diff options
103 files changed, 3 insertions, 27302 deletions
diff --git a/41429-0.txt b/41429-0.txt index 831e75d..2f3cada 100644 --- a/41429-0.txt +++ b/41429-0.txt @@ -1,4 +1,4 @@ -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 *** +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 *** HET LEVEN @@ -8546,5 +8546,4 @@ en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten. End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 *** diff --git a/41429-8.txt b/41429-8.txt deleted file mode 100644 index bffeb0d..0000000 --- a/41429-8.txt +++ /dev/null @@ -1,8935 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41429] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - -HET LEVEN - -EN - -DE LOTGEVALLEN - -VAN - -ROBINSON CRUSOE, - -DOOR - -DANIËL DE FOE. - - -TWEEDE DEEL. - -OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD. - - -TE AMSTERDAM, BIJ - -J.F. SCHLEIJER. - -1843 - - - - -HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN - -van - -ROBINSON CRUSOE. - - - - -Lezers, ons gewone Engelsche spreekwoord, dat wat in het gebeente zit, -niet uit het vleesch zal gaan, werd bij niemand meer dan bij mij -bevestigd. Iedereen zou denken, dat na vijf en dertig jaren vol -rampspoed en eene menigte ongelukken, zoo als zelden of nooit iemand -ondervond, en na bijkans zeven jaren rust en welvaart in alle opzigten -genoten te hebben; en nu ik oud was, en zoo goed als iemand zeggen mogt, -in mijne mannelijke jaren ondervinding opgedaan te hebben, ik zeg, na -dit alles zou men denken, dat de zucht tot zwerven, die, gelijk ik -verhaald heb, mij aangeboren was, wel zou uitgebluscht zijn, en ik op -mijn een en zestigste jaar weinig lust kon hebben mijn vaderland te -verlaten en mijn leven en bezittingen op nieuw in gevaar te stellen. - -Wat meer is, ik had geene reden meer om buitenlandsche avonturen te -zoeken; want ik behoefde mijne fortuin niet meer te maken. Al had ik -tienduizend Pond St. verdiend, ik zou er niet rijker om geweest zijn, -want ik bezat reeds genoeg voor mij en voor hen, dien ik het nalaten -zou; en het vermeerderde nog dagelijks; want daar ik een kleine familie -had, kon ik mijne inkomsten niet verteren, of ik had eene andere -levenswijze moeten aannemen; zoo als een groot huishouden opzetten, -knechts en paarden houden, gastmalen geven, en zoo voorts; dingen, -waarvan ik geen verstand, noch lust toe had; zoodat ik slechts behoefde -stil te zitten en te genieten wat ik had, om dit nog dagelijks onder -mijne handen te zien aangroeijen. - -Dit alles maakte echter geen indruk op mij, althans niet genoeg om mij -den lust te benemen, om weder buiten 's lands te gaan, dat eene -aangeboren kwaal bij mij scheen te zijn; vooral maalde mij de begeerte, -mijn eiland en de kolonie, die ik daar achtergelaten had, weder te zien, -mij gestadig door het hoofd. Des nachts droomde ik er van, en over dag -peinsde ik er gestadig over, tot dat mijne verbeelding zoo werd, dat ik -in mijn slaap er over sprak. Kortom, niets kon dit mij uit het gemoed -zetten; en het werd daardoor zelfs lastig met mij om te gaan, want ik -kon nergens anders over spreken, maar had er, tot walgens toe, altijd -den mond vol van. - -Ik heb dikwijls verstandige lieden hooren zeggen, dat al wat men lieden -van spoken of geesten hoort verhalen, alleen zijn oorsprong heeft in -hunne eigene sterk gespannen verbeelding; dat er geesten noch spoken -verschijnen, maar dat men door gestadig aan afgestorvenen te denken, zoo -ver komt van zich eindelijk te verbeelden, dat men die bij buitengewone -gelegenheden ziet, met hun spreekt en antwoord ontvangt; terwijl alles -slechts ijdelheid, bedrog en zelfbegoocheling is. - -Wat mij betreft, ik weet niet dat er spoken zijn, of dat er in de -spookgeschiedenissen, die men hoort, iets anders dan de werking eener -verhitte verbeeldingskracht is; maar dit weet ik, dat mijne verbeelding -zoo gaande raakte, dat ik mij somtijds verbeelden kon op het eiland, in -mijn oud kasteel achter het geboomte te zijn; dan zag ik mijn ouden -Spanjaard, Vrijdags vader, en de schelmsche matrozen, die er achter -gebleven waren; soms verbeeldde ik mij, dat ik met hen sprak; en daar -dit niet in mijn slaap, maar als ik wakker was, gebeurde, werd ik -eindelijk bevreesd hoe dit alles zou afloopen. Eens in mijn slaap -verbeeldde ik mij duidelijk, dat de oude Spanjaard en Vrijdags vader mij -de slechtheid der drie matrozen verhaalden, zij vertelden hoe deze al de -overige Spanjaarden hadden willen vermoorden, en zij hunnen voorraad van -levensmiddelen hadden in brand gestoken, om hen te laten verhongeren; -dingen, waarvan ik nooit gehoord had, en die ook later bleken onwaar te -zijn. Dit alles stond mij zoo levendig voor den geest, dat ik niet -anders dacht of het was waarlijk zoo; ook hoe ik op de aanklagt der -Spanjaards dit bestrafte, hen voor mij als regter daagde, en alle drie -veroordeelde om opgehangen te worden. Wat hiervan waarheid is zal men -later zien, hoezeer dit was, moet ik zeggen, zeer veel. Wel was er niets -letterlijk zoo gebeurd als in mijn droom, maar toch had het slechte -gedrag der schelmen veel overeenkomst daarmede, en zoo wel als ik hen -naderhand gestreng wilde straffen, had ik hen toen kunnen laten -ophangen, en zou gelijk gehad hebben, en mijn gedrag door Goddelijke en -menschelijke wetten te regtvaardigen geweest zijn. Doch ik keer tot -mijne geschiedenis terug. - -Ik had in deze gemoedsgesteldheid nu eenige jaren geleefd. Ik had geen -genot van mijn leven; niets was er, dat mij vermaak verschafte, of dit -werd hierdoor getemperd; zoodat mijne vrouw, die bespeurde hoezeer mijn -hart mij derwaarts trok, mij op zekeren avond ernstig onder het oog -bragt, hoe zij het voor een geheimen aandrang der Voorzienigheid hield, -die besloten had, dat ik derwaarts zou gaan; en dat zij vond, dat mij -niets hierin verhinderde dan mijne gehechtheid aan vrouw en kinderen. -Zij zeide, dat zij, wel is waar, er niet aan denken kon van mij te -scheiden, maar dat zij zich verzekerd hield, dat het het eerste zijn -zou, wat ik na haren dood deed, dat zij dus, daar het des Hemels wil -scheen te zijn, niet de eenigste hinderpaal wilde zijn. Want dat als ik -besloten had te gaan.... Hier hield zij in verwarring op, om dat zij -zag, dat ik met een zeer ernstig gelaat naar haar luisterde. Ik vroeg -haar waarom zij niet voortging en zeide wat haar op het hart lag. Maar -ik bemerkte, dat haar hart te vol was, en dat de tranen haar in de oogen -kwamen.--"Spreek verder, mijn beste," zeide ik, "verlangt gij, dat ik -gaan zoude?"--"Neen," zeide zij, "verre vandaar. Maar zoo gij er toe -besloten hebt, wil ik, liever dan de eenigste hinderpaal te zijn, u -vergezellen; want schoon het eene ontzettende onderneming voor iemand -van uwe jaren is, zoo wil ik echter, als het zijn moet," vervolgde zij -weenende, "u niet verlaten. Want is het des Hemels wil, dan moet gij het -doen, en zoo de Hemel wil, dat gij gaat, zal hij mij ook sterken om u te -vergezellen, of maken, dat ik niet langer een hinderpaal daar tegen -ben!" - -Dit liefderijk gedrag mijner vrouw bragt mij een weinig tot andere -gedachten, en ik begon over mijn voornemen na te denken. Ik beteugelde -mijne verhitte verbeelding, en vroeg mij zelven af, wat ik, die zestig -jaren oud was, na zulk een leven vol ongevallen en lijden, dat op zulk -eene gelukkige wijze afgeloopen was, wat ik nog noodig had nieuwe -gevaren te zoeken en avonturen, die alleen geschikt zijn voor jeugd en -armoede. - -Bovendien overwoog ik welke nieuwe betrekkingen ik had, dat ik eene -vrouw en een kind had, en weldra een tweede mogt verwachten; dat ik -alles bezat wat de wereld mij verschaffen kon, en niet noodig had -gevaren te zoeken, om eenig geld te verdienen; dat ik oud begon te -worden, en eerder denken moest datgene, wat ik gewonnen had, te -verlaten, dan te trachten het te vermeerderen. Met hetgeen mijne vrouw -gezegd had, dat het de wil des Hemels zijn kon, kon ik mij niet -vereenigen; zoodat ik na veel weifelen eindelijk mijn voornemen opgaf, -en mij zelven daartoe overreden met de gronden, die mij voor den geest -kwamen. Als het beste middel daartegen echter, besloot ik eenige -bezigheden aan te vangen, die mij in het vervolg voor soortgelijke -buitensporigheden zouden behoeden; want ik ondervond, dat dit verlangen -mij meestal bekroop als ik niets te doen, noch iets van belang te -wachten had. - -Te dien einde kocht ik een boerenplaats in het graafschap Bedford, en -besloot mij daar neder te zetten. Er stond een klein, gemakkelijk huis -op, en ik bevond, dat het daarbij behoorende land voor veel verbetering -vatbaar was, iets, wat zeer met mijne neiging strookte, want land -ontginnen, planten en bouwen was mijn lust; en daar het binnen in het -land lag, was ik buiten allen omgang met schippers en schepen, en -dingen, die tot andere werelddeelen betrekking hebben. Ik ging dan met -mijn gezin mijne boerderij betrekken, kocht ploegen, eggen, een kar, een -wagen, paarden, koeijen, schapen, en ging ijverig aan het werk, zoodat -ik binnen een half jaar een volslagen landedelman was geworden. Mijne -gedachten waren uitsluitend gevestigd op mijne knechts, het bouwen en -planten, enz., en ik leidde, naar mij dacht, het aangenaamste leven, -waartoe iemand, die altijd tot ongelukken bestemd was, in staat was. - -Ik bouwde mijn eigen land, behoefde geen pacht te betalen, en kon in -alles mijn eigen hoofd volgen, bouwen of afbreken, naar ik goedvond. Wat -ik kweekte was voor mij, wat ik verbeterde was voor mijn gezin, en toen -al mijne neiging tot zwerven mij verlaten scheen te hebben, was er niets -in mijn leven, dat mij kwelde. Nu meende ik tot dien staat gekomen te -zijn, dien mijn vader mij zoo ernstig aangeraden had, die levenswijze, -die de dichter noemt: "bevrijd van ondeugden en smarten; waar de -ouderdom geene zorgen, de jeugd geene valstrikken kent." - -Maar te midden van dit geluk werd het door eene beschikking der -Voorzienigheid mij op eens ontnomen. Deze slag trof mij, mag ik zeggen, -tot in mijn binnenste, en deed mijn lust tot zwerven weder ontwaken, die -mij ingeschapen zijnde, als eene ziekte met onweerstaanbare kracht mij -weder overviel, zoo dat ik tot niets meer geschikt was. Deze slag was de -dood mijner vrouw. Ik wil hier geene lofrede op haar houden, of hare -deugden in het bijzonder opsommen. Zij was de steun van al mijne -verrigtingen; het middenpunt van al mijne ondernemingen; de wijze -raadsvrouw, die mij van de heillooze voornemens, die mij steeds door het -hoofd maalden, wist af te houden; en die hiertoe meer deed dan mijn -moeders tranen, mijn vaders wijze lessen, vriendenraad en mijn eigen -gezond verstand ooit vermogten. Ik was gelukkig als ik naar hare -smeekingen luisterde en aan hare tranen toegaf; en uiterst rampzalig en -van alles beroofd door haren dood. - -Toen ik haar verloren had, was de wereld mij een walg; in mijn vaderland -achtte ik mij evenzeer een vreemdeling als in Brazilië, toen ik daar het -eerst aan wal stapte; en even verlaten, met uitzondering van de hulp van -knechts, als op mijn eiland. Ik zag iedereen rondom mij bezig; de een -zwoegde voor zijn brood, de ander verspilde zijn geld in lage -losbandigheden of ijdele vermaken; en beide even ongelukkig, omdat zij -hun doel niet konden bereiken; want dagelijks walgden de najagers van -het vermaak meer van hunne genoegens, en zamelden steeds meer redenen -tot ellende en naberouw; terwijl de arme dagelijks zwoegde om een -schamel stuk brood te verwerven, levende in eenen gedurigen kring van -zorg en kommer, en alleen om zooveel te verdienen, dat zij niet van -gebrek omkwamen. - -Dit bragt mij mijne levenswijze en mijn koningrijk, mijn eiland, weder -te binnen, waar ik geen meer graan kweekte, omdat ik niet meer noodig -had; waar ik geen meer geiten aanfokte, daar ik geen meer gebruiken kon; -waar het geld lag te beschimmelen, en naauwelijks eens in twintig jaren -met eenen blik verwaardigd werd. Zoo ik uit deze bedenkingen het regte -nut getrokken had, gelijk ik had moeten doen, en rede en godsdienst mij -leerden, zouden zij mij geleerd hebben naar een volmaakter geluk te -trachten, dan de genoegens des levens mij konden verschaffen; en dat er -een doel van ons bestaan was, dat men aan deze zijde des grafs bereiken, -althans er naar streven konde. Doch mijne wijze raadgeefster was -verdwenen; ik was als een schip zonder loods, dat zich door den wind op -goed geluk laat voortdrijven. Mijne gedachten waren steeds bij mijne -vroegere verrigtingen en op vreemde avonturen gevestigd. De schuldelooze -genoegens van mijn akker- en tuinbouw en huisgezin, die mij vroeger -geheel bezig hielden, waren thans voor mij als muzijk voor een doove, en -lekkernijen voor iemand, die geen smaak heeft. Ik besloot eindelijk -mijne huishouding op te breken, mijn goed te verkoopen, en naar Londen -te gaan, gelijk ik weinige maanden daarna deed. - -Te Londen was ik even onrustig als vroeger, de plaats beviel mij niet; -ik had er niets te doen dan rond te slenteren, als een luiaard, van wien -men zeggen kon, dat hij op Gods aardbodem van geen het minste nut is, en -het iedereen onverschillig is of hij leeft of dood is. Dit was mij al -mijn leven de onaangenaamste toestand, daar ik altijd aan een werkzaam -leven gewoon geweest was, en dikwijls zeide ik tot mijzelven: "een lui -leven is een ellendig leven," en waarlijk ik begreep, dat ik mijn tijd -veel beter besteed had, toen ik zes en twintig dagen werkte, om eene -plank te maken. - -In het begin van 1698 kwam mijn neef, dien ik, gelijk ik verhaald heb, -naar zee gezonden en kapitein gemaakt had op een schip, terug van een -reisje naar Bilbao. Hij kwam bij mij en verhaalde, dat eenige kooplieden -van zijne kennis hem voorgesteld hadden, voor hen een reis naar -Oost-Indië en China te doen. "En als gij nu mede wilt gaan, oom," zeide -hij, "verbind ik mij u aan uw oud verblijf op het eiland aan land te -zetten, want wij zullen Brazilië aandoen." - -Mijn neef wist niet hoe mijn zucht tot reizen weder bij mij ontwaakt -was, en ik niets van hetgeen hij mij wilde voorslaan; doch dien zelfden -morgen had ik, na alles overwogen te hebben, het besluit genomen van -naar Lissabon te gaan, om met mijn ouden kapitein te raadplegen, en als -het verstandig en uitvoerbaar was, mijn eiland weder te gaan opzoeken, -en zien wat er van het volk daarop geworden was. Het denkbeeld streelde -mij van de plaats te bevolken, inboorlingen van hier derwaarts over te -brengen; en een octrooi of acte te verkrijgen, waarbij het mij wettig -toegewezen werd; toen juist mijn neef inkwam met zijn voorslag, mij -daarheen te brengen op zijne reis naar Oost-Indië. - -Ik zweeg eenigen tijd, terwijl ik hem strak aanzag. "Wie duivel heeft u -die ongelukkige boodschap ingegeven?" vroeg ik. Mijn neef ontzette op -deze vraag, maar ziende, dat hij er mij niet mede mishaagde, zeide hij: -"Ik hoop, dat het geen ongelukkige voorslag zal geweest zijn, oom. Ik -dacht, dat gij verlangde uwe nieuwe kolonie te zien, waar gij eens -gelukkiger regeerde dan de meeste uwer broeders, de koningen en vorsten, -in hunne rijken doen." - -Het voorstel strookte zoo zeer met mijn verlangen, dat ik hem met korte -woorden zeide, dat ik mede zou gaan, als de andere kooplieden er in -toestemden. "Maar ik beloof u niet verder dan mijn eiland mede te gaan," -zeide ik.--"Wel oom! ik hoop toch niet, dat gij daar zult willen -achterblijven," hernam hij.--"Kunt gij mij op de tehuisreis niet weder -afhalen?" hervatte ik.--"Dat zou onmogelijk zijn," zeide hij, "want de -reeders zouden nimmer toestaan, dat een zoo rijkgeladen schip zulk een -omweg maakte, daar misschien een, misschien drie of vier maanden mede -konden heengaan. Bovendien, als ik schipbreuk leed," voegde hij er bij, -"en in het geheel niet terugkeerde, zoudt gij u in denzelfden toestand -als vroeger bevinden." - -Dit was verstandig gesproken, maar wij vonden er spoedig een middel op, -namelijk om een uit elkander genomen sloepscheepje aan boord te nemen, -dat door eenige timmerlieden, die wij zouden medenemen, op het eiland -ineengezet, en in weinige dagen klaar kon zijn, om zee te bouwen. Ik -bleef dan ook niet lang besluiteloos, want het verlangen van mijnen neef -en het mijne stemden volkomen overeen. Daar aan den anderen kant mijne -vrouw dood was, was er niemand, die mij raad kon geven dan mijne oude -vriendin, de weduwe, die mij ernstig smeekte mijne jaren, mijne -onbekrompen omstandigheden, de gevaren eener lange reis, en bovenal -mijne nog zoo jonge kinderen te bedenken. Doch niets baatte; ik had zulk -eene begeerte die reis te doen, dat ik haar zeide, dat mijn geest er zoo -mede vervuld was, dat ik geloofde de Voorzienigheid tegen te streven, -zoo ik te huis bleef. Zij berustte er dus in, en verleende mij hulp niet -alleen voor mijne uitrusting, maar ook voor het schikken mijner zaken en -de opvoeding mijner kinderen, gedurende mijne afwezigheid. Ik maakte -mijn testament, en zoodanige beschikkingen, dat ik volmaakt gerust was, -dat mijne kinderen na mijn dood ontvangen zouden wat hun toekwam. Hunne -opvoeding liet ik geheel aan de weduwe over, met genoegzamen onderstand, -om haar voor alle gebrek te vrijwaren. Dit alles verdiende zij dubbel, -want geen moeder kon beter voor hunne opvoeding bezorgd of geschikt -geweest zijn; en daar zij bij mijne tehuiskomst nog leefde, mogt ik haar -daarvoor nog mijne dankbaarheid bewijzen. - -Mijn neef was in het begin van Januarij 1694 zeilree, en ik ging met -Vrijdag den 8sten aan boord te Duins, hebbende behalve de sloep, eene -groote lading van allerlei noodwendigheden voor mijne kolonie, die ik -besloot in eenen goeden staat te verlaten, als ik ze daarin niet -aantrof. In de eerste plaats nam ik eenige lieden mede, die ik daar als -kolonisten wilde achterlaten, althans voor mij gedurende mijn verblijf -aldaar laten werken, en ze achterlaten of medenemen, naar zij zouden -verkiezen; vooral had ik twee timmerlieden, een smid, en een zeer -handige, vlugge knaap, die eigenlijk een kuiper van beroep was, maar -allerlei werktuigen kon maken en uitdenken. Hij was een goed -wieldraaijer, en kon handmolens maken, om koren te malen, en kon van -klei of hout alles maken, wat men wilde. Aan boord noemde men hem altijd -de duizendkunstenaar. - -Bovendien nam ik een kleermaker mede, die als passagier naar Oost-Indië -wilde gaan, maar naderhand er in toestemde, in mijne kolonie te blijven, -en die, gelijk later bleek, een onontbeerlijke en vlugge knaap was in -vele opzigten buiten zijn beroep; want de noodzakelijkheid is de moeder -van vele kunsten. - -Mijne lading bestond, voor zoo ver ik onthouden heb, want ik heb er -geene lijst meer van, uit genoegzaam linnen en ligt Engelsch laken, om -al de Spanjaards, die ik daar verwachtte te vinden, te kleeden, en zoo -veel als naar mijne rekening voor zeven jaren voor hen genoeg was. Als -ik het wel heb, kostten de stoffen voor kleeding, met handschoenen, -hoeden, kousen en schoenen daaronder begrepen, meer dan tweehonderd Pond -St. Hieronder was ook begrepen eenige bedden, beddegoed en -huishoudelijk goed, vooral keukengereedschappen, ketels, potten en -pannen, enz., terwijl ik nog een honderd pond uitgaf voor ijzerwerk, -spijkers en allerlei gereedschappen, krammen, schroeven, hengsels en al -wat ik bedenken kon. - -Ik nam ook een honderd wapens, geweren en pistolen, een groote menigte -hagel van allerlei grootte, eenige duizend ponden lood en twee koperen -stukjes geschut, en daar ik niet wist wat er te eeniger tijd gebeuren -kon, een honderd vaatjes kruid, met sabels en houwers, en het ijzer van -eenige pieken en hellebaarden, zoo dat wij, om kort te gaan, een -magazijn van allerlei goederen hadden, en ik deed mijn neef twee -halfdek-stukjes meer medenemen dan hij noodig had, om die daar te kunnen -laten, en zoo het noodig was daar een fort te kunnen bouwen en tegen -allerlei vijanden te kunnen verdedigen. Ik dacht ook in het eerst, dat -wij dit alles en nog meer zouden noodig hebben, om ons in het bezit van -het eiland te handhaven, gelijk men in den loop van mijn verhaal zien -zal. - -Op deze reis trof ik zoo veel tegenspoed niet, als ik gewoon was, en -derhalve zal ik den lezer, die misschien naar nieuws uit mijne kolonie -verlangt, minder ophouden; echter troffen wij bij onze uitreis eenige -ongevallen, als slecht weder en tegenwind, dat onze reis langer maakte -dan ik eerst gedacht had, en ik, die slechts eens in mijn leven eene -reis gedaan had, die goed afliep, namelijk mijne eerste reis naar -Guinea, begon te denken, dat hetzelfde onheil mij toefde, en dat ik -geboren was om aan wal nimmer tevreden en op zee altijd ongelukkig te -zijn. - -Tegenwinden sloegen ons noordwaarts heen, en wij waren verpligt te -Galway, in Ierland, binnen te loopen, waar wij twee en twintig dagen -moesten blijven. Wij troffen hier echter dit geluk, dat de -levensmiddelen er zeer goedkoop en overvloedig waren, zoodat wij al dien -tijd nimmer den scheepsvoorraad behoefden aan te spreken, maar dien nog -vermeerderden. Ik kocht hier nog twee koeijen, die kalven moesten, met -oogmerk, die bij een gelukkige overtogt, op mijn eiland aan wal te -zetten, maar zij kwamen ons naderhand anders te pas. - -Den 5den Februarij verlieten wij Ierland, en hadden eenige dagen zwaren -wind. Als ik het wel heb, was het den 20sten februarij, laat in den -avond, dat de stuurman, die toen de wacht had, in de kajuit kwam, en ons -zeide, dat hij een flikkering van vuur gezien en een schot gehoord had, -en terwijl hij het ons verhaalde, kwam een jongen met het berigt, dat de -bootsman een tweede gehoord had. Dit deed ons allen naar het halfdek -gaan, waar wij eerst niets hoorden, maar eenige minuten later zagen wij -een groot licht, en bemerkten, dat het een vreesselijke brand in de -verte was. Onmiddellijk maakten wij allen ons bestek op, en kwamen -daarin overeen, dat er dien kant uit, waar het vuur zigtbaar was, geen -land zijn kon op geen vijfhonderd mijlen, want wij zagen het in het -W.N.W. Hierop besloten wij, dat het een schip op zee moest zijn, dat in -brand stond, en dat het, daar wij even te voren het schieten gehoord -hadden, niet ver af zijn kon. Wij hielden er dus regt op aan, en zagen -spoedig, dat wij vinden zouden wat het was, daar het licht steeds -grooter werd, naarmate wij verder zeilden, schoon, daar het nevelachtig -weder was, wij eene poos niets anders dan het licht konden zien. Na -verloop van een half uur konden wij, daar wij vlak voor den wind -zeilden, ofschoon die niet stevig was, toen het weder wat opklaarde, -zien, dat het een schip was, dat midden in zee in brand stond. Hoezeer -ik niet wist wie er op waren, trof deze ramp mij allerhevigst. Ik -herinnerde mij mijn vroegere lotgevallen, en in welken toestand ik door -den Portugeeschen kapitein opgenomen was, en in hoe veel beklagelijker -toestand de arme schepsels daar aan boord moesten zijn, zoo zij niet met -een ander schip in gezelschap zeilden. Ik gelastte dadelijk vijf schoten -spoedig achter elkander te doen, om hun, zoo mogelijk, te kennen te -geven, dat er hulp voor hen opdaagde, en dat zij trachten moesten zich -in de boot te redden, want schoon wij de vlam van het schip zien konden, -konden zij ons echter niet gewaar worden. - -Eenigen tijd maakten wij een bijlegger en dreven even als het andere -schip dreef, in afwachting dat het daglicht zou doorkomen, toen -plotseling, tot onzen grooten schrik, schoon wij dit hadden kunnen -verwachten, het schip in de lucht vloog, en onmiddellijk, dat wil -zeggen weinige minuten daarna, was al het vuur uit, want het wrak zonk. -Dat was een verschrikkelijk en inderdaad bedroevend gezigt, om de arme -menschen, die ik begreep, dat allen met het schip moesten vergaan, of in -den uitersten angst zijn in het midden van den oceaan in hunne booten, -die wij thans niet zien konden. Om hun echter den weg te wijzen, deed ik -op alle plaatsen van het schip zooveel lantarens hangen als wij hadden, -en wij bleven den geheelen nacht schoten doen, om hun te doen weten, dat -wij niet ver af waren. - -Tegen acht ure des morgens ontdekten wij door onze kijkers de -scheepsbooten, en zagen, dat er twee waren, die opgepropt met volk en -zeer diep geladen waren. Wij bespeurden, dat zij roeiden, daar de wind -tegen was, dat zij ons schip zagen en hun uiterste best deden, dat wij -hen zouden zien. Wij heschen dadelijk onze vlag, ten teeken dat wij hen -zagen, zetten meer zeil bij en hielden regt op hen aan. Binnen een half -uur hadden wij hen bereikt en namen hen allen aan boord, ten getale van -niet minder dan vierenzestig, mannen, vrouwen en kinderen, want er waren -veel passagiers. - -Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van -Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het -breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de -stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar -nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk -iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken -gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen, -dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de -inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim -verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had. - -Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer -groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog -een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water -en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij -hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle -land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten, -waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat -zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden -zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers -te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij -hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van -gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf -dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt -had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te -bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat -zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog -veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden, -van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden -opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered -waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten. - -De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner -beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen -wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door -nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen, -zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en -verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de -nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten -hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den -wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen -tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten -gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden. - -Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en -ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door -had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen, -ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten -zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden. - -Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de -verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich -overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te -drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en -tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de -eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van -vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met -zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden, -alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen -krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen -handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten, -anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen -woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen -in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God. - -Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen -dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die -niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en -slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd. -Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken -landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger, -hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan -die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te -bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De -verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij -zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing -van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de -schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er -eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn -leven zag, haalde er eenigzins bij. - -Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij -verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon -bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die -het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was, -danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een -oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen -van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten -daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en -zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen -weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee, -of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was -onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten. - -Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en -wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij -aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder, -terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor -diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan -boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem -eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te -verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat -ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier -daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep -hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje -in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor -roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide, -dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval -was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem -een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en -den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn -volle verstand. - -De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een -voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan -boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor -zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig -stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak -bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne -bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te -laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen. - -Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet -alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef -ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe, -gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en -met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere -ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet -behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien -had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit -slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en -menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als -zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot -werktuigen zijner barmhartigheid te maken. - -Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte -hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene -buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de -meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om -dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt, -dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten; -want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het -bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat -of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over -alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als -bij droefheid en leed. - -Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag -eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven, -zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen -hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den -volgenden dag geheel andere menschen. - -Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun -bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het -algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen -den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen -kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen -zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered -hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze -dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige -zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en -dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te -bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden, -vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn -neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan -te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is, -in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche -kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne -bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of -in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan -aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen -beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger. - -Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in -zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens -onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken -toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan -hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben -gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij -hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en -dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand -gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot -over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen -naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om -hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun -niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was -inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want -ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts -heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus -beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te -veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders -verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar -Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel -mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande -West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of -Frankrijk te verschaffen. - -Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat -zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer -ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien -mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien -ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans -tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik -waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om -hen naar Canada terug te brengen. - -Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne -toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te -nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn -zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze -proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag, -dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet -te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten -van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen -toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand -vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal -zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en -weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou -brengen. - -De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er -reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene -gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden -verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die -van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten -opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van -levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was -omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland -bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten -overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar -Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden -bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van -wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons -verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal -gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik -hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg -blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel -nut hadden. - -Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks -twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij -nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even -jammerlijk als de vorige. - -Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat -in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip -was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken. -Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en -boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder -was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig -konden wij het praaijen. - -Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch -dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken -storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en -opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van -den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen. -Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een -vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten -hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden. -Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen -weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het -Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene -soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden -bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de -Kanarische eilanden te bereiken. - -Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit -gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun -brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij -hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half -vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij -eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven -vaatjes rum. - -Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als -passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder -zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en -daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog -jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf -zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en -deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is. - -Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij -niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De -tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan -boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers -hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof -zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen -niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde -hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."--Wij zochten onmiddellijk -zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met -mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden -wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om -voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet -noodzakelijk. - -Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te -veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die -thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme -lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks -op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half -verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit -had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde -hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den -derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor -maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel, -volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd -hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten -voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren -zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen -konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in -levensgevaar waren. - -De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het -verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar -ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen -bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren -verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den -jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit -mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de -groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje -namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en -die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel -verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep -hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij -derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de -kajuit liggen. - -Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te -verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven -was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf -man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken -ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het -vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de -wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was -door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een -klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van -het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen -hun tot behoud van hun leven gegeven werd. - -Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien -in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen -te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en -de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman -had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op -de been zou brengen. - -Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide, -verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou -opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein, -gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan -boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den -ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en -deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht -hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te -hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter -eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een -stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen -bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch -niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en -hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven, -zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het -vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor -eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de -eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen -eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed. - -Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen -aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk -zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld, -en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven -dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene -dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman, -eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij -krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder -bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij -op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde -stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel -dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en -aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond. -Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij -verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het -voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat -hij daarvoor maar moest zorgen. - -De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen -te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen -doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter -te laat; zij stierf nog denzelfden nacht. - -De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was -nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en -gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden -handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij -echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem -langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij, -toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer -ongesteld werd en het niet kon binnenhouden. - -De dienstmaagd vereischte thans ook onze zorg. Zij lag digt bij hare -meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte -getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren -verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel -geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare -andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot -der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een -vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en -verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons -naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen -te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder -beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen -onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar -met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder -zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand -gekrenkt was. - -De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men -op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te -land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats -blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij -te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige -dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil -voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren -had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng -op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te -zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een -bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek, -twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen -konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten -suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen -daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd -met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen. - -De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede, -verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner -moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn -vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak -bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige -kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de -waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de -arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al -ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de -honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch -regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden -onvatbaar. - -De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die -hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even -ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de -wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar -hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk -ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had -mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd, -dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof, -ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook -waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik -er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen; -behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de -jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene -verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren -heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings -zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al -de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof, -dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te -Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo -ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den -eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek -en had schade in het hol, toen wij het aantroffen. - -Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft, -eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad. -Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind -en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden, -dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam. -Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik -vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van -Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland, -en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik -het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet. - -Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan -in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door -onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was; -namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde -meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of -liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond -dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland -kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar -eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan -onzen kant woonden. - -Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat -onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige -Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen -ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep -hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar -parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad, -dat op 10° of 11° verder noordelijk lag. - -Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip, -en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt -vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik -eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk -waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de -kleine kreek, waar mijne oude woning was. - -Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar -hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit: -"O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en -danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite, -hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen. - -"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden -of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene -poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een -treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen. -"Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij -denkelijk uw vader zult zien?"--"Neen, neen," zeide hij, het hoofd -schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."--"Waarom?" -zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"--"O neen," zeide Vrijdag, "hij -lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."--"Kom, het -is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand -anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den -heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af -lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en -daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met -een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in -opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had -gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die -niet wisten waar zij ons voor moesten houden. - -Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche -vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij -vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van -de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te -zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging -ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien -ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar -gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen -verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen -bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet -kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig. - -Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen, -roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de -Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk -herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat -buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te -houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien, -veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten -gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of -hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste -mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting -zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en -kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en -zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en -staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een -kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste -ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd -hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen -als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf. -In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het -strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind -was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een -klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering. -Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den -ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige -gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem -eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was, -om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel -zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te -zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was. - -Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als -ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden. -De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was -degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot -toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het -eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat -ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het -Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn -geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch -zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde -mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet -herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was -verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte -beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en -riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers -te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf -te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou -stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren -aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin -vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen -en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo -ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke -kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door -konden vinden. - -Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik -erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat -zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij -het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat -toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen -vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat -hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen -tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo -onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in -het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had, -dat ik mij daar niet meer bevond. - -Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van -welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten -zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal -waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden -reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte. -"Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij, -"als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud -van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in -zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot -onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd -had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het -eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren; -anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de -anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij -verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer -aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik -wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot -alle kwaad in staat waren. - -Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met -nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij -droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde -alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en -naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de -heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen -keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij -allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk -volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van -hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten -uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en -deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo -hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te -ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou. - -De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek -is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel -mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met -het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst -genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen. - -Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal: -"ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen, -maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens -geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij -mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats -vernam. - -Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot -den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik -spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den -Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het -vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de -makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten -einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en -hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk, -gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden. - -Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen -grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had, -veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde, -namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te -nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij -bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er -ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik -achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn. - -Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik -verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne -landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen. -Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets -merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad. -Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd -waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen -was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden -hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen -te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was, -die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden -opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden -en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te -droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen -deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven -was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet -zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot -zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot -hun vertrek gereed. - -Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij -genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden, -de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel, -dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden -morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want -zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan -zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen, -waarvan zij gewoon waren brood te maken. - -In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had -zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland -te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er -drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken -achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en -ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen. - -De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden -aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en -goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene -aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe -ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en -mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit -geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee -vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet, -hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede -verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den -kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van -mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle -werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland -rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des -avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed -gemaakt. - -Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen -slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich -verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten, -noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst -beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in -openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en -ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met -alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de -Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels, -toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen. - -Maar alvorens hiervan de bijzonderheden mede te deelen, moet ik iets -vermelden, wat ik in mijn vorig verhaal vergeten heb, namelijk, dat -juist toen wij het anker zouden ligten bij mijn vertrek, er een kleine -twist aan boord ontstond, die ik vreesde, dat in eene tweede muiterij -zou ontaarden. Deze werd ook niet gestild, voor dat de kapitein ons -allen tot zijn bijstand geroepen had, hen met geweld uiteen dreef, en de -twee weerbarstigsten in de ijzers zette; en daar deze ook aan de -vroegere wanorde deel genomen, en zich eenige zware bedreigingen de -tweede maal hadden laten ontvallen, dreigde hij hun in de ijzers naar -Engeland te zullen voeren, en daar voor muiterij en afloopen van het -schip te laten ophangen. - -Hoewel de kapitein dit niet ernstig meende, scheen het toch eenige -andere matrozen bang gemaakt te hebben, en deze trachtten de overigen -diets te maken, dat de kapitein hen met goede woorden zocht te paaijen, -tot hij eene Engelsche haven zou bereikt hebben, en hen dan allen in de -gevangenis zetten zou, en hun proces laten opmaken. De stuurman had dit -vernomen en deelde het ons mede, waarop men besloot, dat ik, die nog -altijd voor een groot man bij hen doorging, met den stuurman bij hen zou -gaan, en het volk geruststellen en beloven, dat het verledene vergeven -zou zijn, als zij zich gedurende de verdere reis goed gedroegen. Ik deed -dit, en op mijn woord stelden zij zich gerust, vooral toen ik de twee -matrozen, die in de ijzers zaten, deed ontslaan. - -Maar door deze muiterij hadden wij, daar de wind ook was gaan liggen, -dien nacht voor anker moeten blijven. Den volgenden morgen vernamen wij, -dat de twee man, die uit de boeijen waren ontslagen, ieder een geweer en -eenige andere wapens gestolen hadden, en kruid en lood, hoeveel wisten -wij niet, en met de pinnas naar hunne makkers aan den wal gevlugt waren. -Op het ontdekken hiervan zond ik de groote boot met twaalf man en den -stuurman aan wal om hen te zoeken; maar zij konden noch hen, noch een -der overigen vinden, want allen waren in de bosschen gevlugt, toen zij -de boot zagen naderen. De stuurman wilde eerst, om hen te straffen, alle -aanplantingen vernielen, en al hun goed en huisraad verbranden, maar -daar hij hiertoe geene orders had, liet hij alles zoo als het was, en -nam alleen de pinnas weder mede. - -Zij waren dus thans met hun vijven, maar de drie eersten waren zoo veel -woester, dat zij na twee of drie dagen de nieuw aangekomen ter deur -uitwierpen en niets met hen te doen wilden hebben; het duurde lang eer -zij zelfs bewogen konden worden hun eenig eten te geven; de Spanjaarden -waren toen nog niet aangekomen. Toen deze aankwamen, wilden zij de drie -Engelschen overreden hunne landslieden weder op te nemen, ten einde, -gelijk zij zeiden, allen slechts een huisgezin zouden uitmaken, maar -deze wilden daarvan niet hooren. Dus leefden deze twee Engelschen op -zichzelven, en bemerkende, dat zij op hunne vlijt alleen moesten -steunen, sloegen zij tenten op aan de noordzijde van het eiland, doch -wat naar het westen toe, om voor de wilden bevrijd te blijven, die -altijd op de oostzijde van het eiland aan wal stapten. - -Hier bouwden zij twee hutten; een om in te wonen en een om hunnen -voorraad in te bergen, en daar de Spanjaarden hun eenig zaaikoren en -vooral erwten geschonken hadden, zaaiden en plantten en omheinden zij, -op de wijze als ik gedaan had, en leefden rustig voort. Hun eerste koren -kwam juist boven den grond, en schoon de tijd hun slechts toegelaten had -weinig om te spitten, was dit genoeg om hen te voeden, en van -genoegzamen spijsvoorraad te voorzien. Een hunner, die aan boord -koksmaat geweest was, was zeer behendig in het maken van soep, podding -en soortgelijke spijzen, waartoe de rijst, melk en het weinige vleesch, -dat zij hadden, hem in staat stelde. - -Terwijl zij aldus rustig voortleefden, kwamen de drie schurken, en dat -nog wel hunne landslieden waren, bij hen, alleen uit lust om hen te -schelden en te beschimpen. Zij zeiden, dat het eiland hun toebehoorde, -dat de gouverneur, waarmede zij mij bedoelden, hen in het bezit er van -gesteld had, en niemand anders er eenig regt op had, terwijl zij onder -afgrijsselijke vloeken betuigden, dat zij op hunnen grond geene huizen -zouden bouwen zonder er belasting voor te betalen. - -De twee Engelschen dachten, dat zij schertsten, en noodigden hen binnen -te komen, om te zien welk slag van huizen zij gebouwd hadden, en hun te -zeggen hoeveel grondrente zij daar wel voor moesten betalen. Een hunner -voegde er lagchende bij, dat hij hoopte, zij zouden, als grondeigenaars, -het land verbeteren en er gebouwen opzetten, en hun, volgens gewoonte, -een langen pachttijd vergunnen, en verzocht hun een notaris te halen om -de grondbrieven op te maken. Een der anderen zeide daarop onder veel -vloeken en zweren, dat zij zien zouden, dat het geene gekheid was, en -een eind weegs vandaar gaande, waar de ander een vuur aangelegd had, om -eten te koken, nam hij een brandend stuk hout en wierp het tegen de hut, -die binnen weinige minuten in de asch zou gelegd zijn, zoo niet de ander -hem weggestooten, en hoewel niet zonder moeite, het vuur had uitgetrapt. - -De kerel werd zoo woedend, dat de ander hem wegstiet, dat hij een stuk -hout opnam, en zoo de ander niet vlug den slag ontweken en in zijne hut -de wijk genomen had, ware het met hem gedaan geweest. Zijn makker, -ziende in welk gevaar zij beide waren, liep hem achterna, en een -oogenblik daarna kwamen zij met hunne geweren terug. Degeen, op wien de -slag gemunt was geweest, velde dengeen, die hem dien had willen -toebrengen, met den kolf van zijn geweer neder, voor de anderen hem te -hulp konden komen, en toen deze naderden, hielden zij hen de geweren -voor en gelastten hen heen te gaan. - -De anderen hadden ook vuurwapens bij zich, maar de moedigste van de twee -eerlijke Engelschen (gelijk ik hen voortaan noemen zal) door het gevaar -wanhopig gemaakt, zeide, dat zij hen zouden doodschieten als zij hand of -voet bewogen, en gelastte hen hunne wapens af te leggen. Dit laatste -deden zij wel niet; maar de standvastigheid van de anderen bragt hen tot -onderhandelen, en zij verlangden den gekwetste mede te nemen en te -vertrekken; het schijnt, dat deze vrij zwaar gekwetst was. Zij hadden -echter ongelijk, dat zij, thans de overhand hebbende, hen niet -ontwapenden, gelijk zij hadden kunnen doen, en daarop naar de Spanjaards -toegingen en hun verhaalden hoe de schurken hem bedreigd hadden, want -deze drie zonnen op niets dan op wraak, en gaven toen dagelijks de -blijken daarvan. - -Ik zal kleinere staaltjes hiervan niet vermelden, als het vertrappen van -hun koorn, het doodschieten van jonge geiten en van een tamme geit, die -de arme lieden voor verdere aanfokking hielden. Zij plaagden hen op -dergelijke wijze nacht en dag, tot dat de twee anderen in wanhoop -besloten hen alle drie te bevechten, bij de eerste gelegenheid de beste. -Zij besloten te dien einde naar mijne oude woning te gaan, waar de -Spanjaards en de drie schurken gezamenlijk woonden, ten einde de -Spanjaards te vragen om toe te zien, dat het bij het gevecht eerlijk in -zijn werk ging. Op een morgen voor dat de dag aanbrak, begaven zij zich -op weg, en voor het kasteel gekomen (gelijk zij het noemden) riepen zij -de Engelschen bij hun naam, en zeiden aan een Spanjaard, die hun -antwoordde, dat zij hen wilden spreken. - -Toevallig hadden twee der Spanjaarden den vorigen dag in het bosch een -der eerlijke Engelschen ontmoet, die zich bij hen bitter beklaagd had -over de schandelijke behandeling, die zij van hunne landslieden -ondergingen, hoe deze hunne aanplantingen vernield, hun koorn vertrapt -hadden, waaraan zij zoo hard gewerkt hadden; dat zij hunne melkgeit en -drie jongen gedood hadden, waarvan zij geheel moesten leven, en dat zoo -de Spanjaarden hen niet bijstonden, zij van honger moesten sterven. Toen -de Spanjaarden dien avond te huis kwamen, namen zij de vrijheid de -Engelschen te berispen, schoon in zachte en gematigde bewoordingen, en -vroegen hoe zij zoo wreed konden zijn jegens lieden, die hun geheel geen -kwaad deden, en die zelf hun onderhoud trachtten te verdienen, en wie -het zoo veel moeite had gekost hunne zaken op dien voet te brengen. - -Een der Engelschen antwoordde zeer barsch, wat zij daar te maken hadden; -zij waren zonder verlof op het eiland gekomen; de grond behoorde hun -niet. "Wel sennor," zeide een der Spanjaarden zeer bedaard, "zij moeten -niet van honger sterven."