diff options
Diffstat (limited to '42815-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42815-0.txt | 5282 |
1 files changed, 5282 insertions, 0 deletions
diff --git a/42815-0.txt b/42815-0.txt new file mode 100644 index 0000000..4b1478f --- /dev/null +++ b/42815-0.txt @@ -0,0 +1,5282 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42815 *** + + NIEUWE ROMANS + + BEGIJNHOF-SPROKEN + + + DOOR + + FELIX TIMMERMANS + EN ANTOON THIRY + + + + MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE + LECTUUR TE AMSTERDAM + + + + + + + +INHOUD + + + Pag. + Binnenleiding. 5 + De Waterheiligen. 7 + Het Sacrificie van Zuster Wivina. 39 + De Ivoren Fluit. 69 + De Aankondiging of de Strijd tusschen Elias + en den Antikrist. 115 + "Ecce Homo" en het bange Portieresken. 151 + Van Zuster Kathelijne en 't Lievevrouwken. 181 + Het Fonteintje. 221 + Buitenleiding. 255 + + + + + + + +BINNENLEIDING + + +De gele avend matte de witte huizekes en de bleeke straat-keien +in hun kraagjes van groen gras. Wij zaten zwijgend gehurkt op den +kouden dorpel van een scheefgezonken poortje. De beeklok klepte drie +hommelende klanken open; en vóór ons, achter smalverlicht venster +ging de bevende paternosterstem van een begijntje op en af, en vier +andere doovere monden mummelden den overschot der weesgegroeten. En +lijk appelenreuk in een kast waar appelen hebben in gelegen, zoo +leefde hier de vergane devotie der Kerstenheid. + +En heel de mystiek van Jesus-Christus, zijn honigzoete moeder en +den duivel, en al wat daaruit opfleurde en ermede verwelkt is, was +hier nog te zien als een oude gobbelijn, die door 't verouderen nog +schooner geworden is als hij was. Wij voelden het vergane leven dat +hier na-geurt in 't simpel gedoe der witgekapte begijntjes. Ons hart +smolt van ontroering en een sprak: Een Begijnhof is een doode heilige, +die nog een aangenamen meloenenreuk heeft. + +En de andere zei: + +Laat ons schrijven over dien reuk. + +En dan hebben wij deze antieke verhalen geschreven tot profijt ende +jolijt der menschen die wonen langs de zee, in 't blonde Holland en +het malsche Vlaanderen. En wij hebben er heel devoot dien reuk in +neergelegd. En wie hem niet rieken en mocht, verwijte het niet ons, +maar zijnen neuze. + +"Dit hebbe ik u gezegd, opdat het u geen hindernisse worde", spreekt +Sint-Jan. + + + + + + + +DE WATERHEILIGEN + + +I + +In de Lente als de eerste madeliefkes pimpeloogen in 't jonge gras en +de kastanjelaren plakken van 't snot, wierd Suska geboren in de kooi +van de ouderlijke schuit: "De arke des Verbonds" genaamd. Het meisje +was rood als een pioentje en malsch gelijk een abrikoos, een wolk van +een kind. De vader was blij en hij danste van plezier omdat het jong +geboren was in het teeken van de visschen, het waterelement. Het was +kermis in 't schip, ze dronken bier met suiker, bakten pannekoeken en +stoofden droge pruimen, en de schippersknecht haalde zijn harmonica +voor den dag en speelde er den heelen avend op. Dit gebeurde achter +het Liersch Begijnhof en den anderen dag wierd het borelingsken er +gedoopt door 't pastoorken met het eene oog en den mond zonder tanden. + +En de Arke vaarde naar Grobbendonck en Herenthals zooals ze alle weken +deed met steen, kolen, graan en smout in den buik, tot den dienst der +menschen. Zoo deed zij 't al jaren en Schipper Verstokt won er zijn +broodje mee en smoorde zijn pijp in den vrede des harten. De moeder +zong een kermislied en het zwert hondeken baste tegen Suska. Uit de +Lente groeide de korengevende Zomer, die op zijne beurt verrimpelde tot +de koninklijk gekleurde herfst, vol dunnen mist en fijnen zilverdraad, +te heerschen begon. De Arke vaarde door regen en slegen, grijs weer +en zonneschijn. + +Als de witte winter het land toedekte en de eerste vorst 's nachts +sterrekens van ijs op 't water in malkaar spon, kwam de Arke des +Verbonds achter 't Begijnhof aanleggen en liet er zich vastvriezen om +er den kalen winter door te brengen. Alles werd van 't dek geruimd +en 't schippersvolk wachtte er de Lente af, gedoken in de warme +holte van het schip. Om een stuiverken meer te verdienen in dezen +kouden tijd en 't vet van den zomer niet heelemaal te moeten opeten, +timmerde vader Verstokt een slee, bond schaverdijnen aan zijn voeten +en reed er mee naar Lachenen om een tonneken dubbelen gersten en een +flesch jenevel. De schippersknecht schuurde het ruim, plaatste er +een geutijzeren stoveken in, en huurde bij een kleerkooper tafels +en stoelen. Uit een kist wierden pinten, borrels, pijlschijf en +speelkaarten gehaald en in deze vreemde herberg kwam het volk den +Zondag daarop bier drinken en pijpen rooken. 't Was iets plezierigs +een staminee op een schip, en de schipper en zijn wijf tapten en +schonken en het mansvolk amuseerde er zich tot laat in den avond. Zoo +ging de tijd om tot de winter ook al oud wierd, de dooi het ijs deed +smilten en 't gescheurde ijs in schollen afdreef. En de Arke vaarde +weer de vroegere wegen op. Zoo verliepen de seizoenen en verzwonden de +jaren. En Suska groeide als een bloem, kraaide en zong op het dek en +'s avonds leerde heur moeder heur bidden en breien en lezen in het +Kruisken A. Ze leerde de dorpen en gehuchten kennen waar ze voorbij +vaarden: Lier, Emblehem, Nijlen en meer, wist hoe het Netheland +er uitzag in de drie open seizoenen en ze had er een deugd aan de +boomen en de huizen te zien onder de wisselende hemels, maar ze zou +er niet hebben willen wonen. Ze hield van het water, het aangename, +levende water waarop de zon en de maan zoo schoon spelen konden en +de winden ritselden en de regens ruischten. Ze maakte schuitjes uit +oude holleblokken en heur vader leerde heur zwemmen. Voor geen geld +zou ze te lande willen zijn in de duffe huizen en die benauwelijke +straatjes!... + +Maar tusschen die reeks van landschappen die wekelijks aan heur +voorbijschoven was er een waar ze met de jaren meer en meer van te +houden begon en dat was het Begijnhof met de roode spitse daken, +de witte gevels en het fijne torentje waarin het zilveren kloksken +zóó innig te zingen hing. + +Als ze uit Herenthals leeg wegvaarde, rap en hoog boven water met +de afloopende tij kwam er een blijde klop in heur hert en zat ze op +'t voorsteven te kijken of ze, tusschen Sint-Gommarustoren en 't +gothieke Belfort, boven de huizen en de boomen het Begijnhoftorenken +niet zag. En als ze dan, de stad omgevaren, het daar rood en wit +en groen tusschen de vesteboomen liggen zag, met de vredig smorende +schouwpijpen voor den vierurenkoffie, dan wierd het heur zoo zoet om +'t hert dat ze den wellust van 't varen vergat alsmede de wisselende +tafereelen uit dit malsche land van Rijen, zóó schoon en innig als +een land van Belofte. En Suska, dan, blozend en blond gezeten op +het groene watertonneken, keek heur oogen uit heur lijf en ze dacht +somwijlen aan het leven in die zuivere huizekens en begijntje te zijn +en met een wit laken over den kop, in het lof vol blauwen wierook, als +verloofde Kristi den Heer te loven en te danken... Maar och! dan rook +ze het water weer, voelde het malsche water en overzag de bochtige +Nethe gewonden door de vette landen en ze zuchtte. Het water! het +water als het bloed van heur hert, ze zou het niet kunnen verlaten! + +En als de winter de wereld onderdekte onder zijn sneeuw, als de eenzame +huizen onder al dat witte geweld in den grond schenen te zinken, +als de berken lijk wolken van licht, en de olmen wit te schitteren +stonden in de half-blinde zon; als de Nethe toelag en er iedereen op +schaverdijnde dan lag de "Arke des Verbonds" weer achter het begijnhof +onder een witte sargie en klonken in het ruim het lachen en 't zingen +der mannen bij 't drinken van 't smakelijk bier. Het zwarte scheeve +schouwken dat tegen den mast omhoog stak rookte als een duivelspijp, +want daarbinnen wierd er gestookt als in een bakkersoven. + +Dan was 't een zoete tijd voor Suska. Ze ging elken morgen met heur +moeder naar de mis, volgde de officiën, ging ter vespers en las mee de +novenen van Sinter-Klaas, Kerstmis en Driekoningen. Telken Zondag wierd +ze uitgenoodigd op een koffie bij 't een of 't ander begijntje, speelde +een loto of een ganzenspelleken en ze spraken over geestelijke zaken, +de martelingen der heyligen, de verschijning van Ons-Lief-Vrouwken +en de schoonheid van den Hemel. En al de devote zielen stelden zich +in de weer om het blonde, blozende schippersmeisken te behoeden +voor wereldsche verleiding en ze gaven haar boeken, paternosters +en schapulieren. En in die atmosfeer van kerstenheid en bidden en +gelukkige leven in Godes alderzoetste tegenwoordigheid, smaakte Suska +de fijnste geneugten van de ziel en ze wenschte dat er een Begijnhof +mocht bestaan op een schip... Maar dat was nu helazen niet! En er +kwam twijfel in haar, die dan weggeblazen wierd door den vromen geest +dien ze inademde uit de gekregen boekskens, zooals Thomas a Kempis, +de Gulden Legenden en zoo meer, maar van zoo haast ze geteerd houtwerk +rook dacht ze aan het water en het schippersleven en vergat ze 't +Begijn-zijn... Het water kon toch zoo schoon zingen als de wind er over +voert en was daar God ook niet tegenwoordig vermits de psalm zeide: + +"De wateren spreken met den Heer!" + +Zoo wierd ze met heur twijfel van hier naar daar gestuurd, Ze kon +geen besluit nemen. + +De Lente wapperde een lauwen wind in de zwarte boomen, knoppen schoten, +de grond rook en weer ging de "Arke des Verbonds" de waterwegen op. En +elken Winter stond vaster Suska's wensch Begijntje te worden en al +het eerdsche goed en ijdele verlangen op te offeren om te worden de +gelukkige verloofde Onzes-Heeren Jezus-Kristus, tweede persoon der +Alderheyligste Drievuldigheid. + + + + +II + +En op heur twintig jaar nam zij het vast besluit Begijntje te +worden. En dit deed ze tot grooter vreugde harer ouders die waren +van oud kerstengeloove. + +Ze nam heuren intrek bij het dik begijntje Stommels in 't huizeken +genaamd "'s Hemels Poorte" 't laatste van het smalle en donkere +Vagevierstraatje. Daar leerde ze den fijnen kant op de raam maken +en vier maal in de week, tusschen licht en donker, ging ze naar 't +eenoogige Pastoorken, die heur vaderlijk voorbereidde om te worden +een waarachtig kindeken Gods. En eer de Zomer zijn rijkdom te blinken +lag in de zon, was Suska in 't Convent met twee andere novieskens en +kreeg ze heur religieuse kleeren aan. Ze bad veel, vastte, was van +'s morgens tot 's avonds in gesprek met Onzen-Lieven-Heer en zijn +Lieve-Moeder en op den patroondag der heylige Pelagia, Sondersse, +werd ze verloofd met den zoetsten Zone des Hemels. Ze betrok de +helft van "'s Hemels Poorte", werkte in den zonneschijn achter heur +gordijntjes in den kant, tot onderhoud van het dak waaronder heur ziel +woonde. De pastoor haalde eer van zijn werk en deed zijn een oog toe +van voldaanheid en zei met zijn tandeloozen mond: "Een schoone ziel +gewonnen voor den hemel". + +Ze was een exempel, Suska! Ze bad inniglijk, mediteerde de passie, +bleef het langst in de kerk, las god-gewijde boeken en tijdens +heur werk zong ze geestelijke liederen. In heur keuken kraakte +het van properheid en ze hield een kanarievogel, die hing boven de +deur en hij zong zoolang hij licht zag. Het zwert hondeken had ze +ook meegekregen, een schipperken van 't echt ras en zijn naam was +Felinks. Op heur kasken, vóór de plaasteren Lievevrouw onder stolp, +lag op een kusken een zeilende driemaster in een flesch en onder het +beeld van den Heyligen Blasius op de schouw, hing gekonterfeit de +"Arke des Verbonds" met witte, bollende zeilen op een blauwsel-zee met +witte golf-kammekens. Vader stond aan 't roer, recht als een geweer +en de schippersknecht Louis zat in 't toppeken van den mast. 't Was +Suska een werkelijk genoegen dat schip te bekijken, zooals het daar +over de baren vloog met den blijen wind in de gezwollen zeilen en +dan droomde ze van heur kindsheid, dien zoeten tijd, de open lucht +en het welriekende water. + +Zonder dat ze het zelf wist dacht ze er soms aan hoe aangenaam het +wezen zou begijn te zijn op een schip, zoetekens weg te smilten in +geestelijke oefeningen en toch te water te varen. En ze zag er de +andere begijnen, en in 't ruim de kapel, en het koperen kruisken +in den mast, en wit en rood, de kleuren des hemels, was er er alles +geschilderd. Ze zag het tot in zijn minste bezonderheden en het groeide +in heur tot een werkelijk bestaand ding. En als zij zich zelf verraste, +verwijlend bij dien droom, dan kreeg ze er spijt over, bad een vaderons +en maakte zich zelf wijs dat het hier in heur huizeken met de bonte +bloemen, en 't groen voor 't venster in 't hofken en den zonneschijn +op den tichelvloer, veel beter moest zijn dan op een schip! + +Wekelijks voer de "Arke des Verbonds" achter het Begijnhof voorbij en +dan stond ze reeds uren te voren op den dijk te wandelen om het schip +te zien en heur Vader en heur Moeder. Ze beleefde er een malsche deugd +aan, het schoone schip te zien aankomen, en ze vertelde dan telkens +dat ze toch zoo geren op 't Begijnhof woonde en heur gedachten vlogen +onwillens naar het schip met de begijnen in... Stilaan gaf ze toe +aan die droomen want wat kon het God deren? En daarbij zoo'n varend +hof kwam er toch nooit!... + +Ze wandelde meer en meer langs de Nethe die tusschen de met populieren +gefestoende dijken door de vettige beemden kronkelde naar den blauwen +horizon. Ze sloeg geen dag meer over zonder buiten aan het water heur +schippersziel eens op te halen. En ze zette zich in 't gers en bad er +zoo goed als in de kerk. De koelte en de reuk van het water haalden +heur ziel omhoog als orgelspel of preek... + +Eens las ze van Sint-Marcus en van Venetië en zoo kwam ze te weten dat +dit een stad was met straten onder water en dat de menschen ter mis of +te boodschappen gaan in schipkens en in schuitjes... Ai mij! waarom +was 't Begijnhof ook alzoo niet een stedeken waar elk begijntje +heur bootje zou hebben om ter kerk te wrikkelen! Kon de Nethe nu nen +keer overloopen bij de eerste nieuwe maan en alles overstroomen dat +'t er nooit meer af en kon! En 's winters dan zouen ze er allemaal +op schaverdijnen!... Dat zou het zijn! + +Maar wat was me dat een verschiet, toen op een schoonen morgen heur +vader en heur moeder heur afscheid kwamen zeggen en heur het nieuws +brachten dat ze nooit meer naar Grobbendonck zouden varen. Ze konden +meer verdienen tusschen Boom en Dendermonde en dat konden ze niet +laten voorbijgaan... + +Het droeve nieuws viel als een steen in een stillen vijver... Ze +heeft koffie opgeschonken en is meegevaren tot aan 't hofken van +Ringen... En toen heeft ze de "Arke des Verbonds" zien wegzeilen +tusschen de populierenstammen en ze is aan 't snikken gegaan als een +klein kind... Nooit zou ze nu nog de Arke zien varen op de klare +wateren van de zoete Nethe!... nooit meer!... nooit meer zou ze +varen!... Ze slenterde moezaam terug huiswaarts, zoo triestig gestemd +dat de tranen in haar oogen welden. + +Het was na den eenen als ze thuiskwam. + +Begijntje Stommels schoot uit. + +Maar juffrouw Suska toch! zijn me dat manieren! zoo lang weg te +blijven!... 't Eten is koud en ge hebt niks gewerkt. En ge hebt zelfs +niet gelezen want ge hebt geen boek bij! + +Toen ze heur roode kaken zag en de betraande oogen, wierd ze verteederd +en ze zei zoeter: + +"Wat... wat is er toch?" + +En Suska heeft heur alles verteld. + +Toen zei begijntje Stommels wijselijk: + +"Ge moet te biechten gaan! Zuster Suska!" + +En ze ging te biechten en beleed ootmoediglijk dat ze van schepen en +van varen hield buiten mate. + +En de Pastoor zei: + +"Mijn kind, Jezus is uw bruidegom en Maria uwe moeder. Ge moogt +maar alleen voor hen leven. Schepen en varen is eerdsch goed en +ijdelheid. Maak van uw ziel een schipken met het gebed als mast en +de goede werken als zeilen en dan zult ge naar den hemel varen! Uw +leven is in de kerk en in uw huizeken. Bid want de duivel beloert u". + +En thuis viel ze met heur kop op de tafel, snikte, vroeg om vergiffenis +en was vast besloten alleen maar aan God te denken. + + + + +III + +Heur intentie was echt en alles ging goed in den beginne. Ze meed +de rivier en ze was blij dat de winter aankwam die alle water onder +'t ijs hield. Tegen 't uitkomen van de Lente zou ze 't wel gewoon +zijn! Ze ging veel ter kerk, bad tot ze er in slaap zou bij vallen, +maar het verlichte heur niet... Ze dacht soms aan de fijne zoetigheden +die heur zielken genoot aan den groenen waterkant... Maar daarna bad +ze weer inniger den Heer om alles te vergeten om alles dood te krijgen +wat heur naar buiten trok. Maar het ding bleef leven in heur en solde +met heur beste intenties als een katje met een muis. Ze wierd er mager +van en ziek. Ze zat volle uren achter de roode stoof met Felinks op +haren schoot te peinzen aan den vroegeren tijd en dan weende ze soms +van wanhoop en teleurstelling. Aan niemand zei ze wat er was. Ze voelde +zich versmachten in heur keukensken en ze wenschte dood te zijn en in +den hemel waar de schepen gouden zijn op water van kristal. De begijnen +gaven haar allerlei geneesmiddelen, zalfkens en papkens en plaasters, +maar ze roerde er niet aan. Ze meenden dat ze zou sterven en ze baden +voor een goeden dood. De Pastoor bracht er den doktoor bij en die +zei dat ze veel wandelen moest als 't Lente was en de gezonde lucht +inasemen. De Pastoor die sedert lang heur biecht vergeten had zei: + +"Ja, da moete doen". + +En heur hert sprong op van uitermate vreugde en de hoop herleefde in +heur en zonder zonde te begaan, mocht ze weer langs de Nethe wandelen +en 't water rieken! Wat zou ze er weer kunnen bidden en Ons-Heerken +bedanken voor zijn goedheid!.... + +Na lange dagen veegde de regen de sneeuw weg, een schele zon +pimpeloogde door de wolken en even later stonden de gerssprietjes op +uit den natten grond. + +En Suska ging wandelen langs de Nethe. Het water lag er toch zoo schoon +en liep zoo zoet en kalm! Ze had er willen in liggen en meedrijven +naar 't end van de wereld en er in smilten en zelf water worden en den +weerschijn van den schoonen hemel dragen! Ze sloot bijwijlen heur oogen +van geestelijke deugd als ze zoo al wandelend in heur getijdenboek +de schoonste psalmen las. Ze voelde God en ze herleefde met den dag. + +De lauwe wind speelde om de boomknoppen, de blaren schoten er uit en +de fijne avenden kwamen. + +Hoe dikwijls zagen de begijntjes haar niet gezeten in het gers van den +oever waar de madeliefkens bloeiden en koekoesbloemen, de oogen toe, de +handen op de borst en verzonken in vroom bidden. De vogels zongen dan +telkens meer als gewoonlijk in de populieren-kruinen. En ze probeerden +ook te zijn zooals zij was maar dat konden ze niet. En de pastoor +die er geen kwaad in zag begost haar te vereeren om heur devotie, +maar hij vond het spijtig dat ze in de kerk zóó weinig te zien was... + +Soms bleef ze in den donkeren nog op den dijk zitten en 't +gebeurde eens dat ze naar huis kwam als de poorten reeds gesloten +waren. Begijntje Stommels speelde dan op heur poot en zei van in +'t vervolg niet meer te openen. + +De tijd vloeide en 't gewierd Sint-Margrietje als de processie +uitgaat. Iedereen was er mee in de weer. Overal zaten de begijnen +strooisel te snijden, kronen te vlechten en kandelaars te +versieren. Suska echter zat met het heele geharrewar niets in en +liep maar van zoo vroeg ze kon naar 't water en ze zat er als een +beeld roerloos, met God in heur hart te bidden. De zusters lieten +heur maar betijen want zij ook kregen stilaan de verzekering dat er +iets heiligs in Suska stak. + +En zij, devoot van ziele, in de avendschemering aan de lispelende Nethe +gezeten, droomde de processie te water, op schuiten, wit en rood en +goud geschilderd. Een schip zou er zijn met den man met het kruis, een +met maagdekens, een met begijnen, een met de relikwiekast der heilige +Begga, een met 't muziek en de flambeeuwdragers en mijnheer Pastoor +stond in een boot met goud-bestikt baldakijn en hij zegende met vierige +remonstrantie de menschen die op de groene oevers geknield zaten. De +populieren ruischten zoetekes hun kruinen boven dezen heiligen stoet +en de vogels kweelden. De hemel was blauw als een Mariakleed. En ze +vaarden tot aan 't Hofken van Ringen en vaarden toen weerom. + +Zoo zat ze met heuren zoeten droom. De volle maan rees in het +blauw des hemels en alles was stil een langen tijd. Plots hoorde +ze geplas van riemen in 't water. Ze schrok en keek toe. En zie, in +een visschersschuit, zat een arme vent en hij roeide tegen tij op. Ze +keek hem na, niet denkend aan het late uur. De man lei wat verder zijn +schuitje vast, nam stok en zak en trok zwijgend door de wazige beemden, +den geurigen nacht in. De maan leekte zilver op het water... Ze zag +dit alles aan, voelde de schoonheid ervan tot diep in heur dringen, +en in heur gemoed schoot er een innig verlangen omhoog. Ze vergat heel +de wereld, Begijnhof en Pastoor, hel en zonde, liep naar het bootje, +maakte het los, sprong er in, greep de riemen en begon te roeien. Ze +was als dronken van geluk, heur oogen gingen toe en o! dat varen, dat +zoete, geluidlooze, onwerkelijke glijden en zweven op het zilveren, +maangedrenkte water, als was men een zieltje of een geest en niet meer +van der aarde... En ze zag ineens de maan tusschen twee populieren, +en de maan wierd wel twintig keeren grooter en ze ging open als een +bloem en er kwam een groot, gouden schip uit en engeltjes zaten in +'t koordwerk en Ons-Lief-Heerken Jezus zat op het watertonneken op +'t voorsteven en hij lachte haar toe... God-den-Alderhoogste! + +Het sloeg twaalf uur op het Begijnhoftorenken, en travans! 't visioen +was weg en ze hervond zich rillend van de kou, in het bootje op de +Nethe. Ze wrikkelde terug den bocht in waar ze 't schuitje gevonden +had, lei het vast en ze liep met angstig hert door den natten beemd +naar 't Hof. Wat zou men nu gaan zeggen?... Ze kwam aan de poort en +klopte stillekens. De schrik bekroop heur. Zaten hier geen venten, +of daar soms?... En ze begon harder te kloppen, harder en harder +nog. Met een keers in de hand, kwam 't Portieresken opendoen. Ze deed +een lamentatie alsof ze den verloren zoon zag en schreeuwde dat het +toch niet kon blijven duren. + +"Ik zal 't aan Menheer Pastoor zeggen! Dat zijn nu geen streken +meer. En zoo nat! 'k Schrijf het naar den bisschop, naar den +Paus!... God-den-Heere!" + +Angstig om de straf die ze krijgen zou, ontwaakte Suska den anderen +dag. Ze weende om heur zwakte, maar Heere! 't was toch zóó deugdelijk +zoet geweest! + +Voor den achten kwam het Pastoorken, koleirig binnengesneld. Hij +sloeg met zijn vuist op tafel en zijn een oog schoot vier en vlam. + +"Zijde gij van den duivel, om zoo 's nachts lijk de heksen langs +'t water te loopen?... Ehwel! ge gaat gij voor uw penitentie heel +den zomer in huis blijven en ik zal u een koord brengen waarmee ge +u geeselen zult". + +En dan schoot hij aan 't snikken en weende tranen uit zijn een oog. + +"Ik die van u zooveel had verwacht. O! God-en-Heere! en nu zijt ge +van den duivel!" + +En weer hervatte hij zich en zei; + +"In huis blijfde dag en nacht!" + +Hij ging heen. Hij trok de deur met een slag in de klink. + +Suska dacht aan het schip dat ze uit de blozende maan had zien varen +en ze weende niet. En als 't Pastoorken weg was, riep ze Felinks op +heur schoot en ze bestreelde hem lang. + + + + +IV + +Zij nam het goede voornemen de waters niet meer te bezoeken, al was +het daar nog zoo goed. Eerst kwam haar gevoel in opstand en om tot +rust te komen moest ze toch maar eens bedenken dat ze de verloofde van +Ons-Lief-Heerken Jezus was en dat de pastoor door Hem was aangesteld om +over haar te waken. Hij had de macht en was in verbinding met God. Zij +schikte zich in heur lot, maar bad binstdien heur schoonste gebeden, +opdat weldra deze benepen toestand eindigen zou. Zij was dan blij met +deze uitkomst, en om zichzelf te overtuigen van haar onderwerping aan +Gods wil, bracht ze het schipken en de schilderij naar den zolder... Er +kwamen tranen in heur oogen als ze de duurbare voorwerpen in de zwarte +koffer borg, ze gaven heur toch zulke zoete herinneringen!... Ze meende +van den zolder te gaan, maar daar hoorde ze ievers onder 't dak een +jonge spreeuw schreeuwen. Ze dacht aan het gesloten zoldervenster, +liep er heen zonder grond te raken, trok het koortsig, haastiglijk +open en ei! in fijne zon en lichten wind, lagen de velden met de Nethe +er door! Een blijde kreet ontsnapte haar mond! Daar lag de rivier +zilver gekronkeld, ruischende populieren rezen bezijds de boorden en +gebolzeilde schepen waaiden èr door. Suska haar bloed danste in heur +lijf van welgenoegen, ze lachte en z'had het willen uitroepen, een +groet aan de Nethe, maar ineens herinnerde ze zich 't bevel van den +heer pastoor; de Nethe was voor heur een verboden vrucht en om heur +zielezaligheidswille mocht ze daar zelfs niet meer aan denken.--Zij +sloot het zolderdeurken en viel toen weenend tegen den muur. + +Ze moest van den zolder loopen, om niet opnieuw het deurken open +te doen. + +Zij voelde dat de drang om aan het water God te loven, sterker was +dan haar zelven, en toch mocht ze niet, wilde zij de hel niet ingaan... + +De hel met haar vlammen en zwerte duvels maakte heur zoo bang, +dat ze niet alleen het water niet meer zou willen zien, maar zelfs +haar eigen ging kastijden. En zij liep naar heur kamer het bovenkleed +uittrekken en begost zich met de pinnekenskoord van Menheer Pastoor te +geeselen, dat heur hemd scheurde, het bloed langs heur beenen dreef +en zij met een kres in onmacht viel. Als ze weer opstond was ze zoo +moe en afgemat, dat ze op heur bed moest gaan liggen. Felinks lag +vóór het bed op het tapijtje. En dan kwam er een droom 't begijntje +Suska troosten... het blauwe water, de varende schepen en de wind in +de krakende zeilen, en 't schoone open land waarboven de zon vlammen +lachte. En in dien zelfden droom kon ze bidden, zooals ze in waarheid +aan het water kon, en heur hert vond kantieken van dank en lof, +die weergalmden over het droomenland. + +'t Was avond als ze wakker wierd. Ze kleedde zich en ging mistroostig +naar beneden. Felinks volgde haar en had stille schreeuwkens, want hij +zag dat zijn meesteresse iets mankeerde. Er stond maneschijn op de +gevelen van de huizen en zoo bleef zij lang zonder licht zitten. Ze +voelde dat ze het niet kroppen zou; nooit de Nethe meer zien! en ze +wenschte te sterven om verlost te zijn van haar nijpende verlangens. + +Felinks vroeg om achter te zijn, zij opende de deur voor het hondje +en de maneschijn kwam zilver binnengevallen, de frischte van den +nacht deed haar goed en zij bleef, geleund tegen den deurstijl, +de lucht inasemen. De hemel was blauw en de volle maan blonk hoog +in de lucht. Heel effekes boven 't muurken zag ze de boomenrij der +vesten, waarop de maan heur zilveren paljetten lekken liet. De avend +was zoo goed en achter 't muurken steeg de aangename reuk van 't hooi +omhoog... Het deed zoo wel aan haar gebroken hart. In de boomen begon +er een nachtegaal met zijn perelklanken te spelen en ze luisterde +aangedaan. Maar door het volle lied van den koninklijken vogel hoorde +ze in de nachtstilte geplas van riemen in het water. + +God! het water! Ze meende binnen te gaan, om de bekoring geen tijd te +geven, maar ze kon niet, er was in haar iets machtiger dan de wil en +ze bleef staan. Daarachter lag de Nethe en ze mocht haar niet zien. "O +God, laat mij de Nethe nog eens zien! O maar één enkelen keer!" + +In heur gedachten zag ze al het landschap. Maar kan de pastoor niet +mis zijn, poogde ze zichzelf wijs te maken... En als ik het nu eens +doe en het dan ga biechten?... + +Op 't einde wierd haar verlangen zoo groot, dat ze alle recht +meende te bezitten om aan 't water te wandelen. Zij kon zich niet +meer tegenhouden. En met "nog maar één keer, nog maar één keer", +zette ze het leerken tegen den muur, klom er op, liet het langs den +anderen kant neer, meende er af te klimmen in den beemd. + +Maar Felinks begost te bassen en uit vrees dat hij begijntje Stommels +zou wakker maken, nam ze hem in den schoot en daalde met hem neer +in den beemd. Toen liep zij met rappe voeten door het natte gers, +naar de Nethe. Felinks liep haar voor... + +Heur ziel zwom in zaligheid en zij wandelde den dijk op en overzag +vol aandoening het water, de beemden en de velden in het teedere, +ijle licht van de melkmaan. De sterren waren bleek en de lucht rook +naar de fijnste bloemen en kruiden. + +Weer zag ze de schuit liggen, gemeerd en gestaafd, donker te droomen +op de krinkels en de rondekens van het blinkende water. Ze vergat den +Pastoor en de hel, en dronken van genoegen, ritste ze den dijk af, trok +het schuitje bij kant, sprong er met het hondken in, greep de riemen, +roeide naar 't midden, en liet zich alstoen drijven met de tij mee. + +Ze voelde zich los van de aarde, los van alle bestaan en licht als +een drijvende reiger, hoog boven de kleine wereld. + +Zij trilde van 't geluk, sloeg heur armen op de borst, en met het +blije gelaat geheven, liet ze zich op het water gaan, en ze hommelde +het slepend lied: + + + "Het viel eens Hemelsch dauwe + In een klein Maagdekijn". + + +De populieren langs den dijk wuifden hunne kruinen, het water bibberde +van het licht onder den nevel en de kruiden op den kant bliezen de ziel +der moederlike aarde in de fijnste reuken ten hemel!... Was me dat een +geluk om bij te smelten en in geurende olie te vergaan! En het water +lispelde tusschen het oeverriet, kabbelde tegen het verderdrijvende +schuitje en Suska zong met volle stem haar dank uit. + +De maan blonk boven de blauwe schimmen der populieren op den dijk en +over de beemden sluierde een lenige nevel op... + +Toen gebeurde het, dat aan den bocht der Nethe, alop het water, +een witte gedaante aangewandeld kwam. Het was alsof hij langzaam +schaverdijnen reed. Hij kwam dichterbij en 't was een man met ronden, +witten baard, kaal hoofd, en hij was gehuld in witte kleeren. Hij +hield een grooten, gouden sleutel in de hand en schoof met korte, +onvaste streken almaar verder. De hanen ontwaakten t'allenkanten en +heinde en ver klaroende hun gekraai. De man vertraagde zijn vaart, +kwam naar het langzaam drijvende schuitje gegleden en vroeg aan Suska: + +"Is 't Begijnhof nog ver van hier?..." + +Suska had hem met een benepen hert zien aankomen, maar toen zij +Sinte Peterus herkende, week haar schrik en vervuld van een hemelsche +blijdschap was ze vlug van zeggen: + +"Ginder aan den derden bocht, en mag ik u er naar toe varen, Sinte +Peterus?" + +Ze kuste zijn kleed. + +"Ik zal 't wel vinden", zei hij, "hartelijk bedankt." + +En hij wiegde verder. + +Toen meende ze dat ze droomde, maar ze zag de maan op heur handen. Zou +er een wonder gebeuren? vroeg ze zich af. En met angst liet ze zich +verder drijven. Ze had het wel gewild en met kloppend hart zat ze +het af te wachten. + +Maar zie! toen groeide uit den nevel een klein walvischken, waarop de +profeet Jonas, met zijn langen baard en grooten kop, gezeten was. Het +walvischken sloeg met zijn steert en roeide dapper verder stroom op. + +Maar bij Suska gekomen, zei Jonas tot den visch: Hô! en de visch +bleef voor het schuitje liggen wiegen. Jonas vroeg: + +"Als 't ublieft, ik die in de oude tijden geleefd heb, toen hier in +'t land van Rijen alles nog zee was, zoudt gij mij niet zeggen kunnen +waar het Begijnhof is?"