oog
+kregen, en een onbeschaamd soldaat als bij ongeluk met de punt van
+zijne lans hem door zijne rondfladderende haren stak, begon hij aan
+zijn verwilderd uiterlijk te denken, en moest hij zichzelven bekennen
+dat hij zóo nooit in het koninklijk paleis zou toegelaten worden.
+
+Spoedig was zijn besluit genomen en ging hij den eersten
+scheerderswinkel binnen, waarin hij licht zag branden. Daar liet hij
+zich door den barbier, die bij zijn binnentreden verschrikt achter
+de toonbank de wijk had genomen, zijn haar en zijn baard knippen,
+en zag in den spiegel, dien men hem voorhield, voor het eerst na
+vele jaren weder zijn eigen aangezicht. Met een weemoedig lachje
+knikte hij het verouderd gelaat toe, dat hij in den helderen metalen
+schijf waarnam, betaalde wat van hem verlangd werd, en sloeg geen
+acht op den medelijdenden blik, waarmede de barbier en zijn knecht
+hem nakeken. Beiden meenden dat zij hunne kunst hadden uitgeoefend op
+een waanzinnige, want hij had gezwegen op al wat zij zeiden, en met
+een zware, akelig holle stem geroepen: "Zwetst toch zoo niet, ik heb
+haast!"--Waarlijk het hoofd stond hem niet naar beuzelachtig gepraat,
+neen, hij was vervuld van nijpenden angst en teedere bezorgdheid, en
+zijn hart bloedde wanneer hij bedacht, dat hij zijne gelofte gebroken
+en den eed geschonden had, dien hij in de hand zijner stervende moeder
+had gezworen.
+
+Vóor de poort van het paleis gekomen, vroeg hij een politiewacht hem
+bij zijn broeder te brengen, en daar hij aan dit verzoek door een fooi
+klem bijzette, bracht de man hem dadelijk tot den persoon dien hij
+zocht. Glaukus verschrikte niet weinig, toen hij Serapion herkende,
+maar hij had de handen zoo vol, dat hij zijn broeder, wiens handelwijze
+hij onverklaarbaar en misdadig noemde, slechts enkele oogenblikken
+te woord kon staan. Intusschen kwam de kluizenaar te weten, dat Irene
+niet door Euergetes maar door den Romein uit den tempel was ontvoerd,
+en dat Klea even te voren het paleis op een wagen had verlaten,
+om te middernacht van de tweede herberg te voet naar het Serapeum
+terug te keeren. En het arme schepsel was zoo geheel alleen en haar
+weg leidde door de woestijn, waar zij door losbandige soldaten en
+lijkroovers of door jakhalzen en hyena's kon worden aangevallen! Bij
+de tweede herberg zou zij haar wandeling beginnen, en dat was juist
+de pleisterplaats voor slecht volk, en zijne lieveling was zoo jong,
+zoo schoon en zoo weerloos!
+
+Opnieuw overviel hem dezelfde doodelijke angst voor haar, die hem
+in zijne kluis had aangegrepen, nadat Klea den tempel verlaten had
+en de duisternis was gevallen. Op dat oogenblik gevoelde hij zich
+als een vader, die uit het venster van zijne gevangenis zijn lief en
+weerloos kind zich ziet verdedigen tegen een roofdier. Met vreeselijke
+duidelijkheid had hij zich voorgesteld al wat haar in het koninklijk
+paleis, in de van beschonken soldaten krioelende stad en in de
+woestijn bedreigde, en zijne bijzonder levendige verbeelding had alle
+gevaren, die zijne lieveling, de dochter van dien achtenswaardigen man
+tegenging, met de donkerste kleuren afgeschilderd. Als een gevangen
+tijger had hij in zijn tent op en neer geloopen, nu eens tegen de
+wanden gebeukt, dan weder met half voorover gebogen lichaam uit het
+venster gekeken, om te zien of de gevluchte, die onmogelijk terug kon
+zijn, ook misschien was wedergekeerd. Hoe donkerder het werd, des te
+meer was zijn angst geklommen, des te schrikkelijker beelden deden zich
+voor zijne verbeelding op, en toen eene vrouw onder de pelgrims, die
+door kramp werd overvallen, in het pastophorium luid begon te gillen,
+had hij zichzelven niet langer kunnen beheerschen. Hij had de van
+buiten gesloten, sedert jaren niet geopende vermolmde deur van zijne
+tent aan stukken getrapt, de zilveren muntstukken, die hij in zijn
+koffer bewaarde, bij zich gestoken, en zich naar beneden laten glijden.
+
+Daar stond hij tusschen zijne kluis en den ringmuur des tempels,
+en eerst nu kwam hem zijne gelofte, den eed dien hij gezworen had,
+voor den geest, en hij dacht aan zijne eerste vlucht uit de cel. Toen
+was hij weggeloopen, omdat de genietingen der wereld en de vreugde
+des levens hem aanlokten; toen was hij een misdadiger geweest, maar
+dezelfde liefde, dezelfde bezorgdheid, die hem gedrongen hadden tot
+zijne kluis terug te keeren, dreven hem nu uit zijne gevangenis. Om
+trouw te blijven brak hij een eed van trouw! Doch de groote Serapis
+las in de harten; zijne moeder was dood en zoo lang zij leefde
+steeds gaarne bereid geweest hem te vergeven. Zoo levendig meende hij
+haar goedig gezicht van weleer voor zich te zien, dat hij haar had
+toegeknikt, alsof zij tegenover hem had gestaan. Hij had vervolgens
+een ledig vat tegen den ringmuur gerold, en was met zeer veel moeite
+daarop geklommen. In het zweet zijns aanschijns moest hij tegen de
+borstwering van den bouwvalligen, uit ongebakken tegels samengevoegden
+muur opklauteren, bereikte vervolgens al glijdende en vallende de
+gracht, die buiten om den muur liep, kroop weder tegen de overzijde
+naar boven, en kon daarna eerst zijne wandeling naar Memphis beginnen.
+
+Wat hij in het koninklijk paleis omtrent Klea had vernomen, was niet
+geschikt geweest om zijne bezorgdheid voor haar te verminderen. Zij
+moest zooveel eerder dan hij den zoom der woestijn bereiken en het
+harde loopen viel hem zoo zwaar, deed zijne voeten zooveel pijn! Het
+was voor de poort van den koningsburcht nog even druk als gedurende
+den dag, misschien gelukte het hem dus wel zich een wandelstaf te
+verschaffen. Terwijl hij greep in zijne tasch, die nu met zilverstukken
+was gevuld, keek hij rond, en zijn blik viel op eene rij ezels, welker
+drijvers zich en hunne dieren opdrongen aan de soldaten en bedienden,
+die uit de hooge poort naar buiten kwamen. Met den blik van een kenner
+zocht hij het sterkste grauwtje uit, wierp den eigenaar een zilverstuk
+toe, beklom den rug van het onder zijn last zuchtende dier, en beloofde
+den drijver nog twee drachmen, wanneer hij hem zoo spoedig mogelijk
+bracht aan de tweede herberg op den weg naar het Serapeum. Terwijl
+hijzelf met zijne stevige naakte beenen het arme beest tegen de zijden
+drukte, zette de drijver, die al schreeuwende en gillende achteraan
+liep, zijn grauwtje van tijd tot tijd met een puntstok tot snelheid
+aan, en zoo bereikte Serapion, nu eens in een korten draf dan weder
+in snellen galop, slechts een half uur later dan Klea zijn doel.
+
+In de kroeg was het donker en ledig, doch de kluizenaar verlangde
+ook geene verfrissching. Maar hij gevoelde weder behoefte aan een
+wandelstok, en weldra wist hij zich er een te verschaffen door een paal
+te trekken uit de omheining van den tuin, die de herberg omgaf. Deze
+staf was wel zwaar, maar hij maakte hem toch het gaan gemakkelijker,
+want ofschoon zijne brandende voeten hem met moeite droegen, gevoelde
+hij nog een geweldige kracht in zijne armen. Dat wilde rennen had
+zijne gedachten verstrooid, en zijn licht beweeglijk gemoed verkwikt,
+want het herinnerde hem aan zijne vroegere zwerftochten. Nu hij echter
+eenzaam door de woestijn voortstapte, dacht hij weder aan Klea en aan
+haar alleen. Zoo vaak de maan achter de wolken te voorschijn kwam,
+keek hij met scherpe blikken naar haar uit, riep haar van tijd tot
+tijd bij den naam, en bereikte zoo de sphinxen-laan, die den Griekschen
+met den Egyptischen tempel verbond.
+
+Uit de Apis-graven klonk hem een geluid in de ooren, alsof men aan
+het kloppen was. Misschien werd daar binnen bij nacht gewerkt voor het
+aanstaande feest.--Waarom werd de wachtpost heden gemist, waar anders
+altijd soldaten waren gelegerd? Hadden de krijgsknechten Klea opgemerkt
+en haar medegenomen?--Ook aan gene zijde van de sphinxen-laan, die
+hij nu bereikt had, was alles uitgestorven, liet zich geen enkele
+wachter bespeuren, hoewel de witachtige kalk der grafmonumenten en
+het gele zand der woestijn zoo helder in den maneschijn glinsterden,
+alsof zij zelve licht gaven.
+
+Met steeds klimmender bezorgdheid besteeg hij een zandheuvel, om een
+ruimer overzicht te hebben, en riep luide den naam van Klea. Dáar, neen
+hij bedroog zich niet, daar vertoonde zich bij eene der grafkapellen
+uit vroeger eeuwen eene gedaante, die een lang kleed scheen te dragen,
+en toen hij nogmaals hardop riep, naderde die gedaante hem in de
+sphinxen-laan. Haastig, zoo snel hij maar kon, daalde hij af naar den
+processieweg, stak het gladde plaveisel over, ter weerszijden waarvan
+de leeuwen met menschenhoofden in twee rijen lagen uitgestrekt, en
+klom met groote moeite op den zandberg aan de andere zijde. Inderdaad
+deze arbeid was moeielijk, want telkens geraakte de zandmassa onder
+zijn last in beweging, schoof naar beneden, voerde hem mede en dwong
+hem met handen en voeten een nieuw standpunt te zoeken. Eindelijk
+stond hij aan gene zijde van de grafkapel, waarbij hij haar die hij
+zocht meende gezien te hebben.
+
+Doch terwijl hij klom, had een dichte wolk wederom de maan bedekt, en
+was het volslagen donker geworden. Hij bracht nu beide handen aan zijn
+mond, en riep zoo luid hij kon "Klea!" en nog eens "Klea!"--Daar hoorde
+hij vlak in zijne nabijheid het zand kraken, en zag hij vóor zich eene
+gestalte bewegen, die als uit den grond scheen opgekomen. Dat kon Klea
+niet zijn, dat was een man. Doch misschien had deze zijne lieveling
+gezien. Eer hij evenwel tijd vond om hem aan te roepen, werd hij
+onverwachts door een slag getroffen, die met verbazende kracht tegen
+zijn rug tusschen de schouders aankwam. De zandzak van den moordenaar
+had de rechte plaats in zijn nek gemist, en Serapion's krachtige
+ruggegraat zou ook aan een sterker slag weerstand hebben geboden.
+
+Niet minder snel als van het gevoel van smart werd hij zich van de
+zekerheid bewust, dat hij door roovers werd aangevallen, en dat hij
+verloren zou zijn, wanneer hij niet bedaard zich ging verweren. Wederom
+hoorde hij achter zich beweging in het zand. Zoo snel mogelijk draaide
+hij zich om, en met den uitroep: "Vervloekt adderengebroed!" sloeg hij
+met zijn zwaren wandelstok, als een smid op een gloeiend stuk ijzer,
+op de gedaante toe, waarin zijn nu meer aan het donker gewende oog,
+stellig en zeker een man herkende.
+
+Serapion moest goed getroffen hebben, want zijn tegenstander liet een
+schrikkelijk gebrul hooren, zonk in elkaar, wentelde zich kreunend en
+stenend in het zand, slaakte ten laatste nog een schrillen kreet en
+bleef toen stijf en roerloos liggen. De kluizenaar kon in het donker
+de bewegingen van den zwaar gestraften roover onderscheiden, en door
+onrust en medelijden gedreven boog hij zich over den verslagene,
+toen hij huiverend vochtige handen aan zijne voeten, en terstond
+daarop twee steken in zijn rechterhiel voelde, die zooveel pijn deden,
+dat hij het luide uitschreeuwde, en zich gedwongen zag het gekwetste
+been naar zich toe te halen. Daarbij vergat hij echter niet, dat het
+zijn plicht was zich te verdedigen. Woedend als een getroffen stier,
+razende en vloekende hieuw hij met zijn paal om zich heen, maar hij
+trof alleen den grond. Toen zijne slagen elkander steeds langzamer
+opvolgden, en eindelijk zijn weldra uitgeputte arm den zwaren paal
+niet meer kon houden, en hij zich zelfs gedwongen zag op de knieën
+neer te zinken, riep een schelle stem hem toe:
+
+"Gij hebt mijn metgezel om het leven gebracht, Romein, en daarom heeft
+een tweebeenige slang u gestoken. In een klein kwartier is het uit
+met u, evenals met dien daar. Waarom gaat zulk een voornaam heer ook
+uit zonder stevels en sandalen tot een samenkomst met zijn liefje in
+de woestijn, en maakt hij ons den arbeid zoo licht! Koning Euergetes
+en uw vriend Eulaeus laten u groeten. Gij hebt het aan hen te danken,
+dat ik u laat wat gij bij u hebt.--Kon ik nu dien dooden klomp daar
+maar uit den weg krijgen!"
+
+Onder deze ruwe woorden lag Serapion op den grond van pijn te krimpen,
+en vermocht alleen de vuisten te ballen en met zijne steeds droger
+wordende lippen verwenschingen uit te stooten. Zijn gezicht was nog
+onverzwakt, en zoo kon hij bij het schijnsel der maan, die nu weder
+in een ruim wolkenloos vak aan den hemel te voorschijn kwam, duidelijk
+waarnemen, hoe de moordenaar zijn best deed, om zijn verslagen metgezel
+met zich voort te sleuren, en vervolgens, nadat hij luisterend het
+hoofd had opgestoken, opsprong en in aller ijl de vlucht nam. Opeens
+verloor hij zijn bewustzijn, en toen hij na weinige minuten de
+oogen weder kon opslaan, rustte zijn hoofd zacht in den schoot eener
+jonkvrouw, en het was de teedere stem van zijne lieveling Klea die hem
+vroeg: "Gij arme, arme vader, hoe komt gij hier in de woestijn, en in
+de handen der moordenaars? Herkent gij mij, uwe Klea? Hij die naar uwe
+wond zoekt, welke niet te vinden schijnt te zijn, is Publius Scipio,
+de Romein. Zeg ons eerst waar u de dolk trof, opdat ik u dadelijk
+verbinde. Ik ben toch half een arts en versta de kunst, dat weet gij."
