summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42815-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42815-0.txt')
-rw-r--r--42815-0.txt5282
1 files changed, 5282 insertions, 0 deletions
diff --git a/42815-0.txt b/42815-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4b1478f
--- /dev/null
+++ b/42815-0.txt
@@ -0,0 +1,5282 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42815 ***
+
+ NIEUWE ROMANS
+
+ BEGIJNHOF-SPROKEN
+
+
+ DOOR
+
+ FELIX TIMMERMANS
+ EN ANTOON THIRY
+
+
+
+ MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
+ LECTUUR TE AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Pag.
+ Binnenleiding. 5
+ De Waterheiligen. 7
+ Het Sacrificie van Zuster Wivina. 39
+ De Ivoren Fluit. 69
+ De Aankondiging of de Strijd tusschen Elias
+ en den Antikrist. 115
+ "Ecce Homo" en het bange Portieresken. 151
+ Van Zuster Kathelijne en 't Lievevrouwken. 181
+ Het Fonteintje. 221
+ Buitenleiding. 255
+
+
+
+
+
+
+
+BINNENLEIDING
+
+
+De gele avend matte de witte huizekes en de bleeke straat-keien
+in hun kraagjes van groen gras. Wij zaten zwijgend gehurkt op den
+kouden dorpel van een scheefgezonken poortje. De beeklok klepte drie
+hommelende klanken open; en vóór ons, achter smalverlicht venster
+ging de bevende paternosterstem van een begijntje op en af, en vier
+andere doovere monden mummelden den overschot der weesgegroeten. En
+lijk appelenreuk in een kast waar appelen hebben in gelegen, zoo
+leefde hier de vergane devotie der Kerstenheid.
+
+En heel de mystiek van Jesus-Christus, zijn honigzoete moeder en
+den duivel, en al wat daaruit opfleurde en ermede verwelkt is, was
+hier nog te zien als een oude gobbelijn, die door 't verouderen nog
+schooner geworden is als hij was. Wij voelden het vergane leven dat
+hier na-geurt in 't simpel gedoe der witgekapte begijntjes. Ons hart
+smolt van ontroering en een sprak: Een Begijnhof is een doode heilige,
+die nog een aangenamen meloenenreuk heeft.
+
+En de andere zei:
+
+Laat ons schrijven over dien reuk.
+
+En dan hebben wij deze antieke verhalen geschreven tot profijt ende
+jolijt der menschen die wonen langs de zee, in 't blonde Holland en
+het malsche Vlaanderen. En wij hebben er heel devoot dien reuk in
+neergelegd. En wie hem niet rieken en mocht, verwijte het niet ons,
+maar zijnen neuze.
+
+"Dit hebbe ik u gezegd, opdat het u geen hindernisse worde", spreekt
+Sint-Jan.
+
+
+
+
+
+
+
+DE WATERHEILIGEN
+
+
+I
+
+In de Lente als de eerste madeliefkes pimpeloogen in 't jonge gras en
+de kastanjelaren plakken van 't snot, wierd Suska geboren in de kooi
+van de ouderlijke schuit: "De arke des Verbonds" genaamd. Het meisje
+was rood als een pioentje en malsch gelijk een abrikoos, een wolk van
+een kind. De vader was blij en hij danste van plezier omdat het jong
+geboren was in het teeken van de visschen, het waterelement. Het was
+kermis in 't schip, ze dronken bier met suiker, bakten pannekoeken en
+stoofden droge pruimen, en de schippersknecht haalde zijn harmonica
+voor den dag en speelde er den heelen avend op. Dit gebeurde achter
+het Liersch Begijnhof en den anderen dag wierd het borelingsken er
+gedoopt door 't pastoorken met het eene oog en den mond zonder tanden.
+
+En de Arke vaarde naar Grobbendonck en Herenthals zooals ze alle weken
+deed met steen, kolen, graan en smout in den buik, tot den dienst der
+menschen. Zoo deed zij 't al jaren en Schipper Verstokt won er zijn
+broodje mee en smoorde zijn pijp in den vrede des harten. De moeder
+zong een kermislied en het zwert hondeken baste tegen Suska. Uit de
+Lente groeide de korengevende Zomer, die op zijne beurt verrimpelde tot
+de koninklijk gekleurde herfst, vol dunnen mist en fijnen zilverdraad,
+te heerschen begon. De Arke vaarde door regen en slegen, grijs weer
+en zonneschijn.
+
+Als de witte winter het land toedekte en de eerste vorst 's nachts
+sterrekens van ijs op 't water in malkaar spon, kwam de Arke des
+Verbonds achter 't Begijnhof aanleggen en liet er zich vastvriezen om
+er den kalen winter door te brengen. Alles werd van 't dek geruimd
+en 't schippersvolk wachtte er de Lente af, gedoken in de warme
+holte van het schip. Om een stuiverken meer te verdienen in dezen
+kouden tijd en 't vet van den zomer niet heelemaal te moeten opeten,
+timmerde vader Verstokt een slee, bond schaverdijnen aan zijn voeten
+en reed er mee naar Lachenen om een tonneken dubbelen gersten en een
+flesch jenevel. De schippersknecht schuurde het ruim, plaatste er
+een geutijzeren stoveken in, en huurde bij een kleerkooper tafels
+en stoelen. Uit een kist wierden pinten, borrels, pijlschijf en
+speelkaarten gehaald en in deze vreemde herberg kwam het volk den
+Zondag daarop bier drinken en pijpen rooken. 't Was iets plezierigs
+een staminee op een schip, en de schipper en zijn wijf tapten en
+schonken en het mansvolk amuseerde er zich tot laat in den avond. Zoo
+ging de tijd om tot de winter ook al oud wierd, de dooi het ijs deed
+smilten en 't gescheurde ijs in schollen afdreef. En de Arke vaarde
+weer de vroegere wegen op. Zoo verliepen de seizoenen en verzwonden de
+jaren. En Suska groeide als een bloem, kraaide en zong op het dek en
+'s avonds leerde heur moeder heur bidden en breien en lezen in het
+Kruisken A. Ze leerde de dorpen en gehuchten kennen waar ze voorbij
+vaarden: Lier, Emblehem, Nijlen en meer, wist hoe het Netheland
+er uitzag in de drie open seizoenen en ze had er een deugd aan de
+boomen en de huizen te zien onder de wisselende hemels, maar ze zou
+er niet hebben willen wonen. Ze hield van het water, het aangename,
+levende water waarop de zon en de maan zoo schoon spelen konden en
+de winden ritselden en de regens ruischten. Ze maakte schuitjes uit
+oude holleblokken en heur vader leerde heur zwemmen. Voor geen geld
+zou ze te lande willen zijn in de duffe huizen en die benauwelijke
+straatjes!...
+
+Maar tusschen die reeks van landschappen die wekelijks aan heur
+voorbijschoven was er een waar ze met de jaren meer en meer van te
+houden begon en dat was het Begijnhof met de roode spitse daken,
+de witte gevels en het fijne torentje waarin het zilveren kloksken
+zóó innig te zingen hing.
+
+Als ze uit Herenthals leeg wegvaarde, rap en hoog boven water met
+de afloopende tij kwam er een blijde klop in heur hert en zat ze op
+'t voorsteven te kijken of ze, tusschen Sint-Gommarustoren en 't
+gothieke Belfort, boven de huizen en de boomen het Begijnhoftorenken
+niet zag. En als ze dan, de stad omgevaren, het daar rood en wit
+en groen tusschen de vesteboomen liggen zag, met de vredig smorende
+schouwpijpen voor den vierurenkoffie, dan wierd het heur zoo zoet om
+'t hert dat ze den wellust van 't varen vergat alsmede de wisselende
+tafereelen uit dit malsche land van Rijen, zóó schoon en innig als
+een land van Belofte. En Suska, dan, blozend en blond gezeten op
+het groene watertonneken, keek heur oogen uit heur lijf en ze dacht
+somwijlen aan het leven in die zuivere huizekens en begijntje te zijn
+en met een wit laken over den kop, in het lof vol blauwen wierook, als
+verloofde Kristi den Heer te loven en te danken... Maar och! dan rook
+ze het water weer, voelde het malsche water en overzag de bochtige
+Nethe gewonden door de vette landen en ze zuchtte. Het water! het
+water als het bloed van heur hert, ze zou het niet kunnen verlaten!
+
+En als de winter de wereld onderdekte onder zijn sneeuw, als de eenzame
+huizen onder al dat witte geweld in den grond schenen te zinken,
+als de berken lijk wolken van licht, en de olmen wit te schitteren
+stonden in de half-blinde zon; als de Nethe toelag en er iedereen op
+schaverdijnde dan lag de "Arke des Verbonds" weer achter het begijnhof
+onder een witte sargie en klonken in het ruim het lachen en 't zingen
+der mannen bij 't drinken van 't smakelijk bier. Het zwarte scheeve
+schouwken dat tegen den mast omhoog stak rookte als een duivelspijp,
+want daarbinnen wierd er gestookt als in een bakkersoven.
+
+Dan was 't een zoete tijd voor Suska. Ze ging elken morgen met heur
+moeder naar de mis, volgde de officiën, ging ter vespers en las mee de
+novenen van Sinter-Klaas, Kerstmis en Driekoningen. Telken Zondag wierd
+ze uitgenoodigd op een koffie bij 't een of 't ander begijntje, speelde
+een loto of een ganzenspelleken en ze spraken over geestelijke zaken,
+de martelingen der heyligen, de verschijning van Ons-Lief-Vrouwken
+en de schoonheid van den Hemel. En al de devote zielen stelden zich
+in de weer om het blonde, blozende schippersmeisken te behoeden
+voor wereldsche verleiding en ze gaven haar boeken, paternosters
+en schapulieren. En in die atmosfeer van kerstenheid en bidden en
+gelukkige leven in Godes alderzoetste tegenwoordigheid, smaakte Suska
+de fijnste geneugten van de ziel en ze wenschte dat er een Begijnhof
+mocht bestaan op een schip... Maar dat was nu helazen niet! En er
+kwam twijfel in haar, die dan weggeblazen wierd door den vromen geest
+dien ze inademde uit de gekregen boekskens, zooals Thomas a Kempis,
+de Gulden Legenden en zoo meer, maar van zoo haast ze geteerd houtwerk
+rook dacht ze aan het water en het schippersleven en vergat ze 't
+Begijn-zijn... Het water kon toch zoo schoon zingen als de wind er over
+voert en was daar God ook niet tegenwoordig vermits de psalm zeide:
+
+"De wateren spreken met den Heer!"
+
+Zoo wierd ze met heur twijfel van hier naar daar gestuurd, Ze kon
+geen besluit nemen.
+
+De Lente wapperde een lauwen wind in de zwarte boomen, knoppen schoten,
+de grond rook en weer ging de "Arke des Verbonds" de waterwegen op. En
+elken Winter stond vaster Suska's wensch Begijntje te worden en al
+het eerdsche goed en ijdele verlangen op te offeren om te worden de
+gelukkige verloofde Onzes-Heeren Jezus-Kristus, tweede persoon der
+Alderheyligste Drievuldigheid.
+
+
+
+
+II
+
+En op heur twintig jaar nam zij het vast besluit Begijntje te
+worden. En dit deed ze tot grooter vreugde harer ouders die waren
+van oud kerstengeloove.
+
+Ze nam heuren intrek bij het dik begijntje Stommels in 't huizeken
+genaamd "'s Hemels Poorte" 't laatste van het smalle en donkere
+Vagevierstraatje. Daar leerde ze den fijnen kant op de raam maken
+en vier maal in de week, tusschen licht en donker, ging ze naar 't
+eenoogige Pastoorken, die heur vaderlijk voorbereidde om te worden
+een waarachtig kindeken Gods. En eer de Zomer zijn rijkdom te blinken
+lag in de zon, was Suska in 't Convent met twee andere novieskens en
+kreeg ze heur religieuse kleeren aan. Ze bad veel, vastte, was van
+'s morgens tot 's avonds in gesprek met Onzen-Lieven-Heer en zijn
+Lieve-Moeder en op den patroondag der heylige Pelagia, Sondersse,
+werd ze verloofd met den zoetsten Zone des Hemels. Ze betrok de
+helft van "'s Hemels Poorte", werkte in den zonneschijn achter heur
+gordijntjes in den kant, tot onderhoud van het dak waaronder heur ziel
+woonde. De pastoor haalde eer van zijn werk en deed zijn een oog toe
+van voldaanheid en zei met zijn tandeloozen mond: "Een schoone ziel
+gewonnen voor den hemel".
+
+Ze was een exempel, Suska! Ze bad inniglijk, mediteerde de passie,
+bleef het langst in de kerk, las god-gewijde boeken en tijdens
+heur werk zong ze geestelijke liederen. In heur keuken kraakte
+het van properheid en ze hield een kanarievogel, die hing boven de
+deur en hij zong zoolang hij licht zag. Het zwert hondeken had ze
+ook meegekregen, een schipperken van 't echt ras en zijn naam was
+Felinks. Op heur kasken, vóór de plaasteren Lievevrouw onder stolp,
+lag op een kusken een zeilende driemaster in een flesch en onder het
+beeld van den Heyligen Blasius op de schouw, hing gekonterfeit de
+"Arke des Verbonds" met witte, bollende zeilen op een blauwsel-zee met
+witte golf-kammekens. Vader stond aan 't roer, recht als een geweer
+en de schippersknecht Louis zat in 't toppeken van den mast. 't Was
+Suska een werkelijk genoegen dat schip te bekijken, zooals het daar
+over de baren vloog met den blijen wind in de gezwollen zeilen en
+dan droomde ze van heur kindsheid, dien zoeten tijd, de open lucht
+en het welriekende water.
+
+Zonder dat ze het zelf wist dacht ze er soms aan hoe aangenaam het
+wezen zou begijn te zijn op een schip, zoetekens weg te smilten in
+geestelijke oefeningen en toch te water te varen. En ze zag er de
+andere begijnen, en in 't ruim de kapel, en het koperen kruisken
+in den mast, en wit en rood, de kleuren des hemels, was er er alles
+geschilderd. Ze zag het tot in zijn minste bezonderheden en het groeide
+in heur tot een werkelijk bestaand ding. En als zij zich zelf verraste,
+verwijlend bij dien droom, dan kreeg ze er spijt over, bad een vaderons
+en maakte zich zelf wijs dat het hier in heur huizeken met de bonte
+bloemen, en 't groen voor 't venster in 't hofken en den zonneschijn
+op den tichelvloer, veel beter moest zijn dan op een schip!
+
+Wekelijks voer de "Arke des Verbonds" achter het Begijnhof voorbij en
+dan stond ze reeds uren te voren op den dijk te wandelen om het schip
+te zien en heur Vader en heur Moeder. Ze beleefde er een malsche deugd
+aan, het schoone schip te zien aankomen, en ze vertelde dan telkens
+dat ze toch zoo geren op 't Begijnhof woonde en heur gedachten vlogen
+onwillens naar het schip met de begijnen in... Stilaan gaf ze toe
+aan die droomen want wat kon het God deren? En daarbij zoo'n varend
+hof kwam er toch nooit!...
+
+Ze wandelde meer en meer langs de Nethe die tusschen de met populieren
+gefestoende dijken door de vettige beemden kronkelde naar den blauwen
+horizon. Ze sloeg geen dag meer over zonder buiten aan het water heur
+schippersziel eens op te halen. En ze zette zich in 't gers en bad er
+zoo goed als in de kerk. De koelte en de reuk van het water haalden
+heur ziel omhoog als orgelspel of preek...
+
+Eens las ze van Sint-Marcus en van Venetië en zoo kwam ze te weten dat
+dit een stad was met straten onder water en dat de menschen ter mis of
+te boodschappen gaan in schipkens en in schuitjes... Ai mij! waarom
+was 't Begijnhof ook alzoo niet een stedeken waar elk begijntje
+heur bootje zou hebben om ter kerk te wrikkelen! Kon de Nethe nu nen
+keer overloopen bij de eerste nieuwe maan en alles overstroomen dat
+'t er nooit meer af en kon! En 's winters dan zouen ze er allemaal
+op schaverdijnen!... Dat zou het zijn!
+
+Maar wat was me dat een verschiet, toen op een schoonen morgen heur
+vader en heur moeder heur afscheid kwamen zeggen en heur het nieuws
+brachten dat ze nooit meer naar Grobbendonck zouden varen. Ze konden
+meer verdienen tusschen Boom en Dendermonde en dat konden ze niet
+laten voorbijgaan...
+
+Het droeve nieuws viel als een steen in een stillen vijver... Ze
+heeft koffie opgeschonken en is meegevaren tot aan 't hofken van
+Ringen... En toen heeft ze de "Arke des Verbonds" zien wegzeilen
+tusschen de populierenstammen en ze is aan 't snikken gegaan als een
+klein kind... Nooit zou ze nu nog de Arke zien varen op de klare
+wateren van de zoete Nethe!... nooit meer!... nooit meer zou ze
+varen!... Ze slenterde moezaam terug huiswaarts, zoo triestig gestemd
+dat de tranen in haar oogen welden.
+
+Het was na den eenen als ze thuiskwam.
+
+Begijntje Stommels schoot uit.
+
+Maar juffrouw Suska toch! zijn me dat manieren! zoo lang weg te
+blijven!... 't Eten is koud en ge hebt niks gewerkt. En ge hebt zelfs
+niet gelezen want ge hebt geen boek bij!
+
+Toen ze heur roode kaken zag en de betraande oogen, wierd ze verteederd
+en ze zei zoeter:
+
+"Wat... wat is er toch?"
+
+En Suska heeft heur alles verteld.
+
+Toen zei begijntje Stommels wijselijk:
+
+"Ge moet te biechten gaan! Zuster Suska!"
+
+En ze ging te biechten en beleed ootmoediglijk dat ze van schepen en
+van varen hield buiten mate.
+
+En de Pastoor zei:
+
+"Mijn kind, Jezus is uw bruidegom en Maria uwe moeder. Ge moogt
+maar alleen voor hen leven. Schepen en varen is eerdsch goed en
+ijdelheid. Maak van uw ziel een schipken met het gebed als mast en
+de goede werken als zeilen en dan zult ge naar den hemel varen! Uw
+leven is in de kerk en in uw huizeken. Bid want de duivel beloert u".
+
+En thuis viel ze met heur kop op de tafel, snikte, vroeg om vergiffenis
+en was vast besloten alleen maar aan God te denken.
+
+
+
+
+III
+
+Heur intentie was echt en alles ging goed in den beginne. Ze meed
+de rivier en ze was blij dat de winter aankwam die alle water onder
+'t ijs hield. Tegen 't uitkomen van de Lente zou ze 't wel gewoon
+zijn! Ze ging veel ter kerk, bad tot ze er in slaap zou bij vallen,
+maar het verlichte heur niet... Ze dacht soms aan de fijne zoetigheden
+die heur zielken genoot aan den groenen waterkant... Maar daarna bad
+ze weer inniger den Heer om alles te vergeten om alles dood te krijgen
+wat heur naar buiten trok. Maar het ding bleef leven in heur en solde
+met heur beste intenties als een katje met een muis. Ze wierd er mager
+van en ziek. Ze zat volle uren achter de roode stoof met Felinks op
+haren schoot te peinzen aan den vroegeren tijd en dan weende ze soms
+van wanhoop en teleurstelling. Aan niemand zei ze wat er was. Ze voelde
+zich versmachten in heur keukensken en ze wenschte dood te zijn en in
+den hemel waar de schepen gouden zijn op water van kristal. De begijnen
+gaven haar allerlei geneesmiddelen, zalfkens en papkens en plaasters,
+maar ze roerde er niet aan. Ze meenden dat ze zou sterven en ze baden
+voor een goeden dood. De Pastoor bracht er den doktoor bij en die
+zei dat ze veel wandelen moest als 't Lente was en de gezonde lucht
+inasemen. De Pastoor die sedert lang heur biecht vergeten had zei:
+
+"Ja, da moete doen".
+
+En heur hert sprong op van uitermate vreugde en de hoop herleefde in
+heur en zonder zonde te begaan, mocht ze weer langs de Nethe wandelen
+en 't water rieken! Wat zou ze er weer kunnen bidden en Ons-Heerken
+bedanken voor zijn goedheid!....
+
+Na lange dagen veegde de regen de sneeuw weg, een schele zon
+pimpeloogde door de wolken en even later stonden de gerssprietjes op
+uit den natten grond.
+
+En Suska ging wandelen langs de Nethe. Het water lag er toch zoo schoon
+en liep zoo zoet en kalm! Ze had er willen in liggen en meedrijven
+naar 't end van de wereld en er in smilten en zelf water worden en den
+weerschijn van den schoonen hemel dragen! Ze sloot bijwijlen heur oogen
+van geestelijke deugd als ze zoo al wandelend in heur getijdenboek
+de schoonste psalmen las. Ze voelde God en ze herleefde met den dag.
+
+De lauwe wind speelde om de boomknoppen, de blaren schoten er uit en
+de fijne avenden kwamen.
+
+Hoe dikwijls zagen de begijntjes haar niet gezeten in het gers van den
+oever waar de madeliefkens bloeiden en koekoesbloemen, de oogen toe, de
+handen op de borst en verzonken in vroom bidden. De vogels zongen dan
+telkens meer als gewoonlijk in de populieren-kruinen. En ze probeerden
+ook te zijn zooals zij was maar dat konden ze niet. En de pastoor
+die er geen kwaad in zag begost haar te vereeren om heur devotie,
+maar hij vond het spijtig dat ze in de kerk zóó weinig te zien was...
+
+Soms bleef ze in den donkeren nog op den dijk zitten en 't
+gebeurde eens dat ze naar huis kwam als de poorten reeds gesloten
+waren. Begijntje Stommels speelde dan op heur poot en zei van in
+'t vervolg niet meer te openen.
+
+De tijd vloeide en 't gewierd Sint-Margrietje als de processie
+uitgaat. Iedereen was er mee in de weer. Overal zaten de begijnen
+strooisel te snijden, kronen te vlechten en kandelaars te
+versieren. Suska echter zat met het heele geharrewar niets in en
+liep maar van zoo vroeg ze kon naar 't water en ze zat er als een
+beeld roerloos, met God in heur hart te bidden. De zusters lieten
+heur maar betijen want zij ook kregen stilaan de verzekering dat er
+iets heiligs in Suska stak.
+
+En zij, devoot van ziele, in de avendschemering aan de lispelende Nethe
+gezeten, droomde de processie te water, op schuiten, wit en rood en
+goud geschilderd. Een schip zou er zijn met den man met het kruis, een
+met maagdekens, een met begijnen, een met de relikwiekast der heilige
+Begga, een met 't muziek en de flambeeuwdragers en mijnheer Pastoor
+stond in een boot met goud-bestikt baldakijn en hij zegende met vierige
+remonstrantie de menschen die op de groene oevers geknield zaten. De
+populieren ruischten zoetekes hun kruinen boven dezen heiligen stoet
+en de vogels kweelden. De hemel was blauw als een Mariakleed. En ze
+vaarden tot aan 't Hofken van Ringen en vaarden toen weerom.
+
+Zoo zat ze met heuren zoeten droom. De volle maan rees in het
+blauw des hemels en alles was stil een langen tijd. Plots hoorde
+ze geplas van riemen in 't water. Ze schrok en keek toe. En zie, in
+een visschersschuit, zat een arme vent en hij roeide tegen tij op. Ze
+keek hem na, niet denkend aan het late uur. De man lei wat verder zijn
+schuitje vast, nam stok en zak en trok zwijgend door de wazige beemden,
+den geurigen nacht in. De maan leekte zilver op het water... Ze zag
+dit alles aan, voelde de schoonheid ervan tot diep in heur dringen,
+en in heur gemoed schoot er een innig verlangen omhoog. Ze vergat heel
+de wereld, Begijnhof en Pastoor, hel en zonde, liep naar het bootje,
+maakte het los, sprong er in, greep de riemen en begon te roeien. Ze
+was als dronken van geluk, heur oogen gingen toe en o! dat varen, dat
+zoete, geluidlooze, onwerkelijke glijden en zweven op het zilveren,
+maangedrenkte water, als was men een zieltje of een geest en niet meer
+van der aarde... En ze zag ineens de maan tusschen twee populieren,
+en de maan wierd wel twintig keeren grooter en ze ging open als een
+bloem en er kwam een groot, gouden schip uit en engeltjes zaten in
+'t koordwerk en Ons-Lief-Heerken Jezus zat op het watertonneken op
+'t voorsteven en hij lachte haar toe... God-den-Alderhoogste!
+
+Het sloeg twaalf uur op het Begijnhoftorenken, en travans! 't visioen
+was weg en ze hervond zich rillend van de kou, in het bootje op de
+Nethe. Ze wrikkelde terug den bocht in waar ze 't schuitje gevonden
+had, lei het vast en ze liep met angstig hert door den natten beemd
+naar 't Hof. Wat zou men nu gaan zeggen?... Ze kwam aan de poort en
+klopte stillekens. De schrik bekroop heur. Zaten hier geen venten,
+of daar soms?... En ze begon harder te kloppen, harder en harder
+nog. Met een keers in de hand, kwam 't Portieresken opendoen. Ze deed
+een lamentatie alsof ze den verloren zoon zag en schreeuwde dat het
+toch niet kon blijven duren.
+
+"Ik zal 't aan Menheer Pastoor zeggen! Dat zijn nu geen streken
+meer. En zoo nat! 'k Schrijf het naar den bisschop, naar den
+Paus!... God-den-Heere!"
+
+Angstig om de straf die ze krijgen zou, ontwaakte Suska den anderen
+dag. Ze weende om heur zwakte, maar Heere! 't was toch zóó deugdelijk
+zoet geweest!
+
+Voor den achten kwam het Pastoorken, koleirig binnengesneld. Hij
+sloeg met zijn vuist op tafel en zijn een oog schoot vier en vlam.
+
+"Zijde gij van den duivel, om zoo 's nachts lijk de heksen langs
+'t water te loopen?... Ehwel! ge gaat gij voor uw penitentie heel
+den zomer in huis blijven en ik zal u een koord brengen waarmee ge
+u geeselen zult".
+
+En dan schoot hij aan 't snikken en weende tranen uit zijn een oog.
+
+"Ik die van u zooveel had verwacht. O! God-en-Heere! en nu zijt ge
+van den duivel!"
+
+En weer hervatte hij zich en zei;
+
+"In huis blijfde dag en nacht!"
+
+Hij ging heen. Hij trok de deur met een slag in de klink.
+
+Suska dacht aan het schip dat ze uit de blozende maan had zien varen
+en ze weende niet. En als 't Pastoorken weg was, riep ze Felinks op
+heur schoot en ze bestreelde hem lang.
+
+
+
+
+IV
+
+Zij nam het goede voornemen de waters niet meer te bezoeken, al was
+het daar nog zoo goed. Eerst kwam haar gevoel in opstand en om tot
+rust te komen moest ze toch maar eens bedenken dat ze de verloofde van
+Ons-Lief-Heerken Jezus was en dat de pastoor door Hem was aangesteld om
+over haar te waken. Hij had de macht en was in verbinding met God. Zij
+schikte zich in heur lot, maar bad binstdien heur schoonste gebeden,
+opdat weldra deze benepen toestand eindigen zou. Zij was dan blij met
+deze uitkomst, en om zichzelf te overtuigen van haar onderwerping aan
+Gods wil, bracht ze het schipken en de schilderij naar den zolder... Er
+kwamen tranen in heur oogen als ze de duurbare voorwerpen in de zwarte
+koffer borg, ze gaven heur toch zulke zoete herinneringen!... Ze meende
+van den zolder te gaan, maar daar hoorde ze ievers onder 't dak een
+jonge spreeuw schreeuwen. Ze dacht aan het gesloten zoldervenster,
+liep er heen zonder grond te raken, trok het koortsig, haastiglijk
+open en ei! in fijne zon en lichten wind, lagen de velden met de Nethe
+er door! Een blijde kreet ontsnapte haar mond! Daar lag de rivier
+zilver gekronkeld, ruischende populieren rezen bezijds de boorden en
+gebolzeilde schepen waaiden èr door. Suska haar bloed danste in heur
+lijf van welgenoegen, ze lachte en z'had het willen uitroepen, een
+groet aan de Nethe, maar ineens herinnerde ze zich 't bevel van den
+heer pastoor; de Nethe was voor heur een verboden vrucht en om heur
+zielezaligheidswille mocht ze daar zelfs niet meer aan denken.--Zij
+sloot het zolderdeurken en viel toen weenend tegen den muur.
+
+Ze moest van den zolder loopen, om niet opnieuw het deurken open
+te doen.
+
+Zij voelde dat de drang om aan het water God te loven, sterker was
+dan haar zelven, en toch mocht ze niet, wilde zij de hel niet ingaan...
+
+De hel met haar vlammen en zwerte duvels maakte heur zoo bang,
+dat ze niet alleen het water niet meer zou willen zien, maar zelfs
+haar eigen ging kastijden. En zij liep naar heur kamer het bovenkleed
+uittrekken en begost zich met de pinnekenskoord van Menheer Pastoor te
+geeselen, dat heur hemd scheurde, het bloed langs heur beenen dreef
+en zij met een kres in onmacht viel. Als ze weer opstond was ze zoo
+moe en afgemat, dat ze op heur bed moest gaan liggen. Felinks lag
+vóór het bed op het tapijtje. En dan kwam er een droom 't begijntje
+Suska troosten... het blauwe water, de varende schepen en de wind in
+de krakende zeilen, en 't schoone open land waarboven de zon vlammen
+lachte. En in dien zelfden droom kon ze bidden, zooals ze in waarheid
+aan het water kon, en heur hert vond kantieken van dank en lof,
+die weergalmden over het droomenland.
+
+'t Was avond als ze wakker wierd. Ze kleedde zich en ging mistroostig
+naar beneden. Felinks volgde haar en had stille schreeuwkens, want hij
+zag dat zijn meesteresse iets mankeerde. Er stond maneschijn op de
+gevelen van de huizen en zoo bleef zij lang zonder licht zitten. Ze
+voelde dat ze het niet kroppen zou; nooit de Nethe meer zien! en ze
+wenschte te sterven om verlost te zijn van haar nijpende verlangens.
+
+Felinks vroeg om achter te zijn, zij opende de deur voor het hondje
+en de maneschijn kwam zilver binnengevallen, de frischte van den
+nacht deed haar goed en zij bleef, geleund tegen den deurstijl,
+de lucht inasemen. De hemel was blauw en de volle maan blonk hoog
+in de lucht. Heel effekes boven 't muurken zag ze de boomenrij der
+vesten, waarop de maan heur zilveren paljetten lekken liet. De avend
+was zoo goed en achter 't muurken steeg de aangename reuk van 't hooi
+omhoog... Het deed zoo wel aan haar gebroken hart. In de boomen begon
+er een nachtegaal met zijn perelklanken te spelen en ze luisterde
+aangedaan. Maar door het volle lied van den koninklijken vogel hoorde
+ze in de nachtstilte geplas van riemen in het water.
+
+God! het water! Ze meende binnen te gaan, om de bekoring geen tijd te
+geven, maar ze kon niet, er was in haar iets machtiger dan de wil en
+ze bleef staan. Daarachter lag de Nethe en ze mocht haar niet zien. "O
+God, laat mij de Nethe nog eens zien! O maar één enkelen keer!"
+
+In heur gedachten zag ze al het landschap. Maar kan de pastoor niet
+mis zijn, poogde ze zichzelf wijs te maken... En als ik het nu eens
+doe en het dan ga biechten?...
+
+Op 't einde wierd haar verlangen zoo groot, dat ze alle recht
+meende te bezitten om aan 't water te wandelen. Zij kon zich niet
+meer tegenhouden. En met "nog maar één keer, nog maar één keer",
+zette ze het leerken tegen den muur, klom er op, liet het langs den
+anderen kant neer, meende er af te klimmen in den beemd.
+
+Maar Felinks begost te bassen en uit vrees dat hij begijntje Stommels
+zou wakker maken, nam ze hem in den schoot en daalde met hem neer
+in den beemd. Toen liep zij met rappe voeten door het natte gers,
+naar de Nethe. Felinks liep haar voor...
+
+Heur ziel zwom in zaligheid en zij wandelde den dijk op en overzag
+vol aandoening het water, de beemden en de velden in het teedere,
+ijle licht van de melkmaan. De sterren waren bleek en de lucht rook
+naar de fijnste bloemen en kruiden.
+
+Weer zag ze de schuit liggen, gemeerd en gestaafd, donker te droomen
+op de krinkels en de rondekens van het blinkende water. Ze vergat den
+Pastoor en de hel, en dronken van genoegen, ritste ze den dijk af, trok
+het schuitje bij kant, sprong er met het hondken in, greep de riemen,
+roeide naar 't midden, en liet zich alstoen drijven met de tij mee.
