diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-03-07 21:25:12 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-03-07 21:25:12 -0800 |
| commit | bc3a49303ef17b4a46572ca98203dc9fbf9318ea (patch) | |
| tree | 053249ed0ce96944a44893f9da71990e6ad14f28 /42867-0.txt | |
| parent | 6377d37346565567a726babbd9d8eaa8db6c2a31 (diff) | |
Diffstat (limited to '42867-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42867-0.txt | 10899 |
1 files changed, 10899 insertions, 0 deletions
diff --git a/42867-0.txt b/42867-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3bf8691 --- /dev/null +++ b/42867-0.txt @@ -0,0 +1,10899 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42867 *** + + KLEA EN IRENE + + ROMAN + VAN + GEORGE EBERS + + IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR + Prof. Dr. H. C. ROGGE + + + + AMSTERDAM, + VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Aan den grooten eerwaardigen, uit gehouwen steen opgetrokken Griekschen +Serapis-tempel, en de daaraan grenzende kleinere heiligdommen van +Asklepius Anubis en van Astarte, in het woestijngebied van Memphis' +doodenstad, sluit zich eene rij van breede lage, uit ongebakken tegels +gebouwde huisjes aan, niet ongelijk aan een troepje bedelaarskinderen, +die door een sierlijk uitgedoschten koning bij de hand worden geleid. + +Naarmate de gladde en gele zandsteenwanden van den tempel, door de +morgenzon verlicht, met helderder glans te voorschijn komen, des te +onaanzienlijker en ruiger zien die grauwe bijgebouwen er uit. Als de +wind om hunne muren blaast, terwijl deze door de zonnestralen beschenen +worden, zijn zij in een stofwolk gehuld, gelijk droge wegen, wanneer +een luchtstroom daarover strijkt. De vertrekken, die deze gebouwen +bevatten, zijn zelfs niet met kalk bestreken, en daar de Nijltegels, +waaruit de binnenwanden zijn opgemetseld, vermengd zijn met gesneden +stroo, dat overal met kleine harde stoppels uit de muren te voorschijn +komt, zoo is het even onaangenaam voor de hand ze aan te raken, +als voor het oog ze te zien. + +Toen zij, eeuwen geleden, gebouwd werden tusschen den eigenlijken +tempel en den ringmuur, die dezen omgeeft en aan de oostzijde +het acaciënbosch van Serapis in twee helften verdeelt, bleven zij +voor de blikken der bezoekers van het heiligdom verborgen door den +achterwand van een zuilengang, die aan de oostzijde van den voorhof +oprees. Thans is een gedeelte van de kolonade ingestort, zoodat +men door deze opening enkele dezer steenen huisjes kan zien, aan +de tempelzijde voorzien van deuren en vensters, of liever eene rij +zonder eenige kunst aangebrachte gaten, die tot ingang en uitkijk +moeten dienen. Waar eene deur is, ziet men geen venster, en waar +venstergaten in den wand zijn aangebracht, mist men weder eene deur, +en toch zijn geen twee der vertrekken van dit langwerpig, smal, +slechts éene verdieping hooge gebouw met elkander verbonden. + +Door de opening in de zuilengaanderij voert een smal, veel betreden, +met grijs stof bedekt pad, over puin, langs steenblokken en stukken +van zuilen, die voor een nieuwen bouw bestemd zijn. Het werk schijnt +alleen gedurende den nacht gestaakt te zijn, want breekijzer en koevoet +liggen nog op en bij de werkstukken. Deze weg leidt naar het grauwe +gebouw, en eindigt bij eene kleine geslotene houten deur, die zóo +ruw getimmerd is, en zóo gebrekkig in haar hengsels hangt, dat zich +eene vlugge grijze kat, met voorover gebogen kop, de buik langs den +grond schurende, tusschen haar onderkant en den dorpel, die slechts +eenige vingerbreedten boven den grond uitsteekt, weet door te wringen. + +Zoodra het lenige dier weder recht op zijne pooten staat, likt het +zijn glimmend vel dadelijk glad en schoon, kromt zijn rug en kijkt +met groene fonkelende oogen naar het huis, dat het zoo even verliet, +en waarachter op dit oogenblik de morgenzon oprijst. Verblind door +de heldere stralen keert het zich om, en loopt voorzichtig en met +onhoorbare schreden naar boven den tempelhof in. + +Het vertrek, waaruit de kat te voorschijn kwam, is klein en ziet er +bijzonder armoedig uit. Het zou er volslagen donker zijn, wanneer de +gaten in het dak en de spleten in de deur het licht niet veroorloofden +binnen te dringen in deze uiterst beperkte ruimte. Tegen de ruwe grauwe +wanden staat niets dan een houten kist, en daarnaast op den grond ziet +men een paar aarden schalen, benevens eene sierlijk bewerkte kruik van +echt blinkend goud, die in deze armoedige omgeving eene zonderlinge +figuur maakt. Geheel op den achtergrond bespeurt men bovendien twee +matten van boomschors gevlochten, die over eenige schapenvachten +zijn uitgespreid. Het zijn de bedden van de beide bewoonsters van +dit vertrek, waarvan er eene gezeten is op eene kleine bank van +palmtakken, terwijl zij al geeuwend de lange, glanzige, bruine haren +begint te ordenen. + +Zij toont zich niet bijzonder handig bij het verrichten van dezen +allesbehalve gemakkelijken arbeid, en nog minder geduldig, want nu +de hoornen tanden een nieuwen hinderpaal ontmoeten, werpt zij de kam +op haar bed. Hoewel zij deze noch te driftig, noch te hard door haar +hoofdtooi heeft gehaald, knijpt zij de oogen toch zóo stevig dicht, +en drukt zij de kleine sneeuwwitte tanden zóo diep in de vochtige +roode onderlip, dat men wezenlijk zou denken, dat zij zich hevig pijn +had gedaan. + +Op dit oogenblik laat zich buiten de deur een slepende stap +hooren. Haastig slaat zij de groote kastanjebruine oogen op, +vol verbazing rondziende. Er speelt een lachje om haren mond, en +haar geheele voorkomen, nu zoo vriendelijk, is plotseling geheel +veranderd als het uiterlijk van een vlinder, die uit de schaduw in +den zonneschijn vliegt, die zich weerspiegelt in het glinsterend stof +zijner vleugels. + +Er wordt driftig eene hand aan de los in hare hengsels hangende deur +geslagen, zóo hard dat zij kraakt. Terstond daarop wordt door de +opening boven den dorpel, waardoor de kat een uitgang had gevonden, +een houten bord geschoven, waarop een dun rond brood ligt, en een +aarden schaaltje met wat olijvenolie staat. Het laatste bevat niet +meer, dan de halve dop van een hoenderei bevatten kan, maar de olie +schijnt versch te zijn en glanst zoo zuiver als goud. Het meisje +is de deur genaderd, heeft het bord naar zich toegehaald en roept, +zoodra zij met de oogen het brood gemeten heeft, half klagend, half +verwijtend: "Zoo weinig? Is dat voor ons beiden?" + +Bij deze vraag hebben hare vroolijke gelaatstrekken eensklaps wederom +eene andere uitdrukking aangenomen. Hare heldere oogen zijn zóo +troosteloos naar de deur gericht, als ware daarbuiten het licht van +zon en sterren uitgebluscht. Toch is hetgeen haar krenkt niet anders +dan de geringe hoeveelheid brood, die trouwens nauwelijks groot +genoeg is om den honger van éen jeugdig menschenkind te stillen, +hoewel twee personen daarmede verzadigd moeten worden. Wat echter in +het leven van den eenen mensch nietsbeduidend is, kan den ander zeer +gewichtig toeschijnen, en in zijne schatting eene zaak van groote +beteekenis zijn. + +De verwijtende woorden van de klagende hebben hun weg door de deur +gevonden, en de oude vrouw, die het bord over den dorpel heeft +geschoven, riep haar haastig maar niet onvriendelijk toe: "Heden is +er niet meer, Irene!" + +"Maar dat is schandelijk!" hernam het meisje, met tranen in de +oogen. "Van dag tot dag wordt het broodje kleiner. Al waren we +musschen, dan zouden wij er nog niet genoeg aan hebben! Gij weet wat +ons toekomt, en wij zullen niet ophouden te klagen en onze grieven +te uiten. Serapion moet een nieuw smeekschrift voor ons opstellen, +en als de koning verneemt, hoe schandelijk men ons behandelt...." + +"Ja, als hij het verneemt," hernam de oude, haar in de rede +vallende. "Maar vele winden blazen tegen het woord der arme, eer het +tot 's konings oor kan doordringen. Ik weet een korter weg voor u en +uwe zuster, wanneer u dat hongerlijden zoo erg mishaagt. Wie er uitziet +als mijne lieve kleine Irene, die behoeft geen gebrek te hebben." + +"En hoe zie ik er dan uit?" vroeg het meisje, en bij deze woorden +scheen weder een zonnestraal langs haar aardig gezichtje te glijden. + +"Juist zoo," antwoordde zij lachende, "dat gij u gerust ten allen +tijde naast uwe zuster kunt vertoonen. Gisteren bij den optocht zag de +groote Romein, aan de zijde der koningin, ten minste even dikwijls naar +haar als naar Kleopatra zelve. Als gij er toen ook bij waart geweest, +zou hij in het geheel geen oog meer voor de vorstin hebben gehad, +want gij ziet er, ge moogt het wel weten, allerliefst uit. Niet waar, +zulk een woordje is menigeen nog welkomer dan brood. Overigens bezit +gij een spiegel; kijk daarin, als ge honger hebt." + +De sloffende tred van het oudje stierf langzaam weg, doch het meisje +greep naar de gouden kruik, zette de deur op een kier, zoodat het +daglicht op de blanke oppervlakte kon vallen, en spiegelde zich +daarin. Maar door de ronding van het kostbaar vaatwerk werden de +trekken van haar gelaat verwrongen, en opgeruimd blies zij met haar +spits mondje over het wanstaltige beeld voor hare oogen, zoodat het +door den vochtigen adem geheel beneveld werd. Vervolgens zette zij +de kruik lachend op den grond, naderde de kist, haalde daaruit een +kleinen metalen spiegel te voorschijn, bekeek zich daarin goed een en +andermaal, schikte haar glanzende haren nu eens zus, dan eens zoo, +en wilde het voorwerp juist uit de hand leggen, toen zij opeens +aan het ruikertje van violen dacht, dat zij reeds bij het ontwaken +had opgemerkt, en dat door hare zuster gisteren met de steeltjes in +een schaaltje vol water moest zijn gelegd. Zonder dralen nam zij de +zacht geurende bloemen, droogde de groene stengels met haar kleed af, +hield den spiegel nog eens omhoog, en stak de violen in het haar. + +Hoe helder fonkelden thans weder hare oogen, hoe blijde greep zij +naar het brood! En welke heerlijke tooneelen deden zich op voor hare +verbeelding, terwijl zij het eene stukje na het andere afbrak, het +even doopte in de frissche olijvenolie en snel opat. Eens, op het +nieuwjaarsfeest, had zij een blik geworpen in de koninklijke tent, +en dáar mannen en vrouwen gezien, die bij het feestmaal op purperen +kussens lagen. Zij droomde nu, dat zij aan die tafel vol kostbaar +vaatwerk had plaats genomen; zij liet zich in den geest door met +kransen getooide knapen bedienen, luisterde naar de liederen van fluit- +en harpspelers en--och, zij was nog half een kind, en daarbij zoo +hongerig als men in die jaren is--nam voor zich in de verbeelding +de sappigste en zoetste lekkernijen uit schotels van louter goud, +en at zich zat, zoo recht van harte zat, tot het laatste stukje brood +en de laatste druppels olie verdwenen waren. + +Zoodra hare hand op het ledige bord niets meer vond, verdween +opeens het droomgezicht. Verrast en met schrik keek zij in het +droge olieschaaltje en naar de plaats, waar nog zoo even het brood +had gelegen. + +"Ach," zuchtte zij diep, keerde het bord nog eens om, als ware het +mogelijk op de achterzijde een nieuw brood en nieuwe olie te vinden, +schudde teleurgesteld haar hoofd en zag nadenkend voor zich. Dit +duurde echter maar weinige oogenblikken, want de deur van het vertrek +werd geopend, en eene slanke gestalte trad binnen. Het was hare zuster +Klea, wier karig maal zij al droomend had verteerd, terwijl deze voor +haar gedurende den halven nacht had genaaid en vóor zonsopgang was +uitgegaan, om uit de zonnebron voor het morgenoffer water te dragen +naar het altaar van Serapis. + +Zij die te huis kwam groette de andere met een zwijgend maar +vriendelijk knikje. Zij scheen te vermoeid te zijn om te spreken, +droogde de zweetdruppels van haar voorhoofd af met den sluier, die +het achterhoofd bedekte, en zette zich neder op het deksel van de kist. + +Irene staarde terstond weer op het ledige bord en overlegde bij +zichzelve, of zij hare schuld zou bekennen en hare vermoeide zuster +om vergeving bidden, dan of zij de berisping, die zij verdiend had, +door eene aardigheid zou afwenden, gelijk haar dit dikwijls was +gelukt. Het laatste scheen haar gemakkelijker, en daarom verkoos zij +dezen weg in te slaan. Haastig, maar niet zonder eenigen schroom, +trad zij op hare zuster toe en zeide met komischen ernst: + +"Zie eens goed uit uwe oogen, Klea, bemerkt ge niets aan mij? Mij +dunkt, ik moet er uitzien als een krokodil, die een geheel nijlpaard +heeft verslonden, of als de heilige slang, wanneer zij een konijntje +heeft opgeslokt. Begrijpt eens, terwijl ik mijn brood at, kwam mij +onvoorziens ook het uwe tusschen de tanden; nu wil ik echter...." + +Zij die aldus werd aangesproken wierp een blik op het ledige bord, +en viel hare zuster in de rede met op zachten toon uit te roepen: +"Ik was zoo hongerig!" + +Er lag geen verwijt in deze woorden, maar zij getuigden van groote +uitputting. Toen nu de jeugdige misdadigster haar oog op hare +teruggekeerde zuster richtte, en zag hoe zij daar zat, afgemat en ineen +gezonken, het ongelijk haar aangedaan dragende zonder een enkel woord +van berisping, werd haar licht beweeglijk gemoed met medelijden en +droefheid vervuld. In tranen uitbarstende, wierp zij zich voor hare +zuster neder, omvatte hare knieën en riep uit, terwijl hare woorden +telkens door snikken werden afgebroken: + +"Ach Klea, arme Klea, welk een leed heb ik u weder aangedaan! Geloof +mij, ik wilde u niet krenken. Ik weet eigenlijk zelve niet hoe +het gekomen is. Doch datgene waartoe eene macht daar binnen mij +aandrijft, schijn ik niet te kunnen laten, en ik weet altijd eerst +als het gebeurd is, of ik kwaad of goed heb gedaan. Gij hebt voor +mij gewerkt en u zelve afgetobd, en ik, slecht meisje, moet u zulks +op deze wijze vergelden! Maar gij zult geen honger lijden, dat zult +gij niet, neen, dat zult gij niet!" + +"Spreek er maar niet meer over," zeide de andere, terwijl zij hare +zuster vol liefde over het bruine haar streek. Daarbij stuitte +echter hare hand op de viooltjes in de glanzige lokken. Hare lippen +beefden en er kwam leven in hare kwijnende oogen, toen zij de bloemen +bespeurde, en naar het ledige schaaltje greep, waarin zij ze gisteren +zoo zorgvuldig had neergelegd. + +Irene bemerkte terstond hoe de gelaatstrekken van hare zuster +veranderden, en daar zij geloofde dat deze alleen verrast was over +haar aardig hoofdtooisel, vroeg zij op vroolijken toon: "Zie ik er +naar uw zin uit met deze bloemen?" + +Klea had de hand reeds uitgestrekt, om de viooltjes te nemen uit de +bruine lokken van hare zuster, die nog altijd aan hare voeten geknield +lag. Doch na deze vraag liet zij den arm zinken en zeide luider en +beslister dan zoo even, met eene voor een meisje buitengewoon diepe, +ja bijna mannelijke, maar toch welluidende stem: + +"Dit ruikertje hoort mij toe, maar gij kunt het behouden tot den +middag, als het verwelkt zal zijn; geef het mij dan weder." + +"Behoort het u toe?" herhaalde de andere, en hief hare groote oogen +verwonderd op naar hare zuster, wier eigendom tot op deze ure ook +het hare was geweest. "Maar ik mocht immers altijd de bloemen nemen, +die gij medebracht; wat bijzonders is er dan aan deze?" + +"Het zijn slechts viooltjes, gelijk alle andere," antwoordde Klea, +terwijl een donkere blos haar gelaat overtoog, "maar de koningin +heeft ze gedragen." + +"De koningin!" riep hare zuster, sprong van den grond op en klapte +vol verbazing in de handen. "Gaf zij u bloemen? En dat vertelt gij +mij nu eerst? Inderdaad, gij hebt gisteren, toen gij van den optocht +terugkwaamt, alleen naar mijn voet gevraagd en of mijne kleederen wel +heel waren, doch verder hebt gij geen syllabe met mij gesproken. Hebt +gij den ruiker van Kleopatra zelve gekregen?" + +"Hoe kunt ge dat denken!" gaf Klea ten antwoord. "Een van die haar +vergezelden wierp mij de bloemen toe. Doch zwijgen wij hierover! Wees +zoo goed mij de kruik eens aan te geven; mijne mond is droog en ik +kan van dorst bijna niet spreken." + +Terwijl zij dit zeide, steeg het bloed haar weder naar het hoofd en +kleurden hare wangen, maar Irene merkte het niet op. Blijde dat zij +haar onrecht door een dienst weder goed kon maken, was zij naar de +waterkruik gesneld, en terwijl Klea haar houten bekertje vulde en +ledigde, zeide zij, terwijl zij haar kleine voetje sierlijk omhoog +hief en het der drinkende toonde: + +"Zie maar, de schram is geheel genezen, en mijn voet kan de sandalen +weder velen. Thans ga ik ze aanbinden, om Serapion brood voor u +te vragen. Misschien geeft hij ons een paar dadels daarbij. Toe, +maak den riem hier aan mijn enkel wat losser, mijn vel is zoo dun en +gevoelig; mij doet reeds pijn wat gij nauwelijks bemerkt. Zie eens, +hoe ik mij nu met vasten tred bewegen kan. Tegen den middag ga ik weder +met u mede om de kruik voor het altaar te vullen; later kan ik u ook +vergezellen bij den optocht, die gisteren werd aangekondigd. Zullen +de koningin en de aanzienlijke vreemdelingen weder getuigen zijn van +de processie? Wat zou dat heerlijk zijn! Kom, nu ga ik, en vóor gij +den laatsten beker hebt gedronken, zult gij het brood hebben. Want +als ik den oude aardig weet te vleien, zegt hij niet 'neen'." + +Toen Irene de deur open deed en het volle zonlicht haar bescheen, blonk +haar bruin hoofdhaar in den gouden gloed, en het scheen hare zuster, +die haar naoogde, als vermengde zich de glans, die haar omzweefde, +met de stralen der dagvorstin. + +Het laatste wat de achterblijvende zag van haar die naar buiten ging, +was het bundeltje violen. Zij was nu alleen, en het hoofd zachtkens +schuddende, prevelde zij in zichzelve: "Ik geef haar alles, en zij +ontneemt mij het eenige wat ik nog overheb. Driemalen heb ik dien +Romein ontmoet, gisteren schonk hij mij de viooltjes, die ik voor +mijzelve bewaren wilde; en thans...." + +Zij drukte bij deze woorden den beker, dien zij in de hand hield, +vaster aan de lippen, die zich pijnlijk samentrokken. Doch dit duurde +slechts een oogenblik, daarna richtte zij zich hoog op en zeide op +vasten toon: "Zóó moet het ook zijn!" + +Thans zweeg zij, zette den beker naast zich op de kist, streek met +de achterzijde van hare hand over het voorhoofd, alsof dit haar pijn +deed, keek mijmerend in haren schoot, en weldra zonk het hoofd der +vermoeide op zijde en was zij ingesluimerd. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Het tichelsteenen huis, waarin zich het vertrek der zusters bevond, +en dat bovendien door andere beambten van de tempelgebouwen en +een aantal pelgrims werd bewoond, heette het pastophorium [1]. De +laatste kwamen uit alle deelen van Egypte ter bedevaart hierheen, +en overnachtten gaarne in het heiligdom der godheid. + +Irene ging, nadat zij hare zuster verlaten had, vele deuren voorbij, +die, nu de zon was opgegaan, geopend waren. Haastig beantwoordde +zij den groet van vele bekenden en onbekenden, die haar met een +vriendelijk gelaat nakeken, als ware hare verschijning in den vroegen +morgen hun een goed voorteeken. Spoedig kwam zij aan een gebouw, dat +zich aan het noordeinde van het pastophorium aansloot. Het had geen +deur, maar wel op manshoogte zes ongeslotene vensteropeningen, aan +de zijde van den weg. Uit het eerste, dat zij bereikte, zag haar het +bleeke en van diepe rimpels doorsnedene gelaat van een grijsaard aan. + +Zij riep den oude opgewekt den vroolijken groet der Hellenen toe: +"Wees blijde!" Hij gebood haar echter, zonder de lippen te bewegen, +ernstig en veelbeteekenend met de magere hand en de kleine starende, +matte oogen te wachten, en reikte haar daarop een houten bord toe, +waarop eenige dadels en een half brood lagen. + +"Voor het altaar van den god?" vroeg het meisje. + +De grijsaard knikte toestemmend, en Irene ging, zoo zeker als iemand, +die goed weet wat van hem gevorderd wordt, met haren lichten last +verder. Maar reeds na weinige schreden en eer zij nog het laatste +venster bereikt had, bleef zij staan, want duidelijk lieten zich +stemmen en voetstappen hooren, en weldra vertoonden zich aan het +uiteinde van het pastophorium, waarheen zij ging, en dat grensde aan +het kleine acaciënbosch van Serapis, hetwelk zich buiten den ringmuur +verder uitbreidde, eenige mannen, wier verschijning hare opmerkzaamheid +gaande maakte. Doch zij durfde de vreemdelingen niet te gemoet gaan, +en wachtte, vlak tegen den wand van het pastophorium staande en naar +hun gesprek luisterende, tot zij voorbij zouden zijn. + +De voorste van deze vroege tempelbezoekers was een stevig man, met +een langen staf in de rechterhand. Hij sprak tot de beide mannen +die hem volgden, zooals gidsen van beroep gewoon zijn te doen, het +woord voerende alsof zij hunne toehoorders uit een onzichtbaar boek +voorlezen, en die men liever niet met vragen in de rede valt, aangezien +men begrijpt dat zij niet veel meer weten, dan zij juist zeggen. + +Van zijne beide zeer opmerkzaam luisterende hoorders was de een in +een lang veelkleurig gewaad gehuld, en rijk met gouden ketens en +ringen getooid, terwijl de ander over de korte chiton [2] slechts +eene witte wollen Romeinsche toga droeg, die over den linker schouder +was geslagen. Zijn rijk gekleede metgezel was een man van leeftijd, +met een gevuld baardeloos gelaat en dunne grijzende haren. + +De luisterende Irene zag den laatste met bewondering en verbazing +aan, maar slechts om, nadat zij hare aandacht had gewijd aan de stof +zijner kleeding en de sieraden die hij droeg, de slanke gestalte van +den jongeling aan zijne zijde des te opmerkzamer op te nemen. + +"Precies de dikke poedel van den kok Hoeï met een jongen leeuw," +prevelde zij in zichzelve, terwijl zij den behaaglijken tred van +den een en den zelfbewusten, veerkrachtigen gang van den ander +waarnam. Daarbij kon zij de verzoeking bijna niet weerstaan, om +de ouden heer na te doen. Maar die overmoedige opwelling zou weldra +worden onderdrukt, want nauwelijks had de geleider den Romein verteld, +dat hier de vrome mannen, die in vrijwillige gevangenschap als de +aan Serapis gewijden, de godheid dienden, hunne cellen bewoonden, +dat zij hun voedsel door een venster--en met zijn staf wees hij er +heen--ontvingen, toen eensklaps een luik, waartegen de gids van dit +ongelijke paar menschen met zijn stok had gestooten, met zooveel +snelheid en kracht openvloog, alsof een windstoot het had getroffen +en tegen den wand geslagen. Even plotseling kwam een menschenhoofd, +met grimmig gelaat en golvende grijze haren, als de manen van een +leeuwenkop, uit het venster te voorschijn, en schreeuwde hem die +geklopt had met eene zware basstem toe: + +"Ik wou dat mijn luik uw rug was, gij onbeschaamde kerel, dan had +uw lange stok op de rechte plaats getroffen. Of zat er in plaats van +deze tong een knuppel in mijn mond, dan zou ik dien zwaaien, tot zij +zoo moede was als die van een redenaar, die drie uren lang voor het +volk zijn ledig stroo heeft uitgedorscht. Nauwelijks is de zon op, +of deze klaplooper sleept het nieuwsgierig gespuis naar ons toe! Wek +ons voortaan te middernacht uit den slaap en smijt met steenen tegen +de verrotte luiken! Mijne laatste begroeting van voor drie weken heeft +zeker uitgewerkt; die van heden zal, hoop ik, langer nawerken. Gij +mannen, hoort mij! Gelijk de raven het leger achternavliegen, om +de gesneuvelden te verslinden, zoo stelt deze zich ten dienste der +vreemdelingen, om hunne zakken te ledigen. En jij, die je tolk noemt, +en toen je Grieksch leerdet, je beetje Egyptisch hebt vergeten, ik +raad je als je vreemdelingen hebt te geleiden, ze naar de Sphinx te +brengen. Of laat hen in den tempel van Ptah den Apis naar de toekomst +vragen, of voer hen naar de wildbaan des konings te Alexandrië, +of in de kroegen van Kanopus, maar niet tot ons. Want wij zijn geen +faisanten, geen fluitspeelsters of wonderdieren, die het zich moeten +laten welgevallen dat men hen aangaapt. Gij, mannen, moet u een beteren +gids kiezen, als dat sistrum [3] dat u zijn erbarmelijk geklingel laat +hooren, wanneer gij het schudt. Wat uzelven betreft, heb ik alleen +dit te zeggen: Nieuwsgierige oogen zijn onbescheiden gasten, waarvoor +een slimme waard op zijne hoede is, door de deur voor hen te sluiten." + +Irene verschrikte opnieuw en drukte zich nog vaster tegen den pilaar, +die haar verborgen hield, want al krakend vloog het luik, dat de +kluizenaar door middel van een touw, hetwelk aan het uiterste einde +was bevestigd, met geweld naar zich toehaalde, dicht, en onttrok hem +aan de blikken van de vreemdelingen. Doch slechts voor een oogenblik, +want de verroeste hengsels waarin het hing, waren tegen zulk een +heftigen ruk niet bestand, en langzaam boog het zich naar beneden. + +De man die zoo hard geklopt had strekte zijne armen uit, om het +tegen te houden, maar het was zwaar, en hij zou het zeker niet hebben +kunnen houden, wanneer niet de jonkman in Romeinsche kleederdracht +hem de behulpzame hand had geboden, en het vallende luik gemakkelijk +en zonder inspanning, alsof het niet uit zware planken samengesteld +maar uit dunne wilgentakken gevlochten was, met hand en schouder in +de hoogte had getild. + +"Nog een beetje hooger," riep de kluizenaar zijn helper toe. "Houd +het ding op den scherpen kant! Zoo! Schuif het nu nog wat op! Daar +is het erbarmelijk monstertuig, en daar mag het blijven liggen. Als +de vleermuizen mij dezen nacht een bezoek brengen, zal ik om ulieden +denken, en ze voor u groeten!" + +"Gij zoudt beter doen, u die moeite te besparen," zeide de jonkman +koeltjes en voornaam. "Ik zal u een timmerman sturen, die het luik +opnieuw zal vast maken. Ook vragen wij u verschooning, want wij hebben +de schade veroorzaakt, die u getroffen heeft." + +De grijskop liet den jongen Romein uitspreken en zeide toen, nadat +hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen: "Gij zijt sterk en +weldenkend. Gij zoudt mij bevallen, wanneer gij in ander gezelschap +waart. Uw timmerman heb ik niet noodig, laat mij alleen een hamer +brengen, een bijl en stevige spijkers. Wilt ge mij voorts nog een +dienst bewijzen, pakt u dan weg!" + +"We gaan al," zeide de man in de bonte kleeding, met eene pieperige +vrouwenstem. "Wat blijft een mensch, dien kwajongens uit eene veilige +schuilplaats met vuilnis werpen, anders over dan zich te verwijderen." + +"Kom, ga maar heen," zeide hij lachend, wien deze beschimping gold, "en +als gij er lust in hebt, groote Eulaeus, dadelijk tot naar Samothrace +[4]. Den weg zult gij nog wel niet vergeten zijn, sedert gij den +koning hebt geraden met zijne schatten daarheen te vluchten. Wanneer +ge echter vreezen mocht dien alleen niet te kunnen vinden, dan kan +ik u dien tolk en gids daar aanbevelen, om hem u te wijzen." + +De eunuuch Eulaeus, een aanzienlijk raadsheer van koning Ptolemaeus, +dien men Philometor, d. i. den moederlievende noemde, verbleekte hij +deze woorden, wierp den ouden een gramstorigen blik toe en gaf den +jongen Romein een wenk. Deze had echter geen zin om hem te volgen, +want de knorrige zonderling beviel hem, misschien wel omdat hij +bemerkte, dat zijn persoon den ouden man, die anders niet schroomde +zijne ontevredenheid te uiten, welgevallig was. Bovendien had hij +aan diens oordeel over de mannen, die hem begeleidden, niets toe +te voegen. Daarom keerde hij zich naar den eunuuch en zeide beleefd: +"Ontvang mijn dank voor uw geleide, en laat u niet langer om mijnentwil +van gewichtiger bezigheden afhouden." + +Eulaeus boog en antwoordde: "Ik weet wat mijn plicht is. De koning +heeft u aan mijne leiding toevertrouwd. Veroorloof mij daar ginds +onder dien acacia op u te wachten." + +Toen nu de eunuuch met den gids zich verwijderde in de richting van +het groene boschje, hoopte Irene eindelijk gelegenheid te hebben, +tot het doen van haar verzoek. Maar de Romein was voor de cel van +den oude blijven staan, en had een gesprek met hem aangeknoopt, dat +zij niet durfde storen. Met een stillen zucht plaatste zij het haar +toevertrouwde bord met het brood en de dadels op een uitstekenden +steen aan hare zijde, ging met de armen en de beenen over elkander +gekruist tegen den wand leunen en spitste hare ooren om te luisteren. + +"Ik ben geen Griek," zeide de jongeling, "en gij dwaalt, als gij meent, +dat ik uit nieuwsgierigheid naar Egypte ben gereisd en tot u gekomen." + +"Doch wie den tempel binnengaat," hernam de andere, hem in de rede +vallende, "enkel om te bidden, die kiest zich geen Eulaeus, zou ik +meenen, geen paar als die twee, die daar onder den acacia geen zegen +over uw hoofd zullen afsmeeken, tot zijne geleiders. Ik zou ten minste, +als ik een dief was, niet met dezen uitgaan om te stelen. Wat dreef +u naar den tempel van Serapis?" + +"Thans mag ik op mijne beurt u van nieuwsgierigheid betichten." + +"Nu ja," riep de grijskop. "Als eerlijk koopman neem ik de munt aan, +waarmede ikzelf gaarne betaal. Komt gij dan om u een droom te laten +uitleggen, of om daarboven in den tempel te slapen en een droomgezicht +te ontvangen?" + +"Zie ik er dan zoo slaperig uit," vroeg de Romein, "als wilde ik, +een uur na zonsopgang, weder naar bed gaan?" + +"Het zou ook kunnen zijn," riep de kluizenaar, "dat voor u de dag +van gisteren eigenlijk nog niet om is, en dat het u, op het einde +van een gastmaal, was ingevallen, ons een bezoek te brengen, en bij +Serapis uw hoofdpijn uit te slapen." + +"Er schijnt u toch nog al wat ter oore te komen, van hetgeen er buiten +deze muren voorvalt," gaf de Romein hem ten antwoord. "Als ik u op +de straat tegenkwam, zou ik u wel voor een schipper kunnen houden, +of voor een bouwmeester, die over vele weerspannige arbeiders te +gebieden heeft. Na alles wat men mij in Athene en hier van u en uws +gelijken vertelde, had ik mij eene andere voorstelling van u gevormd." + +"Welke dan?" vroeg Serapion lachend. "Ik vraag dit, op gevaar af van +nog eens voor nieuwsgierig gehouden te worden." + +"Ik zou u wel willen antwoorden," hernam de ander, "maar als ik u de +volle waarheid zeg, dan stel ik mij bloot aan een nog grooter gevaar, +van namelijk door u even onvriendelijk weggestuurd te worden, als +mijn arme gids daarginds." + +"Spreek maar," antwoordde de grijskop, "voor verschillende lijven +heb ik ook verschillende kleedingstukken, en niet het slechtste voor +hem, die mij vergast op het zeldzaam gerecht van waarheid. Maar eer +ge mij uwe bittere spijzen te proeven geeft, moet ge mij zeggen, +hoe gij heet." + +"Wil ik den gids roepen?" vroeg de Romein met schalkschen lach. "Die +kan u eene beschrijving geven van mijn persoon, en u de geheele +geschiedenis van mijn huis vertellen. Doch ik wil u niet boos maken: +ik heet Publius." + +"Zoo heet althans éen op de drie van uwe landslieden." + +"Ik ben van het geslacht der Cornelii, en wel van de familie der +Scipio's," antwoordde de jonkman met zachte stem, als wilde hij zelfs +den schijn vermijden van met zijn aanzienlijken naam te pronken. + +"Ge zijt dus een voornaam, een zeer groot heer," zeide de kluizenaar, +terwijl hij eene buiging maakte van uit zijne cel. "Trouwens dat wist +ik wel van te voren, want alleen een edelman gaat op uwe jaren met +zulk een vasten stap, ofschoon de stevige beenen op zulke teedere +enkels rusten. Dus Publius Cornelius...." + +"Genoeg, noem mij Scipio, of nog liever bij mijn voornaam Publius," +verzocht de jonkman. "Gij zelf heet Serapion, en ik wil u thans +zeggen, wat gij omtrent mij wenscht te weten. Toen men mij vertelde, +dat zich in dezen tempel lieden bevonden, die zich in kleine vertrekken +lieten opsluiten, om ze nimmer te verlaten, maar zich alleen met hunne +droomen bezig te houden en in stille overpeinzing te leven, dacht ik +dat zij zwakhoofden moesten zijn of gekken, of beiden tegelijk." + +"Goed zoo," zeide Serapion hem in de rede vallende, "aan eene vierde +mogelijkheid hebt gij dus niet gedacht. Maar als zich nu eens onder +dezen mannen bevonden, die men tegen hun wil houdt opgesloten, en als +ik eens juist tot die soort van gevangenen behoorde? Ik heb u allerlei +dingen gevraagd, en ge zijt mij het antwoord niet schuldig gebleven, +daarom moogt gij nu ook weten, hoe ik in deze ellendige kooi kom, +en waarom ik daarin blijf. Ik ben van goeden huize, want mijn vader +was opzichter van de koornschuur dezes tempels en van Macedonische +afkomst; mijne moeder was echter eene Egyptische. Die moeder heeft +mij ter kwader ure ter wereld gebracht, op den zeven-en-twintigsten +van de maand Paophi [5], dus op den dag die in de heilige boeken een +ongeluksdag wordt genoemd, en dat men het kind, op dien dag geboren, +opgesloten moet houden, daar het anders door een slangenbeet zal +sterven. Tengevolge dezer onheilspellende uitspraak, zijn velen, die +op denzelfden dag geboren zijn, vroeger reeds, even als ik, in zulk +eene kooi opgesloten. Mijn vader had mij gaarne de vrijheid gegund, +maar mijn oom, een horoscoop in den tempel van Ptah, die op mijne +moeder een onbeperkten invloed had, benevens zijne vrienden, ontdekten +nog meer slechte voorteekenen aan mij; zij lazen in de sterren, +dat mij allerlei onheil wachtte op mijn levensweg; zij verzekerden +dat de Hathors niets dan kwaad over mij beschoren hadden, en hielden +zoolang bij hem aan, tot men mij--wij woonden beneden in Memphis--voor +de kluizenaarscel bestemde. Ik dank deze ellende aan mijne eigene +moeder, die uit louter liefde voor mij dit lot heeft gekozen. Gij +ziet mij vragend aan, jonkman; het leven zal ook u wel leeren, dat de +ergste haat tegen iemand gericht hem dikwijls meer baat, dan blinde +teederheid die de perken te buiten gaat. Lezen, schrijven en wat men +gewoon is priesterzonen te onderwijzen, dat alles heb ik geleerd, +maar nimmer heb ik geleerd mij geduldig in mijn lot te schikken. Toen +ik geen baardelooze knaap meer was, is het mij gelukt vrij te komen, +en heb ik overal in de wereld rondgezworven. Ik ben te Rome geweest, +te Karthago en in Syrië. Eindelijk kreeg ik weder lust uit den Nijl te +drinken, en keerde ik naar Egypte terug. Waarom? Omdat het mij, dwaas, +dikwijls toescheen, dat water en brood mij in mijne gevangenschap in +het vaderland beter hadden gesmaakt, dan koek en wijn terwijl ik vrij +was in den vreemde. + +"In mijn ouderlijk huis vond ik nog slechts mijne moeder terug, want +mijn vader was van kommer gestorven. Vóor mijne vlucht was zij eene +statige vrouw, doch toen ik terugkwam zag ik dat hare schoonheid geheel +was verwelkt en zij haar einde naderde. De angst, die haar folterde, +over mij, ellendeling, had, zooals de arts verzekerde, hare krachten +gesloopt, en dat viel mij zwaar te dragen.... Toen nu ten laatste +de goede kleine vrouw, die mij, wilde knaap, zoo zacht kon streelen, +mij op haar sterfbed smeekte, weder in mijne kluis terug te keeren, +heb ik toegegeven en haar gezworen, dat ik geduldig in mijne kooi zou +blijven tot aan mijn einde. Want ik ben als de wateren in het noorden: +een kind kan mij met de handen klieven, of ik ben koud en hard als +kristal. De oude vrouw stierf spoedig nadat ik den eed gezworen had, +en dat ik woord hield ziet gij. Ook hebt gij kunnen opmerken, op +welke wijze ik mij in mijn lot schik." + +"Vrij geduldig," hernam Publius. "Ik zou vrij wat weerspanniger met +mijne ketenen rammelen dan gij. Mij dunkt, het moet u goed doen zoo +eens uit te gisten, gelijk gij zooeven hebt gedaan." + +"Als zoete wijn van Chios," antwoordde de kluizenaar. Daarbij smakte +hij met de tong, als proefde hij het edele druivennat, en stak hij +zijn ruigharig hoofd ver uit het venster. Hierdoor kreeg hij Irene +in het oog, en riep haar dadelijk vroolijk toe: "Wat doet ge daar +kind? Gij staat daar, als wachttet gij op het geluk, om het een +'goeden morgen' toe te roepen." + +Het meisje greep haastig met de eene hand het bordje, streek met de +andere het haar glad, en terwijl zij een weinig blozend de mannen +naderde, liet Publius verrast de oogen vol bewondering op haar rusten. + +Behalve hij had nog een ander, die op dit oogenblik, komende van het +acaciën-boschje, den Romein tegemoet ging, de woorden van Serapion +vernomen, en riep, vóor hij beiden nog bereikt had: "Zij zal op het +geluk wachten, zegt die man daar? En gij hoort dit aan, Publius, +en antwoordt niet, dat zijzelve het geluk brengt, waar zij zich +slechts vertoont?" + +Hij die zoo sprak was een met bijzondere zorg gekleede jonge Griek, +die ondertusschen den granaatbloesem, dien hij in de hand hield, achter +het oor stak, om zijn vriend Publius de rechterhand te schudden, en +daarna zijn bevallig open en fijn besneden, bijna vrouwelijk gelaat +naar den kluizenaar te keeren. Want door hem toe te spreken wenschte +hij ook diens aandacht op zich te vestigen. + +"Met den groet van Plato, 'doe wat schoon en recht is,' nader ik +u!" riep hij. Daarna ging hij kalmer voort. "Wel is waar behoeft +gij deze vermaning ternauwernood, want gij behoort onder hen, die de +kunst verstaan om de echte, dat is de innerlijke vrijheid deelachtig +te worden. Wie toch kan vrijer zijn dan hij, die geene behoeften +kent? Daar nu niemand edeler is dan hij, die van alle vrijen het +meest vrij is, zoo neemt gij den cijns mijner vereering aan, en laat +een groet van Lysias van Corinthe u welgevallig zijn, die even als +Alexander gaarne met u, den Diogenes van Egypte, zou willen ruilen, +wanneer het hem gegund werd, uit de opening van uwe anders niet +bijzonder begeerlijke woning, steeds de lieftallige gedaante van +deze jonkvrouw...." + +"Genoeg, jong heertje," zeide Serapion, den woordenvloed van den +Griek stuitende. "Deze jonkvrouw behoort in onzen tempel te huis, +en wien de lust mocht bekruipen, om met haar te spreken als ware zij +eene fluitspeelster, die heeft met mij, haar beschermer, te doen. Ja +met mij; en uw vriend dáar zal gaarne getuigen, dat het niet raadzaam +is met mij en mijns gelijken den strijd aan te binden.--Gaat nu wat +achteruit, jongelieden, en laat dit meisje mij zeggen wat zij begeert." + +Toen Irene nu tegenover den kluizenaar stond, en hem haastig en zacht +verteld had, wat zij had gedaan, en dat hare zuster Klea nu op haar +wachtte, begon Serapion eerst luid te lachen, en zeide daarna met +zachte stem, maar opgeruimd, op den toon van een vader, die zijn +dochtertje plaagt: "Zij heeft voor twee gegeten, en staat hier op +haar teenen, en rekt zich uit tot aan mijn venster, als stak in dit +rokje geen oververzadigd menschenkind, maar een luchtgeest. Wij kunnen +lachen, maar Klea, dat arme schepsel, zal honger hebben, niet waar?" + +Irene sprak geen woord, doch terwijl zij zich nog hooger dan te voren +op de teenen uitrekte, keerde zij Serapion haar geheele gelaat toe, +en knikte herhaaldelijk, van harte toestemmend, met het lieve kopje. + +Terwijl zij hem schelmsch en tegelijk zoo innig smeekend in de oogen +zag, riep de kluizenaar: "Gij verlangt dus dat ik u mijn ontbijt voor +Klea zal geven. Doch daar kan niets van inkomen, want dat ontbijt +is er geweest en niet meer terug te vinden. Alleen de dadelpitten +zijn daarvan nog over. Maar op dat bordje dáar in uwe hand ligt een +redelijk maal." + +"Het is het offer van den ouden Phibis voor Serapis," gaf het meisje +ten antwoord. + +"Hm, hm, nu ja," bromde de oude. "Als het voor den god is.... Doch +deze kan het inderdaad beter ontberen, dan zulk een arm, uitgehongerd +menschenkind." + +Daarop ging hij echter voort met ernst en nadruk, evenals een +onderwijzer, die de onvoorzichtige woorden, door zijne leerlingen +uit zijn mond vernomen, met waardiger taal wil goedmaken: "Voorzeker, +wat ons is toevertrouwd, mogen wij ons niet toeëigenen, en eerst de +godheid--dan de menschen. Wist ik nu maar hoe men.... Maar bij de +ziel mijns vaders, Serapis zelf zendt ons wat wij noodig hebben! Hei +daar! edele Scipio, of, daar ik u zoo noemen mag, Publius, kom toch +wat naderbij, en kijk eens met mij naar dien acacia ginds: Ziet gij +daar mijn vriend, den gids, en het brood en de gebraden hoentjes, +die uw slaaf voor hem uit de lederen tasch haalt? Nu zet hij zelfs +eene wijnkruik op het kleed, dat hij voor de groote voeten van Eulaeus +heeft uitgespreid. Aanstonds zullen zij ook u ter maaltijd noodigen, +maar ik weet een lief hongerig kind, welks ontbijt heden morgen door +een witte kat is opgevreten. Breng mij voor dat schepseltje een half +brood en een kippenboutje, en als ge wilt ook nog een granaatappel, +of eene van die perziken, die de eunuuch daar juist met zijne vinger +bevoelt. Van deze kunt gij er ook wel twee geven, want ik kan ze +allebei wel gebruiken." + +"Serapion!" zeide Irene op zacht verwijtenden toon, en sloeg de oogen +neder. De Griek riep echter met geestdrift: "Meer, veel meer kan ik +u brengen. Ik vlieg dadelijk heen...." + +"Blijf!" viel Publius hem in de rede, met gebiedende stem, terwijl hij +hem bij den schouder terughield. "Het verzoek van Serapion gold mij, +en ik wensch mijn vriend in eigen persoon een dienst te bewijzen." + +"Ga gij dan!" riep de Griek Publius achterna, die zich snel +verwijderde. "Gij gunt mij dus den dank niet van de schoonste lippen +in Memphis. Zie eens, Serapion, wat haast hij maakt! Nu moet die +arme Eulaeus opstaan. Een nijlpaard zou van hem kunnen leeren, hoe +men dat op de meest onbeholpen manier doen moet. Dat noem ik korte +metten maken. Zoo'n Romein vraagt niet veel eer hij neemt. Daar heeft +hij reeds wat hij hebben wil. Eulaeus kijkt hem na als eene melkkoe, +die men haar kalf afneemt. Ik voor mij eet ook liever de perziken op, +dan dat ik ze door een ander weg zie halen. Als het volk op het Forum +dit eens zien kon! Publius Cornelius Scipio Nasica, de lijfelijke +kleinzoon van den grooten Africaan, die in elke hand een schotel +draagt, als een slaaf die bij het gastmaal bedient! Welnu, Publius, +wat brengt Rome ditmaal als overwinnaar naar huis?" + +"Heerlijke perziken, en een gebraden fazant," antwoordde Cornelius +lachend, en reikte den kluizenaar de beide schotels door zijn venster +toe. "Er blijft nog genoeg voor den oude over." + +"Dank, hartelijk dank!" zeide Serapion, riep Irene met een wenk nader, +gaf haar een goudgeel tarwebrood, de helft van het gebraad, dat +Eulaeus reeds in tweeën had gedeeld, benevens twee perziken. Daarbij +fluisterde hij haar zachtkens toe: "De andere helft mag Klea, als die +dáar weg zijn, zelve bij mij komen halen. Bedank thans dien goeden +heer en ga heen." + +Een oogenblik stond het meisje verlegen en sprakeloos tegenover den +Romein. Voor den ernstigen blik zijner donkere oogen sloeg zij de hare +neder. Haar gelaat kleurde van schaamte en met de kleine sneeuwwitte +tanden beet zij zich op de onderlip. Eindelijk vatte zij moed en zeide: +"Gij zijt wel goed. Ik kan mij niet in mooie woorden uitdrukken, +maar vriendelijk zeg ik u dank." + +"En uw vriendelijke dank," antwoordde Publius, "maakt dezen kostelijken +morgen voor mij nog schooner. Tot een aandenken aan dezen en aan u +zou ik wel een van die viooltjes uit uw haar willen bezitten." + +"Neem ze alle!" riep Irene, maakte het ruikertje snel uit de haren +los, en reikte het den Romein toe. Maar eer deze de bloemen aannemen +kon, trok zij de hand terug, en zeide met een ernstig gezicht: "De +koningin heeft ze in de hand gehouden! Mijne zuster Klea heeft ze +gisteren bij den optocht gekregen." + +Bij deze woorden veranderden de gelaatstrekken van Cornelius, en +vroeg hij met gebiedende kortheid en scherpte: "Heeft uwe zuster +zwart haar, en is zij grooter dan gij, en draagt zij bij optochten +een gouden krans? Schonk zij u deze bloemen?--Ja, zegt gij? Nu, 't +zij zoo. Zij heeft dit ruikertje van mij gekregen, maar hoewel zij +het aannam schijnt zij er toch weinig mede in haar schik geweest te +zijn. Want wat men op prijs stelt, dat geeft men niet weg. Zoo moge +het dan vliegen!" + +Terwijl hij dit sprak wierp Publius de bloemen over het huis en zeide +vervolgens op vriendelijken toon: "Gij, mijn kind, zult schadeloos +gesteld worden voor den verloren haartooi. Geef mij uwe granaat, +Lysias." + +"Waarachtig niet," antwoordde deze. "Gij verlangdet in eigen persoon +uw vriend Serapion een dienst te bewijzen, toen ge mij zoo even +terughieldt om de perziken te halen. Thans verlang ik met eigene hand +de schoone Irene mijn granaat te geven." + +"Neem dan den bloesem van hem aan," zeide Publius, en keerde hem +opeens den rug toe, terwijl Lysias zijn granaat in de handen stak +van het meisje, waarmede zij het houten bord vast hield. De harde +bejegening van den Romein gaf haar een gevoel, als had eene ruwe hand +haar aangeraakt. Zwijgend en schuchter boog zij, om daarop haastig +naar hare woning terug te keeren. + +Publius staarde haar peinzend na, tot Lysias hem toeriep: "Hoe heb +ik het nu? Is heden morgen de vroolijke Eros in den tempel van den +somberen Serapis verdwaald geraakt?" + +"Dat zou niet goed zijn," haastte de kluizenaar zich te zeggen: +"want de Cerberus voor de voeten van onzen god zou den winderigen +jongen"--en bij deze woorden zag hij den Griek veelbeteekenend +aan--"weldra de beweeglijke vleugels uitplukken." + +"Als hij zich ten minste door het driekoppig ongedierte liet vangen," +zeide Lysias lachend. "Maar kom nu, Publius, Eulaeus heeft thans lang +genoeg gewacht." + +"Ga gij dan naar hem toe," antwoordde de Romein. "Ik volg u weldra, +maar eerst heb ik nog een woordje met Serapion te spreken." + +Deze laatste had, sedert Irene vertrokken was, zijne aandacht gewijd +aan den acacia, waaronder de eunuuch nog altijd zat te smullen. Toen +de Romein hem nu aansprak, schudde hij met weerzin het groote hoofd, +en zeide: + +"Uwe oogen zijn zeker niet slechter dan de mijne. Zie eens hoe dat +heer onder het kauwen zijne kaken beweegt en met de lippen smakt! Bij +Serapis, men kan het karakter van een mensch leeren kennen, wanneer +men hem ziet eten. Gij weet dat ik niet voor mijn plezier in deze +kooi zit, maar om éene rede ben ik er dankbaar voor, namelijk dat +ik daardoor niet in de verzoeking kom om te doen, wat lieden van +het slag van Eulaeus genieten noemen, want zulk genieten, zeg ik u, +verlaagt een mensch." + +"Zoo zijt gij dan toch meer wijsgeer, dan gij wilt schijnen," +antwoordde Publius. + +"Ik wil van niets den schijn aannemen," antwoordde de kluizenaar, +"want mij is het om het even, wat anderen van mij denken. Maar wanneer +iemand, die niets te doen heeft, die zelden in zijne rust gestoord +wordt en over allerlei dingen zoo zijne eigene gedachten heeft, een +wijsgeer is, noem dan mij zóo als gij wilt. Zoo gij ooit goeden raad +noodig hebt, moogt ge mij altijd opnieuw bezoeken, want gij bevalt mij, +en misschien zijt gij in staat mij een gewichtigen dienst te bewijzen." + +"Spreek slechts," zeide de Romein. "Van harte gaarne wil ik u van +dienst zijn." + +"Ditmaal niet," antwoordde Serapion zacht, "maar kom, als gij tijd +hebt, op een anderen keer weder, natuurlijk zonder uwe metgezellen +van heden, ten minste zonder Eulaeus, die van alle schurken, welke +ik ooit ontmoet heb, de slechtste is. Misschien kan het zijn nut +hebben, wanneer ik reeds heden u zeg, dat ik u niet spreken wil over +mijzelven, want wat zou ik begeeren?--maar dat het geldt het geluk +of het ongeluk der kruikdraagsters die gij beide hebt gezien en die +bescherming noodig hebben." + +"Om de oudste, om Klea, en niet om uwentwil kwam ik hierheen," zeide +Publius vrijmoedig. "Zij heeft iets in haar gang, in hare oogen, +dat anderen mogelijk afstoot, maar mij aantrekt. Hoe komt een meisje +met zulk een voornaam uiterlijk in uwen tempel?" + +"Als gij terugkomt," antwoordde de kluizenaar, "vertel ik u de +geschiedenis van de zusters, en wat zij aan Eulaeus te danken +hebben. Ga nu heen, en houd u reeds dadelijk overtuigd, dat deze +meisjes hier goed bewaakt worden tegen lichtzinnige aardigheden. Ik +maak deze opmerking met het oog op den Griek, die overigens een +hulpsche flinke knaap is, niet om uwentwil, want gij ziet er uit als +een rechtschapen man, en als gij weet wie die meisjes zijn, zult gij +mij gaarne helpen om hunne belangen te bevorderen." + +"Dat heb ik heden reeds gedaan met groot genoegen," riep Publius, nam +daarop afscheid van den kluizenaar, en richtte zijne schreden naar +Eulaeus, dien hij begroette met de woorden: "Dat was een kostelijke +morgen!" + +"Deze zou voor mij nog schooner zijn geweest," antwoordde de eunuuch, +"wanneer ge mij wat minder lang van uw gezelschap hadt beroofd." + +"Dat beteekent," hernam de Romein, "dat ik langer dan behoorlijk is +ben weggebleven." + +"Gij handelt, zooals al uwe landgenooten gewoon zijn te doen," +hernam de ander met eene diepe buiging, "die zelfs koningen in hunne +voorvertrekken laten wachten." + +"Gij draagt echter geen kroon," liet Publius er bits op volgen, +"en zoo iemand, dan verstaat een oud hoveling de kunst om geduld +te oefenen...." + +"Wanneer het volgens den wil zijns konings zoo zijn moet," zeide +Eulaeus hem in de rede vallende, "weet de grijze hoveling ook +te zwijgen, wanneer het jongelieden lust hem te hoonen." "Dit +geldt ons beiden," hernam Publius, terwijl hij zich tot den Griek +wendde. "Beantwoord gij hem nu, Lysias, want ik heb genoeg gehoord +en gesproken, en uw tong is vlugger dan de mijne." + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +Gelijk Irene's voet geene vast aangehaalde riemen kon verdragen, +zoo was haar gemoed uiterst gevoelig voor ieder ruw woord. De taal +en de houding van den Romein hadden haar daarom gegriefd. + +Met gebogen hoofd ging zij naar hare woning, en het scheelde niet +veel of zij weende. Maar vóor zij den drempel genaderd was, viel +haar oog op de perziken en het gebraad in hare hand. Zij dacht nu +opeens aan hare zuster, en hoe goed der hongerige dit heerlijk maal +zou smaken. Er speelde weder een lachje om haren mond, er straalde +blijdschap uit hare oogen, en met haastige schreden zette zij haar +weg voort. Het kwam niet bij haar op, dat Klea naar de viooltjes zou +vragen, en dat de Romein in hare schatting meer zou zijn, dan ieder +ander vreemdeling, die goed voor haar was. + +Zij had buiten hare zuster geene andere levensgezellin gehad, +en na den arbeid, wanneer andere meisjes over het smachten naar +liefde en de vrees voor haar lief en leed spreken, kwamen deze twee +gewoonlijk zoo zwaar vermoeid te huis, dat zij naar niets anders +verlangden dan naar rust en slaap. Bleef hun al eens een uurtje over +voor gezelligen kout, dan begon Klea altijd weder te vertellen van +haar beider ouderlijk huis. En Irene, die ook tusschen de sombere +muren van den Serapis-tempel menig onschuldig genoegen zocht en vond, +luisterde gaarne naar haar, en viel haar telkens in de rede met vragen, +en met kleine voorvallen en trekken te verhalen, welke zij zich uit +hare kindsheid meende te herinneren, hoewel vele bijzonderheden, +die zij door de werking harer uitermate levendige en scheppende +verbeeldingskracht geheel tot haar eigendom had gemaakt, haar eerst +bekend waren geworden door hare zuster. + +Klea had de lange afwezigheid van Irene niet opgemerkt, want spoedig +nadat deze haar verlaten had, was zij, door honger en vermoeienis +overmand, ingesluimerd. Alvorens haar knikkend hoofd tot rust kwam +en hare oogleden zich sloten, kwamen er zeer pijnlijke trekken rondom +haar mond, die echter even spoedig weer verdwenen. Daarop opende zij +even hare lippen, en gelijk eene zachte lentekoelte over eene bevrozen +bloem, zoo vloog er een lachje over hare wangen, die langzamerhand +met een hoogeren blos werden overtogen. + +Zij die daar sliep was zeker niet geboren voor eentonigheid en +onthouding, maar om de liefde met al hare zaligheid bij anderen te +wekken en zelve te genieten. + +Het werd steeds warmer in het vertrek der zusters en daarbij stil, +zeer stil. Nu eens hoorde men alleen het gegons eener vlieg, die vloog +rondom het olieschaaltje, dat Irene geledigd had, dan weder de steeds +versnellende ademhaling van haar die sliep. + +Ieder spoor van afmatting was van Klea's aangezicht verdwenen. Hare +lippen openden zich om een kus te geven en te ontvangen. Vuurrood +kleurden zich hare wangen. Eindelijk hief zij de handen omhoog en +stamelde in haar droom, met afwerend gebaar: "Neen, toch niet, neen, +stellig niet: ik bid u, liefste...." Toen zonk haar arm neder, en +sloeg tegen de kist, waarop zij zat, zoodat zij ontwaakte. + +Langzaam opende zij de oogen met een zalig lachje; daarop hief zij de +met lange zijden haren bezette oogleden al hooger en hooger op, totdat +haar wijd geopend oog verschrikt in de ruimte staarde, als had het iets +buitengewoons ontmoet. Zóo bleef zij een tijd lang zitten, zonder zich +te verroeren. Toen richtte zij zich op, bracht de rechterhand tegen +haar voorhoofd en vóor hare oogen, kromp ineen, als had zij iets +ontzettends gezien, of als had een ijskoude wind haar aangeblazen, +en prevelde afgebroken, de tanden telkens op elkander klemmende: + +"Wat moet dat beteekenen? Hoe komen deze gedachten in mij op? Wat +zijn dat voor booze geesten, die ons in den droom dingen laten doen +en ondervinden, welke wij wakende zeer, zeer ver uit ons hart en +onze verbeelding zouden bannen? Ik zou mijzelve kunnen minachten, +haten zelfs om dit droomgezicht, want ik, rampzalige, liet het toe, +dat hij mij omhelsde, en geen bittere toorn, neen, iets gansch anders, +een onuitsprekelijk zalig gevoel doortintelde daarbij mijne ziel." + +Onder het uitspreken dezer woorden balde zij hare handen tot vuisten, +die zij tegen hare slapen drukte. Daarna liet zij de armen weder slap +in den schoot zinken, en het hoofd schuddend zeide zij op een anderen, +op zachteren toon: + +"Maar waarlijk, het is slechts een droom geweest, en--gij eeuwige +goden--wanneer wij slapen--ja, wat dan?--Zoover moest het met mij +komen! Aan mijne onreine gedachten voeg ik thans nog toe, dat ik onwaar +ben tegen mijzelve! Neen, geen demon heeft mij dezen droom toegezonden, +deze was slechts eene afspiegeling van hetgeen ik gisteren gevoelde, +en eergisteren en vroeger, als die vreemde groote man mij nogmaals, +nu reeds voor de vierde maal, aanzag, met dien machtigen blik in +de oogen, en mij daarbij--hoe vele uren is het reeds geleden?--de +viooltjes toereikte. Heb ik toen het aangezicht afgewend, en zijne +stoutheid met toornige blikken gestraft? Zou het niet mogelijk zijn +ook met de oogen een vijand te verjagen? Dat is mij tot hiertoe altijd +gelukt, zoo vaak een man mij aankeek, maar gisteren was ik hiertoe +niet in staat. Toch was ik zoo wakker als in deze ure. Wat wil toch +die vreemdeling van mij? Wat verlangt zijn doordringende blik, die +mij sedert dagen vervolgt, waarheen ik mij ook wendde, en mij ook +in den slaap de rust ontrooft? Waarom opende ik voor hem het oog, +dat de poort des harten is? Thans woekert daar binnen het gif voort, +dat ik heb ingedronken! Maar ik ruk het uit, en als Irene terugkeert, +dan vertrap ik de viooltjes, of ik laat ze haar behouden, die ze weldra +verschrompeld en geurloos laat verdorren. Want ik wil rein blijven, +zelfs in mijne droomen; wat beteekent anders mijne reinheid?" + +Met deze woorden brak zij haar alleenspraak af, want zij had Irene's +stem gehoord, en de klank dier stem scheen allerweldadigst op haar +gemoed te werken. De bitter pijnlijke trek die zoo even nog haar +schoon gelaat ontsierd had, verdween, en weder ruim ademhalende, +prevelde zij: "Ik ben toch nog niet gansch arm en ellendig, zoolang +ik haar heb, en hare stem mag vernemen." + +Toen Irene, die onderweg aan een tempeldienaar de onaanzienlijke +offergaven van den kluizenaar Phibis voor het altaar van Serapis +had overgegeven, het vertrek binnentrad, hield zij het bord met het +geschenk van den Romein achter den rug verborgen, en riep reeds op +den dorpel hare zuster toe: "Raad nu eens wat ik hier heb?" + +"Brood en dadels van Serapion," was Klea's antwoord. + +"O neen," riep de andere, terwijl zij hare zuster het bord voorhield, +"enkel lekkernijen voor goden en koningen. Betast deze perzik eens! Is +het niet als voeldet ge de wangetjes van den kleinen Philo? Als +ik altijd zulk eene heerlijke schadevergoeding vond, dan mocht gij +wel wenschen, dat ik elken morgen uw ontbijt opat. En weet gij wel, +wie ons dit alles heeft geschonken? Neen, dat kunt gij niet raden! De +groote Romein gaf het mij, dezelfde van wien gij gisteren de viooltjes +hebt ontvangen." + +Klea's aangezicht verbleekte, en zij vroeg kortaf, op strengen toon: +"Hoe weet gij dat?" + +"Omdat hijzelf het mij gezegd heeft," antwoordde Irene, op gansch +anderen toon, want het oog harer zuster was strak op haar gericht, +en zag haar aan met eene uitdrukking van strengen ernst, die haar +tot hiertoe vreemd was. + +"En waar zijn de viooltjes?" vroeg Klea verder. + +"Hij nam ze weg, en zijn vriend gaf mij dezen granaatbloesem", +stamelde Irene. "Hijzelf wilde mij dien overhandigen, maar de Griek, +een schoon, vroolijk jongmensch, liet het niet toe en legde dien dáar +op het bord. Ziedaar, neem hem, maar zie mij niet langer zoo aan, +ik kan het waarlijk niet verdragen!" + +"Ik wil dien bloesem niet hebben," zeide de andere, niet zonder +bitsheid. Daarop sloeg zij de oogen neder en vroeg zacht: "Heeft de +Romein de viooltjes gehouden?" + +"Hij behield--neen, Klea, neen, ik wil u niet voorliegen! Hij wierp ze +over het huis en sprak daarbij zulke ruwe woorden, dat ik verschrikte, +en hem haastig den rug toekeerde; want ik voelde reeds, hoe mij de +tranen in de oogen welden. Wat hebt gij toch met dien Romein? Ik maak +mij zoo angstig; ik gevoel mij zoo gejaagd als wanneer er een onweder +opkomt, waarvoor ik bang ben. En wat zien uwe lippen bleek! Dat +komt zeker van het lange vasten. Kom eet u nu eens zat. Maar Klea, +waarvoor kijkt ge mij zoo aan, zoo donker, zoo akelig? Ik kan dezen +blik niet verdragen, neen, ik kan het niet!" + +Irene begon luid te snikken, doch hare zuster naderde haar, streek de +zachte haren van haar voorhoofd weg, en zeide vriendelijk: "Ik ben +niet boos op u, mijn kind, en wil u geen verdriet doen. Kon ik maar +weenen als gij, wanneer wolken mijn hart benevelen, dan vertoonde zich +ook hier binnen de blauwe hemel weder even spoedig als bij u. Droog +thans uw oogen af, ga hierover in den tempel en vraag, wanneer men +ons wacht voor de zangoefening, en hoe laat de optocht begint." + +Irene voldeed aan dit bevel. Met gebogen hoofd was zij naar buiten +gegaan, doch spoedig daarna sloeg zij de oogen weder vroolijk op, want +zij dacht aan den optocht. Toen haar inviel, dat zij den opgeruimden +vriend van den Romein, daarbij zou wederzien, keerde zij nog eens in +het vertrek terug, legde haar granaatbloesem in het napje, waaruit +zij in den morgen de viooltjes had genomen, groette hare zuster even +vroolijk als altijd, en overlegde bij zichzelve, of zij na den optocht +de bloem in het haar of op de borst zou steken. Zij moest haar in elk +geval dragen, want zij diende te toonen, dat zij zulk een geschenk +op prijs wist te stellen. + +Zoodra Klea alleen was, greep zij met eene driftige beweging naar +het bord, dat Irene haar gebracht had, wierp der grijze kat, die het +vertrek was binnengeslopen, het gebraad toe, en wendde daarbij het +gelaat af, want reeds de geur van den fazant hinderde haar. Nadat +de kat zich met haar welkomen buit in een hoek van de kamer had +teruggetrokken, greep zij eene der perziken, en hief de hand op, om +de schoone vrucht door eene opening in het dak van haar vertrek naar +buiten te werpen. Maar zij voerde dit voornemen niet uit, want zij +bedacht, dat zij Irene en het zoontje van den portier met de zoete +vrucht verblijden kon. Daarom legde zij haar weder op het bord, +en greep naar het brood, want de honger begon haar zeer te kwellen. + +Reeds was zij gereed het goudgele gebak te breken, maar eene vluchtige +opwelling volgende, wierp zij ook dit weder op het bord en prevelde: +"Ik wil hem ook zelfs niet voor het geringste te danken hebben. Doch +ik zal deze gave der godheid niet wegwerpen, gelijk hij mijne +viooltjes deed, want dat zou zonde zijn. Laat het brood eene hongerige +verzadigen, dan doet het toch eenig goeds, waarvoor hij misschien nog +den dank van een god ontvangt. Tusschen hem en mij moet alles voorbij +zijn, en zoo hij zich heden andermaal bij den optocht vertoont, en +het hem lust mij nog eens aan te zien, zoo zal ik mijne oogen weten te +dwingen de zijne te ontwijken. Ik wil het, en zal het doen! Maar gij, +eeuwige goden, en gij bovenal, groote Serapis, wien ik gewillig dien, +zonder uwen bijstand zal ik hiertoe niet in staat zijn; helpt, ja +helpt mij hem te vergeten, opdat mijne gedachten rein mogen blijven!" + +Onder het uitspreken dezer woorden wierp zij zich voor de kist neder, +drukte haar voorhoofd tegen het harde hout, en trachtte te bidden. Zij +bad de goden slechts om éen ding, namelijk den man te kunnen vergeten +die haar de rust harer ziel had ontroofd. + +Maar evenals wolken, die voorbijdrijven tusschen een hemellichaam en +het oog van den sterrekundige, die het wil waarnemen, onophoudelijk +den astronoom in zijnen arbeid storen; evenals straatrumoer een schoon +lied, waarnaar wij zoo gaarne zouden willen hooren, telkens en telkens +weder afbreekt en door verward gedruisch bederft, zoo vertoonde zich +aan Klea onophoudelijk het beeld van den Romein, terwijl zij bad om +bevrijding van elke gedachte aan hem. Eindelijk kwam het haar voor als +geleek zij een mensch, die een rotsblok met inspanning van al zijne +krachten wenscht op te richten, en die, in plaats van den steen op +te heffen, door zijn last ter aarde wordt gebogen; zij toch ontwaarde +dat, trots al haar worstelen in den gebede, de vijand, dien zij verre +van zich wenschte te verwijderen, haar steeds meer naderde in plaats +van te vluchten en zich in weerwil van den hardnekkigsten tegenstand, +van hare ziel meester maakte. + +Eindelijk staakte zij dezen vruchteloozen strijd, stond op, koelde +haar gloeiend gelaat met frisch water af, en haalde de riemen van +haar sandalen vaster aan, want in den tempel, in de nabijheid van de +godheid, hoopte zij de rust deelachtig te worden, die zij hier niet +vinden kon. + +Vóor de deur van haar kamer trof zij Irene aan, die haar mededeelde, +dat om den optocht, die te vier uren na den middag zou beginnen, +de zangoefening zou worden uitgesteld. + +Toen Klea zich vervolgens verwijderde, om hare schreden naar den tempel +te richten, riep hare zuster haar achterna: "Gij blijft toch niet +lang uit? Er zal weldra weder water noodig zijn voor de offergaven." + +"Ga gij dan maar aan den arbeid," verzocht Klea, "er is toch niet +veel noodig, want spoedig zal de tempel ledig zijn, wegens den +optocht. Met enkele kruiken zult gij kunnen volstaan. Daar binnen +ligt een broodje en een perzik voor u, den anderen moet ik voor den +kleinen Philo bewaren." + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +Zonder te luisteren naar hetgeen Irene hiertegen inbracht, ging Klea +met rassche schreden naar den tempel. Zij sloeg geen acht op hen, +die in het voorhof, voorover gebogen of met de armen omhoog geheven, +stonden te bidden, of die, als zij van Egyptische afkomst waren, +op den gladden geplaveiden vloer knielden. Want zij begon zelve zich +dadelijk tot den god te wenden om te bidden. + +Zij betrad thans de groote voorzaal van het heiligdom, die alleen +door de ingewijden en tempeldienaren, waartoe ook zij behoorde, +betreden mocht worden. Hier verhieven zich in de rondte vele slanke +zuilenschachten, als leliën stengels, gekroond met schoone afgeronde +bloemkelken. Hier zag zij aan de steenen zoldering boven haar hoofd +den nachtelijken hemel afgebeeld, en de glanzende nooit stilstaande +en toch eeuwig rustende gesternten, de planeten en vaste sterren, +die uit hunne gouden barken stil op haar nederblikten. + +Ja, hier was het schemerdonker en kalm genoeg voor eene +gedachtenwisseling met de godheid! + +De zuilen, die haar omgaven, kwamen haar voor een woud te zijn +van reusachtige planten uit eene andere wereld, en het was haar +als stroomden uit die bloemkapiteelen, die het gewelf droegen, +wierookgeuren, die hare door vasten en door innerlijke gejaagdheid +prikkelbare zintuigen benevelden. + +Zij hield de oogen ten hemel gericht en de armen over de borst +gekruist, terwijl zij de groote hal doorliep, om met langzame schreden +eene kleinere en lagere zaal te naderen, op welken stikdonkeren +achtergrond een voorhangsel van zware, kostbare stof de koperen deur +van het Allerheiligste bedekte. + +Het was ook haar verboden deze gewijde plaats te betreden. Doch +heden gevoelde zij zich zoo geheel vervuld van smachtend verlangen +naar den bijstand van den god, dat zij het Allerheiligste naderde, +ondanks het strenge gebod om daarvan verre verwijderd te blijven, +dat zij nog nooit had overtreden. Vol vromen eerbied boog zij zich ter +aarde naast de poort van het heilig vertrek en dook weg in een hoek, +die een vooruitstekende pijler met den achterwand van de zaal vormde. + +De innige behoefte, om buiten ons eene macht te zoeken, die ons +levenslot bestuurt, is ieder volk, elken mensch eigen; ja, zij behoort +even stellig tot het wezen van ieder redelijk schepsel, wie hij ook +zijn moge, als de drang om naar de oorzaken te vragen, wanneer wij +zekere werkingen waarnemen; als de lust om te zien, wanneer het licht +de aarde beschijnt, of om te hooren, wanneer de trillende golven +der tonen ons oor bereiken. Ongetwijfeld bezitten alle menschen dit +godsdienstig gevoel niet in dezelfde mate, gelijk dit met elke gave +het geval is. Bij Klea was het van nature zeer sterk, en eene vrome +moeder had het bovendien door leering en voorbeeld ontwikkeld, terwijl +haar vader haar altijd maar éen ding geleerd had, namelijk oprecht +te zijn, onverbiddelijk oprecht voor anderen zoowel als voor zichzelve. + +Op later leeftijd hield zij zich dagelijks bezig met den dienst in +den tempel van den god, dien zij voor den grootsten en machtigsten +onder alle goddelijke wezens had leeren houden. Dikwijls had zij +uit de verte gezien, hoe het voorhangsel van het sanctuarium op +zijde werd geschoven; hoe het beeld van Serapis met den kalathos +[6] op het hoofd en den Cerberus aan zijne voeten in de schemering +van het Allerheiligste zichtbaar werd; hoe een lichtstraal, die +als door een wonder uit de duisternis te voorschijn kwam, hem langs +het voorhoofd streek en den mond kuste, wanneer de priesters zijne +goedheid in hunne liederen prezen. Bij andere gelegenheden werden er +opeens lichten ontstoken aan de zijden van de godheid, of gingen zij +even plotseling vanzelf weder uit. + +Zoo gaarne vereerde zij dan den grooten hemelheer, die na elke zon die +onderging eene nieuwe liet verrijzen; die het leven wekte uit den dood; +die den afgestorvene opwekte en tot goddelijke waardigheid verhief, +als hij op aarde de waarheid had gehuldigd en waarachtig bevonden +werd voor zijne rechters in de andere wereld. Boven elke andere deugd +beloonde Serapis de waarheid, die haar vader haar geleerd had lief +te hebben, en als het hoogste levensgoed in waarde te houden. Met de +waarheid woog de god de harten. En zoo dikwijls Klea zich zijn beeld +voorstelde in menschelijke gedaante, droeg hij de ernstige en zachte +trekken haars vaders, meende zij hem te hooren spreken met de woorden +van den man, aan wien zij het leven dankte, die haar zoo vroeg was +ontnomen, die zooveel had geleden om den wille zijner gerechtigheid, +en uit wiens mond zij nooit een woord had vernomen, dat niet den god +zelven waardig geweest zou zijn. + +Zij gevoelde zich zoowel in de nabijheid van haren vader als van +Serapis, toen zij, dicht in dien donkeren hoek van het Allerheiligste +weggedoken, zichzelve zonder verschooning aanklaagde, dat onreine +wenschen haar hart hadden bewogen, en dat zij onoprecht was geweest +tegen zichzelve, onoprecht tegen Irene, ja dat zij, als het haar +niet gelukte het beeld van den Romein uit hare ziel te rukken, +gedwongen zou zijn hare zuster voor te liegen, of het onschuldig en +zorgeloos gemoed te verontrusten van het licht beweeglijke kind, +dat zij gewoon was als eene moeder met raad en hulp ter zijde te +staan. Terwijl haar het schijnbaar lichte zwaar drukte, wist Irene +het ernstige en zwaarwichtige zonder moeite van zich af te zetten, +als ware het zoo licht als een veder. Zij was als vochtige klei, +waarin zelfs de fijne pootjes van den vlinder een spoor achterlaten, +hare zuster als een spiegel, waarop de nederslag, die de oppervlakte +benevelt, spoedig geheel verdwijnt. + +"Groote god," prevelde zij biddende, "ik ben te moede, als had de +Romein een brandmerk diep in mijne ziel gedrukt. Help gij mij nu +de sporen ervan uit te wisschen; help mij, opdat ik weder worde als +weleer, opdat ik wederom rein en open, zonder veinzen, Irene in de +oogen kan zien; help mij, opdat ik, gelijk voorheen, tot mijzelve +durf zeggen: ik heb zoo gedacht en gehandeld, dat mijn vader zich +zou verheugen, als hij het vernemen kon." + +Terwijl zij zoo bad, werd Klea in hare godsdienstige overpeinzingen +gestoord door de schreden en de stemmen van twee mannen, die het +Allerheiligste naderden. Plotseling kwam zij tot het volle bewustzijn, +dat zij hier toefde op eene verbodene plaats, dat men haar streng +zou straffen, wanneer men haar hier ontdekte. + +"Sluit de deur daar!" fluisterde éen van hen die naderden zijn metgezel +toe, en wees op de poort, die uit de zuilenhal toegang verleende tot +den prosekos [7], "want ook van de ingewijden, behoeft niemand te zien, +wat gij hier voor ons verrichten zult..." + +Klea herkende de stem van den opperpriester, en begreep dat zij te +voorschijn komen en vergiffenis vragen moest, doch hoewel het haar +anders niet aan moed ontbrak, zoo deed zij dit toch niet, maar kroop +nog dieper in haar schuilhoek, die in volslagen duisternis werd gehuld, +nadat de metalen deur van de zaal zonder vensters, waarin zij zich +bevond, gesloten was. Zij nam vervolgens waar, hoe men het voorhangsel +wegschoof en de deuren opende, die het sanctuarium afsloten; hoorde +hoe men den vuurboor draaide; zag eene schemering van licht uit het +heiligdom te voorschijn komen en vernam daarna hamerslagen en het +strijken van vijlen. + +Het stille Allerheiligste was eene smidswerkplaats geworden, maar +hoe luid het daar ook toeging, toch scheen het Klea toe, dat haar +hart nog luider klopte dan het metalen werktuig van Krates, een der +oudste priesters van Serapis, die het toezicht had over de heilige +gereedschappen. Deze was gewoon met niemand dan met den opperpriester +te spreken, en beroemd ook onder zijn Grieksche landgenooten, omdat +hij de kunst verstond gebroken metalen vaatwerk te herstellen, +stevige sloten te vervaardigen en zilver en goud te smeden. + +Toen de zusters voor vijf jaren in den tempel kwamen, was Irene erg +bang geweest voor dezen kleinen dwerg met zijne breede schouders en +scherp uitstekende beenderen, wiens rimpelig gelaat wel van kurk +scheen te zijn, en die eene pijnlijke ziekte had in zijne voeten, +zoodat hij vaak niet loopen kon. De smid had zich hierover niet boos +maar recht vroolijk gemaakt, want zoo dikwijls hij het toen elfjarig +kind tegenkwam, trok hij zijn bovenlip op tegen den vuurrooden neus, +verdraaide zijne oogen en grijnsde afschuwelijk, om den angst, dien +hij de kleine aanjoeg, nog te vermeerderen. Hij was van nature niet +boos, maar hij bezat noch vrouw noch kind, geen broeders of zusters +of vrienden, en ieder menschenkind begeert zoo vurig, dat anderen +iets voor hem voelen zullen, dat velen liever gevreesd worden, dan +dat men geen acht op hen slaat. + +Nadat Irene haar angst voor den oude had overwonnen, verzocht zij +menigmaal den man, dien alle andere tempelbewoners voor stroef en +ongenaakbaar hielden, op de haar eigene vleiende manier, waarmede zij +de harten wist te veroveren, om nog eens een gezicht voor haar te +trekken. Dat deed hij dan ook en lachte, als de kleine wederom tot +haar eigen plezier en tot het zijne bang werd en het op een loopen +zette. Toen Irene weinige dagen geleden haar kamer moest houden, omdat +zij haar voet had bezeerd, gebeurde wat men voor onmogelijk zou hebben +gehouden. Hij vroeg Klea vol deelneming, waar hare zuster toch bleef, +en gaf haar een koek voor het meisje. + +Terwijl Krates arbeidde, werd er geen woord tusschen hem en den +opperpriester gewisseld. Thans legde hij den hamer neder en zeide: +"Ik houd niet van zulk soort werk, maar dit is toch gelukt, zou ik +meenen. Ieder achter het altaar verborgen tempeldienaar kan thans +de lichten uitblusschen en aansteken, zonder dat zelfs de slimste +in staat is het bedrog op te merken. Plaats u nu bij de deur van de +groote zaal en spreek het woord." + +Klea hoorde hoe de opperpriester aan dezen wensch gehoor gaf en op +zingenden toon riep: "En zoo gebiedt hij den nacht en het wordt dag, +en de uitgedoofde kaars, en zij licht met glans. Wanneer gij ons ooit +nabij zijt, Serapis, zoo vertoon u thans aan ons!" + +Een heldere lichtstroom kwam na deze woorden uit het sanctuarium te +voorschijn, maar verdween plotseling, toen de opperpriester zong: +"Zoo vertoont gij u als het licht voor de kinderen der waarheid, +maar de kinderen van den leugen straft gij met duisternis." + +"Nog eens?" vroeg Krates, op den toon van iemand die wenscht, dat +het antwoord ontkennend zal luiden. + +"Ik verzoek u het andermaal te doen," antwoordde de +opperpriester. "Zóo, ditmaal gelukte het spel nog beter dan zoo +even. Ik was vooraf zeker van uw kunst, doch vergeet niet, waarop het +hier vooral aankomt. De beide koningen en de koningin zullen misschien +het feest bijwonen, Philometor en Kleopatra in elk geval, en zij +hebben de oogen goed open. Bovendien zal de Romein, die nu reeds voor +de vierde maal aan de processie deelnam, hen begeleiden, en wanneer +ik hem juist beoordeel, dan behoort hij, gelijk zooveel grooten van +zijn volk, tot dezulken, die zich weinig om anderen bekommeren, als +het noodig is zich met de oude goden tevreden te stellen, en die de +wonderen welke wij hun kunnen vertoonen, niet zoomaar op goed geloof +aannemen, maar aan eene nuchtere kritiek onderwerpen. Lieden van dit +slag, die zich schamen niet te bidden, die echter niet philosopheeren, +maar juist zooveel nadenken als noodig is om goed te handelen, dat +zijn de gevaarlijkste vijanden van het bovenzinlijke." + +"En de natuuronderzoekers dan in het museum?" vroeg Krates: "Zij +gelooven slechts aan de werkelijkheid van hetgeen zij zien en tasten +kunnen." + +"Daarom zijn juist zij," antwoordde de opperpriester, "dikwijls zeer +gemakkelijk door uwe kunst te misleiden. Daar zij toch eene werking +zien zonder oorzaken, zijn zij te eer geneigd de niet waarneembare +oorzaken voor bovenzinnelijk te houden. Doe thans de deuren weder +open, laten wij door het zijpoortje naar buiten gaan en neem gijzelf +ditmaal de taak op u Serapis een handje te helpen. Bedenk wel, dat +Philometor alleen dan de akkerschenking zal bekrachtigen, wanneer hij, +bij het verlaten van den tempel, diep doordrongen is van de grootheid +van onzen god. Zou het mogelijk zijn vóor den verjaardag van koning +Euergetes, die in Memphis gevierd zal worden, het nieuwe wierookvat +gereed te hebben?" + +"Wij zullen zien," gaf Krates ten antwoord. "Eerst moet ik echter +het slot van de groote poort van het Apis-graf in elkaar zetten, +want zoolang ik het in mijne werkplaats bij mij heb, kan ieder den +grafkelder openen, die eene pen door het gat boven den grendel steekt, +en ieder dien sluiten, die de ijzeren bouten verschuift. Laat mij +maar roepen, alvorens het spel met de lichten begint; ondanks mijne +ellendige voeten, zal ik komen. Omdat ik deze zaak nu eens op mij +genomen heb, en daarom alleen, zal ik haar voleindigen, doch ik zou +meenen, dat ook zonder zulke bedrieglijke middelen...." + +"Wij bedriegen niet," zeide de opperpriester, zijn medehelper streng +berispende. "Wij geven alleen kortzichtigen menschenkinderen in +bevattelijken, zinnelijk waarneembaren vorm het leven en werken der +godheid te aanschouwen." + +Na deze woorden keerde de trotsche man den smid den rug toe, en +verliet door eene zijpoort de zaal. Krates opende echter de ijzeren +deur en sprak, terwijl hij zijne werktuigen bijeenzocht, zoo luid +in zichzelven, dat Klea het in haar schuilhoek duidelijk verstond: +"'t Kan mij niet schelen, maar bedrog is bedrog, hetzij een god een +koning, of een kind een bedelaar bedriegt." + +"Bedrog is bedrog," zeide Klea den smid na, en trad, nadat de laatste +het vertrek had verlaten, uit haar schuilhoek te voorschijn. Zij +bleef staan in de groote voorzaal en zag in het rond. Voor de eerste +maal merkte zij op, dat de kleuren op den wand hier en daar waren +verdwenen, dat de zuilen in den loop der tijden veel hadden geleden, +en dat de tegels van den vloer losgeraakt waren. De geur van den +wierook had thans voor haar iets walglijk zoets, en toen zij een ouden +man voorbijging, die met de grootste geestdrift biddende zijne armen +omhoog hief, zag zij met een blik van medelijden op hem neder. + +Toen zij de pylonen [8] was doorgegaan, die het eigenlijk heiligdom +afsloten, keerde zij zich om en schudde, terwijl zij er op terugzag, +verwonderd het hoofd. Voorzeker, zij wist dat sedert een uur geen +steen aan den Serapis-tempel veranderd was, en toch scheen hij haar +even vreemd toe als het landschap, dat wij in lentetooi leerden kennen, +en in den winter met ontbladerde boomen wederzien; evenzeer veranderd +als een vrouwelijk gelaat, dat wij onder den sluier, die het bedekte, +voor schoon hielden, en dat ons, ontdaan van dit hulsel, blijkt vol +rimpels en zonder eenige aanvalligheid te zijn. + +Zoodra zij het woord van den smid "bedrog is bedrog" vernam, ontwaarde +zij een pijnlijk gevoel in hare borst, en was zij niet in staat de +tranen tegen te houden, die opwelden in hare oogen, anders aan weenen +weinig gewoon. Maar zoodra zij met hare eigene lippen het harde oordeel +van den ouden Krates had nagezegd, waren hare tranen opgedroogd, en nu +zij in opgewonden stemming den tempel overzag, evenals een wandelaar +die van een goeden vriend afscheid neemt, haalde zij vrijer adem, +richtte zich hooger op en keerde het heiligdom van Serapis, met een +gewond hart maar trotsch, den rug toe. + +Bij de woning van den deurwachter kwam haar een kind te gemoet, +waggelende op zijne voetjes en met de armpjes in de hoogte. Zij +hief het van den grond op, kuste het en vroeg daarna de moeder, die +haar kwam groeten, om een stukje brood, want de honger begon haar +nu gevoelig te kwellen. Terwijl zij het droge baksel opat, bleef het +kind op haar schoot zitten, en volgde met groote oogen de bewegingen +van hare hand en haren mond. Het was een knaapje van ongeveer vijf +jaren, met zulke zwakke beentjes, dat zij den last van zijn lichaam +nauwelijks konden dragen, maar met een allerliefst gezichtje. Het +ventje zag er bijzonder wezenloos uit, alleen als de kleine Philo +Klea zag aankomen, begonnen zijne oogjes van vreugde te flonkeren. + +"Neem deze melk," zeide de moeder van het knaapje, terwijl zij de +jonkvrouw een aarden schaaltje overhandigde, "al is het niet veel, +en ook dit zou ik u zelfs niet kunnen aanbieden, als Philo eten wilde +gelijk andere kinderen. Maar het schijnt dat het slikken hem pijn +doet, hij drinkt twee druppels en eet een hapje; meer gebruikt hij +echter niet, of men moet hem klappen geven." + +"Gij hebt hem toch niet weder geslagen?" vroeg Klea verwijtend, +en drukte het kind aan haren boezem. + +"Ik niet, maar mijn man," antwoordde de vrouw, terwijl zij verlegen +aan haar kleed trok. "Het kind is op een gunstigen dag en in eene +goede ure geboren, en toch blijft het zwak en leert niet praten. En +dat ergert Phianchi." + +"Hij zal alles weder bederven!" zeide Klea ontevreden. "Waar is hij?" + +"Hij werd in den tempel geroepen." + +"Doet het hem dan geen plezier, dat Philo 'vader' tegen hem zegt, en +'moeder' tegen u, dat hij mij bij den naam noemt en velerlei dingen +weet te onderscheiden?" vroeg het meisje. + +"O zeker," antwoordde de vrouw. "Hij zegt, dat gij het jongske praten +leert als een spreeuw, en wij zijn u daarvoor dankbaar." + +"Ik vraag geen dank," haastte Klea zich te zeggen, "maar hetgeen ik +verlang is, dat gij den jongen niet scheldt en straft, maar dat ge u +met mij verheugt wanneer gij ziet, dat zijn arme sluimerende geest +langzaam ontwaakt. Als het zoo met hem voortgaat, zal het lieve +kereltje nog eens recht verstandig worden.