+
+De kluizenaar trachtte zijn gelaat naar Klea toe te keeren,
+maar toen hem dit niet gelukken wilde, zeide hij zacht: "Leg mij
+tegen den steilen wand van de grafkapel hiernevens, en zet u dan,
+lief meisje, tegenover mij, want ik wil u aanzien, terwijl ik
+sterf. Voorzichtig, voorzichtig, waarde Publius; het is alsof al
+mijne leden van Phoenicisch glas zijn, dat bij de minste aanraking
+breekt. Heb dank, jonge vriend, gij hebt sterke armen, en kunt mij
+nog wel een weinig hooger optillen. Zoo, nu zit ik draaglijk, neen
+goed, benijdenswaardig goed, want bij het licht der maan kan ik nu
+uw aanvallig gelaat zien, meisjelief, en ik bespeur tranen op uwe
+wangen, die zeker mij, ouden knorrepot, gelden. Ja dat doet goed,
+dat doet uitnemend goed, zóo te sterven."
+
+"O vader, vader!" riep Klea. "Zoo moogt gij niet spreken. Gij zult
+leven, niet sterven, want zie, deze Publius verlangt mij tot vrouw,
+en de hemelsche goden weten, hoe gaarne ik hem volg; en Irene zal
+bij ons blijven, als ons beider zuster. Dat zal u toch genoegen doen,
+mijn vader!--Maar zeg nu eens, waar brandt toch de wond, waar heeft
+de moordenaar u getroffen?"
+
+"Kinderen, kinderen," stamelde de kluizenaar, en een lachje verhelderde
+zijn gelaat. "Dat ik dit nog beleven mag, dat--ja dat is vriendelijk
+van de genadige goden, en om dit te bewerken, zou ik gaarne twintigmaal
+gestorven zijn."
+
+Terwijl hij zoo sprak bracht Klea zijne hand, die reeds koud begon
+te worden, aan hare lippen, en zeide, hoewel de droefheid haar het
+spreken bijna belette: "Maar de wond, vader, de wond!"
+
+"Vraag daar niet naar," antwoordde de kluizenaar. "Een snelwerkend
+vergif, geen dolk of pijl sloopt mijne krachten. Ik kan nu rustig
+heengaan, want gij hebt mij niet meer noodig. Gij, Publius, zult nu
+mijne plaats bij haar innemen, en gij zult beter voor haar kunnen
+zorgen dan ik.--Klea, de vrouw van Publius Scipio! Ik heb wel eens
+gedroomd, dat het er toe komen zou. Altijd heb ik wel geweten, en
+duizendmaal heb ik tot mij zelven gezegd, gelijk ik het thans tot
+u zeg, mijn zoon: Deze Klea, zij heeft een goed karakter en is den
+edelsten man waardig. U, waarde Publius, gun ik haar.--Geeft elkander
+nu de handen, dat ik het zie, want ik ben een vader voor haar geweest."
+
+"Ja, dat zijt gij geweest," zeide Klea, snikkende. "Zeker hebt gij
+om mijnentwil, om mij te beschermen uwe kluis verlaten en den dood
+gevonden!"
+
+"Het geluk, het geluk...." stamelde de oude.
+
+"De moordenaars," zeide Publius, terwijl hij Serapion's hand greep,
+"waren tegen mij afgezonden, en zij hebben u in plaats van mij
+getroffen. Nog eens, waar is uw wond?"
+
+"Het noodlot wordt aan mij vervuld," antwoordde de kluizenaar, "tegen
+welks besluit geene geslotene cel, geen arts, geen genezend kruid
+kan baten. Ik sterf aan slangengif, zoo als bij mijne geboorte was
+voorspeld. Al ware ik niet uitgebroken om Klea te zoeken, dan zou
+eene slang in mijne kooi zijn geslopen, om toch een einde te maken
+aan mijn leven. Geeft mij de hand, kinderen, de ijzige doodskoude
+klimt al hooger en hooger, en raakt met hare vingers reeds mijn hart--"
+
+Gedurende eenige oogenblikken begaf hem de stem, daarna sprak hij
+zacht: "Eene bede heb ik nog aan u. Laat het weinige dat ik bezit,
+en dat voor u en Irene bestemd was, nu gebruikt worden voor mijne
+begrafenis. Ik wil niet verbrand worden, gelijk zij mijn vader
+hebben gedaan, neen, zij moeten mij balsemen, gelijk het behoort,
+en mijne mummie naast die mijner moeder plaatsen. Als we elkander na
+den dood wederzien, en daar geloof ik aan, dan zou ik het liefst haar
+nog eens ontmoeten, want zij heeft mij zoo liefgehad, en het is mij
+alsof ik weder klein was, en mijne armpjes om haren hals sloeg. In
+een ander leven ben ik misschien geen kind des ongeluks, gelijk in
+dit--in een ander leven.... Nu grijpt de dood mijn hart aan!--In een
+ander.... Kinderen, wanneer ook in dit leven de zaligheid mij heeft
+toegelachen, kinderen, dan dank ik het u, Klea.... Daar is ook mijne
+kleine Irene!"
+
+Dit waren de laatste woorden van de kluizenaar Serapion; met een
+diepen zucht rekte hij zich uit en was gestorven.
+
+Klea en Publius drukten hem liefderijk de trouwe oogen toe.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+In den Egyptischen tempel, in de nabijheid van de Apis-graven, waren
+zoomin als in het Grieksche Serapeum, de vreemde geluiden, die de
+kalmte van den nacht hadden verstoord, onopgemerkt gebleven. Doch er
+heerschte weder volmaakte stilte in de doodenstad, toen eindelijk
+de groote poort van het heiligdom van Osiris-Apis werd geopend,
+en eene kleine priesterschaar, geordend als bij eene processie, en
+voorafgegaan van tempeldienaars, die men met offermessen en bijlen
+gewapend had, naar buiten trad.
+
+Publius en Klea, die bij het hoofd van hun gestorven vriend gezeten,
+trouw waakten voor zijn lijk, zagen hen komen. "Het zou toch nog
+minder betamelijk zijn geweest," zeide de eerste, "u in dezen nacht,
+zonder mijn geleide, naar een der tempels te zenden, dan onzen armen
+vriend hier onbewaakt te laten liggen."
+
+"En ik herhaal nog eens," zeide Klea met nadruk, "dat wij de
+mogelijkheid, om Serapion's laatsten wensch in zijn geest te vervullen,
+zouden verspeeld hebben, wanneer een hyena of een jakhals zijn lijk
+in onze afwezigheid zou hebben geschonden. Ik ben zoo blijde dat ik
+den dooden vriend ten minste bewijzen kan, hoe dankbaar ik hem ben
+voor al het goede, dat hij aan ons, zoolang wij leefden, bewezen
+heeft. Waarlijk den afgestorvene mogen wij erkentelijk zijn, want
+hoe plechtig en schoon was deze ure bij zijn lijk! Onrust en strijd
+hebben ons saamgebracht...."
+
+"En hier," zeide Publius, het woord nemende, "hebben wij een goeden
+en duurzamen vrede gesloten voor ons leven."
+
+"Ik neem dien gaarne aan," antwoordde Klea en sloeg de oogen neder,
+"want ik ben de overwonnene."
+
+"Gij hebt mij te voren bekend," hernam Publius, "dat gij nooit
+ongelukkiger waart geweest, dan toen gij meendet u tegenover mij
+sterk getoond te hebben; en ik zeg u, dat gij mij nooit zoo groot en
+tegelijk zoo beminnelijk zijt voorgekomen, dan toen gij te midden van
+uw zegepraal den slag verloren gaaft. Eene ure als deze doorleeft
+men maar eens. Ik heb een goed geheugen, maar mocht ik haar ooit
+vergeten, en ruw en driftig zijn, gelijk nu eenmaal mijne natuur
+is, herinner mij dan aan deze plek en aan dien gestorvene daar,
+en de ijskorst van mijn hart zal smelten, en ik zal mij voor den
+geest brengen, dat gij eens bereid zijt geweest, uw leven voor mij
+op te offeren. Ik zal het u gemakkelijk maken, want om den man te
+eeren, die zijn leven voor u prijsgaf, en die in mijne plaats werd
+vermoord, voeg ik--en dat zal ik ook in Rome niet veranderen--zijn
+naam Serapion bij den mijne. Hij heeft ons als vader behandeld,
+en daarom wil ik zijn aandenken zoo hoog in eere houden, als ware
+ik zijn zoon geweest.--Het was mij altijd onverdraaglijk schulden
+te hebben, maar hoe ik u, hetgeen gij heden voor mij gedaan hebt,
+terugbetalen zal, dat begrijp ik thans niet. En toch zal ik gaarne
+bereid zijn dagelijks en te ieder ure eene nieuwe gave der liefde
+van u te ontvangen. Een schuldenaar, zegt men, is half een gevangene,
+en daarom bid ik u uw overwinnaar genadig te behandelen."
+
+Hij greep hare hand, streek haar de haren van het voorhoofd en raakte
+het zacht met zijne lippen aan. Toen ging hij voort: "Ga nu met mij
+mede, om den doode aan de priesters daar ginds over te geven."
+
+Klea boog zich nog eens over het lijk van den kluizenaar heen, hing de
+amulet, die hij haar op weg had medegegeven, om zijn hals, en volgde
+toen zwijgend haren vriend. Zoodra zij de processie bereikt hadden,
+deelde Publius den aanvoerder mede, hoe zij Serapion hadden gevonden,
+en verzocht hem het lijk te laten weghalen en op de kostbaarste
+wijze in het bij hun tempel behoorende huis, ter balseming voor de
+begrafenis te laten gereed maken. Eenige tempeldienaars plaatsten
+zich daarop bij het lijk om de wacht te houden en de optocht ging,
+nadat men Publius verscheidene vragen had gedaan en ook het lijk van
+den verslagen moordenaar was gevonden, naar den tempel terug.
+
+Toen de beide geliefden weder alleen waren, greep Klea hartstochtelijk
+de hand van Cornelius en zeide: "Gij hebt vriendelijke woorden tot
+mij gesproken, en ik dank u daarvoor, doch ik ben gewoon oprecht te
+zijn, en nog minder dan ieder ander zou ik u willen bedriegen. Wat
+uwe liefde mij ooit zal geven, zal een geschenk voor mij zijn,
+want gij zijt mij niets schuldig, maar ik u des te meer. Want gij
+hebt, gelijk ik thans weet, mijne zuster gerukt uit de handen van den
+machtigste hier in dit land, en toen ik vernam dat Irene u gevolgd was,
+en dat moordenaars uw leven bedreigden, heb ik waarlijk geloofd, dat
+gij het meisje verleid hadt om u als haren minnaar te volgen. Toen,
+ja toen haatte ik u; toen--ik moet het bekennen--toen wenschte ik in
+mijne schrikkelijke verblinding u den dood toe."
+
+"Meent gij," vroeg Publius, "dat deze wensch mij zou krenken? Neen,
+liefste, zij leert mij eerst recht, dat gij mij bemint, zooals ik
+bemind wil zijn. Zulk een toorn, in zulk een toestand, is de donkere
+schaduw der liefde, en is van haar even onafscheidelijk als van alles
+wat werkelijk bestaat. Waar die schaduw wordt gemist, daar kan van
+zoo iets geen sprake zijn, daar heeft men te doen met een vluchtig
+droombeeld, met een schim, met een ijdel niets. Eene Klea kan niet
+half beminnen, niet half haten. Maar evenals bij elke andere vrouw,
+is er ook in u voor mij iets raadselachtigs. Hoe veranderde toch in
+u de wensch, om mij te zien sterven, in het ontzettend besluit om u
+voor mij te laten dooden?"
+
+"Ik zag de moordenaars," antwoordde Klea, "en werd aangegrepen door
+afschuw van hen en van hun voornemen, en van alles wat daarmede verwant
+is. Ik wilde Irene's geluk niet verstoren, en ik beminde u toch nog
+oneindig vuriger dan ik u haatte, en toen,--doch zwijgen wij daarvan!"
+
+"Neen, zeg alles!"
+
+"Toen kwam er een oogenblik...."
+
+"Welnu, Klea?"
+
+"Toen--ik heb die laatste uren, terwijl wij daar straks, weinig
+sprekende, hand in hand bij het lijk van den armen Serapion zaten,
+ten tweedenmale doorleefd--toen greep het middernachtelijk gezang
+der priesters mij in de ziel, en toen ik onder de tonen van dit
+vrome lied mijn hart verhief, was het mij alsof alles wat binnen in
+mij was verstijfd en verhard, werd verzacht en verwarmd, en nieuwe
+beweegkracht ontving. Ik moest weder denken aan al wat recht en goed
+is, en snel vatte ik toen het besluit op, mij voor uw geluk en dat
+van Irene op te offeren, en dat plan kon ik niet weer opgeven. Mijn
+vader behoorde tot de leerlingen van Zeno...."
+
+"En gij," zeide Publius, haar in de reden vallende, "wildet handelen
+overeenkomstig de leer van de Stoa [26]. Ik ken haar ook, maar
+vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou
+zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer
+voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een
+enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden
+en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust,
+de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij
+kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze
+eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van
+deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw,
+en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad,
+maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus
+hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader
+leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat
+het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden."
+
+"O Publius," zeide Klea, terwijl zij de hand van haren vriend vatte,
+"ik versta u en weet dat gij gelijk hebt. Ongelukkig is de vrouw,
+zoolang zij meent sterk van geest te zijn, en in den waan verkeert, dat
+zij geen anderen steun noodig heeft, dan haar eigen willen en denken,
+geen anderen raadsman dan een verstandig uitgedacht leerstelsel,
+dat zij slechts heeft aan te nemen. Eer ik u bezat en trotsch op
+mijn deugd mijn eigen weg ging, was ik--ik mag er thans niet meer aan
+denken--slechts klein, terwijl ik me voor groot hield. Maar nu weet
+ik, ook al mocht het noodlot u van mij wegnemen, den steun te vinden,
+waarop ik mij in nood en vertwijfeling kan verlaten. Niet in de Stoa,
+niet in zichzelve kan eene vrouw dien steun vinden, maar wel in vroom
+vertrouwen op de hulp der goden."
+
+"Ik ben een man," zeide Publius, even het woord nemende "en toch
+offer ik hun en buig ik mij gewillig voor hunne raadsbesluiten."
+
+"Doch ik zag," vervolgde Klea, "gisteren in den tempel van Serapis
+door zijne dienaars onwaardige dingen bedrijven, en dat deed mij leed,
+dat stuitte mij tegen de borst, en daardoor verloor ik de godheid
+uit het oog; maar de diepste ellende, de innigste liefde deden mij
+haar wedervinden. Ik kan mij de kracht, die de wereld onderhoudt,
+niet meer zonder liefde, en de liefde, die de menschen zoo gelukkig
+maakt, niet meer zonder godheid denken. Wie eens voor een dierbaar
+wezen heeft gebeden, gelijk ik in de woestijn voor u, die verleert het
+bidden nimmermeer. Zulk een smeekgebed is zeker niet te vergeefs. Ook
+al is er geene godheid die het hoort, in het gebed zelf ligt toch
+eene wonderbare versterkende kracht.--Nu ga ik bedaard naar onzen
+tempel terug, tot gij mij afhaalt, want ik weet dat wijzen en goeden,
+die weten te zwijgen, trouw over onze liefde waken."