... + +En Suska wees het hem. Zij meende te vragen, wat er te doen mocht +zijn, maar hij vaarde verder en het water dobberde en klotste tegen +het oeverriet. + +Voor zij van deze tweede verwondering bekomen was, kwamen er tien +smalle, hooge snekken, met vele vaantjes aan de masten, aangezeild en +daarin zaten wel honderden magere, smalle maagdekens in witte gewaden, +en op hun fijngekamd haar droegen ze smalle rozenkroontjes. Ze hielden +allemaal de handen samen en zongen fijne liedekens. + +Een voor een voeren negen schepen Suska voorbij en alle de maagdekens +knikten heur vriendelijk toe en ze glimlachten. + +En op het voorsteven van de laatste schuit stond een magere vrouw, +die was tweemaal zoo groot als al de anderen en zij droeg een +breedplooiend, blauw zijden kleed dat glansde in den maneschijn +en op heur lang, smal gezicht blonk een hemelsche kleerte. Dat was +Sint-Ursula. Ze vroeg met een fijn nachtegaal-stemmeken: + +"Als 't belieft, Zusterken Begijn, 'k geloof toch wel dat het Begijnhof +niet ver van hier meer is?" + +"O neen, ginder, het torenke blinkt in de maan." + +"Danke wel!" + +Er woei een geurend windeken. De tien zeilen zwollen en even op zij +hellend schoven de snekken vooruit. De maagdekens zongen. De maneschijn +lei matten glans op de bovenste ronding der buikzeilen en de masttop +gloeide daarboven als een dubbele ster.... + +En dan dook er uit het water een zwart menschenhoofd met tulband, +en een neger trok zich aan den rand van het bootje naar boven. Hij +schudde zich en blies als een hond. Felinks, het spitsken, baste naar +zijn zwert gezicht, maar de Heilige Moyzes van Ethiopiën zei: + +"Wijs beestje, wijs beestje!" + +En daarmede kwam Felinks kwispelsteertend naar hem. + +"Als 't u belieft Begijntje", zei hij, "is 't Begijnhof nog ver +van hier?" + +"Neen, zeer Heiligen Moyzes, ginder achter de breede vesteboomen". + +"Dank u zeer!" zei hij, en plomp! hij sprong vooruit en zwom met +krachtigen armslag, als een kikvorsch uitgerokken, verder door het +zilveren water. + +Suska vroeg zich maar gedurig af wat er wel te doen mocht zijn aan +het Begijnhof. + +Ze stond recht om het te zien, maar 't was ginder al smoor en +watertinteling. + +En ineens dacht ze: misschien wordt daar een ieder heilig verklaard, +behalve ik, omdat ik te veel van het water houd. Zal ik nu niet +verdoemd zijn? Ze wierd ineens bang en was terneergeslagen. Maar +daar, in een draaienden ronde van goud licht, op een gouden schip, +waarrond naakte engeltjes fladderden, die met peren en appelen en +druiven speelden, op gouden fluitjes floten en op beenen citerkens +klonken, zaten hand aan hand Jezus en Zijn Lieve Moeder, allebei in 't +blinkend blauw en frisch lijk hagedoorn. Een zwerm van witte duifkens +met roode pooten trokken het schip; er ging orgelmuziek op uit het +ruim en er waren reuken die iemand deden sterven van zoetigheid. + +Seffens knielde het begijntje en zag verrukt dit goddelijk +schouwspel aan. Het schip hield voor haar stil en op een gebaar van +den blondgebaarden Lieveheer stond zijne zoete Moeder op en sprak +tot Suska: + +"Kom hier op het schip met uw hondeken, gij deugdzaamste en nederigste +onder de kinderen Begga's. Uw doen was ons aangenaam en uw gebeden +en liedeken hebben wij schoon en oprecht gevonden. Kom in, o dochter +van het water, de Heilige Geest heeft uwe stem gehoord". + +En aanstonds viel er van het schip tot het vuile naar visch riekende +bootje een brug van licht en daarover is Suska tot in het schip +geklommen, gevolgd van Felinks haren hond. + +En terwijl Suska niet bekomen kon van haar geluk, dreven ze naar 't +Begijnhof. Daar waren wachtend de Heiligen, haar voorbijgevaren. En als +'t schip voor 't Begijnhof stil hield, omringden de snekken, Jonas, +Petrus, en Moyzes het schip en allen zagen naar de lucht. + +"Zeg nu vaarwel aan 't Begijnhof", zei Ons-Lieven-Heer en dat was een +stem zoo zuiver, zoo doordringend en onweerstaanbaar-schoon dat Suska +daarbij tranen goot van aandoening. En zij knikte tegen het Begijnhof. + +En Jezus zeide: "Gezegend dit Begijnhof, waar een heilige heeft +gewoond". Hij zette zich terug naast zijne moeder. + +En zie de wateren stonden op, en rezen tot een hoogen blinkenden berg +in de lucht, tot aan de maan! + +Er kwam van alle kanten gezang en het schip voer met de heiligen en +met Suska den waterenberg op. Zij rezen snel lijk pijlen en toch +bleef de beweging zoet, zij kwamen al dichter en dichter, de maan +wierd grooter en grooter, heur licht schitterender. En zie, Suska die +altijd gedacht had dat de maan een schijf was, zag nu dat het niet +anders was dan een gat in de lucht, waardoor heen het licht van den +hemel op de aarde viel. + +En uit de maan kwam er een zwellend gezang van miljoenen +engelenstemmen. En daar zag ze een wemeling van regenbogen over +gouden en porseleinen daken en torens. Rozen, pioenen en tulpen +regenden op fijn doorblinkerd gers, engelen, paters, eremijten, +allen in de fijnste koleuren, dansten zingend rond laurier- en gouden +appelsienenboomen, wandelden door zilveren gangen en bazuinden uit +alle torens den welkom toe aan Suska, de jonge Waterheilige die door +al die schoonheid geroerd, niets anders kon doen dan weenen, dronken +van geluk. En ze vaarde de maan door, den schoonen hemel in. + +En in den vroegen morgen, dat de eerde nog blauw was, vond de visscher +zijn platbebodemd schuitje niet, aan het Sas gemeerd. Hij liep den +dijk af, want het water stroomde op en zou het losgeraakte bootje +terug brengen. + +Maar zie, bij 't Hofken van Ringen, zag hij een zwart en witte +vlek te midden der rivier. En als hij nader kwam zag hij dat het +een begijntje was. Ze dreef ruggelings, hield de handen ten gebed +saamgevouwen en heur bleek, glimlachend gezicht stak boven 't water +uit. Gele en witte en purpere bloemkens dreven rond heur en 't rook +daar wonderlijk aangenaam. + +De visscher trok de muts van 't hoofd, knielde neer in 't natte gras +en hij bad met vroom gemoed tot de nieuwe heylige die de wateren +aanbrachten op een eilandeken van bloemen. + + + Paschen 1908. + + + + + + + +HET SACRIFICIE VAN ZUSTER WIVINA + + +In die wondere dagen, woonde, achter het oude kerkhof en bezijds +de kleine kapel van O. L. V. van Zeven Weeën, 't begijntje Wivina, +die was van rijken huize en edel bloed en bezat een schat van de +zeldzaamste oudheden, meegekregen uit het ouderlijk kasteel. + +Jezus met zijn zoete moeder en al die heiligen, waren met hare +antikiteiten het geluk en de vrede van haar nobel leven. In de kerk +ging haar ziel gelijk een wierook naar omhoog, daar bestond er niets +dan de hemel voor haar in al zijn gulden glorie, maar eens te huis +begon ze seffens te genieten van haar antiek. + +O! haar antiek, dat beschaduwd was door den geest harer roemrijke +vaderen, die steeds waren de bloem van het middeneeuwsche +ridderdom. O! dat antiek, waarin zij heel haar voorgeslacht voelde +en elk voorwerp sprak van hunnen grooten luister, dapperheid en +edelmoedigheid. + +Zij kon er uren naar zitten kijken en mettertijd waren al die +weelderigheden haar zoo lief, neen nog liever dan menschen geworden. + +Ze bezat een ongemeenen schat, deze Juffrouw Wivina, die was lang +van gestalte en smal van gezicht, met weemoedige groote oogen, +die altijd in 't verleden schenen te kijken naar ver verwijderde +tijden; en terwille van haar hoogen stand zeer teruggetrokken was, +tegenover de andere begijnen die meestal burgerdochters of blozende +boerenmeiskens waren. En bij dien schat kon ze heur hart ophalen en +vrijelijk de vlucht van heur gepeinzen laten vliegen. + +Hoe leefde en bloeide ze daar, te midden die oude meubels, tapijten, +platen, beeldekens en pottekens. Van als ze in heur huis kwam, +beleefde ze aanstonds die zoete gevoelens. Daar in het witte, +gewelfde trapportaaltje stond de hooge, gebeeldhouwde horlogiekast +met den zwaren zon-slinger in zijn buik en de koperen cijferplaat, +rijkelijk gegraveerd en beschilderd met een helle hertenjacht. Ook +stond er de dierenriem op en de maantijden. Traag en deftig ging die +slinger met een geronk als 't begin van een zwaren klokketoon; hij was +overal hoorbaar in haar stil huizeken en zij kon er naar luisteren als +naar een voorname vriendin. En als het uur sloeg, begon daarbinnen +in het hoofd der kast alles te ratelen en overhoop te loopen, dan +viel het ineens weer stil en klonken er al naar 't getal der uren, +uit die plechtigheid vol-guldene klanken op die uiteencirkelden lijk +waterkringen en door al de vertrekken heen zoemden. Dat was lijk het +kort lied van een engel voor haar en ze had soms gewild, dat ze heel +den dag door die zoete klanken hoorde. Hoe dikwijls heeft ze niet +achtereen de groote wijzer voort gezet opdat zij aanhoudend de stem +van de guldene klok daarbinnen aanhooren kon?... + +In den hoek onder het smalle portaal-venster stond een met +leder-beslagen koffer, met ijzeren scharnieren en daarin hield Wivina +geborgen ouden kant en vreemde, bebloemde zijden lappen die waren +als wonderen van teedere of vinnige kleuren in het witte licht. + +Aan de muren, in glazen kastjes, hingen zwartomlijste landschappen die +openden vergezichten op hemelsche landerijen met laurieren en oranje +boomkens op de heuvels en rood en blauw bebloemd gras langs blonde +wegen, die sierlijk slingerden naar omwalde steden, met porceleinen +kerken en pinakels, fijnder bewerkt dan venetiaansche kant. Er hing +een groot statig portret van een geharnasten ridder, met schoone +handen en stouten blik, een harer voorvaders wellicht. Boven de twee +grijze deuren prijkten hare twee geslachtsschilden, een met leeuwkens +en met eekhorentjes, 't andere met een witte ster op blauw veld en +een rooden haan op een bleeke hand. Er lagen tapijten op den grond +en van de gewelfde zoldering hing een zwart-ijzeren kroonluchter met +lange, bruin-wassen keersen in. Zoo was het alreeds in 't portaaltje, +en wat moest het in de huiskamer dan zijn? + +In het schuchtere licht dat door de looden ruitjes zakte, stond hier +alles streng en zeer voornaam en elk voorwerp scheen meer weerde te +hebben dan in de open lucht. De muren waren met kostelijk goud-leder +behangen, en een groote tapijt bedekte den muur, met erop bleeke +vrouwen met torenmutsen, die rond het ledig graf stonden met tranen +in de oogen, en gouden balsempotten in hun handen. In de verte was +een witte stad en weerskanten van het tapijt, nevens de omlijsting +van fruitguirlanden, onder blauw-bladerige boomen, zag men Jezus +verschijnen als hovenier aan Magdalena en aan den ongeloovigen +Thomas. Die tapeet had menigmaal de schaduw van haar roemrijke ouders +gedragen. + +Op kassen, schouwmantel en tafels stonden potten en vaasjes en tasjes, +zoo fijn en teer dat men ze niet aanraken dierf; Japansch, Delftsch, +Chineesch en meer, alles wat de oude geslachten in gleis en koperwerken +hadden bezield was hier op zijn kostelijkst vereenigd. Achter de +groene ruitjes der kasten glom het zilverwerk. Voor een open drieluik, +brandde gedurig aan een lichtje in bronzen lamp en tusschen de twee +vensters in, glom een koperen lutrijn, waarop lag een dik boek, +in leder gebonden met gouden sloten en roode en blauwe linten. Het +was het leven der heiligen, geduldig opgeluisterd door monniken uit +de middeleeuwen. + +Maar, in een zwart ijzeren kistje, van binnen witte fluweel, lag +voorzichtig geborgen, de perel van heur huis, de krone van heur +oudheden! Het was een gulden vaasje, ingelegd met ivoren krullen die +teeder beschilderd waren en bezet met peerlen, diamant, saphoren +en robijnen, het was een weelde van toon en kleur, en wellust van +klank, van een zeldzame duurte en daarbij het kostelijkste dat +heur voorgeslacht had nagelaten, een zweem van geurige oude olie +doordronk het nog, het was een historiestuk, dat het beste sprak van +haar verleden. + +Het kwam nog van David den reuzendooder en psalmzanger; Karel de Groote +had eens gezegd: "Liever beide mijne oogen kwijt, dan dit vaasje te +moeten missen". Deze groote keizer had het van de Mooren verkregen +tegen drie steden en veertig karren goud. Na zijn dood was het plots +zoek geraakt en 't was slechts een van Wivina's voorvaderen, die het +later in den kruistocht ievers bij Bysantium na harden strijd had +weergebracht. En door de eeuwen heen was het voor Wivina's geslacht +hun roem en hunne glorie. Nu bezat zij het, hier op het schamele +Begijnhof, het vaasje, waarmee men heel Vlaanderen en Britanjen en +Vrankrijk koopen kon, maar niemand sprak ze er over, uit vrees voor +de dieven. Nooit heeft ze een dag nagelaten het te bezien, het te +bestreelen en te aanschouwen in het spel van het schuchtere licht, +maar dan waren alle deuren op grendel. + +Zoo was haar huisken met al zijn praal en weelde, slechts een schrijn +voor het vaasje. Daar was dan ook niets in haar huis dat meer-weerdig +was dan dit heilig voorwerp. + +Zoo genoot ze van haar weelde als een drinker van den wijn, en al +sleet ze daar-buitenom een heilig leven en vond zij hare passie voor +dien ouden luister harer weerdig, toch was men in den hemel daar +niet mee kontent en God sprak Sinte-Franciscus aan, den vader van de +armoede. Deze schoone heilige boog en zei: "Uw wil geschiede!"... + + + + +II + +Eens op een dag, bracht Menheer Pastoor heur een boekje ter +lezing. Het was smal van vorm en in leer gebonden, maar de druk was +allerliefelijkst in zwart en rood, en kort waren de kapitelkens als +gebeden bijkans. + +Juffrouw Wivina liet een kreetje van bewondering toen ze het boekje +in handen kreeg, want heur geest was verzot op fijne dingen. Ze liep +er mee naar 't venster, doorbladerde het met heur lange, witte vingers. + +"Wat een schoon boeksken, Menheer Pastoor! en zóó wel bewaard!" + +"Ja, Zuster Wivina, schoon van vorm en schoon van taal. Het spreekt +over Sinte-Franciscus en zijn bruid de Armoede. Het heeft voor titel: +De blommekens van Sancti-Francisci. Want elk zijner handelingen was +schoon en lief van geur. En die blommekens gevielen den goeden God, +zuster, en Hij nam hem op in zijn hemel". + +Mijnheer Pastoor sprak langzaam en inniglijk als iemand die er deugd +aan heeft zoete dingen te zeggen. 't Begijntje luisterde aangedaan, +want zijn woorden roerden heur buitenmate, omdat ze heur voorkwamen +als taal van oude boeken. + +En met de kitteling der deugd om hert en zinnen, traagzaam, smakkend +en genietend van elk zinnetje, las ze in heur stille namiddagen het +boekje der Blommekens uit. En de zoete sprake der verhalen schiepen in +heur kristelijk levens-inzicht mooie vergezichten waar elke daad, elke +gedachte, elke zucht, een overgave was aan Gods almachtige goedheid. Ze +overzag de gaanderij van handelingen van den Heylige, van zijn geboorte +af en zijn vlucht uit 't Ouders-huis tot zijn schoonen dood, ze zag +zijn Liefde en zijn Armoede en ze kreeg hem innig lief. Ze zag hem +op 't ende zoo duidelijk voor zich met zijn bruine verhakkelde pij, +en zijn smal, klaar, open gezicht met den fijnen, zwarten baard en +de zoete diepe oogen onder het hooge voorhoofd, dat ze er zich warm +bij voelde worden en zich gedroeg alsof hij in levenden lijve bij +heur had gestaan. De oude dingen vergat ze bijkans in die dagen, +zóó fel en werkelijk leefden de Blommekens in heur hert, dat ze heur +eigen leven bijna vergat en zich overgaf, ganschelijk aan de zoete +betoovering van den Heylige. Ze zag hem naakt wegvluchten uit het +ouders-huis en zóó groot was heure liefde dat ze zich niet ergerde +aan zijn schamelheid: ze was bij hem als hij tot den wolf sprak +en de wolf kwam bij haar en ze streelde zijn ruigen pels en ze gaf +hem wittebrood en klottekens suiker en 't maakte heur zóó gelukkig; +ze zag Franciscus spreken tot de vogels op de boomen en ze hoorde ze +zingen en fluiten den Heere ten lof!... + +En hoe verteerd was ze van liefde in den herfst-avend,--buiten +verijlde 't licht tot schemer en zwart als roet wat daartegen de +ceder-boom voor heur deur,--toen ze na lezing van de ontvangst der +Christi-wonden in stille wijding dit tafereel herleefde! Ze verging +in vlammen, ze voelde zich bijkans niet meer, enkel brandden, als +doorboord van vuur, heur hand-palmen en heur voeten en de plaats waar +heur hert zat. Ze voelde zich dronken van wellust en hoe fel de vijf +wonden ook pijnden, vergat ze zich zelf en ze genoot eindeloos. In +den donkeren ontwaakte ze uit die roes en ze dankte God om 't geluk +heur geschonken. Ze lei zich te bedde, moe en afgemat van lichaam, +maar met een hert zoo licht en vroo als een fonteintje in de zon. + +En telken dag bracht het boekje heur nog meer in vervoering en ze +kon er niet van uitscheiden te zingen: + +"Geloofd zij mijn Heer God, voor alle de scepselen ende in 't bisonder +voor mijnen broeder, den Heere Zon; hij is het die verlicht den dag; +hij is schoon ende glinsterend ende klaer buitenmate en van groote +fraeiheid, want hij draegt uw zegelmerk, Mijn God!" + +"Geloofd zij Mijn Heer God, voor mijne suster die Mane ende voor die +sterren: gij hebt hen schoon gemaekt ende klaar in den hemel". + +"Geloofd zij den Heere voor onse Moeder die Aerde, het is zij die +ons voedt ende ons stut, zij brengt voorts allerhande vruchten en de +fruit en de bloemen van zoete kleuren ende die kruidekens!..." + +God! toen keerde zich Begijntje Wivina's hert in heur boezem om! Ze +snikte en vluchtte 't huizeken uit en liep langs de poort der +Marollekens den buiten op... + +Hoe schoon was het land in den herfst vol fijne nevels en hoe +deugdelijk rook het hier! Heur hert zong cantieken van lof en dank en +ze dankte den Heer en Sinte-Franciscus mitsgader, om het lieve leven +dat ze heur gegeven hadden en dat ze nooit gekend had! Wat waren de +dagen nu vol en zoet als de honing der biekorven, met de Zon en de +Maan en de Wind en het Water! En elken morgend bracht heur ongekend +genot, elken morgend zag ze schooner en rijker de waereld en ze vond +er rede in den Heer te loven en te danken met gelukkig hert... + +Maar stillekens aan, toen de regen en 't hondenweer heur binnenshuis +hielden bij 't heerdvuur, kwam heur ziel weer onder de betoovering +der oude dingen in huis. Ze zag weer de schotels en de pottekens +en de vazen met welgevallen blinken, luisterde aangedaan naar den +gulden tik der horlogie en ze vond er genoegen in, 's avends, alle de +bruine keersen aan te steken. En in hun gouden kleerte hield ze het +gouden vaasje Davids op de hoogte heurer oogen en ze verkneukelde +zich aan zijn vorm en zijn geschiedenis en zijn koleuren. En heure +kinderlijke ziel vond er geen kwaad aan. Sinte Franciscus ging uit +heur herte, maar toch dacht ze nog aan hem en ze begon zich angstig +te voelen en vol weemoed. Hoe schoon en sterk was het leven met hem, +met zijn schoonen overmoed en de berusting in God!... En hoe kleintjes +was het rond die antikiteitjes als verpoozing tusschen de diensten +Gods! Maar heur ziel hing aan dien ouden kant en de zijden lappen +en het zilver-werk en de schilderijen in wier geur ze gekweekt en +gewonnen was! En o! het vaasken Davids! Toen ging het hert van Zuster +Wivina op en neer als de tij der wateren en ze wist niet aan wat zich +te houden! 't Eene streed tegen 't andere en ze had groot verdriet!... + +En eens op een regendag dat het buiten goot dat het kletste, +zat ze voor heur venster moe van het dubben, besluiteloos wat +heur te doen stond. Ze boog het hoofd en bad om een uitkomst. Heur +smeekende gedachten gingen naar God! Buiten stroelde de regen blauw +en bij pooze stak de wind op en woei en huilde rond den zwaaienden +ceder-boom. Wivina keek door 't venster over het kerkhof; en de +wegelingskens waren als beken. En zie! groot was heur verwondering +een pater te zien aan het kapelleken van O. L. V. van Zeven Weeën, +schuilende achter het gordijn van lekken die van het schaliëndaksken +dropen. Hij was blootshoofds en zijn pij plakte aan zijn lijf, nat als +een dweil. Wivina verschoot. Het wierd heur zoo vreemd te moede. Ze +dacht aan Sinte-Franciscus en ze voelde zich zijn dienst-maagd. Ze trok +heur rokken even op, wilde naar buitenloopen, door den regen plassen +en den man verzoeken binnen te komen en zich te warmen. Maar toen ze de +deur opentrok, stond hij al voor heur, mager als een geraamte, met een +bleek lang gezicht en den dunnen baard lekend van nattigheid. Zijn pij +was verscheurd en door de vouwen zag men zijn ingevallen lendenen. Zijn +voeten waren beslijkt en gekwetst van de steenen en de doornen der +wegen. Maar klaar waren zijn oogen en wonderzoet als kon men er den +hemel door zien, en een glimlach opende zijn smallen purperen mond. + +Wivina heur hert bloeide open als eene leliekelk en een ongekende +vreugde beving haar. Ze zakte op heur knieën, viel plat op den grond, +kroop buiten door de plaskens, omhelsde de arme, zeere voeten. + +"Lof zij den Heere! om mijn broeder den regen die me den grooten +Heyligen brengt! want hij is schoonder in den regen en den wind van +het najaar dan de bloemen in de zon! Ik heb zijn voeten omhelsd en +het slijk gekust, want heilig is de Armoede die 't herte vrij-maakt +en weergeeft aan den Heer!" + +Aldoor viel den regen en Wivina heur kleeren waren doorweekt. Maar +ze voelde het niet, zóó was heur hert ontstoken van liefde. + +En Sinte-Franciscus hief heur van den grond. + +"Zuster, sta recht!... zie de regen kust het stof van mijn wezen +en wascht mijn pij! De regen drenkt de aarde en is de zegen des +Heeren! Geloofd zij den Heer! om den regen! Zuster! die ons wascht +ende zuivert!" + +Toen zijn ze binnen gegaan. De tapijten waren nat van hun voeten en +'t bekleedsel der eiken, hooggerugde stoelen bekeuzeld van het water +hunner kleeren. + +"Zuster! Zuster!... wat bedieden die pottekens en de lappekens +en de kleedjes hier? De menschen hebben het gemaakt en ze hebben +de werken Gods vergeten. Hoe veel schoonder zijn de blommekens en +de kruidekens! en de wolken en de stormen die spreken de tale van +Onzen-Heer-God! Luister naar Zijne stem, Wivina! Geef deze dingen +aan den armen opdat ze, er geld van gemaakt hebbende, brood en +kleedsel voor koopen!... Steek uw hert buiten dit graf van een huis, +Zuster, zie op naar de zon en de maan en de sterren en den regen, +vergeet dat ge zijt een menschenkind, om te worden een kind van +God!... Zuster! verlaat dit huis!... en dien die edele Vrouwe Armoe +die is het wezen van God zelf!" + +Wivina voelde de woorden in heur hert dringen ze voelde de bekoring +der vrijheid in de Armoede en ze kon wel seffens worden het Gods-kind +waarvan sprak Sinte-Franciscus! Ze look heur oogen van 't geluk, zag +zich gaan langs de wegen, kommerloos levend in den Heer! Hem dankend en +lovend als de leeuwerik in de locht, en al de vogels en de konijntjes +en de vossen en de wolven heur vrienden! Ze zou alles doorstaan met +hem, den grooten Heylige, kou en honger, met verlodderde kleeren dat +de wind er door heen kon, 't was allemaal lijk door een rozentuin, +als ze maar met hem mocht mee gaan! + +En in die uitspruiting van innig geluk en zaligheid riep ze geknield: + +"O! Sinte-Franciscus, laat mij meegaan met u! ik zal u volgen langs +de doornenwegen, voor u bedelen en aan de molensteenen draaien! Mijn +handen zullen dik zijn van de blaren, mijn fijne vingers afgestompt +als teenen en mijn voeten gezwollen van de kou! Maar laat mij meegaan +en den glans van uw groot licht in mijn oogen dragen!" + +De tranen liepen over heur wangen, en heur woorden versmoorden +in snikken. + +En Sinte-Franciscus sprak: + +"Ik dank u, maar om mij moet ge niet meegaan, wel om God, in +wiens handen ik maar een nietig en luttel gersken ben. Ik ben van +waereldschen komaf en mag uw liefde niet aanvaarden, Zuster! Geef +uwe liefde aan God! Kom mee met mij, maar eerst moet ge arm zijn, +als de bloemen des velds, zij bezitten geene schatten. Morgen roept +ge de arme menschen te saam en ge geeft hun al wat ge hebt. Ze zullen +blijde zijn want de tijden zijn zwart, het graan is dor in de schuren +en de aardappelen zijn rot; ze zullen uwe schatten verkoopen en hun +winter zal warm zijn van stil geluk. Doe het, Zuster in den Heer Jezus, +morgen kom ik u halen!" + +Ineens verdween hij en waar hij gestaan had, vlekte het dubbele +bloedplasje van zijn heilig-doorwonde voeten. + + + + +III + +En den anderen dag liet ze de arme menschen komen en na den noen zag +het Begijnenkerkhof zwart van het arm volk: vrouwen met schreiende, +bleeke kinderkens op den arm; vuile venten met ongeschoren gezichten +en pruimenden mond; kreupelen op krukken en lammen gezeten in bakskes +op wieltjes die ze met twee houten strijkijzers voort-stompten; +zieken bleek en mager als de dood; bulten, zatlappen, vechtersbazen, +zonnekloppers en honderden kinderen. Ze groeiden er als uit den grond +en met processiën kwamen ze aldoor afgesukkeld. Ze stonden er zoo +opeengedrumd dat men wel over de koppen kon loopen. + +En Wivina, die van achter de groene ruitjes al dit wachtend, gulzig +volk zag was er danig van ontroerd. Zij had pijn in het hoofd. En +in heur hert streed het lichaam tegen de ziel. Ze kon heur gedachten +niet bijeen houden, lijk zotte bokken sprongen ze door malkaar. Al die +schoone potten en 't weefwerk eerbiedweerdig als relikwieën, 't zou +nu in die vuile handen gaan en verkocht worden voor wat steenkool, +aardappelen, zwart brood en misschien ook voor jenever. 't Zou +in andere huizen verloren staan en in gruis vallen van verdriet, +om de troeteling der zoete gepeinzen en woordeken die ze moesten +missen. Woonden deze capucienen-serviezen, Indische kastjes en doosjes, +Delftsche vazen niet als broeders ondereen, die door hun gedurig +samenzijn elkanders weerde verhoogden? Wat bleef er over van den +ouden gobbelijn in het huis van den eersten den besten kruidenier, +als de andere voorwerpen er niet bij stonden? had het dan nog meer +weerde dan een beeldeken van een cent? + +Ja, ze zou ze geven, om den Sankt te volgen, maar bij poozen wenschte +ze wel, dat al dien luister van haar nobele, roemrijke voorouders in +gruizelementen vloog, liever dan bezoedeld te worden. Er ging een priem +door heur hart als ze dacht hoe de kopjes en tassen waarin hun dubbel +wapen gebakken stond, op arme-menschenschapraaien zou staan of ievers +in een stamineeken. Sinte-Franciscus vroeg het en ze moest het geven! + +Buiten klonk het luide spreken tot een gemompel en dan tot een geroep. + +"Gade nu beginnen, juffrouw begijn? of houde gij ons voor den zot +misschien?" + +Ze kwamen op heur ruiten kloppen, schopten tegen de deur. + +"Komde nu voor? zeg?..." + +Ze ging loom naar de deur, maar zie, daar stond het vaasje Davids in +zijn schrijn van wit fluweel. Ze had er reeds zoo dikwijls aan gedacht, +maar telkens had ze het afgeweerd. 't Gaf heur zoo'n pijn! Nu stond +het volk vòòr de deur, het uur was aangebroken en ze moest nu álles +weggeven. Heur hert begon te kloppen en 't was of er een vlam door +heur hoofd sloeg. Ze drukte het vaasje tegen den mond en ze weende. + +"O! wonder ding! gij gaat van mij niet af; niemand zal het weten, +niemand zal het zien, hij zelf niet!" + +Ze stak het vaasje in heur borst-doek, klopte heur kleedsel fijn en +zeer verblijd om den plotselingen vondst het duurbare vaasje toch te +kunnen behouden, trok ze de deur open. + +Een blij gejuich steeg uit den drom en duizend armen gingen boven de +begeerige uitgerokken koppen. Ze staken de handen uit en vuur kwam in +hun oogen. Ze gaf alnaargelang ze het vond. Aan die een Japansche +vaas, geen een theeservies gewikkeld in florentijnsch weefsel, +die een oostersch tapijtje, een ander een torentje telooren. En +het volk kwam dichter onder groot geroep en gestoot en duwde Wivina +binnen. Mannen die blind schenen waren het ergste, er waren kreupelen +die hun krukken wegwierpen en lammen die uit hun karreken sprongen +en loopen konden. 't Was lijk het leste oordeel, een waar mirakel. Ze +drongen binnen, vulden de kamers, vroegen niets meer, maar grabbelden, +stolen en pikten en daar was ruzie om den gobbelijn om den lutrijn dan +en weer om het zilverwerk. Oud, gouden geld rinkelde op den vloer, er +klonken vloeken, kletsen en ruwe kreten, er wierd gevochten, mannen +rolden van de trappen, vazen en potten braken, kinders en vrouwen +kresten en er sloeg bloed op den muur. Men liet ze vechten, men pakte +maar, men scheurde het kostelijk leder van den muur, gaf stoelen door +de vensters aan, de schilderijen werden boven de koppen gestoken en +weggedragen, men wierp volle winkels uit het zoldervensterken en eer +'t een half uur verder was, reden ze met hun buit weg op steekkarretjes +en kruiwagens. Het pleintje was verlaten. Hier en daar lag een stuk +stoel of teer-gekleurde scherven. + +Een stond er nog, die niets had gekregen. Het was een bleeke jongeling +met fijn haar en met eeuwen verdriet op het magere gelaat. Hij stond +bij de deur, rillend van kou. Wivina was gelukkig in heur huis, leeg +als een notedop, om de vreugde van 't bewaarde vaasje en de komst van +heuren Bruidegom. Nu bezat ze geen knop meer, en ze verwachtte hem, +den Vader der Armoe. + +De avond ging komen. Het begon heur te verwonderen dat hij niet +kwam. Ze keek naar buiten en zag den bleeken jongeling staan. + +Zij ging er heen en vroeg: + +"Man, wat staat ge hier te doen?" + +Hij meende te spreken, maar schoot in een hoestbui. Als 't uit was +zei hij hakkelend en met verdriet in de stem: + +"Ik heb nog niets gekregen". + +Zij verschoot, dacht aan het Davidsvaasje, het eenigste wat ze nog +bezat en ze loog: + +"Maar man, ik heb niets meer!... niets!" + +"Ge zult nog wel iets hebben, Zuster! zoek maar eens +als-'t-u-belieft. Ik ben alleen met mijn vader en we zijn allebei +ziek. Zoek maar eens als ge wilt?" + +Hij bad zóó smeekend, om den duivel zijn hart warm te maken. Maar +Wivina, al weende ze om zijn ellende, kon het laatste niet geven, +en ze sprak met brekende stem: + +"Man, ik heb niets! zoek! kom binnen!" + +"Neen, 'k blijf hier. Gij zult nog wel iets vinden." + +Ze keek uit of Sinte-Franciscus nog niet kwam. Dan zou ze van dezen +man af zijn, die een wonde slaan wou in heur hert. + +Maar de avend viel met den regen en de Heylige kwam niet. Roerloos +bleef de jonge man tegen den muur geleund en af en toe, met pijnlijk +vertrokken gezicht, spuwde hij zijn hoest-buien uit. + +Wivina weende, omdat hij niet kwam, dien ze verwachtte. Zou hij +'t weten van het vaasje? En indien hij het wist, wat gaf hij om +een vaasje? Ze hield het niet om zijn uiterlijke waarde, maar om de +historie die was als de ziel van het kleinnood. Het hoofd beroerd +door woelige gedachten sliep ze in op de bloote plaveien en als ze 's +morgends wakker wierd stond de jonge man er nog. Hij tempteerde haar +en ze begon het huis af te zoeken, van op den zolder tot in den kelder, +om toch nog maar iets te vinden. Maar ze vond niets dan gebroken goed. + +"Vriend, zei ze, ga naar menheer Pastoor, hij is rijk, hij zal +u geven". + +"Die geeft niet, zuster! Och zoek toch eens goed! Ik ga sterven!" + +Ze weende zich zot om de ongeloovigheid van den man en om +Sint-Fransiscus die niet kwam. Ze kreeg honger. Ze ging naar Menheer +Pastoor om een boterham. Maar hij wist van Sint-Franciscus niets en +viel ruw tegen haar uit. + +"Zijt ge nu zot geworden? om al dat gepeupel op 't Begijnhof te roepen +en er al uw schatten en kostelijkheden aan te geven, in plaats van +aan ons arm kerksken. 