--Hoe heet ik, mijn jongen?" + +"Ke-ea," antwoordde de kleine, terwijl hij zijne vriendin toelachte. + +"En proef nu eens, wat ik hier in de hand heb. Wat is dat? Ik kan wel +zien dat gij het weet. Het heet--nu fluister het mij maar zacht in +het oor.--Ja, ja, zoo is 't, me-mel-melk, juist zoo, mijn jongen! Het +is melk en zóo heet het. Doe nu je bekje eens open en zeg het mij +vlug na--nog eens, en nog eens weder. Als je het twaalfmaal goed +gezegd hebt, geef ik je een kus.--Zie zoo, nu hebt ge ook het kusje +verdiend. Ik geef je er hier een en daar een.--Hoe heet dat dingetje +daar? Je o--? Je oor! Ja zoo is het goed,--en dat is je neus." + +De oogjes van het kind helderden onder deze vriendelijke les al meer en +meer op. Klea zoo min als haar kleine leerling werden het moede, tot +dat, na verloop van een uur, het geluid van den slag op het koperen +bekken, dat lang naklonk, haar wegriep. Toen zij wilde heengaan +waggelde de kleine haar pruilend achterna. Doch zij nam het jongske +op den arm, droeg het weder naar zijne moeder, en ging daarop naar +hare kamer, om zichzelve en hare zuster voor den optocht te kleeden. + +Op den weg naar het pastophorium dacht zij weder aan haren gang naar +den tempel en aan haar gebed. "Vóor het sanctuarium," zeide zij tot +zichzelve, "mocht het mij niet gelukken mijne ziel te bevrijden van +hetgeen haar verontrustte, maar wel toen ik mijn best deed, om het +tongetje van den armen jongen los te maken. Elke reine plaats, zou ik +meenen, kan een god zich ten heiligdom kiezen, en is eene kinderziel +niet reiner dan een altaar, waarbij de waarheid wordt gehoond?" + +In hare kamer trad Irene haar te gemoet. Deze had het haar reeds +opgemaakt, den granaatbloesem daarin gestoken, en vroeg Klea thans, +of zij haar zoo beviel. + +"Gij ziet er uit als Aphrodite zelve," antwoordde Klea, en gaf haar een +kus op het voorhoofd. Vervolgens schikte zij de plooien in het gewaad +harer zuster, maakte hare sieraden vast, en begon ook zichzelve aan +te kleeden. Terwijl zij hare sandalen vaster aanhaalde, vroeg Irene: +"Waarom zucht gij zoo pijnlijk?" en Klea antwoordde: "Het is mij als +hadden ze mij heden andermaal van mijne ouders beroofd." + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +De optocht was afgeloopen. + +Bij den dienst, die daaraan was voorafgegaan in het Grieksche Serapeum, +had Ptolemaeus Philometor aan de priesterschap van dezen tempel +volstrekt niet het geheele, maar slechts een matig deel toegestaan +van het akkergeschenk, waarover zij hem vele smeekschriften hadden +overhandigd. + +Nadat het hof weder naar Memphis opgebroken en de processie ontbonden +was, keerden ook de zusters in hun vertrek terug, Irene met blozende +wangen en een lachje om den mond, Klea met zekeren somberen en +onheilspellenden glans in de oogen. + +Terwijl de beide zusters zonder te spreken hunne kamer naderden, +riep een tempeldienaar de oudste, en beval haar hem te volgen naar +den opperpriester, die verlangde haar te spreken. Zwijgend reikte +Klea hierop aan Irene hare kruik over, en werd in een vertrek van +den tempel gebracht, hetwelk diende tot bewaarplaats der heilige +gereedschappen. Terwijl zij daar wachtte, vlijde zij zich op een +zetel neder. + +Ook de mannen, die in den morgen het pastophorium bezochten, hadden met +de koninklijke familie den optocht gevolgd. Nadat de feestelijkheid was +afgeloopen, verwijderde de Romein Publius zich van zijne geleiders, +en ging spoedig, zonder afscheid te nemen en strak voor zich ziende, +naar het pastophorium en de tent van den kluizenaar Serapion. + +De oude vernam reeds van verre den voetstap van den jonkman, die met +zijne stevige zolen, zijn zelfbewusten en krachtigen gang, heel anders +liep dan de priesters van Serapis, met hun zachten tred. Vriendelijk +heette hij hem welkom met de hand en den mond. + +Publius bedankte hem koeltjes en ernstig, en zeide daarop bits en zeer +kortaf: "Mijn tijd is beperkt. Ik denk Memphis weldra te verlaten. Doch +ik beloofde uw verzoek aan te hooren, en omdat ik woord wil houden, +zoek ik u op, heden reeds, maar, zoo als ik zeide, alleen om woord te +houden. De draagsters der waterkruiken, waarvan ge mij een en ander +wilt mededeelen, gaan mij niets aan. Ik geef om hen evenveel als om +de zwaluwen, die daar over het huis vliegen." + +"Toch hebt gij heden morgen om Klea's wil eene lange wandeling +gemaakt," antwoordde Serapion. + +"Ik heb dikwijls nog veel verder geloopen om een hert te schieten," +hernam de Romein. "Wij mannen vervolgen het wild niet, omdat wij +verlangen het te bezitten, maar omdat wij vermaak scheppen in het +jagen. Doch er zijn ook jagersnaturen onder de vrouwen. In plaats van +speer en boog gebruiken zij vurige blikken, en wanneer zij dan meenen, +dat zij hun wild daarmede getroffen hebben, dan keeren zij het den rug +toe. Tot deze soort behoort ook uwe Klea, en die lieve kleine van heden +morgen ziet er uit, als liet zij zich gaarne jagen. Intusschen lust +het mij even weinig het wild als de jager van een meisje te zijn. Drie +dagen moet ik mij nog beneden in Memphis ophouden, om enkele zaken +af te doen, dan keer ik dit dwaze land voor altijd den rug toe." + +"Heden morgen," zeide Serapion, die begon te vermoeden wat deze +boosheid, die maar al te duidelijk sprak uit de woorden van den Romein, +had opgewekt, "heden morgen scheen het, dat gij met uwe afreis vrij wat +minder haast maaktet dan thans. Het komt mij dus voor, dat gij zelf +op een vluchtend wild gelijkt; maar Klea ken ik beter dan gij. Het +jagen is haar zaak niet, maar nog minder laat zij zich jagen, want +zij bezit eene eigenschap, die gij, waarde Publius Scipio, zeker boven +alle andere zult kennen en waardeeren: zij is trotsch, zeer trotsch, +en zij mag het zijn, hoe minachtend gij ook uw neus optrekt, als wildet +ge zeggen: Hoe komt eene kruikdraagster van Serapis, een arm schepsel, +dat slecht gevoed wordt en eene ondergeschikte betrekking bekleedt, +aan een trots, die hoogstens met eenig recht ontwaken kan bij hen, die +boven anderen door een of ander voorrecht uitsteken? Dit meisje nu, +ge kunt mij gelooven, heeft vele redenen om haar hoofd op te heffen, +niet alleen omdat zij van vrije, edele ouders afstamt; omdat zij eene +zeldzame schoonheid bezit; omdat zij, zelve nog een jong kind zijnde, +met zelfverloochenende liefde en trouw, als eene moeder zich een ander +kind, eene jongere zuster heeft aangetrokken,--maar inzonderheid, en +gij zult dit, als ik u goed beoordeel, beter dan andere jongelieden +kunnen begrijpen, omdat zij trotsch blijven moet, ten einde bij de +nederige diensten, die zij helaas, gedwongen is te verrichten, nimmer +te vergeten, dat zij eene vrije edele vrouw is. Gij kunt van uwe +hooghartigheid afstand doen en toch blijven die gij zijt; maar deed +zij het, en begon zij zich te voelen als een dienstbare, dan zou zij +ten laatste worden, wat zij niet is en toch zijn moet. Een edel ros, +dat men dwingt lasten te trekken, wordt tot een karrepaard, zoo haast +het verleert den kop op te heffen en de pooten vrij te bewegen. Klea is +trotsch omdat zij het zijn moet, en wanneer gij rechtvaardig zijt, zult +ge op deze jonkvrouw niet boos zijn, omdat zij u misschien vriendelijk +heeft aangezien, daar gij van de goden een uiterlijk hebt ontvangen, +geschikt om aan elke vrouw te behagen. Doch alle pogingen om hare gunst +te winnen zouden schipbreuk lijden, omdat zij zich voor te goed houdt, +om zelfs door een Cornelius met zich te laten spelen, en toch voor te +gering, dan dat zij ooit zou durven hopen, dat iemand van uw stand +zich zou vernederen, om haar tot vrouw te begeeren. Ongetwijfeld +heeft zij u beleedigd, doch ik kan slechts vermoeden waardoor. Is +het door hare trots, dan mag u dat niet krenken, want eene vrouw is +als een krijgsman, die het harnas alleen dan aangespt, wanneer zij +wordt bedreigd door een tegenstander, wiens wapenen zij vreest." + +De kluizenaar had deze woorden, om niet door zijn buurman gehoord +te worden, meer gefluisterd dan overluid gesproken, en wischte zich, +toen hij zweeg, het zweet van het voorhoofd, want als iets zijn gemoed +aandeed, dan was hij gewoon zijn zware stem luide te laten klinken, +en het kostte hem dus geen geringe inspanning, deze stem zoolang in +te houden. + +Publius had hem strak aangekeken, maar daarna de oogen nederslagen, +en Serapion tot het einde aangehoord, zonder hem in de rede te +vallen. Daarbij was hij van schaamte gaan blozen, als ware hij een +schoolknaap; en toch was hij een zelfbewust en kloekmoedig jonkman, die +in moeilijke omstandigheden zichzelven volkomen wist te beheerschen, +zooals men dit van een man in de kracht des levens verwacht. Bij +al zijne handelingen placht hij nauwkeurig te weten wat hij wilde, +en zonder opwinding alleen datgene te doen, wat hem goed en nuttig +toescheen. Onder de woorden van den kluizenaar drong zich nu de vraag +aan hem op, wat hij toch eigenlijk van de kruikdraagster verlangde, +en daar hij geen antwoord kon vinden, begon hij te weifelen. Deze +onzekerheid en ontevredenheid met zichzelven klom hooger naarmate +hetgeen hij hoorde hem juister toescheen, en hij zich in den grond van +zijn hart minder geneigd gevoelde om afstand te doen van het meisje, +waaraan hij dagen lang, ook tegen zijn wil, had moeten denken, wier +beeld hij gaarne uit zijn gemoed zou hebben verwijderd, dat hem echter +juist om de woorden van den kluizenaar begeerlijker voorkwam dat ooit +te voren. + +"Misschien hebt gij gelijk," antwoordde hij, na eenige oogenblikken +zwijgens, insgelijks op zachten toon, want op eene zachte toespraak +volgt gewoonlijk een niet minder zacht antwoord. "Gij kent dit meisje +beter dan ik, doch wanneer gij haar naar waarheid hebt geteekend, dan +zal het juist goed zijn, dat ik bij mijn voornemen blijf en Egypte, +of laat ik het maar ronduit zeggen, uwe beschermelinge verlaat, +want ik heb van haar niet anders te wachten dan òf een nederlaag +òf eene overwinning, waarover ik later slechts berouw zou kunnen +gevoelen. Klea heeft heden mijne blikken ontweken, als vloeide er uit +mijne oogen gif, gelijk uit den tand van een adder. Ik heb derhalve +met haar niets meer uit te staan. Toch zou ik wel willen weten hoe +zij in dezen tempel is gekomen, en als ik haar van dienst kan zijn, +wil ik het doen--om uwentwil. Vertel mij thans wat gij weet, en zeg +mij wat ge van mij begeert." + +De kluizenaar knikte met het hoofd, ten teeken van bijval, wenkte hem +nader te komen en terwijl hij zich nederboog naar het oor van den +man, dat naar hem was toegekeerd, vroeg hij zacht: "Is de koningin +u gunstig gezind?" + +Toen Publius hierop toestemmend had geantwoord, begon Serapion, +met een uitroep van tevredenheid, aldus zijn verhaal: + +"Heden morgen hebt gij vernomen, hoe ikzelf in deze kooi kwam, en +dat mijn vader opzichter van de tempelschuur is geweest. Terwijl ik +in den vreemde omzwierf, werd hij van zijn ambt ontzet, en misschien +ware hij in de gevangenis gestorven, wanneer een braaf man hem niet +geholpen had zijne eer en vrijheid te redden. Dit alles zou u niets +aangaan, en zou ik daarom wel voor mijzelven kunnen houden, maar deze +man was de vader van Klea en de kleine Irene; de vijand, door wien +de mijne onschuldig lijden moest, is de bandiet Eulaeus. Gij weet, +of waarschijnlijk weet gij het niet, dat de priesterschap bij wijze +van belasting bepaalde leverantiën heeft te doen aan het koninklijk +hof. Zoo, weet gij het? Het is ook waar, gij Romeinen stelt meer +belang in rechts- en administratiezaken, dan in voorwerpen van kunst +en in ideeën. Het was het werk van mijn vader, deze schenkingen uit +te betalen en van den eunuuch ze in ontvangst te nemen. Maar deze +vetgemeste baardelooze gulzigaard, deze veelvraat, wien elke perzik, +die hij gegeten heeft en in het vervolg mogelijk nog verslinden zal +tot vergif moge worden, hield de helft van het geleverde achterwege, +en toen de rentmeesters bemerkten, dat in 's konings schatkamer dáar, +waar men koorn en geweven stoffen meende te zullen vinden, niets +dan ledige ruimte was, maakten zij alarm, hetwelk natuurlijk eer het +oor bereikte van den dief, die bij het hof veel invloed had, dan dat +van mijn arme vader. Gij hebt Egypte een wonderlijk land genoemd of +zoo iets, en dat is het ook werkelijk, niet alleen om die steenen +tarwebrooden daar ginds, die gij pyramiden noemt, en dergelijke zaken +meer, maar omdat hier dingen gebeuren kunnen, die bij u in Rome zoo +onmogelijk zouden zijn als maneschijn op den middag, of een paard +met een staart aan zijn neus! Eer het kwam tot een aanklacht tegen +Eulaeus beschuldigde hij mijn vader van verduistering der goederen, +en vóor het districtshoofd met zijne beambten een blik in de acten had +geslagen, stond hun oordeel over den valschelijk aangeklaagde reeds +vast, want de eunuuch had een vonnis van hen gekocht, gelijk men een +visch of een koolstruik op de markt inkoopt. In den ouden tijd werd +hier te lande de godin der gerechtigheid afgebeeld met geslotene oogen, +thans kijkt zij in de wereld rond als een schele vrouw, die met éen +oog den koning aanziet, en met het andere gluurt naar het goud in +de handen van den aanklager of den beschuldigde. Mijn arme vader +werd natuurlijk veroordeeld, en reeds begon hij in de gevangenis +te twijfelen aan de gerechtigheid der goden, toen om zijnentwil het +grootste wonder geschiedde, dat in dit land der wonderen ooit heeft +plaats gehad, sedert de Grieken in Alexandrië heerschen. Een eerlijk +man trok zich zonder menschenvrees de reeds verloren zaak van den +armen veroordeelde aan, en rustte niet, voor hij hem zijne eer en +zijne vrijheid had teruggegeven. Maar de gevangenschap, de schande, +de verkropte verontwaardiging hadden langzamerhand de krachten van +den mishandelden man gesloopt, gelijk een houtworm een cederstam +verteert. Hij kwijnde weg en stierf. Met zijn redder, Klea's vader, +liep het, tot loon voor deze moedige daad, nog erger af dan met hem, +want hier aan den Nijl wordt de deugd op aarde gestraft, gelijk bij u +de ondeugd. Waar de ongerechtigheid heerschappij voert, daar ziet men +het schrikkelijkste gebeuren, namelijk dat de goden partij schijnen +te trekken voor de boozen. Hij die niet hoopt op eene vergelding +aan gene zijde des grafs, zorgt wel, zoo hij geen dwaas of wijsgeer +is--en dat komt in de meeste gevallen op hetzelfde neer--dat zijn +wandel niet al te rein is. + +"Philotas, de vader van de kruikdraagsters, wiens ouders uit Syracuse +afkomstig waren, behoorde tot de aanhangers van de leer van Zeno [9], +die ook bij u in Rome vele vrienden heeft en had het als beambte +ver gebracht, want hij was voorzitter der Chrematisten, dat is een +college van rechters, dat buiten Egypte zijns gelijke wel niet heeft, +en zijn alouden roem beter gehandhaafd heeft dan eenig ander. Het +trekt rond van district tot district, en vestigt zijn verblijf in +de hoofdsteden om recht te spreken. Wanneer er appèl aangeteekend +wordt tegen het vonnis, gewezen door het gerechtshof van deze of +gene plaats, waarvan het districtshoofd voorzitter is, zoo wordt de +zaak nog eens behandeld voor de Chrematisten, die gewoonlijk noch den +aanklager noch den beschuldigde kennen. Door deze instelling kunnen +de bewoners der provinciën zich de moeite en kosten besparen van eene +reis naar Alexandrië of sedert het rijk verdeeld is, naar Memphis, +waar de oppergerechtshoven bovendien met zaken overladen zijn. + +"Onder alle voorzitters van de Chrematisten heeft niemand ooit zooveel +naam gemaakt als Philotas, de vader van Klea en Irene. Evenmin als +een musch zich waagt tegen een valk, evenmin beproefde iemand hem +om te koopen, en hij was niet minder verstandig dan rechtvaardig, +want hij was even bekend met de oude wet der Egyptenaren als met die +der Grieken, en menig omkoopbaar rechter is op zijn hoede geweest, +zoodra het bekend werd dat Philotas zich met zijne Chrematisten op +reis had begeven, en heeft in plaats van een valsch een rechtvaardig +oordeel geveld. + +"Toen Kleopatra, de weduwe van Epiphanes, nog leefde en voor hare +zonen Philometor en Euergetes, die thans in Memphis en Alexandrië +regeeren, de voogdijschap voerde, hield zij Philotas in hooge eer en +verhief hem tot den rang van verwant des konings. Doch zij was juist +gestorven, toen de brave man mijns vaders zaak op nieuw ter hand nam, +en hem uit den kerker bevrijdde. + +"De roover Eulaeus en zijn spitsbroeder Lenaeus stonden juist op het +toppunt van hun macht, want de jonge onmondige koning liet zich door +hen leiden als een kind door zijne min. Als mijn vader een eerlijk +man was, dan moest de eunuuch een boef zijn. Toen nu de Chrematisten +dreigden Eulaeus voor hun rechtbank te dagen, wist die ellendeling den +krijg te bewerken om het bezit van Coelesyrië tegen 's konings oom, +Antiochus Epiphanes. + +"Gij weet hoe smadelijk deze onderneming voor ons afliep, hoe +Philometor bij Pelusium geslagen werd, en zich met zijne schatten +op raad van Eulaeus, naar Samothrace redde, hoe Philometor's broeder +Euergetes in Alexandrië tot koning werd uitgeroepen, Antiochus Memphis +innam, en zijn ouderen neef vervolgens hier het bewind liet voeren, +alsof hij zijn vasal of pupil was. In die dagen van vernedering +nu wist de eunuuch zich te ontdoen van Philotas voor wien hij alle +reden had om bevreesd te zijn, als wandelde in den persoon van den +Chrematist zijn eigen geweten, met het zwaard der gerechtigheid in +de hand, op twee beenen onder de menschen rond, om hen te vertellen +welk een spitsboef hij was. + +"Memphis had, zonder ernstig weerstand te bieden, voor Antiochus +de poorten van den witten muur geopend, en de Syrische koning, die +een wonderlijk man was, en vaak lust gevoelde om onder het volk +te verkeeren, als was hijzelf een gewoon man, ontbood Philotas, +die even vertrouwd was met Egyptische gebruiken en wetten als met +de Helleensche, bij zich, liet zich door hem in de rechtszalen en +op de markt brengen, en begiftigde hem op zijne wijze nu eens met +nietswaardige lompen, dan weder met vorstelijke geschenken. + +"Nadat Philometor door de Romeinen van de voogdijschap van den Syriër +was bevrijd geworden, en in Memphis als zelfstandig vorst regeeren +kon, beschuldigde Eulaeus den vader der kruikdraagsters, dat hij +Memphis aan Antiochus in handen had gespeeld, en rustte niet voordat +de onschuldige man, beroofd van zijne aanzienlijke bezittingen, +met zijne vrouw naar de Ethiopische bergwerken was gesleept om er +dwangarbeid te verrichten. Toen dit alles plaats had, zat ik reeds +in deze kooi, doch van mijn broeder Glaucus, die aan het hoofd staat +van de politiewacht in het paleis, en vele dingen eerder verneemt +dan andere lieden, hoorde ik wat er omging, en het gelukte mij de +dochtertjes van Philotas heimelijk in dezen tempel te laten brengen, +en alzoo te bewaren voor het lot, dat hunne ouders trof. Dat is nu +vijf jaren geleden, en gij weet thans hoe het komt, dat de dochters +van een aanzienlijk man water dragen voor het altaar van Serapis; +waarom ik liever zelf lijd, dan dat ik haar eenig leed zie wedervaren; +en waarom ik Eulaeus giftige wortels gun in plaats van zoete perziken." + +"En Philotas is heden nog dwangarbeider?" vroeg de Romein, +tandenknarsend van toorn. + +"Ja, Publius," antwoordde de kluizenaar. "En dit 'ja' laat zich +gemakkelijk uitspreken, en het kost ook geen moeite daarbij de handen +te ballen tot vuisten, maar het valt zwaar, zeer zwaar zelfs aan het +lijden te denken, dat een man als Philotas en eene edele onschuldige +vrouw, die zoo schoon was, schoon als Hera en Aphrodite te zamen, +bij zulk een harden ongewonen arbeid, onder een brandende zon en den +geesel der opzichters, hebben door te staan. Misschien zijn zij tot hun +geluk reeds aan de gevolgen der hun aangedane kwellingen gestorven, en +zijn hunne dochters weezen! Die arme meisjes! Buiten den opperpriester +is hier niemand, die eigenlijk weet wie zij zijn. Kwam de eunuuch +het te weten, dan zou hij ze even als hare ouders doen wegvoeren, +zoo waar ik Serapion heet." + +"Hij moest het eens wagen!" riep Publius, terwijl hij de rechterhand +dreigend omhoog hief. + +"Kalm, kalm, mijn vriend," smeekte de kluizenaar, "niet nu alleen, +maar bij alles wat gij voor de zusters zult willen doen. Want een +Eulaeus hoort niet alleen met zijne eigene ooren, doch ook door die +van duizend anderen, en bijna alles wat er aan het hof geschiedt moet +door zijne handen gaan, daar hij de briefschrijver is. Gij zeidet dat +de koningin u welgezind was. Dat is veel waard, want haar gemaal zal +alles doen wat zij wenscht, en een Eulaeus zal, als vorstinnen ten +minste gelijk zijn aan de andere vrouwen die ik ken, in de oogen van +Kleopatra niet veel waard zijn." + +"En al ware dit ook niet het geval," zeide Publius, den kluizenaar, +gloeiende van verontwaardiging, in de rede vallende, "dan zou ik hem +toch ten val brengen. Want een man als Philotas mag niet ten onder +gaan, en zijne zaak zal van nu aan de mijne worden; hier hebt gij mijne +hand, en mag ik mij verheugen van edele voorvaderen af te stammen, +dan is dit vooral omdat de belofte van een Cornelius niet minder, +dan eene reeds volbrachte daad van een ander beteekent." + +De kluizenaar schudde den jongeling de rechterhand, knikte hem +vriendelijk toe, en zijne vochtige oogen straalden daarbij van blijde +ontroering. + +Vervolgens keerde hij den Romein haastig den rug toe, om weldra weder +te keeren met een papyrus-rol van grooten omvang in de hand. + +"Neem dit aan," zeide hij, terwijl hij den Romein het stuk +overhandigde. "Ik heb alles, wat ik u zooeven mededeelde, +overeenkomstig de waarheid met eigene hand opgeteekend, en wel in +den vorm van een smeekschrift. Dergelijke dingen, dat weet ik, worden +bij het hof alleen dan ordelijk afgedaan, wanneer men ze schriftelijk +behandelt. Is de koningin genegen uw wensch te vervullen, overhandig +haar dan deze rol en verzoek haar een genadebrief. Kunt gij dat +bewerken, dan is alles gewonnen." + +Publius nam de rol, reikte den kluizenaar nog eens de hand, en +deze riep, zichzelven vergetend, met luider stem: "De goden mogen +u zegenen, en door u den edelsten aller menschen van zijn lijden +verlossen. Reeds begon ik te wanhopen, maar als gij ons bijstaat, +dan is nog niet alles verloren." + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +"Vergeef mij wanneer ik ulieden stoor." + +Met deze woorden brak de eunuuch Eulaeus, die zacht en ongemerkt het +pastophorium genaderd was, terwijl hij zich voor Publius eerbiedig +boog, den uitroep van den kluizenaar af. "Is het geoorloofd te vragen +tot welk verbond een der edelste zonen van Rome dezen wonderlijken +man de hand reikt?" + +"Vragen staat ieder vrij," antwoordde Publius kortaf en scherp, +"maar het is niet ieders zaak te antwoorden, en heden ook niet de +mijne. Ik zeg u vaarwel, Serapion, maar niet voor lang, denk ik." + +"Veroorlooft ge mij u te vergezellen?" vroeg de eunuuch. + +"Gij zijt mij zonder vergunning toch gevolgd." + +"Ik deed het op bevel van mijn koning, en voldoe alleen aan zijn bevel, +wanneer ik u ook thans mijn geleide aanbied." + +"Ik ga vooruit, en kan u niet weren, als ge mij volgt." + +"Ik verzoek u echter te bedenken," antwoordde de eunuuch, "dat het +mij slecht zou voegen, als een dienstknecht achter u te loopen." + +"Ik eerbiedig den wil van mijn gastheer, den koning, die u opdroeg mij +te volgen," antwoordde de Romein. "Doch vóor de tempelpoort kunt gij +uw wagen en kan ik den mijne bestijgen. Een oud hoveling zal gaarne +den wil van zijn gebieder vervullen." + +"Hij vervult dien ook," hernam Eulaeus deemoedig, maar even als de +gespleten tong uit den bek van een slang snel te voorschijn komt +en nog sneller verdwijnt, zoo schoot zijn oog eerst een blik vol +dreigenden haat, daarna een anderen, argwanend gericht op de rol, +die de Romein in zijne hand hield. + +Publius gaf geen acht op deze blikken, en liep haastig naar het +acaciënbosch. De kluizenaar zag intusschen het ongelijke paar na, +en toen hij den machtigen eunuuch den jongeling achterna zag loopen, +zette hij de handen in zijne zijde, blies zijne dikke wangen op, +en barstte, zoodra het paar achter de acaciën verdwenen was, in luid +gelach uit. Als Serapions lachspieren eens in beweging waren, lieten +ze zich niet gemakkelijk tot rust brengen, en hij lachte nog altijd, +toen Klea, eenige oogenblikken na het vertrek van den Romein voor +zijne kluis verscheen. + +Hij wilde zijne beschermelinge vroolijk ontvangen, maar nadat hij haar +goed in het aangezicht had gezien, zeide hij bezorgd: "Ge ziet er +uit, als ware u de geest van een afgestorvene verschenen. Uwe roode +lippen zijn bleek, en onder uwe oogen zie ik donkere schaduwen. Wat +is u wedervaren, mijn kind? Irene, ik weet het, heeft toch met u +de processie bijgewoond. Hebt gij slechte berichten van uwe ouders +gekregen?--Gij schudt het hoofd. Nu, kindlief, dan denkt gij zeker +meer dan gij moest aan zeker iemand. Wat stijgt u het bloed naar +de wangen! O zeker, de schoone Publius van Rome heeft u te diep in +de oogen gezien--hij is ook een schoon jonkman, een echte man, een +trouw vriend...." + +"Houd op," viel Klea haar vriend en beschermer in de rede, terwijl zij, +ten teeken van afwijzing, met haar vlakke hand de lucht doorsneed, +als wilde zij Serapions toespraak in twee helften deelen. "Ik wil +niets meer van hem hooren." + +"Heeft hij u onbetamelijk bejegend?" vroeg de kluizenaar. + +"Ja," riep Klea schaamrood en met eene heftigheid, die anders vreemd +was aan haar bezadigd karakter. "Ja, met uitdagende blikken vervolgt +hij mij onophoudelijk." + +"Met zijne blikken alleen?" vroeg de kluizenaar. "Maar wij zien toch +ook naar de verhevene zon en de lieflijke bloemen zooveel wij kunnen, +en zonder dat zij het ons kwalijk nemen!" + +"De zon staat te hoog en de onbezielde bloem te laag, dan dat een +mensch haar zou kunnen beleedigen," antwoordde Klea. "Maar die Romein +is niet meer en niet minder dan ik, het oog spreekt even goed een +taal als de mond, en wat het zijne van mij verlangt, dat jaagt mij +het bloed naar de wangen, en wekt nu zelfs, terwijl ik er aan denk, +mijne verontwaardiging op." + +"Daarom hebt gij ook zoo angstvallig zijne blikken ontweken." + +"Wie zeide u dat?" + +"Publius zelf, en daar uwe hardvochtigheid hem smart deed, wilde hij +Egypte verlaten. Ik heb hem echter bewogen te blijven, want als er éen +sterveling is, van wien ik voor u en de uwen iets goeds verwacht...." + +"Dan is hij het zeker niet!" zeide Klea op stelligen toon. "Gij zijt +een man, en meent nu misschien dat gij, toen gij nog jong waart en u +vrij kondt bewegen in de wereld, niet anders zoudt gehandeld hebben +dan hij, volgens hetgeen de mannen hun recht noemen. Doch kondet gij +hier in mijn binnenste lezen, of met het hart van eene vrouw gevoelen, +dan zoudt gij anders denken. Gelijk het woestijnzand, dat door den wind +over de akkers wordt gedreven, hun vriendelijk groen in akelig grauw +verandert; gelijk de storm, die den blauwen spiegel der zeevlakte +verkeert in een golvend mengsel van zwarte draaikolken en gistend +schuim, zoo heeft de uitdagende stoutheid van dezen man de kalmte van +mijn gemoed wreed verstoord. Voor de vierde maal vervolgden mij zijne +blikken bij den optocht. Gisteren had ik het gevaar ingezien, maar +heden--ik moet het u wel zeggen, want gij zijt een vader voor mij, +en wien anders in de wereld zou ik het durven toevertrouwen?--heden +heb ik mij in staat gevoeld zijn blik te ontwijken. En toch gevoelde +ik gedurende de lange, eindeloos lange uren van het feest, dat zijn +oog onophoudelijk het mijne zocht. Dat geene dwaling mij misleidt, +zou ik geweten hebben, ook al had Publius Scipio--doch waarom neem +ik dezen naam op mijne lippen?--ook al had die Romein zich niet bij +u beroemd op zijn aanval tegen een onschuldig meisje gericht. En dat +gij, juist gij u tot zijn bondgenoot kunt maken! Maar dat hebt gij +niet gedaan, neen, zeker niet, want gij wist hoe ik bij den optocht +te moede moest zijn, terwijl ik de oogen nedersloeg en voelde dat +zijn blik mij ontwijdde, als de regen, die in het vorig jaar de pas +ontloken bloesems van de druiven des tempels wegspoelde. Het was mij, +als werd er een net vastgesnoerd om mijn hart. En welk een net! Als +had men in de plaats van vlas een vlam om het spinrokken gewonden, +en deze tot dunne draden uitgesponnen, en met dit gloeiend garen +mazen geknoopt, zóo was het! Ik voelde de draden en knoopen branden +op mijne ziel, en kon ze niet verwijderen, en durfde mij zelfs niet +verroeren. Ja, zie mij maar angstig aan en schud vrij het hoofd, +zóo is het geweest, en die brandwonden doen mij ook thans nog pijn, +erger dan ik u beschrijven kan." + +"Maar Klea," viel Serapion het meisje in de rede, "ge zijt buiten +uzelve, en als van een demon bezeten. Ga naar den tempel en bid, +of als dat niet helpt, naar Asklepius of Anubis, en laat den boozen +geest uitbannen." + +"Ik heb de hulp van geen uwer goden noodig," antwoordde het meisje in +de grootste spanning. "Ja, ik wenschte dat gij aan het noodlot zijn +loop hadt gelaten, en dat wij in het lijden van onze ouders mochten +deelen, want wat ons hier dreigt is nog verschrikkelijker dan in +de brandende zon stofgoud te ziften, of het kwarts in vijzels te +stampen. Ik kwam niet tot u om over den Romein te spreken, maar om +u te vertellen wat de opperpriester mij, terstond na den optocht, +heeft medegedeeld." + +"Nu?" vroeg Serapion op gerekten toon, en bijna angstig, terwijl hij +zijn hals uitrekte, met zijn borstelig hoofd het meisje naderde, +en zijne oogen zoo wijd openspalkte, dat de dikten daaronder half +verdwenen. + +"Hij deelde mij eerst mede," hernam Klea, "hoe treurig het gesteld +was met de inkomsten des tempels." + +"Het is waar," vulde de kluizenaar aan, "dat Antiochus het beste +deel van den tempelschat heeft geroofd, en dat de kroon, die voor de +heiligdommen der Egyptische goden altijd geld over heeft, onze akkers +met groote belastingen heeft bezwaard. Maar gij wordt, zou ik meenen, +al karig genoeg, ja veel slechter dan billijk is bedeeld, want voor +uw onderhoud wordt,--ik weet het nauwkeurig, want het geld is door +mijne handen gegaan--aan den tempel eene som betaald, van welker +interesten men niet slechts twee weinig etende vogeltjes, zooals gij +zijt, maar tien hongerige matrozen zou kunnen onderhouden. Bovendien +verricht gij moeielijke diensten, zonder er eenige vergoeding voor +te ontvangen. Waarachtig, men kon er nog meer zijde bij spinnen als +men een bedelaar zijne lompen ontstal, dan als men u beroofde. Wat +zou de opperpriester dan toch willen?" + +"Hij zegt dat wij vijf jaren lang door de priesterschap zijn gevoed +en beschermd, dat den tempel nog meer gevaren dreigen om onzentwil, +dat wij òf het heiligdom moeten verlaten, òf besluiten de plaats +te vervangen van de beide tweelingzusters Arsinoë en Doris, die tot +dusverre bij het doodenfeest aan de baar van den gestorven god, in +de kleeding van Isis en Nephthys, klaagliederen hebben gezongen, en +onder gejammer en klaagtonen het wijwater hebben aangedragen voor de +lijken, die in den tempel worden gebracht om ingezegend te worden. Deze +meisjes, zegt Asklepiodorus, worden te oud en zijn niet schoon genoeg +meer voor dat werk, doch de tempel is verplicht hen te onderhouden +tot hun dood. De middelen van den tempel zijn niet toereikende om, +behalve haar en ons beiden nog twee andere dienaressen van den god +te voeden, derhalve zullen Arsinoë en Doris alleen nog het wijwater +uitgieten, maar wij zullen het rouwklagen voor de dooden op ons nemen." + +"Maar gij zijt geene tweelingen!" zeide Serapion, en volgens het +voorschrift mogen alleen de zoodanigen als Isis en Nephthys Osiris +beweenen." + +"Men wil ons tot tweelingen maken," hernam Klea, terwijl zij minachtend +de lippen optrok. "Irene's haren zullen zoo zwart geverfd worden als +de mijne, en hare voetzolen zullen hooger worden gemaakt, opdat zij +zoo groot schijne als ik ben." + +"U kleiner te maken dan gij zijt zou hun zeker ook niet gelukken, +en lichte haren laten zich gemakkelijker donker dan donkere +licht kleuren," zeide Serapion, met moeite zijne verontwaardiging +intoomende. "Wat voor antwoord hebt gij gegeven op dezen voorslag, +die zeker zonderling mag heeten?" + +"Het eenige dat ik geven kon. Ik zeide neen, doch verklaarde mij +bereid, niet door vrees gedreven, maar omdat wij aan den tempel veel +verschuldigd zijn, met Irene elken anderen dienst te verrichten, +alleen dezen niet." + +"En Asklepiodorus?" + +"Hij heeft mij met geene toornige woorden gekrenkt, en bewaarde, +ofschoon ik hem tegensprak, zijne deftige kalmte. Ja soms nam hij mij +verbaasd met de oogen op, als of hij iets geheel nieuws en vreemds +aan mij ontdekte. Ten laatste wees hij er op, hoeveel moeite zich +de zangmeester van den tempel met ons had gegeven; hoe goed mijne +zwaardere stem harmonieerde met de hooge stem van Irene; hoe grooten +lof wij konden inoogsten met de klaagliederen schoon voor te dragen; +hoe gaarne hij ons, wanneer wij besloten ons het ambt van de tweelingen +te laten welgevallen, eene betere woning en overvloediger voedsel zou +bezorgen. Evenals men valken door honger mak maakt, zoo heeft hij er, +geloof ik, de proef van genomen, of hij ook ons door schralen kost +gedwee kon maken. Misschien doe ik hem onrecht, maar ik gevoel mij +heden al te zeer geneigd van hem en de andere vaders, het ergste +te denken. 't Zij zoo het wil! In elk geval sprak hij verder niet +tegen, toen ik bij mijne weigering bleef, maar hij liet mij gaan met +de uitnoodiging om mij over drie dagen weder bij hem te vervoegen, +ten einde hem mede te deelen, of wij genegen waren te doen wat hij +verlangde, dan of wij den tempel dachten te verlaten. Ik neigde, +ging naar de deur en stond reeds op den drempel, toen hij mij nog eens +terugriep en zeide: "Denk ook aan uwe ouders en aan hun lot!" Dit zeide +hij op plechtigen, bijna dreigenden toon, en verder sprak hij niets, +maar keerde mij haastig den rug toe. Wat mag hij met deze vermaning +bedoelen? Ik denk toch elken dag, ieder uur aan vader en moeder, +en herinner Irene gedurig aan hen!" + +De kluizenaar bromde bij deze woorden, ontevreden en nadenkend, +in zichzelven. Toen zij had uitgesproken, zeide hij ernstig: +"Asklepiodorus heeft met hetgeen hij zeide meer bedoeld dan gij +vermoedt. Iedere volzin, waarmede hij een weerspannige van zich laat +gaan, is een noot, waarvan men eerst de schaal moet open breken om +de kern te vinden. Als hij tot u zegt, dat gij aan uwe ouders en +hun treurig lot moet denken, dan kan dit in zijn mond en onder deze +omstandigheden moeilijk iets anders beteekenen, dan dat gij niet moet +vergeten, hoe gemakkelijk u het lot van uw vader zou kunnen treffen, +wanneer gij het wagen mocht u te onttrekken aan de bescherming +van den tempel. Asklepiodorus heeft er zijne bedoeling mede gehad, +toen hij u mededeelde--het kan nauwelijks een week geleden zijn, +dat ge mij dit verteld hebt--hoe vaak de bloedverwanten van hen, +die tot dwangarbeid in de bergwerken veroordeeld zijn, ook daarheen +worden gezonden. Ja, mijn kind, dat laatste woord van Asklepiodorus +heeft een schrikkelijken zin! De kalmte en trots, waarmede gij alles +opneemt, verontrusten mij, en gij weet toch dat ik niet tot hen behoor, +die vreesachtig zijn of anderen schrik aanjagen. Wat men van ulieden +vergt is zeker hoogst onaangenaam, maar neemt het op u; het zal, +zoo ik hoop, niet voor langen tijd zijn! Doe het om der wille van mij +en de arme Irene, want gij zult ook wel buiten deze muren in de ruwe +wereld met al hare begeerlijkheden uzelve staande weten te houden, maar +Irene, de kleine Irene, zal daartoe niet in staat zijn. Weet verder, +mijne Klea, mijn lieve schat, dat wij thans iemand gevonden hebben, +die uwe zaak tot de zijne maakt, die tot de aanzienlijken behoort +en veel vermag. Doch wat kan in drie dagen niet gebeuren! Het is +mij niet mogelijk ulieden te zien verbannen, en te denken dat men u +met woest volk in een afzichtelijk vaartuig naar de bergwerken voert +in het heete zuiden, waar men eerst de zielen vermoordt en dan het +lichaam. Gij zult niet dulden, dat mij en uzelve en Irene dit leed +wordt aangedaan, neen, mijne liefste, neen mijn hart, dat moogt ge, +dat zult ge niet doen! Zijt gijlieden dan mijne kinderen niet, mijne +dochtertjes, de eenige vreugde mijns levens? En nu zoudt ge mij alleen +laten in deze kooi, omdat gij zoo hooghartig zijt!" + +De stem begaf den sterken man, en in zijne oogen welden dikke tranen, +die voor en na over zijne wangen biggelden in zijn baard, en op Klea's +arm, dien hij met beide handen tot zich had getrokken. + +Ook de oogen van het meisje werden verduisterd door heete tranen, toen +zij haar anders zoo ruwen vriend zag weenen. Doch zij bleef standvastig +en zeide, terwijl zij haar hand uit de zijne trachtte te bevrijden: +"Gij weet wel, vader, dat veel mij hier aan dezen tempel bindt: +mijne zuster, gij, en de kleine Philo van den poortwachter. Het zal +mij zwaar, vreeselijk zwaar vallen u te verlaten, maar liever wil ik +dit leed en ieder ander verduren dan Irene toestaan als klaagvrouw +de plaats te vervangen van Arsinoë of de zwarte Doris. Stel u +dat levenslustige kind voor met verf besmeerd en toegetakeld, +knielend aan het voeteinde van eene baar, met gehuichelde klachten en +afgeperste tranen jammerende en steunende. Zij zou een leugen worden +van vleesch en been, zichzelve een walg, en voor mij, die toch bij +haar de plaats eener moeder vervult, van den morgen tot den avond +een knagend verwijt. Doch wat vraag ik naar mij zelve! Zonder mijn +gelaat te vertrekken, zou ik mij in het kleed der godin steken, mij +naar de baar laten leiden en daar jammeren en weeklagen, zoodat het +ieder die het hoorde door de ziel zou snijden. Want in mijn hart is +de zetel mijner smart, en het is gelijk aan het oog van den blinde, +dat het laatste gezichtsvermogen verliest, omdat een stroom van +zilte tranen zonder ophouden daarover vloeit. Misschien zouden die +klaagliederen verlichting geven aan mijne ziel, die zoo vervuld is +van leed als een beker die overloopt. Doch liever zou ik willen, +dat een wolk mij voor eeuwig het zonlicht benam, dat een nevelfloers +alle gesternten voor mij bedekte, dat zwarte rook de lucht verpestte, +die ik moet inademen om te leven, dan te dulden dat Irene's lichaam +misvormd, hare ziel verduisterd, haar gulle lach in jammerkreten en +hare vroolijke kinderzin in somber getreur veranderd werd. Liever +ga ik weg van hier en van u, om met mijne ouders in ellende en dood +onder te gaan, dan dit mede aan te zien, dan dit te verdragen." + +Serapion bedekte bij deze woorden zijn aangezicht met beide +handen. Klea keerde hem echter haastig den rug toe en ging onder +een diepe zucht naar haar kamer. Irene placht haar anders tegemoet +te snellen, wanneer zij hare schreden vernam, doch heden werd Klea +door niemand begroet. In het vertrek begon het door de invallende +nachtelijke duisternis reeds donker te worden, zoodat haar oog zoo +dadelijk hare zuster niet vond, want deze zat ineengehurkt in een hoek, +hield haar gelaat achter beide handen verborgen en weende in stilte. + +"Wat scheelt er aan?" vroeg Klea, terwijl zij hare weenende zuster +bezorgd naderde, zich over haar heen boog en beproefde haar op +te richten. + +"Laat mij met rust," zeide Irene snikkend, wendde zich met eene snelle +beweging half van hare zuster af, en verzette zich als een halsstarrig +kind tegen hare liefkoozingen. + +Toen Klea vervolgens, om haar tot bedaren te brengen, zacht en +vriendelijk de hand streek over hare lokken, sprong zij op en riep op +heftigen toon, onder tranen: "Ik heb sedert een uur moeten weenen, +altijd door weenen. Lysias van Corinthe heeft na den optocht zoo +vriendelijk met mij gesproken, maar gij, gij geeft niets om mij, +en laat mij zoolang alleen in dit akelig morsig hol. Neen, ik houd +het hier niet langer uit, en zoo gij mij niet vasthoudt, vlieg ik +uit dezen tempel, want daar buiten is het helder en vroolijk, maar +hier is het somber en afgrijselijk." + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +In het midden van den witten vestingmuur van Memphis, dat rondom +door bastions en wallen was omgeven, lag het oude koningspaleis, een +eerwaardig, nieuw gepleisterd gebouw van gebakken tegels, met zijne +tallooze voorhoven, gangen, vertrekken, zalen, met in den vorm van +veranda's aangebrachte en bont beschilderde houten bijgebouwen, en +een schoon gemetseld gedeelte, rijk aan zuilen, geheel in Griekschen +stijl opgetrokken. Het was van alle zijden omgeven door een weelderig +aangelegden tuin, en een geheele schare van arbeiders was altijd bezig +de bloembedden, de schaduwrijke paden, de boomen en struikgewassen te +verzorgen, de vijvers schoon te houden, de daarin zwemmende visschen te +voeden, het wildpark na te zien, waarin viervoetige dieren van allerlei +soort, van den olifant met zijn loggen gang tot de vlugge antilope, en +bontgevederde vogels uit alle landen in groote menigte te zien waren. + +Een lichte witte rook steeg op uit de prachtige badzaal. Men hoorde de +honden luide blaffen in hunne hokken en hengsten hinniken, trappelen +en rammelen met hunne halsketens in de lange open paardenstallen. + +Aan het oude paleis sloot zich het theater aan, een nieuw gebouw in een +halven cirkel opgetrokken. Voorts zag men midden in den tuin en buiten +den muur, die er omheen liep, vele groote tenten voor de lijfwachten, +de gezanten en schrijverscolleges, alsmede andere die weder voor +spijszalen dienden voor de hofbeambten. De groote ruimte, waarover men +uit de straten der stad in de koningsburcht kwam, was door de soldaten +ingenomen. Langs de zijden, achter schaduwrijke lanen, lagen de huizen +der manschappen van de wacht en de gevangenissen. Andere krijgers +waren in tenten vlak tegen de muren van het eigenlijke paleis gelegerd. + +Juist op dit oogenblik drongen het gekletter hunner wapenen en de +Grieksche commando's hunner aanvoerders tot de vertrekken door, waarin +de koningin haar verblijf hield. Deze vertrekken waren hoog gelegen, +want Kleopatra hield zich gedurende den zomertijd het liefst op in +luchtige tenten, die opgeslagen waren op het vlakke, met marmeren +beeldzuilen rijk versierde dak van het koninklijk paleis, half onder +breedbladerige planten van het zuiden en geheele boschjes van bloeiend +struikgewas verscholen. + +Slechts een enkele toegang leidde tot dit met vorstelijke pracht +ingericht asyl, waarom dag en nacht de zachte koeltjes van de +rivierzijde speelden. Niemand mocht ongeroepen tot dit verblijf +doordringen en de rust der koningin storen, want aan den voet der +breede trappen, die naar het dak voerden, waakten veteranen uit den +Macedonischen krijgsadel, die Kleopatra niet minder onbepaald hadden +te gehoorzamen, dan den koning zelven. Deze aanzienlijke wacht werd +nu tegen zonsondergang afgelost, en de koningin vernam de bevelen +der officieren, die aan haar hoofd stonden, en het gekletter der +schilden, die tegen de zwaarden sloegen of op den steenen vloer +werden afgezet. Want zij was uit haar tent naar buiten getreden en +richtte hare blikken naar het westen, naar de ondergaande zon, die +den gelen, aan graven zoo rijken en naakten keten van het Libisch +kalksteengebergte, en de in groepen achter elkander zich verheffende +pyramidenrijen overgoot met een wonderbaren gloed, die langzamerhand +ook aan den helderen hemel, die zich welfde over het dal van Memphis, +de dunne zilverachtige wolkjes rooskleurig tintte en met gouden +randen omzoomde. + +De koningin, die thans naar buiten trad met de jonge Griekin, de +blonde Zoë, eene dochter van den opperjagermeester Zenodotus, die van +alle der met haar opgevoede speelgenooten haar het liefst was, bleef, +ofschoon zij naar het westen zag, ongevoelig voor de toovermacht van +dit heerlijk schouwspel. Want terwijl zij, om den verblindenden glans +der zonnestralen af te weren, de vlakke hand als een scherm boven +hare oogen hield, zeide zij: + +"Waar mag toch Cornelius gebleven zijn? Toen wij voor den tempel +onzen wagen bestegen, was hij verdwenen, en zoo ver ik den weg +in het gebied van Sokari en Serapis overzien kan, bespeur ik noch +zijn wagen, noch dien van Eulaeus, die hem vergezellen moest. Het is +alles behalve beleefd, zóo heen te gaan zonder afscheid te nemen. Ja, +ik zou het ondankbaar kunnen noemen, daar ik beloofd had hem op den +terugrit te vertellen van mijnen broeder Euergetes, die heden middag +met zijne vrienden is aangekomen, en dien hij toch ook nog niet kent, +daar Euergetes zich in Cyrene ophield, toen Publius Cornelius Scipio +te Alexandrië aan wal stapte.--Ziet gij die zwarte schaduwen daar +bij de wijnbergen van Kakem? Dat is hij misschien! Maar neen, gij +hebt gelijk, dat zijn vogels, die dicht bij elkander over den weg +vliegen. Gij ziet dus ook verder niets? Niets? En wij hebben beiden +toch jonge scherpe oogen.--Ik ben benieuwd hoe Euergetes aan Publius +Scipio bevallen zal. Er zijn schier geen twee wezens, die meer van +elkander verschillen dan zij, en toch hebben zij iets wezenlijks met +elkander gemeen." + +"Beiden zijn mannen," viel Zoë de koningin in de rede, en zag +haar daarbij aan, als verwachtte zij een woord van bijval van hare +meesteres. + +"Dat zijn zij," antwoordde Kleopatra trotsch. "Wel is waar is +mijn broeder nog zoo jong, dat hij, als hij geen koningszoon was, +nauwelijks den kring der knapen ontwassen, en onder andere epheben +[10] een jonkman zou zijn, en toch vindt hij onder anderen bijna +niemand, die hem in wilskracht en stoutmoedigheid in het handelen +overtreft. Hij heeft reeds eer ik met Philometor huwde, Alexandrië +en Cyrene zich toegeëigend, dat rechtens toekomt aan mijn echtgenoot, +die de oudste van ons drieën is. Dit was wel niet broederlijk van hem +gehandeld, en wij zouden zeker nog vele andere gronden hebben om boos +op hem te zijn. Maar toen ik hem onlangs na negen maanden weder zag, +vergat ik dit alles en ik heette hem welkom, als had die jonge titan, +van wien het niemand zou behoeven te verwonderen, wanneer het hem eens +gelukte den Pelion op den Ossa te stapelen, enkel weldaden bewezen aan +mij en zijn broeder, die nu toch eenmaal overeenkomstig de gewoonte +in het geslacht der pharaonen en het gebruik van ons huis mijn gemaal +is. Ik weet wel hoe wild hij soms zijn kon, hoe hij alle perken kon te +buiten gaan en teugelloos voorthollen, maar ik vergeef het hem licht, +daar ook in mijne aderen het bloed snel vliet, en omdat de bron, +waaruit zulke uitspattingen voortkomen, kracht is, echte onbedwingbare +kracht. Zulk een degelijke kracht is het juist wat wij het liefst in +mannen bewonderen, daar dit de eenige gave is, die de goden ons met +spaarzamer hand hebben toebedeeld dan hun. Het leven vermag vaak de +al te snelle stroomen te beteugelen, maar of het gelukken zal met +den geweldigen loop van dezen, durf ik betwijfelen. In elk geval +komt zulk een stroom vooruit, en blijft krachtig tot het einde, dat +hem zeker eens plotseling overvalt, en zulk een wild water is mij +wel zoo lief als een kalme vliet in de vlakte, die niemand schade +doet en die om lang te leven ten laatste in een moeras verdampt. Zoo +iemand, dan mag men hem dat opbruisend karakter vergeven, want even +mateloos en buitengewoon als zijne gebreken, ja ik zeg het ronduit, +zijne ondeugden zijn, zijn toch ook, als hij maar wil, de groote +eigenschappen van mijn broeder, die oud en jong betooveren. En wie +overtreft hem in Griekenland en Egypte in scherpzinnigheid en energie?" + +"Gij moogt trotsch op hem zijn," antwoordde Zoë. "Zoo hoog als +Euergetes kan zelfs een Publius Scipio niet vliegen." + +"Maar daarentegen mist Euergetes die vaste en kalme zekerheid van +Cornelius. De man, die de goede eigenschappen dezer beiden in zich +vereenigt, behoeft, zou ik denken voor geen god te wijken." + +"Hij zou onder ons, onvolkomene stervelingen, de eenige volmaakte +zijn," gaf Zoë ten antwoord. "Maar een volmaakt mensch kunnen de goden +niet dulden, daar zij zich anders de moeite zouden moeten geven met +een van hunne schepselen te wedijveren." + +"Daar komt er nog een aan, in wien niets valt af te keuren," riep de +jonge koningin, terwijl zij eene rijk gekleede vrouw van middelbaren +leeftijd te gemoet ijlde, die haar kind, een tweejarig bleek knaapje, +tot haar bracht. Teeder, maar met onstuimige drift greep zij naar den +kleine, om hem op den arm te nemen, maar het zwakke kind, hetwelk haar +eerst had toegelachen, verschrikte, wendde zich eensklaps van haar +af, en trachtte zijn smal gezichtje te verbergen in het kleed van de +aanzienlijke voedster, terwijl het de armpjes om haar hals sloeg. + +De koningin wierp zich dadelijk op de knieën, vatte daarna het +knaapje bij den schouder, en deed al haar best, eerst door vleiende +woorden, vervolgens met geweld, om het te bewegen de plooien los te +laten van het kleed, waarin het zich schuil hield, en zich tot haar +te wenden. Doch niettegenstaande de vrouw, die ook de min van het +knaapje was geweest, de pogingen der koningin ondersteunde, door +het vriendelijk toe te spreken, zoo begon het kind toch van angst +te schreien, en zich des te heftiger te verweren tegen de teedere +liefkozingen van zijne moeder, naarmate deze te hartstochtelijker +moeite deed om het tot zich te lokken. Eindelijk hief de voedster den +jongen prins in de hoogte en wilde hem aan zijne moeder overreiken, +doch nu ging het schreien van de weerspannige kleine, die zijne +armpjes krampachtig vastklemde om den hals zijner voedster, in luid +schreeuwen over. + +Terwijl door de moeder deze niet zeer aangename strijd werd gevoerd +tegen de eigenzinnigheid van haar kind, liet zich in den voorhof +van het paleis het geratel van raderen en den hoefslag van paarden +hooren. Nauwelijks had de koningin dit geluid vernomen, of zij keerde +zich van het schreiende knaapje af en snelde naar de borstwering van +het dak, terwijl zij Zoë toeriep: + +"Publius Scipio komt! Het is meer dan tijd, dat ik mij voor het +feestmaal kleed. Wil die onaardige jongen nog altijd niet zoet +zijn? Breng hem dan maar weg, Praxinoa, en weet, dat ik zeer +ontevreden op u ben. Want gij vervreemdt mijn eigen kind van mij, +om den toekomstigen koning voor u te winnen. Dat moge eene beuzeling +schijnen, maar het bewijst mij dat gij onbekwaam zijt, en niet +geschikt voor het ambt, dat u werd toevertrouwd. Gij hebt uw plicht +als min vervuld, doch ik zal eene andere vrouw voor den knaap zoeken +en vinden. Geene tegenspraak! Geene tranen! Ik heb al genoeg aan de +tranen van het kind." + +Met deze woorden, luid en hartstochtelijk uitgesproken, keerde zij zich +af van Praxinoa, de vrouw van een aanzienlijk man van Macedonischen +adel. Terwijl deze als versteend bleef staan, ging zij in hare tent, +waarbinnen zooeven eenige lampen met verschillende armen op kleine +sierlijk bewerkte tafeltjes waren geplaatst. Deze laatste waren, +evenals alle gereedschappen in de kleedtent der koningin, vervaardigd +uit gepolijst elpenbeen, dat fraai uitkwam tegen het hemelsblauwe, +met zilveren leliën en aren doorweven tentdoek, de tijgervellen, +waarmede alle kussens overtrokken waren, en de witte wollige met een +blauwe guirlande omzoomde vloertapijten. + +De koningin wierp zich onstuimig op een zetel voor haar kleedtafel +neder, keek zoolang in den spiegel, alsof zij haar gelaat en haar dik +roodblond haar voor de eerste maal zag, en zeide daarop, zich half +tot Zoë wendende, half tot hare uitverkorene kamenier uit Athene, +die met andere dienstmaagden achter haar stond: + +"Het was eene dwaasheid, mijn donker haar blond te verwen. Doch nu moet +het zoo blijven, want Publius Scipio, die geen begrip heeft van onze +kunsten, heeft deze kleur buitengemeen schoon gevonden, en hij behoeft +niet te weten van waar ze komt. Het Egyptisch hoofdtooisel daar, +met den kop van een gier, waarmede de koning mij het liefst ziet, +vinden Lysias en ook de Romein barbaarsch. Zoo moet ook ieder het +noemen, die met de Egyptenaars niets te maken heeft. Doch wij zijn +heden avond toch onder ons, en daarom wil ik den krans van gouden +aren met druiven van Saphir opzetten. Meent gij, Zoë, dat daarbij +het doorzichtig gewaad van bombyx zal passen, dat gisteren uit Cos +is gekomen? Maar het bevalt mij niet, want het is te dun geweven, +het is niet in staat iets te verbergen, en ik mis juist tegenwoordig +de noodige ronding. Een gevolg van dat eeuwigdurend verdriet, de +gejaagdheid, die zorgen! Hoe moest ik mij gisteren weder weren in +den raad; want mijn gemaal geeft altijd maar toe, stemde met alles +in en wilde het ieder naar den zin maken. Als iets afgekeurd moet +worden, dien ik tusschen beide te komen, hoe ongaarne ik het ook +doe, en hoezeer het mij ook tegen de borst stuit, dat ik anderen +boos maken, teleurstellen, iets weigeren moet. Ik moet mij dat laten +welgevallen, mij hard en ongevoelig voordoen, om voor mijn echtgenoot +den twijfelachtigen roem te bewaren, dat hij de zachtmoedigste en +vriendelijkste van alle mannen en vorsten is. Daar mijn zoon een +eigen wil heeft, geeft dit aanleiding tot hevige tooneelen, maar +het is beter zóo, dan dat die kleine Philopator zich maar in ieders +armen zou werpen. De opvoeding van een knaap moet allereerst hierin +bestaan, dat men hem leert 'neen' te zeggen. Zelve zeg ik dikwijls +'ja' als ik het niet moest doen, maar ik ben eene vrouw, en wij +zijn schooner als wij toegeven, dan wanneer wij ons verzetten. En +wat toch is ons van meer gewicht dan schoon te zijn! Laten wij dus +blijven bij dit lichtblauwe gewaad, en leggen wij daarover dit net +van gouddraad met die Saphiren op de knoopen. Dat zal goed passen +bij het hoofdtooisel.--Ga voorzichtig met de kam te werk, Thaïs, want +gij doet mij pijn!--Ik mag niet langer praten. Zoë geef mij die rol +daar aan. Ik wil een weinig tot mijzelve komen, vóor ik naar beneden +ga, om mij met de mannen aan het gastmaal te onderhouden. Wanneer +men het doodenrijk en den Serapis heeft bezocht, en wij herinnerd +zijn geworden aan de onsterflijkheid der ziel en aan het lot dat +haar wacht in eene andere wereld, dan wil men gaarne eens herlezen, +wat de beminnenswaardigste onder alle denkers over dergelijke dingen +weet te zeggen.--Hier moogt gij beginnen, Zoë!" + +De speelgenoote van Kleopatra gaf de dienstmaagden, die niets te doen +hadden, een wenk, dat zij zich zouden verwijderen; zijzelve zette +zich neder op een laag kussen tegenover de koningin, en begon met eene +geoefende stem vol uitdrukking te lezen. Zij las altijd door, zonder +dat eenig ander geluid haar stoorde, dan het geklingel der sieraden, +het geruisch der kostbare stoffen, het druppelen van de olieën en +reukwerken, die in kristallen schalen werden uitgegoten, de korte en +zacht gefluisterde vragen der meisjes, die de koningin tooiden, en +de niet minder haastig en onmerkbaar gegevene antwoorden van Kleopatra. + +Allen die zich niet bezighielden met de persoon van de koningin--en +er waren zeker wel twintig jongere en oudere vrouwen, die in groepen +langs de wanden van de groote tent stonden of op kussens op den grond +zaten--wachtten, zonder zich te verroeren, als had de machtspreuk van +een toovenaar hen doen verstijven, het oogenblik af, waarop het ook +hunne beurt zou worden diensten te bewijzen. Alleen door hunne oogen +en door zachte bewegingen van de vingers wisselden zij met elkander +van gedachten, want zij wisten dat de koningin zeer ongaarne werd +gestoord, terwijl men haar voorlas, en dat zij zich niet ontzag alles +wat in strijd was met hare wenschen en neigingen, als een knellenden +schoen of eene versletene snaar van zich te werpen. + +De trekken van Kleopatra waren onregelmatig en scherp, hare +kaakbeenderen en lippen, waarachter sneeuwwitte doch ver van elkander +staande tanden glinsterden, te sterk ontwikkeld. Doch zoolang zij haar +best deed om hetgeen werd voorgelezen te volgen en te begrijpen, en +met schitterende oogen, als die eener profetes, en met half geopenden +mond naar de woorden van Plato geluisterd had, was het alsof zij +door een onbeschrijflijk fijnen lichtgloed werd omschenen, die uit +eene hoogere wereld afkomstig scheen en haar ten hoogste bekoorlijk +maakte. Toen was zij veel schooner dan thans, nu haar toilet gereed +was, en zij, nadat Zoë Plato uit de hand had gelegd, door de vrouwen +die haar omgaven met luide en overdreven vleiende woorden werd begroet. + +De koningin zag zich gaarne zoo levendig toegejuicht, en om de +bewondering van velen te kunnen genieten, moest, terwijl men haar +optooide, het aantal vrouwen bij haar kaptafel zoo groot zijn. Van alle +zijden werden haar spiegels voorgehouden, en ieder beijverde zich om de +plooien beter te leggen, of de met edelsteenen versierde riemen harer +sandalen recht te trekken. Deze prees de volheid harer lokken, eene +andere haren slanken lichaamsbouw, of het teedere harer gewrichten, +of hare buitengewoon kleine handen en voeten. Een meisje maakte een +ander, luid genoeg om door de koningin gehoord te worden, opmerkzaam +op den glans harer oogen, die reiner was dan die der saphiren van +haar voorhoofd en gewaad. En de kamenier Thaïs uit Athene verzekerde, +dat Kleopatra gezetter was geworden, want haar gouden gordel was +heden veel minder gemakkelijk te sluiten dan tien dagen geleden. + +Thans gaf de koningin een wenk; Zoë wierp een zilveren kogel in een +bekken van hetzelfde metaal, dat rijk met drijfwerk was versierd, en +terstond daarop lieten zich voor de opening van de tent de voetstappen +der lijfwacht hooren. + +Kleopatra trad naar buiten, overzag met een haastigen blik het door +brandende pekpannen en fakkels helder verlichte dak, en de marmeren +beeldwerken, die tegen het donker loof duidelijk uitkwamen, en ging +toen, zonder om te zien naar de tent, waarin hare kinderen sliepen, +naar den draagstoel, dien Macedonische edelen op het dak gedragen en +dáar neergezet hadden. Zoë en de Atheensche Thaïs ondersteunden haar, +toen zij in den draagstoel steeg, en de speelgenooten, dienstmaagden +en andere vrouwen, die uit naburige tenten waren toegesneld, vormden +een boog aan beide zijden van haren weg, en lieten luide kreten van +vreugde en bewondering hooren, toen hare meesteres, hoog verheven op +de schouders van die haar droegen, allen voorbijzweefde. De diamanten +aan het handvatsel van Kleopatra's veeren waaier fonkelden, toen zij +hare vrouwen groette met eene genadige vriendelijkheid, welke hem die +begroet wordt herinnert hoe ver hij staat beneden hem die groet. Elke +beweging harer hand was koninklijk trotsch en afgemeten, in hare oogen +was echter duidelijk te lezen, hoe de jonge vrouw zich ongedwongen +verlustigde in haar kostbaar en schoon toilet, hoe zij ingenomen was +met haar eigen persoon en zich verblijdde in het vooruitzicht van +vroolijke feestelijke uren. + +Eindelijk verdween de draagstoel in de poort van de breede trappen, +die naar het dak leidden, en de Atheensche Thaïs zuchtte zacht in +zichzelve en dacht: "Kondt gij ook maar eens in zulk een sierlijke +schulp van met allerlei kleuren schitterend paarlemoer als eene godin +door de lucht zweven, gedragen door schoone jongelingen, gevierd en +van alle zijden toegejuicht! Daar boven trekt de wassende Selene de +nietige sterren koel en zwijgend voorbij, en evenzoo trok zij met hare +in purper gekleede fakkeldragers hier tusschen de tenten door, alle +vlammen en lichten ook ons armen voorbij, naar het feestmaal. En naar +welk een maaltijd, en welke gasten! Allen hierboven jubelden haar toe, +en het kwam mij voor, als had zelfs onder die koude marmerbeelden dáar +het ernstige gelaat van Zeno den mond geopend, en haar een vleiend +woord nageroepen. En toch zouden Zoë, en de blonde Lysippa, en de +zwartlokkige dochter van Demetrius, en ik, arm schepsel, schooner, +veel schooner zijn dan zij, als wij ons met kostbare kleederen en +juweelen konden tooien, waarvoor koningen gaarne hun rijk zouden +verkoopen; als wij eveneens Aphrodite konden nadoen met te tronen in +een schulp, die, als dreef zij in de zee, op smaragdgroen vloeispaath +rust; als dolfijnen, met paarlen en turkooizen bezet, onze voetbanken +waren, en witte struisvederen als zilveren wolkjes, die in Athene op +schoone lentedagen den hemel sieren, boven onze hoofden zweefden. Dat +doorzichtig gewaad, hetwelk zij niet durfde aantrekken, zou mij wel +mooi staan! Als het toch eens waarheid was, wat Zoë gisteren moest +voorlezen, dat de zielen der menschen bestemd zijn om altijd weder in +eene nieuwe gedaante op aarde te wandelen! Misschien kwam dan mijne +ziel nog eens in een koningskind ter wereld! Een prins zou ik liever +niet worden, want van dien wordt zooveel gevorderd, maar wel eene +prinses. Wat zou dat heerlijk zijn!" + +Zulke en nog meer dergelijke dingen droomde Thaïs, terwijl Zoë vóor +de tent van het vorstelijk kind met hare nicht, de eerste opvoedster +van prins Philopator, een zacht en druk gesprek hield. + +De min van den koninklijken knaap droogde van tijd tot tijd hare +oogen af, terwijl zij onder hartstochtelijk snikken sprak: "Mijn +eigen kleintje, mijne andere kinderen, mijn echtgenoot en ons fraai +huis in Alexandrië heb ik verlaten, om een prins te zoogen en hem +op te voeden. Mijn geluk, mijne vrijheid, mijne nachtrust heb ik +opgeofferd ter wille van de koningin en dit knaapje. En hoe word ik nu +daarvoor beloond! In tegenwoordigheid van u en hare speelgenooten, +zegt mij die nauwelijks negentienjarige vrouw, die nog half een +kind is, op dezen tienden dag den dienst op, alsof ik eene gehuurde +dienstmaagd was en niet de dochter en de vrouw van een edelman. En +dat waarom? Omdat in haar zoon het onstuimige bloed vloeit van haar +geslacht, omdat de knaap niet in de armen wil vliegen eener moeder, +die dagen achtereen niet naar hem vraagt, en alleen in oogenblikken, +wanneer zij elke andere luim bevredigd en niets beters te doen heeft, +zich om hem bekommert. De vorsten deelen hun gunst en hunne ongenade +alleen billijk uit, zoolang zij kinderen zijn. Die kleine weet zeer +goed te onderscheiden wat ik voor hem ben en doe, en wat Kleopatra voor +hem is. Kon ik het over mij verkrijgen hem heimelijk te mishandelen, +dan zou deze moeder, die toch zoo weinig moeder toont te zijn, weldra +haar zin krijgen. Hoe zwaar het mij ook valt dit zwakke kind, dat mij +zoo na aan het hart ligt, alsof het mijn eigen kind was,--ja nader +nog, durf ik wel zeggen--reeds nu te verlaten, zoo wil ik het toch +doen, zelfs op gevaar af dat Kleopatra ons, mij en mijn echtgenoot, +in het ongeluk zal storten, gelijk zij reeds zoo menigeen deed, +die het waagde haar wil te weerstreven." + +De min van den prins begon luide te weenen; maar Zoë legde haar +hand op den schouder der beproefde, en zeide om haar te troosten: +"Ik weet dat gij meer van de luimen van Kleopatra te lijden hebt, dan +wij allen. Maar neem toch geen overhaast besluit! Morgen zendt zij u, +gelijk zij vaak deed als zij u beleedigd had, een fraai geschenk, +en wanneer zij u telkens en telkens weder krenkt, zal zij het ook +telkens en telkens weder goed trachten te maken, tot dit jaar voorbij +is, wanneer gij uw plicht bij den prins hebt vervuld, en weder naar +uw gezin kunt terugkeeren. Wij moeten allen geduld oefenen. Wij leven +als lieden, die een bouwvallig huis bewonen, en wien heden een steen +en morgen een balk op het hoofd of de voeten dreigt te vallen. Nemen +wij kalm op wat ons treft, dan tracht men onze wonden te heelen, doch +spreken wij tegen, dan mogen alle goden ons genadig zijn. Kleopatra +toch is als een gespannen boog, waaraan de pijl ontvliegt zoodra ook +maar een kind, eene muis, een tochtje de pees beroert; zij is als een +boordevol vat, dat overvloeit, wanneer een blad, een nieuwe druppel, +een enkele traan daarin valt. Wij allen zouden onder een leven als +het hare bezwijken, maar zij heeft ieder uur afwisseling noodig, iets +wat haar opwekt en opnieuw in spanning brengt. Zij komt laat van het +gastmaal; nauwelijks zes uren ligt zij, onrustig slapende, te bed, +en tot op het tijdstip dat wij haar weder voor den maaltijd tooien, +gunt zij zich zelf niet zoolang rust als het steentje noodig heeft, +om uit de klauw van den kraanvogel ter aarde te vallen. Uit den raad +komende gaat zij over tot geleerde gesprekken; zij laat de boeken +liggen om in den tempel te offeren en te bidden; uit het heiligdom +komende, begeeft zij zich naar de werkplaatsen der kunstenaars; +van de schilderijen en de beeldzuilen weder in de audientiezaal; +na het ontvangen van onderdanen en vreemdelingen weder in het +schrijfvertrek; na het beantwoorden van brieven weder naar den +optocht en de offerande; na de vervulling dezer godsdienstplichten +weder hierheen en in de kleedtent, waar zij, terwijl men haar toilet +maakt, luistert naar mijne voorlezing uit diepzinnige geschriften. En +hoe scherp luistert zij! Geen woord ontgaat haar, en geheele volzinnen +weet zij te onthouden. Door die eindeloos afwisselende inspanning moet +hare ziel wel zijn als een lid van ons lichaam, dat ziek is doordat +wij er al te veel van vergden, en pijn doet wanneer men het onzacht +aanraakt. Wij zijn in haar oog niets anders dan ellendige muggen, +waarnaar men slaat, wanneer zij het ons te lastig maken, en de goden +mogen hem genadig zijn, dien de hand dezer koningin treft! Euergetes +slaat met zwaarden doormidden, wat hem in den weg staat; Kleopatra +steekt met dolken, en in hare hand is èn hare eigene macht èn die +van haren gehoorzamen gemaal vereenigd.--Ga dus niet weg! Duld, wat +gij niet kunt afwenden, evenals ik niet mor, wanneer ik mij onder +het lezen verspreek, en zij mij de rol uit de hand rukt en voor de +voeten werpt. En dan heb ik slechts voor mijzelve te vreezen, maar +gij ook voor uw man en uwe kinderen." + +Praxinoa boog, hoewel bedroefd, het hoofd, ten teeken van toestemming, +en zeide: "Heb dank voor deze woorden. Ik denk altijd alleen met +het hart, maar gij het meest met het hoofd. Gij hebt gelijk; ook +ditmaal blijft mij niets over dan mij geduldig te schikken. Maar heb +ik eens de taak vervuld, die ik hier op mij nam, en ben ik weder te +huis, dan laat ik een groot offer slachten voor Asklepius en Hygiea, +alsof ik van eene zware krankheid genezen was. Dit weet ik nu reeds, +dat ik liever als eene arme dienstmaagd aan den handmolen sta, dan +dat ik met deze rijke en vergode koningin zou willen ruilen, die, +om haar leven ten volle te kunnen genieten, gejaagd en onrustig het +beste voorbijvliegt, wat dit aanzijn den mensch biedt. Zulk een leven +zonder rust, komt mij schrikkelijk, allerverschrikkelijkst voor, +en hoe dor en ledig moet het hart eener moeder zijn, die zich met +zooveel andere dingen heeft bezig te houden, dat zij de liefde van haar +eigen kind, die zelfs iedere dagloonersvrouw verkwikt, niet vermag te +winnen. Liever alles, alles geduldig dragen, dan zóo koningin te zijn." + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +"Hoe, niemand hier die mij tegemoet komt?" vroeg de koningin, toen zij +genaderd was aan den voet van den porphieren trap, die leidde naar de +voorzaal, waardoor men de feestzaal binnentrad. Zij zag verstoord de +kamerdienaren aan, die haar begeleidden, en herhaalde, terwijl zij +de kleine hand tot een vuist balde: "Ik kom, en vind hier niemand!" + +Dit 'niemand' had in dit geval eene bijzondere beteekenis, want op +den met marmerplaten belegden vloer van de groote ruimte, die rondom +door zuilengangen was omgeven, waarboven de sterrenhemel als een dak +was uitgespannen en waarheen de koningin wees met hare hand, stonden +meer dan honderd Macedonische lijfwachten, in den rijksten wapendos, +en even zoovele aanzienlijke hofbeambten, die de titels droegen van +vaders, broeders, verwanten, vrienden en bijzondere vrienden des +konings. Deze allen ontvingen hunne gebiedster met een veelstemmig: +"heil!" maar Kleopatra scheen niemand hunner een blik waardig te +achten. Deze menigte was in haar oog nog minder dan de lucht, die wij +moeten inademen om te leven; zij was voor haar als de lastige rook, +als dwarrelend stof, waarvoor wij gaarne uit den weg zouden gaan, +doch dat de wandelaar zich toch getroosten moet, om verder te komen. + +De koningin had verwacht, dat de weinige gasten, die zij en haar +broeder Euergetes zich voor dit gastmaal hadden uitgekozen, haar aan de +trappen zouden welkom heeten, dat zij haar, die zich hoog verheven in +haar schelpvormigen draagstoel eene godin gelijk achtte, naar omlaag +zouden zien zweven. Zij had zich reeds verheugd op de bewondering van +den door dit schouwspel getroffen Romein, en op de vleierij van den +Korinthiër Lysias. Thans was het meest indrukwekkend oogenblik in de +rol, die zij dezen avond dacht te spelen, onopgemerkt voorbijgegaan, +en de gedachte kwam bij haar op zich weder terug te laten dragen naar +haar dak, om eerst, wanneer zij zeker kon zijn van de aanwezigheid +der gasten, hen nog eenmaal tegemoet te zweven. Maar meer nog dan al +het andere, zelfs meer dan smart en berouw, vreesde zij den schijn +van zich belachelijk te maken. Zij liet derhalve de dragers bevelen +stil te staan, en terwijl de overste dergenen, die de gasten moesten +binnenleiden, zijne waardigheid vergetende, op een draf wegvloog, +om haar gemaal hare nadering te melden, gaf zij de voornaamsten +der rijksgrooten een wenk, ten einde met koele vriendelijkheid +eenige genadige woorden tot hen te richten. Doch slechts weinige, +want weldra vlogen de deuren van thyia-hout, waarmede de eigenlijke +feestzaal gesloten was, open, en de koning trad met zijne vrienden +Kleopatra tegemoet. + +"Hoe konden wij u zoo vroeg verwachten!" riep Philometor zijne +gemalin toe. + +"Is het dan inderdaad nog vroeg?" vraagde de vorstin, "of verras ik +u alleen, omdat gij vergeten hebt mij op te wachten?" + +"Hoe onbillijk zijt gij!" hernam de koning. "Gij moest toch weten dat +gij, hoe vroeg gij ook moogt verschijnen, naar mijn wensch altijd te +laat komt." + +"En naar onze wenschen," zeide de Korinthiër Lysias, "noch te vroeg, +noch te laat, maar ter juister tijd, evenals het geluk, de overwinning +en de genezing." + +"De genezing, die eene ziekte onderstelt?" vroeg Kleopatra, en er +kwam weder vuur en opgewektheid in hare glinsterende oogen. + +"Ik begrijp Lysias volkomen," zeide Publius, voor den Korinthiër +het woord opvattende, "want ik ben eens op het veld van Mars met +mijn paard gevallen, moest weken lang op mijne legerstede blijven +liggen, en weet bij ervaring dat er geen zaliger gewaarwording is, dan +wanneer men herstelt en de verloren krachten voelt terugkeeren. Hij +heeft dus willen zeggen, dat men zich in uwe nabijheid bijzonder wel +moet gevoelen." + +"Veelmeer," dus liet Lysias hier dadelijk op volgen, "schijnt onze +koningin mij toe de genezing zelve te zijn, daar wij ons, zoolang +zij in ons midden werd gemist, krank gevoelden en smachtten van +heimwee. Uwe nadering, Kleopatra, is de krachtigste artsenij en geeft +ons de verlorene gezondheid weder!" + +Kleopatra boog bevallig en als tot dank met haren veeren waaier, +en draaide daarbij snel het handvatsel, opdat de daarop bevestigde +diamanten helder zouden schitteren. Daarop wendde zij zich tot de +beide vrienden en zeide: "Uwe vriendelijke woorden zijn wel gemeend, +en staan in verhouding tot elkander als twee steenen in een kleinood +gevat, waarvan de een fonkelt, omdat hij kunstig werd geslepen en aan +alles wat licht geeft vele spiegelvlakken aanbiedt, maar de ander +omdat hij echt is en zijn eigen vuur bezit. Het echte en het ware +zijn éen; de Egyptenaars hebben ook voor beide maar éen woord, en +uwe vriendelijke toespraak, mijn Scipio--maar ik mag u wel Publius +noemen, niet waar?