+
+"Gij wilt mij dus niet vergezellen naar Apollodorus en Irene?" vroeg
+Publius verrast.
+
+"Neen," antwoordde Klea vriendelijk, "breng mij liever naar het
+Serapeum terug. Niemand heeft mij nog ontslagen van den plicht,
+dien ik daar op mij nam en het zal voor ons beiden voegzamer zijn,
+wanneer Asklepiodorus u de dochter van Philotas tot vrouw geeft,
+dan wanneer gij u verbindt met eene geroofde dienares van Serapis."
+
+Publius zag een oogenblik voor zich, daarna zeide hij op levendigen
+toon: "Ik zou toch willen, dat gij met mij medegingt. Gij zult zwaar
+vermoeid zijn, maar ik voer u op mijn muildier naar den beeldhouwer
+Apollodorus. Aan de praatjes van de menschen stoor ik mij weinig,
+wanneer ik mijzelven bewust ben goed te handelen. En voor Euergetes
+zal ik u weten te beschermen, hetzij dat gij begeert weder in den
+tempel toegelaten te worden, of mij naar den kunstenaar te volgen. Kom
+nu mede, het valt mij te zwaar weder afscheid van u te nemen. De
+overwinnaar legt zijn krans niet ter zijde, onmiddellijk nadat hij
+dien in een zwaren strijd heeft gewonnen."
+
+"Toch verzoek ik u mij naar het Serapeum terug te brengen," hernam
+Klea, terwijl zij hare rechterhand in die van Cornelius legde.
+
+"Vindt gij den weg naar Memphis te lang, en gevoelt gij u geheel
+afgemat?"
+
+"Ik ben zeer uitgeput van opwinding en angst, van smart en vreugde,
+en toch zou ik den rit wel kunnen uithouden. Maar ik blijf bij mijn
+verzoek mij naar den tempel terug te brengen."
+
+"Niettegenstaande gij u krachtig genoeg gevoelt om mij te vergezellen,
+en ondanks mijn verlangen om u terstond naar Apollodorus en Irene te
+brengen?" vroeg Publius verwonderd, en trok zijne hand uit de hare
+terug. "Daar beneden staat het muildier te wachten. Leun op mijn
+arm. Kom en doe naar mijn wensch!"
+
+"Neen, Publius, neen! Gij zijt mijn heer en altijd wil ik u gehoorzamen
+zonder weerstand te bieden. Slechts in éen ding moet ge mij heden en
+ook in het vervolg vrijlaten. Wat eene vrouw betaamt, weet ik beter
+dan gij, dat kan alleen de vrouw beoordeelen."
+
+Publius antwoordde niets op deze woorden, maar hij kuste haar, sloeg
+zijn arm om haar midden en zóo zij aan zij wandelende, bereikten zij
+de poort van het Serapeum, om daar voor weinige uren van elkander
+afscheid te nemen.
+
+Klea werd in den tempel binnengelaten, en zoodra zij gehoord had, dat
+het den kleinen Philo beter ging, strekte zij zich op hare armoedige
+legerstede uit. Hoe eenzaam scheen haar nu die kamer toe, hoe verlaten
+zonder Irene? Eene ingeving van het oogenblik volgende, stond zij op
+van haar eigen bed, legde zich op dat van Irene neder, alsof haar dit
+nader bracht bij de thans ver van haar verwijderde zuster, en sloot
+de oogen. Maar zij was te vermoeid en nog te opgewonden, om vast te
+slapen. Allerlei droomen, die elkander snel afwisselden, verstoorden
+telkens haar oprecht dankgebed en haren ongerusten slaap, en tooverden
+haar nu eens wonderbaar schitterende, dan weder verschrikkelijke,
+nu eens lieflijke en zalige, dan weder akelige en treurige beelden
+voor den geest. Daarbij was het haar te moede, als hoorde zij muziek
+in de verte en als wiegden onzichtbare handen haar op en neder. Het
+indrukwekkend beeld van den Romein overheerschte alle andere.
+
+Eindelijk sloot een verkwikkende slaap hare oogen. Zij droomde zich
+in het huis van den geliefde te Rome. Zij zag zijn deftigen vader,
+en zijne eerwaardige moeder, die op de hare scheen te gelijken, en
+vele groote en strenge senatoren. Zij gevoelde zich beklemd onder al
+deze vreemden, die haar vragend aankeken en vervolgens haar goedig
+de hand reikten. Ook die edele matrone naderde haar vriendelijk en
+omhelsde haar. Toen Publius echter zijne armen voor haar opende en
+zij aan zijne borst vloog en zijne lippen op de hare meende te voelen,
+klopte de dienstmaagd, die iederen morgen de ronde deed om te wekken,
+aan hare deur, zoodat zij ontwaakte.
+
+Ditmaal verheugde zij zich over haar droom en gaarne had zij langer
+geslapen; maar zij vermande zich en stond van hare legerstede op,
+en eer de zon geheel verrezen was, was zij aan de bron en vulde,
+om haar plicht niet te verzuimen, beide kruiken met water voor het
+altaar van den god. Vermoeid en nog slaapdronken zette zij de gouden
+kruiken op hun plaats, en rustte aan den voet van een pilaar uit,
+terwijl een priester het door haar aangedragen water als dankoffer
+over den grond uitgoot.
+
+Het was geheel dag geworden, toen zij daarna weder door de vele
+zuilen van den tempelhal in den voorhof keek. Het pas opgegane
+licht speelde om de zuilen, en zijne schuinsche stralen vielen door
+de hooge poort in de zaal, waar het anders zoo schemerdonker was,
+maar die zij nu tot aan het einde helder verlichtte. Hoe plechtig,
+hoe verheven kwam haar nu deze plaats voor, die als opnieuw gewijd
+scheen! Een onweerstaanbaren drang volgende, sprak zij, tegen een
+pilaar geleund, met omhooggeheven armen en oogen, voor den god haar
+dank uit, omdat hij zoo goed was geweest, en zij wist niet anders te
+bidden dan dit éene, dat hij Publius en Irene en haar zelve en alle
+menschen voor leed en kommer en misleiding bewaren mocht. Zij was
+te moede alsof haar hart een donker lichaam was geweest, dat opeens
+het vermogen had ontvangen om helder te lichten; alsof het verdord
+was geweest en nu eene groeikracht had verkregen, die frisch groen
+en schoone veelkleurige bloemen te voorschijn riep.
+
+Het is ook hun vergund goed te handelen, die, op eigen krachten
+steunende, met zedelijken ernst hunne krachten inspannen, om naar
+de beginselen van recht en waarheid te leven; maar de deugd en het
+waarachtig innerlijk geluk vieren het feest van hunne verbintenis
+alleen in zulke harten, die een god weten te zoeken en te vinden,
+hij moge dan Serapis of Jahveh heeten.
+
+Aan de poort van het voorhof ontmoette Klea onverwachts Asklepiodorus,
+die haar beval hem te volgen. De opperpriester had vernomen dat zij
+heimelijk den tempel had verlaten. Toen zij in zijn stil vertrek
+met hem alleen was, vroeg hij haar ernstig en gestreng, waarom zij
+de wet overtreden en zonder zijne toestemming het heiligdom verlaten
+had. Klea vertelde hem daarop, hoe de angst over hare zuster haar naar
+Memphis had gedreven, en zij daar vernomen had, dat de Romein Publius
+Cornelius Scipio, die zich de zaak van haar vader had aangetrokken,
+Irene uit de handen van koning Euergetes gered en in veiligheid
+gebracht had. Midden in den nacht was zij alleen teruggekeerd.
+
+De opperpriester scheen zich over dit bericht te verheugen, en toen zij
+verder mededeelde, dat Serapion uit bezorgdheid over haar zijne tent
+verlaten en in de woestijn den dood gevonden had, zeide Asklepiodorus:
+"Dit alles wist ik mijn kind. De goden mogen den kluizenaar vergeven,
+en Serapis hem die zijn eed verbrak aan gene zijde des grafs genade
+verleenen; het noodlot is aan hem vervuld. Maar voor u, meisje, hebben
+betere sterren bij uwe geboorte geschenen, en het ligt in mijne hand u
+ongestraft te laten. Gaarne doe ik het, en, Klea, als mijne Andromeda
+groot wordt, hoop ik dat zij op u gelijken zal. Dit is de hoogste lof,
+dien een vader aan de dochter van een ander geven kan. Als bestuurder
+van dezen tempel beveel ik u, uwe kruik heden als altijd te vullen,
+totdat iemand, die uwer waardig is, zich bij mij aanmeldt en u tot
+vrouw begeert. Ik denk, dat hij zich niet lang zal laten wachten."
+
+"Hoe weet gij, mijn vader..." vroeg Klea blozend.
+
+"Ik lees het uit uwe oogen," antwoordde Asklepiodorus, en keek haar
+vriendelijk na, toen zij op zijn wenk het vertrek verliet.
+
+Zoodra hij alleen was, liet hij zijn schrijver roepen en zeide: "Koning
+Philometor heeft bevolen, dat de geboortedag van zijn broeder Euergetes
+heden te Memphis zal gevierd worden. Laat alle vanen hijschen en de
+bloemkransen, die weldra uit Arsinoë zullen aankomen, aan de pylonen
+bevestigen, de offerdieren naar buiten voeren, en tegen den namiddag
+een optocht aankondigen. Alle tempelbewoners moeten in feestkleedij
+zijn.--Maar nu wat anders. Komanus is hier geweest, en heeft ons in
+den naam van koning Euergetes groote beloften gedaan en verklaard,
+dat hij zijn broeder Philometor zou bestraffen, omdat hij een onzer
+tempelgenooten, Irene, had geroofd. Hij laat ons tevens verzoeken
+de kruikdraagster Klea, de zuster van de geroofde, naar Memphis te
+zenden om verhoord te worden. Maar dat zal niet gebeuren. Ook heden
+sluiten wij de tempelpoorten, vieren het feest onder ons en laten
+niemand tot offerande of gebed binnen onze muren toe, tot het lot der
+beide zusters verzekerd is. Al wilden de koningen zelve verschijnen
+en hunne soldaten mede binnenvoeren, dan zullen wij hen eerbiedig
+ontvangen, gelijk het betaamt, maar in plaats van hun Klea uit te
+leveren, brengen wij haar in het Allerheiligste, dat zelfs Euergetes
+niet waagt zonder mij te betreden. Want met onze jonkvrouw zouden
+wij onze waardigheid en met haar onszelven prijs geven."
+
+De schrijver boog en meldde daarop twee propheten van Osiris-Apis
+aan, die Asklepiodorus wenschten te spreken. Klea had deze mannen,
+toen zij den opperpriester verliet, in het voorvertrek ontmoet,
+en opgemerkt dat de een den sleutel in de hand had, waarmede zij de
+poort der Apis-graven geopend had. Zij verschrikte en voelde dat het
+haar plicht was, den priesterlijken vriend terstond mede te deelen,
+hoe slecht zij zijn last had uitgevoerd. De oude Krates zat, toen
+zij bij hem binnentrad, met omzwachtelde voeten aan zijn werk en
+verblijdde zich over haar komst, want bezorgdheid voor haar en Irene
+had hem in zijn nachtrust gestoord, en tegen den morgen was zijne
+vrees door een akelig droombeeld tot angst gestegen. Bemoedigd door
+de vriendelijke begroeting van den anders zoo knorrigen grijsaard,
+bekende Klea, dat zij verzuimd had den sleutel aan den smid in de
+stad af te geven, dat zij de poort der Apis-graven daarmede geopend
+en vergeten had dien weder uit het nieuwe slot te halen.
+
+Toen hij dit hoorde vloog de oude in drift op, smeet het ijzeren
+stangetje, dat hij met de vijl bewerkte, op zijn werktafel en riep:
+"Zóo hebt gij u dus van uw last gekweten! Het was voor het eerst dat
+ik eene vrouw vertrouwde, en nu heb ik mijn loon! Dit alles zal u en
+mij slecht bekomen, en als zij te weten komen, dat door mijn schuld en
+de uwe het heiligdom der Apis-graven ontwijd werd, zoo zullen ze mij
+met recht allerlei boeten opleggen, en u straffen met gevangenschap
+en honger."
+
+"En toch, mijn vader," antwoordde Klea bedaard, "gevoel ik mij zonder
+schuld, en misschien zoudt gij in den afgrijslijken toestand waarin
+ik verkeerde, niet anders gehandeld hebben dan ik."
+
+"Dat meent gij--dat durft gij gelooven?" zeide de oude man,
+stotterend. "En als zij nu den sleutel en misschien ook het slot
+gestolen hebben, en ik dit kunstig en moeitevol werk voor niet heb
+gedaan?"
+
+"Welke dief zou zich aan de heilige graven vergrijpen?" vroeg Klea
+schuchter.
+
+"Zijn ze dan zoo onschendbaar?" antwoordde Krates, met een
+wedervraag. "Zulk een armzalig schepsel als gij zijt, heeft het zelfs
+gewaagd ze te openen.--Doch wacht, wacht even; als mijne voeten mij
+maar niet zooveel pijn deden..."
+
+"Hoor mij," smeekte het meisje, terwijl zij den verbolgen smid
+naderde. "Gij kunt zwijgen, dat hebt ge mij gisteren getoond. Als ik
+u verteld zal hebben, wat ik in dezen nacht heb doorleefd en ervaren,
+dan zult gij mij vergeven, dat weet ik zeker."
+
+"Als ge u maar niet vergist!" zeide de smid. "Het moet wel iets
+buitengewoons zijn, dat mij zou kunnen bewegen, zulk een plichtverzuim
+en zulk een misdrijf ongestraft door de vingers te zien!"
+
+En het was iets buitengewoons, dat de oude vernam, want toen Klea het
+verhaal van alles, wat zij in den nacht had ondervonden, geëindigd had,
+stonden hare oogen niet alleen maar ook die van den smid vol tranen.
+
+"Die verdoemde beenen!" bromde hij, toen zijn oog den vragenden
+blik van de jonkvrouw ontmoette, terwijl hij met de mouwen van zijn
+kleed zijne vochtige wangen afdroogde. "Ja zulk een gezwollen voet
+doet zeer, meisje, en zulk een kreupele als ik, is niet altijd van de
+sterksten. Oude vrouwen worden soms mannen, en oude mannen vrouwen. Ja,
+die ouderdom! Zulke voeten te hebben is erg, maar nog veel erger,
+dat het geheugen met de jaren vermindert. Daar heb ik gisteren avond,
+meen ik, den sleutel laten steken in de deur van de Apis-graven. Ik
+zal dadelijk een boodschap naar Asklepiodorus zenden, opdat hij de
+Egyptenaars van de overzijde, die aan mij verplichting hebben wegens
+verschillende werken, uit mijn naam om verontschuldiging vrage."