+
+Ze voelde zich los van de aarde, los van alle bestaan en licht als
+een drijvende reiger, hoog boven de kleine wereld.
+
+Zij trilde van 't geluk, sloeg heur armen op de borst, en met het
+blije gelaat geheven, liet ze zich op het water gaan, en ze hommelde
+het slepend lied:
+
+
+ "Het viel eens Hemelsch dauwe
+ In een klein Maagdekijn".
+
+
+De populieren langs den dijk wuifden hunne kruinen, het water bibberde
+van het licht onder den nevel en de kruiden op den kant bliezen de ziel
+der moederlike aarde in de fijnste reuken ten hemel!... Was me dat een
+geluk om bij te smelten en in geurende olie te vergaan! En het water
+lispelde tusschen het oeverriet, kabbelde tegen het verderdrijvende
+schuitje en Suska zong met volle stem haar dank uit.
+
+De maan blonk boven de blauwe schimmen der populieren op den dijk en
+over de beemden sluierde een lenige nevel op...
+
+Toen gebeurde het, dat aan den bocht der Nethe, alop het water,
+een witte gedaante aangewandeld kwam. Het was alsof hij langzaam
+schaverdijnen reed. Hij kwam dichterbij en 't was een man met ronden,
+witten baard, kaal hoofd, en hij was gehuld in witte kleeren. Hij
+hield een grooten, gouden sleutel in de hand en schoof met korte,
+onvaste streken almaar verder. De hanen ontwaakten t'allenkanten en
+heinde en ver klaroende hun gekraai. De man vertraagde zijn vaart,
+kwam naar het langzaam drijvende schuitje gegleden en vroeg aan Suska:
+
+"Is 't Begijnhof nog ver van hier?..."
+
+Suska had hem met een benepen hert zien aankomen, maar toen zij
+Sinte Peterus herkende, week haar schrik en vervuld van een hemelsche
+blijdschap was ze vlug van zeggen:
+
+"Ginder aan den derden bocht, en mag ik u er naar toe varen, Sinte
+Peterus?"
+
+Ze kuste zijn kleed.
+
+"Ik zal 't wel vinden", zei hij, "hartelijk bedankt."
+
+En hij wiegde verder.
+
+Toen meende ze dat ze droomde, maar ze zag de maan op heur handen. Zou
+er een wonder gebeuren? vroeg ze zich af. En met angst liet ze zich
+verder drijven. Ze had het wel gewild en met kloppend hart zat ze
+het af te wachten.
+
+Maar zie! toen groeide uit den nevel een klein walvischken, waarop de
+profeet Jonas, met zijn langen baard en grooten kop, gezeten was. Het
+walvischken sloeg met zijn steert en roeide dapper verder stroom op.
+
+Maar bij Suska gekomen, zei Jonas tot den visch: Hô! en de visch
+bleef voor het schuitje liggen wiegen. Jonas vroeg:
+
+"Als 't ublieft, ik die in de oude tijden geleefd heb, toen hier in
+'t land van Rijen alles nog zee was, zoudt gij mij niet zeggen kunnen
+waar het Begijnhof is?"...
+
+En Suska wees het hem. Zij meende te vragen, wat er te doen mocht
+zijn, maar hij vaarde verder en het water dobberde en klotste tegen
+het oeverriet.
+
+Voor zij van deze tweede verwondering bekomen was, kwamen er tien
+smalle, hooge snekken, met vele vaantjes aan de masten, aangezeild en
+daarin zaten wel honderden magere, smalle maagdekens in witte gewaden,
+en op hun fijngekamd haar droegen ze smalle rozenkroontjes. Ze hielden
+allemaal de handen samen en zongen fijne liedekens.
+
+Een voor een voeren negen schepen Suska voorbij en alle de maagdekens
+knikten heur vriendelijk toe en ze glimlachten.
+
+En op het voorsteven van de laatste schuit stond een magere vrouw,
+die was tweemaal zoo groot als al de anderen en zij droeg een
+breedplooiend, blauw zijden kleed dat glansde in den maneschijn
+en op heur lang, smal gezicht blonk een hemelsche kleerte. Dat was
+Sint-Ursula. Ze vroeg met een fijn nachtegaal-stemmeken:
+
+"Als 't belieft, Zusterken Begijn, 'k geloof toch wel dat het Begijnhof
+niet ver van hier meer is?"
+
+"O neen, ginder, het torenke blinkt in de maan."
+
+"Danke wel!"
+
+Er woei een geurend windeken. De tien zeilen zwollen en even op zij
+hellend schoven de snekken vooruit. De maagdekens zongen. De maneschijn
+lei matten glans op de bovenste ronding der buikzeilen en de masttop
+gloeide daarboven als een dubbele ster....
+
+En dan dook er uit het water een zwart menschenhoofd met tulband,
+en een neger trok zich aan den rand van het bootje naar boven. Hij
+schudde zich en blies als een hond. Felinks, het spitsken, baste naar
+zijn zwert gezicht, maar de Heilige Moyzes van Ethiopiën zei:
+
+"Wijs beestje, wijs beestje!"
+
+En daarmede kwam Felinks kwispelsteertend naar hem.
+
+"Als 't u belieft Begijntje", zei hij, "is 't Begijnhof nog ver
+van hier?"
+
+"Neen, zeer Heiligen Moyzes, ginder achter de breede vesteboomen".
+
+"Dank u zeer!" zei hij, en plomp! hij sprong vooruit en zwom met
+krachtigen armslag, als een kikvorsch uitgerokken, verder door het
+zilveren water.
+
+Suska vroeg zich maar gedurig af wat er wel te doen mocht zijn aan
+het Begijnhof.
+
+Ze stond recht om het te zien, maar 't was ginder al smoor en
+watertinteling.
+
+En ineens dacht ze: misschien wordt daar een ieder heilig verklaard,
+behalve ik, omdat ik te veel van het water houd. Zal ik nu niet
+verdoemd zijn? Ze wierd ineens bang en was terneergeslagen. Maar
+daar, in een draaienden ronde van goud licht, op een gouden schip,
+waarrond naakte engeltjes fladderden, die met peren en appelen en
+druiven speelden, op gouden fluitjes floten en op beenen citerkens
+klonken, zaten hand aan hand Jezus en Zijn Lieve Moeder, allebei in 't
+blinkend blauw en frisch lijk hagedoorn. Een zwerm van witte duifkens
+met roode pooten trokken het schip; er ging orgelmuziek op uit het
+ruim en er waren reuken die iemand deden sterven van zoetigheid.
+
+Seffens knielde het begijntje en zag verrukt dit goddelijk
+schouwspel aan. Het schip hield voor haar stil en op een gebaar van
+den blondgebaarden Lieveheer stond zijne zoete Moeder op en sprak
+tot Suska:
+
+"Kom hier op het schip met uw hondeken, gij deugdzaamste en nederigste
+onder de kinderen Begga's. Uw doen was ons aangenaam en uw gebeden
+en liedeken hebben wij schoon en oprecht gevonden. Kom in, o dochter
+van het water, de Heilige Geest heeft uwe stem gehoord".
+
+En aanstonds viel er van het schip tot het vuile naar visch riekende
+bootje een brug van licht en daarover is Suska tot in het schip
+geklommen, gevolgd van Felinks haren hond.
+
+En terwijl Suska niet bekomen kon van haar geluk, dreven ze naar 't
+Begijnhof. Daar waren wachtend de Heiligen, haar voorbijgevaren. En als
+'t schip voor 't Begijnhof stil hield, omringden de snekken, Jonas,
+Petrus, en Moyzes het schip en allen zagen naar de lucht.
+
+"Zeg nu vaarwel aan 't Begijnhof", zei Ons-Lieven-Heer en dat was een
+stem zoo zuiver, zoo doordringend en onweerstaanbaar-schoon dat Suska
+daarbij tranen goot van aandoening. En zij knikte tegen het Begijnhof.
+
+En Jezus zeide: "Gezegend dit Begijnhof, waar een heilige heeft
+gewoond". Hij zette zich terug naast zijne moeder.
+
+En zie de wateren stonden op, en rezen tot een hoogen blinkenden berg
+in de lucht, tot aan de maan!
+
+Er kwam van alle kanten gezang en het schip voer met de heiligen en
+met Suska den waterenberg op. Zij rezen snel lijk pijlen en toch
+bleef de beweging zoet, zij kwamen al dichter en dichter, de maan
+wierd grooter en grooter, heur licht schitterender. En zie, Suska die
+altijd gedacht had dat de maan een schijf was, zag nu dat het niet
+anders was dan een gat in de lucht, waardoor heen het licht van den
+hemel op de aarde viel.
+
+En uit de maan kwam er een zwellend gezang van miljoenen
+engelenstemmen. En daar zag ze een wemeling van regenbogen over
+gouden en porseleinen daken en torens. Rozen, pioenen en tulpen
+regenden op fijn doorblinkerd gers, engelen, paters, eremijten,
+allen in de fijnste koleuren, dansten zingend rond laurier- en gouden
+appelsienenboomen, wandelden door zilveren gangen en bazuinden uit
+alle torens den welkom toe aan Suska, de jonge Waterheilige die door
+al die schoonheid geroerd, niets anders kon doen dan weenen, dronken
+van geluk. En ze vaarde de maan door, den schoonen hemel in.
+
+En in den vroegen morgen, dat de eerde nog blauw was, vond de visscher
+zijn platbebodemd schuitje niet, aan het Sas gemeerd. Hij liep den
+dijk af, want het water stroomde op en zou het losgeraakte bootje
+terug brengen.
+
+Maar zie, bij 't Hofken van Ringen, zag hij een zwart en witte
+vlek te midden der rivier. En als hij nader kwam zag hij dat het
+een begijntje was. Ze dreef ruggelings, hield de handen ten gebed
+saamgevouwen en heur bleek, glimlachend gezicht stak boven 't water
+uit. Gele en witte en purpere bloemkens dreven rond heur en 't rook
+daar wonderlijk aangenaam.
+
+De visscher trok de muts van 't hoofd, knielde neer in 't natte gras
+en hij bad met vroom gemoed tot de nieuwe heylige die de wateren
+aanbrachten op een eilandeken van bloemen.
+
+
+ Paschen 1908.
+
+
+
+
+
+
+
+HET SACRIFICIE VAN ZUSTER WIVINA
+
+
+In die wondere dagen, woonde, achter het oude kerkhof en bezijds
+de kleine kapel van O. L. V. van Zeven Weeën, 't begijntje Wivina,
+die was van rijken huize en edel bloed en bezat een schat van de
+zeldzaamste oudheden, meegekregen uit het ouderlijk kasteel.
+
+Jezus met zijn zoete moeder en al die heiligen, waren met hare
+antikiteiten het geluk en de vrede van haar nobel leven. In de kerk
+ging haar ziel gelijk een wierook naar omhoog, daar bestond er niets
+dan de hemel voor haar in al zijn gulden glorie, maar eens te huis
+begon ze seffens te genieten van haar antiek.
+
+O! haar antiek, dat beschaduwd was door den geest harer roemrijke
+vaderen, die steeds waren de bloem van het middeneeuwsche
+ridderdom. O! dat antiek, waarin zij heel haar voorgeslacht voelde
+en elk voorwerp sprak van hunnen grooten luister, dapperheid en
+edelmoedigheid.
+
+Zij kon er uren naar zitten kijken en mettertijd waren al die
+weelderigheden haar zoo lief, neen nog liever dan menschen geworden.
+
+Ze bezat een ongemeenen schat, deze Juffrouw Wivina, die was lang
+van gestalte en smal van gezicht, met weemoedige groote oogen,
+die altijd in 't verleden schenen te kijken naar ver verwijderde
+tijden; en terwille van haar hoogen stand zeer teruggetrokken was,
+tegenover de andere begijnen die meestal burgerdochters of blozende
+boerenmeiskens waren. En bij dien schat kon ze heur hart ophalen en
+vrijelijk de vlucht van heur gepeinzen laten vliegen.
+
+Hoe leefde en bloeide ze daar, te midden die oude meubels, tapijten,
+platen, beeldekens en pottekens. Van als ze in heur huis kwam,
+beleefde ze aanstonds die zoete gevoelens. Daar in het witte,
+gewelfde trapportaaltje stond de hooge, gebeeldhouwde horlogiekast
+met den zwaren zon-slinger in zijn buik en de koperen cijferplaat,
+rijkelijk gegraveerd en beschilderd met een helle hertenjacht. Ook
+stond er de dierenriem op en de maantijden. Traag en deftig ging die
+slinger met een geronk als 't begin van een zwaren klokketoon; hij was
+overal hoorbaar in haar stil huizeken en zij kon er naar luisteren als
+naar een voorname vriendin. En als het uur sloeg, begon daarbinnen
+in het hoofd der kast alles te ratelen en overhoop te loopen, dan
+viel het ineens weer stil en klonken er al naar 't getal der uren,
+uit die plechtigheid vol-guldene klanken op die uiteencirkelden lijk
+waterkringen en door al de vertrekken heen zoemden. Dat was lijk het
+kort lied van een engel voor haar en ze had soms gewild, dat ze heel
+den dag door die zoete klanken hoorde. Hoe dikwijls heeft ze niet
+achtereen de groote wijzer voort gezet opdat zij aanhoudend de stem
+van de guldene klok daarbinnen aanhooren kon?...
+
+In den hoek onder het smalle portaal-venster stond een met
+leder-beslagen koffer, met ijzeren scharnieren en daarin hield Wivina
+geborgen ouden kant en vreemde, bebloemde zijden lappen die waren
+als wonderen van teedere of vinnige kleuren in het witte licht.
+
+Aan de muren, in glazen kastjes, hingen zwartomlijste landschappen die
+openden vergezichten op hemelsche landerijen met laurieren en oranje
+boomkens op de heuvels en rood en blauw bebloemd gras langs blonde
+wegen, die sierlijk slingerden naar omwalde steden, met porceleinen
+kerken en pinakels, fijnder bewerkt dan venetiaansche kant. Er hing
+een groot statig portret van een geharnasten ridder, met schoone
+handen en stouten blik, een harer voorvaders wellicht. Boven de twee
+grijze deuren prijkten hare twee geslachtsschilden, een met leeuwkens
+en met eekhorentjes, 't andere met een witte ster op blauw veld en
+een rooden haan op een bleeke hand. Er lagen tapijten op den grond
+en van de gewelfde zoldering hing een zwart-ijzeren kroonluchter met
+lange, bruin-wassen keersen in. Zoo was het alreeds in 't portaaltje,
+en wat moest het in de huiskamer dan zijn?
+
+In het schuchtere licht dat door de looden ruitjes zakte, stond hier
+alles streng en zeer voornaam en elk voorwerp scheen meer weerde te
+hebben dan in de open lucht. De muren waren met kostelijk goud-leder
+behangen, en een groote tapijt bedekte den muur, met erop bleeke
+vrouwen met torenmutsen, die rond het ledig graf stonden met tranen
+in de oogen, en gouden balsempotten in hun handen. In de verte was
+een witte stad en weerskanten van het tapijt, nevens de omlijsting
+van fruitguirlanden, onder blauw-bladerige boomen, zag men Jezus
+verschijnen als hovenier aan Magdalena en aan den ongeloovigen
+Thomas. Die tapeet had menigmaal de schaduw van haar roemrijke ouders
+gedragen.
+
+Op kassen, schouwmantel en tafels stonden potten en vaasjes en tasjes,
+zoo fijn en teer dat men ze niet aanraken dierf; Japansch, Delftsch,
+Chineesch en meer, alles wat de oude geslachten in gleis en koperwerken
+hadden bezield was hier op zijn kostelijkst vereenigd. Achter de
+groene ruitjes der kasten glom het zilverwerk. Voor een open drieluik,
+brandde gedurig aan een lichtje in bronzen lamp en tusschen de twee
+vensters in, glom een koperen lutrijn, waarop lag een dik boek,
+in leder gebonden met gouden sloten en roode en blauwe linten. Het
+was het leven der heiligen, geduldig opgeluisterd door monniken uit
+de middeleeuwen.
+
+Maar, in een zwart ijzeren kistje, van binnen witte fluweel, lag
+voorzichtig geborgen, de perel van heur huis, de krone van heur
+oudheden! Het was een gulden vaasje, ingelegd met ivoren krullen die
+teeder beschilderd waren en bezet met peerlen, diamant, saphoren
+en robijnen, het was een weelde van toon en kleur, en wellust van
+klank, van een zeldzame duurte en daarbij het kostelijkste dat
+heur voorgeslacht had nagelaten, een zweem van geurige oude olie
+doordronk het nog, het was een historiestuk, dat het beste sprak van
+haar verleden.
+
+Het kwam nog van David den reuzendooder en psalmzanger; Karel de Groote
+had eens gezegd: "Liever beide mijne oogen kwijt, dan dit vaasje te
+moeten missen". Deze groote keizer had het van de Mooren verkregen
+tegen drie steden en veertig karren goud. Na zijn dood was het plots
+zoek geraakt en 't was slechts een van Wivina's voorvaderen, die het
+later in den kruistocht ievers bij Bysantium na harden strijd had
+weergebracht. En door de eeuwen heen was het voor Wivina's geslacht
+hun roem en hunne glorie. Nu bezat zij het, hier op het schamele
+Begijnhof, het vaasje, waarmee men heel Vlaanderen en Britanjen en
+Vrankrijk koopen kon, maar niemand sprak ze er over, uit vrees voor
+de dieven. Nooit heeft ze een dag nagelaten het te bezien, het te
+bestreelen en te aanschouwen in het spel van het schuchtere licht,
+maar dan waren alle deuren op grendel.
+
+Zoo was haar huisken met al zijn praal en weelde, slechts een schrijn
+voor het vaasje. Daar was dan ook niets in haar huis dat meer-weerdig
+was dan dit heilig voorwerp.
+
+Zoo genoot ze van haar weelde als een drinker van den wijn, en al
+sleet ze daar-buitenom een heilig leven en vond zij hare passie voor
+dien ouden luister harer weerdig, toch was men in den hemel daar
+niet mee kontent en God sprak Sinte-Franciscus aan, den vader van de
+armoede. Deze schoone heilige boog en zei: "Uw wil geschiede!"...
+
+
+
+
+II
+
+Eens op een dag, bracht Menheer Pastoor heur een boekje ter
+lezing. Het was smal van vorm en in leer gebonden, maar de druk was
+allerliefelijkst in zwart en rood, en kort waren de kapitelkens als
+gebeden bijkans.
+
+Juffrouw Wivina liet een kreetje van bewondering toen ze het boekje
+in handen kreeg, want heur geest was verzot op fijne dingen. Ze liep
+er mee naar 't venster, doorbladerde het met heur lange, witte vingers.
+
+"Wat een schoon boeksken, Menheer Pastoor! en zóó wel bewaard!"
+
+"Ja, Zuster Wivina, schoon van vorm en schoon van taal. Het spreekt
+over Sinte-Franciscus en zijn bruid de Armoede. Het heeft voor titel:
+De blommekens van Sancti-Francisci. Want elk zijner handelingen was
+schoon en lief van geur. En die blommekens gevielen den goeden God,
+zuster, en Hij nam hem op in zijn hemel".
+
+Mijnheer Pastoor sprak langzaam en inniglijk als iemand die er deugd
+aan heeft zoete dingen te zeggen. 't Begijntje luisterde aangedaan,
+want zijn woorden roerden heur buitenmate, omdat ze heur voorkwamen
+als taal van oude boeken.
+
+En met de kitteling der deugd om hert en zinnen, traagzaam, smakkend
+en genietend van elk zinnetje, las ze in heur stille namiddagen het
+boekje der Blommekens uit. En de zoete sprake der verhalen schiepen in
+heur kristelijk levens-inzicht mooie vergezichten waar elke daad, elke
+gedachte, elke zucht, een overgave was aan Gods almachtige goedheid. Ze
+overzag de gaanderij van handelingen van den Heylige, van zijn geboorte
+af en zijn vlucht uit 't Ouders-huis tot zijn schoonen dood, ze zag
+zijn Liefde en zijn Armoede en ze kreeg hem innig lief. Ze zag hem
+op 't ende zoo duidelijk voor zich met zijn bruine verhakkelde pij,
+en zijn smal, klaar, open gezicht met den fijnen, zwarten baard en
+de zoete diepe oogen onder het hooge voorhoofd, dat ze er zich warm
+bij voelde worden en zich gedroeg alsof hij in levenden lijve bij
+heur had gestaan. De oude dingen vergat ze bijkans in die dagen,
+zóó fel en werkelijk leefden de Blommekens in heur hert, dat ze heur
+eigen leven bijna vergat en zich overgaf, ganschelijk aan de zoete
+betoovering van den Heylige. Ze zag hem naakt wegvluchten uit het
+ouders-huis en zóó groot was heure liefde dat ze zich niet ergerde
+aan zijn schamelheid: ze was bij hem als hij tot den wolf sprak
+en de wolf kwam bij haar en ze streelde zijn ruigen pels en ze gaf
+hem wittebrood en klottekens suiker en 't maakte heur zóó gelukkig;
+ze zag Franciscus spreken tot de vogels op de boomen en ze hoorde ze
+zingen en fluiten den Heere ten lof!...
+
+En hoe verteerd was ze van liefde in den herfst-avend,--buiten
+verijlde 't licht tot schemer en zwart als roet wat daartegen de
+ceder-boom voor heur deur,--toen ze na lezing van de ontvangst der
+Christi-wonden in stille wijding dit tafereel herleefde! Ze verging
+in vlammen, ze voelde zich bijkans niet meer, enkel brandden, als
+doorboord van vuur, heur hand-palmen en heur voeten en de plaats waar
+heur hert zat. Ze voelde zich dronken van wellust en hoe fel de vijf
+wonden ook pijnden, vergat ze zich zelf en ze genoot eindeloos. In
+den donkeren ontwaakte ze uit die roes en ze dankte God om 't geluk
+heur geschonken. Ze lei zich te bedde, moe en afgemat van lichaam,
+maar met een hert zoo licht en vroo als een fonteintje in de zon.
+
+En telken dag bracht het boekje heur nog meer in vervoering en ze
+kon er niet van uitscheiden te zingen:
+
+"Geloofd zij mijn Heer God, voor alle de scepselen ende in 't bisonder
+voor mijnen broeder, den Heere Zon; hij is het die verlicht den dag;
+hij is schoon ende glinsterend ende klaer buitenmate en van groote
+fraeiheid, want hij draegt uw zegelmerk, Mijn God!"
+
+"Geloofd zij Mijn Heer God, voor mijne suster die Mane ende voor die
+sterren: gij hebt hen schoon gemaekt ende klaar in den hemel".
+
+"Geloofd zij den Heere voor onse Moeder die Aerde, het is zij die
+ons voedt ende ons stut, zij brengt voorts allerhande vruchten en de
+fruit en de bloemen van zoete kleuren ende die kruidekens!..."
+
+God! toen keerde zich Begijntje Wivina's hert in heur boezem om! Ze
+snikte en vluchtte 't huizeken uit en liep langs de poort der
+Marollekens den buiten op...
+
+Hoe schoon was het land in den herfst vol fijne nevels en hoe
+deugdelijk rook het hier! Heur hert zong cantieken van lof en dank en
+ze dankte den Heer en Sinte-Franciscus mitsgader, om het lieve leven
+dat ze heur gegeven hadden en dat ze nooit gekend had! Wat waren de
+dagen nu vol en zoet als de honing der biekorven, met de Zon en de
+Maan en de Wind en het Water! En elken morgend bracht heur ongekend
+genot, elken morgend zag ze schooner en rijker de waereld en ze vond
+er rede in den Heer te loven en te danken met gelukkig hert...
+
+Maar stillekens aan, toen de regen en 't hondenweer heur binnenshuis
+hielden bij 't heerdvuur, kwam heur ziel weer onder de betoovering
+der oude dingen in huis. Ze zag weer de schotels en de pottekens
+en de vazen met welgevallen blinken, luisterde aangedaan naar den
+gulden tik der horlogie en ze vond er genoegen in, 's avends, alle de
+bruine keersen aan te steken. En in hun gouden kleerte hield ze het
+gouden vaasje Davids op de hoogte heurer oogen en ze verkneukelde
+zich aan zijn vorm en zijn geschiedenis en zijn koleuren. En heure
+kinderlijke ziel vond er geen kwaad aan. Sinte Franciscus ging uit
+heur herte, maar toch dacht ze nog aan hem en ze begon zich angstig
+te voelen en vol weemoed. Hoe schoon en sterk was het leven met hem,
+met zijn schoonen overmoed en de berusting in God!... En hoe kleintjes
+was het rond die antikiteitjes als verpoozing tusschen de diensten
+Gods! Maar heur ziel hing aan dien ouden kant en de zijden lappen
+en het zilver-werk en de schilderijen in wier geur ze gekweekt en
+gewonnen was! En o! het vaasken Davids! Toen ging het hert van Zuster
+Wivina op en neer als de tij der wateren en ze wist niet aan wat zich
+te houden! 't Eene streed tegen 't andere en ze had groot verdriet!...
+
+En eens op een regendag dat het buiten goot dat het kletste,
+zat ze voor heur venster moe van het dubben, besluiteloos wat
+heur te doen stond. Ze boog het hoofd en bad om een uitkomst. Heur
+smeekende gedachten gingen naar God! Buiten stroelde de regen blauw
+en bij pooze stak de wind op en woei en huilde rond den zwaaienden
+ceder-boom. Wivina keek door 't venster over het kerkhof; en de
+wegelingskens waren als beken. En zie! groot was heur verwondering
+een pater te zien aan het kapelleken van O. L. V. van Zeven Weeën,
+schuilende achter het gordijn van lekken die van het schaliëndaksken
+dropen. Hij was blootshoofds en zijn pij plakte aan zijn lijf, nat als
+een dweil. Wivina verschoot. Het wierd heur zoo vreemd te moede. Ze
+dacht aan Sinte-Franciscus en ze voelde zich zijn dienst-maagd. Ze trok
+heur rokken even op, wilde naar buitenloopen, door den regen plassen
+en den man verzoeken binnen te komen en zich te warmen. Maar toen ze de
+deur opentrok, stond hij al voor heur, mager als een geraamte, met een
+bleek lang gezicht en den dunnen baard lekend van nattigheid. Zijn pij
+was verscheurd en door de vouwen zag men zijn ingevallen lendenen. Zijn
+voeten waren beslijkt en gekwetst van de steenen en de doornen der
+wegen. Maar klaar waren zijn oogen en wonderzoet als kon men er den
+hemel door zien, en een glimlach opende zijn smallen purperen mond.
+
+Wivina heur hert bloeide open als eene leliekelk en een ongekende
+vreugde beving haar. Ze zakte op heur knieën, viel plat op den grond,
+kroop buiten door de plaskens, omhelsde de arme, zeere voeten.
+
+"Lof zij den Heere! om mijn broeder den regen die me den grooten
+Heyligen brengt! want hij is schoonder in den regen en den wind van
+het najaar dan de bloemen in de zon! Ik heb zijn voeten omhelsd en
+het slijk gekust, want heilig is de Armoede die 't herte vrij-maakt
+en weergeeft aan den Heer!"
+
+Aldoor viel den regen en Wivina heur kleeren waren doorweekt. Maar
+ze voelde het niet, zóó was heur hert ontstoken van liefde.
+
+En Sinte-Franciscus hief heur van den grond.
+
+"Zuster, sta recht!... zie de regen kust het stof van mijn wezen
+en wascht mijn pij! De regen drenkt de aarde en is de zegen des
+Heeren! Geloofd zij den Heer! om den regen! Zuster! die ons wascht
+ende zuivert!"
+
+Toen zijn ze binnen gegaan. De tapijten waren nat van hun voeten en
+'t bekleedsel der eiken, hooggerugde stoelen bekeuzeld van het water
+hunner kleeren.
+
+"Zuster! Zuster!... wat bedieden die pottekens en de lappekens
+en de kleedjes hier? De menschen hebben het gemaakt en ze hebben
+de werken Gods vergeten. Hoe veel schoonder zijn de blommekens en
+de kruidekens! en de wolken en de stormen die spreken de tale van
+Onzen-Heer-God! Luister naar Zijne stem, Wivina! Geef deze dingen
+aan den armen opdat ze, er geld van gemaakt hebbende, brood en
+kleedsel voor koopen!... Steek uw hert buiten dit graf van een huis,
+Zuster, zie op naar de zon en de maan en de sterren en den regen,
+vergeet dat ge zijt een menschenkind, om te worden een kind van
+God!... Zuster! verlaat dit huis!... en dien die edele Vrouwe Armoe
+die is het wezen van God zelf!"
+
+Wivina voelde de woorden in heur hert dringen ze voelde de bekoring
+der vrijheid in de Armoede en ze kon wel seffens worden het Gods-kind
+waarvan sprak Sinte-Franciscus! Ze look heur oogen van 't geluk, zag
+zich gaan langs de wegen, kommerloos levend in den Heer! Hem dankend en
+lovend als de leeuwerik in de locht, en al de vogels en de konijntjes
+en de vossen en de wolven heur vrienden! Ze zou alles doorstaan met
+hem, den grooten Heylige, kou en honger, met verlodderde kleeren dat
+de wind er door heen kon, 't was allemaal lijk door een rozentuin,
+als ze maar met hem mocht mee gaan!
+
+En in die uitspruiting van innig geluk en zaligheid riep ze geknield:
+
+"O! Sinte-Franciscus, laat mij meegaan met u! ik zal u volgen langs
+de doornenwegen, voor u bedelen en aan de molensteenen draaien! Mijn
+handen zullen dik zijn van de blaren, mijn fijne vingers afgestompt
+als teenen en mijn voeten gezwollen van de kou! Maar laat mij meegaan
+en den glans van uw groot licht in mijn oogen dragen!"
+
+De tranen liepen over heur wangen, en heur woorden versmoorden
+in snikken.
+
+En Sinte-Franciscus sprak:
+
+"Ik dank u, maar om mij moet ge niet meegaan, wel om God, in
+wiens handen ik maar een nietig en luttel gersken ben. Ik ben van
+waereldschen komaf en mag uw liefde niet aanvaarden, Zuster! Geef
+uwe liefde aan God! Kom mee met mij, maar eerst moet ge arm zijn,
+als de bloemen des velds, zij bezitten geene schatten. Morgen roept
+ge de arme menschen te saam en ge geeft hun al wat ge hebt. Ze zullen
+blijde zijn want de tijden zijn zwart, het graan is dor in de schuren
+en de aardappelen zijn rot; ze zullen uwe schatten verkoopen en hun
+winter zal warm zijn van stil geluk. Doe het, Zuster in den Heer Jezus,
+morgen kom ik u halen!"
+
+Ineens verdween hij en waar hij gestaan had, vlekte het dubbele
+bloedplasje van zijn heilig-doorwonde voeten.
+
+
+
+
+III
+
+En den anderen dag liet ze de arme menschen komen en na den noen zag
+het Begijnenkerkhof zwart van het arm volk: vrouwen met schreiende,
+bleeke kinderkens op den arm; vuile venten met ongeschoren gezichten
+en pruimenden mond; kreupelen op krukken en lammen gezeten in bakskes
+op wieltjes die ze met twee houten strijkijzers voort-stompten;
+zieken bleek en mager als de dood; bulten, zatlappen, vechtersbazen,
+zonnekloppers en honderden kinderen. Ze groeiden er als uit den grond
+en met processiën kwamen ze aldoor afgesukkeld. Ze stonden er zoo
+opeengedrumd dat men wel over de koppen kon loopen.
+
+En Wivina, die van achter de groene ruitjes al dit wachtend, gulzig
+volk zag was er danig van ontroerd. Zij had pijn in het hoofd. En
+in heur hert streed het lichaam tegen de ziel. Ze kon heur gedachten
+niet bijeen houden, lijk zotte bokken sprongen ze door malkaar. Al die
+schoone potten en 't weefwerk eerbiedweerdig als relikwieën, 't zou
+nu in die vuile handen gaan en verkocht worden voor wat steenkool,
+aardappelen, zwart brood en misschien ook voor jenever. 't Zou
+in andere huizen verloren staan en in gruis vallen van verdriet,
+om de troeteling der zoete gepeinzen en woordeken die ze moesten
+missen. Woonden deze capucienen-serviezen, Indische kastjes en doosjes,
+Delftsche vazen niet als broeders ondereen, die door hun gedurig
+samenzijn elkanders weerde verhoogden? Wat bleef er over van den
+ouden gobbelijn in het huis van den eersten den besten kruidenier,
+als de andere voorwerpen er niet bij stonden? had het dan nog meer
+weerde dan een beeldeken van een cent?