'k Zou me doodschamen. Alleman zegt dat ge zot +geworden zijt en 'k zou 't gaan gelooven ook. Ik zal naar den doktoor +gaan en u naar Gheel doen sturen! Zijn dat nu manieren?" + +Ze beet op de lippen, boog deemoedig het hoofd, gelukkig om de +vernedering en om den heilige die komen zou. Vaagjes ging ze weg. De +pastoor riep heur achterna: + +"Naar Gheel! ja! naar Gheel!" + +Naar heur huis, waar een blind peerd niets kon omverloopen ging ze +niet, uit vrees voor den armen jongeling die heur vaasje wou hebben. Ze +ging naar de Begijnenvest om te zien of Sinte-Franciscus nog niet kwam, +maar de velden waren verlaten in den ijzigen mot-regen en er was geen +levende ziel te zien. Zij bleef wachten, geduldig. Zij wandelde door +slijkerige wegen, langs den Nethedijk, en door de zompige beemden. Ze +was nat tot op het vleesch en de honger pletterde in heur lijk een +zwaar gewicht. Ze kloeg niet. Als hij maar kwam, haar verloofde, +die heur zou leiden door de grasperken en hovingen des hemels, +dan wilde ze alles wel uitstaan. De vroegen avend viel in en met +rood-bekreten oogen keerde ze terug naar heur ledig huis. Zij kwam +drie begijnen tegen, die heur achterna keken en spottend lachten. De +arme jongeling stond nog aan de deur, even geduldig en kalm als den +eersten keer. Weer ging zijn hakkelende stem. + +"O! Zuster Wivina geef me toch ook iets! Ik durf naar mijn vader niet +gaan met ledige handen". + +En ze zei, met de handen op de borst: + +"Ik heb niets, niets!" + +Ze deed de deur goed toe, maar dien nacht heeft ze geen oog +geslapen. 's Morgens was zij bleek en zeer mager geworden van +ontbering, pijn en verdriet. Het was nu den derden dag. Ze ging buiten +om ter mis te gaan. Het was nog half donker. + +"Hebt ge nog niets gevonden?" + +Hij stond er nog. Ze verschoot. Het vaasje woog als lood op heur +borst. Zou ze het geven? + +"Maar man! ik heb mijn heel huis afgezocht en daar is niets! niets +meer! Ik ben zoo arm als Sint-Franciscus". + +De jonge man was bedroefd en hij keek heur weenend aan. + +"Wivina, Wivina! als ge zoo arm zijt, dan zal het vaasje Davids wel +luttel van weerde zijn als de steen der straten!" + +Ze liet een kres, begreep hem, vluchtte binnen. Ze haalde het vaasje +uit heur borstdoek en zie! het was gelijk de steen der straten! kil +en vuil, een halve kareel! + +Zoo lang ze was sloeg ze op den grond en heur hert was gebroken. Iemand +maakte heur wakker met kloppekens in heur holle hand. Ze opende de +oogen en Sinte-Franciscus zat op zijn hukken naast heur. + +"O! riep ze! ge zijt gekomen!" + +Ze werkte zich op de knieën, wierp den steen weg, kuste zijn kleed +en besproeide zijn voeten met heur tranen. + +"Ja, zei hij, ik ben gekomen, maar ge zijt nog niet rijp voor den +hemel, Zuster Wivina. Terwille van een luttel vaasken, een ijdelheid, +hebt ge God en mij belogen. Ik was de arme jongeling". + +Ze sloeg de handen voor heur gezicht en huilde, verteerd door spijt. + +"Had ik dat geweten! Had ik dat geweten! Ik had het u zoo geerne +gegeven!...o!"... + +"De kleine zielen spreken zoo, Zuster Wivina. Uw ziel is nog niet +rijp. Bemin onze lieve Vrouwe de Armoe! leef om heurentwille +en God zal u genadig zijn! Verlaat het Begijnhof, dwaal over +de waereld en leef gelijk de voskens en de konijntjes en loof +Onzen-Heer-Jezus-Christus! En de hemel is u toegezegd!..." + +Sinte-Fransiscus schoot in een blauwen wolk achteruit en verijlde in +de smoor-lucht. + +'t Begijntje weende, maar heur ziel was licht en ze dankte God, +verlost te zijn van het vaasken. En zie! als ze recht stond, en naar +den kareel zocht, zag ze, dat het weer het vaasje was. En ze heeft het +genomen en op de plaveien laten vallen en 't verging in scherven. De +vreugde schoot als een vierken wakker in heur hert, ze glimlachte, +stapte buiten, groette den ceder in deemoed en de kerk waar God woonde, +groette de wolken en den mot-regen en zoo, met vroom en blij gemoed +is ze door de waereld getrokken, God lovend en dankend. + + + + + + + +DE IVOREN FLUIT + + +I + +Baldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf +waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een +builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond +donkerden de twee hollekens van zijn platten neus. + +Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid +gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van +'t Vagevuurstraatje--vlak over de woonstee van Agapieta die in de +kerk de orgel speelde,--in een laag, vierkant huizeken, waarboven een +schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht +stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de +blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoeken vulden, sleet hij zijn +leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag +hij 't straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door +het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom +allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde +dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men +onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken. + +Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen +geurden in 't licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn +kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen +genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms +meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters +gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: "Onze +Vader!... Onze Vader!..." en nog vele "Onze Vader", want het volgende +"die in de hemelen zijt" en vond hij nooit, hoe hij zich den geest +ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten +glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een +gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende +processies van martelaars en heiligen! + +'s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem +gaf, in 't portaaltje van de pastorij; en 's middags haalde hij bij +Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga's in 't zelfde +huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen +emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of +de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den +arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de +konijnen van Gommaar, den koster. + +Zoo leefde hij door de dagen. + + + +En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de +hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest +voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven... + +Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en +vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den +veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere +wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van +een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met +een klaar lied. + +Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar +de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem +trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten +fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van +het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken. + +En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde +hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde +een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage +handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle +verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken +leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op +een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken +van den arm glijden en sloeg de handen saam. + +De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend +rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: "Wat moete +gij hebben?" + +Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd +en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: "Nikske, mijnheer +Pastoor... konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor". + +De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd +gezeten was op een mossigen boomstronk, bracht hij het witte speeltuig +aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen +dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde +muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen +peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen +opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete +begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, +'t woud was al klank, 't was of alle boomen zongen, of 't allenkant +kristallen klokjes luiden! + +Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het +nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij +een schraal muizenliedje! + +En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een +wegperelend snoer van fijne trillers. + +"Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;" zei hij, "doe het ook alzoo" +en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus. + +Voorzichtig nam de simpele ze in handen, stopte de gaatjes +dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en +och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo +zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos +naar den heremiet tuurde. + +De heilige man hief de hand omhoog: "Ge moet aan God denken, mijn zoon, +anders gaat het nooit". + +En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, +en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel +zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen +spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver +en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij +hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, +vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze +gegiechel van zooeven, schril en spottend. + +"Kom morgen terug", zei de oude, "ik zal u leeren spelen. Als ge aan +God denkt zal het wel gaan". + +Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord +had! Hij haalde zijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen +man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak: + +"Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga +nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit". + +En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op +en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal +van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen +als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende +blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!! + +En elken dag trok hij 's middags de bosschen in, en elken dag werd +klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder +'t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en +zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den +heiligen heremiet, Valentinus genaamd. + +Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was. + +En op een dag--de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was +klammig en hing als een blauwe smoor onder de bolle boomen--vond +Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, +in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als +passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus +gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: "Baldwienus, +jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar 'k wil Hem nog eerst danken +om 't leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, +begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen +gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, +en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning +Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het +vuur der Hel zal hen verslinden!..." + +Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den +mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel. + +Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en +zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd. + +Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol +zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen man +zachtjes ingelegd. 't Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde +die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, +lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken +van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: +"Onze Vader... Onze Vader..." + +Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in 't loover +der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas +en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts. + +Nu zou hij kunnen bidden!... + +En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus +zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield +de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den +gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, +als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige +oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en +de sterren. + +De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan +den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God, en +langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid +van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten +ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, +slikten hun orgelende tonen in en luisterden. + +Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en +kwezels, die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid +van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en +bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied +over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het +vrome volkske dacht aan een mirakel... + +Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over +den heiligen Moyzes--die in Ethiopië leefde want hij was zwart +van koleur--voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde +heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur +maan-beschenen handen de witte toetsen van 't klavier, toen het lied +zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete +en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht +rondde de zilveren maan, en op daken en geveltjes lag de kleerte als +een ijle, glanzende poeder... + +Was het de maan die zong?... + +En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur +orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende +muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens +op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en 't wierd heur of +ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde +in een gouden klankenstraal die rees... rees... + +Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog +zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaag en sloot zich met +een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer +in, koud en ademloos als het maanlicht zelf... + +Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten +vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou +neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus +toeslaan... t'allenkanten gingen er vensters dicht... en in de +veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. "Och", +dacht ze, "zoo iets laat zich geen twee maal hooren". Ze legde zich +te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse +tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven +engel die hier gemusiceerd had. + +Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen +Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo'n schoonen zang van een simpel +aarde-kind te ontvangen! + +In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een +blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte +vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de +aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in +de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat +zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen +door de stuwende golving van 't orgel, zou laten perelen uit de hooge, +zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen +voorzingen wat ze 's anderendaags spelen moet ter eere van dezen of +genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank! + +En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de +andere zusters. + +Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen +bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden +tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, +beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen +in de mis en 't heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel! + +In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden +koffie. Ze glimlachte hoogmoedig toen ze "goen morgen" zei. Maar +als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: +"Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?" Ze wierd wit van +'t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus +de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan +tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze +niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren +vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde +heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den +heerlijken, nachtelijken droom. + +En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het +streng-geplooide laken, den Heer om jonge kracht opdat heur spel nog +schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, +terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun +ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in +de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de +hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de +wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het +lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den +druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het +plechtige orgel, dan 't eentonig gefluit... + +Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op 't oxaal. De +kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, +kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit +ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen +'t belgerinkel en den wierookgeur naar 't altaar stapte, deed het +heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan +te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de +kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleiding +voor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en +weder-zang, 'n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, +weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta +alleen zou spelen. + +Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed +en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de +hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen +herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk--maar ze +voelde het zelf wel!--de melodij had niet meer de felle verzuchting, +den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, +hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De +menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De +zeven zangeressen zagen niet eens op. + +Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de +toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een +baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De +ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze +bonkte bijna van spijt om heur onmacht... + +Een begijntje kwam heur aan de mouw trekken om heur diets te maken +dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen. + +Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw +geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere +stemmekens. + +En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om +heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur +af, in 't kerkportaal, en sprak: "O Agapieta ge hebt het heilige +lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, +Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school +gegaan zijn!" Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, +antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed +is neergestort en God bad om te mogen sterven. + +Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, +heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten +van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere +aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding +en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren +en tusschen de zwarte stammen der vesteboomen steeg een botergele, +bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: +"Goen avond, Agapieta". En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke +mijmerij, het hoofd boog al groetend: "Goen avond, juffrouw", was +het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het +heilige lied openging als gisteren avond. + +Agapieta schrok geweldig. + +Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige +deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig +verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om +te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op +de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge +voeten naar het groene deurken, keek door 't sleutelgat. God in den +hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend +een witte fluit!... + +Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele +Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste +orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde. + +'t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenscht had was op heur +stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: "Mag ik ook eens zien, +juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus +toch niet?" + +Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: +"Niets!... niets!... 't is de duivel!"... + +Ze meende dat 't begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van +Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo +wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!... + +Maar 't begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: "Mag ik dan +den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!..." en +meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze +schreeuwde heur verbazing uit: "'t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat +verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. 't Is Baldwienus +die aan 't fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een +mirakel!" + +Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de +andere begijnen. + +Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het +poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heur +krachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet +te vallen! + +Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe +daken. + +En zie, ginder aan den hoek, langs de maan-beschenen huizekens, kwamen +begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos +tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór +het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze +God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied +vertrilde in den ijlen avond. + +Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra +steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk +spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door 't +sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder +elkaar om bij 't poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en +ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta +op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had. + +Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek +met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late +geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe. Toen viel er een eerbiedige +stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken +maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken +en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen. + +Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn +en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het +"Zalig de armen van geest" en besprekend het schoone lied dat Agapieta +van verrukking bedwelmd had! + +Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend +allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en +hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de +zilverstukken die ze gespaard had. + +En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op +zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen +hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want +'t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge +beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd: + +"Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waarop ge gisteren avond zoo +schoon gefloten hebt?" + +"Ja, juffrouw Agapieta". + +Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de +ivoren fluit. + +"Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen +woonde. Nu is hij dood en begraven". + +Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit +langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen! + +"En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?" + +"Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God +zie hoe schooner ik speel!" + +"Ziet ge God, Baldwienus?" + +"Ja". + +"Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?" + +"Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja." En beiden dachten aan +God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, +de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam +openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde +een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een +rood-glazen appelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit +en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard +golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag +een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, +houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood +kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, +en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten +de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen +op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam. + +Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles +verdween, en Agapieta bevond zich weer in 't armzalige keukentje, +naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen. + +Agapieta weende en snikte: + +"Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld +geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!" + +Hij schudde den dikken kop en sprak: + +"Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, +dan krijgt ge ze..." + +Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn +vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan. + +De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen +klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie! + +Hoe toch in 't bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere +gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en +vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit +wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar 't kwam telkens terug en +'t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en +'t heur voorkwam als een noodzakelijkheid. + +En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele: + +"o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van +Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de +gaarden Uwer Hemelen". + +Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen +kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze +verkneukelde zich aan 't genot dat ze hebben zou, God en al zijn +heiligen te zien zoolang het heur lustte. De fluit zou haar laten +leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen +als een van God-gezegende die vizioenen heeft! + + + + +II + +En de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta's hoofd want +hij stierf niet, de simpele. + +De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en +vensters gingen dicht en Baldwienus speelde 's avonds voor zich alleen, +met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand +het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn +de legenden der heiligen te lezen. + +De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde +heur ijver in 't bidden, droeg communies op in deze intentie, hield +noveen na noveen, maar 't kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, +dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en +knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd. + +En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de +zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede +weer en de open avonden gingen herbeginnen en Baldwienus zou weer +in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen +laten stralen!... + +Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien +tijd! Zij moest die fluit hebben! + +Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat +ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest +voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van +het groen. + +Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in 't koperen emmerken +zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of +er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool +opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en +verhoogde heur kansen!... Maar lacy! 