--uwe vriendelijke toespraak, Publius, schijnt +mij meer waar te zijn, dan die van uw scherpzinnigen vriend, wiens +woorden voor ijdeler ooren dan de mijne berekend zijn. Ik bid u, +reik mij thans uwe hand!" + +De schelp waarin zij gezeten was werd nedergelaten, en door Publius +en haar gemaal ondersteund, steeg de koningin uit en begaf zich met +hare gasten naar de feestzaal. + +Zoodra het voorhangsel achter haar gesloten was en Kleopatra zacht +eenige woorden met den koning had gewisseld, richtte zij zich weder tot +den Romein, wien de eunuuch Eulaeus inmiddels op zijde was getreden, +en sprak: "Gij komt uit Athene, Publius, doch gij schijnt daar de +lessen over de logica niet bijzonder trouw gevolgd te hebben. Hoe is +het anders mogelijk dat gij, die de gezondheid voor het hoogste goed +houdt en die zooeven verklaardet u nergens zoo wel te gevoelen als +in mijne nabijheid, dat gij mij na den optocht, geheel tegen onze +afspraak, zoo snel verlaten kondt? Mag ik vragen welke bezigheden..." + +"Onze edele vriend," antwoordde de eunuuch met een diepe buiging, +zonder de koningin te laten uitspreken, schijnt een bijzonder +welgevallen gevonden te hebben in de gebaarde kluizenaars van Serapis +en bij hen zijne Atheensche studiën te willen voltooien." + +"Daaraan heeft hij goed gedaan," hernam Kleopatra, "want van hen +kon hij leeren, zijne aandacht te vestigen op dat derde gedeelte van +het leven, waarvan men in Athene het minst spreekt, op de toekomst, +bedoel ik--" + +"Deze behoort aan de goden," gaf de Romein ten antwoord. "Zij +komt vroeg genoeg, en daarover heb ik ook met den kluizenaar niet +gesproken. Eulaeus mag wel weten, dat integendeel alles, wat ik van +den zonderlingen man in het Serapeum vernam, op verledene dingen +betrekking heeft." + +"Maar hoe is het mogelijk," vroeg de eunuuch op zijn beurt, "dat +iemand, wien eene Kleopatra aanbood haar gezelschap te schenken, +zoo lang aan iets anders dacht, dan aan de heerlijkheid van het +tegenwoordige?" + +"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde Publius haastig, "dat gij +voor het tegenwoordige in de bres springt, en liever niet om uw +verleden denkt." + +"Dat verleden was rijk aan zorg en moeite," antwoordde de eunuuch +met groote zelfbeheersching, "gelijk mijne vorstin wel weet door +hare vorstelijke moeder, en uit eigene ervaring. Zij zal mij ook +weten te beschermen tegen den onverdienden haat, waarmede machtige +vijanden mij schijnen te willen vervolgen. Veroorloof mij, koningin, +dat ik eerst laat aan den maaltijd verschijn. Deze edele heer liet +mij uren lang in het Serapeum wachten, en de plannen aangaande de +nieuwe gebouwen in den Isistempel van Philae moeten nog heden in orde +worden gebracht, om morgen vroeg in den raad uw hoogen gemaal en zijn +verheven broeder Euergetes..." + +"Gij zijt verontschuldigd," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende. + +Nadat Eulaeus zich verwijderd had, kwam de koningin dichter bij +Publius en zeide: "Gij zijt boos op dezen misschien niet aangenamen, +maar in elk geval bruikbaren en verdienstelijken man. Mag ik vragen, +of alleen zijn persoon u afstoot, dan of er daadzaken zijn, die uwen +afkeer, en als ik wel heb gezien, uwe bitter vijandelijke gezindheid +tegen hem hebben gewekt?" + +"Beide," antwoordde Publius. "Ik vermoedde van den aanvang in dezen +eunuuch niets goeds te zullen vinden, en weet thans dat, als ik mij +in hem bedrogen heb, dit in zijn voordeel is geweest. Tegen morgen +vraag ik u een uurtje gehoor; dan wil ik u een en ander omtrent +hem mededeelen, dat niet past op dezen avond, die aan de vreugde +is gewijd, want het betreft treurige dingen, die afkeer wekken. Gij +behoeft niet nieuwsgierig te zijn, want het zijn zaken die tot het +verledene behooren, en u noch mij aangaan." + +Dit onderhoud werd afgebroken door den opperhofmeester en den schenker, +die allen aan tafel noodigden, en weldra was het koninklijk echtpaar +met zijne gasten aangelegen. + +In het middelmatig groot vertrek, waarin Ptolemaeus Philometor het +liefst met weinige uitverkorene vrienden placht feest te vieren, +paarde zich Oostersche pracht aan de schoonheid van Grieksche +vormen. Evenals de groote receptiezaal en de mannenzaal, waarin de +gasten van den koning zich verzamelden, met zijne twintig deuren en +hooge porfierzuilen, ontving het zijn licht van boven, want alleen de +vensterlooze wanden en sierlijke albasten zuilen met hunne Korinthische +akantus-kapiteelen droegen eene smalle overdekking, de middenruimte +was echter onbedekt. Thans, nu het vertrek rondom door honderden +lampen werd verlicht, was over deze wijde opening, waardoor het bij +dag beschenen werd door den helderen zonneglans, een van gouddraad +gevlochten en met halve manen en sterren van blinkend bergkristal +versierd net, klein van mazen, uitgespreid om de vleermuizen en +nachtvlinders, die op het licht komen toevliegen, af te weren. + +Ook de eetzaal des konings was bijna daghelder verlicht, en wel door +talrijke veelarmige luchters, die door lieflijke kindergestalten van +marmer en metaal werden gedragen. Elke voeg van de mozaïkschilderij +op den vloer, welke de komst van Hercules op den Olympus, den maaltijd +der goden en de verbazing van den overbluften held over de pracht van +het hemelsche drinkgelag voorstelde, was duidelijk te onderkennen, +en honderd vlammen spiegelden zich langs de wanden in het gepolijste +gele marmer uit de groeven van Hippo Rhegium. Daar hadden bekwame +kunstenaars van kostbare steenen, als lazuursteen, malachiet, kwarts, +bloedjaspis, achaat en chalcedon, allerlei afbeeldingen ingelegd +van vruchten, muziekinstrumenten en groepen van geschoten wild. Op +de pijlers zag men de maskers der muzen van het blijspel en van het +treurspel, fakkels, thyrsusstaven met wijnranken en klimop omwonden en +Pansfluiten. Deze laatste ornamenten waren van gedreven goud en zilver, +met half-edelsteenen bezet, en lagen op den marmeren ondergrond, als +de metalen knoppen van lederen schilden, of het rijke beslag op de +scheede van een zwaard. Langs de friesen zagen de gasten eene schoone +voorstelling in relief van een Dionysos-optocht, dien de beeldhouwer +Brayxis voor Ptolemaeus Soter gemodelleerd en in elpenbeen en goud +uitgevoerd had. + +Al wat het oog in dit vertrek boeide was schoon en kostbaar, en droeg +vooral een vroolijk karakter voordat Kleopatra den troon beklom. Doch +zij had, even als in hare woonvertrekken, zoo ook hier de borstbeelden +der groote Helleensche wijsgeeren en dichters, van Thales uit Miletus +tot Strato, die het toeval op den troon der godheid plaatste, van +Hesiodus tot Kallimachus, op marmeren voetstukken doen plaatsen, en het +masker van de tragische muze doen plaatsen naast dat der komische. Want +aan haar tafel, placht zij te zeggen, wenschte zij niemand te zien, +wien een degelijk en ernstig gesprek niet hooger genot kon schenken, +dan spijs, drank en gelach. + +In plaats van gelijk andere vrouwen op een stoel, of aan het voeteinde +van het rustbed van haar gemaal, in zittende houding, het gastmaal bij +te wonen, lag zij op haar eigen rustbed, waarachter de borstbeelden +stonden van de dichteres Sappho en van Aspasia, de vriendin van +Pericles. Zij matigde zich als een recht aan voor eene wijsgeer, en zoo +al niet voor eene dichteres, dan toch voor iemand die de dichtkunst en +de muziek wist te waardeeren, gehouden te worden. Waarom zou zij niet +liever aanliggen, dan zitten, daar zij toch wist hoe voordeelig hare +figuur uitkwam, als zij zich schilderachtig op het kussen uitstrekte, +en het hoofd steunde met den arm, die op de leuning van hare legerstede +rustte, een arm, die juist wel niet schoon was te noemen, doch waaraan +altijd de edelste gewrochten van de Alexandrijnsche kunst in het +graveeren van edelgesteenten en het bewerken van goud, te zien waren. + +Doch zij koos de liggende houding vooral om der wille harer voeten, +want geene vrouw in geheel Griekenland en Egypte bezat kleiner en +fijner gevormde dan zij. Daarom waren ook hare sandalen zóo gesneden, +dat zij, als zij stond of liep, alleen de voetzolen bedekten, maar +de sierlijke blanke teenen met de rooskleurige nagels en de zoo fijn +gevormde enkels onbedekt lieten. Bij een gastmaal legde zij, even als +de mannen, haar schoeisel geheel af, om hare voeten eerst te verbergen +maar dadelijk weder te vertoonen, wanneer zij begreep dat de striemen, +die de riemen der sandalen in haar teeder vel achter lieten, geheel +verdwenen waren. + +De eunuuch Eulaeus was een bovenmatig bewonderaar van deze voeten, +niet gelijk hij voorgaf, om der wille harer schoonheid, maar omdat +hij, als de koningin met hare teenen speelde, raden kon wat er in haar +omging, wanneer hij dit niet kon opmaken uit haar stem en hare oogen, +die bijzonder geoefend waren in de kunst van veinzen. + +Negen, in den vorm van een hoefijzer geordende rustbedden, drie +aan drie, met leuningen van ebbenhout en kussens van dof olijfgroen +brokaat, waarin fijne bloemen van goud en zilver geweven, of als met +een lichte hand gestrooid waren, noodigden de gasten uit zich neder +te vlijen. + +De koningin fluisterde schouderophalend met den kamerheer, naar het +scheen niet zeer aangenaam verrast, over hetgeen zij vernam, en deze +wees nu ieder der genoodigden in het bijzonder zijn plaats aan. De +koningin nam plaats op het rustbed rechts van de achterste groep, +haar gemaal bezette dat ter linkerzijde, terwijl de sopha tusschen +hen beiden open bleef voor Euergetes, den broeder van het vorstelijk +echtpaar. Een der drie aanligbedden, die zich met een rechten hoek +aansloten bij die der vorstelijke familie, werd Publius aangewezen, +en wel dat naast de koningin. Tegenover hem lag de Korinthiër Lysias, +aan de zijde des konings. Naast hem bleven twee bedden over, terwijl +de dappere en verstandige Hiërax, de vriend en trouwe dienaar van +Euergetes, eene plaats vond aan de zijde van den Romein. + +Terwijl de dienaren het vertrek met rozenbladeren bestrooiden, +welriekende wateren sprengden en kleine zilveren tafeltjes met stevige +bladen van edel roodbruin en witgevlekt porfier, naast de ligplaats +van elken gast nederzetten, richtte de koning zich tot zijne gasten +met een vriendelijken groet, zich verontschuldigende, dat zij zoo +weinig in aantal waren. + +"Eulaeus," zeide hij, "heeft ons moeten verlaten om dringende +bezigheden, en onze koninklijke broeder zit zeker nog met Aristarchus, +die met hem uit Alexandrië gekomen is, achter de boeken. Doch hij +heeft stellig beloofd te zullen komen." + +"Hoe kleiner dit gezelschap is," zeide Lysias met eene diepe buiging, +"des te eervoller is het bij eene keus tot het getal uwer uitverkorenen +te behooren." + +"Ik meende reeds uit de goeden de besten genoodigd te hebben," +zeide de koningin; "maar de weinige vrienden, die ik hier wilde zien, +schijnt mijn broeder Euergetes nog te veel geweest te zijn. Want hij, +die in de woning van een ander bevelen geeft, alsof het zijne eigene +was, heeft den kamerheer verboden onze geleerde vrienden te noodigen, +waaronder Agatharchides, de voortreffelijke leermeester van mij en mijn +broeder, dien gij kent, alsmede onze joodsche vrienden, die gisteren +aan ons gastmaal deelnamen, en die ik op de lijst had gezet. Ik heb er +vrede mede, want ik houd van het getal der muzen, en wellicht wilde +hij u, Publius, eene eer bewijzen, want wij zijn hier op Romeinsche +wijze bijeen. Ter eere van u, en niet van hem, zullen wij heden geen +muziek hebben; gij zeidet immers dat muziek bij een gastmaal u niet +bijzonder aangenaam was. Euergetes speelt zelf voortreffelijk op de +harp. Overigens is het goed dat hij, gelijk altijd, eerst laat komt, +want overmorgen is het zijn geboortedag, en dien wil hij hier bij +ons en niet in Alexandrië vieren. Ook de priesterlijke gezanten, +die in Bruchium vergaderd zijn, zullen hier te Memphis komen, om hem +geluk te wenschen. Wij moeten dus iets voorbereiden dat schitterend +zal zijn. Nu zijt gij wel geen vriend van Eulaeus, Publius, doch hij +is het bekwaamst voor zulke dingen, en ik hoop dat hij weldra terug +zal keeren, om mij goeden raad te geven." + +"Des morgens zullen wij een grooten optocht doen plaats hebben," +zeide de koning. "Euergetes is een liefhebber van praalvertooningen, +en ik wil hem gaarne toonen, hoezeer zijn bezoek ons verheugd heeft." + +De vriendelijke trekken van den koning namen bij deze, uit den grond +van zijn hart gesprokene woorden, eene bijzonder innemende uitdrukking +aan. Zijne gemalin zeide echter op bedenkelijken toon: "Ja, als wij +in Alexandrië waren! Maar hier onder al dat Egyptische volk--." + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +De laatste woorden van de koningin werden afgebroken door een +schaterend gelach, dat door de marmeren wanden van het feestvertrek +werd teruggekaatst. Eerst verschrikte zij, maar zij begon vriendelijk +te glimlachen, toen zij haren broeder Euergetes herkende, die, den +kamerheer op zijde dringende, op de gasten toetrad vergezeld van een +Griek, die ouder was dan hij. + +"Bij alle bewoners van den Olympus en al dat gespuis van goden en vee, +dat de tempels aan den Nijl bevolkt," riep de pas aangekomene, terwijl +hij nog altijd zoo luid lachte, dat zijne vleezige wangen en zijn +buitengewoon sterk jeugdig lichaam beefde en schudde. "Bij uwe schoone +kleine voeten, Kleopatra, die zich zoo gemakkelijk laten verbergen, +en die men toch altijd moet zien; bij al uwe zachtaardige deugden, +Philometor, ik geloof dat gij beproeven wilt den grooten Philadelphus +of onzen Syrischen oom Antiochus te overtreffen, en een optocht zonder +weerga zult doen houden, en wel te mijner eer! Braaf zoo! Ik zal zelf +deelnemen aan die wonderlijke vertooning, en met mijn dikke lichaam +een Eros voorstellen, met boog en pijlkoker. Eene Ethiopische vrouw +moet dan voor mijne moeder Aphrodite spelen. Zij zal er prachtig +uitzien, als zij met hare zwartachtige huid uit het witte zeeschuim +opstijgt. En wat zoudt ge denken van een Pallas met kort kroeshaar, +van Gratiën met breede Ethiopische platvoeten, en van een Egyptenaar +met een kaal geschoren kop, die terwijl de zon zich in zijn gladden +schedel spiegelt, Phoebus Apollo kan voorstellen?" + +Onder deze woorden wierp de twintigjarige reus zich op het ledige +rustbed neder tusschen zijne zuster en zijn broeder. Nadat de laatste +hem den naam van den Romein had genoemd, en hij dezen niet zonder +waardigheid begroet had, riep Euergetes een der jonge Macedonische +edelen, die de gasten als schenker bediende, tot zich, liet zijn +beker een- en andermaal, ja ten derde maal vullen, dronk dien telkens +snel en zonder ophouden ledig, en zeide dan hardop, terwijl hij beide +handen door zijne verwarde blonde haren haalde, zoodat ze hoog boven +zijn grooten schedel en breed voorhoofd uitstaken: "Ik moet inhalen, +wat gij mij vóor zijt. Nog een beker, Diokleides!" + +"Wildeman!" zeide Kleopatra vermanend, terwijl zij hem half in scherts, +half in ernst met den vinger dreigde. "Wat ziet ge er uit!" + +"Als Silenus, doch zonder bokspooten," antwoordde Euergetes. "Geef +me een spiegel, Diokleides! Gij hebt de blikken der koningin maar te +volgen, om er een te vinden.--Juist, daar is het ding.--Waarachtig, +het beeld, dat het mij toont, bevalt mij niet slecht. Ik zie daar +een schedel, waarop behalve de twee kronen van Egypte, nog wel een +derde plaats zou kunnen vinden, een die zooveel hersens bevat, dat +men daarmede de koppen van vier koningen tot aan den rand zou kunnen +vullen. Ik zie twee haviksoogen, die altijd scherp zien, zelfs al is +hun gebieder dronken, en die voor niets te vreezen hebben, behalve dat +het vleesch op deze vroolijke wangen, als het zoo blijft voortgroeien, +eindelijk hun licht betimmeren zal, evenals eene drachme, die men in +de spleet van een boom heeft gestoken, door het aanwassend hout wordt +ingesloten, of als een luik, dat wordt toegeschoven, het venster +bedekt. Die kerel daar in den spiegel verwurgt met deze handen en +armen, als 't moet, een volwassen nijlpaard. De keten, die dezen +hals versieren zal, moet dubbel zoo lang zijn als die, welke een wel +doorvoed Egyptisch opperpriester gewoon is te dragen. Ik zie in dezen +spiegel een man, die uit een kolossaal stuk deeg en uit een vettere +vastere stof is gebakken, dan andere lieden. En als dat fijne beeld +daar op die blanke oppervlakte een doorzichtig kleed draagt, wat kunt +gij, Kleopatra, daar tegen hebben? De Ptolemaeën in Alexandrië moeten +voor den invoerhandel zorgen; dat heeft de groote zoon van Lagos reeds +ingezien, en wat zou er worden van den handel met Kos, wanneer ik den +fijnsten bombyx niet kocht, daar gij, koningin, hen die daarin handelen +niets te verdienen geeft, en gij u, als eene Vestaalsche maagd, in +een gewaad van tapijtengoed hult.--Komaan, eene krans op mijn hoofd, +en nog eene tweede, en nieuwe wijn in den beker! Op het welzijn van +Rome, en op het uwe, Publius Cornelius Scipio, en, mijn Aristarchus, +op onze laatste kritische onderstelling, op het fijn denken en het +flink drinken!" + +"Op flink denken en fijn drinken," antwoordde hij, die alzoo werd +toegesproken, haastig, terwijl hij den beker ophief en dien langzaam +naar zijn langen, schoon gevormden en zacht gewelfden neus en aan +zijne dunne lippen bracht. + +"Oho, Aristarchus!" riep Euergetes, terwijl hij zijn breed voorhoofd +fronste. "Gij bevalt mij beter, als gij de woorden uwer dichters en +schrijvers zift, dan als gij de toosten van een drinkenden koning +kritiseert. 'Fijn drinken' is 'slurpen', en dat slurpen bij kleine +teugen laat ik voor de roerdompen en ander gevogelte over, dat t'huis +hoort in het riet. Gij verstaat mij, hoop ik? In het riet, hetzij +dit al of niet tot schrijfstift is versneden." + +"Onder fijn drinken," gaf de groote criticus doodbedaard, terwijl hij +met zijne smalle hand het zachte grijze haar van zijn hoog voorhoofd +wegstreek, den jongen koning ten antwoord; "onder fijn drinken +versta ik het drinken van uitgelezen wijn. En hebt gij ooit iets +fijners geproefd, dan dit druivensap van Anthylla, dat uw verheven +broeder ons doet schenken? Uw dronk, zooals die door mij is omgekeerd, +prijst u als een flink denker en tegelijk den milden gever van dezen +kostelijken drank." + +"Goed gevonden," riep Kleopatra, in de handen klappende. "Ziet gij, +Publius, hier hebt gij eene proeve van de rapheid eener Alexandrijnsche +tong." + +"Ja," viel Euergetes in, "als men met syllaben te velde kon trekken +even als met speren, dan zouden die heeren van het Museum in de +Alexander-stad, met hun Aristarchus aan het hoofd, de verbondene +legers van Rome en Karthago in een paar uren tot rede brengen." + +"Wij zijn echter niet in den krijg, maar aan een vreedzaam drinkgelag," +zeide de koning vriendelijk, om vrede te bewaren. "Gij hebt intusschen +ons geheim afgeluisterd, Euergetes, en den draak gestoken met mijne +trouwe Egyptenaars, in wier plaats ik gaarne blanke Grieken zou +stellen, wanneer Alexandrië mij nog toebehoorde en niet u. Toch zal +het op uw feest niet ontbreken aan een waardigen optocht." + +"Schept gij dan waarlijk nog vermaak in zulk een vervelenden +ganzenmarsch?" vroeg Euergetes, en rekte zich op zijn rustbed uit, +terwijl hij de handen gevouwen tegen zijn achterhoofd hield. "Liever +gewen ik mij aan dat fijne drinken van Aristarchus, dan dat ik uren +lang toeschouwer moet zijn van deze ijdele praalvertooning. Alleen +onder twee voorwaarden verklaar ik mij bereid, mij stil te zullen +houden, en bovendien mij minstens een halven dag geduldig te willen +vervelen, gelijk een aap in de kooi; vooreerst wanneer het onzen +Romeinschen gastvriend Publius Cornelius Scipio genoegen doet zulk +een schouwspel te zien, dat echter, sedert onze oom Antiochus ons +uitplunderde en wij, broeders, Egypte onder ons verdeeld hebben, +in de verste verte niet vergeleken kan worden met de triumftochten +der Romeinsche overwinnaars; of, ten anderen, als ge mij toestaat in +persoon aan den optocht deel te nemen." + +"Wat mij aangaat, o koning," zeide Publius, "behoeven er geene +feestelijke optochten gehouden te worden, althans niet zulke, waarbij +ik gedwongen ben toeschouwer te zijn." + +"Ik schep nog altijd vermaak in zulke optochten," zeide Kleopatra's +gemaal, Philometor. "Ik wordt het niet moede, zulke goed geordende +groepen en het gewoel der vroolijke menigte te zien." + +"En ik," zeide Kleopatra, gloei en huiver daarbij van aandoening, +en menigmaal komen mij tranen in de oogen, wanneer het volk luid +jubelt. Eene groote verscheidenheid, die tot éen geheel samenwerkt, +maakt altijd een even machtigen indruk. Eén druppel, éen zandkorrel, +éen bouwsteen zijn op zichzelf onbeduidende dingen, maar hoe +hartverheffend is het, wanneer millioenen van deze zich vereenigen tot +een zee, een zandwoestijn, eene pyramide! Iemand die alleen jubelt +heeft veel van een gek, die uit het dolhuis is weggeloopen, maar +wanneer duizenden menschen samen jubelen, wordt ook een koud gemoed +geweldig aangegrepen. Hoe kan u, Publius Scipio, wiens wil krachtig +ontwikkeld schijnt te zijn, een schouwspel koud laten, waarbij zulk +een groote menschenmassa door één wil schijnt bezield te zijn?" + +"Kan er dan," vroeg de Romein, "bij dit volksgejuich inderdaad sprake +zijn van een zelfstandigen wil? Juist bij zulk eene voorstelling +wordt ieder een werktuigelijk naäper en naprater van anderen. Ik voor +mij verkies mijn weg zelf te vinden, en mij van niets afhankelijk te +maken dan van de wetten en plichten, die de staat, waartoe ik behoor, +mij oplegt." + +"Maar ik," zeide Euergetes, "heb die optochten van kindsbeen steeds +van de beste plaats gezien, en daarvoor straft mij nu het noodlot +met onverschilligheid voor deze en dergelijke vertooningen, terwijl +de arme stumpers, die alleen de neuzen, de haren of de ruggen te zien +krijgen van hen die medewerken, zich steeds opnieuw aan dat spektakel +vergapen. Op Publius Scipio behoef ik, zooals gij gehoord hebt, geen +acht te slaan, hoe gaarne ik het anders ook deed. Wat zoudt gij er +wel van zeggen, Kleopatra, als ik eens in persoon aan mijn optocht--, +ik zeg mijnen, want hij wordt te mijner eer gehouden,--deelnam? Dat +was dan eerst eens iets nieuws, en bovendien iets vermakelijks." + +"Meer nieuw en vermakelijk dan passend, zou ik denken," antwoordde +Kleopatra norsch. + +"Maar dat moest u juist genoegen doen," hernam Euergetes lachend, +"want behalve uw broeder ben ik ook nog uw mededinger, en zoo iemand +ziet men liever dalen dan stijgen." + +"Daar is niets wat u recht geeft tot zulke woorden," viel de koning in, +en de toon van zijn zachte stem gaf duidelijk te verstaan, dat hij het +gesprokene betreurde, en zulke dingen niet hooren wilde. "Wij hebben +u lief," ging hij voort, "wij gunnen u uwe bezitting naast de onze, +en verzoeken u dringend zelfs in scherts zulk eene taal niet te voeren, +opdat al het verledene vergeten blijve." + +"En bovendien," voegde Kleopatra er bij, "dat gij uw waardigheid als +koning en uw naam als geleerde niet zult bezoedelen door kluchten +te vertoonen." + +"Schoolmeesteres! Weet gij dan wat ik van zins was? Ik wilde als +Alcibiades verschijnen, met een gevolg van fluitspeelsters, in +gezelschap van Aristarchus, die voor Socrates zou moeten spelen. Men +vertelt mij immers altijd, dat Alcibiades en ik--in vele opzichten, +zeggen zij die het oprecht meenen: in alle opzichten, beweren +hoffelijker vrienden--op elkaar gelijken." + +Publius nam bij deze woorden het vormlooze in het doorzichtig kleed +gehulde lichaam van den jongen koninklijken woesteling met scherpe +blikken op, en daar hem hierbij voor den geest stond, een heerlijk +standbeeld van den lieveling der Atheners, dat hij aan den Ilissus +had gezien, zweefde er een spottend lachje om zijne lippen. + +Dit laatste bleef voor Euergetes niet verborgen, en het krenkte hem, +daar hij niets liever zag, dan dat men hem met den neef van Pericles +vergeleek. Doch hij onderdrukte zijn toorn, want Publius Cornelius +Scipio was de naaste bloedverwant der meest invloedrijke mannen aan +den Tiber, en al bezat hij zelf koninklijke macht, zoo stond toch +Rome boven hem gelijk de wil der godheid. + +Kleopatra bespeurde wat er in haar broeder omging, en om hem de +gelegenheid tot antwoorden te ontnemen en zijn gedachten af te leiden, +zeide zij vroolijk: "Zoo willen wij dan den optocht laten varen en +aan iets anders denken, om uw geboortedag te vieren. Gij, Lysias, +moet in zulke dingen ervaren zijn, want Publius vertelde mij, dat +gij alle vertooningen in Korinthe regelt. Wat zullen wij dan doen, +om Euergetes en ons een vroolijk feest te bereiden?" + +De Korinthiër staarde een oogenblik in zijn beker, schoof dien langzaam +heen en weer op het marmeren blad van het tafeltje aan zijne zijde, +tusschen oesterpasteien en frissche asperges, en zeide eindelijk met +een blik, die hoop op aller bijval uitdrukte: + +"Bij den grooten optocht, die onder Ptolemaeus Philadelphus plaats had, +en waarvan Agatharchides mij gisteren de beschrijving van Kallixenus, +een ooggetuige, te lezen gaf, werden allerlei voorstellingen uit het +leven der goden aan het volk te aanschouwen gegeven. Laten wij in dit +heerlijk paleis blijven, en zelven de schoone groepen weergeven, die +de groote kunstenaars der oudheid geschilderd of afgebeeld hebben. Wij +moeten daartoe echter minder bekende kiezen." + +"Uitnemend!" riep Kleopatra, in levendige verrukking. "Op wien gelijkt +mijn kolossale broeder meer dan op Heracles, en wel op den zoon van +Alcmene, zooals Lysippus dien opgevat en gebeeldhouwd heeft. Laten +wij dus het leven van Heracles voorstellen, naar de beroemde modellen, +en aan Euergetes de rol van den heros overlaten." + +"Dien neem ik op mij," zeide de jonge koning terstond, terwijl hij de +enorme spieren op zijn borst en zijne armen betastte. En gij moogt mij +er wel zeer dankbaar voor zijn, dat ik dit doe, want die slangenwurger +miste het beste, en Lysippus heeft hem niet zonder voordacht afgebeeld +met een kleinen kop op het kolossale lichaam. Doch ik zal er niets +tegen inbrengen." + +"Wanneer ik Omphale voorstel, wilt gij dan aan mijne voeten +zitten?" vroeg Kleopatra. + +"Wie zou zich niet gaarne aan zulke voetjes nederzetten?" hernam +Euergetes. "Kiezen wij nu terstond nog iets anders uit den grooten +voorraad, die voorhanden is. Maar met Lysias waarschuw ik voor hetgeen +algemeen bekend is." + +"Er zijn alledaagschheden, zoowel voor het oog als voor het oor," +zeide Kleopatra, "maar wat algemeen als goed wordt erkend, pleegt +ook het schoonste te zijn." + +"Veroorloof mij," hervatte Lysias, "u op een marmeren beeldhouwwerk +opmerkzaam te maken, dat zeer verheven is uitgevoerd. Het is oud en +schoon, en toch geloof ik, aan weinigen uwer bekend. Het bevindt zich +bij de bron van mijn ouderlijk huis te Korinthe, en werd reeds eeuwen +geleden door een groot Peloponnesisch kunstenaar gewrocht. Publius +was verrukt, toen hij dit werk zag, en het is ook onbeschrijfelijk +heerlijk. Het geeft op voortreffelijke wijze de echtverbintenis te +aanschouwen van Herakles met Hebe, van den onder de goden opgenomen +Heros met de eeuwige jeugd.--Zoudt gij u, o koning, door Pallas Athene +en door uwe moeder Alcmene ter bruiloft met Hebe willen doen geleiden?" + +"Waarom niet?" vroeg Euergetes; "maar die Hebe moet schoon zijn. Daar +is echter éen bezwaar. Hoe krijgen wij de bron uit uws vaders huis +tegen morgen of overmorgen hier? Men kan zulk een groep niet schikken +uit het hoofd, zonder het origineel. En al vertelt men ook, dat het +standbeeld van Serapis van Sinope naar Alexandrië is gevlogen, en al +zijn er ook toovenaars te Memphis...." + +"Die hebben wij niet noodig," zeide Publius, den koning in de rede +vallende. "Terwijl ik als gast vertoefde in het ouderlijk huis van +mijn vriend, dat, vergun mij dit op te merken, prachtiger is dan de +oude koningsburcht van Gyges te Sardes, liet ik naar het kostelijk +beeldwerk steenen snijden, bestemd tot huwelijksgeschenken voor mijne +zuster. Deze zijn bijzonder goed gelukt en liggen in mijne tent." + +"Hebt gij eene zuster?" vroeg de koningin, terwijl zij zich boog naar +den Romein. "Gij zult mij van haar een en ander moeten vertellen." + +"Zij is een meisje als alle andere," antwoordde Publius vóor zich +ziende, want het stuitte hem tegen de borst, in gezelschap van een +Euergetes over zijne zuster te spreken. + +"Gij zijt onbillijk, gelijk alle broeders," zeide Kleopatra met +een glimlach, "en ik moet meer van haar hooren, want"--en bij deze +woorden fluisterde zij zacht, terwijl zij Publius veelbeteekenend +aanzag--"alles wat u aangaat, heeft waarde voor mij." + +Gedurende het gesprek hadden Ptolemaeus en zijn broeder zich tot +den Korinthiër gericht met vragen over het huwelijk van Herakles met +Hebe, en alle dischgenooten hoorden met opmerkzaamheid naar Lysias, +toen hij zeide: "Dit schoone kunstwerk stelt eigenlijk geen bruiloft +voor, maar het oogenblik waarop de bruidegom zijne bruid in de armen +wordt gevoerd. + +"De heros, getooid met de leeuwenhuid en met de knots op zijn schouder, +gaat, geleid door Pallas Athene, die bij dit werk des vredes de lans +ter aarde gebogen houdt en den helm in de hand draagt, en vergezeld +door zijne moeder Alcmene, den optocht der bruid te gemoet. Deze wordt +geopend door niemand minder dan Apollo zelf, die het huwelijkslied +zingt onder het bespelen van zijne luit. Naast hem treedt zijne +zuster Artemis gevolgd door de moeder der bruid, begeleid door Hermes, +den bode der goden, als gezant van Zeus. + +"Dan komt de hoofdgroep, die tot de schoonste werken der Grieksche +kunst behoort, welke ik ken. Hebe gaat den bruidegom te gemoet, +zachtkens voortgetrokken door Aphrodite, de godin der liefde. Maar +Peitho, de godin der overreding, legt de hand op den arm der bruid, +dringt haar ongemerkt naar voren, en keert haar aangezicht af, want +wat gezegd moest worden heeft zij gezegd, en zij lacht in stilte. Hebe +toch heeft haar oor niet gesloten voor hare stem, en wie eens naar +Peitho geluisterd heeft, moet doen wat zij wil." + +"En Hebe?" vroeg Kleopatra. + +"Zij slaat de oogen neder en houdt den arm, waarop de hand van Peitho +rust, met eene afwerende beweging van de vingers, op welker toppen +een pas geplukt roosje zweeft, in de hoogte, als wilde zij zeggen: +'Ach laat mij toch met vrede; ik ben bang voor dien man'; als wilde +zij vragen: 'Zou het niet beter zijn als ik bleef wat ik ben, en uwe +lokstem niet volgde noch Aphrodite's drang?' Deze Hebe is verrukkelijk, +en gij, koningin, moet haar voorstellen!" + +"Ik?" vroeg Kleopatra. "Maar gij zeidet, dat zij de oogen nederslaat." + +"Dat doet zij uit maagdelijke schuchterheid, haar gang moet zijn als +die van eene schroomvallige maagd. Haar lang gewaad valt in rechte +plooien op hare voeten neder, terwijl Peitho het hare schalks, +en zich in 't geheim verheugende over hare nieuwe overwinning, met +duim en wijsvinger in de hoogte houdt. Ook de figuur van Peitho zou +u bijzonder goed passen." + +"Ik denk dat ik Peitho zal voorstellen," viel de koningin den +Korinthiër in de rede. "Hebe is eene knop, eene nog niet geheel +ontloken bloem, maar ik ben moeder, en vlei mij bovendien ook een +weinig wijsgeer te zijn...." + +"En," viel Aristarchus in, "gij kunt met recht zeggen, dat gij, bij +alle aanlokkelijkheid der jeugd, eigenschappen bezit, die bij Peitho +passen, de godin, die niet alleen de harten maar ook de geesten weet +te betooveren. Evenals rozen, zoo zijn ook jonge meisjes verrukkelijk +om te zien, doch wie niet alleen de fraaie kleur liefheeft, maar ook +den geur en daarmede bedoel ik verkwikking, opwekking en verrijking +des geestes--die wende zich tot den reeds ontsloten bloemknop, +evenals de rozenkweekers aan het meer Moeris alleen de knoppen +van hunne pleegkinderen tot spoedig verwelkende ruikers en kransen +samenwinden, maar deze niet gebruiken kunnen om fijne geurige olie +daaruit te bereiden. Voor dit doel hebben zij de bloem noodig in +vollen bloei. Stel gij Peitho voor, koningin; de godin zelve mag +trotsch zijn op zulk eene plaatsvervangster!" + +"Moge zij," sprak Kleopatra, "even trotsch zijn als ik gelukkig ben, +nu ik zulke woorden mag hooren uit den mond van Aristarchus! Het +blijft dus afgesproken, ik zal Peitho zijn. Mijne speelgenoote Zoë +mag Artemis voorstellen, en hare ernstige zuster Pallas Athene. Voor +de moeder kunnen wij over vele oude matronen beschikken. De oudste +dochter van den intendant schijnt mij voor de rol van Aphrodite het +meest geschikt te zijn; zij is wonderschoon." + +"Is zij ook dom?" vroeg Euergetes. "Dat behoort bij die eeuwig lachende +Cyprische godin." + +"Dom genoeg, denk ik, voor dit doel," hernam Kleopatra met een +lach. "Doch hoe komen wij aan eene Hebe, gelijk gij, Lysias, haar +beschreven hebt? Het dochtertje van den Arabarch [11] Ahmes is een +lieftallig kind." + +"Maar zij is bruin, zoo donkerkleurig als deze voortreffelijke wijn, +en bovendien te zeer eene echte Egyptische," zeide de opperschenker, +die het toezicht had over de jonge Macedonische bedienden, terwijl +hij zich diep boog en met alle bescheidenheid de aandacht vestigde +op zijne eigene zestienjarige dochter. Maar tegen dit meisje had +de koningin aan te voeren, dat zij veel grooter was dan zijzelve, +die toch naast Hebe moest staan en de hand op haren arm leggen. + +Andere meisjes werden weder op andere gronden afgewezen, en reeds sloeg +Euergetes voor eene postduif naar Alexandrië te zenden, ten einde +van daar een schoon Helleensch kind met een sneldravend vierspan te +laten komen naar Memphis, waar de donkere Egyptische goden en menschen +beter gedijen dan de Grieksche, toen Lysias uitriep: + +"Ik heb heden het meisje gezien, dat wij noodig hebben; eene Hebe, +als had zij de marmeren groep in mijns vaders huis verlaten, en als +had een god haar beweging, kleur en levenswarmte geschonken. Zij is +schuchter, blank en blozend, en van uwe grootte, koningin. Als gij +het mij toestaat, zal ik u nader zeggen wie zij is, maar eerst ga ik +naar onze tent, om de gesneden steenen met de afbeelding van onzen +marmergroep te halen." + +"Gij zult ze vinden in het elpenbeenen kistje op den bodem van mijn +kleederkist," zeide Publius. "Hier hebt gij den sleutel." + +"Haast u," riep de koningin, "want wij allen zijn benieuwd, waar gij +hier in Memphis uwe blanke, blozende en schuchtere Hebe ontdekt hebt." + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +Sedert Lysias het koningspaar en de gasten verlaten had, was er een +uur verloopen. De bekers waren dikwijls gevuld en geledigd. De eunuuch +Eulaeus was verschenen om aan het gastmaal deel te nemen, en het +gesprek was geheel van karakter veranderd, want het was niet langer +eene en dezelfde aangelegenheid, die alle aanwezigen bezighield. De +beide koningen onderhielden zich met Aristarchus over de in Griekenland +verstrooide handschriften van oudere dichters en werken van geleerden, +en de beste wijze om zich óf de origineelen óf nauwkeurige afschriften +voor de bibliotheek van het museum te verschaffen. Hiërax vertelde +den eunuuch van het laatste Dionysos-feest en de opvoeringen van de +nieuwste blijspelen te Alexandrië, en Eulaeus was verstandig genoeg om +den schijn aan te nemen, alsof hij met beide ooren luisterde, en brak +zijn verhaal dikwijls af door verstandige vragen, die onmiddellijk +op het gesprokene betrekking hadden. + +Toch was zijne opmerkzaamheid uitsluitend op de koningin gericht, +die zich geheel van den Romein Publius had meester gemaakt, en +hem op zachten toon verhaalde, hoe hare tegenwoordige levenswijze +hare krachten verteerde, hoe hare tegenwoordige omgeving haar hart +onbevredigd liet en zij vol geestdrift was voor Rome en mannelijke +kracht. Daarbij gloeiden hare wangen en vonkelden hare oogen, want hoe +grooter haar aandeel was in het gesprek, des te aangenamer werd zij +bezig gehouden, zoo zij meende. Publius, die alles behalve spraakzaam +was, brak hare mededeelingen maar zelden af, alleen voegde hij, als +het te pas kwam, een vleiend woord er tusschen. Hij toch dacht aan +den raad dien de kluizenaar hem gegeven had, en wenschte Kleopatra +voor zich te winnen. + +Niettegenstaande hij een fijn gehoor had, verstond de eunuuch slechts +weinig van hun fluisterend gesprek, want de verbazende stem van koning +Euergetes klonk boven de gesprekken van alle overigen uit. Doch +Eulaeus verstond de kunst fragmentarische volzinnen in zijn geest +snel te verbinden, en althans in het algemeen den zin te vatten van +hetgeen zij zeiden. + +De koningin liet den wijn bijna onaangeroerd, maar zij wist bij +drinkgelagen zich door hare eigene woorden op te winden. Op dit +oogenblik, juist terwijl hare broeders en Aristarchus met elkander +in eene levendige woordenwisseling gewikkeld waren, hief zij haren +beker op, roerde dien even met de lippen aan, en reikte hem daarop +aan Publius toe, terwijl zij zijn beker greep. + +De jonge Romein wist, wat deze haastige behandeling te beteekenen +had. Zoo verwisselde ook in zijn vaderland eene door Amor getroffene +vrouw met haren geliefde den beker, of den appel, waarin zij met hare +witte tanden had gebeten. + +Evenals een wandelaar, die zorgeloos zijn weg vervolgt, terwijl +hij naar maan en sterren ziet, totdat hij opeens den diepen donkeren +afgrond bemerkt, die aan zijne voeten gaapt, zoo gevoelde Publius eene +koude rilling door al zijne leden. Als een bliksemstraal schoot door +zijne ziel de gedachte aan zijne moeder en herinnerde hij zich, hoe +zij hem had gewaarschuwd voor de verleidelijke listen der Egyptische +vrouwen, en inzonderheid voor eene vrouw, die hem thans niet als eene +koningin aanzag, maar met onstuimig verlangen en vrees. Hoe gaarne had +hij de oogen neergeslagen en den beker onaangeroerd gelaten! Maar haar +oog hield het zijne als met strikken en banden gevangen en het scheen +den onverschrokken zoon van zulk een dapper volk een al te vermetel +waagstuk den beker af te wijzen. En hoe zou hij er ook den moed toe +gehad hebben, de hoogste gunst te vergelden met eene beleediging, +die geene vrouw, en allerminst eene Kleopatra, ooit kon vergeven? + +Inderdaad, menigeen heeft zijn levensgeluk verspeeld en velerlei +zonden zijn bedreven, omdat de gunst eener vrouw voor elken man +een vereerend geschenk is dat hem vleit, ook al wordt het hem +aangeboden door onwaardige handen, aangeboden door eene die hij niet +liefheeft. Vleierij is echter een sleutel tot het hart, en wanneer +dit laatste slechts half daarvoor geopend is, laat zich altijd de +stem van den verleider hooren, die spreekt: "Door eene afwijzing +zoudt gij krenken." + +Dergelijke overwegingen waren het, die snel de ziel van den opgewonden +Romein doorkruisten, toen hij den beker der koningin aanvatte, en met +zijne lippen beroerde op dezelfde plaats, waar de hare dien hadden +aangeraakt. Terwijl hij vervolgens den bokaal ledigde, gevoelde +hij plotseling een afkeer bij zich opkomen van die spraakzame, rijk +getooide levendige vrouw daar naast hem, die hem hare liefde opdrong, +waarom hij niet gebedeld had. Daar stond hem op eens het beeld van +de arme kruikdraagster volkomen duidelijk voor den geest, en hij zag +Klea voor zich, zooals zij trotsch hem afwijzende, zijne blikken met +opzet vermijdende, inderdaad meer op eene koningin geleek, dan deze +vorstin met haar diadeem aan zijne zijde. + +Kleopatra verheugde zich over zijn lang en langzaam drinken, want zij +meende dat de Romein hiermede wilde zeggen, hoe hij niet ophouden kon +zich gelukkig te prijzen over de gunst die zij hem bewezen had. Geen +oogenblik wendde zij hare blikken van hem af, en met genoegen nam +zij waar, hoe zijne wangen beurtelings bleek en rood werden. Zij +merkte niet op dat Eulaeus met bliksemende oogen alles opmerkte, +wat er tusschen haar en Publius omging. + +Eindelijk zette de Romein den beker neder en zocht verlegen naar een +antwoord op hare vraag, hoe de wijn hem had gesmaakt. + +"Heerlijk, voortreffelijk," zeide hij ten laatste met moeite, doch +zag bij deze woorden niet meer Kleopatra aan, maar Euergetes, die +juist luide uitriep: "Uren lang heb ik over deze plaats nagedacht, +u mijn gronden ontwikkeld, en u laten uitspreken, Aristarchus, maar +ik blijf daarbij--en wie het loochenen wil doet Homerus onrecht--dat +voor iu moet gelezen worden siu. + +Euergetes zeide dit met zoo groote opgewondenheid, dat zijne woorden +alle andere gasten overstemden. Publius beschouwde ze als een welkom +middel, om de noodzakelijkheid te ontgaan gevoelens te veinzen, die +hij volstrekt niet koesterde, en daarom zeide hij, terwijl hij zich +half tot Euergetes half tot Kleopatra richtte: + +"Wat komt het er op aan te weten, of wij zus of zoo, iu of siu moeten +lezen. Ik kan veel in anderen eerbiedigen, wat mij persoonlijk vreemd +is, maar ik ben niet instaat te begrijpen, hoe een krachtig handelend +man, een verstandig vorst en een flink drinker als gij zijt, Euergetes, +zich uren lang kan neerzetten achter half vergane papyrus-rollen, +en zich het hoofd kan breken over de vraag, of dit of dat woord bij +Homerus zóo of anders moet luiden." + +"Gij beproeft evenzeer uwe krachten aan andere dingen," gaf Euergetes +ten antwoord. "Ik houd wat onder dezen gouden hoofdwrong steekt +voor het beste wat ik heb, en ik oefen mijne scherpzinnigheid in +het fijnste en kleinste, evenals ik de kracht van mijne armen gaarne +beproef aan den sterksten athleet. Laatst heb ik er vijf in het zand +geworpen, en zij beven al, als ik in het Timagetische worstelperk +[12] verschijn. Er zou in de wereld geen kracht zijn, als er geen +tegenstand was, en niemand zou weten hoe sterk hij is, wanneer hij +geene hinderpalen ontmoette. Ik zoek de zoodanige op, die het meest +met mijn aard overeenkomen, en ik kan het niet helpen, wanneer ze +niet in uw smaak vallen. Een edel ros zou deze voortreffelijk bereide +spijzen, wanneer ze het dier werden voorgezet, versmaden en niet kunnen +begrijpen hoe dwaze menschen zoo iets zouts lekker kunnen vinden. Niet +alle schepselen houden van zout. Hun die ver van de zee wonen smaken +de oesters niet, maar ik als lekkerbek open zelf de schalen om ze zoo +versch te kunnen opslurpen, en ze warm en wel in mijn wijn te mengen." + +"Ik houd niet van overmatig zoute spijzen, en wat het openmaken van +die zeedieren betreft, dat laat ik gaarne aan mijne slaven over," +antwoordde Publius. "Ik win daardoor tijd en bespaar mij onnutten +arbeid." + +"Dat weet ik," zeide Euergetes. "Gij houdt er Grieksche slaven op +na, die voor u moeten lezen en schrijven. Er is immers eene markt, +waarop men lieden kan koopen, die ons kwaad humeur moeten verdragen, +wanneer wij de nachten in drinkgelagen hebben doorgebracht? Aan den +Tiber gaan andere dingen de mannen meer ter harte dan studie." + +"En," zeide Aristarchus, hem in de rede vallende, "men ontzegt +zich daardoor de edelste en fijnste genietingen, want het reinste +genot is altijd dat, hetwelk wij ons verwerven door opofferingen +en krachtsinspanning." + +"Doch wat gij door deze soort van arbeid wint," hernam Publius, "is +klein en beteekent niet veel. Ik stel u mij daarbij voor als een man, +die in het zweet zijns aanschijns een blok steen voortsjouwt, om het op +een musschenveertje te leggen, opdat de wind het niet weg zal waaien." + +"Wat is klein en wat is groot?" vroeg Aristarchus. "Tegenstrijdige +opvattingen over de zelfde zaak kunnen beide waar zijn, want het +hangt alleen van onszelven en onze eigene waarneming af, hoe de +dingen zich aan ons voordoen, zooals koud of warm, aangenaam of +onaangenaam. Als Protagoras zegt, dat de mensch de maatstaf is van +alle dingen, dan is dit de meest aannemelijke van alle stellingen der +sophisten. Overigens zult gij inzien, dat zelfs het kleinste voorwerp +des te hooger beteekenis heeft, naarmate het geheel, waarvan het een +deel uitmaakt, meer volmaakt is. Snijd een karrepaard een oor af, +wat schaadt het? Maar denk nu eens dat dit gebeurde met een edel ros, +hetwelk gij op het veld van Mars afrijdt! Bij eene boerin heeft een +rimpel, een tand meer of minder weinig te beteekenen, maar anders is +het bij het gelaat van eene gevierde schoone. Haal krassen, zooveel +als gij wilt, over het menschenbeeld, dat door de ruwe vingers van +een pottenbakker op een waterkruik is geboetseerd, aan het armoedig +vaatwerk zal het niet veel schade doen, maar al krast gij ook maar +met eene naald over den gesneden steen met de beeltenissen van +Ptolemaeus en Arsinoë, die het kleed van Kleopatra om haren schoonen +hals samenhoudt, de rijkste vorstin zou het betreuren, alsof zij een +onherstelbaar verlies geleden had. + +"Wat is er volmaakter en meer waard om zorgvuldig bewaard te worden, +dan de edelste werken van groote dichters en denkers! Deze voor +schade te vrijwaren, deze te zuiveren van de fouten, die in den loop +der tijden hun onberispelijk werk zijn ingeslopen, ziedaar wat wij +ons ten doel stellen. En als wij steenblokken voortrollen, dan doen +wij het niet om ze op een musschenveertje te wentelen, opdat de wind +er niet mede zou spelen, maar om de deur te sluiten, waarachter een +kostbaren schat wordt bewaard, en deze voor schade te behoeden. + +"De praatjes van meisjes bij eene bron mogen met den wind verwaaien, +en niemand behoeft zich daarover te bekommeren; maar kan een zoon een +enkel woord vergeten van de lessen, die een stervende vader hem als +richtsnoer voor zijn levensweg medegeeft? Wanneer gijzelf zulk een +zoon waart, en uw oor had de vermaningen van den stervenden slechts +onvolledig opgevangen, hoeveel talenten zoudt gij dan wel willen +betalen, om de ontbrekende woorden te kunnen aanvullen! Wat zijn de +onsterfelijke werken van groote dichters en denkers anders dan zulke +heilige terechtwijzingen, die voorwaar niet tot een enkele, maar tot +alle beschaafden gericht zijn, waar zij zich ook bevinden. Evenals +heden, zullen zij nog na duizend jaren de nakomelingen leeren, +hunne harten verheffen en verblijden, en deze zullen, als zij geene +ontaarde zonen zijn, ook hun danken, die hunne beste krachten wijden +aan het aanvullen en in zijne oorspronkelijke zuiverheid herstellen +van hetgeen hunne groote voorvaderen hebben gezegd, eer het door +zorgeloosheid en domheid verminkt en bedorven wordt. + +"Hij die als koning Euergetes in Homerus éene juiste syllabe in de +plaats zet van eene valsche, die heeft, naar ik meen, alle volgende +geslachten een dienst, en wel een grooten dienst bewezen--" + +"Wat gij daar zegt," hernam Publius, "klinkt overtuigend, maar +toch ben ik nog niet volkomen overtuigd; zeker omdat ik van jongs +af geleerd heb, daden boven woorden te stellen. Het gemakkelijkst +zou ik mij kunnen verzoenen met uw vervelend geknutsel, wanneer ik +mij voorstel dat aan u werd opgedragen de juiste bewoordingen te +herstellen van wetten, die geheel verkeerd kunnen worden opgevat, +wanneer er een woord is uitgevallen; of dat mij een slecht bericht +over eene enkele handeling, of over den levensloop van een vriend of +bloedverwant werd voorgelegd, en mij verzocht werd dit van fouten en +verkeerde uitleggingen te zuiveren." + +"Maar wat zijn de werken der heldendichters en geschiedschrijvers dan +anders dan de dichterlijk uitgewerkte of overeenkomstig de waarheid +verhaalde levensgeschiedenissen onzer vaderen?" vroeg Aristarchus. "Het +is juist aan deze dat mijn koning en studiegenoot zich met bijzonderen +ijver wijdt." + +"Wanneer hij niet drinkt en doorslaat en regeert, en met offers +en processiën en andere dwaasheden zijn tijd verbeuzelt," zeide +Euergetes. "Ware ik geen koning, misschien zou er dan uit mij een +Aristarchus zijn gegroeid. Thans ben ik een halve vorst, want de eene +helft van mijn rijk behoort aan u, Philometor,--en een halve geleerde, +want wanneer vind ik rust genoeg om te denken en te schrijven? + +"Alles is half, ja half aan mij, terwijl ik, als het gewicht den +doorslag gaf, een..." en hij sloeg zich op zijn lijf en zijn voorhoofd, +"een dubbel man zou zijn." + +"Geheel," dus ging hij voort, "meer dan geheel ben ik alleen bij het +drinkgelag, wanneer de wijn fonkelt in de bekers en ik de oogen zie +schitteren in de aanvallige kopjes der fluitspeelsters te Alexandrië +en te Cyrene; menigmaal ook in den raad, wanneer het er op aankomt; +en overal wanneer er iets buitengewoons te doen is, waarvoor mijn +broeder en gij allen wèl, en misschien alleen de Romeinen niet terug +zouden deinzen. Zoo is het, en gij zult het ondervinden!" + +Euergetes had deze laatste woorden, met vuurroode wangen en onrustig +heen en weer rollende oogen, meer uitgeschreeuwd dan gesproken, +terwijl hij den krans met den gouden hoofdband had afgenomen en weder +met de handen door zijne haren streek. Zijne zuster hield daarbij +beide ooren dicht en zeide: + +"Gij doet mij pijn! Daar niemand u tegenspreekt en gij niet gewoon +zijt als de Scythen door hard spreken uwe beweringen te bekrachtigen, +zoo zoudt gij beter doen het metaal uwer stem te sparen voor het +mededeelen van datgene, waarmede gij ons, zoo ik hoop, heden nog +vermaken zult. Voor uw kracht, waarop gij roem draagt, hebben wij ons +reeds meer dan eens moeten buigen, doch thans, bij dit vroolijk maal, +willen wij daaraan niet denken, maar liever blijven bij het gesprek, +dat ons verkwikt en zoo goed begonnen werd. Door zulk eene warme +verdediging van alles wat in Alexandrië het hart der Hellenen vervult, +gelukt het ons wellicht onzen Publius Scipio, en door hem ook vele +jonge Romeinen, achting in te boezemen voor eene geestesrichting, +die hij alleen veroordeelen kon, zoolang hij nog niet is staat was +haar te begrijpen. + +"Soms maakt het treffend woord van een dichter ons op eenmaal +duidelijk, wat wij ondanks lange geleerde uiteenzettingen niet vermogen +te vatten. Ik herinner mij zulk een woord, dat een onbekende heeft +gesproken, en dat u allen, en ook u, Aristarchus, bevallen zal. Het +vat in korte woorden den inhoud van ons gesprek samen en luidt aldus: + + + 't Kleine menschenkind, aan 't strand, + Speelt aan d'oever van den tijd, + Schept er met zijn tengre hand + Druppels uit de eeuwigheid. + + 't Kleine menschenkind wil zoeken, + Wat er fluistrend ommedwerrelt, + Schrijft het in geschiednisboeken + Die hij noemt het boek der wereld. + + +"Wij hebben deze verzen aan een verstandig vriend te danken, en een +ander maakte er de volgende variant op. + + + Schepte niet het kleine menschenkind, + Druppels uit der tijden oceaan, + Wat geschiedde ware ras als wind + In het niet der eeuwigheid vergaan. + + Druppels uit de golven van den tijd + Schept het menschenkind met kleine hand, + Maar bij 't licht van 't denkende verstand + Spiegelt daarin toch zich de eeuwigheid. + + +"Kleine menschenkinderen zijn wij allen, maar hen die druppels +verzamelen mogen wij zeker niet geringer schatten dan hen, die aan +den oever van den oceaan hun leven doorbrengen met spel en strijd...." + +"En liefde," zeide de eunuuch zachtjes, haar in de rede vallende, +terwijl zijn blik zich naar Publius richtte. + +"De strophen van uw dichter zijn bevallig en treffend," zeide +Aristarchus, het woord nemende, en eene vergelijking met het kind +dat druppels schept, laat ik mij gaarne aanleunen. Er is een tijdperk +geweest, dat helaas met den grooten Aristoteles is afgesloten, waarin +onder de Grieken mannen waren, die den oceaan, waarvan gij spreekt, +met nieuwen toevoer voedden. Want de goden hadden hun de kracht +geschonken bronnen te doen ontspringen, evenals die wonderdoener Mozes, +van wien ons onlangs de jood Onias vertelde, en wiens geschiedenis ik +in het heilige boek der Hebreën heb nageslagen. Deze--ik bedoel dien +Mozes--sloeg slechts water voor het lichaam uit de rots, terwijl wij +aan onze wijsgeeren en dichters een lafenis voor den geest en het +hart te danken hebben, die nimmer opdroogt. + +"Thans is de tijd voorbij, waarin zulke scheppende geesten, die goden +gelijken, geboren worden, en dat hebben uwe voorvaderen, o koningin, +wel erkend, toen zij den grondslag legden tot het museum in Alexandrië +en de boekverzameling, waarvan ik bewaarder ben, en die ik, dank zij +uwe hulp, mag uitbreiden. Wat in de dagen onzer grootheid was ontstaan, +kon, toen Ptolemaeus Soter het museum oprichtte, niet door nieuwe +werken vermeerderd worden; maar hij stelde ons, druppels verzamelende +kinderen, tot taak alles bijeen te brengen, te ziften en te zuiveren, +en voor deze taak zijn wij, geloof ik, opgewassen. + +"Men zegt, dat het niet minder moeielijk is een vermogen te behouden +als het te vergaderen, en zoo hebben wij, die zulke bewaarders zijn, +toch altijd aanspraak op eenigen lof, en dat te meer, omdat wij de +kunst verstaan het gevondene goed te ordenen, tot ons voordeel aan te +wenden, toe te passen, te verklaren en in waarde te doen toenemen. Als +er uit onzen kring iets nieuws te voorschijn komt, is dit altijd +slechts eene voortzetting van het oude. Toch is het ons ook gelukt dat +oude op velerlei gebied, met name op dat der ervaringswetenschappen, +te overvleugelen. De verheven geest van het voorgeslacht zag overal +rond in de ruimte, maar onze kortzichtige blik kan het nabijliggende +scherper onderzoeken. Wij hebben den zekeren weg voor elken arbeid +des geestes gevonden, namelijk de wetenschappelijke methode, en beter +dan onzen voorgangers gelukt het ons de dingen nauwkeurig waar te +nemen, zooals zij zijn. Ziedaar waarom in onzen kring op het gebied +van de natuurwetenschappen, de wiskunde, de kennis van den hemel, +de werktuigkunde en de aardbeschrijving ongehoorde resultaten worden +verkregen. Ook de ijver waarmede mijne geestverwanten verzamelen..." + +"Is groot!" riep Euergetes, hem in de rede vallende. "Maar met het +stof, dat zij bijeenscharrelen, verstikken zij het frissche denken, +en daar het hun vóor alle dingen bij het verzamelen om 'het vele' te +doen is, vergeten zij te ziften wat groot en wat klein is, en geven +zij aan Publius Scipio en zijns gelijken, die over den arbeid der +geleerden de schouders ophalen, gegronde reden om hen in het gezicht +uit te lachen. Gaarne zou ik drie vierde van uwe geleerden aan een +handwerk zetten, en ik doe het nog eens op zekeren dag, ja ik doe +het.--Dan jaag ik al uw ellendig gespuis het museum en mijn hoofdstad +uit. Dan kunnen zij bij u, Philometor, die alles bewondert waartoe +gijzelf niet in staat zijt, die alles bezitten wilt wat ik wegwerp, +en hen vertroetelt die ik verafschuw, een goed onderkomen vinden, en +Kleopatra speelt wellicht bij hun intocht te Memphis wel op de harp." + +"Wellicht," antwoordde de koningin, met een bitter lachje. "Want +het is zeer waarschijnlijk, dat uw toorn ook waardiger mannen zal +treffen. Ik zal mij tegen dien tijd in de muziek oefenen, en daarbij +gebruik maken van het werk, dat gij begonnen zijt over de harmonie te +schrijven. Heden levert gij ons proeven, hoever gij reeds gevorderd +zijt in de kunst, de tonen uwer ziel harmonisch te stemmen." + +"Ha, zoo bevalt ge mij," riep Euergetes. "Zoo houd ik van u, +zuster! Het staat een jongen adelaar slecht, te kirren als eene duif, +en gij hebt scherpe nagels, al verbergt gij ze ook onder zachte veeren. + +"Het is waar, dat ik over de harmonie schrijf, en ik doe het met +voorliefde, want zij behoort tot de verschijnselen, wier waarneming +het meest binnen ons bereik ligt en die bovendien onvergankelijk zijn, +daar zelfs geen godheid ze zuiver en onvermengd in de werkelijkheid +kan ontdekken. Waar vindt gij harmonie in die worsteling en dat +gewarrel van het leven des heelals? En ons aanzijn zelf is een +verkleind spiegelbeeld van dat wordings- en vernietigingsproces, +waaraan alles onderworpen is wat met de zinnen is waar te nemen, nu +eens langzaam en onmerkbaar, dan weder onder geweldige stuiptrekkingen, +maar nooit op eene harmonische wijze. + +"Deze harmonie, die zelfs vreemd is aan het leven der goden, deze +harmonie, die ik ken en toch niet in staat ben te vatten, die ik lief +heb en toch niet bezit, waarnaar ik smacht en die mij altijd ontvlucht, +zij is in de wereld der ideeën en dáar alleen te huis. Ik ben als een +dorstige, en zij is voor mij de verre onbereikbare bron. Ik drijf +op de oneindige zee en zij is een land, dat al verder terugwijkt, +hoe meer ik het waan te naderen. + +"Wie noemt mij het rijk, waarin zij ongestoord en onverhinderd als +koningin regeert? Wien gaat een schoone ernstiger ter harte: hem die +slapend in hare armen rust, of hem die door hartstochtelijk verlangen +naar haar wordt verteerd? Ik zoek, wat gijlieden meent te bezitten, +ha ha! te bezitten! + +"Ziet eens rond in de wereld en in het leven, ziet eens met mij +rond in dit vertrek, waarop gij trotsch zijt! Een Griek heeft het +gebouwd, maar dewijl gij niet meer tevreden zijt met de welluidendheid +van eenvoudige vormen; daar de pracht van het oosten, waarin gij +geboren zijt, u toelacht, omdat zij uwe ijdelheid streelt, en u, +zoo vaak gij haar aanschouwt, herinnert dat gij rijk en machtig +zijt, hebt gij den bouwmeester bevolen niet te letten op eenvoud +en waardigheid, maar zulk een bont onding samen te stellen als dit, +dat juist zooveel gelijkt op de feestzaal van een Pericles, als ik +of gij, Kleopatra, in onzen feesttooi op een god of eene godin van +Phidias in hun eenvoudig gewaad. Doch, dat moet gij weten! Maar u, +Kleopatra, heb ik dit te zeggen: Ik schrijf thans over de harmonie, +en later misschien ook over gerechtigheid, waarheid en deugd; hoewel +ik weet dat dit enkel zaken zijn, die noch in de natuur, noch in +ons leven voorkomen, en waarmede ik mij bij mijne handelingen niet +inlaat, doch die mij in elk geval wel een onderzoek waard schijnen, +evenals elke andere dwaling, door wier ontdekking men komen kan tot de +erkentenis van hetgeen stellig waar is. Wijl de eene mensch den ander +vreest, heeft men aan deze beperkingen--gerechtigheid, waarheid of +hoe zij verder heeten mogen--hoogdravende benamingen gegeven, heeft +men ze tot eigenschappen der goden gestempeld en onder bescherming +der hemelbewoners gesteld. Ja, men ging in zijne bezorgdheid zoover, +dat men als schoon en goed aanprees zich te spenen van het vrije genot +des levens ter wille van deze drogbeelden. Denk aan Antisthenes en +zijne navolgers, denk aan die gekken, die zich in den Serapis-tempel +hebben opgesloten! Alleen wat vrij is, is schoon, en niemand is minder +vrij dan hij, die zijne neigingen te allen tijde, en dan nog meestal +te vergeefs tracht te breidelen, om in den geest van vreesachtige +zwakhoofden deugdzaam, rechtvaardig en overeenkomstig de waarheid te +leven. Het eene dier verslindt het andere, nadat het hem gelukt is zijn +vijand in openlijken strijd of door list te overmeesteren. De klimop +verstikt den boom; het woestijnzand doodt de velden; sterren vallen +van den hemel en aardbevingen vernielen steden. Gij gelooft aan goden, +wat mij betreft ik geloof er ook aan; wanneer nu dezen het leven op +elk gebied zóo hebben ingericht, dat de sterkere den zwakkere moet +overwinnen, waarom zal ik dan mijne kracht niet gebruiken, en haar +laten beperken door die hooggeroemde verdoovingsdranken, die slimme +voorvaderen hebben bereidt om mij en mijns gelijken het heete bloed +te koelen en de gespierde vuist te verlammen? + +"Bij mijne geboorte heb ik den naam Euergetes, d. i., 'weldoener', +ontvangen, doch wanneer men mij eens Kakergetes d. i. 'boosdoener', +noemen wil, kan mij dit weinig schelen, want wat gij goed noemt heet +beperking, en wat gij boos noemt, vrijheid en onbeteugelde kracht. Voor +een luiaard en lediglooper zou ik niet willen doorgaan, want alles in +de natuur is beweging en werkzaamheid, en daar ik met Aristippus genot +als het hoogste goed heb erkend, zoo wil ik den roem gaarne verwerven, +meer genoten te hebben dan alle anderen, eerst met den geest, maar +niet minder ook met dit lichaam, dat ik liefheb en vertroetel." + +Terwijl hij zoo sprak, hadden verschillende der aanwezigen luide +teekenen van ontevredenheid gegeven. Publius, die voor het eerst +in zijn leven zulk een lastertaal hoorde, had de woorden van den +onstuimigen jonkman met ontzetting gevolgd. Hij gevoelde zich +niet opgewassen tegen dien sterken, in alle kunsten van denken en +redeneeren fijn geslepen geest, maar toch kon hij niet nalaten het +gehoorde te weerleggen, en daarom zeide hij, toen Euergetes zweeg, +om zijn pas gevulden beker te ledigen: + +"Als wij allen uwe grondstellingen wilden volgen, dan zou er, geloof +ik, in weinige eeuwen niemand meer zijn, om ze aan te nemen, want de +aarde zou ontvolkt zijn. Gezonde moeders zouden de schriftrollen, +waarin gij zoo zorgvuldig 'iu' in 'siu' veranderd hebt, gebruiken, +waar zij ze maar vonden, om in dit aan hout zoo arme land er de soep +voor hunne kinderen op te koken. Eerst hebt gij er u op beroemd, dat +gij een Alcibiades waart, maar hetgeen dezen Griek onderscheidde en de +oorzaak was waarom de Atheners zoo hoog met hem wegliepen,--ik bedoel +zijne schoonheid--is allerminst te vereenigen met deze leer, die de +menschen tot denkende roofdieren verlagen zal. Want wie voor schoon +gehouden wil worden, moet--dat heb ik reeds in Rome geleerd en niet +voor 't eerst in Athene vernomen, en ik heb het goed onthouden--die +moet vóor alle dingen de kunst verstaan zich te beperken en maat te +houden. Een Titan heeft misschien gedacht en geredeneerd als gij, +een Alcibiades zeker niet!" + +Euergetes steeg het bloed naar het hoofd, toen hij dit hoorde, maar +hij hield het scherpe beleedigende antwoord in, dat hem op de lippen +zweefde. Het overwinnen van de toornige opwelling in zijn gemoed werd +hem lichter gemaakt, door dat juist op dit oogenblik Lysias tot de +feestvierenden terugkeerde, die, na zich verontschuldigd te hebben +over zijn langdurig uitblijven, eerst Kleopatra en daarna haren +gemaal de gesneden steenen van zijn vriend Publius voorlegde. Zij +werden uitbundig geprezen; ook Euergetes was alles behalve karig +in zijn lof. Elk der aanwezige gasten moest toestemmen nooit iets +schooners en bevalligers te hebben gezien, dan deze Hebe, met de +oogen zoo schuchter nedergeslagen, dan deze godin der overreding, +die hare hand legde op den arm der bruid. + +"Ik zal Peitho voorstellen," zeide Kleopatra, op beslisten toon. + +"En ik Heracles!" riep Euergetes. + +"Maar wie," vroeg koning Philometor, "is nu de schoone, die gij +Lysias, voor dit onvergelijkelijk lieftallig beeld van Hebe op het oog +hebt. Terwijl gij afwezig waart, heb ik mij de gelaatstrekken van alle +vrouwen en meisjes, die onze burcht bezoeken, voor den geest geroepen, +maar om de eene na de andere te verwerpen." + +"De schoone, die ik bedoel," antwoordde Lysias, "heeft noch dit paleis, +noch eenig ander ooit betreden, en ik begin bijkans te vreezen, +dat ik te ver ga, wanneer ik onze verhevene koningin voorstel, een +armoedig kind, al is het ook maar in eene vertooning, eene plaats in +te ruimen aan hare zijde." + +"Ik moet althans haar arm met mijne hand aanraken," zeide de +koningin bezorgd, terwijl zij de vingers introk, als vreesde zij +iets onreins aan te raken. "Wanneer gij een bloemenmeisje bedoelt, +eene fluitspeelster, of zoo eene...." + +"Hoe zou ik u zoo iets onbetamelijks durven voorslaan," zeide +Lysias, de koningin haastig in de rede vallende. "De jonkvrouw, +waarop ik doel, zal zoowat zestien jaren tellen; zij is de onschuld +in eigen persoon, en ziet er uit als eene bloemknop, die na nog éen +verkwikkenden regen, in den vroegen morgen kan ontluiken, maar nu nog +in zijne kelkbladeren besloten is. Zij is van Helleensche afkomst, +van uwe grootte, Kleopatra, heeft wonderbaarschoone gazellenoogen in +haar kopje, dat met dik bruin haar is getooid, heeft als zij lacht +bevallige kuiltjes in de wangen, en zij zal ongetwijfeld lachen, +als zulk eene Peitho haar toespreekt." + +"Gij spant onze nieuwsgierigheid," zeide koning Philometor. "In welken +tuin wast deze bloem?" + +"En hoe komt het," vroeg Kleopatra, "dat mijn echtgenoot deze bloem +niet reeds lang heeft opgemerkt, en in ons paleis overgeplant?" + +"Vermoedelijk," antwoordde Lysias, "omdat hij die u, de schoonste +roos van Egypte, bezit, de viooltjes aan den weg te gering acht, +om er naar om te zien. Bovendien is de heg, waartegen mijn knopje +opwies, gelegen in een duister oord, dat moeielijk te vinden is, +en streng bewaakt wordt. Om kort te gaan, onze Hebe is eene der +kruikdraagsters in den tempel van Serapis, en heet Irene." + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +Lysias behoorde tot die menschen, van wie men, wat zij ook zeggen, +niet onderstellen kan, dat het ernstig is gemeend. Zijne mededeeling, +dat hij eene dienares van Serapis voor geschikt hield om eene Hebe +voor te stellen, klonk zoo vroolijk natuurlijk, alsof hij kinderen +een fabeltje vertelde, maar zijne woorden werkten op allen die ze +hoorden als het geruisch van water, dat een schip binnendringt. + +Publius was geheel verbleekt, en had eerst, nadat zijn vriend den naam +van Irene had uitgesproken, zijne kalmte eenigermate teruggekregen. + +Philometor had met zijn beker op de tafel geklopt en opgewonden +uitgeroepen: "Eene dienares van Serapis als Hebe bij eene feestelijke +vertooning! Houdt ge dat voor mogelijk, Kleopatra?" + +"Het is niet uit te voeren, volstrekt onmogelijk," antwoordde de +koningin op stelligen toon. + +Euergetes, die evenals de anderen groote oogen had opgezet toen de +Korinthiër sprak, keek langen tijd zwijgend in zijn beker, terwijl zijn +broeder en zijne zuster nog verder hunne verwondering en afkeuring +uitspraken, en gewaagden van den eerbied en het ontzag, die zelfs +koningen voor priesters van Serapis moeten gevoelen. Eindelijk nam +hij zijn krans en den hoofdband weder af, streek zijn haar met beide +handen op en zeide toen dood bedaard en zeker: + +"Wij hebben eene Hebe noodig, en nemen haar, waar wij haar +vinden. Wanneer gij aarzelt het meisje te laten halen, dan zal +het op mijn bevel geschieden. De priesterschap van Serapis bestaat +grootendeels uit Grieken, en hun hoofd is een Helleen. Lieden als +hij geven niet veel om een half volwassen kind, als zij er u of mij +genoegen mede kunnen doen. Hij weet zoo goed, als wij allen, dat de +eene hand de andere wascht. De vraag is alleen--want vrouwenmisbaar +zou ik liefst vermijden--of dit meisje al of niet genegen is te komen, +als wij haar roepen. Wat denkt gij er van, Lysias?" + +"Ik geloof dat zij liever heden dan morgen uit hare gevangenis bevrijd +wil worden," antwoordde Lysias. "Irene is opgewekt van aard. Zij +lacht zoo natuurlijk en rein, als een spelend kind, en men laat haar +bovendien in hare kooi verhongeren." + +"Dan ga ik haar morgen halen!" riep Euergetes. + +"Maar," merkte Kleopatra op, haren broeder in de rede vallende, +"Asklepiodorus heeft ons en niet u te gehoorzamen, en wij, ik en +mijn gemaal...." + +"Gij wilt u dat priestervolk niet tot vijand maken!" zeide Euergetes +lachend. "Als het nog Egyptenaren waren! Als men dezen aan hun +tempeldienst raakt, komt men er niet zonder kleerscheuren af. Maar wij +hebben hier, zooals ik zeide, met Grieken te doen. Wat hebt gij van +dezen te vreezen? Wat mij aangaat, kunt gij deze Hebe laten waar zij +is, maar ik heb mij nu eenmaal op deze voorstelling verheugd, en daarom +vertrek ik morgen zoodra ik zal uitgeslapen zijn, naar Alexandrië, +wanneer gij deze zaak niet in orde brengt, en mij, Herakles, niet de +bruid tegemoet voert, die de goden voor hem gekozen hebben. Wat ik +zeg, dat meen ik, en het is mijne gewoonte niet op eene zaak terug +te komen. Nu wordt het tijd, dat wij ons eens vertoonen aan onze +vrienden, die in het aangrenzend vertrek feestvieren. Zij beginnen +al luidruchtig te worden, en het zal ook niet vroeg meer zijn." + +Terwijl hij dit zeide, rees Euergetes van zijn rustbed op, en wenkte +Hiërax en een kamerdienaar, die de plooien van zijn doorzichtig gewaad +in orde brachten. Philometor en Kleopatra fluisterden onderwijl, +de schouders ophalende en het hoofd schuddende. + +Publius omklemde met zijne rechterhand den pols van den Korinthiër, +en beet hem in 't oor: "Gij moet hen niet helpen, wanneer gij prijs +stelt op mijn vriendschap. Zoodra het voegzaam geschieden kan, breken +wij op." + +Euergetes wachtte niet gaarne. Reeds richtte hij zijne schreden naar +de deur, toen Kleopatra hem terug riep, en op zacht verwijtenden +toon zeide: "Gij weet dat wij gaarne de zeden der Egyptenaars volgen, +door alle wenschen te vervullen, die een vriend en broeder tegen zijn +geboortedag koestert. Maar daarom is het niet goed van u gehandeld, +dat gij ons iets tracht af te dwingen, wat wij u noode weigeren, +en toch niet kunnen vervullen, zonder ons bloot te stellen aan de +grootste moeilijkheden. Vorder, bidden wij u, iets anders en wij +zullen het u zeker toestaan als wij kunnen." + +De jonge reus beantwoordde deze bede zijner zuster met luid gelach, +zwaaide met zijn arm, maakte eene afwijzende beweging met de hand en +zeide toen: "Het eenige wat ik gaarne zou willen hebben van alles wat +gij bezit, staat gij toch niet vrijwillig af; zoo blijve het dus bij +onze afspraak. Gij bezorgt mij mijne Hebe, of ik ga mijns weegs." + +Kleopatra wisselde andermaal met den koning eenige korte woorden en +vluchtige blikken, en Euergetes keek haar daarbij brutaal aan, terwijl +hij de beenen uit elkander spreidde, zijn kolossaal bovenlichaam +voorover boog, en beide vuisten in zijne heupen zette. + +Er lag in deze houding haars broeders zulk een overmoed, zulk een +jongensachtig drieste en onbeschaamde uitdaging, dat Kleopatra met +moeite een kreet van afkeer terughield, eer zij zeide: "Wij zijn nu +eenmaal broer en zuster, en zullen toegeven ter wille van den vrede, +die met zooveel moeite tusschen ons werd hersteld en bewaard. Het +beste zal zijn, dat wij Asklepiodorus verzoeken...." + +Hier viel Euergetes haar in de rede met hard in de handen te klappen en +lachend te zeggen: "Zoo is het goed, zuster! Bezorg mij slechts mijne +Hebe! Hoe gij dat aanlegt is mij om 't even; dat is uwe zaak. Morgen +avond wordt er repetitie gehouden en overmorgen zal de voorstelling +plaats hebben, waarvan de kleinkinderen nog gewagen zullen. Aan eene +schitterende schare van toeschouwers zal het ook niet ontbreken, +want ik hoop dat zij, die mij komen gelukwenschen, zoowel die den +priesterband als die den wapenrok dragen, intijds aanwezig zijn.--Komt, +mijne heeren, wij willen eens zien, wat daar binnen aan de tafel voor +goeds te hooren en te drinken is." + +De deuren werden geopend; de tonen der muziek, vrij luide gesprekken, +het gedruisch van klinkende bekers en schaterend gelach drongen door +in de zaal der vorstelijke personen, en alle gasten, met uitzondering +van den eunuuch volgden Euergetes. + +Kleopatra liet hen zwijgend vertrekken! Publius alleen riep zij een +'tot wederziens' toe, doch den Korinthiër hield zij terug en zeide: +"Gij, Lysias, zijt oorzaak van deze moeilijkheid. Tracht alles weer +goed te maken, door het meisje tot ons te brengen. Weiger niet! Ik +zal over haar waken, zorgvuldig waken, verlaat u daarop!" + +"Zij is een zedige jonkvrouw," antwoordde Lysias, "en zal mij zeker +niet gewillig volgen. Toen ik voorstelde haar de rol van Hebe op +te dragen, hield ik mij overtuigd, dat een woord uit den mond van u +beiden, den vorst en de vorstin, voldoende zou zijn om de bestuurders +van den tempel het verzoek te doen inwilligen, om haar voor eenige uren +aan ons toe te vertrouwen, terwille van een onschuldig spel.--Vergeef +mij dat ook ik u thans verlaat. Ik heb den sleutel der kast van mijn +vriend nog bij mij, en moet hem dien brengen." + +"Zou men haar niet heimelijk kunnen wegvoeren?" vroeg Kleopatra haren +gemaal, nadat ook de Korinthiër de andere gasten gevolgd was. + +"Als er maar geene aanranding plaats heeft en geenerlei geweld wordt +gepleegd!" zeide koning Philometor bezorgd. "Ik weet geen beter middel, +dan dat ik aan Asklepiodorus schrijf, en hem vriendelijk verzoek +deze Ismene, of Irene, of hoe het ongelukskind ook heet, voor eenige +dagen aan u toe te vertrouwen, omdat zij een gunstigen indruk op u +maakte. Ik kan het uitzicht openen op eene grootere akkerschenking +dan die van heden, welk ver beneden zijne verwachting is gebleven." + +"Veroorloof mij u te verzoeken, verheven heer," zeide Eulaeus, die +nu met het koninklijk echtpaar alleen was, op onderdanigen toon, +"bij deze gelegenheid niets groots toe te zeggen, want zoodra dit +gebeurt zal Asklepiodorus aan uw wensch een gewicht hechten...." + +"Dat hij niet heeft en niet hebben moet," zeide de koningin, hem in +de rede vallende. "Het is beneden onze waardigheid, ter wille van een +hongerig schepsel, een waterdraagster, zoovele woorden te verspillen +en zooveel onrust te hebben. Maar hoe brengen wij dit tot een goed +einde? wat raadt gij, Eulaeus?" + +"Voor deze vraag zeg ik u dank, hooge vorstin," antwoordde de +eunuuch. "Mijn heer de koning moet, zou ik meenen, dit meisje laten +weg voeren, doch niet met geweld door een man, dien zij zeker niet +zoo spoedig volgen zal als noodig is, maar door eene vrouw. + +"Ik denk hierbij aan het oude Egyptische sprookje van de beide +broeders, dat u zeker bekend is. De pharao wenschte de vrouw van den +jongste te bezitten, die op den cederberg woonde, en zond gewapende +lieden uit om haar te halen, maar van dezen kwam er slechts éen +terug, want Bataou had ze allen verslagen. Daarna werd er eene vrouw +uitgezonden met kostbare sieraden, waarop vrouwen zoo gesteld zijn, +en haar volgde de schoone naar het paleis, zonder weerstand te bieden. + +"Besparen wij de moeite van boden te zenden, maar beginnen wij +terstond met de vrouw. Uwe speelgenoote Zoë zal zulk een opdracht +voortreffelijk vervullen. Wie kan ons iets verwijten, wanneer zulk +een ijdel meisje hare wachters ontloopt?" + +"Maar iedereen zal haar als Hebe zien," zeide Philometor met een zucht, +"en ons, de beschermers van den Serapisdienst, voor tempelschenders +uitmaken, wanneer Asklepiodorus hun dit voorpraat. Neen, neen, eerst +moet de opperpriester gunstig gestemd worden. In geval hij zwarigheden +maakt, maar ook niet eer, mag Zoë beproeven, of zij slagen kan." + +"Zoo zal het geschieden," zeide de koningin, als kwam het haar toe +de voorslag van haar gemaal te bekrachtigen. + +"Laat mij uwe speelgenoote begeleiden," vroeg Eulaeus, en uw verzoek +aan Asklepiodorus voordragen. Terwijl ik met den opperpriester spreek, +moet Zoë het meisje op alle manieren trachten te winnen, en wat wij +willen doen, moet reeds morgen geschieden, anders komt de Romein +ons voor. Ik weet dat hij een oog heeft op Irene, die inderdaad zeer +schoon is. Hij schenkt haar bloemen, voedert zijn vogeltje met fazant, +perziken en andere lekkernijen, laat zich door zijn schatje, zoo +dikwijls het maar geschieden kan, in het Serapeum lokken, blijft daar +uren lang, neemt als een vrome aan de optochten deel, om de viooltjes, +die gij hem genadig hebt vereerd, te schenken aan zijne schoone, +die zeker liever koninklijke bloemen draagt dan andere." + +"Leugenaar?" riep de koningin opeens, den hoveling in de rede vallende, +in zulk een hevige opgewondenheid, zoo bovenmate verstoord en buiten +zichzelve van verontwaardiging, dat haar gemaal van schrik een paar +passen achteruitdeinsde. + +"Gij zijt een lasteraar, een snoode eerroover! De Romein valt u +openlijk aan, maar gij sluipt in het donker als de schorpioen, en +tracht uw vijand in de voetzool te steken. De schilder Apelles heeft +ons, kleinkinderen van Lagus, in de schilderij, waarop hij Antiphilus +ten toon stelde, voor lieden van uw gehalte gewaarschuwd. Als ik u +aanzie, denk ik aan zijn demon van den laster. Die spijt, die boosheid, +sprekende uit listige oogen, en die op haar offer loerende woede, welke +op het vuurrood gelaat te lezen staat, hebt gij beiden gemeen. Gij +zoudt wel willen, niet waar, dat die jongeling, dien de laster op +het doek van Apelles bij de haren met zich voortsleurt, onze Publius +was, en dat ook u die vuige holoogige gedaante van den nijd, en die +afzichtelijke vrouwen, list en bedrog, bijstand boden? Maar ik herinner +mij ook dien hoog ten hemel geheven arm, die de bescherming vraagt van +de godin en van den koning; ook den trouwen oprechten blik van dien +ter aarde geworpen knaap. En al is Publius Scipio mans genoeg, om zich +tegen openbare aanvallen te verdedigen, zoo zal ik hem toch beschermen +tegen elken aanval uit een hinderlaag.--Weg uit dit vertrek! Pak u weg, +zeg ik u, en gij zult ondervinden, hoe wij lasteraars straffen!" + +Terwijl zij dus sprak, wierp Eulaeus zich voor de koningin op +de knieën. Kleopatra haalde diep adem; de snelle beweging harer +neusvleugels teekende hare gemoedsaandoening. Zij zag voor zich uit, +als merkte zij den eunuuch niet op, tot haar gemaal naar haar toeging +en met een hartroerende stem zeide: "Veroordeel hem toch niet, zonder +hem te hooren, en reik hem de hand om op te staan. Geef hem in elk +geval gelegenheid, uw toorn te doen bedaren, door ons de kruikdraagster +te bezorgen, zonder Asklepiodorus te vertoornen.