+
+Ja, ze zou ze geven, om den Sankt te volgen, maar bij poozen wenschte
+ze wel, dat al dien luister van haar nobele, roemrijke voorouders in
+gruizelementen vloog, liever dan bezoedeld te worden. Er ging een priem
+door heur hart als ze dacht hoe de kopjes en tassen waarin hun dubbel
+wapen gebakken stond, op arme-menschenschapraaien zou staan of ievers
+in een stamineeken. Sinte-Franciscus vroeg het en ze moest het geven!
+
+Buiten klonk het luide spreken tot een gemompel en dan tot een geroep.
+
+"Gade nu beginnen, juffrouw begijn? of houde gij ons voor den zot
+misschien?"
+
+Ze kwamen op heur ruiten kloppen, schopten tegen de deur.
+
+"Komde nu voor? zeg?..."
+
+Ze ging loom naar de deur, maar zie, daar stond het vaasje Davids in
+zijn schrijn van wit fluweel. Ze had er reeds zoo dikwijls aan gedacht,
+maar telkens had ze het afgeweerd. 't Gaf heur zoo'n pijn! Nu stond
+het volk vòòr de deur, het uur was aangebroken en ze moest nu álles
+weggeven. Heur hert begon te kloppen en 't was of er een vlam door
+heur hoofd sloeg. Ze drukte het vaasje tegen den mond en ze weende.
+
+"O! wonder ding! gij gaat van mij niet af; niemand zal het weten,
+niemand zal het zien, hij zelf niet!"
+
+Ze stak het vaasje in heur borst-doek, klopte heur kleedsel fijn en
+zeer verblijd om den plotselingen vondst het duurbare vaasje toch te
+kunnen behouden, trok ze de deur open.
+
+Een blij gejuich steeg uit den drom en duizend armen gingen boven de
+begeerige uitgerokken koppen. Ze staken de handen uit en vuur kwam in
+hun oogen. Ze gaf alnaargelang ze het vond. Aan die een Japansche
+vaas, geen een theeservies gewikkeld in florentijnsch weefsel,
+die een oostersch tapijtje, een ander een torentje telooren. En
+het volk kwam dichter onder groot geroep en gestoot en duwde Wivina
+binnen. Mannen die blind schenen waren het ergste, er waren kreupelen
+die hun krukken wegwierpen en lammen die uit hun karreken sprongen
+en loopen konden. 't Was lijk het leste oordeel, een waar mirakel. Ze
+drongen binnen, vulden de kamers, vroegen niets meer, maar grabbelden,
+stolen en pikten en daar was ruzie om den gobbelijn om den lutrijn dan
+en weer om het zilverwerk. Oud, gouden geld rinkelde op den vloer, er
+klonken vloeken, kletsen en ruwe kreten, er wierd gevochten, mannen
+rolden van de trappen, vazen en potten braken, kinders en vrouwen
+kresten en er sloeg bloed op den muur. Men liet ze vechten, men pakte
+maar, men scheurde het kostelijk leder van den muur, gaf stoelen door
+de vensters aan, de schilderijen werden boven de koppen gestoken en
+weggedragen, men wierp volle winkels uit het zoldervensterken en eer
+'t een half uur verder was, reden ze met hun buit weg op steekkarretjes
+en kruiwagens. Het pleintje was verlaten. Hier en daar lag een stuk
+stoel of teer-gekleurde scherven.
+
+Een stond er nog, die niets had gekregen. Het was een bleeke jongeling
+met fijn haar en met eeuwen verdriet op het magere gelaat. Hij stond
+bij de deur, rillend van kou. Wivina was gelukkig in heur huis, leeg
+als een notedop, om de vreugde van 't bewaarde vaasje en de komst van
+heuren Bruidegom. Nu bezat ze geen knop meer, en ze verwachtte hem,
+den Vader der Armoe.
+
+De avond ging komen. Het begon heur te verwonderen dat hij niet
+kwam. Ze keek naar buiten en zag den bleeken jongeling staan.
+
+Zij ging er heen en vroeg:
+
+"Man, wat staat ge hier te doen?"
+
+Hij meende te spreken, maar schoot in een hoestbui. Als 't uit was
+zei hij hakkelend en met verdriet in de stem:
+
+"Ik heb nog niets gekregen".
+
+Zij verschoot, dacht aan het Davidsvaasje, het eenigste wat ze nog
+bezat en ze loog:
+
+"Maar man, ik heb niets meer!... niets!"
+
+"Ge zult nog wel iets hebben, Zuster! zoek maar eens
+als-'t-u-belieft. Ik ben alleen met mijn vader en we zijn allebei
+ziek. Zoek maar eens als ge wilt?"
+
+Hij bad zóó smeekend, om den duivel zijn hart warm te maken. Maar
+Wivina, al weende ze om zijn ellende, kon het laatste niet geven,
+en ze sprak met brekende stem:
+
+"Man, ik heb niets! zoek! kom binnen!"
+
+"Neen, 'k blijf hier. Gij zult nog wel iets vinden."
+
+Ze keek uit of Sinte-Franciscus nog niet kwam. Dan zou ze van dezen
+man af zijn, die een wonde slaan wou in heur hert.
+
+Maar de avend viel met den regen en de Heylige kwam niet. Roerloos
+bleef de jonge man tegen den muur geleund en af en toe, met pijnlijk
+vertrokken gezicht, spuwde hij zijn hoest-buien uit.
+
+Wivina weende, omdat hij niet kwam, dien ze verwachtte. Zou hij
+'t weten van het vaasje? En indien hij het wist, wat gaf hij om
+een vaasje? Ze hield het niet om zijn uiterlijke waarde, maar om de
+historie die was als de ziel van het kleinnood. Het hoofd beroerd
+door woelige gedachten sliep ze in op de bloote plaveien en als ze 's
+morgends wakker wierd stond de jonge man er nog. Hij tempteerde haar
+en ze begon het huis af te zoeken, van op den zolder tot in den kelder,
+om toch nog maar iets te vinden. Maar ze vond niets dan gebroken goed.
+
+"Vriend, zei ze, ga naar menheer Pastoor, hij is rijk, hij zal
+u geven".
+
+"Die geeft niet, zuster! Och zoek toch eens goed! Ik ga sterven!"
+
+Ze weende zich zot om de ongeloovigheid van den man en om
+Sint-Fransiscus die niet kwam. Ze kreeg honger. Ze ging naar Menheer
+Pastoor om een boterham. Maar hij wist van Sint-Franciscus niets en
+viel ruw tegen haar uit.
+
+"Zijt ge nu zot geworden? om al dat gepeupel op 't Begijnhof te roepen
+en er al uw schatten en kostelijkheden aan te geven, in plaats van
+aan ons arm kerksken. 'k Zou me doodschamen. Alleman zegt dat ge zot
+geworden zijt en 'k zou 't gaan gelooven ook. Ik zal naar den doktoor
+gaan en u naar Gheel doen sturen! Zijn dat nu manieren?"
+
+Ze beet op de lippen, boog deemoedig het hoofd, gelukkig om de
+vernedering en om den heilige die komen zou. Vaagjes ging ze weg. De
+pastoor riep heur achterna:
+
+"Naar Gheel! ja! naar Gheel!"
+
+Naar heur huis, waar een blind peerd niets kon omverloopen ging ze
+niet, uit vrees voor den armen jongeling die heur vaasje wou hebben. Ze
+ging naar de Begijnenvest om te zien of Sinte-Franciscus nog niet kwam,
+maar de velden waren verlaten in den ijzigen mot-regen en er was geen
+levende ziel te zien. Zij bleef wachten, geduldig. Zij wandelde door
+slijkerige wegen, langs den Nethedijk, en door de zompige beemden. Ze
+was nat tot op het vleesch en de honger pletterde in heur lijk een
+zwaar gewicht. Ze kloeg niet. Als hij maar kwam, haar verloofde,
+die heur zou leiden door de grasperken en hovingen des hemels,
+dan wilde ze alles wel uitstaan. De vroegen avend viel in en met
+rood-bekreten oogen keerde ze terug naar heur ledig huis. Zij kwam
+drie begijnen tegen, die heur achterna keken en spottend lachten. De
+arme jongeling stond nog aan de deur, even geduldig en kalm als den
+eersten keer. Weer ging zijn hakkelende stem.
+
+"O! Zuster Wivina geef me toch ook iets! Ik durf naar mijn vader niet
+gaan met ledige handen".
+
+En ze zei, met de handen op de borst:
+
+"Ik heb niets, niets!"
+
+Ze deed de deur goed toe, maar dien nacht heeft ze geen oog
+geslapen. 's Morgens was zij bleek en zeer mager geworden van
+ontbering, pijn en verdriet. Het was nu den derden dag. Ze ging buiten
+om ter mis te gaan. Het was nog half donker.
+
+"Hebt ge nog niets gevonden?"
+
+Hij stond er nog. Ze verschoot. Het vaasje woog als lood op heur
+borst. Zou ze het geven?
+
+"Maar man! ik heb mijn heel huis afgezocht en daar is niets! niets
+meer! Ik ben zoo arm als Sint-Franciscus".
+
+De jonge man was bedroefd en hij keek heur weenend aan.
+
+"Wivina, Wivina! als ge zoo arm zijt, dan zal het vaasje Davids wel
+luttel van weerde zijn als de steen der straten!"
+
+Ze liet een kres, begreep hem, vluchtte binnen. Ze haalde het vaasje
+uit heur borstdoek en zie! het was gelijk de steen der straten! kil
+en vuil, een halve kareel!
+
+Zoo lang ze was sloeg ze op den grond en heur hert was gebroken. Iemand
+maakte heur wakker met kloppekens in heur holle hand. Ze opende de
+oogen en Sinte-Franciscus zat op zijn hukken naast heur.
+
+"O! riep ze! ge zijt gekomen!"
+
+Ze werkte zich op de knieën, wierp den steen weg, kuste zijn kleed
+en besproeide zijn voeten met heur tranen.
+
+"Ja, zei hij, ik ben gekomen, maar ge zijt nog niet rijp voor den
+hemel, Zuster Wivina. Terwille van een luttel vaasken, een ijdelheid,
+hebt ge God en mij belogen. Ik was de arme jongeling".
+
+Ze sloeg de handen voor heur gezicht en huilde, verteerd door spijt.
+
+"Had ik dat geweten! Had ik dat geweten! Ik had het u zoo geerne
+gegeven!...o!"...
+
+"De kleine zielen spreken zoo, Zuster Wivina. Uw ziel is nog niet
+rijp. Bemin onze lieve Vrouwe de Armoe! leef om heurentwille
+en God zal u genadig zijn! Verlaat het Begijnhof, dwaal over
+de waereld en leef gelijk de voskens en de konijntjes en loof
+Onzen-Heer-Jezus-Christus! En de hemel is u toegezegd!..."
+
+Sinte-Fransiscus schoot in een blauwen wolk achteruit en verijlde in
+de smoor-lucht.
+
+'t Begijntje weende, maar heur ziel was licht en ze dankte God,
+verlost te zijn van het vaasken. En zie! als ze recht stond, en naar
+den kareel zocht, zag ze, dat het weer het vaasje was. En ze heeft het
+genomen en op de plaveien laten vallen en 't verging in scherven. De
+vreugde schoot als een vierken wakker in heur hert, ze glimlachte,
+stapte buiten, groette den ceder in deemoed en de kerk waar God woonde,
+groette de wolken en den mot-regen en zoo, met vroom en blij gemoed
+is ze door de waereld getrokken, God lovend en dankend.
+
+
+
+
+
+
+
+DE IVOREN FLUIT
+
+
+I
+
+Baldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf
+waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een
+builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond
+donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.
+
+Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid
+gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van
+'t Vagevuurstraatje--vlak over de woonstee van Agapieta die in de
+kerk de orgel speelde,--in een laag, vierkant huizeken, waarboven een
+schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht
+stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de
+blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoeken vulden, sleet hij zijn
+leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag
+hij 't straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door
+het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom
+allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde
+dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men
+onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.
+
+Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen
+geurden in 't licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn
+kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen
+genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms
+meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters
+gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: "Onze
+Vader!... Onze Vader!..." en nog vele "Onze Vader", want het volgende
+"die in de hemelen zijt" en vond hij nooit, hoe hij zich den geest
+ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten
+glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een
+gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende
+processies van martelaars en heiligen!
+
+'s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem
+gaf, in 't portaaltje van de pastorij; en 's middags haalde hij bij
+Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga's in 't zelfde
+huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen
+emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of
+de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den
+arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de
+konijnen van Gommaar, den koster.
+
+Zoo leefde hij door de dagen.
+
+
+
+En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de
+hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest
+voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...
+
+Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en
+vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den
+veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere
+wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van
+een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met
+een klaar lied.
+
+Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar
+de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem
+trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten
+fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van
+het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.
+
+En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde
+hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde
+een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage
+handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle
+verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken
+leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op
+een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken
+van den arm glijden en sloeg de handen saam.
+
+De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend
+rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: "Wat moete
+gij hebben?"
+
+Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd
+en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: "Nikske, mijnheer
+Pastoor... konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor".
+
+De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd
+gezeten was op een mossigen boomstronk, bracht hij het witte speeltuig
+aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen
+dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde
+muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen
+peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen
+opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete
+begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger,
+'t woud was al klank, 't was of alle boomen zongen, of 't allenkant
+kristallen klokjes luiden!
+
+Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het
+nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij
+een schraal muizenliedje!
+
+En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een
+wegperelend snoer van fijne trillers.
+
+"Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;" zei hij, "doe het ook alzoo"
+en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.
+
+Voorzichtig nam de simpele ze in handen, stopte de gaatjes
+dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en
+och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo
+zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos
+naar den heremiet tuurde.
+
+De heilige man hief de hand omhoog: "Ge moet aan God denken, mijn zoon,
+anders gaat het nooit".
+
+En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden,
+en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel
+zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen
+spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver
+en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij
+hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart,
+vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze
+gegiechel van zooeven, schril en spottend.
+
+"Kom morgen terug", zei de oude, "ik zal u leeren spelen. Als ge aan
+God denkt zal het wel gaan".
+
+Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord
+had! Hij haalde zijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen
+man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:
+
+"Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga
+nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit".
+
+En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op
+en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal
+van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen
+als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende
+blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!
+
+En elken dag trok hij 's middags de bosschen in, en elken dag werd
+klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder
+'t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en
+zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den
+heiligen heremiet, Valentinus genaamd.
+
+Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.
+
+En op een dag--de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was
+klammig en hing als een blauwe smoor onder de bolle boomen--vond
+Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos,
+in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als
+passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus
+gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: "Baldwienus,
+jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar 'k wil Hem nog eerst danken
+om 't leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn,
+begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen
+gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus,
+en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning
+Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het
+vuur der Hel zal hen verslinden!..."
+
+Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den
+mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.
+
+Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en
+zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.
+
+Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol
+zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen man
+zachtjes ingelegd. 't Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde
+die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen,
+lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken
+van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden:
+"Onze Vader... Onze Vader..."
+
+Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in 't loover
+der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas
+en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.
+
+Nu zou hij kunnen bidden!...
+
+En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus
+zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield
+de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den
+gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren,
+als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige
+oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en
+de sterren.
+
+De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan
+den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God, en
+langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid
+van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten
+ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen,
+slikten hun orgelende tonen in en luisterden.
+
+Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en
+kwezels, die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid
+van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en
+bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied
+over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het
+vrome volkske dacht aan een mirakel...
+
+Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over
+den heiligen Moyzes--die in Ethiopië leefde want hij was zwart
+van koleur--voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde
+heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur
+maan-beschenen handen de witte toetsen van 't klavier, toen het lied
+zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete
+en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht
+rondde de zilveren maan, en op daken en geveltjes lag de kleerte als
+een ijle, glanzende poeder...
+
+Was het de maan die zong?...
+
+En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur
+orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende
+muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens
+op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en 't wierd heur of
+ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde
+in een gouden klankenstraal die rees... rees...
+
+Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog
+zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaag en sloot zich met
+een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer
+in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...
+
+Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten
+vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou
+neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus
+toeslaan... t'allenkanten gingen er vensters dicht... en in de
+veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. "Och",
+dacht ze, "zoo iets laat zich geen twee maal hooren". Ze legde zich
+te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse
+tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven
+engel die hier gemusiceerd had.
+
+Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen
+Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo'n schoonen zang van een simpel
+aarde-kind te ontvangen!
+
+In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een
+blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte
+vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de
+aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in
+de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat
+zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen
+door de stuwende golving van 't orgel, zou laten perelen uit de hooge,
+zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen
+voorzingen wat ze 's anderendaags spelen moet ter eere van dezen of
+genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!
+
+En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de
+andere zusters.
+
+Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen
+bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden
+tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes,
+beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen
+in de mis en 't heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!
+
+In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden
+koffie. Ze glimlachte hoogmoedig toen ze "goen morgen" zei. Maar
+als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste:
+"Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?" Ze wierd wit van
+'t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus
+de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan
+tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze
+niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren
+vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde
+heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den
+heerlijken, nachtelijken droom.
+
+En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het
+streng-geplooide laken, den Heer om jonge kracht opdat heur spel nog
+schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst,
+terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun
+ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in
+de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de
+hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de
+wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het
+lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den
+druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het
+plechtige orgel, dan 't eentonig gefluit...
+
+Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op 't oxaal. De
+kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen,
+kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit
+ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen
+'t belgerinkel en den wierookgeur naar 't altaar stapte, deed het
+heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan
+te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de
+kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleiding
+voor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en
+weder-zang, 'n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes,
+weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta
+alleen zou spelen.
+
+Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed
+en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de
+hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen
+herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk--maar ze
+voelde het zelf wel!--de melodij had niet meer de felle verzuchting,
+den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat,
+hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De
+menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De
+zeven zangeressen zagen niet eens op.
+
+Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de
+toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een
+baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De
+ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze
+bonkte bijna van spijt om heur onmacht...
+
+Een begijntje kwam heur aan de mouw trekken om heur diets te maken
+dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.
+
+Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw
+geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere
+stemmekens.
+
+En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om
+heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur
+af, in 't kerkportaal, en sprak: "O Agapieta ge hebt het heilige
+lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil,
+Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school
+gegaan zijn!" Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt,
+antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed
+is neergestort en God bad om te mogen sterven.
+
+Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen,
+heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten
+van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere
+aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding
+en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren
+en tusschen de zwarte stammen der vesteboomen steeg een botergele,
+bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend:
+"Goen avond, Agapieta". En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke
+mijmerij, het hoofd boog al groetend: "Goen avond, juffrouw", was
+het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het
+heilige lied openging als gisteren avond.
+
+Agapieta schrok geweldig.
+
+Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige
+deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig
+verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om
+te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op
+de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge
+voeten naar het groene deurken, keek door 't sleutelgat. God in den
+hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend
+een witte fluit!...
+
+Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele
+Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste
+orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.
+
+'t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenscht had was op heur
+stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: "Mag ik ook eens zien,
+juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus
+toch niet?"
+
+Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde:
+"Niets!... niets!... 't is de duivel!"...
+
+Ze meende dat 't begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van
+Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo
+wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...
+
+Maar 't begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: "Mag ik dan
+den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!..." en
+meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze
+schreeuwde heur verbazing uit: "'t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat
+verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. 't Is Baldwienus
+die aan 't fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een
+mirakel!"
+
+Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de
+andere begijnen.
+
+Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het
+poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heur
+krachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet
+te vallen!
+
+Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe
+daken.
+
+En zie, ginder aan den hoek, langs de maan-beschenen huizekens, kwamen
+begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos
+tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór
+het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze
+God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied
+vertrilde in den ijlen avond.
+
+Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra
+steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk
+spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door 't
+sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder
+elkaar om bij 't poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en
+ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta
+op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.
+
+Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek
+met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late
+geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe. Toen viel er een eerbiedige
+stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken
+maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken
+en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.
+
+Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn
+en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het
+"Zalig de armen van geest" en besprekend het schoone lied dat Agapieta
+van verrukking bedwelmd had!
+
+Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend
+allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en
+hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de
+zilverstukken die ze gespaard had.
+
+En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op
+zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen
+hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want
+'t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge
+beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:
+
+"Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waarop ge gisteren avond zoo
+schoon gefloten hebt?"
+
+"Ja, juffrouw Agapieta".
+
+Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de
+ivoren fluit.
+
+"Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen
+woonde. Nu is hij dood en begraven".
+
+Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit
+langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!
+
+"En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?"
+
+"Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God
+zie hoe schooner ik speel!"
+
+"Ziet ge God, Baldwienus?"
+
+"Ja".
+
+"Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?"
+
+"Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja." En beiden dachten aan
+God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken,
+de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam
+openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde
+een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een
+rood-glazen appelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit
+en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard
+golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag
+een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten,
+houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood
+kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd,
+en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten
+de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen
+op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.
+
+Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles
+verdween, en Agapieta bevond zich weer in 't armzalige keukentje,
+naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.
+
+Agapieta weende en snikte:
+
+"Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld
+geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!"
+
+Hij schudde den dikken kop en sprak:
+
+"Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal,
+dan krijgt ge ze..."
+
+Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn
+vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.
+
+De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen
+klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!
+
+Hoe toch in 't bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere
+gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en
+vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit
+wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar 't kwam telkens terug en
+'t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en
+'t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.
+
+En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:
+
+"o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van
+Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de
+gaarden Uwer Hemelen".
+
+Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen
+kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze
+verkneukelde zich aan 't genot dat ze hebben zou, God en al zijn
+heiligen te zien zoolang het heur lustte. De fluit zou haar laten
+leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen
+als een van God-gezegende die vizioenen heeft!
+
+
+
+
+II
+
+En de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta's hoofd want
+hij stierf niet, de simpele.
+
+De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en
+vensters gingen dicht en Baldwienus speelde 's avonds voor zich alleen,
+met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand
+het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn
+de legenden der heiligen te lezen.
+
+De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde
+heur ijver in 't bidden, droeg communies op in deze intentie, hield
+noveen na noveen, maar 't kortte niets... Ze begon soms te wanhopen,
+dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en
+knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.
+
+En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de
+zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede
+weer en de open avonden gingen herbeginnen en Baldwienus zou weer
+in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen
+laten stralen!...
+
+Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien
+tijd! Zij moest die fluit hebben!
+
+Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat
+ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest
+voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van
+het groen.
+
+Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in 't koperen emmerken
+zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of
+er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool
+opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en
+verhoogde heur kansen!... Maar lacy! 't en deerde Baldwienus niet!
+
+De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde
+groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat
+werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon
+Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....
+
+Paschen naakte. Op dien heiligen dag zou men het zes-honderdste
+Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van 't Begijnhof. Er
+zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en
+vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën
+verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.
+
+En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne
+ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor
+met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk,
+schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.
+
+"Ja, ja", zei hij, "juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in
+de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te
+verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een
+purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal
+schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In
+de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult
+ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt
+dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?"
+
+De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.
+
+Maar Agapieta keek niet op. Ze hield den adem in, kneep de oogen
+dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om
+den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar 't en baatte niets en ze
+viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...
+
+De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:
+
+"Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn..."
+
+Hij ging heen alsdan.
+
+De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde
+zoodat Baldwienus niet spelen kon 's avonds in zijn hofken.
+
+Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den
+dood van den simpele.
+
+Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen
+mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In
+den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten
+waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.
+
+
+
+Als een waaier van vloeiend licht vulde de morgen den smetteloozen
+hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet
+en 't Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge
+Lente woei zoete reuken over het land.
+
+Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het
+licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!
+
+En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den
+Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden,
+de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus
+in de hoogmis maar niet spelen liet!...
+
+Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.
+
+Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan
+de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met
+rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden
+groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden
+pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een
+brandende braambosch van al het licht.
+
+Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op 't oxaal. Heur asem ging
+snel en diep als van iemand die sterven gaat en ze moest telkens met
+geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.
+
+Er kwam veel volk naar de mis.
+
+De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte
+Baldwienus met de fluit onder den arm...
+
+Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf
+moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...
+
+De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje
+uit de sakristy vóór 't altaar verschenen, botsten opeens haar handen
+als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen
+daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan,
+maar hun stemmekens versmoorden in 't felle geronk.
+
+Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.
+
+Baldwienus zou nu spelen.
+
+Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek
+verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...
+
+Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het
+wondere lied door de ademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als
+de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den
+hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was
+als een lentewind in 't jonge riet.
+
+Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.
+
+Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen
+leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten
+haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden
+uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele
+omkransten...
+
+De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar 't oxaal, gansch
+verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept
+dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de
+hoofden geheven, en naar 't oxaal staarden als in een droom. Zelfs
+de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een
+oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.
+
+Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze
+keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand
+bewust... God! Baldwienus' spel! wat had het uitgewerkt op 't devote
+begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open
+nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de
+mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden
+in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze
+lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...
+
+Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...
+
+Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging
+rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing
+een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...
+
+En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche
+psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch
+dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug
+naar God keerden...
+
+Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.
+
+Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had,
+zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van
+smart. Ze stond bij de vier andere begijntjes die ook droeve mysteries
+verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met
+vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren
+die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het
+blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid
+en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.
+
+De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en
+roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome
+lieden. De lucht zinderde van 't bronzen gelui der klokken.
+
+En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon
+van levend vuur, in de peerse schaduw van 't blauwe baldakijn, uit de
+kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de
+wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch
+aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele
+haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij
+der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte
+kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter
+kerk was nog niet pijnlijk genoeg geweest! nu moest ze Jezus-Kristus
+verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken
+is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....
+
+Maar als ze aan 't Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen
+kop uit 't vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp
+op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...
+
+Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.
+
+En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14
+mysteriën.
+
+
+
+De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het
+volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten
+over het land en zoete geuren hingen allerwegen.
+
+Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn
+bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij 's noens om eten kwam, hoe
+zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder
+en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij
+was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan
+toch te verhooren. Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.
+
+'s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote
+geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen
+luisteren en zij hen God zou laten zien.
+
+En zie, op een zekeren dag kwam de simpele niet op 't middaguur. De
+drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta
+lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe
+voeten naar het huisje van Baldwienus.
+
+Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg
+om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden
+kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.
+
+Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: "In een
+gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou..."
+
+Ze knikte hem toe, troostende: "Het zal wel beteren,
+Baldwienus". Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere
+zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.
+
+In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes
+die geknield rond het ziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De
+pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar
+hij onnoozel was en communiceerde hij niet.
+
+Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.
+
+Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.
+
+Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden
+aangestoken nevens 't hoofdeind en de Pastoor bad de litanie van den
+Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in 't midden van 't
+gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:
+
+"Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!..."
+
+Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en
+gaf ze hem.
+
+Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden
+klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.
+
+Hij zuchtte.
+
+"Ik kan God niet meer roepen... 't Is gedaan. Agapieta, hier is de
+fluit... Gij zult God zien!"
+
+Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen
+heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.
+
+De pastoor las voort het onderbroken gebed:
+
+"Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias
+van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!..."
+
+En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z' is recht naar den
+hemel gegaan.
+
+
+
+Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur
+kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had
+de lang gewenschte fluit nu en in 't groote geluk van dezen oogenblik
+verging heur vroeger wee en leed.
+
+Ze had zoo'n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen
+muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals
+ze Hem eens gezien had! Maar 't was verboden muziek te maken op 't
+Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van
+begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...
+
+En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit,
+kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.
+
+Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig
+door de gordijnenspleet naar de fluit die lijk een streep klaar licht
+op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...
+
+En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en
+streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel
+klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken
+dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies
+ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in
+de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een
+schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in
+de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen,
+stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn
+groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich
+en sprak lijze:
+
+"Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven
+hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!..."
+
+En dan verdween hij.
+
+Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en
+geen klank kwam er door. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze
+besefte de waarheid.
+
+Zij was de schuld van Baldwienus' dood. Zij had voor zijn dood gebeden,
+gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem
+gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen
+haat! en zij was zondig voor den Heer!...
+
+Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur
+hert kromp ineen van schrik...
+
+Ze viel plat neer op 't kouwe plankier en ze snikte. Zij was
+moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij
+had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden,
+zij zou de hel in!...
+
+En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in 't gezicht vol
+afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest
+en daarvoor is er geen vergiffenis!...
+
+Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed,
+snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor
+het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van
+den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogen
+streelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in
+heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn
+nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning
+maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!
+
+Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de
+roode en blauwe daken van 't Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus
+begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta
+kon niet meer bidden! 't Was nutteloos! En alle begijntjes knielden
+neer in 't gras wanneer men op 't kerkhof, in 't hoeksken nevens
+de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden
+allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis
+alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen
+losbarstte.
+
+De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten
+gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te
+vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen
+een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het
+was toch onmogelijk.
+
+Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof
+den Pater--die een preek hield over den H. Paulus--hoorde zeggen dat
+van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die
+ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.
+
+Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde. Hoe snel vloot heur
+bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten,
+boeten! heur heele leven als er maar 'n greintje hoop gegeven werd
+terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan
+biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor
+in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van
+harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...
+
+En 's anderensdaags trok ze van 's morgensvroeg naar een stil dorp
+dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had
+voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de
+fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige
+oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben
+en hij legde heur een groote boete op. Hij berispte heur nog eens,
+herhaalde de boete en gaf heur den zegen.
+
+Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de
+vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.
+
+Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet
+verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!
+
+En dien zelfden avond nog speelde zij.
+
+Het deemsterde over 't Begijnhof en op de witte geveltjes lag de
+rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere
+vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit
+de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken
+en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten
+stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.
+
+Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een
+nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen
+hij sprak van "God zien". En zuster Agapieta vertelde alles.
+
+De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge;
+die Heilige Baldwienus toch!...
+
+En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:
+
+"Kunde gij dat ook, juffrouw?"
+
+En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde
+triomfantelijk:
+
+"Ja! ik kan dat!"
+
+Ze smeekten te gare:
+
+"Doe het dan, juffrouw Agapieta!..."
+
+En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van
+menheerken Valentinus den heremijt.
+
+Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de
+begijntjes, die vóór het hekken stonden.
+
+Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank
+was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende
+begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel
+zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het
+duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.
+
+De begijntjes weenden van geluk.
+
+Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun
+goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta. Hij bracht
+de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit
+zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.
+
+Het bliksemde en het visioen sloeg weg.
+
+Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta
+als een brandende braambosch in heur deurgat.
+
+De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.
+
+En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een
+blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een
+ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van 't begijnhof
+liepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder,
+om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij,
+men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij
+schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:
+
+"Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien
+en wist niet dat er geschreven staat: "Wie God wil zien moet sterven".
+
+En alle zusterkes die daar nog stonden, knielden neder en baden
+voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig
+gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd,
+de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.
+
+En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en
+nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel,
+heel klein putteken.
+
+
+
+
+
+
+
+DE AANKONDIGING OF DE STRIJD TUSSCHEN ELIAS EN DEN ANTIKRIST
+
+
+I
+
+De dagen van verschrikking en beeldstormerij waren sedert onheuglijke
+tijden van het begijnhof verdwenen, en zij, die ze beleefd hadden,
+lagen in de kerk onder de kille steenen begraven.
+
+Nu was er rust en vrede over het begijnhof en de goede lucht hing
+vatbaar in de straten.
+
+De witte winters, waarin de lange gebeden doorvoeld werden, gingen
+zonder geluid voorbij en de zomerzonne was als een gat in den hemel
+waaruit alle de goedheid des Heeren leekte in deugddoende vlammen, die
+de simpele begijnen-hartjes met de hoop der zaligheid verwarmden. En
+'s nachts, wijl alles in droom verdoezelde, stond de maneschijn als
+een groote zegen op de witte gevelen. En geen hart in die stilte
+vermoedde wat komen zou.
+
+Slechts Menheer Pastoor, met zijn grijze hoofd voelde dat onder
+deze gedegen rust een onheil opgroeide, maar hij kon niet bepalen
+wat het zijn zou. Soms dacht hij dat Sodoma en Gommorha uit de hei
+zouden oprijzen en dan kneep hij zijn oogen dicht van benauwdheid en
+bad het Sint-Jansevangelie... dan weer peinsde hij op al de slechte
+driften die ópspoten in Babylon, en zoo aan alle zonden die 't arme
+menschenhert komen tempteeren... maar bepaald en wist hij niets.