't en deerde Baldwienus niet! + +De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde +groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat +werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon +Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had.... + +Paschen naakte. Op dien heiligen dag zou men het zes-honderdste +Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van 't Begijnhof. Er +zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en +vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën +verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin. + +En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne +ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor +met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, +schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen. + +"Ja, ja", zei hij, "juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in +de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te +verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een +purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal +schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In +de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult +ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt +dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?" + +De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend. + +Maar Agapieta keek niet op. Ze hield den adem in, kneep de oogen +dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om +den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar 't en baatte niets en ze +viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen... + +De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk: + +"Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn..." + +Hij ging heen alsdan. + +De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde +zoodat Baldwienus niet spelen kon 's avonds in zijn hofken. + +Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den +dood van den simpele. + +Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen +mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In +den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten +waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet. + + + +Als een waaier van vloeiend licht vulde de morgen den smetteloozen +hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet +en 't Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge +Lente woei zoete reuken over het land. + +Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het +licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering! + +En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den +Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, +de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus +in de hoogmis maar niet spelen liet!... + +Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang. + +Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan +de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met +rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden +groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden +pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een +brandende braambosch van al het licht. + +Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op 't oxaal. Heur asem ging +snel en diep als van iemand die sterven gaat en ze moest telkens met +geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong. + +Er kwam veel volk naar de mis. + +De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte +Baldwienus met de fluit onder den arm... + +Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf +moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding... + +De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje +uit de sakristy vóór 't altaar verschenen, botsten opeens haar handen +als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen +daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, +maar hun stemmekens versmoorden in 't felle geronk. + +Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem. + +Baldwienus zou nu spelen. + +Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek +verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies... + +Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het +wondere lied door de ademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als +de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den +hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was +als een lentewind in 't jonge riet. + +Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem. + +Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen +leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten +haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden +uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele +omkransten... + +De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar 't oxaal, gansch +verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept +dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de +hoofden geheven, en naar 't oxaal staarden als in een droom. Zelfs +de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een +oogenblik het hoofd, om naar boven te zien. + +Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze +keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand +bewust... God! Baldwienus' spel! wat had het uitgewerkt op 't devote +begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open +nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de +mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden +in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze +lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus... + +Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat... + +Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging +rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing +een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken... + +En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche +psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch +dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug +naar God keerden... + +Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan. + +Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, +zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van +smart. Ze stond bij de vier andere begijntjes die ook droeve mysteries +verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met +vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren +die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het +blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid +en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht. + +De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en +roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome +lieden. De lucht zinderde van 't bronzen gelui der klokken. + +En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon +van levend vuur, in de peerse schaduw van 't blauwe baldakijn, uit de +kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de +wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch +aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele +haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij +der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte +kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter +kerk was nog niet pijnlijk genoeg geweest! nu moest ze Jezus-Kristus +verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken +is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst.... + +Maar als ze aan 't Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen +kop uit 't vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp +op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen... + +Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis. + +En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 +mysteriën. + + + +De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het +volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten +over het land en zoete geuren hingen allerwegen. + +Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn +bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij 's noens om eten kwam, hoe +zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder +en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij +was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan +toch te verhooren. Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele. + +'s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote +geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen +luisteren en zij hen God zou laten zien. + +En zie, op een zekeren dag kwam de simpele niet op 't middaguur. De +drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta +lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe +voeten naar het huisje van Baldwienus. + +Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg +om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden +kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was. + +Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: "In een +gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou..." + +Ze knikte hem toe, troostende: "Het zal wel beteren, +Baldwienus". Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere +zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen. + +In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes +die geknield rond het ziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De +pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar +hij onnoozel was en communiceerde hij niet. + +Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof. + +Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden. + +Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden +aangestoken nevens 't hoofdeind en de Pastoor bad de litanie van den +Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in 't midden van 't +gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem: + +"Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!..." + +Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en +gaf ze hem. + +Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden +klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug. + +Hij zuchtte. + +"Ik kan God niet meer roepen... 't Is gedaan. Agapieta, hier is de +fluit... Gij zult God zien!" + +Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen +heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer. + +De pastoor las voort het onderbroken gebed: + +"Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias +van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!..." + +En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z' is recht naar den +hemel gegaan. + + + +Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur +kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had +de lang gewenschte fluit nu en in 't groote geluk van dezen oogenblik +verging heur vroeger wee en leed. + +Ze had zoo'n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen +muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals +ze Hem eens gezien had! Maar 't was verboden muziek te maken op 't +Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van +begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!... + +En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, +kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe. + +Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig +door de gordijnenspleet naar de fluit die lijk een streep klaar licht +op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!... + +En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en +streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel +klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken +dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies +ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in +de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een +schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in +de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, +stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn +groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich +en sprak lijze: + +"Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven +hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!..." + +En dan verdween hij. + +Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en +geen klank kwam er door. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze +besefte de waarheid. + +Zij was de schuld van Baldwienus' dood. Zij had voor zijn dood gebeden, +gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem +gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen +haat! en zij was zondig voor den Heer!... + +Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur +hert kromp ineen van schrik... + +Ze viel plat neer op 't kouwe plankier en ze snikte. Zij was +moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij +had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, +zij zou de hel in!... + +En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in 't gezicht vol +afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest +en daarvoor is er geen vergiffenis!... + +Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, +snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor +het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van +den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogen +streelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in +heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn +nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning +maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis! + +Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de +roode en blauwe daken van 't Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus +begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta +kon niet meer bidden! 't Was nutteloos! En alle begijntjes knielden +neer in 't gras wanneer men op 't kerkhof, in 't hoeksken nevens +de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden +allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis +alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen +losbarstte. + +De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten +gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te +vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen +een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het +was toch onmogelijk. + +Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof +den Pater--die een preek hield over den H. Paulus--hoorde zeggen dat +van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die +ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen. + +Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde. Hoe snel vloot heur +bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, +boeten! heur heele leven als er maar 'n greintje hoop gegeven werd +terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan +biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor +in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van +harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!... + +En 's anderensdaags trok ze van 's morgensvroeg naar een stil dorp +dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had +voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de +fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige +oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben +en hij legde heur een groote boete op. Hij berispte heur nog eens, +herhaalde de boete en gaf heur den zegen. + +Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de +vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde. + +Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet +verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo! + +En dien zelfden avond nog speelde zij. + +Het deemsterde over 't Begijnhof en op de witte geveltjes lag de +rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere +vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit +de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken +en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten +stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag. + +Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een +nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen +hij sprak van "God zien". En zuster Agapieta vertelde alles. + +De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; +die Heilige Baldwienus toch!... + +En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta: + +"Kunde gij dat ook, juffrouw?" + +En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde +triomfantelijk: + +"Ja! ik kan dat!" + +Ze smeekten te gare: + +"Doe het dan, juffrouw Agapieta!..." + +En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van +menheerken Valentinus den heremijt. + +Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de +begijntjes, die vóór het hekken stonden. + +Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank +was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende +begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel +zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het +duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten. + +De begijntjes weenden van geluk. + +Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun +goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta. Hij bracht +de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit +zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta. + +Het bliksemde en het visioen sloeg weg. + +Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta +als een brandende braambosch in heur deurgat. + +De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind. + +En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een +blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een +ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van 't begijnhof +liepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, +om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, +men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij +schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak: + +"Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien +en wist niet dat er geschreven staat: "Wie God wil zien moet sterven". + +En alle zusterkes die daar nog stonden, knielden neder en baden +voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig +gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, +de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan. + +En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en +nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, +heel klein putteken. + + + + + + + +DE AANKONDIGING OF DE STRIJD TUSSCHEN ELIAS EN DEN ANTIKRIST + + +I + +De dagen van verschrikking en beeldstormerij waren sedert onheuglijke +tijden van het begijnhof verdwenen, en zij, die ze beleefd hadden, +lagen in de kerk onder de kille steenen begraven. + +Nu was er rust en vrede over het begijnhof en de goede lucht hing +vatbaar in de straten. + +De witte winters, waarin de lange gebeden doorvoeld werden, gingen +zonder geluid voorbij en de zomerzonne was als een gat in den hemel +waaruit alle de goedheid des Heeren leekte in deugddoende vlammen, die +de simpele begijnen-hartjes met de hoop der zaligheid verwarmden. En +'s nachts, wijl alles in droom verdoezelde, stond de maneschijn als +een groote zegen op de witte gevelen. En geen hart in die stilte +vermoedde wat komen zou. + +Slechts Menheer Pastoor, met zijn grijze hoofd voelde dat onder +deze gedegen rust een onheil opgroeide, maar hij kon niet bepalen +wat het zijn zou. Soms dacht hij dat Sodoma en Gommorha uit de hei +zouden oprijzen en dan kneep hij zijn oogen dicht van benauwdheid en +bad het Sint-Jansevangelie... dan weer peinsde hij op al de slechte +driften die ópspoten in Babylon, en zoo aan alle zonden die 't arme +menschenhert komen tempteeren... maar bepaald en wist hij niets. + +Op een dag dat men hem een nieuwen tikkenhaan thuis bracht vond hij in +de doos een dier slechte gazetten, die al te veel gelezen werden! Hij +had er nooit een in handen gehad, want hij leefde te veel in God en +verlangde naar geen wereld... en hij, zoo zwak daarbij en de verleiding +zóó sterk! Hij wilde de gazet wegwerpen maar de nieuwsgierigheid +steeg... stéeg... wat gebeurde er daar buiten zooal?... en na een +kruis geslagen te hebben, las hij aandachtig... + +Hij schrok voor de godslasterende gedachten, die vóór zijn oogen, +zwart op wit, te lezen stonden: "Kristus heeft het gezegd, eens zal +de Antikrist komen!... Hewel! laat het ons vrijvrank zeggen, pogen +wij het geslacht te zijn waaruit hij zal geboren worden, waaruit hij +zal opstaan om de heerschappij van ál wat nu is omver te werpen!..." + +Hij rilde! 't was of de donder vóór zijn voeten neer sloeg! en bleek +lei hij 't vuile papier weg!... + +Nu wist hij wat sinds zóólang in zijn brein aan 't wroeten was, nu +kende hij 't onheil dat knaagde en groeide onder de schijnbare rust +van 't slapende begijnhof!... de Antikrist!... + +En de goede man, die leefde voor de zaligheid van zijn begijntjes, +kon er bijkans niet meer van slapen en als hij even sluimerde, +spookten voor zijn oogen de gruwbare zonden die 't goddelijk vuur +uit den hemel riepen... + +'t Was de Nethe die achter het Begijnhof naar den einder spoelde, die +wies en stijgende over de dijken in 't land bruiste, alles meesleurde, +boomen en boschjes, die de poorten openklotste en de stille straten +schuimend overwaterde, de huizen binnenspoot, de trappen op, altijd +hooger en hooger, spijts het klagende bidden der geloovige zieltjes, +die door het kolkende water werden opgezogen... Hijzelf, staande op +den toren, zag dat... En plots werd het water rood als menschenbloed, +en aan den einder kwam een zwart schip aangezeild... De Dood stond aan +het roer en op het vóórsteven rees als een zwarte zuil de Antikrist +in een ovaal van vuil geel... En vóór 't Begijnhof gekomen zei hij +tot den Dood: "Hier moet ik zijn"... + +Hij schoot wakker en toen rilde de oude Pastoor van angst en aan elk +haartje bibberde een droppel zweet... Hij bad en vastte opdat die +droom nooit waarheid zou worden... + +En hij las nog gazetten om het slecht te kennen en het beter te +bekampen. Hij wist nu dat de zonde groot werd en zwol over de wereld +en alle harten binnenspoelde, om te worden het groote water waarop +de Antikrist de wereld zou binnenvaren... En hij voelde zich angstig, +en kon zijn leed alleen niet opkroppen en hij vertelde over de nakende +tijden aan de begijntjes, die sidderden en huiverden bij 't vernemen +dat de zwarte dagen, erger als de zwartste tooverij en beeldstormerij +van vroeger, weer zouden aanbreken!... + +Het teeken zou zijn een zonsverduistering. 't Zou plots in den +dag donker worden en de duivels zouden over de wereld loopen lijk +driftige wolven om in de menschen te komen.... Men moest dan in een +vat wij-water springen om al de hollekes van zijn lichaam dicht te +houden en drie paternosters te bidden... + +De rust week van 't Begijnhof en door de huizen slierde een angstige +adem... Vroeger baden de menschjes uit devotie, uit liefde voor +hun Hemelschen Bruidegom, nu prevelden ze gebeden uit vrees en +angst... En de pastoor maakte een litanie tegen het gevaar voor den +helschen Antikrist: + + + God die zijt de fontein van het goed, doorspoel de harten der + menschen opdat het kwaad er in verstikke. + + Heilige Maria, Moeder Gods, leg uw tranen in de oogen der menschen, + opdat ze zouden weenen en niet bekoord worden door de ijdelheden + der wereld. + + Heilige Hieronymus, zooals de steen waarmede gij uw borst besloegt + u terug tot God voerde, maak alzoo al de steenen waarmede bedekt + is de aarde. + + Jesus Christus, Zoon Gods, die zijt het licht van de wereld, + schut onze oogen door uw licht, en we zullen geen ergernis zien. + + Heilige Petrus, sluit met den sleutel van den Hemel onze harten + opdat de poorten der Hel tegen ons niets vermogen. + + +Doch dat hielp niets. De vloed werd sterker en zou weldra de dijken +overspringen, om de wateren der zonde in het land te spoelen, waarop +de Antikrist moest komen aangevaren. + + + +Er leefden toen op het Begijnhof, drie begijntjes met schoone ongewone +namen: Rodegunda, Hildegardis en Godelieve. Ze woonden saam in een wit +huizeken achter den grooten Kalvarieberg, en ze leefden daar gerust +in de gestadige aanwezigheid van Onzen-Lieven-Heer die gebroken in +den schoot van Onze-Lieve-Vrouw, onder het lochte gewuif van zeven +populieren op een aarden terpje, in witten steen gekapt stond. Sneeuw +en regen, en zonneschijn en maneschijn tuimelden erover met wisselende +krachten, maar het bleef wit als een bloem, en 's avonds liet een +rosse lantaarn er zijn droeve licht op lekken. + +Een wegelken, tusschen twee rijen donkere cypressenkegels, leidde +er naar toe, en er groeiden perkjes rouw-violen om het beeld. De +wit-gekaleide huisgeveltjes blonken er rond boven hun welige hovekens +en staken als de punten van een zilveren kroon tegen de blauwe lucht. + +Rodegunda, Hildegardis en Godelieve leefden zeer gelukkig hier, met hun +gedachten van 's morgens tot 's avonds gekeerd in heur herteschrijn, +alwaar hun Heer Jezus woonde. + +Ze kenden geen temptatie, en hun hert was licht als een zeepbelleken. + +Ze waren tevreden en zuiver was hun huis met de witte gordijntjes +voor de in lood gevatte ruitjes, nederig plooiend over purpere +belbloemen. Door het lage venster zagen ze hun hofken, de andere huizen +en den Kalvarieberg als in een witten nevel, als omhuld met den adem +van hun Lieven-Heer. Boven de schouw onder het zwarte Kristusbeeld +hingen hun drie heilige patronessen met hun symbool, gekonterfeit +door een vromen monnik uit Achel, in een geribde zwarte lijst. + +De drie begijntjes waren in de witte kamer als drie leliën die geurden +naar den Hemel en in wier kelken 's Heeren gratie dauwde. Ze zaten +altijd nevens elkaar en werkten kant met hun doorschijnende, rappe +vingeren. Terwijl hun lippen de gebeden prevelden uit Petrus Ab Ischa, +vergroeide de ijle kant langzaam tot slankbuigende bloemenranken die +den zoeten naam "Jezus" omkransten. + +Het najaar kwam en de regen gieterde dwaas op het land, zoodat alles +glom onder den triestigen hemel. De straten stonden beverig onder de +rukken van een wervelenden wind en de linden slaakten bange kreten. De +dagen gingen open en toe, grauw en kleurloos, en 's avonds schoven +de begijntjes hun kantkussen onder de wit-porceleinen lamp. Daarna +vielen de barsche weeren in met straffe vorst en 't kouwelijk volkje +schoof dan bij de mechelsche stove die uit heur roode kaken warmte +blies voor hun kille beenen en armen. Ze hadden er 'n bizondere deugd +aan als ze bedachten hoe 't buiten kraakte en hoe de grachten en zelfs +de rappe Nethe lagen geklemd in 't glanzende ijs. De sneeuw veranderde +'t heele begijnhof met zijn witte geveltjes in een leliedroom en alles +was wit en licht, slechts de saterskoppen onder de daken grijnsden +zwart onder hun witte muts... De Kalvarieberg was wonder met zijn +cypressen in hun sneeuwen huive, de zeven linden waren als zilveren +koralen rond het pietabeeld. + +De musschen kloegen daarrond in de stilte en nu en dan scheerde een +stoute kraai laag over die witte rust. + +En de drie begijntjes verwachtten vredig Paschen en de open klare +Lente-lucht en de stilte moffelde hun herteken in een gedegen rust... + +Maar plots, twee dagen nadat Menheer Pastoor zijn vreeselijken droom +had medegedeeld en den fellen schrik geplant had in 't hert der +drie begijntjes, was in de schemering, vóór hun huizeken een vent +gekomen in zwarten mantel, met op den buik een marsmand vol linten en +garen. Hij had een jodenneus, een felle kin als een wijwatervatje en +onder de randen van zijn breeden hoed, puntten lange ooren omhoog. En +hij stond vóór het open venster waarin de avond schaduwen lei, en +hij vroeg of ze wat koopen wilden. + +Maar zij, bedeesde kinderen Gods en dierven hun mond niet opendoen +van schrik. + +En in eens, deed hij zijn mond open en vloekte! Hij spuwde een muis +uit zijn hol bakkes waar één tand in geelde en ging loopen; en waar +hij gestaan had, rook het naar solfer en pek... + +Zij hebben gehuild van ontsteltenis, hebben wijwater vóór hun huis +gesprenkeld en de schoonste gebeden uit hun kerkboek gelezen... + +Sindsdien hebben zij den vrede maar zelden meer gekend, want de +schrik voor den duivel zat in hun hert als een scherpe doren. Maar +zij zochten een geestelijken steun bij Onzen-Lieven-Heer. + +In den avond, gebogen over hun kantkussen, baden ze voor den Hemelschen +Nachtwaker die met zijn lantaren 's nachts door het begijnhof wandelde +en waakte over zijn bruiden; of ze droomden Hem hovenier, in een +wit kleed, die 't groene gestruik hunner hofkens bepinten kwam met +roze bloemekens. + +Soms zongen ze een communie-lied van Hem. Hun drie stemmen rankten +samen als drie guirlanden van witte pioenen en muurrozen. + + + Heer Jezus in der bruiloft kwam, + Van water maakt hij wijn. + Omdat wij zouden vroolijk zijn. + Geloofd zoo moet den bruidegom zijn! + Wijnken en nu gaat in! + Omdat wij zouden vroolijk zijn, + Dat is 't, dat hij begeert; + Heer Jezus is zoo'n milden weerd, + Hij betaalt wat gij begeert. + Wijnken en nu gaat in! + + + + +II + +De winter was met al zijn boosheid uit het land gevochten, en na een +pletsende regenvlaag straalde een opgepoetste zon in de teederblauwe +lucht. De gewillige zwarte linden kregen genoegen in het lauwe weer +en schoten dikke botten; en uit de zachte aarde der palm-omboorde +tuintjes kwam het jonge kruid omhoog. De struiken en de wringende +wijngaarden bedonsden zich met groene pluimkens, en onder donkere +cypressen vonden de begijnen reeds violetten. In de vesteboomen +sprenkelde het vogelenvolk zijn klare liedjes uit, dat men het hoorde +tot op den Kalvarieberg. De klokkenklank kreeg een vollen toon in de +frissche winden, en de harten der devote zielen joegen sneller als +ze de goede lucht inademden. Nu kwam er licht en blij geluid. + +De drie begijntjes lachten. De angst week. Paschen hing in de +lucht, hun harten waren vol hoop en bereidden zich voor het feest +der opstanding. Hun zielen werden gezuiverd van de kleine zonden en +waren als een hofken na den regen. + +Ze verhelderden als ze de klare zon door de open deuren op de witte +muren zagen schijnen, en als ze opsnoven de frisschen geuren van het +versch geboren groen. De boetetijd was meer een plezier dan een last, +zoodat ze er zelfs den Antikrist bij vergaten. + +Maar als alles weer effen en blank was als een teeder vlies, viel +alles weer uiteen. + +Op den avond van Sinte-Geertruide, als ze, nog half bedwelmd door 't +zalig mediteeren over de Passie van Ons-Heer, de lamp wilden aansteken, +werd er gebeld. + +Ze bezagen malkander vol schrik. + +Godelieve verstoutte zich, ging het gangetje in met de lamp, en schoof +het spioengat open om te zien wie daar was. Door de traliekens zag ze +het grijnzend gezicht van den ouden duivel. Met een gil sloeg ze het +schuifken toe, en liep naar binnen, waar ze bewusteloos in de armen +van haar zuster neerzakte. + +De vent stampte buiten tegen 't deurken, al maar door schreeuwend: +"Ik deel uw bedde! Ik deel uw bedde!" + +O schrikkelijk was hun die nacht. + +Ze dierven niet gaan slapen, maar bleven op hun knieën bidden in +de keuken, waar ze bij 't minste gekraak van een kast verbleekten +en kreunden. + +De morgen bracht de kalmte bij Rodegunda en Hildegardis, maar Godelieve +was er zoodanig door geschokt dat ze naar bed moest. Ze dronk warme +melk met fijne boterhammen en 's avonds zachte lindenthee, om de +zenuwen te stillen. Zoo bleef ze een heele week liggen, en kon den +heiligen patroondag van Sint-Jozef niet vieren. + +Den Maandag daarop ging ze voor 't eerst tusschen haar twee zusters +naar het lof. Uit al de straatjes kwamen de begijnen bij paren naar +de kerk. Cecielken, het portiereske, vroeg belangstellend naar hare +ziekte, en de weeskinderen, die tusschen de Marollen in rij uit hun +klooster kwamen, zagen Godelieve glimlachend aan. + +Al die aandacht maakte haar duizelig. Ze had willen in den grond zinken +als ze meende dat men over hare ziekte zou kunnen spreken. In de kerk +zette ze zich hijgend op haren eiken bidstoel, en nam evenals de andere +begijnen den zwarten doek af, en plooide een wit laken over het hoofd, +dat in stijve vouwen, als de mantel eener gothieke Lieve Vrouw, wijd om +haar heen hong. Zoo zaten de zeven en veertig begijnen op twee roten. + +Het lof zou beginnen. Ze bad den Heer om hem goed te mogen dienen, +en verlost te mogen worden van al de perykelen. + +De zon stak de gekleurde vensterramen van den linkerkant in laaien +gloed, en verfde op de witte, roerlooze begijnen heele plakken rood, +geel en groen. Er waren in de kerk zachte geluiden van sleffende +voeten, voorzichtig verschoven stoelen en piepende deuren. + +In de zijbeuken zaten de kwezeltjes met hunne zwarte kapmantels, +terwijl in 't midden van de kerk, vóór het koor, de weesmeisjes in +rijen geplaatst waren; de kleinsten vooraan, zeer regelmatig, als +een trap klimmend naar achter. De acht strenge masoeurs, wier witte +kapvleugels bij de minste beweging heen en weer sloegen als vleugels +van meeuwen, hielden er de orde onder. + +Het koor was gehuld in een blauwen nevel, en op de witte kaarsen +bloeide de roerlooze vlam, glanzend in de gladheid der koperen en +zilveren ornamenten. + +Een rinkelende belleklank rukte de suizelende stilte aan stukken. Het +lof begon. + +Het orgel spatte een storm van klanken los, en de pastoor in gouden +koorkap kwam als een gulden kegel uit de sacristij. De koorknapen +in wit en rood, roerden wierookvat en bel. Nadat er wat eentonig +gezongen was, trok de pastoor zijn koorkleed uit, en stapte naar +den preekstoel. De menschen draaiden hun stoelen en gaapten hem +aan. Hij stond daar, de borst nauw boven de kuip; zijn linkerhand +lag slak op den boord van 't gestoelte, en zijn rechter, met de twee +eerste vingeren vooruit, rees en daalde, naarmate de preek van toon +veranderde. + +"Ziet toe dat niemand u scheide! Beminde parochianen! Ik open heden +mijnen mond om u te spreken van de komst van den Antikrist. Het lag +me sedert lang als een steen op het hert, beminde Kristenen, maar ik +dierf het u niet zeggen. Ik heb er al sommigen onder u persoonlijk +over gesproken, maar nu zeg ik het aan iedereen die ooren heeft. Ja, +hij komt, want de wereld is zoo slecht geworden, dat hij uiteen zal +vallen. De menschen gelooven niet meer in God, en de duivel leeft +onder hen, met een aangezicht zoo schoon, dat iedereen hem lief +heeft. Mannen uit Ethiopië, die zwart zijn van koleur, komen de +menschen hunnen godsdienst slecht maken, en de menschen gelooven er in. + +Het vleesch wordt aanbeden, juist zooals het beschreven staat, en +aardbevingen splijten den grond open en rukken de grootste en sterkste +steden in 't stof. Maan- en zonverduistering volgen elkaar op, en de +sterren vallen met legioenen uit den hemel. Weldra zal er een groote +komeet uit den hemel nederdalen, rood als bloed, en ze zal de helft +van den aardbol afrukken, om deze te werpen in de diepte. De hel zal +haren stank en haren smoor door de straten laten walmen, en velen +zullen bevreesd worden en zich zelfmoorden van angst. + +En dan, beminde parochianen, zal de Antikrist komen met een honigzoet +figuur, want gij zult de slang niet zien die rond zijn hart gekronkeld +is. + +En hij zal tooverijen doen, geld van de boomen schudden, lammen doen +gaan, blinden doen zien, en valsche engelen zullen rond zijn hoofd +sterren komen doen te blinken. + +Wee hem, die naar zijne woorden luistert, die in hem gelooft, want +de aarde zal onder zijn voeten opengaan, en hij zal komen neder te +tuimelen in het vuur van de hel. + +Lieve Kinderen! past op voor de verleiding, want zelfs de steenen +van de straten zullen u komen te tempteeren. Weest sterk, en aanbidt +alleen den zoeten God Jezus-Christus. + +Het zal van den Antikrist gezegd worden: Uit eene maagd is hij geboren, +zonder den wille des mans. Doch, gelooft er niets van, want zij die +hem baren zal, is bevrucht van den duivel. Weest sterk, weerstaat +de bekoringen, want als alles volbracht zal zijn, zal Jezus-Christus +op de aarde wandelen, en mildelijk loonen degenen die in hem geloofd +hebben. Wee hem die in den Antikrist gelooft. + +Bidt veel; beminde Kristenen, en doet veel goede werken, want dat +alleen verdrijft toch maar den duivel. + +Zooals een hovenier zijn bloemen en planten verzorgt en bemest, opdat +de wormen er niet aan zouden knagen, zoo ook moet gij doen. Want uw +ziel is een hofken waar de schoonste bloemen bloeien, en zoo gij ze +niet verzorgt zullen ze verdorren en opgeknaagd worden door de wormen, +en de wormen dat is de duivel. + +Gij moet uwe zielekens ook bemesten, want geen ander mest kan die +zielekens doen bloeien, zooals de goede werken en 't gebed. Dan zal de +worm verstikken en zullen uwe ooren gesloten blijven voor de valsche +woorden van den Antikrist. + +Neemt deze woorden in aandacht, en bidt steeds voort opdat gij allen +Engelen zoudt worden in den Hemel bij God, die schoon van gezicht +is. Amen!" + +De pastoor sloeg een kruis, daalde de trappen af, en ging terug naar +het altaar. + +Het volk zat daar als geslagen door de vreeselijke waarheid van +deze preek. De asem haperde in hun keel, en de schrik rilde door +hun hert. De drie begijntjes Rodegunda, Hildegardis en Godelieve +verstonden alles. 