--Maak het weer goed, +Eulaeus, en gij zult in ons een voorspraak bij Kleopatra vinden." + +De koning wees met den vinger naar de deur. Eulaeus verwijderde +zich in diep gebogen houding, terwijl hij, achterwaarts gaande, +den uitgang zocht. + +Toen Philometor met zijne gemalin alleen was, zeide hij op zacht +verwijtenden toon: "Hoe kondt gij u zoo onverstandig laten medeslepen +door uw toorn? Een trouw en verstandig dienaar, die tot de weinigen +behoort, welke nog in leven zijn van allen die onze moeder lief waren, +jaagt men toch niet weg als een onbekwamen oppasser. En welk groot +misdrijf heeft hij dan begaan? Is dat een vergrijp waarover men zich +zóo boos moet maken, wanneer een goedaardig oud man, van een jonkman, +die voor de wereld leeft en die niets van de geheimzinnige heiligheid +van Serapis begrijpt, zonder erg vertelt, dat deze behagen schept +in een meisje, hetwelk ieder bewondert die het ziet; dat hij haar +opzoekt en hare schoonheid met bloemen huldigt...." + +"Met bloemen huldigt?" vroeg Kleopatra, op nieuw opvliegende. "Neen, +neen, men beticht hem, dat hij eene jonkvrouw, die aan Serapis +toebehoort, aan Serapis, zeg ik, vervolgt. Maar dat is eenvoudig +niet waar, dat is gelogen, en gij zoudt als ik hiertegen in verzet +komen, wanneer gij u boos kondt maken als een man en gij Eulaeus niet +gebruiktet voor vele dingen, waarvan ik wel kennis draag, al gelieft +gij ze evenals andere voor mij te verzwijgen. Laat hem het meisje +halen; doch hebben wij haar hier, en bevind ik, dat de klacht van +den Romein over Eulaeus, die ik morgen wil aanhooren, gegrond is, +dan zult gij zien, dat ik mannelijke gestrengheid genoeg bezit voor +ons beiden. Kom nu mede, want zij die daar binnen zijn wachten op ons." + +De koningin verhief haar stem; kamerheeren en dienaars snelden toe, +hare schelpvormige draagstoel werd weder te voorschijn gehaald, +en weldra werd zij aan de zijde van haren gemaal, hoog in de lucht +zwevende, de groote zuilengalerij binnen gedragen, waar de grooten van +het hof, de bevelhebber der troepen, de aanzienlijkste der Egyptische +beambten, die uit de provinciën waren aangekomen, vele kunstenaars +en geleerden, alsmede de buitenlandsche gezanten in lange rijen waren +aangelegen, en die, daar het eigenlijke maal reeds was afgeloopen, den +wijn eer aandeden. De Grieken en de donkerder gekleurde Egyptenaars +waren hier ongeveer even talrijk vertegenwoordigd, doch onder hen, +en vooral onder de geleerden en officieren, bevonden zich ook vele +Israëlieten en Syriërs. + +Het koninklijk paar werd door de feestvierenden met gejubel en +betuigingen van eerbied ontvangen. Kleopatra lachte zoo vriendelijk +als ooit te voren; zij wuifde ook nog met den waaier, nadat zij +den draagstoel had verlaten. Toch schonk zij aan niemand onder +de aanwezigen ook zelfs de minste opmerkzaamheid, want zij zocht +Publius, eerst in de nabijheid van het rustbed, dat voor haar was +open gehouden, daarna onder de andere Hellenen, de Egyptenaars, de +Joden en de gezanten. Doch zij vond hem niet, en toen zij ten laatste +den kamerheer aan hare zijde vroeg, waar de Romein zich bevond, werd +terstond de persoon geroepen, die met de zorg voor de gezanten belast +was. Deze was een zeer hooggeplaatst beambte, die tot taak had voor +de vertegenwoordigers van vreemde machten te zorgen. Hij was bij de +hand, want hij wachtte reeds lang op eene gelegenheid, om Kleopatra +den groet van Publius Cornelius Scipio over te brengen, en haar uit +zijn naam mede te deelen, dat hij zich naar zijne tent had begeven, +omdat er brieven uit Rome voor hem waren aangekomen. + +"Is dat waar?" vroeg de koningin, terwijl zij haar waaier liet zinken +en den verzorger der gezanten streng aanzag. + +"De triremis [13] Proteus, die van Brundisium komt," antwoordde de +aangesprokene, "is gisteren de haven van Eunostus binnengeloopen, +en een uur geleden bracht een bode te paard den brief. En zeker was +het geen gewone brief, maar het was een schrijven van den senaat; +ik ken den vorm en het zegel." + +"En de Korinthiër Lysias?" + +"Hij vergezelt den Romein." + +"Heeft de senaat ook aan dezen geschreven?" vroeg Kleopatra scherp en +spottend. Daarna keerde zij den verzorger der gezanten den rug toe, +zonder hem te groeten, en zeide, terwijl zij zich tot den kamerheer +wendde, op afgemeten toon, als moest zij eene rechtszitting leiden: +"Koning Euergetes zit daar midden onder de Egyptenaars naast de +tempelgezanten uit het bovenland. Hij ziet er uit als hield hij voor +hen eene redevoering; zij hangen aan zijne lippen. Wat spreekt hij, +en wat moet dit weder beteekenen?" + +"Vóor gij kwaamt, zat hij onder de Syriërs en Joden, en deelde hun +mede, wat kooplieden en schrijvers, die hij naar het Zuiden had +gezonden, bericht hadden omtrent de landen, die bij de meren liggen, +waardoor, naar men zegt, de Nijl stroomt. Hij meent dat zich bij +den oorsprong van den heiligen vloed, die toch niet, gelijk de ouden +geloofden, uit den oceaan kan ontspringen, nieuwe bronnen van rijkdom +hebben opgedaan." + +"En?" vroeg Kleopatra, "wat maakt hij nu daar aan de Egyptenaars wijs?" + +De kamerheer ging haastig naar de plaats waar Euergetes lag, en keerde +weldra terug tot de koningin, die intusschen eenige vriendelijke +woorden had gewisseld met den Joodschen generaal Onias, om haar +zacht mede te deelen, dat de koning eene plaats uit den Timaeus van +Plato verklaarde, waar Solon met lof spreekt van de hooge wijsheid +der priesters van Saïs, dat hij met vuur sprak en de Egyptenaars hem +luide hun bijval betuigden. + +Kleopatra's gelaat betrok al meer en meer, doch zij hield het achter +haren waaier verborgen. Zij wenkte Philometor naderbij te komen en +fluisterde hem in 't oor: "Blijf in de nabijheid van Euergetes; het is +bedenkelijk, dat hij zich zooveel met de Egyptenaars inlaat. Hij legt +het er op toe hen welgevallig te zijn, en deze aanvallige duivel weet +ieder, dien hij in ernst voor zich wil innemen, in zijne strikken te +vangen. Hij heeft mij dezen avond verbitterd; ik laat u verder alleen. + +"Tot wederziens op morgen!--ik wil de klacht van den Romein op mijn +dak mede aanhooren, want daar waait altijd een koeler stroom. Verlangt +gij daarbij te zijn, dan laat ik u roepen, maar eerst wensch ik hem +alleen te spreken, want hij heeft brieven van den senaat ontvangen, +die misschien iets gewichtigs inhouden. Tot morgen dus!" + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + +Terwijl in de groote zuilengalerij vele bekers geledigd en de +deelnemers aan het drinkgelag steeds levendiger en luidruchtiger +werden; terwijl Kleopatra de dienstmaagden en speelgenooten, die +haar uitkleedden, voor kwaadwillig en onhandig uitmaakte, omdat elke +aanraking haar zeer deed, en iedere naald, die werd uitgehaald, haar +pijn veroorzaakte, liepen de Romein Publius en zijn vriend Lysias in +groote spanning in hun tent op en neder. + +"Spreek wat zachter," zeide de Korinthiër, "want elke griffioen, die op +deze doorluchtige wanden is geweven, schijnt mij op de loer te liggen +en ons te beluisteren.--Neen, ik heb mij niet vergist. Toen ik hierheen +ging, om de gesneden steenen te halen, zag ik van verre door de deur +eene schemering van licht. Doch de indringer moet gewaarschuwd zijn +geworden, want juist toen ik bij de lantaarn kwam voor de tent der +bedienden, ging het licht uit, en de fakkel, die anders voor onze +deur brandt, was in het geheel niet aangestoken. Maar het schijnsel +op den weg was voldoende, om eene mansgestalte te herkennen, die +heensloop als een gladde, zwarte salamander door een moeras. Hij +droeg een lang gewaad, was behangen met gouden sieraden, die ik in de +flauwe schemering van mijn lampje kon zien fonkelen.--Gij weet dat ik +goede oogen heb; ik geef er éen van de twee als ik mij vergist heb, +en de kat, die bij ons was binnengeslopen, niet de eunuuch Eulaeus +is geweest." + +"En waarom liet ge hem niet vasthouden?" vroeg Publius gemelijk. + +"Omdat het rondom onze tent stikdonker was," antwoordde Lysias, "en +die dikkert even behendig is als een vette das, wanneer de honden +hem op de hielen zitten. Uilen, vleermuizen en al dat ongedierte, +hetwelk in den nacht op buit uitgaat, is afschuwelijk, en deze Eulaeus, +die als een hyena grijnst als hij lacht...." + +"Deze Eulaeus zal mij leeren kennen en ondervinden, dat het niet +geraden is met den zoon van mijn vader een strijd te beginnen." + +"Maar gij zijt begonnen met hem juist niet vriendelijk en hoffelijk +te bejegenen," zeide Lysias, "en dat was niet wijs gehandeld." + +"Wijs of niet!" riep de Romein in drift, hij is een schurk. Dat +gaat mij niet aan, zoolang hij op een afstand blijft; doch wanneer +hij zich, zooals sedert de laatste dagen het geval is, voortdurend +aan mij opdringt om mij te beloeren, en mij behandelt als ware hij +mijns gelijke, dan zal ik hem toonen, dat hij zich vergist. Over +gebrek aan openhartigheid heeft hij niet te klagen; hij weet wat ik +van hem denk en dat ik niet vrees hem te lijf te gaan. Als ik zijne +listen met list wilde te keer gaan, dan trok ik aan het kortste +einde, want in arglistigheid is hij mij de baas. Met mijne manier +om in het openbaar te strijden, die hem nieuw is en hem overbluft, +kom ik tegenover hem het verst; deze strookt ook meer met mijn aard +en valt mij gemakkelijker dan eene andere. Hij is sluw, ja meer dan +dat, hij is scherpzinnig, en zoo heeft hij terstond de aanklacht, +waarmede ik hem bedreigde, in verband gebracht met het geschrift, +dat de kluizenaar Serapion mij in zijne tegenwoordigheid overhandigde. + +"Daar ligt het. Zie maar! + +"Daar hij echter niet alleen doorslepen maar ook een schurk is--twee +eigenschappen, die eigenlijk met elkander in tegenspraak zijn, want +niemand die waarlijk slim is kan tegen de wetten handelen--heeft +hij den draad, waarmede de schriftrol gesloten was, heimelijk +losgemaakt. Maar zie, hij heeft geen tijd gehad het stuk weder +dicht te maken. Hij zal het geheel of gedeeltelijk gelezen hebben, +en ik gun hem de vreugde, die hij gesmaakt moet hebben, toen hij zijn +eigen persoon daar als in een spiegel zag. De kluizenaar schrijft een +krachtige stijl en schildert met forsche penseelstreken en schelle +kleuren. Wanneer hij dat geschrift ten einde toe heeft gelezen, +dan bespaart mij dit de moeite om hem te verklaren, wat ik van plan +ben tegen hem in te brengen. Hebt gij hem nog tijdig gestoord, dan +zal ik bij mijne aanklacht uitvoeriger dienen te zijn; hoe dit zij, +het is mij onverschillig!" + +"Neen, het mag u niet onverschillig zijn," zeide Lysias; "want in +het eerste geval zal Eulaeus tijd hebben om leugens te verzinnen +en getuigen om te koopen tot zijne verdediging. Zulke belangrijke +geschriften zou ik, wanneer iemand ze mij wilde toevertrouwen, +zorgvuldig wegsluiten en verzegelen, wanneer ik althans niet evenals +gij vergat zulks te doen. Waar hebt gij het schrijven van den senaat, +dat de bode u straks heeft gebracht?" + +"Dat stuk ligt reeds lang in deze kast gesloten," antwoordde Publius, +en maakte eene beweging met de hand, als wilde hij haar vast drukken +tegen zijn kleed, waaronder hij den brief zorgvuldig verborgen hield. + +"Mag men den inhoud niet weten?" vroeg de Korinthiër. + +"Neen! het is nu ook geen tijd om daarover te spreken. Allereerst +hebben wij te overleggen, hoe het laatste onheil, door u gesticht, +weder goedgemaakt kan worden. Is het niet schandelijk van u, dat +gij het aanvallig schepseltje welks kinderlijke schuchterheid wij +heden morgen met welgevallen hebben opgemerkt, dat gij het meisje, +waarvan gijzelf mij, toen wij terugkeerden, zeidet, dat zij u deed +denken aan uwe lieve zuster, wilt overleveren aan den wildsten van +alle woestelingen, die ik ooit ontmoet heb, aan dit monster, dat +behagen schept in allerlei buitensporigheden, en zijn eer stelt in +al wat slecht is? Wat heeft Euergetes...." + +"Bij onzen beschermgod Poseidon," riep Lysias, terwijl hij zijn vriend +haastig in de rede viel, "ik dacht in het geheel niet aan dien dubbelen +Alcibiades, toen ik op haar de aandacht vestigde. Wat doet hij, die +eene tooneelvoorstelling moet leiden, niet al om zich te verzekeren +van den bijval zijner toeschouwers? En--laat ik eerlijk zijn--voor +mijzelven wilde ik Irene in het paleis brengen, want ik ben smoorlijk +op haar verliefd; zij heeft mijn hart getroffen." + +"Even als Kallista en Phryne en de fluitspeelster Stephanion." zeide +de Romein, de schouders ophalende. + +"Hoe anders?" vroeg de Korinthiër, terwijl hij zijn vriend verbaasd +aanzag. "Eros heeft vele pijlen in zijn koker, de eene treft dieper +dan de andere, en ik geloof dat de wond, die ik heden ontving, weken +lang pijn zal doen, als ik dit kind, hetwelk nog bekoorlijker is dan +de zoo bewonderde Hebe aan onze bron, moet prijs geven." + +"Ik raad u hoe eer hoe liever u aan deze gedachte te gewennen," +zeide Publius ernstig, terwijl hij vóor den Korinthiër ging staan +met de armen over elkaar gekruist. "Wat zoudt ge van mij wel zeggen, +wanneer het mij inviel, uw aardig zusje, waarop--ik herhaal het--Irene +zoo veel gelijkt, listig uit het huis uwer ouders te lokken?" + +"Niet zulke vergelijkingen, bid ik u," hernam de Korinthiër, en zoo +kortaf boos, als de Romein hem nog nooit gezien had. + +"Gij maakt u ten onrechte toornig," antwoordde Publius kalm en +ernstig. "Uwe zuster is een bevallige jonkvrouw, het sieraad van uwe +deftige familie, en toch durf ik de arme Irene..." + +"Met haar vergelijken, wilt gij zeggen," zeide Lysias, op nieuw +opstuivende. "Dit is een slechte dank voor de gastvrijheid, die +gij bij mijne ouders hebt genoten, en die gij altijd zoo geroemd +hebt. Ik ben een goede kerel, die van u meer dan van iemand anders kan +verdragen, waarom weet ikzelf niet; maar in deze zaak wil ik van geen +gekscheren weten! Mijne zuster is de eenige dochter van de rijkste, +de edelste familie van Korinthe, om wier hand reeds velen aanzoek +hebben gedaan. Zij is geen haar minder dan het kind van uw eigene +ouders, en ik wilde wel eens zien wat gij zoudt zeggen, wanneer ik +het waagde de trotsche Lucretia te vergelijken met dit arme ding, +dat als eene dienstmaagd water draagt...." + +"Ga uw gang!" zeide Publius gelaten, den Korinthiër in de rede +vallende. "Ik neem u niet kwalijk dat gij u boos maakt, want gij +weet niet wie die beide zusters in den Serapis-tempel zijn. Overigens +vullen zij de waterkruiken niet voor menschen, maar voor een God. Daar, +neem deze rol en lees het schrift door, terwijl ik den brief uit Rome +beantwoord. Hei! Spartacus, steek nog eenige lampen aan!" + +Weldra zaten de jonge mannen tegenover elkander aan de tafel, die +midden in hunne tent stond. Publius schreef ijverig door en keek alleen +op, wanneer zijn vriend, die het bericht van den kluizenaar las, +onwillig met de hand op de tafel sloeg, of van zijn zetel opsprong +en voor zichzelf zijne verontwaardiging lucht gaf in bittere woorden. + +Zij waren beiden tegelijk gereed, en toen Cornelius zijn brief gevouwen +en verzegeld, en Lysias de rol op de tafel geworpen had, vroeg de +Romein, terwijl hij zijn vriend strak aanzag, op gerekten toon: "Nu?" + +"Ja, nu!" herhaalde Lysias. "Nu verkeer ik weder in de treurige +omstandigheid, dat ik mij zelven voor dommer moet houden dan u, +dat ik u gelijk geven en vergeving vragen moet, omdat ik u voor een +onbeschaamde en wat niet al heb gehouden. Maar hoe kon ik dit ook +weten! Neen, zulk een allerschandelijkste geschiedenis als in dat +ding te lezen staat, heb ik nooit gehoord. Zoo iets kan ook alleen in +Egypte voorkomen dat zich om de goden noch om hunne geboden bekommert! + +"Die arme kleine Irene!--Hoe heeft dat goede kind onder dit alles +zulk een vroolijk gezichtje kunnen behouden! + +"Ik zou mijzelven als een schooljongen kunnen ranselen, omdat ik, +gek der gekken, den machtigsten en buitensporigsten man in dit gansche +land, omdat ik juist Euergetes op dit meisje opmerkzaam heb gemaakt! + +"Wat moet er gedaan worden, om Irene tegen hem te beschermen? Ik kan +de gedachte niet verdragen, dat ik haar in zijne klauwen moet zien +geraken, en dat wil ik ook niet dulden! Zijt gij niet van oordeel, +dat het goed zou zijn als wij ons die kruikdraagsters aantrokken?" + +"Dat is niet alleen goed, maar zelfs plicht," zeide Publius, vast +besloten. "Sukkels zouden we zijn, als wij het niet deden. Sedert de +kluizenaar mij in het vertrouwen heeft genomen, komt het mij voor, +dat op mij de verplichting rust over deze meisjes, aan wie men de +ouders heeft ontstolen, als een voogd te waken, en gij, beste Lysias, +moet mij helpen!" + +"De oudste der zusters heeft mij juist niet zeer vriendelijk bejegend, +maar daarom acht ik haar niet minder. De jongste schijnt minder +ernstig en teruggetrokken te zijn dan Klea. Ik merkte wel op, hoe zij +uw glimlach beantwoordde, toen de processie werd ontbonden. Daarna +zijt gij, evenmin als ik, terstond terug gereden, en ik heb reden +om te gelooven, dat Irene u terughield. Ik verzoek u dringend: +wees openhartig en zeg mij alles, want wij moeten eenstemmig en met +overleg handelen, wanneer het gelukken zal dit spel van Euergetes +te verijdelen." + +"Ik heb juist niet veel te vertellen," antwoordde de Korinthiër. "Na +den optocht ging ik in het pastophorium, natuurlijk om Irene te zien, +en liet mij, om geen opzien te wekken, door de pelgrims vertellen, +welke droomgezichten de god hun had toegezonden, en welken raad zij in +den tempel van Asklepius hadden ontvangen tegen hunne eigene kwalen, +en die van hunne nichten en neven. Zoo verliep er wel een half uur +eer Irene kwam. + +"Zij droeg een mandje, waarin de gouden haartooi lag, dien zij bij +het feest had gedragen, en dien zij nu naar den schatmeester terug +moest brengen. De granaatbloesem, dien zij heden morgen van mij had +aangenomen, viel mij reeds van verre in het oog. Toen zij mij opmerkte +en tot over de ooren kleurde, terwijl zij de oogen nedersloeg, dacht +ik voor het eerst: Precies als de Hebe aan onze bron! + +"Zij wilde mij voorbijgaan, maar ik hield haar tegen, verzocht haar +mij het sieraad te laten zien, dat zij in de hand hield, zeide haar +allerlei dingen, die een meisje gaarne hoort, en vroeg haar eindelijk, +of men haar streng bewaakte, en of van hare fijne handjes en voetjes, +die voor beter dingen gevormd waren dan voor water dragen, veel werd +gevergd. En zij bleef mij het antwoord niet schuldig, maar bij alles +wat zij zeide, sloeg zij maar zelden de oogen op. + +"Hoe langer men haar aanziet des te lieflijker schijnt zij te +zijn. Toch is zij nog geheel een kind, maar zoo'n kind, dat zich te +huis niet meer op zijn plaats gevoelt, dat van glans en vreugde en +vrijheid droomt, terwijl men het in een armzalig donker vertrek opsluit +en laat verkwijnen. Die arme schepsels mogen den tempel nooit verlaten, +behalve bij optochten en vóor zonsopgang. Het deed mij aan, toen zij +vertelde, dat zij altijd zoo ontzettend moede waren en zoo gaarne nog +wat sliepen, als zij gewekt werden, om bij het krieken van den morgen, +terwijl het nog half donker en koud is, er op uit te gaan. Dan moet +zij uit eene put, die men de zonnebron noemt, waterscheppen." + +"Weet gij waar die bron ligt?" vroeg Publius. + +"Achter het acaciënbosch," antwoordde Lysias. "De gids heeft mij haar +gewezen. Zij moet bijzonder heilig water bevatten, en bij zonsopgang +mag voor den god geen ander water geplengd worden. Die meisjes moeten +zoo vroeg opstaan, omdat, wanneer het nieuwe licht zich vertoont, +bij het altaar van Serapis dit water niet ontbreken mag. Het wordt +dan als drankoffer door de priesters op de aarde gegoten." + +Aan Publius was, terwijl hij scherp toeluisterde, geen woord ontgaan +van hetgeen zijn vriend had gezegd. Thans keerde hij zich haastig +om, opende de deur van de tent, trad naar buiten, en zag op naar de +sterren, die in ontelbare menigte, met wonderbare pracht aan den +donkerblauwen hemel schitterend, stil hunne banen beschreven, ten +einde zich aangaande hun stand te vergewissen. De maan was reeds +ondergegaan, en de morgenster, welker glans en grootte de Romein +elken nacht bewonderde, sedert hij in de pyramidenstad verwijlde, +reeds lang opgekomen. + +Een koude wind streek langs het voorhoofd van den jonkman, en terwijl +hij huiverend zijn gewaad over zijne borst samentrok, dacht hij +aan de zusters, die weldra in de frissche morgenlucht naar buiten +moesten. Nog eens verhief hij zijn blik naar het uitspansel, en het +was hem daarbij als zag hij voor zijne oogen Klea's trotsche gestalte, +gehuld in een met sterren bezaaide mantel. Zijn hart ging open, en het +was hem alsof de koelte, die zijn steeds sneller jagende borst indrong, +zoo rein en frisch was als de aether, die het Elysium omzweeft, +en daarbij zoo sterk, dat zij zijn adem beklemde. Nog altijd meende +hij Klea's beeltenis voor zich te zien; doch zoodra hij zijne hand +naar de wonderbare verschijning uitstrekte, verdween zij, want het +getrappel van paarden en het geratel van wielen liet zich hooren en +herinnerde Publius, die niet gewoon was zich aan droomerijen over te +geven als er gehandeld moest worden, aan hetgeen hem gedrongen had +naar buiten te gaan. De eene wagen na den anderen kwam aanrijden, +terwijl hij zijne tent weder binnen ging. + +Hier ontving Lysias, die tijdens zijne afwezigheid nadenkend op en +neder had geloopen, hem met de vraag: "hoe lang duurt het nog eer de +zon opgaat?" + +"Geen twee uren meer," antwoordde de Romein, "en deze moeten wij niet +ongebruikt laten voorbijgaan, als wij niet te laat willen komen." + +"Zoo denk ik ook," zeide de Korinthiër. "Spoedig zullen de zusters +buiten den tempel bij de zonnebron zijn, en dan noodig ik Irene uit, +mij te volgen. Gij gelooft niet dat ik dit gedaan zal krijgen? Ik +eigenlijk ook niet; maar zij volgt misschien toch, wanneer ik beloof +haar iets moois te laten zien, en zij niet vermoedt, dat het er om +te doen is haar van hare zuster te scheiden; want zij is nog geheel +een kind." + +"Maar Klea is ernstig en verstandig," hernam Publius met een +bedenkelijk gelaat, "en op haar zal de lichtvaardige toon, waarop +gij zoo gaarne spreekt, een slechten indruk maken. Bedenk dit wel en +neem er den proef van.--Neen, neen, gij moogt haar niet om den tuin +leiden! Vertel haar, zonder dat Irene het hoort, de volle waarheid, +met den ernst dien de zaak vereischt, en zij zal hare zuster niet +terughouden, als zij weet hoe groot en hoe nabij het gevaar is, +dat haar bedreigt. + +"Goed," zeide de Korinthiër. "Ik zal zoo plechtig en ernstig spreken, +dat de censor in uwe geboortestad, wiens voorhoofd het diepst gerimpeld +en wiens baard het grijst is er bij mij vergeleken als een danser op +een Dionysos-feest zal uitzien. Ik zal er uitzien als Cato, toen hij +er bitter over klaagde, dat de lekkerbekken in Rome in zijn tijd meer +betaalden voor een vaatje nieuwen haring dan voor een juk ossen. Gij +zult over mij voldaan zijn! Maar waar breng ik Irene heen? Misschien +kan ik een der koninklijke wagens gebruiken, die daar onophoudelijk +voorrijden, om de gasten naar huis te brengen." + +"Dat heb ik ook gedacht," antwoordde Publius. "Ga mede met den overste +der Diadochen, wiens deftige woning men ons gisteren heeft gewezen. Zij +ligt op den weg naar het Serapeum, en onlangs aan het gastmaal hebt ge +u voortdurend met hem onderhouden. Maak u daar van den wagenmenner af, +door hem een goudstuk te geven, opdat hij ons niet verrade, en rijdt +niet weder hierheen, maar naar de haven. Ik zal met onzen reiswagen +en met mijne eigene paarden bij den kleinen Isistempel wachten, Irene +in ontvangst nemen, en haar naar hare nieuwe schuilplaats voeren, +terwijl gij den wagen van Euergetes naar den menner terugbrengt." + +"Dit voorstel bevalt mij toch maar half," antwoordde Lysias +nadenkend. "Mogelijk had ik gisteren aan u overgelaten mijn +granaatbloesem aan Irene te geven, maar haar zelve....." + +"Ik verlang niets van haar," zeide de Romein ontevreden. "Maar gij +mocht naar ik meen, wel wat meer ijver toonen om mij te helpen, ten +einde haar te beschermen voor het gevaar, dat haar door uw schuld +bedreigt.--Wij kunnen haar niet hierheen brengen, doch ik meen een +veilige schuilplaats voor haar gevonden te hebben. Herinnert ge u +den beeldhouwer Apollodorus, aan wien mijn vader ons had aanbevolen, +en zijne vriendelijke vrouw, welke ons dien heerlijken wijn van Chios +voorzette? Die man heeft verplichting aan mij, want mijn vader heeft +hem het vervaardigen opgedragen van den mozaïekvloer in de nieuwe +bogengalerij, die hij op het kapitool liet bouwen, en later heeft +mijn vader hem gered, toen naijverige kunstgenooten hem naar het +leven stonden. Gijzelf hebt gehoord, hoe hij zijn persoon en alles +wat hij bezit te mijner beschikking stelde." + +"Zeker, zeker," zeide Lysias haastig. "Maar zeg mij, hebt gij ook niet +het hoogst bevreemdend verschijnsel opgemerkt, dat juist kunstenaars, +dus menschen die meer dan andere hun leven wijden aan het streven +naar idealen, bijzonder genegen zijn de laagste neigingen, als nijd, +afgunst, en..." + +"Maar mensch!" riep Publius den Korinthiër knorrig in de rede vallende, +"kunt gij dan geen enkel oogenblik bij dezelfde zaak blijven, en +niets vóor u houden van wat u invalt? Wij hadden thans, dacht ik, +over gewichtiger dingen te spreken dan over de wangunst, waarmede +kunstenaars en misschien ook geleerden elkander vervolgen.--De +beeldhouwer Apollodorus nu, die verplichting aan mij heeft, woont +sedert zes maanden hier met zijne vrouw en zijne dochters, want +hij moest voor Philometor de beelden der wijsgeeren en der dieren +vervaardigen, die thans het plein van de Apis-graven versieren. Zijne +zonen staan aan het hoofd van zijne groote werkplaats te Alexandrië, +en wanneer hij, hetgeen dikwijls gebeurt, met zijn Nijl-boot daarheen +vaart, kan hij Irene medenemen en op een schip zetten. Waarheen wij +haar brengen zullen, om haar uit de handen van Euergetes te redden, +dat zullen wij later met Apollodorus overleggen." + +"Goed, zeer goed," zeide de Korinthiër toestemmend. "Bij Herakles, +ik ben niet wantrouwend, maar dat gijzelf Irene bij Apollodorus wilt +brengen, bevalt mij toch niet, want als men u in haar gezelschap +ziet, kan onze gansche onderneming schipbreuk lijden. Zend liever de +vrouw van den beeldhouwer, die in Memphis weinig bekend is, naar den +Isistempel, met een sluier of mantel, om het meisje te verbergen. Groet +ook die vroolijke Milesische voor mij, en zeg haar--neen, zeg haar +niets--ik zie haar toch later zelf bij den tempel van Isis." + +Terwijl de jongelieden deze laatste woorden met elkander spraken, +hadden de slaven hun de mantels omgehangen. Thans traden zij te zamen +naar buiten, wenschten elkander veel geluk, en spoedden zich voort, +de Romein om zijne eigene paarden te laten inspannen, Lysias om met +den overste der Diadochen een wagen des konings te bestijgen, en verder +te handelen overeenkomstig het plan, dat hij met Publius besproken had. + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + +De eene wagen na den ander rende de hooge poort uit van het koninklijk +paleis naar de stad, waar alles nog rustig sliep. + +In de groote feestzaal was het stil geworden, en donkerkleurige +slaven begonnen bij het flauwe licht van enkele lampen, die nog niet +uitgedoofd waren, den mozaïekvloer, die bezaaid lag met bladeren van +rozen en andere bloemen, uit de verwelkte klimop- en populier-kransen +gevallen, en die hier en daar door den uitgestorten wijn donkerrood +was gekleurd, met bezems en dweilen te reinigen. + +In een hoek zat een jongen fluitspeler, door wijn en slaperigheid +bevangen. De popelkrans, die zijne lokken had gesierd, was hem van +het voorhoofd gegleden, en bedekte zijn aanvallig gelaat, doch zijne +fluit hield hij ook in den slaap met de vingers omklemd. + +De bedienden lieten hem slapen, en deden hun werk zonder acht op +hem te slaan; een opzichter alleen wees met den vinger naar hem en +zeide lachend: "Zijne kameraden gingen niet nuchterder naar huis dan +die dáar. Het is een aardige jongen, en bovendien de beminde van de +schoone Chloë, die hem heden vruchteloos wachten zal." + +"Misschien ook morgen," antwoordde een ander, "want als de dikke haar +ziet, zoo heeft zij den langsten tijd aan den armen Damon toebehoord." + +Maar de dikke, zooals de Alexandrijnen en met hen de overige +Egyptenaars koning Euergetes betitelden, dacht in deze ure om +geene Chloë of haars gelijken. Hij bevond zich in het bad, dat +een deel uitmaakte van zijne schitterend ingerichte woning. Geheel +ontkleed stond hij in het lauwe water, waarmede een groot bassin +van wit marmer gevuld was. In de heldere oppervlakte van het +welriekende water spiegelden zich de beelden van jonge nymphen, +die verliefde saters ontvloden, en het schitterend licht van vele +lampen, die aan de zoldering hingen. Aan de smalle zijde van dit +bassin lag de gebaarde gestalte van den Nijlgod, over wien zestien +kinderfiguren--zinnebeeldige voorstelling van het aantal ellen, tot +welke de groote stroom van Egypte moest stijgen, om vruchtbaarheid +over het land te verspreiden--vroolijk heen klauterden, tot vreugde van +hun eerbiedwaardigen vader. Uit de vaas, waarop de waardige grijsaard +zijn arm liet rusten, vloeide een breede stroom koud water, die door +vijf schoone jongelingen opgevangen werd in slanke albasten vazen; +ten einde het over het hoofd, de sterk gespierde borst, den rug en +de armen van den jongen badenden koning uit te gieten. + +"Meer, nog meer, altijd meer!" riep Euergetes, toen de jongelingen +met scheppen en gieten begonnen te vertragen, en zoodra weder eene +nieuwe watermassa over hem werd uitgegoten, begon hij te proesten en +te snuiven van genot, en dikke stralen verspreidden zich naar alle +zijden, zoodra de luchtstroom uit zijne longen zich een weg baande +door het water dat van zijn hoofd afvloeide. + +Eindelijk riep hij uit: "Genoeg!" plonsde zoo zwaar als hij was in +het water, zoodat het in de hoogte spatte, alsof men een rotsblok +daarin had geslingerd; bleef een tijdlang onder de oppervlakte van +het vochtig element, en steeg toen langs de marmeren trappen uit het +bad, schudde daarbij uit moedwil geweldig zijn hoofd, om, als een +overmoedige knaap zijne vrienden en dienaars, die rondom het bassin +stonden, kletsnat te maken, liet zich in hagelwitte ragfijne linnen +doeken wikkelen, met kostbare welriekende oliën besprengen, en trad +daarna in een klein vertrek, rondom met tapijten behangen. + +Daar wierp hij zich op eene verhevenheid van zachte kussens neder, +en zeide, diep ademhalend: "Nu ben ik weer lekker, en gevoel ik mij +zoo nuchter als een kind, dat nog niets anders dan de moedermelk +heeft geproefd. Pindarus heeft gelijk, er gaat niets boven water, +het bluscht zelfs den heeten gloed, dien de wijn in hoofd en hart +ontsteekt. Heb ik heden avond veel onzin verteld, Hiërax?" + +De man die alzoo werd aangesproken, de bevelhebber van de troepen des +konings en zijn uitverkoren vriend, sloeg vragend een blik in 't rond +op alle aanwezigen, doch daar Euergetes hem beval zonder schroom te +spreken, antwoordde hij: "Zelfs de wijn is niet in staat een geest +als de uwe zoo te ontzenuwen, dat gij dwaasheden zoudt zeggen. Maar +gij zijt onvoorzichtig geweest, en het zou wonder zijn als Philometor +niet gemerkt had...." + +"Voortreffelijk!" zeide de koning, hem in de rede vallende, en +richtte zich op zijn kussen in de hoogte. "Gij Hiërax, en gij Komanus, +blijft hier, de overigen kunnen gaan. Maar verwijder u niet te ver, +opdat gij bij de hand zijt als ik u noodig heb. Er komen nu dagen, +waarin zooveel gebeuren moet als anders in jaren." + +Zij die verlof hadden gekregen verwijderden zich, alleen hij die den +koning moest aankleeden, een aanzienlijk Macedoniër, bleef talmend +bij de deur staan. Doch Euergetes gaf dezen met een wenk te kennen, +dat hij zich insgelijks verwijderen moest, en riep hem na: "Ik ben +goed wakker en zal niet naar bed gaan. Drie uren na zonsopgang wacht +ik Aristarchus--en wel om te werken. Leg de handschriften gereed die +ik medenam.--Wacht de eunuuch Eulaeus in het voorvertrek? Ja? Des +te beter! + +"Ziezoo, nu zijn wij alleen, mijne wijze vrienden Hiërax en Komanus, +en moet ik beginnen met u openhartig te zeggen dat ge mij ditmaal +toeschijnt alles behalve verstandig te zijn; ofschoon gij daarover +anders denkt. Verstandig is hij, die een wijden kring van gedachten +onbeperkt beheerscht, zoo zelfs, dat hem wat nabij is even weinig +in den weg staat als wat nog verre ligt; onverstandig is hij, die +maar éen ding tegelijk ziet. Het gebied van bekrompenen reikt niet +verder dan hun neus lang is, dat van dwazen en phantasten ligt in de +onbereikbare verte. Ik wil u niet uitschelden, want ook menig wijs +man heeft zijne dwaze buien, doch stellig en zeker ziet gij heden +door in de ruimte te staren het nabijliggende over het hoofd. Daarom +zijt gij gestruikeld. Waart gij niet in deze fout vervallen, zoo +zoudt gij niet zoo verwonderd hebben opgezien, toen zoo even mij dit +'voortreffelijk' ontsnapte. + +"Geeft nu acht! Philometor en zijne zuster weten zeer goed hoe ik +gezind ben, en wat zij van mij te verwachten hebben. Had ik het +masker voorgedaan van een tevreden man, die niet meer verlangt dan +hij heeft, dan zouden zij verwonderd opgezien en vermoed hebben dat +er onraad was. Daarom vertoonde ik mij juist als altijd, en zelfs nog +onbeschaamder dan gewoonlijk. Daarom sprak ik zoo open over hetgeen +ik begeer, dat zij voor later op elke daad van geweld van mij zijn +voorbereid, maar bezwaarlijk op dit oogenblik een listige overrompeling +zullen verwachten; want wie zijn vijand van achteren wil overvallen, +maakt geen gerucht. + +"Indien ik geloof sloeg aan uw deugdleer, zou ik het voor niet zeer +schoon houden, iemand van achteren aan te vallen. Nu zie ook ik liever +het aangezicht dan den rug der menschen, vooral van mijn broeder en +mijne zuster, die onder de fijn gevormde lieden behooren. Maar wat +zal men doen? Ten slotte is altijd hij er het best aan toe, die de +overwinning behaalt en het spel wint. + +"Mijne manier van vechten kan ook wel door wijzen worden verdedigd. Wie +muizen wil vangen heeft spek noodig; wie menschen in een strik wil +lokken, moet weten hoe zij gevoelen en denken, en er allereerst op +bedacht zijn hen op een dwaalspoor te brengen. Een stier is het minst +gevaarlijk, wanneer hij in woede rechtuit holt, en zijn tweebeenige +tegenpartij wanneer hij niet weet wat te doen, en op goed geluk af +nu rechts dan links loopt. + +"Heb dank voor uw bijval, want ik heb dien verdiend, en hoop u dien te +kunnen vergelden, mijn Hiërax. Ik ben verlangend naar uw bericht. Schud +dit kussen hier onder mijn hoofd wat op, en dan kunt gij beginnen." + +"Alles schijnt mij toe voortreffelijk te staan," antwoordde de +overste. "Onze keurbenden, de Hetaeren [14] en Diadochen, twee duizend +vijfhonderd man, zijn onderweg hierheen en slaan morgen reeds ten +noorden van Memphis hunne legerplaats op. Vijfhonderd zullen er met +de priesters en anderen, die u komen gelukwenschen op uw geboortedag, +binnen de muren worden gelaten, de overige tweeduizend houden zich +schuil in hunne tenten. De aanvoerder der Philobasilisten [15] van uw +broeder Philometor is omgekocht en staat aan onze zijde. Maar hij was +duur, want Komanus moest hem twintig talenten bieden eer hij toehapte." + +"Die zal hij hebben," zeide de koning lachend, "en hij mag ze behouden, +tot ik lust krijg hem te verdenken, en hem naar verdienste te beloonen, +door zijne bezittingen verbeurd te verklaren. Spreek verder!" + +"Om den opstand in Thebe te onderdrukken, zond Philometor eergisteren +de beste soldaten, de vaandels van Disilaus en die uit Arsinoë [16] +naar het Zuiden. Het heeft inderdaad niet weinig gekost, de raddraaiers +te werven en de ontevredenheid tot eene uitbarsting te doen komen." + +"Mijn broeder vergoedt ons deze voorschotten," zeide de koning, +hem in de rede vallende, "wanneer wij zijn schat in onze schatkist +overstorten. Nu verder." + +"Het meeste last zullen wij hebben met de priesters en Joden. De eerste +trekken partij voor Philometor, omdat hij de oudste zoon uws vaders is, +en vooral omdat hij veel gedaan heeft aan de tempels van Apollinopolis +en Philae. De Joden hangen hem aan, omdat hij hen bijna meer begunstigt +dan de Grieken; omdat hij zoowel als zijne gemalin, uwe verhevene +zuster, zich inlaten met hunne godsdienstige kibbelarijen; omdat hij +met hen redetwist over de leer, die in hun heilig boek is vervat, +en zich aan tafel met niemand liever bezig houdt dan juist met hen." + +"Ik zal zorgen dat de wijn en het gebraad, waarmede zij zich +hier vetmesten, hen niet meer smaken zullen," riep Euergetes, +heftig verstoord. "Heden heb ik mij al genoeg geërgerd over hunne +tegenwoordigheid aan tafel, want zij hebben heldere oogen en een +verstand, zoo scherp en spits als hun neus. Zij zijn het gevaarlijkst +als zij iets te vreezen hebben, of op winst kunnen rekenen. Daarbij +valt het niet te loochenen, dat zij trouw zijn en vasthoudend, +en daar de meesten hunner wat bezitten, zoo maken zij althans in +Alexandrië zelden gemeene zaak met de schreeuwende menigte. Alleen de +nijd kan er hun een verwijt van maken, dat zij vlijtig en ondernemend +zijn, want hun voorbeeld en dat van hunne Phoenicische stamgenooten, +heeft de Hellenen tot meerdere bedrijvigheid geprikkeld. In tijd van +vrede gaat het hun het best, en daar het in het gebied van Philometor +en Kleopatra rustiger toegaat dan bij mij, zoo hangen zij hen aan, +leenen mijn broeder geld en bezorgen mijne zuster gesneden steenen, +saffieren en smaragden, fraaie stoffen en andere vrouwensnuisterijen, +tegen beschreven papyrus, dat weldra niet meer waard zal zijn dan +de veder, die den groenen schreeuwleelijk daar op zijn stok uit zijn +vleugel is gevallen." + +"Het is mij onbegrijpelijk dat zulke verstandige lieden niet kunnen +inzien, dat er niets bestendigers is dan het onbestendige, niets +zekerder dan dat niets zeker is, en dat zij daarom hunnen God voor +den eenig waren, hunne leer voor absoluut en volmaakt houden, en +verachten wat andere volken gelooven. Deze inbeelding maakt hen tot +gekken, maar misschien juist om hun opgeschroefd zelfbewustzijn en +hun vast vertrouwen op hunnen god in de lucht, ook tot goede soldaten." + +"Ja, dat zijn ze," zeide Hiërax bevestigend, "maar zij laten zich +liever en voor minder geld voor uw broeder aanwerven, dan voor ons." + +"Ik zal hun toonen," sprak de koning, "dat ik in dit opzicht hun +smaak verkeerd en strafwaardig vind. De priesters heb ik noodig, want +zij leeren het volk gehoorzaam te zijn en zijne ellende geduldig te +gedragen. Maar de Joden," en bij deze woorden rolden zijne vurige oogen +wild door zijn hoofd, "roei ik uit, als de tijd daartoe gekomen is." + +"Dat zal ook voor onze schatkamer goed zijn," zeide Komanus lachende. + +"En voor de tempels van het land," vulde Euergetes aan, "want andere +vijanden tracht ik te verdelgen, maar de priesters poog ik voor mij +te winnen, en dat moet ik doen, wanneer het rijk van Philometor mij +ten deel valt, want de Egyptenaren verlangen een god tot koning. En +tot de waardigheid van een god, voor wien mijne bruine onderdanen +met genoegen en zonder mij het leven door opstanden te verbitteren, +gaarne de knieën willen buigen, kan ik het alleen dan brengen, +wanneer de priesters mij erkennen en daartoe verheffen." + +"En toch," bracht Hiërax hiertegen in, de eenige dienaar van Euergetes, +die zich niet ontzag hem in gewichtige aangelegenheden tegen te +spreken, "en toch zal heden de opperpriester van Serapis om uwentwil +op eene zware proef worden gesteld. Gij dringt aan op de uitlevering +van een meisje, dat in dienst van den god is en Philometor zal niet +verzuimen...." + +"Zal niet verzuimen," zeide Euergetes, den volzin voltooiende, "den +machtigen Asklepiodorus mede te deelen, dat hij het lieve meisje +niet voor zich maar voor mij verlangt. Wist gij dat Eros mijn hart +heeft getroffen, en ik voor deze aanminnige Irene gloei van liefde, +ofschoon het dezen oogen nog niet vergund werd haar te zien! + +"Gij gelooft mij op mijn woord, dat kan ik u aanzien, en ik spreek +de zuivere waarheid. Want deze kleine Hebe wil ik bezitten, zoo waar +ik den troon mijns broeders hoop te verwerven. Maar ik plant mijne +boomen niet enkel om mijn tuin te versieren, maar ook om er voordeel +van te trekken. Gij zult het zien, hoe ik tegelijk met dit schoonste +liefje den opperpriester van Serapis weet te winnen, die wel is waar +een Griek, maar ook een man is niet gemakkelijk te buigen. + +"Mijn werktuig wacht reeds buiten! Verlaat mij thans en beveelt den +eunuuch Eulaeus bij mij te brengen." + +"Gij zijt als de godheid," zeide Komanus diep buigende, "en wij zijn +maar sterfelijke menschen. Voor ons zwakker verstand schijnen vaak +uwe handelingen duister en onbevattelijk, doch wanneer dat, wat ons +toeschijnt op niets goeds te kunnen uitloopen, het doel treft, moeten +wij verbaasd erkennen, dat gij wel langs vele slingerpaden zijt gegaan, +maar toch den besten weg gekozen hebt." + +De koning bleef een wijl alleen, fronste de wenkbrauwen, en zag +nadenkend voor zich. Zoodra hij echter de zachte voetstappen van +den eunuuch en de zwaardere van den man die hem binnenleidde hoorde +naderen, nam hij weder het gelaat aan van iemand, die alleen voor zijn +genoegen leeft, riep Eulaeus een vroolijk welkom toe en herinnerde hem +aan zijn eigene kindsheid, en hoe dikwijls de eunuuch hem geholpen +had om zijne moeder te overreden de reeds geweigerde wenschen van +den knaap te vervullen. + +"Maar, oude vriend," ging de koning voort, "de tijden zijn veranderd, +en heden zegt gij: Alles voor Philometor en niets meer voor den +armen Euergetes, hoewel deze, als de jongste, juist uw hulp het meest +noodig heeft!" + +De eunuuch boog glimlachende, waarmede hij wilde te kennen geven, +dat hij zeer goed begreep, hoe weinig die laatste woorden des konings +ernstig gemeend waren, en zeide: "Ik was altijd van plan, en geloof +ook thans nog den zwakste van u beiden te dienen." + +"Gij bedoelt mijne zuster?" + +"De vorstin Kleopatra behoort tot een geslacht, dat wij vaak ten +onrechte het zwakke noemen. Ofschoon gij zeker geliefdet te schertsen, +toen gij de laatste vraag hebt gesteld, acht ik mij toch verplicht +u bepaald te antwoorden, dat ik niet haar maar koning Philometor +bedoelde." + +"Philometor? Gij gelooft dus niet aan zijne sterkte, houdt mij +voor krachtiger dan hem en hebt mij nog heden aan het gastmaal +uw dienst aangeboden, en mij verteld, dat aan u was opgedragen +de uitlevering van de kleine dienares van Serapis in naam des +konings van den opperpriester Asklepiodorus te vragen?--Is dat +den zwakkere dienen? Waart gij misschien dronken, toen ge mij dat +mededeeldet?--Neen? Dan zijt gij matiger geweest dan ik.--Zijt gij +ook van zienswijze veranderd? Maar dat zou mij verwonderen, want uwe +beginselen gebieden u toch den zwakkeren zoon mijner moeder...." + +"Gij drijft den spot met mij," zeide de hoveling, den koning met een +zacht verwijt, doch niet zonder eenige bitterheid in zijne stem, in +de rede vallende.--"Wanneer ik mij ter uwer beschikking heb gesteld, +is dit niet uit wankelmoedigheid geschied, maar juist omdat ik begeer +trouw te blijven aan het eenig doel mijns levens." + +"En dat is?" + +"Te zorgen voor het heil van dit land, in den geest van uwe verhevene +moeder, wier raadsman ik was." + +"Gij vergeet het andere, namelijk voor uzelven zoo goed mogelijk +te zorgen." + +"Dit vergat ik niet, maar sprak het niet uit, want ik weet dat de +tijd van een koning precies is afgemeten, en bovendien komt het mij +voor evenzeer vanzelf te spreken, dat iemand om zijn eigen persoon +denkt, als dat iemand, wanneer hij een paard koopt, ook de schaduw +er bij krijgt." + +"Hoe fijn! Maar ik berisp u hierover evenmin als het meisje, dat +zich voor den spiegel plaatst, om zich voor den geliefde te tooien, +en tegelijk zich vermeit in hare eigene schoonheid.--Doch laten wij +nu terugkomen op hetgeen gij het eerst gezegd hebt. Als ik u goed +verstaan heb, meent gij ter wille van Egypte mij die diensten te +moeten aanbieden, die gij tot dusverre aan mijn broeder hebt bewezen?" + +"Juist! In dezen moeielijken tijd heeft het land den wil en de hand +noodig van een krachtig aanvoerder." + +"En daarvoor houdt ge mij dus!" + +"Voor een reus in kracht van wil, van lichaam en van geest, wiens +begeerte, om de beide deelen van Egypte weder te vereenigen en alleen +te bezitten, niet onvervuld kan blijven, wanneer hij met overleg zijn +slag slaat, en wanneer...." + +"Wanneer?" zeide de koning den eunuuch na, en zag hem scherp in de +oogen, zoodat hij de zijne nedersloeg en zacht antwoordde: "Wanneer +Rome zich hiertegen niet verzet." + +Euergetes haalde de schouders op en vervolgde op ernstigen toon. "Het +is hiermede als met het noodlot, dat bij alles wat wij doen den +doorslag geeft. Waarlijk ik liet het niet ontbreken aan buitengewone +offers, om deze macht, die zich niet laat keeren, tevreden te stellen, +en mijn agent, door wiens handen grootere sommen gaan dan door die +van den betaalmeester mijner troepen, schrijft mij, dat men mij in +den senaat niet ongunstig gezind is." + +"Hetzelfde weten wij ook van onzen agent. Gij hebt aan den Tiber meer +vrienden dan Philometor, o koning, maar onze laatste brief is reeds +eenige weken oud, en in de laatste dagen zijn er dingen gebeurd..." + +"Spreek op!" zeide Euergetes, terwijl hij zich in zijne kussens recht +overeind zette. "Maar als ge mij een strik spant en spreekt als het +werktuig van mijn broeder, dan laat ik u, al wildet gij ook naar de +afgelegenste holen der Troglodyten [17] ontvluchten, ja dan laat ik +u, zoo waarachtig als ik een echte zoon van mijn vader hoop te zijn, +dan laat ik u opvangen en levend in stukken scheuren." + +"Zulk een straf zou ik verdiend hebben," antwoordde Eulaeus deemoedig +en ging voort: "Als ik goed heb gezien, staan ons reeds in de eerste +dagen groote dingen te wachten." + +"Ja!" zeide Euergetes zonder aarzelen. + +"Doch juist nu zullen Philometor's belangen in Rome beter bepleit +worden dan ooit te voren. Gij hebt den jongen Publius Scipio aan +'s konings tafel leeren kennen, en u weinig ijverig getoond om zijne +gunst te winnen." + +"Hij behoort tot de familie der Corneliërs" zeide de koning hem in +de rede vallende, "een voornaam persoon voorzeker, die verwant is +aan allen die aan den Tiber zich inbeelden groot te zijn; doch hij +is geen gezant; hij reist maar van Athene naar Alexandrië om wat +kennis op te doen, hetgeen hij meer dan noodig heeft; hij verheft +zijn hoofd fierder en beweegt zijne lippen vrijer dan hem tegenover +koningen past, omdat die jongelieden denken dat het hun goed staat +zich als ouderen aan te stellen." + +"Hij heeft meer te beteekenen dan gij denkt." + +"Dan noodig ik hem bij mij te Alexandrië en zal hem binnen drie dagen +voor mij weten te winnen, zoo waar ik Euergetes heet." + +"Dan zal het te laat zijn, want hij heeft heden, dat weet ik zeker, +volmacht van den senaat gekregen, om in geval van nood te spreken in +naam van den gezant, dien men weder tot ons wil zenden." + +"En dat hoor ik nu eerst!" riep de koning, en sprong van zijn rustbed +op. "Mijne vrienden, als ik er nog heb die dezen naam verdienen, mijne +dienaars en boden, allen zijn ze doof, blind en lam!--Ik heb een afkeer +van dien trotschen onvriendelijken knaap, maar ik noodig hem morgen, +neen heden nog op een vroolijk gastmaal, en zend hem het schoonste +vierspan van de paarden die ik uit Cyrene medebracht. Ik zal...." + +"Alles zal vruchteloos zijn," zeide Eulaeus ernstig en bedaard, +"want hij bezit in den volsten en uitgebreidsten zin van het woord, +de gunst, ja, ik veroorloof mij het ronduit te zeggen, de warme +toegenegenheid van koningin Kleopatra, en hij geniet deze kostelijkste +aller gaven met een dankbaar hart. Philometor laat, gelijk in alles, +ook hierin de dingen maar gaan zoo ze willen. Kleopatra en Publius, +Publius en Kleopatra verblijden zich openlijk in hunne wederzijdsche +liefde, zien elkander in de oogen, als een herderspaar in Arkadië, +verwisselen hunne bekers en kussen met hunne lippen den rand, waar +de ander den mond aan gezet heeft. Beloof en geef dien man wat gij +ook wilt, hij zal uwe zuster trouw blijven, en als het u gelukt hen +van den troon te stooten, dan zal hij om uw persoon, evenals Popilius +Laenas om uw oom Antiochus, een kring trekken en zeggen: wanneer gij +het waagt hier buiten te treden, dan hebt gij Rome tot vijand!" + +Euergetes hoorde deze woorden zwijgend aan, rukte toen de doeken +waarmede men zijn lichaam had omwonden, los, en liep in stormachtige +gejaagdheid in zijn vertrek op en neder, van tijd tot tijd steunende +en brullende als een wilde stier, die zich beknelt voelt door +touwen en banden, en te vergeefs al zijne krachten inspant om ze te +verscheuren. Eindelijk bleef hij voor Eulaeus staan en vroeg: "Wat +weet gij nog meer van den Romein?" + +"De man, die u niet veroorloofde u met Alcibiades te vergelijken, +tracht zelf den lieveling der meisjes te Athene na te doen, want het +is hem niet genoeg een koning het hart zijner gemalin te ontstelen, +hij strekt bovendien zijne hand uit naar de schoonste dienstmaagd van +den hoogsten god. De kruikdraagster, welke de vriend van den Romein, +Lysias, als Hebe heeft aanbevolen, is het liefje van Cornelius. Zeker +verwacht hij hier hare gunsten gemakkelijker te kunnen genieten in +uw vroolijk paleis dan in den somberen tempel van Serapis." + +Toen hij dit hoorde sloeg de koning zich voor het hoofd en riep: +"Koning te zijn, en een man die het opneemt tegen tien, en dan zich +dit kalm en wel te moeten laten welgevallen als een boer, wiens +zaadveld mijne ruiters vertreden!--Alles kan hij verijdelen, alles, +mijne plannen zoowel als mijne wenschen, en mij blijft niets over +dan de vuisten te ballen en van woede te stikken! + +"Maar dit steunen en op de tanden knarsen is even nutteloos als +mijn razen en vloeken bij de legerstede mijner stervende moeder, +die toch dood bleef en niet weder opstond.--Ware die Cornelius een +Griek, een Syriër, een Egyptenaar, ja ware hij mijn eigen broeder, +ik zeg u, Eulaeus, hij zou mij niet lang in den weg staan. Maar hij +heeft volmacht van Rome, en Rome is het noodlot, Rome is het noodlot!" + +Diep ademhalende en als verlamd viel de koning op het rustbed neder, +terwijl hij zijn aangezicht in de zachte kussens drukte. Doch Eulaeus +trad onhoorbaar zacht naar den jongen man toe en fluisterde hem met +plechtige bedaardheid in het oor: "Rome is het noodlot, maar ook Rome +vermag niets tegen het noodlot. Cornelius moet sterven, omdat hij de +dochter uwer moeder verleidt, en u, den redder van Egypte, in den weg +staat. Een moord aan hem gepleegd zou de senaat schrikkelijk wreken, +maar wat kan deze doen, wanneer wilde dieren zijn gevolmachtigden op +het lijf vallen en in stukken scheuren?" + +"Kostelijk, overheerlijk!" riep Euergetes uit, terwijl hij weder +overeind sprong, en de groote oogen zoo verrast en stralende van +blijdschap opsloeg, als had zich de hemel voor hem geopend, en als +zag hij de verhevene goden maaltijd houden aan gouden tafels. + +"Gij zijt een groot man, Eulaeus," zoo ging hij voort, "en ik zal +u weten te beloonen. Maar kent gij de wilde dieren die wij noodig +hebben, en zal het mogelijk zijn te zorgen, dat niemand het wagen +durft, ook maar den schijn van een vermoeden te koesteren, dat de +wonden, die hunne tanden en klauwen zullen openrijten, door dolken, +haken of lansspitsen veroorzaakt zijn?" + +"Heb hiervoor geen zorg," antwoordde Eulaeus; "deze roofdieren hebben +het hier in Memphis meer gedaan, en staan in 's konings dienst...." + +"Zie nu mijn zachtmoedigen broeder eens aan!" zeide Euergetes +lachend. "Hij beroemt zich behalve in den slag nooit iemand gedood +te hebben, en nu...." + +"Philometor heeft ook eene gemalin," zeide de eunuuch, den koning in +de rede vallende. + +"Ja, die vrouwen," hernam Euergetes, "wat kan men van haar al niet +leeren!" Daarop vroeg hij op zachten toon: "Wanneer kunnen uwe beesten +aan het werk gaan?" + +"De zon is sedert lang opgegaan. Eer zij weder ondergaat moet ik +mijne maatregelen nemen, maar tegen middernacht kan, naar ik gis, de +daad volbracht zijn. Wij maken eene afspraak met den Romein omtrent +eene samenkomst, lokken hem naar den tempel van Serapis en op zijn +terugtocht door de woestijn..." + +"Ja dan!" riep de koning, terwijl hij met zijne hand op zijne borst +stootte, als had hij een dolk daarin. Vervolgens voegde hij er bij +op vermanenden toon: "Maar uwe lieden moeten sterk zijn als leeuwen +en voorzichtig als katten. Als gij geld noodig hebt, wendt u dan tot +Komanus; of nog beter, neem dezen buidel.--Is het genoeg? Dan moet +ik u nog vragen: Hebt gijzelf reden om den Romein te haten?" + +"Ja," antwoordde Eulaeus zonder aarzelen. "Hij vermoedt, dat ik +alles weet, wat hij in het schild voert, en vervolgt mij met valsche +aanklachten, die mij heden in ernstig gevaar kunnen brengen. Als gij +hoort, dat hij de koningin heeft overgehaald mij gevangen te nemen, +zorg dan terstond voor mijne bevrijding." + +"Niemand zal u een haar krenken, verlaat u daarop. Ik zie dat gij +reden hebt, gelijk spel met mij te spelen, en dat verheugt mij, +want men werkt alleen met al zijne kracht voor zichzelven. En nu +mijne laatste vraag: Wanneer haalt gij de kleine Hebe?" + +"Over een uur ga ik naar Asklepiodorus; maar wij kunnen het meisje +eerst morgen gebruiken, want eerst moet zij als lokaas voor Cornelius +in den tempel blijven." + +"Ik wil geduld oefenen, maar dan heb ik u nog iets op te dragen. Stel +den opperpriester de zaak zoo voor, alsof mijn broeder met de +kruikdraagster voor mij op te eischen,--op te eischen, zeg ik--een +mijner luimen wenscht te bevredigen. Beleedig den man, voor zooveel +gij doen kunt zonder achterdocht te wekken. Als ik den man goed ken, +blijft hij op zijn recht staan en zal hij standvastig weigeren. Dan +komt na u mijn Komanus met groeten, geschenken en beloften. + +"Morgen, wanneer volbracht is wat met den Romein geschieden moet, +haalt gij het meisje in naam mijns broeders met list of geweld, en +overmorgen, wanneer de goden mij genadig helpen, en beide deelen van +Egypte in mijne hand vereenigen, dan openbaar ik aan Asklepiodorus, +dat ik Philometor heb gestraft voor zijn vergrijp tegen den tempel, +en van de regeering ontzet heb. Serapis zal zien wie zijn vriend is! + +"Als alles naar wensch gaat, dan benoem ik u, dat beloof ik bij de +zielen mijner afgestorven voorvaderen, tot Epitroop [18] van de opnieuw +vereenigde rijken. Ik ben heden voor u op ieder uur te spreken." + +De eunuuch verwijderde zich met zoo vluggen tred, alsof hij door dit +gesprek met den koning zijne jeugd had teruggekregen. + +Toen Hiërax, Komanus en andere beambten het vertrek weder binnentraden, +beval Euergetes hun zijn vriend Publius Cornelius Scipio in den +loop van den voormiddag zijne vier edelste Cyrenische rossen aan te +bieden, als een teeken zijner hoogachting en toegenegenheid. Daarop +liet hij zich kleeden, zocht Aristarchus op en zette zich met hem +aan den arbeid. + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +De tempel van Serapis lag in diepe rust, geheel gehuld in het duister, +dat zijne veelvuldige deelen voor het oog onzichtbaar maakte, en +hem het aanzien gaf van eene op zichzelf staande rotsmassa, door een +blauwzwarten nevel omgeven. Ook buiten den tempel was alles in rust, +doch nu liet zich in de stilte van den nacht, die elk gedruisch scheen +te verdubbelen, de hoefslag der paarden en het geratel van wielen +vernemen. Vóordat de wagen, die dit geraas veroorzaakte, bij den +tempel was aangekomen, hield zij stil, en wel achter het acaciënbosch +van den god, want van daar hoorde men het gehinnik van een paard. + +De hengst, die dit geluid deed hooren, was een van de paarden des +konings. De Korinthiër Lysias bond het dier juist aan een boom, dicht +bij den weg, aan den zoom van het boschje; hij wierp zijn mantel over +den rug van het dampende ros, baande zich tastend van acacia tot +acacia een pad, en vond weldra de zonnebron, op welker borstwering +hij ging zitten. Een scherpe koude luchtstroom verhief zich uit het +oosten, als voorbode van het opgaan der zon, en eene flauwe schemering +begon de kronen der hooge boomen, die in de duisternis als het ware +éen groot zwart dak vormden, langzamerhand te doen uitkomen. Uit den +tuin van den Asklepius-tempel liet zich hanengekraai hooren, en toen +de Korinthiër vroolijk opstond, om door snel op en neder te loopen +zijn bloed te verwarmen, hoorde hij in de richting van den ringmuur +des tempels, welks omtrekken steeds scherper begrensd uit het duister +te voorschijn kwamen, een deur kraken. + +Met gespannen opmerkzaamheid keek hij nu den weg af, waar het +opkomend licht meer en meer de schaduwen deed verdwijnen, en sneller +begon zijn hart te kloppen, toen hij eene gedaante waarnam, die met +haastige schreden naar de bron ging. Hetgeen hij zag naderen was +inderdaad een menschelijk wezen, dat door geen ander werd begeleid; +het was geen man, maar eene vrouw in een lang gewaad. Maar het kwam +hem voor dat zij die hij zocht, kleiner was dan de vrouwengestalte +die steeds naderbij kwam. Kwam de oudere en niet de jongere zuster, +om wie het hem toch alleen te doen was, heden naar de bron? + +Thans kon hij reeds haar lichten tred onderscheiden; nu was zij nog +maar door een jonge acaciënstruik, die haar aan zijn blik onttrok, +van hem gescheiden. Zie, daar plaatst zij twee kruiken op den grond; +zij trekt zonder moeite een emmer in de hoogte en vult de kruik, +die zij in de linkerhand droeg. Thans keert zij haar aangezicht +naar den horizont, die meer en meer door schitterend licht wordt +verhelderd. Lysias meent Irene herkend te hebben, ja nu, dank zij +alle beschermgoden, nu weet hij het zeker. Vóor hem staat de jongste, +niet de oudste zuster, staat het meisje dat hij zoekt. + +Door de wilde acaciënstruik nog altijd half verborgen, en met +zachte stem, om Irene niet te doen schrikken, roept hij haar bij den +naam. Toch was het der jonkvrouw, die hier nog nooit op dit uur door +een mensch was verrast, alsof haar van schrik het bloed in de aderen +stolde. Zij stond als aan den grond genageld, en drukte bevreesd de +koude, vochtige gouden kruik van den god tegen hare borst. + +Lysias riep haar nu luider bij den naam, en voegde er, altijd nog +met eene gedempte stem, bij: "Schrik niet, Irene, ik ben Lysias de +Korinthiër, uw vriend, wiens granaat gij gisteren hebt gedragen, en +die u na den optocht aansprak. Sta mij toe u goeden morgen te zeggen!" + +Het meisje nam, toen zij deze woorden hoorde, haar kruik in de +linkerhand, liet die met zijn inhoud nederdalen, legde de rechterhand +op haar borst en zeide na eene diepe ademhaling: "Wat hebt gij +mij vreeselijk doen ontstellen! Ik dacht dat een dwalende geest, +die nog niet naar de onderwereld is teruggekeerd, mij had geroepen, +want eerst de opgaande zon verjaagt de geesten." + +"Maar niet menschen van vleesch en been, die geen kwaad in hun schild +voeren. Ik zou, dit moogt ge gerust gelooven, gaarne bij u blijven +tot Helios weder ondergaat, wanneer gij mij dit vergunt." + +"Ik heb u niets te vergunnen en niets te verbieden," antwoordde Irene; +"maar hoe komt gij op dit uur hier?" + +"Op mijn wagen," antwoordde Lysias lachend. + +"Gekheid! Ik wil weten wat gij hier op dit uur aan de zonnebron zoekt?" + +"Wat anders dan u? Gij hebt mij gisteren gezegd, dat gij gaarne slaapt, +en dat doe ik ook. Maar om u weder te zien, heb ik zeer gaarne mijne +nachtrust bekort." + +"Maar hoe kondt gij weten....?" + +"Gij zeidet mij gisteren zelve op welken tijd gij den tempel moogt +verlaten." + +"Heb ik u dat gezegd?--Groote Serapis, wat wordt het reeds licht! Ik +word bestraft, als de kruik niet vóor zonsopgang op het altaar +staat. En daar is ook nog die voor mijne Klea." + +"Ik zal die terstond voor u vullen.--Ziezoo, dat is gedaan! Nu draag +ik beide voor u naar het einde van het boschje, wanneer ge mij belooft +weldra weder te komen, want ik heb u allerlei dingen te vragen." + +"Vooruit, nu vooruit," zeide het meisje dringend. "Ik weet heel +weinig; vraag maar altijd door, want het komt er toch niet op aan, +welk antwoord ik geef." + +"Ja, toch! Wanneer ik u bijvoorbeeld verzocht mij wat van uwe ouders +te vertellen? Mijn vriend Publius, dien gij immers kent, en ik hebben +gehoord, hoe hard en onrechtvaardig zij gestraft zijn geworden, +en zouden gaarne alles in het werk stellen om hen te bevrijden." + +"Ik kom, ik kom zeker," riep Irene nu, luid en opgewekt. "Wil ik ook +Klea medebrengen? Zij werd heden midden in den nacht bij den portier +geroepen, wiens kind zwaar ziek is geworden. Mijne zuster houdt +zeer veel van de kleine, en Philo wil alleen van haar artsenijen +innemen. Het knaapje was in haar schoot ingesluimerd, en toen kwam +zijne moeder en verzocht mij voor ons beiden het water te dragen. Geef +nu de kruiken aan mij, want op dit uur mag niemand buiten ons den +tempel betreden." + +"Daar hebt gij ze! Stoor nu om mijnentwil uwe zuster niet in de +verpleging van haar kleinen kranke, want ik zou u ook nog een en +ander willen zeggen, wat zij niet behoeft te hooren, en u misschien +verblijden zal. Ik ga nu naar de bron terug. Vaarwel, en laat mij +niet te lang wachten!" + +Lysias sprak deze woorden op teederen overredenden toon, en de +jonkvrouw antwoordde hem zacht en snel, terwijl zij zich rasch +verwijderde: "Ik kom, als de zon boven de kim is." + +De Korinthiër keek haar na, tot zij in den tempel verdwenen was, +en het hart werd hem week, zoo week als sedert jaren niet gebeurd +was. Onwillekeurig dacht hij aan den tijd, dat hij zijne zuster, toen +zij nog een klein kind was, gaarne op de proef stelde, en haar met een +ernstig gezicht vroeg hem hare koek of haren appel te geven, dien hij +toch niet hebben wilde. Bijna altijd had de kleine wat hij verlangde +met de lieve handjes aan zijn mond gebracht, en daarbij was hij dan +vaak te moede geweest als thans. Irene was toch ook nog een kind, en +niet minder zorgeloos dan zijne lieveling in het ouderlijk huis, en +even als zijn zusje hem het beste wat zij had aanbood, zoo vertrouwde +zij hare maagdelijke onschuld, ja, dacht hij, het heiligste wat zij +bezat toe aan den lichtvaardigen Lysias, voor wien eerbare vrouwen in +Korinthe de oogen nedersloegen en hunne aankomende zonen waarschuwden. + +"Ik doe u niets, lief kind," prevelde hij in zichzelven, toen hij +zich eindelijk omkeerde, om weder naar de zonnebron te gaan. + +Hij begon haastig te loopen, maar na weinige schreden stond hij +stil, want een verrassend en wonderbaar schouwspel vertoonde zich +voor zijne oogen. Werd Memphis een prooi der vlammen? Verteerde het +vuur den nevelsluier, die zijn weg naar den tempel had omhuld?--Daar +stonden de stammen der acaciën als donkere zuilen te midden van +den brand, waarachter de alles verterende gloed hoog opsloeg ten +hemel. Tusschen de takken, de doornige stammen, de witte bloemtrossen +en de paarsgewijze geordende bladeren glansde en flikkerde goud en +purperkleurig licht, en de wolken aan den hemel waren lichter gekleurd +dan de rozen, waarmede Kleopatra zich aan het gastmaal had getooid. + +Zoo ging de zon in zijn vaderland niet op! Of had hij misschien +opmerkzamer naar de aarde dan naar den hemel gekeken, wanneer hij te +Korinthe of te Athene bij het krieken van den morgen beschonken van +gastmalen naar huis waggelde? + +Op dit oogenblik hinnikten zijne hengsten, als wilden zij het +vierspan van den naderenden zonnegod begroeten. Hij vloog door het +bosch naar hen toe, klopte hen op de glanzige halzen, terwijl hij +hen met woorden tot rust bracht, en overzag toen de reuzenstad aan +zijne voeten, waarover zich een vioolkleurige nevel had uitgebreid, +de ernstige pyramiden, dien de morgenstond een vroolijk rozenkleurig +feestkleed had omgeworpen, den ontzaglijken tempel van Ptah, met de +hooge kolossen vóor zijne pylonen, den Nijl, waarin zich de heerlijke +tinten des hemels afspiegelden, en het kalkgebergte achter de vlekken +Babylon en Troja, waarvan een Jood aan den koninklijken disch gisteren +gezegd had, dat onder zijne landslieden de sage liep, dat dit gebergte +al zijn boomtooi had prijsgegeven, om de heuvelen der heilige stad +Jeruzalem daarmede te tooien. + +Gelijk de groote robijn, die aan het gastmaal het doorzichtig gewaad +van koning Euergetes aan zijn breeden hals samenhield, bij het licht +der kaarsen flikkerde zoo weerkaatsten thans de rotsachtige wanden +van dit naakt gebergte het morgenlicht, en Lysias aanschouwde, hoe de +dagvorstin achter hem zich verhief met verblindenden glans en hare +stralen als millioenen gouden pijlen uitzond, om haar vijandin, de +machtige duisternis op de vlucht te drijven en te vernietigen. Voor +hem die, als hij niet zwelgde en zijn genot zocht in de baden, bij +het ringspel in het worstelperk, bij hanen- en kwartelgevechten, in +het theater en bij Dionysos-optochten, zijne geest gaarne oefende +in de scholen der philosophen, ten einde ook aan de gastmalen in +het gesprek te kunnen schitteren,--voor hem waren Eos [19], Helios +[20] en Phoebus Apollo sedert lang niets anders dan namen, waarmede +men zekere verschijnselen en begrippen gevoeglijk kon aanduiden. Doch +heden, terwijl hij getuige was van dezen zonsopgang, geloofde hij weder +als in zijne kindsche dagen aan den god, en zag hij hem weder in den +geest op zijn gouden wagen, omstuwd door zijn schitterend gevolg, +dat door de lucht zweefde, fakkels dragende en bloemen strooiende, +de schuimbekkende rossen van zijn vierspan beteugelen; heden hief +hij geloovig de armen omhoog en bad luide: "Ik gevoel mij heden +zoo opgewekt en luchthartig. Zeker heb ik dit te danken aan uwe +tegenwoordigheid, Phoebus Apollo, die zelf het licht zijt. O laat +het zoo blijven...." + +Hier hield hij plotseling op en liet zijne armen zinken, want hij +hoorde voetstappen naderen. Glimlachend over zijne kinderachtige +zwakheid, want zoo beschouwde hij zijn gebed, en toch blijmoedig +gestemd na deze vrome daad, keerde hij de zon, die nu geheel was +opgegaan, den rug toe en stond tegen over Irene. + +"Ik meende reeds," riep zij hem toe, "dat gij ongeduldig waart +geworden en heengegaan, toen ik u niet meer aan de bron vond. Dat zou +mij gespeten hebben. Doch gij hebt zeker naar het opgaan van Helios +gekeken. Dat zie ik alle dagen, en toch maak ik mij altijd angstig, +wanneer de lucht zoo rood ziet als heden morgen, want onze Egyptische +voedster heeft mij verteld, wanneer het 's morgens in het oosten erg +rood ziet, dan heeft de zonnegod zijne vijanden verslagen, en kleurt +hun bloed den hemel, den berg en de wolken." + +"Maar gij zijt immers eene Griekin," zeide Lysias, en moest dus weten +dat Eos deze tinten verwekt, wanneer zij met hare rooskleurige vingers +den horizon aanraakt, eer Helios verschijnt. Heden zijt gij voor mij +het morgenrood geweest, dat een schoonen dag voorstelt." + +"Een morgenrood als dat van heden," hernam Irene, "geeft groote +hitte, storm en misschien onweder, zegt de portier, die veel omgaat +met de horoscopen, die op de torens naast de tempelpoort de sterren +en de hemelteekens waarnemen. Hij is de vader van den armen kleinen +Philo.--Ik had Klea nog mede willen brengen, want zij weet van onze +ouders meer dan ik, maar zij verzocht mij haar met rust te laten, +want het halsje van het kind is als toegegroeid, en als het veel +schreeuwt, heeft de arts gezegd moet het stikken. De kleine is alleen +rustig wanneer Klea hem op den arm houdt. Zij is ook zoo goed en denkt +nooit aan zichzelve. Van middernacht is zij al bezig den zwaren jongen +op haar schoot te wiegen." + +"Later zullen wij ook met haar spreken," zeide de Korinthiër, "maar +heden ben ik om uwentwil gekomen. Gij hebt zulke levendige oogen en +uw mondje ziet er uit, alsof het gevormd was om te lachen en niet +om klaagliederen te zingen. Hoe houdt gij het uit in dien gesloten +kerker bij al die deftige in wit en zwart gekleede mannen?" + +"Daar zijn ook goede en vriendelijke onder hen. Het meest houd ik van +den ouden Krates. Hij zet tegen ieder een boos gezicht, maar met mij +maakt hij een praatje en gekheid en laat mij dikwijls zulke nette en +kunstig bewerkte dingen zien." + +"Ik zeide u immers, dat gij gelijkt op het morgenrood, waartegen geen +duisternis bestand is." + +"Als gij maar eens wist hoe onbezonnen ik zijn kan, hoe dikwijls ik +Klea, die toch nooit onaardig is, verdriet aandoe, dan zoudt ge u +wel wachten mij met eene godin te vergelijken. Ook de kleine Krates +vergelijkt mij dikwijls met de lieflijkste dingen, maar dat klinkt +altijd zoo komiek, dat ik er om lachen moet. Liever luister ik naar +u als gij mij vleit." + +"Daarvoor ben ik jong en jeugd past bij jeugd. Uwe zuster is ouder +en veel ernstiger dan gij. Hebt gij nooit een meisje van uw leeftijd +gehad, waarmede gij kondt spelen, en voor wie gij geene geheimen hadt?" + +"Ja, toen ik nog zeer klein was; maar sedert onze ouders in het ongeluk +zijn geraakt en wij hier in dezen tempel zijn, ben ik altijd alleen +met Klea.--Wat wildet gij van mijn vader weten?" + +"Dat zal ik u later vragen. Zeg mij nu eens: Hebt gij nooit met andere +meisjes krijgertje of verstoppertje gespeeld? Mocht gij nooit bij +de Dionysos-feesten uitgaan om te zien hoe vroolijk het op de straat +toeging? Hebt gij wel ooit op een wagen gereden?" + +"Vroeger misschien, maar dat ben ik vergeten. Hoe zou ik er toe komen, +hier in den tempel? Klea zegt, dat het ook niet goed is aan zulke +dingen te denken. Zij vertelt mij veel van onze ouders, hoe moeder +voor ons zorgde en wat vader gezegd heeft. Is er iets voorgevallen +dat hem gunstig kan zijn? Zou den koning de waarheid ter oore zijn +gekomen? Vraag toch spoedig wat gij te vragen hebt, want ik ben reeds +te lang hier buiten gebleven." + +Terwijl zij dit zeide, hinnikten de ongeduldige hengsten op +nieuw. Lysias, die in dit praatje met Irene een buitengewoon behagen +schepte, maar daarbij het doel van zijn tocht geen oogenblik vergat, +wees nu snel naar de plek waar de paarden stonden en zeide: "Hoordet +gij dat gehinnik? Die moedige beesten hebben mij hierheen gebracht, +en ik versta de kunst ze te mennen. Ja, ik heb met mijn eigen vierspan +bij de laatste Isthmische spelen den krans gewonnen. Gij zegt dat +gij nog nooit op een wagen hebt gestaan. Wat zoudt gij er van denken, +om er eens de proef van te nemen? Gaarne wil ik u achter het boschje +een weinig op en neder rijden." + +Irene luisterde naar deze woorden, terwijl hare oogen van vreugde +blonken. In de handen klappende riep zij uit: "Zal ik als de +koningin op een wagen rijden met prachtige paarden? Neen, dat is niet +mogelijk!--Waar staan uwe paarden?" + +Zij had in dit oogenblik Klea vergeten, en het zieke kind, haar plicht +van naar den tempel terug te keeren, ja zelfs hare ouders, en met +vlugge schreden volgde zij den Korinthiër, sprong op den tweewieligen +wagen, en hield zich aan de borstwering vast, toen Lysias zich naast +haar plaatste, de leidsels greep en de vurigheid der weelderige beesten +met een sterke en geoefende hand beteugelde. Zich geheel overgevende +aan hem die haar ontvoerde, stond zij in kinderlijke onschuld en zonder +eenige vrees naast hem, toen de wagen wegreed. Zonder dat zij het +vermoedde, dekten haar vriendelijke machten met schild en pantser, +namelijk hare onschuld en de gedachte aan hare ouders, die Lysias +zelf in haar had doen ontwaken, en die weldra weder levendig werd. + +Vrijer ademhalende en vervuld van een zalig gevoel, zoo als een +vogel moet hebben, wanneer hij voor het eerst uit zijn duister +nest in de lucht opstijgt, riep zij telkens: "Dat is schoon, dat is +heerlijk!" en dan weder: "Hoe klieven we de lucht, als waren we vlugge +zwaluwen! Sneller, Lysias, sneller!--Neen, dat gaat al te hard! Houd +wat in, anders val ik!--O neen, ik ben niet bang! Het is zoo heerlijk, +evenals een Nijlschip bij storm den stroom, met borst en aangezicht +den wind te klieven." + +Lysias stond dicht bij haar. Toen hij op haar wensch de rossen in +galop had gebracht en hij haar zag wankelen, strekte hij onwillekeurig +de hand uit, om haar midden te omvatten, maar Irene ontweek hem en +drukte zich vast tegen de borstwering van den wagen aan hare zijde; +en telkens als hij haar aanraakte, hield zij de armen stijf tegen het +lijf en trok zich samen als het fijn gevoelig blad van een kruidje +roer-me-niet, dat met een ander voorwerp in aanraking komt. + +Zij vroeg aan den Korinthiër haar te vergunnen ook eens de teugels te +houden. Terstond voldeed hij aan haar verzoek, gaf haar de leidsels +in handen, doch hield, achter haar staande, voorzichtig de einden +in zijne eigene hand. Hij zag op hare glanzige haren, die sierlijk +langs haar hoofd afvielen op hare blanke, een weinig naar voren +gebogen hals. Een onweerstaanbaar verlangen bekroop hem zijne lippen +op haar hoofd te drukken. Doch hij deed het niet, want hij dacht aan +het woord van zijn vriend, dat hij voor deze meisjes handelen moest, +alsof hij haar voogd ware. Dat zou hij ook doen, en meer dan dat, als +een vader wilde hij voor haar zorgen. Zoo dikwijls de wagen echter +tegen een steen stiet, en hij haar aanraakte om haar te steunen, +ontwaakte de onderdrukte begeerte op nieuw, en eens, toen haar haren +zeer dicht bij zijne lippen kwamen, kuste hij haar werkelijk, maar +slechts als een vriend en een broeder. + +Zij moest den adem zijner lippen gevoeld hebben, want haastig keerde +zij zich om, gaf hem de teugels terug, drukte haar hand tegen het +voorhoofd en zeide op gansch anderen, zacht klagenden toon: "Het is +niet goed zoo; ik bid u, laat de paarden omkeeren." + +Eer Lysias, die, in plaats van haar gehoor te geven, aan de teugels +rukte, om de paarden nog meer aan te drijven, het rechte antwoord vond, +had Irene opgezien naar de zon, en terwijl zij met hare hand naar +het oosten wees, zeide zij: "Wat is het al laat! Wat zal ik zeggen +als men mij zoekt en zij vragen waar ik zoo lang geweest ben? Waarom +keert gij niet om? Waarom zegt ge mij niets van mijne ouders?" + +De laatste woorden waren met eenige heftigheid uitgesproken, en toen +Lysias niet zoo dadelijk wist, wat hij er op zeggen zou, en ook geen +beweging maakte om de paarden in te houden, greep zij zelve naar de +teugels en zeide: "Wilt gij nu omkeeren, ja of neen?" + +"Neen," antwoordde de Korinthiër bepaald, "maar...." + +"Is dat de bedoeling!" riep het meisje buiten zichzelve. "Gij denkt +mij listig te ontvoeren, maar wacht, wacht...." + +Eer Lysias het verhinderen kon, had Irene zich omgedraaid, en een +poging gedaan om van den snel voortrollenden wagen te springen. Doch +haar geleider was vlugger dan zij, greep eerst haar kleed, toen haar +gordel, sloeg zijn arm om hare heupen en trok de weerspannige naar +het midden van den wagen. + +Bevend, met de kleine voeten stampende en de oogen vol tranen zocht +zij zijn hand van haren gordel te verwijderen. Doch nu bracht hij +zijne rossen tot staan en zeide vriendelijk maar ernstig: "Wat +ik gedaan heb is om uw bestwil geschied, en als gij het beveelt, +wil ik ook de paarden doen omkeeren. Maar eerst moet ge mij hooren; +want toen ik u door een list op dezen wagen lokte, deed ik dit omdat +ik vreesde, dat gij zoudt weigeren mij te volgen, terwijl ik wist, +dat ieder uitstel u aan schrikkelijke gevaren blootstelde. Ik heb +den naam uws vaders volstrekt niet met een misdadig doel gebruikt, +want mijn vriend Publius Scipio, die zeer machtig is, denkt alles +te doen om hem de vrijheid te verschaffen, en ulieden weder in zijne +armen te voeren. Maar, Irene, dat zou nooit kunnen gebeuren, wanneer +wij u daar gelaten hadden, waar gij tot hiertoe hebt vertoefd." + +Onder deze woorden zag het meisje Lysias verwonderd aan, en brak +zijne mededeeling af, om te zeggen: "ik heb toch niemand eenig +leed gedaan. Wie kan er wat bij winnen, met mij, arm schepsel, +te vervolgen?" + +"Uw vader was de braafste aller menschen," antwoordde Lysias, "en toch +werd hij als een misdadiger naar de bergwerken gesleept. Men bepaalt +er zich niet toe het onrecht en de boozen te vervolgen. Hebt gij wel +van koning Euergetes gehoord, die men bij zijne geboorte "weldoener" +noemde, en die zich door zijne euveldaden den naam van "kwaaddoener" +verworven heeft? Deze heeft gehoord dat gij schoon zijt, en wil den +opperpriester dwingen u aan hem uit te leveren. Geeft Asklepiodorus +toe, en wat vermag hij tegen de macht van een koning, zoo wordt +gij onder de fluitspeelsters en geblankette meisjes opgenomen, +die bij zijne wilde drinkgelagen met beschonken mannen aan tafel +stoeien. Als uwe ouders u zoo moesten wedervinden, dan ware het voor +hen toch beter...." + +"Is het waarheid, wat gij zegt?" vroeg Irene met gloeiende wangen. + +"Ja," antwoordde Lysias op vasten toon. "Zie, Irene, ik heb ook nog +een vader en eene lieve moeder en eene zuster, die er uitziet als +gij; bij hunne hoofden, bij hen wier namen nooit over mijne lippen +zijn gekomen in tegenwoordigheid van andere vrouwen wier gunst ik +zocht, zweer ik u, dat ik louter waarheid heb gesproken, dat ik niets +anders in den zin heb dan u te redden, dat ik, als gij het gebiedt, +u, zoodra ik zal weten dat gij geborgen zijt, nimmer wil wederzien, +hoe zwaar mij dit ook zal vallen. Want ik heb u lief, arme, lieve +kleine Irene, meer dan gij gelooven kunt." + +Lysias vatte het meisje bij de hand, doch zij trok de hare snel +terug en zeide, terwijl zij de in tranen zwemmende oogen naar hem +opsloeg, luide en met overtuiging: "Ik geloof u, want zoo kan iemand +niet spreken die een ander wil misleiden. Maar hoe weet gij dit +alles? Waarheen wilt gij mij brengen? Zal Klea mij volgen?" + +"Bij de brave familie van een beeldhouwer zult gij vooreerst verborgen +worden. Klea zullen wij heden nog kennis geven van alles wat met +u gebeurd is, en wanneer wij de vrijstelling uwer ouders hebben +verkregen, dan.... Maar help, o Zeus! Ziet gij dien wagen daar? Vergis +ik mij niet, dan zijn het de schimmels van den eunuuch Eulaeus. Als +hij ons hier zag, dan ware alles verloren! + +"Houd u thans vast, want wij moeten jagen als in de renbaan!