--"Dat kunnen zij doen, wat mij betreft," -antwoordde de Engelschman, als een echte ruwe zeebonk, "zij mogen daar -niet planten of bouwen."--"Wat moeten zij dan doen, sennor?" vroeg de -Spanjaard. Een ander der woestelingen antwoordde, dat zij knechts -moesten zijn en voor hen werken.--"Maar hoe kunt gij dat verwachten," -hernam de Spanjaard, "gij hebt ze niet voor geld gekocht, gij hebt geen -regt hen tot uwe knechts te maken." De Engelschman antwoordde, dat het -eiland hun toebehoorde, de gouverneur had het hun gegeven en niemand had -daar iets te zeggen dan zij, en daarbij zwoer hij, dat hij telkens hunne -nieuwe hutten zou afbranden, en dat zij er geen op hun land zouden -zetten. - -"Wel, sennor," zeide de Spanjaard, "op dien grond zouden wij ook uwe -dienstknechten zijn."--"Ja," zeide de onbeschaamde kerel, "en dat zult -gij ook worden, eer wij met elkander afgedaan hebben." Hij doormengde -dit gezegde met eenige afgrijsselijke vloeken. De Spanjaard echter -lachte hierover en gaf hem geen antwoord. Dit gesprek had echter de -Engelschen warm gemaakt; een hunner, Willem Atkins geloof ik, zeide: -"Kom Jack, laat ons hen op een ander tijd te lijf gaan; wij zullen hun -kasteel vernielen, zij zullen op onzen grond geene plantaadje -aanleggen." - -Hierop vertrokken zij, ieder met een snaphaan, een pistool en sabel -gewapend, terwijl zij verscheidene bedreigingen uitstieten, wat zij den -Spanjaarden zouden doen, als er zich de gelegenheid toe aanbood. Het -schijnt echter, dat de Spanjaarden hen niet genoeg verstonden om hunne -bedoeling op te maken, alleen begrepen zij, dat zij verbitterd waren, -omdat zij de twee andere Engelschen voorgesproken hadden. - -Waar zij heen gingen en hoe zij dien avond den tijd doorbragten, zeiden -de Spanjaarden, wisten zij niet. Het schijnt echter, dat zij een deel -van den nacht rondzwierven, en toen, vermoeid zijnde, gingen liggen op -de plaats, die ik mijne buitenplaats noemde, en dat zij toen zich -versliepen. Zij hadden namelijk besloten tot middernacht te wachten, en -dan hunne arme landslieden, als zij sliepen, te overvallen, en gelijk -zij naderhand bekenden, hunne hut in brand te steken, terwijl zij er in -sliepen, en hen laten verbranden of hen dood te slaan als zij er uit -kwamen. Daar nu de boosheid zelden gerust slaapt, is het wonder, dat zij -niet wakker bleven. - -Daar echter de twee anderen ook een voornemen hadden, schoon een veel -loffelijker dan dat om te branden en te moorden, gebeurde het, en zeer -tot hun geluk, dat zij op, en uitgegaan waren voor de bloeddorstige -schelmen aan hunne hutten kwamen. Toen deze daar gekomen en de bewoners -vertrokken vonden, riep Willem Atkins, die naar het scheen de belhamel -was: "Ha, Jack, daar is het nest, maar de vogels zijn gevlogen!" Zij -wisten eerst niet wat zij er van denken moesten, dat zij zoo vroeg -uitgegaan waren, en begrepen, dat de Spanjaards hen gewaarschuwd hadden; -hierop sloegen zij de handen ineen, en zwoeren, dat zij zich op de -Spanjaarden zouden wreken. Zoodra zij deze bloedige overeenkomst -gesloten hadden, vielen zij op de woning der arme Engelschen aan. Zij -staken wel niets in brand, maar braken de beide hutten stuksgewijs -uiteen, en lieten niet den minsten stijl in den grond, zoodat men -naauwelijks zien kon waar zij gestaan hadden. Al hun huisraad en -goederen vernielden zij, en strooiden alles zoo in het rond, dat de arme -lieden naderhand eenige hunner goederen een kwartier verder vonden -liggen. - -Toen dit gedaan was, rukten zij al het jonge plantsoen uit, dat zij -geplant hadden, vertrapten de heining, waardoor zij hun vee en graan -beschermden, en kortom, vernielden en verwoestten alles zoo als -naauwelijks eene horde Tartaren had kunnen doen. - -De twee Engelschen waren op dat oogenblik uitgegaan om hen op te zoeken, -en zij hadden besloten hen te bevechten, waar zij hen ook vonden, schoon -zij twee tegen drie waren, zoo dat er zeker bloed zou gestort zijn als -zij elkander ontmoet hadden, want allen waren zeer kloeke en moedige -kerels. Doch de Voorzienigheid zorgde meer, hen van elkander te houden, -dan zij om elkander te ontmoeten, want, alsof zij voor elkander -wegliepen, waren de twee hier, de drie waren ginder; en toen naderhand -de twee teruggingen om hen op te zoeken, kwamen de drie aan hunne oude -woning terug; wij zullen zien hoe verschillend zij zich gedroegen. Toen -de drie terug kwamen, als dolle schepselen, kokende van drift, waarin -hunne daden hen gebragt hadden, kwamen zij bij de Spanjaarden, en -verhaalden hun, al snoevende, wat zij gedaan hadden, en een hunner trad -naar de Spanjaards toe, als waren zij een troep kwade jongens, draaide -een den hoed op het hoofd rond, en sloeg hem daarop er mede in het -gelaat, zeggende: "En gij, Spaansche Jaap, zult van hetzelfde laken een -pak hebben, als gij u voortaan niet beter gedraagt." De Spanjaard, die, -ofschoon een stil, beleefd man, zoo moedig als een leeuw was, zag hem -eene poos strak aan, en stapte, daar hij geen wapen in de hand had, -daarop langzaam naar hem toe, en deed hem met een vuistslag, als een -gedolden os, op den grond storten; waarop een van de schurken, even -onbeschaamd, dadelijk een pistool op den Spanjaard loste. Hij miste hem, -maar de kogel streek langs zijn hoofd, en raakte hem even aan zijn oor, -zoo dat dit bloedde. Het zien van het bloed deed den Spanjaard gelooven, -dat hij zwaarder gewond was, dan het geval was, en hierdoor eenigzins -driftig geworden, want hij was tot hiertoe volkomen bedaard gebleven, -nam hij het geweer op van den kerel, dien hij nedergeveld had, en stond -op het punt den man, die op hem gevuurd had, dood te schieten, toen de -andere Spanjaarden uit den kelder kwamen, hem toeriepen niet te -schieten, tusschen beide traden en de anderen ontwapenden en bonden. - -Toen zij thans ontwapend waren, en bemerkten, dat zij zich ook de -Spanjaards tot vijand hadden gemaakt, zoo wel als hunne landslieden, -begonnen zij een toontje lager, en gaven den Spanjaards goede woorden, -om hun de geweren terug te geven; maar de Spanjaards, in aanmerking -genomen de veete, die er tusschen hen en hunne landslieden bestond, en -begrijpende, dat het best ware hen van elkander te houden, zeiden, dat -zij hun geen kwaad wilden doen, en zoo zij vreedzaam wilden leven, hen -blijven bijstaan, gelijk zij vroeger gedaan hadden, maar dat zij er -niet aan konden denken hunne wapens terug te geven, terwijl zij -voornemens schenen er hunne landslieden mede te beleedigen, en zelfs -gedreigd hadden hen allen tot slaven te maken. - -De schurken wilden evenmin naar rede hooren als handelen, en op deze -weigering gingen zij heen, vloekende als dollen, en dreigende wat zij -hen ook zonder vuurwapenen zouden doen. Maar de Spanjaards, die hunne -bedreigingen verachtten, zeiden hun, dat zij te zorgen hadden van geen -kwaad aan hunne plantaadjes of vee te doen, want dat zij hen anders als -wilde beesten zouden doodschieten, waar zij hen vonden, en hen ophangen -zoo zij hun levende in handen vielen. Wel verre van hierdoor te bedaren, -dropen zij af, vloekende en zwerende als helsche furiën. Naauwelijks -waren zij weg of de twee anderen kwamen, even woedend, schoon om eene -andere reden; want toen zij, bij hunne aanplantingen gekomen, die allen, -gelijk gezegd is, vernield en verwoest vonden, hadden zij reden genoeg -zich te vertoornen. Zij konden naauwelijks hun verhaal doen, want de -Spanjaards lieten hen niet aan het woord komen, en verhaalden hun -wedervaren; en waarlijk het was opmerkelijk hoe drie menschen hier -negentien getergd hadden, zonder straf te beloopen. De Spanjaarden -echter verachtten hen, en na hen ontwapend te hebben, telden zij hunne -bedreigingen weinig, maar de twee Engelschen besloten het hun te -vergelden, wat moeite het hun ook kosten zou hen op te sporen. - -Maar hier kwamen de Spanjaarden ook weder tusschen beide, en zeiden hun, -dat daar de anderen reeds ontwapend waren, zij niet konden toestemmen, -dat zij (de twee) hen met vuurwapens vervolgden en misschien -doodschoten. "Maar," zeide de bezadigde Spanjaard, die hun gouverneur -was, "wij willen ons best doen, dat u geregtigheid geschiede, als gij -het aan ons wilt overlaten, want er is geen twijfel aan of zij zullen -terugkomen als hunne eerste drift bedaard is, daar zij zonder onzen -bijstand niet leven kunnen, en ik beloof u, dat wij geen vrede met hen -zullen maken zonder eene volledige voldoening aan u, en op deze -voorwaarde hopen wij, dat gij u van alle gewelddadigheden jegens hen -zult onthouden, anders dan ter uwer verdediging." - -De twee Engelschen stemden slechts met weerzin hierin toe, maar de -Spanjaarden verzekerden dat zij het alleen deden om bloedstorting te -voorkomen en eindelijk alles te schikken. "Want," zeide hij, "zoo veel -zijn wij niet in getal of er is ruimte genoeg voor ons allen, en het zou -jammer zijn zoo wij niet allen in goede vriendschap leefden." Eindelijk -stemden zij dan toe af te wachten hoe de zaak afloopen zou, en bleven -eenige dagen bij de Spanjaards, omdat hunne eigene woning vernield was. - -Ongeveer vijf dagen daarna kwamen de drie vagebonden, vermoeid van hun -rondzwerven, en half dood van honger, daar zij bijkans alleen van -schildpadeijeren geleefd hadden, naar het woonhuis terug, en daar zij -den Spanjaard, die, gelijk ik zeide, de gouverneur was, met nog twee -anderen langs de kreek zagen wandelen, kwamen zij zeer ootmoedig naar -hen toe en smeekten op nieuw in hun huisgezin opgenomen te worden. De -Spanjaarden ontvingen hen beleefd; maar zeiden, dat zij zoo barbaarsch -jegens hunne landslieden, en zoo onbescheiden jegens henzelve gehandeld -hadden, dat hij geen besluit kon nemen, zonder de twee Engelschen en -zijne overige landslieden te raadplegen. Hij zou hen echter gaan -opzoeken en er over spreken, en hun binnen een half uur antwoord geven. -Zij schenen er kwaad aan toe te zijn, want toen zij een half uur moesten -wachten, smeekten zij, dat hij hun eerst een stuk brood wilde geven; -hetgeen hij deed, en hun tevens een stuk gekookt geitenvleesch en een -gebraden papegaai toezond, dat zij gretig opaten, want zij waren -uitgehongerd. - -Na verloop van een half uur werden zij geroepen, en nu volgde nog een -lange onderhandeling. Hunne twee landgenooten beschuldigden hen van het -vernielen van al wat zij bezaten, en van het voornemen hen te -vermoorden, hetwelk zij vroeger openlijk verklaard hadden, en dus thans -niet konden ontkennen. De Spanjaards handelden als bemiddelaars, en daar -zij vroeger de twee Engelschen belet hadden hen te vervolgen, toen zij -ongewapend waren, zoo gelastten zij thans de drie, dat zij de hutten van -hunne landslieden weder zouden opbouwen, de eene even als zij geweest -was, de andere wat grooter; ook de heiningen weder te herstellen, andere -boomen te planten voor de uitgeroeide, het land om te spitten, om het -weder te bezaaijen, waar zij het vernield hadden; kortom, alles zoo veel -mogelijk in zijn vorigen staat te herstellen, want geheel kon het niet, -daar het jaargetij voor het koorn voorbij was, en de boomen en heiningen -eerst weder moesten groeijen. - -Zij voldeden hieraan gewillig, en daar men hen al dien tijd goed van -eten voorzag, leefden zij zeer ordelijk, en de geheele bevolking begon -weder aangenaam en genoegelijk te leven; slechts konden de drie -Engelschen nimmer overgehaald worden om voor zichzelven te werken, -behalve nu en dan voor eene poos, als hun dit in het hoofd kwam. De -Spanjaarden zeiden hun echter ronduit, dat zoo zij slechts gezellig en -in goede vriendschap wilden leven, en niets tegen het welzijn der -volkplanting ondernemen, zij voor hen zouden werken en hen laten -rondzwerven en luijeren zoo veel zij wilden; en nadat zij aldus een paar -maanden zich vrij wel gedragen hadden, gaven de Spanjaards hun hunne -wapens terug en verlof om te gaan waar zij wilden. - -Geen week duurde het echter of de ondankbare kerels begonnen even -onrustig en lastig te worden. Thans echter gebeurde er iets, dat hun -aller veiligheid in gevaar bragt, waardoor zij genoodzaakt waren alle -bijzondere veeten te laten varen en alleen op hun lijfsbehoud te denken. - -Het gebeurde op een nacht, dat de Spanjaard-gouverneur, gelijk ik hem -noemde, dat wil zeggen de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en -thans zoo veel als kapitein van zijne landslieden was, zeer onrustig was -en volstrekt niet slapen kon. Hij was volkomen wel, zeide hij mij, maar -allerlei denkbeelden kwamen hem voor den geest, van lieden die vochten -en elkander doodsloegen, schoon hij volkomen wakker was, hoewel hij -volstrekt den slaap niet vatten kon. Kortom, hij bleef eene poos liggen, -maar steeds onrustiger wordende, besloot hij op te staan. Daar hun -aantal zoo groot was, sliepen zij niet, zoo als ik, in eene hangmat, -maar lagen op geitenvellen, waarvan zij legersteden gemaakt hadden. Als -zij dus wilden opstaan, behoefden zij weinig anders te doen om gereed te -zijn dan misschien schoenen en een buis aan te doen. - -Opgestaan zijnde, zag hij uit, maar het was zoo donker, dat hij niets -onderscheiden kon; en bovendien belemmerden de boomen, die ik geplant -had en nu digt ineengegroeid waren, het uitzigt, zoodat hij alleen zien -kon, dat de sterren helder aan de lucht stonden; en geenerlei gerucht -hoorende, keerde hij terug en ging weder liggen, maar het baatte niet, -hij kon niet slapen, en had geen rust, want hij was in de uiterste -onrust, zonder dat hij wist waarom. - -Daar hij met opstaan en heen en weder loopen eenig gedruisch had -gemaakt, werd een ander wakker, die vroeg wie er opgestaan was. De -gouverneur zeide hoe het met hem was. "Zegt gij zoo," zeide de ander, -"zulk een voorgevoel is niet te verachten; er wordt zeker eenig kwaad -gebrouwen in onze nabijheid. Waar zijn de Engelschen?" vervolgde -hij.--"Die zijn allen in hunne hutten," zeide hij, "en rustig." Het -schijnt, dat de Spanjaarden het grootste vertrek gehouden hadden, en de -Engelschen afzonderlijk lieten slapen, waar zij niet bij de anderen -konden komen. "Er is dan toch iets gaande," hernam de andere Spanjaard, -"daarvan ben ik door mijne eigene ondervinding verzekerd. Ik houd mij -overtuigd, dat onze ziel in betrekking staat tot bewoners eener -onzigtbare wereld, en dat een voorgevoel ons altijd tot ons welzijn -wordt gegeven, als wij er goed partij van weten te trekken. Kom," -vervolgde hij, "laat ons naar buiten gaan en eens uitzien; zoo wij niets -vinden, dat onze bezorgdheid regtvaardigt, zal ik u eene geschiedenis -verhalen, die u van de juistheid van mijn voorslag zal overtuigen." - -Zij begaven zich daarop boven op den top van den heuvel, gelijk ik -gewoon was, maar daar zij sterk en in gezelschap en niet alleen, gelijk -ik, waren, gebruikten zij geenszins dezelfde voorzorgen als ik, van -langs de ladder tot halfweg te komen, en die dan op te halen en tot op -den top te klimmen, maar zij gingen gerust en onbezorgd door het -boschje, toen zij verrast werden door het zien van een licht als van een -vuur, niet ver van hen af, en het hooren van menschenstemmen, niet van -een of twee, maar van een groot aantal. - -Telkens als ik ontdekt had, dat er wilden op het eiland geland waren, -was ik altijd zeer bevreesd geweest, dat zij zouden ontdekken, dat het -eiland door iemand bewoond werd, en toen zij dit eens bemerkt hadden, -bemerkten zij het zoo geducht, dat degeen, die er het leven afbragten, -naauwelijks het konden navertellen, want zij verdwenen zoo schielijk -mogelijk, en niemand, die mij gezien had, ontsnapte het, om het anderen -mede te deelen, behalve de drie wilden bij onze laatste ontmoeting, die -in de boot sprongen, en welke ik, gelijk ik zeide, vreesde dat naar huis -zouden keeren en met meer hulp terugkomen. Of dit nu de oorzaak was, dat -er zoo velen gekomen waren, dan of zij zonder iets te vermoeden er -toevallig met hun gewoon bloeddorstig doel kwamen, konden de -Spanjaarden, naar het schijnt, niet ontdekken. Maar hoe dit zij, het -ware hunne zaak geweest, zich of verborgen te houden en hen in het -geheel niet te zien, veel minder den wilden te laten zien, dat er -bewoners op het eiland waren; of hen zoo geducht op het lijf te vallen, -dat geen een hunner ontsnapte, hetwelk zij alleen hadden kunnen doen -door hen van hunne booten af te snijden; maar zij hadden hiertoe geen -tegenwoordigheid van geest genoeg, hetgeen hen voor langen tijd hunne -rust kostte. - -Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor -verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun -verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun -onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten -om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook -geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het -licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd -hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve -zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten -tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende -partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren. - -De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar -zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo -twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of -eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden -zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo -deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden -vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te -zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten -naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de -grot zelve te drijven. - -Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes -zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar -dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de -andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van -verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken -te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen, -om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op -verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen, -waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer -is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te -hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van -een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te -worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van -verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een -grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden -verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op -hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te -houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde -vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander -waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had -echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen -nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal -geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee -kleine legers weder in een bloedig gevecht waren. - -Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden, -dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het -veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te -houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de -overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was -hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze -had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat -zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de -voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij -gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het -gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen -worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later -blijken zal. - -Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag, -bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid, -onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het -gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke -partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het -digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen -eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk, -dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich -daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en -de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop -besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het -boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou -terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met -de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het -schot de aandacht mogt trekken der overigen. - -Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen -troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne -woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die -buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt, -dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen -zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer -menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood -werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen -achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het -overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de -overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen -bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij -naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd. -Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in -hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen -bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen -zij niets van de wilden. - -Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen -schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar -tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen -gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten -waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien -of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte -pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer -veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook -het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat -het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die -zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem -geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog -eenig leven in is, mede. - -Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want -het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs -uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking, -dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die -hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op -te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het -denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon -het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats -grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet -konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene -weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide, -maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al -dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden, -oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene -poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust -verwekten. - -Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit -jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en -lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen -echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst -voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten -in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en -door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk -zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag -werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij, -namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen, -gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn -vleesch aan mijn gebeente. - -Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het -algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne -omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam -was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het -eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken -waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs -blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden -veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter -bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen -besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een -of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren, -waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te -zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats -vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of -dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen. -Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne -spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar -het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit -besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde -daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een -gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad -van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de -drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden -van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder -van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats -beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die -ik hun bij mijn vertrek toegezonden had. - -Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die -zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en -zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van -afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog -meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn -verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen -opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het -overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne -vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater -onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er -geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig -groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze -zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt -gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon. -De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de -hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant, -zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve -voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo -digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen. - -Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen -heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die -tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top -beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand -bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed -bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de -Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender -naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele -ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans -blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug. - -Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van -wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun -grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen -uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging, -uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig -kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich -naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag -en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit. -Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook -gingen, zij landden niet op het eiland. - -Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer, -een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven, -die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij -hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn -gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om -hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die -daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke -houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den -arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem -toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem -en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor -nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem -zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den -slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand -had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot -zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen -weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde -Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere -wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman, -die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden -wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er -meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste -vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig -geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij -niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om -te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen, -zoodat het niet veilig was met hen te leven. - -De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat, -zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want -alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij, -en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd -te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid -van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te -danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en -hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden, -overlaten. - -Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij -verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne -overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop -verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat -al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in -hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde, -vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen -vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel -verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde -er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of -ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben -wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij -winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten, -dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden? -Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de -Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende. - -Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede -spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie -man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller -bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te -denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die -den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de -drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name -hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en -misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een -gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen. - -Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had -hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een -Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord, -ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij -kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem -vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet -tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de -overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen -er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun -voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur, -kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten -beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen, -eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch -lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het -gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig -zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden -of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen -uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een -zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat -zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de -veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten, -zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men -hen aantrof. - -De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene -poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende: -"Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan -geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen; -wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun -genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen; -binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij -ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter -aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den -veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en -dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder -vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of -hunne landslieden eenig kwaad zouden doen. - -Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen. -Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch -heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende, -dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en -werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens. - -Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te -halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en -eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene -plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek, -aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik -gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was, -in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij -twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de -helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten -stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder -scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige -gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun -gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de -overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap, -zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en -kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood. - -Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen -eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts -een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de -geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij -planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het -geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan -gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog -te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards -smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen -voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot -genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter -slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral -zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er -verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt. - -Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich -weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen -begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang -der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat -zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden, -naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te -maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij -daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar -huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten. - -Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets -zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag, -schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare -straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand -bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe -snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat -hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel -zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats, -waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was, -het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk -het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards -in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot -mijn verhaal terug. - -De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en -verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren -bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam. -Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te -maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van -gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes -wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame -wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het -vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last -bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien. - -De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken, -maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond -liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten -verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te -verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na -te denken. - -Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op -het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken; -dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was -het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom, -zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden, -hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop -zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en -bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij -slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet -genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en -drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden. - -Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood -voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang -het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te -slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne -kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed -was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man -kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar -de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van -een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde -geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards -riepen hun achterna: _Buen viago_, en niemand dacht, dat hij hen ooit -weder zou zien. - -Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven -eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die -drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan -dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der -Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten -naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg -liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den -Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren -vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide -de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker -wilden?"--"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en -wapens."--"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn -het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de -wereld is er, die ons anders dan goed zou doen." - -Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor -de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en -alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over -iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag. -Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en -wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele -reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt -hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende -hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar -zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening -kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland -gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de -opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het -noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te -landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten -moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun -verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer -welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van -levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd. -Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij -konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te -kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren; -zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog -gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De -Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij -antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee -vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd -gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende -feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien, -maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij -eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar -de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den -volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den -volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven -die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een -zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen. - -Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen -indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te -weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden -kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij -besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig -aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden -sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder -schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden -de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt. - -De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders -zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den -volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten -maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle -vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan -de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen -terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der -gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg -trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets -aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit -alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten -zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen, -alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten -dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te -brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij -was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om -geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen -dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te -slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden, -verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe -meesters moesten strekken. - -Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden, -vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt -hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten -gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven -de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich -derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut -gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal -gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot -zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk -drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar -oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en -twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank, -welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in -vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van -haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor -schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig -voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren, -gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende, -doch hierover nader. - -Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt -te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het -bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid -waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van -aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik, -drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den -jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te -zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar -buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden -dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan, -en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan -kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar -kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen -doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen -te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren, -Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en -zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij -hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op -zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was, -want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën. - -Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij -als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden -om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en -daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg -het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken. - -De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen -somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting -aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze -vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden -of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk. -De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de -meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het -billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het -alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne -huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u -niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw -beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen -achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden. - -Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen, -doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen -hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen -verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een -voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet -heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en -zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en -Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen -aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der -wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de -geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en -bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden. - -Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare -kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet -dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar -ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een -goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij -plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere -hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te -beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels -waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die -het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste -van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs -de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij -bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was, -wat dat betreft, de beste vrouw van allen. - -Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor -een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand, -en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden. -Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen -allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid, -dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook -konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord -zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die -haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut -gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst -der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de -Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij -voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te -bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne -gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen -hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de -noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden -waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen, -dat er drie dorpen op ontstaan waren. - -Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in -de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke -wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven -hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren, -die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie -knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de -twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer -onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen; -maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en -net. - -Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een -traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland -kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene -kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver -vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden -wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want -mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij -noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de -omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het -oog. - -De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge -boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en -schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne -landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was -alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant -en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne -druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch -eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was, -hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het -eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige -schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te -planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een -ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de -buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten -volgen. - -De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel -beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger, -en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe -hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter -behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en -maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd -dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol -doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het -op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren -onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen -en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre -takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen -het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen -alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun -graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand -des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden -overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen -dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen. - -Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en -net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat -was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij -zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen -niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen -koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om -schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom, -zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De -vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en -in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld -doorgaat. - -Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen -hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt. - -Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land, -ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden. -Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam -geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de -ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te -blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden, -stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg, -dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich -binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te -berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer -verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen, -en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren, -hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes -met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de -nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij -verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie -achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen; -waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als -beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen -vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst -teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren. - -De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De -gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het -niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te -maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij -er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij -hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij -hadden dus geen regt hen van het leven te berooven. - -Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe -verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru -zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb, -die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren -als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van -wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het -allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was -gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der -Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het -hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog -eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden -heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig -hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken -zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie -mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken, -gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen -en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten -zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal, -even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig -gerust gesteld en weggevoerd. - -Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar -mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis, -waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te -verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee -Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor -hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men -meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg, -en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep -echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug -te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne -kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee -dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij -begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne -landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het -eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik -zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe -velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een -geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen -leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de -twee Engelschen gemaakt hadden. - -Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven, -was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht -tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen -roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op -eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning -der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche -gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het -gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen -enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee -man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij -nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden, -en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het -nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden -zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee -achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen, -die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt, -zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen -brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden -medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten -gebonden, voor 's hands liggen. - -Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant -toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden -werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch -inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten -waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar -het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf -aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en -goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van -de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was, -ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te -roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en -trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op -eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan. - -Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het -legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een -oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam -staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en -voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand -houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven, -alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar -menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis -droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig -waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een -te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een -half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer -zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een -zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten -en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten -af te wachten wat er verder gebeuren zou. - -Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten, -dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen -zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen -denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht -rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken. -De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen -zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de -landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien -hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles -verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel -kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet -door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun -kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland -waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna -beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de -drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en -de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee -voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of -aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde -naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter -hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar -waren. - -Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij -achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en -misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een -vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom -een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende -tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen -kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de -drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem -duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al -zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo -hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden. -Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de -wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste -ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de -weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was -niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien -van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar -hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig -schreeuwende en gillende op den grond. - -De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende, -stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's -herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle -kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien -daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter -alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was, -onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich -in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de -arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil -boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen -waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij -zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden -deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want -gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij -nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men -menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het -anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben, -zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen. - -Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden, -aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei -besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar -zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had, -thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou, -waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde, -ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo -dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In -deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij -weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd -op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in -leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit -dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den -weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een -ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst -was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een -jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij -geen woord konden verstaan van al wat hij zeide. - -Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom -daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een -stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen -en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden -ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg -naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen -en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide -in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het -genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep, -geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk -leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij -naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden. -Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en -de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den -voet des booms. - -Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of -hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te -begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar, -die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de -wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor -hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden -zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren -geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te -ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die -het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen -hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de -vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het -genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de -andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags -vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan -en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan -dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven -Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb, -vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen -aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij -waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den -gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem -weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die -achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was. - -Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang, -dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt -noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde -echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit -de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden -blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te -geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht. - -Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden, -dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar -met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren -en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken. -Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood -hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden -geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en -twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar -begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en -hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden -eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige -wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid, -voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat -zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen -duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken. - -Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog -een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel -tevreden van hen ontslagen te zijn. - -De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al -hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen -bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot -hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen, -kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts -woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was), -en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen -ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige -te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen -staat gezet. - -Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der -wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee -verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een -storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht -na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo -ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van -hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene -andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het -scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren -wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van -bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij -hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood -was, hadden zij niemand om dit te bevestigen. - -Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden -hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig -onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden -opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte -vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen -en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig -gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de -grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de -oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den -geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste -plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij -onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal -hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten, -die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar -de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden -regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude -werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar -geland waren. - -Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne -buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en -lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den -morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der -twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed -hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van -het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten -getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons -leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens -genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als -volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen: - -/$ - 17 Spanjaarden. - 5 Engelschen. - 1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader. - 3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn. - 3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden. -$/ - -Om deze te wapenen hadden zij: - -/$ - 11 geweren. - 5 pistolen. - 3 jagtgeweren. - 5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige - matrozen ontnomen waren. - 2 sabels. - 3 oude hellebaarden. -$/ - -Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een -hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en -eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de -vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog -en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste -gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze -vrouwen hadden bijlen ook. - -De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde -het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard, -tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De -wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen -hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die -thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als -eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten -voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop -achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen, -die allen door eenige digte boomen beschermd werden. - -Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te -zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig -hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen -naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder -zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer -gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de -verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die -allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne -makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen, -die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de -drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut -gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals -de laag. - -Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was -teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij -geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden -geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte, -ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met -donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem -Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder -te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en -kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee -of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon -terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins -zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand -een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche -slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst, -terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan -zijn piek en een bijl. - -Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee -anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de -Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven; -want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer -dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak -bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van -pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne -wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten. - -Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die -gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij -hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden, -als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch -bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens -hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne -gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van -victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van -bloedverlies sterven. - -De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte -bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk -de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins, -gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan -zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van -bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze -raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor, -maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog -warm ben."--"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper -gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort -kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven -zij wachten. - -Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden -in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een -groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den -nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts -eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene -schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning -het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het -westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij -nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht -hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene -halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot -werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet -in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo -spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich -daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op -het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier -en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen, -die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten. - -Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder -iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze -zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun -legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te -voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden -als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste -verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden -schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en -zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en -de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun -geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de -laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen, -en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil -en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te -redden. - -De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide -gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de -overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de -heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich -weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk -het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne -rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een -geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar -de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb -begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de -grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren -zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld. - -De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht -echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben, -besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt -waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk -weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme -schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op -herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig -gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs -verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen -behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want -hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme -schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het -gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd -was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op -den grond, met het hoofd tusschen de handen. - -Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren, -gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit -deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten -had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij -door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij -diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks -hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst -mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe -begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van -gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord -had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de -onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren -gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk -aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren -gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk -en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest -worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil -van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad, -hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de -wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid -ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen. - -Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees, -dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop -blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde -beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds -afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste -armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan, -dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te -krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen -moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij -bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in -toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig -droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in -brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden. -Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen. -Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch -uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: _Oa, -oa, waremokoa_! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand -iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men -duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij -vertrekken wilden en nimmer terugkomen. - -Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der -kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder -naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een -hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene -mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te -kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die -kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden -in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk -hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen -eerst niet wisten, wat met hun te doen. - -De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat, -terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over -hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven -hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet -vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het -dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en -het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de -wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de -onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig -voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden -bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en -terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner -aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van -door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene -wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die -te maken, en ander wapentuig hadden zij niet. - -Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te -gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want -schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en -verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het -dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens -de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood -was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was -opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met -zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te -vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was, -nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn -gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware -honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik -kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden. - -Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het -zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op -het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen -dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun -getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn -zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid -leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig -met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot, -deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren -zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot -eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of -wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij -schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het -bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren. - -Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden -zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de -edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij -sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen -te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en -trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij -in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen -tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer -verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst -norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed -behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk -handelbaar. - -Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak, -en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet -alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland -geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen -bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden -geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om -thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan -zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden, -terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij -allen uitgeroeid zouden worden. - -De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op -zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en -smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen, -goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats -begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte -brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie -levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan -zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen -opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want -behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen, -overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen -ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken. - -Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te -fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders -zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands -aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en -van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte. -Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was -ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun -houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen -en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als -mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene -volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel -kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te -houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien -van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord -hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij -het gedaan, moeijelijk gevonden hebben. - -Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun -tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig -was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en -dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op -doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet -weder verraden wilden hebben. - -Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden -vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren, -want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven, -vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene -menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij -eerst den slag er van hadden. - -Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen, -scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard -noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich -zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk -geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en -allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel -tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo -mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen, -zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een -afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich -thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene -tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien -zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden, -gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen -zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent -zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee -en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm -gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht -stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer -sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige -ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat -ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat -scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had -voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had -houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de -ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze -wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden, -bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het -dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten -teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote -boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het -met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het -vlechtwerk voor hem gedaan hadden. - -Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van -afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee -en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde -eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den -binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig -voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner -vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers -gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur, -die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur, -die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam, -zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen -tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin -strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den -buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het -inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte -gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan -weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke -men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en -dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang -was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes -van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die -tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het -binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze -noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang, -die naar de binnenste tent voerde. - -Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld -meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo -gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen, -namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne -vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden -volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk -van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad -gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat -zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik -reeds gezegd heb. - -Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst -betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden -zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone -wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme, -onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij -met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig -van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of -godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun -toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden -leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig -bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken, -even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren, -toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren -geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden; -maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een -meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat -van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag -van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor -elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik -kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de -Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later -gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne -komst aldaar. - -Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben, -en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets -zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking -uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde. - -Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder -de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene -bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar -eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij -hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop -overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan -niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en -zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk -hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten -ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te -verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het -vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste -eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het -verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan -worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op -iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart -dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat, -schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als: -"treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte -hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in -mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in -den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal -gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander -waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk -meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere -natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen -het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in -gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den -schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding -te denken. - -Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat -zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel, -of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige -ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de -Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand -drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij -tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de -Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden -wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden -nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen -naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan -hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"--Ik verzocht -hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst -aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij -ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had; -terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan -en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij -levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk -men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk -dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op -gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel -schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch -zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij -thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet -kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun -slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten -kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van -hun land was. - -Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden, -waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het -dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over -gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp -en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van -degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden -te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest -opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen -zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds -verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat -eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van -levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der -wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek -dan anderen, die meer voedsel hadden. - -Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden -gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne -ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een -ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij -beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe -de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten -oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo -hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne -vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en -vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij -toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld -te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden, -want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun -gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich -laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de -drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls -dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en -scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette -echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in -groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote -houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze -beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms -in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der -wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen -werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij -eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat -hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden -gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen. - -Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne -overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten -tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was; -en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer -dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg -kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat -die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die -nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik -vroeger verhaald heb. - -Aandoenlijk was hunne beschrijving van de vreugde, die zij smaakten bij -de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij -door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen, -verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne -mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een -eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat -en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken. -Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den -voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood, -dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden; -hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en -hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het -overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van -hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te -brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch -dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne -bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan, -waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van -hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne -vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij -de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in -tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit -verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen -hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme -scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de -vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar -hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene -achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar -mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze -arme lieden voor mij te treffender. - -Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te -hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen -achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de -wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen -zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus -baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den -Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar -ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig -geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot -dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd -werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen -vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal -goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld -ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon, -te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun -aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren, -en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans -moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak, -en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een -voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten -en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte -vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen -hen heerschte. - -Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij -genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg -vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat -hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen -wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen -behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf -in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om -verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en -onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de -beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen -hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de -eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet. - -De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers -om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald -hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was. -Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later -meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de -bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met -wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem -hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te -dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en -zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op -allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste -omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen. - -Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den -volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet -daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat -hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van -het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen; -en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen -Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren -geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden -voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar -boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch -konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden. - -Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen -te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor -allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben, -namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst deelde ik genoeg -linnen uit, dat ieder vier hemden had, en op het verzoek der Spanjaarden -vermeerderde ik dit tot zes. Deze waren hun uiterst aangenaam, want zij -hadden sedert lang vergeten wat het was een hemd te dragen. Ik bepaalde, -dat ieder zooveel dun laken zou hebben als voor een kiel genoeg was, dat -de beste dragt in dit klimaat was, als zijnde ruim en luchtig. Ik zeide, -dat als zij versleten waren, zij uit den voorraad nieuwe konden maken, -en even zoo met de schoenen, kousen, hoeden, enz. - -Ik kan niet zeggen hoeveel genoegen op het gelaat dezer arme lieden te -lezen stond, toen zij zagen hoe ik voor hen gezorgd had. Zij zeiden, dat -ik een vader voor hen was, en dat met een correspondent als ik, zij zich -niet vergeten geloofden in dezen afgelegen hoek der wereld. En allen -beloofden mij vrijwillig de plaats niet zonder mijne toestemming te -verlaten. - -Daarop stelde ik hun de lieden voor, die ik medegebragt had, zoo als den -kleedermaker, den smid en de twee timmerlieden; maar bovenal mijn -duizendkunstenaar, wien zij niets konden noemen daar hij tegen opzag. De -kleedermaker ging, om zijne gewilligheid te toonen, dadelijk aan het -werk om voor ieder een hemd te maken, en leerde de vrouwen daarbij met -de naald omgaan, en deed zich door haar helpen. Dat de timmerlieden -nuttig waren, behoef ik ook niet te zeggen; zij namen dadelijk al het -lompe onhandige huisraad onderhanden, en maakten knappe tafels, stoelen, -bedsteden, kasten, planken, en al wat zij van dien aard noodig hadden. - -Maar eerst wilde ik hen laten zien hoe knappe kunstenaars uit zichzelve -iets kunnen doen, en nam hen mede naar Willem Atkins manden huis, gelijk -ik het noemde; en beiden verzekerden nimmer zulk een vernuftig werkstuk -gezien te hebben, noch iets wat in zijne soort zoo regelmatig en knap -gebouwd was. Een hunner, na er lang op gestaard te hebben, zeide tot -mij: "Gij kunt er op aan, dat die man ons niet noodig heeft; gij behoeft -hem slechts gereedschap te geven." - -Vervolgens bragt ik al mijne gereedschappen aan wal, en gaf iedereen een -spade, een schop en een hark, want wij hadden geene eggen of ploegen; en -voor iedere plantaadje een houweel, een breekijzer en een dissel; met -bepaling, dat als een daarvan brak of versleten was, deze dadelijk -zonder misnoegen uit den algemeenen voorraad aangevuld moest worden. -Spijkers, krammen, hengsels, hamers, beitels, messen, scharen en -allerlei gereedschappen en ijzerwerk ontving ieder ongeteld zooveel hij -noodig had, want niemand verlangde meer dan hij gebruiken kon. Voor den -smid liet ik twee ton onbewerkt ijzer achter. - -Mijn voorraad van kruid en wapens, dien ik hun medebragt, was zoo groot, -dat zij er verrukt van stonden; want nu konden zij, gelijk ik gewoon -was, met een geweer op ieder schouder uitgaan, en wel duizend wilden het -hoofd bieden, zoo zij slechts eene niet onvoordeelige standplaats kozen, -gelijk zij altijd gemakkelijk doen konden. - -Ik had den jongeling mede naar den wal genomen, wiens moeder van honger -gestorven was, en ook de dienstmaagd. Deze laatste was een zedig, -welopgevoed, godsdienstig meisje, dat zich zoo innemend gedroeg, dat -iedereen haar gaarne lijden mogt. Zij leidde onder ons een onaangenaam -leven, daar zij de eenigste vrouw aan boord was, maar droeg dit met -geduld. Na eenigen tijd, toen zij alles op mijn eiland zoo goed geordend -en bloeijend zag, en bedacht, dat zij in Oost-Indië niets te verrigten -en geene bekenden hadden, kwamen beide mij verlof vragen op het eiland -te blijven bij mijn huisgezin, gelijk zij het noemden. Ik stemde -gereedelijk hierin toe, en hun werd een stuk lands aangewezen, waar drie -huizen of tenten opgeslagen werden met vlechtwerk, gelijk die van Atkins -verschanst, en aan zijne plantaadje grenzende. Deze tenten waren zoo -ingerigt, dat aan weerszijden een slaapvertrek was, en in het midden -eene groote kamer of schuur om hunne goederen in te bewaren en te eten -en te drinken. En daar de twee andere Engelschen hunne woning naar -dezelfde plaats verlegden, zoo bleven er slechts drie kolonies op het -eiland, en niet meer; namelijk die van de Spanjaards met den ouden -Vrijdag en hunne drie slaven, in mijne oude woning aan den heuvel, dat -inderdaad eene uitmuntende stad was, welker vestingwerken zij zoo wel -aan de binnen- als buitenzijde der heuvels uitgebreid hadden, zoodat zij -zoo wel veilig als in de ruimte woonden. Nimmer zag men zulk een stadje -in een bosch, of ergens ter wereld, geloof ik, zoo verborgen. Duizend -man hadden het eiland eene maand lang kunnen doorzoeken, en zoo zij niet -geweten hadden, dat het bestond, zouden zij het niet gevonden hebben, -want de boomen stonden zoo digt opeen, en waren zoo door elkander -gegroeid, dat men ze eerst moest vellen om de plaats te naderen, behalve -door twee naauwe ingangen, die niet gemakkelijk te ontdekken waren; de -een kwam vlak aan het water uit, wel tweehonderd schreden van de plaats, -en de ander was de reeds beschreven ladder, en de plaats, waar deze -uitkwam, was ook digt met hout begroeid. - -De tweede kolonie, die van Atkins, bestond uit vier Engelschen, die ik -daar vroeger achtergelaten had, met hunne vrouwen en kinderen; drie -slaven, de weduwe en kinderen van den gedooden Engelschman, de jongeling -en de kamenier, die wij ook voor ons vertrek uittrouwden. Daar woonden -ook de twee timmerlieden, de kleedermaker en de smid, die vooral zeer -nuttig was voor hunne geweren, en mijn duizendkunstenaar, die alleen zoo -veel kon als twintig man, en iedereen door zijne grappen opbeurde. Wij -trouwden hem uit aan de kamenier, die met den jongeling met ons aan wal -gegaan was. Dit trouwen brengt mij natuurlijk op den Franschen -geestelijke, dien ik van het brandende schip verlost had. De man was -zeker Roomschgezind, en in de oogen van sommigen zal het vreemd zijn, -dat ik met zoo veel lof van hem gewaag. Maar om hem regt te laten -wedervaren, moet ik zeggen, dat hij een ernstig, bedaard, vroom en -godsdienstig man was, onberispelijk van zeden, liefderijk van aard en -een voorbeeld in al wat hij deed. Wie kan mij laken, dat ik de waarde -besef van zulk een man, onverschillig of zijn geloof al dan niet het -mijne was. - -Het eerste gesprek, dat ik met hem had, nadat wij bepaald hadden, dat -hij mede naar Oost-Indië zou gaan, was mij uiterst aangenaam. -"Mijnheer," zeide hij, "gij hebt niet alleen naast God mij het leven -gered, maar mij toegestaan deze reis met u te doen; mijn gewaad toont u -mijn geloof, en aan uwe natie kan ik het uwe gissen. Ik mag het als mijn -pligt beschouwen, gelijk het ongetwijfeld is, te allen tijde mijn -uiterste best te doen, alle zielen tot de kennis der waarheid en de -aanneming van het Roomsche geloof over te halen; maar daar ik hier met -uwe toestemming, en als het ware in uw huisgezin mij bevind, eischt zoo -wel de kieschheid als de billijkheid, dat ik mij naar uw verlangen -schik, en ik zal derhalve niet zonder uwe toestemming over -godsdienstpunten spreken, waarin wij niet overeenstemmen." - -Ik antwoordde, dat ik getroffen was over de kieschheid van zijn gedrag; -dat wij, wel is waar, tot degenen behoorden, die men elders Ketter -noemt, maar dat hij niet de eerste Katholijke priester was, met wien ik -vriendschappelijk verkeerd had, en zonder dat onze verschillende -meeningen kwaad bloed zetten. Ik verzekerde hem, dat hij niet minder zou -behandeld worden om dat zijn geloof van het mijne verschilde, en dat zoo -er uit dien hoofde ongenoegen tusschen ons rees, het mijne schuld niet -zijn zou. - -Hij zeide, dat zijns inziens niets gemakkelijker was dan te spreken -zonder te twisten, en hij niet met ieder, dien hij aantrof, over -geloofspunten behoefde te twisten, en liever als een welopgevoed man met -mij wilde verkeeren. Wilde ik later met hem over zaken van godsdienst -spreken, dit zou hem aangenaam zijn, maar dan moest ik hem vrij laten -zijne meeningen te verdedigen zoo goed hij kon, doch zonder mijne -toestemming zou dit niet gebeuren. Hij zeide verder, dat hij daarom niet -nalaten zou alles te doen wat zijn pligt als priester en Christen van -hem eischte, ten beste van het schip en scheepsvolk; en schoon wij -misschien niet in zijn gebed konde instemmen, hoopte hij toch voor ons -te bidden.--Aldus spraken wij veel, en hij was niet alleen een man van -een allerbeschaafdst gedrag, maar ook van gezond verstand, en ik geloof -ook zeer geleerd. - -Hij gaf mij een zeer belangrijk verhaal van zijn leven, gedurende de -weinige jaren, dat hij in de wereld rondzwierf, vooral was het -merkwaardig, dat hij op zijne tegenwoordige reis vijf malen van schip en -bestemming veranderd was. Eerst was hij te St. Malo op een schip, naar -Martinique bestemd, gegaan, doch toen zij door storm Lissabon moesten -inloopen, hadden zij bij het opzeilen van de Taag gestooten, en moeten -lossen. Hij vond een schip zeilree liggen naar Madera, waar hij aan -boord ging, denkende ligtelijk een schip naar Martinique te zullen -ontmoeten, maar de Portugesche kapitein, die een bedroefd zeeman was, -geraakte zijn bestek kwijt en belandde te Fial, waar hij echter zijne -lading zeer goed afzette, en dus besloot niet naar Madera te gaan, maar -zout op het eiland Mai in te laden, en vandaar naar Newfoundland te -verzeilen. Hij was genoodzaakt mede te gaan, en had eene vrij gunstige -reis tot aan de banken, waar hij een Fransch schip ontmoette, dat naar -Quebec en vandaar naar Martinique bestemd was; hiermede dacht hij zijne -bestemming te bereiken, maar de kapitein stierf en het schip bleef daar. -Daarop ging hij naar Frankrijk scheep in het schip, dat verbrandde, en -ging toen bij ons aan boord om mede naar Oost-Indië te gaan. Aldus had -hij vijf mislukte reizen gedaan op slechts eene reis als het ware. - -Doch ik wil niet uitweiden over andere lotgevallen, die niet tot de -mijne betrekking hebben, en keer tot ons eiland terug. Hij vertoefde al -dien tijd op het eiland onder ons, en kwam op een morgen bij mij, juist -toen ik de kolonie der Engelschen, die het verst af lag, wilde bezoeken. -Hij zeide mij met een zeer ernstig gelaat, dat hij twee of drie dagen -lang eene gelegenheid gezocht had tot een onderhoud met mij, hetwelk hij -hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn, omdat het, naar zijne -meening, eenigzins met mijn oogmerk strooken zou, namelijk den voorspoed -van mijne kolonie, en om op deze, misschien meer dan thans, Gods zegen -verwerven. - -Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe, -mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand -en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald -heb?"--"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten -uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt -gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben, -dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods -zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar," -vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo -kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen, -en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van -Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en -Gods toorn tegen hen verwekte." - -Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij -zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had, -en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de -plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen, -en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij, -dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen -wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig -en openhartig met mij te spreken. - -"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige -grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat -ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon -vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen. -Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst -verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen -zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij -overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God -is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te -gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen -overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat -deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk -erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene -opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal -ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat -zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden -Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel, -en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij -hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij -toestaat mij in deze zaken te mengen." - -Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij -gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht -hem mij zijne meening nader uiteen te zetten. - -"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken, -en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen -moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg -geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik -ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw -genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier -Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder -verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op -eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen, -en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen -aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te -volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of -huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de -Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis -tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter -geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen, -maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar -de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge -toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen, -maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt -elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met -eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft, -en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en -de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt." - -"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de -gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken, -aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen, -terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe, -mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe -zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op -zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden, -die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij -staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?" - -Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de -krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er -geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen -opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts -door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze -vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch -hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant, -een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken -was, dat het niet geschied was. - -Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat -dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren -zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer -te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel. - -"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot -verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik -smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te -doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende -al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het -verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen -ophouden, en in niemands magt anders." - -Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde, -door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en -niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem, -dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor -in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo -verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat -gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze -van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon -dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit -even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door -eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken -in Europa geldig zal geacht worden." - -Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver -aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk, -en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige -betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks -gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een -schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij -gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem, -en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom -zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even -geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had. -Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten. - -Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik -mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk -voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te -zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche -onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze -vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs -lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige -vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de -Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een -God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare -eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en -ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid, -die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel -vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden, -vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan -hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een -hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen -waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne -verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het -rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien -ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de -opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij -allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd -zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des -duivels." - -Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte -hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de -kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor -Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit. -"Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"--"O, zeg dat niet, -mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."--"Neen, neen," -hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"--"Het -is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te -overijld."--"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op -mijn vertrek."--"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te -spreken?" vroeg hij.--"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal -zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."--Hij hernam: "Dat moeten wij -aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen -behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het -mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme -onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot -het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier -zijt."--"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank -daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen. - -Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is -van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even -rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo -uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene -grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook -behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het -Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort -te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk -zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere -geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de -gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis -van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen. -Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of -zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper -en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene -gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de -belooning voor een geheel leven zou uitmaken." - -Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag -hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst, -wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen -oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht -hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld -zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne -verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts -van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden -terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden -staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en -mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten, -mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."--"Neen, -neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben -geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat -ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik, -"in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met -een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op -te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders -komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou -blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als -liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op -liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat -het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf -hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in -denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik -zoo wonderbaarlijk verlost ben." - -Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het -hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende, -dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde. -Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker, -mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te -zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen. -Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het, -als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf -onderneemt, dan het van mij te eischen?" - -Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor -mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor -zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo -gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne -doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en -moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene -heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere -verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide, -hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde -over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik -wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te -vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo -ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het -ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te -bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal -bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij -hun eenig goed kon doen of niet. - -Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij, -mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde -gaan?"--"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den -Indianen te prediken."--"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat, -als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan -bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer -het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard -dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks," -vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het -gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik -nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar -gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn -leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."--"Wat is -dat?" vroeg ik.