't Was of de Pastoor voor hun alleen gepreekt had. + +God! indien het dien duivelschen vent eens gelukte met al zijn +geweld! Godelieve kneep de oogen toe bij dit akelig gedacht. Maar wat +zou er dan toch gaan gebeuren?... Zij, moeder van den Antikrist!... Ze +hoorde geen gezang en geen belgerinkel meer. Ze had willen dood en +vergeten zijn geweest. Ze besloot te bidden, te bidden, altijd te +bidden, veel te vasten en enkel te leven op roggebrood en water, +zich te geeselen met een pinnekenskoord, en te slapen op een eiken +plank. Ze zou alles doen, alles als dat verschrikkelijke maar niet +gebeuren moest. + +Hare zusters moesten haar steunen om haar naar huis te brengen. Er +werd geen woord gesproken over het geval, maar hun oogen weenden samen +bitterlijk om het zelfde. Ze hebben de lamp ontstoken en de avond ging +voorbij, en droeg alleen het geluid van de ritselende rozenkransen. + +Als ze heel laat slapen gingen, droomde Godelieve van een reusachtig +geraamte met purperen mantel om, en een kronkelende slang tusschen +zijn witte ribben. Zijn schedel droeg een ijzeren kroon en verborg +zich half in de wolken, terwijl onder zijn holleblokken de grootste +kerken en paleizen tot gruizelementen werden vertrapt. Hij krabde +met zijn grooten klauw diepe putten in den grond, en vaagde er de +miezerige menschjes in. Uit zijn mond lekte een slijmerig vocht dat +stonk als de pest, en achter hem gloeide en braakte het openstaande +bakkes van de hel zijn fellen brand op het heelal, en de wolken en +de velden schalden van een rooden gloed. + +Dat was de Antikrist. + +En ineens boog hij langzaam zijn hoofd over haar heen, en uit zijn +mond, groot als de Oosterpoort, vielen deze woorden: "Gij zult mijne +moeder zijn!" + +Met een kreet schoot ze wakker. Ze wilde opspringen, maar toen ze +den morgen tegen de ruiten zag kloppen, bleef ze liggen, moe en +uitgeput. En zij snikte om haar droevig lot. Zij, de moeder van den +Antikrist! Wat een ongeluk, wat een ongeluk! + +'t Was vandaag juist Onze Lieve Vrouwe Boodschap. Wat ging de dag +brengen aan onheil? Zou op dezen schoonen dag het zaad van den +Antikrist in haar getooverd worden zonder den wille des mans? + +De droom rees op met al zijne akeligheden, zoo ontzettend dat ze +ineenkromp van den schrik. De zusters waren nog droef dien morgen, +en moesten veel koffie drinken om het paar boterhammekens binnen +te krijgen. + +Godelieve weende. Ze voelde zich flauw en ziek, en als 't klokje klepte +voor de negen-uurmis bleef ze thuis, heel alleen, daar zij te zwak was. + +Ze zette zich in het zonneken. Ze zag hoe het blauw boven de roode +daken diepte, en ze genoot van het simpel liedje dat uit het groen +van den Kalvarieberg wuifde. Ze wou blij zijn, maar de ijselijke +droom doorsolferde haar gedachten. + +Maar kijk, plots bundelde er van onder de bolle lindenkruinen een zuil +van zilveren licht naar haar lichaam toe, dweers door het venster, +en op haar aangezicht, op haar handen en op haar witte nachtkleed, +lag het zilver voor te pakken. Eer ze een kruis had kunnen slaan, +bloeide uit de zuil, als een wondere bloem, een slanke witte engel met +gouden haar en roze-roode vleugels. Zijn oogen waren blauwe sterren, +en in de subtiele blanke hand bloemde de maagdelijke lelie, witter +als sneeuw, en rond de bloem straalde een blanke reukwolk, die vulde +de heele kamer met zoete geuren. + +Godelieve kon niets denken; ze durfde den Engel niet bezien, maar +ze werd stillekens aan als door een zoet wijntje bedwelmd; ze schoof +uit den zetel op hare knieën, en boog het hoofd. + +Uit den mond van den Engel, die open ging als een roode roos in den +morgen, zong een stem, klaar als een zilveren klok: + +"Ik ben Gabriël, de Gezondene des Heeren! Wees gegroet, Gij vol +genade. De Heer is met U. Gezegend zijt Gij onder alle begijnen. De +Heilige Geest zal u overlommeren, en U zal een zoon geschonken +worden, wiens naam gij Elias zult noemen, opdat volbracht worde +hetgeen geschreven staat in het Boek met de Zeven Sloten. Hij zal +den Antikrist onder zijnen duim verpletten!" + +Godelieve trilde van aandoening. Ze kneep de oogen dicht, want een +zachte zaligheid overweldigde haar heele lijf, en eer ze bevend +uitgesproken had: "Zie, ik ben het begijntje des Heeren, en ik zal +u gehoorzaam zijn", verzwond de Engel Gabriël als een lichtstraal, +en weer glinsterde de zon in de bolle lindeboomen, die voort hun +liedje lispelden over het witte beeld. + +Had zij gedroomd? Neen, het was de waarheid, want de geur hing nog in +de kamer. Maar het was alsof ze niet meer tot de wereld behoorde; ze +was als opgezogen in een geneugte, waarvan de weelde niet te noemen is. + +Wat stonden de patatten nu vreemd te dampen op de stoof en de +varkensworst op de tafel. Hoe had ze willen blijven voortleven in +die schittering van licht, in die geuren en in dit overweldigend, +hemelsch gevoel! Ze weende van vreugde. + +De zusters kwamen thuis, en haar bleek ziende, de oogen kletsnat +van de tranen, begosten ze ook te weenen. Maar de tranen bleven in +hun oogen staan als ze hoorden vertellen, met glimlachenden mond, +van den Engel die haar bezocht had. + +Plots scheurde buiten een rauwe lach de stilte vaneen, rauw als het +raspend kraaien van een ouden haan. + +De drie zusters keken verschrikt naar het venster. + +"Heeregod!" voor het hekken stond de oude Jood en hij lachte dat het +galmde. Zijn leelijke smoel gloeide van plezier onder zijn breeden +hoed. Hij hield zijn buik vast van het danige lachen en uit zijn mond +kletterde een rauwe vloek. De zusters kreten, en Godelieve brak ineen, +machteloos en slap als een vod. + +Zonder een woord te spreken begrepen Rodegunda en Hildegardis. Ze +droegen Godelieve in haar bed en dopten hare slapen met azijn. Ze +knielden voor het bed neer, en weenden en baden. + +Ze wisten dat Godelieve bevrucht was van den duivel, die zich in een +schoonen Engel had verkleed, en de Antikrist zou geboren worden uit +een begijntje, de devote zuster Godelieve.... + + + + +III + +De zomer kwam langzamerhand in het land, en spreidde zijn overvloed +van warmte op de velden en de daken. Het leven stootte zichtbaar +in elk ding omhoog, en het land was als een hart dat zich ophief +van levensgenot. + +Maar Godelieve had willen dood zijn. Ze had steeds gewild dat ze in het +water had geloopen, dat ze een geraaktheid had gekregen of op straat +morsdood was gevallen. Haar oogen waren droog van 't weenen. Haar +mond was steeds kleverig van het bidden. + +Ze had alles gepoogd om de wassende vrucht te verdrijven. Maar de +Hemel bleef doof. Heete melk met safraan en brandewijn, afkooksel +van rozemarijn met ruut, middelen die ze vond in een oud boek "Den +nieuwen Esculaap", niets werkte. Het groeide in haar als een water +dat niet tegen te houden is. + +Beschaamd voor haar eigen, haar zusters en de menschen, verborg ze zich +in het hoogste kamerken van hun huis. Ze zag van uit het zoldervenster +over de daken heen, de kruinen van de geweldige vesteboomen, en de +Nethe als een zilveren lint door het land, en de menschen liepen door +de straten, zwart en klein als vliegen. + +Waarom moest dat nu toch gebeuren! Ze had uit het venster willen +springen, ze trok van wanhoop aan haar haren, ze scheurde de kleeren +van het lijf, en sloeg zichzelve, dat het bloed tegen de muren +dreste. Ze bad niet meer, ze las niet meer in heur boeken, of aan haar +paternoster, het baatte toch niets. Als ze maar den moed had gehad +zich te zelfmoorden, ze zou er geen minuut mee gewacht hebben. Maar +de hel, de schrik van de hel alleen, hield er haar van tegen zich te +verdrinken, te vergiftigen of een strop te maken. + +Rodegunda en Hildegardis baden des te meer om een uitkomst in dit +droeve geval. + +Ze spraken niet, en hunne gezichten droegen geheel de diepe smart, +die hen folterde. + +De menschen van het begijnhof wisten niet wat er gaande was. Godelieve +liet zich niet zien, en de twee zusters zwegen als een graf. Eens +nochtans hadden zij erover willen spreken met mijnheer Pastoor, +maar ze schrikten terug voor de gevolgen. Hij zou hun aanzien voor +duivelengebroed, hun de communie weigeren, wegjagen van het Hof en +hen diep in de schande stooten. Daarom zwegen ze liever. + +De menschen zagen Godelieve noch in Kerk, noch in Convent en de +langtongen geraakten los. + +Allerlei onrustige vragen stelde men zich, en het woordje "tooverij" +bleef niet lang achterwege. Als ze ziek was, waarom werd ze dan niet +bediend? Waarom ritsten de zusters er steeds overheen als men er van +sprak? Waarom werd de Pastoor niet geroepen? Gelukkig dat Cecielken, +het portieresken, Godelieve nog aan 't zoldervensterken had gezien, +anders was men nog gaan denken, dat zij er van onder getrokken was. En +iemand die op zijn kamer wandelt, was ook in staat naar de Mis te +komen. Zij moest betooverd zijn, door de kwade hand aangeraakt, het +kon niet anders. De Pastoor vond het geraadzaam met al die geruchten, +Godelieve eens te gaan bezoeken. De zusters schrikten toen hij +binnenkwam, en terwijl zuster Rodegunda betetterd Mijnheer Pastoor +groette, wipte Hildegardis naar boven om Godelieve te verwittigen +van deze onverwachte komst. + +En gauw, gauw, schudde ze hare rokken uit, sprong in het bed diep +onder de lakens, ter zijde gekeerd. Ze wou alles verborgen houden. + +De vent kwam in de kamer en hij verschoot toen hij haar wasbleek +gezicht onder het witte nachtkappeken zag. Hij kwam nader tot de +snikkende Godelieve. De andere zusters stonden tegen de deur met +kloppend hart, en als mijnheer Pastoor vroeg wat haar toch scheelde, +beefden zij. Ze stotterden dat ze 't ook niet wisten, dat ze steeds +door schrik bevangen was, leelijke droomen zag van zwarte duivelen +en den Antikrist. + +Rodegunda wees met den wijsvinger naar het hoofd, alsof ze den Pastoor +wilde doen verstaan dat Godelieve zot was. + +De man verstond er niets van. Hij schudde het hoofd, en kreeg op al +zijn vragen onbeduidende antwoorden. "Ze valt altijd van haar zelve +als ze eventjes rechtstaat, of ze is misschien betooverd, mijnheer +Pastoor?" en dat dacht hij ten slotte ook. + +Hij haalde zijn stool uit zijn zak, hing hem om den hals en sprak +met hooge stem: + +"In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, helsche +krachten en booze geesten die intrek genomen hebt in het lichaam van +het begijntje Godelieve, bezweer ik u terug te trekken in de krochten +van Satan!" + +De tafel kraakte maar Godelieve en roerde niet. + +De Pastoor ten einde raad ging heen met een "tot wederziens!" Dat +laatste woord hield haar voor goed in bed want hij zou terug komen. En +hij kwam terug, bleef lang bij haar maar kon er toch geen kop aan +krijgen. + +De herfst verslapte den zomer. Zwaarder en zwaarder werd de vrucht +van Godelieve terwijl haar hoofdje van dag tot dag kleiner scheen te +worden en zoo teeder dat men het met een keersken kon doorlichten, +als een gezoden kievitsei. + +Rodegunda en Hildegardis dachten aan het einde en ze gingen gebukt +onder den angst van het onvermijdelijke: de geboorte. Ze spraken +weinig. Ze kenden elkaars gepeinzen toch. Soms glinsterden er wondere +vlammekens in hun oogen, alsof ze iets gevonden hadden dat hulpe +bracht. Er groeide een gedacht in hun hoofd, en ze konden elkaar bezien +heel lang, zonder roeren; dan bogen ze tevreden hun hoofd. Ze hadden +in malkaars oogen hetzelfde voornemen gelezen; en ze waren gelukkig, +en ze loechen van genot hun Heer alzoo van den Antikrist te verlossen. + +De herfst was geel als een pruim. De winden stormden op de boomen en +scheerde er de bladeren af. De Nethe zwol en stroomde over de beemden, +en de koude blaasde over de velden. De hemel ging toe, en regende alles +plat en rot. Als er dan een bolle wind alles weer droog had gewaaid, +kwam de sneeuw als een goede vrede de wereld onderdekken. + +Nu zou het Kerstmis worden en Godelieve's vrucht die rijp woog, zou +vandaag het daglicht zien. Op Kerstnacht, schooner dan de dagen, +zou, volgens den natuurlijken gang der zaken, het duivelskind ter +aarde komen. + +Wat een gezonde vrucht zou het worden! Want Godelieve had heel de +dracht geen pijn gevoeld; ze had nooit moeten braken, krijt knauwen, +of andere grillen gehad. + +Buiten was alles wit. De zusters baden dagelijks voor haar aanstaande +verlossing en ook voor dat andere, waarvan ze niet spraken, maar +waarvan hun gedachten opgepropt waren. Elken avond brandden ze een +keerse klaar. + +En op den nacht, dat het licht der wereld geboren werd, en in de +vrieslucht de Engelen wiekten, vol geur en zoete muziek, ontstaken ze +al de kaarsen, die zij in huis hadden. Het was een struik van licht. De +maan stond als een zilveren schotel op het blauwe hemeltapeet, +als moest daarin het Kerstkindeken gelegd worden, en de sterrekens +leken de roomerkens te zijn, waaruit de Engelen en de Heiligen zouden +drinken op de gezondheid van Jezus. + +De drie begijntjes legden dien avond heel hun ziel in hun gebed, opdat +Jezus zou zegepralen op het kind dat in hun huis moest geboren worden. + +Terwijl ze baden brandden de kaarsen, en spon de vorst wondere bloemen +op de ruiten. + +En in den stillen nacht vol sneeuw, klonk er ineens door het huis een +schreeuw, die galmde van op den zolder tot in den kelder. Rodegunda +en Hildegardis liepen haastig naar hun zuster. + +"Wat is er? Wat is er?!" riepen ze. + +Godelieve toonde met een glimlach en lichte buiging van haar hoofd, +naar iets dat nevens haar lag. + +Rodegunda hief het laken op, en kijk! daar lag een kindeken!... + +Ze brachten de keersepan nader, en verschoten door zijn schoonheid. Het +lag daar roos als een bloemeken van den hagedoorn, en een kuifje +van wit haar krulde op zijn koppeken. Het keek lachende rond +en het had reeds al zijn tandjes, wit als schaapkens, die twee +aan twee naar hunnen stal gaan. Het lachte; zijn oogen waren als +vergeet-mij-nietjes. Het lachte en stak zijn armkens naar hun uit. Wat +was het toch een zeer schoon jongeske! + +En toen vergaten Rodegunda en Hildegardis, en bijzonder Godelieve, +de wereld en God; de moederlijke liefde welde los; ze zouden het kind +in het geniep opbrengen en er veel vreugde aan hebben. + +Maar ze herinnerden zich de woorden: "Hij zal schoon van aangezicht +zijn, en gij zult de slang niet zien, die rond zijn hart gekronkeld +is". + +En dan ineens met verachting en boosheid, grepen ze de kleeren van +Godelieve die op een stoel lagen, ploften die op het kindeken, dat +niet schreide, en zij duwden er op met alle kracht, zooveel ze duwen +konden, tot ze dachten dat het genoeg was. + +Toen lag het dood met een geel koleurken over zijn lijf; de oogen +waren toe, maar het mondje lachte nog, toonend de zilveren tandjes +als een halve maan. + +Haastig haalden de twee zusters een laken uit de kast en wikkelden +het om het doode kindeken. Ze droegen het, geruischloos als spoken, +naar beneden, en opende de deur die op het achterhofken uitgaf. + +De nacht was schoon en wit in de maan. Dik lag de sneeuw in het hofken. + +Rodegunda nam een schup en Hildegardis een kapmes, en ieverig begonnen +zij te hakken en te graven in den harden grond. Weg moest het kind, +weg vóór het schemerde. Ze werkten zwijgend, zwoegend, en na langen +arbeid hadden ze een kuiltje van een halven meter diep, dat donker +gaapte in de sneeuw. Ze ploften het nietig pakje er in, schopten er +de aarde over, kuischten voorzichtig de sneeuw effen, en dan wierd +alles weer stil. + +Alle smart en angst was nu verdwenen. Ze hadden den Antikrist begraven, +en ze loechen alle drie als kinderen, en ze verkneukelden zich aan +het geluk het vredige leven van vroeger te kunnen herbeginnen. + +Bij de brandende keersen baden zij lovend den Heer, die door zijn +komste het booze geweld vernietigd had. En als de morgen kwam en de +klokken luidden den grooten feestdag in de lucht, zaten zij daar nog. + +Als zij het licht op hun handen zagen, toen gingen Rodegunda en +Hildegardis nogmaals naar het hofken zien. + +Ze meenden neer te stuiken van verwondering, en ze moesten mekaar +vasthouden om niet te vallen: waar het kindeken begraven lag, daar +stak een bundel ranke leliën naar omhoog. Seffens liepen ze het naar +Godelieve vertellen, maar een groot gedruisch kwam hun te gemoet op +de trap.-- + +Wat hebben ze toen gezien en beleefd! + +Godelieve lag dood vóór haar bed, en de groote Engel Michaël in gouden +harnas en vlammende vleugels en een kolk van zonnelicht rond zijn +gezicht, kapte met een vlammend zwaard naar den ouden duivel, die kromp +en vloekte onder de slagen. Hij hield in zijn linkerhand het zielken +van Godelieve: een blauw wolksken met een zilveren sterreken daarin. + +De duivel greep er naar met zijn vuile klauwen, ondanks het brandend +zwaard, dat hem onbarmhartig op zijn bakkes kletste. Hij raasde en +tierde. Plots schoot hij onder het zwaard naar Michaël, en greep met +vlugge handen naar het beverige zieltje. Maar Michaël, vertoornd over +deze driestheid, plofte zijn gouden puntschoen met zulke kracht in +'t achterste van den duivel dat deze openbarstte en verdween in een +wolksken solferstank. + +En toen richtte zich de Engel Michaël naar de twee begijntjes en hij +kloeg met zeer droeve stem: "Ach, ach! Waarom hebt gij den profeet +Elias vermoord? Hij was gekomen om den Antikrist te bestrijden, +en gij hebt hem met uw eigen handen versmacht. En geen derde maal +kan hij op aarde nederdalen.--Bidt voor het zieleken van uwe zuster, +en weest sterk in de bekoring". + +Toen vloog Michaël door het open venster de lucht in, een reusachtigen +vuurpijl gelijk, dragend het blauwe zieleken van Zuster Godelieve +naar Gods guldene hemeltuinen. + +Rodegunda en Hildegardis vielen toen gebroken op het lijk, en snikten +dat er heel hun lijf bij schokte... + +Godelieve werd begraven, en nooit heeft iemand de oorzaak van haren +dood gekend, dan wij, die het nu vertellen in hinkende tale tot profijt +ende jolijt van de menschen, die wonen langs de boorden van de Nethe. + + + + + + + +"ECCE HOMO" EN HET BANGE PORTIERESKEN + + +Toen de wondere gebeurtenissen waarvan we in dees boekje verhalen, +voorvielen, was Cicielken portieresken van 't Begijnhof. + +'t Was een gespraakzaam, oud juffrouwken, zeer zachtzinnig en +hulpveerdig, dat op heur een-en-twintig jaar tot: "Begijntjen van +Ons-Heere-Jesus-Kristus" was begenadigd. + +Zij leefde door de dagen heel devotielijk, houdend heur zielken +zeer zuiver van allen mogelijke smet, om bij heur verscheiden van +deze aarde, door Gods schoone engelen recht naar den Hemel te worden +gedragen. Nooit wist iemand wat te stribbelen op heur ambt van poorten +open en toe doen en dat was een zoete voldoening voor 't begijntje: +immer wel heur plicht als portieresse gekweten te hebben. Want ze +woonde reeds veertig jaar op het Hof, steeds in hetzelfde huizeken; +ze sloot reeds veertig jaren, geregeld elken avend, om negen klokslag +de groote poort, evenals de poort aan 't klooster der Marollen en de +deuren van 't waschhuis aan den Grachtkant ook, en deed ze telken +morgen, als de vroege zon achter het stedeken de wereld in piepte, +weder open. + +Daarbij, Cicielken had sedert heur veertig jaren woonste ten begijnhof, +geen enkel woord te kibbelen gehad, met de een of andere twistzieke +begijn.. en dat is geen geringe weldaad. + +Heur huizeken, blekkend-gewit, met diepe, getraliede vensteren, lag +in de schaduw van de groote poort die uitgaf in de Begijnenstraat en +'t zicht opende op de wereld waar de duivel en het vleesch regeerden. + +Cicielken leefde in heur huizeken, heel alleen zonder poes of +kanarievogel, op heur eigen zoo, en met heur kinderlijke gedachten. En +heur dagelijksche werk was afgemeten en bepaald al naar gelang de +wijzers van heur horlogie over de koperen wijzerplaat kropen. Alles +had onder het groen-mossig, scherpe dak, zijn vastgesteld uur en +'t eene liep nooit voor het andere. + +Als de blauwe dag triomfantelijk door de witte gordijnen van heur +kamerken zeefde en heel het sante kamerboeltje in het jonge licht deed +glimlachen, trapte ze met een: "Heer! ontferm u onzer," uit heur witte +beddekoets, zeeg op heur stijve knieën neer vóór het zwarte kruis met +lans en spons dat tusschen de twee vensters vastgenageld was, en ze +las neerstiglijk heur morgengebeden. En eer 't een kwartierken later +was, waren de poorten opengedaan en zat ze in heur keuken, achter de +groene, getraliede ruitjes smakelijk in heur liefste boek: 't Lijden +van O. H. Jesus-Kristus, te lezen; of ze telde, zoetjes weg en met +toeë oogen, de bollekens van heur beenen paternoster af, om alzoo wat +aflaat te verdienen voor de geloovige zielen van het vagevuur. Daarna +eerst profiteerde ze heur kommekens koffie met twee dunne boterhammen. + +Na de mis deed ze heur huishoudelijk werk: keerde den tichelvloer +schoon, strooide zand, begoot de bloempotten op de vensterrichels en +neep met heur stijf-voorzichtige vingers de dorrende bladeren van +fuchsia en geranium af. 't Middageten klaarmaken kostte niet veel +moeite want heur schraal lijveken vroeg niet veel voedsel, gewoon als +het was aan lange vasten en vrijwillige ontberingen. Een worteltje +en een aardappel en een vinger vleesch waren heur voldoende. + +In den nanoen als het kerkkloksken zijn liedje van drie tonen uit +het spitste torentje over het Begijnhof uit-zong, ging Cicielken +ter vespers. Ze zette zich dan op een der witgeschuurde bidbankskens +van de root, plooide een groot, wit, gesteven doek over heur zwart +kappeken en begon, met geheven armen, den Heer te loven... + +Na den dienst, als mijnheer Pastoor in gouden koorkleed gehuld, +den "Grooten Meester" over de gebogen menschkens had doen kruisen +en 't altaar verliet terwijl de bellen rinkelden en de orgel een +feestelijken marsch uitdreunde, als het kristelijk volk nog een +kruisweg of een vaderonsken bidden bleef voor de arme zielkens of +voor hun eigen belang, dan knielde Cicielken op de harde steenen, vóór +Onzen-Lieven-Heer, die op blauwe marmertrappen, in een zijkapelleken, +gedoornekroond zat. + +"Ecce Homo!..." + +'t Was een wonderlijk, diep-treffend beeld, met zijn grauwen, verganen +mantel, vroeger purper, de beenderige, lange vingeren saamgesnoerd met +een ruwe hennepzeel en den ijzeren riet-staf roestig... zijn naakt, +paars dooraderde lijf, met vuil-rosse bloeddruppels bespetterd... zijn +zware kroon, ruw en onhandig dooreengevlochten, met lange, dreigende +doornen, drukkend op de bestofte haren... + +Vroeger, moest het een schoon beeld geweest zijn. "Ecce Homo!..." + +Maar de luie dagen die er met hun licht en donker waren +overheengekropen, hadden een bijterige stof op die kleuren laten +lekken en 't zag nu, van danigen ouderdom, grauw en grijs... + +Zijn diepe oogen, alhoewel hun blauwe kleur verwaterd was, keken +nog even droevig en schenen, in de schemerende klaarte der kerk, +bij poozen open en toe te gaan. + +En als Cicielken daar geknield zat, het hoofd gezonken op de magere, +holle borst en de handen saamgevingerd, scheen heur zielken op +te leven, ver boven de weeën der aarde. Het ging hoog op, in een +ouden, blauw en gouden hemel, bij een ouden God en bij Engelen, +die tokkelden op wit-ivoren harpen en wondere kantieken kweelden met +fijne stemmen. Ze voelde de harde plaveien niet onder heur knieën en +ze bad innig en kinderlijk, tot de zonbol, als een bloedend hart, +op den horizon woog en roodig den gemartelden Jezus omlijnde. Dan +was heur vroom bidden en het diepe mediteeren 't ende en ze richtte +heur oogen naar de oogen van het beeld, om te zien of ze niet open en +toe zouden gaan. Daarna keerde ze blijzaam naar heur wit huizeken, +diepte heur gedachten in gulden legenden en sloot vast in heur hert +die voorbeeldige daden van standheid in 't geloof. + +De dag vervloot zoo ademloos in den donkeren en de heilige nacht drukte +over de lage huizen en noodigde het simpele volk uit hun sante doening, +op hun zachtmild bed. + + + +Nadat de vuurblakende zon, met gulzige, verzengende vlammentongen, +het zomersap uit de blaren en de kruiden had gezogen, en al wat leefde +in heur daverende hitte had doen krimpen, was ze verkoperend dieper +den blauwen hemel ingetrokken en ze hong nu, met verbleekten lach, +uitgeput van haar al te hevig werk. + +Dan kwam de losse wind, met zijn ongebreidelde peerden in de boomen +stormen, en in 't voorbijgaan scheurde hij de bladeren van de +schuddende takken, dat ze door de lucht opwervelden en op de kale +velden dood liggen bleven. + +De regen kwam, lijk speldekoppen, uit den grijzen, gesloten hemel +zeeveren en vulde de puttekens en de karsporen die op de velden en +de wegen gediept waren. + +Het was herfst. De fluitende vogels waren naar overzee en de bloemen +en de schoone kruiden lagen te rotten in de natte aarde. + +'t Begijnhof lag triestig en huiverig en de daken glommen van de +nattigheid. De begijntjes zaten achter de bedoomde ruiten, met een +lollepot onder de voeten tegen elkander te brommen over het slechte +weer en over de rumatiek in hun ontsmeerde gewrichten. + + + +'t Was avend. + +Cicielken zat in heur warm keukensken, bij een tweecenten-vetkeersken +in hoogen, koperen kandelaar, en ze las de: "Bekoring van +Sint-Antonius". + +Buiten joelde de zotte wind en hij raasde in de schouwpijp, dreunde +tegen de ruitjes en viel bij poozen met zulk geweld tegen de deur aan, +dat ze rammelde en krijschte in haar hengsels. + +Cicielken heur voeten zaten boven 't gat van den vunzenden lollepot en +ze voelde een deugdelike hitte aan heur beenen. Lip-roerend, smakkend +aan ieder woordeken, doorspelde ze de vettige, krakende bladen. Het +rosse keersvlammeken wiegelwaggelde om het gloeiende wieksken. Plots +viel het stil en kromp tot een klein ovaal lichtje, om daarna weer +bibberend op te spiralen, lang en puntig, met een pluimpken zwarten +rook bovenaan. Dan kwam het weer naar omlaag en dreef op het gloeiend +vet, als een bootje op een meer. + +Cicielken liet heur lippen hangen, loerde over heur bril-glazen naar +het vlammeken, blikte rond en luisterde met bange ooren naar den +eendigen waai... + +Het licht geleek een zielken van 't vagevier, dat bij 't devotielijke +begijntje eenige weesgegroetjes en vaderonzen om lafenis voor zijn +pijnlijk branden vragen kwam. + +Er dreven stomme schaduwen op de witte wanden en bij elk tochtje +dansten ze heenentweer. Cicielken had al lang in heur bed moeten +liggen, want de kleine wijzer der droog-tikkende horlogie, was met +zijn donkere schaduw, achter de Andries-kruisige tien gekropen. Ze +hoefde niet bang te zijn nochtans, de poorten waren gegrendeld en +gesleuteld van vóór negen. + +Maar ach!... ze zat zóó moedermensch alleen en er kwam iets aan +heur hert, iets nijpends, zoodat het plots aan 't jagen ging... Er +rolden al met eens, zoo'n akelige dingen onder heur kappeken, zoo'n +schrikkelijke beelden, dat ze erbij vergriezelde... Ze loerde naar het +zwarte venster en pierde in de duisternis, en daar zag ze een tweede +keerse-vlammetje vóór een ander begijntje dat naar heur keek. En +dan boog ze dieper het hoofd over heur sante legenden, neep de oogen +toe, peinsde aan Sint-Antonius en aan alle heiligen, maar heur hert +joeg feller en feller onder de banden van schrik die immer dichter +toe getrokken werden. Ze keek voorzichtig rond, naar de dansende, +wegzwartende plekken die over de wanden grilden, naar het groote, +muilige trapgat, naar heur eigen flikkerende schaduw. + +Maar ei! ineens kreeg ze een stoot door het lijf. Heur bloed verijsde +in de aders en stil stond heur hert... + +De duivelzwarte, verwrongen letters van heur boek wipten als +sprinkhanen door mekaar, groeiden, namen wonderlijke vormen aan, +sprongen uit het boek met lange spillebeenen, buitelden door de keuken, +groeiden nog, menschengroot, en verwerkelijkten de wondere verhalen, +die op de perkamenten bladeren vermeld stonden. + +Zonderlinge wezens, mannen met horens en bokspooten, vrouwen te +peerd op bezemstelen, vierden te gare een zotten dans terwijl witte +geraamten op dikbuikige cornemuzen pijpten... Achter die wemeling +van helsche furiën kwam de Vrouw, de geile Vrouw, zekerlijk om heur, +Cicielken, de bruid Christi, ook te bekoren! en ze zag heur malsche, +poezele naaktheid en de dikke boezems, en den ronden buik. Ze voelde +heur gloeienden asem over heur gezicht vegen. God! God!!... God!... en +er kwamen vele dikke, waggelende deernen en kwabbige jongelingen die +blonken van 't vet en hoog de beenen sloegen bij den dans, dien ze +met de geraamten om en om het arme portieresken uitvoerden. + +"Bonk! bonk!! bonk!!!" + +Drie slagen donderden buiten op de poort. + +Al de furiën en naakte deernen krompen ineen tot zwarte vormkens +en zaten bliksemsnel op 't gele boek, lijk te voren, in oude, vette +gothische letters. + +Cicielken, verlost van dat helsche gespuis, ademde weer gelukkig! Maar +op den zelfden stond, dacht ze aan de drie slagen, buiten, op de +poort!! De schrik schroefde zich vast in heur boezem en ze rilde. + +"Heere-Jezus-Christus!" ging heur tong, "wat zou dat zijn!... wat +moet ik doen... Heer Jezus... Christus!..." en ze sloeg drie kruisen. + +Ze sukkelde recht, bibberend lijk een riethalm in den herfstwind. De +lollepot kantelde onder heur voeten om en brak, zoodat ze midden +in de smeulende houtskool stond. Ze trippelde er uit en de scherven +rinkelden over de kareelen. Het lijvige boek gleed heur uit de handen +en viel met een smak op den grond. + +Weerom donderde een machtige bonk op het poortje, dreunde de gang +binnen en galmde door het huis. + +Heere God! wat mocht dat allemaal beteekenen! + +Ze nam den killen reesel sleutels van de kram, stesselde +voorovergebogen door de gang en draaide de lage huisdeur open. + +Roef! de zotte wind woei binnen en blies de keersevlam dood. Nu +stond ze in den donkeren en schoorvoetend trad ze buiten, waar fijne +regendruppels prikkend in heur gezicht gezweept werden. De wind flapte +in heur kleedsel, dat al met eens, fel wapperend, naar achteren waaide +als een vlag. Met de linkerhand scharrelde ze heur rok tusschen de +knieën vast. + +Ze hoorde niets achter het zijpoortje, dat ze in den hoek tegen heur +huis wist en dat na den achten geopend werd, als er geen gerij meer +binnenkwam en de groote poort toe moest. + +Voorzichtig teende ze vooruit en schoof het judasvensterken open. Ze +blikte door de dichte traliekens de Begijnenstraat in. De rosse +lanteeren vóór de poort wiegde heenentweer in den wind. + +Ai mij! 