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De donkere wolken, die in den afgeloopen nacht het blauw van den hemel
+verduisterd en het licht der maan telkens onderschept hadden, waren
+alle verdwenen. De noordoostenwind, die tegen den morgen opstak, had ze
+uiteengedreven, en de wolkenverslindende Zeus de laatste opgeslokt. Het
+was een heerlijke morgen, en toen de dagvorstin hooger steeg, en ook
+den witten nevel, die over den Nijl zweefde, en het waas, dat over
+het oostelijk gebergte als een fijn doorzichtig kleed van blauwgrijze
+wol lag uitgespreid, sneller en sneller uiteen scheurde en optrok,
+toen verdween ook de kilheid van den nacht uit de donkerste hoeken der
+stad, die als een smalle strook zich mijlen ver langs den oever van den
+stroom uitstrekte. En het heerlijke heldere licht, dat de straten en
+huizen, de paleizen en tempels, de tuinen, lanen en tallooze schepen
+in de haven van Memphis bestraalde, ging gepaard met eene warmte,
+die ook hier bij het begin van een winterdag zoo welkom was.
+
+Aan den oever van den Nijl krioelden schippers en matrozen dooreen,
+die van den noordoostenwind gebruik wilden maken om stroomopwaarts te
+varen, en onder luid gezang werden de zeilen geheschen en de ankers
+gelicht. De oever was zoo dicht bezet met schepen, dat men niet
+begreep, hoe zich die welke zeilree lagen, tusschen de andere door een
+weg zouden banen. Toch vond elk een geul, waardoor het eindelijk het
+vaarwater bereikte, en weldra wemelde de stroom van booten, die allen
+naar het zuiden zeilden. Het was alsof de Nijl met een onafzienbaar
+leger van drijvende tenten was bedekt.
+
+Op de havenkade bewogen zich lange treinen van hoogbepakte kameelen,
+minder zwaar beladene ezels en donkerkleurige slaven. De laatsten
+zongen, alsof het dagwerk hun niet vermoeide, en hunne opzichters
+droegen de zweep tusschen den gordel. Hier en ginds werden ossenkarren
+geladen, of kwamen met koopwaren naar de landingsplaats. Rondom
+enkele groote kooplieden, waarvan de meeste op Grieksche wijze en
+maar enkele als Egyptenaars gekleed waren, begonnen zich de schippers
+reeds te verdringen, ten einde hunne ladingen aan den man te brengen,
+of hunne vaartuigen opnieuw te verhuren. Het drukst ging het toe op
+dat gedeelte van de haven, waar de tolbeambten onder groote tenten
+gezeten waren. Want de meeste schepen wierpen voor Memphis alleen
+het anker uit, om den Nijltol op 's konings tafel te leggen.
+
+Niet minder groote verscheidenheid en afwisseling zag men op de
+markt in de nabijheid van de haven. Dáar lagen dadels en graan,
+ossenhuiden en gedroogde visch bij groote hoopen opgestapeld. Daar
+werden gansche kudden vee onder geloei en geblaat samengedreven, om
+aan de meestbiedenden verkocht te worden. Evenals pauwen en bonte hanen
+te midden van hennen, die op een hoenderhof druk in de weer zijn, zoo
+vertoonden zich ook hier, te midden der bedrijvige menigte, soldaten
+te voet en te paard in bonte rokken en schitterende wapenrustingen,
+aanzienlijke hovelingen in feestkleederen van roode, blauwe en gele
+stoffen, die reeds van verre in het oog liepen, en die door hunne
+slaven in draagstoelen gedragen werden of op fraai vergulde wagens
+stonden. Voorts zag men er priesters in lange witte kleederen, met
+kransen om het hoofd, en opgetooide meisjes, die zich naar de herbergen
+in de nabijheid van de haven begaven, om op de fluit te spelen of te
+dansen. De kinderen, die tusschen dit druk gewoel liepen te spelen,
+zagen begeerig naar de hoog in manden opgestapelde koeken, die door
+bakkersjongens zeer netjes op hunne hoofden werden gedragen. Honden,
+die hier in bijzonder groot aantal tegenwoordig waren, zetten hunne
+neusgaten uit, wanneer zulk een drager van zoetigheden in hunne
+nabijheid kwam, en vele begonnen te huilen van verlangen, zoodra er
+eene burgervrouw voorbijkwam met een slaaf, die onder groenten en
+vruchten in zijn korf ook pas geslacht gevogelte of versch vleesch
+voor een feestgebraad droeg.
+
+Als gouden draden geweven door een alledaagsch grijs kleed, zoo
+vertoonde zich te midden van het bedrijvig leven van de landingsplaats
+ook de glans van het feest. Tuinlieden, knapen en meisjes in groote
+menigte droegen, hetzij twee aan twee aan houten stokken of alleen op
+planken en aan stangen, bloemkransen, guirlandes en geurige ruikers,
+en bij dat gedeelte van den oever, waar de schepen van den koning
+voor anker lagen, waren vele arbeiders bezig om de masten, waaraan
+de wimpels wapperden, met groen en bloemguirlandes te omwinden en
+met veelkleurige lantaarnen te behangen. De dienaars der godheid
+in feestgewaad, de vertegenwoordigers van de vijf afdeelingen der
+priesterschap van het geheele land, trokken in een langen optocht
+met geschenken en standaarden, langs de havenstraat in de richting
+van het koninklijk paleis, terwijl de woelende menigte eerbiedig
+voor hen uit den weg ging. Euergetes toch, de broeder des koning,
+die te Alexandrië heerschte, vierde heden te Memphis zijn geboortedag,
+en de gansche stad zou aan dat feest deel nemen.
+
+Reeds in het eerste uur na zonsopgang waren in den tempel van Ptah,
+het grootste en oudste heiligdom in de eerwaardige residentie der
+pharaonen, offers geslacht. Men had den heiligen Apisstier [27],
+waaraan Euergetes in den vroegen morgen zijne hulde had gebracht,
+en die uit zijn hand had gevreten--hetgeen de koning als een gunstig
+teeken voor het gelukken van zijn plan beschouwde--tot overladens
+toe met gouden sieraden behangen en zijne eigene, alsmede de woning
+zijner moeder, en de koe die voor hem onderhouden werd, rijk met
+bloemen getooid. Alleen tot op den middag was het den inwoners van
+Memphis geoorloofd hunne zaken te doen en hun handwerk te verrichten;
+want op dat tijdstip werden de markten, de winkels, de werkplaatsen
+en de scholen gesloten, en zou men op het plein voor de groote
+jaarmarkt bestemd, vóor den tempel van Ptah, op kosten der beide
+koningen godsdienstige en andere tooneelvertooningen kunnen zien,
+hooren en bewonderen.
+
+Twee Alexandrijnsche mannen, een Aeoliër uit Lesbos afkomstig en
+een bewoner van Palestina, die tot de Joodsche gemeente behoorde,
+hoewel hij zich overigens noch door zijne kleeding, noch door zijne
+taal van zijne Helleensche medeburgers onderscheidde, begroetten
+elkander tegenover de ankerplaats der koninklijke schepen, van welke
+eenige de purperen zeilen heschen en, de zwaar vergulde, met ivoor
+ingelegde snebbe keerende, van wal staken.
+
+"Binnen twee uren," zeide de Jood, "vaar ik naar huis. Mag ik u
+aanbieden mijne boot met mij te deelen? Of denkt gij eerst morgen
+af te reizen en eerst het feest mede te vieren? Er zullen allerlei
+vertooningen te zien zijn, en tegen het vallen van de duisternis zal
+er eene groote illuminatie plaats hebben."
+
+"Wat kan mij die barbaarsche rommel schelen," antwoordde de
+Lesbiër. "De Egyptische muziek alleen reeds maakt mij wanhopig. Mijne
+zaken zijn afgedaan, de koopwaren, die over Berenice en Koptos
+uit Arabië en Indië komen, heb ik bezichtigd en er uit gekozen wat
+ik noodig heb, vóor het schip dat ze aanbrengt in de Mareotische
+havens landt, en anderen in Alexandrië mij voor zijn. Ik blijf in
+dit nest, dat even vervelend is als groot, geen uur langer dan noodig
+is. Gisteren heb ik het gymnasium eens opgenomen en de aanzienlijke
+baden. 't Is ellendig, zeg ik u. Ik zou ze nog te veel eer aandoen,
+wanneer ik ze met de vischmarkten en de paardenwedden te Alexandrië
+vergelijk."
+
+"En het theater!" zeide de Jood. "Uitwendig was het nog om aan te
+zien, maar het spel! Gisteren speelden ze de 'Thaïs' van Menander. Het
+vrouwspersoon, dat den moed had de verleidelijke en toch gevoellooze
+hetaere te spelen, zouden ze te Alexandrië met rotte appelen van het
+tooneel hebben gejaagd; dat verzeker ik u. Naast mij zat een dikke
+bruine Egyptenaar, een suikerbakker of zoo iets, zijn buik vast te
+houden van het lachen, en toch durf ik zweren, dat hij geen woord
+van de heele comedie begreep. In Memphis is het tegenwoordig zelfs
+onder handwerkslieden mode Grieksch te verstaan.--Mag ik hopen dat
+gij mijn gast zijt?"
+
+"Volgaarne," antwoordde de Lesbiër. "Ik wilde juist naar eene boot
+omzien. Hebt gij nog al goede zaken gedaan?"
+
+"Redelijk wel," antwoordde de Jood. "Ik kocht graan van boven-Egypte,
+dat ik hier in een schuur opsloeg. Die geheele rij daarginds was voor
+een spotprijs te huur, en dat haalt heel wat uit, als wij het koren
+hier laten liggen en niet in Alexandrië, waar de graanschuren bijna
+voor geen geld meer te krijgen zijn."
+
+"Dat is slim," hernam de Lesbiër. "Het ziet er hier in de haven
+levendig genoeg uit, maar die vele ledige magazijnen en goedkoope
+huurprijzen bewijzen, hoezeer Memphis is achteruitgegaan. Vroeger was
+deze stad het doel van alle schepen, doch heden leggen de meeste enkel
+aan om den tol te betalen en de proviand voor de manschappen aan te
+vullen. Deze volkrijke plaats heeft eene groote maag, dikwijls zijn
+er ook nog wel belangrijke zaken te doen, maar de meeste schepen,
+die hier aanleggen moeten, gaan toch verder door naar Alexandrië."
+
+"Men mist hier de zee," merkte de Jood op. "Memphis drijft enkel
+handel met Egypte en wij met de geheele wereld. Wie hier koopwaren te
+verzenden heeft, belast kameelen, erbarmelijke ezels en platboomde
+Nijlvaartuigen, maar wij bevrachten in onze havens kolossale
+zeeschepen. Als de winterstormen voorbij zijn, zenden wij alleen
+naar Ostia en de Zwarte Zee twintig triëren met Egyptisch graan. Uwe
+Indische en Arabische waren, de goederen die gij uit de pas voor
+den handel geopende Ethiopische landen haalt, nemen minder plaats
+in, maar ik zou wel eens willen weten hoeveel talenten uw omzet in
+het vorig jaar bedroeg.--Tot wederziens dan in mijn schip; het heet
+'Euphrosyne', en ligt daar ginds, juist tegenover de beeldzuilen van
+den ouden koning.... Ja, wie kan zoo'n naam onthouden. Ongemanierde,
+barbaarsche dingen!--Nu, binnen drie uren breken wij op. Ik heb een
+goeden kok aan boord, die zich weinig bekreunt over de spijswetten,
+waarnaar mijne landslieden in Palestina leven. Gij zult ook eenige
+nieuwe boeken vinden en uitstekenden wijn van Byblos."
+
+"Dan hebben wij ons voor tegenwind niet bezorgd te maken," zeide de
+Lesbiër lachend. "Tot wederziens dan over drie uren."
+
+De Israëliet groette zijn reisgezel met de hand en ging eerst in de
+schaduw eener laan van sykomoren, met buitengewoon breede bladerkronen,
+den oever langs, vervolgens sloeg hij een smal straatje in, dat uit
+de haven naar de stad voerde. Bij den ingang van het hoekhuis, dat
+met de eene zijde op den stroom uitzag, en met de andere, waarin zich
+de deur en eene kleine oliewinkel bevonden, op de straat, bleef hij
+een oogenblik staan, want zijne opmerkzaamheid werd gaande gemaakt
+door eene buitengewone verschijning. Doch hij had vóor zijn vertrek
+nog veel in orde te brengen, en spoedde zich dus voort, zonder acht
+te geven op een deftig man, met een reishoed op, en een mantel om,
+zooals men gewoonlijk op verre tochten droeg, die hem tegenkwam.
+
+Het huis, dat de aandacht van den Jood had getrokken, was dat van den
+beeldhouwer Apollodorus, en de man die voor dezen tijd van den dag en
+voor eene wandeling zoo vreemd gekleed ging, was de Romein Publius. Wat
+er in den kleinen winkel bij de deur van den beeldhouwer gebeurde,
+scheen dezen nog meer dan den Israëliet te boeien, want hij ging staan
+leunen tegen een tuinheg over den winkel en zag een tijdlang naar de
+wonderlijke dingen, die daar binnen te zien waren, terwijl hij het
+hoofd schudde. Aan den muur van het huis was een soort van houten
+tafelblad vast gemaakt, waarop gewoonlijk eenige oliekruiken stonden
+en de koopers hun geld neerlegden. Het stak als een vensterluik een
+weinig in de straat uit, en op deze bijzondere soort van rustbank
+zat, met zijn rug naar den winkel, die niet veel ruimer was dan een
+tamelijk grooten reiswagen, een jongeling met een voornaam uiterlijk
+en een lichtblauwen chiton zonder mouwen. Naast hem lag een wit,
+met blauwe randen omzoomd himation [28] van fijne wollen stof. Zijne
+beenen hingen over den tafelrand, en zijne blanke kleur stak sterk
+af bij de zwarte huid van den naakten Egyptischen knaap, die, met
+eene kooi vol duiven bij zich, aan zijne voeten was neergehurkt.