--"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij -mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij -niet kunnen verstaan." - -Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene -redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn -reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer -genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk -te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een -Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en -zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester -een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot -zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en -ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon -het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij -mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den -anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om -hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke -onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk -hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te -verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij -evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid -ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch -geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was -hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering -der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later -anders. - -Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen -kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben -voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad -ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te -spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen -juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe -onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij -gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen -waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze -vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder -dat zij wettig met haar gehuwd waren. - -Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand -was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden -hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en -behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig -met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met -alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat -zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt -haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten -anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de -arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder -bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen -helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder -verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou -alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en -dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen, -ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven -voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke -wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen. - -Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem -Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne -vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij -haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen -zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen -deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat -hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen -en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet -zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als -er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen -met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat -oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de -proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als -hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er -zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide, -dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was, -dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen -het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de -geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat -ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een -Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd -had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen -priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen -hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en -verhaalde hem wat het volk mij gezegd had. - -Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden, -dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde -vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne, -ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want -dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en -het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden -morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden -verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare -mannen in geen geval te verlaten. - -De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden, -gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen -in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch -een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg, -droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de -kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van -hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne -aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het -Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam -allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den -beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het -geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde -volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de -vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter -zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun -daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had -medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde -sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun -daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle -maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd; -dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen -trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog -eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk -weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche, -afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd -was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te -halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder -welke hij haar niet doopen kon. - -Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de -godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne -vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon, -ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen -over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden -zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren -dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen -strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door -Goddelijke wetten verboden. - -Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na -mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts -somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe -volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van -den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij -zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen -waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken. -"En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem -Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en -Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij -zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat -wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de -slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf -wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote -schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds -tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil, -zelf eenige godsdienst hebben."--"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees, -dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw -niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een -godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch -spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles -geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien -wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo -onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de -waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft." - -"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar -iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar -zijn kan?"--"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.--"Wel, mijnheer," -zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is -of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens -haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden -is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het -tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of -wat ik behoorde gedaan te hebben."--"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar -al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan -den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot -den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt -berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit -slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten; -hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder -van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze -goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den -dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij -dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den -dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van -een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte -zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven -zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te -deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen." - -Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en -blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken -had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat; -maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te -spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw -ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God -en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas! -(hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen) -daar is voor mij geen denken meer aan."--"Geen denken meer aan," zeide -ik, "hoe meent gij dat?"--"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik -meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar." - -Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De -ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor -het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet -bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is -hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij, -dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde: -hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn -eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar -integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten -maken.--"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij -geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken, -om aan zijne ellende en angst een einde te maken. - -De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde, -maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat -het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid -ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn -lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat -zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het -bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het -nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken; -en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde -vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat -het daartoe nimmer te laat is." - -Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde, -maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat -hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij -spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van -godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij -gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over -te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te -halen. - -De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het -hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan -vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat -wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar -geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest -is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen -niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw -van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst -spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf -te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die -weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar -geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om -een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal -spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden." - -Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het -Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere -paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene -poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins -gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende, -dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden, -waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht -hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar -het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den -rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw -zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was, -en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer -ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde, -dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees. -"Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij -zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee, -hen zelven gemaakt heeft."--"Ik geloof het ook," zeide ik.--Atkins stond -thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te -hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten -en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet -opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den -geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne -moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij -zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook -gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins -zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee -of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij -hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste, -eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen -voorttredende, knielden beide neder. - -Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit: -"Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou, -en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit -tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge -priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze -afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij -weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en -Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik -smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te -slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun -gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen. -Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik -trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde -over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg -aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde, -zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was. -"En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van -tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen -zullen werken."--"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar -kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt -volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen -zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal -nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken -kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een -blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend," -zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen -tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te -bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot -der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid -te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer -verdoemd als de heidenen zelve." - -Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk, -een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de -leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik -niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan -u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de -Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van -Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne -kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop, -dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen -tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid -goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd -vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en -een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op -eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt, -en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en -zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat -gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne -eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die -gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie -nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed, -schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat -God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis -der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne -heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij -zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader -bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op -het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk -zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te -zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden -van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God -baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij -heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht -geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten -nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen." - -Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen -Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans -bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen -Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook -behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid -zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd -dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten -wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten. - -Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand -vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als -gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de -Inquisitie u spoedig beet pakken!"--"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet -niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou -hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen -ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets -meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons -wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen -gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons -te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te -vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw -vader?" - -Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een -geestelijke. - -Robinson Crusoe. En uwe opvoeding? - -A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van -alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier. - -R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een -beest gelijkt. - -A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood -aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn -armen vader den dood aangedaan! - -Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op -bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!" - -R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt -uwen vader niet met eigen hand vermoord? - -A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet -over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste, -onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde. - -R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat -Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve; -maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch -niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst -wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde. - -A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft -het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens -onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die -wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste. - -R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet -aanhooren. - -A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn. - -R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke -boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne -ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader -zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op -verre na zoo groot niet is als het uwe. - -Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans -berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het -gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats -van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een -treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan -den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb -ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen -onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het -eiland tot Christenen maken." - -Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met -Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt -in deze zaak?" - -A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard -het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst -gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te -halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal -vergeten. - -R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat -uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd. - -A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht. - -R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is -voorgevallen; ik weet er reeds iets van. - -A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk; -ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge -gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te -doen en mijn leven te verbeteren. - -R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is -waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als -zij dat bewerkt heeft. - -A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het -huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene -onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en -geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen -en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven, -en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden. - -R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen -wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden -kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op -maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter. - -A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het -tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar -misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als -wij. - -R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen? - -A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land. - -R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was? - -A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze -met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het -eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste -gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden. - -Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven, -nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het: - -De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land? - -Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal. - -V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude -Benamoekie God. - -A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in -den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is -gemaakt. - -V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet. - -Atkins lachte over deze uitdrukking. - -V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen. - -Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne -ernstiger dan hij. - -A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen. - -V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft? - -A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen -gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij -leeft eeuwig in den Hemel. - -V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd? - -A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u -met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde. - -V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet -o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk. - -A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel -was en als had Hij geene magt op aarde. - -V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven? - -A. Dat is onze eigene schuld. - -V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan -u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet -dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet? - -A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God -is genadig en straft ons niet naar verdiensten. - -V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank? - -A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem -gevreesd heb om zijne magt. - -V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk, -zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt. - -A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven. -Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte -leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet! - -V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den -Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker -weet Hij niet wat gij doet? - -A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij -doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet. - -V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen? - -A. Ja, ja, Hij hoort dat alles. - -V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt? - -A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat -bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom -worden wij gespaard. - -Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne -vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de -geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden -had durven verrigten. - -V. Genadig; wat meent gij daarmede? - -A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons. - -V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is -Hij ook zelf niet goed en niet magtig. - -A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te -straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren. -Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd. - -V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met -hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als -Hij het op anderen is. - -A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner -langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere -zondaren. - -V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem? -Zegt gij hem geen dank daarvoor? - -A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar. - -V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt -heeft. - -A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die -mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb. - -V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken, -ik zou geen kwade slechte dingen doen. - -Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom -onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een -snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon, -wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest -voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo -slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden. - -A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u -reeds en elke gedachte van uw hart. - -V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem -verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft? - -A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden, -dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik -onwaardig ben u te onderrigten. - -De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou -leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te -willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem -zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der -godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten, -en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen -en de handen opheffen. - -V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien -spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles? - -A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen -Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe -oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad -Hem. - -V. Waarom zeide gij O tegen Hem? - -A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich -aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam. - -V. Kan Hij dat doen? - -A. Ja. Hij kan alles doen. - -V. Maar hoort Hij wat gij zegt? - -A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen -verhooren. - -V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken? - -A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op -verschillende wijzen aan ons geopenbaard. - -Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons -in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk -zeide hij haar het volgende: - -A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit -den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met -zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek -geschreven. - -V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek? - -A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd -te bekomen en u daarin te leeren lezen. - -Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij -geen Bijbel had. - -V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te -schrijven? - -A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is. - -V. Hoe weet gij dat? - -A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig -is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken, -en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van -aard of boos in de gevolgen is. - -V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle -goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen -leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij -mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil -zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles -zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof, -dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u. - -Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed -hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H. -Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den -Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door -hetzelve Hem leeren kennen. - -Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en -nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb. - -Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te -deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne -eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen -van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet -langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan -zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig -zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood -waren. - -Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het -echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen -Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij -geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te -trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te -kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en -wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij, -"schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken, -dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een -godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van -het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven; -maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van -Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het -geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de -opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat." - -Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte -dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken -had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over -zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare -bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar -de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij, -zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was, -dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat -mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven. - -Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester -en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer -werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een -Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de -opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken, -en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der -Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt -de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de -verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing, -gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met -vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting, -die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op -haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe -aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo -mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide -mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop -geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet -wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde. -Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven -gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der -vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij -verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in -den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand -daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen -uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was -Fransch, of sloeg er geen acht op. - -Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten -was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende -wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door -eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat -zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield -hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het -Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te -verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou -zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop -in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch -overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag -voor de aangenaamste mijns levens gehouden. - -Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart -hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij -daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze -onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze -misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader. - -Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik -toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de -uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij -vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met -hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten -wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet -onaangenaam zou zijn. - -Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was -geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin -geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid -bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de -dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de -wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar -ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij -zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp -waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het -duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat -beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel -bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij -daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg -was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem -naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier -te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en -gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij -niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf -met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als -een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als -ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou -vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou -medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en -waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje, -hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn. - -Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te -meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen -huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in -Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op -maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem -verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden, -noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit -beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar. -Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer -braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en -van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het -noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op -den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar -gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het -geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met -alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof. - -Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader -naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk -aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene -plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk -grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen -verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan. - -Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer -ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en -godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval -stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij -deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij -alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen -verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en -grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het -regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen -met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond -terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom -voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf -jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze -acte kwam, om die te vragen. - -Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen -beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik -nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap -te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek. - -Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene -soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd -was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te -verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te -doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg -viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve -voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags -vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als -dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te -erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik -hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat -zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet -behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en -gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of -vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de -verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende -wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de -hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den -inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan -mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts -uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins -en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden. -Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid -toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte -oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was -woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om -hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en -komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en -ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de -planters niet door hen verontrust werden. - -Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de -bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen -kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt -daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen -verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die -onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou. - -Hij stemde daarin toe, _bijaldien_ ieder zich moeite gaf, "maar," zeide -hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te -willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een -voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het -zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk -waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen -hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen -Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de -wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God -en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder -elkander over de Godsdienst zouden twisten. - -Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag, -want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter -wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb, -en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze -verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had, -voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was -deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de -wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb. - -Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de -noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had; -waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor -mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond, -waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid -van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij -werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter -gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn -zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de -jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken, -hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij -elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide -ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met -zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden. -Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig -was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden; -zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge -vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te -blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat -Gods zegen met haar zijn mogt. - -Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek -hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den -zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u -misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet -spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met -beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat -God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek -waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons -gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne -vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij -eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans -gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo -beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een -bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was -te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan -de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden -verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat -daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later, -zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor -onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was -onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor -zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels -om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig -mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle -ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of -aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de -kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij -immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere -indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor -den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst, -dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met -nog onwetender dan hij te doen had. - -Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de -hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele -volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar -waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van -heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde -mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan -boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd -te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen. - -Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van -honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het -scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun -lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar -of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is -van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij -het volgende verhaal: - -"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en -leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer -hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag, -nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond -flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op -eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna -ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas -wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder -misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik -duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den -geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets -dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te -Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige -voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn -ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik -dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar -door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne -hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als -iemand die dronken is. - -"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer -dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger, -en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder -ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde -ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij -gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van -verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van -een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed -sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en -verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de -hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger. -Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel -ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig -kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich -denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek -tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen -naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam -nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en -gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er -in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de -wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde -eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen, -want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval -mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp. - -"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij -verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan -haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en -ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft. - -"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte -barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag -van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood -geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo -onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel -voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve -in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den -vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig -en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik -naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger -gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit -was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik -drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk -misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als -razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder -krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts -sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn. - -"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen, -en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een -weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij -toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had -geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij -slechts weinig teekens van leven geven kon. - -"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen -van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen -evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een -zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo -zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge -meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de -kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert -twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons -gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat -zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren -wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden." - -Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk -verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor -volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even -zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne -dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar -leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds -bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe -geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit -alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger -binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander -ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun -nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder -uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in -het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug. - -Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik -medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden -van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat -zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of -misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een -dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en -godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die -ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke -overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een -aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf -moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen -daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien -zal. - -Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden -staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig -dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam -afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen -zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee, -daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder -hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van -vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in -de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet -te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en -N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land -ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was, -weet ik niet. - -Den derden dag echter tegen den avond zagen wij bij stil weder en eene -effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet -zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot -want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende -met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets -dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger -en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die -naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef, -de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het -eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij -wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij -zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad -inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land -dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij -zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was. - -Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te -ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets -te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de -sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te -leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen, -als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop -kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender -schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend -kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd -vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien -man en meer, en de minsten zeven of acht. - -Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt, -welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst -schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter -steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij -riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze -begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste -kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de -handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en -opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een -matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij -reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van -waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder -mogten schieten. - -Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven, -zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet -bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude -kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad; -daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat -wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden, -als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om -hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden -weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner, -die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt -achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar -onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig -voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden -tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten -man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en -drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij. - -Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den -medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot -en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo -als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en -onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier -hunner kanoes verbrijzelde. - -Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste -gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij -ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten -met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou -hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij -mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk -hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd -voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en -ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst -of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een -schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of -omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard -weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes -gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een -uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons -schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want -binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op -drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar -dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil. - -De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken -wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik -wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield -mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het -hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep -na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk -namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik -alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken. - -Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en -had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen -knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het -duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met -der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat -handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets -van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het -spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong, -lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen -de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met -hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel, -en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten. -Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het -groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even -als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een _e_ -achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch -leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen -afleeren. - -En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid -van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en -plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord -gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den -trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had. - -Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer -twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste -van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in -het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later -lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner -redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is. - -Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan -ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om -eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog -leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee -gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het -eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich -herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der -Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven, -haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur -verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht -matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke -voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch -iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste -moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen, -die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had. - -Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering -begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar -zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen -tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden -moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne -geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond -ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander -einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland -had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den -voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen -was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij -het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn -compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan -wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te -zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat -deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en -gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar -hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf -hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede. - -Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon, -dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het -ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak -is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een -ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te -houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te -ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een -stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag -genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En," -voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem -toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij -zeker levend verbrand worden." - -Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan -boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai -was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren -gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik, -en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte -van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij -medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter, -de Portugees namelijk, in den grond verstond. - -Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf -kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen -moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche -vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards, -dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar -trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij, -dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen -in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters -bij zich had. - -Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer -aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de -zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen -niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van -hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië -teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal. - -Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te -komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne -gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets -anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne -eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die -telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en -teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed -tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood -behoedzaamheid inprenten. - -Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij -en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich -achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in -Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland -gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei -noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de -regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen -eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had -ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam -van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik -gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje, -met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes -maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit -gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een -verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot -zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in -de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen -op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als -ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van -eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig -rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven, -maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk -onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn -invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt -hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige -toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar -gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de -laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat -hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief -eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar -niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd -waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken -waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter -eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij -mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen -dood hun vaderland mogten terug zien. - -Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn -leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe -dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels -regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de -Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken, -en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste -verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug. - -Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk -godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon -zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het -toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te -volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem -gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot -ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot -dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van -de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle -vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen. - -Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden -wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene -gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere -ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even -zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen. - -Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over -alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot -een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier -mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door -mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun -goedvinden. - -Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken -uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en -afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook -derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de -inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen -gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene -poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor -eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten -zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij -slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten. - -Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven, -en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien, -ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de -oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons -heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met -hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen -gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een -boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk, -naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap -is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit -te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is -eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie -takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus -binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de -markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene -wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en -lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun -eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt, -loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is -geëindigd. - -Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan -gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij -bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen -betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was -rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het -strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om -als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een -steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er -een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik -het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust -begaf. - -Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den -wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met -de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord -zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit -vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het -scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren, -als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat -er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep -dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord -hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten -spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in -te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De -onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner -hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede -konden zij weinig uitrigten. - -Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar -drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de -boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden -als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met -hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de -doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's -Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan -zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons -ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het -maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het -strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren -geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van -sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter -tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard, -waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen. - -Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons -zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en -zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met -hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag, -doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende -hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste -het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en -zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe -niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven -zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene -lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand -hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit -aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker -achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden, -en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra -wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van -boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene -schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte. - -Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar -de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die -hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners -ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden -gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd -hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was -komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten -had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij -niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens -het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos -wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het -gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was. -De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen, -den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen -drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het -was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren. - -Een van ons volk was bij het begin van den aanval door een werpspies -gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn -kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het -geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want -wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee -geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten -het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles -vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden -had, ware het verlies zoo groot niet geweest. - -Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets -van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik -volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij -de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij -geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten -verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam, -alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo -heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde. - -De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij -landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen -tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik -hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige -teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik -hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij -deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden -in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een -onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch -hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op -eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den -beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op -struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk. -Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden, -hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan -opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij -duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig -lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren. -Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel -afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben. - -Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik -naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat -zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij -hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al -hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel -Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden. - -Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar -boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te -loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die -eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste -belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij -en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en -stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee -van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik -dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder -mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga," -zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"--Jack zeide ja, en toen -volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten -mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te -blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik -de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou -zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield -hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde -lot als Tom Jeffries wilden ondergaan. - -Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat -zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en -daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te -denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun -een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken, -en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er -nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken; -zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden, -beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug -zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur -vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij -vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten -wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed -gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen -hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of -dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter -onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel -goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht -gaande, en hen tot baarlijke duivels. - -Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen -half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige -weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het -dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden -overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en -het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het -naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den -anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten -zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en -gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze -besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe -behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los -maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan -volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en -de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat -volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan -verscheidene huisgezinnen woonden. - -Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad, -en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen, -op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar -buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden -wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen -plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken, -om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te -trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl -zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans, -dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en -het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met -afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin -zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door -onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander -spreken. - -Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo -verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in -hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo -onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben. -Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar -zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en -met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig -vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op -vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden -zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte -wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar -de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot -en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een -handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar -binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de -bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun -koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden -zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de -vlammen omkwamen. - -Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet -spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de -snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo -hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij -genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de -bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te -maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom -Jeffries!" - -Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral -toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons -schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der -vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe -de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook -hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken. -Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden -was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij -al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en -ging zelf met hen naar den wal. - -Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee -matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat -er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds -heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te -wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en -de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk -bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het -behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders, -voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en -hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als -vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat -hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk -niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de -reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij. - -Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij -zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus -twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te -halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij -terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen, -zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele -equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten -twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren. - -Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen -regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans -waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en -deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het -stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik -had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van -Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef -gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die -het hooren daarvan ons aanjaagt. - -Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de -vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene -hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel -verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen, -en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen -zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het -onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of -anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend. -Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens -de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een -weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende -vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of -zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter -hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor -onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook -voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de -anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en -twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren. - -Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie -Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn -volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme -vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk -kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een -droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden, -waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde -oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk -eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij -bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken -en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend -wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden -onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde. -Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk -gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die -een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond. - -Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar -kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens -opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over -dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden -kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en -gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen -onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door -hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar -nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden, -en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden -en naar ons toekwamen. - -Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden -te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik -ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die -honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme -Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen, -wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging -hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon -voegen. - -Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche -schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een -van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij -uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten -een lijk." - -"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan -hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en -daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan -een boom hing. - -Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen -tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep -dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van -Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want -hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne -taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had, -even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel -moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide -mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene -groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood -verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als -moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van -mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar -ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik -bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk -gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet -uitstaan. - -Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met -deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas -van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans -dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen -gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer -veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen -mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging -ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk. -Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas -was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde -een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam -ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat -gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van -gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en -kinderen lieten zij hier ongemoeid. - -Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn -te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij -opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar -rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk -hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de -geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf -matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand -ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen -en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij -zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond. -Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet -verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren. - -Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk, -maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als -gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in -de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne -onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij, -ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien -zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen -bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd -gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen -meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik -niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus -aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder -zeil. - -Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden, -doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen, -vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut -overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat -hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden, -alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing. - -Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een -ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods -zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden. -Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was -ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den -wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen -daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit -tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den -wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen -dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt -hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te -verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was -geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en -zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens -goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond. - -Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder -heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet -anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun -te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken. - -Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de -kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar -hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens, -en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar -China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen. - -Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het -aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren -afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige -bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de -sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende -straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder -ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het -gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen -zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den -mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den -moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon -het volk dit kwalijk verduwen kon. - -Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen -dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had, -kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt, -en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had, -hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip -te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer -verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en -hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo -ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had -bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet -veilig als ik met hen aan boord bleef. - -Ik hoorde hem vrij geduldig aan, tot hij gedaan had, en zeide toen, dat -ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen -zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te -kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was -waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook -niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons -allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij -de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het -schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en -meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan -eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden. -Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede -afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de -plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan -wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het -volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven -om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar -boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig -verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de -bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te -zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord -had. - -Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en -wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou -komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te -gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen -sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds -geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de -onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen -en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman -eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na -eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den -kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld -jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten -doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te -verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich -getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord -wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip -zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord _allen_ -keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein -was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen; -allen, iedereen!" - -Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest, -en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat -hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst -gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en -onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets -baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op, -dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder -aan boord te komen. - -Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te -danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun -ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en -dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit -bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den -kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit -hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het -schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever -het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te -behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over -spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te -zien de zaak te schikken. - -Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met -mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als -ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de -kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met -hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt, -kwam hij dan ook bij mij. - -Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met -geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip -vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten -achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen -ik alleen op het eiland was. - -Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde -wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het -schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich -om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik -verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den -wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik -kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer -aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en -zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had -toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak -afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te -overwegen welken weg ik thans moest inslaan. - -Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag, -want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik -op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door -het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te -water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door -de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italië en zoo over -land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de -helft van den diameter des aardbols bedragen. - -Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen, -die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te -gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de -Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar -verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of -kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend. - -Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene -behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van -zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen, -hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel. -Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter, -de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te -blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het -huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden, -doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde -niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een -besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige -Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn -neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer -achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben. - -Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en -gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije -diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan -altijd mijne bezittingen kon medevoeren. - -Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene -gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen -morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en -met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen -voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als -hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn -wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel -der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door -ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als -gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het -beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik -koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden -wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de -hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden -wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere -luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?" - -Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige -en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne -omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de -koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element -niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der -wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter -eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en -toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche -matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en -de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te -houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een -konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie -Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen -doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te -maken. - -Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het -weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij -bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen -over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen, -dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam -gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden; -daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist -zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene -zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen -terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich -dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in -zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond -Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men -nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen, -gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als -retourgoederen voor de tehuisreis. - -Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste -onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van -handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in -verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te -maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren -oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht -om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel -onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in -een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij -de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve -was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot -verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als -zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken -was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog, -dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien, -maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel -der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk -ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als -ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld -gezien. - -Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om -het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor -eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig -handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste -voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de -zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring -hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den -anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen -dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van -verzadigd is. - -Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te -zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te -slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om -zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de -Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading -nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen, -maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo -ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd -is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren -spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te -halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat -reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst, -aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het -rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij -volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene -eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden -terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige -notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze -naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug -ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld. - -Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend -en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet -beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft, -en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te -gapen?"--"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik -begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u -zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er -lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als -ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik -zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten." - -Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van -Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar -Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij -zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had, -om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat -hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij -maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij -vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik -ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over -na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat -groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip, -betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten -wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst -wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij, -gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel -van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en -eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de -groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar -Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken. - -Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid -van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een -gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt -zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de -wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige -dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen -waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel. -Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den -kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld -waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door -te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten, -terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van -welke wij later meer zullen hooren. - -Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke -wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper -hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden, -zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht -gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip -op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf -voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij -wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden -hadden, sloten wij den koop. - -Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan, -en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de -Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met -beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes -jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in -het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst -zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten -ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de -andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit -moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat -wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij -verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter -dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen, -want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt, -omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt -noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt. - -Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal -gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen, -konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiëvaarder, die op dezelfde -rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak -mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik -heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak -aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het -iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u -dan, om het mij te zeggen?"--"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt, -en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij," -hernam hij.--"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide -ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar -ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden -kan."--"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier -te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet -gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en -dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie -Hollandsche schepen liggen?"--"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam -ik.--"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke -avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te -loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij -in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen -hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg -baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins -scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend! -waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik -ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?" - -Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met -eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij -afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor -goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee -steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks -zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal -men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had -gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke -zaak anders zoudt hebben opgenomen."--"Ik ben nimmer ondankbaar," -antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene -dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij -kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is, -en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord -gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder -dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden -hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?" - -"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen -zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen, -maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan -het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te -Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de -Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar -aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd -hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers -opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet, -dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in -hunne handen vallen." - -"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon -ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene -eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede -zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te -meenen."--"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij, -"uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven -en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra -het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al -ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig -(Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het -verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen -zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."--"Ik -heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit -vergelden?"--"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij -niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets -voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip, -waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is, -zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en -zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de -lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over." - -Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord. -Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij -verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt -ook."--"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het -anker."--"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er -gaande?"--"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk, -en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag -vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon -de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons -echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er -gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons -het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog -niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te -zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt -werd.--"Jagt, door wie?" vroeg ik.--"Door vijf sloepen met volk," zeide -de man.--"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik -liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men -voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te -behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij -antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw -blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden -afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde -verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang -mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te -beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij -ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen -mogten hebben, om onze beschotten open te breken. - -De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter -te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met -geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed -maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene -tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde -vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij -slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden -zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen -vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij -een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en -heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar -zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen. -Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden, -heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij -vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper -konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun -leven liefhadden. - -Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen -spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles -van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen -volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde -kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot -trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor -het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet -te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere -boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren. - -Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de -andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en -wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen -de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te -onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen -geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop -haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit -en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en -wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en -een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad -onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan -niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de -boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den -steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren -geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel -nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot -begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik -hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen -van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan -boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte -drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na -veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij -zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere -drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de -jagt opgaven. - -Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik -verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat -wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen. -Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van -alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere -handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te -ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu -het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had, -niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij -verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens -naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk, -vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch -gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij -in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene -boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen. - -Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van -het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden, -en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip -doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had, -die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee -Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste -gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter, -gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te -verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen -waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te -meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar -hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om -regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder -eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan -het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot -de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens -regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces -opgemaakt te worden. - -Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik -hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen -terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij -verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te -worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten, -zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs -tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn -gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen -zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk -weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te -stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te -verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden, -terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N. -Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het -gewone vaarwater. - -Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de -passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene -lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren, -en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten -ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor -ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons -gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen, -dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte, -waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke -omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief -vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat -staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of -liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan -toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene -kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden, -zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste -soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen -zou hebben. - -Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te -redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo -neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was -geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij -mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat -hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen, -en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen -behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de -zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China -te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en -moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen -voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het -gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij -waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg -voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te -weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen. -Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van -Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen -er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar -dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen -afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des -namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus -zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij -lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met -hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het -echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden -vermijden. - -Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het -noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust -tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs -de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren. -Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners -aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen -in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan -ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo -eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk -tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra -een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid. - -Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij -eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt -op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij -de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo -digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren, -onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en -het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus -het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was, -naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij -den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien -hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen -liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en -in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde -geslagen was en aan den grond zat. - -In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of -twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af, -ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons -vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want -hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd -waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan -de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende, -gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en -wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun -oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip -gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood -toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was -spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben, -schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu -allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te -redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij -eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve -sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons -aan. - -Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene -ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet -wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den -steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat -zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen, -die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip -overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten -konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald, -en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk -aan te pakken als hunne gevangenen. - -De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke -sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te -geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar -hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en -rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en -zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man -onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam -terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij -vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp -weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun -gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man -waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning -en bovendien vrij wat stof tot lagchen. - -Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te -breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken -te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met -kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de -scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten -ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende -goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot, -waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn -brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren, -dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en -riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop -stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en -hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in -de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te -zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord -had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen -schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen -heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het -geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer -hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de -grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb. - -Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen -omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar -vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve -van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en -dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het -dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging -ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden, -daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat -het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is, -noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele -onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al -vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij -kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend -mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin -zal toestemmen. - -Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn -compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind -gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel -verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik -riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem -klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten, -waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst -zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af -waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die -onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar -wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede -varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken, -wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden -morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel -mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord -in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen -afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar -wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was. -Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip -thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij -wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen, -die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts -hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus -N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen -of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder -in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien. - -Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij -naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde -buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder -Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa -bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen. -Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer -eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle -landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel -van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen -verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke -godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen -zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt. - -Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van -de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij -waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo -mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit -land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het -bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever -in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen, -besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen -wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude -Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die -wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop -zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons -thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik -met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste -punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar -zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er -onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz. -voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de -geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede -gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld -even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon -den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij -niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien, -en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen -keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide -de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen -in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte -stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren -doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels -geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang." - -"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of -gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen -gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch -schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans -banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in -staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel -grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en -zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want -ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"--"Neen," -zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der -wetten van hun land zijn."--"Wel," zeide hij, "gij zijt geene -zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam -koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn -gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen -verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man -bespeurde dit dadelijk. - -"Mijnheer!" zeide hij, "het schijnt, dat mijne woorden u eenigzins -verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van -dienst zijn, wat ik kan."