--Zoo, nu +zijn wij achter den heuvel, en daar, bij den kleinen Isistempel, wacht +u reeds de waardige echtgenoote van uwen toekomstigen gastvriend. Zij +zal wel zitten in dien gesloten wagen naast de palmen. + +"Ja zeker, zeker, Klea zal alles vernemen, opdat zij zich over u niet +ongerust make! Weldra zeg ik u vaarwel, maar zult gij, lieve Irene, dan +later ook nog menigmaal aan den armen Lysias denken, of heeft Aurora, +die hem, zooals hij zich vleide, heden morgen door hare verschijning +zooveel geluk voorspelde, hem werkelijk geen schoonen dag, maar kommer +en leed voorzegd?" + +Onder deze woorden trok de Korinthiër de teugels in, dwong de paarden +tot een langzamen stap en zag Irene vol teederheid in de oogen. Zij +beantwoordde dezen blik met innige hartelijkheid, maar tranen rolden +uit hare anders zoo heldere oogen. + +"Zeg mij nu," sprak de Korinthiër op smeekenden toon: "Zult gij mij +niet vergeten? Mag ik u spoedig bij uw gastvriend een bezoek brengen?" + +Irene had zoo gaarne 'ja' en nog eens 'ja' en duizendmaal 'ja' +geroepen, en toch had zij, die zoo gereedelijk aan elke aandoening +des harten toegaf, in dit gewichtig uur de kracht om hare hand, die +de Korinthiër had gegrepen, zachtkens uit de zijne te trekken en hem +ernstig te antwoorden. "Altijd wil ik aan u denken, en altijd weder, +maar gij moogt mij eerst opzoeken, wanneer mijne Klea weder bij +mij is." + +"Maar Irene, bedenk toch, als nu..." zeide Lysias hartstochtelijk. + +"Gij hebt mij bij de hoofden uwer dierbaarste betrekkingen gezworen, +dat gij mijn wil zoudt eerbiedigen," zeide het meisje, hem in de rede +vallende. "Zeker, ik geloof, en ik geloof zoo gaarne, dat gij goed +voor mij zijt, maar ik geloof het niet meer, als gij geen woord houdt. + +"Zie daar komt ons eene vrouw te gemoet, die er vriendelijk +uitziet.--Zij wenkt mij reeds!--Ja, tot haar wil ik gaarne gaan, +en toch ben ik zoo beklemd, meer dan ik zeggen kan. Maar ik voel mij +tevens zoo dankbaar! Denk gij somwijlen aan mij, Lysias en aan onzen +rit, aan het gesprek en aan mijne ouders. O ik bid u, doe voor hen +al wat gij maar kunt.--Als ik mijne tranen maar kon inhouden, maar +dat kan ik niet!" + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + +Lysias had goed gezien. De wagen met de schimmels, dien hij op zijn +vlucht met Irene had ontweken, behoorde aan den eunuuch Eulaeus. Omdat +de morgen koel was, en omdat Zoë, de speelgenoote van Kleopatra, +hem vergezelde, had hij een gesloten voertuig genomen, waarin hij op +zachte kussens gezeten was naast de Macedonische, terwijl hij haar door +druk en op zijne wijze geestig gepraat voor zich zocht te winnen. Op +de heenreis, dacht hij, zal ik haar gunstig voor mij stemmen, dan +spreek ik op den terugtocht over mijne eigene aangelegenheden. + +De tijd vloog voor beiden spoedig en aangenaam om, en noch zij noch hij +gaven acht op den hoefslag der paarden, die Irene wegvoerden. Achter +het acaciënbosch steeg Eulaeus uit en verzocht de Macedonische zich +te willen bezighouden, terwijl hij een en ander met den opperpriester +te verhandelen had. Misschien, merkte hij op, kon zij den tijd van +wachten nuttig besteden, door voorloopig kennis te maken met haar +die voor Hebe zou spelen. + +Irene was reeds lang in het huis van den beeldhouwer Apollodorus +vriendelijk opgenomen, toen beiden elkander weder bij de koets +ontmoetten, Eulaeus slechts schijnbaar, Zoë inderdaad hoogst onvoldaan +over hetgeen zij in den tempel te verrichten hadden gehad. De +opperpriester had de eisch van Philometor, om de kruikdraagster +op den geboortedag van koning Euergetes naar het paleis te zenden, +onvoorwaardelijk afgewezen. De eunuuch, die hem vroeger meermalen +genegen had gevonden toe te geven, had hem tot zulk eene bepaalde +weigering niet in staat geacht. + +Zoë had de kruikdraagster niet eens gezien. "Ik geloof," zeide de +slimme vriendin van Kleopatra, "dat ik u te laat gevolgd ben, en dat, +toen ik een half uur na u den tempel binnenging, omdat eerst de oude +arts Imhotep en daarna een helper van den beeldhouwer Apollodorus, die +mij nieuwe busten liet zien, mij hadden opgehouden,--de opperpriester +reeds bevel had gegeven het meisje verborgen te houden. Want toen ik +begeerde haar te zien, bracht men mij eerst in een ellendig vertrek, +dat mij voorkwam meer geschikt te zijn voor koeien of geiten dan voor +eene Hebe, zelfs voor eene gewaande,--maar ik vond het geheel ledig. + +"Vervolgens verwees men mij naar den Serapis-tempel, waar een +priester bezig was eenige meisjes zangonderwijs te geven; toen +weer elders heen, en eindelijk, nadat ik nergens eenig spoor van de +beroemde Irene had gevonden, naar de woning van een der deurwachters +van dezen tempel. Een leelijk wijf opende mij de deur en zeide, dat +Irene sedert lang niet meer bij haar was, maar wel hare oudere zuster, +die ik nu liet verzoeken bij mij te komen. + +"Maar wat kreeg ik ten antwoord? De godin Klea--want zoo noem ik +haar, omdat zij nu eens de zuster eener Hebe is--heeft een ziek kind +te verplegen, en wanneer ik haar wilde zien, dan kon ik haar komen +opzoeken. Dat klonk mij toe, alsof zij mij wilde doen weten, dat de +weg van mij tot haar even ver was als die van haar tot mij. + +"In elk geval achtte ik het der moeite waard, die kruikdraagster, die +zich zoo zeer hare waarde bewust was, eens in de oogen te zien, en ik +trad een armzalig vertrek binnen--ik walg er nog van, als ik denk aan +de vunze lucht, die mij in dat armoedig verblijf te gemoet kwam--en +daar zat zij met een onnoozel, stervend kind op den schoot. Die +geheele omgeving was zoo treurig en afschrikwekkend, dat ze mij nog +weken lang in den droom benauwen en mijne vroolijke uren bederven zal. + +"Ik bleef ook niet lang bij die arme lieden, maar ik moet erkennen +dat, als Irene zooveel van eene Hebe heeft als hare oudere zuster van +Hera, Euergetes grond heeft om boos te zijn, wanneer Asklepiodorus +hem dit meisje weigert. Menige koningin, en niet het minst zij, die +ons beiden het naast is, zou haar halve rijk willen geven, wanneer +zij zulk eene gestalte, zulk eene houding bezat, als deze dienstmaagd. + +"En met welke oogen zag zij mij aan, toen zij opstond met het hoestende +doodsbleeke kind in de armen, en mij vroeg wat ik van hare zuster +verlangde! Een indrukwekkende sombere ernst gloeide in die oogen, die +uit een Medusa-kop in haar hoofd schenen overgebracht te zijn. Daar +lag zelfs eene bedreiging in, die zich in geen anderen zin dan in +dezen liet opvatten: 'Verlang niets van haar wat mij niet bevalt, of +gij wordt op staanden voet in een rots veranderd.' Op mijne vragen +antwoordde zij geen twintig woorden, en toen ik buiten de frissche +lucht inademde, die mij nog nooit zoo goed heeft gedaan als voor de +deur van dit afzichtelijk hol, wist ik verder niets dan dat niemand +de schuilplaats kende, waarin de schoone Irene verborgen was, of +althans zich zoo hield, en dat ik goed zou doen met niet verder naar +haar te vragen. + +"Wat zal Philometor nu doen? Wat zult gij hem raden?" + +"Wat men door zachte woorden niet erlangt, is dikwijls voor een +kostbaar geschenk te koop," antwoordde de eunuuch. "Gij weet toch, +van alle bestaande woorden is er geen, waarmede die heeren minder +vertrouwd zijn dan het kleine woordje 'genoeg'; maar wie valt het +gemakkelijk dit woordje uit te spreken? + +"Gij vertelt mij daar van den trots en de strenge afwijzende houding +der zuster van onze Hebe. Ik heb haar ook gezien en vind dat haar +beeld in de Stoa [21] zou kunnen geplaatst worden als een toonbeeld +van strenge deugd in menschelijke gedaante. En terwijl in den regel de +kinderen op de ouders gelijken, was hun vader de grootste gulzigaard en +listigste spitsboef, die er ooit op twee beenen liep, en op zeer goede +gronden moest hij naar de goudmijnen gezonden worden. Ter wille van +de dochter eens misdadigers wordt gij thans door stof en zonnehitte +gejaagd, en gij moet u eene smadelijke behandeling en een afwijzend +antwoord laten welgevallen. + +"Maar die deern bedreigt mij met een wezenlijk gevaar. Gij weet toch +dat Kleopatra thans een luim heeft, om den Romein Publius Scipio +bijzondere gunsten te bewijzen, maar diezelfde Publius loopt onze +Hebe na, heeft haar beloofd te zullen bewerken, dat aan haar vader +onverdiend genade wordt geschonken, en wil nu beproeven of hij op +mij soms de beschuldiging van diefstal kan laden. De koningin wil +hem nog heden gehoor verleenen, en gij weet niet hoeveel vijanden +zich ieder op den hals haalt, die als ik jaren achtereen belast +was met het bestuur eener groote hofhouding. De koning erkent met +dankbaarheid wat ik voor zijne moeder en voor hem heb gedaan, doch +wanneer Publius Scipio, in de ure waarin hij mij aanklaagt, het hart +van Kleopatra weet te winnen, dan ben ik verloren. Gij zijt altijd +in de omgeving der koningin, breng gij haar aan 't verstand wie deze +deernen zijn, en wat den Romein aanleiding gaf om mij met de schuld +haars vaders te belasten. Er zal zich wel eene gelegenheid opdoen, +om u en de uwen een anderen vriendschapsdienst te bewijzen." + +"Ellendig gespuis!" riep Zoë. "Verlaat u op mij; ik zal niet zwijgen, +want ik doe altijd wat goed is, en kan ook niet zien dat anderen +onrecht lijden, en allerminst dat een man van uw verdiensten in zijne +eer wordt getast, omdat een trotsche vreemdeling behagen schept in +een aardig dingetje en eene opgeblazene pop." + +Zoë had gelijk toen zij de lucht in de woning des deurwachters +afschuwelijk had genoemd; ook de arme, zeker niet verwende Irene +kon haar evenmin verdragen als de veeleischende speelgenoote eener +koningin. Het was zelfs voor Klea eene overwinning op zichzelve, te +vertoeven in dit armzalige vertrek, dat het geheele gezin bevatte, +waarin op een rookenden haard werd gekookt en gedurende den nacht +een geit en nog een paar kippen geherbergd werden. Maar zij had in +de vervulling van hetgeen zij haar plicht achtte reeds zwaardere +beproevingen doorgestaan, en zij hield zoo zielsveel van den kleinen +Philo; zij had van hare zorgvuldige pogingen, om den sluimerenden +geest langzamerhand op te wekken, zooveel voldoening, en vond in de +teedere dankbaarheid van het kind zoo rijkelijk haar loon, dat zij, +zoodra zij begreep dat de kleine kranke hare tegenwoordigheid en hare +verpleging niet missen kon, geheel vergat in welk eene akelige woning +zij zich bevond. + +Imhotep, de beroemdste onder al de priesterlijke artsen in den +Asklepius-tempel, een man die met de Egyptische geneeskunst even goed +vertrouwd was als met de Grieksche, wien men, sedert hij door koning +Philometor uit Alexandrië naar Memphis was geroepen, den nieuwen +Herophilus noemde,--Imhotep had sedert lang al zijn aandacht gewijd +aan die sluimerende, maar al meer en meer ontwakende geestvermogens +van den kleine Philo. Dagelijks zag hij het knaapje, zoo vaak hij den +tempel betrad. Nauwelijks had Zoë de woning des deurwachters verlaten, +of hij kwam voor de derde maal naar den kleinen kranke zien. + +Klea hield, terwijl hij binnentrad, Philo nog altijd op haar +schoot. Voor haar stond op een houten onderstel in een kolenbekken, +een kleine koperen ketel, dien de arts gebracht had. Daaraan was +een lang riet bevestigd, hetwelk uit twee deelen bestond, die door +een lederen buis verbonden waren, zoodat het bovenstuk heen en weer +bewogen kon worden. De kruikdraagster bracht van tijd tot tijd dat riet +tegen de borst van het kind, opdat het, volgens Imhoteps voorschrift, +de heete uitstroomende waterdamp zou inademen. + +"Heeft het naar wensch gewerkt en de borst wat verruimd?" vroeg +de arts. + +"Ik geloof het wel," antwoordde Klea, "het ratelt zoo niet meer in +de borst, als het arme kereltje ademhaalt." + +De oude man bracht zijn oor aan den mond van de kleine, legde +zijne hand op het voorhoofd en zeide: "Als de koorts wat afneemt, +wil ik het beste hopen. Dit inademen van waterdamp is een uitstekend +middel, wanneer de slijm zich zoo kwaadaardig heeft vastgezet, en een +eerwaardig middel ook, want het wordt reeds in de oudste geschriften +van Hermes voor zulke gevallen aanbevolen. Doch nu is het ook genoeg! + +"Weet gij dat deze damp sterker is dan paarden en stieren, en de +vereenigde kracht van een bende reuzen? Ja, deze damp! De ijverige +Hero van Alexandrië heeft dit kort geleden ontdekt. + +"Onze kranke heeft er nu genoeg van, want wij mogen het ventje +niet te veel verhitten. Neem nu een linnen doek; die dáar is goed, +al is hij ook niet schoon. Vouw hem op, bevochtig hem flink met koud +water--dáar staat wat, geloof ik, in dat ellendige ding, waarvoor ik +geen naam weet--en nu zal ik u laten zien, hoe men hem om den hals +van den jongen moet slaan. + +"Gij behoeft mij niet te bewijzen, dat ge mij begrijpt, Klea, want gij +zijt handig en hebt bovendien veel geduld. Ik ben nu vijf-en-zestig +jaren oud en was altijd gezond, maar ik zou bijna wenschen eens krank +te worden, om mij door u te laten verplegen. Dat arme schepseltje +dáar heeft het goed, beter dan menig lijdend koningskind, aan wien +bezoldigde verpleegsters alles doen en geven, wat het maar noodig +heeft, maar die éen ding niet geven kunnen, omdat zij het niet hebben, +namelijk dat liefdevolle, vriendelijke, onvermoeide geduld, waardoor +gij een wonder hebt verricht aan den geest van dit kind en nu gereed +staat een tweede te doen aan zijn lichaam. + +"Neen, neen, meisjelief, niet mij, maar u heeft die vrouw dat te +danken, wanneer zij haar kind behoudt. Hoort gij het, vrouw? Zeg het +ook aan uw man, en als gij Klea niet eert als eene godin, en haar de +handen niet onder den voet legt, dan zal u--nu ik wil u geen kwaad +toewenschen, want van het goede hebt gij waarlijk al niet te veel." + +Na deze woorden ging de vrouw van den deurwachter schuw naar den arts +en het zieke kind toe, streek haar verwarde haren een weinig uit +het gezicht, legde de magere armen kruiselings op den rug, zag met +uitgestrekten hals op het knaapje neer, en vroeg eindelijk aarzelend, +terwijl zij met domme verbazing naar de natte doeken keek: "Zijn de +booze geesten uit het kind?" + +"Wel zeker," antwoordde de arts. "Klea daar heeft die bezworen en ik +heb haar geholpen; nu weet gij het." + +"Dan kan ik wel even heengaan, niet waar? Ik moet den vloer van den +voorhof aanvegen." + +Klea knikte met het hoofd, ten teeken dat zij gaan kon. Toen zij zich +verwijderd had, zeide de arts: "Met hoeveel booze geesten hebben we +toch niet te doen, en met hoe weinige goede! De menschen gelooven ook +veel liever en gemakkelijker aan schadelijke, dan aan vriendelijke +en hulpvaardige geesten, want als het hun slecht gaat, en dat is +gewoonlijk hun eigen schuld, vinden zij het troostrijk en doet het +hunne ijdelheid goed, wanneer zij er een ander, vooral wanneer zij er +booze geesten de schuld van kunnen geven. Doch als het hun welgaat, +als het geluk hun tegenlacht of iets moeielijks hun is gelukt, dan +willen zij dat natuurlijk aan zichzelven, aan hunne knapheid of hun +verstandig inzicht dank weten, en lachen zij hem uit, die hen herinnert +dat zij hiervoor aan hulpvaardige demonen dank verschuldigd zijn. Wat +mij betreft, ik houd meer van de goede dan van de booze geesten, +en tot de besten van allen behoort gij zonder twijfel, lief meisje. + +"Maar nu ter zake, om het kwartier legt gij een anderen doek om den +hals van het kind. In dien tusschentijd gaat gij naar buiten, om uw +borst te verkwikken met wat frissche lucht, want gij ziet bleek. Tegen +den middag gaat gij wat in uw kamertje en tracht gij te slapen. Men +mag niets overdrijven, en gij moet mij gehoorzamen." + +Klea knikte den arts zoo vriendelijk toe, alsof zij zijne dochter +was. Imhotep streek met zijne hand over haar hoofd en ging heen. Doch +zij bleef met het kranke kind alleen in het muffe kamertje, waar +het al heeter en heeter werd, vernieuwde telkens de compressen en +verblijdde zich, dat de ademhaling langzamerhand vrijer en minder +hoorbaar werd. Intusschen overviel haar nu en dan een gevoel van +afmatting, en sloot zij de oogen een weinig, doch altijd slechts voor +een kleine poos. Er was in dien toestand tusschen waken en slapen, +waarin allerlei droombeelden haar voorbij gingen, en die telkens werd +afgebroken door de herinnering aan een plicht, die zij gemakkelijk +en gaarne vervulde, en in die ontspanning van alle zenuwen voor haar +iets weldadigs, waarvan zij de uitwerking begon te gevoelen. Zij +achtte zich hier recht op haar plaats. De vriendelijke woorden van +den arts hadden haar goed gedaan. Op den angst over het behoud voor +dit dierbaar leven volgde nu de gegronde hoop op zijn behoud. + +Reeds in den nacht had zij het vaste voornemen opgevat, aan den +opperpriester te verklaren, dat zij het ambt der tweelingzusters, +die gewoon waren aan de lijkbaar van Osiris te weeklagen, niet +op zich nemen kon. Liever wilde zij beproeven voor zich en voor +Irene--want dat deze met ernst zich aan eene bezigheid zou wijden, +kwam niet bij haar op--te Alexandrië, waar zelfs blinden en lammen aan +werk werden geholpen, door handenarbeid haar brood te verdienen. Ook +dit vooruitzicht, waaraan zij gisteren nog met schrik had gedacht, +lachte haar nu vriendelijk toe, want het opende haar de mogelijkheid, +om te toonen, dat zij kracht genoeg bezat om zelfstandig te handelen. + +Van tijd tot tijd verscheen ook het beeld van Publius Scipio voor +hare verbeelding, en zoo vaak dit geschiedde, kleurde zij tot over de +ooren. Maar heden dacht zij gansch anders aan den man, die hare rust +verstoorde, dan gisteren, want toen had zij met schaamte zich door hem +overwonnen gevoeld, doch thans scheen het haar toe, dat zij bij den +optocht in den afgeloopen middag over hem getriomfeerd had, toen zij +standvastig zijne blikken ontweek, en hem, toen hij het waagde haar te +naderen, verstoord den rug toekeerde. Zóo was het goed, want hoe zou +die trotsche man zich andermaal blootstellen aan zulk eene vernedering! + +"Uit, uit! voor altijd uit!" prevelde zij in zichzelve, en hare oogen +en haar voorhoofd, waarover zooeven een lachje zweefde, namen weder de +uitdrukking aan van terugstootende hardheid, die den Romein gisteren +had afgeschrikt en verstoord. Doch weldra kwam er meer zachtheid +in hare trekken, want zij aanschouwde den smeekenden blik van den +ernstigen jonkman, zij herinnerde zich al wat de kluizenaar tot +zijn lof had gezegd, en toen te midden van deze gedachten hare oogen +dicht vielen, en zij voor weinige oogenblikken insluimerde, zag zij +Cornelius in den droom, terwijl hij met vasten tred op haar toetrad, +haar als een kind op den arm nam, hare handen, waarmede zij tegen +hem worstelde, omklemde en ze met ruw geweld samendrukte, waarna hij +haar zelve in een boot wierp, die aan den oever van den Nijl geankerd +lag. Met alle kracht streed zij tegen dezen aanval, gaf van schrik +een luiden gil en ontwaakte door de klank van haar eigen stem. + +Thans stond zij op, droogde hare in tranen zwemmende oogen af, legde +een nieuwen doek om den hals van het kind, en ging toen, zooals de +arts gezegd had, naar buiten. De zon stond reeds ter middaghoogte +en goot hare brandende stralen uit over de gele zandsteenen vloer +van het voorhof. Slechts een van de zuilengangen, die deze breede +onoverdekte ruimte omgaven, wierp een smalle schaduw, nauwelijks +een arm breed. Doch zij ging daar niet heen, want onder dit afdak +stonden verschillende rustbedden, waarop pelgrims lagen uitgestrekt, +die hoopten hier in de woning van den God droomen te ontvangen, +die hun een blik in de toekomst zouden doen slaan. + +Klea's hoofd was ongedekt, en juist wilde zij, uit vrees voor den +gloed van de middagzon, in het huis van den deurwachter teruggaan, +toen zij een jongen schrijver in witte kleederen, die in bijzonderen +dienst was van Asklepiodorus, over het voorhof zag komen, terwijl +hij haar met levendigheid wenkte. Zij ging naar hem toe, maar nog +vóordat zij hem bereikt had, riep hij haar toe, of hare zuster Irene +ook in het huis van den wachter was. De opperpriester verlangde haar +te spreken, maar zij was nergens te vinden. + +Klea antwoordde hem, dat ook eene aanzienlijke vrouw van de hofhouding +der koningin naar haar gevraagd had, doch dat zij Irene vóor het +aanbreken van den dag, toen zij de kruiken voor het altaar van den +god uit de zonnebron ging vullen, voor het laatst gezien had. + +"Het water voor het vroegste plengoffer," antwoordde de priester, +"stond op zijn tijd op het altaar, maar voor de tweede en derde +offeranden moesten Doris en hare zuster het halen. Asklepiodorus is +niet boos op u, want hij weet van Imhotep, dat gij de zorg voor een +ziek kind op u hebt genomen, maar wel op Irene. Denk eens na waar +zij zijn kan. Er moet bovendien iets zeer belangrijks gaande zijn, +dat de opperpriester haar wil mededeelen." + +Klea verschrikte, want de tranen die Irene gisterenavond had geschreid, +kwamen haar voor den geest en haar kreet van smachtend verlangen naar +vreugde en vrijheid. Had de onbezonnene aan dit verlangen gehoor +gegeven, en zich zonder hare voorkennis, al was het ook maar voor +weinige uren, uit de voeten gemaakt, om de stad met al hare rijke +afwisseling eens te zien? + +Zij bedwong zich, om den bode hare bezorgdheid niet te verraden, +en zeide met nedergeslagene oogen: "Ik zal haar zoeken." + +Haastig ging zij in huis terug, keek nog eens naar het kranke kind, +riep zijne moeder, wees haar hoe zij de omslagen moest maken, +drukte haar goed op 't hart, dat zij tot aan haar terugkomst stipt +en zorgvuldig de voorschriften van Imhotep in acht moest nemen, +gaf Philo een teedere kus op het voorhoofd, waarbij zij bemerkte, +dat de kleine veel minder heet was dan in den morgen, en begaf zich +allereerst naar hare woning. + +Daar lag en stond alles nog zooals zij het in den nacht verlaten had, +alleen de gouden kruiken ontbraken. Dit vermeerderde Klea's angst, +maar de gedachte dat Irene het kostbaar vaatwerk medegenomen kon +hebben, om het te verkoopen en haar leven met de opbrengst wat op +te vroolijken, kwam niet bij haar op. Zij wist wel dat haar zuster +wat lichtzinnig en licht beweeglijk was, maar tot een slechte daad +achtte zij haar niet in staat. + +Waar zou zij de verlorene zoeken? De kluizenaar Serapion, dien zij +het eerst aansprak, wist niets van haar. Bij het altaar van Serapis, +waar zij vervolgens heenging, vond zij de beide kruiken, en bracht +ze naar hare woning terug. + +Misschien was Irene den ouden Krates een bezoek gaan brengen, +en had zij, terwijl zij naar zijn arbeid keek en met hem praatte, +tijd en uur vergeten. Maar de priesterlijke smid, dien zij in zijne +woning opzocht, wist niets aangaande haar mede te deelen. Gaarne had +hij Klea geholpen om zijne lieveling op te zoeken, maar het nieuwe +slot van de Apisgroeven moest tegen den middag gereed zijn en zijne +gezwollene voeten deden hem pijn. + +Klea bleef voor de deur van den ouden man in gedachten staan; daar +viel haar in, dat Irene menigmaal in vrije uren op den duivenslag +van den tempel was geklommen, om van daar een vergezicht te hebben, +naar de broedende diertjes te kijken, hare jongen wat voeder in den +breeden snavel te steken, en de opvliegende zwermen na te oogen. De +duivenhuisjes, die uit potten bestonden met Nijl-slib aan elkander +gevoegd, stonden op de schuur, die tegen den zuidelijken ringmuur van +den tempel was aangebouwd. Zij vloog daarheen door zonnige tuinen +en weinig beschaduwde gaanderijen, en beklom het platte dak van de +voorraadschuur, maar zij vond daar noch den ouden duivenoppasser, +noch zijne beide kleinzonen, die hem in zijn werk hielpen, want zij +namen alle drie deel aan den maaltijd der tempeldienaars, in het +voorvertrek van de keuken. + +Een en andermaal, ja wel tienmaal riep Klea hare zuster bij den naam, +maar niemand antwoordde. Het was alsof de zonnegloed elk geluid, +dat van hare lippen klonk, verteerde. + +Nu keek zij in den eersten slag, vervolgens in den tweeden, en den +derden tot den laatsten. De warmte kwam haar uit die aarden woningen +der vlugge diertjes te gemoet, alsof het verhitte ovens waren, maar dat +belette haar niet elken schuilhoek te doorzoeken. Hare wangen gloeiden +reeds; de heldere zweetdruppels parelden op haar voorhoofd, en het +kostte haar moeite zich te zuiveren van het stof der duiventillen, +maar nog was zij niet ontmoedigd. + +Misschien was Irene het Anubidium of het heiligdom van Asklepius +binnengegaan, om de beteekenis te vragen van een zonderling +droomgezicht, dat zij mogelijk had gehad. Want daar woonde bij +de priesterlijke geneesheeren ook eene priesteres, die de droomen +dergenen die genezing zochten nog beter wist uit te leggen dan een +der kluizenaars, die evenzeer deze kunst uitoefenden. De vragenden +moesten soms lang voor den Asklepius-tempel staan wachten. Deze +overweging gaf Klea weder moed, en maakte haar ongevoelig voor +den heeten zuidwestenwind, die begon op te steken, en voor den +zonnegloed. Doch toen zij langzaam naar het pastophorium terugkeerde, +als een soldaat na een verloren slag, leed zij zeer van de hitte, +en angst en onzekerheid beklemden haar borst. Zij had zoo gaarne +geweend en dikwijls beproefde zij ook te steunen alsof zij snikte, +maar de troost der tranen, die het hart verlichten, was haar ontzegd. + +Alvorens zij Asklepiodorus ging mededeelen, dat al haar zoeken +vergeefs was geweest, gevoelde zij zich gedrongen nog eens met haar +vriend den kluizenaar te spreken; doch eer zij zijne cel nog in +het oog kon krijgen, trad de schrijver van den opperpriester haar +opnieuw in den weg en beval haar hem naar den tempel te volgen. Hier +moest zij in doodelijk ongeduld langer dan een uur in een voorvertrek +wachten. Eindelijk bracht men haar in eene zaal, waar Asklepiodorus +en de geheele hoogere priesterschap van Serapis verzameld was. + +Schoorvoetende trad Klea voor deze rij van achtbare mannen, en wederom +moest zij eenige minuten wachten, alvorens de opperpriester haar vroeg, +of zij niet in staat was eenige inlichtingen te geven aangaande de +plaats waar de vluchtelinge zich verborgen hield, en of zij niets had +opgemerkt of vernomen, dat op het spoor kon brengen om haar te vinden, +want hij, Asklepiodorus, wist, dat als Irene zich heimelijk uit den +tempel had verwijderd, dit haar evenzeer moest verontrusten als hem. + +Klea kon met moeite haar woorden vinden en hare knieën knikten, toen +zij begon te spreken. Zij weigerde echter den stoel, dien Asklepiodorus +beval haar te brengen. Op de rij af telde zij alle plaatsen op, waar +zij hare zuster vruchteloos had gezocht, en toen zij ook het heiligdom +van Asklepius noemde, en zich daarbij herinnerde, hoe eene aanzienlijke +vrouw met vele slavinnen en dienstmaagden daar was gekomen om zich een +droom te doen uitleggen, viel haar ook het bezoek van Zoë in, en de +vragen die deze speelgenoote van Kleopatra haar eerst overvriendelijk, +daarna honend en op steeds hoogmoediger toon betreffende hare zuster +had gedaan. Terstond brak zij zelve haar verhaal af door te zeggen: + +"Uit vrije beweging, heilige vader, is Irene zeker niet ontvlucht, maar +misschien heeft iemand haar verleid den tempel en mij te verlaten; +zij is nog maar een kind met weinig standvastigheid. Zou het niet +kunnen zijn dat eene aanzienlijke vrouw haar had overgehaald om mede te +gaan? Zulk een vrouw heeft mij heden in het huis van den deurwachter +opgezocht. Zij was rijk gekleed, droeg een gouden halvemaan in het +blonde krullende, met zijden banden doorvlochten haar, en vroeg met +aandrang naar mijne zuster. De arts Imhotep, die dikwijls in het +paleis des konings komt, heeft haar gezien en mij gezegd, dat zij +Zoë heet en eene speelgenoote is van koningin Kleopatra." + +Bij deze woorden ontstond er eene groote opschudding onder de +verzamelde priesters, en Asklepiodorus riep: "Die vrouwen, die +vrouwen! Gij hebt dus wel gelijk gehad, Philammon: ik kon en wilde +het niet gelooven! Kleopatra heeft veel gedaan, wat men alleen +eene koningin vergeven kan, maar dat zij zich als een werktuig +laat gebruiken van de wilde hartstochten haars broeders, dat hebt +gijzelf, Philammon, die eerder het kwade dan het goede gelooft, +onwaarschijnlijk geacht. Maar wat moet er nu gedaan worden? Hoe kunnen +wij ons verdedigen tegen geweld en overmacht?" + +Klea was met bloedroode wangen en gloeiend van de middaghitte voor de +priesters verschenen, maar bij de laatste woorden van Asklepiodorus +werd zij doodsbleek en een koude rilling voer door hare leden. Haars +vaders kind, hare vroolijke onschuldige Irene geroofd, listig geroofd +voor Euergetes, den wildsten aller woestelingen, van wiens leven +Serapion haar eerst gisteren avond een tafereel had opgehangen, +toen hij de gevaren schilderde, die haar en Irene zouden bedreigen, +wanneer zij den tempel verlieten. Ja zeker! Men had het voorwerp +harer teedere zorgen, haar troost en haar vreugde, door haar glans +en weelde voor te spiegelen, gelokt, om hare Irene in schande te +doen ondergaan. Zij moest zich vasthouden aan de leuning der stoel, +die zij eerst geweigerd had, om niet ineen te zinken. + +Doch slechts weinige oogenblikken werd zij door deze zwakheid +beheerscht; toen deed zij haastig twee stappen voorwaarts naar de tafel +waaraan de opperpriester zat, en klemde zich met de rechterhand aan +het blad vast. Hare anders zoo diepe welluidende stem klonk heesch, +toen zij zeide: "Eene vrouw zal zich tot werktuig gemaakt hebben +van de misdaad, om eene andere vrouw den naam van vrouw onwaardig +te maken, en gij, gij die beschermers zijt van recht en deugd, die +geroepen zijt te handelen in den geest der goden, die gij dient, +gij gevoelt u te zwak om dit te verhinderen? Wanneer gij dit duldt, +wanneer gij deze misdaad niet stuit, zoo zijt gij--ja, ik laat mij het +woord niet ontnemen--zoo zijt gij den heiligen naam en den eerbied, +waarop gij aanspraak maakt, niet waard, zoo klaag ik...." + +"Zwijg, meisje!" zeide Asklepiodorus, de vreeselijk opgewonden Klea in +de rede vallende. "Ik moest u bij de godslasteraars laten opsluiten +wanneer ik niet begreep, dat de smart u uitzinnig maakt. Wij zullen +voor de geroofde in de bres weten te springen; maar gij zult zwijgend +moeten afwachten. Kallimachus, beveel terstond den bode Ismaël het +zwarte paard in te spannen om naar Memphis te rijden, ten einde +een schrijven van mij aan de koningin over te brengen. Wij zullen +het te zamen opstellen en onderteekenen, zoodra wij zeker zijn, +dat Irene buiten deze muren is weggevoerd. Geef ook bevel om het +groote bekken te slaan, Philammon, dat alle bewoners van den tempel +zal samenroepen. Gij, meisje, verlaat deze zaal en begeef u tot +de anderen." + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + +Klea had het bevel van den priester terstond opgevolgd en liep, +zonder recht te weten waarheen, uit den eenen gang van de uitgestrekte +gebouwen in den anderen, tot de luide klank van de met kracht geslagen +metalen schijf, welker trillende golvingen tot de verborgenste hoeken +van den tempel doordrongen, haar deed opschrikken. Deze roepstem gold +ook haar, en daarom ging zij den hof binnen, waar de vergaderingen +gewoonlijk werden gehouden. + +Het begon hier al levendiger en levendiger te worden. De tempeldienaars +en dierenverplegers, de deurwachters, de water- en draagstoeldragers +braken den gemeenschappelijken maaltijd op en stroomden toe, +terwijl zij onder hun haastigen loop den mond afveegden, of een +stuk brood, een ramenas of een dadel tusschen de vingers hielden, +om ze in aller ijl nog op te eten. De wasschers en waschvrouwen van +de witte priestergewaden kwamen met natte handen, en de koks waren +midden uit hun werk weggeloopen, terwijl het zweet hun nog van het +voorhoofd droop. De pastophoren, die in de laboratoriën bezig waren +met het bereiden van reukwerken en geen tijd gehad hadden om hunne +handen behoorlijk te reinigen, riekten van verre. De beambten van +de boekerij en het administratie-bureau der tempelgoederen waren +de bibliotheek en het kantoor uitgeloopen, met verwarde haren, en +roode en zwarte inktvlekken op hunne dunne kielen. De schaar van +zangers en zangeressen naderde in behoorlijke orde, juist zooals +zij bij elkander stonden onder de oefening in het koorgezang. Met +hen verschenen ook de bedaagde tweelingzusters, tot wier opvolgsters +Klea en Irene door Asklepiodorus waren bestemd. De kweekelingen van +de tempelschool kwamen, onder aanvoering van hunne leermeesters, +vroolijk en met veel getier den hof binnen, niet weinig in hun schik +dat de les was opgeschort. De oudsten hunner werden weggezonden om +het groote baldakijn aan te dragen, waaronder de bestuurders van het +heiligdom zich verzamelden. + +Asklepiodorus verscheen het laatst, en overhandigde aan een jongeren +schrijver de lijst met de namen van alle bewoners en medeleden van +den tempel, om deze op te lezen. Dit geschiedde. Ieder, wiens naam +werd opgelezen, antwoordde duidelijk 'hier' en bij ieder der afwezigen +werden spoedig de redenen opgegeven, waarom zij niet waren gekomen. + +Klea had zich bij de zangeressen gevoegd en wachtte in ademlooze +spanning lang, eindeloos lang op den naam harer zuster, want eerst +nadat ook de kleinste scholier en de minste veeknecht zijn 'hier' +had geroepen, las de schrijver 'De kruikdraagster Klea', en knikte +haar toe, toen ook zij 'hier' riep. + +Daarna verhief hij zijne stem luider dan te voren en las: "de +kruikdraagster Irene." + +Toen op deze oproeping geen antwoord volgde, ontstond er onder +de vergaderde tempelgenooten eene zachte beweging, evenals het +golven van een rijp graanveld, wanneer de morgenwind over de aren +heenstrijkt. Doch allen bewaarden een ademloos stilzwijgen toen +Asklepiodorus naar voren trad en met eene stem, die overal verstaan +kon worden, zeide: + +"Gij allen zijt in dit uur op mijne roepstem verschenen. De eenige, die +hem geen gehoor gaven, zijn de aan Serapis gewijde heilige mannen, die +eene gelofte verbiedt hunne sloten te verbreken, en de kruikdraagster +Irene. Nog eenmaal roep ik luide, eenmaal, andermaal, ten derdemale +'Irene', maar altijd blijft zij het antwoord schuldig.--Ik wend mij +dus tot u, gij allen die hier vergaderd zijt, grooten en kleinen, +mannen en vrouwen in den dienst van Serapis! Weet iemand uwer ook +eenig naricht te geven omtrent de verblijfplaats van het meisje? Heeft +iemand haar gezien, sedert zij bij het aanbreken van den dag het eerste +plengoffer uit de zonnebron voor het altaar van den God nederzette? + +"Gij allen zwijgt?--Heeft dus niemand uwer haar dezen dag ontmoet? + +"Nu dan nog eenige vragen, en wie ze beantwoorden kan, trede naar +voren en spreke naar waarheid. + +"Door welke poort heeft zich de aanzienlijke vrouw verwijderd, die +heden morgen vroeg den tempel bezocht?--Door de oostelijke!--Goed.--Was +zij alleen?--Ja, alleen. + +"Door welke poort verwijderde zich de briefschrijver Eulaeus?--Door +de oostelijke.--Was hij alleen?--Ja, alleen. + +"Heeft iemand uwer den wagen van die aanzienlijke vrouw of dien van +den briefschrijver ontmoet?" + +"Ik!" riep een voerman van den tempel, die dagelijks met zijn span +ossen naar Memphis ging om van daar voorraad voor de keuken en andere +benoodigdheden te halen. + +"Spreek op!" beval de opperpriester. + +"Ik heb," verhaalde de man, "de schimmels van den heer Eulaeus, die +ik goed ken, bij de wijnbergen van Kakem gezien. Zij trokken eene +gesloten koets, waarin behalve hij zelf, nog een vrouwspersoon zat." + +"Was dat Irene?" vroeg Asklepiodorus. + +"Dat weet ik niet," antwoordde de voerman, "want ik kon niemand +onderscheiden van hen, die in deze kast zaten, maar ik hoorde de +stem van den eunuuch, en daarna het gelach van een vrouwspersoon, +dat zoo vroolijk klonk en zoo aanstekelijk werkte, dat ikzelf mijn +mond vertrekken moest." + +Terwijl Klea onder deze mededeeling Irene's vroolijken lach, waaraan +zij heden voor het eerst met smart dacht, meende te hooren, riep +de opperpriester: "Deurwachter van de oostelijke poort, kwamen de +briefschrijver en de aanzienlijke vrouw in elkanders gezelschap ons +heiligdom binnen, en verlieten zij het weder te zamen?" + +"Neen," luidde het antwoord; "zij kwam een half uur later dan hij, +en verliet den tempel na den eunuuch geheel alleen." + +"En Irene is niet door uw poort gegaan? Zij kan er niet door gekomen +zijn? Ik vraag het u, in den naam der godheid!" + +"Het zou toch mogelijk kunnen zijn, heilige vader," antwoordde de +wachter angstig. "Ik heb een ziek kind; ik ben meer dan eens ons +vertrek binnengegaan om naar den kleine te zien, doch altijd maar +voor korten tijd. De poort staat echter open, omdat in Memphis thans +alles rustig is." + +"Gij hebt niet goed gehandeld," antwoordde Asklepiodorus op strengen +toon, "maar omdat gij de waarheid spreekt, scheld ik u de straf +kwijt. Wij weten genoeg. Gij, deurwachters, hebt nu naar mij te +luisteren. Alle poorten van den tempel worden zorgvuldig gesloten, +en niemand, ook geen pelgrims, ook geen aanzienlijke uit Memphis, +hoe hoog ook geplaatst, mag in- of uitgaan zonder mijne bijzondere +vergunning. Weest zoo waakzaam alsof wij een aanval te vreezen +hadden. Thans ga ieder aan zijn werk." + +De vergadering werd ontbonden. De een begaf zich hierheen, de ander +daarheen. Klea merkte niet op dat velen haar met medelijden aanzagen, +anderen met een afkeurenden blik, als ware zij verantwoordelijk +voor de handelwijze van hare zuster. Zij zag ook niet om naar de +tweelingzusters, in wier plaats zij en Irene zouden komen, en dat +deed die bejaarde vrouwen leed, die zelve zooveel te treuren hadden, +zonder dat zij daarbij iets gevoelden, dat zij ijverig, ja met ongeduld +elke gelegenheid aangrepen, om haar gemoed lucht te geven, wanneer zij +werkelijk medelijden gevoelden. Maar noch deze medelijdende schepsels +noch andere tempelbewoners, die naar Klea waren gegaan, met het doel +haar te ondervragen of te beklagen, waagden het haar aan te spreken, +omdat zij de oogen zoo diep treurig en zoo onafgebroken neersloeg. + +Eindelijk was zij alleen in den grooten hof overgebleven. Haar hart +klopte sneller dan gewoonlijk en in haar geest gingen gewichtige dingen +om. Eén ding scheen haar vast te staan. Eulaeus, de onverzoenlijke +vijand van haar vader, voerde nu ook het kind van den man, dien +hij te gronde had gericht, ten verderve, en zonder dat zij het wist +koesterde de opperpriester dezelfde verdenking. Zij, Klea, was zeker +niet voornemens dit te laten geschieden, zonder eene poging te doen +om het ongeluk af te wenden. Het werd haar telkens duidelijker, +dat zij verplicht was, zonder uitstel te handelen. + +Allereerst wilde zij haren vriend Serapion om raad vragen; maar juist +toen zij zijne cel naderde klonk het bekken, dat de priesters opriep +tot den dienst van den God, en haar herinnerde aan haar plicht om +water te scheppen. Werktuiglijk, omdat zij enkel aan Irene's redding +dacht, verrichtte zij thans, wat zij alle dagen gewoon was te doen, +als die metalen stem haar riep. Zij ging door naar hare woning, +om de gouden kruik van den god te halen. + +Toen zij het verlaten vertrek binnentrad, vloog haar kat haar met +twee luchtige sprongen te gemoet, kromde den rug, wreef haar ronden +kop tegen haar voeten, en stak haren mooien zwarten staart zoo recht +in de lucht, als zij alleen deed wanneer zij recht in haar schik +was. Klea wilde het aardige dier streelen, doch het sprong terug, +staarde haar schuw en zooals haar voorkwam boos met de groene oogen +aan, en trok zich in een hoek terug naast Irene's legerstede. + +"Zij heeft zich vergist," dacht Klea, "Zelfs de dieren vinden Irene +lieftalliger dan mij; en deze Irene, deze Irene..." + +Bij deze woorden begon zij te snikken, en wilde op de kist gaan zitten +ten einde op nieuwe middelen en uitwegen te peinzen, die zij toch alle +als dwaas en onuitvoerbaar verwerpen moest. Doch daar lag een hemdje +op de kist, dat zij begonnen was voor den kleinen Philo te naaien, +en dit herinnerde haar voor het eerst weder aan het kranke kind, +en vervolgens aan haar plicht om water te scheppen. Zonder talmen +greep zij de kruik en terwijl zij naar de tempelbron ging, gedacht +zij de lessen, die haar vader, toen zij hem eens in de gevangenis had +mogen bezoeken, haar op den levensweg had medegegeven. Maar enkele +volzinnen uit deze vermanende toespraak, die zijne laatste geweest +was, kwamen haar thans voor den geest, en toch had zij geen woord +vergeten. Alzoo had hij gesproken: + +"Het zou kunnen schijnen, dat ik, omdat ik gehandeld heb overeenkomstig +hetgeen ik voor recht en deugdzaam hield, door de goden slecht beloond +word. Doch dit is niet meer dan schijn, en zoolang het mij gelukken +zal te leven overeenkomstig de natuur, die hare eeuwige wetten volgt, +zal niemand het recht hebben mij te beklagen. Inzonderheid zal ik +mijne zielsrust niet verliezen, zoolang ik, gehoorzaam aan de leus +van Zeno en Chrysippus, mijzelven niet in tegenspraak breng met de +grondstellingen van mijn innerlijk wezen. Die rust kan ieder, kunt +ook gij, die eene vrouw zijt, bewaren, wanneer gij altijd doet wat gij +als recht erkent en volbrengt wat gij als plicht op u genomen hebt. De +godheid zelve levert ons een bewijs voor deze leer, daar zij aan ieder, +die haar volgt, die rust des gemoeds verleent, die haar welgevallig +moet zijn, daar dit de eenige toestand der ziel is, waarin zij haar +volkomen zelfstandig laat handelen, en haar noch in iets belemmert noch +haar in zekere richting voortdrijft. Daarentegen komt hij, die zich +van het pad der deugd en harer dochter, de strenge plichtsbetrachting, +verwijdert, nooit tot rust, en met smart voelt hij den greep van een +verborgene vijandelijke macht, die zijne ziel nu eens voortstuwt, +dan weder terugtrekt.--Wie de kalmte des gemoeds weet te bewaren, die +gevoelt zich ook in het ongeluk niet ellendig, en dankbaar leert hij +onder alle omstandigheden des levens tevreden te zijn, te eerder omdat +hij vervuld is van het edel bewustzijn, dat het meest overeenkomt met +het beste deel van zijn wezen, namelijk het bewustzijn van wat recht en +goed is. Handel dus, mijn kind, zooals het gevoel van recht en plicht +u voorschrijft, zonder te vragen naar het doel, zonder te berekenen, +of hetgeen gij doet u blijdschap of verdriet zal berokkenen, zonder +vrees voor het oordeel der menschen en den nijd der goden, en gij +zult uwe zielsrust bewaren, die den wijze onderscheidt van den dwaas, +en ook in de treurigste omstandigheden gelukkig kunnen zijn. Want +het eenige wezenlijke kwaad is de heerschappij van het slechte, dat +is van het onnatuurlijk onverstand over ons. Het eenige waarachtige +geluk is in het bezit der deugd gelegen, maar alleen hij vermag haar +zijn eigendom te noemen, die haar geheel bezit, en ook in het kleine +niet tegen haar zondigt. Het goede toch kent zoo min als het booze +een verschil in graden; ook het geringste vergrijp tegen den plicht, +het recht en de waarheid, waarop zelfs geen enkele wet eene straf +heeft gesteld, is in strijd met de deugd. + +"Irene," zoo had Philotas zijne toespraak besloten, "kan deze lessen +nog niet verstaan, maar gij zijt ernstig en verstandig boven uwe +jaren. Herhaal ze haar dagelijks, en prent gij ze uwe zuster, wie gij +het gemis eener moeder vergoeden zult, te rechter tijd in het hart, +als den uitersten wil haars vaders." + +Terwijl Klea thans naar de bron binnen den ringmuur ging om water +te scheppen, herhaalde zij in zich zelve al deze vermaningen; zij +gevoelde zich daardoor op nieuw bemoedigd en was vast besloten hare +zuster niet zonder strijd aan den verleider prijs te geven. + +Nadat de plengvaten bij het altaar gevuld waren, ging zij naar den +kleinen Philo terug, wiens toestand haar geen reden van bezorgdheid +meer scheen te geven. Langer dan een uur bleef zij bij het knaapje, +waarna zij den woning van den deurwachter verliet, om Serapions raad +in te winnen en hem mede te deelen, wat zij in het stille ziekenvertrek +had bedacht. + +De kluizenaar placht haar voetstap van verre te herkennen en haar +uit zijn venster te gemoet te zien, zoo vaak zij hem kwam bezoeken, +maar heden hoorde hij haar niet, en wel door zijne eigene stappen, +voor zooverre de uiterst beperkte ruimte zijner kleine cel hem daartoe +gelegenheid gaf. Hij kon het best nadenken als hij op en neder liep, +en hij peinsde nu en overlegde, want hij had alles vernomen, wat +men in den tempel wist omtrent het verdwijnen van Irene. Hij wilde, +hij moest haar redden, doch hoe meer hij zijn geest inspande, des te +duidelijker zag hij in, dat elke poging om het ontvoerde kind uit de +handen zijner machtige roovers te rukken, vergeefs zou zijn. + +"En toch, het kan, het mag niet gebeuren!" riep hij uit, en hij stampte +met zijn krachtigen voet op den grond, even voordat Klea zijne kluis +bereikte. Doch zoodra hij haar in het oog kreeg, deed hij zijn best om +zeer bedaard te schijnen, en riep hij met een opgewektheid, die hem +ook in minder bedenkelijke omstandigheden eigen was: "wij denken na, +wij peinzen, wij breken ons hoofd, mijn kind, want de goden hebben +heden morgen geslapen, en wij moeten daarom dubbel wakker zijn. + +"Irene, onze lieve Irene!--wie had dat gisteren gedacht! Het zijn +ellendige streken, waarvoor ik zelfs geen naam weet; en wat zullen +we nu doen om dat gevreesde monster, dat wilde roofdier zijne buit +te ontrukken, eer hij ons kind, ons lieve kind verslindt?--Dikwijls +heb ik mij over mijne eigene domheid geërgerd, maar zóo dom, zóo +godvergeten dom als heden, heb ik mij nog nooit gevoeld. Als ik +nadenken wil, dan is het mij, als had men mij dit zware luik voor mijn +hoofd genageld. Is bij u een denkbeeld opgekomen? Bij mij geen enkel, +waarover de grootste ezel zich niet zou moeten schamen!" + +"Gij, weet dus alles?" vroeg Klea, "en ook, dat waarschijnlijk de +vijand van onzen vader, Eulaeus, het arme kind door list verlokt +heeft hem te volgen?" + +"Natuurlijk weet ik dit!" zeide Serapion, "Als er een schurkenstreek +is uitgevoerd, is hij er zoo zeker bij als meel wanneer men brood +bakt! Maar het bevreemdt mij, dat hij ditmaal zich door Euergetes heeft +laten inspannen, de oude Philammon heeft mij alles verteld. Zoo straks +kwam er een bode uit Memphis terug, en bracht een strookje papyrus, +waarop een jammerlijke knoeier namens Philometor had geschreven, +dat men aan het hof niets van Irene wist en zich zeer beklaagde dat +Asklepiodorus zich niet ontzag een valsch spel met den koning te +spelen. Zij denken er dus volstrekt niet aan, ons kind vrijwillig +uit te leveren." + +"Dan zal ik doen wat mijn plicht is," zeide Klea vast besloten. "Ik +ga naar Memphis en haal mijne zuster terug." + +De kluizenaar staarde het meisje verbaasd aan en zeide: "Welk een +krankzinnig plan! Wilt gij uzelve in het verderf storten en hun in +plaats van éen twee offers in handen spelen?" + +"Ik weet mij zelven te beschermen, en in Irene's zaak zal ik de +hulp van Kleopatra inroepen. Zij is eene vrouw, en machtig en kan +niet dulden...." + +"Wat ter wereld is er, dat zij niet zou kunnen verdragen, wanneer het +haar voordeel of genoegen verschaft? Wie weet wat moois Euergetes +haar beloofd heeft, als hij over ons meisje kan beschikken! Neen, +bij Serapis, neen, Kleopatra zal u niet helpen.--Maar daar valt mij +iets in.--Eén man zou ons ongetwijfeld kunnen helpen. Wij moeten ons +wenden tot den Romein Publius Scipio, en het is niet moeielijk hem +te bereiken." + +"Van hem," riep Klea blozend, "wil ik goed noch kwaad ontvangen. Ik +ken hem niet en mag hem niet kennen." + +"Maar kind, kind!" zeide de kluizenaar, haar op ernstigen verwijtenden +toon in de rede vallende, "weegt uw trots dan zooveel zwaarder dan uwe +liefde, uw plicht en uwe zorg voor uwe zuster? Wat, bij alle goden, +heeft Publius u aangedaan, dat gij hem zoo angstvallig vermijdt, +alsof hij melaatsch ware? Alles heeft zijne grenzen, en thans, kom +aan, het moet er maar uit, want het is nu geen tijd om zich blind te +houden, wanneer men met beide oogen ziet wat er omgaat. Uw hart is +vervuld van den Romein en gij gevoelt u tot hem getrokken, maar gij +zijt een braaf meisje, en om dat te blijven ontvlucht gij hem. Want +gij wantrouwt uzelve, en weet niet wat er zou gebeuren, wanneer hij +eens zeide, dat ook hem de pijl van Eros getroffen had. + +"Wordt nu maar bleek en rood, en zie mij aan als ware ik uw vijand +en als zwetste ik verachtelijken onzin. Veel zonderlinge dingen heb +ik gezien, maar vóor u nog niemand, die enkel uit dapperheid laf is +geworden, en daarbij past onder alle vrouwen die ik ken aan niemand +vreesachtigheid zoo slecht als aan mijne vastberadene Klea. De stap +dien gij zult doen is moeielijk, maar gesp een pantser om uw hart en +waag het den Romein, die een braaf jonkman is, moedig te gemoet te +gaan. Zeker, het zal u zwaar vallen hem iets af te smeeken, maar zult +ge u door enkele schreden over scherpe steenen laten afschrikken? Daar +staat ons arme kind aan den rand van den afgrond! Komt gij niet +ter rechter tijd en met het rechte woord tot den eenige, die hier +nog helpen kan, dan wordt zij in den zwarten poel nedergestooten, +om daarin onder te gaan, dewijl hare moedige zuster te bevreesd was +voor zichzelve." + +Klea had bij de laatste woorden van den kluizenaar de oogen +nedergeslagen. Een tijdlang staarde zij somber en zwijgend voor zich; +eindelijk zeide zij met bevende lippen, en zoo dof als moest zij +haar eigen vonnis uitspreken: "Zoo zal ik dan den Romein om hulp +smeeken! Maar hoe kan ik bij hem komen?" + +"Nu is mijne Klea weder geheel de dochter haars vaders," antwoordde +Serapion, reikte haar uit het venstertje van zijne cel beide handen +toe, en zeide toen verder: "Ik kan den moeielijken weg altijd wel +wat voor u effenen. Gij kent toch mijn broeder Glaukus, die aan het +hoofd staat van de politiewacht in het paleis? Ik zal u een woord van +aanbeveling voor hem medegeven, en om u de taak wat gemakkelijker +te maken, ook een kleinen brief aan Publius Scipio, die alles zal +bevatten, waarom het te doen is. Wil Cornelius zelf u te woord staan, +ga dan tot hem en vertrouw op hem, maar allermeest op uzelven. + +"Ga nu heen en wanneer gij de kruik nog eens gevuld hebt moet gij tot +mij terugkeeren en den brief halen. Hoe vroeger gij kunt gaan des +te beter, want ik acht het wenschelijk, dat gij voor het aanbreken +van den nacht den weg door de woestijn, waarop in de duisternis aan +gevaarlijke landloopers geen gebrek is, achter den rug hebt. Bij mijne +zuster Leukippa, die in het tolhuis aan de groote haven woont, vindt +gij, wanneer gij haar dezen ring vertoont, een gastvrije ontvangst +en een nachtverblijf voor u, en als de hemelsche goden u helpen, +ook voor Irene." + +"Ik dank u, vader," was het eenige wat Klea zeide, waarop zij hem +met rassche schreden verliet. + +Serapion zag haar eerst vriendelijk na; toen nam hij twee met was +bestreken blaadjes hout uit zijn kist, en schreef met een metalen +stift op het eene een korten brief aan zijn broeder, op het andere +eene langeren aan den Romein, die aldus luidde: + +"Serapion, de kluizenaar van Serapis, aan Publius Cornelius Scipio +Nasica, den Romein. + +"Serapion groet Publius Scipio en deelt hem mede, dat de jongere +zuster van Klea, de kruikdraagster Irene, uit den tempel verdwenen is, +en wel, zooals hij vermoedt, door de list van uw beider vijand den +briefschrijver Eulaeus, die schijnt te handelen op last van koning +Ptolemaeus Euergetes. Tracht te weten te komen, waar Irene zich +bevindt, en breng haar aan den tempel terug, of stel haar te Memphis +onder de hoede mijner zuster Leukippa, de vrouw van den havenopzichter +Hipparchus, die in het tolhuis woont. Serapis moge u en wat gij doen +zult zegenen!" + +Toen Klea tot den kluizenaar terugkeerde, had deze juist zijn brief +voltooid. Het meisje verborg dien in de borstplooien van haar gewaad, +zeide haar vriend vaarwel en bleef ernstig en bedaard, terwijl Serapion +haar met vochtige oogen het haar streelde, haar zijne zegewenschen +medegaf, en haar ten laatste ook nog eene heilaanbrengende amulet, +die zijne moeder had gedragen, om den hals hing. Het was een oog van +bergkristal met een spreuk, die tegen kwaad beschermde. + +Zonder zich verder op te houden liep zij nu naar de tempelpoort, +die zij ingevolge het bevel van den opperpriester gesloten vond. De +wachter, de vader van den kranken Philo, zat daarnaast op een steenen +bank, om de wacht te houden. + +Klea noodigde hem vriendelijk uit haar open te doen, maar de bezorgde +beambte voldeed niet zoo dadelijk aan haar wensch. Hij herinnerde +haar aan Asklepiodorus' strenge terechtwijzing, en deelde haar mede, +dat ongeveer drie uren geleden de groote Romein verzocht had in den +tempel gelaten te worden, maar dat hij op uitdrukkelijk bevel van +den opperpriester was afgewezen. Hij had ook naar haar gevraagd en +beloofd morgen weder te komen. + +Bij dit bericht vloog Klea het bloed naar het hoofd. Kon Publius even +weinig nalaten aan haar te denken als zij aan hem, en had Serapion +goed gezien? + +"De pijl van Eros," dit woord van den kluizenaar vloog haar, als ware +het zelf een gevleugeld werktuig, door het gemoed, het verschrikte +haar en deed haar toch goed, maar slechts voor een oogenblik, want +reeds begon zij hare eigene zwakheid weder streng af te keuren, +en huiverend moest zij zich zelve bekennen, dat zij op weg was den +indringer na te loopen. Hetgeen zij ging ondernemen, stond haar in al +zijne gewaagdheid voor den geest, en ware zij thans teruggekeerd, zoo +zou het haar niet aan eene verontschuldiging in haar eigen binnenste +hebben ontbroken, want de tempelpoort was gesloten en mocht voor +niemand, ook voor haar niet, geopend worden. + +Een oogenblik gaf zij met welgevallen aan deze verleidelijke gedachte +toe, maar zoodra zij weder aan Irene dacht, stond haar besluit op nieuw +vast, en de poortwachter naderende, zeide zij op zeer beslisten toon: +"Gij opent mij onverwijld de poort, want gij weet dat ik niet gewoon +ben eenig kwaad te doen of dit in den zin heb. Wat ik u bidden mag, +schuif dadelijk den grendel weg." + +De man, aan wien Klea zooveel goed had gedaan, tot wien de groote arts +Imhotep heden nog gezegd had, dat zij de goede geest was van zijn huis, +en dat hij haar als eene godheid moest eeren, volgde haar bevel op, +hoewel schoorvoetende en niet zonder weerzin. + +De zware grendel week terug, de metalen deur werd geopend, de +kruikdraagster trad naar buiten, wierp een donkeren sluier over het +hoofd en begon hare wandeling. + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Een geplaveide weg, met sphinxen aan beide zijden, leidde van den +Griekschen Serapis-tempel naar de in rotsen uitgehouwene Apis-graven +en de daarnaast en daarboven opgetrokken tempelgebouwen en kapellen, +waarin de Osirische of gestorvene Apis-stier werd vereerd, die, +zoolang hij leefde, te Memphis in den tempel van den god Ptah, aan +wien hij geheiligd was, verpleegd en aangebeden werd [22]. Na zijn +dood werd dit heilig dier, hetwelk zich door bijzondere kenteekenen +onderscheidde, op buitengewoon kostbare wijze begraven. Men noemde +het dier de verrezene Ptah en beschouwde het als eene afbeelding der +ziel van Osiris, door wiens scheppende kracht al wat gestorven en +vergaan was,--de mensch die was heengegaan, de verdorde plant en ook +de hemellichamen na hun ondergang,--werd herboren en een nieuw leven +ontving. De veranderingen, waaraan het schijnbaar vergaande onderworpen +was tot dat het in nieuwe vormen herschapen werd, stonden onder de +bescherming van Osiris-Sokari, die naast Osiris-Apis werd vereerd, +en in de tempels, reeds in overoude tijden in zuiver Egyptischen stijl +boven de graven der heilige stieren opgericht, verrichtten Egyptische +priesters de godsdienstige plechtigheden. + +Maar ook de Grieksche dienaars van Serapis--eene godheid die door +de Ptolemaeën uit Azië naar het Nijldal was overgebracht, om aan +hunne Helleensche en Egyptische onderdanen een wezen ter vereering +te geven, aan welks altaren zij zich tot een gemeenschappelijk gebed +konden vereenigen--offerden, het voorbeeld van hunne vorsten volgende, +gaarne aan Osiris-Apis, die niet alleen door zijn naam, maar ook door +zijn innerlijk karakter zeer na aan Serapis verwant was. In kapellen, +in Griekschen stijl opgetrokken buiten het Egyptische heiligdom, +waarin steenen stierenbeelden stonden, dienden zij de tot Osiris +geworden Apis, en lieten zich gaarne in de hoogere beteekenis van +zijn wezen inwijden. Alle godsdienstige mysteriën in het Grieksche +vaderland hadden toch ook betrekking op de onsterfelijkheid en het +lot der zielen in eene andere wereld. + +Evenals twee tegenover elkander liggende steden door eene brug, zoo +waren de Grieksche tempel van Serapis, waartoe de kruikdraagsters +behoorden, met de Egyptische van Osiris-Apis door de fraai geplaveide +processie-straat verbonden, waarop Klea thans voortliep. Er was een +nadere weg naar Memphis, maar zij koos deze, omdat de zandheuvels aan +beide zijden der met sphinxen bezette straat, die dagelijks van het +woestijnzand moest schoongeveegd worden, haar aan de blikken harer +tempelgenooten onttrokken. Van een met borstbeelden van wijsgeeren +versierd halfrond in de nabijheid van den hoofdingang der nieuwere +Apis-graven, leidde ook de beste en veiligste weg naar de stad. + +Zij keek noch naar de leeuwenlichamen met menschenhoofden ter +zijde van den weg, noch naar de dierengestalten op den muur die hem +begrensde; zij sloeg geen acht op de donkerkleurige tempelslaven +van Osiris-Apis, die het plaveisel met groote bezems aanveegden, +want zij dacht slechts aan Irene en hare zware taak, en liep haastig +voort met nedergeslagen oogen. + +Maar reeds nadat zij enkele schreden had afgelegd, werd zij vlak +in hare nabijheid bij den naam geroepen, en toen zij verschrikt de +oogen opsloeg, stond de kleine smid Krates voor haar, die op haar +toetrad, haren sluier greep, die een weinig op zijde schoof eer zij +het verhinderen kon, en vroeg: "Waar gaat gij heen, meisje?" + +"Houd mij niet op," smeekte Klea. "Gij weet dat Irene, waarvoor gij +zoo goed zijt, geroofd is; misschien kan ik haar redden. Maar wanneer +gij mij verraadt en zij mij volgen..." + +"Ik zal u niet belemmeren," sprak de oude man, haar in de rede +vallende. "Ja als ik niet zulke gezwollen voeten had, dan ging ik met +u, want ik kan dat arme lieve schepsel maar niet vergeten. Maar ik +zal blij zijn, als ik weder in mijne werkplaats stil kan gaan zitten, +want het is precies alsof er in elk mijner groote teenen zulk een +fabrikant huist als ik ben, en hij daarin bezig is met vijlen, hamers, +beitels en spijkers. Misschien zal het u toch wel gelukken uwe zuster +te vinden, want eene listige vrouw is dikwijls geslaagd in hetgeen +voor wijze mannen te moeilijk was. Ga nu heen, en al zoeken zij ook +naar u, de oude Krates zal u niet verraden." + +Hij knikte Klea vriendelijk toe, en had haar reeds half den rug +toegekeerd, toen hij zich nog eens omwendde en haar toeriep: "Wacht nog +een oogenblik, meisje, gij kunt mij een kleinen dienst bewijzen. Ik +heb zoo straks het nieuwe slot in de deur der Apis-groeve daar ginds +ingezet. Het is mij zeer goed gelukt, maar aan den eenen sleutel, +dien ik maakte, heb ik niet genoeg; wij moeten er vier hebben. Wees +gij zoo goed ze uit mijn naam tegen overmorgen te bestellen bij den +slotenmaker Heri, die voor de poort van den Sokari-tempel woont, links +naast de brug over het kanaal. Gij kunt hem niet missen. Even gaarne +als ik iets nieuws uitvind en maak, even afkeerig ben ik van namaken, +en naar een voorbeeld werken kan Heri evengoed als ik. Weigerden +mijne beenen mij hun dienst niet, dan deed ik zelf deze bestelling, +want wie altijd door den mond van een ander spreekt, wordt dikwijls +verkeerd of in het geheel niet begrepen." + +"Ik wil u gaarne dien weg uitwinnen," antwoordde Klea, terwijl de smid +zich op het voetstuk van een der sphinxen aan den weg nederzette, de +lederen tasch, die aan zijne zijde hing, afnam en den inhoud in zijn +schoot uitschudde. Er kwamen eenige vijlen, beitels en spijkers te +voorschijn, vervolgens de sleutel en eindelijk ook een scherp puntig +mes, waarmede Krates de holte voor het slot in het hout van de deur +gesneden had. + +Hij deed nog eenige vijlstreken aan het model voor den handwerksman +in Memphis, terwijl hij in zichzelven bromde en het hoofd ontevreden +heen en weer schudde, en zeide ten laatste: "Gij dient mij toch nog +even naar de deur te volgen, want ik verlang van anderen nauwkeurig +werk en moet daarom ook streng zijn voor mijzelven." + +"Maar ik moet in Memphis zijn, voor het donker wordt," zeide Klea. + +"Het zal maar een oogenblik duren, en als gij mij een arm aanbiedt, +gaat het eens zoo snel. Daar zijn de vijlen en daar is het mes." + +"Geef mij dat mes," vroeg Klea. "Dit wapen is spits en blank, en +toen ik het zag, was het mij als werd mij ingefluisterd, dat ik +het mede moest nemen. Misschien moet ik in den nacht alleen door +de woestijn...." + +"En," ging de smid voort, "ook de zwakke gevoelt zich sterker, als +hij een wapen bezit. Steek dat mes maar bij u, mijn kind, doch wees +voorzichtig, dat gij uzelve er niet mede kwetst. Kom, laat ik u nu +een arm geven en dan altijd voorwaarts, maar toch niet al te snel." + +Klea bracht den smid voor de door hem aangewezene deur, zag met +bewondering hoe juist de grendel voorsprong, wanneer men den eenen +deurvleugel tegen den anderen wierp, en hoe gemakkelijk de sleutel +dien weder terugschoof. Daarna bracht zij Krates naar de sphinx terug, +waarbij zij hem ontmoet had, en zette vervolgens met rassche schreden +haar weg voort, want de zon stond reeds zeer laag, en het scheen +bijna niet mogelijk Memphis te bereiken vóor zij zou zijn ondergegaan. + +In de nabijheid van een herberg, die gewoonlijk door soldaten en +slecht volk werd bezocht, kwam haar een dronken slaaf tegen. Zonder +schroom naderde zij hem en ging hem voorbij, want het mes in haar +gordel, waarvan zij het heft in de hand hield, sterkte haar moed, +en het kwam haar voor, als had zij daarmede eene derde hand gewonnen, +die krachtiger en minder vreesachtig was dan hare eigene. + +Voor de herberg was eene afdeeling soldaten gelegerd, die zich den +wijn van Kakem, die hier wies aan de oostelijke helling des heuvels +van het Lybische gebergte, voortreffelijk lieten smaken. Deze lieden +waren zeer vroolijk, want nadat zij maanden lang als wachters voor de +Apis-graven en voor de tempels in de Necropolis gelegen hadden, was +er heden middag plotseling een aanvoerder der Diadochen uit Memphis +gekomen, met het bevel om terstond op te breken, ten einde vóor den +nacht de residentie binnen te trekken. Eerst den volgenden morgen +zouden zij door andere soldaten afgelost worden. + +Dit alles vernam Klea van een bode van den Egyptischen tempel in de +doodenstad, die haar herkende en naar Memphis ging, om, ingevolge een +opdracht der priesters van Osiris-Apis en Osiris-Sokari een schrijven +aan den koning over te brengen, waarin verzocht werd de opgeroepen +soldaten spoedig door andere troepen te vervangen. Een tijdlang ging +zij met den bode mede, maar weldra kon zij den hardlooper niet meer +bijhouden, en was zij genoodzaakt achter te blijven. + +Voor een tweede herberg zaten de bevelhebbers der soldaten, wier +getier zij zooeven bij de eerste had gehoord. Al drinkende keken zij +naar den dans van twee Egyptische deernen, die bij hun dolle sprongen +giggelden als kakelende hoenders, en zoo zeer de aandacht wisten +te boeien van hare toeschouwers, die met in de handen te klappen de +maat voor haar sloegen, dat Klea, die zich voortspoedde, deze wilde +gezellen ongemerkt voorbijkwam. + +Dat soldatenleven, en alles wat haar op den landweg ontmoette, maakte +de jonkvrouw, die aan de stilte en het rustige leven in den tempel +van Serapis gewend was, beangst. Daarom sloeg zij een zijpad in, +dat ook moest leiden naar de stad, die zij reeds met hare pylonen, +haar burcht en hare huizen, met een avondnevel omsluierd, vóor zich +zag liggen. In een kwartier zou zij de woestijn wel achter zich +en het akkerland bereikt hebben, welks blauwgroene oppervlakte al +donkerder en donkerder werd gekleurd. Achter haar ging de zon achter +de Lybische bergen onder en weldra--want de schemering duurt kort in +Egypte--omgaf haar de duisternis van den nacht. + +De westenwind, die reeds des morgens was opgestoken, begon feller +te waaien en vervolgde haar met zijn heeten gloed en het zand, dat +hij uit de woestijn medevoerde. Thans moest ze in de nabijheid van +water zijn, want zij hoorde de roerdompen fluiten en meende vochtige +lucht in te ademen. Nog enkele schreden: daar zonk haar voet in slib +en zij bemerkte nu, dat zij voor een breede gracht stond, waaruit +papyrus-stengels hoog opschoten. Het zijpad dat zij had ingeslagen liep +op dit plantsoen uit en haar bleef niet anders over dan om te keeren, +en tegen den wind en het haar in het aangezicht waaiende stof in, +hare wandeling voort te zetten. + +Het licht van de herberg wees haar de richting, die zij moest volgen, +want de maan stond wel aan den hemel, maar er dreven donkere wolken, +die telkens haar licht onderschepten en de kleinere hemellichten +voor eenige seconden bedekten. Zij gevoelde nog geene vermoeidheid, +maar het geschreeuw der mannen en het heesche gejuich der vrouwen, +dat haar uit die kroeg tegenklonk, vervulde haar weder met angst en +afschuw. Door zandduinen wadende, en haar kleed ophalende aan distels +en doornen, die in de woestijn welig wortel hadden geschoten en daarin +even welig waren opgegroeid als kinderen in het huis van den bedelaar, +maakte zij een grooten omweg om de herberg heen. + +Toen zij vervolgens op den grooten weg voortijlde, meende zij nog +altijd dit afschuwelijk gelach en de schrille vreugdekreten der +danseressen te vernemen. Haar bloed stroomde sneller door de aderen, +haar hoofd gloeide; zij zag Irene voor zich, zoo duidelijk alsof zij +haar tasten kon, met loshangende haren en fladderende kleederen, als +eene Maenade bij de Dionysosfeesten in dollen rondedans uit de armen +van den een in die van den ander vliegen, en hoorde haar waanzinnig +gillen en schreeuwen als die ongelukkige meisjes, waarvoor zij uit den +weg was gegaan. Zij gevoelde zich door zulk een onbeschrijfelijken +angst voor hare zuster aangegrepen, als zij nog nooit te voren had +ondervonden, en daar zij den wind nu weder in den rug had, liet zij +zich maar voortstuwen, zette het op een loopen, ja vloog, zonder om +te zien en te denken aan hetgeen de smid Krates haar had opgedragen, +als door Erinnyen gedreven de stad in en den met boomen beplanten weg +langs, die, gelijk zij wist, op de poort van den koningsburcht uitliep. + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + +Vóor de hooge poort van het koninklijk paleis zat een groot getal +smeekelingen, die hier gewoonlijk van den vroegen morgen tot laat in +den nacht wachtten, totdat men hen in het paleis riep om het antwoord +te ontvangen op de verzoekschriften, die zij hadden ingeleverd. + +Klea gevoelde zich, toen zij het doel van haar tocht bereikt had, zoo +geheel van streek en uitgeput, dat zij behoefte gevoelde om wat uit te +rusten en tot zichzelve te komen, en daarom zette zij zich onder deze +lieden neder, naast eene vrouw uit Opper-Egypte. Nauwelijks had zij +met een zwijgenden groet deze plaats ingenomen, of hare praatlustige +buurvrouw begon met groote uitvoerigheid te vertellen, waarom zij +naar Memphis was gekomen, en hoe onrechtvaardig de rechters, die met +haar slechten man gemeene zaak maakten, want de mannen spanden altijd +tegen de vrouwen samen, haar alles ontzegd hadden, wat volgens het +huwelijkscontract haar en haren kinderen gewaarborgd was. Reeds twee +maanden, zeide zij, wachtte zij van 's morgens vroeg tot 's avonds +laat voor de hooge poort, en verteerde zij in deze dure stad hare +laatste penningen. Doch dit was haar onverschillig, en als het niet +anders kon, zou zij ook hare gouden sieraden verkoopen, want eens zou +haar zaak toch wel voor den koning komen, en dan zou dien slechten +kerel en zijne medeplichtigen wel aan het verstand worden gebracht, +wat recht is. + +Klea luisterde niet veel naar dit verhaal. Zij verkeerde ten opzichte +van die vrouw in den toestand van iemand, die het niet verhinderen kan, +dat een ander hem water, altijd weder water over het hoofd stort. Ten +laatste begon de vrouw te bespeuren, dat de nieuw aangekomene in het +geheel niet op haar klacht lette. Zij tikte haar daarom eens tegen +den schouder en zeide: "Gij schijnt u uitsluitend met uwe eigene +aangelegenheden bezig te houden. Deze zijn zeker niet van dien aard, +dat men ze anderen vertellen kan. Met mijne zaken is het in dit +opzicht beter gesteld." + +Het stemgeluid, waarmede deze volzinnen werden gesproken, was zoo +eentonig en daarbij zoo scherp, dat het Klea hinderde. Zij stond +dus haastig op, om naar de poort te gaan. De vrouw riep haar nog +een onvriendelijk woord achterna, doch zij sloeg er geen acht op, +trok den sluier dichter voor haar gezicht, en trad door de poort +een ruimer hof binnen, door pekpotten en fakkels helder verlicht, +waar het wemelde van voetknechten en bereden manschappen. De wacht +van de poort had haar waarschijnlijk niet opgemerkt, misschien ook +haar ongemoeid voorbij laten gaan, omdat zij zoo trotsch voortliep. De +vele krijgsknechten, die zij nu voorbijging, schenen het zoo druk te +hebben met hunne eigene zaken, dat niemand hunner acht op haar sloeg. + +In een smallen door lantarens verlichten gang, die naar een tweeden hof +leidde, kwam haar een krijgsman te paard tegen, een van de lijfwachten, +die men Philobasilisten noemde. Het was een jong overmoedig gezel, met +gele rijlaarzen, en met een pantserhemd over den rooden wapenrok. Hij +merkte haar op en trachtte haar met zijn paard tegen den muur te +dringen. Reeds strekte hij de hand uit, om haar den sluier van het +gezicht te trekken, doch Klea ging voor hem uit den weg en weerde +met de handen den kop van het paard af, dat haar bijna aanraakte. + +De ruiter, die vermaak had in haar vrees, riep haar toe: "Blijf gerust +staan, hij is niet boos." + +"Uw paard of gij?" vroeg Klea en legde daarbij zulk een ernst in haar +stem, dat de lijfwacht een oogenblik van zijn stuk raakte en haar +daardoor tijd liet zich uit de nabijheid van het paard te verwijderen. + +Maar het bitse woord van de jonkvrouw had den jongen en verwenden +krijgsman geërgerd, en hoewel hij zelf geen tijd had om haar te +vervolgen, riep hij toch eenige Cyprische soldaten, die het angstige +meisje voorbij wilden gaan toe, om hen tegen haar op te hitsen: +"Kijkt die deerne toch eens onder den sluier, kameraden, en als zij +er zoo aardig uitziet als zij rank is gebouwd, dan wensch ik u geluk +met deze vangst." + +Hierop drukte hij lachend de enkels tegen den buik van zijn vospaard, +en draafde langzaam weg, terwijl de Cyprische soldaten Klea opzettelijk +tijd lieten den tweeden hof binnen te gaan, die nog helderder verlicht +was dan de eerste, om haar dáar met uitgelaten onbeschaamdheid op +het lijf te vallen. Het was der hulpelooze en vervolgde als stolde +haar het bloed in de aderen, en gedurende enkele oogenblikken zag zij +niets dan een warreling van fonkelende oogen en wapens, van baarden +en handen, hoorde zij enkel woorden en geluiden, waarvan zij niets +begreep en alleen wist, dat ze afschuwelijk en ontzettend waren, +misschien haar met dood en verderf dreigden. Zij hield de armen over +haar borst gekruist, maar opeens hief zij de handen omhoog om haar +aangezicht te bedekken, want zij voelde dat een krachtige hand haar +den sluier van het hoofd rukte. + +Deze daad van geweld veranderde hare ontzetting in toornige opwinding, +en met bliksemende oogen hare gebaarde tegenstanders opnemende, +riep zij: "Schaamt u, dat gij in 's konings eigen huis als wolven +eene weerlooze vrouw overvalt, dat gij op eene vreedzame plaats eene +jonkvrouw den sluier van het hoofd rukt. Uwe moeders mogen zich over +u schamen, en uwe zusters 'foei' roepen zooals ik thans doe." + +Verrast door Klea's indrukwekkende schoonheid, verschrikt door den +toornigen glans harer oogen en den diepen toon harer stem, die van +aandoening trilde, waren de Cypriërs voor haar achteruitgegaan. Doch +de woesteling, die haar den sluier van het hoofd had getrokken, trad +weder naar haar toe en zeide: "Wie zal om een armzaligen sluier zooveel +leven maken! Wilt ge mijn schatje zijn, dan koop ik u een nieuwen, +en nog ander moois bovendien!" + +Hij beproefde tegelijk zijn arm om haar middel te slaan. Doch bij +die aanraking gevoelde zij dat haar aangezicht doodsbleek en hare +oogen bloedrood werden, en terzelfdertijd vatte hare hand door eene +onweerstaanbare macht gedreven, den greep van het mes, dat de smid +Krates haar geleend had, haalde het te voorschijn, hield het met +sidderenden arm in de hoogte en riep: "Blijf van mij af, of bij +Serapis, in wiens dienst ik sta, ik vel u neder." + +De soldaat, wien deze bedreiging gold, was de man niet, om zich door +een stuk ijzer in de hand eener vrouw schrik te doen aanjagen. Met +een snelle beweging greep hij haar pols, om haar te ontwapenen, maar +ofschoon Klea het mes moest laten vallen, zoo bleef zij toch tegen hem +worstelen, teneinde zich uit zijn vuist los te wringen. Deze strijd +van een man tegen eene vrouw, die toch meer scheen te zijn dan hare +armoedige kleeding deed vermoeden, kwam ook den meesten Cypriërs zoo +onwaardig voor, en zoo misplaatst in het koninklijk paleis, dat zij +hun metgezel van Klea losrukten, terwijl weder anderen den roover, +die zich dapper verweerde, te hulp kwamen. + +Terwijl beide partijen onder groot geschreeuw handgemeen werden, +hijgde Klea naar adem. Haar aanvaller, dien men op den grond trachtte +te krijgen, hield nog altijd met zijn linkerhand haar pols vast, +terwijl hij zich met den rechter tegen zijne gezellen verweerde. Zij +trachtte èn door geweld èn door list zich los te wringen, want te +midden van het uiterste gevaar en in den opgewonden toestand, waarin +zij verkeerde, was het haar als had eene windvlaag plotseling allen +schroom uit hare ziel verjaagd. Zij was weder in staat haar toestand +duidelijk en met zekerheid te overzien. Als hare hand vrij was, +dan kon zij wellicht partij trekken van het gevecht der soldaten en +hier of daar door eene opening heensluipen. Twee-, drie- en viermaal +beproefde zij door een snellen ruk hare hand los te wringen uit de +vingers die haar omknelden, doch te vergeefs. + +Daar werd opeens aan haar voet een luide langgerekte kreet geslaakt, +die door de hooge muren van den hof werd weerkaatst en op hetzelfde +oogenblik voelde zij, hoe de vingers van den aanvaller langzaam en +éen voor éen haar arm loslieten, als sandalenriemen, die een arts +behoedzaam om een gebroken enkel losmaakt. + +"Die heeft zijn deel," riep de oudste onder de Cypriërs, "zoo schreeuwt +men maar eens in zijn leven! Waarachtig, de dolk zit dicht onder de +negende rib. Onzinnige! Dat zijt gij weder Lykos, gij woedende wolf!" + +"Hij heeft mij al vechtende diep in de vingers gebeten..." + +"Het is altijd om vrouwen, dat gij elkander het vel over de ooren +haalt," ging de oude voort, den ander in de rede vallende, zonder op +diens verontschuldiging acht te geven. "Ik heb het ook eens niet beter +gemaakt, en niemand kan er iets aan doen. Maakt nu dat gij wegkomt, +want wanneer de Epistrateeg [23] te weten komt, dat wij weder met +dolken aan den gang zijn geweest...." + +De Cypriër had nog niet uitgesproken, en zijne landslieden maakten +zich juist gereed om het lijk van hun kameraad op te tillen, toen eene +afdeeling van de politiewacht in gesloten gelederen, uit den gang, +waarvóor de strijd om het meisje begonnen was, den hof binnenstormde en +hun, die zich gereed maakten te ontvluchten, den weg versperde. Want +allen die naar buiten wilden, moesten dien poortgang door, waarin +Klea door den ruiter was tegengehouden. Elke andere uitgang van den +tweeden burchthof voerde naar de sterk bewaakte tuinen en gebouwen +van het eigenlijk gezegde koninklijk paleis. + +Het getier, waarvan Klea de aanleiding was, en de kreet van den +verwonde had de politiewacht doen toesnellen. Weldra waren de +Cypriërs en het meisje door haar omsingeld en werden zij door een +nauwen zijweg in den hof der gevangenissen gebracht. Na een kort +verhoor liet men de gevangen genomen manschappen onder bedekking +naar hun phalanx brengen, en Klea volgde gaarne den bevelhebber der +wacht naar eene minder helder verlichte plek van het gevangenisplein, +want zij herkende in hem terstond den broeder van den kluizenaar, +Glaukus. Hij herkende wederkeerig in haar de dochter van den man, +die voor zijn vader alles had gedaan en opgeofferd, en dien hij +menigmaal in den tempel van Serapis had gegroet en gesproken. + +"Wat ik vermag," zeide deze man, die nog langer was dan zijn broeder, +maar minder breed, nadat hij het briefje van den kluizenaar gelezen en +Klea hem op een aantal vragen geantwoord had, "wat ik vermag, dat wil +ik volgaarne voor u en uwe zuster doen, want ik ben niet vergeten, +wat wij uw vader verschuldigd zijn; maar ik moet het betreuren, +dat gij u in zulk een gevaar hebt begeven, want het is voor eene +schoone jonkvrouw altijd bedenkelijk dit paleis op zulk een laat +uur te betreden. En heden vooral, want het wemelt in de voorhoven +van krijgsvolk, niet enkel van Philometor maar ook van zijn broeder +Euergetes, wiens troepen hierheen gekomen zijn ter eere van zijn +geboortedag. De lieden zijn goed onthaald, en een soldaat die aan +Dionysos heeft geofferd, grijpt naar de gaven van Eros en Aphrodite +waar hij ze vindt. Ik zal den brief van mijn broeder aan den Romein +Publius Cornelius Scipio terstond doen toekomen, maar wanneer gij +zijn antwoord wilt ontvangen, zult gij wel doen u te laten brengen +naar mijne vrouw of zuster, die in de stad wonen, en bij de een of +de ander, den dag van morgen af te wachten. Hier kunt gij geen minuut +veilig zijn en staat gij aan allerlei plagerijen bloot, wanneer ik u +verlaat.