+
+De Griek op die armzalige winkeltafel had een gouden band om zijne
+schoone met welriekende olie bestreken lokken, droeg sandalen van
+het fijnste leder aan zijne voeten, en zag er ondanks zijne armoedige
+omgeving uit als een vrij aanzienlijk man. Maar geheel zijn bevallig
+gelaat teekende nog meer vroolijkheid dan voornaamheid, want hij lachte
+zoo hartelijk, terwijl hij twee kleine roodbruine tortelduiven met
+banden van rooskleurig wol vastbond aan den sierlijken korf, waarin zij
+zaten, en vervolgens over de kopjes der schuwe diertjes een kostbaren
+gouden vrouwenarmband liet glijden, dien hij met een wit koord aan
+hunne vleugels vastmaakte. Toen dit werk gelukt was, hief hij het
+korfje in de hoogte, bekeek het meesmuilend en met een tevreden blik,
+en was op het punt om het aan den zwarten knaap te overhandigen,
+toen hij Publius in het oog kreeg, die van den heg naar hem toekwam.
+
+"Bij alle goden, Lysias," riep de Romein, zonder zijn vriend eerst
+te groeten, "wat doet gij daar weder voor domme dingen! Zijt gij
+oliehandelaar geworden, of legt gij u toe op het africhten van duiven."
+
+"Noch het een noch het ander," zeide de Korinthiër lachend, want
+niemand anders dan hij was het, dien de Romein had toegesproken. "Hoe
+bevalt u dit nestje? Ik vindt het alleraardigst; en wat staat
+die gouden band, die hunne halsjes verbindt, die kleinen dingen
+goed!--Steek nu," ging hij voort, zich tegen zijn kleinen helper
+wendende, "je pooten uit, bruine krokodil en draag het korfje
+voorzichtig in huis, en zeg mij na: "Van den doodelijk verliefden
+Lysias voor de schoone Irene."--Kijk eens, Publius, hoe dat ondier mij
+met zijne witte tanden aangrijnst. Gij zult dadelijk hooren, dat zijn
+Grieksch vrij wat meer te wenschen overlaat dan zijn gebit. De ooren
+gespitst, kleine Ichneumon! Herhaal nog eens wat gij dáar--ziet ge,
+waarheen ik met den vinger wijs?--wat gij dáar--binnen den meester
+of de meesteres, die de duiven van u zal aannemen, zeggen zult?"
+
+De knaap herhaalde den groet van den Korinthiër aan Irene, dien
+erbarmelijk radbrakende, en terwijl hij daarbij den mond wijd
+openhield, wierp Lysias, die de kunst verstond vlakke steenen over
+den waterspiegel te laten dansen, bijzonder sierlijk een zilveren
+drachme daarin. Zulk een hapje smaakte den jongen, want nadat hij het
+muntstuk uit zijn mond had genomen, ging hij met opengespalkte kaken
+tegenover zijn meester staan om een tweeden worp af te wachten. Maar
+deze gaf hem met de vlakke hand een tik op zijn hoofd en onder zijn
+kin, en zeide, toen de tanden van den jongen op elkander klapperden:
+"Eerst draagt gij dit nest naar boven en wacht gij op antwoord."
+
+"Dit geschenk is dus voor Irene?" vroeg Publius. "Wij hebben elkander
+in lang niet gezien. Waar hebt gij gisteren den ganschen dag gezeten?"
+
+"Het zal veel onderhoudender zijn te hooren, wat gij in dezen langen
+nacht hebt uitgevoerd. Gij ziet er uit, als kwaamt gij zoo direct van
+Rome. Euergetes heeft dezen morgen reeds eens en de koningin tweemaal
+om u gezonden. Zij is tot over de ooren op u verliefd!"
+
+"Malligheid!"--Vertel mij eens, wat gij hier in 't schild voert."
+
+"Eerst zult ge mij zeggen, waar gij geweest zijt."
+
+"Ik had een belangrijken tocht te maken, waarvan ik u later vertellen
+zal, thans niet; en daarbij zijn mij zeer bijzondere dingen wedervaren,
+die durf ik zeggen, wel de aandacht verdienen. Vóor zonsopgang heb ik
+beneden in een herberg eene legerstede gevonden, en tot mijne verbazing
+zoo vast geslapen, dat ik eerst twee uren geleden wakker ben geworden."
+
+"Dat is een sober bericht; maar ik weet wel, dat als gij niet verkiest
+te praten, zelfs geen god u een syllabe ontlokken kan. Wat mij betreft,
+ik zou met te zwijgen mijzelven te kort doen, want mijn hart is als
+een overladen lastdier; het spreken zal mij verlichten. Ach Publius,
+het gaat mij heden als den armen Tantalus, wien de sappige peeren
+voor den neus bengelen en zijn hongerige maag kittelen, terwijl zij
+zich toch nooit laten plukken. Zie, daar--daar binnen woont Irene,
+de peer, de perzik, de granaatappel, waarnaar mijn hart hongert;
+terwijl het van verlangen verteerd wordt. Ja, lach maar! Heden zou
+Paris Helena straffeloos kunnen ontmoeten, want Eros heeft op mij
+al zijne pijlen verschoten. Gij ziet ze niet, maar ik voel ze, want
+nog niemand heeft ze uit de wonden getrokken. En die lieve kleine is
+bij het schijfschieten van den gevleugelden knaap ook niet ongedeerd
+gebleven. Zij heeft mij dit zelve beleden. Het is mij onmogelijk
+haar iets af te slaan, en zoo heb ik de dwaasheid begaan haar met
+een schrikkelijken eed te zweren, dat ik haar niet eer bezoeken zou
+vóor zij weder vereenigd is met hare groote ernstige zuster, waarvoor
+ik bang ben. Gisteren sloop ik rondom dit huis, als een hongerige
+wolf bij felle koude rondom een tempel waarin men lammeren offert,
+om haar te zien, of ten minste een woordje te hooren uit haar mond,
+die spreekt gelijk de nachtegalen zingen; maar alles te vergeefs. Heden
+vroeg werd ik weder naar de stad en dit huis gedreven, en daar mij het
+eeuwige rondloopen niet baat, zoo kocht ik van den ouden oliekoopman,
+die daar in den hoek slaapt, zijn kraam en zette mij in zijn winkel
+neer. Hier kan mij niemand ontgaan, die het huis van Apollodorus in-
+of uitgaat. Het is mij verboden Irene te bezoeken, maar zij veroorlooft
+mij haar groeten te zenden. Dat belet niemand mij, ook Apollodorus
+niet, dien ik een uur geleden gesproken heb."
+
+"Zulk een groet was zeker ook het nest, dat uw bruine liefdebode
+zooeven in huis droeg?"
+
+"Natuurlijk. Het is reeds de derde. Eerst zond ik een ruiker enkel van
+granaatbloesems, en eenige versregels, die ik dezen nacht samengelijmd
+had; toen een mandje met perziken waarvan zij zooveel houdt, en nu
+die duiven. Daar liggen ook hare antwoorden. O, dat allerliefste
+schepseltje! Voor den ruiker kreeg ik dit roode bandje, voor de
+vruchten deze afgebeten perzik. Nu ben ik nieuwsgierig wat ik voor
+mijne duiven zal krijgen. Dien bruinen slungel heb ik op de markt
+gekocht; ik neem hem als aandenken aan Memphis naar Korinthe mede,
+wanneer hij nu wat aardigs terugbrengt. Daar gaat de deur open,
+daar is hij. Kom hier, mijn jongen, wat brengt ge?"
+
+Publius luisterde en keek met de armen op den rug naar de levendige
+taal en de bewegingen van zijn vriend. Hij beschouwde hem heden nog
+meer dan vroeger als een onbezorgden lieveling der goden, in wiens
+dartelheid men behagen schept, omdat zij past bij zijn karakter,
+en men gevoelt dat al wat hij doet hij even weinig laten kan als de
+boomen het bloeien.
+
+Zoodra Lysias een pakje had opgemerkt in de hand van den knaap,
+nam hij het hem niet af, maar hij haalde den heelen, alles behalve
+dunnen jongen, alsof het een stuk speelgoed gold, bij den lederen
+gordel, waarmede zijn schort bevestigd was, naar zich toe, zette
+hem naast zich op de tafel en riep: "Ik zal je leeren vliegen, jong
+nijlpaard. Komaan, laat nu kijken, wat je hebt!"
+
+Haastig nam hij den overbluften jongen het pakje uit de vingers,
+woog het in zijne hand, en zeide, zich tot Publius wendende: "Daar
+zit wat in, dat tamelijk zwaar is; wat zou het zijn?"
+
+"Ik ben niet bedreven in zulke dingen," zeide de Romein.
+
+"Ik bij uitnemendheid," hernam Lysias. "Er zou wel--, wacht--ja het
+zou wel haar gordelgesp kunnen zijn. Voel maar, het is wat hards."
+
+Publius betastte het pakje, dat de Korinthiër hem voorhield, opmerkzaam
+met de vingers en zeide toen lachend: "Ik begin te vermoeden, wat
+gij daar gekregen hebt, en het zal mij genoegen doen als ik gelijk
+heb. Irene zendt u, geloof ik, den gouden armband op een plankje
+beleefd terug."
+
+"Onzin," antwoordde Lysias. "De band was keurig bewerkt en van
+bijzondere waarde, en alle meisjes houden van sieraden."
+
+"Althans uwe vriendinnen te Korinthe! Maar zie nu toch eens, wat er
+in dit doekje zit."
+
+"Wikkel gij het los," verzocht de Korinthiër.
+
+Publius maakte eerst den draad los, vouwde toen een witten linnen
+doek open, en vond eindelijk iets dat in gewoon handelspapyrus was
+gewikkeld. Nadat dit laatste omhulsel verwijderd was, vertoonde zich
+inderdaad de armband, en onder dezen lag een klein wastafeltje.
+
+Lysias was alles behalve tevreden met deze vondst en keek zijn
+teruggezonden geschenk verbluft en verdrietig aan, maar hij werd
+zijne ergernis weldra meester en zeide, zich wendende tot zijn vriend,
+die eerst in zijn vuistje lachte, maar daarna voor zich keek: "Hier
+op dit tafeltje staat ook iets. Dat is zeker de saus bij het gepeperd
+gerecht, dat mij daar wordt voorgezet."
+
+"Eet er maar van," zeide Publius. "Het kan weldadig werken voor
+het vervolg."
+
+Lysias nam het tafeltje in de hand, en nadat hij het van alle zijden
+bekeken had, zeide hij: "het komt den beeldhouwer toe, want hier staat
+zijn naam. En daar--waarachtig, zij heeft de saus of, zoo gij liever
+wilt, de bittere artsenij met verzen gekruid. Zij zijn niet zoozeer
+mooi dan wel duidelijk geschreven, en behooren in elk geval tot het
+genre der leerdichten."
+
+"Welnu?" vroeg de Romein nieuwsgierig, terwijl Lysias las.
+
+Maar deze laatste zag van het schrift niet op, maar gaf, terwijl hij
+met de vingertoppen over zijn neus wreef, met een lichten zucht ten
+antwoord: "Zeer aardig voor ieder dien het niet aangaat! Wilt gij
+het distichon hooren?"
+
+"Wat ik u bidden mag, draag het voor!"
+
+"Het zij zoo," zeide de Korinthiër, zuchtte nog eens en las:
+
+
+ "Liefelijk schijnt aan het paar, door de liefde verbonden,
+ zijn toekomst,
+ Doch het bezwarende goud vreest het en zendt het terug."
+
+
+"Daar hebt gij mijne artsenij! Maar duiven zijn geene menschen, en ik
+weet reeds wat ik antwoorden zal! Geef mij de fibula [29], Publius,
+die uw mantel samenhoudt, waarmede gij er uitziet, als waart gij uw
+eigen bode. Ik zal er mijn antwoord mee in het was griffen."
+
+De Romein overhandigde Lysias den gouden krans, die van een
+sterke naald was voorzien, en terwijl hij zijn mantel met de handen
+samenhield, daar hij door hen die deze straat voorbijgingen, al waren
+het er maar weinigen, niet herkend wilde worden, schreef de Korinthiër:
+
+
+ "Gloeien de harten der duiven, dan gaat zich het mannetje sieren,
+ Maar als de jongeling gloeit, siert hij zijn meisjen het liefst."
+
+
+"Mag het gehoord worden?" vroeg Publius. Zijn vriend las hem terstond
+de verzen voor, gaf den knaap het tafeltje in de hand met den armband,
+dien hij haastig opnieuw inwikkelde, en gelastte hem dit terstond
+aan de schoone Irene te brengen.
+
+Maar de Romein hield den knaap terug, en terwijl hij de hand op
+den schouder van den Korinthiër legde, vroeg hij: "En wanneer nu
+de jonkvrouw dit geschenk aanneemt en na dit nog vele andere--want
+gij zijt rijk genoeg om haar naar hartelust met geschenken te
+overladen--wat dan, Lysias?"
+
+"Wat dan?" herhaalde de jonkman besluiteloos en bedremmelder dan zoo
+even. Dan wacht ik Klea's terugkomst af, en--; ja lach mij niet uit,
+maar ik heb er ernstig over nagedacht dit meisje te huwen, en mede te
+nemen naar Korinthe. Ik ben een eenige zoon en sedert drie jaar laat
+mijn vader mij geen rust. Hij wil volstrekt, dat mijne moeder eene
+vrouw voor mij zal zoeken, of dat ik er zelf eene zal kiezen. En al
+bracht ik hem de pikzwarte zuster van dezen bruinen bengel, ik geloof
+dat hij er zich over verblijden zou. Zoo waar als ik uw vriend ben,
+ik kan op geen ander meisje smoorlijker verliefd raken dan op deze
+Irene.--Doch ik begrijp waarom ge mij weder met de blikken van den
+donderenden Zeus aanziet! Gij weet wat ons huis in Korinthe beteekent,
+en als ik dat bedenk, dan zeker--"
+
+"Dan zeker?" vroeg de Romein scherp en ernstig.
+
+"Dan bedenk ik, dat eene kruikdraagster en de dochter van een gevonnist
+man in ons huis...."
+
+"Houdt gij mijne familie te Rome voor geringer, dan de uwe te
+Korinthe?" vroeg Publius op strengen toon.
+
+"Integendeel Publius Cornelius Scipio Nasica. Wij zijn groot door
+onzen rijkdom; gij zijt het door macht en vaste goederen."
+
+"Dat zijn wij, en desniettemin breng ik Irene's zuster Klea, als
+mijne echtvriendin in het huis mijns vaders."
+
+"Doet gij dat?" riep Lysias, terwijl hij van zijn bank opvloog, en,
+niettegenstaande er eenige Egyptenaars op dit oogenblik door de ledige
+straat hun voorbijgingen, den Romein om den hals vloog. Dan is alles
+in orde, dan--o, hoe verlicht dit mijn gemoed--dan wordt Irene mijne
+vrouw, zoo waar ik het leven liefheb! O Eros en Aphrodite en vader Zeus
+en Apollo wat doet mij dat goed! Ik gevoel mij als ware de grootste
+van gindsche pyramiden mij van de borst gewenteld!--En nu, bengel,
+gaat ge naar boven en brengt aan de schoone Irene, de bruid van haren
+trouwen Lysias--hoor je wat ik je zeg?--dadelijk dit waschtafeltje
+en dezen armband. Maar gij zult de boodschap niet goed overbrengen;
+ik zal hier boven mijn distichon schrijven: 'De trouwe Lysias aan de
+schoone Irene, zijne toekomstige gemalin.' Zóo, en nu denk ik zal zij
+dit ding niet weder terugzenden, dat lieve meisje!--Hoor, slungel,
+als zij het houdt, moogt ge heden op het feestplein zooveel koeken
+verslinden, tot ge doodziek zijt, al heb ik straks ook vijf goudstukken
+voor je betaald.--Zal zij den armband aannemen, Publius, ja of neen?"