+
+Op een dag dat men hem een nieuwen tikkenhaan thuis bracht vond hij in
+de doos een dier slechte gazetten, die al te veel gelezen werden! Hij
+had er nooit een in handen gehad, want hij leefde te veel in God en
+verlangde naar geen wereld... en hij, zoo zwak daarbij en de verleiding
+zóó sterk! Hij wilde de gazet wegwerpen maar de nieuwsgierigheid
+steeg... stéeg... wat gebeurde er daar buiten zooal?... en na een
+kruis geslagen te hebben, las hij aandachtig...
+
+Hij schrok voor de godslasterende gedachten, die vóór zijn oogen,
+zwart op wit, te lezen stonden: "Kristus heeft het gezegd, eens zal
+de Antikrist komen!... Hewel! laat het ons vrijvrank zeggen, pogen
+wij het geslacht te zijn waaruit hij zal geboren worden, waaruit hij
+zal opstaan om de heerschappij van ál wat nu is omver te werpen!..."
+
+Hij rilde! 't was of de donder vóór zijn voeten neer sloeg! en bleek
+lei hij 't vuile papier weg!...
+
+Nu wist hij wat sinds zóólang in zijn brein aan 't wroeten was, nu
+kende hij 't onheil dat knaagde en groeide onder de schijnbare rust
+van 't slapende begijnhof!... de Antikrist!...
+
+En de goede man, die leefde voor de zaligheid van zijn begijntjes,
+kon er bijkans niet meer van slapen en als hij even sluimerde,
+spookten voor zijn oogen de gruwbare zonden die 't goddelijk vuur
+uit den hemel riepen...
+
+'t Was de Nethe die achter het Begijnhof naar den einder spoelde, die
+wies en stijgende over de dijken in 't land bruiste, alles meesleurde,
+boomen en boschjes, die de poorten openklotste en de stille straten
+schuimend overwaterde, de huizen binnenspoot, de trappen op, altijd
+hooger en hooger, spijts het klagende bidden der geloovige zieltjes,
+die door het kolkende water werden opgezogen... Hijzelf, staande op
+den toren, zag dat... En plots werd het water rood als menschenbloed,
+en aan den einder kwam een zwart schip aangezeild... De Dood stond aan
+het roer en op het vóórsteven rees als een zwarte zuil de Antikrist
+in een ovaal van vuil geel... En vóór 't Begijnhof gekomen zei hij
+tot den Dood: "Hier moet ik zijn"...
+
+Hij schoot wakker en toen rilde de oude Pastoor van angst en aan elk
+haartje bibberde een droppel zweet... Hij bad en vastte opdat die
+droom nooit waarheid zou worden...
+
+En hij las nog gazetten om het slecht te kennen en het beter te
+bekampen. Hij wist nu dat de zonde groot werd en zwol over de wereld
+en alle harten binnenspoelde, om te worden het groote water waarop
+de Antikrist de wereld zou binnenvaren... En hij voelde zich angstig,
+en kon zijn leed alleen niet opkroppen en hij vertelde over de nakende
+tijden aan de begijntjes, die sidderden en huiverden bij 't vernemen
+dat de zwarte dagen, erger als de zwartste tooverij en beeldstormerij
+van vroeger, weer zouden aanbreken!...
+
+Het teeken zou zijn een zonsverduistering. 't Zou plots in den
+dag donker worden en de duivels zouden over de wereld loopen lijk
+driftige wolven om in de menschen te komen.... Men moest dan in een
+vat wij-water springen om al de hollekes van zijn lichaam dicht te
+houden en drie paternosters te bidden...
+
+De rust week van 't Begijnhof en door de huizen slierde een angstige
+adem... Vroeger baden de menschjes uit devotie, uit liefde voor
+hun Hemelschen Bruidegom, nu prevelden ze gebeden uit vrees en
+angst... En de pastoor maakte een litanie tegen het gevaar voor den
+helschen Antikrist:
+
+
+ God die zijt de fontein van het goed, doorspoel de harten der
+ menschen opdat het kwaad er in verstikke.
+
+ Heilige Maria, Moeder Gods, leg uw tranen in de oogen der menschen,
+ opdat ze zouden weenen en niet bekoord worden door de ijdelheden
+ der wereld.
+
+ Heilige Hieronymus, zooals de steen waarmede gij uw borst besloegt
+ u terug tot God voerde, maak alzoo al de steenen waarmede bedekt
+ is de aarde.
+
+ Jesus Christus, Zoon Gods, die zijt het licht van de wereld,
+ schut onze oogen door uw licht, en we zullen geen ergernis zien.
+
+ Heilige Petrus, sluit met den sleutel van den Hemel onze harten
+ opdat de poorten der Hel tegen ons niets vermogen.
+
+
+Doch dat hielp niets. De vloed werd sterker en zou weldra de dijken
+overspringen, om de wateren der zonde in het land te spoelen, waarop
+de Antikrist moest komen aangevaren.
+
+
+
+Er leefden toen op het Begijnhof, drie begijntjes met schoone ongewone
+namen: Rodegunda, Hildegardis en Godelieve. Ze woonden saam in een wit
+huizeken achter den grooten Kalvarieberg, en ze leefden daar gerust
+in de gestadige aanwezigheid van Onzen-Lieven-Heer die gebroken in
+den schoot van Onze-Lieve-Vrouw, onder het lochte gewuif van zeven
+populieren op een aarden terpje, in witten steen gekapt stond. Sneeuw
+en regen, en zonneschijn en maneschijn tuimelden erover met wisselende
+krachten, maar het bleef wit als een bloem, en 's avonds liet een
+rosse lantaarn er zijn droeve licht op lekken.
+
+Een wegelken, tusschen twee rijen donkere cypressenkegels, leidde
+er naar toe, en er groeiden perkjes rouw-violen om het beeld. De
+wit-gekaleide huisgeveltjes blonken er rond boven hun welige hovekens
+en staken als de punten van een zilveren kroon tegen de blauwe lucht.
+
+Rodegunda, Hildegardis en Godelieve leefden zeer gelukkig hier, met hun
+gedachten van 's morgens tot 's avonds gekeerd in heur herteschrijn,
+alwaar hun Heer Jezus woonde.
+
+Ze kenden geen temptatie, en hun hert was licht als een zeepbelleken.
+
+Ze waren tevreden en zuiver was hun huis met de witte gordijntjes
+voor de in lood gevatte ruitjes, nederig plooiend over purpere
+belbloemen. Door het lage venster zagen ze hun hofken, de andere huizen
+en den Kalvarieberg als in een witten nevel, als omhuld met den adem
+van hun Lieven-Heer. Boven de schouw onder het zwarte Kristusbeeld
+hingen hun drie heilige patronessen met hun symbool, gekonterfeit
+door een vromen monnik uit Achel, in een geribde zwarte lijst.
+
+De drie begijntjes waren in de witte kamer als drie leliën die geurden
+naar den Hemel en in wier kelken 's Heeren gratie dauwde. Ze zaten
+altijd nevens elkaar en werkten kant met hun doorschijnende, rappe
+vingeren. Terwijl hun lippen de gebeden prevelden uit Petrus Ab Ischa,
+vergroeide de ijle kant langzaam tot slankbuigende bloemenranken die
+den zoeten naam "Jezus" omkransten.
+
+Het najaar kwam en de regen gieterde dwaas op het land, zoodat alles
+glom onder den triestigen hemel. De straten stonden beverig onder de
+rukken van een wervelenden wind en de linden slaakten bange kreten. De
+dagen gingen open en toe, grauw en kleurloos, en 's avonds schoven
+de begijntjes hun kantkussen onder de wit-porceleinen lamp. Daarna
+vielen de barsche weeren in met straffe vorst en 't kouwelijk volkje
+schoof dan bij de mechelsche stove die uit heur roode kaken warmte
+blies voor hun kille beenen en armen. Ze hadden er 'n bizondere deugd
+aan als ze bedachten hoe 't buiten kraakte en hoe de grachten en zelfs
+de rappe Nethe lagen geklemd in 't glanzende ijs. De sneeuw veranderde
+'t heele begijnhof met zijn witte geveltjes in een leliedroom en alles
+was wit en licht, slechts de saterskoppen onder de daken grijnsden
+zwart onder hun witte muts... De Kalvarieberg was wonder met zijn
+cypressen in hun sneeuwen huive, de zeven linden waren als zilveren
+koralen rond het pietabeeld.
+
+De musschen kloegen daarrond in de stilte en nu en dan scheerde een
+stoute kraai laag over die witte rust.
+
+En de drie begijntjes verwachtten vredig Paschen en de open klare
+Lente-lucht en de stilte moffelde hun herteken in een gedegen rust...
+
+Maar plots, twee dagen nadat Menheer Pastoor zijn vreeselijken droom
+had medegedeeld en den fellen schrik geplant had in 't hert der
+drie begijntjes, was in de schemering, vóór hun huizeken een vent
+gekomen in zwarten mantel, met op den buik een marsmand vol linten en
+garen. Hij had een jodenneus, een felle kin als een wijwatervatje en
+onder de randen van zijn breeden hoed, puntten lange ooren omhoog. En
+hij stond vóór het open venster waarin de avond schaduwen lei, en
+hij vroeg of ze wat koopen wilden.
+
+Maar zij, bedeesde kinderen Gods en dierven hun mond niet opendoen
+van schrik.
+
+En in eens, deed hij zijn mond open en vloekte! Hij spuwde een muis
+uit zijn hol bakkes waar één tand in geelde en ging loopen; en waar
+hij gestaan had, rook het naar solfer en pek...
+
+Zij hebben gehuild van ontsteltenis, hebben wijwater vóór hun huis
+gesprenkeld en de schoonste gebeden uit hun kerkboek gelezen...
+
+Sindsdien hebben zij den vrede maar zelden meer gekend, want de
+schrik voor den duivel zat in hun hert als een scherpe doren. Maar
+zij zochten een geestelijken steun bij Onzen-Lieven-Heer.
+
+In den avond, gebogen over hun kantkussen, baden ze voor den Hemelschen
+Nachtwaker die met zijn lantaren 's nachts door het begijnhof wandelde
+en waakte over zijn bruiden; of ze droomden Hem hovenier, in een
+wit kleed, die 't groene gestruik hunner hofkens bepinten kwam met
+roze bloemekens.
+
+Soms zongen ze een communie-lied van Hem. Hun drie stemmen rankten
+samen als drie guirlanden van witte pioenen en muurrozen.
+
+
+ Heer Jezus in der bruiloft kwam,
+ Van water maakt hij wijn.
+ Omdat wij zouden vroolijk zijn.
+ Geloofd zoo moet den bruidegom zijn!
+ Wijnken en nu gaat in!
+ Omdat wij zouden vroolijk zijn,
+ Dat is 't, dat hij begeert;
+ Heer Jezus is zoo'n milden weerd,
+ Hij betaalt wat gij begeert.
+ Wijnken en nu gaat in!
+
+
+
+
+II
+
+De winter was met al zijn boosheid uit het land gevochten, en na een
+pletsende regenvlaag straalde een opgepoetste zon in de teederblauwe
+lucht. De gewillige zwarte linden kregen genoegen in het lauwe weer
+en schoten dikke botten; en uit de zachte aarde der palm-omboorde
+tuintjes kwam het jonge kruid omhoog. De struiken en de wringende
+wijngaarden bedonsden zich met groene pluimkens, en onder donkere
+cypressen vonden de begijnen reeds violetten. In de vesteboomen
+sprenkelde het vogelenvolk zijn klare liedjes uit, dat men het hoorde
+tot op den Kalvarieberg. De klokkenklank kreeg een vollen toon in de
+frissche winden, en de harten der devote zielen joegen sneller als
+ze de goede lucht inademden. Nu kwam er licht en blij geluid.
+
+De drie begijntjes lachten. De angst week. Paschen hing in de
+lucht, hun harten waren vol hoop en bereidden zich voor het feest
+der opstanding. Hun zielen werden gezuiverd van de kleine zonden en
+waren als een hofken na den regen.
+
+Ze verhelderden als ze de klare zon door de open deuren op de witte
+muren zagen schijnen, en als ze opsnoven de frisschen geuren van het
+versch geboren groen. De boetetijd was meer een plezier dan een last,
+zoodat ze er zelfs den Antikrist bij vergaten.
+
+Maar als alles weer effen en blank was als een teeder vlies, viel
+alles weer uiteen.
+
+Op den avond van Sinte-Geertruide, als ze, nog half bedwelmd door 't
+zalig mediteeren over de Passie van Ons-Heer, de lamp wilden aansteken,
+werd er gebeld.
+
+Ze bezagen malkander vol schrik.
+
+Godelieve verstoutte zich, ging het gangetje in met de lamp, en schoof
+het spioengat open om te zien wie daar was. Door de traliekens zag ze
+het grijnzend gezicht van den ouden duivel. Met een gil sloeg ze het
+schuifken toe, en liep naar binnen, waar ze bewusteloos in de armen
+van haar zuster neerzakte.
+
+De vent stampte buiten tegen 't deurken, al maar door schreeuwend:
+"Ik deel uw bedde! Ik deel uw bedde!"
+
+O schrikkelijk was hun die nacht.
+
+Ze dierven niet gaan slapen, maar bleven op hun knieën bidden in
+de keuken, waar ze bij 't minste gekraak van een kast verbleekten
+en kreunden.
+
+De morgen bracht de kalmte bij Rodegunda en Hildegardis, maar Godelieve
+was er zoodanig door geschokt dat ze naar bed moest. Ze dronk warme
+melk met fijne boterhammen en 's avonds zachte lindenthee, om de
+zenuwen te stillen. Zoo bleef ze een heele week liggen, en kon den
+heiligen patroondag van Sint-Jozef niet vieren.
+
+Den Maandag daarop ging ze voor 't eerst tusschen haar twee zusters
+naar het lof. Uit al de straatjes kwamen de begijnen bij paren naar
+de kerk. Cecielken, het portiereske, vroeg belangstellend naar hare
+ziekte, en de weeskinderen, die tusschen de Marollen in rij uit hun
+klooster kwamen, zagen Godelieve glimlachend aan.
+
+Al die aandacht maakte haar duizelig. Ze had willen in den grond zinken
+als ze meende dat men over hare ziekte zou kunnen spreken. In de kerk
+zette ze zich hijgend op haren eiken bidstoel, en nam evenals de andere
+begijnen den zwarten doek af, en plooide een wit laken over het hoofd,
+dat in stijve vouwen, als de mantel eener gothieke Lieve Vrouw, wijd om
+haar heen hong. Zoo zaten de zeven en veertig begijnen op twee roten.
+
+Het lof zou beginnen. Ze bad den Heer om hem goed te mogen dienen,
+en verlost te mogen worden van al de perykelen.
+
+De zon stak de gekleurde vensterramen van den linkerkant in laaien
+gloed, en verfde op de witte, roerlooze begijnen heele plakken rood,
+geel en groen. Er waren in de kerk zachte geluiden van sleffende
+voeten, voorzichtig verschoven stoelen en piepende deuren.
+
+In de zijbeuken zaten de kwezeltjes met hunne zwarte kapmantels,
+terwijl in 't midden van de kerk, vóór het koor, de weesmeisjes in
+rijen geplaatst waren; de kleinsten vooraan, zeer regelmatig, als
+een trap klimmend naar achter. De acht strenge masoeurs, wier witte
+kapvleugels bij de minste beweging heen en weer sloegen als vleugels
+van meeuwen, hielden er de orde onder.
+
+Het koor was gehuld in een blauwen nevel, en op de witte kaarsen
+bloeide de roerlooze vlam, glanzend in de gladheid der koperen en
+zilveren ornamenten.
+
+Een rinkelende belleklank rukte de suizelende stilte aan stukken. Het
+lof begon.
+
+Het orgel spatte een storm van klanken los, en de pastoor in gouden
+koorkap kwam als een gulden kegel uit de sacristij. De koorknapen
+in wit en rood, roerden wierookvat en bel. Nadat er wat eentonig
+gezongen was, trok de pastoor zijn koorkleed uit, en stapte naar
+den preekstoel. De menschen draaiden hun stoelen en gaapten hem
+aan. Hij stond daar, de borst nauw boven de kuip; zijn linkerhand
+lag slak op den boord van 't gestoelte, en zijn rechter, met de twee
+eerste vingeren vooruit, rees en daalde, naarmate de preek van toon
+veranderde.
+
+"Ziet toe dat niemand u scheide! Beminde parochianen! Ik open heden
+mijnen mond om u te spreken van de komst van den Antikrist. Het lag
+me sedert lang als een steen op het hert, beminde Kristenen, maar ik
+dierf het u niet zeggen. Ik heb er al sommigen onder u persoonlijk
+over gesproken, maar nu zeg ik het aan iedereen die ooren heeft. Ja,
+hij komt, want de wereld is zoo slecht geworden, dat hij uiteen zal
+vallen. De menschen gelooven niet meer in God, en de duivel leeft
+onder hen, met een aangezicht zoo schoon, dat iedereen hem lief
+heeft. Mannen uit Ethiopië, die zwart zijn van koleur, komen de
+menschen hunnen godsdienst slecht maken, en de menschen gelooven er in.
+
+Het vleesch wordt aanbeden, juist zooals het beschreven staat, en
+aardbevingen splijten den grond open en rukken de grootste en sterkste
+steden in 't stof. Maan- en zonverduistering volgen elkaar op, en de
+sterren vallen met legioenen uit den hemel. Weldra zal er een groote
+komeet uit den hemel nederdalen, rood als bloed, en ze zal de helft
+van den aardbol afrukken, om deze te werpen in de diepte. De hel zal
+haren stank en haren smoor door de straten laten walmen, en velen
+zullen bevreesd worden en zich zelfmoorden van angst.
+
+En dan, beminde parochianen, zal de Antikrist komen met een honigzoet
+figuur, want gij zult de slang niet zien die rond zijn hart gekronkeld
+is.
+
+En hij zal tooverijen doen, geld van de boomen schudden, lammen doen
+gaan, blinden doen zien, en valsche engelen zullen rond zijn hoofd
+sterren komen doen te blinken.
+
+Wee hem, die naar zijne woorden luistert, die in hem gelooft, want
+de aarde zal onder zijn voeten opengaan, en hij zal komen neder te
+tuimelen in het vuur van de hel.
+
+Lieve Kinderen! past op voor de verleiding, want zelfs de steenen
+van de straten zullen u komen te tempteeren. Weest sterk, en aanbidt
+alleen den zoeten God Jezus-Christus.
+
+Het zal van den Antikrist gezegd worden: Uit eene maagd is hij geboren,
+zonder den wille des mans. Doch, gelooft er niets van, want zij die
+hem baren zal, is bevrucht van den duivel. Weest sterk, weerstaat
+de bekoringen, want als alles volbracht zal zijn, zal Jezus-Christus
+op de aarde wandelen, en mildelijk loonen degenen die in hem geloofd
+hebben. Wee hem die in den Antikrist gelooft.
+
+Bidt veel; beminde Kristenen, en doet veel goede werken, want dat
+alleen verdrijft toch maar den duivel.
+
+Zooals een hovenier zijn bloemen en planten verzorgt en bemest, opdat
+de wormen er niet aan zouden knagen, zoo ook moet gij doen. Want uw
+ziel is een hofken waar de schoonste bloemen bloeien, en zoo gij ze
+niet verzorgt zullen ze verdorren en opgeknaagd worden door de wormen,
+en de wormen dat is de duivel.
+
+Gij moet uwe zielekens ook bemesten, want geen ander mest kan die
+zielekens doen bloeien, zooals de goede werken en 't gebed. Dan zal de
+worm verstikken en zullen uwe ooren gesloten blijven voor de valsche
+woorden van den Antikrist.
+
+Neemt deze woorden in aandacht, en bidt steeds voort opdat gij allen
+Engelen zoudt worden in den Hemel bij God, die schoon van gezicht
+is. Amen!"
+
+De pastoor sloeg een kruis, daalde de trappen af, en ging terug naar
+het altaar.
+
+Het volk zat daar als geslagen door de vreeselijke waarheid van
+deze preek. De asem haperde in hun keel, en de schrik rilde door
+hun hert. De drie begijntjes Rodegunda, Hildegardis en Godelieve
+verstonden alles. 't Was of de Pastoor voor hun alleen gepreekt had.
+
+God! indien het dien duivelschen vent eens gelukte met al zijn
+geweld! Godelieve kneep de oogen toe bij dit akelig gedacht. Maar wat
+zou er dan toch gaan gebeuren?... Zij, moeder van den Antikrist!... Ze
+hoorde geen gezang en geen belgerinkel meer. Ze had willen dood en
+vergeten zijn geweest. Ze besloot te bidden, te bidden, altijd te
+bidden, veel te vasten en enkel te leven op roggebrood en water,
+zich te geeselen met een pinnekenskoord, en te slapen op een eiken
+plank. Ze zou alles doen, alles als dat verschrikkelijke maar niet
+gebeuren moest.
+
+Hare zusters moesten haar steunen om haar naar huis te brengen. Er
+werd geen woord gesproken over het geval, maar hun oogen weenden samen
+bitterlijk om het zelfde. Ze hebben de lamp ontstoken en de avond ging
+voorbij, en droeg alleen het geluid van de ritselende rozenkransen.
+
+Als ze heel laat slapen gingen, droomde Godelieve van een reusachtig
+geraamte met purperen mantel om, en een kronkelende slang tusschen
+zijn witte ribben. Zijn schedel droeg een ijzeren kroon en verborg
+zich half in de wolken, terwijl onder zijn holleblokken de grootste
+kerken en paleizen tot gruizelementen werden vertrapt. Hij krabde
+met zijn grooten klauw diepe putten in den grond, en vaagde er de
+miezerige menschjes in. Uit zijn mond lekte een slijmerig vocht dat
+stonk als de pest, en achter hem gloeide en braakte het openstaande
+bakkes van de hel zijn fellen brand op het heelal, en de wolken en
+de velden schalden van een rooden gloed.
+
+Dat was de Antikrist.
+
+En ineens boog hij langzaam zijn hoofd over haar heen, en uit zijn
+mond, groot als de Oosterpoort, vielen deze woorden: "Gij zult mijne
+moeder zijn!"
+
+Met een kreet schoot ze wakker. Ze wilde opspringen, maar toen ze
+den morgen tegen de ruiten zag kloppen, bleef ze liggen, moe en
+uitgeput. En zij snikte om haar droevig lot. Zij, de moeder van den
+Antikrist! Wat een ongeluk, wat een ongeluk!
+
+'t Was vandaag juist Onze Lieve Vrouwe Boodschap. Wat ging de dag
+brengen aan onheil? Zou op dezen schoonen dag het zaad van den
+Antikrist in haar getooverd worden zonder den wille des mans?
+
+De droom rees op met al zijne akeligheden, zoo ontzettend dat ze
+ineenkromp van den schrik. De zusters waren nog droef dien morgen,
+en moesten veel koffie drinken om het paar boterhammekens binnen
+te krijgen.
+
+Godelieve weende. Ze voelde zich flauw en ziek, en als 't klokje klepte
+voor de negen-uurmis bleef ze thuis, heel alleen, daar zij te zwak was.
+
+Ze zette zich in het zonneken. Ze zag hoe het blauw boven de roode
+daken diepte, en ze genoot van het simpel liedje dat uit het groen
+van den Kalvarieberg wuifde. Ze wou blij zijn, maar de ijselijke
+droom doorsolferde haar gedachten.
+
+Maar kijk, plots bundelde er van onder de bolle lindenkruinen een zuil
+van zilveren licht naar haar lichaam toe, dweers door het venster,
+en op haar aangezicht, op haar handen en op haar witte nachtkleed,
+lag het zilver voor te pakken. Eer ze een kruis had kunnen slaan,
+bloeide uit de zuil, als een wondere bloem, een slanke witte engel met
+gouden haar en roze-roode vleugels. Zijn oogen waren blauwe sterren,
+en in de subtiele blanke hand bloemde de maagdelijke lelie, witter
+als sneeuw, en rond de bloem straalde een blanke reukwolk, die vulde
+de heele kamer met zoete geuren.
+
+Godelieve kon niets denken; ze durfde den Engel niet bezien, maar
+ze werd stillekens aan als door een zoet wijntje bedwelmd; ze schoof
+uit den zetel op hare knieën, en boog het hoofd.
+
+Uit den mond van den Engel, die open ging als een roode roos in den
+morgen, zong een stem, klaar als een zilveren klok:
+
+"Ik ben Gabriël, de Gezondene des Heeren! Wees gegroet, Gij vol
+genade. De Heer is met U. Gezegend zijt Gij onder alle begijnen. De
+Heilige Geest zal u overlommeren, en U zal een zoon geschonken
+worden, wiens naam gij Elias zult noemen, opdat volbracht worde
+hetgeen geschreven staat in het Boek met de Zeven Sloten. Hij zal
+den Antikrist onder zijnen duim verpletten!"
+
+Godelieve trilde van aandoening. Ze kneep de oogen dicht, want een
+zachte zaligheid overweldigde haar heele lijf, en eer ze bevend
+uitgesproken had: "Zie, ik ben het begijntje des Heeren, en ik zal
+u gehoorzaam zijn", verzwond de Engel Gabriël als een lichtstraal,
+en weer glinsterde de zon in de bolle lindeboomen, die voort hun
+liedje lispelden over het witte beeld.
+
+Had zij gedroomd? Neen, het was de waarheid, want de geur hing nog in
+de kamer. Maar het was alsof ze niet meer tot de wereld behoorde; ze
+was als opgezogen in een geneugte, waarvan de weelde niet te noemen is.
+
+Wat stonden de patatten nu vreemd te dampen op de stoof en de
+varkensworst op de tafel. Hoe had ze willen blijven voortleven in
+die schittering van licht, in die geuren en in dit overweldigend,
+hemelsch gevoel! Ze weende van vreugde.
+
+De zusters kwamen thuis, en haar bleek ziende, de oogen kletsnat
+van de tranen, begosten ze ook te weenen. Maar de tranen bleven in
+hun oogen staan als ze hoorden vertellen, met glimlachenden mond,
+van den Engel die haar bezocht had.
+
+Plots scheurde buiten een rauwe lach de stilte vaneen, rauw als het
+raspend kraaien van een ouden haan.
+
+De drie zusters keken verschrikt naar het venster.
+
+"Heeregod!" voor het hekken stond de oude Jood en hij lachte dat het
+galmde. Zijn leelijke smoel gloeide van plezier onder zijn breeden
+hoed. Hij hield zijn buik vast van het danige lachen en uit zijn mond
+kletterde een rauwe vloek. De zusters kreten, en Godelieve brak ineen,
+machteloos en slap als een vod.
+
+Zonder een woord te spreken begrepen Rodegunda en Hildegardis. Ze
+droegen Godelieve in haar bed en dopten hare slapen met azijn. Ze
+knielden voor het bed neer, en weenden en baden.
+
+Ze wisten dat Godelieve bevrucht was van den duivel, die zich in een
+schoonen Engel had verkleed, en de Antikrist zou geboren worden uit
+een begijntje, de devote zuster Godelieve....
+
+
+
+
+III
+
+De zomer kwam langzamerhand in het land, en spreidde zijn overvloed
+van warmte op de velden en de daken. Het leven stootte zichtbaar
+in elk ding omhoog, en het land was als een hart dat zich ophief
+van levensgenot.
+
+Maar Godelieve had willen dood zijn. Ze had steeds gewild dat ze in het
+water had geloopen, dat ze een geraaktheid had gekregen of op straat
+morsdood was gevallen. Haar oogen waren droog van 't weenen. Haar
+mond was steeds kleverig van het bidden.
+
+Ze had alles gepoogd om de wassende vrucht te verdrijven. Maar de
+Hemel bleef doof. Heete melk met safraan en brandewijn, afkooksel
+van rozemarijn met ruut, middelen die ze vond in een oud boek "Den
+nieuwen Esculaap", niets werkte. Het groeide in haar als een water
+dat niet tegen te houden is.
+
+Beschaamd voor haar eigen, haar zusters en de menschen, verborg ze zich
+in het hoogste kamerken van hun huis. Ze zag van uit het zoldervenster
+over de daken heen, de kruinen van de geweldige vesteboomen, en de
+Nethe als een zilveren lint door het land, en de menschen liepen door
+de straten, zwart en klein als vliegen.
+
+Waarom moest dat nu toch gebeuren! Ze had uit het venster willen
+springen, ze trok van wanhoop aan haar haren, ze scheurde de kleeren
+van het lijf, en sloeg zichzelve, dat het bloed tegen de muren
+dreste. Ze bad niet meer, ze las niet meer in heur boeken, of aan haar
+paternoster, het baatte toch niets. Als ze maar den moed had gehad
+zich te zelfmoorden, ze zou er geen minuut mee gewacht hebben. Maar
+de hel, de schrik van de hel alleen, hield er haar van tegen zich te
+verdrinken, te vergiftigen of een strop te maken.
+
+Rodegunda en Hildegardis baden des te meer om een uitkomst in dit
+droeve geval.
+
+Ze spraken niet, en hunne gezichten droegen geheel de diepe smart,
+die hen folterde.
+
+De menschen van het begijnhof wisten niet wat er gaande was. Godelieve
+liet zich niet zien, en de twee zusters zwegen als een graf. Eens
+nochtans hadden zij erover willen spreken met mijnheer Pastoor,
+maar ze schrikten terug voor de gevolgen. Hij zou hun aanzien voor
+duivelengebroed, hun de communie weigeren, wegjagen van het Hof en
+hen diep in de schande stooten. Daarom zwegen ze liever.
+
+De menschen zagen Godelieve noch in Kerk, noch in Convent en de
+langtongen geraakten los.
+
+Allerlei onrustige vragen stelde men zich, en het woordje "tooverij"
+bleef niet lang achterwege. Als ze ziek was, waarom werd ze dan niet
+bediend? Waarom ritsten de zusters er steeds overheen als men er van
+sprak? Waarom werd de Pastoor niet geroepen? Gelukkig dat Cecielken,
+het portieresken, Godelieve nog aan 't zoldervensterken had gezien,
+anders was men nog gaan denken, dat zij er van onder getrokken was. En
+iemand die op zijn kamer wandelt, was ook in staat naar de Mis te
+komen. Zij moest betooverd zijn, door de kwade hand aangeraakt, het
+kon niet anders. De Pastoor vond het geraadzaam met al die geruchten,
+Godelieve eens te gaan bezoeken. De zusters schrikten toen hij
+binnenkwam, en terwijl zuster Rodegunda betetterd Mijnheer Pastoor
+groette, wipte Hildegardis naar boven om Godelieve te verwittigen
+van deze onverwachte komst.
+
+En gauw, gauw, schudde ze hare rokken uit, sprong in het bed diep
+onder de lakens, ter zijde gekeerd. Ze wou alles verborgen houden.
+
+De vent kwam in de kamer en hij verschoot toen hij haar wasbleek
+gezicht onder het witte nachtkappeken zag. Hij kwam nader tot de
+snikkende Godelieve. De andere zusters stonden tegen de deur met
+kloppend hart, en als mijnheer Pastoor vroeg wat haar toch scheelde,
+beefden zij. Ze stotterden dat ze 't ook niet wisten, dat ze steeds
+door schrik bevangen was, leelijke droomen zag van zwarte duivelen
+en den Antikrist.
+
+Rodegunda wees met den wijsvinger naar het hoofd, alsof ze den Pastoor
+wilde doen verstaan dat Godelieve zot was.
+
+De man verstond er niets van. Hij schudde het hoofd, en kreeg op al
+zijn vragen onbeduidende antwoorden. "Ze valt altijd van haar zelve
+als ze eventjes rechtstaat, of ze is misschien betooverd, mijnheer
+Pastoor?" en dat dacht hij ten slotte ook.
+
+Hij haalde zijn stool uit zijn zak, hing hem om den hals en sprak
+met hooge stem:
+
+"In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, helsche
+krachten en booze geesten die intrek genomen hebt in het lichaam van
+het begijntje Godelieve, bezweer ik u terug te trekken in de krochten
+van Satan!"
+
+De tafel kraakte maar Godelieve en roerde niet.
+
+De Pastoor ten einde raad ging heen met een "tot wederziens!" Dat
+laatste woord hield haar voor goed in bed want hij zou terug komen. En
+hij kwam terug, bleef lang bij haar maar kon er toch geen kop aan
+krijgen.
+
+De herfst verslapte den zomer. Zwaarder en zwaarder werd de vrucht
+van Godelieve terwijl haar hoofdje van dag tot dag kleiner scheen te
+worden en zoo teeder dat men het met een keersken kon doorlichten,
+als een gezoden kievitsei.
+
+Rodegunda en Hildegardis dachten aan het einde en ze gingen gebukt
+onder den angst van het onvermijdelijke: de geboorte. Ze spraken
+weinig. Ze kenden elkaars gepeinzen toch. Soms glinsterden er wondere
+vlammekens in hun oogen, alsof ze iets gevonden hadden dat hulpe
+bracht. Er groeide een gedacht in hun hoofd, en ze konden elkaar bezien
+heel lang, zonder roeren; dan bogen ze tevreden hun hoofd. Ze hadden
+in malkaars oogen hetzelfde voornemen gelezen; en ze waren gelukkig,
+en ze loechen van genot hun Heer alzoo van den Antikrist te verlossen.