--"Het is waar," hernam ik, "ik ben -besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van -zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht -tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts -zwak bemand zijn."--"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er -in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat -er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam -gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip, -dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper -gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan, -nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra -vermoord waren." - -"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den -kapitein vermoord?"--"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij -naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem -aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken, -vermoord hebben."--"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het -zelf gedaan hadden," zeide ik.--"Zeker verdienen zij dien," hervatte de -oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of -Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken -geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen." - -"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten; -hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"--"Het is waar, dat men dit zegt," -hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de -rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord -geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en -daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen, -was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste -goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar -hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen. -Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk -herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen -geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te -hangen,"--"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of -onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"--"Och!" zeide -de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt; -laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken -verdienen niet beter." - -Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad -kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik, -dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche -en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die -Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn, -die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en -menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt -te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te -straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden -doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog -eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de -geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen -mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft." - -Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles -wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het -vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik -zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord -was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren; -maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de -waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo -verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in -onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording -kwam. - -De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij -Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te -verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te -laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het -u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik -zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik -een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij -zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene -Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel -verschaffen.--"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo -goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige -onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn, -dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip -zullen zij hen als schuldig houden."--"Dat is zoo," hernam de oude man, -"maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer -goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak -ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat -zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan." - -Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen -zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig -vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en -ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen -compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden -aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of -haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen -handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen -Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen -gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen -verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik -daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter -geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds -eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan -kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te -gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige -anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water -viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het -anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide: -Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal -aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren -waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen -als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets -zonder geld. - -Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij -waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne -voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op -iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan -weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder -alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand -zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige -Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een -leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle -inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone -uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of -Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden -verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen -verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden -onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen -overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan -boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en -die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige -krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat -wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan -boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die, -naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was -geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen -en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden. -Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne -handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers -waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde -ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die -misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en -Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen -afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of -wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar -onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele -opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek -zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige -zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat -toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze -bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen -moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen -zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen -werd, daarvoor te houden. - -Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik -droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te -dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom -zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik -een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het -beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed -mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou. -Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling. -Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders -daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door -pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en -dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst -van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met -elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles -ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de -gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te -handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of -pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo -behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording -geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor -later gestraft werden. - -Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne -omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig -leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar -iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door -mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen, -vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu -op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest -worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die -begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen. - -Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over -mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor -de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat -ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals -had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk -of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden. - -Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het -besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te -laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen, -die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden. -Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel -bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans -vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze -gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te -fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als -dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen. - -Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze -vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij -gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen, -en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods -en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons -allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last -ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met -dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees, -dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en -een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot -huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote -bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het -schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een -wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor -de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld, -ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen -veilig waren. - -De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige -jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in -China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de -eigenaars zich aan wal bevonden. - -Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met -drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om -de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen -maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman, -vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig -en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees. -Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren -terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de -inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met -hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal -bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden -tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet -verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het -eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren -zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun -verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en -de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij -moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren -doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel. - -Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het -schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het -verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te -wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te -trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met -hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van -dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten -zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te -zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend -bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw, -zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen. - -Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen -vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem -mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk -op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo -naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet -liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."--"O," -antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken; -mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog -niet bekeer?"--"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen -weg over voorprediken?"--"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze -godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier, -als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een -katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide -beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder -elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij -denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had; -doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon -men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij -echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en -vroomheid van dien waardigen geestelijke. - -Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met -aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere -zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij -wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig -handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de -Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te -hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet -wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche -loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij -hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden -prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in -Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf -oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij -op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den -tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de -schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de -zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen -voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons -gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop -zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij -hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren, -om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan -hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en -als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar, -en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede -te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en -dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de -Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan -kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in -Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om -hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik, -bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën -als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de -Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder, -arglistiger en verraderlijker zijn. - -Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij -eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om -naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien -mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en -zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde, -en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde, -maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als -ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland -terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou -afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig -lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten -overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot -ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem -den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer -edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig -schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw -hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in -het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen, -en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading -verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn." - -Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk -een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het -scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan -hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de -andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was -een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem -eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër -zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen -naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen, -waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte -nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was -en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te -verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening, -waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te -krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van -Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar -Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te -gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en -ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans -zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een -schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug. - -Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk -denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas -gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia -liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun -veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren, -want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip -doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen -men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te -steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de -hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit -verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar -ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de -gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed -hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander -zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij -zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar -de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den -Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en -tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige -kerels. - -Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn -vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld -naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer -duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts -te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren, -over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij -allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche -jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te -wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen -hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze -goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij -altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons -vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis -van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel -verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter -niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die -elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat. - -Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek, -hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun -rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen, -dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als -gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd -hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering, -manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo -bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en -domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar -anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke -gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland, -Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van -rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid? -Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze -zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche -rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou -heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige -regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen -als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus -niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al -hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met -hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee -millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en -uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd -leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche -ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand -houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon -worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat -dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China -zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven; -geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger -uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen, -in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben -zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun -kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend, -even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij -derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van -de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een -verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk -een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit -land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen -allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren. -Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich -met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China -kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen -te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en -grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig, -bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne -wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten -iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij -nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en -zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden, -dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op -trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een -bijenzwerm bijeen te houden. - -Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van -al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in -mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar -alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een -zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus -niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame -landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het -tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar -mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts -van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust -om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon -spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling, -die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat -wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon -over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons -dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een -mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene -provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist. -Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat -verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun -levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof, -als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij -levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren -verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des -mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat, -schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter -niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was, -aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder -zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het -gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor -af. - -Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer -bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er -even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft; -ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo -moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De -hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede -overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in -Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben, -begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en -voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is -ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en -in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het -bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve -zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de -wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer -goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers; -maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen -trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend, -vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid -van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk -vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij -een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een -zamenstel van armoede en grootschheid. - -Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol -lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn -Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een -manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan -koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te -drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van -voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons, -gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad -naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden -langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een -dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn -landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd -zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk -men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het -hem zijn zou. - -Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had -hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten -leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten -zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop, -geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk -stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand -den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn -kleed viel. - -Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren, -terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk -een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te -mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij, -die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met -een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen -schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden -op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten. - -Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst -geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat -ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel -paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen -kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men -weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon. - -Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans -zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het -rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men -zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd -door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek -verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik -die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo -de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was. - -Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den -jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had -achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had -slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de -Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op -onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het -land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was -ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij -kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te -zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."--"Mij verheugen," zeide ik, "ik -geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven -kan."--"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken." -Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd -maken?"--"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver, -gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip, -zonder paard, zonder geld."--Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote -karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over -vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het -als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten -terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk -verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik: -"Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"--"Ik heb dezen morgen een -Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en -naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze -heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo -den Wolga af naar Astracan te gaan."--"Kom senhor," zeide ik, "wees niet -ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan -terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet -wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van -dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had -zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen -achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte -Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en -vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren. - -Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods -wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland -zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor -de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze -loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den -Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak -gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven, -ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn -paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne -goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik -zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren, -maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten -terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug -te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe -hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis -was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als -hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom -besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne -gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem -vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon -besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene -toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve -alleen het vervoeren van zijn eigen goed. - -Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons -wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis. -Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in -plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles -gereed was. - -Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn -compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren -binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven -waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te -Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking -gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken -zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen -dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten -wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze -lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond -St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie -kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen -voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of -drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het -geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden. - -De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of -vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed -gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls -door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon -deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na -de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende -natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden -uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen -waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te -zijn. - -Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de -passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als -zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas, -om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en -dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk -er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te -voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel -die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal. - -Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en -lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze -Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend -gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des -lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China -gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga -in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was, -en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.--"Zoo," zeide ik, -"dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een -kameel pakken? Dan wil ik het koopen."--"Op een kameel laden!" riep de -oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig -zielen in." - -Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het -niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch -met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het -porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was -verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe -figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen -waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde -platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het -fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met -goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar -zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de -voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en -volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in -eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze -gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar -donkerzwarte tegels belegd. - -Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder -had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen -besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren, -waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden -bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun -geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is, -mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want -zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van -porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een -onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had, -met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te -voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt -en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen -gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was. -Ik lachte daarom en zeide er niets van. - -Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen -blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer -beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur -geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier -malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om -verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen -oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven, -hoogst noodzakelijk waren. - -Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene -versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk, -dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen -onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij, -dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de -uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn -slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen -even zoo dik. - -Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien, -zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om -hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls -geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide, -dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen -hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield, -maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt -verbloemd."--"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan -de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is -om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen -Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor -Chinees begrijpt u op zijne wijze." - -"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een -leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs -met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een -bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken, -of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van -overblijft?"--"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne -weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later -verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en -hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik -gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer -van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij -ons was. - -Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn, -vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte -dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten -en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door -de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier -hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen -Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij -zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop -onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop -wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten. - -Hunne paarden zijn schraal, zwak, verhongerd en nergens goed voor; dit -ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat -wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van -dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het -noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten, -want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij -loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint, -want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven -altijd bijeen als zij vlugten. - -Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer -veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit -weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van -hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde, -en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om -hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half -kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur -afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons -afgedaan. - -Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij -den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen -dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende, -vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op -hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder -eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij -hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat -zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne -pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder -geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn -geweest. - -Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij -vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna -wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist -aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een -koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens -met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter -geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren, -vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen -in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze -regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij -zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe, -zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een -hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de -derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er -echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand -onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf -gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo -verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet. - -Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de -Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later -bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie -nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater -in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld -door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik -vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit -eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen; -dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend -werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te -beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt -was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken. - -Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen -wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets -kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen -schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen -stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand -hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al -of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren, -vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de -karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af, -maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard -zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten -achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen. - -Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed -niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen -keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde -van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen -(ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een -kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo -als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele -karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een -kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze -dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was -ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de -kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden. - -Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer -naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij, -dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los -opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche -soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten -te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de -kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner -grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar -mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam -ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik -mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan, -toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards), -maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd, -dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet -hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar -mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene -pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders -zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd -het moedigst als er geen gevaar is. - -Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan, -die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende -en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat -hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons -staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde -alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die -hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het -hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme -dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in -den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van -den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn -berijder af en viel op hem. - -Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had, -doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard -op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk -wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de -hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te -doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos, -noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de -oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de -Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods -meester van het slagveld. - -Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit -eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik -op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid -gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand -aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan -mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er -gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel, -maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den -grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag -ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met -zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag, -kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar -hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij -naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts -uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen -ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen -bijkans genezen. - -Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een -kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen -wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald -worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van -die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om -hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na -beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die -met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was. -"Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling -mede."--"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.--"Op des vreemdelings -verzoek," was het antwoord.--"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in -dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in -zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en -hij moet hem betalen." - -Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon -inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne -juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en -zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf -ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst. - -De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het -eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik -verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige -millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen -schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen -werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren -nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van -alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te -verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was -toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel -tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen -van de stad. - -Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur -zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een -escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd -soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd -uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De -driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan, -en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de -geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde -toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te -kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden -dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit. - -Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu -geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij -moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren, -hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en -de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar -niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van -ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene -opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want -zij kwamen naar ons toerijden. - -De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden, -begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een -soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten. -Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij: -"Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met -ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand -houden."--"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij -doen?"--"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken, -en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als -dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal -iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder, -wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten -vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit; -zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene -afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat -zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden. - -In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden -wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst -kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie -reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze -aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide -vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke -ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken, -want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf -zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij -niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt. - -Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den -gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd -kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden, -en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin -negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de -Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het -deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze -stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en -vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden, -want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het -eigenlijke Rusland kwamen. - -Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door -verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die -onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de -grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar -Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun. - -Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in -een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de -wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis -bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van -God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk -den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt. -Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het -volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen -vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën -voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God -aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste -der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en -hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder -Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg, -landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij -zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den -naam van zien."--"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en -duivelaanbidding," zeide ik.--"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in -garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden, -wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste -heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later. - -Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte -vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is. -Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee, -westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend -van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de -Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts -van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er -noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool -noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand -weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen -aanvoeren. - -Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van -eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat -alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen -onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de -groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop -moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet, -dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende -grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog, -geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen -nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie -dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor -zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in -booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker, -dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren -in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar -zeker aan te treffen is. - -Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote -stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al -deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de -noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen -zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat -de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn. - -Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren -den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op -zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet -ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken -van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van -reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel -de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van -het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en -sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik -ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk -de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten. - -Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij -het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren -bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit -eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door -te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de -nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die -alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk -ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als -de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet, -wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren -waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een -driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier -hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de -sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan, -zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij -had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er -doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen, -noch eenige andere ligchaamsdeelen. - -Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag -ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet -zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit -wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even -bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout -waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een -krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof -zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit -monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden -gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want -zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden -drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers -voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van -hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die -de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden. - -Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer -ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel, -aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene -zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met -eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te -zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets, -nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met -vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die -den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid -had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de -natuur zou denken te strijden. - -Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne -oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en -reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met -mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne -horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er -af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw, -wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de -vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik -besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven. - -Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om -zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de -slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik -gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen -mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de -duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe -dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik -slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat -afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat -het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn -kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar -wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"--"Wat," zeide ik, "wel om -Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd -wordt."--"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk -niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en -het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten, -en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen -vechten."--"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan -schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"--"Schriftelijk?" -herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene -letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."--"Welk eene grove -onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen; -misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering -van zulke plompe dingen beneden den mensch is."--"Hoor eens, mijnheer!" -zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar -vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder -de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het -doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur -van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te -eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat -zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren -in het geheele land geven." - -Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik -bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik -mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig -den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak -mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt," -zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij -evenzeer als gij."--"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering -nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van -afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij -deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen -uitleveren."--"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk -een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat -zou uw zekere dood zijn."--"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg -ik.--"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus -behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst -beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon -wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het -afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in -zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van -hunnen afgod."--"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.--"Dezelfde," -zeide hij.--"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop -verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het -geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat -zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en -toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit -dorp even zoo moest gehandeld worden. - -Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van -dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk; -het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het -was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land -rond."