+
+"Zij zal dien aannemen."
+
+Weinige oogenblikken later kwam de knaap op een draf terug, trok den
+Korinthiër aan zijn chiton, en riep: "Komen, meekomen, binnen in huis."
+
+Lysias wipte met een grooten sierlijken sprong over den jongen heen,
+rukte de deur open en opende zijne armen, toen hij Irene zag, die den
+smallen trap, welke veel van een ladder had, behendig afklom en als
+eene gejaagde gazelle naar hem toevloog, om zich lachend en schreiend
+tegelijk aan zijn borst te werpen. Spoedig vonden zijne lippen de
+hare, maar na dezen eersten kus rukte zij zich uit zijne armen los,
+vloog den trap weder op, en riep hem van een der bovenste treden
+vroolijk toe: "Ik heb gedaan wat ik niet laten kon. Tot wederziens,
+wanneer Klea er is!" Hierop verdween zij op de bovenverdieping.
+
+Van vreugde dronken keerde Lysias tot zijn vriend terug, sprong weder
+op zijne bank en zeide: "Nu mag de hemel invallen, ik zal er mij niet
+aan storen! Eeuwige goden, wat is de wereld toch schoon!"
+
+"Wonderlijke kerel," zeide de Romein, zijn verrukten vriend in de rede
+vallende. "Gij kunt toch niet altijd in dezen vuilen winkel blijven."
+
+"Ik verzet geen voet tot Klea hier komt. Die knaap daar zal mij eten
+brengen, gelijk een oude musch zijn jongen. Als het niet anders kan,
+blijf ik hier een week liggen, evenals de kleine sardijnen, die men
+te Alexandrië in olie bewaart."
+
+"Gij zult, hoop ik, maar eenige uren behoeven te wachten. Ik ga nu
+heen, want ik denk koning Euergetes eene bijzondere verrassing op zijn
+geboortedag te bereiden, en moet naar het paleis. De feestelijkheden
+zijn reeds in vollen gang. Hoor eens hoe zij om en bij de haven roepen
+en schreeuwen. Ik geloof den naam van Euergetes te verstaan."
+
+"Breng dat logge monster mijn gelukwensch. Tot weerziens, zwager!"
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Koning Euergetes liep onrustig op en neder in het groote vertrek,
+dat zijn broeder met buitengewone pracht voor hem tot receptie-zaal
+had ingericht. Nauwelijks was met de opgaande zon zijn geboortedag
+aangebroken, of hij had zich, vóor Philometor hetzelfde kon doen,
+met een aanzienlijk gevolg begeven naar den Tempel van Ptah, om te
+offeren, en de machtige bestuurders van het heiligdom voor zich te
+winnen, en het Apis-orakel te raadplegen. De uitslag was gunstig,
+want de heilige stier had gewillig uit zijne hand gevreten. Doch
+het zou hem wel zoo lief zijn geweest, als het beest voor zijn koek
+den kop had omgedraaid, en Eulaeus hem de tijding had gebracht, dat
+de aanslag tegen den Romein gelukt was. Tal van geschenken, brieven
+van gelukwensching uit alle districten van het land en priesterlijke
+decreten, te zijner eer op tafelen van harden steen gegrift, lagen
+op alle tafels, of stonden tegen de wanden van de groote zaal, die
+de bezoekers zoo even verlaten hadden.
+
+Alleen 's konings vriend Hiërax was bij hem gebleven, en stond
+op de bevelen van zijn vorst te wachten, geleund tegen den rijk
+met edelgesteenten versierden troon van goud en elpenbeen, dien de
+joodsche gemeente van Alexandrië aan haren heer had gezonden. De
+veldoverste kende zijn meester, en wist dat het onvoorzichtig was
+hem aan te spreken, wanneer hij er uitzag als thans.
+
+Maar Euergetes had zelf behoefte om te spreken, en zeide, zonder
+op te houden met wandelen, of zijn deftigen vriend aan te zien:
+"Ook de Philobasilisten hebben zich laten omkoopen; mijne soldaten
+in den burcht zijn talrijker en bovendien beter, dan die Philometor
+trouw zijn gebleven. Er blijft mij dus niet anders te doen, dan voor
+een oogenblik de zwaarden op de schilden te laten kletteren, mij op
+den troon te plaatsen en tot koning te laten uitroepen. Maar met de
+sterkste legerafdeeling van den vijand in den rug ga ik niet aan den
+slag. Op den hals van mijne zuster zit het hoofd van mijn broeder,
+en zoolang ik van haar niet zeker ben..."
+
+Een kamerdienaar, die haastig het vertrek kwam binnenstormen, stoorde
+hem in deze alleenspraak, door te roepen: "De koningin Kleopatra!"
+
+Een triumpheerend lachje overtoog het gelaat van den jongen
+reus. Ongedwongen wierp hij zich op een met purper bekleede rustbank
+neder, liet zich zijn kostelijke elpenbeenen lier geven, die zijne
+zuster hem ten geschenke had gezonden, waarop wonderbaar kunstig en
+fijn de eerste bruiloft van Kadmus en Harmonia gesneden was, waarbij
+alle goden en godinnen als gasten verschenen. Met buitengewone
+kracht en meesterlijke tact greep Euergetes in de snaren en begon
+een bruiloftsmarsch te spelen, waarin hartstochtelijk gejubel en het
+zacht gefluister der smachtende liefde elkander schenen af te wisselen.
+
+De kamerdienaar, die Kleopatra bij haren broeder moest binnenleiden,
+wilde zijn meester storen in het spel, maar de koningin hield hem terug
+en bleef met hare kinderen luisterend aan de deur staan, tot Euergetes
+zijn lied, met een onbesuisden greep in de snaren, en een schrillen,
+het oor kwetsenden wanklank plotseling eindigde, zijne luit op het
+kussen wierp, en eerst daarna, als had hij, in zijn spel verdiept,
+de komst der koningin geheel vergeten, schijnbaar verrast opstond en
+naar haar toeging. Hij begroette zijne zuster hartelijk, haar beide
+handen toestekende; ook hare kinderen, die hem niet vreesden, omdat
+hij met hen als een uitgelaten knaap dolle grappen kon maken, heette
+hij teeder welkom, als was hij hun eigen vader. Herhaaldelijk dankte
+hij haar, roemde Kleopatra's zinrijk geschenk aan hem, die evenals
+Kadmus eene Harmonia trachtte te vinden, en nam eindelijk haar, die
+nog niet aan het woord had kunnen komen, bij de hand, om haar al de
+geschenken van haren echtgenoot en van de districten te toonen.
+
+Doch Kleopatra scheen in deze dingen weinig behagen te scheppen en
+zeide: "Dat alles is zeker voortreffelijk--juist zooals het verleden
+jaar en voor twintig jaren geweest is. Doch ik ben hier niet gekomen
+om te zien, maar om te hooren." Daarbij zag zij bleek en ernstig,
+en vertoonde haar gelaat slechts nu en dan een gedwongen lachje,
+terwijl dat van haar broeder straalde van blijdschap.
+
+"Ik dacht, dat voor alle dingen de wensch om mij geluk te wenschen
+u hierheen had gevoerd," antwoordde Euergetes, "en mijne ijdelheid
+gebiedt mij ook zulks te gelooven. Philometor is reeds bij mij
+geweest en heeft zich met aandoenlijke hartelijkheid van dezen plicht
+gekweten. Wanneer begeeft hij zich naar de feestzaal?"
+
+"Binnen een halfuur; intusschen verzoek ik u mij te openbaren, wat
+ge mij gisteren..."
+
+"Het beste moet langzaam worden voorbereid," zeide Euergetes, haar
+in de rede vallende. "Mag ik u verzoeken de voedster met de kinderen
+voor eenige oogenblikken naar de binnenvertrekken te zenden?"
+
+"Terstond!" zeide Kleopatra haastig, en drong haar oudsten jongen,
+die met alle geweld bij zijn oom wilde blijven, met kracht naar de
+deur, zonder de voedster tijd te laten om hem tot bedaren te brengen
+en op den arm te nemen.
+
+Terwijl zij op onvriendelijke wijze, ja zelfs met scheldwoorden het
+wegzenden der kinderen trachtte te bespoedigen, was Eulaeus het vertrek
+binnengetreden. Zoodra Euergetes hem zag, nam hij eene gansche andere
+houding aan, en haalde zoo diep adem, dat zijne breede borst zich
+geweldig verhief en er een sterke luchtstroom uit zijne lippen kwam,
+terwijl hij den eunuuch langzaam en met vragende blikken tegemoet
+ging. Deze wees met zijne oogen veelbeteekenend op Hiërax en Kleopatra,
+ging zeer dicht bij den koning staan, fluisterde hem eenige woorden
+in het oor en beantwoordde zijne korte vragen met zachte stem.
+
+"Goed," zeide Euergetes eindelijk, en beval Eulaeus en zijne vriend
+Hiërax met een wenk van zijne hand het vertrek te verlaten.
+
+Doodsbleek, zich op de onderlip bijtende en strak voor zich ziende,
+stond hij daar. Zijn wil was geschied, Publius Cornelius Scipio leefde
+niet meer; zijne eerzucht kon thans ongehinderd het einddoel zijner
+wenschen bereiken. En toch was hij niet blijde; kon hij een gevoel
+van diepen afschuw niet van zich weren en sloeg hij met zijn gebalde
+vuist tegen zijn breed voorhoofd. Hij stond voor het feit van zijn
+eersten sluipmoord.
+
+"Wat heeft Eulaeus u bericht?" vroeg Kleopatra, die haar broeder nog
+nooit zoo had gezien, in groote spanning.
+
+Hij scheen hare woorden niet te verstaan, en eerst toen zij ze met
+meer nadruk herhaalde, kwam hij tot zichzelven, nam hij haar van het
+hoofd tot de voeten op met een somberen blik en vroeg haar toen, met
+nadruk maar toch bedaard, terwijl hij zijne hand zoo zwaar op haar
+schouder liet vallen, dat zij met een zachten kreet de knie boog:
+"Zijt gij sterk genoeg om iets gewichtigs te hooren!"
+
+"Spreek," antwoordde zij half fluisterend, en terwijl zij de
+rechterhand tegen haar hart drukte, hingen hare oogen aan zijne
+lippen. Haar verlangen om te hooren verbond haar aan hem als het
+ware met zichtbare banden, en als wilde hij die door de kracht zijner
+woorden verbreken, zeide hij op vreeselijk plechtigen toon, met een
+zware stem en den klemtoon leggende op elke lettergreep: "Publius
+Cornelius Scipio Nasica is dood."
+
+Bij het hooren dezer woorden werden Kleopatra's bleeke wangen vuurrood,
+en met de kleine vuist in haar linkerhand slaande, zeide zij met
+vonkelende oogen: "Dat heb ik gehoopt!"
+
+Euergetes deed eene schrede achterwaarts en zeide: "Gij hebt gelijk,
+niet alleen onder de goden zijn de vreeselijksten--de vrouwen."
+
+"Zegt gij dat?" vroeg Kleopatra. "Moet ik gelooven dat tandpijn den
+Romein verhinderde gisterenavond aan het gastmaal en heden morgen
+bij mij te verschijnen? Zal ik u nazeggen, dat hij daaraan gestorven
+is? Kom er maar voor uit, want ik verlang hartelijk te hooren, waar
+en hoe die onbeschaamde huichelaar zijn einde heeft gevonden?"
+
+"Een slang heeft hem gebeten," antwoordde Euergetes, zich van zijne
+zuster afkeerende. "Het gebeurde in de woestijn, nabij de Apis-graven."
+
+"Had hij zich te middernacht naar de doodenstad begeven, om eene
+samenkomst te hebben? Het schijnt daar vroolijker begonnen dan
+geëindigd te zijn?"
+
+Euergetes knikte toestemmend op deze vraag en zeide ernstig: "Zijn
+noodlot heeft hem achterhaald, maar ik kan daarin niets verblijdends
+vinden!"
+
+"Niet?" vroeg de koningin. "En meent gij dat ik den adder niet ken, die
+dit leven in zijn bloei heeft afgesneden? Gelooft gij dat ik niet weet,
+wie de giftige slang tegen den Romein heeft aangehitst? Gij zijt de
+moordenaar en Eulaeus met zijne gezellen zijn de handlangers! Gisteren
+nog zou ik mijn hartebloed vergoten hebben om Cornelius te redden,
+en liever u dan hem naar het graf hebben geleid; maar heden, nu ik
+weet welk een spel deze ellendeling met mij gespeeld heeft, zou ik de
+misdaad op mij genomen hebben die thans u schandvlekt. Zelfs geen god
+durft ongestraft uwe zuster zoo te honen en te beleedigen, als hij
+gedaan heeft. Reeds een, gij moogt het wel weten, is evenals hij aan
+zijn einde gekomen, namelijk de Bithynische hipparch [30] Eustorgos,
+die, terwijl hij van liefde voor mij verteerd scheen te worden,
+mijne speelgenoote Kallistrate tot vrouw vroeg. Aan dezen hebben
+de slangen en roofdieren hun akelige kunst getoond. De boodschap
+van Eulaeus heeft u, die zoo sterk zijt, met koude hand in 't hart
+gegrepen; bij mij zwakke vrouw, wekt zij onbeschrijfelijke vreugde,
+want het beste dat eene vrouw kan geven, heb ik hem aangeboden, en
+hij heeft het verachtelijk in het stof vertreden. Had ik geen recht
+te verlangen, dat met het beste wat hij heeft, dat is zijn leven,
+evenzoo werd gehandeld, als hij zich vermeten heeft met het mijne,
+dat is mijne liefde, te doen? Het komt mij toe mij te verblijden
+over zijn dood. Ja, thans zijn die schoone oogen gesloten, die de
+kunst van liegen niet minder verstonden dan de strenge mond, die de
+waarheid zoo hoog kon verheffen. Dat trouwlooze hart staat nu stil,
+dat de liefde van eene koningin versmaadde,--waarvoor? voor wien?--O,
+gij barmhartige goden!"
+
+Bij deze laatste woorden barstte de koningin in snikken uit,
+hief snel hare beide handen op, bedekte daarmede hare oogen en
+vloog naar de deur, door welke zij het vertrek van haar broeder
+was binnengetreden. Maar Euergetes trad haar in den weg en zeide
+streng en op beslissenden toon: "Gij blijft hier, tot ik weder terug
+ben. Verzamel al uwe krachten, want bij de nu volgende gebeurtenis
+op dezen gewichtigen dag zult gij verbleeken en zal ik lachen."