--Wat moet ik nu doen?--Ik weet er iets op. De eenige veilige +plaats, die ik u kan aanbieden, is de gevangenis daarginds. De kamer, +waarin men onderbevelhebbers opsluit, die iets misdreven hebben, +staat juist ledig en daar zal ik u inbrengen. Het vertrek wordt altijd +schoon gehouden en gij vindt er ook een bankje in." + +Klea volgde den man, die, blijkens de haast waarmede hij handelde, +in gewichtige bezigheden gestoord was, naar de gevangenis, die zij in +weinige schreden bereikte, verzocht Glaukus haar het antwoord van den +Romein zoo mogelijk spoedig over te brengen, verklaarde zich gaarne +bereid om in donker te blijven, daar zij inzag dat het lamplicht +haar verraden kon, en zij voor de duisternis niet bevreesd was, en +liet zich daarna opsluiten. Toen zij hoorde hoe de ijzeren grendel +knarsend in de metalen holte werd geschoven, voer haar eene lichte +rilling door de leden, en hoewel de kamer, waarin zij zich bevond, +niet slechter of kleiner was dan de woning van haar en hare zuster in +den Serapis-tempel, gevoelde zij zich toch beklemd, want het was haar, +alsof iets, waaraan zij geen naam kon geven, hare ademhaling beklemde, +terwijl zij tot de overtuiging kwam, dat zij was opgesloten, en de +vrijheid miste om te komen en te gaan naar goedvinden. + +Door het eenige tralievenster van hare gevangenis, dat op den hof +uitzag, drong een mat licht naar binnen, waarbij zij een kleine bank +van palmtakken onderscheiden kon. Daarop zette zij zich neder, om de +rust te zoeken die zij zoo noodig had. Elke onaangename gewaarwording +maakte langzamerhand plaats voor het thans ontwakend gevoel van +verkwikking, en reeds begon de herinnering aan de ontzettende +oogenblikken, die zij zoo straks had doorleefd, zich te paren met +vertrouwen en blijde hoop, toen het voor de gevangenis levendiger +werd en zich daar buiten paardengetrappel en kommando's lieten hooren. + +Zij stond van haar bank op en zag hoe twintig ruiters ongeveer, +in wier vergulde helmen en pantsers het licht der lantarens zich +weerspiegelde, den uitgestrekten hof van menschen schoonveegden. Als +de vlammen het wild op eene brandende heide, zoo dreven zij die voor +zich uit en drong ze naar een anderen hof, om daar weder hetzelfde te +doen. Althans Klea hoorde ze daar evenals hier luide roepen: "In naam +des konings!" Eindelijk keerden de ruiters terug en schaarden zich +tien aan tien aan elk der beide toegangen van den hof als wachtposten. + +Dit voor haar zoo geheel nieuw schouwspel zag Klea niet zonder +belangstelling aan, en toen een der edele rossen, door het licht der +lantarens verblind, schichtig werd en op zij sprong, keer op keer +steigerde en zijn berijder dreigde af te werpen, terwijl deze het +wist in toom te houden, en ten laatste tot staan dwong, veranderde +die Macedonische krijgsman voor haar in Publius, die zeker niet minder +goed dan deze een paard kon bedwingen. + +Nauwelijks was het door de lijfwacht schoongeveegde plein door alle +menschen verlaten, of iets nieuws boeide Klea's aandacht. Eerst hoorde +zij voetstappen in een vertrek, dat aan hare gevangenis grensde. Daarop +vielen heldere lichtstralen door de fijne spleten van den dunnen wand, +die haar verblijf van dit andere vertrek scheidde. Vervolgens werden +de beide vensters, die zich naast de hare bevonden, met zware luiken +gesloten. Toen sleepte men zetels of banken aan en plaatste allerlei +voorwerpen op een tafel. Eindelijk werd de deur van dit vertrek zoo +heftig opengerukt en toegeslagen, dat ook de deur, waarmede haar kamer +gesloten was, klepperde, en de bank waarnaast zij stond, wankelde. + +Op hetzelfde oogenblik riep een zware klankrijke stem, onder luid +gelach uit volle borst: "Een spiegel, geef een spiegel, Eulaeus! Bij +den hemel, ik zie er niet uit naar gevangeniskost, maar wel als +iemand, wiens groote kop vervuld is van goede aanslagen, als een +die zijn tegenstander met een enkelen greep verworgt en ieder stuk +buit ras verteert, om eer de strop hem om den hals wordt gelegd, +in ieder uur, dat hem rest, zooveel te genieten als een ander in +een ganschen dag! Zoo waar ik Euergetes heet, mijn oom Antiochus, +die zich zoo gaarne onder het volk begaf, had wel gelijk. + +"Al die blinkende ledepoppen, die ons koningen omgeven, omhangen, +evenals ieder deel van hun lichaam, ook elke uitdrukking van krachtig +gevoel, als het ware met een sluier, en men zou duizelig worden +als men bedenkt, dat men, om niet bedrogen te worden, elk woord dat +men hoort--en, o wee! wat al woorden heeft men te hooren--in zijn +eigen geest omzetten moet. Het gepeupel daarentegen, dat zich al +zeer gekleed acht, wanneer het een doorzichtig schort om de heupen +hangt, is er beter aan toe. Wanneer zulk een naakte wijze, die al wat +hij bezit bij zich draagt, eens tot een ander van zijn slag zegt: +gij zijt een hond! dan geeft deze hem als antwoord een slag met de +vuist in het gezicht. Duidelijker kan het niet! Wanneer daarentegen +tot hem gezegd wordt: gij zijt een prachtige kerel! dan gelooft hij +het onvoorwaardelijk en heeft recht het te gelooven. + +"Hebt gij gezien hoe die ineengedrongen kleine kerel met zijn wipneus +en zijne kromme beenen, die zoo breed als lang is, grinnikend van +pleizier zijne tanden liet zien, toen ik zijn vaste hand prees? Zoo +lacht een hyena, en ieder goed huisvader noemt dien kerel een +godvergeten monster. Maar hoe hoog moet hij niet in de gunst staan +der hemelsche goden, die hem zulk een onberispelijk gebit in den mond +hebben gestoken, en zoo goed waren het hem vijftig jaren--want zoo +oud zal die brave man wel zijn--te laten houden. Als deze gezel zijn +dolk breekt, dan bijt hij zijn offer nog met de tanden dood gelijk +de vos een eend, of hij slaat hem met de vuisten de beenen doormidden." + +"Maar, mijn vorst," antwoordde de eunuuch Eulaeus aan koning +Euergetes--want deze beiden waren het aangrenzend vertrek +binnengetreden--droogjes en met een ernst die bij zaken past, +"die kleine magere Egyptenaar met zijn dun sluik haar is nog +onverschrokkener, taaier en leniger, en daarom nog wel zooveel +waard als zijn metgezel. De eene werpt zich terstond met geweld op +zijne buit, als een rotsblok dat van een dak valt, de ander slaat hem +onvoorziens den gifttand in het vleesch, als een in het gras verborgen +adder. De derde, van wien ik goede verwachting had, is eergisteren +buiten mijn weten een kop kleiner gemaakt, maar het paar, dat gij zoo +genadig zijt geweest zelf te monsteren, is voldoende. Zij mogen noch +dolk noch lans gebruiken, maar met strikken en haken en vergiftige +priemen, die wonden veroorzaken als de steek van een adder, bereiken +zij even gemakkelijk hun doel. Men kan zich op deze knapen verlaten." + +Wederom lachte Euergetes luide en zeide: "Welk een kritiek! Juist +alsof deze bloedhonden treurspelers waren, van welke de een door +vuur en hartstocht, de ander door de fijnheid zijner opvatting meer +indruk weet te maken. Dat noem ik onbevooroordeeld zijn! Maar waarom +zou men ook in het moorden niet groot kunnen wezen! + +"Uit welken beulsstrop hebt gij den hals van den eenen gehaald? Op +welk blok heeft de kop van den ander gelegen, toen ge hem vondt?--Het +uur, waarin men wat nieuws ontdekt, behoort tot de goede gerekend te +worden, en bij Herakles, zulke kerels heb ik in mijn leven nog niet +ontmoet. Het berouwt mij niet hen gezocht, en als ware ik huns gelijke, +met hen verkeerd te hebben. + +"Neem mij nu dien gescheurden rok van het lijf en verleen mij uw hulp +om mij te verkleeden. Eer ik aan het gastmaal ga, wil ik mij eerst +nog eens haastig in mijn bad werpen, want ik gevoel iets onaangenaams +over al mijn leden. Het is mij alsof ik door de aanraking met dat +volkje besmet ben geworden. Daar liggen mijne kleederen en mijne +sandalen. Bind ze mij aan en vertel onder de hand, hoe gij den Romein +in het net lokt." + +Klea kon ieder woord van dit schrikkelijk onderhoud verstaan, +en huiverend hield zij daarbij de hand tegen het voorhoofd, want +het kostte haar moeite aan de werkelijkheid te gelooven van de +voorstellingen, die haar thans voor de oogen werden gebracht. Waakte +zij, of droomde zij een afgrijselijken droom? Zij wist het niet en +begreep van alles wat zij hoorde ternauwernood de helft, tot de naam +van den Romein werd genoemd. Het was haar als werd haar een scherp +lancet door het hoofd gestoken, dat hare hersenen dwars doorboorde +van de rechter naar de linkerzijde, toen plotseling de gedachte bij +haar opkwam, dat die verscheurende dieren in menschelijke gedaante +door Eulaeus zouden worden losgelaten tegen hem, tegen Publius, +en weder werd met het oog op zoo iets ongehoords en ontzettends, +alles weder helder voor haren geest. + +Zij sloop zoo zacht mogelijk naar de spleet van den wand, waardoor +de breedste lichtstraal viel in haar donker vertrek, bracht haar oor +vóor de opening en zoog nu, als een versmachtende in de woestijn het +walglijkst water van een zoutachtig meer, in vreeselijke spanning, +lettergreep voor lettergreep het bericht in, dat de eunuuch gaf +aan zijn misdadigen vorst, die hem vaak met tegenwerpingen, met +woorden van bijval of met even in lachen uit te barsten in de rede +viel. Wat zij vernam was wel geschikt haar half waanzinnig te maken, +maar hoe meer hetgeen zij hoorde over bepaalde daadzaken liep, des +te scherper luisterde zij toch, des te meer spande zij zich in om +hare tegenwoordigheid van geest te behouden. + +In haar eigen naam had Eulaeus den Romein uitgenoodigd, zich tegen +middernacht in de woestijn te laten vinden op eene bepaalde plaats in +de nabijheid der Apis-graven. De eunuuch herhaalde de woorden, die hij +met dit doel op een scherf had geschreven, en waarbij Publius dringend +werd verzocht geheel alleen op de aangewezen plaats te verschijnen, +want in den tempel mocht zij niet met hem spreken. Ten laatste werd +hij verzocht haar op de achterzijde van de scherf zijn antwoord mede +te deelen. + +Klea had, toen zij de woorden vernam die de booswicht haar in den +mond legde, liefst aan haar gevoel van angst, schaamte en toorn in +luid snikken lucht gegeven, maar het kwam er nu op aan de ooren wijd +open te houden, want Euergetes vroeg zijn afschuwelijk werktuig: +"En hoe luidde het antwoord van Cornelius?" + +De eunuuch had zeker den koning het scherfje overhandigd, want de +laatste barstte in luid gelach uit en riep: "Hij loopt dus in den val, +komt dus op zijn laatst een half uur na middernacht, en laat Klea van +hare zuster Irene groeten. Hij doet aan minnarijen en schaken in het +groot en koopt de kruikdraagsters bij paren als duiven op de markt +of sandalen in een schoenmakerswinkel.--Zie eens, hoe die stumpert +Grieksch schrijft! Daar maakt hij me in die weinige regels nog twee +fouten, twee echte schooljongens fouten! + +"Die knaap heeft heden een al te gelukkigen dag, dan dat hij, +overeenkomstig de slechte gewoonte der goden, om de hand, waarmede +zij hare gunstelingen lang geliefkoosd hebben, in een slaande vuist te +veranderen, niet op een slechten avond zou mogen rekenen. Amalthea's +[24] hoorn werd heden over hem uitgestort. Eerst kaapte hij mij mijne +kleine Hebe, de Irene bij uitnemendheid, die ik morgen van hem hoop +te erven, voor den neus weg; daarna kreeg hij van mij mijne beste +Cyrenaeische vossen ten geschenke en daarbij de vleiende verzekering +mijner zeer te waardeeren vriendschap. Voorts werd hij door mijne +schoone zuster ontvangen, en het streelt het hart van een republikein +meer dan men denken zou, wanneer een gekroond hoofd hem gunstig gezind +is, en eindelijk noodigt hem de zuster van zijn bekoorlijk liefje, +die, als gij en Zoë waarheid spreekt, tot de uitgelezen schoonheden +behoort, tot eene samenkomst. + +"Dat is voor een bewoner van deze hoogst gebrekkig ingerichte wereld, +en voor een enkelen dag, die als hij is aangebroken zoo spoedig +omvliegt, te veel goeds. De gerechtigheid vordert dat wij het noodlot +een handje helpen, en deze maankop afslaan, die boven hare zusters +wil uitgroeien. De duizenden, wien het minder voor den wind gaat, +zouden anders grond hebben over achteruitzetting te klagen." + +"Het verheugt mij u in eene gelukkige stemming te zien," zeide Eulaeus. + +"Het is daarmede maar zoo zoo," zeide de koning, hem in de rede +vallende. "Ik geloof dat ik dit vroolijke liedje enkel fluit, om in +het donker moed te houden. Indien ik op beteren voet verkeerde met +hetgeen andere lieden angst noemen, dan zou ik wel grond hebben om +te vreezen, want bij het hanengevecht, dat wij nu begonnen zijn, heb +ik een kroon op het spel gezet, meer nog dan dit. Eerst morgen zal +beslist worden, of ik het spel gewonnen dan wel verloren heb. Doch +dit weet ik heden reeds, dat ik liever mijn plan tegen Philometor en +mijne uitzichten op de kroon der beide Egypten schipbreuk zag lijden, +dan onzen aanslag tegen het leven van den Romein. Want eer ik koning +werd, was ik mensch, en dat zou ik blijven, wanneer mijn troon, +die nu nog op twee pooten staat, onder mijn last ineen zou storten. + +"Mijne waardigheid als vorst is slechts een kleed, ofschoon dan ook het +kostbaarste van alle gewaden. Wie mij dat kleed bevlekt of beschadigt, +dien zou ik het zeer gemakkelijk kunnen vergeven, wanneer ten minste +vergeven in mijn smaak viel. Maar wie den mensch Euergetes te na +komt, wie het waagt dit lichaam en den geest dien het bevat aan te +tasten, en zijne wenschen en begeerten te dwarsboomen, dien treed ik +onverbiddelijk onder den voet, dien wil ik in stukken scheuren! Over +den Romein is het vonnis geveld, en wanneer uwe moordenaars hun +plicht doen en de goden het offer aannemen, dat ik hun ter eere bij +zonsondergang liet slachten voor het welgelukken mijner onderneming, +dan zal Publius Cornelius Scipio binnen twee uren een lijk zijn. + +"Het staat hem vrij over mij, als mensch, te lachen, maar daarom heb ik +als mensch het recht, en als koning ook de noodige macht, te zorgen, +dat deze lach zijn laatste is. Kon ik Rome vermoorden evenals hem, +dan zou mij dit niet weinig verheugen, want Rome alleen staat mij +in den weg om onder de groote koningen van dezen tijd de grootste +te worden. Morgen echter zal ik hooger vreugde smaken, wanneer men +verneemt: Publius Cornelius Scipio is door wilde dieren verscheurd, +en zijn lijk is zoo gehavend, dat zelfs zijne eigene moeder hem niet +herkennen zou, hooger vreugde dan wanneer een bode de tijding bracht, +dat Karthago de macht der Romeinen heeft gebroken." + +Met eene stem die, als het rollen des donders bij een snel opkomend +onweder, steeds luider, dieper en heviger werd, had Euergetes deze +laatste woorden gesproken. Toen hij eindelijk zweeg zeide Eulaeus: +"Deze vreugde, mijn vorst, zullen de onsterfelijke goden u niet +onthouden. De flinke knapen, die gij zoo genadig waart te zien en +te onderzoeken, treffen zoo zeker als de bliksem van vader Zeus, en +daar wij door den wagenmenner van den Romein weten, waar hij Irene +verborgen houdt, zoo zal zij u evenmin ontgaan als de kroon van +Opper- en Neder-Egypte.--Sta mij nu toe u den mantel om te hangen +en de lijfwacht te gelasten u te begeleiden, terwijl gij naar uw +verblijf terugkeert. + +"Nog iets," zeide de koning, terwijl hij den eunuuch terughield. "Bij +de Apis-graven stonden altijd troepen, die de heilige plaatsen moeten +bewaken, kunnen zij uwen vrienden niet hinderlijk zijn?" + +"Ik heb," antwoordde Eulaeus, "alle soldaten en gewapende wachten tot +den laatsten man naar Memphis opgeroepen, en binnen den witten muur +onder dak laten brengen. Morgen vroeg, eer gij tot de uitvoering van +uw plan overgaat, worden zij door eene sterkere afdeeling vervangen, +opdat zij de troepen van uw broeder hier niet zullen versterken, +als het op vechten aankomt." + +"Ik zal u voor dezen voorzorgsmaatregel weten te beloonen," zeide +Euergetes, terwijl de eunuuch het vertrek verliet. + +Klea hoorde daarop andermaal eene deur open en dicht gaan, en herhaald +paardengetrappel in den geplaveiden hof. Toen zij vervolgens bevend +naar het venster ging, zag zij Euergetes zelf, en het groote stevig +gebouwde paard, dat hem tegemoet werd gevoerd. De verschrikkelijke +man wond de manen van het ongeduldig steigerende dier om zijne hand, +en Klea dacht, dat deze logge massa alleen met behulp van vele mannen +op den rug van het paard zou kunnen komen. Maar zij vergiste zich, +want met een geweldigen zwaai vloog de reus in de hoogte, en terwijl +hij zijn hengst enkel met de beenen regeerde, vloog hij den gevangenhof +uit, van alle zijden door zijn schitterend gevolg omgeven. + +Gedurende eenige oogenblikken bleef de hof ledig; daarna +kwam er een man haastig het plein op, die de kamer, waarin Klea +vertoefde, openstiet en zich als een onderhoorige en bode van Glaukus +aanmeldde. "Mijn meester," deelde de vergrijsde politiewacht het meisje +mede, "laat u groeten en zeggen, dat hij noch den Romein Publius +Scipio, noch zijn vriend uit Korinthe te huis heeft getroffen. Hij +is verhinderd u persoonlijk op te zoeken, want hij heeft beide handen +vol werk, daar er soldaten van beide koningen binnen den witten muur +liggen en er tusschen hen telkens twist ontstaat. Gij kunt ook niet +in dit vertrek blijven, want het zal weldra bezet worden door eenige +onderbevelhebbers, die een vechtpartij begonnen. Glaukus laat u de +keus, of gij u door mij naar zijne vrouw wilt laten brengen, dan of gij +naar den tempel, waarin gij tehuis behoort, wilt terugkeeren. In het +laatste geval zal een wagen--want de stad is vol dronken krijgsvolk--u +naar de tweede herberg van Kakem brengen, die aan den zoom der woestijn +staat. Misschien zult gij daar wel een geleider vinden, wanneer gij +aan den waard zegt wie gij zijt. Het voertuig moet binnen een klein +uur terug zijn, want het behoort tot de koninklijke rijtuigen, en als +het gastmaal vroeg afloopt, zou er soms aan wagens gebrek kunnen zijn." + +"Ik wil terug naar de plaats waar ik behoor," antwoordde Klea zonder +aarzelen. "Breng mij terstond naar den wagen." + +"Volg mij dan," verzocht de oude man. + +"Maar ik ben ongesluierd," merkte Klea op, "en draag niets dan dit +dunne kleed. Ruwe soldaten hebben mij den sluier van het hoofd en +den mantel van de schouders gehaald." + +"Dan zal ik u den mantel van den overste brengen, die hiernaast ligt +in de kamer van den bevelhebber, en ook zijn reishoed, welks breede +rand uw gelaat voldoende bedekken zal. Door uwe statige houding en +grootte zal men u voor een man aanzien, en dat is goed, want eene +vrouw, die op dit uur het paleis wilde verlaten, zou er niet ongedeerd +uitkomen. Morgen zal een slaaf deze kleedingstukken aan uw tempel +afhalen. Ik durf ze u wel toevertrouwen, want mijn meester heeft +mij bevolen, dat ik voor u moest zorgen als waart gij zijne eigene +dochter. Hij laat mij ook zeggen--ik had het bijna vergeten--dat uwe +zuster den Romein Publius Cornelius Scipio gevolgd is, en niet dien +anderen zeer gevaarlijken man, gij zult het wel weten. Thans verzoek +ik u te wachten tot ik terugkom; het zal niet lang duren." + +Na eenige oogenblikken keerde de politiewacht met een grooten +mantel terug, dien Klea geheel omsloeg, en een breedgeranden hoed, +dien zij diep op haar hoofd drukte. Hij geleidde haar vervolgens +naar het kwartier van het paleis, waar de koninklijke stallen zich +bevonden. Zij moest dicht bij den beambte blijven en weldra stond zij +op een wagen en liet zich door den wagenmenner, die haar hield voor +een Macedonischen edelman, welke in den nacht uitreed om een geheime +samenkomst te hebben, rijden naar de tweede herberg op den weg, +die naar het Serapeum leidde. + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Terwijl Klea naar het gesprek van koning Euergetes met den eunuuch +luisterde, zat Kleopatra in hare tent, en liet zich met niet +minder zorgvuldigheid maar met andere gewaden dan den vorigen avond +aankleeden. Heden was zeker niet alles geloopen zooals zij 't wenschte, +want twee harer kameniers hadden rood bekreten oogen. Hare speelgenoote +Zoë las weder voor, maar ditmaal niet uit een Helleensch philosoof, +maar uit de Grieksche vertaling der Joodsche psalmen, over welker +dichterlijke waarde eenige dagen geleden aan tafel een twistgesprek +was ontstaan. De Israëlietische generaal Onias had namelijk beweerd, +dat deze gezangen met die van Alkman of Pindarus op éen lijn gesteld +konden worden, en er eenige plaatsen uit voorgedragen, die de koningin +zeer bevallen hadden. + +Heden was zij niet geschikt om te denken: zij had iets vreemds, iets +buitengewoons noodig om zich te verstrooien, en beval daarom Zoë het +boek der Hebreërs op te slaan, waarvan de vertaling door de Helleensche +Joden in Alexandrië voor een voortreffelijk, ja door God zelven +ingegeven werk werd gehouden, waarmede zij door hare Israëlietische +vrienden en dischgenooten sedert lang kennis had gemaakt. + +Kleopatra kon zoo wat een kwartier naar Zoë's voordracht hebben +geluisterd, toen aan den voet van den trap, die tot haar tent leidde, +een teeken met de trompet werd gegeven, hetwelk het bezoek van een +man aankondigde. + +De koningin keek onwillig op, gaf hare speelgenoote een wenk om even +op te houden, en zeide: "Ik wil thans mijn echtgenoot niet zien. Ga, +Thaïs, en zeg den eunuuch aan den trap, dat ik Philometor laat +verzoeken mij thans niet te storen.--Lees verder Zoë!" + +Reeds waren tien nieuwe psalmen voorgelezen en eenige strophen op +verlangen van Kleopatra, twee- en driemaal herhaald, toen het vlugge +Atheensche meisje met hoogroode wangen terugkwam en met eene stem, +die hare opgewondenheid verried, zeide: "Niet uw echtgenoot, de koning, +maar uw broeder Euergetes wenscht u te spreken." + +"Hij had wel een ander uur kunnen kiezen," antwoordde Kleopatra en +keek om naar hare kamenier. + +Thaïs had de oogen nedergeslagen en met hare vingers wat aan haar kleed +getrokken, terwijl zij sprak tot haar gebiedster. Doch de koningin, +wie niets ontging wat zij wilde zien, en die zich heden niet in eene +stemming bevond om te lachen of iets onbetamelijks ongestraft te laten, +liet er onmiddellijk op verbitterden toon op volgen, terwijl hare +stem zich verhief tot snijdende scherpheid: "Het bevalt mij niet, +wanneer mijne boden zich laten ophouden, door wien het dan ook zij; +dat moet ge weten! Verlaat mij oogenblikkelijk en ga in uw kamer, +waar gij blijven zult, tot ik u heden nacht noodig heb om mij uit +te kleeden. Andromeda mag--hoort gij, oude, gij moogt mijn broeder +bij mij brengen, en u, denk ik, zal hij sneller laten terugkeeren +dan Thaïs. Gij behoeft niet ter zijde te zien naar den spiegel, +want aan uwe rimpels is toch niets te veranderen. Mijn kapsel was +reeds gereed. Geef mij den linnen mantel om, Olympias, en dan mag hij +komen!--Daar is hij waarlijk al!--Gij vraagt eerst om verlof, broeder, +en toch verkiest gij niet te wachten, tot het u gegeven wordt." + +"Het verlangen en het wachten," antwoordde Euergetes, "zijn een paar, +dat zich slecht laat vereenigen. Ik heb den ganschen avond onder +soldaten met schranzen doorgebracht, ben daarop, om weder eens eenige +fatsoenlijke gezichten te zien, naar de gevangenis gegaan, heb toen +een bad genomen daar de verf in de verblijven uwer gevangenen wat +meer afgeeft en vuiler is, dan in dit kleine godenverblijf, waarin +het er uitziet en geurt als in Aphrodite's toiletkamer. Ik heb nu +lust vóor den maaltijd nog eenige goede woorden te hooren." + +"Uit mijn mond?" vroeg Kleopatra. + +"Er is er geen aan den Nijl en aan den Ilissus, die beter kan spreken." + +"Wat verlangt gij van mij te hebben?" + +"Ik--van u?" + +"Zeker, want zoo vleiend spreekt gij alleen, wanneer gij iets begeert." + +"Ik zeide het u reeds! Ik wensch van u iets verstandigs, iets geestigs, +iets opwekkends te hooren." + +"Men kan de geestigheid maar zoo niet commandeeren als eene +kamenier. Zij verschijnt ongevraagd, en hoe dringender men haar +beveelt te komen, des te zekerder blijft zij uit." + +"Dat mag voor anderen gelden, maar niet voor u, die, ofschoon gij +verzekert geen Attisch zout te hebben, er toch druk gebruik van +maakt. Alles is der schoonheid gehoorzaamheid schuldig, ook de scherts +en de scherptongige Momus, die zelfs de goden niet ontziet." + +"Gij vergist u, mijne kameniers komen niets eens op haar tijd terug, +wanneer ik haar opdraag eene boodschap aan u over te brengen." + +"Is het dan niet geoorloofd, op den weg naar den tempel van Aphrodite +ook aan de Gratiën te offeren?" + +"Indien ik eene godin was, dan zou ik weinig ophebben met aanbidders, +die mijne dienaressen voor mijns gelijken houden." + +"Uw verwijt is volkomen billijk, want gij moogt verlangen dat, +evenals de Joden slechts éen God, allen die u kennen maar éene godin +vereeren. Maar wat ik u bidden mag, vergelijk u niet andermaal met +die geestelooze Cyprische deerne. Met het oog op uwe bevalligheid zou +men er vrede mede kunnen hebben, maar wie zag ooit eene Aphrodite die +philosopheert en diepzinnige werken leest? Ik heb u zeker in ernstige +studiën gestoord. Welk boek rolt gij daar op, schoone Zoë?" + +"Het heilige boek der Joden, mijn koning," gaf de speelgenoote ten +antwoord. "Ik weet, dat het u niet behaagt." + +"En bevalt het u, die Homerus leest, Pindarus, Sophocles en +Plato?" vroeg Euergetes. + +"Ik vind daarin plaatsen, die van diepe levenswijsheid getuigen, en +andere, waaraan niemand dichterlijke verheffing zal kunnen ontzeggen," +antwoordde Kleopatra. "Veel heeft voorzeker een bijzonder barbaarschen +bijsmaak, en ik mis juist bij de psalmen, die wij heden lazen, en +die men het best tot de hymnen rekenen kan, dat getal en die maat der +lettergrepen, dat volgen van een vasten regel, om kort te gaan, den +strengen vorm. De koninklijke dichter David was, als hij bij zijne +lier zong, niet minder vervuld van de godheid dan andere poëten, +maar het genot van onze dichters, om zwarigheden te overwinnen, die +zij zich zelven in den weg hebben gelegd, schijnt hij niet gekend +te hebben. De dichter moet zich slaafsch onderwerpen aan de wet, +waaraan hij zich vrijwillig heeft gebonden, en aan haar elk zijner +woorden ondergeschikt maken, en toch moet zijne rede en zijn zang met +vrijen vleugelslag schijnen te zweven. Ook de Hebreeuwsche grondtekst +der psalmen kent geen metrische regels." + +"Die zou ik ze kunnen schenken," antwoordde Euergetes. Plato wil ook +de lettergrepen niet meten, en ik ken plaatsen in zijne werken, die in +den hoogsten graad dichterlijk schoon zijn. Men heeft mij buitendien +aangetoond, dat ook de Joodsche gedichten evenals de Egyptische zekere +regels volgen, die ik inderdaad eer rhetorisch dan poëtisch zou willen +noemen. Men stelt tegenover het eerste lid in eene gedachtenreeks +een tweede, dat het andere òf door herhaling in een anderen vorm +bevestigt, òf door eene tegenstelling, die het in zich sluit, +in een helderder licht plaatst. Zij handelen dus als de redenaars, +of ook als de schilders, die gaarne aan de lichte kleur eene donkere +toevoegen, om het licht des te helderder te doen uitkomen. Deze manier +is wel is waar niet kwaad, maar zij is het juist die mij een afkeer +doet hebben van dit boek, waarin ook menig gezegde wordt gevonden, +dat behagen kan aan koningen, die hunnen onderdanen gedweeheid, of +vaders die hunnen zonen gehoorzaamheid aan hen en aan de wet wenschen +in te prenten. Ook moeders, die niets meer verlangen dan dat hunne +kinderen zooveel mogelijk ongedeerd, zonder te stooten of gestooten +te worden door de wereld komen, langer dan raven of eikeboomen leven +en met zooveel nakomelingen als mogelijk is gezegend worden, moeten +deze psalmen voortreffelijk bevallen. + +"Ja, die voorschriften zijn van hooge waarde, omdat zij hen, die ze +opvolgen, de moeite besparen aan zichzelven te denken. De groote god +der joden moet dan ook alles, wat in dit boek staat, aan de schrijvers +hebben voorgezegd, zooals ik aan mijn gebochelden schrijver Philippus +alles dicteer, wat ik wil opteekenen. Zij verklaren ieder, die iets +van al het op deze rol geschrevene ongerijmd of menschelijk gelieft +te noemen, voor een godslasteraar en heiligschender. De ideeënleer +van Plato is ook niet kwaad, en toch heeft Aristoteles haar aan eene +strenge kritiek onderworpen en getracht haar te weerleggen. Ik hel +meer over tot de overtuiging van den Stagyriet, gij tot die van den +edelen Athener, en hoeveel goede leerzame uren hebben wij aan den +strijd over dit verschil van meening te danken! Hoe vermakelijk is +het te hooren, wanneer onder die drukke windbuilen in het Museum te +Alexandrië de Platonisten en Aristotelisten elkander zoo vinnig in +het haar vliegen, dat zij het allerliefst elkander de koperen bekers +naar het hoofd zouden smijten, indien zij het niet zonde achtten om +den wijn, dien ik betaal. + +"Wat nu die Joden aangaat, zij meenen de waarheid gevonden te hebben, +waarnaar wij zoeken. Dat doen zelfs de zoodanigen onder hen, die zich +ijverig bezighouden met de studie van onze wijsgeeren. Toch weten +de schrijvers in dit boek alleen van de werkelijkheid der dingen, +en hun god, die evenmin andere goden naast zich dulden kan als eene +burgervrouw eene tweede in het huis van haar man, moet de wereld uit +niets geschapen hebben, met geen ander doel dan om in haar vereerd +en gevreesd te worden. Wat toch philosophisch ontwikkelde Joden, +die hun Empedocles kennen--en ik geef toe dat er velen van dit soort +te Alexandrië zijn, en daaronder fijne scherpzinnige denkers--zich +toch wel voorstellen onder eene schepping uit niets? Worden zij niet +tot nadenken gebracht, wanneer zij zich de onwederlegbare stelling +herinneren, dat niets kan worden, wat niet vooraf is geweest, en +dat niets, wat eens bestaan heeft, geheel kan vergaan? Zij zijn ten +minste consequent, wanneer zij het leven van den mensch op niets laten +uitloopen, uit welk niets al het bestaande te voorschijn kwam. Het +is niet zeer verkwikkend naar dit boek te leven en te sterven. Als +mensch, die het slapen zonder droomen weet te waardeeren, na den +ganschen dag genoten te hebben, en die als hij toch Euergetes niet +blijven kan, allerliefst in den donkeren afgrond van het niets zou +springen--kan ik mij met die vernietiging na den dood wel vereenigen, +maar als philosoof in eeuwigheid niet." + +"Gij zijt wel gedwongen," hernam de koningin, "alles in zijn geheel +en ieder ding afzonderlijk uitsluitend met de maat van het verstand +te meten, want de Godheid die u boven duizenden rijk heeft begaafd, +heeft in u, dit weet ik sedert lang, het orgaan hetwelk ons vatbaar +maakt voor godsdienstige en zedelijke indrukken, met doofheid en +blindheid geslagen; als het orgaan hooren en zien kon, dan zoudt +gij evenals ik tot de overtuiging moeten komen, dat deze schriften +vervuld zijn van hoogen ernst en het gemoed van den lezer geweldig +aangrijpen. Zij binden hen, die ze geloovig aannemen, aan eene vaste +wet, en ontnemen aan het leed zijne bitterheid, daar zij leeren, +dat de smarten komen van een streng vader, welke smarten nu eens +worden voorgesteld als opvoedingsmiddelen, dan weder als straf +voor overtredingen van de scherpe en zeer bepaalde geboden. Hun God +plaatst met de hem eigene onbedriegelijke maar strenge wijsheid hen, +die hem aanhangen op moeielijke, hobbelige wegen, om hunne kracht te +beproeven, en hen eindelijk te brengen tot het schoone doel, dat hem +van den aanvang bekend was." + +"Hoe vreemd klinken deze woorden in den mond eener Grieksche vrouw," +zeide Euergetes. "Gij spreekt ze zeker den zoon van den Joodschen +hoogepriester na, die de zaak van zijn toornigen god warm en behendig +verdedigen kan." + +"Ik dacht," antwoordde Kleopatra, "dat die bij uitnemendheid +krachtige godsgestalte bijzonder in den smaak moest vallen van u, +in wien ik geen schijn van zwakheid bespeur. Toen onlangs de overste +der Joodsche soldaten, Dositheos, een geleerd man, voor mijn gemaal +dien grooten eenigen god trachtte te schilderen, waaraan zijn volk +met zulk een onwankelbare trouw gehecht is, scheen het mij toe, +alsof onze schoone levenslustige goden niet veel meer waren dan +een prettig gezelschap van verliefde heertjes en vroolijke vrouwen, +vergeleken met dien ernstigen ontzaglijken man, die, als hij wilde, +ze allen zou kunnen verslinden, gelijk Kronos zijn eigene kinderen." + +"Dat is het juist," zeide Euergetes, "wat mij in dit bijgeloof zoo +bijzonder tegen de borst stuit. Het doodt den zorgeloozen levenslust, +en zoo dikwijls ik in het boek der Hebreën gelezen heb, kwamen mij +altijd dingen in de gedachte, waaraan ik liever in het geheel niet +denk. Als een lastig schuldeischer herinnert het aan elke schuld, +maar ik bemin het genot en haat alle lastige maners. Ook voor u, +schoone zuster, bloeit het leven...." + +"Goed," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende, "maar ik bewonder +alles wat groot is. En vindt gij het ook niet stout en heerlijk, dat +de overweldigende gedachte: er is een eenige, de wereld bewegende +en vervullende kracht, die de Egyptenaars angstvallig omhullen en +verbergen, die de priesters aan den Nijl alleen durven openbaren aan +de bevoorrechten onder hen, die in de oude mysteriën zijn ingewijd, +en waarvan Helleensche philosophen wel is waar zonder schroom hebben +gesproken, maar die nog geen Helleen in den godsdienst zijns volks +heeft ingevoerd: dat die gedachte in de heilige schrift der Joden +vrij en open wordt uitgesproken? Indien gij niet zulk een afkeer hadt +van het Hebreeuwsche volk, en gij u, evenals mijn gemaal en ik, hadt +ingelaten met hunne aangelegenheden en kennis genomen van hun geloof, +dan zoudt gij rechtvaardiger zijn jegens hen en hunne geschriften, +en jegens den grooten scheppenden en onderhoudenden geest, hun God." + +"Gij verwart dezen ijverzuchtigen, hoogst onbeminnelijken +en slechtgeluimden wereldtyran met den absoluten geest van +Aristoteles!" zeide Euergetes. "Het meeste, wat gij en ik en alle +verstandige Grieken voor hun levensgenot niet kunnen ontberen, +wordt door hen voor zonde, altijd voor zonde uitgekreten. En toch, +als mijn zachtzinnige broeder in Alexandrië den scepter zwaaide, zou +het zijn slimme dienaars misschien gelukken hem tot een vereerder van +dezen grooten schoolmeester te maken, die zijn ongehoorzaam gebroed +met vuur en ellende straft." + +"Ik wil niet ontkennen," antwoordde Kleopatra, "dat er ook voor mij in +de leer der Joden iets is, dat mij beklemt, en dat hen na te volgen +niet veel anders is, dan zich den lust in het leven te benemen. Maar +genoeg over deze dingen, die ik evenmin als gij genieten wil als +dagelijkschen kost. Verblijden wij ons dat wij Hellenen zijn en laten +wij eindelijk naar den maaltijd gaan. Ik vrees dat gij hier boven +lang niet alles gevonden hebt wat gij zocht." + +"O neen, ik gevoel mij heden bijzonder opgewekt en het werken met +Aristarchus zou niets gegeven hebben. Het is jammer, dat wij over +dien barbaarschen rommel zijn gaan spreken, er zijn veel schooner +onderwerpen, die den geest meer verheffen. Weet gij nog hoe wij de +treurspeldichters en Plato met elkander gelezen hebben?" + +"En hoe gij onder de voordrachten over aardrijksbeschrijving onzen +leeraar Agatharchides vaak in de rede zijt gevallen, om hem op +dwalingen opmerkzaam te maken? Hebt gij deze studiën in Cyrene +voortgezet?" + +"Natuurlijk! Het is waarachtig jammer, Kleopatra, dat wij niet meer +samenleven als toen. Met niemand, zelfs niet met Aristarchus, kan men +aangenamer en nuttiger redetwisten dan met u. Als gij ten tijde van +Pericles te Athene hadt geleefd, wie weet of gij niet, in plaats van de +onsterfelijke Aspasia, zijne vriendin geworden waart. Dit Memphis is +zeker niet de rechte plaats voor u; gij moest toch weder eenige dagen +in het jaar te Alexandrië komen, dat thans verre boven Athene staat." + +"Ik herken u bijna niet meer," zeide Kleopatra, terwijl zij haar +broeder verbaasd aanzag. "Zoo teeder, zoo kalm, zoo broederlijk hoorde +ik u niet spreken sedert den dood onzer moeder. Gij hebt zeker iets +zeer gewichtigs aan ons te verzoeken." + +"Nu ziet gij hoe slecht ik beloond word, wanneer ik eens als andere +menschen mijn hart laat spreken. Het gaat mij als den herdersknaap in +den fabel, toen de wolf kwam. Ik heb zoo vaak onbroederlijk gehandeld, +dat gij meent dat ik een masker draag, wanneer ik eens het ware gelaat +van een broeder toon. Indien ik iets bijzonders aan u te vragen had, +dan zou ik tot morgen wachten, want op een geboortedag slaat zelfs +een blinde bedelaar zijn kreupelen metgezel niet licht iets af." + +"Wisten wij maar wat gij verlangt, Philometor en ik zouden het zeer +gaarne geven, hoewel gij steeds buitengewone dingen begeert. Onze +voorstelling zal bovendien--maar wees zoo goed, Zoë, de meisjes weg te +zenden, ik heb nog eenige woorden met mijn broeder alleen te spreken." + +Nadat het vrouwelijk dienstpersoneel van de koningin zich verwijderd +had, ging zij voort: "Het doet mij innig leed, maar het beste +deel van uw geboortefeest zal niet gelukkig uitvallen, want de +priesters van Serapis zijn boosaardig genoeg om ons Hebe niet te +willen afstaan. Asklepiodorus schijnt de kleine verstopt te hebben, +en drijft zijne driestheid zoover, dat hij ons mededeelt, dat men +het meisje uit den tempel heeft weggevoerd, dat hij ons beticht +haar geroofd te hebben, en in naam van de geheele priesterschap hare +teruggave verlangt." + +"Gij doet den man onrecht, want ons duifje is het gekir van een doffer +gevolgd, die haar aan mij niet gunt en thans in zijn nest met haar +trekkebekt. Ik ben de bedrogene, en mag mij eigenlijk niet boos maken +op den Romein, want zijne rechten waren ouder dan de mijne." + +"De Romein?" vroeg Kleopatra, terwijl zij verbleekte en van haren +zetel opstond. "Maar dit is niet mogelijk. Gij maakt gemeene zaak met +Eulaeus en wilt mij tegen Publius Scipio ophitsen. Aan het gastmaal +hebt gij reeds doen blijken, dat gij hem kwalijk gezind zijt." + +"Uw hart schijnt nog al warm voor hem te kloppen. Maar alvorens +ik u bewijs, dat ik niet lieg of scherts, zou ik u willen vragen: +wat heeft deze man, met zijn langen naam, deze Publius Cornelius +Scipio Nasica, behalve zijn Patricische trots, voor boven elken +schoonen Macedoniër uit de lijfwacht, die recht van lijf en leden +is, en voor mijn part flink van karakter? Hij is wrang als een zure +appel, en niet te genieten, en juist al dit voortreffelijke dat gij, +fijne denkster, gij schoone en welbespraakte wijsgeer, weet te zeggen, +kan door deze schraal ontwikkelden geest evenmin gewaardeerd worden, +als de oden van Sappho door een Nubischen matroos." + +"Juist daarom," hernam de koningin, "schat ik hem hoog, omdat hij +anders is dan wij allen, wij--hoe zal ik mij uitdrukken--die altijd +uit de tweede hand denken en onzen voet altijd zetten op het pad, +dat de meester, bij wien wij ons aansloten, betreden heeft; wij die +onzen geest dwingen te denken in vormen, die anderen gekneed hebben, +en als wij spreken niet gaarne buiten de omtrekken der rhetorische +figuren gaan, die wij in de school hebben geleerd. Gij hebt deze +banden verbroken, maar zelfs uw geweldige geest draagt nog de sporen +daarvan; Publius Scipio daarentegen denkt en spreekt geheel onbevangen, +en zijn vlugger verstand doet hem zonder moeite en zonder schoolsche +geleerdheid het rechte vinden. Zijn omgang verkwikt mij als de frissche +lucht die ik inadem, wanneer ik uit den met wierookwalm vervulden +tempel naar buiten kom; als brood en melk, die ons onlangs op onze +vaart over het overstroomde land gebracht werden door een boer, +nadat wij een jaar lang niets dan lekkernijen hadden gegeten." + +"De Romein heeft dus de goede eigenschappen der kinderen," zeide +Euergetes, het woord nemende. "En wanneer dit het eenige is, dat u in +hem zoo voortreffelijk schijnt, dan zal uw zoontje weldra de plaats +van den Corneliër vervangen." + +"Niet zoo spoedig! neen, eerst als hij ouder is dan gij nu zijt, +en een man, een man in den vollen zin van het woord, want dat is +Publius! Ik geloof, neen, ik weet, dat hij niet in staat is tot eene +laaghartige handeling, dat hij noch met den mond, noch met de oogen +onoprecht kan zijn, noch gevoelens huichelen, die hij niet heeft." + +"Waarom zijt gij zoo hartstochtelijk, zuster? Zooveel ijver is +heden overbodig. Gij weet toch, dat ik mijn kalmen dag heb, dat deze +opwinding u niet goed staat, en dat de Romein niet verdiend heeft, +dat gij om zijnentwil uzelve zoudt vergeten. Die knaap heeft het +gewaagd u in mijne tegenwoordigheid aan te zien als Paris Helena +aanzag, voor hij haar schaakte, hij heeft uit uw beker gedronken en +heden morgen zeker niets weersproken van hetgeen hij u gisteren avond +met de oogen en misschien ook met den mond durfde zeggen. En toch was +hij pas een uur te voren in de doodenstad geweest, om zijn liefje uit +den tempel van den somberen Serapis in dien van den levenslustigen +Eros over te brengen." + +"Dat zult gij mij bewijzen!" riep de koningin met vuur. "Publius is +mijn vriend...." + +"En ik ben de uwe." + +"Het tegendeel hebt gij reeds al te dikwijls bewezen, en nu doet gij +het opnieuw met leugen en bedrog." + +"Gij schijnt," zeide Euergetes, zijne zuster in de rede vallende, +"gij schijnt van uw onwijsgeerigen minnaar uit Rome geleerd te hebben, +uw toorn buitengemeen natuurlijk te uiten. Maar ik ben heden, zoo +als ik zeide, zacht als een katje...." + +"Euergetes en zacht!" zeide Kleopatra met een gedwongen lach. "Neen, +gij beweegt u zacht als eene kat, wanneer zij een vogel beloert, +en achter uwe zachtheid verbergt gij een of ander slecht plan, dat +wij tot ons nadeel vroeg genoeg zullen leeren kennen. Gij hebt heden +met Eulaeus gesproken, die Publius vreest en kent, en het komt mij +voor als hadt gij een aanslag tegen hem gesmeed. Doch als gij het +waagt hem een enkelen steen in den weg te leggen, dan zal ik u toonen +hoe vreeselijk eene zwakke vrouw zijn kan. Nemesis en de Erinnyen, +Alektro zoowel als Megaera, de verschrikkelijkste onder de godheden, +zijn vrouwen!" + +Kleopatra had deze woorden, van woede tandenknarsende, meer sissend +geuit dan gesproken, en daarbij haar kleine vuist dreigend tegen +den broeder opgeheven. Doch Euergetes wist zijne kalmte volmaakt te +bewaren, tot zij had uitgesproken. Toen deed hij een stap voorwaarts, +kruiste de armen over zijne borst en vroeg haar met den diepsten +bastoon van zijne zware stem: "Zijt gij smoorlijk verliefd op dezen +Publius Cornelius Scipio Nasica, of is het uw voornemen hem en zijne +geheele voorname kliek in Rome tegen mij te gebruiken?" + +Verbolgen en zonder ook maar een oogenblik voor den doordringenden blik +haars broeders de oogen neder te slaan, antwoordde zij hem terstond: +"Tot op dit oogenblik misschien slechts het eerste; want wat heb ik +aan mijn gemaal? Doch als gij voortgaat, zooals gij zijt begonnen, zal +ik eens gaan overleggen, hoe ik van zijn invloed en zijne genegenheid +aan den Tiber gebruik zal kunnen maken." + +"Genegenheid!" riep Euergetes, en lachte daarbij zoo luide en woest, +dat Zoë, die aan de deur van de tent stond te luisteren, een zachten +kreet slaakte en Kleopatra eene schrede voor hem achteruitging. "Hoe +is het mogelijk dat gij, slimste onder de slimmen, die den dauw hoort +vallen en het gras ziet groeien, die hier in Memphis den rook ruikt +van elk vuur, dat men in Alexandrië of in Syrië of zelfs in Rome +aansteekt; dat gij, de dochter mijner moeder, u juist zoo vergaapt +aan een breedgeschouderden knaap, alsof ge eene dikke burgerdochter +of een weversmeisje waart! Deze ongeleerde Adonis, die zijn vreemd +en streng karakter en de macht die achter hem staat voortreffelijk +gebruikt om harten in brand te steken, geeft zoo weinig om Kleopatra, +als ik om de aarden kruik waaruit men water schenkt, als ik dorst +heb. Gij wilt aan den Tiber partij van hem trekken, maar hij voorkomt +u en verneemt door u wat er aan den Nijl gebeurt en wat men in den +senaat juist wenscht te weten.--Gij gelooft mij niet, want niemand +gelooft gaarne, wat zijn eigen persoon in waarde doet dalen, en +waarom zoudt ge mij ook gelooven? Want ik stem dadelijk toe, dat ik +mij zonder schroom van een leugen bedien, wanneer ik door onwaarheid +verder hoop te komen, dan door de hooggeprezene goddelijke waarheid, +die wel volgens uw Plato verwant moet zijn aan de aardsche schoonheid, +maar toch zeer dikwijls blijkt even weinig van nut te zijn als deze +laatste. Want het schoone en het nuttige sluiten elkander duizendmaal +uit tegen dat zij tienmaal samenvallen. + +"Daar klinkt het bekken reeds voor de derde maal.--Wilt gij het +bewijs hebben, dat de Romein een uur voor hij u heden morgen bezocht, +de kleine Hebe uit den tempel weggevoerd en bij den beeldhouwer +Apollodorus in Memphis onder dak heeft gebracht, zoo hebt ge mij +morgen vroeg na het eerste offer slechts een bezoek te brengen in mijne +vertrekken. Gij zult mij buitendien toch willen gelukwenschen. Breng +ook uwe kinderen mede, want ik ben voornemens hun geschenken te +geven. Gij zoudt heden aan het gastmaal den Romein zelf kunnen +ondervragen, maar hij zal niet licht verschijnen, want Eros deelt zijne +kostelijkste gaven bij nacht uit, en daar de tempel van Serapis bij +zonsondergang wordt gesloten, heeft Publius zijne Irene nog niet hij +avond gezien.--Mag ik u en uwe kinderen na het eerste offer wachten?" + +Eer Kleopatra tijd had deze vraag te beantwoorden, deed zich weder +het blazen van de trompet hooren. "Dat is Philometor," zeide Kleopatra +daarop, "die ons voor het gastmaal komt halen. Ik zal den Romein later +gelegenheid geven zich zelven te verdedigen, hoewel ik hem, ondanks uw +aanklacht, vast vertrouw. Heden morgen heb ik hem ernstig gevraagd, +of het waar was dat hij verliefd was op de schoone Hebe van zijn +vriend, en hij heeft dit op vasten mannelijken toon ontkend. Wat hij +mij antwoordde, toen ik het waagde zijne oprechtheid te betwijfelen, +was uitmuntend en zulk een beschaafd jonkman waardig. Hij neemt +het ernstiger met de waarheid dan gij. Oprecht te zijn, zeide hij, +hield hij niet alleen voor schoon en goed maar ook voor verstandig, +want met den leugen kan men kleine voordeelen behalen, die niet lang +duren en gelijken op den nachtelijken nevel, die opgelost en vernietigd +wordt, zoodra de zon zich vertoont, doch de waarheid is het zonlicht +zelf, dat, hoe vaak het ook verdonkerd wordt, toch altijd weder te +voorschijn komt. Dat, zeide hij verder, maakt den leugenaar in zijne +oogen bijzonder verachtelijk, dat hij, om zijn doel te bereiken, +altijd met nadruk moet doen uitkomen, welk een afschuw hij heeft +van ieder, die handelt gelijk hij. Een staatsbestuurder kan niet +altijd oprecht blijven, en ikzelve ben het dikwijls niet geweest, +maar de omgang met Publius heeft veel goeds in mijn binnenste, dat +was ingesluimerd, opnieuw gewekt. Wanneer ook deze man zal blijken +te zijn, wat gij en alle overigen zijt, ja dan volg ik u op uwen weg, +Euergetes, en lach met deugd en waarheid, en laat op de voetstukken, +die de borstbeelden van Antisthenes en Zeno dragen, die van Aristippus +en Strato zetten [25]." + +"Gij wilt de beeltenissen der philosophen weder van plaats doen +verwisselen?" vroeg koning Philometor, die, de tent binnentredende, +de laatste woorden van Kleopatra had gehoord, "en aan Aristippus zal +de eereplaats gegeven worden? Ik heb er vrede mede, al leert hij ook, +dat men de omstandigheden moet beheerschen in plaats van zich door deze +te laten overheerschen. Dat kan men echter gemakkelijker voorschrijven +dan in praktijk brengen, en voor niemand is dit moeielijker dan voor +een koning die het, gelijk wij, Grieken, Egyptenaars en bovendien nog +Rome naar den zin moet maken. En bovendien mag men zijn ijverzuchtigen +broeder, met wien men het rijk deelt, niet kwetsen! Wanneer menigeen +wist wat een koning al niet moet doorlezen en laten schrijven, dan zou +hij waarlijk geen troon begeeren! Tot een halfuur geleden heb ik weder +smeekschriften en ingekomen stukken onderzocht en goedgekeurd. Zijt +gij met de uwe al gereed, Euergetes? Er was hier voor u nog meer +ingekomen, dan voor ons." + +"In een uur was alles afgedaan," antwoordde de ander losweg. "Mijne +oogen zijn vlugger dan de mond van uw voorlezer, en mijn bescheid +pleegt in drie woorden te bestaan, terwijl gij uwe schrijvers lange +verhandelingen dicteert. Zoo ben ik klaar als gij ternauwernood +begonnen zijt, en toch zou ik u op slag, als het niet te vervelend was, +ieder geval afzonderlijk, dat mij in de laatste maand werd voorgelegd, +kunnen noemen en in alle bijzonderheden verklaren." + +"Dat zou ik niet kunnen," zeide Philometor bescheiden, "maar ik ken +en bewonder uwe vlugheid van geest en uw scherp geheugen." + +"Gij ziet dat ik meer deug voor koning dan gij," zeide Euergetes +lachend. "Gij zijt te zachtmoedig en te vriendelijk voor den +troon. Laat de regeering aan mij over! Jaarlijks vul ik uw schatkist +met goud, verzoek u met Kleopatra voor altijd naar Alexandrië te +trekken, en de koninklijke paleizen en tuinen in het Bruchium met +mij te deelen. Bovendien zal ik uw kleinen Philopator tot opvolger +benoemen, want ikzelf gevoel geen lust mij op den duur aan eene +vrouw te verbinden, daar Kleopatra nu eenmaal aan u behoort. Deze +voorslag is stout, maar bedenk toch, Philometor, hoeveel tijd gij, +als gij toeslaat, overhoudt voor uwe muziek, uwe twistgesprekken met +de Joden en al uwe overige liefhebberijen." + +"Gij weet toch nooit hoe ver gij met uwe aardigheden gaan moogt," +zeide Kleopatra, het woord nemende. "Bovendien verspilt gij nog +wel zooveel tijd aan uwe grammatische en natuurhistorische studiën, +als wij aan muziek en belangrijke gesprekken met geleerde vrienden." + +"Zoo is het," zeide Philometor, zijne instemming betuigende met +hetgeen zijne gemalin gezegd had, "men kan u veeleer dan mij onder +de geleerden van het museum rekenen." + +"Maar het onderscheid tusschen ons beiden," antwoordde Euergetes, +"is dit, dat ik die philosophische napraters en prullenverzamelaars +te Alexandrië diep veracht, maar voor de wetenschap gloei, als voor +eene geliefde, terwijl gij daarentegen de geleerden vertroetelt, +doch u om de wetenschap bitter weinig bekommert." + +"Breken wij dit gesprek af," verzocht Kleopatra. "Ik geloof dat gij +beiden nog nooit een half uur bij elkander zijt geweest, zonder dat +Euergetes een twist begon en Philometor ten slotte zijn best deed om +dien uit te maken. De gasten zullen reeds lang op ons wachten. Was +Publius Scipio ook reeds gekomen?" + +"Hij heeft zich laten verontschuldigen," antwoordde de koning en +krauwde dit zeggende Kleopatra's papegaai den kop, terwijl hij met de +vingertoppen de veeren van het dier scheidde. "De Korinthiër Lysias +zit beneden en zegt niet te weten, waar zijn vriend heen is." + +"Wij weten het trouwens," zeide Euergetes, en keek de koningin aan met +een spottenden trek in het gelaat. "Bij Philometor en Kleopatra heeft +men het goed, maar beter nog bij Eros en Hebe. Gij ziet zoo bleek, +zuster; zal ik Zoë roepen?" + +Kleopatra schudde zwijgend het hoofd, ging op een stoel zitten en +boog het bovenlijf en haar fraai getooid hoofd ver voorover, alsof +zij zeer vermoeid was. Euergetes keerde haar den rug toe en sprak +met zijn broeder over onverschillige dingen, doch zij trok met den +waaier in de wol van het mollig vloertapijt rechte en kromme lijnen +en keek nadenkend naar hare voeten. Haar oog viel daarbij op hare +rijk met edelgesteenten bezette sandalen en fijne teenen, die zij +vaak met genoegen had beschouwd. Maar thans scheen dit gezicht haar te +hinderen, want eene plotselinge opwelling volgende maakte zij eene der +riemen los, en schoof met den linkervoet de sandaal van den rechter, +schopte die weg en zeide, terwijl zij zich tot haar gemaal wendde: +"Het is reeds laat, ik gevoel mij niet wel en gij moogt zonder mij +maaltijd houden." + +"Bij de genezende Isis," riep Philometor, zijne gemalin naderende. "Gij +ziet er lijdend uit. Willen wij artsen laten roepen? Is het werkelijk +niets anders dan uw gewone hoofdpijn? Den goden zij dank! Maar dat +gij nu juist heden niet wel moest zijn; ik had zooveel te vertellen, +en wat de hoofdzaak is, wij zijn met onze voorstelling nog in lang +niet gereed, wanneer deze ongelukkige Hebe niet ware...." + +"Zij is in goede handen," zeide Euergetes, zijn broeder in de rede +vallende. "De Romein Publius Scipio heeft haar in veiligheid gebracht; +misschien om mij haar morgen in dank voor de Cyrenaëische paarden, die +ik hem heden schonk, in de armen te voeren. Hoe glinsteren uwe schoone +oogen, zuster, zeker van vreugde over deze schoone gedachte. Cornelius +oefent de kleine wellicht in hare rol, opdat zij morgen een goed +figuur zal maken. Hebben wij gedwaald, en is Publius ondankbaar en +wil hij het duifje voor zich behouden, dan kan uwe kamenier, die +bevallige Atheensche Thaïs, wel voor Hebe spelen. Wat zegt gij van +dezen inval, Kleopatra?" + +"Dat ik u verzoek met zulke scherts te eindigen," riep de koningin op +heftigen toon. "Niemand slaat acht op mij, niemand heeft medelijden +met mijne smart, en ik lijd vreeselijk! Euergetes hoont mij en gij, +Philometor, zoudt mij het liefst medeslepen naar beneden. Als het +gastmaal maar niet gestoord wordt, als het genot er maar niet onder +lijdt! Of ik daarbij onderga of niet, daarom bekommert zich niemand." + +Onder deze woorden barstte de koningin in tranen uit, en zij wees +haar gemaal onvriendelijk af, toen hij zijn best deed om haar tot +bedaren te brengen. Eindelijk droogde zij hare tranen af en zeide: +"Gaat naar beneden, de gasten wachten." + +"Terstond, mijne lieve," antwoordde Philometor "Iets moet ik u nog +mededeelen, daar ik weet dat het uwe belangstelling zal wekken. De +Romein heeft u het verzoekschrift voor den overste der Chrematisten, +den koninklijken verwant Philotas voorgelezen, dat tevens zware +aanklachten tegen Eulaeus behelst. Ik was van ganscher harte bereid uw +wensch te vervullen, en den man genade te schenken, die de vader der +ongelukkige kruikdraagsters is. Doch alvorens ik het decreet opstelde, +liet ik de lijsten dergenen, die naar de goudmijnen gebannen zijn, +nazien en daaruit bleek dat Philotas en zijne vrouw reeds een half jaar +geleden gestorven zijn. De dood heeft dus deze zaak uitgemaakt, en ik +kan Publius den eersten dienst, dien hij van ons, en wel met bijzondere +warmte, verlangde, niet bewijzen. Dat doet mij leed om zijnentwil, +en ook om den armen Philotas, dien onze moeder zeer hoogachtte." + +"Mogen de raven hen verslinden," antwoordde Kleopatra, terwijl zij +haar voorhoofd drukte tegen den elpenbeenen rand, die de met kussens +versierde leuning van haren stoel omgaf, "Ik bid u nogmaals mij verder +van uw onderhoud te verschoonen." + +De beide koningen voldeden ditmaal aan haar verlangen. + +Toen Euergetes haar de hand bood, zeide zij met nedergeslagen oogen, +en terwijl zij den waaier in de wol van het tapijt stootte: "Ik zal +u morgen vroeg bedanken." + +"Na het eerste offer," voegde Euergetes er bij. "Wanneer ik u goed +ken, dan zal iets, dat gij bij mij hooren zult, u verheugen, in hooge +mate verheugen, zoo ik meen! Breng de kinderen ook mede, dat verzoek +ik van u als eene beleefdheid." + + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +De wagen waarop Klea stond met den hoed en den mantel van den oversten +der politiewacht, rolde door de straten van Memphis. Zoolang zij huizen +en verlichte vensters aan hare rechter- en linkerzijde zag, en zij +schreeuwende soldaten en burgerlieden tegenkwam, die met lantarens, +door hen zelven of hunne slaven gedragen, uit kroegen terugkeerden, +of na tot laat in den nacht gearbeid te hebben, van hunne werkplaatsen +naar huis gingen, werd zij enkel beheerscht door bitteren haat tegen +Publius. Aan deze geheele nieuwe gewaarwording, die haar bloed sneller +door de aderen deed stroomen, en nu eens haar hart wild deed kloppen, +dan weder bijna stilstaan, paarde zich de gedachte, dat die Corneliër +een ellendeling was. + +Met boosaardige kunstgrepen had hij, de verleider het gewaagd, +eene van haar beiden, onverschillig of zij het was of hare zuster, +te verstrikken en tot zich te lokken. "Bij mij," dacht zij, "durft +hij niet verwachten zijn schandelijk doel te bereiken, en toen hij +zag dat ik mij wist te verweren, lokte hij het arme kind, dat geen +weerstand kan bieden, met zich mede, om het te schandvlekken en in +het ongeluk te storten. Deze goddelooze man handelt als Rome zelf, +dat het eene land na het andere tot zich weet te trekken. Zoodra de +brief van den schurk Eulaeus hem ter hand was gesteld, en hij meende +recht te hebben om te gelooven, dat ook ik door den blik zijner oogen +overwonnen en gereed ben om in zijne armen te vliegen, strekt hij +de begeerige hand ook naar mij uit, versmaadt hij den glans van het +koninklijk gastmaal om door den nacht den woestijn in te trekken, +en daar--ja er zijn nog straffende goden--een afgrijselijken dood +te vinden!" + +Soms was het stikdonker om haar heen, want zwarte wolken bedekten de +heldere maan. Memphis lag reeds achter haar en de wagen reed door +een bosch van hoogstammige palmen, waarin zelfs op den middag het +licht door zware schaduwen werd getemperd. Toen hier de gedachte, +dat de verleider den dood tegemoet ging, weder in hare ziel opkwam, +was het haar als ontbrandde opeens in en rondom haar een helder +flikkerend licht, en zij had in gejuich willen losbarsten, gelijk +iemand die naar bloedwraak dorst, wanneer hij zegevierend den voet +op de borst van zijn verslagen doodsvijand zet. + +Zij drukte de tanden vast op elkander en tastte in haar gordel, waarin +zij het mes van den smid Krates gestoken had. Ware de wagenmenner aan +hare zijde Publius geweest, met welgevallen zoude zij hem dit wapen in +het hart gestoken en zichzelve daarna voor de hoeven der paarden en de +metalen raderen van den wagen geworpen hebben.--Maar neen! Liever nog +had zij hem stervend in de woestijn gevonden, en hem, vóordat zijn hart +ophield te kloppen, in het oor geschreeuwd, hoezeer zij hem haatte. En +wanneer dan geen ademtocht zijne borst meer bewoog, dan zou zij zich +op hem geworpen en zijne brekende oogen met hare lippen gekust hebben. + +Gelijk de donkere golven van eene rivier niet zijn af te scheiden van +de lichtere van een anderen stroom, waarmede zij zich voor korten +tijd heeft vermengd, zoo vereenigden zich in hare ziel zachtmoedig +medelijden en de teederste wenschen van een geheel van liefde vervuld +hart met de wildste gedachten aan wraak. Al de hartstochten, die tot +hiertoe in hare ziel gesluimerd hadden, waren losgelaten en verhieven +luide hunne stem, terwijl zij door de nachtelijke duisternis de +woestijn tegemoet snelde. Gistend en bruischend, zich verheffende +en elkander nederwerpende, zoo voerden in haar borst de begeerten, +die de haat haar toeschreeuwde en de liefde met zoo verlokkende tonen +haar in de ooren zong, onderling strijd. Als eene tijgerin had zij +bij dezen rit zich op haar offer kunnen werpen, als eene verstootene +vrouw de liefde, die haar onthouden werd, van Publius op de knieën +kunnen afsmeeken. Zoozeer had zij hare bezinning verloren, dat zij +om tijd noch plaats meer dacht, en zij ontwaakte als uit een wilden +verwarden droom, toen de wagen plotseling stilhield en de menner haar +met ruwe stem toeriep: "Wij zijn er, hier moet ik terugkeeren!" + +Zij huiverde, trok den mantel dichter om zich en sprong op den weg, +waar zij roerloos bleef staan, tot de voerman haar toeriep: "Ik heb +de paarden niet ontzien, edel heertje. Krijg ik nu niets voor een +slok wijn?" + +Klea bezat niets dan twee zilveren drachmen, van welke éene aan haar, +éene aan Irene behoorde. De koning had op den voorlaatsten sterfdag +zijner moeder eene som beschikbaar gesteld ter verdeeling onder alle +dienaren en dienaressen van Serapis, en daarvan hadden zij en hare +zuster elk een zilverstuk gekregen. Klea droeg beide in een zakje bij +zich, dat ook een ring bevatte, door hare moeder haar bij het afscheid +gegeven, en de amulet van den kluizenaar Serapion. Het meisje nam nu +de beide drachmen en gaf ze den wagenmenner, die, nadat hij de rijke +fooi met de vingertoppen had onderzocht, zijne paarden wendde en riep: +"Een vroolijke nacht en de bescherming van Aphrodite en alle Erossen." + +"Irene's drachme!" prevelde Klea in zichzelve, terwijl het voertuig +zich verwijderde. Het liefelijke beeld van hare zuster kwam haar voor +den geest, en zij dacht aan de ure, waarin het nog niet volwassen +meisje haar het geldstuk had toevertrouwd, daar zij toch alles zou +verliezen als Klea het niet voor haar bewaarde. + +"Wie zal nu voor haar zorgen?" vroeg zij zich verder af, bleef +peinzend staan en weerde de hartstochtelijke wenschen, die weder in +haar begonnen te woelen, verre van zich af, om hare verwarde gedachten +te verzamelen. + +Onwillekeurig was zij uit den weg gegaan voor de lichtstraal, die +uit het venster van de herberg op den weg viel, en haar toch de +oogen op deed slaan en in die richting voortgaan. Daar zag zij uit +de duisternis die haar omgaf juist twee mansgezichten, die gericht +waren naar de plaats waar zij stond. En welke gezichten waren het, +die zij zag! Het eene vleezige gezicht, omlijst door dicht haar en +een ongelijkmatig gegroeiden korten ringbaard, was donkerbruin en +zoo ruw en dierlijk, als het blanke gladde en magere gelaat van den +ander boosaardig en sluw. De bloederige glazige, ver uitpuilende oogen +van den eerste teekenden gemeenheid en domheid, terwijl die van den +tweede rusteloos en onbestendig rondloerden. Dat waren de gehuurde +moordenaars van Euergetes, dat moesten ze zijn. + +Door ontzetting en afschuw als aan den grond genageld, bleef zij staan +en vreesde dat die verschrikkelijke mannen het kloppen van haar hart +zouden hooren. Want het was haar alsof dit hart in een hamer was +veranderd, die in eene ledige ruimte heen en weer werd geslingerd, +en nu eens tegen haar borst, dan weder onder haar keel sloeg, dat +het klonk. + +"Het heertje is zeker achter de herberg omgegaan; hij kent den naasten +weg naar de graven. Laten wij hem achterna gaan en brengen wij de +zaak spoedig ten einde," zeide de breedgeschouderde moordenaar met +een heesche fluisterende stem, die telkens haperde, en die Klea nog +ijzingwekkender scheen dan het gezicht van dit monster. + +"Opdat hij ons zal hooren aankomen, gij domkop," antwoordde de +ander. "Als hij een kwartiertje op zijn liefje gewacht heeft, roep +ik hem bij den naam met de stem van eene vrouw, en bij zijn eersten +stap in de woestijn breekt gij hem den nek met den zandzak. Wij +hebben nog tijd genoeg, want het moet nog een goed half uur vóor +middernacht zijn." + +"Des te beter," antwoordde de ander; "onze wijnkruik is nog lang +niet ledig en wij hebben hem den vuilen waard toch vooruitbetaald, +eer hij in zijn bed kroop." + +"Gij moogt nog maar twee bekers drinken," zeide de schrale op +bevelenden toon, "want ditmaal hebben wij met een gezonden knaap te +doen. Setnau kan niet meer meedoen aan het werk, en het gebraad mag +geen breede wonden hebben, die aan steken of snijden doen denken. Mijne +tanden zijn niet meer als de uwe, als gij nuchteren zijt, zelfs het +gekookte vleesch mag niet meer te taai zijn. Als jij je bezuipt en +misslaat, en ik er niet toe komen kan met de giftnaald te steken, +dan loopt het ding nog mis. Maar waarom liet de Romein zijn wagen +niet wachten?" + +"Ja waarom liet hij hem wegrijden?" vroeg de ander en staarde met open +mond naar de richting waaruit men van verre het ratelen der raderen +hoorde. Zijn metgezel bracht ondertusschen zijne hand aan het oor en +luisterde in de verte. + +Beiden zwegen zij een oogenblik, daarop zeide de dunne: "Daar houdt +de wagen op bij de eerste herberg. Des te beter! De Romein heeft een +kostbaar span aan den disselboom en die daar ginds hebben een stal +voor paarden; in onze spelonk is er nauwelijks plaats voor een ezel +en niets dan zure wijn en bedorven bier. Ik houd niet van dat goed +en bespaar mijne drachmen voor Alexandrië en Mareotischen witten. Die +maakt gezond en zuivert het bloed. Voor het oogenblik zou ik willen, +dat wij het zoo goed hadden als die paarden daar ginds; die zullen +veel tijd hebben om uit te blazen." + +De andere antwoordde: "Ze zullen veel tijd hebben," grijnsde met een +breeden mond en ging toen met zijn gezel in de kamer terug om zijn +beker te vullen. + +Ook Klea kon hooren dat de wagen, die haar hierheen had gebracht, +stilhield, maar zij vermoedde niet, dat de wagenmenner in de eerste +herberg was gegaan, om zich daar voor de helft van Irene's drachme aan +wijn te goed te doen. De paarden zouden den verloren tijd wel weder +inhalen, en zij konden het zonder moeite, want wanneer eindigde het +gastmaal bij den koning vóor middernacht? + +Zoodra Klea de moordenaars de aarden bekers zag vullen, sloop zij eerst +zacht en op de teenen de herberg voorbij, zocht en vond, toen de maan +voor korten tijd van achter de wolken te voorschijn kwam, het naaste +woestijnpad naar de Apis-graven en ijlde toen met rassche schreden +voorwaarts. Zij keek recht voor zich uit, en toen hare oogen een dor, +door het bleeke maanlicht beschenen woestijngewas ontmoette, verbeeldde +zij zich daarachter het gezicht van den moordenaar te zien. De boven +het zand uitstekende geraamten van gestorven dieren en de uitgebleekte +kaken van kameelen en ezels, die veel witter glinsterden dan het zand +der woestijn, schenen leven gekregen te hebben en zich te bewegen, en +herinnerden haar aan het tijgergebit van den gebaarden booswicht. De +stofwolken, die haar de steeds aanwakkerende warme westewind in het +aangezicht joeg, deden haar angst klimmen, want ze vermengden zich +met den koeleren stroom der nachtlucht, en dikwijls was het haar +alsof met den warmen adem geesten voorbijzweefden, die met hunne +koude vingers haar aangezicht beroerden. + +Al wat zij waarnam werd door hare verhitte verbeeldingskracht in iets +vreeselijks veranderd; maar schrikkelijker en huiveringwekkender +dan alles wat haar oor vernam, en ieder spookbeeld dat haar oog +bij het fletse maanlicht meende te zien, waren de gedachten aan +hetgeen werkelijk in de naaste toekomst geschieden moest, was het +ontzettende dat den Romein en Irene bedreigde. Toch vermocht zij het +een niet van het ander te scheiden, want maar éen ding vervulde hart +en zin: angst, dezelfde grenzenlooze, namelooze angst zoowel voor +doodsgevaar en onuitwischbare schande, als voor elk ijdel drogbeeld +en het nietigste niets. + +Daar trok een groote donkere wolk langzaam voorbij de maan en dichte +duisternis bedekte alles rondom, en ook de onduidelijke gedaanten, +die hare verbeelding in schrikbeelden veranderd had. Zij moest haren +loop vertragen om al tastende met den voet den weg te vinden. Evenals +een kind iets akeligs, dat naderbij komt, meent te kunnen ontgaan of +weg te maken door de oogen met de hand te bedekken, zoo voelde hare +ziel, door de volslagen duisternis die haar omgaf, zich plotseling +verlost van ontelbare ingebeelde verschrikkingen. Diep ademhalend +bleef zij staan, verzamelde al hare wilskracht en vroeg zich af wat +haar te doen stond, om het verschrikkelijkste te voorkomen. + +Sedert zij de moordenaars had gezien, was elke gedachte aan wraak, +elke wensch om den verleider met den dood te straffen geheel uit +hare ziel geweken. Haar vervulde nog maar éene begeerte, namelijk +hem, den mensch, te redden uit de klauwen van het verscheurend +gedierte. Langzaam voortgaande herhaalde zij elk woord, dat zij uit den +mond van Euergetes, den eunuuch, den kluizenaar en de moordenaars over +Publius en Irene had vernomen, en zij bracht zich weder elken stap voor +den geest dien zij gedaan had, sedert zij den tempel verliet. Zoo werd +zij zich weder volkomen bewust, dat zij was uitgegaan en gevaren had +getrotseerd en angsten doorworsteld, enkel en alleen om Irene's wil. + +Opeens stond het beeld van hare zuster met al hare levendigheid en +aanvalligheid haar weder voor oogen, zonder dat ijverzuchtige wangunst, +die zij ook zoolang de hartstocht haar beheerschte zelfs geen enkel +oogenblik gevoeld had, dit beeld benevelde. Onder hare oogen was +Irene groot geworden, zorgvuldig door haar behoed en gekoesterd met +het zonlicht harer liefde. Het was haar een lust geweest voor haar te +zorgen, voor haar ontberingen te verduren en zware lasten te dragen, +en toen zij zich, gelijk zij vaak gewoon was te doen, tot haren +vader richtte, alsof hij tegenwoordig was, en hem met onhoorbare +woorden vroeg: "Nietwaar, ik heb voor haar gedaan wat ik kon?" en +zij tot zichzelve moest zeggen, dat hij onmogelijk die vraag anders +dan toestemmend beantwoorden kon, welden er tranen in hare oogen, en +de bitterheid en onrust, die zoo straks haar gemoed vervuld hadden, +verdwenen langzamerhand. Gelijk een koele luchtstroom na een gloeiend +heeten dag, zoo voer er een zachte verkwikkende adem van dankbare +vreugde door hare ziel. + +Toen zij stil stond, om met hare oogen, die zich meer en meer aan +het donker gewenden, te zoeken naar eene der tempels aan het einde +van de sphinxenstraat, waarvan zij nu niet verre meer kon af zijn, +drong onverwacht aan hare rechterzijde een plechtig veelstemming +klaaggezang tot haar door. Het waren de priesters van Osiris-Apis, +die te middernacht op het dak van den tempel de mysteriën van den +god vierden. Zij kende die hymne wel, waarin de gestorven Osiris werd +beweend, en die hem opriep om de macht van den dood te breken, op te +staan, der wereld en den menschen nieuw licht en nieuwe levenskracht +te geven, en al wat gestorven scheen te zegenen met een nieuw aanzijn. + +Dit vrome klaaglied maakte diepen indruk op haar geschokt +gemoed. Misschien waren ook hare ouders reeds ontslapen, en namen zij, +éen geworden met den levenden god, deel aan de schikking van het lot +der wereld en der menschen. Zij hief thans beide armen omhoog, en voor +de eerste maal, sedert zij zich verontwaardigd van het allerheiligste +van Serapis had afgekeerd, stortte zij thans hare gansche ziel met +hartstochtelijke innigheid uit in een vurig stil gebed om kracht +tot verdere plichtsvervulling en om een teeken, dat haar den weg +zou wijzen, hoe zij Irene uit het ongeluk en Publius van den dood +zou redden. Zij gevoelde zich bij dat gebed niet meer alleen, neen, +het kwam haar voor als stond zij tegenover die onverwinbare, het +goede beschermende macht, als zag zij dat wezen, waaraan zij thans +weder geloofde en waarvoor zij geen naam wist, van aangezicht tot +aangezicht, gelijk eene dochter die om redding smeekt en de knieën +van haren machtigen vader omvat. + +Eenige oogenblikken had zij aldus met omhoog geheven armen gestaan, +toen de maan, die weder van achter de wolken te voorschijn kwam, +haar tot zichzelve en de werkelijkheid terugbracht. Thans zag zij in +hare onmiddellijke nabijheid, nauwelijks honderd schreden van zich +verwijderd, de sphinxenstraat, aan welker zijde de Apis-graven gelegen +waren, in de nabijheid waarvan Publius haar verwachten zou. Haar +hart begon sneller te kloppen en meer en meer werd zij bevreesd voor +hare eigene zwakheid. Binnen weinige oogenblikken zou zij den Romein +ontmoeten, en toen zij onwillekeurig de hand aan het hoofd bracht, +om het haar glad te strijken, ontwaarde zij, dat zij Glaukus hoed +op haar hoofd en zijn mantel om hare schouders droeg. Langzaam, +en terwijl zij haar hart nog eens verhief in het gebed, ten einde in +enkele korte volzinnen om kalmte en bedaardheid te smeeken, schikte zij +haar gewaad in de plooien en daarbij kwamen hare vingers in aanraking +met den sleutel tot de Apis-graven, die zij nog altijd bij zich droeg. + +Daar kwam bliksemsnel een denkbeeld bij haar op, en zij hield het vast, +en werkte het uit, terwijl zich hare ademhaling versnelde, tot zij +meende den rechten weg gevonden te hebben om den man van den dood te +redden, die zoo rijk was en zoo machtig; die haar niets had gegeven +maar alles ontnomen, en wien zij, de arme kruikdraagster, met wie +hij een spel dacht te drijven, nu het kostbaarste van alle goederen, +het leven, als geschenk kon aanbieden. Serapion had gezegd, en zij +geloofde het gaarne, dat Publius niet onedel was, en hij behoorde +zeker niet tot de zoodanigen, die zich ondankbaar toonen jegens +hunne redders. Zij wilde zich het recht verwerven om iets van hem te +vorderen, en dat kon niets anders zijn, dan dat hij hare zuster zou +vrijlaten en weder bij haar brengen. + +Wanneer had hij zich toch verstaan met Irene, die zeker licht te +winnen en nog zoo onervaren was? En hoe spoedig had zij de hand, +die deze man haar aanbood, gegrepen! Van haar, een kind van het +oogenblik, kon het haar volstrekt niet verwonderen, en zij begreep +ook dat Irene's aanvalligheid het hart ook zelfs van een ernstig man +spoedig moest innemen. En toch!--Bij alle optochten had hij nooit Irene +maar altijd haarzelve aangezien, en hoe kwam het, dat hij de gewaande +uitnoodiging om tegen middernacht zich naar de woestijn te begeven, +zoo snel en zoo gewillig had aangenomen?--Mogelijk lag zij hem toch +nader aan het hart dan Irene; en als dankbaarheid hem met nieuwe +koorden tot haar trok, dan kon hij wellicht haar tegemoet komen, +zijn trots en hare armoede vergeten, en haar tot zijne vrouw begeeren. + +Deze gedachte werkte zij volledig uit, doch eer zij gekomen was +aan het door de borstbeelden der wijsgeeren omgeven rondeel, kwam +de vraag bij haar op: "En Irene? Zou zij hem gevolgd zijn en haar +zonder afscheid verlaten hebben, wanneer haar jeugdig hart niet in +liefde voor Publius was ontgloeid, die zeker boven alle andere mannen +zulk eene liefde waardig was?