--"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden, -en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef." - -Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed, -en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst -zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en -zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij -bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein -Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord -had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven -kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan -mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen. -Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen -bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij -besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen -middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan. - -Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat -de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de -gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven, -als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even -standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een -Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en -pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft, -opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren. - -Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van -brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te -mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben, -gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit. -Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem -van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de -maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in -dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk -scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren, -waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden -aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel -vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het -afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden -toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet -hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld -mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar -toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om -te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg -voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen, -neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen -niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan -zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman, -"wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden, -en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien." - -Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze -brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze -lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst, -wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters -dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe, -knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan -handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden. - -Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander -naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de -derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij -weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den -eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen -op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna -wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de -derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden -hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De -Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat -hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij -daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de -Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen -aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden -zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk -naar ons terug. - -Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens -toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in, -dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij -vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen, -die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij -schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en -als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den -rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder -eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut -gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook -uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het -afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden -wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel -van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol -met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en -behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt. -Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het -viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen -geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en -een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug. -Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond, -plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in. - -Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen, -mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer -had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor -stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen -wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter -zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende -schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod -laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch -verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen. - -Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze -toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders -dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers -verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat -te stellen. - -Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene -ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof -nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de -onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen -van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten -Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het -monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy -waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder -dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel -tot honderdduizend man zouden aangroeijen. - -De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle -goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er -niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten; -dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij -hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft -zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten -Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling -tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige -Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij -hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met -oorlog. - -De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet -wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld -daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de -veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen, -gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien -morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand -daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als -zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar -te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en -diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat -er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand -in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken; -maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden -maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou -houden. - -Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter -bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons, -die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand -vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van -de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en -twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in -een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar -haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij -vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij -ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en -waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons -graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van -Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren -afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd -werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer, -Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de -andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep -paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij -bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening -waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn -getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee -dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat -wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de -rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom, -doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden. - -Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van -ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af. -Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene -zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van -eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was, -zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene -aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag. -Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in -de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte -boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den -nacht aangevallen te zullen worden. - -Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar -de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond -te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als -tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd -werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene -allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee -boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch -anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden -derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze -pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het -riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van -eenige boomen. - -In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze -toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij -overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar -zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van -degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu -verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval, -zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo -niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij -deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders -gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan, -niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten -antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon -hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen -handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden -gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die -hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun, -om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden -vergelden. - -Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden -morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp -opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen, -durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan -bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er -inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel -tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden -zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar -daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene -schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand -onzer eene kwetsuur ontving. - -Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van -achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een -kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van -de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka -terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts -en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te -paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy -wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het -Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop -een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand -had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen -Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den -afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden. - -Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak, -speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat -zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het -scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren -waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen, -noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij -trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen -lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het -gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had. - -Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig -dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het -des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de -karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren; -en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den -nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig -afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen. - -Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden, -want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en -dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men -hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan -dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen -aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde -eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek -komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons -gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn -doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat -wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland -gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te -verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en -zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het -beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er -zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de -bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot -station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik -gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen -koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het -naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was. - -Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa -kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden -vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten -nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere -blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren; -daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne -heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in -onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter -wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne -huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander -onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des -winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in -eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander -loopen. - -Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp -of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol; -bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom, -alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig, -zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt. - -Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan -voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets -bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn -af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste -vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote -woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch -huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood -als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee -dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier -Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch -ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is -het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een -wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als -geheel Duitschland. - -En zelfs hier bespeurde ik nog overal onwetendheid en heidendom, behalve -in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en -de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de -verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in -Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke -ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch -verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de -Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar -al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de -czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen -te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden, -maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik -verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op -gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te -maken. - -Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest, -onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek -aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar -en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen, -behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze -landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de -Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen, -en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten. -Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad -van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed -vertoeven. - -Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter -naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze -zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe -wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet -naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den -winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het, -dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat -zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de -thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en -laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en -zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder -is. - -Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar -Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een -was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar -Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig, -waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen -afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten, -vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was -ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of -Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den -winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus -voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou -veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik -in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken -zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig -levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten -doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter; -de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik -was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik -verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan -doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert; -een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik -nader zal vermelden. - -Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland, -waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel, -het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer -vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te -koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over, -die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden -worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren. - -Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche -manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen -vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer -even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed -huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als -een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook -wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te -doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm -gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in -Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm, -en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook -buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en -hadden nimmer eenigen last van den rook. - -Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap -aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa, -nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar -dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de -staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van -vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten -en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of -Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere -aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang. - -Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter -hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis, -waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange -winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had. -Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen -ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne -lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en -luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel -hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was, -dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch -mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins -zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet, -wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou -ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik -onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had, -dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig -misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn -gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon -zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk -mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en -dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel -voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher, -want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo -ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen. - -Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik -hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland -gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder -mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer -mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat -de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat -hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië -zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin -hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij -aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt -van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden -te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de -geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had -hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd, -gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en -nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de -voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen -geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het -algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig -heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te -bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en -bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te -dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om -de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne -gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld -ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag, -die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan -hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest -hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze -minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid, -eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op -zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten; -terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die -eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons -Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het -gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond, -had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen, -waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij -overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en -hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert, -en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger, -dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en -magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten. - -"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der -omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde -dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken, -zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de -czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige -grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts -terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden -des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van -eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne -gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den -hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven." - -Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen -ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er -was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken. - -Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik -hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat -ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot -veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten -onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over -zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker -grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u -eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.--"Met al mijn hart," antwoordde -hij.--"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik, -"zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te -bevrijden?"--"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige -juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen -geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld -zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te -verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne -bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar -dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den -roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de -genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling; -als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het -bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik -u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen -en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen -verlaten."--"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen -verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de -schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige -gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien -verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet -voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."--"Ja," zeide hij, -"dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins, -gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een -mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen -onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of -kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet -onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen -rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze -fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen -ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen, -maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven -even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen; -eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar, -en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het -noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen." - -Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van -het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had; -gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een -diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als -door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld -werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds -gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken. - -Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de -koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken, -zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te -dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee, -om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie -maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon -het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en -het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te -verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze -paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren. - -Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik, -de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond -hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken, -verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en -buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter -worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn -vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij -echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten -ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om -het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee, -waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het -geheel een zeer goed leven. - -Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans -dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden -gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten, -gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee -te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de -schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als -ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om -met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte -ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene -groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken. -Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te -handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden -te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar -Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug -moesten, vertrokken voor mij. - -Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te -maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze -lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij -hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden, -waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij -goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen. - -Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins, -van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten -antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar -wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den -toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door -sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene -onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene -boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er -mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij -ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken, -langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering -gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat -wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op -eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn -derhalve vergeefs." - -Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene -gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van -Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op, -dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen -ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te -voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En -daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze -van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de -vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon -doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering -Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of -Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden -betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien. - -Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag -mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien, -dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde -dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat -hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik -had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou -zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide: -"Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste -daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in -verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding -is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel -beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij -niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik -daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in -hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte? -Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier -werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles -wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat -ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al -zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan -het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar? -Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij -voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn -antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield, -omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij -niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen -ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem -over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door -den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het -een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om -zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden. - -Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer," -zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is -van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk -eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan -zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd -van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te -bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed, -eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet -zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester -van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als -meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten -zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde -vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden -des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van -de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te -gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou -verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften -en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen -overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn -verleider!" - -Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en -stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem -gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het -zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde -ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest -nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne -kamer. - -Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik -stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam. -"Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald -hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet -ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet -omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u -mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans -mijzelven overwonnen te hebben." - -"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u -niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."--"Ware het eene stem -des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven -hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd -dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het -mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf -man, schoon dan ook een gevangen man." - -Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat -mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij -omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was, -en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk -van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand -in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het -zich niet afslaan. - -Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein -geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes -Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter -niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in -Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam -de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes, -daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de -zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij -door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken. - -Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen -ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem -aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan -had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een -ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel -belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand -anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik -gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen -wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn -antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij, -dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had, -in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd -(Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik -toestemde, om hem zenden zou. - -Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter -daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien -ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven -door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles -hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig -dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven -paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote -waarde waren. - -Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen -prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij -ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij -hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen. - -Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn -hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere -goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en -nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel -verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen -gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming -veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in -zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven -handel. - -In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad, -waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar -zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot -eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit -tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen, -schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer -natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins -ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf -gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen. -Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op -de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op -vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van -konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten -hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de -rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders. - -De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk -een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs -zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den -grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen, -zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en -vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te -ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en -daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de -steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor -liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen -prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet -wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den -nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene -afgesprokene plaats opwachtte. - -Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te -zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en -de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo -veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier -verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de -bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden -misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken, -die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige -plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij -hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer -weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest -heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen -en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in -de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die -door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de -godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige -plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was. - -In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij -meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog -uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep -roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het -zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest -volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan -wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard, -droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij -kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder -ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer -ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons -in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man -in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe -om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten -gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die -men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte -vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of -liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij -zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als -hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij -naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug, -even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne -kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs -hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon -hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts -waren doorgedrongen. - -Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen. -Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen, -die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons -daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik -begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen -zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa -op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche -loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat -hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste -was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest -mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren -of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis -in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd, -dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde -eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs -nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat -eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op -de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd -boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra -wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware -zij afstegen en ons te voet aanvielen. - -Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden -ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den -stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene -onafgebroken verschansing om ons heen vormde. - -Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die -echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren -voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het -niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen -gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter, -naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half -geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los -kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons -hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter -niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan, -zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er -wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij -vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor -zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op -hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten, -waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden -van ons af waren. - -Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de -eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens -eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten -minste twee of drie kogels geladen. - -Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd -roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende, -dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden -vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de -gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon -wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo -buitengewoon verren togt hadden ondernomen. - -Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen, -en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden -doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden, -verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats -te gaan. - -Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het -meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de -toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in -afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt -hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt -hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was -thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf -hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren. -Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie -kwartieruurs van ons verwijderd. - -Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet -ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner -goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde -waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te -moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo -vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de -haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was -woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou -boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en -hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed. - -De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het -gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling -hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in -beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij -dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij -in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en -hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en -met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den -volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de -lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere, -geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad -konden bereiken, of wel het einde der woestijn. - -De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen -wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in -den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier -Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden -kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven -zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen -vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed -begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder -eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij -onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of -achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene -onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het -mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten -beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn -leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer -over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons -dadelijk gereed om het uit te voeren. - -In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in -onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou -kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog -waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de -sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden -wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds -vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster -rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was. - -Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te -worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan -op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den -volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen -afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden. -Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust -hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren -voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden -morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven -ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene -goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd -Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of -horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar -voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen -was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij -rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon -en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de -waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide. - -Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in -de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te -land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij -den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en -namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen -den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na -een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder -begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk. - -Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te -wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een -Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was; -na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor -onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en -na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk, -dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden. -Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen -te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar -hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van -Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben. - -Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig -merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn -compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen -te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na -het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel -drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien -schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en -onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder -begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten, -die ik te Bengalen gekocht had. - -Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich -naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te -zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns -vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde -betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor -de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg. - -Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had, -reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de -pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705, -na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest. - -En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te -bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans -tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze -afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen, -en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten. - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - -***** This file should be named 41429-8.txt or 41429-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41429/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/41429-8.zip b/41429-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 4713c54..0000000 --- a/41429-8.zip +++ /dev/null diff --git a/41429-h.zip b/41429-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 95b2c76..0000000 --- a/41429-h.zip +++ /dev/null diff --git a/41429-h/41429-h.htm b/41429-h/41429-h.htm index 9e0566d..e29572f 100644 --- a/41429-h/41429-h.htm +++ b/41429-h/41429-h.htm @@ -94,9 +94,9 @@ v:link {color: #800000; text-decoration: none; } </style> </head> <body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 ***</div> -<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 ***</div> @@ -9014,7 +9014,7 @@ en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten.</p> -<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 ***</div> +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 41429 ***</div> </body> </html> diff --git a/41429.json b/41429.json deleted file mode 100644 index f0a1809..0000000 --- a/41429.json +++ /dev/null @@ -1,5 +0,0 @@ -{
- "DATA": {
- "CREDIT": "Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe (Images generously made available by the Hathi Trust)"
- }
-}
diff --git a/old/41429-8.txt b/old/41429-8.txt deleted file mode 100644 index bffeb0d..0000000 --- a/old/41429-8.txt +++ /dev/null @@ -1,8935 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41429] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - -HET LEVEN - -EN - -DE LOTGEVALLEN - -VAN - -ROBINSON CRUSOE, - -DOOR - -DANIËL DE FOE. - - -TWEEDE DEEL. - -OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD. - - -TE AMSTERDAM, BIJ - -J.F. SCHLEIJER. - -1843 - - - - -HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN - -van - -ROBINSON CRUSOE. - - - - -Lezers, ons gewone Engelsche spreekwoord, dat wat in het gebeente zit, -niet uit het vleesch zal gaan, werd bij niemand meer dan bij mij -bevestigd. Iedereen zou denken, dat na vijf en dertig jaren vol -rampspoed en eene menigte ongelukken, zoo als zelden of nooit iemand -ondervond, en na bijkans zeven jaren rust en welvaart in alle opzigten -genoten te hebben; en nu ik oud was, en zoo goed als iemand zeggen mogt, -in mijne mannelijke jaren ondervinding opgedaan te hebben, ik zeg, na -dit alles zou men denken, dat de zucht tot zwerven, die, gelijk ik -verhaald heb, mij aangeboren was, wel zou uitgebluscht zijn, en ik op -mijn een en zestigste jaar weinig lust kon hebben mijn vaderland te -verlaten en mijn leven en bezittingen op nieuw in gevaar te stellen. - -Wat meer is, ik had geene reden meer om buitenlandsche avonturen te -zoeken; want ik behoefde mijne fortuin niet meer te maken. Al had ik -tienduizend Pond St. verdiend, ik zou er niet rijker om geweest zijn, -want ik bezat reeds genoeg voor mij en voor hen, dien ik het nalaten -zou; en het vermeerderde nog dagelijks; want daar ik een kleine familie -had, kon ik mijne inkomsten niet verteren, of ik had eene andere -levenswijze moeten aannemen; zoo als een groot huishouden opzetten, -knechts en paarden houden, gastmalen geven, en zoo voorts; dingen, -waarvan ik geen verstand, noch lust toe had; zoodat ik slechts behoefde -stil te zitten en te genieten wat ik had, om dit nog dagelijks onder -mijne handen te zien aangroeijen. - -Dit alles maakte echter geen indruk op mij, althans niet genoeg om mij -den lust te benemen, om weder buiten 's lands te gaan, dat eene -aangeboren kwaal bij mij scheen te zijn; vooral maalde mij de begeerte, -mijn eiland en de kolonie, die ik daar achtergelaten had, weder te zien, -mij gestadig door het hoofd. Des nachts droomde ik er van, en over dag -peinsde ik er gestadig over, tot dat mijne verbeelding zoo werd, dat ik -in mijn slaap er over sprak. Kortom, niets kon dit mij uit het gemoed -zetten; en het werd daardoor zelfs lastig met mij om te gaan, want ik -kon nergens anders over spreken, maar had er, tot walgens toe, altijd -den mond vol van. - -Ik heb dikwijls verstandige lieden hooren zeggen, dat al wat men lieden -van spoken of geesten hoort verhalen, alleen zijn oorsprong heeft in -hunne eigene sterk gespannen verbeelding; dat er geesten noch spoken -verschijnen, maar dat men door gestadig aan afgestorvenen te denken, zoo -ver komt van zich eindelijk te verbeelden, dat men die bij buitengewone -gelegenheden ziet, met hun spreekt en antwoord ontvangt; terwijl alles -slechts ijdelheid, bedrog en zelfbegoocheling is. - -Wat mij betreft, ik weet niet dat er spoken zijn, of dat er in de -spookgeschiedenissen, die men hoort, iets anders dan de werking eener -verhitte verbeeldingskracht is; maar dit weet ik, dat mijne verbeelding -zoo gaande raakte, dat ik mij somtijds verbeelden kon op het eiland, in -mijn oud kasteel achter het geboomte te zijn; dan zag ik mijn ouden -Spanjaard, Vrijdags vader, en de schelmsche matrozen, die er achter -gebleven waren; soms verbeeldde ik mij, dat ik met hen sprak; en daar -dit niet in mijn slaap, maar als ik wakker was, gebeurde, werd ik -eindelijk bevreesd hoe dit alles zou afloopen. Eens in mijn slaap -verbeeldde ik mij duidelijk, dat de oude Spanjaard en Vrijdags vader mij -de slechtheid der drie matrozen verhaalden, zij vertelden hoe deze al de -overige Spanjaarden hadden willen vermoorden, en zij hunnen voorraad van -levensmiddelen hadden in brand gestoken, om hen te laten verhongeren; -dingen, waarvan ik nooit gehoord had, en die ook later bleken onwaar te -zijn. Dit alles stond mij zoo levendig voor den geest, dat ik niet -anders dacht of het was waarlijk zoo; ook hoe ik op de aanklagt der -Spanjaards dit bestrafte, hen voor mij als regter daagde, en alle drie -veroordeelde om opgehangen te worden. Wat hiervan waarheid is zal men -later zien, hoezeer dit was, moet ik zeggen, zeer veel. Wel was er niets -letterlijk zoo gebeurd als in mijn droom, maar toch had het slechte -gedrag der schelmen veel overeenkomst daarmede, en zoo wel als ik hen -naderhand gestreng wilde straffen, had ik hen toen kunnen laten -ophangen, en zou gelijk gehad hebben, en mijn gedrag door Goddelijke en -menschelijke wetten te regtvaardigen geweest zijn. Doch ik keer tot -mijne geschiedenis terug. - -Ik had in deze gemoedsgesteldheid nu eenige jaren geleefd. Ik had geen -genot van mijn leven; niets was er, dat mij vermaak verschafte, of dit -werd hierdoor getemperd; zoodat mijne vrouw, die bespeurde hoezeer mijn -hart mij derwaarts trok, mij op zekeren avond ernstig onder het oog -bragt, hoe zij het voor een geheimen aandrang der Voorzienigheid hield, -die besloten had, dat ik derwaarts zou gaan; en dat zij vond, dat mij -niets hierin verhinderde dan mijne gehechtheid aan vrouw en kinderen. -Zij zeide, dat zij, wel is waar, er niet aan denken kon van mij te -scheiden, maar dat zij zich verzekerd hield, dat het het eerste zijn -zou, wat ik na haren dood deed, dat zij dus, daar het des Hemels wil -scheen te zijn, niet de eenigste hinderpaal wilde zijn. Want dat als ik -besloten had te gaan.... Hier hield zij in verwarring op, om dat zij -zag, dat ik met een zeer ernstig gelaat naar haar luisterde. Ik vroeg -haar waarom zij niet voortging en zeide wat haar op het hart lag. Maar -ik bemerkte, dat haar hart te vol was, en dat de tranen haar in de oogen -kwamen.--"Spreek verder, mijn beste," zeide ik, "verlangt gij, dat ik -gaan zoude?"--"Neen," zeide zij, "verre vandaar. Maar zoo gij er toe -besloten hebt, wil ik, liever dan de eenigste hinderpaal te zijn, u -vergezellen; want schoon het eene ontzettende onderneming voor iemand -van uwe jaren is, zoo wil ik echter, als het zijn moet," vervolgde zij -weenende, "u niet verlaten. Want is het des Hemels wil, dan moet gij het -doen, en zoo de Hemel wil, dat gij gaat, zal hij mij ook sterken om u te -vergezellen, of maken, dat ik niet langer een hinderpaal daar tegen -ben!" - -Dit liefderijk gedrag mijner vrouw bragt mij een weinig tot andere -gedachten, en ik begon over mijn voornemen na te denken. Ik beteugelde -mijne verhitte verbeelding, en vroeg mij zelven af, wat ik, die zestig -jaren oud was, na zulk een leven vol ongevallen en lijden, dat op zulk -eene gelukkige wijze afgeloopen was, wat ik nog noodig had nieuwe -gevaren te zoeken en avonturen, die alleen geschikt zijn voor jeugd en -armoede. - -Bovendien overwoog ik welke nieuwe betrekkingen ik had, dat ik eene -vrouw en een kind had, en weldra een tweede mogt verwachten; dat ik -alles bezat wat de wereld mij verschaffen kon, en niet noodig had -gevaren te zoeken, om eenig geld te verdienen; dat ik oud begon te -worden, en eerder denken moest datgene, wat ik gewonnen had, te -verlaten, dan te trachten het te vermeerderen. Met hetgeen mijne vrouw -gezegd had, dat het de wil des Hemels zijn kon, kon ik mij niet -vereenigen; zoodat ik na veel weifelen eindelijk mijn voornemen opgaf, -en mij zelven daartoe overreden met de gronden, die mij voor den geest -kwamen. Als het beste middel daartegen echter, besloot ik eenige -bezigheden aan te vangen, die mij in het vervolg voor soortgelijke -buitensporigheden zouden behoeden; want ik ondervond, dat dit verlangen -mij meestal bekroop als ik niets te doen, noch iets van belang te -wachten had. - -Te dien einde kocht ik een boerenplaats in het graafschap Bedford, en -besloot mij daar neder te zetten. Er stond een klein, gemakkelijk huis -op, en ik bevond, dat het daarbij behoorende land voor veel verbetering -vatbaar was, iets, wat zeer met mijne neiging strookte, want land -ontginnen, planten en bouwen was mijn lust; en daar het binnen in het -land lag, was ik buiten allen omgang met schippers en schepen, en -dingen, die tot andere werelddeelen betrekking hebben. Ik ging dan met -mijn gezin mijne boerderij betrekken, kocht ploegen, eggen, een kar, een -wagen, paarden, koeijen, schapen, en ging ijverig aan het werk, zoodat -ik binnen een half jaar een volslagen landedelman was geworden. Mijne -gedachten waren uitsluitend gevestigd op mijne knechts, het bouwen en -planten, enz., en ik leidde, naar mij dacht, het aangenaamste leven, -waartoe iemand, die altijd tot ongelukken bestemd was, in staat was. - -Ik bouwde mijn eigen land, behoefde geen pacht te betalen, en kon in -alles mijn eigen hoofd volgen, bouwen of afbreken, naar ik goedvond. Wat -ik kweekte was voor mij, wat ik verbeterde was voor mijn gezin, en toen -al mijne neiging tot zwerven mij verlaten scheen te hebben, was er niets -in mijn leven, dat mij kwelde. Nu meende ik tot dien staat gekomen te -zijn, dien mijn vader mij zoo ernstig aangeraden had, die levenswijze, -die de dichter noemt: "bevrijd van ondeugden en smarten; waar de -ouderdom geene zorgen, de jeugd geene valstrikken kent." - -Maar te midden van dit geluk werd het door eene beschikking der -Voorzienigheid mij op eens ontnomen. Deze slag trof mij, mag ik zeggen, -tot in mijn binnenste, en deed mijn lust tot zwerven weder ontwaken, die -mij ingeschapen zijnde, als eene ziekte met onweerstaanbare kracht mij -weder overviel, zoo dat ik tot niets meer geschikt was. Deze slag was de -dood mijner vrouw. Ik wil hier geene lofrede op haar houden, of hare -deugden in het bijzonder opsommen. Zij was de steun van al mijne -verrigtingen; het middenpunt van al mijne ondernemingen; de wijze -raadsvrouw, die mij van de heillooze voornemens, die mij steeds door het -hoofd maalden, wist af te houden; en die hiertoe meer deed dan mijn -moeders tranen, mijn vaders wijze lessen, vriendenraad en mijn eigen -gezond verstand ooit vermogten. Ik was gelukkig als ik naar hare -smeekingen luisterde en aan hare tranen toegaf; en uiterst rampzalig en -van alles beroofd door haren dood. - -Toen ik haar verloren had, was de wereld mij een walg; in mijn vaderland -achtte ik mij evenzeer een vreemdeling als in Brazilië, toen ik daar het -eerst aan wal stapte; en even verlaten, met uitzondering van de hulp van -knechts, als op mijn eiland. Ik zag iedereen rondom mij bezig; de een -zwoegde voor zijn brood, de ander verspilde zijn geld in lage -losbandigheden of ijdele vermaken; en beide even ongelukkig, omdat zij -hun doel niet konden bereiken; want dagelijks walgden de najagers van -het vermaak meer van hunne genoegens, en zamelden steeds meer redenen -tot ellende en naberouw; terwijl de arme dagelijks zwoegde om een -schamel stuk brood te verwerven, levende in eenen gedurigen kring van -zorg en kommer, en alleen om zooveel te verdienen, dat zij niet van -gebrek omkwamen. - -Dit bragt mij mijne levenswijze en mijn koningrijk, mijn eiland, weder -te binnen, waar ik geen meer graan kweekte, omdat ik niet meer noodig -had; waar ik geen meer geiten aanfokte, daar ik geen meer gebruiken kon; -waar het geld lag te beschimmelen, en naauwelijks eens in twintig jaren -met eenen blik verwaardigd werd. Zoo ik uit deze bedenkingen het regte -nut getrokken had, gelijk ik had moeten doen, en rede en godsdienst mij -leerden, zouden zij mij geleerd hebben naar een volmaakter geluk te -trachten, dan de genoegens des levens mij konden verschaffen; en dat er -een doel van ons bestaan was, dat men aan deze zijde des grafs bereiken, -althans er naar streven konde. Doch mijne wijze raadgeefster was -verdwenen; ik was als een schip zonder loods, dat zich door den wind op -goed geluk laat voortdrijven. Mijne gedachten waren steeds bij mijne -vroegere verrigtingen en op vreemde avonturen gevestigd. De schuldelooze -genoegens van mijn akker- en tuinbouw en huisgezin, die mij vroeger -geheel bezig hielden, waren thans voor mij als muzijk voor een doove, en -lekkernijen voor iemand, die geen smaak heeft. Ik besloot eindelijk -mijne huishouding op te breken, mijn goed te verkoopen, en naar Londen -te gaan, gelijk ik weinige maanden daarna deed. - -Te Londen was ik even onrustig als vroeger, de plaats beviel mij niet; -ik had er niets te doen dan rond te slenteren, als een luiaard, van wien -men zeggen kon, dat hij op Gods aardbodem van geen het minste nut is, en -het iedereen onverschillig is of hij leeft of dood is. Dit was mij al -mijn leven de onaangenaamste toestand, daar ik altijd aan een werkzaam -leven gewoon geweest was, en dikwijls zeide ik tot mijzelven: "een lui -leven is een ellendig leven," en waarlijk ik begreep, dat ik mijn tijd -veel beter besteed had, toen ik zes en twintig dagen werkte, om eene -plank te maken. - -In het begin van 1698 kwam mijn neef, dien ik, gelijk ik verhaald heb, -naar zee gezonden en kapitein gemaakt had op een schip, terug van een -reisje naar Bilbao. Hij kwam bij mij en verhaalde, dat eenige kooplieden -van zijne kennis hem voorgesteld hadden, voor hen een reis naar -Oost-Indië en China te doen. "En als gij nu mede wilt gaan, oom," zeide -hij, "verbind ik mij u aan uw oud verblijf op het eiland aan land te -zetten, want wij zullen Brazilië aandoen." - -Mijn neef wist niet hoe mijn zucht tot reizen weder bij mij ontwaakt -was, en ik niets van hetgeen hij mij wilde voorslaan; doch dien zelfden -morgen had ik, na alles overwogen te hebben, het besluit genomen van -naar Lissabon te gaan, om met mijn ouden kapitein te raadplegen, en als -het verstandig en uitvoerbaar was, mijn eiland weder te gaan opzoeken, -en zien wat er van het volk daarop geworden was. Het denkbeeld streelde -mij van de plaats te bevolken, inboorlingen van hier derwaarts over te -brengen; en een octrooi of acte te verkrijgen, waarbij het mij wettig -toegewezen werd; toen juist mijn neef inkwam met zijn voorslag, mij -daarheen te brengen op zijne reis naar Oost-Indië. - -Ik zweeg eenigen tijd, terwijl ik hem strak aanzag. "Wie duivel heeft u -die ongelukkige boodschap ingegeven?" vroeg ik. Mijn neef ontzette op -deze vraag, maar ziende, dat hij er mij niet mede mishaagde, zeide hij: -"Ik hoop, dat het geen ongelukkige voorslag zal geweest zijn, oom. Ik -dacht, dat gij verlangde uwe nieuwe kolonie te zien, waar gij eens -gelukkiger regeerde dan de meeste uwer broeders, de koningen en vorsten, -in hunne rijken doen." - -Het voorstel strookte zoo zeer met mijn verlangen, dat ik hem met korte -woorden zeide, dat ik mede zou gaan, als de andere kooplieden er in -toestemden. "Maar ik beloof u niet verder dan mijn eiland mede te gaan," -zeide ik.