+
+De herfst was geel als een pruim. De winden stormden op de boomen en
+scheerde er de bladeren af. De Nethe zwol en stroomde over de beemden,
+en de koude blaasde over de velden. De hemel ging toe, en regende alles
+plat en rot. Als er dan een bolle wind alles weer droog had gewaaid,
+kwam de sneeuw als een goede vrede de wereld onderdekken.
+
+Nu zou het Kerstmis worden en Godelieve's vrucht die rijp woog, zou
+vandaag het daglicht zien. Op Kerstnacht, schooner dan de dagen,
+zou, volgens den natuurlijken gang der zaken, het duivelskind ter
+aarde komen.
+
+Wat een gezonde vrucht zou het worden! Want Godelieve had heel de
+dracht geen pijn gevoeld; ze had nooit moeten braken, krijt knauwen,
+of andere grillen gehad.
+
+Buiten was alles wit. De zusters baden dagelijks voor haar aanstaande
+verlossing en ook voor dat andere, waarvan ze niet spraken, maar
+waarvan hun gedachten opgepropt waren. Elken avond brandden ze een
+keerse klaar.
+
+En op den nacht, dat het licht der wereld geboren werd, en in de
+vrieslucht de Engelen wiekten, vol geur en zoete muziek, ontstaken ze
+al de kaarsen, die zij in huis hadden. Het was een struik van licht. De
+maan stond als een zilveren schotel op het blauwe hemeltapeet,
+als moest daarin het Kerstkindeken gelegd worden, en de sterrekens
+leken de roomerkens te zijn, waaruit de Engelen en de Heiligen zouden
+drinken op de gezondheid van Jezus.
+
+De drie begijntjes legden dien avond heel hun ziel in hun gebed, opdat
+Jezus zou zegepralen op het kind dat in hun huis moest geboren worden.
+
+Terwijl ze baden brandden de kaarsen, en spon de vorst wondere bloemen
+op de ruiten.
+
+En in den stillen nacht vol sneeuw, klonk er ineens door het huis een
+schreeuw, die galmde van op den zolder tot in den kelder. Rodegunda
+en Hildegardis liepen haastig naar hun zuster.
+
+"Wat is er? Wat is er?!" riepen ze.
+
+Godelieve toonde met een glimlach en lichte buiging van haar hoofd,
+naar iets dat nevens haar lag.
+
+Rodegunda hief het laken op, en kijk! daar lag een kindeken!...
+
+Ze brachten de keersepan nader, en verschoten door zijn schoonheid. Het
+lag daar roos als een bloemeken van den hagedoorn, en een kuifje
+van wit haar krulde op zijn koppeken. Het keek lachende rond
+en het had reeds al zijn tandjes, wit als schaapkens, die twee
+aan twee naar hunnen stal gaan. Het lachte; zijn oogen waren als
+vergeet-mij-nietjes. Het lachte en stak zijn armkens naar hun uit. Wat
+was het toch een zeer schoon jongeske!
+
+En toen vergaten Rodegunda en Hildegardis, en bijzonder Godelieve,
+de wereld en God; de moederlijke liefde welde los; ze zouden het kind
+in het geniep opbrengen en er veel vreugde aan hebben.
+
+Maar ze herinnerden zich de woorden: "Hij zal schoon van aangezicht
+zijn, en gij zult de slang niet zien, die rond zijn hart gekronkeld
+is".
+
+En dan ineens met verachting en boosheid, grepen ze de kleeren van
+Godelieve die op een stoel lagen, ploften die op het kindeken, dat
+niet schreide, en zij duwden er op met alle kracht, zooveel ze duwen
+konden, tot ze dachten dat het genoeg was.
+
+Toen lag het dood met een geel koleurken over zijn lijf; de oogen
+waren toe, maar het mondje lachte nog, toonend de zilveren tandjes
+als een halve maan.
+
+Haastig haalden de twee zusters een laken uit de kast en wikkelden
+het om het doode kindeken. Ze droegen het, geruischloos als spoken,
+naar beneden, en opende de deur die op het achterhofken uitgaf.
+
+De nacht was schoon en wit in de maan. Dik lag de sneeuw in het hofken.
+
+Rodegunda nam een schup en Hildegardis een kapmes, en ieverig begonnen
+zij te hakken en te graven in den harden grond. Weg moest het kind,
+weg vóór het schemerde. Ze werkten zwijgend, zwoegend, en na langen
+arbeid hadden ze een kuiltje van een halven meter diep, dat donker
+gaapte in de sneeuw. Ze ploften het nietig pakje er in, schopten er
+de aarde over, kuischten voorzichtig de sneeuw effen, en dan wierd
+alles weer stil.
+
+Alle smart en angst was nu verdwenen. Ze hadden den Antikrist begraven,
+en ze loechen alle drie als kinderen, en ze verkneukelden zich aan
+het geluk het vredige leven van vroeger te kunnen herbeginnen.
+
+Bij de brandende keersen baden zij lovend den Heer, die door zijn
+komste het booze geweld vernietigd had. En als de morgen kwam en de
+klokken luidden den grooten feestdag in de lucht, zaten zij daar nog.
+
+Als zij het licht op hun handen zagen, toen gingen Rodegunda en
+Hildegardis nogmaals naar het hofken zien.
+
+Ze meenden neer te stuiken van verwondering, en ze moesten mekaar
+vasthouden om niet te vallen: waar het kindeken begraven lag, daar
+stak een bundel ranke leliën naar omhoog. Seffens liepen ze het naar
+Godelieve vertellen, maar een groot gedruisch kwam hun te gemoet op
+de trap.--
+
+Wat hebben ze toen gezien en beleefd!
+
+Godelieve lag dood vóór haar bed, en de groote Engel Michaël in gouden
+harnas en vlammende vleugels en een kolk van zonnelicht rond zijn
+gezicht, kapte met een vlammend zwaard naar den ouden duivel, die kromp
+en vloekte onder de slagen. Hij hield in zijn linkerhand het zielken
+van Godelieve: een blauw wolksken met een zilveren sterreken daarin.
+
+De duivel greep er naar met zijn vuile klauwen, ondanks het brandend
+zwaard, dat hem onbarmhartig op zijn bakkes kletste. Hij raasde en
+tierde. Plots schoot hij onder het zwaard naar Michaël, en greep met
+vlugge handen naar het beverige zieltje. Maar Michaël, vertoornd over
+deze driestheid, plofte zijn gouden puntschoen met zulke kracht in
+'t achterste van den duivel dat deze openbarstte en verdween in een
+wolksken solferstank.
+
+En toen richtte zich de Engel Michaël naar de twee begijntjes en hij
+kloeg met zeer droeve stem: "Ach, ach! Waarom hebt gij den profeet
+Elias vermoord? Hij was gekomen om den Antikrist te bestrijden,
+en gij hebt hem met uw eigen handen versmacht. En geen derde maal
+kan hij op aarde nederdalen.--Bidt voor het zieleken van uwe zuster,
+en weest sterk in de bekoring".
+
+Toen vloog Michaël door het open venster de lucht in, een reusachtigen
+vuurpijl gelijk, dragend het blauwe zieleken van Zuster Godelieve
+naar Gods guldene hemeltuinen.
+
+Rodegunda en Hildegardis vielen toen gebroken op het lijk, en snikten
+dat er heel hun lijf bij schokte...
+
+Godelieve werd begraven, en nooit heeft iemand de oorzaak van haren
+dood gekend, dan wij, die het nu vertellen in hinkende tale tot profijt
+ende jolijt van de menschen, die wonen langs de boorden van de Nethe.
+
+
+
+
+
+
+
+"ECCE HOMO" EN HET BANGE PORTIERESKEN
+
+
+Toen de wondere gebeurtenissen waarvan we in dees boekje verhalen,
+voorvielen, was Cicielken portieresken van 't Begijnhof.
+
+'t Was een gespraakzaam, oud juffrouwken, zeer zachtzinnig en
+hulpveerdig, dat op heur een-en-twintig jaar tot: "Begijntjen van
+Ons-Heere-Jesus-Kristus" was begenadigd.
+
+Zij leefde door de dagen heel devotielijk, houdend heur zielken
+zeer zuiver van allen mogelijke smet, om bij heur verscheiden van
+deze aarde, door Gods schoone engelen recht naar den Hemel te worden
+gedragen. Nooit wist iemand wat te stribbelen op heur ambt van poorten
+open en toe doen en dat was een zoete voldoening voor 't begijntje:
+immer wel heur plicht als portieresse gekweten te hebben. Want ze
+woonde reeds veertig jaar op het Hof, steeds in hetzelfde huizeken;
+ze sloot reeds veertig jaren, geregeld elken avend, om negen klokslag
+de groote poort, evenals de poort aan 't klooster der Marollen en de
+deuren van 't waschhuis aan den Grachtkant ook, en deed ze telken
+morgen, als de vroege zon achter het stedeken de wereld in piepte,
+weder open.
+
+Daarbij, Cicielken had sedert heur veertig jaren woonste ten begijnhof,
+geen enkel woord te kibbelen gehad, met de een of andere twistzieke
+begijn.. en dat is geen geringe weldaad.
+
+Heur huizeken, blekkend-gewit, met diepe, getraliede vensteren, lag
+in de schaduw van de groote poort die uitgaf in de Begijnenstraat en
+'t zicht opende op de wereld waar de duivel en het vleesch regeerden.
+
+Cicielken leefde in heur huizeken, heel alleen zonder poes of
+kanarievogel, op heur eigen zoo, en met heur kinderlijke gedachten. En
+heur dagelijksche werk was afgemeten en bepaald al naar gelang de
+wijzers van heur horlogie over de koperen wijzerplaat kropen. Alles
+had onder het groen-mossig, scherpe dak, zijn vastgesteld uur en
+'t eene liep nooit voor het andere.
+
+Als de blauwe dag triomfantelijk door de witte gordijnen van heur
+kamerken zeefde en heel het sante kamerboeltje in het jonge licht deed
+glimlachen, trapte ze met een: "Heer! ontferm u onzer," uit heur witte
+beddekoets, zeeg op heur stijve knieën neer vóór het zwarte kruis met
+lans en spons dat tusschen de twee vensters vastgenageld was, en ze
+las neerstiglijk heur morgengebeden. En eer 't een kwartierken later
+was, waren de poorten opengedaan en zat ze in heur keuken, achter de
+groene, getraliede ruitjes smakelijk in heur liefste boek: 't Lijden
+van O. H. Jesus-Kristus, te lezen; of ze telde, zoetjes weg en met
+toeë oogen, de bollekens van heur beenen paternoster af, om alzoo wat
+aflaat te verdienen voor de geloovige zielen van het vagevuur. Daarna
+eerst profiteerde ze heur kommekens koffie met twee dunne boterhammen.
+
+Na de mis deed ze heur huishoudelijk werk: keerde den tichelvloer
+schoon, strooide zand, begoot de bloempotten op de vensterrichels en
+neep met heur stijf-voorzichtige vingers de dorrende bladeren van
+fuchsia en geranium af. 't Middageten klaarmaken kostte niet veel
+moeite want heur schraal lijveken vroeg niet veel voedsel, gewoon als
+het was aan lange vasten en vrijwillige ontberingen. Een worteltje
+en een aardappel en een vinger vleesch waren heur voldoende.
+
+In den nanoen als het kerkkloksken zijn liedje van drie tonen uit
+het spitste torentje over het Begijnhof uit-zong, ging Cicielken
+ter vespers. Ze zette zich dan op een der witgeschuurde bidbankskens
+van de root, plooide een groot, wit, gesteven doek over heur zwart
+kappeken en begon, met geheven armen, den Heer te loven...
+
+Na den dienst, als mijnheer Pastoor in gouden koorkleed gehuld,
+den "Grooten Meester" over de gebogen menschkens had doen kruisen
+en 't altaar verliet terwijl de bellen rinkelden en de orgel een
+feestelijken marsch uitdreunde, als het kristelijk volk nog een
+kruisweg of een vaderonsken bidden bleef voor de arme zielkens of
+voor hun eigen belang, dan knielde Cicielken op de harde steenen, vóór
+Onzen-Lieven-Heer, die op blauwe marmertrappen, in een zijkapelleken,
+gedoornekroond zat.
+
+"Ecce Homo!..."
+
+'t Was een wonderlijk, diep-treffend beeld, met zijn grauwen, verganen
+mantel, vroeger purper, de beenderige, lange vingeren saamgesnoerd met
+een ruwe hennepzeel en den ijzeren riet-staf roestig... zijn naakt,
+paars dooraderde lijf, met vuil-rosse bloeddruppels bespetterd... zijn
+zware kroon, ruw en onhandig dooreengevlochten, met lange, dreigende
+doornen, drukkend op de bestofte haren...
+
+Vroeger, moest het een schoon beeld geweest zijn. "Ecce Homo!..."
+
+Maar de luie dagen die er met hun licht en donker waren
+overheengekropen, hadden een bijterige stof op die kleuren laten
+lekken en 't zag nu, van danigen ouderdom, grauw en grijs...
+
+Zijn diepe oogen, alhoewel hun blauwe kleur verwaterd was, keken
+nog even droevig en schenen, in de schemerende klaarte der kerk,
+bij poozen open en toe te gaan.
+
+En als Cicielken daar geknield zat, het hoofd gezonken op de magere,
+holle borst en de handen saamgevingerd, scheen heur zielken op
+te leven, ver boven de weeën der aarde. Het ging hoog op, in een
+ouden, blauw en gouden hemel, bij een ouden God en bij Engelen,
+die tokkelden op wit-ivoren harpen en wondere kantieken kweelden met
+fijne stemmen. Ze voelde de harde plaveien niet onder heur knieën en
+ze bad innig en kinderlijk, tot de zonbol, als een bloedend hart,
+op den horizon woog en roodig den gemartelden Jezus omlijnde. Dan
+was heur vroom bidden en het diepe mediteeren 't ende en ze richtte
+heur oogen naar de oogen van het beeld, om te zien of ze niet open en
+toe zouden gaan. Daarna keerde ze blijzaam naar heur wit huizeken,
+diepte heur gedachten in gulden legenden en sloot vast in heur hert
+die voorbeeldige daden van standheid in 't geloof.
+
+De dag vervloot zoo ademloos in den donkeren en de heilige nacht drukte
+over de lage huizen en noodigde het simpele volk uit hun sante doening,
+op hun zachtmild bed.
+
+
+
+Nadat de vuurblakende zon, met gulzige, verzengende vlammentongen,
+het zomersap uit de blaren en de kruiden had gezogen, en al wat leefde
+in heur daverende hitte had doen krimpen, was ze verkoperend dieper
+den blauwen hemel ingetrokken en ze hong nu, met verbleekten lach,
+uitgeput van haar al te hevig werk.
+
+Dan kwam de losse wind, met zijn ongebreidelde peerden in de boomen
+stormen, en in 't voorbijgaan scheurde hij de bladeren van de
+schuddende takken, dat ze door de lucht opwervelden en op de kale
+velden dood liggen bleven.
+
+De regen kwam, lijk speldekoppen, uit den grijzen, gesloten hemel
+zeeveren en vulde de puttekens en de karsporen die op de velden en
+de wegen gediept waren.
+
+Het was herfst. De fluitende vogels waren naar overzee en de bloemen
+en de schoone kruiden lagen te rotten in de natte aarde.
+
+'t Begijnhof lag triestig en huiverig en de daken glommen van de
+nattigheid. De begijntjes zaten achter de bedoomde ruiten, met een
+lollepot onder de voeten tegen elkander te brommen over het slechte
+weer en over de rumatiek in hun ontsmeerde gewrichten.
+
+
+
+'t Was avend.
+
+Cicielken zat in heur warm keukensken, bij een tweecenten-vetkeersken
+in hoogen, koperen kandelaar, en ze las de: "Bekoring van
+Sint-Antonius".
+
+Buiten joelde de zotte wind en hij raasde in de schouwpijp, dreunde
+tegen de ruitjes en viel bij poozen met zulk geweld tegen de deur aan,
+dat ze rammelde en krijschte in haar hengsels.
+
+Cicielken heur voeten zaten boven 't gat van den vunzenden lollepot en
+ze voelde een deugdelike hitte aan heur beenen. Lip-roerend, smakkend
+aan ieder woordeken, doorspelde ze de vettige, krakende bladen. Het
+rosse keersvlammeken wiegelwaggelde om het gloeiende wieksken. Plots
+viel het stil en kromp tot een klein ovaal lichtje, om daarna weer
+bibberend op te spiralen, lang en puntig, met een pluimpken zwarten
+rook bovenaan. Dan kwam het weer naar omlaag en dreef op het gloeiend
+vet, als een bootje op een meer.
+
+Cicielken liet heur lippen hangen, loerde over heur bril-glazen naar
+het vlammeken, blikte rond en luisterde met bange ooren naar den
+eendigen waai...
+
+Het licht geleek een zielken van 't vagevier, dat bij 't devotielijke
+begijntje eenige weesgegroetjes en vaderonzen om lafenis voor zijn
+pijnlijk branden vragen kwam.
+
+Er dreven stomme schaduwen op de witte wanden en bij elk tochtje
+dansten ze heenentweer. Cicielken had al lang in heur bed moeten
+liggen, want de kleine wijzer der droog-tikkende horlogie, was met
+zijn donkere schaduw, achter de Andries-kruisige tien gekropen. Ze
+hoefde niet bang te zijn nochtans, de poorten waren gegrendeld en
+gesleuteld van vóór negen.
+
+Maar ach!... ze zat zóó moedermensch alleen en er kwam iets aan
+heur hert, iets nijpends, zoodat het plots aan 't jagen ging... Er
+rolden al met eens, zoo'n akelige dingen onder heur kappeken, zoo'n
+schrikkelijke beelden, dat ze erbij vergriezelde... Ze loerde naar het
+zwarte venster en pierde in de duisternis, en daar zag ze een tweede
+keerse-vlammetje vóór een ander begijntje dat naar heur keek. En
+dan boog ze dieper het hoofd over heur sante legenden, neep de oogen
+toe, peinsde aan Sint-Antonius en aan alle heiligen, maar heur hert
+joeg feller en feller onder de banden van schrik die immer dichter
+toe getrokken werden. Ze keek voorzichtig rond, naar de dansende,
+wegzwartende plekken die over de wanden grilden, naar het groote,
+muilige trapgat, naar heur eigen flikkerende schaduw.
+
+Maar ei! ineens kreeg ze een stoot door het lijf. Heur bloed verijsde
+in de aders en stil stond heur hert...
+
+De duivelzwarte, verwrongen letters van heur boek wipten als
+sprinkhanen door mekaar, groeiden, namen wonderlijke vormen aan,
+sprongen uit het boek met lange spillebeenen, buitelden door de keuken,
+groeiden nog, menschengroot, en verwerkelijkten de wondere verhalen,
+die op de perkamenten bladeren vermeld stonden.
+
+Zonderlinge wezens, mannen met horens en bokspooten, vrouwen te
+peerd op bezemstelen, vierden te gare een zotten dans terwijl witte
+geraamten op dikbuikige cornemuzen pijpten... Achter die wemeling
+van helsche furiën kwam de Vrouw, de geile Vrouw, zekerlijk om heur,
+Cicielken, de bruid Christi, ook te bekoren! en ze zag heur malsche,
+poezele naaktheid en de dikke boezems, en den ronden buik. Ze voelde
+heur gloeienden asem over heur gezicht vegen. God! God!!... God!... en
+er kwamen vele dikke, waggelende deernen en kwabbige jongelingen die
+blonken van 't vet en hoog de beenen sloegen bij den dans, dien ze
+met de geraamten om en om het arme portieresken uitvoerden.
+
+"Bonk! bonk!! bonk!!!"
+
+Drie slagen donderden buiten op de poort.
+
+Al de furiën en naakte deernen krompen ineen tot zwarte vormkens
+en zaten bliksemsnel op 't gele boek, lijk te voren, in oude, vette
+gothische letters.
+
+Cicielken, verlost van dat helsche gespuis, ademde weer gelukkig! Maar
+op den zelfden stond, dacht ze aan de drie slagen, buiten, op de
+poort!! De schrik schroefde zich vast in heur boezem en ze rilde.
+
+"Heere-Jezus-Christus!" ging heur tong, "wat zou dat zijn!... wat
+moet ik doen... Heer Jezus... Christus!..." en ze sloeg drie kruisen.
+
+Ze sukkelde recht, bibberend lijk een riethalm in den herfstwind. De
+lollepot kantelde onder heur voeten om en brak, zoodat ze midden
+in de smeulende houtskool stond. Ze trippelde er uit en de scherven
+rinkelden over de kareelen. Het lijvige boek gleed heur uit de handen
+en viel met een smak op den grond.
+
+Weerom donderde een machtige bonk op het poortje, dreunde de gang
+binnen en galmde door het huis.
+
+Heere God! wat mocht dat allemaal beteekenen!
+
+Ze nam den killen reesel sleutels van de kram, stesselde
+voorovergebogen door de gang en draaide de lage huisdeur open.
+
+Roef! de zotte wind woei binnen en blies de keersevlam dood. Nu
+stond ze in den donkeren en schoorvoetend trad ze buiten, waar fijne
+regendruppels prikkend in heur gezicht gezweept werden. De wind flapte
+in heur kleedsel, dat al met eens, fel wapperend, naar achteren waaide
+als een vlag. Met de linkerhand scharrelde ze heur rok tusschen de
+knieën vast.
+
+Ze hoorde niets achter het zijpoortje, dat ze in den hoek tegen heur
+huis wist en dat na den achten geopend werd, als er geen gerij meer
+binnenkwam en de groote poort toe moest.
+
+Voorzichtig teende ze vooruit en schoof het judasvensterken open. Ze
+blikte door de dichte traliekens de Begijnenstraat in. De rosse
+lanteeren vóór de poort wiegde heenentweer in den wind.
+
+Ai mij! 't mensch en liet een kres die tegen de slapende huizen
+kapot gilde.
+
+Wat ze nu had gezien! God! Ze kneep er de oogen van dicht en moest
+zich vasthouden om niet neer te stuiken!
+
+Veel, heel veel zwarte venten, stonden opeengedrumd, tegen de poort,
+en ze hielden groote messen die blonken in de rosse kleerte, boven
+hun zwarte koppen.
+
+En die zou ze binnen laten? Om 't heele begijnhof 't onderst boven
+te stampen? om alleman kapot te maken? en alles te stelen? 't Was om
+er kiksdood bij neer te stuiken!!
+
+"Cicielken! als ge sakkerdomme niet open doet en daar nog blijft
+lanterfanten, stampen wij, sakkerdomme, de deur in!..."
+
+Zoo grolde het uit een mond vóór het judasvensterken en meteen
+botste een zwaarbenagelde schoen op het poortje dat de planken
+kraakten. Cicielken meende te sterven van schrik!...
+
+Ze voelde al wat leefde in heur, uit heur herteken zijpelen en 't
+werd heur overal zoo koud! zoo koud!...
+
+Nogmaals was het een grommelen en vloeken daarachter en 't stompen
+van ongeduldige voeten.
+
+"Sakkersche heks! ga-de opendoen? Of moeten we het spel toch
+instampen? Sakkerdomme! gare dan zulle! dan rijten we uw lijf open
+en hangen u, met uw eigen beulingen, aan den eersten den besten
+lanteern op!"
+
+En vele stemmen, door mekaar, grolden akelige bedreigingen uit.
+
+Doch boven dat rumoer weerklonk het plots:
+
+"Doe-de sebiet open? Allée dan! we roeren geen haarken van uw
+lijf... Nie-waar mannen?"
+
+'t Lawijd verpeisde en ze herhaalden al ondereen:
+
+"Neeë, geen haarken, dat zweren wij!"
+
+'t Arme menschken roerde haast niet. Heur knieën knikten en schokten
+tegen elkaar en heur voeten waren als aan den grond gelijmd. Ze kon
+van heure plaats niet weg. Heur lippen waren als bevroren en ze kon
+geen enkel schietgebedeken uiten!...
+
+God en Heere! wat zou ze doen? wat zou ze doen?...
+
+Openen? en dat moorders-gepeupel binnenlaten? Zoo maar gemakkelijk en
+van de hand, het godsvredige begijnhof laten uitplunderen en alleman
+laten vermoorden?
+
+Neen! van heur leven niet! heur zusters en de goede kwezelkens laten
+doodsteken door heur eigen fout! Nooit! nooit!
+
+Ze kreeg stilaan vaste gedachten.
+
+'t Lawijd buiten groeide en steeg. 't Was er een gevloek en getier
+van alle duivels. Men hoorde ijzer rammelen en 't geklop van zware
+smidshamers tegen den muur. Er werden steenklompen uit den muur
+gekapt...
+
+Cicielken hoorde dat en ze schrok! Wat ging er nu gebeuren?
+
+Ze hadden het gezworen;! ai mij! ze zouden toch binnenkomen en heur oud
+lijf mishandelen en besmeuren met hun smerige moordenaarspooten! Heur
+wit, wit zieleken zou besmet worden! heur zieleken dat nooit zonde
+kende, zuiver om de liefde van Jezus!
+
+Radeloos stond ze daar nu. Ze wilde aan 't bidden gaan om een
+resolutie. Maar lijk de krakende donder botsten de staalbenagelde
+schoenen op het poortje dat het kreunde en piepte in zijn armdikke
+hengsels.
+
+Dat ze maar open dee!
+
+Onze-Lieve-Heer zou het heur wel vergeven!
+
+Ze was zóó oud en sukkelend!
+
+En dan gebeurde het.
+
+Ze wroetelde den grootsten sleutel in het slotgat. De andere sleutels
+rezen den ring af en kletterden te zaam.
+
+Ze draaide met beide handen uit al heur macht ... God! de veer kreste.
+
+De mannen buiten, die bezig waren met hunne breekijzers in de steenen
+te drijven om de hengsels los te peuteren, hoorden dat kressen. Ze
+staakten hun arbeid en 't werd één duwen tegen 't poortje. Cicielken
+schoof de ronde grendels uit hun oogen, haakte den ketting los en
+liet hem op de steenen neerrinkelen. De klink werd omhoog gestooten en
+'t poortje vloog open.
+
+Lijk een gulp wrongen de zwarte mannen het Begijnhof binnen. Ze
+stampten het schrale begijntje in een hoek en klavetterden met wijde
+beenen, door de stille straten.
+
+Het kromme mes tusschen de tanden, klauterden ze als katten over
+de hofmuren, de druivelaars op, tot bij de vensters. Ze sloegen hun
+vuisten door de ruiten en kropen de kamers binnen om er het bloed te
+vergieten der rustig-slapende kwezelkens, begijntjes en oude pekens.
+
+En ze zouden opgraven van onder de blauwe steenen in de kelders,
+groote steinen potten, met Carolussen gevuld; ze zouden die gouden
+weelde meesleuren buiten het Begijnhof om het alles op te zuipen en
+op te brassen met het slechte vrouwvolk van de stad!
+
+Daaraan had het devote Cicielken geholpen. 't Menschken lag daar op
+de natte straat, roerloos, met de armen wijdopen als een gekruiste
+Lieven-Heer.
+
+Zoo lag ze een poos.
+
+Maar op het einde gingen heur oogen open en ze werd het gebeurde
+bewust.
+
+Ze sukkelde op heur beenen, zocht met tastende handen heur sleutels
+te gaar en liep zoo goed als 't ging, langs 't Marollenklooster,
+over het eenzame kerkhof, naar het sakristijpoortje van de kerk om de
+hosties en de gewijde vaten te verbergen. Ze hoorde het vloeken der
+venten en hun grijnzen, boven het kreunen en klagen der doorstoken
+zusters. O! dat geschrei en geroep, dat was heur werk!...
+
+Ze draaide de sakristij-deur open, ging binnen en liet het met een
+daverenden bons weer in zijn klinken vallen.
+
+De kerkstilte woei heur tegen. Het was er zeer donker. Ze stond
+gansch bepakt en moederziel alleen in de sakristij, zuchtend als een
+blaasbalg. En heur herte klopte, klopte alsof het niet in heur borst
+wou blijven.
+
+Hier kon ze rustig heur onwederroepelijke daad bepeinzen! Ze
+werd heure grove, groote fout bewust! zij! zij! had het poortje
+geopend! ze zou gevloekt zijn! gevloekt voor eeuwig!!! O! was het t'
+herbeginnen! was het t' herbeginnen! Ze zou zich eerder laten doodslaan
+en vermorzelen! Ze zou niet opendoen!
+
+Het was te laat nu en het kwaad bedreven! en ze ging aan het schreien,
+de tranen leekten uit heur brandende oogen, en ze snikte dat heur
+lijf er van schokte... Ze schudde het hoofd, balde de vuisten tegen
+de slapen en weende door, weende snottebellen!
+
+Met eens schoot er een reddende gedachte door heur hoofd: de klokken
+luiden en laten weten aan de stad dat er onheil was!
+
+Met een wip was ze in de nacht-donkere kerk. De stilte woog er. Vóór
+het altaar brandde het lichtje in roodglazen potteken.
+
+Cicielken voelde dat het Godslichtje heur bezag en ze bleef staan,
+roerloos als een heiligenbeeld. Zij liep verder naar het portaal waar
+ze het klokzeel te hangen wist.
+
+Zij was het, die voor jaren, toen ze nog vlug te been was, de klokken
+luidde voor mis en vespers en de gewoonte zat heur nog zóó in de
+armen dat ze het zeel zonder tasten of scharrelen vond. Ze greep er
+naar met beide handen, draaide het om heur polsen en ze snokte aan
+het zeel, feller en feller. Allengskens begon er in het torenken wat
+te hommelen. 't Wierd duidelijker en ging over in een zware gelui
+dat het wel tot aan 't Hofken van Ringen klinken moest. De kerk was
+gevuld met een vreemd gezoem dat de ruiten ervan singelden.
+
+Cicielken trok maar, kromp ineen en rechtte zich, dan op de teenen,
+met langgerokken armen boven het hoofd, trok weer omlaag en zoo voorts,
+alsof er geen einde aan komen mocht.
+
+Stilaan begon heur rug zeer te doen en het zeel neep dieper en
+dieper in heur vleesch. Ze wilde loslaten, maar heur handen zaten
+gestropt. Met een snok werd ze naar omhoog getrokken en ze hing een
+poosje boven de eerde te draaien om daarna tusschen de opeengestapelde
+stoelen neergesmakt te worden, dat heur beenderen er van kraakten. En
+eer ze een gil kon uitstooten ging ze weer omhoog en zwierde door de
+ruimte. Ze werd rondgedraaid, neergesmeten, omhooggetrokken, gedaverd
+en geschud dat ze er van haar zelve bij viel. En de klok klepte maar
+voort in den zwarten nacht.
+
+Ineens gleden heur polsen uit den zeelstrop en ze rolde tusschen de
+stoelen. De klokkeklank stierf uit en weer vleugelde de geheimzinnige
+stilte om de lijnige pileeren.
+
+Lang, heel lang duurde het, eer Cicielken's bloed weer in de aderen
+begon te borrelen en te leven. Ze opende de oogen en voelde overal
+een felle pijn. Ze keek rond en ze zag het roode vlammeken vóór 't
+altaar als een bloedend oog, dat heur verwijtend aankeek. Ze wendde
+het hoofd van het lichtje en zocht door de dikke donkerte van de kerk,
+naar de plek waar de steenen Jezus, lijdzaam gebonden zat sedert vele
+eeuwen en hare zonden uitboette!
+
+"Ecce Homo!"
+
+En zie, dáár, begon het op te klaren en de duisternis smolt er:
+eerst een grijze nevel, maar stilaan een cirkel van zilveren licht
+om het heilige beeld zoodat de doornenkroon en de rietstaf te bloeien
+schenen als van levend goud.
+
+Buiten op de poort krabden zwakke handen en heesche stemmen steunden
+luid: "Jezus, ontferm u onzer! Jezus! een droppelken drinken als
+'t u blieft!"
+
+Cicielken wist dat het heur zusters waren. Ze richtte zich op, om de
+poort te ontsluiten.
+
+Maar de moorders? met hun messen! die alles zouden onteeren!
+
+Ze wist niet wat te doen en kroop, op handen en voeten naar den
+schoonen Jezus, die blonk als de jonge zon. Ze wierp zich plat
+ter aarde en bad om vergiffenis voor heur grove fout. Ze had zoo'n
+spijt! zoo'n groot spijt! Ze vroeg een zware straf om heur boosheid,
+ze zou alles doen, alles verdragen! als hij haar maar 'n klein beetje
+troost kon geven, vergiffenis, vergiffenis!!