--En hij? Zou hij niet uit dankbaarheid +voor hetgeen zij voornemens was te doen, kunnen besluiten om Irene, +de arme maar overschoone dochter eener edele familie, tot vrouw te +nemen, wanneer zij het verlangde?--En als dat nu eens mogelijk was, +als die twee eens in liefde en eer gelukkig konden zijn, zou zij, +Klea, dit paar dan scheiden? Zou zij hare Irene wangunstig uit zijne +armen rukken en in den somberen tempel terugbrengen, die haar thans, +nadat zij was uitgevlogen in de vrije zonnige lucht, dubbel donker en +onuitstaanbaar moest voorkomen? Zou zij het zijn, die Irene in het +ongeluk stortte, Irene, haar kind, den haar toevertrouwden schat, +dien zij gezworen had te zullen beschermen? + +"Neen, nogmaals neen," zeide zij vast besloten. "Zij is tot vreugde +geboren, en ik om leed te dragen, en wanneer ik u, verhevene godheid, +nog éen ding mag smeeken, dan zou het dit zijn, dat gij mij deze +liefde, die mij het hart stuksgewijze als verteerd hout verbreekt, +uit de ziel wegneemt, en dat gij mij bewaart voor nijd en afgunst, +wanneer ik haar in zijne armen gelukkig zie. Het valt wel zwaar zijn +eigen hart te verwoesten, opdat de lente moge bloeien in dat van een +ander; maar toch is het goed, en onze moeder zou mij prijzen, en vader +zou zeggen, dat ik in zijn geest had gehandeld en naar de leer der +mannen, wier beeltenissen daar op die voetstukken staan.--Stil nu, +mijn arm hart, het moet zoo zijn!" + +Terwijl deze gedachten hare ziel vervulden, ging zij de borstbeelden +van Zeno en Chrysippus voorbij, wierp een blik op hunne door het +maanlicht beschenen trekken, en toen zij weder op de gladde steenen +keek, waarmede het rondeel der wijsgeeren geplaveid was, viel haar +oog op hare eigene in scherpe omtrekken afgeteekende schaduw, welke +veel geleek op de schaduw van een reiziger, die met een mantel en +breeden hoed van de eene stad naar de andere wandelt. + +"Precies een man!" prevelde zij in zichzelve. Op hetzelfde oogenblik +zag zij eene andere gestalte, geheel aan de hare gelijk, die ook een +hoed droeg, naast de opening der Apis-graven verschijnen. Zoodra zij +meende daarin den Romein te herkennen, kwam in haar sterk geprikkelde +hersenen een denkbeeld op, dat haar eerst met huivering, maar eensklaps +daarop met zulk een onuitsprekelijke vreugde vervulde, als misschien +de adelaar ondervindt, wanneer hij de vleugels krachtig uitslaat +en zich hoog boven het stof der aarde in den reinen grenzenloozen +aether verheft. Met een kloppend hart, langzaam en zwaar ademhalende, +maar met opgerichte houding evenals eene koningin, die een anderen +vorst te gemoet gaat, met den hoed dien zij van het hoofd had genomen +in de linker en den sleutel van den smid Krates in de rechterhand, +richtte zij hare schreden naar Cornelius bij de poort der Apis-graven. + + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +De man dien Klea gezien had, was niemand anders dan de Romein Publius. + +Een dag van allerlei gewaarwordingen lag achter hem, want nadat hij +zich overtuigd had, dat Irene door den beeldhouwer en zijne gemalin +was opgenomen, alsof zij haar eigen kind ware, was hij naar zijne +tent teruggereden om andermaal naar Rome te schrijven. Doch het kon +er niet toe komen, want zijn vriend Lysias liep rusteloos naast hem +op en neer, en zoo dikwijls hij het schrijfriet op het papyrus zette, +stoorde hij hem met vragen betreffende den kluizenaar, den beeldhouwer +en zijne geredde beschermelinge. Toen de Korinthiër eindelijk wilde +weten, of hij Irene's oogen voor bruin of blauw hield, was hij knorrig +opgesprongen en had vrij heftig uitgeroepen: "En al waren ze rood of +groen; wat ging het mij aan?" + +Lysias scheen dit antwoord eer te vermaken dan te verdrieten, en +reeds was hij op het punt zijn vriend te bekennen, dat Irene in +zijn hart een waren brand had ontstoken, toen zich een stalmeester +van Euergetes aanmeldde, om den Romein vier kostelijke Cyrenaeische +vossen te laten zien, die zijn vorst den edelen Publius Cornelius +Scipio Nasica verzocht te willen aannemen als teeken zijner bijzondere +vriendschap. Wel een uur lang bewonderden beide vrienden, kenners en +liefhebbers van paarden, den schoonen bouw en den vluggen tred dezer +edele dieren. + +Vervolgens verscheen er eene kamenier van de koningin om Publius uit +te noodigen haar terstond te bezoeken. De Romein volgde den bode na +een kort oponthoud in zijne tent. Hij stak de gesneden steenen met +de bruiloft van Hebe bij zich, want hij was op weg van de woning des +beeldhouwers naar het paleis op den inval gekomen deze kunstwerken +der koningin aan te bieden, nadat hij haar omtrent de herkomst der +kruikdraagsters zou ingelicht hebben. Publius had scherpe oogen en de +zwakke zijde van Kleopatra was hem niet ontgaan, maar nooit had hij +kunnen denken, dat zij haren teugelloozen broeder de behulpzame hand +zou bieden, om zich met geweld meester te maken van de onschuldige +dochter van een edelen vader. Thans wilde hij haar, als het ware ter +vergoeding voor de verijdelde, door zijn vriend ontworpen voorstelling, +het beeldwerk zelf vereeren, dat zij zich verheugd had zoo schoon te +zullen zien wedergeven. + +Kleopatra ontving hem op haar dak, eene gunst die maar aan weinigen +te beurt viel, vergunde hem, terwijl zij zelve op haar rustbed lag +uitgestrekt, zich aan hare voeten neder te zetten, en gaf hem door +elken blik van haar oog en ieder woord dat zij zeide ondubbelzinnig +te erkennen, dat zijne tegenwoordigheid haar gelukkig maakte en met +hartstochtelijke vreugde vervulde. Publius wist het gesprek spoedig op +de onschuldig in de goudmijnen gesleepte ouders der kruikdraagsters te +brengen. Kleopatra brak echter zijne voorspraak af, door hem duidelijk +en zonder omwegen en niet zonder merkbare gemoedsaandoening de vraag +voor te leggen, of het waar was dat hij zelf die Hebe wenschte te +bezitten. Zij beantwoordde zijne stellige ontkenning met uitingen van +ongeloof, en ten laatste zelf met op verwijtenden toon te spreken, +zoodat hij boos werd en opstuivend haar rondweg verklaarde, dat +hij het voor onmannelijk en schandelijk hield te liegen, en dat hij +geene beleediging moeielijker kon verdragen dan twijfel aan zijne +oprechtheid. + +Zulk eene heftige en stellige ontkenning uit den mond van een door haar +bevoorrecht man, was voor Kleopatra iets nieuws, en zij nam haar niet +kwalijk, want zij mocht nu gelooven hetgeen zij zoo gaarne geloofde, +dat Publius niets van de bevallige Hebe begeerde, dat Eulaeus zijn +vijand belasterde, en dat Zoë zich vergist had, toen zij na haar +vruchteloos tempelbezoek, waarvan zij zooeven was teruggekeerd, haar +had medegedeeld, dat Irene het liefje was van den Romein, en dat hij +zeer vroeg in den morgen, hetzij aan het meisje zelve, hetzij aan +de priesters in het Serapeum moest verraden hebben wat men met haar +voorhad. In de ziel van dezen edelen jongeling school geen bedrog, +kon geen arglistigheid zijn! En zij, die gewoon was geen woord uit +den mond van hare omgeving te vernemen, zonder zich af te vragen, wat +daarmede wel bedoeld werd en in hoeverre het gelogen of gehuicheld was, +zij geloofde den Romein en verheugde zich zoozeer in haar vertrouwen, +dat zij op een toon van vroolijke lieftalligheid Publius uitnoodigde +haar het verzoekschrift van den kluizenaar ter lezing te geven. + +De Romein overhandigde haar terstond de rol en zeide, dat aangezien +dit stuk zooveel treurigs inhield, waarvan zij kennis zou moeten +nemen, hij zich verplicht gevoelde haar ook eene zij het ook zeer +kleine verrassing te bereiden. Hierbij overhandigde hij haar zijne +gesneden steenen, en zij toonde zich over deze kleine kunstwerken zoo +uitgelaten van verrukking, als ware zij niet de rijke koningin, die +de schoonste gesnedene steenen in de gansche wereld bezat, maar een +meisje, waaraan men het eerste lang gewenschte gouden sieraad schenkt. + +"Kostelijk, heerlijk!" riep zij herhaaldelijk. "En bovendien is dit +geschenk een onvergetelijk aandenken aan u, lieve vriend, en aan uw +bezoek in Egypte. Met welke edelgesteenten ik deze ook laat omzetten, +zelfs diamanten schijnen mij zonder waarde, bij dit uw geschenk +vergeleken. Het zal, eer ik nog dit verzoekschrift heb gelezen, mijn +oordeel over den eunuuch en zijn beklagenswaardig offer beslissen. Maar +ik zal die rol toch lezen, met aandacht lezen, want mijn gemaal houdt +Eulaeus voor een nuttig, ja bijna onontbeerlijk werktuig, en het zal +er op aankomen het besluit zoowel als de begenadiging op goede gronden +te doen rusten. Ik geloof aan de onschuld van den armen Philotas, +maar al had hij honderd moorden begaan, na dit geschenk stel ik hem +toch in vrijheid!" + +De Romein ergerde zich aan deze woorden, en al wat zij verder had +gezegd om hem aangenaam te zijn, scheen hem op dit oogenblik, vooral +om haarzelve, meer te passen in den mond van een omkoopbaar beambte, +dan van eene koningin. De tijd viel hem lang bij Kleopatra, die hem, +ondanks zijne eigene terughouding, steeds dringender te verstaan +gaf, hoe warm haar hart voor hem klopte. Doch hoe meer zij sprak en +vertelde, des te stiller toonde hij zich. Hij gevoelde zich verlicht +en haalde weder vrij adem, toen haar gemaal verscheen om Kleopatra +en ook hem voor het middagmaal af te halen. + +Aan tafel beloofde Philometor zich de zaak van Philotas en zijne +vrouw, die hij beide gekend had, en wier treurig lot hem leed deed, +te zullen aantrekken. Doch hij verzocht zijne gemalin en den Romein +den eunuuch Eulaeus eerst dan voor het gerecht te dagen, wanneer +Euergetes Memphis verlaten zou hebben, want gedurende de aanwezigheid +van zijn broeder, die tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf, +kon hij den schrijver nog niet ontberen. Wanneer hij Publius naar +zichzelven beoordeelen mocht, dan zou er ook hem meer aan gelegen +zijn onschuldigen recht te doen wedervaren en uit hunne ellende te +bevrijden, waarvan al het verschrikkelijke hem eerst onlangs door +zijn leermeester Agatharchides bekend geworden was, dan een man, +die zijn toom onwaardig was en bovendien zijn straf niet ontgaan kon, +juist heden of morgen voor den rechter te dagen. + +Voordat de brief van Asklepiodorus, waarin het onjuiste vermoeden +der priesters van Serapis werd uitgesproken, dat namelijk Irene +op last des konings uit den tempel zou zijn gevoerd, in het paleis +aankwam, had Publius gelegenheid gevonden om van het vorstelijk paar +afscheid te nemen. Zelfs Kleopatra waagde het niet iets in te brengen +tegen zijne stellige verzekering, dat hij heden nog over gewichtige +aangelegenheden naar Rome moest schrijven. Toen Philometor nu met zijne +gemalin alleen was, vond hij, wiens toegenegenheid spoedig te winnen +was, geen woorden genoeg om de voortreffelijke eigenschappen van den +jongen man te prijzen, die aangewezen scheen om in de toekomst hem +en zijne zaak te Rome de gewichtigste diensten te bewijzen, en wiens +vriendschappelijke gezindheid hij wederom--en hij erkende dit met +vreugde--aan het uitstekend beleid en de voorkomendheid van zijne +gemalin te danken had. + +Toen Publius het paleis had verlaten en haastig zijne tent ging +opzoeken, gevoelde hij zich als een daglooner, die van een zwaren +arbeid terugkeert, als een vrijgesprokene, die van een halsmisdaad +was beschuldigd, als een verdoolde, die weder het rechte pad heeft +gevonden. De zwoele lucht tusschen de lanen van het meer afgelegen +gedeelte van den tuin scheen hem minder zwaar om in te ademen, +dan de koele wind, die rondom het dak van Kleopatra speelde. De +tegenwoordigheid der koningin kwam hem opwekkend en toch benauwend +voor, en hoeveel vleiends er ook voor hem was gelegen in de wijze +waarop de machtige vorstin hem tegemoet kwam, zoo wilde hem dit toch +even weinig smaken als een heerlijk gerecht op een gouden schotel, +tot het gebruik waarvan men ons dwingen wil, en dat, als men het dan +toch eindelijk proeft, walgelijk zoet blijkt te zijn. + +Publius was in alle opzichten een man, en zoo hield hij, evenals ieder +van zijns gelijken zou doen, de liefde, die hem werd opgedrongen, +voor een eerbewijs uit eene hand, die men niet kan achten, en die +men daarom liever afwijst dan aanneemt, evenals de lof, die onze +verdiensten verre overtreft en waaraan een dwaas misschien zijn +hart ophaalt, verstandige lieden eer ergernis geeft dan dank waardig +schijnt. Het scheen hem toe dat Kleopatra's toeleg was zich van hem +te bedienen, allereerst als een vermakelijk speeltuig, vervolgens +als een bruikbaar handlanger, en dit verdroot en verontrustte den +ernstigen en prikkelbaren jonkman zoozeer, dat hij het liefst terstond +en zonder afscheid te nemen Egypte en Memphis verlaten zou hebben. + +Toch zou het hem niet gemakkelijk vallen te vertrekken, want zoo vaak +hij aan Kleopatra dacht, stond ook het beeld van Klea hem voor den +geest, gelijk wanneer wij denken aan de schaduwen van den nacht ook de +glans van de zachte maan zich aan onze verbeelding voordoet. Had hij +Irene gered, zoo wenschte hij ook aan de ouders der kruikdraagsters +de vrijheid terug te geven. Egypte te verlaten zonder Klea nog eens +teruggezien te hebben, scheen hem bepaald onmogelijk. Hij verlangde +zich in eigen persoon nog eens te plaatsen tegenover hare trotsche +grootheid en haar te zeggen, dat zij eene schoone en koninklijke +vrouw was, en dat hij haar vriend was, die de ongerechtigheid haatte, +en om den wille van het recht en ook om harentwil gaarne bereid was +voor haar en hare ouders groote offers te brengen. + +Heden, nog vóor het gastmaal, wilde hij den tempel van Serapis op +nieuw bezoeken en den kluizenaar dringend vragen een onderhoud te +willen bewerken tusschen hem en zijne beschermelinge. Als Klea eens +wist wat hij voor Irene en hare ouders gedaan had, dan zou zij hem wel +moeten toonen, dat hare trotsche oogen ook vriendelijk konden kijken, +dan zou zij tot afscheid hem de rechterhand moeten geven, die hij met +beide handen dacht te omklemmen en aan zijne borst te drukken. Dan +wilde hij haar zeggen met de verhevenste en warmste woorden, die hij +maar uitdenken kon, hoe gelukkig hij was haar gevonden te hebben, en +hoe zwaar het hem viel van haar te scheiden. Misschien liet zij dan ook +hare hand wel in de zijne en zou zij hem vriendelijk antwoorden. Eenige +weinige goedhartige en oprechte woorden uit Klea's strengen en toch +zoo schoonen mond schenen hem hooger waarde te bezitten, dan een kus +en eene omhelzing van de groote en rijke koningin van Egypte. + +Cornelius kon, als hij werd getart, in toorn zichzelven vergeten, +maar zijn verbeeldingskracht was overigens noch bijzonder levendig +noch vurig. Terwijl hij zijne paarden liet inspannen en met hen naar +den Serapis-tempel reed, stond hem gedurig het verheven beeld van de +kruikdraagster voor oogen, meende hij telkens in plaats van de teugels +hare hand in de zijne te houden, en als hij herhaalde wat hij haar tot +afscheid wilde zeggen, en hij in zijn binnenste meende te vernemen, +dat zij hem met bewogen stem voor zijne edele hulpvaardigheid dankte, +en dat zij hem nooit vergeten zou, voelde hij dat zijne oogen, die in +vele jaren geen tranen hadden gekend, vochtig werden, en onwillekeurig +herinnerde hij zich den dag, waarop hij de zijnen vaarwel zeide, om +voor de eerste maal ten krijg te trekken. Toen echter hadden er niet in +zijne eigene oogen, maar wel in die zijner moeder tranen geglinsterd, +en hij vond dat, als hij Klea met eene andere vrouw vergelijken mocht, +zij toch het meest geleek op die deftige matrone die hem het leven had +geschonken; dat Klea naast de dochter van den grooten Scipio Africanus +er uitzag als eene jeugdige Minerva aan de zijde der verhevene Juno, +de moeder der goden. + +Groot was zijne teleurstelling, toen hij de poort van den +Serapis-tempel gesloten vond en hij zich gedwongen zag zonder Klea +of den kluizenaar gezien te hebben, naar Memphis terug te keeren. Wat +heden niet mogelijk was geweest, kon hij morgen opnieuw beproeven, maar +zijn verlangen naar de geliefde klom nu tot een pijnlijk heimwee. Toen +hij weder in zijne tent zat, om zijn tweeden brief naar Rome af te +schrijven, hinderde de gedachte aan Klea hem telkens weder bij zijn +ernstig werk. Wel tienmaal sprong hij op, om zijne gedachten opnieuw +te verzamelen, en even dikwijls moest hij het schrijfriet neerwerpen, +omdat het beeld van de kruikdraagster zich plaatste tusschen hem en +zijnen brief. Eindelijk sloeg hij, ongeduldig over zichzelven, met de +hand op de voor hem staande tafel, drukte eenige oogenblikken beide +vuisten zoo krachtig in zijne zijde, dat het hem pijn deed, en dwong +aldus zichzelven zijn plicht te vervullen, alvorens aan iets anders +te denken. Zijn stalen wilskracht behield ten slotte de overhand, +en toen het donker begon te worden, was de brief geschreven. + +Reeds stond hij gereed het teeken van zijn geslacht, dat in den +sardonyx van zijn zegelring was gesneden, in het zegelwas af te +drukken, toen zijn dienaar hem een zwarten slaaf aandiende, die +verlangde hem te spreken. Cornelius beval hem binnen te leiden, en +de neger overhandigde hem de scherf, waarop Eulaeus met boosaardige +bedoeling Klea's uitnoodiging aan hem geschreven had, om tegen +middernacht bij de Apis-graven te verschijnen. Het listige glurende +werktuig van zijn vijand was op dit oogenblik voor den jonkman een bode +der goden, en zonder in het minst eenige verdenking te koesteren, +schreef hij met hartstochtelijke gejaagdheid op de armzalige, +potscherf: "Ik zal komen." + +Publius wilde den brief aan den senaat, dien hij zooeven voleindigd +had, eigenhandig en onopgemerkt overhandigen aan den bode, die hem +gisteren het schrijven uit Rome had gebracht, en daar hij eerder het +verzoek zou hebben afgeslagen, om een koninklijken schat in dezen nacht +in ontvangst te nemen, dan de samenkomst met Klea te verzuimen, zoo +kon hij in geen geval aan het koninklijk gastmaal deelnemen, hoewel +Kleopatra hem daar overeenkomstig zijne belofte, wachten zou. Hij +gevoelde nu tot zijn leedwezen het gemis van zijn vriend Lysias, +want hij wilde alles vermijden wat de koningin beleedigen kon, en de +Korinthiër, die op dat oogenblik zich zeker met de onbeduidendste +dingen bezighield, was even vlug in het uitdenken van geschikte +verontschuldigingen, als hijzelf daarin dom was. Haastig schreef +Publius dus aan zijn tentgenoot eenige woorden, om hem te verzoeken den +koning mede te deelen, dat hij door dringende bezigheden verhinderd +was heden avond aan zijn gastmaal deel te nemen. Hierop sloeg hij +zijn mantel om, zette zijn reishoed op, die zijn gezicht beschaduwde, +en begaf zich te voet en zonder geleide, met zijn brief in de eene +en zijn wandelstaf in de andere hand naar de haven. + +De soldaten en politiewachten, die de voorhoven van het paleis +vervulden, hielden hem voor een bode, riepen den man, die met vasten, +haastigen tred zich voortspoedde, niet aan, en zoo bereikte hij zonder +opgehouden of herkend te worden de herberg aan de haven, waar hij +onder schippers en kooplieden een uur moest wachten, eer zijn bode uit +het vroolijk vreemdenkwartier, waar hij zich wat te goed had gedaan, +terugkeerde. Zeer veel had hij te bespreken met dezen man, die den +volgenden morgen naar Alexandrië en Rome moest vertrekken. Doch Publius +gunde zich daartoe nauwelijks den noodigen tijd, want reeds een vol +uur voor middernacht meende hij te moeten opbreken, om naar de door +Klea aangewezene, hem welbekende plaats te gaan, hoewel hij wist, +dat hij deze in veel korter tijd bereiken kon. Voor den smachtend +verlangende daalt de zon nog te langzaam, en een dwaalster vergeet +eerder haar tijd dan een verliefde, dien de stem der liefde roept. + +Om opzien te vermijden bediende hij zich van geen wagen, maar van +een sterk muildier, dat de waard van de herberg hem met genoegen +leende. Want de Romein was zoo blijmoedig gestemd, in de hoop Klea +te zullen ontmoeten, dat hij het aardige kind van den herbergier, +hetwelk op een bank voor de gelagtafel was ingedommeld, een goudstuk +tusschen de half geslotene kleine vingers had gestoken, en den +landwijn, dien hij had gedronken, zonder naar de kosten te vragen, +veel te duur met den prijs van edelen Falerner had betaald. De waard +keek hem met verwondering aan, toen hij eindelijk met een sierlijken +sprong, zonder het groote beest aan te raken, op zijn rug wipte. Het +kwam Publius zelven voor, alsof hij zich sedert zijn jongenstijd nog +nooit zoo frisch, zoo uitgelaten vroolijk had gevoeld, als in dit uur. + +De weg, die van de haven naar de Apis-graven voerde, was een andere, +dan die van het koninklijk paleis daarheen geleidde, en welke Klea was +gegaan. De eerste liep niet langs de herberg, waarin zij de moordenaars +gezien had. Er werd overdag veel gebruik van gemaakt door pelgrims, +en de Romein kon ook bij nacht niet dolen, want het muildier dat +hij bereed kende goed den weg. Dat wist hij ook, want op de vraag, +waarom de herbergier het beest er op nahield, had deze geantwoord, +dat hij dagelijks pelgrims, die uit Boven-Egypte kwamen, naar den +tempel van Serapis en de graven der heilige stieren moest brengen. De +voorslag van den waard, om hem een ezeldrijver mede te geven, kon +hij daarom gerust afslaan, en allen die hem zagen opbreken, meenden, +dat hij naar de stad en het koninklijk paleis terugging. + +In langzamen draf reed Publius door de straten der stad, en zoo +vaak uit eene herberg het gelach der drinkende soldaten tot zijn oor +doordrong, had hij gaarne daarmede ingestemd. Zoodra hij de doodsche +woestijn was ingegaan, en aan de sterren zag, dat hij te vroeg bij de +plaats der samenkomst zou zijn, dwong hij het dier tot een bedaarden +stap. Hoe meer hij zijn doel naderde, des te ernstiger werd hij en +des te heftiger klopte zijn hart.--Het moest wel iets gewichtigs, +iets van groote beteekenis zijn, dat Klea hem op zulk een uur en +op zulk eene plaats begeerde mede te deelen. Of was zij als duizend +andere vrouwen, en maakte hij zich op om een uurtje in minnekozerij +met haar te slijten? Zij had immers voor een paar dagen zijn blik +beantwoord en zijne viooltjes aangenomen!--Een oogenblik drong deze +gedachte zich met kracht aan hem op, maar hij zette haar verre van +zich als dwaas en zijner onwaardig. Eer zou een koning een bedelaar +aanbieden den troon met hem te deelen, dan dat dit meisje hem zou +uitnoodigen, op een heimelijke plaats met haar te kouten over Amor's +zoete gaven. Ongetwijfeld wenschte zij vóor alle dingen zekerheid te +erlangen omtrent het lot harer zuster; misschien wilde zij ook met hem +spreken over hare ouders. Doch zij had moeielijk kunnen besluiten om +hem te roepen, wanneer zij niet geleerd had hem te vertrouwen, en juist +dit vertrouwen vervulde hem met trots, en bovendien met een levendig +verlangen naar haar, dat zijn hart al heviger en heviger bestormde. + +Terwijl het muildier met langzame maar zekere stappen ook in het +stikdonker zijn weg zocht en vond, zag hij op naar den hemel en naar +het spel der wolken, die nu eens als een zwarte massa het licht van +Selene bedekten, dan weder uit elkander dreven, door eene witachtige +schemering omgeven, wanneer de zilveren maansikkel ze kliefde, +gelijk eene zwaan den donkeren waterspiegel. Daarbij dacht hij +onophoudelijk aan Klea, en half droomend meende hij haar voor zich +te zien, maar anders en voornamer dan te voren. Want hare gedaante +groeide al meer en meer in zijne oogen, en werd eindelijk zoo groot, +dat haar schedel aan het firmament raakte, dat de wolken haar sluier +en de maan een schitterende diadeem in haren haartooi schenen te +zijn. Onder den indruk van dit visioen, liet hij de teugels op den hals +van het muildier vallen, en strekte hij de handen naar deze schoone +droomgestalte uit, doch hoe verder hij voortreed, des te meer week +zij terug, en toen de westenwind hem het zand in het aangezicht blies, +zoodat hij zijne oogen met de hand moest bedekken, verdween zij weder +geheel en keerde niet weder tot hij bij de Apis-graven was aangekomen. + +Hij had gehoopt hier eenige soldaten of wachten te zullen vinden, +waaraan hij het dier kon toevertrouwen, maar nadat het middernachtelijk +priestergezang in den tempel van Osiris-Apis was weggestorven, liet +zich nergens meer in den omtrek eenig geluid hooren, en in zijne +omgeving was alles zoo stil, zoo stom en zoo bewegingloos, alsof alle +leven hier ware uit gestorven. Of had een demon hem van het gehoor +beroofd? Alleen het bruischen van zijn eigen snelvlietend bloed meende +hij aan zijn oor te vernemen, maar verder niet het minste. Zulk eene +stilte kent slechts de doodenstad bij nacht, kent alleen de woestijn. + +Aan een gedenksteen van graniet vol opschriften maakte hij de teugels +van het muildier vast, en liep vervolgens naar de plek, die voor de +samenkomst bestemd was. Volgens den stand der maan moest het later zijn +dan middernacht, en reeds begon hij zich af te vragen, of hij daar +waar hij stond moest blijven, dan of hij de kruikdraagster tegemoet +zou gaan, toen hij eerst zachte voetstappen hoorde en spoedig daarna +eene hooge gestalte, in een langen mantel gehuld, van de sphinxenlaan +recht op zich zag afkomen. + +Was het een man; was het eene vrouw; was zij het, die hij +verwachtte? En als zij het was, naderde ooit eene vrouw met zulke +afgemetene bijna plechtige schreden den vriend, met wien zij een +onderhoud verlangde? + +Thans herkende hij haar gelaat.--Was het door het vale maanlicht, +dat zij er zoo bloedeloos, zoo marmerbleek scheen uit te zien? Er +lag eene zekere strakheid in deze trekken, en toch had hij ze nog +nooit, zelfs niet toen zij blozend zijne viooltjes had aangenomen, zoo +onberispelijk schoon, zoo gelijkmatig en fijn besneden, zoo voornaam, +ja zoo eerbiedwekkend gevonden. + +Beiden stonden wel eene minuut sprakeloos en toch zeer dicht tegenover +elkander. Eindelijk brak Publius het stilzwijgen af, door haar vol +warm gevoel en toch niet zonder schroom, met zijne zware heldere +stem niets anders toe te roepen, dan een enkel woord, en dit woord +was haar naam: "Klea!" + +Als de wensch: God groete en zegene u; als de welluidendste aller +accoorden in den zang der Sirenen; als de vrijspraak uit den mond des +rechters over leven en dood, klonk dit woord, en beroerde met zijne +trillingen het hart der jonkvrouw. Reeds opende zij hare lippen +om den Romein zijn naam Publius op niet minder diepen en innigen +toon toe te roepen, maar zij bedwong zich met al hare zielskracht, +en zeide zacht en snel: "Gij zijt op dit late uur hierheen gekomen, +en het is goed dat gij dit deedt." + +"Gij hadt mij geroepen," antwoordde de Romein. + +"Een ander deed het, niet ik," gaf Klea dof en langzaam ten antwoord, +als had zij een zwaren last op te heffen, of als viel het ademhalen +haar zwaar: "Volg mij nu, want het is hier de plaats niet om u dit +te verklaren." + +Bij deze woorden ging Klea naar de geslotene deur der Apis-graven en +beproefde den sleutel, dien de oude Krates haar had toevertrouwd, +in het slot te steken; maar deze was nog zoo nieuw en hare vingers +beefden zoo, dat haar dit niet zoo dadelijk wilde gelukken. + +Publius stond intusschen dicht naast haar, terwijl hij zijn best deed +om haar te helpen, kwamen zijne vingers met de hare in aanraking. Toen +hij nu, zeker niet zonder er bij te denken, zijne sterke en toch +bevende hand op de hare legde, liet zij dit een oogenblik toe, want +het was haar als steeg er een warme damp al wervelend uit hare borst +op, die haar geest benevelde, haar wilskracht verlamde en een sluier +wierp over hare oogen. + +"Klea," zeide hij andermaal, en greep ook naar hare linkerhand. + +Als uit een kortstondigen droom in het werkelijk leven teruggeroepen, +trok zij terstond de hand terug waarop de zijne rustte, stak den +sleutel in het slot, opende de poort en zeide bijna met bevelenden +ernst: "Ga mij voor!" + +Publius volgde dit bevel en betrad de ruime voorhal van de eenvoudige, +in de rots uitgehouwen en flauw verlichte grot. Een gewelfde gang, +waarvan hij het einde niet zien kon, lag voor hem, en aan beide +zijden waren links en rechts de toegangen tot de kamers, waarin de +sarkophagen stonden der gestorvene heilige stieren. Boven elke van +deze ontzaglijke steenen doodkisten brandde dag en nacht een lamp, +welker schijnsel, als een tapijt uit lichtstralen geweven, overal waar +zulk eene grafkamer open stond, door de duisternis van de spelonk +heenbrekende, een helder flikkerlicht wierp op den donkeren weg, +die tot het binnengedeelte van de grot voerde. + +Welk eene plaats had Klea gekozen, om met hem te spreken! Maar +al klonk hare stem ook streng, zijzelve was toch niet zoo koud en +gevoelloos als de schaduwen van den Orkus, waarop deze plaats geleek, +welke gevuld was van wierookdamp, die zijne borst beklemde. Immers hij +had gevoeld, dat hare vingers onder de zijnen beefden, en toen hij, +om haar te helpen, zeer dicht naast haar was gaan staan, had haar hart +blijkbaar niet minder snel en hevig geklopt dan het zijne.--Ja, wien +het gelukte dit hart van hard maar rein en edel kristal te smelten, +over hem zou zich een stroom uitstorten van louter zaligheid! + +"Hier zijn wij waar wij wezen moeten," zeide Klea. Daarna ging zij +voort met korte afgebroken volzinnen. "Blijf gij, waar ge zijt. Laat +mij de plaats innemen bij de poort. Beantwoord mij nu eerst eene +vraag: Mijne zuster Irene is uit den tempel verdwenen. Hebt gij haar +doen wegvoeren?" + +"Ik deed het," antwoordde Publius haastig. "Zij laat u groeten en +u zeggen, hoe best hare nieuwe vrienden haar bevallen. Als ik u zal +hebben medegedeeld...." + +"Thans niet," zeide Klea, hem driftig in de rede vallende. "Keer u +nu om!--Daarheen, waar gij dat lamplicht ziet flikkeren." + +Publius deed gelijk hem bevolen werd, en daarbij gevoelde hij, ofschoon +anders zoo onverschrokken, eene lichte huivering, want al wat dit +meisje deed, ja haar geheele voorkomen, was niet alleen plechtig, +maar scheen hem zoo geheimzinnig toe, als ware zij een profetes. + +Daar weergalmde een hevig gekraak door die stille, heilige plaats, +en hare geluiden plantten zich langs de rotswanden der grot voort, +al dreunend wegstervende. Publius keek angstig om, maar zijn zoekend +oog vond Klea niet meer. Toen hij vervolgens naar de deur van de grot +vloog, hoorde hij hoe ze van buiten werd gesloten. De kruikdraagster +was hem ontvloden, had de zware deur toegeworpen en hield hem gevangen. + +Deze gedachte scheen den Romein zoo onwaardig en onverdraaglijk, +dat hij, op dit oogenblik voor geen ander gevoel vatbaar dan dat +van verzet, van gekrenkten trots en van hartstochtelijke begeerte om +zich te bevrijden, met de voeten tegen de deur trapte en Klea toornig +toeschreeuwde: "Gij zult de deur openen: ik beveel het u! Laat mij +dadelijk vrij, of bij alle goden..." + +Hij sprak zijne bedreiging niet uit, want in het midden van de rechter +vleugeldeur der geslotene poort, werd een klein luikje opengedaan, +waardoor de priesters soms wierookdamp, in de groeve der heilige +stieren plachten in te laten. Twee-, driemaal, en toen hij nog altijd +niet bedaren wilde, ook ten vierden maal riep Klea hem toe: "Hoor mij, +hoor mij toch, Publius!" + +Eindelijk hield hij op met razen, en kon zij dus voortgaan: "Dreig mij +niet, Publius, want gij zult er zeker berouw van hebben, als gij weet +wat ik u heb mede te deelen. Laat mij uitspreken, en weet reeds nu, dat +deze poort alle dagen met zonsopgang geopend wordt. Uwe gevangenschap +duurt niet lang, en gij moet er u in voegen, want ik sloot u op om uw +leven te redden, ja, uw leven dat in groot gevaar verkeert. Gij noemt +mijne bezorgdheid dwaasheid? Neen, Publius, zij is maar al te zeer +gerechtvaardigd, en wanneer gij sterk zijt als man, zoo ben ik het +als vrouw en door een nietswaardig spooksel zal ik mij nooit schrik +laten aanjagen. Oordeel zelf, of ik recht heb voor u te vreezen. + +"Koning Euergetes en de eunuuch Eulaeus hebben twee afschuwelijke +booswichten gehuurd, om u te vermoorden. Toen ik uitging om Irene te +zoeken heb ik alles afgeluisterd. Ik heb de verschrikkelijke wolven, +die zij op u zouden aanhitsen, met deze oogen gezien, en den aanslag +tegen u met deze ooren hooren bespreken. Het briefje op die scherf, +dat mijn naam droeg, heb ik nooit geschreven. Eulaeus heeft het +gedaan, en gij hebt u door hem in den val laten lokken en zijt in den +nacht naar de woestijn gegaan. Binnen weinige oogenblikken zullen de +moordenaars om deze plaats heen sluipen en hun offer zoeken, maar u, +Publius zullen zij niet vinden, want Klea heeft u gered, dezelfde +Klea, die gij eerst vriendelijk zijt tegemoetgekomen en wier zuster +gij daarna geroofd hebt; dezelfde Klea, die gij zooeven bedreigdet +en die nu terstond, gekleed met hoed en mantel, als een wandelaar, +dien men bij maneschijn licht voor u kan aanzien, in de woestijn zal +gaan, en haar arm hart zal prijs geven aan den dolk des moordenaars." + +"Waanzinnige!" riep Publius en trapte daarbij uit al zijn macht en +met zijne voeten tegen de deur. "Wat gij voorhebt is dolzinnig! Ik +beveel u, doe de deur open. Hoe sterk die knapen ook zijn die Euergetes +gehuurd heeft, ik ben mans genoeg mijzelven te verdedigen." + +"Gij zijt zonder wapenen, Publius, en zij hebben strikken en dolken." + +"Open dan de deur en blijf hier bij mij tot de morgen aanbreekt. Het +is niet grootsch, het is roekeloos zijn leven weg te werpen. Doe +terstond de poort open, wat ik u bidden mag--ik beveel het u!" + +Onder andere omstandigheden zouden deze woorden hare uitwerking niet +gemist hebben op Klea's gezond verstand, maar de vreeselijke stormen, +die in de laatste uren over haar hoofd waren gegaan, hadden de rust +harer ziel verstoord en geroofd. Slechts éene gedachte, éen besluit, +éen wensch, beheerschte haar geheel en al, namelijk haar aan offers +zoo rijke leven te besluiten met het grootste van alle, het offer van +zichzelve, en dat niet alleen om Irene gelukkig te maken en den Romein +te redden, maar omdat zij, de dochter van zulk een vader, met zulk eene +daad wilde eindigen; omdat zij, een meisje, Publius toonen wilde wat +de vrouw vermocht, die door hem bij eene andere werd achtergesteld; +omdat de dood haar in dit oogenblik geen ramp toescheen, en haar +geest overspannen door die vreeselijke langdurige opwinding, zich +niet kon losrukken van het denkbeeld, dat zij zich opofferen wilde, +zich opofferen moest. Die gedachte koesterde zij thans niet meer, +deze beheerschte haar gansch en al, en evenals een waanzinnige zich +gedrongen voelt hetzelfde woord altijd en altijd weder uit te spreken, +zoo zouden geene gebeden, geene afdoende redeneeringen thans in staat +zijn geweest haar af te brengen van het voornemen, om haar bloeiend +leven voor Publius en Irene prijs te geven. Met ingenomenheid en +trots beschouwde zij dit besluit, dat haar recht gaf, zichzelve als +een belangrijk persoon aan te melden. Daarom sloot zij haar oor voor +de bede van den Romein, en zeide met eene hardheid in haar stem, die +hem verraste: "Zwijg nu, Publius, en luister verder naar mij. Gij +zijt immers een edelman, en zeker, gij zult het mij dank weten dat +ik u het leven heb gered." + +"Ik weet het u dank en wil het u vergelden," zeide Cornelius, "zoolang +deze borst nog ademen kan. Maar open toch de poort, ik smeek, ik +bezweer het u." + +"Hoor mij ten einde, de tijd dringt; hoor mij ten einde, Publius. Mijn +zuster Irene is u gevolgd. Over hare schoonheid behoef ik u niets te +zeggen, maar gij weet niet hoe goed en kinderlijk vroolijk haar hart +is: dat kunt gij nu nog niet weten, maar gij zult het ondervinden. Zij, +dat moet gij nog hooren, is arm evenals ik, maar de dochter van vrije, +edele ouders. Zweer mij nu, zweer:--Neen, gij moogt mij niet in de +rede vallen; zweer mij bij het hoofd uws vaders, dat gij haar nooit +verlaten, dat gij niet anders jegens haar handelen zult, als ware +zij de eigene dochter van uw besten vriend, of van uwen broeder." + +"Ik zweer het u, en zal mijn eed houden, bij het leven van den man, +wiens hoofd mij heiliger is dan de naam der goden. Maar nu bid ik u +ook, ja beveel ik u: open mij de deur, Klea, opdat ik u niet verlieze, +en u zeggen kan, dat mijn hart u behoort, u en u alleen, dat ik u +liefheb, nameloos lief heb." + +"Ik heb uw eed," zeide het meisje in de grootste opgewondenheid, +terwijl zij van verre in de woestijn schaduwen waarnam die zich heen en +weer bewogen, "en gij hebt bij het hoofd van uw vader gezworen. Laat +het Irene nooit berouwen, dat zij u gevolgd is, en heb haar zoo lief, +als gij in deze ure mij, die u gered heb, meent lief te hebben. Denkt +beiden aan de arme Klea, die gaarne voor u geleefd zou hebben, maar +nu voor u sterft. Vergeet mij niet, Publius, want ik heb slechts eens +mijn hart voor de liefde geopend, maar u, Publius heb ik liefgehad +met smart en kwelling, en toch met het zoetste gevoel. Nooit heeft +een sterveling de zaligheid der liefde met volle teugen genoten noch +is van liefde verteerd gelijk ik." + +Zichzelve geheel vergetende, als buiten zichzelve en in een staat van +bedwelming had zij deze laatste woorden, alsof zij een jubelhymne +zong, den Romein toegeroepen. Waarom zweeg hij thans, waarom had +hij niets hierop te antwoorden, daar zij hem toch het verborgenst +mysterie van haar gemoed geopenbaard, en hem toegestaan had in het +allerheiligste van haar hart te lezen? Een stroom van gloeiende +woorden uit zijn mond zou haar terstond naar de woestijn gedreven +en den dood tegemoet gevoerd hebben; doch zijn zwijgen nagelde haar +als aan den grond, bracht haar in verwarring, en viel als een kille +regen in den helderen gloed van haren trots, als olie, die de golven +breekt, in de branding harer ziel. Zoo kon zij niet van hem scheiden, +en zij opende dus nog eens de lippen om zijn naam te roepen. + +Terwijl zij den Romein hare liefde begon te belijden, als gold het +eene beschikking bij uitersten wil, was Publius te moede als iemand +die van dorst versmacht en dien men aan een volle bron brengt, +terwijl men hem verbiedt zijne lippen met het frissche nat te +bevochtigen. Hartstochtelijke toorn vervulde zijne ziel, en terwijl +hij, bijkans vertwijfelende, met rollende oogen in zijne gevangenis +rondzag, ontmoette zijn oog een tegen den wand staand breekijzer, +waarmede de werklieden den sarkophaag van den laatst gestorven en +onlangs begraven Apis ter bestemder plaats hadden gebracht. Als +iemand die in gevaar verkeert van te verdrinken, zich werpt op een +drijvenden balk, zoo wierp hij zich op dit werktuig. Toch hoorde hij +Klea's laatste woorden, waarvan hem geen enkel ontging, terwijl hij +met het zweet op het voorhoofd, met den metalen hefboom boven den +dorpel tegen het midden der vleugeldeuren stootte. + +Thans was alles buiten stil geworden. Misschien ging de waanzinnige +de moordenaars reeds tegemoet, en de deur was geweldig zwaar en wilde +niet verwikken of verwegen. Maar hij moest haar lichten, en wierp zich +op den grond, schoof zijn schouders onder den hefboom, en drukte met +zijne gansche lichaam zoo krachtig tegen de ijzeren stang, dat zijne +beenderen dreigden te breken en zijne pezen te scheuren. Ja, hij meende +te voelen dat de deur een weinig oprees; wederom en nog eens spande +hij al zijne jeugdige mannenkracht in. Daar kraakte het hout in zijne +naden, en de vleugeldeuren van de poort vlogen open, en Klea, door +ontzetting aangegrepen, ijlde de woestijn in, de moordenaars te gemoet. + +Publius sprong terstond overeind, snelde uit zijn kerker naar buiten, +en zoodra hij Klea zag vluchten, joeg hij haar met groote sprongen +achterna, haalde haar, die door den mantel in het loopen belemmerd +werd, met enkele stappen in, en toen zij geen gevolg gaf aan zijn +verzoek om stil te blijven staan, sneed hij haar den weg af, en zeide, +niet op liefderijken toon, maar streng en gebiedend: "Gij gaat geen +stap verder; ik beveel het u." + +"Ik ga waarheen ik wil," antwoordde het meisje in groote +opgewondenheid. "Gij zult mij terstond vrij laten!" + +"Gij blijft hier, blijft hier bij mij," zeide Publius, met een +scherpe stem, greep hare beide handen bij de polsen en omvatte ze +met zijne ijzeren vingers als met vaste banden. "Ik ben een man en +gij zijt eene vrouw, en ik zal u leeren wie hier te bevelen heeft en +wie te gehoorzamen." + +Toorn en verzet hadden deze geheel onvoorbedachte woorden den Romein +op de bevende lippen gelegd, en toen Klea, terwijl hij ze uitsprak met +inspanning van al hare krachten, die geenszins gering te achten waren, +hare handen uit de zijne trachtte los te wringen, boog hij, altijd +nog hevig verstoord, maar toch niet vergetende dat zij eene vrouw was, +met onweerstaanbare en toch bezadigde kracht, hare armen en dwong haar +zich voor hem te buigen en langzaam op beide knieën neer te zinken. + +Zoodra zij aldus voor hem lag, liet Publius haar los. Terstond +bedekte zij hare oogen met hare beide handen, die haar pijn deden, +en snikte luid, zoowel van aandoening als omdat zij zich smadelijk +vernederd gevoelde. + +"Sta nu op," zeide Publius op geheel anderen toon, toen hij haar +zag weenen: "Valt het u dan zoo zwaar, u aan den wil van den man te +onderwerpen die u niet wil noch kan laten begaan, en dien gij toch +lief hebt?" + +Hoe zacht en goedig klonken die woorden. Klea sloeg, toen zij ze +hoorde, de oogen naar Publius op, en toen zij hem als een smeekeling +op haar zag nederzien, verdween haar toorn geheel en veranderde in +dankbare ontroering, en nog altijd op hare knieën hem naderende, liet +zij haar hoofd tegen hem rusten en zeide: "Ik was steeds gedwongen +op mijzelve te steunen en een ander met liefde te leiden, doch het +moet toch veel heerlijker zijn zich door de liefde te laten leiden, +en--u wil ik voor altijd gehoorzamen." + +"En ik zal u daarvoor dankbaar zijn met hart en ziel, te ieder +ure!" zeide Publius, terwijl hij haar ophief. "Gij wildet uw leven +voor mij ten offer brengen en u behoort het mijne. Ik wil alles voor +u zijn, gelijk gij voor mij; ik als uw man, gij als mijne vrouw, +tot aan het einde!" + +Hij greep met beide handen hare schouders en keerde haar aangezicht +naar zich toe. Zij bood niet langer weerstand, want het scheen haar +zoet zich te voegen naar den wil van dien sterken man. En hoe goed deed +het haar, die reeds als kind den plicht aanvaard had, zich sterk en +werkzaam te toonen, zich nu zwak te gevoelen en zich op een sterkeren +arm te durven verlaten! Zoo zou een rozestam te moede kunnen zijn, die +voor het eerst den steun gevoelt van den stok, wanneer de zorgende hand +van den tuinman hem vastbindt. Haar blik hing zoo zalig en toch zoo +angstig aan den zijne, en nauwelijks beroerde zijn mond voor de eerste +maal hare lippen tot een kus, of beiden lieten verschrikt elkander los, +want in de stilte van den nacht werd duidelijk Klea's naam geroepen, +en dadelijk liet zich in hare nabijheid een luid geschreeuw en dof +geluid hooren. + +"De moordenaars!" riep Klea, en bevende van angst over zichzelve en +voor hem, drukte zij haar hoofd tegen de borst van haar vriend. De +heldin, die zoo moedig den dood wilde tegengaan en zoo trotsch was op +haar deugd, was in weinige oogenblikken eene zwakke, hulpbehoevende, +kleinmoedige vrouw geworden. + + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Op het dak van een der pylonen-torens bij de poort van het Serapeum +stond een horoscoop, die dit hoogste punt van den tempel had beklommen +om naar de sterren te zien. Doch het scheen wel dat hij in dezen +nacht zijn plan niet kon uitvoeren, want de donkere wolken, die +langs het zwerk joegen, bedekten onophoudelijk dat gedeelte van het +firmament, aan welks waarneming hem het meest gelegen was. Eindelijk +legde hij ongeduldig zijn instrument, en daarna ook zijn wastafeltje +en schrijfstift uit de hand, en beval den vader van den kleinen +zieken Philo, die bij nacht als poortwachter de horoscopen op de +pylonen-torens moest helpen, zijne gereedschappen naar beneden te +dragen, want de hemel was heden zijn arbeid niet gunstig. + +"Gunstig!" zeide de poortwachter, het laatste woord van den horoscoop +herhalende, en zijne schouders zoo hoog optrekkende, dat zijn hoofd +daartusschen geheel verdween. "Dit is een nacht van verschrikkingen en +zeker dreigt ons een groot onheil. Ik ben nu al vijftien jaren in mijn +ambt, maar zoo iets heb ik nog maar eens beleefd, en den volgenden dag +kwamen de soldaten van den Syrischen koning Antiochus, en plunderden +onze schatkamer leeg. Ja, heden was het nog erger dan toen! Reeds bij +het opgaan van het hondsgesternte joeg er een schrikkelijk monster door +de woestijn met de manen van een leeuw; maar eerst na middernacht begon +het ontzettend gespook, en ook gij huiverdet toen het er op losging +in de Apis-graven. Verschrikkelijke dingen staan ons te wachten, als +de heilige stieren verrijzen en met hunne hoornen tegen de grafdeur +stooten, om haar open te krijgen. Dikwijls reeds zag ik boven de +oude mausoleën en de rotsgraven uit vroeger eeuwen, de zielen der +afgestorvenen fladderen en zweven en kruipen. Nu eens wiegelden zij, +als sperwers met menschenhoofden of als ibissen, met flauwe langzame +vleugelslagen in de lucht, dan weder trokken zij als ijle grauwachtige +schaduwen door de woestijn, of schuifelden zij als slangen over het +zand, of kropen zij huilende als hongerige wolven uit de poorten der +graven. Vaak hoorde ik ze blaffen als jakhalzen, soms ook lachen als +hyena's, als zij het aas ruiken. Maar heden hebben zij voor het eerst +geschreeuwd als woedende menschen, en toen gesteund en gejammerd, alsof +zij in den vuurpoel zaten en afgrijselijke pijnen hadden te lijden. + +"Zie maar eens, daar beweegt het zich weder!--O, heilige vader, +bezweer ze toch met krachtige spreuken!--Ziet gij dan niet hoe ze +groeien? Zij zijn wel tweemaal zoo groot als sterfelijke menschen!" + +De horoscoop nam een amulet in de hand, prevelde eenige spreuken +binnensmonds en zocht onderwijl met de oogen de gedaanten, die den +poortwachter zoo verschrikten. "Ze zijn lang," zeide hij, toen hij +ze ook ontdekt had, "en nu krimpen zij in en worden al kleiner en +kleiner, maar toch--. Misschien zijn het bijzonder lange grafroovers, +want ik kan bijna niet gelooven, dat deze gestalten bovenmenschelijk +groot waren." + +"Tweemaal zoo groot als gij, die niet klein zijt!" zeide de +poortwachter, en drukte zijne lippen op het amulet in de hand van +den horoscoop. "En als het roovers zijn, waarom roept dan geen wacht +hen aan? Waarom heeft hun schreeuwen en stenen de wachtposten niet +gewekt, die elken nacht daar boven in kwartier liggen?--Dat was weder +zulk een afgrijselijke jammerkreet! Hebt gij ooit dergelijke tonen +uit den mond van een mensch vernomen? Groote Serapis, ik bezwijk +van angst! Ga met mij naar beneden, heilige vader; ik wil weten hoe +het met mijn kranke zoontje is, want wie zulke dingen heeft gezien, +komt er niet zonder onheil af." + +De rust der doodenstad was wel is waar verstoord geworden, maar +de geesten der afgestorvenen hadden geen deel aan de ontzettende +dingen, die in dezen nacht in de woestijn tusschen grafmonumenten en +rotsspelonken plaats hadden. Zij, die den vrede dezer heilige plaatsen +verstoorden, waren menschen, die in koelbloedige boosaardigheid +als kwade geesten met de duisternis een verbond hadden gesloten, +om een ander mensch in het verderf te storten. Doch het waren ook +menschen, die te midden der verschrikkingen van dezen vreeselijken +nacht, in hunne borst de goddelijke kiemen, die de hemel in de zielen +zijner sterfelijke kinderen heeft gelegd, tot schoone bloesems voelden +ontplooien. Zoo wordt op den dag van een veldslag, te midden van bloed +en lijken, een kind geboren, dat zelf gelukkig en anderen gelukkig +makende, tot heil der zijnen opgroeit. + +Het monster met de leeuwenmanen, welks verschijning en haastig +verdwijnen in de woestijn den poortwachter het allereerst vrees had +aangejaagd, was op zijn verderen weg naar Memphis ook menig ander +wandelaar tegengekomen, die, verschrikt door zulk een vreemd uiterlijk, +getracht had zich te verbergen, of het op een loopen had gezet. Toch +was het eenvoudig een mensch met warm bloed, met eerlijke bedoelingen, +met een trouw en liefdevol hart. Maar die hem tegenkwamen konden +niet in zijne ziel lezen, en in zijn uiterlijk geleek hij bijzonder +weinig op andere lieden. Zijne voeten, die het loopen ontwend waren +en een kolossaal lichaam te dragen hadden, bewogen zich moeielijk, +en de ontzettende baard en de grijze haarmassa op zijn hoofd, die in +alle richtingen heen en weer vloog, gaven hem zulk een monsterachtig +aanzien, dat hij zelfs den moedigste, dien hij onvoorziens tegenkwam, +vrees moest aanjagen. + +Twee kramers, die gewoon waren overdag in de nabijheid van het Serapeum +hunne artikelen aan de pelgrims te koop te bieden, kwamen hem tegen +in de nabijheid van de stad. Terwijl zij hem nakeken zeide de een: +"Zaagt gij dat kuchend wangedrocht? Als hij niet vastzat in zijne cel, +zou ik zeggen, dat het de ruwe kluizenaar Serapion was." + +"Gekheid!" zeide de ander. "Die man is door zijne gelofte sterker +gebonden dan door ketenen en banden. Het zal een van die Syrische +bedelaars zijn, die zich rondom den Astartetempel ophouden." + +"'t Is mogelijk," antwoordde de ander onverschillig. "Laten wij maar +voortstappen, want mijne vrouw zal ons heden avond op een gebraden +gans vergasten." + +Serapion was wel vast aan zijne tent gebonden, en toch had de kramer +goed gezien, want hij was het, die daar over den grooten weg waggelde +en allen die hem tegenkwamen schrik aanjoeg. Het gaan viel hem na +zijne lange gevangenschap zeer zwaar, vooral omdat hij ongeschoeid +was, en elke steen op den weg zijn weeke voetzolen pijn deed. Toch +wist hij het te brengen tot een tamelijk snellen draf, toen hij in +de verte eene vrouwelijke gedaante zag, welke Klea zijn kon. + +Menigeen, die in zijn bijzonderen kring een heel goed figuur maakt, +wordt een voorwerp van spot voor kinderen, wanneer hij zijne kleine +omgeving verlaat, om zich met al zijne eigenaardigheden te wagen +in den stroom der wereld. Zoo ging het ook met Serapion, want in de +voorstad liepen de straatjongens hem uitjouwend achterna, en eerst +toen een drietal opgeprikte meisjes, die voor een herberg van den +dans uitrustten, luide begonnen te lachen, zoodra zij hem in het oog +kregen, en een onbeschaamd soldaat als bij ongeluk met de punt van +zijne lans hem door zijne rondfladderende haren stak, begon hij aan +zijn verwilderd uiterlijk te denken, en moest hij zichzelven bekennen +dat hij zóo nooit in het koninklijk paleis zou toegelaten worden. + +Spoedig was zijn besluit genomen en ging hij den eersten +scheerderswinkel binnen, waarin hij licht zag branden. Daar liet hij +zich door den barbier, die bij zijn binnentreden verschrikt achter +de toonbank de wijk had genomen, zijn haar en zijn baard knippen, +en zag in den spiegel, dien men hem voorhield, voor het eerst na +vele jaren weder zijn eigen aangezicht. Met een weemoedig lachje +knikte hij het verouderd gelaat toe, dat hij in den helderen metalen +schijf waarnam, betaalde wat van hem verlangd werd, en sloeg geen +acht op den medelijdenden blik, waarmede de barbier en zijn knecht +hem nakeken. Beiden meenden dat zij hunne kunst hadden uitgeoefend op +een waanzinnige, want hij had gezwegen op al wat zij zeiden, en met +een zware, akelig holle stem geroepen: "Zwetst toch zoo niet, ik heb +haast!"--Waarlijk het hoofd stond hem niet naar beuzelachtig gepraat, +neen, hij was vervuld van nijpenden angst en teedere bezorgdheid, en +zijn hart bloedde wanneer hij bedacht, dat hij zijne gelofte gebroken +en den eed geschonden had, dien hij in de hand zijner stervende moeder +had gezworen. + +Vóor de poort van het paleis gekomen, vroeg hij een politiewacht hem +bij zijn broeder te brengen, en daar hij aan dit verzoek door een fooi +klem bijzette, bracht de man hem dadelijk tot den persoon dien hij +zocht. Glaukus verschrikte niet weinig, toen hij Serapion herkende, +maar hij had de handen zoo vol, dat hij zijn broeder, wiens handelwijze +hij onverklaarbaar en misdadig noemde, slechts enkele oogenblikken +te woord kon staan. Intusschen kwam de kluizenaar te weten, dat Irene +niet door Euergetes maar door den Romein uit den tempel was ontvoerd, +en dat Klea even te voren het paleis op een wagen had verlaten, +om te middernacht van de tweede herberg te voet naar het Serapeum +terug te keeren. En het arme schepsel was zoo geheel alleen en haar +weg leidde door de woestijn, waar zij door losbandige soldaten en +lijkroovers of door jakhalzen en hyena's kon worden aangevallen! Bij +de tweede herberg zou zij haar wandeling beginnen, en dat was juist +de pleisterplaats voor slecht volk, en zijne lieveling was zoo jong, +zoo schoon en zoo weerloos! + +Opnieuw overviel hem dezelfde doodelijke angst voor haar, die hem +in zijne kluis had aangegrepen, nadat Klea den tempel verlaten had +en de duisternis was gevallen. Op dat oogenblik gevoelde hij zich +als een vader, die uit het venster van zijne gevangenis zijn lief en +weerloos kind zich ziet verdedigen tegen een roofdier. Met vreeselijke +duidelijkheid had hij zich voorgesteld al wat haar in het koninklijk +paleis, in de van beschonken soldaten krioelende stad en in de +woestijn bedreigde, en zijne bijzonder levendige verbeelding had alle +gevaren, die zijne lieveling, de dochter van dien achtenswaardigen man +tegenging, met de donkerste kleuren afgeschilderd. Als een gevangen +tijger had hij in zijn tent op en neer geloopen, nu eens tegen de +wanden gebeukt, dan weder met half voorover gebogen lichaam uit het +venster gekeken, om te zien of de gevluchte, die onmogelijk terug kon +zijn, ook misschien was wedergekeerd. Hoe donkerder het werd, des te +meer was zijn angst geklommen, des te schrikkelijker beelden deden zich +voor zijne verbeelding op, en toen eene vrouw onder de pelgrims, die +door kramp werd overvallen, in het pastophorium luid begon te gillen, +had hij zichzelven niet langer kunnen beheerschen. Hij had de van +buiten gesloten, sedert jaren niet geopende vermolmde deur van zijne +tent aan stukken getrapt, de zilveren muntstukken, die hij in zijn +koffer bewaarde, bij zich gestoken, en zich naar beneden laten glijden. + +Daar stond hij tusschen zijne kluis en den ringmuur des tempels, +en eerst nu kwam hem zijne gelofte, den eed dien hij gezworen had, +voor den geest, en hij dacht aan zijne eerste vlucht uit de cel. Toen +was hij weggeloopen, omdat de genietingen der wereld en de vreugde +des levens hem aanlokten; toen was hij een misdadiger geweest, maar +dezelfde liefde, dezelfde bezorgdheid, die hem gedrongen hadden tot +zijne kluis terug te keeren, dreven hem nu uit zijne gevangenis. Om +trouw te blijven brak hij een eed van trouw! Doch de groote Serapis +las in de harten; zijne moeder was dood en zoo lang zij leefde +steeds gaarne bereid geweest hem te vergeven. Zoo levendig meende hij +haar goedig gezicht van weleer voor zich te zien, dat hij haar had +toegeknikt, alsof zij tegenover hem had gestaan. Hij had vervolgens +een ledig vat tegen den ringmuur gerold, en was met zeer veel moeite +daarop geklommen. In het zweet zijns aanschijns moest hij tegen de +borstwering van den bouwvalligen, uit ongebakken tegels samengevoegden +muur opklauteren, bereikte vervolgens al glijdende en vallende de +gracht, die buiten om den muur liep, kroop weder tegen de overzijde +naar boven, en kon daarna eerst zijne wandeling naar Memphis beginnen. + +Wat hij in het koninklijk paleis omtrent Klea had vernomen, was niet +geschikt geweest om zijne bezorgdheid voor haar te verminderen. Zij +moest zooveel eerder dan hij den zoom der woestijn bereiken en het +harde loopen viel hem zoo zwaar, deed zijne voeten zooveel pijn! Het +was voor de poort van den koningsburcht nog even druk als gedurende +den dag, misschien gelukte het hem dus wel zich een wandelstaf te +verschaffen. Terwijl hij greep in zijne tasch, die nu met zilverstukken +was gevuld, keek hij rond, en zijn blik viel op eene rij ezels, welker +drijvers zich en hunne dieren opdrongen aan de soldaten en bedienden, +die uit de hooge poort naar buiten kwamen. Met den blik van een kenner +zocht hij het sterkste grauwtje uit, wierp den eigenaar een zilverstuk +toe, beklom den rug van het onder zijn last zuchtende dier, en beloofde +den drijver nog twee drachmen, wanneer hij hem zoo spoedig mogelijk +bracht aan de tweede herberg op den weg naar het Serapeum. Terwijl +hijzelf met zijne stevige naakte beenen het arme beest tegen de zijden +drukte, zette de drijver, die al schreeuwende en gillende achteraan +liep, zijn grauwtje van tijd tot tijd met een puntstok tot snelheid +aan, en zoo bereikte Serapion, nu eens in een korten draf dan weder +in snellen galop, slechts een half uur later dan Klea zijn doel. + +In de kroeg was het donker en ledig, doch de kluizenaar verlangde +ook geene verfrissching. Maar hij gevoelde weder behoefte aan een +wandelstok, en weldra wist hij zich er een te verschaffen door een paal +te trekken uit de omheining van den tuin, die de herberg omgaf. Deze +staf was wel zwaar, maar hij maakte hem toch het gaan gemakkelijker, +want ofschoon zijne brandende voeten hem met moeite droegen, gevoelde +hij nog een geweldige kracht in zijne armen. Dat wilde rennen had +zijne gedachten verstrooid, en zijn licht beweeglijk gemoed verkwikt, +want het herinnerde hem aan zijne vroegere zwerftochten. Nu hij echter +eenzaam door de woestijn voortstapte, dacht hij weder aan Klea en aan +haar alleen. Zoo vaak de maan achter de wolken te voorschijn kwam, +keek hij met scherpe blikken naar haar uit, riep haar van tijd tot +tijd bij den naam, en bereikte zoo de sphinxen-laan, die den Griekschen +met den Egyptischen tempel verbond. + +Uit de Apis-graven klonk hem een geluid in de ooren, alsof men aan +het kloppen was. Misschien werd daar binnen bij nacht gewerkt voor het +aanstaande feest.--Waarom werd de wachtpost heden gemist, waar anders +altijd soldaten waren gelegerd? Hadden de krijgsknechten Klea opgemerkt +en haar medegenomen?--Ook aan gene zijde van de sphinxen-laan, die +hij nu bereikt had, was alles uitgestorven, liet zich geen enkele +wachter bespeuren, hoewel de witachtige kalk der grafmonumenten en +het gele zand der woestijn zoo helder in den maneschijn glinsterden, +alsof zij zelve licht gaven. + +Met steeds klimmender bezorgdheid besteeg hij een zandheuvel, om een +ruimer overzicht te hebben, en riep luide den naam van Klea. Dáar, neen +hij bedroog zich niet, daar vertoonde zich bij eene der grafkapellen +uit vroeger eeuwen eene gedaante, die een lang kleed scheen te dragen, +en toen hij nogmaals hardop riep, naderde die gedaante hem in de +sphinxen-laan. Haastig, zoo snel hij maar kon, daalde hij af naar den +processieweg, stak het gladde plaveisel over, ter weerszijden waarvan +de leeuwen met menschenhoofden in twee rijen lagen uitgestrekt, en +klom met groote moeite op den zandberg aan de andere zijde. Inderdaad +deze arbeid was moeielijk, want telkens geraakte de zandmassa onder +zijn last in beweging, schoof naar beneden, voerde hem mede en dwong +hem met handen en voeten een nieuw standpunt te zoeken. Eindelijk +stond hij aan gene zijde van de grafkapel, waarbij hij haar die hij +zocht meende gezien te hebben. + +Doch terwijl hij klom, had een dichte wolk wederom de maan bedekt, en +was het volslagen donker geworden. Hij bracht nu beide handen aan zijn +mond, en riep zoo luid hij kon "Klea!" en nog eens "Klea!"--Daar hoorde +hij vlak in zijne nabijheid het zand kraken, en zag hij vóor zich eene +gestalte bewegen, die als uit den grond scheen opgekomen. Dat kon Klea +niet zijn, dat was een man. Doch misschien had deze zijne lieveling +gezien. Eer hij evenwel tijd vond om hem aan te roepen, werd hij +onverwachts door een slag getroffen, die met verbazende kracht tegen +zijn rug tusschen de schouders aankwam. De zandzak van den moordenaar +had de rechte plaats in zijn nek gemist, en Serapion's krachtige +ruggegraat zou ook aan een sterker slag weerstand hebben geboden. + +Niet minder snel als van het gevoel van smart werd hij zich van de +zekerheid bewust, dat hij door roovers werd aangevallen, en dat hij +verloren zou zijn, wanneer hij niet bedaard zich ging verweren. Wederom +hoorde hij achter zich beweging in het zand. Zoo snel mogelijk draaide +hij zich om, en met den uitroep: "Vervloekt adderengebroed!" sloeg hij +met zijn zwaren wandelstok, als een smid op een gloeiend stuk ijzer, +op de gedaante toe, waarin zijn nu meer aan het donker gewende oog, +stellig en zeker een man herkende. + +Serapion moest goed getroffen hebben, want zijn tegenstander liet een +schrikkelijk gebrul hooren, zonk in elkaar, wentelde zich kreunend en +stenend in het zand, slaakte ten laatste nog een schrillen kreet en +bleef toen stijf en roerloos liggen. De kluizenaar kon in het donker +de bewegingen van den zwaar gestraften roover onderscheiden, en door +onrust en medelijden gedreven boog hij zich over den verslagene, +toen hij huiverend vochtige handen aan zijne voeten, en terstond +daarop twee steken in zijn rechterhiel voelde, die zooveel pijn deden, +dat hij het luide uitschreeuwde, en zich gedwongen zag het gekwetste +been naar zich toe te halen. Daarbij vergat hij echter niet, dat het +zijn plicht was zich te verdedigen. Woedend als een getroffen stier, +razende en vloekende hieuw hij met zijn paal om zich heen, maar hij +trof alleen den grond. Toen zijne slagen elkander steeds langzamer +opvolgden, en eindelijk zijn weldra uitgeputte arm den zwaren paal +niet meer kon houden, en hij zich zelfs gedwongen zag op de knieën +neer te zinken, riep een schelle stem hem toe: + +"Gij hebt mijn metgezel om het leven gebracht, Romein, en daarom heeft +een tweebeenige slang u gestoken. In een klein kwartier is het uit +met u, evenals met dien daar. Waarom gaat zulk een voornaam heer ook +uit zonder stevels en sandalen tot een samenkomst met zijn liefje in +de woestijn, en maakt hij ons den arbeid zoo licht! Koning Euergetes +en uw vriend Eulaeus laten u groeten. Gij hebt het aan hen te danken, +dat ik u laat wat gij bij u hebt.--Kon ik nu dien dooden klomp daar +maar uit den weg krijgen!" + +Onder deze ruwe woorden lag Serapion op den grond van pijn te krimpen, +en vermocht alleen de vuisten te ballen en met zijne steeds droger +wordende lippen verwenschingen uit te stooten. Zijn gezicht was nog +onverzwakt, en zoo kon hij bij het schijnsel der maan, die nu weder +in een ruim wolkenloos vak aan den hemel te voorschijn kwam, duidelijk +waarnemen, hoe de moordenaar zijn best deed, om zijn verslagen metgezel +met zich voort te sleuren, en vervolgens, nadat hij luisterend het +hoofd had opgestoken, opsprong en in aller ijl de vlucht nam. Opeens +verloor hij zijn bewustzijn, en toen hij na weinige minuten de +oogen weder kon opslaan, rustte zijn hoofd zacht in den schoot eener +jonkvrouw, en het was de teedere stem van zijne lieveling Klea die hem +vroeg: "Gij arme, arme vader, hoe komt gij hier in de woestijn, en in +de handen der moordenaars? Herkent gij mij, uwe Klea? Hij die naar uwe +wond zoekt, welke niet te vinden schijnt te zijn, is Publius Scipio, +de Romein. Zeg ons eerst waar u de dolk trof, opdat ik u dadelijk +verbinde. Ik ben toch half een arts en versta de kunst, dat weet gij." + +De kluizenaar trachtte zijn gelaat naar Klea toe te keeren, +maar toen hem dit niet gelukken wilde, zeide hij zacht: "Leg mij +tegen den steilen wand van de grafkapel hiernevens, en zet u dan, +lief meisje, tegenover mij, want ik wil u aanzien, terwijl ik +sterf. Voorzichtig, voorzichtig, waarde Publius; het is alsof al +mijne leden van Phoenicisch glas zijn, dat bij de minste aanraking +breekt. Heb dank, jonge vriend, gij hebt sterke armen, en kunt mij +nog wel een weinig hooger optillen. Zoo, nu zit ik draaglijk, neen +goed, benijdenswaardig goed, want bij het licht der maan kan ik nu +uw aanvallig gelaat zien, meisjelief, en ik bespeur tranen op uwe +wangen, die zeker mij, ouden knorrepot, gelden. Ja dat doet goed, +dat doet uitnemend goed, zóo te sterven." + +"O vader, vader!" riep Klea. "Zoo moogt gij niet spreken. Gij zult +leven, niet sterven, want zie, deze Publius verlangt mij tot vrouw, +en de hemelsche goden weten, hoe gaarne ik hem volg; en Irene zal +bij ons blijven, als ons beider zuster. Dat zal u toch genoegen doen, +mijn vader!--Maar zeg nu eens, waar brandt toch de wond, waar heeft +de moordenaar u getroffen?" + +"Kinderen, kinderen," stamelde de kluizenaar, en een lachje verhelderde +zijn gelaat. "Dat ik dit nog beleven mag, dat--ja dat is vriendelijk +van de genadige goden, en om dit te bewerken, zou ik gaarne twintigmaal +gestorven zijn." + +Terwijl hij zoo sprak bracht Klea zijne hand, die reeds koud begon +te worden, aan hare lippen, en zeide, hoewel de droefheid haar het +spreken bijna belette: "Maar de wond, vader, de wond!" + +"Vraag daar niet naar," antwoordde de kluizenaar. "Een snelwerkend +vergif, geen dolk of pijl sloopt mijne krachten. Ik kan nu rustig +heengaan, want gij hebt mij niet meer noodig. Gij, Publius, zult nu +mijne plaats bij haar innemen, en gij zult beter voor haar kunnen +zorgen dan ik.--Klea, de vrouw van Publius Scipio! Ik heb wel eens +gedroomd, dat het er toe komen zou. Altijd heb ik wel geweten, en +duizendmaal heb ik tot mij zelven gezegd, gelijk ik het thans tot +u zeg, mijn zoon: Deze Klea, zij heeft een goed karakter en is den +edelsten man waardig. U, waarde Publius, gun ik haar.--Geeft elkander +nu de handen, dat ik het zie, want ik ben een vader voor haar geweest." + +"Ja, dat zijt gij geweest," zeide Klea, snikkende. "Zeker hebt gij +om mijnentwil, om mij te beschermen uwe kluis verlaten en den dood +gevonden!" + +"Het geluk, het geluk...." stamelde de oude. + +"De moordenaars," zeide Publius, terwijl hij Serapion's hand greep, +"waren tegen mij afgezonden, en zij hebben u in plaats van mij +getroffen. Nog eens, waar is uw wond?" + +"Het noodlot wordt aan mij vervuld," antwoordde de kluizenaar, "tegen +welks besluit geene geslotene cel, geen arts, geen genezend kruid +kan baten. Ik sterf aan slangengif, zoo als bij mijne geboorte was +voorspeld. Al ware ik niet uitgebroken om Klea te zoeken, dan zou +eene slang in mijne kooi zijn geslopen, om toch een einde te maken +aan mijn leven. Geeft mij de hand, kinderen, de ijzige doodskoude +klimt al hooger en hooger, en raakt met hare vingers reeds mijn hart--" + +Gedurende eenige oogenblikken begaf hem de stem, daarna sprak hij +zacht: "Eene bede heb ik nog aan u. Laat het weinige dat ik bezit, +en dat voor u en Irene bestemd was, nu gebruikt worden voor mijne +begrafenis. Ik wil niet verbrand worden, gelijk zij mijn vader +hebben gedaan, neen, zij moeten mij balsemen, gelijk het behoort, +en mijne mummie naast die mijner moeder plaatsen. Als we elkander na +den dood wederzien, en daar geloof ik aan, dan zou ik het liefst haar +nog eens ontmoeten, want zij heeft mij zoo liefgehad, en het is mij +alsof ik weder klein was, en mijne armpjes om haren hals sloeg. In +een ander leven ben ik misschien geen kind des ongeluks, gelijk in +dit--in een ander leven.... Nu grijpt de dood mijn hart aan!--In een +ander.... Kinderen, wanneer ook in dit leven de zaligheid mij heeft +toegelachen, kinderen, dan dank ik het u, Klea.... Daar is ook mijne +kleine Irene!" + +Dit waren de laatste woorden van de kluizenaar Serapion; met een +diepen zucht rekte hij zich uit en was gestorven. + +Klea en Publius drukten hem liefderijk de trouwe oogen toe. + + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +In den Egyptischen tempel, in de nabijheid van de Apis-graven, waren +zoomin als in het Grieksche Serapeum, de vreemde geluiden, die de +kalmte van den nacht hadden verstoord, onopgemerkt gebleven. Doch er +heerschte weder volmaakte stilte in de doodenstad, toen eindelijk +de groote poort van het heiligdom van Osiris-Apis werd geopend, +en eene kleine priesterschaar, geordend als bij eene processie, en +voorafgegaan van tempeldienaars, die men met offermessen en bijlen +gewapend had, naar buiten trad. + +Publius en Klea, die bij het hoofd van hun gestorven vriend gezeten, +trouw waakten voor zijn lijk, zagen hen komen. "Het zou toch nog +minder betamelijk zijn geweest," zeide de eerste, "u in dezen nacht, +zonder mijn geleide, naar een der tempels te zenden, dan onzen armen +vriend hier onbewaakt te laten liggen." + +"En ik herhaal nog eens," zeide Klea met nadruk, "dat wij de +mogelijkheid, om Serapion's laatsten wensch in zijn geest te vervullen, +zouden verspeeld hebben, wanneer een hyena of een jakhals zijn lijk +in onze afwezigheid zou hebben geschonden. Ik ben zoo blijde dat ik +den dooden vriend ten minste bewijzen kan, hoe dankbaar ik hem ben +voor al het goede, dat hij aan ons, zoolang wij leefden, bewezen +heeft. Waarlijk den afgestorvene mogen wij erkentelijk zijn, want +hoe plechtig en schoon was deze ure bij zijn lijk! Onrust en strijd +hebben ons saamgebracht...." + +"En hier," zeide Publius, het woord nemende, "hebben wij een goeden +en duurzamen vrede gesloten voor ons leven." + +"Ik neem dien gaarne aan," antwoordde Klea en sloeg de oogen neder, +"want ik ben de overwonnene." + +"Gij hebt mij te voren bekend," hernam Publius, "dat gij nooit +ongelukkiger waart geweest, dan toen gij meendet u tegenover mij +sterk getoond te hebben; en ik zeg u, dat gij mij nooit zoo groot en +tegelijk zoo beminnelijk zijt voorgekomen, dan toen gij te midden van +uw zegepraal den slag verloren gaaft. Eene ure als deze doorleeft +men maar eens. Ik heb een goed geheugen, maar mocht ik haar ooit +vergeten, en ruw en driftig zijn, gelijk nu eenmaal mijne natuur +is, herinner mij dan aan deze plek en aan dien gestorvene daar, +en de ijskorst van mijn hart zal smelten, en ik zal mij voor den +geest brengen, dat gij eens bereid zijt geweest, uw leven voor mij +op te offeren. Ik zal het u gemakkelijk maken, want om den man te +eeren, die zijn leven voor u prijsgaf, en die in mijne plaats werd +vermoord, voeg ik--en dat zal ik ook in Rome niet veranderen--zijn +naam Serapion bij den mijne. Hij heeft ons als vader behandeld, +en daarom wil ik zijn aandenken zoo hoog in eere houden, als ware +ik zijn zoon geweest.--Het was mij altijd onverdraaglijk schulden +te hebben, maar hoe ik u, hetgeen gij heden voor mij gedaan hebt, +terugbetalen zal, dat begrijp ik thans niet. En toch zal ik gaarne +bereid zijn dagelijks en te ieder ure eene nieuwe gave der liefde +van u te ontvangen. Een schuldenaar, zegt men, is half een gevangene, +en daarom bid ik u uw overwinnaar genadig te behandelen." + +Hij greep hare hand, streek haar de haren van het voorhoofd en raakte +het zacht met zijne lippen aan. Toen ging hij voort: "Ga nu met mij +mede, om den doode aan de priesters daar ginds over te geven." + +Klea boog zich nog eens over het lijk van den kluizenaar heen, hing de +amulet, die hij haar op weg had medegegeven, om zijn hals, en volgde +toen zwijgend haren vriend. Zoodra zij de processie bereikt hadden, +deelde Publius den aanvoerder mede, hoe zij Serapion hadden gevonden, +en verzocht hem het lijk te laten weghalen en op de kostbaarste +wijze in het bij hun tempel behoorende huis, ter balseming voor de +begrafenis te laten gereed maken. Eenige tempeldienaars plaatsten +zich daarop bij het lijk om de wacht te houden en de optocht ging, +nadat men Publius verscheidene vragen had gedaan en ook het lijk van +den verslagen moordenaar was gevonden, naar den tempel terug. + +Toen de beide geliefden weder alleen waren, greep Klea hartstochtelijk +de hand van Cornelius en zeide: "Gij hebt vriendelijke woorden tot +mij gesproken, en ik dank u daarvoor, doch ik ben gewoon oprecht te +zijn, en nog minder dan ieder ander zou ik u willen bedriegen. Wat +uwe liefde mij ooit zal geven, zal een geschenk voor mij zijn, +want gij zijt mij niets schuldig, maar ik u des te meer. Want gij +hebt, gelijk ik thans weet, mijne zuster gerukt uit de handen van den +machtigste hier in dit land, en toen ik vernam dat Irene u gevolgd was, +en dat moordenaars uw leven bedreigden, heb ik waarlijk geloofd, dat +gij het meisje verleid hadt om u als haren minnaar te volgen. Toen, +ja toen haatte ik u; toen--ik moet het bekennen--toen wenschte ik in +mijne schrikkelijke verblinding u den dood toe." + +"Meent gij," vroeg Publius, "dat deze wensch mij zou krenken? Neen, +liefste, zij leert mij eerst recht, dat gij mij bemint, zooals ik +bemind wil zijn. Zulk een toorn, in zulk een toestand, is de donkere +schaduw der liefde, en is van haar even onafscheidelijk als van alles +wat werkelijk bestaat. Waar die schaduw wordt gemist, daar kan van +zoo iets geen sprake zijn, daar heeft men te doen met een vluchtig +droombeeld, met een schim, met een ijdel niets. Eene Klea kan niet +half beminnen, niet half haten. Maar evenals bij elke andere vrouw, +is er ook in u voor mij iets raadselachtigs. Hoe veranderde toch in +u de wensch, om mij te zien sterven, in het ontzettend besluit om u +voor mij te laten dooden?" + +"Ik zag de moordenaars," antwoordde Klea, "en werd aangegrepen door +afschuw van hen en van hun voornemen, en van alles wat daarmede verwant +is. Ik wilde Irene's geluk niet verstoren, en ik beminde u toch nog +oneindig vuriger dan ik u haatte, en toen,--doch zwijgen wij daarvan!" + +"Neen, zeg alles!" + +"Toen kwam er een oogenblik...." + +"Welnu, Klea?" + +"Toen--ik heb die laatste uren, terwijl wij daar straks, weinig +sprekende, hand in hand bij het lijk van den armen Serapion zaten, +ten tweedenmale doorleefd--toen greep het middernachtelijk gezang +der priesters mij in de ziel, en toen ik onder de tonen van dit +vrome lied mijn hart verhief, was het mij alsof alles wat binnen in +mij was verstijfd en verhard, werd verzacht en verwarmd, en nieuwe +beweegkracht ontving. Ik moest weder denken aan al wat recht en goed +is, en snel vatte ik toen het besluit op, mij voor uw geluk en dat +van Irene op te offeren, en dat plan kon ik niet weer opgeven. Mijn +vader behoorde tot de leerlingen van Zeno...." + +"En gij," zeide Publius, haar in de reden vallende, "wildet handelen +overeenkomstig de leer van de Stoa [26]. Ik ken haar ook, maar +vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou +zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer +voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een +enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden +en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust, +de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij +kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze +eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van +deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw, +en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad, +maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus +hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader +leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat +het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden." + +"O Publius," zeide Klea, terwijl zij de hand van haren vriend vatte, +"ik versta u en weet dat gij gelijk hebt. Ongelukkig is de vrouw, +zoolang zij meent sterk van geest te zijn, en in den waan verkeert, dat +zij geen anderen steun noodig heeft, dan haar eigen willen en denken, +geen anderen raadsman dan een verstandig uitgedacht leerstelsel, +dat zij slechts heeft aan te nemen. Eer ik u bezat en trotsch op +mijn deugd mijn eigen weg ging, was ik--ik mag er thans niet meer aan +denken--slechts klein, terwijl ik me voor groot hield. Maar nu weet +ik, ook al mocht het noodlot u van mij wegnemen, den steun te vinden, +waarop ik mij in nood en vertwijfeling kan verlaten. Niet in de Stoa, +niet in zichzelve kan eene vrouw dien steun vinden, maar wel in vroom +vertrouwen op de hulp der goden." + +"Ik ben een man," zeide Publius, even het woord nemende "en toch +offer ik hun en buig ik mij gewillig voor hunne raadsbesluiten." + +"Doch ik zag," vervolgde Klea, "gisteren in den tempel van Serapis +door zijne dienaars onwaardige dingen bedrijven, en dat deed mij leed, +dat stuitte mij tegen de borst, en daardoor verloor ik de godheid +uit het oog; maar de diepste ellende, de innigste liefde deden mij +haar wedervinden. Ik kan mij de kracht, die de wereld onderhoudt, +niet meer zonder liefde, en de liefde, die de menschen zoo gelukkig +maakt, niet meer zonder godheid denken. Wie eens voor een dierbaar +wezen heeft gebeden, gelijk ik in de woestijn voor u, die verleert het +bidden nimmermeer. Zulk een smeekgebed is zeker niet te vergeefs. Ook +al is er geene godheid die het hoort, in het gebed zelf ligt toch +eene wonderbare versterkende kracht.