't mensch en liet een kres die tegen de slapende huizen +kapot gilde. + +Wat ze nu had gezien! God! Ze kneep er de oogen van dicht en moest +zich vasthouden om niet neer te stuiken! + +Veel, heel veel zwarte venten, stonden opeengedrumd, tegen de poort, +en ze hielden groote messen die blonken in de rosse kleerte, boven +hun zwarte koppen. + +En die zou ze binnen laten? Om 't heele begijnhof 't onderst boven +te stampen? om alleman kapot te maken? en alles te stelen? 't Was om +er kiksdood bij neer te stuiken!! + +"Cicielken! als ge sakkerdomme niet open doet en daar nog blijft +lanterfanten, stampen wij, sakkerdomme, de deur in!..." + +Zoo grolde het uit een mond vóór het judasvensterken en meteen +botste een zwaarbenagelde schoen op het poortje dat de planken +kraakten. Cicielken meende te sterven van schrik!... + +Ze voelde al wat leefde in heur, uit heur herteken zijpelen en 't +werd heur overal zoo koud! zoo koud!... + +Nogmaals was het een grommelen en vloeken daarachter en 't stompen +van ongeduldige voeten. + +"Sakkersche heks! ga-de opendoen? Of moeten we het spel toch +instampen? Sakkerdomme! gare dan zulle! dan rijten we uw lijf open +en hangen u, met uw eigen beulingen, aan den eersten den besten +lanteern op!" + +En vele stemmen, door mekaar, grolden akelige bedreigingen uit. + +Doch boven dat rumoer weerklonk het plots: + +"Doe-de sebiet open? Allée dan! we roeren geen haarken van uw +lijf... Nie-waar mannen?" + +'t Lawijd verpeisde en ze herhaalden al ondereen: + +"Neeë, geen haarken, dat zweren wij!" + +'t Arme menschken roerde haast niet. Heur knieën knikten en schokten +tegen elkaar en heur voeten waren als aan den grond gelijmd. Ze kon +van heure plaats niet weg. Heur lippen waren als bevroren en ze kon +geen enkel schietgebedeken uiten!... + +God en Heere! wat zou ze doen? wat zou ze doen?... + +Openen? en dat moorders-gepeupel binnenlaten? Zoo maar gemakkelijk en +van de hand, het godsvredige begijnhof laten uitplunderen en alleman +laten vermoorden? + +Neen! van heur leven niet! heur zusters en de goede kwezelkens laten +doodsteken door heur eigen fout! Nooit! nooit! + +Ze kreeg stilaan vaste gedachten. + +'t Lawijd buiten groeide en steeg. 't Was er een gevloek en getier +van alle duivels. Men hoorde ijzer rammelen en 't geklop van zware +smidshamers tegen den muur. Er werden steenklompen uit den muur +gekapt... + +Cicielken hoorde dat en ze schrok! Wat ging er nu gebeuren? + +Ze hadden het gezworen;! ai mij! ze zouden toch binnenkomen en heur oud +lijf mishandelen en besmeuren met hun smerige moordenaarspooten! Heur +wit, wit zieleken zou besmet worden! heur zieleken dat nooit zonde +kende, zuiver om de liefde van Jezus! + +Radeloos stond ze daar nu. Ze wilde aan 't bidden gaan om een +resolutie. Maar lijk de krakende donder botsten de staalbenagelde +schoenen op het poortje dat het kreunde en piepte in zijn armdikke +hengsels. + +Dat ze maar open dee! + +Onze-Lieve-Heer zou het heur wel vergeven! + +Ze was zóó oud en sukkelend! + +En dan gebeurde het. + +Ze wroetelde den grootsten sleutel in het slotgat. De andere sleutels +rezen den ring af en kletterden te zaam. + +Ze draaide met beide handen uit al heur macht ... God! de veer kreste. + +De mannen buiten, die bezig waren met hunne breekijzers in de steenen +te drijven om de hengsels los te peuteren, hoorden dat kressen. Ze +staakten hun arbeid en 't werd één duwen tegen 't poortje. Cicielken +schoof de ronde grendels uit hun oogen, haakte den ketting los en +liet hem op de steenen neerrinkelen. De klink werd omhoog gestooten en +'t poortje vloog open. + +Lijk een gulp wrongen de zwarte mannen het Begijnhof binnen. Ze +stampten het schrale begijntje in een hoek en klavetterden met wijde +beenen, door de stille straten. + +Het kromme mes tusschen de tanden, klauterden ze als katten over +de hofmuren, de druivelaars op, tot bij de vensters. Ze sloegen hun +vuisten door de ruiten en kropen de kamers binnen om er het bloed te +vergieten der rustig-slapende kwezelkens, begijntjes en oude pekens. + +En ze zouden opgraven van onder de blauwe steenen in de kelders, +groote steinen potten, met Carolussen gevuld; ze zouden die gouden +weelde meesleuren buiten het Begijnhof om het alles op te zuipen en +op te brassen met het slechte vrouwvolk van de stad! + +Daaraan had het devote Cicielken geholpen. 't Menschken lag daar op +de natte straat, roerloos, met de armen wijdopen als een gekruiste +Lieven-Heer. + +Zoo lag ze een poos. + +Maar op het einde gingen heur oogen open en ze werd het gebeurde +bewust. + +Ze sukkelde op heur beenen, zocht met tastende handen heur sleutels +te gaar en liep zoo goed als 't ging, langs 't Marollenklooster, +over het eenzame kerkhof, naar het sakristijpoortje van de kerk om de +hosties en de gewijde vaten te verbergen. Ze hoorde het vloeken der +venten en hun grijnzen, boven het kreunen en klagen der doorstoken +zusters. O! dat geschrei en geroep, dat was heur werk!... + +Ze draaide de sakristij-deur open, ging binnen en liet het met een +daverenden bons weer in zijn klinken vallen. + +De kerkstilte woei heur tegen. Het was er zeer donker. Ze stond +gansch bepakt en moederziel alleen in de sakristij, zuchtend als een +blaasbalg. En heur herte klopte, klopte alsof het niet in heur borst +wou blijven. + +Hier kon ze rustig heur onwederroepelijke daad bepeinzen! Ze +werd heure grove, groote fout bewust! zij! zij! had het poortje +geopend! ze zou gevloekt zijn! gevloekt voor eeuwig!!! O! was het t' +herbeginnen! was het t' herbeginnen! Ze zou zich eerder laten doodslaan +en vermorzelen! Ze zou niet opendoen! + +Het was te laat nu en het kwaad bedreven! en ze ging aan het schreien, +de tranen leekten uit heur brandende oogen, en ze snikte dat heur +lijf er van schokte... Ze schudde het hoofd, balde de vuisten tegen +de slapen en weende door, weende snottebellen! + +Met eens schoot er een reddende gedachte door heur hoofd: de klokken +luiden en laten weten aan de stad dat er onheil was! + +Met een wip was ze in de nacht-donkere kerk. De stilte woog er. Vóór +het altaar brandde het lichtje in roodglazen potteken. + +Cicielken voelde dat het Godslichtje heur bezag en ze bleef staan, +roerloos als een heiligenbeeld. Zij liep verder naar het portaal waar +ze het klokzeel te hangen wist. + +Zij was het, die voor jaren, toen ze nog vlug te been was, de klokken +luidde voor mis en vespers en de gewoonte zat heur nog zóó in de +armen dat ze het zeel zonder tasten of scharrelen vond. Ze greep er +naar met beide handen, draaide het om heur polsen en ze snokte aan +het zeel, feller en feller. Allengskens begon er in het torenken wat +te hommelen. 't Wierd duidelijker en ging over in een zware gelui +dat het wel tot aan 't Hofken van Ringen klinken moest. De kerk was +gevuld met een vreemd gezoem dat de ruiten ervan singelden. + +Cicielken trok maar, kromp ineen en rechtte zich, dan op de teenen, +met langgerokken armen boven het hoofd, trok weer omlaag en zoo voorts, +alsof er geen einde aan komen mocht. + +Stilaan begon heur rug zeer te doen en het zeel neep dieper en +dieper in heur vleesch. Ze wilde loslaten, maar heur handen zaten +gestropt. Met een snok werd ze naar omhoog getrokken en ze hing een +poosje boven de eerde te draaien om daarna tusschen de opeengestapelde +stoelen neergesmakt te worden, dat heur beenderen er van kraakten. En +eer ze een gil kon uitstooten ging ze weer omhoog en zwierde door de +ruimte. Ze werd rondgedraaid, neergesmeten, omhooggetrokken, gedaverd +en geschud dat ze er van haar zelve bij viel. En de klok klepte maar +voort in den zwarten nacht. + +Ineens gleden heur polsen uit den zeelstrop en ze rolde tusschen de +stoelen. De klokkeklank stierf uit en weer vleugelde de geheimzinnige +stilte om de lijnige pileeren. + +Lang, heel lang duurde het, eer Cicielken's bloed weer in de aderen +begon te borrelen en te leven. Ze opende de oogen en voelde overal +een felle pijn. Ze keek rond en ze zag het roode vlammeken vóór 't +altaar als een bloedend oog, dat heur verwijtend aankeek. Ze wendde +het hoofd van het lichtje en zocht door de dikke donkerte van de kerk, +naar de plek waar de steenen Jezus, lijdzaam gebonden zat sedert vele +eeuwen en hare zonden uitboette! + +"Ecce Homo!" + +En zie, dáár, begon het op te klaren en de duisternis smolt er: +eerst een grijze nevel, maar stilaan een cirkel van zilveren licht +om het heilige beeld zoodat de doornenkroon en de rietstaf te bloeien +schenen als van levend goud. + +Buiten op de poort krabden zwakke handen en heesche stemmen steunden +luid: "Jezus, ontferm u onzer! Jezus! een droppelken drinken als +'t u blieft!" + +Cicielken wist dat het heur zusters waren. Ze richtte zich op, om de +poort te ontsluiten. + +Maar de moorders? met hun messen! die alles zouden onteeren! + +Ze wist niet wat te doen en kroop, op handen en voeten naar den +schoonen Jezus, die blonk als de jonge zon. Ze wierp zich plat +ter aarde en bad om vergiffenis voor heur grove fout. Ze had zoo'n +spijt! zoo'n groot spijt! Ze vroeg een zware straf om heur boosheid, +ze zou alles doen, alles verdragen! als hij haar maar 'n klein beetje +troost kon geven, vergiffenis, vergiffenis!! + +Ze snikte het uit, om hare leelijke zonde, en ze hoorde de +menschen niet, die voor de poort om hulp schreeuwden, en hun leven +uit-rochelden. + +En ze dierf het, het hoofd op te heffen, en Hem aan te zien, naar +zijn oogen te kijken, die nu blauw waren als de lente-hemel en blonken. + +En "Ecce Homo" kreeg leven in de hoekige vormen, en zijn lichaam +werd rozerood en lelieblank. Hij rechtte het gelaat ten hemel en +glimlachte medelijdend. De bijeengebonden handen ontdeden zich van de +hennepen koord en de rietstaf viel op de steenen. Hij stond recht van +zijn arduinen banksken en lei met zijn subtiele handen de plooikens +van zijn purperen mantel fijn. Hij raapte den staf op en tikte er +driemaal mede op den kop van het begijntje en hij zei dan met een +stem die zoo zoet was als nachtegaal-gegorgel bij zomeravond: + +"Wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!" + +Cicielken kroop aarzelend recht en vette zweetdruppels leekten over +heur vertrokken aangezicht. Ze snakte naar asem van schrik en wou zich +weer laten vallen. Maar de oogen van Jezus waren in de heure gericht en +ze blonken zóó zacht en medelijdend dat het menschken weer moed vatte. + +En hij hernam: + +"Cicielken, wat moet dat bedieden. Ze roepen daarbuiten om mij". + +Nu moest ze 't gaan zeggen, heur grove fout belijden! en God zou heur +zekerlijk doodslaan met zijn staf van vuur, het kon niet anders. + +En ze begon te snikken en ze stamelde het uit: + +"Niets, Mijnheerken lief! niets! ik weet dat niet!" + +Jezus deed zijn schoone oogen toe en vroeg ten derdemaal: + +"Cicielken! wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!" + +En zij dan: + +"O! niets, Mijnheerken-lief! 't was mijne schuld niet! 't Waren +zoovele zwarte venten! met messen! met messen!" + +De woorden versmoorden in 't felle gesnik. + +In de verte kraaide een haan en Jezus hief de rechterhand omhoog +en berispte: + +"Dat deed Petrus ook!"... + +En hij nam heur bij de hand, en hij leidde haar naar de poort, door +'t portaaltje, alwaar de stoelen holderdebolder gesmeten lagen. Vanzelf +ging de groote poort open. + +In den nacht huilde en tierde de herfstwind. + +Stilaan werden de dingen en de huizen opgelicht door de klaarte die +straalde uit Jezus' lichaam. + +En Cicielken zag op de kerktrappen de doorstoken lichamen heurer +zusters in nachtgewaad en ze hoorde het laatste reutelen van hun +adem in de bebloede kelen. Ze lagen er al overhoop en door malkaar +gewrongen dat het ijselijk was om te zien. + +Dat waren de slachtoffers der woeste venten met hun witte, groote +messen, en zij, Cicielken, 't portieresken, die de poorten bewaken +moest, had dat volk binnengelaten! + +De menschen waren hun huizen ontloopen, zoo goed als het ging, de +wonden toenijpend met hun stramme vingeren, om ten minste tot aan de +kerk te geraken en er te sterven, dicht bij hun heerken Jezus. Maar +de armen! ze en konden niet binnen, de poorten waren toe. De sterksten +waren de trappen op gekropen, hadden rusteloos op de poort geklopt. + +De moorders hadden gemakkelijk werk gehad met de verschrompelde +menschkens van 't Begijnhof. Ze hadden de zakken zwaar gevuld met +gouden keldergeld. Toen er niets meer te vinden was beproefden ze wel +de kerk in te geraken, maar het plotse luiden der klok in den nacht +had hen met schrik geslagen zoodat ze 't allen op een loopen gezet +hadden, alsof de duivel op hun hielen zat. + +De arme vrouwkens op de trappen jammerden en kloegen en vroegen +vergiffenis van hunne zonden aan God den Vader en God den Zoon en +God den H. Geest goedertieren, om toch maar niet in het vagevuur +te moeten!... + +En toen was Hij buiten gekomen... "Ecce Homo!"... + +Dat verheugde de stervende lieden danig, en ze lieten hun wonden +weer openbloeden, om zoetekensaan te sterven in den glans die Hem +omstraalde. Ze zouden niet in het vagevuur gaan, want ze hadden +Hem gezien en dat was een zoete spijs geweest, en een schoone +vergiffenis! Ze dachten niet langer aan hun gestolen goud, aan hunne +wonden, maar verblijdden zich uitermate in de aanschouwing van Hem, +die het Lam Gods is. Zoo gingen ze een voor een dood en hun zielkens +voeren ten hoogen hemel op. + +Toen is Jezus weerom binnen getreden met het angstige begijntje bij +de hand. De poort ging toe en de duisternis dekte alles buiten en de +herfstwind hernam zijn dolle buitelvlucht. + +In de kerk echter was het alles licht. + +En Jezus zette zich op 't steenen banksken en zijn schoon gelaat boog +voorover en hij keek zeer droef. Hij zei weer met gedempte stemme: + +"Cicielken! Wat moet dat bedieden? Daar buiten riep men mij!" + +En het hijgende Portieresken drukte heur handen op den boezem als om +den wilden slag van heur hert te bedwingen, ze zonk op heur knieën en +de verzwegen waarheid hokte in verwarde, rauwe kreten over heur dunne, +bloedlooze lippen: + +"Ja! ja! 't is mijne schuld! Heer, 't is mijne schuld! Ik heb de +mannen binnengelaten! en ik heb groote straf verdiend! Ik zal het +boeten! ik zal het uit boeten! álles! álles! wil ik doen! maar geef +me toch vergiffenis! geef me toch vergiffenis!! Ik zal naar Jeruzalem +gaan! op mijn bloote knieën zal ik er henen kruipen en putten kussen +in uw heilig graf!..." + +De woorden gutsten uit heur mond, ratelden in heur keel en ze snikte +er tusschendoor, zag den schoonen Jezus smeekend aan, om een uitkomst +aan heur bitter leed. + +En hij roerde de handen, zegende heur. + +"Ga dan, Vrouwken! die zonde is u vergeven!" + +Daarop stortte Cicielken neer, plat ter aarde, de armen wijd open en +ze kuste de kille steenen waar hij gestaan had. Ze weende en loech +tegelijk van groote vreugde. + +En als ze 't hoofd weer geheven heeft was de kerk in 't duister +verdwenen en 't beeld onzichtbaar in het donkere zij-kapelleken. Vóór +het altaar danste het godslichtje in het roode glas. + +Cicielken klom de trappen op, sloeg heur armen om het beeld, streelde +den ruigharigen kop, streelde de doornenkroon en kuste het op de +koude bestofte lippen. + +Maar het beeld roerde niet. 't Was steen, beschilderde steen, waar de +moe-luie dagen waren overheen gekropen en het ontverfd hadden. "Ecce +Homo!" + +Dan is Cicielken op het Godslampeken afgegaan, dat ze, door de +bibbeling heurer vele tranen, van verre pinken zag. Ze heeft voor +het altaar lang geknield en langs het sakristijpoortje kwam ze buiten. + +De morgen hing in de lucht en hier en daar, in de goot, in een deurgat +of dwars over de straat lagen er lijken. De vensters der huizen stonden +haast alle open en de gordijnen flapten als vaantjes in den wind. + +En toen viel er een vinnigrood sterreken, uit den hemel tusschen +de grijze wolkenrompen door, en het was percies als het lampeken in +de kerk. + +'t Bleef al meteens hangen, vlak boven heur hoofd en schoof zoet voort, +met een roode sprankelstreep achter zich, die schoon recht liep, +als de staart eener komeet, trots al de zotte herfstwinden. + +Cicielken zag die ster, ze verschoot en ze lachte, want dat was het +teeken, en ze heeft haar gevolgd met heilige vreugde. + +Zoo, zoo ging ze naar het Heilig land van Christus... naar Jeruzalem. + + + + + + + +VAN ZUSTER KATHELIJNE EN 'T LIEVEVROUWKEN + + +Het groote jaarwiel draaide langzaam rond, met zijn licht en zijn +donker. + +En als de spie waarop in blauwe letters "Sinte Margaretha" geschilderd +stond, zich liet gewaar worden, als de jongens 's avonds hun gloeiende +lollepotten zwaaiden; als de meiskes op straat in ronde dansten en +met helle stemmeken zongen: + + + Is Mijnheer Pastoor niet 't huis?... + 'k zou hem eens geren spreken + t'avend in zijn huis...; + + +als de knapen beeten gingen uittrekken en er duivelsmoelen in kierven +om ze 's avonds, met een brandende keersken er in, rood-gloeiend langs +eenzame straten te zetten dat het den meiskens den schrik op het lijf +joeg; dan ontwaakten Kathelijne en Geertruide, de twee begijntjes uit +het "Suverlik herteken van Jezus", schudden het alledaagsche gedoe +van hunnen rug en kregen een wondere welgezindheid in hun hert. + +Het jaarlijksche feest der zoete patrones van 't Begijnhof naakte en +er kwam een lange vent het huizeken genoemd "Suverlik herteken van +Jezus", witten, het hofken vóór 't huizeken oprijven en er bonte +bloemekens planten, en 't houten hek, de luiken, de vensterramen +en het deurken met een lichtgroen kleurken beschilderen. Een peeke +van 't Godshuis kwam de gerskens tusschen de bollende straatkeien +uittrekken want dat groeide er welig, en zoutwater gieten of andere +dergelijke remedies en kortte niets. + +En zoo stond het huizeken daar nu, rein en frisch in den blanken +zonneschijn, met gouden vlammekens in de ruiten, als een blij gebed. + +En 't begijntje Kathelijne was welgezind als ze 's avonds door de +stad ging om specerijen en brood te koopen en de kinders rond zag +gaan met hun lichtjes, die waren als vurige, wiegende bloemen boven +de lachende gezichtjes... + +"Neen", peinsde ze dan, "'t en duurt niet lange meer... nog vijf +dagen en 't is Margrietje en dan gaat de processie uit en dan!..." + +Ze verkreukelde zich aan 't genot dat ze smaken zou, preutsch in +een wit, wit kleed met veel kant en witte bloemen er rond, en mede +dragend de zilveren relikwiekas van de heilige Begga. Nog vijf keeren +slapen! O! Ze peinsde aan de vijf nachten en aan de vijf dagen en +hoe die zijn zouden. Wat zou er zooal kunnen gebeuren? + +Toen werd ze droef, Kathelijne. Er kon nog zooveel gebeuren! + +En als ze in heur frisch bed lag dien avond en ongestoord begon +te denken aan de vele gebeurtenissen, die 't schoone feest konden +verhinderen, aan 't een of 't ander onheil dat heur beletten zou in +'t witte kleed de Sinte-Begga-kas te dragen, werd het heur zoo vreemd +te moede. Ze wou bidden en vele vaderonzen lezen om die naarheid +te verdrijven; maar ze vond de woorden niet om te beginnen! en dan +gingen heur gepeinzen onwillekeurig weer naar de processie en hoe +heur plaats ingenomen werd door een ander! Op 't einde viel ze dan +toch in slaap van 't danig tobben, en heur slaap was ledig en hol. + +Maar opeens piepte heur deur open en zie! 't Lievevrouwken van +Geertruide stond op 't bed aan 't voeteneind in een wolkje van gouden +licht. Haar wit brokaten kleedje, geboord met gulden papegaaien, hing +stijf als een kegel om heur heen en 't bolle gezichtje bewoog onder +het hooge zilveren kroontje. In heur oogen zaten zilveren vlammekens. + +Kathelijne bezag het beeldje met gulzige oogen en ze had er een +zoet genoegen aan. 't Was zoo schoon in het donzige licht en levend +ook! Ze bleef het aldoor bezien en ademde zacht, om het licht niet +te storen. Ineens verroerde het beeldje en 't begijntje dacht dat +het zou heengaan, terug op den schouw in Geertruide heur keuken; +en ze vroeg smeekend: "Lievevrouwken?... blijf nog wat?..." + +'t Lievevrouwken duwde heur houten pollekens uit den nauwen mantel, +neep nijdig de lippen op elkaar, en bitste toe: + +"Ik kom u zeggen dat ge niet in de processie moogt gaan". + +Dat ging scherp als een rijgnaald door Kathelijne heur hert. Ze voelde +een krop in de keel, en snakkend naar asem vroeg ze: "Lievevrouwke +toch!... waarom nu niet!... 'k doe het sedert zoo vele jaren!" + +En 't beeldeke, koeltjes, lachte: + +"Ge gaat er niet in!... Ik zegge 't aan Menheer Pastoor!" + +Kathelijne dierf niets meer zeggen, maar snikte, snikte dat heur lijf +er van schokte. Ze borg heur hoofd in de lakens om 't beeld niet meer +te zien en ze weende 't uit, heur wrange smart, ze huilde en kreste +luidop. Heur verdriet schoot lijk een waterval uit heur hert, en door +heur hoofd spookten plots ongewone dingen in zotten wirreldans: tafels +en stoelen met duivelskoppen, lanteerns en inktpotten met beenen en +armen, spinnekoppen die uit pisbloemen smoorden, alles dooreen lijk +een spokendans. + +In den morgen, als de schoone zon uit den grond rees en een weelde van +gouden licht door de witgewassschen gordijntjes heen op de roerlooze +kamermeubeltjes tooverde, ontwaakte Kathelijne. + +De schoone klaarte boorde door heur doezeligen gedachtengang en wekte +in heur vlokken van beelden, onsamenhangend eerst, maar die stijgend, +'t een na 't ander, zich schikten en hervormden den akeligen droom. Ze +draaide zich om en wou er om lachen! Wat was 't een weerken, en +blauw de lucht! Maar de lach verging op heur lippen, en ze zag het +Lievevrouwken weerom en ze hoorde vlijmend het bitsig gezegde: "En +ge gaat er niet in, Kathelijne!" Deze woorden sprongen door de kamer, +schril en nijdig, op maat van den knersenden tik-tak der hanghorloge, +dat ze het er van op de zenuwen kreeg! + +Zou het dan toch gebeuren? Zou ze dan toch niet mogen? En ze lag +te dubben en te peinzen in heur wit bed met pimpelende oogen en de +onderste lip tusschen de tanden. + +En waarom zou het nu niet zijn? Ze had toch geen zonde begaan? Ze +liet heur gepeinzen dalen in heur wit zielken, zoekend of er hier +en daar in een hoeksken geen zondeke stak. Maar ze vond niets. 't +Was alles wit, sneeuw-wit, zoo wit als heur lochte processiekleed, +dat ze gisteren met voorzichtige vingeren uit de kas had gehaald en +dat daar nu, op een stoel, in 't volle morgenlicht lag te schitteren, +als 't ware een kleed van licht, als had het 't zonnelicht opgezogen +dat in den jongen morgen door heur vensters zeefde. + +Kathelijne keek er naar, bedroefd. Ze bekeek de fijngelegde pijpkens en +strikskes langs de boorden en op de borst; ze zag naar de stralende +gulden perels die 't halskraagsken berankten met zilver... Zoo +ging ze in de processie, blank en rein in het hagelwitte kleed, +onder het waaiende purper der vanen, die klapten boven heur hoofd, +dragend eerbiedig, met drie andere, kranige begijnen van 't Hof, +de zilveren relikwiekas. + +Daar hoorde ze 't sleffen van trage voeten op de trap en treden die +kraakten. Kathelijne luisterde, veegde het nat uit heur oogen en ze had +zich nauwelijks bijgelegd, of Geertruide stak heuren kop in de deur: + +"Zuster Kathelijne! ge blijft zoo lang te bed. toch niet ziek he? 't +Zou spijtig zijn voor Zondag! Menheer Pastoor zit beneden naar u +te wachten!..." + +De deur klonk toe. Geertruide was weg en weer sleften op de trap heur +trage voeten, de gang door en de keuken in. + +Wat kwam Menheer Pastoor nu doen? 't Was zeker voor de processie. 't +Kon niet anders. och Heere! als die maar geen slecht nieuws bracht! Ze +zou hem bidden, hem paaien met zoete woordekens: 't was toch zoo'n +goede vent! + +Ze trapte het bed uit en kleedde zich gejaagd. + +Heur witte kleed straalde aldoor in het helle licht en de zon schoof +tusschen de bebloemde gordijntjes een gouden tapijt, met krullen en +blaadjes op 't effen witgeschuurde plankier. Zoo lag de heele straat +ook schoon, vol bloemen en lisch en riekend kruid als de processie +uitging. + +En 't Lievevrouwken had gezegd: "Ik zegge het den Pastoor" en nu zat +de Pastoor beneden te wachten... Hoe groote angst steeg heur weer +naar de keel, en heur herte zwol, alsof het bersten ging. + +Kathelijne was nu gekleed. De zon schoof achter een wolk. Ze haastte +zich de trappen af. + +Menheer Pastoor stond aan het venster en keek naar den hemel, waar +een donkere, goud-omrande wolkenromp verder zeilde. Hij draaide zich +om en knikte gemoedelijk: "Goen morgen, Zuster Kathelijne". + +'t Begijntje boog het hoofd, schuchter. + +"Dag, Menheer Pastoor". + +"Kathelijne", zei de man, "Margrietje piskous komt weer met heur +gewater af. 'k Dacht van morgen vast, 't wordt schoon weer vandaag; +maar zie, daar hangt een zwarte-zuster met breede rokken vlak voor +de zon heur gezicht. 'k Geloof dat het zal regenen!" + +'t Menschke ademde diep... het was niet over de processie! De Pastoor +zag er blij uit! Voor wat kwam hij nu? Misschien om een aalmoes voor +de zielkens in 't vagevuur. + +"'t Zou zonde zijn", ging hij voort, "want dat nattig weer werkt fel op +mijn rhumatism!... Wij beginnen al oud te worden, Zuster Kathelijne!" + +Ze knikte toestemmend. + +"Gij wordt ook oud! en als een mensch dan niet wel en is, slaapt hij +wat langer!... Gij zijt zeker ook een beetje ziek, Zuster?..." + +'t Begijntje zei ja, om heur laat opstaan te verbloemen. Maar +nauwelijks waren de woorden vervloten, of ze kreeg een groote spijt +over het gezegde! + +Menheer Pastoor keek heur goedig aan met zijn diepe oogen, en zijn +mond plooide compassielijk. Hij knipte "ja... ja..." en kneep eventjes +de oogen toe. + +Het was donker geworden. Blinkende regendruppels stoven op de ruiten +en kletsten er uiteen in kleine lekjes. De lucht was grijs. De daken +der huizen, blauw en rood, blonken van het nat. + +"Daar hebde 't al!" zei hij en hij wees naar buiten. "'t Zou spijtig +zijn voor de processie!" + +Wat kwam Menheer Pastoor nu toch doen? Hij stond daar met zijn hoed +te draaien en vertelde zoo'n nietige dingen. + +"Ja Zuster, ik kwam om over de processie te spreken". + +Daar had ze het! Het Begijntje ging aan 't knikkebeenen, zette zich +op een stoel en slikte den krop door die in heur keel wrong. + +"Ja Zuster Kathelijne! ge zijt tusschen dit en een jaar fel verouderd, +peins eens, twee en zestig! en dan die slijmziekte die nog in uw lijf +zit, ge weet het wel!" + +Ze rilde op heur stoel. + +"En nu Zondag moest ge de relikwiekas dragen, he? Zuster! 'k Zou u +aanraden 't niet meer te doen!... 't Is zoolang, twee uren met dat +gewicht op uw schouders loopen, is 't niet?" + +Ze kon niet antwoorden, heur keel was toegenepen!.... + +"Ja, ja! ik heb er met Moeder-Overste over geklapt en ze zei het +ook. Nu zult ge de processie zelf eens zien, Zuster, want die +hebt ge in tien jaar niet meer gezien, omdat ge er zelf ingaat, +ja! ja! Juffrouw Geertruide zal dit karweitje eens doen". + +Hij lachte gemoedelijk. Hij sprak nog over ditjes en datjes, maar +als hij zag hoe suf Kathelijne daar zitten bleef, peinsde hij, dat +ze ziek was en ging met een "tot later, Zuster!" de keuken uit. + +Nu was 't begijntje alleen. Ze zat roerloos als een steenen +beeld. Plots sloeg ze de handen vóór heur gezicht, viel met den kop +op tafel en weende. De tranen liepen tusschen heur beenderige vingers +lijk glazen perels. + +Het was waarheid geworden. Ze had willen sterven! Ze mocht de heilige +beenderen der lieve Sinte-Begga nooit meer dragen! nooit meer! En dat +in heuren goeden, ouden dag. Het wee wrong diep in heur hert, vaster +en vaster, en zou er nooit meer kunnen uitgerukt worden! Daar was +toch niets meer aan te veranderen! Weer knepten de hakkende woorden +door het kamerruim: "En ge en gaat er niet in!... en ge en gaat er +niet in..." Toen werd het heur duidelijk dat het de schuld was van +'t Lievevrouwken, dat bij Geertruide prijkte op het schouwblad. En +in heur groeide de haat, zoodat ze er heur verdriet bij vergat. Ze +weende niet meer, kneep de tanden vast op elkaar en siste: + +"'t Is uwe schuld!... uwe schuld he?... maar ge zult hier weg! ge +zult hier weg!... ge moet hier weg!" + +En ze herdacht zich den droom en sterker groeide in heur de haat! + +Het regende buiten. + +Nu was 't Zondag en de blijde zomerzon hing als een felle monstrans +hoog in het smetteloos blauwe van den warmen hemel te gloeien en op +de witte gevels van 't Begijnhof leekten heur gouden en zilveren water. + +Geertruide kwam uit het lage deurken van 't huizeken genoemd "'t +Suverlik herteken van Jezus" schoon in het witte kleed. Ze bleef +eventjes staan in het hofken vol blauwe en oranje bloemen, en ze +keek rond. Op den lochten sluier, die in lijnige plooien van heur +hoofd om heur schouders ruischte, stond een zedig kroontje van blauwe +bloemekens, lijk zoete starrekens. De gouden borstspeld en 't kruis +schitterden in 't felle zonnegespeel. + +Ze straalde rijk aan zinderende licht en heur gezicht bloosde onder +de sneeuwen blankheid van heur sluier. + +Ze dierf niet opzien, want ze wist dat de menschen heur bekeken. + +Kathelijne zag heur achterna, door de gordijntjes, trappelend van +jaloerschheid. + +Dat was nu de werkelijkheid. Alles wat het heksige Lievevrouwken +heur had toegesnauwd tijdens die vreeselijke nachtmerrie. Ze had de +vreugde van Geertruide gezien als Menheer Pastoor heur zeggen kwam: +"Zuster Geertruide, ge moogt Kathelijne in de processie vervangen" en +'t haastig ja-knikken van heur gebuurvrouw. En nu zag ze Geertruide +weggaan. Nu kon ze alleen blijven en ongestoord heur verdriet laten +knagen lijk een doornekroon om heur bloedende hert. + +Zij peinsde aan het groote onheil dat nu voorviel en heur rustig +oudmenschenleven 't onderst boven had geschud, en aan de onrust die +heur telken jare beklemmen zou, als 't jaarwiel boven den einder +"St. Margrietje" zou laten zichtbaar worden! Tien jaar lang reeds +droeg ze, om de liefde Gods, in de processie de heilige beenderen der +Sinte-Begga! 