+
+Ze snikte het uit, om hare leelijke zonde, en ze hoorde de
+menschen niet, die voor de poort om hulp schreeuwden, en hun leven
+uit-rochelden.
+
+En ze dierf het, het hoofd op te heffen, en Hem aan te zien, naar
+zijn oogen te kijken, die nu blauw waren als de lente-hemel en blonken.
+
+En "Ecce Homo" kreeg leven in de hoekige vormen, en zijn lichaam
+werd rozerood en lelieblank. Hij rechtte het gelaat ten hemel en
+glimlachte medelijdend. De bijeengebonden handen ontdeden zich van de
+hennepen koord en de rietstaf viel op de steenen. Hij stond recht van
+zijn arduinen banksken en lei met zijn subtiele handen de plooikens
+van zijn purperen mantel fijn. Hij raapte den staf op en tikte er
+driemaal mede op den kop van het begijntje en hij zei dan met een
+stem die zoo zoet was als nachtegaal-gegorgel bij zomeravond:
+
+"Wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"
+
+Cicielken kroop aarzelend recht en vette zweetdruppels leekten over
+heur vertrokken aangezicht. Ze snakte naar asem van schrik en wou zich
+weer laten vallen. Maar de oogen van Jezus waren in de heure gericht en
+ze blonken zóó zacht en medelijdend dat het menschken weer moed vatte.
+
+En hij hernam:
+
+"Cicielken, wat moet dat bedieden. Ze roepen daarbuiten om mij".
+
+Nu moest ze 't gaan zeggen, heur grove fout belijden! en God zou heur
+zekerlijk doodslaan met zijn staf van vuur, het kon niet anders.
+
+En ze begon te snikken en ze stamelde het uit:
+
+"Niets, Mijnheerken lief! niets! ik weet dat niet!"
+
+Jezus deed zijn schoone oogen toe en vroeg ten derdemaal:
+
+"Cicielken! wat moet dat bedieden? Ze roepen daar buiten om mij!"
+
+En zij dan:
+
+"O! niets, Mijnheerken-lief! 't was mijne schuld niet! 't Waren
+zoovele zwarte venten! met messen! met messen!"
+
+De woorden versmoorden in 't felle gesnik.
+
+In de verte kraaide een haan en Jezus hief de rechterhand omhoog
+en berispte:
+
+"Dat deed Petrus ook!"...
+
+En hij nam heur bij de hand, en hij leidde haar naar de poort, door
+'t portaaltje, alwaar de stoelen holderdebolder gesmeten lagen. Vanzelf
+ging de groote poort open.
+
+In den nacht huilde en tierde de herfstwind.
+
+Stilaan werden de dingen en de huizen opgelicht door de klaarte die
+straalde uit Jezus' lichaam.
+
+En Cicielken zag op de kerktrappen de doorstoken lichamen heurer
+zusters in nachtgewaad en ze hoorde het laatste reutelen van hun
+adem in de bebloede kelen. Ze lagen er al overhoop en door malkaar
+gewrongen dat het ijselijk was om te zien.
+
+Dat waren de slachtoffers der woeste venten met hun witte, groote
+messen, en zij, Cicielken, 't portieresken, die de poorten bewaken
+moest, had dat volk binnengelaten!
+
+De menschen waren hun huizen ontloopen, zoo goed als het ging, de
+wonden toenijpend met hun stramme vingeren, om ten minste tot aan de
+kerk te geraken en er te sterven, dicht bij hun heerken Jezus. Maar
+de armen! ze en konden niet binnen, de poorten waren toe. De sterksten
+waren de trappen op gekropen, hadden rusteloos op de poort geklopt.
+
+De moorders hadden gemakkelijk werk gehad met de verschrompelde
+menschkens van 't Begijnhof. Ze hadden de zakken zwaar gevuld met
+gouden keldergeld. Toen er niets meer te vinden was beproefden ze wel
+de kerk in te geraken, maar het plotse luiden der klok in den nacht
+had hen met schrik geslagen zoodat ze 't allen op een loopen gezet
+hadden, alsof de duivel op hun hielen zat.
+
+De arme vrouwkens op de trappen jammerden en kloegen en vroegen
+vergiffenis van hunne zonden aan God den Vader en God den Zoon en
+God den H. Geest goedertieren, om toch maar niet in het vagevuur
+te moeten!...
+
+En toen was Hij buiten gekomen... "Ecce Homo!"...
+
+Dat verheugde de stervende lieden danig, en ze lieten hun wonden
+weer openbloeden, om zoetekensaan te sterven in den glans die Hem
+omstraalde. Ze zouden niet in het vagevuur gaan, want ze hadden
+Hem gezien en dat was een zoete spijs geweest, en een schoone
+vergiffenis! Ze dachten niet langer aan hun gestolen goud, aan hunne
+wonden, maar verblijdden zich uitermate in de aanschouwing van Hem,
+die het Lam Gods is. Zoo gingen ze een voor een dood en hun zielkens
+voeren ten hoogen hemel op.
+
+Toen is Jezus weerom binnen getreden met het angstige begijntje bij
+de hand. De poort ging toe en de duisternis dekte alles buiten en de
+herfstwind hernam zijn dolle buitelvlucht.
+
+In de kerk echter was het alles licht.
+
+En Jezus zette zich op 't steenen banksken en zijn schoon gelaat boog
+voorover en hij keek zeer droef. Hij zei weer met gedempte stemme:
+
+"Cicielken! Wat moet dat bedieden? Daar buiten riep men mij!"
+
+En het hijgende Portieresken drukte heur handen op den boezem als om
+den wilden slag van heur hert te bedwingen, ze zonk op heur knieën en
+de verzwegen waarheid hokte in verwarde, rauwe kreten over heur dunne,
+bloedlooze lippen:
+
+"Ja! ja! 't is mijne schuld! Heer, 't is mijne schuld! Ik heb de
+mannen binnengelaten! en ik heb groote straf verdiend! Ik zal het
+boeten! ik zal het uit boeten! álles! álles! wil ik doen! maar geef
+me toch vergiffenis! geef me toch vergiffenis!! Ik zal naar Jeruzalem
+gaan! op mijn bloote knieën zal ik er henen kruipen en putten kussen
+in uw heilig graf!..."
+
+De woorden gutsten uit heur mond, ratelden in heur keel en ze snikte
+er tusschendoor, zag den schoonen Jezus smeekend aan, om een uitkomst
+aan heur bitter leed.
+
+En hij roerde de handen, zegende heur.
+
+"Ga dan, Vrouwken! die zonde is u vergeven!"
+
+Daarop stortte Cicielken neer, plat ter aarde, de armen wijd open en
+ze kuste de kille steenen waar hij gestaan had. Ze weende en loech
+tegelijk van groote vreugde.
+
+En als ze 't hoofd weer geheven heeft was de kerk in 't duister
+verdwenen en 't beeld onzichtbaar in het donkere zij-kapelleken. Vóór
+het altaar danste het godslichtje in het roode glas.
+
+Cicielken klom de trappen op, sloeg heur armen om het beeld, streelde
+den ruigharigen kop, streelde de doornenkroon en kuste het op de
+koude bestofte lippen.
+
+Maar het beeld roerde niet. 't Was steen, beschilderde steen, waar de
+moe-luie dagen waren overheen gekropen en het ontverfd hadden. "Ecce
+Homo!"
+
+Dan is Cicielken op het Godslampeken afgegaan, dat ze, door de
+bibbeling heurer vele tranen, van verre pinken zag. Ze heeft voor
+het altaar lang geknield en langs het sakristijpoortje kwam ze buiten.
+
+De morgen hing in de lucht en hier en daar, in de goot, in een deurgat
+of dwars over de straat lagen er lijken. De vensters der huizen stonden
+haast alle open en de gordijnen flapten als vaantjes in den wind.
+
+En toen viel er een vinnigrood sterreken, uit den hemel tusschen
+de grijze wolkenrompen door, en het was percies als het lampeken in
+de kerk.
+
+'t Bleef al meteens hangen, vlak boven heur hoofd en schoof zoet voort,
+met een roode sprankelstreep achter zich, die schoon recht liep,
+als de staart eener komeet, trots al de zotte herfstwinden.
+
+Cicielken zag die ster, ze verschoot en ze lachte, want dat was het
+teeken, en ze heeft haar gevolgd met heilige vreugde.
+
+Zoo, zoo ging ze naar het Heilig land van Christus... naar Jeruzalem.
+
+
+
+
+
+
+
+VAN ZUSTER KATHELIJNE EN 'T LIEVEVROUWKEN
+
+
+Het groote jaarwiel draaide langzaam rond, met zijn licht en zijn
+donker.
+
+En als de spie waarop in blauwe letters "Sinte Margaretha" geschilderd
+stond, zich liet gewaar worden, als de jongens 's avonds hun gloeiende
+lollepotten zwaaiden; als de meiskes op straat in ronde dansten en
+met helle stemmeken zongen:
+
+
+ Is Mijnheer Pastoor niet 't huis?...
+ 'k zou hem eens geren spreken
+ t'avend in zijn huis...;
+
+
+als de knapen beeten gingen uittrekken en er duivelsmoelen in kierven
+om ze 's avonds, met een brandende keersken er in, rood-gloeiend langs
+eenzame straten te zetten dat het den meiskens den schrik op het lijf
+joeg; dan ontwaakten Kathelijne en Geertruide, de twee begijntjes uit
+het "Suverlik herteken van Jezus", schudden het alledaagsche gedoe
+van hunnen rug en kregen een wondere welgezindheid in hun hert.
+
+Het jaarlijksche feest der zoete patrones van 't Begijnhof naakte en
+er kwam een lange vent het huizeken genoemd "Suverlik herteken van
+Jezus", witten, het hofken vóór 't huizeken oprijven en er bonte
+bloemekens planten, en 't houten hek, de luiken, de vensterramen
+en het deurken met een lichtgroen kleurken beschilderen. Een peeke
+van 't Godshuis kwam de gerskens tusschen de bollende straatkeien
+uittrekken want dat groeide er welig, en zoutwater gieten of andere
+dergelijke remedies en kortte niets.
+
+En zoo stond het huizeken daar nu, rein en frisch in den blanken
+zonneschijn, met gouden vlammekens in de ruiten, als een blij gebed.
+
+En 't begijntje Kathelijne was welgezind als ze 's avonds door de
+stad ging om specerijen en brood te koopen en de kinders rond zag
+gaan met hun lichtjes, die waren als vurige, wiegende bloemen boven
+de lachende gezichtjes...
+
+"Neen", peinsde ze dan, "'t en duurt niet lange meer... nog vijf
+dagen en 't is Margrietje en dan gaat de processie uit en dan!..."
+
+Ze verkreukelde zich aan 't genot dat ze smaken zou, preutsch in
+een wit, wit kleed met veel kant en witte bloemen er rond, en mede
+dragend de zilveren relikwiekas van de heilige Begga. Nog vijf keeren
+slapen! O! Ze peinsde aan de vijf nachten en aan de vijf dagen en
+hoe die zijn zouden. Wat zou er zooal kunnen gebeuren?
+
+Toen werd ze droef, Kathelijne. Er kon nog zooveel gebeuren!
+
+En als ze in heur frisch bed lag dien avond en ongestoord begon
+te denken aan de vele gebeurtenissen, die 't schoone feest konden
+verhinderen, aan 't een of 't ander onheil dat heur beletten zou in
+'t witte kleed de Sinte-Begga-kas te dragen, werd het heur zoo vreemd
+te moede. Ze wou bidden en vele vaderonzen lezen om die naarheid
+te verdrijven; maar ze vond de woorden niet om te beginnen! en dan
+gingen heur gepeinzen onwillekeurig weer naar de processie en hoe
+heur plaats ingenomen werd door een ander! Op 't einde viel ze dan
+toch in slaap van 't danig tobben, en heur slaap was ledig en hol.
+
+Maar opeens piepte heur deur open en zie! 't Lievevrouwken van
+Geertruide stond op 't bed aan 't voeteneind in een wolkje van gouden
+licht. Haar wit brokaten kleedje, geboord met gulden papegaaien, hing
+stijf als een kegel om heur heen en 't bolle gezichtje bewoog onder
+het hooge zilveren kroontje. In heur oogen zaten zilveren vlammekens.
+
+Kathelijne bezag het beeldje met gulzige oogen en ze had er een
+zoet genoegen aan. 't Was zoo schoon in het donzige licht en levend
+ook! Ze bleef het aldoor bezien en ademde zacht, om het licht niet
+te storen. Ineens verroerde het beeldje en 't begijntje dacht dat
+het zou heengaan, terug op den schouw in Geertruide heur keuken;
+en ze vroeg smeekend: "Lievevrouwken?... blijf nog wat?..."
+
+'t Lievevrouwken duwde heur houten pollekens uit den nauwen mantel,
+neep nijdig de lippen op elkaar, en bitste toe:
+
+"Ik kom u zeggen dat ge niet in de processie moogt gaan".
+
+Dat ging scherp als een rijgnaald door Kathelijne heur hert. Ze voelde
+een krop in de keel, en snakkend naar asem vroeg ze: "Lievevrouwke
+toch!... waarom nu niet!... 'k doe het sedert zoo vele jaren!"
+
+En 't beeldeke, koeltjes, lachte:
+
+"Ge gaat er niet in!... Ik zegge 't aan Menheer Pastoor!"
+
+Kathelijne dierf niets meer zeggen, maar snikte, snikte dat heur lijf
+er van schokte. Ze borg heur hoofd in de lakens om 't beeld niet meer
+te zien en ze weende 't uit, heur wrange smart, ze huilde en kreste
+luidop. Heur verdriet schoot lijk een waterval uit heur hert, en door
+heur hoofd spookten plots ongewone dingen in zotten wirreldans: tafels
+en stoelen met duivelskoppen, lanteerns en inktpotten met beenen en
+armen, spinnekoppen die uit pisbloemen smoorden, alles dooreen lijk
+een spokendans.
+
+In den morgen, als de schoone zon uit den grond rees en een weelde van
+gouden licht door de witgewassschen gordijntjes heen op de roerlooze
+kamermeubeltjes tooverde, ontwaakte Kathelijne.
+
+De schoone klaarte boorde door heur doezeligen gedachtengang en wekte
+in heur vlokken van beelden, onsamenhangend eerst, maar die stijgend,
+'t een na 't ander, zich schikten en hervormden den akeligen droom. Ze
+draaide zich om en wou er om lachen! Wat was 't een weerken, en
+blauw de lucht! Maar de lach verging op heur lippen, en ze zag het
+Lievevrouwken weerom en ze hoorde vlijmend het bitsig gezegde: "En
+ge gaat er niet in, Kathelijne!" Deze woorden sprongen door de kamer,
+schril en nijdig, op maat van den knersenden tik-tak der hanghorloge,
+dat ze het er van op de zenuwen kreeg!
+
+Zou het dan toch gebeuren? Zou ze dan toch niet mogen? En ze lag
+te dubben en te peinzen in heur wit bed met pimpelende oogen en de
+onderste lip tusschen de tanden.
+
+En waarom zou het nu niet zijn? Ze had toch geen zonde begaan? Ze
+liet heur gepeinzen dalen in heur wit zielken, zoekend of er hier
+en daar in een hoeksken geen zondeke stak. Maar ze vond niets. 't
+Was alles wit, sneeuw-wit, zoo wit als heur lochte processiekleed,
+dat ze gisteren met voorzichtige vingeren uit de kas had gehaald en
+dat daar nu, op een stoel, in 't volle morgenlicht lag te schitteren,
+als 't ware een kleed van licht, als had het 't zonnelicht opgezogen
+dat in den jongen morgen door heur vensters zeefde.
+
+Kathelijne keek er naar, bedroefd. Ze bekeek de fijngelegde pijpkens en
+strikskes langs de boorden en op de borst; ze zag naar de stralende
+gulden perels die 't halskraagsken berankten met zilver... Zoo
+ging ze in de processie, blank en rein in het hagelwitte kleed,
+onder het waaiende purper der vanen, die klapten boven heur hoofd,
+dragend eerbiedig, met drie andere, kranige begijnen van 't Hof,
+de zilveren relikwiekas.
+
+Daar hoorde ze 't sleffen van trage voeten op de trap en treden die
+kraakten. Kathelijne luisterde, veegde het nat uit heur oogen en ze had
+zich nauwelijks bijgelegd, of Geertruide stak heuren kop in de deur:
+
+"Zuster Kathelijne! ge blijft zoo lang te bed. toch niet ziek he? 't
+Zou spijtig zijn voor Zondag! Menheer Pastoor zit beneden naar u
+te wachten!..."
+
+De deur klonk toe. Geertruide was weg en weer sleften op de trap heur
+trage voeten, de gang door en de keuken in.
+
+Wat kwam Menheer Pastoor nu doen? 't Was zeker voor de processie. 't
+Kon niet anders. och Heere! als die maar geen slecht nieuws bracht! Ze
+zou hem bidden, hem paaien met zoete woordekens: 't was toch zoo'n
+goede vent!
+
+Ze trapte het bed uit en kleedde zich gejaagd.
+
+Heur witte kleed straalde aldoor in het helle licht en de zon schoof
+tusschen de bebloemde gordijntjes een gouden tapijt, met krullen en
+blaadjes op 't effen witgeschuurde plankier. Zoo lag de heele straat
+ook schoon, vol bloemen en lisch en riekend kruid als de processie
+uitging.
+
+En 't Lievevrouwken had gezegd: "Ik zegge het den Pastoor" en nu zat
+de Pastoor beneden te wachten... Hoe groote angst steeg heur weer
+naar de keel, en heur herte zwol, alsof het bersten ging.
+
+Kathelijne was nu gekleed. De zon schoof achter een wolk. Ze haastte
+zich de trappen af.
+
+Menheer Pastoor stond aan het venster en keek naar den hemel, waar
+een donkere, goud-omrande wolkenromp verder zeilde. Hij draaide zich
+om en knikte gemoedelijk: "Goen morgen, Zuster Kathelijne".
+
+'t Begijntje boog het hoofd, schuchter.
+
+"Dag, Menheer Pastoor".
+
+"Kathelijne", zei de man, "Margrietje piskous komt weer met heur
+gewater af. 'k Dacht van morgen vast, 't wordt schoon weer vandaag;
+maar zie, daar hangt een zwarte-zuster met breede rokken vlak voor
+de zon heur gezicht. 'k Geloof dat het zal regenen!"
+
+'t Menschke ademde diep... het was niet over de processie! De Pastoor
+zag er blij uit! Voor wat kwam hij nu? Misschien om een aalmoes voor
+de zielkens in 't vagevuur.
+
+"'t Zou zonde zijn", ging hij voort, "want dat nattig weer werkt fel op
+mijn rhumatism!... Wij beginnen al oud te worden, Zuster Kathelijne!"
+
+Ze knikte toestemmend.
+
+"Gij wordt ook oud! en als een mensch dan niet wel en is, slaapt hij
+wat langer!... Gij zijt zeker ook een beetje ziek, Zuster?..."
+
+'t Begijntje zei ja, om heur laat opstaan te verbloemen. Maar
+nauwelijks waren de woorden vervloten, of ze kreeg een groote spijt
+over het gezegde!
+
+Menheer Pastoor keek heur goedig aan met zijn diepe oogen, en zijn
+mond plooide compassielijk. Hij knipte "ja... ja..." en kneep eventjes
+de oogen toe.
+
+Het was donker geworden. Blinkende regendruppels stoven op de ruiten
+en kletsten er uiteen in kleine lekjes. De lucht was grijs. De daken
+der huizen, blauw en rood, blonken van het nat.
+
+"Daar hebde 't al!" zei hij en hij wees naar buiten. "'t Zou spijtig
+zijn voor de processie!"
+
+Wat kwam Menheer Pastoor nu toch doen? Hij stond daar met zijn hoed
+te draaien en vertelde zoo'n nietige dingen.
+
+"Ja Zuster, ik kwam om over de processie te spreken".
+
+Daar had ze het! Het Begijntje ging aan 't knikkebeenen, zette zich
+op een stoel en slikte den krop door die in heur keel wrong.
+
+"Ja Zuster Kathelijne! ge zijt tusschen dit en een jaar fel verouderd,
+peins eens, twee en zestig! en dan die slijmziekte die nog in uw lijf
+zit, ge weet het wel!"
+
+Ze rilde op heur stoel.
+
+"En nu Zondag moest ge de relikwiekas dragen, he? Zuster! 'k Zou u
+aanraden 't niet meer te doen!... 't Is zoolang, twee uren met dat
+gewicht op uw schouders loopen, is 't niet?"
+
+Ze kon niet antwoorden, heur keel was toegenepen!....
+
+"Ja, ja! ik heb er met Moeder-Overste over geklapt en ze zei het
+ook. Nu zult ge de processie zelf eens zien, Zuster, want die
+hebt ge in tien jaar niet meer gezien, omdat ge er zelf ingaat,
+ja! ja! Juffrouw Geertruide zal dit karweitje eens doen".
+
+Hij lachte gemoedelijk. Hij sprak nog over ditjes en datjes, maar
+als hij zag hoe suf Kathelijne daar zitten bleef, peinsde hij, dat
+ze ziek was en ging met een "tot later, Zuster!" de keuken uit.
+
+Nu was 't begijntje alleen. Ze zat roerloos als een steenen
+beeld. Plots sloeg ze de handen vóór heur gezicht, viel met den kop
+op tafel en weende. De tranen liepen tusschen heur beenderige vingers
+lijk glazen perels.
+
+Het was waarheid geworden. Ze had willen sterven! Ze mocht de heilige
+beenderen der lieve Sinte-Begga nooit meer dragen! nooit meer! En dat
+in heuren goeden, ouden dag. Het wee wrong diep in heur hert, vaster
+en vaster, en zou er nooit meer kunnen uitgerukt worden! Daar was
+toch niets meer aan te veranderen! Weer knepten de hakkende woorden
+door het kamerruim: "En ge en gaat er niet in!... en ge en gaat er
+niet in..." Toen werd het heur duidelijk dat het de schuld was van
+'t Lievevrouwken, dat bij Geertruide prijkte op het schouwblad. En
+in heur groeide de haat, zoodat ze er heur verdriet bij vergat. Ze
+weende niet meer, kneep de tanden vast op elkaar en siste:
+
+"'t Is uwe schuld!... uwe schuld he?... maar ge zult hier weg! ge
+zult hier weg!... ge moet hier weg!"
+
+En ze herdacht zich den droom en sterker groeide in heur de haat!
+
+Het regende buiten.
+
+Nu was 't Zondag en de blijde zomerzon hing als een felle monstrans
+hoog in het smetteloos blauwe van den warmen hemel te gloeien en op
+de witte gevels van 't Begijnhof leekten heur gouden en zilveren water.
+
+Geertruide kwam uit het lage deurken van 't huizeken genoemd "'t
+Suverlik herteken van Jezus" schoon in het witte kleed. Ze bleef
+eventjes staan in het hofken vol blauwe en oranje bloemen, en ze
+keek rond. Op den lochten sluier, die in lijnige plooien van heur
+hoofd om heur schouders ruischte, stond een zedig kroontje van blauwe
+bloemekens, lijk zoete starrekens. De gouden borstspeld en 't kruis
+schitterden in 't felle zonnegespeel.
+
+Ze straalde rijk aan zinderende licht en heur gezicht bloosde onder
+de sneeuwen blankheid van heur sluier.
+
+Ze dierf niet opzien, want ze wist dat de menschen heur bekeken.
+
+Kathelijne zag heur achterna, door de gordijntjes, trappelend van
+jaloerschheid.
+
+Dat was nu de werkelijkheid. Alles wat het heksige Lievevrouwken
+heur had toegesnauwd tijdens die vreeselijke nachtmerrie. Ze had de
+vreugde van Geertruide gezien als Menheer Pastoor heur zeggen kwam:
+"Zuster Geertruide, ge moogt Kathelijne in de processie vervangen" en
+'t haastig ja-knikken van heur gebuurvrouw. En nu zag ze Geertruide
+weggaan. Nu kon ze alleen blijven en ongestoord heur verdriet laten
+knagen lijk een doornekroon om heur bloedende hert.
+
+Zij peinsde aan het groote onheil dat nu voorviel en heur rustig
+oudmenschenleven 't onderst boven had geschud, en aan de onrust die
+heur telken jare beklemmen zou, als 't jaarwiel boven den einder
+"St. Margrietje" zou laten zichtbaar worden! Tien jaar lang reeds
+droeg ze, om de liefde Gods, in de processie de heilige beenderen der
+Sinte-Begga! 't Was heur immer een zoet genoegen geweest, te denken
+aan de zaligheid van de komende processie, het werk van 't vasten en
+'t bidden twee maanden op voorhand om heur arm lijf weerdig te maken de
+schoone kas te dragen in den stoet van heuren verloofde Jezus-Christus!
+
+En nu! Ze had het wel gevoeld dat er iets noodlottigs gebeuren moest in
+heur kalm leventje. Er was iets uit den haak in heuren gedachtengang,
+er haperde ergens wat. Het ding zwol en werd benauwelijker tot al met
+eens die droom en de woorden van Menheer Pastoor heur den eindelijken
+slag kwamen brengen. Nu was alles voltrokken.
+
+Ze zette zich bij Geertruide voor het venster.
+
+Op de schouwplaat, één glinstering; in den vollen zonneschijn die
+door het ééne raam een trapezium van goud op de witgekalkte schouw
+lei, stond het Lievevrouwken en roerloos... Kathelijne verschoot
+toen ze het zag in dat helle licht en 't wierd heur of het weer
+bewegen ging en spreken zou de wreede woorden, die heur heele leven
+hadden verbitterd. Ze keek het nijdig aan, en de haat sloeg omhoog in
+heur. Ze zou het wel weg krijgen! heb geen nood! heur leven was een
+hel in de aanwezigheid van het zegepralende beeldje! En ze fezelde
+heur besluit tusschen de tanden, als was ze bang het hardop te zeggen!
+
+Buiten op straat was 't een gaan van allerlei menschen in feestelijke
+kleedij, die naar de processie kwamen zien.
+
+Markeken Ronk en Flor van 't Els waren in de weer voor hun deur,
+wiegend van links naar rechts, met zwierende hand spierwitte zavel
+en kleurige papierkens en bloemenblaadjes aan 't uitvingeren. Kleine
+meisjes in witte kleeren stapten gracielijk en locht als vlinders met
+hun witte schoentjes trippelend over straat. De menschen lachten en
+knepen hun oogen toe voor 't hevig zonne getintel, dat overal lag te
+glanzen in de helle lucht. De oude peekens en meekens gingen voorbij
+met onzekere stapkens; ze liepen in de deugdelijke zon en vertelden
+genoeglijk allerhande zottigheid over Margrietje, die heuren pis voor
+één dagsken had ingehouden.
+
+Kathelijne zag dat leven en ze geraakte stilaan in de warme stemming
+van dezen feestdag. Ze dacht aan geen processie meer en heur oogen
+dronken het levendige beweeg van al die menschen in de trillende
+zonnelucht, tot plots weer door de kamer sisten de scherpe woorden:
+"En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!..."
+
+Ze schrok. Heur oogen schoten vol tranen en ze zag het Lievevrouwken,
+beverig door heur vele tranen heen, pronkend in den gouden
+zonneschijn. De woorden sprongen en drongen vlijmend als priemen in
+het merg harer beenderen, ze wierd wanhopig.
+
+Doch ineens klopten jubelende klokkeklanken op de trillende ruiten. Ze
+buitelden door de zonnige luchtgolven als blauwe rookkrullen, die
+verijlden in de lichtsiddering. Nu en dan hoorde Kathelijne een
+geruisch van verwijderde muziek, dat bij poozekens voller toezwol,
+maar naderhand ook even lijze, door 't gewone lawaai van de drukke
+straat overklonken werd.
+
+'t Was de processie, die traag aanschoof.
+
+Kathelijne verschoot en nam vlug de twee koperen kandelaars, waar een
+roze keers in zat. Ze ging er mede buiten, zette ze op de vensterrichel
+en stak de wieken aan. Een geel, arm vlammeken bibberde er nu boven en
+wiegelde in het zoete windeken. Andere jaren prijkte 't Lievevrouwken
+tusschen de keersen in, maar Kathelijne wou dat nu niet. Ze had er
+een vreugde aan, het wreede beeldeken te pijnigen, het te sarren,
+het te laten alleen, ver van den stoet op de zwarte schouwplaat.
+
+De lucht hing vol klare klanken. De muziek speelde een hellen deun,
+naar de trage maat der stil-stappende menschen. Het volk in de straat
+rijde zich op de gaanpaden langs de huizen, en daar kwam de processie.
+
+Kathelijne zag toe van achter de gordijntjes. Ze kreeg een felle vrees
+en er klemde zich een ring om heur hert, dat ze de kloppen haast niet
+meer gewaar werd.
+
+Ze zag de soldaten komen op twee roten, met wuivende veder op den
+hoed en zware stappen die klonken uit boven de muziek en 't egale
+prevelen der biddende menschen; de roode vlag der congregatie, met
+allerlei gouden bloemen en zilveren vruchten bestikt, gedragen door
+een vent lijk een reus, daarachter nederige wijfkens met een blauw
+lint rond den hals, murmelend eentonige vaderonzen. Dan kwamen de
+maagdekens in de stijve, witte kleedekens, die in rechte plooien om
+hun lijfje lagen, een gouden kroontje op 't krullekopken van golvend
+haar, dat lijk een gulden zonne om hals en smalle schoudertjes
+straalde. Ze droegen vaantjes blauw en wit versierd, of schilden,
+helder getint, met Latijnsche spreuken en opschriften in gotische
+letters. Ze stapten met hippende paskens op maat van de zoete muziek
+en hun kleedekens en hun haar ging gracielijk op en neer. Kleine
+jongskens in purperen paterskleeren, een lanteernken in de hand, en
+een roodzijden kalotteken, bolrond over hun blonde haren, volgden. Ze
+stapten traagjes, en hun lange rokskens sleepten over het zand en de
+riekende kruiden die er gestrooid lagen.
+
+Zoo schoof de processie verder: peekens uit het Godshuis met een
+hoogen hoed dragend een dikke kaars, waarop een smookende vlam krulde;
+deftige heeren in zwarten rok, blootshoofds, rond de beelden der
+heiligen; mannen met banieren die waaiden boven het bont gewemel van
+biddende vrouwen. De menschen langs het gaanpad zagen toe met groote
+oogen en waren tevreden. 't Was een gouden pracht, blinkend in de
+flitsende zonnestralen, sneeuwwit, groen en blauw en viool-purper
+wemelend dooreen lijk een zonvergulde kerkraam. Alles ging matig
+op de tonen der zachte muziek en 't blonk zoo schoon en grootsch,
+met daarover de bonte waaiïng van rijke kleuren, vlottend met zoeten
+zwier in de davering der vurige zon.
+
+Daar kwamen de mannen in priesterrokken en witte roketten,
+fijngeplooid; ze torsten groote koperen draaglantarens, rijkelijk
+geornamenteerd.
+
+Kathelijne zag het, ze hield heuren asem in, nu moest de relikwiekas
+komen. God! Heur hart stond stil. Ze wierd wit als een lijk.
+
+En daar kwam de relikwiekas, gedreven in zuiver zilver; tafereelen
+uit het leven der heilige Begga stonden er op geciseleerd, en nu de
+zon er zoo al met eens een vollen brand op neergoot, scheen de kas
+te vlammen en te gloeien, dat het zeer aan de oogen deed.
+
+Kathelijne zocht met angstige oogen naar de witte begijntjes, die
+de kas droegen. Ze merkte Geertruide, die blij-lachend voortstapte,
+biddend aan heur beenen paternoster.
+
+Toen sloeg heur hert met een wilden bons, terug aan den gang en de
+scherpe woorden van 't Lievevrouwken kletsten weer door de kamer:
+"En ge gaat er niet in! en ge gaat er niet in!" Het bloed sloeg naar
+heuren kop. Heur beenen knikten, en met radelooze oogen zag ze den
+bonten stoet voorbij schuiven en verdwijnen achter de cypressen van
+den Kalvarieberg.
+
+Nu kwam de heilige, grootwondere God in vorm van brood, gedragen onder
+een blauwen baldakijn, door een goud-omhangen priester, omgeven door
+ijle wierookwolken en zware zangen, die eerbiediglijk samenwentelden
+tot wondere akkoorden, als gezongen door diepgeloovige, middeneeuwsche
+lieden, braaf en zedig.
+
+Kathelijne en kon niet meer aanzien! Ze wendde zich om, en met het
+hoofd op de tafel begon ze hare ontgoocheling, wanhoop en verdriet
+stillekes uit te weenen.