--Nu ga ik bedaard naar onzen +tempel terug, tot gij mij afhaalt, want ik weet dat wijzen en goeden, +die weten te zwijgen, trouw over onze liefde waken." + +"Gij wilt mij dus niet vergezellen naar Apollodorus en Irene?" vroeg +Publius verrast. + +"Neen," antwoordde Klea vriendelijk, "breng mij liever naar het +Serapeum terug. Niemand heeft mij nog ontslagen van den plicht, +dien ik daar op mij nam en het zal voor ons beiden voegzamer zijn, +wanneer Asklepiodorus u de dochter van Philotas tot vrouw geeft, +dan wanneer gij u verbindt met eene geroofde dienares van Serapis." + +Publius zag een oogenblik voor zich, daarna zeide hij op levendigen +toon: "Ik zou toch willen, dat gij met mij medegingt. Gij zult zwaar +vermoeid zijn, maar ik voer u op mijn muildier naar den beeldhouwer +Apollodorus. Aan de praatjes van de menschen stoor ik mij weinig, +wanneer ik mijzelven bewust ben goed te handelen. En voor Euergetes +zal ik u weten te beschermen, hetzij dat gij begeert weder in den +tempel toegelaten te worden, of mij naar den kunstenaar te volgen. Kom +nu mede, het valt mij te zwaar weder afscheid van u te nemen. De +overwinnaar legt zijn krans niet ter zijde, onmiddellijk nadat hij +dien in een zwaren strijd heeft gewonnen." + +"Toch verzoek ik u mij naar het Serapeum terug te brengen," hernam +Klea, terwijl zij hare rechterhand in die van Cornelius legde. + +"Vindt gij den weg naar Memphis te lang, en gevoelt gij u geheel +afgemat?" + +"Ik ben zeer uitgeput van opwinding en angst, van smart en vreugde, +en toch zou ik den rit wel kunnen uithouden. Maar ik blijf bij mijn +verzoek mij naar den tempel terug te brengen." + +"Niettegenstaande gij u krachtig genoeg gevoelt om mij te vergezellen, +en ondanks mijn verlangen om u terstond naar Apollodorus en Irene te +brengen?" vroeg Publius verwonderd, en trok zijne hand uit de hare +terug. "Daar beneden staat het muildier te wachten. Leun op mijn +arm. Kom en doe naar mijn wensch!" + +"Neen, Publius, neen! Gij zijt mijn heer en altijd wil ik u gehoorzamen +zonder weerstand te bieden. Slechts in éen ding moet ge mij heden en +ook in het vervolg vrijlaten. Wat eene vrouw betaamt, weet ik beter +dan gij, dat kan alleen de vrouw beoordeelen." + +Publius antwoordde niets op deze woorden, maar hij kuste haar, sloeg +zijn arm om haar midden en zóo zij aan zij wandelende, bereikten zij +de poort van het Serapeum, om daar voor weinige uren van elkander +afscheid te nemen. + +Klea werd in den tempel binnengelaten, en zoodra zij gehoord had, dat +het den kleinen Philo beter ging, strekte zij zich op hare armoedige +legerstede uit. Hoe eenzaam scheen haar nu die kamer toe, hoe verlaten +zonder Irene? Eene ingeving van het oogenblik volgende, stond zij op +van haar eigen bed, legde zich op dat van Irene neder, alsof haar dit +nader bracht bij de thans ver van haar verwijderde zuster, en sloot +de oogen. Maar zij was te vermoeid en nog te opgewonden, om vast te +slapen. Allerlei droomen, die elkander snel afwisselden, verstoorden +telkens haar oprecht dankgebed en haren ongerusten slaap, en tooverden +haar nu eens wonderbaar schitterende, dan weder verschrikkelijke, +nu eens lieflijke en zalige, dan weder akelige en treurige beelden +voor den geest. Daarbij was het haar te moede, als hoorde zij muziek +in de verte en als wiegden onzichtbare handen haar op en neder. Het +indrukwekkend beeld van den Romein overheerschte alle andere. + +Eindelijk sloot een verkwikkende slaap hare oogen. Zij droomde zich +in het huis van den geliefde te Rome. Zij zag zijn deftigen vader, +en zijne eerwaardige moeder, die op de hare scheen te gelijken, en +vele groote en strenge senatoren. Zij gevoelde zich beklemd onder al +deze vreemden, die haar vragend aankeken en vervolgens haar goedig +de hand reikten. Ook die edele matrone naderde haar vriendelijk en +omhelsde haar. Toen Publius echter zijne armen voor haar opende en +zij aan zijne borst vloog en zijne lippen op de hare meende te voelen, +klopte de dienstmaagd, die iederen morgen de ronde deed om te wekken, +aan hare deur, zoodat zij ontwaakte. + +Ditmaal verheugde zij zich over haar droom en gaarne had zij langer +geslapen; maar zij vermande zich en stond van hare legerstede op, +en eer de zon geheel verrezen was, was zij aan de bron en vulde, +om haar plicht niet te verzuimen, beide kruiken met water voor het +altaar van den god. Vermoeid en nog slaapdronken zette zij de gouden +kruiken op hun plaats, en rustte aan den voet van een pilaar uit, +terwijl een priester het door haar aangedragen water als dankoffer +over den grond uitgoot. + +Het was geheel dag geworden, toen zij daarna weder door de vele +zuilen van den tempelhal in den voorhof keek. Het pas opgegane +licht speelde om de zuilen, en zijne schuinsche stralen vielen door +de hooge poort in de zaal, waar het anders zoo schemerdonker was, +maar die zij nu tot aan het einde helder verlichtte. Hoe plechtig, +hoe verheven kwam haar nu deze plaats voor, die als opnieuw gewijd +scheen! Een onweerstaanbaren drang volgende, sprak zij, tegen een +pilaar geleund, met omhooggeheven armen en oogen, voor den god haar +dank uit, omdat hij zoo goed was geweest, en zij wist niet anders te +bidden dan dit éene, dat hij Publius en Irene en haar zelve en alle +menschen voor leed en kommer en misleiding bewaren mocht. Zij was +te moede alsof haar hart een donker lichaam was geweest, dat opeens +het vermogen had ontvangen om helder te lichten; alsof het verdord +was geweest en nu eene groeikracht had verkregen, die frisch groen +en schoone veelkleurige bloemen te voorschijn riep. + +Het is ook hun vergund goed te handelen, die, op eigen krachten +steunende, met zedelijken ernst hunne krachten inspannen, om naar +de beginselen van recht en waarheid te leven; maar de deugd en het +waarachtig innerlijk geluk vieren het feest van hunne verbintenis +alleen in zulke harten, die een god weten te zoeken en te vinden, +hij moge dan Serapis of Jahveh heeten. + +Aan de poort van het voorhof ontmoette Klea onverwachts Asklepiodorus, +die haar beval hem te volgen. De opperpriester had vernomen dat zij +heimelijk den tempel had verlaten. Toen zij in zijn stil vertrek +met hem alleen was, vroeg hij haar ernstig en gestreng, waarom zij +de wet overtreden en zonder zijne toestemming het heiligdom verlaten +had. Klea vertelde hem daarop, hoe de angst over hare zuster haar naar +Memphis had gedreven, en zij daar vernomen had, dat de Romein Publius +Cornelius Scipio, die zich de zaak van haar vader had aangetrokken, +Irene uit de handen van koning Euergetes gered en in veiligheid +gebracht had. Midden in den nacht was zij alleen teruggekeerd. + +De opperpriester scheen zich over dit bericht te verheugen, en toen zij +verder mededeelde, dat Serapion uit bezorgdheid over haar zijne tent +verlaten en in de woestijn den dood gevonden had, zeide Asklepiodorus: +"Dit alles wist ik mijn kind. De goden mogen den kluizenaar vergeven, +en Serapis hem die zijn eed verbrak aan gene zijde des grafs genade +verleenen; het noodlot is aan hem vervuld. Maar voor u, meisje, hebben +betere sterren bij uwe geboorte geschenen, en het ligt in mijne hand u +ongestraft te laten. Gaarne doe ik het, en, Klea, als mijne Andromeda +groot wordt, hoop ik dat zij op u gelijken zal. Dit is de hoogste lof, +dien een vader aan de dochter van een ander geven kan. Als bestuurder +van dezen tempel beveel ik u, uwe kruik heden als altijd te vullen, +totdat iemand, die uwer waardig is, zich bij mij aanmeldt en u tot +vrouw begeert. Ik denk, dat hij zich niet lang zal laten wachten." + +"Hoe weet gij, mijn vader..." vroeg Klea blozend. + +"Ik lees het uit uwe oogen," antwoordde Asklepiodorus, en keek haar +vriendelijk na, toen zij op zijn wenk het vertrek verliet. + +Zoodra hij alleen was, liet hij zijn schrijver roepen en zeide: "Koning +Philometor heeft bevolen, dat de geboortedag van zijn broeder Euergetes +heden te Memphis zal gevierd worden. Laat alle vanen hijschen en de +bloemkransen, die weldra uit Arsinoë zullen aankomen, aan de pylonen +bevestigen, de offerdieren naar buiten voeren, en tegen den namiddag +een optocht aankondigen. Alle tempelbewoners moeten in feestkleedij +zijn.--Maar nu wat anders. Komanus is hier geweest, en heeft ons in +den naam van koning Euergetes groote beloften gedaan en verklaard, +dat hij zijn broeder Philometor zou bestraffen, omdat hij een onzer +tempelgenooten, Irene, had geroofd. Hij laat ons tevens verzoeken +de kruikdraagster Klea, de zuster van de geroofde, naar Memphis te +zenden om verhoord te worden. Maar dat zal niet gebeuren. Ook heden +sluiten wij de tempelpoorten, vieren het feest onder ons en laten +niemand tot offerande of gebed binnen onze muren toe, tot het lot der +beide zusters verzekerd is. Al wilden de koningen zelve verschijnen +en hunne soldaten mede binnenvoeren, dan zullen wij hen eerbiedig +ontvangen, gelijk het betaamt, maar in plaats van hun Klea uit te +leveren, brengen wij haar in het Allerheiligste, dat zelfs Euergetes +niet waagt zonder mij te betreden. Want met onze jonkvrouw zouden +wij onze waardigheid en met haar onszelven prijs geven." + +De schrijver boog en meldde daarop twee propheten van Osiris-Apis +aan, die Asklepiodorus wenschten te spreken. Klea had deze mannen, +toen zij den opperpriester verliet, in het voorvertrek ontmoet, +en opgemerkt dat de een den sleutel in de hand had, waarmede zij de +poort der Apis-graven geopend had. Zij verschrikte en voelde dat het +haar plicht was, den priesterlijken vriend terstond mede te deelen, +hoe slecht zij zijn last had uitgevoerd. De oude Krates zat, toen +zij bij hem binnentrad, met omzwachtelde voeten aan zijn werk en +verblijdde zich over haar komst, want bezorgdheid voor haar en Irene +had hem in zijn nachtrust gestoord, en tegen den morgen was zijne +vrees door een akelig droombeeld tot angst gestegen. Bemoedigd door +de vriendelijke begroeting van den anders zoo knorrigen grijsaard, +bekende Klea, dat zij verzuimd had den sleutel aan den smid in de +stad af te geven, dat zij de poort der Apis-graven daarmede geopend +en vergeten had dien weder uit het nieuwe slot te halen. + +Toen hij dit hoorde vloog de oude in drift op, smeet het ijzeren +stangetje, dat hij met de vijl bewerkte, op zijn werktafel en riep: +"Zóo hebt gij u dus van uw last gekweten! Het was voor het eerst dat +ik eene vrouw vertrouwde, en nu heb ik mijn loon! Dit alles zal u en +mij slecht bekomen, en als zij te weten komen, dat door mijn schuld en +de uwe het heiligdom der Apis-graven ontwijd werd, zoo zullen ze mij +met recht allerlei boeten opleggen, en u straffen met gevangenschap +en honger." + +"En toch, mijn vader," antwoordde Klea bedaard, "gevoel ik mij zonder +schuld, en misschien zoudt gij in den afgrijslijken toestand waarin +ik verkeerde, niet anders gehandeld hebben dan ik." + +"Dat meent gij--dat durft gij gelooven?" zeide de oude man, +stotterend. "En als zij nu den sleutel en misschien ook het slot +gestolen hebben, en ik dit kunstig en moeitevol werk voor niet heb +gedaan?" + +"Welke dief zou zich aan de heilige graven vergrijpen?" vroeg Klea +schuchter. + +"Zijn ze dan zoo onschendbaar?" antwoordde Krates, met een +wedervraag. "Zulk een armzalig schepsel als gij zijt, heeft het zelfs +gewaagd ze te openen.--Doch wacht, wacht even; als mijne voeten mij +maar niet zooveel pijn deden..." + +"Hoor mij," smeekte het meisje, terwijl zij den verbolgen smid +naderde. "Gij kunt zwijgen, dat hebt ge mij gisteren getoond. Als ik +u verteld zal hebben, wat ik in dezen nacht heb doorleefd en ervaren, +dan zult gij mij vergeven, dat weet ik zeker." + +"Als ge u maar niet vergist!" zeide de smid. "Het moet wel iets +buitengewoons zijn, dat mij zou kunnen bewegen, zulk een plichtverzuim +en zulk een misdrijf ongestraft door de vingers te zien!" + +En het was iets buitengewoons, dat de oude vernam, want toen Klea het +verhaal van alles, wat zij in den nacht had ondervonden, geëindigd had, +stonden hare oogen niet alleen maar ook die van den smid vol tranen. + +"Die verdoemde beenen!" bromde hij, toen zijn oog den vragenden +blik van de jonkvrouw ontmoette, terwijl hij met de mouwen van zijn +kleed zijne vochtige wangen afdroogde. "Ja zulk een gezwollen voet +doet zeer, meisje, en zulk een kreupele als ik, is niet altijd van de +sterksten. Oude vrouwen worden soms mannen, en oude mannen vrouwen. Ja, +die ouderdom! Zulke voeten te hebben is erg, maar nog veel erger, +dat het geheugen met de jaren vermindert. Daar heb ik gisteren avond, +meen ik, den sleutel laten steken in de deur van de Apis-graven. Ik +zal dadelijk een boodschap naar Asklepiodorus zenden, opdat hij de +Egyptenaars van de overzijde, die aan mij verplichting hebben wegens +verschillende werken, uit mijn naam om verontschuldiging vrage." + + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +De donkere wolken, die in den afgeloopen nacht het blauw van den hemel +verduisterd en het licht der maan telkens onderschept hadden, waren +alle verdwenen. De noordoostenwind, die tegen den morgen opstak, had ze +uiteengedreven, en de wolkenverslindende Zeus de laatste opgeslokt. Het +was een heerlijke morgen, en toen de dagvorstin hooger steeg, en ook +den witten nevel, die over den Nijl zweefde, en het waas, dat over +het oostelijk gebergte als een fijn doorzichtig kleed van blauwgrijze +wol lag uitgespreid, sneller en sneller uiteen scheurde en optrok, +toen verdween ook de kilheid van den nacht uit de donkerste hoeken der +stad, die als een smalle strook zich mijlen ver langs den oever van den +stroom uitstrekte. En het heerlijke heldere licht, dat de straten en +huizen, de paleizen en tempels, de tuinen, lanen en tallooze schepen +in de haven van Memphis bestraalde, ging gepaard met eene warmte, +die ook hier bij het begin van een winterdag zoo welkom was. + +Aan den oever van den Nijl krioelden schippers en matrozen dooreen, +die van den noordoostenwind gebruik wilden maken om stroomopwaarts te +varen, en onder luid gezang werden de zeilen geheschen en de ankers +gelicht. De oever was zoo dicht bezet met schepen, dat men niet +begreep, hoe zich die welke zeilree lagen, tusschen de andere door een +weg zouden banen. Toch vond elk een geul, waardoor het eindelijk het +vaarwater bereikte, en weldra wemelde de stroom van booten, die allen +naar het zuiden zeilden. Het was alsof de Nijl met een onafzienbaar +leger van drijvende tenten was bedekt. + +Op de havenkade bewogen zich lange treinen van hoogbepakte kameelen, +minder zwaar beladene ezels en donkerkleurige slaven. De laatsten +zongen, alsof het dagwerk hun niet vermoeide, en hunne opzichters +droegen de zweep tusschen den gordel. Hier en ginds werden ossenkarren +geladen, of kwamen met koopwaren naar de landingsplaats. Rondom +enkele groote kooplieden, waarvan de meeste op Grieksche wijze en +maar enkele als Egyptenaars gekleed waren, begonnen zich de schippers +reeds te verdringen, ten einde hunne ladingen aan den man te brengen, +of hunne vaartuigen opnieuw te verhuren. Het drukst ging het toe op +dat gedeelte van de haven, waar de tolbeambten onder groote tenten +gezeten waren. Want de meeste schepen wierpen voor Memphis alleen +het anker uit, om den Nijltol op 's konings tafel te leggen. + +Niet minder groote verscheidenheid en afwisseling zag men op de +markt in de nabijheid van de haven. Dáar lagen dadels en graan, +ossenhuiden en gedroogde visch bij groote hoopen opgestapeld. Daar +werden gansche kudden vee onder geloei en geblaat samengedreven, om +aan de meestbiedenden verkocht te worden. Evenals pauwen en bonte hanen +te midden van hennen, die op een hoenderhof druk in de weer zijn, zoo +vertoonden zich ook hier, te midden der bedrijvige menigte, soldaten +te voet en te paard in bonte rokken en schitterende wapenrustingen, +aanzienlijke hovelingen in feestkleederen van roode, blauwe en gele +stoffen, die reeds van verre in het oog liepen, en die door hunne +slaven in draagstoelen gedragen werden of op fraai vergulde wagens +stonden. Voorts zag men er priesters in lange witte kleederen, met +kransen om het hoofd, en opgetooide meisjes, die zich naar de herbergen +in de nabijheid van de haven begaven, om op de fluit te spelen of te +dansen. De kinderen, die tusschen dit druk gewoel liepen te spelen, +zagen begeerig naar de hoog in manden opgestapelde koeken, die door +bakkersjongens zeer netjes op hunne hoofden werden gedragen. Honden, +die hier in bijzonder groot aantal tegenwoordig waren, zetten hunne +neusgaten uit, wanneer zulk een drager van zoetigheden in hunne +nabijheid kwam, en vele begonnen te huilen van verlangen, zoodra er +eene burgervrouw voorbijkwam met een slaaf, die onder groenten en +vruchten in zijn korf ook pas geslacht gevogelte of versch vleesch +voor een feestgebraad droeg. + +Als gouden draden geweven door een alledaagsch grijs kleed, zoo +vertoonde zich te midden van het bedrijvig leven van de landingsplaats +ook de glans van het feest. Tuinlieden, knapen en meisjes in groote +menigte droegen, hetzij twee aan twee aan houten stokken of alleen op +planken en aan stangen, bloemkransen, guirlandes en geurige ruikers, +en bij dat gedeelte van den oever, waar de schepen van den koning +voor anker lagen, waren vele arbeiders bezig om de masten, waaraan +de wimpels wapperden, met groen en bloemguirlandes te omwinden en +met veelkleurige lantaarnen te behangen. De dienaars der godheid +in feestgewaad, de vertegenwoordigers van de vijf afdeelingen der +priesterschap van het geheele land, trokken in een langen optocht +met geschenken en standaarden, langs de havenstraat in de richting +van het koninklijk paleis, terwijl de woelende menigte eerbiedig +voor hen uit den weg ging. Euergetes toch, de broeder des koning, +die te Alexandrië heerschte, vierde heden te Memphis zijn geboortedag, +en de gansche stad zou aan dat feest deel nemen. + +Reeds in het eerste uur na zonsopgang waren in den tempel van Ptah, +het grootste en oudste heiligdom in de eerwaardige residentie der +pharaonen, offers geslacht. Men had den heiligen Apisstier [27], +waaraan Euergetes in den vroegen morgen zijne hulde had gebracht, +en die uit zijn hand had gevreten--hetgeen de koning als een gunstig +teeken voor het gelukken van zijn plan beschouwde--tot overladens +toe met gouden sieraden behangen en zijne eigene, alsmede de woning +zijner moeder, en de koe die voor hem onderhouden werd, rijk met +bloemen getooid. Alleen tot op den middag was het den inwoners van +Memphis geoorloofd hunne zaken te doen en hun handwerk te verrichten; +want op dat tijdstip werden de markten, de winkels, de werkplaatsen +en de scholen gesloten, en zou men op het plein voor de groote +jaarmarkt bestemd, vóor den tempel van Ptah, op kosten der beide +koningen godsdienstige en andere tooneelvertooningen kunnen zien, +hooren en bewonderen. + +Twee Alexandrijnsche mannen, een Aeoliër uit Lesbos afkomstig en +een bewoner van Palestina, die tot de Joodsche gemeente behoorde, +hoewel hij zich overigens noch door zijne kleeding, noch door zijne +taal van zijne Helleensche medeburgers onderscheidde, begroetten +elkander tegenover de ankerplaats der koninklijke schepen, van welke +eenige de purperen zeilen heschen en, de zwaar vergulde, met ivoor +ingelegde snebbe keerende, van wal staken. + +"Binnen twee uren," zeide de Jood, "vaar ik naar huis. Mag ik u +aanbieden mijne boot met mij te deelen? Of denkt gij eerst morgen +af te reizen en eerst het feest mede te vieren? Er zullen allerlei +vertooningen te zien zijn, en tegen het vallen van de duisternis zal +er eene groote illuminatie plaats hebben." + +"Wat kan mij die barbaarsche rommel schelen," antwoordde de +Lesbiër. "De Egyptische muziek alleen reeds maakt mij wanhopig. Mijne +zaken zijn afgedaan, de koopwaren, die over Berenice en Koptos +uit Arabië en Indië komen, heb ik bezichtigd en er uit gekozen wat +ik noodig heb, vóor het schip dat ze aanbrengt in de Mareotische +havens landt, en anderen in Alexandrië mij voor zijn. Ik blijf in +dit nest, dat even vervelend is als groot, geen uur langer dan noodig +is. Gisteren heb ik het gymnasium eens opgenomen en de aanzienlijke +baden. 't Is ellendig, zeg ik u. Ik zou ze nog te veel eer aandoen, +wanneer ik ze met de vischmarkten en de paardenwedden te Alexandrië +vergelijk." + +"En het theater!" zeide de Jood. "Uitwendig was het nog om aan te +zien, maar het spel! Gisteren speelden ze de 'Thaïs' van Menander. Het +vrouwspersoon, dat den moed had de verleidelijke en toch gevoellooze +hetaere te spelen, zouden ze te Alexandrië met rotte appelen van het +tooneel hebben gejaagd; dat verzeker ik u. Naast mij zat een dikke +bruine Egyptenaar, een suikerbakker of zoo iets, zijn buik vast te +houden van het lachen, en toch durf ik zweren, dat hij geen woord +van de heele comedie begreep. In Memphis is het tegenwoordig zelfs +onder handwerkslieden mode Grieksch te verstaan.--Mag ik hopen dat +gij mijn gast zijt?" + +"Volgaarne," antwoordde de Lesbiër. "Ik wilde juist naar eene boot +omzien. Hebt gij nog al goede zaken gedaan?" + +"Redelijk wel," antwoordde de Jood. "Ik kocht graan van boven-Egypte, +dat ik hier in een schuur opsloeg. Die geheele rij daarginds was voor +een spotprijs te huur, en dat haalt heel wat uit, als wij het koren +hier laten liggen en niet in Alexandrië, waar de graanschuren bijna +voor geen geld meer te krijgen zijn." + +"Dat is slim," hernam de Lesbiër. "Het ziet er hier in de haven +levendig genoeg uit, maar die vele ledige magazijnen en goedkoope +huurprijzen bewijzen, hoezeer Memphis is achteruitgegaan. Vroeger was +deze stad het doel van alle schepen, doch heden leggen de meeste enkel +aan om den tol te betalen en de proviand voor de manschappen aan te +vullen. Deze volkrijke plaats heeft eene groote maag, dikwijls zijn +er ook nog wel belangrijke zaken te doen, maar de meeste schepen, +die hier aanleggen moeten, gaan toch verder door naar Alexandrië." + +"Men mist hier de zee," merkte de Jood op. "Memphis drijft enkel +handel met Egypte en wij met de geheele wereld. Wie hier koopwaren te +verzenden heeft, belast kameelen, erbarmelijke ezels en platboomde +Nijlvaartuigen, maar wij bevrachten in onze havens kolossale +zeeschepen. Als de winterstormen voorbij zijn, zenden wij alleen +naar Ostia en de Zwarte Zee twintig triëren met Egyptisch graan. Uwe +Indische en Arabische waren, de goederen die gij uit de pas voor +den handel geopende Ethiopische landen haalt, nemen minder plaats +in, maar ik zou wel eens willen weten hoeveel talenten uw omzet in +het vorig jaar bedroeg.--Tot wederziens dan in mijn schip; het heet +'Euphrosyne', en ligt daar ginds, juist tegenover de beeldzuilen van +den ouden koning.... Ja, wie kan zoo'n naam onthouden. Ongemanierde, +barbaarsche dingen!--Nu, binnen drie uren breken wij op. Ik heb een +goeden kok aan boord, die zich weinig bekreunt over de spijswetten, +waarnaar mijne landslieden in Palestina leven. Gij zult ook eenige +nieuwe boeken vinden en uitstekenden wijn van Byblos." + +"Dan hebben wij ons voor tegenwind niet bezorgd te maken," zeide de +Lesbiër lachend. "Tot wederziens dan over drie uren." + +De Israëliet groette zijn reisgezel met de hand en ging eerst in de +schaduw eener laan van sykomoren, met buitengewoon breede bladerkronen, +den oever langs, vervolgens sloeg hij een smal straatje in, dat uit +de haven naar de stad voerde. Bij den ingang van het hoekhuis, dat +met de eene zijde op den stroom uitzag, en met de andere, waarin zich +de deur en eene kleine oliewinkel bevonden, op de straat, bleef hij +een oogenblik staan, want zijne opmerkzaamheid werd gaande gemaakt +door eene buitengewone verschijning. Doch hij had vóor zijn vertrek +nog veel in orde te brengen, en spoedde zich dus voort, zonder acht +te geven op een deftig man, met een reishoed op, en een mantel om, +zooals men gewoonlijk op verre tochten droeg, die hem tegenkwam. + +Het huis, dat de aandacht van den Jood had getrokken, was dat van den +beeldhouwer Apollodorus, en de man die voor dezen tijd van den dag en +voor eene wandeling zoo vreemd gekleed ging, was de Romein Publius. Wat +er in den kleinen winkel bij de deur van den beeldhouwer gebeurde, +scheen dezen nog meer dan den Israëliet te boeien, want hij ging staan +leunen tegen een tuinheg over den winkel en zag een tijdlang naar de +wonderlijke dingen, die daar binnen te zien waren, terwijl hij het +hoofd schudde. Aan den muur van het huis was een soort van houten +tafelblad vast gemaakt, waarop gewoonlijk eenige oliekruiken stonden +en de koopers hun geld neerlegden. Het stak als een vensterluik een +weinig in de straat uit, en op deze bijzondere soort van rustbank +zat, met zijn rug naar den winkel, die niet veel ruimer was dan een +tamelijk grooten reiswagen, een jongeling met een voornaam uiterlijk +en een lichtblauwen chiton zonder mouwen. Naast hem lag een wit, +met blauwe randen omzoomd himation [28] van fijne wollen stof. Zijne +beenen hingen over den tafelrand, en zijne blanke kleur stak sterk +af bij de zwarte huid van den naakten Egyptischen knaap, die, met +eene kooi vol duiven bij zich, aan zijne voeten was neergehurkt. + +De Griek op die armzalige winkeltafel had een gouden band om zijne +schoone met welriekende olie bestreken lokken, droeg sandalen van +het fijnste leder aan zijne voeten, en zag er ondanks zijne armoedige +omgeving uit als een vrij aanzienlijk man. Maar geheel zijn bevallig +gelaat teekende nog meer vroolijkheid dan voornaamheid, want hij lachte +zoo hartelijk, terwijl hij twee kleine roodbruine tortelduiven met +banden van rooskleurig wol vastbond aan den sierlijken korf, waarin zij +zaten, en vervolgens over de kopjes der schuwe diertjes een kostbaren +gouden vrouwenarmband liet glijden, dien hij met een wit koord aan +hunne vleugels vastmaakte. Toen dit werk gelukt was, hief hij het +korfje in de hoogte, bekeek het meesmuilend en met een tevreden blik, +en was op het punt om het aan den zwarten knaap te overhandigen, +toen hij Publius in het oog kreeg, die van den heg naar hem toekwam. + +"Bij alle goden, Lysias," riep de Romein, zonder zijn vriend eerst +te groeten, "wat doet gij daar weder voor domme dingen! Zijt gij +oliehandelaar geworden, of legt gij u toe op het africhten van duiven." + +"Noch het een noch het ander," zeide de Korinthiër lachend, want +niemand anders dan hij was het, dien de Romein had toegesproken. "Hoe +bevalt u dit nestje? Ik vindt het alleraardigst; en wat staat +die gouden band, die hunne halsjes verbindt, die kleinen dingen +goed!--Steek nu," ging hij voort, zich tegen zijn kleinen helper +wendende, "je pooten uit, bruine krokodil en draag het korfje +voorzichtig in huis, en zeg mij na: "Van den doodelijk verliefden +Lysias voor de schoone Irene."--Kijk eens, Publius, hoe dat ondier mij +met zijne witte tanden aangrijnst. Gij zult dadelijk hooren, dat zijn +Grieksch vrij wat meer te wenschen overlaat dan zijn gebit. De ooren +gespitst, kleine Ichneumon! Herhaal nog eens wat gij dáar--ziet ge, +waarheen ik met den vinger wijs?--wat gij dáar--binnen den meester +of de meesteres, die de duiven van u zal aannemen, zeggen zult?" + +De knaap herhaalde den groet van den Korinthiër aan Irene, dien +erbarmelijk radbrakende, en terwijl hij daarbij den mond wijd +openhield, wierp Lysias, die de kunst verstond vlakke steenen over +den waterspiegel te laten dansen, bijzonder sierlijk een zilveren +drachme daarin. Zulk een hapje smaakte den jongen, want nadat hij het +muntstuk uit zijn mond had genomen, ging hij met opengespalkte kaken +tegenover zijn meester staan om een tweeden worp af te wachten. Maar +deze gaf hem met de vlakke hand een tik op zijn hoofd en onder zijn +kin, en zeide, toen de tanden van den jongen op elkander klapperden: +"Eerst draagt gij dit nest naar boven en wacht gij op antwoord." + +"Dit geschenk is dus voor Irene?" vroeg Publius. "Wij hebben elkander +in lang niet gezien. Waar hebt gij gisteren den ganschen dag gezeten?" + +"Het zal veel onderhoudender zijn te hooren, wat gij in dezen langen +nacht hebt uitgevoerd. Gij ziet er uit, als kwaamt gij zoo direct van +Rome. Euergetes heeft dezen morgen reeds eens en de koningin tweemaal +om u gezonden. Zij is tot over de ooren op u verliefd!" + +"Malligheid!"--Vertel mij eens, wat gij hier in 't schild voert." + +"Eerst zult ge mij zeggen, waar gij geweest zijt." + +"Ik had een belangrijken tocht te maken, waarvan ik u later vertellen +zal, thans niet; en daarbij zijn mij zeer bijzondere dingen wedervaren, +die durf ik zeggen, wel de aandacht verdienen. Vóor zonsopgang heb ik +beneden in een herberg eene legerstede gevonden, en tot mijne verbazing +zoo vast geslapen, dat ik eerst twee uren geleden wakker ben geworden." + +"Dat is een sober bericht; maar ik weet wel, dat als gij niet verkiest +te praten, zelfs geen god u een syllabe ontlokken kan. Wat mij betreft, +ik zou met te zwijgen mijzelven te kort doen, want mijn hart is als +een overladen lastdier; het spreken zal mij verlichten. Ach Publius, +het gaat mij heden als den armen Tantalus, wien de sappige peeren +voor den neus bengelen en zijn hongerige maag kittelen, terwijl zij +zich toch nooit laten plukken. Zie, daar--daar binnen woont Irene, +de peer, de perzik, de granaatappel, waarnaar mijn hart hongert; +terwijl het van verlangen verteerd wordt. Ja, lach maar! Heden zou +Paris Helena straffeloos kunnen ontmoeten, want Eros heeft op mij +al zijne pijlen verschoten. Gij ziet ze niet, maar ik voel ze, want +nog niemand heeft ze uit de wonden getrokken. En die lieve kleine is +bij het schijfschieten van den gevleugelden knaap ook niet ongedeerd +gebleven. Zij heeft mij dit zelve beleden. Het is mij onmogelijk +haar iets af te slaan, en zoo heb ik de dwaasheid begaan haar met +een schrikkelijken eed te zweren, dat ik haar niet eer bezoeken zou +vóor zij weder vereenigd is met hare groote ernstige zuster, waarvoor +ik bang ben. Gisteren sloop ik rondom dit huis, als een hongerige +wolf bij felle koude rondom een tempel waarin men lammeren offert, +om haar te zien, of ten minste een woordje te hooren uit haar mond, +die spreekt gelijk de nachtegalen zingen; maar alles te vergeefs. Heden +vroeg werd ik weder naar de stad en dit huis gedreven, en daar mij het +eeuwige rondloopen niet baat, zoo kocht ik van den ouden oliekoopman, +die daar in den hoek slaapt, zijn kraam en zette mij in zijn winkel +neer. Hier kan mij niemand ontgaan, die het huis van Apollodorus in- +of uitgaat. Het is mij verboden Irene te bezoeken, maar zij veroorlooft +mij haar groeten te zenden. Dat belet niemand mij, ook Apollodorus +niet, dien ik een uur geleden gesproken heb." + +"Zulk een groet was zeker ook het nest, dat uw bruine liefdebode +zooeven in huis droeg?" + +"Natuurlijk. Het is reeds de derde. Eerst zond ik een ruiker enkel van +granaatbloesems, en eenige versregels, die ik dezen nacht samengelijmd +had; toen een mandje met perziken waarvan zij zooveel houdt, en nu +die duiven. Daar liggen ook hare antwoorden. O, dat allerliefste +schepseltje! Voor den ruiker kreeg ik dit roode bandje, voor de +vruchten deze afgebeten perzik. Nu ben ik nieuwsgierig wat ik voor +mijne duiven zal krijgen. Dien bruinen slungel heb ik op de markt +gekocht; ik neem hem als aandenken aan Memphis naar Korinthe mede, +wanneer hij nu wat aardigs terugbrengt. Daar gaat de deur open, +daar is hij. Kom hier, mijn jongen, wat brengt ge?" + +Publius luisterde en keek met de armen op den rug naar de levendige +taal en de bewegingen van zijn vriend. Hij beschouwde hem heden nog +meer dan vroeger als een onbezorgden lieveling der goden, in wiens +dartelheid men behagen schept, omdat zij past bij zijn karakter, +en men gevoelt dat al wat hij doet hij even weinig laten kan als de +boomen het bloeien. + +Zoodra Lysias een pakje had opgemerkt in de hand van den knaap, +nam hij het hem niet af, maar hij haalde den heelen, alles behalve +dunnen jongen, alsof het een stuk speelgoed gold, bij den lederen +gordel, waarmede zijn schort bevestigd was, naar zich toe, zette +hem naast zich op de tafel en riep: "Ik zal je leeren vliegen, jong +nijlpaard. Komaan, laat nu kijken, wat je hebt!" + +Haastig nam hij den overbluften jongen het pakje uit de vingers, +woog het in zijne hand, en zeide, zich tot Publius wendende: "Daar +zit wat in, dat tamelijk zwaar is; wat zou het zijn?" + +"Ik ben niet bedreven in zulke dingen," zeide de Romein. + +"Ik bij uitnemendheid," hernam Lysias. "Er zou wel--, wacht--ja het +zou wel haar gordelgesp kunnen zijn. Voel maar, het is wat hards." + +Publius betastte het pakje, dat de Korinthiër hem voorhield, opmerkzaam +met de vingers en zeide toen lachend: "Ik begin te vermoeden, wat +gij daar gekregen hebt, en het zal mij genoegen doen als ik gelijk +heb. Irene zendt u, geloof ik, den gouden armband op een plankje +beleefd terug." + +"Onzin," antwoordde Lysias. "De band was keurig bewerkt en van +bijzondere waarde, en alle meisjes houden van sieraden." + +"Althans uwe vriendinnen te Korinthe! Maar zie nu toch eens, wat er +in dit doekje zit." + +"Wikkel gij het los," verzocht de Korinthiër. + +Publius maakte eerst den draad los, vouwde toen een witten linnen +doek open, en vond eindelijk iets dat in gewoon handelspapyrus was +gewikkeld. Nadat dit laatste omhulsel verwijderd was, vertoonde zich +inderdaad de armband, en onder dezen lag een klein wastafeltje. + +Lysias was alles behalve tevreden met deze vondst en keek zijn +teruggezonden geschenk verbluft en verdrietig aan, maar hij werd +zijne ergernis weldra meester en zeide, zich wendende tot zijn vriend, +die eerst in zijn vuistje lachte, maar daarna voor zich keek: "Hier +op dit tafeltje staat ook iets. Dat is zeker de saus bij het gepeperd +gerecht, dat mij daar wordt voorgezet." + +"Eet er maar van," zeide Publius. "Het kan weldadig werken voor +het vervolg." + +Lysias nam het tafeltje in de hand, en nadat hij het van alle zijden +bekeken had, zeide hij: "het komt den beeldhouwer toe, want hier staat +zijn naam. En daar--waarachtig, zij heeft de saus of, zoo gij liever +wilt, de bittere artsenij met verzen gekruid. Zij zijn niet zoozeer +mooi dan wel duidelijk geschreven, en behooren in elk geval tot het +genre der leerdichten." + +"Welnu?" vroeg de Romein nieuwsgierig, terwijl Lysias las. + +Maar deze laatste zag van het schrift niet op, maar gaf, terwijl hij +met de vingertoppen over zijn neus wreef, met een lichten zucht ten +antwoord: "Zeer aardig voor ieder dien het niet aangaat! Wilt gij +het distichon hooren?" + +"Wat ik u bidden mag, draag het voor!" + +"Het zij zoo," zeide de Korinthiër, zuchtte nog eens en las: + + + "Liefelijk schijnt aan het paar, door de liefde verbonden, + zijn toekomst, + Doch het bezwarende goud vreest het en zendt het terug." + + +"Daar hebt gij mijne artsenij! Maar duiven zijn geene menschen, en ik +weet reeds wat ik antwoorden zal! Geef mij de fibula [29], Publius, +die uw mantel samenhoudt, waarmede gij er uitziet, als waart gij uw +eigen bode. Ik zal er mijn antwoord mee in het was griffen." + +De Romein overhandigde Lysias den gouden krans, die van een +sterke naald was voorzien, en terwijl hij zijn mantel met de handen +samenhield, daar hij door hen die deze straat voorbijgingen, al waren +het er maar weinigen, niet herkend wilde worden, schreef de Korinthiër: + + + "Gloeien de harten der duiven, dan gaat zich het mannetje sieren, + Maar als de jongeling gloeit, siert hij zijn meisjen het liefst." + + +"Mag het gehoord worden?" vroeg Publius. Zijn vriend las hem terstond +de verzen voor, gaf den knaap het tafeltje in de hand met den armband, +dien hij haastig opnieuw inwikkelde, en gelastte hem dit terstond +aan de schoone Irene te brengen. + +Maar de Romein hield den knaap terug, en terwijl hij de hand op +den schouder van den Korinthiër legde, vroeg hij: "En wanneer nu +de jonkvrouw dit geschenk aanneemt en na dit nog vele andere--want +gij zijt rijk genoeg om haar naar hartelust met geschenken te +overladen--wat dan, Lysias?" + +"Wat dan?" herhaalde de jonkman besluiteloos en bedremmelder dan zoo +even. Dan wacht ik Klea's terugkomst af, en--; ja lach mij niet uit, +maar ik heb er ernstig over nagedacht dit meisje te huwen, en mede te +nemen naar Korinthe. Ik ben een eenige zoon en sedert drie jaar laat +mijn vader mij geen rust. Hij wil volstrekt, dat mijne moeder eene +vrouw voor mij zal zoeken, of dat ik er zelf eene zal kiezen. En al +bracht ik hem de pikzwarte zuster van dezen bruinen bengel, ik geloof +dat hij er zich over verblijden zou. Zoo waar als ik uw vriend ben, +ik kan op geen ander meisje smoorlijker verliefd raken dan op deze +Irene.--Doch ik begrijp waarom ge mij weder met de blikken van den +donderenden Zeus aanziet! Gij weet wat ons huis in Korinthe beteekent, +en als ik dat bedenk, dan zeker--" + +"Dan zeker?" vroeg de Romein scherp en ernstig. + +"Dan bedenk ik, dat eene kruikdraagster en de dochter van een gevonnist +man in ons huis...." + +"Houdt gij mijne familie te Rome voor geringer, dan de uwe te +Korinthe?" vroeg Publius op strengen toon. + +"Integendeel Publius Cornelius Scipio Nasica. Wij zijn groot door +onzen rijkdom; gij zijt het door macht en vaste goederen." + +"Dat zijn wij, en desniettemin breng ik Irene's zuster Klea, als +mijne echtvriendin in het huis mijns vaders." + +"Doet gij dat?" riep Lysias, terwijl hij van zijn bank opvloog, en, +niettegenstaande er eenige Egyptenaars op dit oogenblik door de ledige +straat hun voorbijgingen, den Romein om den hals vloog. Dan is alles +in orde, dan--o, hoe verlicht dit mijn gemoed--dan wordt Irene mijne +vrouw, zoo waar ik het leven liefheb! O Eros en Aphrodite en vader Zeus +en Apollo wat doet mij dat goed! Ik gevoel mij als ware de grootste +van gindsche pyramiden mij van de borst gewenteld!--En nu, bengel, +gaat ge naar boven en brengt aan de schoone Irene, de bruid van haren +trouwen Lysias--hoor je wat ik je zeg?--dadelijk dit waschtafeltje +en dezen armband. Maar gij zult de boodschap niet goed overbrengen; +ik zal hier boven mijn distichon schrijven: 'De trouwe Lysias aan de +schoone Irene, zijne toekomstige gemalin.' Zóo, en nu denk ik zal zij +dit ding niet weder terugzenden, dat lieve meisje!--Hoor, slungel, +als zij het houdt, moogt ge heden op het feestplein zooveel koeken +verslinden, tot ge doodziek zijt, al heb ik straks ook vijf goudstukken +voor je betaald.--Zal zij den armband aannemen, Publius, ja of neen?" + +"Zij zal dien aannemen." + +Weinige oogenblikken later kwam de knaap op een draf terug, trok den +Korinthiër aan zijn chiton, en riep: "Komen, meekomen, binnen in huis." + +Lysias wipte met een grooten sierlijken sprong over den jongen heen, +rukte de deur open en opende zijne armen, toen hij Irene zag, die den +smallen trap, welke veel van een ladder had, behendig afklom en als +eene gejaagde gazelle naar hem toevloog, om zich lachend en schreiend +tegelijk aan zijn borst te werpen. Spoedig vonden zijne lippen de +hare, maar na dezen eersten kus rukte zij zich uit zijne armen los, +vloog den trap weder op, en riep hem van een der bovenste treden +vroolijk toe: "Ik heb gedaan wat ik niet laten kon. Tot wederziens, +wanneer Klea er is!" Hierop verdween zij op de bovenverdieping. + +Van vreugde dronken keerde Lysias tot zijn vriend terug, sprong weder +op zijne bank en zeide: "Nu mag de hemel invallen, ik zal er mij niet +aan storen! Eeuwige goden, wat is de wereld toch schoon!" + +"Wonderlijke kerel," zeide de Romein, zijn verrukten vriend in de rede +vallende. "Gij kunt toch niet altijd in dezen vuilen winkel blijven." + +"Ik verzet geen voet tot Klea hier komt. Die knaap daar zal mij eten +brengen, gelijk een oude musch zijn jongen. Als het niet anders kan, +blijf ik hier een week liggen, evenals de kleine sardijnen, die men +te Alexandrië in olie bewaart." + +"Gij zult, hoop ik, maar eenige uren behoeven te wachten. Ik ga nu +heen, want ik denk koning Euergetes eene bijzondere verrassing op zijn +geboortedag te bereiden, en moet naar het paleis. De feestelijkheden +zijn reeds in vollen gang. Hoor eens hoe zij om en bij de haven roepen +en schreeuwen. Ik geloof den naam van Euergetes te verstaan." + +"Breng dat logge monster mijn gelukwensch. Tot weerziens, zwager!" + + + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Koning Euergetes liep onrustig op en neder in het groote vertrek, +dat zijn broeder met buitengewone pracht voor hem tot receptie-zaal +had ingericht. Nauwelijks was met de opgaande zon zijn geboortedag +aangebroken, of hij had zich, vóor Philometor hetzelfde kon doen, +met een aanzienlijk gevolg begeven naar den Tempel van Ptah, om te +offeren, en de machtige bestuurders van het heiligdom voor zich te +winnen, en het Apis-orakel te raadplegen. De uitslag was gunstig, +want de heilige stier had gewillig uit zijne hand gevreten. Doch +het zou hem wel zoo lief zijn geweest, als het beest voor zijn koek +den kop had omgedraaid, en Eulaeus hem de tijding had gebracht, dat +de aanslag tegen den Romein gelukt was. Tal van geschenken, brieven +van gelukwensching uit alle districten van het land en priesterlijke +decreten, te zijner eer op tafelen van harden steen gegrift, lagen +op alle tafels, of stonden tegen de wanden van de groote zaal, die +de bezoekers zoo even verlaten hadden. + +Alleen 's konings vriend Hiërax was bij hem gebleven, en stond +op de bevelen van zijn vorst te wachten, geleund tegen den rijk +met edelgesteenten versierden troon van goud en elpenbeen, dien de +joodsche gemeente van Alexandrië aan haren heer had gezonden. De +veldoverste kende zijn meester, en wist dat het onvoorzichtig was +hem aan te spreken, wanneer hij er uitzag als thans. + +Maar Euergetes had zelf behoefte om te spreken, en zeide, zonder +op te houden met wandelen, of zijn deftigen vriend aan te zien: +"Ook de Philobasilisten hebben zich laten omkoopen; mijne soldaten +in den burcht zijn talrijker en bovendien beter, dan die Philometor +trouw zijn gebleven. Er blijft mij dus niet anders te doen, dan voor +een oogenblik de zwaarden op de schilden te laten kletteren, mij op +den troon te plaatsen en tot koning te laten uitroepen. Maar met de +sterkste legerafdeeling van den vijand in den rug ga ik niet aan den +slag. Op den hals van mijne zuster zit het hoofd van mijn broeder, +en zoolang ik van haar niet zeker ben..." + +Een kamerdienaar, die haastig het vertrek kwam binnenstormen, stoorde +hem in deze alleenspraak, door te roepen: "De koningin Kleopatra!" + +Een triumpheerend lachje overtoog het gelaat van den jongen +reus. Ongedwongen wierp hij zich op een met purper bekleede rustbank +neder, liet zich zijn kostelijke elpenbeenen lier geven, die zijne +zuster hem ten geschenke had gezonden, waarop wonderbaar kunstig en +fijn de eerste bruiloft van Kadmus en Harmonia gesneden was, waarbij +alle goden en godinnen als gasten verschenen. Met buitengewone +kracht en meesterlijke tact greep Euergetes in de snaren en begon +een bruiloftsmarsch te spelen, waarin hartstochtelijk gejubel en het +zacht gefluister der smachtende liefde elkander schenen af te wisselen. + +De kamerdienaar, die Kleopatra bij haren broeder moest binnenleiden, +wilde zijn meester storen in het spel, maar de koningin hield hem terug +en bleef met hare kinderen luisterend aan de deur staan, tot Euergetes +zijn lied, met een onbesuisden greep in de snaren, en een schrillen, +het oor kwetsenden wanklank plotseling eindigde, zijne luit op het +kussen wierp, en eerst daarna, als had hij, in zijn spel verdiept, +de komst der koningin geheel vergeten, schijnbaar verrast opstond en +naar haar toeging. Hij begroette zijne zuster hartelijk, haar beide +handen toestekende; ook hare kinderen, die hem niet vreesden, omdat +hij met hen als een uitgelaten knaap dolle grappen kon maken, heette +hij teeder welkom, als was hij hun eigen vader. Herhaaldelijk dankte +hij haar, roemde Kleopatra's zinrijk geschenk aan hem, die evenals +Kadmus eene Harmonia trachtte te vinden, en nam eindelijk haar, die +nog niet aan het woord had kunnen komen, bij de hand, om haar al de +geschenken van haren echtgenoot en van de districten te toonen. + +Doch Kleopatra scheen in deze dingen weinig behagen te scheppen en +zeide: "Dat alles is zeker voortreffelijk--juist zooals het verleden +jaar en voor twintig jaren geweest is. Doch ik ben hier niet gekomen +om te zien, maar om te hooren." Daarbij zag zij bleek en ernstig, +en vertoonde haar gelaat slechts nu en dan een gedwongen lachje, +terwijl dat van haar broeder straalde van blijdschap. + +"Ik dacht, dat voor alle dingen de wensch om mij geluk te wenschen +u hierheen had gevoerd," antwoordde Euergetes, "en mijne ijdelheid +gebiedt mij ook zulks te gelooven. Philometor is reeds bij mij +geweest en heeft zich met aandoenlijke hartelijkheid van dezen plicht +gekweten. Wanneer begeeft hij zich naar de feestzaal?" + +"Binnen een halfuur; intusschen verzoek ik u mij te openbaren, wat +ge mij gisteren..." + +"Het beste moet langzaam worden voorbereid," zeide Euergetes, haar +in de rede vallende. "Mag ik u verzoeken de voedster met de kinderen +voor eenige oogenblikken naar de binnenvertrekken te zenden?" + +"Terstond!" zeide Kleopatra haastig, en drong haar oudsten jongen, +die met alle geweld bij zijn oom wilde blijven, met kracht naar de +deur, zonder de voedster tijd te laten om hem tot bedaren te brengen +en op den arm te nemen. + +Terwijl zij op onvriendelijke wijze, ja zelfs met scheldwoorden het +wegzenden der kinderen trachtte te bespoedigen, was Eulaeus het vertrek +binnengetreden. Zoodra Euergetes hem zag, nam hij eene gansche andere +houding aan, en haalde zoo diep adem, dat zijne breede borst zich +geweldig verhief en er een sterke luchtstroom uit zijne lippen kwam, +terwijl hij den eunuuch langzaam en met vragende blikken tegemoet +ging. Deze wees met zijne oogen veelbeteekenend op Hiërax en Kleopatra, +ging zeer dicht bij den koning staan, fluisterde hem eenige woorden +in het oor en beantwoordde zijne korte vragen met zachte stem. + +"Goed," zeide Euergetes eindelijk, en beval Eulaeus en zijne vriend +Hiërax met een wenk van zijne hand het vertrek te verlaten. + +Doodsbleek, zich op de onderlip bijtende en strak voor zich ziende, +stond hij daar. Zijn wil was geschied, Publius Cornelius Scipio leefde +niet meer; zijne eerzucht kon thans ongehinderd het einddoel zijner +wenschen bereiken. En toch was hij niet blijde; kon hij een gevoel +van diepen afschuw niet van zich weren en sloeg hij met zijn gebalde +vuist tegen zijn breed voorhoofd. Hij stond voor het feit van zijn +eersten sluipmoord. + +"Wat heeft Eulaeus u bericht?" vroeg Kleopatra, die haar broeder nog +nooit zoo had gezien, in groote spanning. + +Hij scheen hare woorden niet te verstaan, en eerst toen zij ze met +meer nadruk herhaalde, kwam hij tot zichzelven, nam hij haar van het +hoofd tot de voeten op met een somberen blik en vroeg haar toen, met +nadruk maar toch bedaard, terwijl hij zijne hand zoo zwaar op haar +schouder liet vallen, dat zij met een zachten kreet de knie boog: +"Zijt gij sterk genoeg om iets gewichtigs te hooren!" + +"Spreek," antwoordde zij half fluisterend, en terwijl zij de +rechterhand tegen haar hart drukte, hingen hare oogen aan zijne +lippen. Haar verlangen om te hooren verbond haar aan hem als het +ware met zichtbare banden, en als wilde hij die door de kracht zijner +woorden verbreken, zeide hij op vreeselijk plechtigen toon, met een +zware stem en den klemtoon leggende op elke lettergreep: "Publius +Cornelius Scipio Nasica is dood." + +Bij het hooren dezer woorden werden Kleopatra's bleeke wangen vuurrood, +en met de kleine vuist in haar linkerhand slaande, zeide zij met +vonkelende oogen: "Dat heb ik gehoopt!" + +Euergetes deed eene schrede achterwaarts en zeide: "Gij hebt gelijk, +niet alleen onder de goden zijn de vreeselijksten--de vrouwen." + +"Zegt gij dat?" vroeg Kleopatra. "Moet ik gelooven dat tandpijn den +Romein verhinderde gisterenavond aan het gastmaal en heden morgen +bij mij te verschijnen? Zal ik u nazeggen, dat hij daaraan gestorven +is? Kom er maar voor uit, want ik verlang hartelijk te hooren, waar +en hoe die onbeschaamde huichelaar zijn einde heeft gevonden?" + +"Een slang heeft hem gebeten," antwoordde Euergetes, zich van zijne +zuster afkeerende. "Het gebeurde in de woestijn, nabij de Apis-graven." + +"Had hij zich te middernacht naar de doodenstad begeven, om eene +samenkomst te hebben? Het schijnt daar vroolijker begonnen dan +geëindigd te zijn?" + +Euergetes knikte toestemmend op deze vraag en zeide ernstig: "Zijn +noodlot heeft hem achterhaald, maar ik kan daarin niets verblijdends +vinden!" + +"Niet?" vroeg de koningin. "En meent gij dat ik den adder niet ken, die +dit leven in zijn bloei heeft afgesneden? Gelooft gij dat ik niet weet, +wie de giftige slang tegen den Romein heeft aangehitst? Gij zijt de +moordenaar en Eulaeus met zijne gezellen zijn de handlangers! Gisteren +nog zou ik mijn hartebloed vergoten hebben om Cornelius te redden, +en liever u dan hem naar het graf hebben geleid; maar heden, nu ik +weet welk een spel deze ellendeling met mij gespeeld heeft, zou ik de +misdaad op mij genomen hebben die thans u schandvlekt. Zelfs geen god +durft ongestraft uwe zuster zoo te honen en te beleedigen, als hij +gedaan heeft. Reeds een, gij moogt het wel weten, is evenals hij aan +zijn einde gekomen, namelijk de Bithynische hipparch [30] Eustorgos, +die, terwijl hij van liefde voor mij verteerd scheen te worden, +mijne speelgenoote Kallistrate tot vrouw vroeg. Aan dezen hebben +de slangen en roofdieren hun akelige kunst getoond. De boodschap +van Eulaeus heeft u, die zoo sterk zijt, met koude hand in 't hart +gegrepen; bij mij zwakke vrouw, wekt zij onbeschrijfelijke vreugde, +want het beste dat eene vrouw kan geven, heb ik hem aangeboden, en +hij heeft het verachtelijk in het stof vertreden. Had ik geen recht +te verlangen, dat met het beste wat hij heeft, dat is zijn leven, +evenzoo werd gehandeld, als hij zich vermeten heeft met het mijne, +dat is mijne liefde, te doen? Het komt mij toe mij te verblijden +over zijn dood. Ja, thans zijn die schoone oogen gesloten, die de +kunst van liegen niet minder verstonden dan de strenge mond, die de +waarheid zoo hoog kon verheffen. Dat trouwlooze hart staat nu stil, +dat de liefde van eene koningin versmaadde,--waarvoor? voor wien?--O, +gij barmhartige goden!" + +Bij deze laatste woorden barstte de koningin in snikken uit, +hief snel hare beide handen op, bedekte daarmede hare oogen en +vloog naar de deur, door welke zij het vertrek van haar broeder +was binnengetreden. Maar Euergetes trad haar in den weg en zeide +streng en op beslissenden toon: "Gij blijft hier, tot ik weder terug +ben. Verzamel al uwe krachten, want bij de nu volgende gebeurtenis +op dezen gewichtigen dag zult gij verbleeken en zal ik lachen." + +Met haastige schreden verliet hij het vertrek. Kleopatra verborg haar +gelaat in de zachte kussens van een rustbed en weende aanhoudend, +tot luid geschreeuw en wapengekletter haar opschrikten. Zij was te +vlug van bevatting, om niet te begrijpen wat er gaande was. Met woeste +drift ijlde zij naar de deur, maar vond haar gesloten. Geen wringen, +geen roepen, geen kloppen scheen het oor van de wacht te bereiken, die +met eentonigen gang voor hare gevangenis op en neder liep. Het rumoer +en het gekletter der wapenen, waaronder zich nu ook tromgeroffel en +trompetgeschetter liet hooren, werd luider en luider. In doodsangst +vloog zij naar het venster en keek naar beneden in den voorhof van het +paleis. Op hetzelfde oogenblik vlogen de deuren van de groote feestzaal +open en in verwarring stormde een vluchtende menigte soldaten naar +buiten, gevolgd door een tweede en derde, allen in den uniform van +koning Philometor. Zij vloog hierop naar de kamer, waarin zij hare +kinderen had gejaagd, maar vond ook deze gesloten. In vertwijfeling +ijlde zij weder naar het venster, schreeuwde de vluchtende Macedoniërs +toe, dat zij stand zouden houden, dreigde en smeekte, maar er was +niemand die haar hoorde. Hun getal groeide steeds aan, en eindelijk +zag zij ook haar gemaal op den drempel der groote zaal verschijnen, +met een gapende wond aan het voorhoofd, met schild en zwaard zich +dapper verwerende tegen de lijfwachten zijns broeders, die achter hem +opdrongen. In vreeselijke gejaagdheid riep zij hem toe moed te houden, +en hij scheen haar te hooren, want met een geduchten slag van zijn +schild wierp hij den lijfwacht op den grond, die vóor hem stond, +deed een verbazenden sprong, waardoor hij terechtkwam midden onder +de vluchtende soldaten die hem trouw waren gebleven, en verdween met +hen in de gang, die naar de stoeterij leidde. + +De krachten der koningin waren uitgeput; zij zonk ten laatste op de +knieën bij het venster neer en terwijl zij zoo machteloos nederlag, +hoorde zij half bewusteloos eerst paardengetrappel, dan steeds luider +trompetgeschal en eindelijk onder gejubel, dat in alle richtingen +weerklonk, de woorden: Heil den zoon der Zon!--heil den vorst die +beide landen vereenigt!--Heil den koning van Opper- en Neder-Egypte, +den god Euergetes!" + +Bij deze laatste woorden kreeg zij haar volle bewustzijn terug en +richtte zich op. Wederom wierp zij een blik in den hof, en daar +zag zij haren broeder, door grootdignitarissen gedragen in den +troonstoel, die haar gemaal toebehoorde. Naast de lijfwachten van +den verrader marcheerden Philobasilisten en Diadochen van Philometor +en haarzelve. De schitterende optocht verliet den grooten hof van het +paleis, en toen zij nu ook priestergezang vernam, begreep zij waarheen +haar trouwlooze broeder zich begaf, en dat zij haar troon verloren +had. Tandenknarsend van spijt, zag zij in hare verbeelding al wat nu +geschieden moest. Euergetes werd in den tempel van Ptah gedragen, +en door de overrompelde priesters tot koning over beide deelen van +Egypte en opvolger van Philometor uitgeroepen. Men liet vier duiven +voor hem uitvliegen, die in alle windstreken moesten melden, dat een +nieuw vorst den troon van Egypte had bestegen, en overhandigde hem +onder gebed en offeranden een gouden sikkel, waarmede hij, volgens +een oud gebruik een korenaar doorsneed. + +Door haar broeder verraden, door haar gemaal in den steek gelaten, +van hare kinderen gescheiden, door een man dien zij liefhad versmaad; +onttroond en machteloos, ja te zwak zelfs om aan wraak te denken, +bracht zij twee eindeloos lange uren in de vreeselijkste zielskwelling +door, in deze schitterende met geschenken gevulde gevangenis. Had +zij gif bij de hand gehad, ongetwijfeld zou zij in dit uur een einde +hebben gemaakt aan een leven, dat toch al vernietigd was. Nu eens +liep zij rusteloos op en neer en vroeg zich af, wat nu haar lot zou +zijn; dan weder wierp zij zich op het rustbed en gaf zich over aan +stomme vertwijfeling. + +Daar stond de lier, die zij haren broeder had geschonken, en haar oog +viel op de bruiloft van Kadmus met Harmonia, en eene vrouwengestalte +welke aan den bruid een sieraad overhandigde. Zij die dit geschenk gaf, +was de godin der liefde, en dit sieraad, zoo luidde de sage, bracht +haar, die het ontving, onheil aan. De somberste uren haars levens +traden haar voor den geest, en juist de zwartste waren een gevolg +geweest der gaven van Aphrodite. Huiverend dacht zij aan den vermoorden +Romein, en aan den dag, waarop Eulaeus haar had medegedeeld, dat haar +Bithynische vriend door wilde dieren den dood had gevonden. Aan de +wrekende Eumeniden prijsgegeven, vloog zij in doodsangst van de eene +deur naar de andere, schreeuwde uit het venster om redding en hulp, +en doorleefde in éen uur de folterende kwellingen van een geheel jaar. + +Eindelijk, eindelijk ging de deur van het vertrek open, en trad +Euergetes, in het purper gekleed, met de kroon van de beide Egypten +op het kolossale hoofd en met een gelaat stralende van vroolijke +opgewondenheid, haar tegemoet. "Wees gegroet, zuster!" riep hij op +blijden toon, en nam het zware hoofdsieraad van zijne lokken. "Gij +moogt heden trotsch zijn, want uw geliefde broeder is hoog in aanzien +gestegen, en koning van Opper- en Neder-Egypte geworden." + +Kleopatra keerde zich van hem af. Hij liep haar na en trachtte hare +hand te vatten, doch zij trok die woedend terug en sprak: "Zet de kroon +op uwe daden, en mishandel de vrouw, die gij beroofd en tot weduwe +gemaakt hebt. Met eene voorspelling zijt gij tot de uitvoering van +de grootste uwer schanddaden overgegaan. Wat u betreft, wordt zij +vervuld, want gij lacht over ons ongeluk, maar mij aangaande komt +zij volstrekt niet uit, want ik ben niet verslagen, niet overwonnen, +en niet zonder hoop, en ik zal...." + +"Gij zult," zeide Euergetes, haar met luide verheffing van stem in de +rede vallende. Doch hij vervolgde op vriendelijken toon, als wilde hij +haar het uitzicht openen op eene verleidelijke toekomst: "Gij zult u +met uwe kinderen op uw dak begeven, en u daar zooveel laten voorlezen +als gij wilt, zoo veel fijne spijzen nuttigen als gij kunt, zooveel +kostbare gewaden aantrekken als gij begeert, bezoeken van mij ontvangen +en met mij praten zoo vaak u mijn gezelschap even aangenaam toeschijnt, +als mij het uwe heden en altijd. Bovendien moogt gij voor zooveel +Grieksche en Joodsche geleerden, als gij maar zult willen ontbieden, +uwe geestigheid zoo laten schitteren, tot zij allen te zamen zonder +uitzondering stekeblind zijn. Misschien krijgt gij ook eerder de +vrijheid terug, en daarbij een groote schat geld, een stal vol edele +rossen, en eene deftige woning in de koningspaleizen in het Bruchium +te Alexandrië. Het is alleen de vraag, hoe spoedig onze broeder +Philometor, die heden als een leeuw gevochten heeft, zal inzien, +dat hij meer deugt voor hoofdman van de ruiterij, voor luitspeler, +of voor een gastheer die scherp luistert naar redetwistende gasten +dan voor regent.--Is het niet opmerkelijk voor onderzoekers op het +gebied van het zieleleven, ik meen u en mijzelven, zuster, dat de man, +die in vredestijd is als was of buigzaam riet, in den slag zoo hard en +scherp wordt als een voortreffelijk zwaard? Wij hebben op elkanders +schilden duchtig losgeslagen, en de schram hier aan mijn schouder +heb ik hem te danken. Als Hiërax, die met mijne ruiters hem nazet, +gelukkig is, en hem bijtijds inhaalt, doet hij misschien vrijwillig +afstand van de kroon." + +"Hij is dus niet in uwe macht en heeft tijd gehad om te paard te +stijgen!" zeide Kleopatra, en zij sloeg hare oogen weder helder +op. "Dan, overmoedige roover, is nog niet alles verloren. Als +Philometor ontkomt, naar Rome gaat, en onze zaak voor den senaat +brengt...." + +"Dan heeft hij zeker eenig uitzicht op de hulp der Republiek," haastte +Euergetes zich te zeggen, "want Rome ziet liever geen machtig koning +op den troon van Egypte. Maar gij hebt aan den Tiber een besten steun +verloren, en ik ben van plan alle Scipio's en de geheele familie +van Cornelius tot mijne vrienden te maken, want ik zal den overleden +Romein laten verbranden op zuiver cederhout en Arabische specerijen; +daarbij zullen offers geslacht worden, als ware hij een regeerend +koning geweest, en ik laat zijne asch in de kostbaarste urn van Vasa +murrina [31], die mijn schatkamer versiert, door de edelsten mijner +vrienden begeleid, op een bijzonder versierd vaartuig naar Ostia en +Rome brengen. De weg naar den trans van den vijandelijken burcht, +voert over lijken, en als veldheer en koning...." + +Euergetes brak plotseling af, want voor de deur liet zich gedruisch en +eene hevige woordenwisseling hooren. Ook Kleopatra was dit niet ontgaan +en zij spitste de ooren, want op zulk een dag, en in deze vertrekken +kon elke woordenwisseling, ieder bijzonder gedruisch in het voorvertrek +van den koning eene gewichtige beteekenis hebben. Euergetes verheelde +zich dit evenmin als zijne zuster, en ging met den sikkel, die tot +zijn koninklijk ornaat behoorde, in de rechterhand naar de deur. + +Hij had die nog niet bereikt, toen Eulaeus, bleek als de dood, het +vertrek binnenstormde en zijn vorst toeriep: "De moordenaar heeft ons +bedrogen! Cornelius leeft en wil met geweld tot u toegelaten worden." + +De hand waarin de koning het wapen hield zonk omlaag en roerloos +staarde hij een oogenblik in de ruimte, maar even schielijk was +hij zichzelven weder meester en schreeuwde met een stem, die als +een rollende donderslag het ruime vertrek vervulde: "Wie waagt +het, mijn vriend Publius Cornelius Scipio den toegang tot mij te +beletten? Blijf hier, Eulaeus, lafaard, monster! De eerste aanklacht, +waarvoor ik als koning der beide Egypten het oor open, zal die zijn +welke hij, die uw vijand en mijn vriend is, u in het aangezicht +denkt te slingeren.--Welkom, hartelijk welkom op mijn geboortedag, +edele vriend!" + +Deze laatste woorden waren tot Publius gericht, die in de witte +keurig geplooide toga der Romeinen van aanzienlijke geboorte met +hooge kalmte het vertrek binnentrad. Hij hield een verzegelde briefrol +in de rechterhand, en scheen, terwijl hij zich voor Kleopatra boog, +de handen, die de koning hem toestak, niet op te merken. + +Euergetes zou, nadat Cornelius zijn eersten groet had versmaad, hem +geen tweeden aangeboden hebben, ook al had het hem zijn leven moeten +kosten. Daarom sloeg hij met koninklijke waardigheid de armen over +elkander en zeide: "het doet mij leed, onder alle gelukwenschingen +van dezen dag, de uwe het laatst te ontvangen." + +"Gij zijt dus van inzicht veranderd," antwoordde Publius, en richtte +zich op in al de lengte van zijne flinke gestalte, zoodat hij boven +den koning uitstak. "Het ontbreekt u niet aan gehoorzame werktuigen, +en in den afgeloopen nacht hadt gij maatregelen genomen om mijn +gelukwensch eerst in het schimmenrijk te ontvangen." + +"Mijne zuster," antwoordde Euergetes schouderophalend, "roemde +gisteren den eenvoud uwer niet door beelden opgesierde taal, heden +echter schijnt gij lust te gevoelen om, als een Egyptisch waarzegger, +in raadselen te spreken." + +"Deze zijn echter voor u en dien man daar niet moeielijk op te lossen," +hernam Publius koeltjes, terwijl hij met de hand op Eulaeus wees, +"de slangen, waarover hij gebiedt, hebben krachtig vergif en scherpe +tanden tot hun dienst. Toch hebben zij zich ditmaal in hun offer +vergist, en in plaats van den gast des konings een armen kluizenaar +van Serapis naar den Hades gezonden." + +"Uwe raadsels worden steeds ingewikkelder!" zeide de koning, "mijne +scherpzinnigheid is ten minste voor de oplossing niet berekend, en +ik moet u verzoeken in minder duistere woorden te spreken, of mij +den zin te verklaren." + +"Straks," zeide Publius op vasten toon, "want deze zaken betreffen +mijn persoon, en ik sta hier als lasthebber van den Romeinschen staat, +welken ik dien. Heden nog komt Juventius Thalna als gezant van de +Republiek hier aan, en dit schrijven van den senaat stelt mij tot op +diens komst tot zijn plaatsvervanger aan." + +Euergetes nam de verzegelde rol, die Publius hem overhandigde, +in ontvangst. Terwijl hij het stuk openmaakte en den inhoud haastig +doorliep, ging de deur weder open, en verscheen Hiërax, de vertrouwde +des konings, op den drempel, met een vuurrood gezicht en verwarde +haren. "Wij hebben hem!", riep hij luide, eer hij verder ging. "Bij +Heliopolis zonk hij van zijn paard." + +"Philometor!" gilde Kleopatra, en vloog naar Hiërax toe. "Is hij van +het paard gezonken? Hebt gij hem vermoord?" + +In den toon waarop zij deze woorden sprak lag zulk een smart en zulk +eene ontzetting, dat de veldoverste vol medelijden zeide: "Wees +bedaard, edele vrouw, de hoofdwond van uw echtgenoot is zonder +gevaar. De artsen in de groote zalen bij den zonnetempel hebben +hem verbonden, en mij veroorloofd hem in een draagstoel hierheen +te voeren." + +Zonder tot het einde naar Hiërax te luisteren, ijlde Kleopatra naar de +deur. Doch Euergetes trad haar in den weg en gebood met de hem eigene +beslistheid, die elke tegenspraak onmogelijk maakte: "Gij blijft, +tot ikzelf u tot hem geleid. Ik verlang u beiden in mijne nabijheid +te hebben." + +"Om ons door allerlei martelingen te dwingen van den troon afstand +te doen," zeide Kleopatra. "Heden is het geluk aan uwe zijde en zijn +wij uwe gevangenen." + +"Gij zijt vrij, verhevene koningin," zeide de Romein eensklaps tot +haar, die beefde over al hare leden, "en ook voor den koning Philometor +vorder ik hier de vrijheid in naam van den senaat, op grond van de +mij verleende volmacht." + +Euergetes vloog bij deze woorden het bloed naar het hoofd, en +zichzelven nauwelijks meester, stamelde hij meer dan hij sprak: +"Popilius Laenas beschreef om mijn gestorven oom Antiochus een +kring en dreigde hem met Rome's vijandschap, wanneer hij dezen +overschreed. Gij wilt het uw stoutmoedigen landsman, wiens geslacht +niets minder voornaam is dan het uwe, nadoen; maar ik, ik...." + +"Het staat u vrij, u tegen den wil van Rome te verzetten," zeide +Publius op scherpen toon, den koning bits in de rede vallende, "doch +als ge dit waagt, kondigt het u door mij zijne vijandschap aan. Ik +sta hier als vertegenwoordiger van den senaat, die het verdrag wil +handhaven, waarbij Egypte aan den koning van Syrië is ontnomen, maar +aan u en uw broeder de verplichting is opgelegd, de heerschappij over +Egypte te deelen. Het staat niet in mijne macht te veranderen wat hier +gebeurd is, maar wel ben ik verplicht voor Rome de mogelijkheid open te +houden, om aan ieder uwer datgene toe te deelen, wat hem overeenkomstig +de door de Republiek goedgekeurde verdragen, toekomt. In alle vragen, +die dit tractaat betreffen, heeft Rome te beslissen, en het is mijn +plicht zorg te dragen, dat de aanklagers niet verhinderd worden levend +en vrij voor hun beschermheer te verschijnen. In naam van den senaat +vorder ik van u, Euergetes, dat gij koning Philometor, uw broeder, +en de koningin Kleopatra, uwe zuster, daarheen laat gaan, waarheen +zij verlangen." + +Euergetes stond, zwaar zuchtende en met verkropten spijt, nu eens +zijne handen tot vuisten ballende, dan weder de bevende vingers wijd +uitstrekkende, korten tijd zwijgend tegenover den Romein, die hem +rustig en met een koelen blik in het aangezicht zag. Daarop streek hij +met beide handen door zijn haar, schudde zijn hoofd geweldig heen en +weer, en zeide: "Breng den senaat mijn dank over, en zeg hem, dat ik +wist wat wij hem verschuldigd zijn, dat ik zijne wijsheid bewonder, die +een verdeeld Egypte verkiest boven een in krachtige handen vereenigd +Egypte. Philometor is vrij, en gij, Kleopatra, zijt vrij met hem." + +Hij zweeg een oogenblik. Toen begon hij luide te lachen en riep de +koningin toe: "Uw teeder hart, zuster, zal u nu zeker op de vleugelen +der liefde naar uw echtgenoot voeren!" + +Kleopatra's bleeke wangen hadden, terwijl de Romein sprak, sterk +gekleurd. Zonder de honende woorden van haar broeder een antwoord +waardig te keuren, liep zij trotsch naar de deur. Toen zij Publius +voorbijging, zeide zij met eene deemoedige beweging van hare hand: +"Wij zijn den senaat zeer verplicht." + +Publius boog zich diep, doch zij keerde het hoofd van hem af en +verliet het vertrek. + +"Gij hebt den waaier vergeten en uwe kinderen!" riep de koning haar +achterna. Doch Kleopatra luisterde niet naar deze woorden, want buiten +het vertrek van haren broeder gekomen, verloor zij de tegenwoordigheid +van geest, die zij tot hiertoe met alle inspanning had bewaard. De +handen tegen de slapen van haar hoofd drukkende, vloog zij langs de +breede trappen van het paleis naar beneden, alsof zij door vijanden +vervolgd werd. + +Toen het geluid harer voetstappen wegstierf, wendde Euergetes zich tot +Cornelius en zeide: "Daar gij nu volbracht hebt, wat gij uw plicht +achtet, zoo bid ik u om eene verklaring der duistere woorden van +zooeven die niet zoozeer op den vorst dan op den mensch Euergetes +betrekking hadden. Heb ik u goed verstaan, dan bedoeldet gij, dat +men u naar het leven heeft gestaan, en dat in uw plaats een dier +wonderlijke aan Serapis zich toewijdende oude mannen vermoord is." + +"Op bevel van u en uw helper Eulaeus," antwoordde Publius koel. + +"Treed nader, eunuuch!" zeide de koning met donderende stem tot den +sidderenden hoveling, en zag hem met een vreeselijk dreigenden blik in +de oogen. "Hebt gij moordenaars gehuurd, om mijn vriend, die dreigde +uwe schanddaden aan het licht te brengen, en een aanzienlijk gast +van ons huis is, te vermoorden?" + +"Genade!" stamelde de eunuuch, en zonk voor den koning op de knieën. + +"Hij bekent zijne misdaad!" sprak Euergetes, raakte met de hand den +gordel van zijn jammerend werktuig aan, en beval Hiërax hem onverwijld +aan de wacht over te geven, en voor aller oogen bij de hooge poort +van den koningsburcht te laten ophangen. De eunuuch wilde nog spreken +en om genade smeeken, maar de sterke veldoverste, die zulk soort van +lieden haatte, sleurde hem overeind en duwde hem het vertrek uit. + +"Gij hebt reden u te beklagen," zeide Euergetes, terwijl het gejammer +van den voortgesleepten eunuuch op den trap wegstierf, "maar gij ziet +hoe ik hen weet te straffen, die het wagen onze gasten te beleedigen." + +"Deze ontvangt heden het loon, wat hij sedert jaren heeft verdiend," +antwoordde Publius. "Doch nu wij alleen zijn, man tegenover man, +moet ik ook met u mijne rekening vereffenen. Eulaeus heeft op uw +bevel en in uw dienst twee moordenaars op mij afgezonden...." + +"Publius Cornelius Scipio?" zeide de koning zijn vijand met dreigende +stem in de rede vallende. + +De Romein ging echter koel en rustig voort: "Ik zeg niets wat ik +niet door getuigen kan laten bewijzen, en heb in twee brieven naar +waarheid bericht, wat koning Euergetes in dezen nacht tegen het +leven van een gezant van den Romeinsche staat heeft ondernomen. Het +eene schrijven is aan mijn vader, het andere aan Popilius Laenas +gericht, en beide brieven zijn reeds op weg naar Rome. Zij zullen, +zoo heb ik bevolen, geopend worden, wanneer ik ze binnen drie maanden, +van heden af gerekend, niet heb teruggevorderd. Gij ziet dat gij er +belang bij hebt mijn leven te ontzien, en te doen al wat ik van u +eischen zal. Voegt gij u in alles wat ik verlang naar mijn wil, dan +zal al wat in dezen nacht geschied is,--dat beloof ik u, en ik heb +mijn woord nog nooit gebroken--een geheim blijven tusschen u en mij, +en nog een derde, voor welker stilzwijgendheid ik kan instaan." + +"Spreek," zeide de koning, wierp zich op het rustbed neer, en trok, +terwijl Publius sprak, de veeren uit Kleopatra's vergeten waaier. + +"Ik verlang in de eerste plaats de vrijspraak van den koninklijken +verwant en voorzitter van het Chrematisten-college, Philotas van +Syracuse, de oogenblikkelijke bevrijding van hem en zijne vrouw van +den dwangarbeid en hun terugkeer uit de bergwerken." + +"Beiden zijn gestorven," zeide Euergetes: "mijn broeder kan het +getuigen." + +"Dan vorder ik, dat in een afzonderlijk decreet verklaard worde, dat +Philotas onrechtvaardig is veroordeeld geworden, en dat hij in zijne +eer worde hersteld. Ik verlang verder, dat gij mij en mijn vriend den +Korinthiër Lysias, als ook den beeldhouwer Apollodorus vergunt, met de +dochters van Philotas, Klea en Irene, die Serapis als kruikdraagsters +dienen, ongehinderd Egypte te verlaten.--Gij talmt met uw antwoord?" + +"Neen," antwoordde de koning en stak daarbij zijn hand in de hoogte, +"want voor ditmaal heb ik het spel verloren?" + +"Aan de dochters van Philotas, Klea en Irene," ging Publius voort +met onverstoorbare kalmte, "moeten de verbeurdverklaarde goederen +van hare ouders worden teruggegeven." + +"Gij schijnt aan de schoonheid van uwe geliefde niet genoeg te hebben," +merkte Euergetes spottend op, den Romein in de rede vallende. + +"Ik ben er volkomen mede tevreden. Als laatste vordering verlang ik, +dat deze goederen voor de helft aan den tempel van Serapis worden +toegewezen, opdat de god gewillig en zonder tegenspraak van zijne +dienaressen afstand doe. De andere helft moet aan mijn zaakwaarnemer +Dicaearchus te Alexandrië overhandigd worden, daar ik wil dat Klea en +Irene niet zonder het huwelijksgoed, dat haar toekomt, mijn eigen huis +en dat van Lysias van Korinthe als echtgenooten zullen betreden. Binnen +een uur moet ik het decreet en de acte van teruggave in handen hebben, +want zoodra Juventius Thalna hier aankomt--en ik verwacht hem, gelijk +ik zeide, nog heden--denken wij Memphis te verlaten en te Alexandrië +scheep te gaan." + +"Zonderlinge samenloop van omstandigheden!" zeide Euergetes. "Gij +belet mij de wraak en verijdelt mijne liefde, en toch zie ik mij +gedwongen u nog een goede reis te wenschen. Ik moet een offer brengen +aan Poseidon, de Cyprische godin en de Dioscuren [32], opdat zij uw +vaart begunstigen, en toch zal het schip den man dragen, die mij te +Rome in de toekomst, door zijne bittere vijandschap meer benadeelen +kan dan eenig ander." + +"Ik zal voor dengene onder u optreden, aan wiens zijde het recht is." + +Met een trotsche beweging zijner hand als afscheidsgroet verliet +Publius het vertrek. Zoodra de deur zich achter den Romein had +gesloten, sprong Euergetes van zijn rustbed af, schudde dreigend zijn +gebalde vuist, en sprak: "Gij, stijve klant, kunt mij met uw opgeblazen +patricische kliek aan den Tiber wel benadeelen, maar misschien win +ik uws ondanks mijn spel! Gij kruist mijn weg in naam van Rome's +senaat. Als Philometor in de voorvertrekken der consuls en senatoren +zijne opwachting maakt, kunnen wij elkander daar zeker ontmoeten, +maar ik wil het ook eens beproeven met het volk en zijne tribunen! + +"Vreemd! In éen uur heeft deze kop", en hierbij wees hij op zijn hoofd, +"meer goede invallen, dan zulk een koel heer in een jaar. En toch kan +ik niet tegen hem op, en als ik billijk ben, moet ik toegeven: het +was niet zijn geluk, het was zijne slimheid die mij overwon.--Laat +hij met zijne trotsche Hera wegvaren, mij wenken in haar plaats te +Alexandrië wel tien Aphrodite's. + +"Ik ben als het ware het Hellas en hij het Rome van deze dagen. Wij +jagen in den zonneschijn fladderende na, wat onzen zinnen bevalt, +en onzen geest aantrekt, maar zij gaan, vóor zich ziende, met vasten +tred op macht en voordeel af. Zoo komen zij verder dan wij, en toch--ik +wil niet met hen ruilen!" + + + + EINDE. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Dus geheeten naar de pastophoren, tempelbeambten, die beelden en +kleine altaren droegen. + +[2] Onderkleed. + +[3] Een muziekinstrument, dat bij godsdienstige plechtigheden werd +gebruikt. Zie Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7. + +[4] Eiland in het noorden van de Aegeïsche zee. + +[5] September. + +[6] Eene muts in den vorm van eene mand. + +[7] Het voorvertrek van het sanctuarium, waarin Klea zich bevond. + +[8] De door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van +een Egyptischen tempel. + +[9] Een Grieksch wijsgeer, afkomstig van Cyprus, die omstreeks 300 +v. C. leefde. Hij was de stichter der Stoïsche wijsbegeerte. + +[10] Jonge mannen die op 18 jarigen leeftijd meerderjarig waren +verklaard. + +[11] Het hoofd van den nomos Arabia, toen een deel van Egypte. + +[12] Te Alexandrië. + +[13] Een schip met drie rijen roeibanken boven elkaar. + +[14] De koninklijke garde te paard bij het Macedonische leger. + +[15] De koningsgezinden. Eene koninklijke lijfwacht. + +[16] Steden in Opper- en Neder-Egypte. + +[17] Holbewoners. + +[18] Bestuurder of stadhouder. + +[19] Aurora. + +[20] De zonnegod. + +[21] Een zuilengalerij te Athene. + +[22] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7. + +[23] Opperbevelhebber. + +[24] De geit uit wier hoorn ambrozijn vloeide. Deze hoorn, door de +geit afgestooten, werd door Zeus onder de sterren geplaatst. + +[25] Antisthenes was de stichter der Cynische, Zeno van de Stoïsche +school. Strato behoorde tot de Peripaettische school en Aristippus, die +leerde dat het genot het hoogste is, was de stichter der Cyrenaïsche. + +[26] De beschilderde gaanderij te Athene, waar Zeno aan zijne +leerlingen onderwijs gaf. + +[27] Vgl. Ebers' Warda, Dl I, Hoofdst. 11. + +[28] Werkkleed. + +[29] Gesp. + +[30] Overste der ruiterij. + +[31] Murrha of myrrha heette eene kostbare steen of aardsoort. + +[32] Castor en Pollux. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Klea en Irene, by George Moritz Ebers + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42867 *** |