+
+Met haastige schreden verliet hij het vertrek. Kleopatra verborg haar
+gelaat in de zachte kussens van een rustbed en weende aanhoudend,
+tot luid geschreeuw en wapengekletter haar opschrikten. Zij was te
+vlug van bevatting, om niet te begrijpen wat er gaande was. Met woeste
+drift ijlde zij naar de deur, maar vond haar gesloten. Geen wringen,
+geen roepen, geen kloppen scheen het oor van de wacht te bereiken, die
+met eentonigen gang voor hare gevangenis op en neder liep. Het rumoer
+en het gekletter der wapenen, waaronder zich nu ook tromgeroffel en
+trompetgeschetter liet hooren, werd luider en luider. In doodsangst
+vloog zij naar het venster en keek naar beneden in den voorhof van het
+paleis. Op hetzelfde oogenblik vlogen de deuren van de groote feestzaal
+open en in verwarring stormde een vluchtende menigte soldaten naar
+buiten, gevolgd door een tweede en derde, allen in den uniform van
+koning Philometor. Zij vloog hierop naar de kamer, waarin zij hare
+kinderen had gejaagd, maar vond ook deze gesloten. In vertwijfeling
+ijlde zij weder naar het venster, schreeuwde de vluchtende Macedoniërs
+toe, dat zij stand zouden houden, dreigde en smeekte, maar er was
+niemand die haar hoorde. Hun getal groeide steeds aan, en eindelijk
+zag zij ook haar gemaal op den drempel der groote zaal verschijnen,
+met een gapende wond aan het voorhoofd, met schild en zwaard zich
+dapper verwerende tegen de lijfwachten zijns broeders, die achter hem
+opdrongen. In vreeselijke gejaagdheid riep zij hem toe moed te houden,
+en hij scheen haar te hooren, want met een geduchten slag van zijn
+schild wierp hij den lijfwacht op den grond, die vóor hem stond,
+deed een verbazenden sprong, waardoor hij terechtkwam midden onder
+de vluchtende soldaten die hem trouw waren gebleven, en verdween met
+hen in de gang, die naar de stoeterij leidde.
+
+De krachten der koningin waren uitgeput; zij zonk ten laatste op de
+knieën bij het venster neer en terwijl zij zoo machteloos nederlag,
+hoorde zij half bewusteloos eerst paardengetrappel, dan steeds luider
+trompetgeschal en eindelijk onder gejubel, dat in alle richtingen
+weerklonk, de woorden: Heil den zoon der Zon!--heil den vorst die
+beide landen vereenigt!--Heil den koning van Opper- en Neder-Egypte,
+den god Euergetes!"
+
+Bij deze laatste woorden kreeg zij haar volle bewustzijn terug en
+richtte zich op. Wederom wierp zij een blik in den hof, en daar
+zag zij haren broeder, door grootdignitarissen gedragen in den
+troonstoel, die haar gemaal toebehoorde. Naast de lijfwachten van
+den verrader marcheerden Philobasilisten en Diadochen van Philometor
+en haarzelve. De schitterende optocht verliet den grooten hof van het
+paleis, en toen zij nu ook priestergezang vernam, begreep zij waarheen
+haar trouwlooze broeder zich begaf, en dat zij haar troon verloren
+had. Tandenknarsend van spijt, zag zij in hare verbeelding al wat nu
+geschieden moest. Euergetes werd in den tempel van Ptah gedragen,
+en door de overrompelde priesters tot koning over beide deelen van
+Egypte en opvolger van Philometor uitgeroepen. Men liet vier duiven
+voor hem uitvliegen, die in alle windstreken moesten melden, dat een
+nieuw vorst den troon van Egypte had bestegen, en overhandigde hem
+onder gebed en offeranden een gouden sikkel, waarmede hij, volgens
+een oud gebruik een korenaar doorsneed.
+
+Door haar broeder verraden, door haar gemaal in den steek gelaten,
+van hare kinderen gescheiden, door een man dien zij liefhad versmaad;
+onttroond en machteloos, ja te zwak zelfs om aan wraak te denken,
+bracht zij twee eindeloos lange uren in de vreeselijkste zielskwelling
+door, in deze schitterende met geschenken gevulde gevangenis. Had
+zij gif bij de hand gehad, ongetwijfeld zou zij in dit uur een einde
+hebben gemaakt aan een leven, dat toch al vernietigd was. Nu eens
+liep zij rusteloos op en neer en vroeg zich af, wat nu haar lot zou
+zijn; dan weder wierp zij zich op het rustbed en gaf zich over aan
+stomme vertwijfeling.
+
+Daar stond de lier, die zij haren broeder had geschonken, en haar oog
+viel op de bruiloft van Kadmus met Harmonia, en eene vrouwengestalte
+welke aan den bruid een sieraad overhandigde. Zij die dit geschenk gaf,
+was de godin der liefde, en dit sieraad, zoo luidde de sage, bracht
+haar, die het ontving, onheil aan. De somberste uren haars levens
+traden haar voor den geest, en juist de zwartste waren een gevolg
+geweest der gaven van Aphrodite. Huiverend dacht zij aan den vermoorden
+Romein, en aan den dag, waarop Eulaeus haar had medegedeeld, dat haar
+Bithynische vriend door wilde dieren den dood had gevonden. Aan de
+wrekende Eumeniden prijsgegeven, vloog zij in doodsangst van de eene
+deur naar de andere, schreeuwde uit het venster om redding en hulp,
+en doorleefde in éen uur de folterende kwellingen van een geheel jaar.
+
+Eindelijk, eindelijk ging de deur van het vertrek open, en trad
+Euergetes, in het purper gekleed, met de kroon van de beide Egypten
+op het kolossale hoofd en met een gelaat stralende van vroolijke
+opgewondenheid, haar tegemoet. "Wees gegroet, zuster!" riep hij op
+blijden toon, en nam het zware hoofdsieraad van zijne lokken. "Gij
+moogt heden trotsch zijn, want uw geliefde broeder is hoog in aanzien
+gestegen, en koning van Opper- en Neder-Egypte geworden."
+
+Kleopatra keerde zich van hem af. Hij liep haar na en trachtte hare
+hand te vatten, doch zij trok die woedend terug en sprak: "Zet de kroon
+op uwe daden, en mishandel de vrouw, die gij beroofd en tot weduwe
+gemaakt hebt. Met eene voorspelling zijt gij tot de uitvoering van
+de grootste uwer schanddaden overgegaan. Wat u betreft, wordt zij
+vervuld, want gij lacht over ons ongeluk, maar mij aangaande komt
+zij volstrekt niet uit, want ik ben niet verslagen, niet overwonnen,
+en niet zonder hoop, en ik zal...."
+
+"Gij zult," zeide Euergetes, haar met luide verheffing van stem in de
+rede vallende. Doch hij vervolgde op vriendelijken toon, als wilde hij
+haar het uitzicht openen op eene verleidelijke toekomst: "Gij zult u
+met uwe kinderen op uw dak begeven, en u daar zooveel laten voorlezen
+als gij wilt, zoo veel fijne spijzen nuttigen als gij kunt, zooveel
+kostbare gewaden aantrekken als gij begeert, bezoeken van mij ontvangen
+en met mij praten zoo vaak u mijn gezelschap even aangenaam toeschijnt,
+als mij het uwe heden en altijd. Bovendien moogt gij voor zooveel
+Grieksche en Joodsche geleerden, als gij maar zult willen ontbieden,
+uwe geestigheid zoo laten schitteren, tot zij allen te zamen zonder
+uitzondering stekeblind zijn. Misschien krijgt gij ook eerder de
+vrijheid terug, en daarbij een groote schat geld, een stal vol edele
+rossen, en eene deftige woning in de koningspaleizen in het Bruchium
+te Alexandrië. Het is alleen de vraag, hoe spoedig onze broeder
+Philometor, die heden als een leeuw gevochten heeft, zal inzien,
+dat hij meer deugt voor hoofdman van de ruiterij, voor luitspeler,
+of voor een gastheer die scherp luistert naar redetwistende gasten
+dan voor regent.--Is het niet opmerkelijk voor onderzoekers op het
+gebied van het zieleleven, ik meen u en mijzelven, zuster, dat de man,
+die in vredestijd is als was of buigzaam riet, in den slag zoo hard en
+scherp wordt als een voortreffelijk zwaard? Wij hebben op elkanders
+schilden duchtig losgeslagen, en de schram hier aan mijn schouder
+heb ik hem te danken. Als Hiërax, die met mijne ruiters hem nazet,
+gelukkig is, en hem bijtijds inhaalt, doet hij misschien vrijwillig
+afstand van de kroon."
+
+"Hij is dus niet in uwe macht en heeft tijd gehad om te paard te
+stijgen!" zeide Kleopatra, en zij sloeg hare oogen weder helder
+op. "Dan, overmoedige roover, is nog niet alles verloren. Als
+Philometor ontkomt, naar Rome gaat, en onze zaak voor den senaat
+brengt...."
+
+"Dan heeft hij zeker eenig uitzicht op de hulp der Republiek," haastte
+Euergetes zich te zeggen, "want Rome ziet liever geen machtig koning
+op den troon van Egypte. Maar gij hebt aan den Tiber een besten steun
+verloren, en ik ben van plan alle Scipio's en de geheele familie
+van Cornelius tot mijne vrienden te maken, want ik zal den overleden
+Romein laten verbranden op zuiver cederhout en Arabische specerijen;
+daarbij zullen offers geslacht worden, als ware hij een regeerend
+koning geweest, en ik laat zijne asch in de kostbaarste urn van Vasa
+murrina [31], die mijn schatkamer versiert, door de edelsten mijner
+vrienden begeleid, op een bijzonder versierd vaartuig naar Ostia en
+Rome brengen. De weg naar den trans van den vijandelijken burcht,
+voert over lijken, en als veldheer en koning...."
+
+Euergetes brak plotseling af, want voor de deur liet zich gedruisch en
+eene hevige woordenwisseling hooren. Ook Kleopatra was dit niet ontgaan
+en zij spitste de ooren, want op zulk een dag, en in deze vertrekken
+kon elke woordenwisseling, ieder bijzonder gedruisch in het voorvertrek
+van den koning eene gewichtige beteekenis hebben. Euergetes verheelde
+zich dit evenmin als zijne zuster, en ging met den sikkel, die tot
+zijn koninklijk ornaat behoorde, in de rechterhand naar de deur.
+
+Hij had die nog niet bereikt, toen Eulaeus, bleek als de dood, het
+vertrek binnenstormde en zijn vorst toeriep: "De moordenaar heeft ons
+bedrogen! Cornelius leeft en wil met geweld tot u toegelaten worden."
+
+De hand waarin de koning het wapen hield zonk omlaag en roerloos
+staarde hij een oogenblik in de ruimte, maar even schielijk was
+hij zichzelven weder meester en schreeuwde met een stem, die als
+een rollende donderslag het ruime vertrek vervulde: "Wie waagt
+het, mijn vriend Publius Cornelius Scipio den toegang tot mij te
+beletten? Blijf hier, Eulaeus, lafaard, monster! De eerste aanklacht,
+waarvoor ik als koning der beide Egypten het oor open, zal die zijn
+welke hij, die uw vijand en mijn vriend is, u in het aangezicht
+denkt te slingeren.--Welkom, hartelijk welkom op mijn geboortedag,
+edele vriend!"
+
+Deze laatste woorden waren tot Publius gericht, die in de witte
+keurig geplooide toga der Romeinen van aanzienlijke geboorte met
+hooge kalmte het vertrek binnentrad. Hij hield een verzegelde briefrol
+in de rechterhand, en scheen, terwijl hij zich voor Kleopatra boog,
+de handen, die de koning hem toestak, niet op te merken.
+
+Euergetes zou, nadat Cornelius zijn eersten groet had versmaad, hem
+geen tweeden aangeboden hebben, ook al had het hem zijn leven moeten
+kosten. Daarom sloeg hij met koninklijke waardigheid de armen over
+elkander en zeide: "het doet mij leed, onder alle gelukwenschingen
+van dezen dag, de uwe het laatst te ontvangen."
+
+"Gij zijt dus van inzicht veranderd," antwoordde Publius, en richtte
+zich op in al de lengte van zijne flinke gestalte, zoodat hij boven
+den koning uitstak. "Het ontbreekt u niet aan gehoorzame werktuigen,
+en in den afgeloopen nacht hadt gij maatregelen genomen om mijn
+gelukwensch eerst in het schimmenrijk te ontvangen."
+
+"Mijne zuster," antwoordde Euergetes schouderophalend, "roemde
+gisteren den eenvoud uwer niet door beelden opgesierde taal, heden
+echter schijnt gij lust te gevoelen om, als een Egyptisch waarzegger,
+in raadselen te spreken."
+
+"Deze zijn echter voor u en dien man daar niet moeielijk op te lossen,"
+hernam Publius koeltjes, terwijl hij met de hand op Eulaeus wees,
+"de slangen, waarover hij gebiedt, hebben krachtig vergif en scherpe
+tanden tot hun dienst. Toch hebben zij zich ditmaal in hun offer
+vergist, en in plaats van den gast des konings een armen kluizenaar
+van Serapis naar den Hades gezonden."
+
+"Uwe raadsels worden steeds ingewikkelder!" zeide de koning, "mijne
+scherpzinnigheid is ten minste voor de oplossing niet berekend, en
+ik moet u verzoeken in minder duistere woorden te spreken, of mij
+den zin te verklaren."
+
+"Straks," zeide Publius op vasten toon, "want deze zaken betreffen
+mijn persoon, en ik sta hier als lasthebber van den Romeinschen staat,
+welken ik dien. Heden nog komt Juventius Thalna als gezant van de
+Republiek hier aan, en dit schrijven van den senaat stelt mij tot op
+diens komst tot zijn plaatsvervanger aan."
+
+Euergetes nam de verzegelde rol, die Publius hem overhandigde,
+in ontvangst. Terwijl hij het stuk openmaakte en den inhoud haastig
+doorliep, ging de deur weder open, en verscheen Hiërax, de vertrouwde
+des konings, op den drempel, met een vuurrood gezicht en verwarde
+haren. "Wij hebben hem!", riep hij luide, eer hij verder ging. "Bij
+Heliopolis zonk hij van zijn paard."
+
+"Philometor!" gilde Kleopatra, en vloog naar Hiërax toe. "Is hij van
+het paard gezonken? Hebt gij hem vermoord?"
+
+In den toon waarop zij deze woorden sprak lag zulk een smart en zulk
+eene ontzetting, dat de veldoverste vol medelijden zeide: "Wees
+bedaard, edele vrouw, de hoofdwond van uw echtgenoot is zonder
+gevaar. De artsen in de groote zalen bij den zonnetempel hebben
+hem verbonden, en mij veroorloofd hem in een draagstoel hierheen
+te voeren."