+
+En 't Lievevrouwken stond schoon te blinken en heur gezichtje bloosde
+lijk een kriek, boven het witte brokaatkleedeken.
+
+Toen Geertruide binnenkwam, vond ze Kathelijne roerloos op een stoel
+gezeten in heur keuken.
+
+"Zuster! waarom zijt ge niet buiten geweest?"
+
+Ze keek naar de rood beschreide oogen van Kathelijne:
+
+"En ge hebt geweend?"
+
+'t Begijntje schudde pijnlijk heur hoofd en zei: "'k Had zoo'n pijn in
+den kop!..." Zij wilde heur woorden intrekken, want ze voelde dat het
+een leugen was. En er viel een zwart druppelken op heur wit zielken,
+dat er openspetterde en de blanke reinheid bekladde.
+
+"En Zuster toch, waarom hebde 't Lievevrouwken niet in 't venster
+gezet? Wat gaan de menschen nu denken? 't heeft er altijd gestaan! en
+dat nu voor de eerste maal!"
+
+Kathelijne trok verwonderde oogen. "Dat heb ik fijn vergeten, Zuster
+Geertruide!" Er viel nog een zwart droppelken op heur wit zielken.
+
+Geertruide dan, met radde tong, heur aankijkend, hernam:
+
+"Maar zuster! ge moet slapen gaan! gij zijt zoo ziek als een hond! 't
+Is al goed dat ge in de processie niet geweest zijt! Menheer Pastoor
+had groot gelijk! Wel! wel! Toe, Zuster! naar boven, 'k zal lindenthee
+gereed maken, dan zal 't beteren!"
+
+Kathelijne roerde niet. Geertruide lei heur kroontje af, plooide
+voorzichtig heur sluier en haakte heur sieraden los. Dan ging ze naar
+boven heur bruids-kleed uitdoen.
+
+Nu zat Kathelijne weer alleen. Geertruide heur gezeever verbitterde
+haar nog meer. 't Groote was nu toch gebeurd en ze siste het
+Lievevrouwken toe, nijdig, met een fluitende stem, lachend om de
+schoone wraak die ze bepeinsd had: "Gij moet hier weg! weg!"
+
+
+
+Het hoogtij was voorbij. De begijntjes en kwezels zaten weer in hun
+hofken of gingen ter vespers.
+
+Alles werd weer stil en ingetogen. De schoone zon zette heur
+volle namiddaglicht op de witte gevels. In de volle boomen hingen
+vogelenzangen.
+
+Kathelijne was terug in heur keuken en ze zat stil in een hoek. Ze
+peinsde steeds met groot verdriet aan heur geslagen leven, en door
+heur hoofd schoten vele gedachten van wraak. En ze zag de processie
+en de relikwiekas als een wit vuur in de zon, gedragen door vier
+witte begijntjes en van voor links, op héur plaats, Geertruide!
+
+Vóór heur oogen groeide het Lievevrouwken, met een spottend
+gezicht. O! dat scheurde heur heelen kop aan stukken!
+
+Razend kneep ze de oogen dicht om niet te zien! Maar heller groeide en
+groeide het beeldje, in een wolk van goudlicht, en lijk een donder
+kraakten de woorden: "En ge gaat er niet in!... en ge gaat er niet
+in!" Ze zou heuren kop op de steenen kapot slaan om dien zotten zang te
+doen ophouden! Ze zou met scherpe nagels heur borst openscheuren, om
+er de pijn uit te sleuren. Het Lievevrouwken moest weg! Het beeldeken
+stelen? en dan?
+
+Ze hoorde in de gang het geslef; de klink der deur tjokte omhoog en
+Geertruide, in alledaagsche kleeding, stond voor heur.
+
+"Zuster, 't is goed weer, he?"
+
+Kathelijne zuchtte, zei 'n ja, kwaadweg, omdat ze gestoord werd bij
+'t bepeinzen van heur wraakplan.
+
+"Wie had zoo'n weertje kunnen bedenken! En gisteren nog zoo'n killen
+regen, om met de lollepot onder de voeten te zitten! Zuster Kathelijne,
+'k heb van menheer pastoor een schoon, blauw boekje gekregen. De
+Navolging Christi van Thomas a Kempis heet het en daaruit haalt
+hij vele spreuken voor zijn sermoon. Hij lachte, als hij 't me gaf:
+"Dat 's de prijs, zuster Geertruide, omdat ge zoo schoon waart in
+de processie".
+
+Kathelijne hijgde en tuurde gespannen naar de zonrondekens, die op
+de roode plaveien van den vloer dooreendansten.
+
+"'t Is 't schoonste boek dat bestaat", zei hij, "waarin geschreven
+staat hoe men zalig kan worden!... En hier ga 'k nu alle dagen
+in lezen!"
+
+'t Werd stil, ongewoon stil rond het geknip van den horlogeslinger
+in de eiken kas.
+
+Kathelijne zocht naar een woordje om toch ook iets te zeggen. "En waar
+is 't boekske?..." Maar 't gezegde was nog niet koud op heur tong,
+of ze had er reeds spijt over. Nu zou ze mee moeten naar Geertruide
+heur keuken...
+
+"O! 't ligt binnen!... Kom eens zien..."
+
+Ze kon niet meer "neen" zeggen, stond trage recht en volgde. Nauwelijks
+kwam ze 't plaatske binnen, of heur blikken gingen naar 't
+Lievevrouwken op de schouwplaat. Zie! daar brandden de ronde
+oogskens! Kathelijne draaide fluks heur kapken om naar de zuster die
+'t blauwe boeksken uit een lade nam, en er met voorzichtige vingers
+in bladerde.
+
+"Schoon he, zuster?..."
+
+"Ja".
+
+Ze piepte tersluiks naar 't beeldeken. Ze zou het wel weg krijgen! Weg
+moest het! Want er was geen leven meer te houden in de gedurige
+aanwezigheid van dat heksige Lievevrouwken!
+
+Geertruide had het boekje weer ter plaatse gelegd en babbelde over den
+pastoor, die zoo'n schoone beeldekens snijen kon in palmenhout. Hij
+was nu weer aan 't werk aan een Heilige Maagd... zoo schoon, zuster!...
+
+Ineens kwam er een korte klokkenklank aarzelend door de lucht tuimelen
+en pas was hij verzinderd, of heller klepten er andere hem na, zuiver
+gedragen op den naklank van den wegtrillenden voorlooper.
+
+"Ga-de mee naar de kerk, zuster Kathelijne?"
+
+"Och! 'k heb zoo'n pijn in mijn kop, zuster Geertruide!... Ik ga
+liever eens wandelen langs de vesten".
+
+Geertruide sloeg heuren katonetten voorschoot af, nam twee oude
+kerkboeken onder den arm en ging met Kathelijne de straat op. Ze zeiden
+geen woord meer en aan de kerk scheidden ze. Kathelijne ging langs
+'t Hemdsmouwke den Grachtkant op, 't waschhuis door, en wandelde nu
+op den dijk in den helderen zonneschijn, naar de vest af. Ze voelde
+zich een poosje jonger en vrijer, ze dacht over de boomen, die vol
+vogels zaten, en aan heur wekelijksche schoenen, die ze gisteren naar
+Kaluiken, den schoenmaker, gedragen had voor poleviëen.
+
+Op de vesten in de breede, blauwe lommerte der dubbele olmen-rij,
+speelden kinders en ze lieten zich kressend in den beemd rollen en
+plukten boterbloemen. Op den dijkweg, die blond langs de zilveren
+Nethe loopt, wandelden twee witgekapte begijntjes.
+
+Kathelijne voelde stilaan de rust om heur. Heur hart sloeg gemakkelijk
+en ze genoot van den zomerschen namiddag. De Nethe schoof zachtjes
+weg tusschen ranke rieten. Er sprong een zilveren vischken in de zon,
+en een groote kring rondde, wiegelend in grootere kringen, die in
+'t oeverriet verdwenen. Kathelijne had het vischken niet gezien en
+ze vond het aardig dat nu opeens het blauwe vlak aan 't deinen ging
+en de beeltenis der populierenrij aan den overkant aan 't kronkelen
+geraakte. Een beetje verder zat een vent, geborgen onder een strooien
+hoed te visschen. Hij smoorde een pijp en van onder de randen stegen
+blauwe wolken. Ze bleef er op staan zien, gedachteloos. De man draaide
+zijn kop om en bezag heur zonder iets te zeggen. 't Begijntje werd
+verlegen en zocht een woordeken: "Goe weer, he vent?"
+
+"Ja Zuster, vandaag is Margrietje toch niet aan 't schuren geweest..."
+
+Hij keek weer naar zijn lijn en rookte wolken uit zijn pijp.
+
+Maar kijk! daar kwam Cicielken, 't portieresken dat in Jeruzalem
+geweest was, achter heur aangestapt. Ze zeiden elkaar goeden dag
+en begonnen samen te klappen, al slenterend naar 't Sas. Kathelijne
+luisterde aandachtig naar 't gepraat van 't oude begijntje.
+
+Er fladderden kleppenters over de bebloemde wei, hommelen schoten
+van de eene bloem naar de andere, en hoog in de vuurge lucht hing
+een leeuwerik te tierelieren.
+
+Aan 't Sas draaiden de zusters om en kwamen op hun stappen
+terug. Kathelijne kreeg het zoo benauwelijk! Ze keerde terug naar 't
+Begijnhof! Ze moest weer naar huis bij 't Lievevrouwken! En de angst en
+haat drong omhoog om er hun zotten dans te hernemen. Kathelijne hoorde
+Zuster Cicielken niet meer. Ze kwamen voorbij den visscher. Ze keek
+naar de roode daken van 't Begijnhof. Ze hoorde het klokje kleppen.
+
+'t Portieresken werd gewaar dat Kathelijne niet meer luisterde. Ze
+haalde een paternoster uit den zak, zei: "Dag Zuster, 'k ga gauw naar
+'t lof" en ze sloeg een weg in.
+
+Kathelijne, verbauwereerd, vroeg: "Wat is er?..."
+
+Cicielken, die hardhoorig was, en gaf geen bescheid; ze slenterde
+langzaam naar huis.
+
+De stilte woog loodzwaar in de keuken. De horlogeslinger kapte den
+tijd in kleine stukskens. De avond steeg uit de eerde en vulde 't
+geluchte met zijn warme donkerte. De hemel was donkerblauw, als een
+fluweelen zee, waar schipkens drijven met ontstoken lanteernkens
+in den mast. 't Begijnhof was zonder geluid. Kathelijne zat nog op
+heuren stoel en snorkte regelmatig met den tik-tak van het uurwerk...
+
+Plots dommelden er acht klokke-tonen op de ruiten.
+
+Ze schoot wakker, angstig, wreef zich de oogen, zocht naar heur
+gedachten, die holderdebolder in 't dikke kluwen van dezen slaap
+verward lagen. 't Was al zoo donker! Ze luisterde naar de stilte
+die suisde. Ze zag het venster, met het groote kruis van 't raam
+achter de ijle gordijntjes. Ze luisterde weer naar de stilte, totdat
+opeens het knersend tikken van de horloge vooruitsprong en heur bij
+de werkelijkheid trok.
+
+Maar ei! ze kreeg er een steek van in den kop! daar djokte het akelig
+vooisken weer op, spottend en schril, op maat van den knersenden
+tiktak: "En ge gaat er niet in, en ge gaat er niet in!..." En ineens
+begon heur spijt en heur haat te prikken en te wroeten in heuren
+boezem, als doornenranken. "'t Moet hier weg!..." Ze was alleen,
+Geertruide was bij Markeken Ronk met het ganzenspel gaan spelen,
+en nu kon ze middelkens bepeinzen om het van kant te maken...
+
+Zou ze 't stelen?... maar dan? Wegwerpen in de Nethe, en geen haantje
+zou er nog over kraaien? Doch 't beeldeken zou nog bestaan alsdan en
+heur nog meer komen tempteeren! of 't zou ergens stranden, en alzoo
+'t voorwerp worden eener groote devotie!
+
+Het in stukken kappen en 't verbranden in heur stove? Ze moesten
+het eens te weten komen! Heur gepeinzen dwaalden in een duister hol,
+waar geen uitweg aan te vinden was. Ze zou eens door 't sleutelgat
+gaan kijken bij Geertruide, om het beeldeken te zien; wellicht kwam
+er dan een lichtje in heur hersens. Ze stond op, ging op de teenen
+de gang door en bracht heur oog aan 't sleutelgat.
+
+'t Was donker in de keuken. Vóór 't Lievevrouwken lag in een donker
+rood glazen potteken een vlammeken te wiegelen en gaf een schoonen,
+stillen schijn aan het beeldeken, dat lachend stond in zijn witbrokaten
+kleedje. Op de zoldering, recht boven 't glas, wiegde een groote
+roode ronde. Al 't ander stak in het duister. Kathelijne zag maar
+toe en duwde heur hoofd tegen de deur. De deur stond op een kier en
+draaide piepend open.
+
+Ze verschoot. Het was hier stil als in een graf. Ze zette zich van
+schrik op een stoel.
+
+De haat kwam weer boven. 't Was dàt nietig stuksken hout, dat heur
+schoone leven vernield had, dat heur laatsten oude-menschen-dag kwam
+vullen met gal en edik.
+
+Plots een klonengeklop op de trap! Er was toch niemand thuis!.... En
+eer Kathelijne den tijd had te peinzen, zag ze door het deurgat,
+op de trap in het gangsken twee geel-berookte holleblokken, waarin
+twee dunne, felbehaarde spillebeenen staken. De klonen daalden, de
+een na den ander, en klopten op de treden. Kathelijne vergriezelde
+och Heere! en als ze weer bijkwam, zag ze binnenkomen een grooten
+vent in witte monnikspij, het hoofd verscholen in de punt-kap en
+lezend in een oud, groot boek. Er hing een verroeste koffiemolen
+met een touw aan zijn linkerschouder. Terwijl kwam er een dunne,
+grijze klaarte de keuken ingedreven en 't begijntje zag onder de kap
+een rooden dop-neus die op en neer ging. De vent zette zich onder de
+tafel, sloeg met een flap zijn boek toe en begon aan zijn koffiemolen
+te draaien, dat het piepte en knerste alsof men er een biggetje keelde.
+
+Kathelijne en roerde niet en zat als gebeeldhouwd op den stoel. Ze
+keek met gespannen oogen naar den pater die zijn molen liet vallen
+en weer zijn boek opnam. Telkens hij een blad omdraaide, joeg er een
+fluitende wind door de keuken.
+
+Bots! en uit het breede schouwgat tuimelden drie rosse geraamten. Ze
+knetterden met hun tanden alsof er honderd ratels klepten.
+
+Uit het kasken kropen er twee oude peekens, kletsnaakt, met oogen
+op hun achterste, gaven elkaar de hand, wandelden door de keuken en
+vertelden wat met fluisterstem. Ze lachten genoeglijk. Drie zwarte
+kraaien kwamen krassend uit de gang gevlogen en zetten zich op de
+gladde koppen der geraamten. Ze bleven met hun vleugels slaan, totdat
+de drie pietjes de-dood hun lawaai staakten. De pater sloeg zijn boek
+toe en de ventjes zetten zich nevens de stove, op hun oogen. Nu was
+er een diepe stilte. En 't Lievevrouwken stond onnoozel te blinken
+in het roode lichtje.
+
+Er kwam een bleeke vrouw de keuken in. Ze was gehuld in een zwarten
+mantel en droeg om den hals een levende adder. Uit heur mondhoeken
+leekte bloed in dunne streepkens langs heur kin. Het licht in de
+keuken zwol bij heur binnenkomen. Kathelijne bezag de vrouw... en
+wonder! heur schrik smolt weg en 't wierd heur wel aan het herte. Ze
+loech de vrouw tegen, zeer vriendelijk, alsof ze heur goed kende. De
+zwarte vrouw kwam nevens 't begijntje zitten en nam heur bij de
+hand. Ze lachte genegen en toonde Kathelijne veel vieze gedrochten,
+'n voet hoog, die stillekens binnenschoven: groote eierschelpen,
+waaruit twee kikvorschenpooten klauwden en een groote kop bovenaan,
+opgeblazen en scheel; een verneukeld wijveken, dat geld aan het tellen
+was en de stukken een voor een in een kikvorsch zijnen muil wierp, die
+nevens heur kroop; saters met bokspooten, die op een zevenpijp zotte
+liedekens speelden; kaboutermannekens en wiemkens met dikke koppen,
+loopend op hun handen, de puntschoenen wiebelend in de lucht. 'n Hoop
+zwarte duivelkens, met een Hollandsche pijp in den kop en tegelijk
+zwierend een grooten vuurpot, waaruit allenthenen smeulende sprankels
+vlogen, besloten dezen wonderbaren stoet.
+
+'t Helsche volk staakte zijn spel en hurkte neer op de roode
+plaveien. Met gespannen oogen tuurden ze naar de gang waar het
+pikdonker was. 't Roode lampken brandde stil.
+
+Er zwol een zoet muziekgedruisch nader en plots achter de deur ging
+de processie voorbij. 't Waren alle kleine ventjes, een duim groot en
+'t was dezelfde orde en doening als dezen morgen, met het purper en
+rood der vanen in 't wit der maagdekens in een gouden schijn die er
+om wolkte.
+
+Kathelijne heur schrik was vergaan en ze moest lachen om dees wonder
+vertoon. De gedrochten in de keuken keken hun groene oogen uit hun
+lijf! Zie! daar kwam de zilveren relikwiekas van Sinte-Begga, gedragen
+door vier witte begijntjes en Geertruide van voren links! Al de spoken
+knarsten nijdig op hun tanden en vuur sprankelde uit hun mond. En de
+zwarte vrouw zei in 't oor van Kathelijne, wijzend naar Geertruide:
+"Dat is uwe plaats, en men heeft ze u ontnomen!"
+
+De kristelijke stoet ging verder: de muziek verklonk en alles verdween,
+opgezogen door de duisternis.
+
+'t Lievevrouwken was rood in het licht van het lampken.
+
+Ineens stampte de pater met zijn klonen op de plaveien, draaide met
+geweld aan zijn koffiemolen en begon luid te zingen. 't Was een teeken,
+want met een sprongen de geraamten recht en beenden zot door de keuken,
+en tusschen hun vlugge, kletterende beenen door draaide en danste heel
+het smalle gespuis, schreeuwend en schuifelend. De zwarte duivelkens
+zwaaiden er tusschen door met hun vierpot, dat een regen van gensters
+over 't huppelend volkje starde. Plots schreeuwde de kikvorsch met
+wijdopen bakkes. De spoken rolden holderdebolder over malkander,
+sprongen vlug recht en zochten een plaats in den haard.
+
+De dunne klaarte vloot de kamer uit en 't werd donker. Kathelijne zag
+de geesten bijna niet meer. Rood danste het lampken op de schouwplaat.
+
+De zwarte vrouw stond recht en bracht 't begijntje vóór het
+beeldeken. Ze sprak toen: "Wie is er de schuld van, dat ge niet in
+de processie gegaan zijt?..."
+
+Kathelijne voelde den haat weer wringen in heur boezem. Ze vergat
+het heele spel van spoken en duivels en heur stem beefde van woede:
+"Dié... dié daar!..."
+
+En de vrouw sprak: "Die moet hier weg!"...
+
+De duivels met hun lollepot kropen in 't midden der keuken en staken
+hun pijp aan. Ze speekten 'nen keer in de gloeiende kolen en daar
+kronkelden omhoog schoone vlammen, die het kamerken verlichtten en de
+smoelen van 't spookvolk nog afschuwelijker maakten. De drie geraamten
+dansten rond de potten met de krassende kraaien op hun schedel en al
+de helsche broeders floten en zongen:
+
+
+ 't Lievevrouwken weg van hier,
+ 't Lievevrouwken weg van hier,
+ in de vlam van 't helsche vier!
+
+
+De duivelkens speekten aldoor in hun potten om de vlammen wakker te
+houden. En het liedeken schokte door 't heele huis:
+
+
+ 't Lievevrouwken weg van hier,
+ 't Lievevrouwken weg van hier,
+ in de vlam van 't helsche vier!
+
+
+Het deed Kathelijne deugd aan het hert en ze knikte goedgunstig. De
+zwarte vrouw fluisterde: "Steek het in brand, dan zijt ge er af,
+toe Kathelijne!"
+
+En 't begijntje triomfeerend, zocht een stoksken in den houtbak
+onder de stoof, stak het stoksken in een vuurpot en wachtte tot er
+een vlammeken aan tongde. Ze hield het brandend houtje vóór heur,
+lachend van blijdschap om de gevonden wraak. Ze duwde het stoksken
+onder 't kleedje van 't Lievevrouwken; in een wip flapte een helle
+vlam omhoog en wentelde er rond.
+
+De spoken schoten in een lach en stormden de keuken uit. De pater
+zijn klonen klopten zwaar op de trap. De zwarte vrouw liet een kres
+en vluchtte ook.
+
+En er kwam een angstige stilte.
+
+Kathelijne zag het Lievevrouwen-kopken lachend in den vlammenkegel en
+meteen rees in heur geest het schrikkelijke van deze werkelijkheid. 'n
+Heiligschenderij.... de hel! de hel!! Ze sloeg heur kromme nagels
+aan haar kap en zag met open mond en wijde oogen het vurige beeldeken
+aan. O! de verdoemenis!...
+
+Ze viel op heur knieën: "o Lievevrouwken! in Godsnaam en brand toch
+astenblieft niet af. Ik zie u zoo geren! gotogot! Lievevrouwken!..."
+
+Maar de vlammen likten voort en krulden smerigen rook weg. Het blozend
+gezichtje werd zwart en verrimpelde onder een vlam.
+
+Nu zou ze zeker naar de hel!... "Astenblieft
+Lievevrouwken:... gotogot!"
+
+Ze sprong recht, greep het vlammende beeldeken en prangde 't aan heur
+borst: "Ge moogt niet afbranden! ik zie u zoo geerne!"
+
+De vlammen plakten op heur borstdoek, kronkelden langs heur boezem
+omhoog en sloegen heur in 't gezicht. Ze stuikte op den vloer, joeg
+de vlammen weg met radde handen, maar het vuur spiraalde om heur
+lijf. Ze spartelde en wrong als een paling; ze sloeg heur hoofd op
+den grond: "'k En zal 't niet meer doen!... nooit meer doen!" Ze
+rochelde. O! die brand om heur lijf! die brand in heuren buik! die
+brand in heure borst!...
+
+Een groote vlam in heur gezicht woelde, sloeg heur blind, neep den
+neus af, wrat de wangen weg en liet de tanden grijnzend bloot. De
+vlam slingerde rond heur schedel. Er schoot een schicht door heur
+hersens en ze was dood, pier-dood!
+
+Kathelijne smeulde uit en een heete, verkoolde romp bleef er over.
+
+
+
+
+
+
+
+HET FONTEINTJE
+
+
+In het donkere St. Agathastraatje, heelemaal 't ende van 't Begijnhof,
+stonden voortijds twee eendere huizen nevens elkander. Het waren zeer
+oude huizen, zoo oud dat de moekruipende tijd de eenmaal witte steenen
+gezwart had, en dat in de brokkelige voegen klein gras en schurftig
+mos weelderig groeiden.
+
+De huizen hadden elk een laag scheefgezonken deurgat waarboven
+uit een donker nisken een heiligenbeeld opdook, zoo verkleurd en
+afgeschilferd, dat het haast niet kennelijk meer was welken heilige
+het verbeelden moest. Doch uit hun houding kon men opmaken dat het
+een koplooze Sint-Justus was, want hij droeg het hoofd in de handen
+en het andere van boven Lijzebetheken heur deur, Sint-Hieronymus die
+met een grooten steen op zijn bloote borst klopte.
+
+De puntgeveltjes zaten vol houtwerk en uitspringende steenen waarop
+onhandig gesneden loofwerk oppenkrulde.
+
+'t Waren echt antieken huizekes voorwaar, met gewelfde gangen en veel
+balkwerk en de lage zolderingen. Door de groene in loodgevatte ruitjes,
+kwam het getemperde daglicht zeer schuchter, met wijfelende kleerte,
+de witgekalkte muren streelen.
+
+Op de vensterrichels langs binnen, vóór spierwitte effengeplooide
+gordijntjes stonden eenige bloempottekes met teere bellekens, of
+donkere geraniums.
+
+In het een woonde Menheer Pastoor en in het andere 't begijntje
+Lijzebeth, en hun devote doening fokkeledeerde wonderwel met het
+mysterieuze vertoon der twee woonsten.
+
+Achter deze woonsten lagen er twee hofkes, rijk aan kleurige bloemen
+en teer-groene gewassen, zoo frisch en maagdelijk alsof ze gaan loopen
+waren van een Memlinc. Een dikke palmenhaag van sombergroene verwe,
+zeer ernstig en zwaar bij 't naïeve kleurenspel der andere groeisels,
+scheidde ze van elkander. En 't hofke van Menheer Pastoor droeg,
+vlak in 't midden van een effen graspleintje, een blauw vijvertje
+waaruit een pluimken schuimend water opspoot. De hofkens waren diep
+en heelemaal op 't ende stond een brokkelige muur zeer onregelmatig
+gebouwd in verre, verre tijden door een oude metseldiender juist
+zonder werk in die dagen.
+
+Achter dien muur lag er een andere wereld. Daar stonden de vesteboomen
+en daar bochtte de blauwblinkende Nethe door onafzienbare, blakke
+beemden. De hooge boomen der veste, met hun grillig takkengewei staken
+hun zotgebolde kruin over het muurken. Ze waren schoon en goed daar
+ze de zware weelderigheid der blozende zomeren in hun armen droegen en
+'s winters sterke weermannen waren tegen de noorderjacht die vlak voor
+hun voeten vrij spel had. Ze konden dat looze gedoe goed verduren en
+de hovekens sussen in een stil leven zonder veel vertoon van huilende
+winden. Ja, 's winters was er ruwe strijd op de veste en 't wierd
+gezeid dat de joepende wind met zijn almachtigheid menig tam boomken
+in de wortels kittelde, beentje zette en 't met een lompe manier hals
+over kop in het rosgroene gras neersmeet.
+
+De boomen maakten dan een eendig lawij en kreunden onder de felle
+windslagen. Als de bende wildelingen op hunne stampende luchtpeerden
+gezeten snuivend tegen de boomen aansprongen, wiepten ze omhoog
+en ritsten de hofkens over zonder één takje te verroeren. Ongedeerd
+bleven ze zelfs van de kwaadste windbrakken die met langgerokken lijf,
+wit van vel, en flappende ooren, huilend kwamen aangedjorreld. Als
+het op de velden stoof van sneeuw en regen en er alles kreveerde in
+het booze getij, bleven de hofkens, stilslapend, lijk wieg-kindekens
+bij rijke menschen. O! die goede boomen toch!
+
+De lente kwam. De begijntjes en de brave menschen bleven nu binnen
+mediteerend het lijden van ons Lief-Heerken-Jezu. Terwijl ze zich
+zoo voorbereidden om het nakende hoogtij van Paschen te vieren brak
+er in de hofkens stilaan het nieuwe leven los. De magere takskens der
+gewassen verloren hun koude somberheid en sponnen zich heel zachtkes
+een doorzichtig kleedeken van groene zijde, dat met den dag warmer
+van tint en rijker aan bloeiende bladerkes wierd en op den duur in
+weelderige bloemenknoppen openberstte.
+
+'t Was daar een feest van de zoetste koleuren, nooit gedroomd. De
+kerselaren en de pruimelaren stonden zoo vol van witte en roze bloemen
+dat het was of elk takske zat proptigvol bedekt met fladderende
+vlindertjes. De glycine aan de scheefgezonken muur hing zwaar van
+trossen purpere edelsteenen en een jonge goudregen beierde zijn
+schitterweelde in de klare lucht. En er piepten en parelden nog vele
+bloemekens half verscholen in hun licht-groene zwachtels.
+
+Al die schitterende kleurenweelde was gedragen in het teederste
+groen dat zwelde met den dag. En het geurde alles violier en glycine,
+om een merelaar dronken te krijgen!
+
+Daarmidden in stond nu het fonteintje blinkend in de jonge zon en
+spoot met lallende blijheid zijn klare water in de lucht. Het zong
+daartusschen zijn mystiek liedeken, waar geen einde aan kwam, en met
+den rijpenden Lente altijd inniger wierd.
+
+Het vestegeboomte, met zijn overdanen rijkdom van sap-rijk groen,
+was als een groote orgel in de kerk, zoo klonk en daverde het er van
+den zang der weergekeerde vogelen. 't Waren als duizende pijpkens
+elk met eigen klank en eigen toontje, waarboven zeer melodieus, als
+bewust van zijn hooge waarde, een jonge nachtegaal zijn koninklijke
+liederen sloeg.
+
+En Paschen kwam en ons Lief-Heerken-Jezu stond op uit den dood,
+zegenend het nieuwe leven dat van hem uitging. En de hofkens waren
+zoo schoon geworden alsof daar de hemelvaart gebeuren moest!...
+
+Toen Lijzebetheke na al dat vasten en bidden in heur hoveken kwam
+ging er een wonderbaarlijk slagsken in heur hert zoodat ze met blije
+dripselende woordekens sprak: "Kijk! Kijk mijn lief Heerken Jezus! hoe
+schoone alles is! Zie de tulpen en de violetten en de groene Lente
+in mijn hoveken! Hoor! die merelaar! hoe zoet hij fluit vandaag;
+hoe rollen zijn blije reutelingskens! Hij pijpt zijn beste fluitje
+vandaag, zijn fluitje gesneden uit gouden wilgenstronken! Nu wordt
+de zoete tijd!"
+
+En ze kon heur oogen niet gelooven van heel het nieuwe kleurvertoon. En
+ze luisterde, luisterde naar den merel en de frissche geruchten in
+de ontwakende vesteboomen. Ze rook de bedwelmende geuren der lachende
+bloemen en ze voelde de deugddoende weldadigheid van den Mei met zijn
+heerlijke zon en zijn blauwe lucht.
+
+O! ze was zoo gelukkig, zoo vrij en rijk, dat ze had willen uitzingen:
+"Magnificat anima mea Dominum", ze bewonderde de werking van de
+Lente alsof ze 't nog nooit gezien had! Zie! dat kastanjeboomken
+met bladerkes van 't kostelijkste groen, 't leken vingertjes te
+zijn, die heel voorzichtig kwamen tasten of het deugdelijk begon
+te worden in de lucht, of er zon was. En er was veel zon en daarom
+had het zonder vrees zijn sneeuwwitte keerskens opgestoken, als
+een kerstboom in de Lente die brandde voor Heer-Jezus! Ze zag hoe
+de japansche kwee zoo waarachtig de vele bloeddruppels herinnerde
+van haar goddelijken bruidegom. En ze vond het al zoo schoon dat
+het was om te kussen!... Maar ei!... daar bij Menheer Pastoor! het
+fonteintje!... Lijzebeth verschoot ervan dat ze het nu eerst
+opmerkte. Het droeg zoovele wondere tinten! 't was zilver, goud,
+opaal en wat weet ik al, dat opschoot naar den hemel en in een pluim
+van diamant en klare paerlen open vouwde, die nederklaterde op het
+vijvertje van 't blijste blauw met gulden schijn op de kringetjes en
+golfjes. Het vijvertje was het blinkend slot dat gesloten hield het
+bonte mantelkleed dat over de hofjes lag.
+
+Naar het fonteintje kon ze staren als naar een nieuwe wereld, als naar
+de komst van een Heilige. Er lag zoo'n mystisch leven in dat water,
+iets dat ze niet bepalen kon, maar innig voelde in 't diepst van
+heur wezen. En Lijzebetheke dacht: ons leven is water dat Gods adem
+opspuit naar den hemel en in wiens witte pluim Jezus zitten moet! En
+ze dacht nog: de fontein is het levende symbool van Jezus zelf, God
+en mensch, die de fontein is onzer zaligheid, de fontein die alles,
+alles onderhoudt, de zon, de maan, de sterren, de aarde en alles wat
+er in is!...
+
+Zoo was het begijntje tevreden, want nu zou ze weer het hoogblije
+zomerleven van alle jaren genieten. Bij dag de witte handen ijverig
+in de witte kant en het witte linnen, bij deemstering, rustend tegen
+de dikke palmenhagen, turend naar het pluimende fonteintje en droomen,
+droomen.