't Was heur immer een zoet genoegen geweest, te denken +aan de zaligheid van de komende processie, het werk van 't vasten en +'t bidden twee maanden op voorhand om heur arm lijf weerdig te maken de +schoone kas te dragen in den stoet van heuren verloofde Jezus-Christus! + +En nu! Ze had het wel gevoeld dat er iets noodlottigs gebeuren moest in +heur kalm leventje. Er was iets uit den haak in heuren gedachtengang, +er haperde ergens wat. Het ding zwol en werd benauwelijker tot al met +eens die droom en de woorden van Menheer Pastoor heur den eindelijken +slag kwamen brengen. Nu was alles voltrokken. + +Ze zette zich bij Geertruide voor het venster. + +Op de schouwplaat, één glinstering; in den vollen zonneschijn die +door het ééne raam een trapezium van goud op de witgekalkte schouw +lei, stond het Lievevrouwken en roerloos... Kathelijne verschoot +toen ze het zag in dat helle licht en 't wierd heur of het weer +bewegen ging en spreken zou de wreede woorden, die heur heele leven +hadden verbitterd. Ze keek het nijdig aan, en de haat sloeg omhoog in +heur. Ze zou het wel weg krijgen! heb geen nood! heur leven was een +hel in de aanwezigheid van het zegepralende beeldje! En ze fezelde +heur besluit tusschen de tanden, als was ze bang het hardop te zeggen! + +Buiten op straat was 't een gaan van allerlei menschen in feestelijke +kleedij, die naar de processie kwamen zien. + +Markeken Ronk en Flor van 't Els waren in de weer voor hun deur, +wiegend van links naar rechts, met zwierende hand spierwitte zavel +en kleurige papierkens en bloemenblaadjes aan 't uitvingeren. Kleine +meisjes in witte kleeren stapten gracielijk en locht als vlinders met +hun witte schoentjes trippelend over straat. De menschen lachten en +knepen hun oogen toe voor 't hevig zonne getintel, dat overal lag te +glanzen in de helle lucht. De oude peekens en meekens gingen voorbij +met onzekere stapkens; ze liepen in de deugdelijke zon en vertelden +genoeglijk allerhande zottigheid over Margrietje, die heuren pis voor +één dagsken had ingehouden. + +Kathelijne zag dat leven en ze geraakte stilaan in de warme stemming +van dezen feestdag. Ze dacht aan geen processie meer en heur oogen +dronken het levendige beweeg van al die menschen in de trillende +zonnelucht, tot plots weer door de kamer sisten de scherpe woorden: +"En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!..." + +Ze schrok. Heur oogen schoten vol tranen en ze zag het Lievevrouwken, +beverig door heur vele tranen heen, pronkend in den gouden +zonneschijn. De woorden sprongen en drongen vlijmend als priemen in +het merg harer beenderen, ze wierd wanhopig. + +Doch ineens klopten jubelende klokkeklanken op de trillende ruiten. Ze +buitelden door de zonnige luchtgolven als blauwe rookkrullen, die +verijlden in de lichtsiddering. Nu en dan hoorde Kathelijne een +geruisch van verwijderde muziek, dat bij poozekens voller toezwol, +maar naderhand ook even lijze, door 't gewone lawaai van de drukke +straat overklonken werd. + +'t Was de processie, die traag aanschoof. + +Kathelijne verschoot en nam vlug de twee koperen kandelaars, waar een +roze keers in zat. Ze ging er mede buiten, zette ze op de vensterrichel +en stak de wieken aan. Een geel, arm vlammeken bibberde er nu boven en +wiegelde in het zoete windeken. Andere jaren prijkte 't Lievevrouwken +tusschen de keersen in, maar Kathelijne wou dat nu niet. Ze had er +een vreugde aan, het wreede beeldeken te pijnigen, het te sarren, +het te laten alleen, ver van den stoet op de zwarte schouwplaat. + +De lucht hing vol klare klanken. De muziek speelde een hellen deun, +naar de trage maat der stil-stappende menschen. Het volk in de straat +rijde zich op de gaanpaden langs de huizen, en daar kwam de processie. + +Kathelijne zag toe van achter de gordijntjes. Ze kreeg een felle vrees +en er klemde zich een ring om heur hert, dat ze de kloppen haast niet +meer gewaar werd. + +Ze zag de soldaten komen op twee roten, met wuivende veder op den +hoed en zware stappen die klonken uit boven de muziek en 't egale +prevelen der biddende menschen; de roode vlag der congregatie, met +allerlei gouden bloemen en zilveren vruchten bestikt, gedragen door +een vent lijk een reus, daarachter nederige wijfkens met een blauw +lint rond den hals, murmelend eentonige vaderonzen. Dan kwamen de +maagdekens in de stijve, witte kleedekens, die in rechte plooien om +hun lijfje lagen, een gouden kroontje op 't krullekopken van golvend +haar, dat lijk een gulden zonne om hals en smalle schoudertjes +straalde. Ze droegen vaantjes blauw en wit versierd, of schilden, +helder getint, met Latijnsche spreuken en opschriften in gotische +letters. Ze stapten met hippende paskens op maat van de zoete muziek +en hun kleedekens en hun haar ging gracielijk op en neer. Kleine +jongskens in purperen paterskleeren, een lanteernken in de hand, en +een roodzijden kalotteken, bolrond over hun blonde haren, volgden. Ze +stapten traagjes, en hun lange rokskens sleepten over het zand en de +riekende kruiden die er gestrooid lagen. + +Zoo schoof de processie verder: peekens uit het Godshuis met een +hoogen hoed dragend een dikke kaars, waarop een smookende vlam krulde; +deftige heeren in zwarten rok, blootshoofds, rond de beelden der +heiligen; mannen met banieren die waaiden boven het bont gewemel van +biddende vrouwen. De menschen langs het gaanpad zagen toe met groote +oogen en waren tevreden. 't Was een gouden pracht, blinkend in de +flitsende zonnestralen, sneeuwwit, groen en blauw en viool-purper +wemelend dooreen lijk een zonvergulde kerkraam. Alles ging matig +op de tonen der zachte muziek en 't blonk zoo schoon en grootsch, +met daarover de bonte waaiïng van rijke kleuren, vlottend met zoeten +zwier in de davering der vurige zon. + +Daar kwamen de mannen in priesterrokken en witte roketten, +fijngeplooid; ze torsten groote koperen draaglantarens, rijkelijk +geornamenteerd. + +Kathelijne zag het, ze hield heuren asem in, nu moest de relikwiekas +komen. God! Heur hart stond stil. Ze wierd wit als een lijk. + +En daar kwam de relikwiekas, gedreven in zuiver zilver; tafereelen +uit het leven der heilige Begga stonden er op geciseleerd, en nu de +zon er zoo al met eens een vollen brand op neergoot, scheen de kas +te vlammen en te gloeien, dat het zeer aan de oogen deed. + +Kathelijne zocht met angstige oogen naar de witte begijntjes, die +de kas droegen. Ze merkte Geertruide, die blij-lachend voortstapte, +biddend aan heur beenen paternoster. + +Toen sloeg heur hert met een wilden bons, terug aan den gang en de +scherpe woorden van 't Lievevrouwken kletsten weer door de kamer: +"En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!" Het bloed sloeg naar +heuren kop. Heur beenen knikten, en met radelooze oogen zag ze den +bonten stoet voorbij schuiven en verdwijnen achter de cypressen van +den Kalvarieberg. + +Nu kwam de heilige, grootwondere God in vorm van brood, gedragen onder +een blauwen baldakijn, door een goud-omhangen priester, omgeven door +ijle wierookwolken en zware zangen, die eerbiediglijk samenwentelden +tot wondere akkoorden, als gezongen door diepgeloovige, middeneeuwsche +lieden, braaf en zedig. + +Kathelijne en kon niet meer aanzien! Ze wendde zich om, en met het +hoofd op de tafel begon ze hare ontgoocheling, wanhoop en verdriet +stillekes uit te weenen. + +En 't Lievevrouwken stond schoon te blinken en heur gezichtje bloosde +lijk een kriek, boven het witte brokaatkleedeken. + +Toen Geertruide binnenkwam, vond ze Kathelijne roerloos op een stoel +gezeten in heur keuken. + +"Zuster! waarom zijt ge niet buiten geweest?" + +Ze keek naar de rood beschreide oogen van Kathelijne: + +"En ge hebt geweend?" + +'t Begijntje schudde pijnlijk heur hoofd en zei: "'k Had zoo'n pijn in +den kop!..." Zij wilde heur woorden intrekken, want ze voelde dat het +een leugen was. En er viel een zwart druppelken op heur wit zielken, +dat er openspetterde en de blanke reinheid bekladde. + +"En Zuster toch, waarom hebde 't Lievevrouwken niet in 't venster +gezet? Wat gaan de menschen nu denken? 't heeft er altijd gestaan! en +dat nu voor de eerste maal!" + +Kathelijne trok verwonderde oogen. "Dat heb ik fijn vergeten, Zuster +Geertruide!" Er viel nog een zwart droppelken op heur wit zielken. + +Geertruide dan, met radde tong, heur aankijkend, hernam: + +"Maar zuster! ge moet slapen gaan! gij zijt zoo ziek als een hond! 't +Is al goed dat ge in de processie niet geweest zijt! Menheer Pastoor +had groot gelijk! Wel! wel! Toe, Zuster! naar boven, 'k zal lindenthee +gereed maken, dan zal 't beteren!" + +Kathelijne roerde niet. Geertruide lei heur kroontje af, plooide +voorzichtig heur sluier en haakte heur sieraden los. Dan ging ze naar +boven heur bruids-kleed uitdoen. + +Nu zat Kathelijne weer alleen. Geertruide heur gezeever verbitterde +haar nog meer. 't Groote was nu toch gebeurd en ze siste het +Lievevrouwken toe, nijdig, met een fluitende stem, lachend om de +schoone wraak die ze bepeinsd had: "Gij moet hier weg! weg!" + + + +Het hoogtij was voorbij. De begijntjes en kwezels zaten weer in hun +hofken of gingen ter vespers. + +Alles werd weer stil en ingetogen. De schoone zon zette heur +volle namiddaglicht op de witte gevels. In de volle boomen hingen +vogelenzangen. + +Kathelijne was terug in heur keuken en ze zat stil in een hoek. Ze +peinsde steeds met groot verdriet aan heur geslagen leven, en door +heur hoofd schoten vele gedachten van wraak. En ze zag de processie +en de relikwiekas als een wit vuur in de zon, gedragen door vier +witte begijntjes en van voor links, op héur plaats, Geertruide! + +Vóór heur oogen groeide het Lievevrouwken, met een spottend +gezicht. O! dat scheurde heur heelen kop aan stukken! + +Razend kneep ze de oogen dicht om niet te zien! Maar heller groeide en +groeide het beeldje, in een wolk van goudlicht, en lijk een donder +kraakten de woorden: "En ge gaat er niet in!... en ge gaat er niet +in!" Ze zou heuren kop op de steenen kapot slaan om dien zotten zang te +doen ophouden! Ze zou met scherpe nagels heur borst openscheuren, om +er de pijn uit te sleuren. Het Lievevrouwken moest weg! Het beeldeken +stelen? en dan? + +Ze hoorde in de gang het geslef; de klink der deur tjokte omhoog en +Geertruide, in alledaagsche kleeding, stond voor heur. + +"Zuster, 't is goed weer, he?" + +Kathelijne zuchtte, zei 'n ja, kwaadweg, omdat ze gestoord werd bij +'t bepeinzen van heur wraakplan. + +"Wie had zoo'n weertje kunnen bedenken! En gisteren nog zoo'n killen +regen, om met de lollepot onder de voeten te zitten! Zuster Kathelijne, +'k heb van menheer pastoor een schoon, blauw boekje gekregen. De +Navolging Christi van Thomas a Kempis heet het en daaruit haalt +hij vele spreuken voor zijn sermoon. Hij lachte, als hij 't me gaf: +"Dat 's de prijs, zuster Geertruide, omdat ge zoo schoon waart in +de processie". + +Kathelijne hijgde en tuurde gespannen naar de zonrondekens, die op +de roode plaveien van den vloer dooreendansten. + +"'t Is 't schoonste boek dat bestaat", zei hij, "waarin geschreven +staat hoe men zalig kan worden!... En hier ga 'k nu alle dagen +in lezen!" + +'t Werd stil, ongewoon stil rond het geknip van den horlogeslinger +in de eiken kas. + +Kathelijne zocht naar een woordje om toch ook iets te zeggen. "En waar +is 't boekske?..." Maar 't gezegde was nog niet koud op heur tong, +of ze had er reeds spijt over. Nu zou ze mee moeten naar Geertruide +heur keuken... + +"O! 't ligt binnen!... Kom eens zien..." + +Ze kon niet meer "neen" zeggen, stond trage recht en volgde. Nauwelijks +kwam ze 't plaatske binnen, of heur blikken gingen naar 't +Lievevrouwken op de schouwplaat. Zie! daar brandden de ronde +oogskens! Kathelijne draaide fluks heur kapken om naar de zuster die +'t blauwe boeksken uit een lade nam, en er met voorzichtige vingers +in bladerde. + +"Schoon he, zuster?..." + +"Ja". + +Ze piepte tersluiks naar 't beeldeken. Ze zou het wel weg krijgen! Weg +moest het! Want er was geen leven meer te houden in de gedurige +aanwezigheid van dat heksige Lievevrouwken! + +Geertruide had het boekje weer ter plaatse gelegd en babbelde over den +pastoor, die zoo'n schoone beeldekens snijen kon in palmenhout. Hij +was nu weer aan 't werk aan een Heilige Maagd... zoo schoon, zuster!... + +Ineens kwam er een korte klokkenklank aarzelend door de lucht tuimelen +en pas was hij verzinderd, of heller klepten er andere hem na, zuiver +gedragen op den naklank van den wegtrillenden voorlooper. + +"Ga-de mee naar de kerk, zuster Kathelijne?" + +"Och! 'k heb zoo'n pijn in mijn kop, zuster Geertruide!... Ik ga +liever eens wandelen langs de vesten". + +Geertruide sloeg heuren katonetten voorschoot af, nam twee oude +kerkboeken onder den arm en ging met Kathelijne de straat op. Ze zeiden +geen woord meer en aan de kerk scheidden ze. Kathelijne ging langs +'t Hemdsmouwke den Grachtkant op, 't waschhuis door, en wandelde nu +op den dijk in den helderen zonneschijn, naar de vest af. Ze voelde +zich een poosje jonger en vrijer, ze dacht over de boomen, die vol +vogels zaten, en aan heur wekelijksche schoenen, die ze gisteren naar +Kaluiken, den schoenmaker, gedragen had voor poleviëen. + +Op de vesten in de breede, blauwe lommerte der dubbele olmen-rij, +speelden kinders en ze lieten zich kressend in den beemd rollen en +plukten boterbloemen. Op den dijkweg, die blond langs de zilveren +Nethe loopt, wandelden twee witgekapte begijntjes. + +Kathelijne voelde stilaan de rust om heur. Heur hart sloeg gemakkelijk +en ze genoot van den zomerschen namiddag. De Nethe schoof zachtjes +weg tusschen ranke rieten. Er sprong een zilveren vischken in de zon, +en een groote kring rondde, wiegelend in grootere kringen, die in +'t oeverriet verdwenen. Kathelijne had het vischken niet gezien en +ze vond het aardig dat nu opeens het blauwe vlak aan 't deinen ging +en de beeltenis der populierenrij aan den overkant aan 't kronkelen +geraakte. Een beetje verder zat een vent, geborgen onder een strooien +hoed te visschen. Hij smoorde een pijp en van onder de randen stegen +blauwe wolken. Ze bleef er op staan zien, gedachteloos. De man draaide +zijn kop om en bezag heur zonder iets te zeggen. 't Begijntje werd +verlegen en zocht een woordeken: "Goe weer, he vent?" + +"Ja Zuster, vandaag is Margrietje toch niet aan 't schuren geweest..." + +Hij keek weer naar zijn lijn en rookte wolken uit zijn pijp. + +Maar kijk! daar kwam Cicielken, 't portieresken dat in Jeruzalem +geweest was, achter heur aangestapt. Ze zeiden elkaar goeden dag +en begonnen samen te klappen, al slenterend naar 't Sas. Kathelijne +luisterde aandachtig naar 't gepraat van 't oude begijntje. + +Er fladderden kleppenters over de bebloemde wei, hommelen schoten +van de eene bloem naar de andere, en hoog in de vuurge lucht hing +een leeuwerik te tierelieren. + +Aan 't Sas draaiden de zusters om en kwamen op hun stappen +terug. Kathelijne kreeg het zoo benauwelijk! Ze keerde terug naar 't +Begijnhof! Ze moest weer naar huis bij 't Lievevrouwken! En de angst en +haat drong omhoog om er hun zotten dans te hernemen. Kathelijne hoorde +Zuster Cicielken niet meer. Ze kwamen voorbij den visscher. Ze keek +naar de roode daken van 't Begijnhof. Ze hoorde het klokje kleppen. + +'t Portieresken werd gewaar dat Kathelijne niet meer luisterde. Ze +haalde een paternoster uit den zak, zei: "Dag Zuster, 'k ga gauw naar +'t lof" en ze sloeg een weg in. + +Kathelijne, verbauwereerd, vroeg: "Wat is er?..." + +Cicielken, die hardhoorig was, en gaf geen bescheid; ze slenterde +langzaam naar huis. + +De stilte woog loodzwaar in de keuken. De horlogeslinger kapte den +tijd in kleine stukskens. De avond steeg uit de eerde en vulde 't +geluchte met zijn warme donkerte. De hemel was donkerblauw, als een +fluweelen zee, waar schipkens drijven met ontstoken lanteernkens +in den mast. 't Begijnhof was zonder geluid. Kathelijne zat nog op +heuren stoel en snorkte regelmatig met den tik-tak van het uurwerk... + +Plots dommelden er acht klokke-tonen op de ruiten. + +Ze schoot wakker, angstig, wreef zich de oogen, zocht naar heur +gedachten, die holderdebolder in 't dikke kluwen van dezen slaap +verward lagen. 't Was al zoo donker! Ze luisterde naar de stilte +die suisde. Ze zag het venster, met het groote kruis van 't raam +achter de ijle gordijntjes. Ze luisterde weer naar de stilte, totdat +opeens het knersend tikken van de horloge vooruitsprong en heur bij +de werkelijkheid trok. + +Maar ei! ze kreeg er een steek van in den kop! daar djokte het akelig +vooisken weer op, spottend en schril, op maat van den knersenden +tiktak: "En ge gaat er niet in, en ge gaat er niet in!..." En ineens +begon heur spijt en heur haat te prikken en te wroeten in heuren +boezem, als doornenranken. "'t Moet hier weg!..." Ze was alleen, +Geertruide was bij Markeken Ronk met het ganzenspel gaan spelen, +en nu kon ze middelkens bepeinzen om het van kant te maken... + +Zou ze 't stelen?... maar dan? Wegwerpen in de Nethe, en geen haantje +zou er nog over kraaien? Doch 't beeldeken zou nog bestaan alsdan en +heur nog meer komen tempteeren! of 't zou ergens stranden, en alzoo +'t voorwerp worden eener groote devotie! + +Het in stukken kappen en 't verbranden in heur stove? Ze moesten +het eens te weten komen! Heur gepeinzen dwaalden in een duister hol, +waar geen uitweg aan te vinden was. Ze zou eens door 't sleutelgat +gaan kijken bij Geertruide, om het beeldeken te zien; wellicht kwam +er dan een lichtje in heur hersens. Ze stond op, ging op de teenen +de gang door en bracht heur oog aan 't sleutelgat. + +'t Was donker in de keuken. Vóór 't Lievevrouwken lag in een donker +rood glazen potteken een vlammeken te wiegelen en gaf een schoonen, +stillen schijn aan het beeldeken, dat lachend stond in zijn witbrokaten +kleedje. Op de zoldering, recht boven 't glas, wiegde een groote +roode ronde. Al 't ander stak in het duister. Kathelijne zag maar +toe en duwde heur hoofd tegen de deur. De deur stond op een kier en +draaide piepend open. + +Ze verschoot. Het was hier stil als in een graf. Ze zette zich van +schrik op een stoel. + +De haat kwam weer boven. 't Was dàt nietig stuksken hout, dat heur +schoone leven vernield had, dat heur laatsten oude-menschen-dag kwam +vullen met gal en edik. + +Plots een klonengeklop op de trap! Er was toch niemand thuis!.... En +eer Kathelijne den tijd had te peinzen, zag ze door het deurgat, +op de trap in het gangsken twee geel-berookte holleblokken, waarin +twee dunne, felbehaarde spillebeenen staken. De klonen daalden, de +een na den ander, en klopten op de treden. Kathelijne vergriezelde +och Heere! en als ze weer bijkwam, zag ze binnenkomen een grooten +vent in witte monnikspij, het hoofd verscholen in de punt-kap en +lezend in een oud, groot boek. Er hing een verroeste koffiemolen +met een touw aan zijn linkerschouder. Terwijl kwam er een dunne, +grijze klaarte de keuken ingedreven en 't begijntje zag onder de kap +een rooden dop-neus die op en neer ging. De vent zette zich onder de +tafel, sloeg met een flap zijn boek toe en begon aan zijn koffiemolen +te draaien, dat het piepte en knerste alsof men er een biggetje keelde. + +Kathelijne en roerde niet en zat als gebeeldhouwd op den stoel. Ze +keek met gespannen oogen naar den pater die zijn molen liet vallen +en weer zijn boek opnam. Telkens hij een blad omdraaide, joeg er een +fluitende wind door de keuken. + +Bots! en uit het breede schouwgat tuimelden drie rosse geraamten. Ze +knetterden met hun tanden alsof er honderd ratels klepten. + +Uit het kasken kropen er twee oude peekens, kletsnaakt, met oogen +op hun achterste, gaven elkaar de hand, wandelden door de keuken en +vertelden wat met fluisterstem. Ze lachten genoeglijk. Drie zwarte +kraaien kwamen krassend uit de gang gevlogen en zetten zich op de +gladde koppen der geraamten. Ze bleven met hun vleugels slaan, totdat +de drie pietjes de-dood hun lawaai staakten. De pater sloeg zijn boek +toe en de ventjes zetten zich nevens de stove, op hun oogen. Nu was +er een diepe stilte. En 't Lievevrouwken stond onnoozel te blinken +in het roode lichtje. + +Er kwam een bleeke vrouw de keuken in. Ze was gehuld in een zwarten +mantel en droeg om den hals een levende adder. Uit heur mondhoeken +leekte bloed in dunne streepkens langs heur kin. Het licht in de +keuken zwol bij heur binnenkomen. Kathelijne bezag de vrouw... en +wonder! heur schrik smolt weg en 't wierd heur wel aan het herte. Ze +loech de vrouw tegen, zeer vriendelijk, alsof ze heur goed kende. De +zwarte vrouw kwam nevens 't begijntje zitten en nam heur bij de +hand. Ze lachte genegen en toonde Kathelijne veel vieze gedrochten, +'n voet hoog, die stillekens binnenschoven: groote eierschelpen, +waaruit twee kikvorschenpooten klauwden en een groote kop bovenaan, +opgeblazen en scheel; een verneukeld wijveken, dat geld aan het tellen +was en de stukken een voor een in een kikvorsch zijnen muil wierp, die +nevens heur kroop; saters met bokspooten, die op een zevenpijp zotte +liedekens speelden; kaboutermannekens en wiemkens met dikke koppen, +loopend op hun handen, de puntschoenen wiebelend in de lucht. 'n Hoop +zwarte duivelkens, met een Hollandsche pijp in den kop en tegelijk +zwierend een grooten vuurpot, waaruit allenthenen smeulende sprankels +vlogen, besloten dezen wonderbaren stoet. + +'t Helsche volk staakte zijn spel en hurkte neer op de roode +plaveien. Met gespannen oogen tuurden ze naar de gang waar het +pikdonker was. 't Roode lampken brandde stil. + +Er zwol een zoet muziekgedruisch nader en plots achter de deur ging +de processie voorbij. 't Waren alle kleine ventjes, een duim groot en +'t was dezelfde orde en doening als dezen morgen, met het purper en +rood der vanen in 't wit der maagdekens in een gouden schijn die er +om wolkte. + +Kathelijne heur schrik was vergaan en ze moest lachen om dees wonder +vertoon. De gedrochten in de keuken keken hun groene oogen uit hun +lijf! Zie! daar kwam de zilveren relikwiekas van Sinte-Begga, gedragen +door vier witte begijntjes en Geertruide van voren links! Al de spoken +knarsten nijdig op hun tanden en vuur sprankelde uit hun mond. En de +zwarte vrouw zei in 't oor van Kathelijne, wijzend naar Geertruide: +"Dat is uwe plaats, en men heeft ze u ontnomen!" + +De kristelijke stoet ging verder: de muziek verklonk en alles verdween, +opgezogen door de duisternis. + +'t Lievevrouwken was rood in het licht van het lampken. + +Ineens stampte de pater met zijn klonen op de plaveien, draaide met +geweld aan zijn koffiemolen en begon luid te zingen. 't Was een teeken, +want met een sprongen de geraamten recht en beenden zot door de keuken, +en tusschen hun vlugge, kletterende beenen door draaide en danste heel +het smalle gespuis, schreeuwend en schuifelend. De zwarte duivelkens +zwaaiden er tusschen door met hun vierpot, dat een regen van gensters +over 't huppelend volkje starde. Plots schreeuwde de kikvorsch met +wijdopen bakkes. De spoken rolden holderdebolder over malkander, +sprongen vlug recht en zochten een plaats in den haard. + +De dunne klaarte vloot de kamer uit en 't werd donker. Kathelijne zag +de geesten bijna niet meer. Rood danste het lampken op de schouwplaat. + +De zwarte vrouw stond recht en bracht 't begijntje vóór het +beeldeken. Ze sprak toen: "Wie is er de schuld van, dat ge niet in +de processie gegaan zijt?..." + +Kathelijne voelde den haat weer wringen in heur boezem. Ze vergat +het heele spel van spoken en duivels en heur stem beefde van woede: +"Dié... dié daar!..." + +En de vrouw sprak: "Die moet hier weg!"... + +De duivels met hun lollepot kropen in 't midden der keuken en staken +hun pijp aan. Ze speekten 'nen keer in de gloeiende kolen en daar +kronkelden omhoog schoone vlammen, die het kamerken verlichtten en de +smoelen van 't spookvolk nog afschuwelijker maakten. De drie geraamten +dansten rond de potten met de krassende kraaien op hun schedel en al +de helsche broeders floten en zongen: + + + 't Lievevrouwken weg van hier, + 't Lievevrouwken weg van hier, + in de vlam van 't helsche vier! + + +De duivelkens speekten aldoor in hun potten om de vlammen wakker te +houden. En het liedeken schokte door 't heele huis: + + + 't Lievevrouwken weg van hier, + 't Lievevrouwken weg van hier, + in de vlam van 't helsche vier! + + +Het deed Kathelijne deugd aan het hert en ze knikte goedgunstig. De +zwarte vrouw fluisterde: "Steek het in brand, dan zijt ge er af, +toe Kathelijne!" + +En 't begijntje triomfeerend, zocht een stoksken in den houtbak +onder de stoof, stak het stoksken in een vuurpot en wachtte tot er +een vlammeken aan tongde. Ze hield het brandend houtje vóór heur, +lachend van blijdschap om de gevonden wraak. Ze duwde het stoksken +onder 't kleedje van 't Lievevrouwken; in een wip flapte een helle +vlam omhoog en wentelde er rond. + +De spoken schoten in een lach en stormden de keuken uit. De pater +zijn klonen klopten zwaar op de trap. De zwarte vrouw liet een kres +en vluchtte ook. + +En er kwam een angstige stilte. + +Kathelijne zag het Lievevrouwen-kopken lachend in den vlammenkegel en +meteen rees in heur geest het schrikkelijke van deze werkelijkheid. 'n +Heiligschenderij.... de hel! de hel!! Ze sloeg heur kromme nagels +aan haar kap en zag met open mond en wijde oogen het vurige beeldeken +aan. O! de verdoemenis!... + +Ze viel op heur knieën: "o Lievevrouwken! in Godsnaam en brand toch +astenblieft niet af. Ik zie u zoo geren! gotogot! Lievevrouwken!..." + +Maar de vlammen likten voort en krulden smerigen rook weg. Het blozend +gezichtje werd zwart en verrimpelde onder een vlam. + +Nu zou ze zeker naar de hel!... "Astenblieft +Lievevrouwken:... gotogot!" + +Ze sprong recht, greep het vlammende beeldeken en prangde 't aan heur +borst: "Ge moogt niet afbranden! ik zie u zoo geerne!" + +De vlammen plakten op heur borstdoek, kronkelden langs heur boezem +omhoog en sloegen heur in 't gezicht. Ze stuikte op den vloer, joeg +de vlammen weg met radde handen, maar het vuur spiraalde om heur +lijf. Ze spartelde en wrong als een paling; ze sloeg heur hoofd op +den grond: "'k En zal 't niet meer doen!... nooit meer doen!" Ze +rochelde. O! die brand om heur lijf! die brand in heuren buik! die +brand in heure borst!... + +Een groote vlam in heur gezicht woelde, sloeg heur blind, neep den +neus af, wrat de wangen weg en liet de tanden grijnzend bloot. De +vlam slingerde rond heur schedel. Er schoot een schicht door heur +hersens en ze was dood, pier-dood! + +Kathelijne smeulde uit en een heete, verkoolde romp bleef er over. + + + + + + + +HET FONTEINTJE + + +In het donkere St. Agathastraatje, heelemaal 't ende van 't Begijnhof, +stonden voortijds twee eendere huizen nevens elkander. Het waren zeer +oude huizen, zoo oud dat de moekruipende tijd de eenmaal witte steenen +gezwart had, en dat in de brokkelige voegen klein gras en schurftig +mos weelderig groeiden. + +De huizen hadden elk een laag scheefgezonken deurgat waarboven +uit een donker nisken een heiligenbeeld opdook, zoo verkleurd en +afgeschilferd, dat het haast niet kennelijk meer was welken heilige +het verbeelden moest. Doch uit hun houding kon men opmaken dat het +een koplooze Sint-Justus was, want hij droeg het hoofd in de handen +en het andere van boven Lijzebetheken heur deur, Sint-Hieronymus die +met een grooten steen op zijn bloote borst klopte. + +De puntgeveltjes zaten vol houtwerk en uitspringende steenen waarop +onhandig gesneden loofwerk oppenkrulde. + +'t Waren echt antieken huizekes voorwaar, met gewelfde gangen en veel +balkwerk en de lage zolderingen. Door de groene in loodgevatte ruitjes, +kwam het getemperde daglicht zeer schuchter, met wijfelende kleerte, +de witgekalkte muren streelen. + +Op de vensterrichels langs binnen, vóór spierwitte effengeplooide +gordijntjes stonden eenige bloempottekes met teere bellekens, of +donkere geraniums. + +In het een woonde Menheer Pastoor en in het andere 't begijntje +Lijzebeth, en hun devote doening fokkeledeerde wonderwel met het +mysterieuze vertoon der twee woonsten. + +Achter deze woonsten lagen er twee hofkes, rijk aan kleurige bloemen +en teer-groene gewassen, zoo frisch en maagdelijk alsof ze gaan loopen +waren van een Memlinc. Een dikke palmenhaag van sombergroene verwe, +zeer ernstig en zwaar bij 't naïeve kleurenspel der andere groeisels, +scheidde ze van elkander. En 't hofke van Menheer Pastoor droeg, +vlak in 't midden van een effen graspleintje, een blauw vijvertje +waaruit een pluimken schuimend water opspoot. De hofkens waren diep +en heelemaal op 't ende stond een brokkelige muur zeer onregelmatig +gebouwd in verre, verre tijden door een oude metseldiender juist +zonder werk in die dagen. + +Achter dien muur lag er een andere wereld. Daar stonden de vesteboomen +en daar bochtte de blauwblinkende Nethe door onafzienbare, blakke +beemden. De hooge boomen der veste, met hun grillig takkengewei staken +hun zotgebolde kruin over het muurken. Ze waren schoon en goed daar +ze de zware weelderigheid der blozende zomeren in hun armen droegen en +'s winters sterke weermannen waren tegen de noorderjacht die vlak voor +hun voeten vrij spel had. Ze konden dat looze gedoe goed verduren en +de hovekens sussen in een stil leven zonder veel vertoon van huilende +winden. Ja, 's winters was er ruwe strijd op de veste en 't wierd +gezeid dat de joepende wind met zijn almachtigheid menig tam boomken +in de wortels kittelde, beentje zette en 't met een lompe manier hals +over kop in het rosgroene gras neersmeet. + +De boomen maakten dan een eendig lawij en kreunden onder de felle +windslagen. Als de bende wildelingen op hunne stampende luchtpeerden +gezeten snuivend tegen de boomen aansprongen, wiepten ze omhoog +en ritsten de hofkens over zonder één takje te verroeren. Ongedeerd +bleven ze zelfs van de kwaadste windbrakken die met langgerokken lijf, +wit van vel, en flappende ooren, huilend kwamen aangedjorreld. Als +het op de velden stoof van sneeuw en regen en er alles kreveerde in +het booze getij, bleven de hofkens, stilslapend, lijk wieg-kindekens +bij rijke menschen. O! die goede boomen toch! + +De lente kwam. De begijntjes en de brave menschen bleven nu binnen +mediteerend het lijden van ons Lief-Heerken-Jezu. Terwijl ze zich +zoo voorbereidden om het nakende hoogtij van Paschen te vieren brak +er in de hofkens stilaan het nieuwe leven los. De magere takskens der +gewassen verloren hun koude somberheid en sponnen zich heel zachtkes +een doorzichtig kleedeken van groene zijde, dat met den dag warmer +van tint en rijker aan bloeiende bladerkes wierd en op den duur in +weelderige bloemenknoppen openberstte. + +'t Was daar een feest van de zoetste koleuren, nooit gedroomd. De +kerselaren en de pruimelaren stonden zoo vol van witte en roze bloemen +dat het was of elk takske zat proptigvol bedekt met fladderende +vlindertjes. De glycine aan de scheefgezonken muur hing zwaar van +trossen purpere edelsteenen en een jonge goudregen beierde zijn +schitterweelde in de klare lucht. En er piepten en parelden nog vele +bloemekens half verscholen in hun licht-groene zwachtels. + +Al die schitterende kleurenweelde was gedragen in het teederste +groen dat zwelde met den dag. En het geurde alles violier en glycine, +om een merelaar dronken te krijgen! + +Daarmidden in stond nu het fonteintje blinkend in de jonge zon en +spoot met lallende blijheid zijn klare water in de lucht. Het zong +daartusschen zijn mystiek liedeken, waar geen einde aan kwam, en met +den rijpenden Lente altijd inniger wierd. + +Het vestegeboomte, met zijn overdanen rijkdom van sap-rijk groen, +was als een groote orgel in de kerk, zoo klonk en daverde het er van +den zang der weergekeerde vogelen. 