+
+Zonder tot het einde naar Hiërax te luisteren, ijlde Kleopatra naar de
+deur. Doch Euergetes trad haar in den weg en gebood met de hem eigene
+beslistheid, die elke tegenspraak onmogelijk maakte: "Gij blijft,
+tot ikzelf u tot hem geleid. Ik verlang u beiden in mijne nabijheid
+te hebben."
+
+"Om ons door allerlei martelingen te dwingen van den troon afstand
+te doen," zeide Kleopatra. "Heden is het geluk aan uwe zijde en zijn
+wij uwe gevangenen."
+
+"Gij zijt vrij, verhevene koningin," zeide de Romein eensklaps tot
+haar, die beefde over al hare leden, "en ook voor den koning Philometor
+vorder ik hier de vrijheid in naam van den senaat, op grond van de
+mij verleende volmacht."
+
+Euergetes vloog bij deze woorden het bloed naar het hoofd, en
+zichzelven nauwelijks meester, stamelde hij meer dan hij sprak:
+"Popilius Laenas beschreef om mijn gestorven oom Antiochus een
+kring en dreigde hem met Rome's vijandschap, wanneer hij dezen
+overschreed. Gij wilt het uw stoutmoedigen landsman, wiens geslacht
+niets minder voornaam is dan het uwe, nadoen; maar ik, ik...."
+
+"Het staat u vrij, u tegen den wil van Rome te verzetten," zeide
+Publius op scherpen toon, den koning bits in de rede vallende, "doch
+als ge dit waagt, kondigt het u door mij zijne vijandschap aan. Ik
+sta hier als vertegenwoordiger van den senaat, die het verdrag wil
+handhaven, waarbij Egypte aan den koning van Syrië is ontnomen, maar
+aan u en uw broeder de verplichting is opgelegd, de heerschappij over
+Egypte te deelen. Het staat niet in mijne macht te veranderen wat hier
+gebeurd is, maar wel ben ik verplicht voor Rome de mogelijkheid open te
+houden, om aan ieder uwer datgene toe te deelen, wat hem overeenkomstig
+de door de Republiek goedgekeurde verdragen, toekomt. In alle vragen,
+die dit tractaat betreffen, heeft Rome te beslissen, en het is mijn
+plicht zorg te dragen, dat de aanklagers niet verhinderd worden levend
+en vrij voor hun beschermheer te verschijnen. In naam van den senaat
+vorder ik van u, Euergetes, dat gij koning Philometor, uw broeder,
+en de koningin Kleopatra, uwe zuster, daarheen laat gaan, waarheen
+zij verlangen."
+
+Euergetes stond, zwaar zuchtende en met verkropten spijt, nu eens
+zijne handen tot vuisten ballende, dan weder de bevende vingers wijd
+uitstrekkende, korten tijd zwijgend tegenover den Romein, die hem
+rustig en met een koelen blik in het aangezicht zag. Daarop streek hij
+met beide handen door zijn haar, schudde zijn hoofd geweldig heen en
+weer, en zeide: "Breng den senaat mijn dank over, en zeg hem, dat ik
+wist wat wij hem verschuldigd zijn, dat ik zijne wijsheid bewonder, die
+een verdeeld Egypte verkiest boven een in krachtige handen vereenigd
+Egypte. Philometor is vrij, en gij, Kleopatra, zijt vrij met hem."
+
+Hij zweeg een oogenblik. Toen begon hij luide te lachen en riep de
+koningin toe: "Uw teeder hart, zuster, zal u nu zeker op de vleugelen
+der liefde naar uw echtgenoot voeren!"
+
+Kleopatra's bleeke wangen hadden, terwijl de Romein sprak, sterk
+gekleurd. Zonder de honende woorden van haar broeder een antwoord
+waardig te keuren, liep zij trotsch naar de deur. Toen zij Publius
+voorbijging, zeide zij met eene deemoedige beweging van hare hand:
+"Wij zijn den senaat zeer verplicht."
+
+Publius boog zich diep, doch zij keerde het hoofd van hem af en
+verliet het vertrek.
+
+"Gij hebt den waaier vergeten en uwe kinderen!" riep de koning haar
+achterna. Doch Kleopatra luisterde niet naar deze woorden, want buiten
+het vertrek van haren broeder gekomen, verloor zij de tegenwoordigheid
+van geest, die zij tot hiertoe met alle inspanning had bewaard. De
+handen tegen de slapen van haar hoofd drukkende, vloog zij langs de
+breede trappen van het paleis naar beneden, alsof zij door vijanden
+vervolgd werd.
+
+Toen het geluid harer voetstappen wegstierf, wendde Euergetes zich tot
+Cornelius en zeide: "Daar gij nu volbracht hebt, wat gij uw plicht
+achtet, zoo bid ik u om eene verklaring der duistere woorden van
+zooeven die niet zoozeer op den vorst dan op den mensch Euergetes
+betrekking hadden. Heb ik u goed verstaan, dan bedoeldet gij, dat
+men u naar het leven heeft gestaan, en dat in uw plaats een dier
+wonderlijke aan Serapis zich toewijdende oude mannen vermoord is."
+
+"Op bevel van u en uw helper Eulaeus," antwoordde Publius koel.
+
+"Treed nader, eunuuch!" zeide de koning met donderende stem tot den
+sidderenden hoveling, en zag hem met een vreeselijk dreigenden blik in
+de oogen. "Hebt gij moordenaars gehuurd, om mijn vriend, die dreigde
+uwe schanddaden aan het licht te brengen, en een aanzienlijk gast
+van ons huis is, te vermoorden?"
+
+"Genade!" stamelde de eunuuch, en zonk voor den koning op de knieën.
+
+"Hij bekent zijne misdaad!" sprak Euergetes, raakte met de hand den
+gordel van zijn jammerend werktuig aan, en beval Hiërax hem onverwijld
+aan de wacht over te geven, en voor aller oogen bij de hooge poort
+van den koningsburcht te laten ophangen. De eunuuch wilde nog spreken
+en om genade smeeken, maar de sterke veldoverste, die zulk soort van
+lieden haatte, sleurde hem overeind en duwde hem het vertrek uit.
+
+"Gij hebt reden u te beklagen," zeide Euergetes, terwijl het gejammer
+van den voortgesleepten eunuuch op den trap wegstierf, "maar gij ziet
+hoe ik hen weet te straffen, die het wagen onze gasten te beleedigen."
+
+"Deze ontvangt heden het loon, wat hij sedert jaren heeft verdiend,"
+antwoordde Publius. "Doch nu wij alleen zijn, man tegenover man,
+moet ik ook met u mijne rekening vereffenen. Eulaeus heeft op uw
+bevel en in uw dienst twee moordenaars op mij afgezonden...."
+
+"Publius Cornelius Scipio?" zeide de koning zijn vijand met dreigende
+stem in de rede vallende.
+
+De Romein ging echter koel en rustig voort: "Ik zeg niets wat ik
+niet door getuigen kan laten bewijzen, en heb in twee brieven naar
+waarheid bericht, wat koning Euergetes in dezen nacht tegen het
+leven van een gezant van den Romeinsche staat heeft ondernomen. Het
+eene schrijven is aan mijn vader, het andere aan Popilius Laenas
+gericht, en beide brieven zijn reeds op weg naar Rome. Zij zullen,
+zoo heb ik bevolen, geopend worden, wanneer ik ze binnen drie maanden,
+van heden af gerekend, niet heb teruggevorderd. Gij ziet dat gij er
+belang bij hebt mijn leven te ontzien, en te doen al wat ik van u
+eischen zal. Voegt gij u in alles wat ik verlang naar mijn wil, dan
+zal al wat in dezen nacht geschied is,--dat beloof ik u, en ik heb
+mijn woord nog nooit gebroken--een geheim blijven tusschen u en mij,
+en nog een derde, voor welker stilzwijgendheid ik kan instaan."
+
+"Spreek," zeide de koning, wierp zich op het rustbed neer, en trok,
+terwijl Publius sprak, de veeren uit Kleopatra's vergeten waaier.
+
+"Ik verlang in de eerste plaats de vrijspraak van den koninklijken
+verwant en voorzitter van het Chrematisten-college, Philotas van
+Syracuse, de oogenblikkelijke bevrijding van hem en zijne vrouw van
+den dwangarbeid en hun terugkeer uit de bergwerken."
+
+"Beiden zijn gestorven," zeide Euergetes: "mijn broeder kan het
+getuigen."
+
+"Dan vorder ik, dat in een afzonderlijk decreet verklaard worde, dat
+Philotas onrechtvaardig is veroordeeld geworden, en dat hij in zijne
+eer worde hersteld. Ik verlang verder, dat gij mij en mijn vriend den
+Korinthiër Lysias, als ook den beeldhouwer Apollodorus vergunt, met de
+dochters van Philotas, Klea en Irene, die Serapis als kruikdraagsters
+dienen, ongehinderd Egypte te verlaten.--Gij talmt met uw antwoord?"
+
+"Neen," antwoordde de koning en stak daarbij zijn hand in de hoogte,
+"want voor ditmaal heb ik het spel verloren?"
+
+"Aan de dochters van Philotas, Klea en Irene," ging Publius voort
+met onverstoorbare kalmte, "moeten de verbeurdverklaarde goederen
+van hare ouders worden teruggegeven."
+
+"Gij schijnt aan de schoonheid van uwe geliefde niet genoeg te hebben,"
+merkte Euergetes spottend op, den Romein in de rede vallende.
+
+"Ik ben er volkomen mede tevreden. Als laatste vordering verlang ik,
+dat deze goederen voor de helft aan den tempel van Serapis worden
+toegewezen, opdat de god gewillig en zonder tegenspraak van zijne
+dienaressen afstand doe. De andere helft moet aan mijn zaakwaarnemer
+Dicaearchus te Alexandrië overhandigd worden, daar ik wil dat Klea en
+Irene niet zonder het huwelijksgoed, dat haar toekomt, mijn eigen huis
+en dat van Lysias van Korinthe als echtgenooten zullen betreden. Binnen
+een uur moet ik het decreet en de acte van teruggave in handen hebben,
+want zoodra Juventius Thalna hier aankomt--en ik verwacht hem, gelijk
+ik zeide, nog heden--denken wij Memphis te verlaten en te Alexandrië
+scheep te gaan."
+
+"Zonderlinge samenloop van omstandigheden!" zeide Euergetes. "Gij
+belet mij de wraak en verijdelt mijne liefde, en toch zie ik mij
+gedwongen u nog een goede reis te wenschen. Ik moet een offer brengen
+aan Poseidon, de Cyprische godin en de Dioscuren [32], opdat zij uw
+vaart begunstigen, en toch zal het schip den man dragen, die mij te
+Rome in de toekomst, door zijne bittere vijandschap meer benadeelen
+kan dan eenig ander."
+
+"Ik zal voor dengene onder u optreden, aan wiens zijde het recht is."
+
+Met een trotsche beweging zijner hand als afscheidsgroet verliet
+Publius het vertrek. Zoodra de deur zich achter den Romein had
+gesloten, sprong Euergetes van zijn rustbed af, schudde dreigend zijn
+gebalde vuist, en sprak: "Gij, stijve klant, kunt mij met uw opgeblazen
+patricische kliek aan den Tiber wel benadeelen, maar misschien win
+ik uws ondanks mijn spel! Gij kruist mijn weg in naam van Rome's
+senaat. Als Philometor in de voorvertrekken der consuls en senatoren
+zijne opwachting maakt, kunnen wij elkander daar zeker ontmoeten,
+maar ik wil het ook eens beproeven met het volk en zijne tribunen!
+
+"Vreemd! In éen uur heeft deze kop", en hierbij wees hij op zijn hoofd,
+"meer goede invallen, dan zulk een koel heer in een jaar. En toch kan
+ik niet tegen hem op, en als ik billijk ben, moet ik toegeven: het
+was niet zijn geluk, het was zijne slimheid die mij overwon.--Laat
+hij met zijne trotsche Hera wegvaren, mij wenken in haar plaats te
+Alexandrië wel tien Aphrodite's.
+
+"Ik ben als het ware het Hellas en hij het Rome van deze dagen. Wij
+jagen in den zonneschijn fladderende na, wat onzen zinnen bevalt,
+en onzen geest aantrekt, maar zij gaan, vóor zich ziende, met vasten
+tred op macht en voordeel af. Zoo komen zij verder dan wij, en toch--ik
+wil niet met hen ruilen!"
+
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Dus geheeten naar de pastophoren, tempelbeambten, die beelden en
+kleine altaren droegen.
+
+[2] Onderkleed.
+
+[3] Een muziekinstrument, dat bij godsdienstige plechtigheden werd
+gebruikt. Zie Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.
+
+[4] Eiland in het noorden van de Aegeïsche zee.
+
+[5] September.
+
+[6] Eene muts in den vorm van eene mand.
+
+[7] Het voorvertrek van het sanctuarium, waarin Klea zich bevond.
+
+[8] De door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van
+een Egyptischen tempel.
+
+[9] Een Grieksch wijsgeer, afkomstig van Cyprus, die omstreeks 300
+v. C. leefde. Hij was de stichter der Stoïsche wijsbegeerte.
+
+[10] Jonge mannen die op 18 jarigen leeftijd meerderjarig waren
+verklaard.
+
+[11] Het hoofd van den nomos Arabia, toen een deel van Egypte.
+
+[12] Te Alexandrië.
+
+[13] Een schip met drie rijen roeibanken boven elkaar.
+
+[14] De koninklijke garde te paard bij het Macedonische leger.
+
+[15] De koningsgezinden. Eene koninklijke lijfwacht.
+
+[16] Steden in Opper- en Neder-Egypte.
+
+[17] Holbewoners.
+
+[18] Bestuurder of stadhouder.
+
+[19] Aurora.
+
+[20] De zonnegod.
+
+[21] Een zuilengalerij te Athene.
+
+[22] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.
+
+[23] Opperbevelhebber.
+
+[24] De geit uit wier hoorn ambrozijn vloeide. Deze hoorn, door de
+geit afgestooten, werd door Zeus onder de sterren geplaatst.
+
+[25] Antisthenes was de stichter der Cynische, Zeno van de Stoïsche
+school. Strato behoorde tot de Peripaettische school en Aristippus, die
+leerde dat het genot het hoogste is, was de stichter der Cyrenaïsche.
+
+[26] De beschilderde gaanderij te Athene, waar Zeno aan zijne
+leerlingen onderwijs gaf.
+
+[27] Vgl. Ebers' Warda, Dl I, Hoofdst. 11.
+
+[28] Werkkleed.
+
+[29] Gesp.
+
+[30] Overste der ruiterij.
+
+[31] Murrha of myrrha heette eene kostbare steen of aardsoort.
+
+[32] Castor en Pollux.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Klea en Irene, by George Moritz Ebers
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42867 ***