+
+God! hoe menigen avond heeft zij alzoo niet gesleten met droomen en
+herdroomen over de beteekenis van het nooit rustende fonteintje, zoo
+wonderlijk! Daags had ze er weinig tijd voor over, maar als de zonne
+purperde en bloedde een vuur van rood en geel en een roerlooze zee van
+helle kleuren schilderde alover de wolkenbanken aan de westerpoort,
+als alle geluiden verwasemden in de kalmte van den komenden nacht,
+dan kwam ze met heur witte kapken omzichtig het lage deurken uit en
+schoof traagjes door de wegeltjes, genietend van de bloemen die toe
+gingen en van de vesteboomen die groot en somber tegen den gulden,
+trillenden hemel gedonkerd stonden. En als ze van heur hofke genoten
+had als van een zeer zoeten wijn, bleef ze naar het fonteintje turen,
+dat blonk in de deemsterende lucht. Heur gedachten verdroomden zich
+dan in het lichtende gespeel der reutelende droppelkes, die beprikten
+het vijvervlak, alsof een vlugge meisje dat een fijne luchtkant aan
+'t speldewerken was. Zoo bleef ze tot de koele winden opzoefden en
+de heilige nacht steeg. En dan, zoo zalig alsof ze God in heur hert
+besloten had, ging ze in heur zuiver bed heur klare droomen genieten.
+
+Zoo ging het elken zomerdag, als de avenden innig zijn lijk
+middeneeuwsche gebeden. Het fonteintje was een stuk van heur leven
+geworden, iets dat ze noodig had als brood. O! 't was heur zoo
+weldadig, half-bedwelmd door de zware avondgeuren in de geruischlooze,
+wakke nachtstilte te genieten van het subtiele leven in God, den
+goeden vader, levend in het pluimende fonteintje.
+
+Nu was het weer een nieuwe dag, die in den avond versmoorde. Hoog was
+de hemelkoepel, grijs en donker, en de laaiende kolk van lillend bloed
+en purper aan de westerpoort, waar de zon warm-rood als een lichtende
+robijn in versmachten ging, zette de aarde in fellen gloed. Zoo stond
+de zomerschoonheid een poosje stil als om zich zelf te aanbidden. En
+de zonne zonk weg in den grijzen zomerwasem aan den horizont en het
+gloeiend rood en purper vervaagde tot er ten laatste een gele trilling
+hangen bleef, onzichtbaar vervlietend in den donkeren. 't Was avond. De
+hofkens lagen in diepe rust en men hoorde geene geluiden. Alleen
+het koozende gedroppel van het dripselende fonteintje leefde in de
+stilte. De avond waasde zijn nevels om de lage dingen.
+
+Lang reeds hing het witte kapken van Lijzebeth roerloos over de
+sombere palmenhaag. Ze was een witte bloem in den avond. Heur ziel
+droomde in het fonteintje.
+
+Ze had gezien hoe het daarstraks rood straalde in het tanend daglicht,
+als een bloedstraal uit het hert van Jezus, en ze zag hoe het nu
+wit zoefde in den donkeren als een witte, wiegende pluim. In heur
+leefde een wonder gevoel dat ze nog nooit had waargenomen. Zij
+voelde zich groeien, groeien en 't was of heur ziel zich uitstrekte,
+wijd, over heel de wereld. Een ongekende zaligheid steeg naar heur
+hoofd, bedwelmend. 't Was alsof de zegen des Heeren als een vatbare
+lelie in heur binnenste groeide en geurde, en heur bloed witten wijn
+wierd. Bij poozen look ze de oogen om van de goddelijke deugd nog meer
+te genieten. Dan weer blikte ze naar de sterren die zilverperelden
+in het ijle blauw der luchten... ze glimlachte: daarachter gloorde
+de hemel!...
+
+Ze hoorde het fonteintje, ze zag hoe het steeg, en met langzaam
+gebaar naar de aarde boog. En ze wenschte ook een fonteintje te wezen,
+dat opstralen zou naar den hemel, door de blauw kristalijnen lucht,
+voorbij maan en sterren en altijd hooger, hooger, om roze droppelend
+te vallen in de schoone handen van God, dien ze daarboven tronen
+wist op een ivoren met goud-belegen zetel, omringd van zoet-lachende
+engelen en roerlooze heiligen in witte gewaden; alles als een groote
+smettelooze sneeuwroos waar de heilige Drievuldigheid, de drie gouden
+stampers van zijn.
+
+En als vanzelf, een spontane uitdrukking van heur hoogste geluk,
+zong ze met trillende stem en geloken oogen, het blanke gelaat ten
+hemel geheven, het droeve middeneeuwsche liedeke:
+
+
+ Ze staken Heer Jezus een kroon op 't hoofd
+ Van twee en zeventig pinnen hoog...
+
+
+en 't was of heur zang werd gedragen door de aangehoude begeleiding van
+ver-pijpende orgels en zuchtende instrumenten. In klagende mineurtoon
+zuchtte haar stem
+
+
+ Ave Maria
+
+
+stil verademend om daarna weer te zwellen en bevend van heilige
+geestdrift ten tweede maal: Ave Maria... haast onhoorbaar vervlietend
+in de zilveren stilte...
+
+Ze zong verder dan het gewijde lied met diepe liefde en vast geloof:
+
+
+ Ze staken Heer Jezus in zijn groot hert,
+ Met een mesken, het deed hem, och arme! zoo'n smert!
+
+ Ave Maria...
+
+
+En hooger steeg dan de zoete zang; voller en vatbaarder wierd de
+sensatie in de volgende strofen en ze meende Hem te zien, heur
+lief Heerken-Jezu, met groote blauwe oogen en bebloed voorhoofd,
+de dunne lippen purper in het witte glaat en sprekens rede. Zoo zag
+ze het schoone hoofd eindelijk groot voor haar in fellen gulden
+stralenkrans. En tranen kwamen in Lijzebetheke heur oogen en de
+kitteling die met het zilte vocht over heur bleeke wangen gleed,
+deed heur ontwaken als uit een diepen slaap. Heur stemme brak en de
+heerlijke droomerijen vielen uiteen. Ze verschoot, en ze stond nog in
+heur hofken, leunend op de palmenhaag van somber groene verwe. Ze zag
+hoe donker de avond was en meteens kwam er een naar gevoel over haar,
+ze wist zich alleen in den nacht.
+
+Plots hoorde ze gerammel aan het poortje in den brokkeligen achter-muur
+van 't pastoorken zijn hofken. Heur hert begon te botsen van 't
+verschiet. Ze wist dat het poortje nooit openging, dat het gegrendeld
+en gesleuteld was sedert jaren, dat er klimop overgroeide en veel
+griezelige spinnewebben in de hoeken gesponnen waren.
+
+En 't pastoorken sliep! Droomde ze dan? Ze hield de blikken strak
+naar het donkere poortje voor het jasmijnen bosselken. God! zouden
+soms dieven? En toen, toen schrok ze nog meer want een stille, gulden
+kleerte stroomde over het hofken en van achter de jasmijnenstruiken
+kwam dan een ezel, dragend een schoone vrouw in wijden witten mantel
+drukkend aan haar borst een kindeken in witte doeken, en een man in
+blauwen mantel stapte er moeizaam naast... Och Heere!... nu voer er
+een blijde klop in Lijzebetheke heur kristelijk hert. Ze herkende
+den schamelen stoet. Zoo stonden ze gebeeld, wit en blauw, in heur
+gebedenboek, zoo prijkten ze op de schilderij in de kerk, zoo stonden
+ze beschreven in heur "Gulden legenden". Het waren Maria en Sint-Jozef
+en 't lief, lief kindeken Jezus!
+
+Zie! hoe al de bloemen in de gulden kleerte opengaan, hoe elke bloem
+vlamt heur eigen zoete kleur! Het waren als stralende lantarenkens
+in den hof. Alles lichtte en de boomen en de struiken droegen plekken
+klaarte, krakend vermiljoen, vlammend smaragd, gloeiend rood en geel
+en blauw o! zooveel schoons nog! een wondere verlichting in dien
+geruischloozen Meienacht!
+
+Alles doemde op in de hovekens, gewekt uit zijn diepen donkeren slaap.
+
+De twee huizen droegen veel helle lichtplekken, op de breedvingerige
+bladen van den muur-wijngaard, en vele vlammekens in de groene
+ruitjes! De spitse achtergeveltjes verschaduwde in de donkerte.
+
+Lijzebeth zag het ezelken komen grauw van vel, en hoe zijn dunne
+pootjes trapten zeer preculeus met rythmischen gang, met oppe-en-neere
+het kopken, moe van zijn goddelijken last; Sint-Jozef blootshoofds, den
+blauwen mantel lenig plooiend om zijn gebogen rug. Hij was barrevoets
+met bloed tusschen de teenen, kwetsuren van de lange reis over ruwe
+steenen en distelen. Hij droeg veel lijden in de diepe oogen en hield
+den mond gesloten. Zijn neusvleugels trilden van heilige aandoening. En
+de schoone vrouw in 't witte kleed, suste het goddelijk kindeken. Maria
+met droomende oogen en de fijne lijning van kin en wangen, met den
+slanken witten hals en de lange vloeiende haren die rijkelijk golfden
+over den witten mantel en over den rug van het ezelken.
+
+Ze stapten naar het fonteintje. Maria daalde dan terneer en sloot
+zacht het kindeken onder den mantel en neurde lijze: Soeza, soeza
+mijne, houd uw oogjes toe.
+
+En Sinte-Jozef hield een bruin eerden kroesken onder het
+waterpluimpken, vulde het met paerelende droppelkes en reikte het
+zijne Vrouw.
+
+Maria dronk voorzichtig, twee kleine teugskens maar, en zij maakte
+met heuren vinger Jezus' kleine lippekens nat, en hij Sint-Jozef zijn
+vader, dronk het laatste. Toen hij het kroesken geborgen had in den
+knapzak, vastgesnoerd op het ezelken zijn rug, merkte hij het wit
+van Lijzebetheke heur kap in de palmenhaag. Hij schrok, Sint-Jozef,
+stak zijn witte handen smeekend vooruit, zoodat zijn blauwe mantel nog
+schooner plooide, en sprak smeekend: "O, gij die heel devotielijk heet:
+Lijzebeth, spreek nooit van Hem die uw bruidegom is, spreek nooit van
+haar die uw moeder is, noch van mij. Spreek nooit van ons aan anderen,
+gij die gelaten wachtend zijt den goeden Dood".
+
+En Lijzebeth met onvaste woorden sprak gedempt: "O... neen... ik zegge
+niets... nooit..." en verlegen dan sprak ze haastig heur grooten wensch
+"zeg... mag ik dan het kindeken Jezus eens zien?..."
+
+Maria had het gehoord, knikte vriendelijk lachend en hield haar
+god-kindeken met beide handen geheven boven de haag... En toen zag
+Lijzebeth Hem, den Meester van het Leven en de Dood. Heerlijk was
+Hij, zegenend met zijn poezelige handjes het roerlooze begijntje. Hij
+glimlachte.
+
+Heur keel kropte, heur oogen schoten vol tranen en ze knielde neer
+achter de palmenhaag... toen ze weer recht kwam was Maria gezeten op
+het ezelken. Sint-Jozef zegde: "Lijzebetheke... God! beware u!..." Dan
+stapten ze verder.
+
+Lijzebeth hoorde het poortje opengaan en weer toe. Tegelijkertijd
+vervloot de gouden kleerte en de vlammende bloemkens doofden.
+
+Het was weer stille Meie-nacht. Ver, heel ver zong een nachtegaal
+zijn koninklijke liederen.
+
+Lijzebeth weende van geluk. Ze had hem gezien die aarde en hemel
+geschapen heeft, ze had haar gezien, heur goede moeder: Maria!...
+
+Toen is ze binnen gegaan, waar ze van den ganscher nacht niet geslapen
+heeft, maar geschreid, geschreid om het hooge geluk.
+
+
+
+De zomer overweldigde nu de boomen en de gewassen der aarde met
+overdadig groen en de bloemen waren tot hun warmste kleuren en
+tot vastheid van vorm gekomen. De zon was als een gat in de lucht
+waaruit het hemelsche vuur in laaiende vlammen, op de berstende
+aarde gulpte. 't Was stikkensheet en 't geleek of er in de natuur
+een stilstand gekomen was en alle leven vastgevezen stond in deze
+blakende hitte.
+
+Maar och arme! 't pastoorken lag plat te bed en bibberend van kou,
+met een zware ziekte die niemand begreep, die sterker aangroeide,
+en stillekens aan, maar zeker het laatste leven uit zijn hart
+peuterde. Tegelijkertijd was er een droeve lucht over het begijnhof
+gedaald. De begijntjes en kwezelkens waren door die felle mare
+uit hun lood geslagen en zwijgend geworden als toeë boeken. 't Had
+hen uit de zalige tevredenheid hunner piëteit gerukt en nu leefden
+ze in een atmosfeer, asempakkend en zwanger aan zwerte noodlottige
+gebeurtenissen. Ze voelden dat er iets akeligs komen moest en dit had
+hen zoo bevangen dat heel hun sante gedoe er van omgetuimeld was,
+dat ze niet meer waren de brave zielen die zich heel en al aan den
+grooten wil van hun Heer onderwierpen en zijn werking, hoe hard dan
+ook, zonder morren aannamen. Het waren nu gewone menschen die kloegen
+en jeremiasten om hun grijs herderken, lijk kinderkes om hun zieken
+vader. Ze durfden tegen malkander niet zeggen dat God wreed was indien
+hij hun pastoorken bij zich nam, maar ze dachten het toch. En ze
+baden in hun witgekalkte kamers vóór het zwartlievenheerkruis dat de
+dood zou keeren. Ze aanriepen alle heiligen en Sint-Just, die boven
+de Pastoor zijn deur koploos troonde, in 't bijzonder. In de kerk
+bleven ze bidden tot laat in den avend. Ze waren reeds te voet in
+processie naar Scherpenheuvel geweest om van het wonder-beeldeken
+te smeeken dat het de groote macht van de dood, die drukte op het
+Pastoorken, zou breken. Ze hadden van alles beproefd, wat volgens de
+veelzijdige middelen van hun geloof te beproeven was, koortsafbinden,
+water van kruiskesberg, en andere wonderlike remedies... maar 't had
+niets gekort. De dood kwam dichter en dichter en er was bijna geen
+leven meer in 't hart van den Pastoor.
+
+Tusschen die harrewarrende begijntjes stond Lijzebeth kalm en gelaten,
+en hetgeen aan de gewone menschen zoo wreed schijnt, was heerlijk voor
+haar die hem betrachtte: de Dood. Sedert dien Mei-avond was er in haar
+een heele ommekeer gekomen. Ze was geworden een heilige--niet omdat
+ze meer bad en vastte, neen!--die voelde hoe innig het was te leven
+en heur ziel te weten als een wit-helle vonk, gebonden aan een gulden
+draad, die vloeide uit Gods hert. Ze leefde in zaligheid, vergetend
+de beteekenis van alle wereldsche dingen. Zij alleen kende de wondere
+doening der Heilige Familie, zij alleen voelde de zachte streeling
+der lichtende zegening van heur Heer. Ze zou die weelde immer voor
+zich houden, het aan niemand zeggen natuurlijk... want anders...! o!...
+
+Maar somtijds als ze zich verkneukelde van innig plezier bij 't
+bedenken van heur rijkdom, kwam in haar een zwart vlammeken van
+hoogmoed op: Wat zouden de menschen zeggen, zoo ze wisten... Foei
+Lijzebeth! en ze bad daarna drie paternosters als boete voor dit
+onzalig gedacht.
+
+'t Gebeurde wel eens, als de begijntjes alle te zaam waren in de
+groote zaal en de Moeder-Overste voorlas uit heilige boeken van
+Sinte-Christophorus die Jezus droeg of van Sinte-Augustinus die Jezus
+ontmoette aan de zee, dat ze zoo graag had willen rechtspringen en het
+uitroepen, het uitschreeuwen: "Ik heb ook Jezus gezien, en Jezus niet
+alleen weet-ge, nee, neen, ik heb de heele Heilige Familie gezien,
+Maria en Sinte Jozef".
+
+En als ze daarna weer in heur kamer alleen zat was ze blij dat ze het
+niet gezegd had en bad ze zes Paternosters om van die temptatie verlost
+te blijven. Denk eens welke zonde ze doen zou met aan Sinte-Jozef
+ongehoorzaam te zijn. Ze ging recht naar de hel voorwaar!
+
+Het fonteintje was nu heur leven geworden. De gebeden die ze anders
+ter kerke bad, las ze nu hier, in de roerelooze avonden. In de kerk
+smakte ze aan heur zaligheid en bad geen fits... 't was wel tegen
+de regels der orde, maar het was heur zoo natuurlijk geworden dat
+ze het niet anders meer doen kon. En had Hij van dit water niet
+gedronken? en was daardoor alleen, dit fonteintje niet geworden het
+grootste heiligdom die er bestond in het heele land van Rijen? Had
+hij het fonteintje niet opgezocht God weet van hoe ver! en rustte er
+nu niet voor eeuwig het goede oog van zijn Vader op? Was dit water
+nu niet het best-gewijde dat blonk onder de zon?
+
+Het was in heur opgekomen dat ze het Pastoorken genezen kon met hem
+van dit water te laten drinken. Maar langs den anderen kant vreesde
+ze den wil des Heeren tegen te werken want wie wist nu toch bepaald
+waarom God het Pastoorken, ondanks Scherpenheuvel en Kruiskesberg,
+zoo lijden deed? In de wereld is er voor ons toch niets te doen dan
+te luisteren naar hetgeen van boven komt.
+
+Met die gedachte leefde ze rustig, biddend om de temptatie ver van
+zich te houden.
+
+Op een Zondag-namiddag, als de zomerhitte op het land daverde, zat
+Lijzebeth in heur koele keuken en las devotielijk in heur liefste boek:
+"De Hoeksteen van het godvruchtig en Kristen leven". Ze las het parabel
+"Den Barmhartigen Samaritaan of hoe men ten allen tijden de lijdenden
+verzorgen ende helpen moet". Ze verschoot toen ze die zwarte woorden
+onder heur oogen kreeg, het bloed zonk in heur voeten, want nu voelde
+ze duidelijk dat ze kwaad deed met het oude pastooreken niet te helpen,
+en zelf door de dagen te varen, onbezorgd. Ze hielp heur evennaasten
+dus niet. Wat zou men heur al niet zeggen kunnen, als ze verschijnen
+moest voor Jezus' stoel! Zij hielp heur evennaasten niet en was als
+de pharizeër en de leviet die voorbijgegaan waren en fel boeten zouden
+hun hardvochtigheid.
+
+Toen werd ze gewaar dat een groot kwaad heur drukte, dat al het
+innige genot van vroeger een wazige onwaarheid was, een verdwenen
+begoocheling. Het withelle vlammeken dat brandde in heur hert doofde
+en de gouden draad die haar gebonden hield aan den Vader vervloot
+in de blauwende lucht. Het drukkend gevoel der eenzaamheid, van het
+verlaten zijn, kwam over haar, het boek ontglipte heur handen en in
+een snikkend geschrei barstte heur diep verdriet uit!
+
+Ze weende, en sloeg berouwvol op heur borst: "Och Heerken-lief,
+vergiffenis, laat me niet alleene, ik wist niet, ik zal 't Pastoorken
+helpen, laat me in Godsnaam toch niet alleene!" Lijzebeth weende,
+en 's nachts heeft ze, het hoofd geborgen in heur peluw, de armen
+kruisgewijs gedrukt op heur magere borst, zoo luide gesnikt dat ze
+er heesch van was.
+
+Toen de morgen zijn licht achter de aarde omhoog duwde kwam er
+stillekens aan wat klaarte in het arme begijntje heur ziel. Een
+stemmeke, nauw hoorbaar sprak heur het Pastoorken van het wondere
+water te laten drinken, het was immers nog tijd, hij leefde nog, zij
+behoefde niet te weenen, ze wist het niet, ze had gehandeld volgens
+heur geweten, en hoe kon een onwetende zondigen?
+
+Ja, ja, ze zou 't Pastoorken helpen.
+
+Ze verlangde naar den avond om water te kunnen scheppen, verlangde
+den heelen dag en keek gedurig aan naar de traagkruipende wijzers
+der horloge, die den tijd kunnen meten.
+
+Toen de zon achter de aarde verdwenen was en de langgerokken schaduwen
+der boomen alles verdonkerden in de tuintjes, stond Lijzebeth reeds
+ongeduldig in heur achterdeurken, een steenen kroesken in de hand, om
+zoo gauw mogelijk maar verlost te geraken van heur grove zonde. Want
+Heereje! had ze zoo eens moeten sterven! denk toch eens wat vreeselijke
+straf heur wit zielken treffen zou! Ze hield zich vast aan de kille
+deurklink om niet te vallen van dat gedacht alleen!
+
+Als het heel donker was, dat ze de bloemen en de struiken niet
+meer zag, sloop ze omzichtig heur hofken in tot aan het brokkelige
+venstermuurken, wrong zich tusschen muur en haag door in het pastoorken
+zijn hof en stapte vlug naar het wondere fonteintje, dat was als een
+groote lichtend zwaard in de wegende donkerte.. Maar ei! wat deed
+ze nu weeral! Liep ze hier niet op heiligen grond waar de Heilige
+Familie in dien stillen Meie-nacht getreden had? Ze dierf niet voort,
+want onwaardig was ze heur voeten te zetten waar Hij eens ging. Ze
+wist niet wat te doen.
+
+Plots kreeg ze het klare gedacht hier blootsvoets te loopen en ten
+minste zoo dezen gebenedijden grond te eerbiedigen. Ze deed heur muilen
+uit, stroopte de witte kousen af de beenen en trad nader. Vóór het
+fonteintje knielde ze devoot neder, boog het hoofd en bad: "Geloofd
+zij Jezus Christus". Dan, met bevende hand stak ze het kroesken
+onder den neerdruppelenden straal. De druppelkens kletsten in het
+kroesken. Nauwelijks was het vol of ze sprong en ijlde vlug naar
+'t einde van het hofken, blijde met het water.
+
+
+
+Toen ze den anderen dag aanbelde bij Menheer Pastoor, het wonderwerkend
+water in heur schoonste roodbebloemde kopje kreeg ze ineens een
+akelig gedacht: Wat doen, als ze vragen zouden vanwaar dit watertje
+kwam. Ze wilde aan 't peinzen gaan, terugloopen! maar daar hoorde ze
+den slef van de meid reeds en de deur ging open. Met stotterende stem,
+gansch verbauwereerd zei Lijzebeth: "Juffrouw, vergeef me, ja, hier is
+water, gweet, water dat geneest, voor Menheer Pastoor". Ze werd rood,
+als een kollebloem. De meid zei merci en kletste de deur toe.
+
+Nu zou 't begijntje toch bekennen moeten. God toch! wat zou er dan
+gebeuren? Zou ze niet kiksneergebliksemd worden om aan Sinte-Jozef
+ongehoorzaam te zijn geweest en heur zieltje! zeg! heur zieltje
+dan? Het was nu eenmaal zoo en nu zou de martelie beginnen! God! och
+God toch! Neen! zeggen zou ze het niet, nooit zou ze het
+zeggen! Liever ongehoorzaam zijn aan al de pastoors van de wereld,
+dan aan Sinte-Jozef!
+
+Zoo werd ze nu gekweld den heelen dag. Ze liep her en der van
+ongerustheid, brak drie tellooren 's middags en verpletterde heur
+vinger aan de achterdeur. In den nanoen liep ze de veste op, om
+daar wat vrede te vinden. De zon kletste haar gloeiende hitte op het
+zomersche land en deed alles krimpen in haar geweldig vuur. Ze wenschte
+dat het water niet zou helpen, alzoo bleef alles in den doofpot.
+
+Lijzebeth wandelde den Nethedijk op in de blanke zon. Nevens haar
+broeide het hooggetijde water in de vlammende kleerte. De weiden
+en de korenvelden gloeiden in den fellen brand. Alles was stil en
+roerloos. De boomen stonden daar verschroeid lijk afgeleefde dingen,
+zonder beteekenis. Lijzebeth zag die dingen. Maar in heur kop spookte
+het anders! Wat had ze nu berouw de parabel van dien dommen Samaritaan
+gelezen te hebben! Nu was 't uit het zoete leventje in de gedurige
+aanwezentheid van Hem die heur zoo vaderlijk gezegend had! Ze poogde
+heure gedachten te verzetten met te lezen in Salomons lied en ze viel
+op den zin: "Mijn liefste is mij een bundelken mirre dat tusschen
+mijn borsten vernacht--zie gij zijt schoon mijn liefste, ja liefelijk
+van gedaante en het groen versiert onze bedstede..." maar ach! heur
+liefste ging heenvlieden misschien, want ze voelde dat hetgeen komen
+ging sterker was dan zij zelf. "Ach laat den Pastoor met dit water
+niet genezen!"
+
+Toen het op Sint-Gommarustoren zes uur rammelde kwam ze langs het
+waschhuis het begijnhof in.
+
+Maar zie wat was er nu gebeurd? wat liepen de begijnen zoo bedrijvig
+rond? Ze zagen Lijzebeth en riepen heur van ver: "Zeg! zuster
+Lijzebeth! 't Pastoorken is genezen! Menheer Pastoor is opgestaan! Het
+water dat ge hem gebracht heb, genas hem, zuster Lijzebeth!
+
+Waar hebt ge dat water toch gehaald? zeg! waar? Geef mij er ook wat,
+zuster Lijzebeth!"
+
+En ze liepen naar heur toe en wrongen zich om heur heen, vertellend
+met grooten mond en vele gebaren van het wonder. En ze baden zuster
+Lijzebeth: "Geef mij er ook wat voor mijn rheumathisme" en anderen:
+"en mij voor mijn tandpijn" of "voor mijn eksteroogen, toe zuster
+Lijzebeth!"
+
+Maar zij gaf geen bescheid, want nu zou ze den genadeslag
+krijgen. Zeggen of niet zeggen! en o! de hel! langs alle kanten de
+hel! ze lachte pijnlijk en stapte vlug huiswaarts nu, immer omringd
+door die snappende begijnen die kloegen, kloegen steenen uit den
+grond om de simpele pijnen die ze te verduren hadden.
+
+En ei! aan den draai van 't Sint-Agathastraatje zag ze Menheer Pastoor
+frisch en blij in zijn deur staan. Zij liep naar hem toe en bad met
+hokkende stem: "Och! Menheerken, vraag het niet, vraag het niet, er
+zit niets kwaads in! als 't u blieft! vraag het niet". Hij goedmoedig,
+lachte tevreden en antwoordde: "Och! 't is niets, zuster, ge moet het
+niet zeggen nu, 't is goed zoo, ik bedank u zeer!" Blijde vluchtte
+het begijntje in heur huis.
+
+Lang nog bleven de andere zusters met koppeltjes in het straatje staan,
+geheimzinnig besprekend het mirakel van den dag.
+
+Sedert dezen dag leefde Lijzebeth alleenig. De zusters schuwden heur en
+spraken heur nooit meer aan. Ze gaf daar niets om. De vreeselijke angst
+dien ze echter sindsdien uitstond van toch eens gedwongen te worden
+uitleg over heur wonderwater te geven, verzwakte heur merkelijk. Ze
+sliep er bij nacht niet van en vermagerde als een riet.
+
+Zaterdag voor Ons-Heer-Hemelvaart riep Menheer Pastoor heur bij zich.
+
+Nu zou het gebeuren, dacht Lijzebeth.
+
+Wit, als het wit van heur effengestreken kapken, trad ze in zijn
+lage achterkamerken. De superieure en de priester zaten aan de ronde
+tafel. Zij ook moest zich zetten.
+
+En hij zei dan: "Juffrouw Lijzebeth, de dingen zijn in den laatsten
+tijd wel anders gegaan dan ge hebt gepeinsd. Er wordt hier veel over u
+gesproken. Er worden geheimzinnige, vreeselijke dingen verteld over u,
+sedert ge me dat wondere water hebt te drinken gegeven. En ik vraag
+u nu, vlak te zeggen in de tegenwoordigheid der Eerweerde Moeder
+Superieure, waar ge dat water gehaald hebt".
+
+Lijzebeth weende.
+
+"Kom, ween nu niet", zei 't Pastoorken, "er steekt immers toch geen
+kwaad achter".
+
+Toen beet ze hem toe in harde woorden:
+
+"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
+
+"En de gehoorzaamheid aan uwe oversten?"
+
+"Neen! neen! 'k zegge niets, niets!"
+
+"Goed dan!" zei hij weer, "'t zal dan toch wel waar zijn!"
+
+"Wat waar zijn? o! weet ge het dan? weet ge het dan? maar ge kunt
+niets weten, niets, niets, ik heb nog niets gezegd! ge kunt het niet".
+
+Ze verstonden het anders. De superieure en de Pastoor stonden recht
+en gingen bevend achteruit...
+
+"Ga! wij zullen weten wat te doen!..."
+
+"Wat doen toch, wat doen?"
+
+"Ga nu!"
+
+Toen trad Lijzebeth de gang in. De twee anderen volgden. De voordeur
+stond open. Ei! wat al begijnen die daar stonden voor het huis,
+dicht tegen elkander gedrumd, wit en zwart, en met nieuwsgierige
+gezichten naar Lijzebeth gekeerd toen ze in het deurgat kwam. Het
+arme begijntje was beschaamd en dorst niet opzien.
+
+"Wat doen toch?... zeg! wat denkt ge van mij?..."
+
+En hij, Menheer Pastoor, stak de borst vooruit en sprak met hoekige
+woorden: "Liever ware ik gestorven dan genezen te worden door de
+macht van den duivel, nu is het leven me een vloek! een vloek!"
+
+Daar had ge het! daar hadt ge het! hoe vreeselijk!
+
+En al de begijnen samen barstten uit met geweldige rapstemmen, als
+'t kraaien van oude hanen: "Tooverheks! tooverheks! duivelskind!"
+
+En zij toen, in edele verontwaardiging stak het witte gelaat fier
+vooruit en schreeuwde in hokkende klanken: "Gij slechte menschen die
+God lastert! neen ik! ik ben geen tooverkind! Het water heb ik geput
+aan 't Pastoorken zijn fonteintje! ja! aan zijn eigen fonteintje! waar
+de Heilige Familie aan drinken kwam, ja! ja! Jozef en Maria en
+'t Kindeken en 't ezelken, dat heb ik gezien! ik gezien! en daarom
+is het water zoo goed!" Ze kon niet verder. Heur borst hijgde van
+'t danig geweld.
+
+Maar de anderen, niet geloovend, riepen woest: "Dat 's niet waar! dat
+'s niet waar! hoe zoudt gij! ge liegt, leelijke tooverkol! Jezus is in
+den hemel en de vlucht van Egypte is duizenden jaren geleden! En hoe
+zoudt gij? gij zijt niets meer dan wij! niets meer! tooverheks!" Toen
+is Lijzebeth van heur zelve gevallen, op de kille steenen van de
+straat.
+
+De begijnen zijn naar huis gegaan. De superieure gebood het.
+
+Zoo lag zij, die Hem gezien had, verlaten in de stille
+straat. Achter de gordijntjes der andere huizen loerden nieuwsgierige
+begijnen-koppen. Zij is terug bij heur zelve gekomen, is in heur
+huizeken gesukkeld en heeft zich daar tot bloed geslagen omdat ze
+Gods gebod nu toch overtreden had.
+
+Den anderen dag verliet ze het begijnhof. Het fonteintje stierf na
+haar vertrek en 't vijvertje werd gedempt. Ze woonde in steden en
+dorpen, in hoef en herberg, als meid. En als ze te weten kwamen
+dat ze getooverd had, moest ze weer de baan op, om den spot en
+de verachting te ontgaan. Op 't laatste kwam ze in de Walen--waar
+men aan God niet gelooft--bij een slunsige boerin terecht, waar
+ze varkens hoeden moest. Toen men van heur wonder leven vertelde,
+lachte de dikke boerin medelijdend, en zei dat ze onnoozel was.
+
+
+
+
+
+
+
+BUITENLEIDING
+
+
+"Stel het licht op den kandeleer, opdat het uw huis verlichte",
+spreekt Ons Heer.
+
+En als dan aangestoken hebbende voor deze "ut suvere caritaten"
+kinderen Begga's, 7 armzalige keerskens met smookende vlam, zoo
+smeeken wij u, o goede Lezer, dit boek niet te ruw toe te slaan opdat
+het niet een dezer nederige lichtjes uitblaze.
+
+Wij vragen het niet voor ons, o Lezer, maar voor de zieltjes van
+Cicielken, Kathelijne, Lijzebeth, Agapieta en de anderen. Wees hunner
+indachtig. Amen.
+
+
+
+Hier is 't uit.
+
+Gemaakt te Lier van 1905 tot 1908.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Begijnhof-sproken, by
+Felix Maximiliaan Leopold Timmermans and Antoon Frans Thiry
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42815 ***