't Waren als duizende pijpkens +elk met eigen klank en eigen toontje, waarboven zeer melodieus, als +bewust van zijn hooge waarde, een jonge nachtegaal zijn koninklijke +liederen sloeg. + +En Paschen kwam en ons Lief-Heerken-Jezu stond op uit den dood, +zegenend het nieuwe leven dat van hem uitging. En de hofkens waren +zoo schoon geworden alsof daar de hemelvaart gebeuren moest!... + +Toen Lijzebetheke na al dat vasten en bidden in heur hoveken kwam +ging er een wonderbaarlijk slagsken in heur hert zoodat ze met blije +dripselende woordekens sprak: "Kijk! Kijk mijn lief Heerken Jezus! hoe +schoone alles is! Zie de tulpen en de violetten en de groene Lente +in mijn hoveken! Hoor! die merelaar! hoe zoet hij fluit vandaag; +hoe rollen zijn blije reutelingskens! Hij pijpt zijn beste fluitje +vandaag, zijn fluitje gesneden uit gouden wilgenstronken! Nu wordt +de zoete tijd!" + +En ze kon heur oogen niet gelooven van heel het nieuwe kleurvertoon. En +ze luisterde, luisterde naar den merel en de frissche geruchten in +de ontwakende vesteboomen. Ze rook de bedwelmende geuren der lachende +bloemen en ze voelde de deugddoende weldadigheid van den Mei met zijn +heerlijke zon en zijn blauwe lucht. + +O! ze was zoo gelukkig, zoo vrij en rijk, dat ze had willen uitzingen: +"Magnificat anima mea Dominum", ze bewonderde de werking van de +Lente alsof ze 't nog nooit gezien had! Zie! dat kastanjeboomken +met bladerkes van 't kostelijkste groen, 't leken vingertjes te +zijn, die heel voorzichtig kwamen tasten of het deugdelijk begon +te worden in de lucht, of er zon was. En er was veel zon en daarom +had het zonder vrees zijn sneeuwwitte keerskens opgestoken, als +een kerstboom in de Lente die brandde voor Heer-Jezus! Ze zag hoe +de japansche kwee zoo waarachtig de vele bloeddruppels herinnerde +van haar goddelijken bruidegom. En ze vond het al zoo schoon dat +het was om te kussen!... Maar ei!... daar bij Menheer Pastoor! het +fonteintje!... Lijzebeth verschoot ervan dat ze het nu eerst +opmerkte. Het droeg zoovele wondere tinten! 't was zilver, goud, +opaal en wat weet ik al, dat opschoot naar den hemel en in een pluim +van diamant en klare paerlen open vouwde, die nederklaterde op het +vijvertje van 't blijste blauw met gulden schijn op de kringetjes en +golfjes. Het vijvertje was het blinkend slot dat gesloten hield het +bonte mantelkleed dat over de hofjes lag. + +Naar het fonteintje kon ze staren als naar een nieuwe wereld, als naar +de komst van een Heilige. Er lag zoo'n mystisch leven in dat water, +iets dat ze niet bepalen kon, maar innig voelde in 't diepst van +heur wezen. En Lijzebetheke dacht: ons leven is water dat Gods adem +opspuit naar den hemel en in wiens witte pluim Jezus zitten moet! En +ze dacht nog: de fontein is het levende symbool van Jezus zelf, God +en mensch, die de fontein is onzer zaligheid, de fontein die alles, +alles onderhoudt, de zon, de maan, de sterren, de aarde en alles wat +er in is!... + +Zoo was het begijntje tevreden, want nu zou ze weer het hoogblije +zomerleven van alle jaren genieten. Bij dag de witte handen ijverig +in de witte kant en het witte linnen, bij deemstering, rustend tegen +de dikke palmenhagen, turend naar het pluimende fonteintje en droomen, +droomen. + +God! hoe menigen avond heeft zij alzoo niet gesleten met droomen en +herdroomen over de beteekenis van het nooit rustende fonteintje, zoo +wonderlijk! Daags had ze er weinig tijd voor over, maar als de zonne +purperde en bloedde een vuur van rood en geel en een roerlooze zee van +helle kleuren schilderde alover de wolkenbanken aan de westerpoort, +als alle geluiden verwasemden in de kalmte van den komenden nacht, +dan kwam ze met heur witte kapken omzichtig het lage deurken uit en +schoof traagjes door de wegeltjes, genietend van de bloemen die toe +gingen en van de vesteboomen die groot en somber tegen den gulden, +trillenden hemel gedonkerd stonden. En als ze van heur hofke genoten +had als van een zeer zoeten wijn, bleef ze naar het fonteintje turen, +dat blonk in de deemsterende lucht. Heur gedachten verdroomden zich +dan in het lichtende gespeel der reutelende droppelkes, die beprikten +het vijvervlak, alsof een vlugge meisje dat een fijne luchtkant aan +'t speldewerken was. Zoo bleef ze tot de koele winden opzoefden en +de heilige nacht steeg. En dan, zoo zalig alsof ze God in heur hert +besloten had, ging ze in heur zuiver bed heur klare droomen genieten. + +Zoo ging het elken zomerdag, als de avenden innig zijn lijk +middeneeuwsche gebeden. Het fonteintje was een stuk van heur leven +geworden, iets dat ze noodig had als brood. O! 't was heur zoo +weldadig, half-bedwelmd door de zware avondgeuren in de geruischlooze, +wakke nachtstilte te genieten van het subtiele leven in God, den +goeden vader, levend in het pluimende fonteintje. + +Nu was het weer een nieuwe dag, die in den avond versmoorde. Hoog was +de hemelkoepel, grijs en donker, en de laaiende kolk van lillend bloed +en purper aan de westerpoort, waar de zon warm-rood als een lichtende +robijn in versmachten ging, zette de aarde in fellen gloed. Zoo stond +de zomerschoonheid een poosje stil als om zich zelf te aanbidden. En +de zonne zonk weg in den grijzen zomerwasem aan den horizont en het +gloeiend rood en purper vervaagde tot er ten laatste een gele trilling +hangen bleef, onzichtbaar vervlietend in den donkeren. 't Was avond. De +hofkens lagen in diepe rust en men hoorde geene geluiden. Alleen +het koozende gedroppel van het dripselende fonteintje leefde in de +stilte. De avond waasde zijn nevels om de lage dingen. + +Lang reeds hing het witte kapken van Lijzebeth roerloos over de +sombere palmenhaag. Ze was een witte bloem in den avond. Heur ziel +droomde in het fonteintje. + +Ze had gezien hoe het daarstraks rood straalde in het tanend daglicht, +als een bloedstraal uit het hert van Jezus, en ze zag hoe het nu +wit zoefde in den donkeren als een witte, wiegende pluim. In heur +leefde een wonder gevoel dat ze nog nooit had waargenomen. Zij +voelde zich groeien, groeien en 't was of heur ziel zich uitstrekte, +wijd, over heel de wereld. Een ongekende zaligheid steeg naar heur +hoofd, bedwelmend. 't Was alsof de zegen des Heeren als een vatbare +lelie in heur binnenste groeide en geurde, en heur bloed witten wijn +wierd. Bij poozen look ze de oogen om van de goddelijke deugd nog meer +te genieten. Dan weer blikte ze naar de sterren die zilverperelden +in het ijle blauw der luchten... ze glimlachte: daarachter gloorde +de hemel!... + +Ze hoorde het fonteintje, ze zag hoe het steeg, en met langzaam +gebaar naar de aarde boog. En ze wenschte ook een fonteintje te wezen, +dat opstralen zou naar den hemel, door de blauw kristalijnen lucht, +voorbij maan en sterren en altijd hooger, hooger, om roze droppelend +te vallen in de schoone handen van God, dien ze daarboven tronen +wist op een ivoren met goud-belegen zetel, omringd van zoet-lachende +engelen en roerlooze heiligen in witte gewaden; alles als een groote +smettelooze sneeuwroos waar de heilige Drievuldigheid, de drie gouden +stampers van zijn. + +En als vanzelf, een spontane uitdrukking van heur hoogste geluk, +zong ze met trillende stem en geloken oogen, het blanke gelaat ten +hemel geheven, het droeve middeneeuwsche liedeke: + + + Ze staken Heer Jezus een kroon op 't hoofd + Van twee en zeventig pinnen hoog... + + +en 't was of heur zang werd gedragen door de aangehoude begeleiding van +ver-pijpende orgels en zuchtende instrumenten. In klagende mineurtoon +zuchtte haar stem + + + Ave Maria + + +stil verademend om daarna weer te zwellen en bevend van heilige +geestdrift ten tweede maal: Ave Maria... haast onhoorbaar vervlietend +in de zilveren stilte... + +Ze zong verder dan het gewijde lied met diepe liefde en vast geloof: + + + Ze staken Heer Jezus in zijn groot hert, + Met een mesken, het deed hem, och arme! zoo'n smert! + + Ave Maria... + + +En hooger steeg dan de zoete zang; voller en vatbaarder wierd de +sensatie in de volgende strofen en ze meende Hem te zien, heur +lief Heerken-Jezu, met groote blauwe oogen en bebloed voorhoofd, +de dunne lippen purper in het witte glaat en sprekens rede. Zoo zag +ze het schoone hoofd eindelijk groot voor haar in fellen gulden +stralenkrans. En tranen kwamen in Lijzebetheke heur oogen en de +kitteling die met het zilte vocht over heur bleeke wangen gleed, +deed heur ontwaken als uit een diepen slaap. Heur stemme brak en de +heerlijke droomerijen vielen uiteen. Ze verschoot, en ze stond nog in +heur hofken, leunend op de palmenhaag van somber groene verwe. Ze zag +hoe donker de avond was en meteens kwam er een naar gevoel over haar, +ze wist zich alleen in den nacht. + +Plots hoorde ze gerammel aan het poortje in den brokkeligen achter-muur +van 't pastoorken zijn hofken. Heur hert begon te botsen van 't +verschiet. Ze wist dat het poortje nooit openging, dat het gegrendeld +en gesleuteld was sedert jaren, dat er klimop overgroeide en veel +griezelige spinnewebben in de hoeken gesponnen waren. + +En 't pastoorken sliep! Droomde ze dan? Ze hield de blikken strak +naar het donkere poortje voor het jasmijnen bosselken. God! zouden +soms dieven? En toen, toen schrok ze nog meer want een stille, gulden +kleerte stroomde over het hofken en van achter de jasmijnenstruiken +kwam dan een ezel, dragend een schoone vrouw in wijden witten mantel +drukkend aan haar borst een kindeken in witte doeken, en een man in +blauwen mantel stapte er moeizaam naast... Och Heere!... nu voer er +een blijde klop in Lijzebetheke heur kristelijk hert. Ze herkende +den schamelen stoet. Zoo stonden ze gebeeld, wit en blauw, in heur +gebedenboek, zoo prijkten ze op de schilderij in de kerk, zoo stonden +ze beschreven in heur "Gulden legenden". Het waren Maria en Sint-Jozef +en 't lief, lief kindeken Jezus! + +Zie! hoe al de bloemen in de gulden kleerte opengaan, hoe elke bloem +vlamt heur eigen zoete kleur! Het waren als stralende lantarenkens +in den hof. Alles lichtte en de boomen en de struiken droegen plekken +klaarte, krakend vermiljoen, vlammend smaragd, gloeiend rood en geel +en blauw o! zooveel schoons nog! een wondere verlichting in dien +geruischloozen Meienacht! + +Alles doemde op in de hovekens, gewekt uit zijn diepen donkeren slaap. + +De twee huizen droegen veel helle lichtplekken, op de breedvingerige +bladen van den muur-wijngaard, en vele vlammekens in de groene +ruitjes! De spitse achtergeveltjes verschaduwde in de donkerte. + +Lijzebeth zag het ezelken komen grauw van vel, en hoe zijn dunne +pootjes trapten zeer preculeus met rythmischen gang, met oppe-en-neere +het kopken, moe van zijn goddelijken last; Sint-Jozef blootshoofds, den +blauwen mantel lenig plooiend om zijn gebogen rug. Hij was barrevoets +met bloed tusschen de teenen, kwetsuren van de lange reis over ruwe +steenen en distelen. Hij droeg veel lijden in de diepe oogen en hield +den mond gesloten. Zijn neusvleugels trilden van heilige aandoening. En +de schoone vrouw in 't witte kleed, suste het goddelijk kindeken. Maria +met droomende oogen en de fijne lijning van kin en wangen, met den +slanken witten hals en de lange vloeiende haren die rijkelijk golfden +over den witten mantel en over den rug van het ezelken. + +Ze stapten naar het fonteintje. Maria daalde dan terneer en sloot +zacht het kindeken onder den mantel en neurde lijze: Soeza, soeza +mijne, houd uw oogjes toe. + +En Sinte-Jozef hield een bruin eerden kroesken onder het +waterpluimpken, vulde het met paerelende droppelkes en reikte het +zijne Vrouw. + +Maria dronk voorzichtig, twee kleine teugskens maar, en zij maakte +met heuren vinger Jezus' kleine lippekens nat, en hij Sint-Jozef zijn +vader, dronk het laatste. Toen hij het kroesken geborgen had in den +knapzak, vastgesnoerd op het ezelken zijn rug, merkte hij het wit +van Lijzebetheke heur kap in de palmenhaag. Hij schrok, Sint-Jozef, +stak zijn witte handen smeekend vooruit, zoodat zijn blauwe mantel nog +schooner plooide, en sprak smeekend: "O, gij die heel devotielijk heet: +Lijzebeth, spreek nooit van Hem die uw bruidegom is, spreek nooit van +haar die uw moeder is, noch van mij. Spreek nooit van ons aan anderen, +gij die gelaten wachtend zijt den goeden Dood". + +En Lijzebeth met onvaste woorden sprak gedempt: "O... neen... ik zegge +niets... nooit..." en verlegen dan sprak ze haastig heur grooten wensch +"zeg... mag ik dan het kindeken Jezus eens zien?..." + +Maria had het gehoord, knikte vriendelijk lachend en hield haar +god-kindeken met beide handen geheven boven de haag... En toen zag +Lijzebeth Hem, den Meester van het Leven en de Dood. Heerlijk was +Hij, zegenend met zijn poezelige handjes het roerlooze begijntje. Hij +glimlachte. + +Heur keel kropte, heur oogen schoten vol tranen en ze knielde neer +achter de palmenhaag... toen ze weer recht kwam was Maria gezeten op +het ezelken. Sint-Jozef zegde: "Lijzebetheke... God! beware u!..." Dan +stapten ze verder. + +Lijzebeth hoorde het poortje opengaan en weer toe. Tegelijkertijd +vervloot de gouden kleerte en de vlammende bloemkens doofden. + +Het was weer stille Meie-nacht. Ver, heel ver zong een nachtegaal +zijn koninklijke liederen. + +Lijzebeth weende van geluk. Ze had hem gezien die aarde en hemel +geschapen heeft, ze had haar gezien, heur goede moeder: Maria!... + +Toen is ze binnen gegaan, waar ze van den ganscher nacht niet geslapen +heeft, maar geschreid, geschreid om het hooge geluk. + + + +De zomer overweldigde nu de boomen en de gewassen der aarde met +overdadig groen en de bloemen waren tot hun warmste kleuren en +tot vastheid van vorm gekomen. De zon was als een gat in de lucht +waaruit het hemelsche vuur in laaiende vlammen, op de berstende +aarde gulpte. 't Was stikkensheet en 't geleek of er in de natuur +een stilstand gekomen was en alle leven vastgevezen stond in deze +blakende hitte. + +Maar och arme! 't pastoorken lag plat te bed en bibberend van kou, +met een zware ziekte die niemand begreep, die sterker aangroeide, +en stillekens aan, maar zeker het laatste leven uit zijn hart +peuterde. Tegelijkertijd was er een droeve lucht over het begijnhof +gedaald. De begijntjes en kwezelkens waren door die felle mare +uit hun lood geslagen en zwijgend geworden als toeë boeken. 't Had +hen uit de zalige tevredenheid hunner piëteit gerukt en nu leefden +ze in een atmosfeer, asempakkend en zwanger aan zwerte noodlottige +gebeurtenissen. Ze voelden dat er iets akeligs komen moest en dit had +hen zoo bevangen dat heel hun sante gedoe er van omgetuimeld was, +dat ze niet meer waren de brave zielen die zich heel en al aan den +grooten wil van hun Heer onderwierpen en zijn werking, hoe hard dan +ook, zonder morren aannamen. Het waren nu gewone menschen die kloegen +en jeremiasten om hun grijs herderken, lijk kinderkes om hun zieken +vader. Ze durfden tegen malkander niet zeggen dat God wreed was indien +hij hun pastoorken bij zich nam, maar ze dachten het toch. En ze +baden in hun witgekalkte kamers vóór het zwartlievenheerkruis dat de +dood zou keeren. Ze aanriepen alle heiligen en Sint-Just, die boven +de Pastoor zijn deur koploos troonde, in 't bijzonder. In de kerk +bleven ze bidden tot laat in den avend. Ze waren reeds te voet in +processie naar Scherpenheuvel geweest om van het wonder-beeldeken +te smeeken dat het de groote macht van de dood, die drukte op het +Pastoorken, zou breken. Ze hadden van alles beproefd, wat volgens de +veelzijdige middelen van hun geloof te beproeven was, koortsafbinden, +water van kruiskesberg, en andere wonderlike remedies... maar 't had +niets gekort. De dood kwam dichter en dichter en er was bijna geen +leven meer in 't hart van den Pastoor. + +Tusschen die harrewarrende begijntjes stond Lijzebeth kalm en gelaten, +en hetgeen aan de gewone menschen zoo wreed schijnt, was heerlijk voor +haar die hem betrachtte: de Dood. Sedert dien Mei-avond was er in haar +een heele ommekeer gekomen. Ze was geworden een heilige--niet omdat +ze meer bad en vastte, neen!--die voelde hoe innig het was te leven +en heur ziel te weten als een wit-helle vonk, gebonden aan een gulden +draad, die vloeide uit Gods hert. Ze leefde in zaligheid, vergetend +de beteekenis van alle wereldsche dingen. Zij alleen kende de wondere +doening der Heilige Familie, zij alleen voelde de zachte streeling +der lichtende zegening van heur Heer. Ze zou die weelde immer voor +zich houden, het aan niemand zeggen natuurlijk... want anders...! o!... + +Maar somtijds als ze zich verkneukelde van innig plezier bij 't +bedenken van heur rijkdom, kwam in haar een zwart vlammeken van +hoogmoed op: Wat zouden de menschen zeggen, zoo ze wisten... Foei +Lijzebeth! en ze bad daarna drie paternosters als boete voor dit +onzalig gedacht. + +'t Gebeurde wel eens, als de begijntjes alle te zaam waren in de +groote zaal en de Moeder-Overste voorlas uit heilige boeken van +Sinte-Christophorus die Jezus droeg of van Sinte-Augustinus die Jezus +ontmoette aan de zee, dat ze zoo graag had willen rechtspringen en het +uitroepen, het uitschreeuwen: "Ik heb ook Jezus gezien, en Jezus niet +alleen weet-ge, nee, neen, ik heb de heele Heilige Familie gezien, +Maria en Sinte Jozef". + +En als ze daarna weer in heur kamer alleen zat was ze blij dat ze het +niet gezegd had en bad ze zes Paternosters om van die temptatie verlost +te blijven. Denk eens welke zonde ze doen zou met aan Sinte-Jozef +ongehoorzaam te zijn. Ze ging recht naar de hel voorwaar! + +Het fonteintje was nu heur leven geworden. De gebeden die ze anders +ter kerke bad, las ze nu hier, in de roerelooze avonden. In de kerk +smakte ze aan heur zaligheid en bad geen fits... 't was wel tegen +de regels der orde, maar het was heur zoo natuurlijk geworden dat +ze het niet anders meer doen kon. En had Hij van dit water niet +gedronken? en was daardoor alleen, dit fonteintje niet geworden het +grootste heiligdom die er bestond in het heele land van Rijen? Had +hij het fonteintje niet opgezocht God weet van hoe ver! en rustte er +nu niet voor eeuwig het goede oog van zijn Vader op? Was dit water +nu niet het best-gewijde dat blonk onder de zon? + +Het was in heur opgekomen dat ze het Pastoorken genezen kon met hem +van dit water te laten drinken. Maar langs den anderen kant vreesde +ze den wil des Heeren tegen te werken want wie wist nu toch bepaald +waarom God het Pastoorken, ondanks Scherpenheuvel en Kruiskesberg, +zoo lijden deed? In de wereld is er voor ons toch niets te doen dan +te luisteren naar hetgeen van boven komt. + +Met die gedachte leefde ze rustig, biddend om de temptatie ver van +zich te houden. + +Op een Zondag-namiddag, als de zomerhitte op het land daverde, zat +Lijzebeth in heur koele keuken en las devotielijk in heur liefste boek: +"De Hoeksteen van het godvruchtig en Kristen leven". Ze las het parabel +"Den Barmhartigen Samaritaan of hoe men ten allen tijden de lijdenden +verzorgen ende helpen moet". Ze verschoot toen ze die zwarte woorden +onder heur oogen kreeg, het bloed zonk in heur voeten, want nu voelde +ze duidelijk dat ze kwaad deed met het oude pastooreken niet te helpen, +en zelf door de dagen te varen, onbezorgd. Ze hielp heur evennaasten +dus niet. Wat zou men heur al niet zeggen kunnen, als ze verschijnen +moest voor Jezus' stoel! Zij hielp heur evennaasten niet en was als +de pharizeër en de leviet die voorbijgegaan waren en fel boeten zouden +hun hardvochtigheid. + +Toen werd ze gewaar dat een groot kwaad heur drukte, dat al het +innige genot van vroeger een wazige onwaarheid was, een verdwenen +begoocheling. Het withelle vlammeken dat brandde in heur hert doofde +en de gouden draad die haar gebonden hield aan den Vader vervloot +in de blauwende lucht. Het drukkend gevoel der eenzaamheid, van het +verlaten zijn, kwam over haar, het boek ontglipte heur handen en in +een snikkend geschrei barstte heur diep verdriet uit! + +Ze weende, en sloeg berouwvol op heur borst: "Och Heerken-lief, +vergiffenis, laat me niet alleene, ik wist niet, ik zal 't Pastoorken +helpen, laat me in Godsnaam toch niet alleene!" Lijzebeth weende, +en 's nachts heeft ze, het hoofd geborgen in heur peluw, de armen +kruisgewijs gedrukt op heur magere borst, zoo luide gesnikt dat ze +er heesch van was. + +Toen de morgen zijn licht achter de aarde omhoog duwde kwam er +stillekens aan wat klaarte in het arme begijntje heur ziel. Een +stemmeke, nauw hoorbaar sprak heur het Pastoorken van het wondere +water te laten drinken, het was immers nog tijd, hij leefde nog, zij +behoefde niet te weenen, ze wist het niet, ze had gehandeld volgens +heur geweten, en hoe kon een onwetende zondigen? + +Ja, ja, ze zou 't Pastoorken helpen. + +Ze verlangde naar den avond om water te kunnen scheppen, verlangde +den heelen dag en keek gedurig aan naar de traagkruipende wijzers +der horloge, die den tijd kunnen meten. + +Toen de zon achter de aarde verdwenen was en de langgerokken schaduwen +der boomen alles verdonkerden in de tuintjes, stond Lijzebeth reeds +ongeduldig in heur achterdeurken, een steenen kroesken in de hand, om +zoo gauw mogelijk maar verlost te geraken van heur grove zonde. Want +Heereje! had ze zoo eens moeten sterven! denk toch eens wat vreeselijke +straf heur wit zielken treffen zou! Ze hield zich vast aan de kille +deurklink om niet te vallen van dat gedacht alleen! + +Als het heel donker was, dat ze de bloemen en de struiken niet +meer zag, sloop ze omzichtig heur hofken in tot aan het brokkelige +venstermuurken, wrong zich tusschen muur en haag door in het pastoorken +zijn hof en stapte vlug naar het wondere fonteintje, dat was als een +groote lichtend zwaard in de wegende donkerte.. Maar ei! wat deed +ze nu weeral! Liep ze hier niet op heiligen grond waar de Heilige +Familie in dien stillen Meie-nacht getreden had? Ze dierf niet voort, +want onwaardig was ze heur voeten te zetten waar Hij eens ging. Ze +wist niet wat te doen. + +Plots kreeg ze het klare gedacht hier blootsvoets te loopen en ten +minste zoo dezen gebenedijden grond te eerbiedigen. Ze deed heur muilen +uit, stroopte de witte kousen af de beenen en trad nader. Vóór het +fonteintje knielde ze devoot neder, boog het hoofd en bad: "Geloofd +zij Jezus Christus". Dan, met bevende hand stak ze het kroesken +onder den neerdruppelenden straal. De druppelkens kletsten in het +kroesken. Nauwelijks was het vol of ze sprong en ijlde vlug naar +'t einde van het hofken, blijde met het water. + + + +Toen ze den anderen dag aanbelde bij Menheer Pastoor, het wonderwerkend +water in heur schoonste roodbebloemde kopje kreeg ze ineens een +akelig gedacht: Wat doen, als ze vragen zouden vanwaar dit watertje +kwam. Ze wilde aan 't peinzen gaan, terugloopen! maar daar hoorde ze +den slef van de meid reeds en de deur ging open. Met stotterende stem, +gansch verbauwereerd zei Lijzebeth: "Juffrouw, vergeef me, ja, hier is +water, gweet, water dat geneest, voor Menheer Pastoor". Ze werd rood, +als een kollebloem. De meid zei merci en kletste de deur toe. + +Nu zou 't begijntje toch bekennen moeten. God toch! wat zou er dan +gebeuren? Zou ze niet kiksneergebliksemd worden om aan Sinte-Jozef +ongehoorzaam te zijn geweest en heur zieltje! zeg! heur zieltje +dan? Het was nu eenmaal zoo en nu zou de martelie beginnen! God! och +God toch! Neen! zeggen zou ze het niet, nooit zou ze het +zeggen! Liever ongehoorzaam zijn aan al de pastoors van de wereld, +dan aan Sinte-Jozef! + +Zoo werd ze nu gekweld den heelen dag. Ze liep her en der van +ongerustheid, brak drie tellooren 's middags en verpletterde heur +vinger aan de achterdeur. In den nanoen liep ze de veste op, om +daar wat vrede te vinden. De zon kletste haar gloeiende hitte op het +zomersche land en deed alles krimpen in haar geweldig vuur. Ze wenschte +dat het water niet zou helpen, alzoo bleef alles in den doofpot. + +Lijzebeth wandelde den Nethedijk op in de blanke zon. Nevens haar +broeide het hooggetijde water in de vlammende kleerte. De weiden +en de korenvelden gloeiden in den fellen brand. Alles was stil en +roerloos. De boomen stonden daar verschroeid lijk afgeleefde dingen, +zonder beteekenis. Lijzebeth zag die dingen. Maar in heur kop spookte +het anders! Wat had ze nu berouw de parabel van dien dommen Samaritaan +gelezen te hebben! Nu was 't uit het zoete leventje in de gedurige +aanwezentheid van Hem die heur zoo vaderlijk gezegend had! Ze poogde +heure gedachten te verzetten met te lezen in Salomons lied en ze viel +op den zin: "Mijn liefste is mij een bundelken mirre dat tusschen +mijn borsten vernacht--zie gij zijt schoon mijn liefste, ja liefelijk +van gedaante en het groen versiert onze bedstede..." maar ach! heur +liefste ging heenvlieden misschien, want ze voelde dat hetgeen komen +ging sterker was dan zij zelf. "Ach laat den Pastoor met dit water +niet genezen!" + +Toen het op Sint-Gommarustoren zes uur rammelde kwam ze langs het +waschhuis het begijnhof in. + +Maar zie wat was er nu gebeurd? wat liepen de begijnen zoo bedrijvig +rond? Ze zagen Lijzebeth en riepen heur van ver: "Zeg! zuster +Lijzebeth! 't Pastoorken is genezen! Menheer Pastoor is opgestaan! Het +water dat ge hem gebracht heb, genas hem, zuster Lijzebeth! + +Waar hebt ge dat water toch gehaald? zeg! waar? Geef mij er ook wat, +zuster Lijzebeth!" + +En ze liepen naar heur toe en wrongen zich om heur heen, vertellend +met grooten mond en vele gebaren van het wonder. En ze baden zuster +Lijzebeth: "Geef mij er ook wat voor mijn rheumathisme" en anderen: +"en mij voor mijn tandpijn" of "voor mijn eksteroogen, toe zuster +Lijzebeth!" + +Maar zij gaf geen bescheid, want nu zou ze den genadeslag +krijgen. Zeggen of niet zeggen! en o! de hel! langs alle kanten de +hel! ze lachte pijnlijk en stapte vlug huiswaarts nu, immer omringd +door die snappende begijnen die kloegen, kloegen steenen uit den +grond om de simpele pijnen die ze te verduren hadden. + +En ei! aan den draai van 't Sint-Agathastraatje zag ze Menheer Pastoor +frisch en blij in zijn deur staan. Zij liep naar hem toe en bad met +hokkende stem: "Och! Menheerken, vraag het niet, vraag het niet, er +zit niets kwaads in! als 't u blieft! vraag het niet". Hij goedmoedig, +lachte tevreden en antwoordde: "Och! 't is niets, zuster, ge moet het +niet zeggen nu, 't is goed zoo, ik bedank u zeer!" Blijde vluchtte +het begijntje in heur huis. + +Lang nog bleven de andere zusters met koppeltjes in het straatje staan, +geheimzinnig besprekend het mirakel van den dag. + +Sedert dezen dag leefde Lijzebeth alleenig. De zusters schuwden heur en +spraken heur nooit meer aan. Ze gaf daar niets om. De vreeselijke angst +dien ze echter sindsdien uitstond van toch eens gedwongen te worden +uitleg over heur wonderwater te geven, verzwakte heur merkelijk. Ze +sliep er bij nacht niet van en vermagerde als een riet. + +Zaterdag voor Ons-Heer-Hemelvaart riep Menheer Pastoor heur bij zich. + +Nu zou het gebeuren, dacht Lijzebeth. + +Wit, als het wit van heur effengestreken kapken, trad ze in zijn +lage achterkamerken. De superieure en de priester zaten aan de ronde +tafel. Zij ook moest zich zetten. + +En hij zei dan: "Juffrouw Lijzebeth, de dingen zijn in den laatsten +tijd wel anders gegaan dan ge hebt gepeinsd. Er wordt hier veel over u +gesproken. Er worden geheimzinnige, vreeselijke dingen verteld over u, +sedert ge me dat wondere water hebt te drinken gegeven. En ik vraag +u nu, vlak te zeggen in de tegenwoordigheid der Eerweerde Moeder +Superieure, waar ge dat water gehaald hebt". + +Lijzebeth weende. + +"Kom, ween nu niet", zei 't Pastoorken, "er steekt immers toch geen +kwaad achter". + +Toen beet ze hem toe in harde woorden: + +"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!" + +"En de gehoorzaamheid aan uwe oversten?" + +"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!" + +"Goed dan!" zei hij weer, "'t zal dan toch wel waar zijn!" + +"Wat waar zijn? o! weet ge het dan? weet ge het dan? maar ge kunt +niets weten, niets, niets, ik heb nog niets gezegd! ge kunt het niet". + +Ze verstonden het anders. De superieure en de Pastoor stonden recht +en gingen bevend achteruit... + +"Ga! wij zullen weten wat te doen!..." + +"Wat doen toch, wat doen?" + +"Ga nu!" + +Toen trad Lijzebeth de gang in. De twee anderen volgden. De voordeur +stond open. Ei! wat al begijnen die daar stonden voor het huis, +dicht tegen elkander gedrumd, wit en zwart, en met nieuwsgierige +gezichten naar Lijzebeth gekeerd toen ze in het deurgat kwam. Het +arme begijntje was beschaamd en dorst niet opzien. + +"Wat doen toch?... zeg! wat denkt ge van mij?..." + +En hij, Menheer Pastoor, stak de borst vooruit en sprak met hoekige +woorden: "Liever ware ik gestorven dan genezen te worden door de +macht van den duivel, nu is het leven me een vloek! een vloek!" + +Daar had ge het! daar hadt ge het! hoe vreeselijk! + +En al de begijnen samen barstten uit met geweldige rapstemmen, als +'t kraaien van oude hanen: "Tooverheks! tooverheks! duivelskind!" + +En zij toen, in edele verontwaardiging stak het witte gelaat fier +vooruit en schreeuwde in hokkende klanken: "Gij slechte menschen die +God lastert! neen ik! ik ben geen tooverkind! Het water heb ik geput +aan 't Pastoorken zijn fonteintje! ja! aan zijn eigen fonteintje! waar +de Heilige Familie aan drinken kwam, ja! ja! Jozef en Maria en +'t Kindeken en 't ezelken, dat heb ik gezien! ik gezien! en daarom +is het water zoo goed!" Ze kon niet verder. Heur borst hijgde van +'t danig geweld. + +Maar de anderen, niet geloovend, riepen woest: "Dat 's niet waar! dat +'s niet waar! hoe zoudt gij! ge liegt, leelijke tooverkol! Jezus is in +den hemel en de vlucht van Egypte is duizenden jaren geleden! En hoe +zoudt gij? gij zijt niets meer dan wij! niets meer! tooverheks!" Toen +is Lijzebeth van heur zelve gevallen, op de kille steenen van de +straat. + +De begijnen zijn naar huis gegaan. De superieure gebood het. + +Zoo lag zij, die Hem gezien had, verlaten in de stille +straat. Achter de gordijntjes der andere huizen loerden nieuwsgierige +begijnen-koppen. Zij is terug bij heur zelve gekomen, is in heur +huizeken gesukkeld en heeft zich daar tot bloed geslagen omdat ze +Gods gebod nu toch overtreden had. + +Den anderen dag verliet ze het begijnhof. Het fonteintje stierf na +haar vertrek en 't vijvertje werd gedempt. Ze woonde in steden en +dorpen, in hoef en herberg, als meid. En als ze te weten kwamen +dat ze getooverd had, moest ze weer de baan op, om den spot en +de verachting te ontgaan. Op 't laatste kwam ze in de Walen--waar +men aan God niet gelooft--bij een slunsige boerin terecht, waar +ze varkens hoeden moest. Toen men van heur wonder leven vertelde, +lachte de dikke boerin medelijdend, en zei dat ze onnoozel was. + + + + + + + +BUITENLEIDING + + +"Stel het licht op den kandeleer, opdat het uw huis verlichte", +spreekt Ons Heer. + +En als dan aangestoken hebbende voor deze "ut suvere caritaten" +kinderen Begga's, 7 armzalige keerskens met smookende vlam, zoo +smeeken wij u, o goede Lezer, dit boek niet te ruw toe te slaan opdat +het niet een dezer nederige lichtjes uitblaze. + +Wij vragen het niet voor ons, o Lezer, maar voor de zieltjes van +Cicielken, Kathelijne, Lijzebeth, Agapieta en de anderen. Wees hunner +indachtig. Amen. + + + +Hier is 't uit. + +Gemaakt te Lier van 1905 tot 1908. + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Begijnhof-sproken, by +Felix Maximiliaan Leopold Timmermans and Antoon Frans Thiry + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42815 *** |