--"Wel oom! ik hoop toch niet, dat gij daar zult willen -achterblijven," hernam hij.--"Kunt gij mij op de tehuisreis niet weder -afhalen?" hervatte ik.--"Dat zou onmogelijk zijn," zeide hij, "want de -reeders zouden nimmer toestaan, dat een zoo rijkgeladen schip zulk een -omweg maakte, daar misschien een, misschien drie of vier maanden mede -konden heengaan. Bovendien, als ik schipbreuk leed," voegde hij er bij, -"en in het geheel niet terugkeerde, zoudt gij u in denzelfden toestand -als vroeger bevinden." - -Dit was verstandig gesproken, maar wij vonden er spoedig een middel op, -namelijk om een uit elkander genomen sloepscheepje aan boord te nemen, -dat door eenige timmerlieden, die wij zouden medenemen, op het eiland -ineengezet, en in weinige dagen klaar kon zijn, om zee te bouwen. Ik -bleef dan ook niet lang besluiteloos, want het verlangen van mijnen neef -en het mijne stemden volkomen overeen. Daar aan den anderen kant mijne -vrouw dood was, was er niemand, die mij raad kon geven dan mijne oude -vriendin, de weduwe, die mij ernstig smeekte mijne jaren, mijne -onbekrompen omstandigheden, de gevaren eener lange reis, en bovenal -mijne nog zoo jonge kinderen te bedenken. Doch niets baatte; ik had zulk -eene begeerte die reis te doen, dat ik haar zeide, dat mijn geest er zoo -mede vervuld was, dat ik geloofde de Voorzienigheid tegen te streven, -zoo ik te huis bleef. Zij berustte er dus in, en verleende mij hulp niet -alleen voor mijne uitrusting, maar ook voor het schikken mijner zaken en -de opvoeding mijner kinderen, gedurende mijne afwezigheid. Ik maakte -mijn testament, en zoodanige beschikkingen, dat ik volmaakt gerust was, -dat mijne kinderen na mijn dood ontvangen zouden wat hun toekwam. Hunne -opvoeding liet ik geheel aan de weduwe over, met genoegzamen onderstand, -om haar voor alle gebrek te vrijwaren. Dit alles verdiende zij dubbel, -want geen moeder kon beter voor hunne opvoeding bezorgd of geschikt -geweest zijn; en daar zij bij mijne tehuiskomst nog leefde, mogt ik haar -daarvoor nog mijne dankbaarheid bewijzen. - -Mijn neef was in het begin van Januarij 1694 zeilree, en ik ging met -Vrijdag den 8sten aan boord te Duins, hebbende behalve de sloep, eene -groote lading van allerlei noodwendigheden voor mijne kolonie, die ik -besloot in eenen goeden staat te verlaten, als ik ze daarin niet -aantrof. In de eerste plaats nam ik eenige lieden mede, die ik daar als -kolonisten wilde achterlaten, althans voor mij gedurende mijn verblijf -aldaar laten werken, en ze achterlaten of medenemen, naar zij zouden -verkiezen; vooral had ik twee timmerlieden, een smid, en een zeer -handige, vlugge knaap, die eigenlijk een kuiper van beroep was, maar -allerlei werktuigen kon maken en uitdenken. Hij was een goed -wieldraaijer, en kon handmolens maken, om koren te malen, en kon van -klei of hout alles maken, wat men wilde. Aan boord noemde men hem altijd -de duizendkunstenaar. - -Bovendien nam ik een kleermaker mede, die als passagier naar Oost-Indië -wilde gaan, maar naderhand er in toestemde, in mijne kolonie te blijven, -en die, gelijk later bleek, een onontbeerlijke en vlugge knaap was in -vele opzigten buiten zijn beroep; want de noodzakelijkheid is de moeder -van vele kunsten. - -Mijne lading bestond, voor zoo ver ik onthouden heb, want ik heb er -geene lijst meer van, uit genoegzaam linnen en ligt Engelsch laken, om -al de Spanjaards, die ik daar verwachtte te vinden, te kleeden, en zoo -veel als naar mijne rekening voor zeven jaren voor hen genoeg was. Als -ik het wel heb, kostten de stoffen voor kleeding, met handschoenen, -hoeden, kousen en schoenen daaronder begrepen, meer dan tweehonderd Pond -St. Hieronder was ook begrepen eenige bedden, beddegoed en -huishoudelijk goed, vooral keukengereedschappen, ketels, potten en -pannen, enz., terwijl ik nog een honderd pond uitgaf voor ijzerwerk, -spijkers en allerlei gereedschappen, krammen, schroeven, hengsels en al -wat ik bedenken kon. - -Ik nam ook een honderd wapens, geweren en pistolen, een groote menigte -hagel van allerlei grootte, eenige duizend ponden lood en twee koperen -stukjes geschut, en daar ik niet wist wat er te eeniger tijd gebeuren -kon, een honderd vaatjes kruid, met sabels en houwers, en het ijzer van -eenige pieken en hellebaarden, zoo dat wij, om kort te gaan, een -magazijn van allerlei goederen hadden, en ik deed mijn neef twee -halfdek-stukjes meer medenemen dan hij noodig had, om die daar te kunnen -laten, en zoo het noodig was daar een fort te kunnen bouwen en tegen -allerlei vijanden te kunnen verdedigen. Ik dacht ook in het eerst, dat -wij dit alles en nog meer zouden noodig hebben, om ons in het bezit van -het eiland te handhaven, gelijk men in den loop van mijn verhaal zien -zal. - -Op deze reis trof ik zoo veel tegenspoed niet, als ik gewoon was, en -derhalve zal ik den lezer, die misschien naar nieuws uit mijne kolonie -verlangt, minder ophouden; echter troffen wij bij onze uitreis eenige -ongevallen, als slecht weder en tegenwind, dat onze reis langer maakte -dan ik eerst gedacht had, en ik, die slechts eens in mijn leven eene -reis gedaan had, die goed afliep, namelijk mijne eerste reis naar -Guinea, begon te denken, dat hetzelfde onheil mij toefde, en dat ik -geboren was om aan wal nimmer tevreden en op zee altijd ongelukkig te -zijn. - -Tegenwinden sloegen ons noordwaarts heen, en wij waren verpligt te -Galway, in Ierland, binnen te loopen, waar wij twee en twintig dagen -moesten blijven. Wij troffen hier echter dit geluk, dat de -levensmiddelen er zeer goedkoop en overvloedig waren, zoodat wij al dien -tijd nimmer den scheepsvoorraad behoefden aan te spreken, maar dien nog -vermeerderden. Ik kocht hier nog twee koeijen, die kalven moesten, met -oogmerk, die bij een gelukkige overtogt, op mijn eiland aan wal te -zetten, maar zij kwamen ons naderhand anders te pas. - -Den 5den Februarij verlieten wij Ierland, en hadden eenige dagen zwaren -wind. Als ik het wel heb, was het den 20sten februarij, laat in den -avond, dat de stuurman, die toen de wacht had, in de kajuit kwam, en ons -zeide, dat hij een flikkering van vuur gezien en een schot gehoord had, -en terwijl hij het ons verhaalde, kwam een jongen met het berigt, dat de -bootsman een tweede gehoord had. Dit deed ons allen naar het halfdek -gaan, waar wij eerst niets hoorden, maar eenige minuten later zagen wij -een groot licht, en bemerkten, dat het een vreesselijke brand in de -verte was. Onmiddellijk maakten wij allen ons bestek op, en kwamen -daarin overeen, dat er dien kant uit, waar het vuur zigtbaar was, geen -land zijn kon op geen vijfhonderd mijlen, want wij zagen het in het -W.N.W. Hierop besloten wij, dat het een schip op zee moest zijn, dat in -brand stond, en dat het, daar wij even te voren het schieten gehoord -hadden, niet ver af zijn kon. Wij hielden er dus regt op aan, en zagen -spoedig, dat wij vinden zouden wat het was, daar het licht steeds -grooter werd, naarmate wij verder zeilden, schoon, daar het nevelachtig -weder was, wij eene poos niets anders dan het licht konden zien. Na -verloop van een half uur konden wij, daar wij vlak voor den wind -zeilden, ofschoon die niet stevig was, toen het weder wat opklaarde, -zien, dat het een schip was, dat midden in zee in brand stond. Hoezeer -ik niet wist wie er op waren, trof deze ramp mij allerhevigst. Ik -herinnerde mij mijn vroegere lotgevallen, en in welken toestand ik door -den Portugeeschen kapitein opgenomen was, en in hoe veel beklagelijker -toestand de arme schepsels daar aan boord moesten zijn, zoo zij niet met -een ander schip in gezelschap zeilden. Ik gelastte dadelijk vijf schoten -spoedig achter elkander te doen, om hun, zoo mogelijk, te kennen te -geven, dat er hulp voor hen opdaagde, en dat zij trachten moesten zich -in de boot te redden, want schoon wij de vlam van het schip zien konden, -konden zij ons echter niet gewaar worden. - -Eenigen tijd maakten wij een bijlegger en dreven even als het andere -schip dreef, in afwachting dat het daglicht zou doorkomen, toen -plotseling, tot onzen grooten schrik, schoon wij dit hadden kunnen -verwachten, het schip in de lucht vloog, en onmiddellijk, dat wil -zeggen weinige minuten daarna, was al het vuur uit, want het wrak zonk. -Dat was een verschrikkelijk en inderdaad bedroevend gezigt, om de arme -menschen, die ik begreep, dat allen met het schip moesten vergaan, of in -den uitersten angst zijn in het midden van den oceaan in hunne booten, -die wij thans niet zien konden. Om hun echter den weg te wijzen, deed ik -op alle plaatsen van het schip zooveel lantarens hangen als wij hadden, -en wij bleven den geheelen nacht schoten doen, om hun te doen weten, dat -wij niet ver af waren. - -Tegen acht ure des morgens ontdekten wij door onze kijkers de -scheepsbooten, en zagen, dat er twee waren, die opgepropt met volk en -zeer diep geladen waren. Wij bespeurden, dat zij roeiden, daar de wind -tegen was, dat zij ons schip zagen en hun uiterste best deden, dat wij -hen zouden zien. Wij heschen dadelijk onze vlag, ten teeken dat wij hen -zagen, zetten meer zeil bij en hielden regt op hen aan. Binnen een half -uur hadden wij hen bereikt en namen hen allen aan boord, ten getale van -niet minder dan vierenzestig, mannen, vrouwen en kinderen, want er waren -veel passagiers. - -Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van -Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het -breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de -stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar -nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk -iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken -gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen, -dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de -inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim -verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had. - -Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer -groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog -een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water -en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij -hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle -land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten, -waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat -zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden -zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers -te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij -hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van -gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf -dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt -had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te -bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat -zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog -veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden, -van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden -opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered -waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten. - -De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner -beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen -wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door -nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen, -zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en -verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de -nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten -hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den -wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen -tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten -gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden. - -Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en -ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door -had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen, -ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten -zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden. - -Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de -verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich -overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te -drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en -tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de -eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van -vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met -zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden, -alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen -krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen -handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten, -anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen -woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen -in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God. - -Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen -dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die -niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en -slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd. -Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken -landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger, -hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan -die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te -bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De -verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij -zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing -van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de -schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er -eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn -leven zag, haalde er eenigzins bij. - -Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij -verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon -bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die -het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was, -danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een -oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen -van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten -daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en -zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen -weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee, -of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was -onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten. - -Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en -wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij -aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder, -terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor -diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan -boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem -eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te -verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat -ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier -daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep -hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje -in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor -roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide, -dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval -was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem -een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en -den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn -volle verstand. - -De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een -voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan -boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor -zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig -stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak -bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne -bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te -laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen. - -Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet -alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef -ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe, -gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en -met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere -ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet -behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien -had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit -slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en -menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als -zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot -werktuigen zijner barmhartigheid te maken. - -Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte -hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene -buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de -meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om -dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt, -dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten; -want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het -bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat -of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over -alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als -bij droefheid en leed. - -Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag -eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven, -zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen -hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den -volgenden dag geheel andere menschen. - -Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun -bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het -algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen -den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen -kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen -zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered -hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze -dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige -zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en -dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te -bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden, -vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn -neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan -te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is, -in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche -kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne -bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of -in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan -aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen -beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger. - -Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in -zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens -onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken -toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan -hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben -gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij -hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en -dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand -gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot -over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen -naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om -hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun -niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was -inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want -ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts -heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus -beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te -veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders -verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar -Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel -mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande -West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of -Frankrijk te verschaffen. - -Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat -zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer -ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien -mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien -ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans -tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik -waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om -hen naar Canada terug te brengen. - -Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne -toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te -nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn -zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze -proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag, -dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet -te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten -van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen -toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand -vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal -zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en -weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou -brengen. - -De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er -reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene -gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden -verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die -van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten -opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van -levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was -omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland -bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten -overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar -Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden -bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van -wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons -verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal -gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik -hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg -blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel -nut hadden. - -Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks -twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij -nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even -jammerlijk als de vorige. - -Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat -in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip -was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken. -Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en -boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder -was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig -konden wij het praaijen. - -Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch -dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken -storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en -opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van -den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen. -Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een -vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten -hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden. -Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen -weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het -Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene -soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden -bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de -Kanarische eilanden te bereiken. - -Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit -gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun -brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij -hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half -vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij -eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven -vaatjes rum. - -Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als -passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder -zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en -daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog -jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf -zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en -deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is. - -Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij -niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De -tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan -boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers -hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof -zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen -niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde -hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."--Wij zochten onmiddellijk -zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met -mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden -wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om -voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet -noodzakelijk. - -Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te -veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die -thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme -lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks -op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half -verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit -had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde -hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den -derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor -maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel, -volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd -hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten -voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren -zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen -konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in -levensgevaar waren. - -De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het -verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar -ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen -bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren -verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den -jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit -mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de -groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje -namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en -die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel -verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep -hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij -derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de -kajuit liggen. - -Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te -verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven -was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf -man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken -ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het -vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de -wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was -door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een -klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van -het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen -hun tot behoud van hun leven gegeven werd. - -Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien -in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen -te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en -de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman -had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op -de been zou brengen. - -Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide, -verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou -opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein, -gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan -boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den -ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en -deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht -hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te -hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter -eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een -stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen -bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch -niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en -hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven, -zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het -vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor -eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de -eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen -eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed. - -Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen -aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk -zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld, -en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven -dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene -dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman, -eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij -krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder -bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij -op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde -stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel -dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en -aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond. -Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij -verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het -voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat -hij daarvoor maar moest zorgen. - -De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen -te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen -doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter -te laat; zij stierf nog denzelfden nacht. - -De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was -nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en -gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden -handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij -echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem -langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij, -toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer -ongesteld werd en het niet kon binnenhouden. - -De dienstmaagd vereischte thans ook onze zorg. Zij lag digt bij hare -meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte -getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren -verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel -geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare -andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot -der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een -vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en -verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons -naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen -te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder -beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen -onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar -met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder -zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand -gekrenkt was. - -De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men -op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te -land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats -blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij -te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige -dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil -voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren -had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng -op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te -zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een -bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek, -twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen -konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten -suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen -daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd -met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen. - -De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede, -verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner -moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn -vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak -bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige -kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de -waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de -arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al -ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de -honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch -regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden -onvatbaar. - -De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die -hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even -ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de -wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar -hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk -ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had -mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd, -dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof, -ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook -waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik -er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen; -behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de -jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene -verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren -heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings -zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al -de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof, -dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te -Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo -ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den -eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek -en had schade in het hol, toen wij het aantroffen. - -Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft, -eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad. -Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind -en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden, -dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam. -Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik -vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van -Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland, -en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik -het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet. - -Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan -in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door -onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was; -namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde -meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of -liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond -dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland -kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar -eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan -onzen kant woonden. - -Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat -onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige -Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen -ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep -hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar -parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad, -dat op 10° of 11° verder noordelijk lag. - -Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip, -en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt -vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik -eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk -waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de -kleine kreek, waar mijne oude woning was. - -Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar -hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit: -"O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en -danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite, -hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen. - -"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden -of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene -poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een -treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen. -"Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij -denkelijk uw vader zult zien?"--"Neen, neen," zeide hij, het hoofd -schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."--"Waarom?" -zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"--"O neen," zeide Vrijdag, "hij -lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."--"Kom, het -is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand -anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den -heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af -lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en -daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met -een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in -opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had -gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die -niet wisten waar zij ons voor moesten houden. - -Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche -vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij -vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van -de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te -zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging -ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien -ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar -gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen -verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen -bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet -kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig. - -Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen, -roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de -Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk -herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat -buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te -houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien, -veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten -gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of -hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste -mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting -zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en -kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en -zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en -staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een -kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste -ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd -hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen -als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf. -In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het -strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind -was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een -klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering. -Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den -ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige -gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem -eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was, -om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel -zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te -zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was. - -Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als -ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden. -De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was -degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot -toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het -eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat -ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het -Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn -geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch -zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde -mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet -herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was -verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte -beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en -riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers -te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf -te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou -stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren -aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin -vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen -en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo -ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke -kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door -konden vinden. - -Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik -erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat -zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij -het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat -toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen -vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat -hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen -tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo -onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in -het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had, -dat ik mij daar niet meer bevond. - -Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van -welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten -zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal -waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden -reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte. -"Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij, -"als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud -van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in -zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot -onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd -had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het -eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren; -anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de -anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij -verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer -aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik -wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot -alle kwaad in staat waren. - -Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met -nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij -droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde -alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en -naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de -heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen -keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij -allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk -volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van -hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten -uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en -deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo -hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te -ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou. - -De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek -is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel -mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met -het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst -genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen. - -Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal: -"ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen, -maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens -geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij -mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats -vernam. - -Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot -den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik -spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den -Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het -vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de -makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten -einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en -hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk, -gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden. - -Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen -grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had, -veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde, -namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te -nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij -bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er -ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik -achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn. - -Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik -verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne -landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen. -Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets -merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad. -Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd -waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen -was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden -hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen -te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was, -die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden -opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden -en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te -droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen -deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven -was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet -zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot -zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot -hun vertrek gereed. - -Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij -genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden, -de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel, -dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden -morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want -zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan -zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen, -waarvan zij gewoon waren brood te maken. - -In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had -zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland -te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er -drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken -achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en -ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen. - -De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden -aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en -goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene -aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe -ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en -mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit -geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee -vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet, -hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede -verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den -kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van -mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle -werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland -rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des -avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed -gemaakt. - -Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen -slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich -verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten, -noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst -beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in -openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en -ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met -alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de -Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels, -toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen. - -Maar alvorens hiervan de bijzonderheden mede te deelen, moet ik iets -vermelden, wat ik in mijn vorig verhaal vergeten heb, namelijk, dat -juist toen wij het anker zouden ligten bij mijn vertrek, er een kleine -twist aan boord ontstond, die ik vreesde, dat in eene tweede muiterij -zou ontaarden. Deze werd ook niet gestild, voor dat de kapitein ons -allen tot zijn bijstand geroepen had, hen met geweld uiteen dreef, en de -twee weerbarstigsten in de ijzers zette; en daar deze ook aan de -vroegere wanorde deel genomen, en zich eenige zware bedreigingen de -tweede maal hadden laten ontvallen, dreigde hij hun in de ijzers naar -Engeland te zullen voeren, en daar voor muiterij en afloopen van het -schip te laten ophangen. - -Hoewel de kapitein dit niet ernstig meende, scheen het toch eenige -andere matrozen bang gemaakt te hebben, en deze trachtten de overigen -diets te maken, dat de kapitein hen met goede woorden zocht te paaijen, -tot hij eene Engelsche haven zou bereikt hebben, en hen dan allen in de -gevangenis zetten zou, en hun proces laten opmaken. De stuurman had dit -vernomen en deelde het ons mede, waarop men besloot, dat ik, die nog -altijd voor een groot man bij hen doorging, met den stuurman bij hen zou -gaan, en het volk geruststellen en beloven, dat het verledene vergeven -zou zijn, als zij zich gedurende de verdere reis goed gedroegen. Ik deed -dit, en op mijn woord stelden zij zich gerust, vooral toen ik de twee -matrozen, die in de ijzers zaten, deed ontslaan. - -Maar door deze muiterij hadden wij, daar de wind ook was gaan liggen, -dien nacht voor anker moeten blijven. Den volgenden morgen vernamen wij, -dat de twee man, die uit de boeijen waren ontslagen, ieder een geweer en -eenige andere wapens gestolen hadden, en kruid en lood, hoeveel wisten -wij niet, en met de pinnas naar hunne makkers aan den wal gevlugt waren. -Op het ontdekken hiervan zond ik de groote boot met twaalf man en den -stuurman aan wal om hen te zoeken; maar zij konden noch hen, noch een -der overigen vinden, want allen waren in de bosschen gevlugt, toen zij -de boot zagen naderen. De stuurman wilde eerst, om hen te straffen, alle -aanplantingen vernielen, en al hun goed en huisraad verbranden, maar -daar hij hiertoe geene orders had, liet hij alles zoo als het was, en -nam alleen de pinnas weder mede. - -Zij waren dus thans met hun vijven, maar de drie eersten waren zoo veel -woester, dat zij na twee of drie dagen de nieuw aangekomen ter deur -uitwierpen en niets met hen te doen wilden hebben; het duurde lang eer -zij zelfs bewogen konden worden hun eenig eten te geven; de Spanjaarden -waren toen nog niet aangekomen. Toen deze aankwamen, wilden zij de drie -Engelschen overreden hunne landslieden weder op te nemen, ten einde, -gelijk zij zeiden, allen slechts een huisgezin zouden uitmaken, maar -deze wilden daarvan niet hooren. Dus leefden deze twee Engelschen op -zichzelven, en bemerkende, dat zij op hunne vlijt alleen moesten -steunen, sloegen zij tenten op aan de noordzijde van het eiland, doch -wat naar het westen toe, om voor de wilden bevrijd te blijven, die -altijd op de oostzijde van het eiland aan wal stapten. - -Hier bouwden zij twee hutten; een om in te wonen en een om hunnen -voorraad in te bergen, en daar de Spanjaarden hun eenig zaaikoren en -vooral erwten geschonken hadden, zaaiden en plantten en omheinden zij, -op de wijze als ik gedaan had, en leefden rustig voort. Hun eerste koren -kwam juist boven den grond, en schoon de tijd hun slechts toegelaten had -weinig om te spitten, was dit genoeg om hen te voeden, en van -genoegzamen spijsvoorraad te voorzien. Een hunner, die aan boord -koksmaat geweest was, was zeer behendig in het maken van soep, podding -en soortgelijke spijzen, waartoe de rijst, melk en het weinige vleesch, -dat zij hadden, hem in staat stelde. - -Terwijl zij aldus rustig voortleefden, kwamen de drie schurken, en dat -nog wel hunne landslieden waren, bij hen, alleen uit lust om hen te -schelden en te beschimpen. Zij zeiden, dat het eiland hun toebehoorde, -dat de gouverneur, waarmede zij mij bedoelden, hen in het bezit er van -gesteld had, en niemand anders er eenig regt op had, terwijl zij onder -afgrijsselijke vloeken betuigden, dat zij op hunnen grond geene huizen -zouden bouwen zonder er belasting voor te betalen. - -De twee Engelschen dachten, dat zij schertsten, en noodigden hen binnen -te komen, om te zien welk slag van huizen zij gebouwd hadden, en hun te -zeggen hoeveel grondrente zij daar wel voor moesten betalen. Een hunner -voegde er lagchende bij, dat hij hoopte, zij zouden, als grondeigenaars, -het land verbeteren en er gebouwen opzetten, en hun, volgens gewoonte, -een langen pachttijd vergunnen, en verzocht hun een notaris te halen om -de grondbrieven op te maken. Een der anderen zeide daarop onder veel -vloeken en zweren, dat zij zien zouden, dat het geene gekheid was, en -een eind weegs vandaar gaande, waar de ander een vuur aangelegd had, om -eten te koken, nam hij een brandend stuk hout en wierp het tegen de hut, -die binnen weinige minuten in de asch zou gelegd zijn, zoo niet de ander -hem weggestooten, en hoewel niet zonder moeite, het vuur had uitgetrapt. - -De kerel werd zoo woedend, dat de ander hem wegstiet, dat hij een stuk -hout opnam, en zoo de ander niet vlug den slag ontweken en in zijne hut -de wijk genomen had, ware het met hem gedaan geweest. Zijn makker, -ziende in welk gevaar zij beide waren, liep hem achterna, en een -oogenblik daarna kwamen zij met hunne geweren terug. Degeen, op wien de -slag gemunt was geweest, velde dengeen, die hem dien had willen -toebrengen, met den kolf van zijn geweer neder, voor de anderen hem te -hulp konden komen, en toen deze naderden, hielden zij hen de geweren -voor en gelastten hen heen te gaan. - -De anderen hadden ook vuurwapens bij zich, maar de moedigste van de twee -eerlijke Engelschen (gelijk ik hen voortaan noemen zal) door het gevaar -wanhopig gemaakt, zeide, dat zij hen zouden doodschieten als zij hand of -voet bewogen, en gelastte hen hunne wapens af te leggen. Dit laatste -deden zij wel niet; maar de standvastigheid van de anderen bragt hen tot -onderhandelen, en zij verlangden den gekwetste mede te nemen en te -vertrekken; het schijnt, dat deze vrij zwaar gekwetst was. Zij hadden -echter ongelijk, dat zij, thans de overhand hebbende, hen niet -ontwapenden, gelijk zij hadden kunnen doen, en daarop naar de Spanjaards -toegingen en hun verhaalden hoe de schurken hem bedreigd hadden, want -deze drie zonnen op niets dan op wraak, en gaven toen dagelijks de -blijken daarvan. - -Ik zal kleinere staaltjes hiervan niet vermelden, als het vertrappen van -hun koorn, het doodschieten van jonge geiten en van een tamme geit, die -de arme lieden voor verdere aanfokking hielden. Zij plaagden hen op -dergelijke wijze nacht en dag, tot dat de twee anderen in wanhoop -besloten hen alle drie te bevechten, bij de eerste gelegenheid de beste. -Zij besloten te dien einde naar mijne oude woning te gaan, waar de -Spanjaards en de drie schurken gezamenlijk woonden, ten einde de -Spanjaards te vragen om toe te zien, dat het bij het gevecht eerlijk in -zijn werk ging. Op een morgen voor dat de dag aanbrak, begaven zij zich -op weg, en voor het kasteel gekomen (gelijk zij het noemden) riepen zij -de Engelschen bij hun naam, en zeiden aan een Spanjaard, die hun -antwoordde, dat zij hen wilden spreken. - -Toevallig hadden twee der Spanjaarden den vorigen dag in het bosch een -der eerlijke Engelschen ontmoet, die zich bij hen bitter beklaagd had -over de schandelijke behandeling, die zij van hunne landslieden -ondergingen, hoe deze hunne aanplantingen vernield, hun koorn vertrapt -hadden, waaraan zij zoo hard gewerkt hadden; dat zij hunne melkgeit en -drie jongen gedood hadden, waarvan zij geheel moesten leven, en dat zoo -de Spanjaarden hen niet bijstonden, zij van honger moesten sterven. Toen -de Spanjaarden dien avond te huis kwamen, namen zij de vrijheid de -Engelschen te berispen, schoon in zachte en gematigde bewoordingen, en -vroegen hoe zij zoo wreed konden zijn jegens lieden, die hun geheel geen -kwaad deden, en die zelf hun onderhoud trachtten te verdienen, en wie -het zoo veel moeite had gekost hunne zaken op dien voet te brengen. - -Een der Engelschen antwoordde zeer barsch, wat zij daar te maken hadden; -zij waren zonder verlof op het eiland gekomen; de grond behoorde hun -niet. "Wel sennor," zeide een der Spanjaarden zeer bedaard, "zij moeten -niet van honger sterven."--"Dat kunnen zij doen, wat mij betreft," -antwoordde de Engelschman, als een echte ruwe zeebonk, "zij mogen daar -niet planten of bouwen."--"Wat moeten zij dan doen, sennor?" vroeg de -Spanjaard. Een ander der woestelingen antwoordde, dat zij knechts -moesten zijn en voor hen werken.--"Maar hoe kunt gij dat verwachten," -hernam de Spanjaard, "gij hebt ze niet voor geld gekocht, gij hebt geen -regt hen tot uwe knechts te maken." De Engelschman antwoordde, dat het -eiland hun toebehoorde, de gouverneur had het hun gegeven en niemand had -daar iets te zeggen dan zij, en daarbij zwoer hij, dat hij telkens hunne -nieuwe hutten zou afbranden, en dat zij er geen op hun land zouden -zetten. - -"Wel, sennor," zeide de Spanjaard, "op dien grond zouden wij ook uwe -dienstknechten zijn."--"Ja," zeide de onbeschaamde kerel, "en dat zult -gij ook worden, eer wij met elkander afgedaan hebben." Hij doormengde -dit gezegde met eenige afgrijsselijke vloeken. De Spanjaard echter -lachte hierover en gaf hem geen antwoord. Dit gesprek had echter de -Engelschen warm gemaakt; een hunner, Willem Atkins geloof ik, zeide: -"Kom Jack, laat ons hen op een ander tijd te lijf gaan; wij zullen hun -kasteel vernielen, zij zullen op onzen grond geene plantaadje -aanleggen." - -Hierop vertrokken zij, ieder met een snaphaan, een pistool en sabel -gewapend, terwijl zij verscheidene bedreigingen uitstieten, wat zij den -Spanjaarden zouden doen, als er zich de gelegenheid toe aanbood. Het -schijnt echter, dat de Spanjaarden hen niet genoeg verstonden om hunne -bedoeling op te maken, alleen begrepen zij, dat zij verbitterd waren, -omdat zij de twee andere Engelschen voorgesproken hadden. - -Waar zij heen gingen en hoe zij dien avond den tijd doorbragten, zeiden -de Spanjaarden, wisten zij niet. Het schijnt echter, dat zij een deel -van den nacht rondzwierven, en toen, vermoeid zijnde, gingen liggen op -de plaats, die ik mijne buitenplaats noemde, en dat zij toen zich -versliepen. Zij hadden namelijk besloten tot middernacht te wachten, en -dan hunne arme landslieden, als zij sliepen, te overvallen, en gelijk -zij naderhand bekenden, hunne hut in brand te steken, terwijl zij er in -sliepen, en hen laten verbranden of hen dood te slaan als zij er uit -kwamen. Daar nu de boosheid zelden gerust slaapt, is het wonder, dat zij -niet wakker bleven. - -Daar echter de twee anderen ook een voornemen hadden, schoon een veel -loffelijker dan dat om te branden en te moorden, gebeurde het, en zeer -tot hun geluk, dat zij op, en uitgegaan waren voor de bloeddorstige -schelmen aan hunne hutten kwamen. Toen deze daar gekomen en de bewoners -vertrokken vonden, riep Willem Atkins, die naar het scheen de belhamel -was: "Ha, Jack, daar is het nest, maar de vogels zijn gevlogen!" Zij -wisten eerst niet wat zij er van denken moesten, dat zij zoo vroeg -uitgegaan waren, en begrepen, dat de Spanjaards hen gewaarschuwd hadden; -hierop sloegen zij de handen ineen, en zwoeren, dat zij zich op de -Spanjaarden zouden wreken. Zoodra zij deze bloedige overeenkomst -gesloten hadden, vielen zij op de woning der arme Engelschen aan. Zij -staken wel niets in brand, maar braken de beide hutten stuksgewijs -uiteen, en lieten niet den minsten stijl in den grond, zoodat men -naauwelijks zien kon waar zij gestaan hadden. Al hun huisraad en -goederen vernielden zij, en strooiden alles zoo in het rond, dat de arme -lieden naderhand eenige hunner goederen een kwartier verder vonden -liggen. - -Toen dit gedaan was, rukten zij al het jonge plantsoen uit, dat zij -geplant hadden, vertrapten de heining, waardoor zij hun vee en graan -beschermden, en kortom, vernielden en verwoestten alles zoo als -naauwelijks eene horde Tartaren had kunnen doen. - -De twee Engelschen waren op dat oogenblik uitgegaan om hen op te zoeken, -en zij hadden besloten hen te bevechten, waar zij hen ook vonden, schoon -zij twee tegen drie waren, zoo dat er zeker bloed zou gestort zijn als -zij elkander ontmoet hadden, want allen waren zeer kloeke en moedige -kerels. Doch de Voorzienigheid zorgde meer, hen van elkander te houden, -dan zij om elkander te ontmoeten, want, alsof zij voor elkander -wegliepen, waren de twee hier, de drie waren ginder; en toen naderhand -de twee teruggingen om hen op te zoeken, kwamen de drie aan hunne oude -woning terug; wij zullen zien hoe verschillend zij zich gedroegen. Toen -de drie terug kwamen, als dolle schepselen, kokende van drift, waarin -hunne daden hen gebragt hadden, kwamen zij bij de Spanjaarden, en -verhaalden hun, al snoevende, wat zij gedaan hadden, en een hunner trad -naar de Spanjaards toe, als waren zij een troep kwade jongens, draaide -een den hoed op het hoofd rond, en sloeg hem daarop er mede in het -gelaat, zeggende: "En gij, Spaansche Jaap, zult van hetzelfde laken een -pak hebben, als gij u voortaan niet beter gedraagt." De Spanjaard, die, -ofschoon een stil, beleefd man, zoo moedig als een leeuw was, zag hem -eene poos strak aan, en stapte, daar hij geen wapen in de hand had, -daarop langzaam naar hem toe, en deed hem met een vuistslag, als een -gedolden os, op den grond storten; waarop een van de schurken, even -onbeschaamd, dadelijk een pistool op den Spanjaard loste. Hij miste hem, -maar de kogel streek langs zijn hoofd, en raakte hem even aan zijn oor, -zoo dat dit bloedde. Het zien van het bloed deed den Spanjaard gelooven, -dat hij zwaarder gewond was, dan het geval was, en hierdoor eenigzins -driftig geworden, want hij was tot hiertoe volkomen bedaard gebleven, -nam hij het geweer op van den kerel, dien hij nedergeveld had, en stond -op het punt den man, die op hem gevuurd had, dood te schieten, toen de -andere Spanjaarden uit den kelder kwamen, hem toeriepen niet te -schieten, tusschen beide traden en de anderen ontwapenden en bonden. - -Toen zij thans ontwapend waren, en bemerkten, dat zij zich ook de -Spanjaards tot vijand hadden gemaakt, zoo wel als hunne landslieden, -begonnen zij een toontje lager, en gaven den Spanjaards goede woorden, -om hun de geweren terug te geven; maar de Spanjaards, in aanmerking -genomen de veete, die er tusschen hen en hunne landslieden bestond, en -begrijpende, dat het best ware hen van elkander te houden, zeiden, dat -zij hun geen kwaad wilden doen, en zoo zij vreedzaam wilden leven, hen -blijven bijstaan, gelijk zij vroeger gedaan hadden, maar dat zij er -niet aan konden denken hunne wapens terug te geven, terwijl zij -voornemens schenen er hunne landslieden mede te beleedigen, en zelfs -gedreigd hadden hen allen tot slaven te maken. - -De schurken wilden evenmin naar rede hooren als handelen, en op deze -weigering gingen zij heen, vloekende als dollen, en dreigende wat zij -hen ook zonder vuurwapenen zouden doen. Maar de Spanjaards, die hunne -bedreigingen verachtten, zeiden hun, dat zij te zorgen hadden van geen -kwaad aan hunne plantaadjes of vee te doen, want dat zij hen anders als -wilde beesten zouden doodschieten, waar zij hen vonden, en hen ophangen -zoo zij hun levende in handen vielen. Wel verre van hierdoor te bedaren, -dropen zij af, vloekende en zwerende als helsche furiën. Naauwelijks -waren zij weg of de twee anderen kwamen, even woedend, schoon om eene -andere reden; want toen zij, bij hunne aanplantingen gekomen, die allen, -gelijk gezegd is, vernield en verwoest vonden, hadden zij reden genoeg -zich te vertoornen. Zij konden naauwelijks hun verhaal doen, want de -Spanjaards lieten hen niet aan het woord komen, en verhaalden hun -wedervaren; en waarlijk het was opmerkelijk hoe drie menschen hier -negentien getergd hadden, zonder straf te beloopen. De Spanjaarden -echter verachtten hen, en na hen ontwapend te hebben, telden zij hunne -bedreigingen weinig, maar de twee Engelschen besloten het hun te -vergelden, wat moeite het hun ook kosten zou hen op te sporen. - -Maar hier kwamen de Spanjaarden ook weder tusschen beide, en zeiden hun, -dat daar de anderen reeds ontwapend waren, zij niet konden toestemmen, -dat zij (de twee) hen met vuurwapens vervolgden en misschien -doodschoten. "Maar," zeide de bezadigde Spanjaard, die hun gouverneur -was, "wij willen ons best doen, dat u geregtigheid geschiede, als gij -het aan ons wilt overlaten, want er is geen twijfel aan of zij zullen -terugkomen als hunne eerste drift bedaard is, daar zij zonder onzen -bijstand niet leven kunnen, en ik beloof u, dat wij geen vrede met hen -zullen maken zonder eene volledige voldoening aan u, en op deze -voorwaarde hopen wij, dat gij u van alle gewelddadigheden jegens hen -zult onthouden, anders dan ter uwer verdediging." - -De twee Engelschen stemden slechts met weerzin hierin toe, maar de -Spanjaarden verzekerden dat zij het alleen deden om bloedstorting te -voorkomen en eindelijk alles te schikken. "Want," zeide hij, "zoo veel -zijn wij niet in getal of er is ruimte genoeg voor ons allen, en het zou -jammer zijn zoo wij niet allen in goede vriendschap leefden." Eindelijk -stemden zij dan toe af te wachten hoe de zaak afloopen zou, en bleven -eenige dagen bij de Spanjaards, omdat hunne eigene woning vernield was. - -Ongeveer vijf dagen daarna kwamen de drie vagebonden, vermoeid van hun -rondzwerven, en half dood van honger, daar zij bijkans alleen van -schildpadeijeren geleefd hadden, naar het woonhuis terug, en daar zij -den Spanjaard, die, gelijk ik zeide, de gouverneur was, met nog twee -anderen langs de kreek zagen wandelen, kwamen zij zeer ootmoedig naar -hen toe en smeekten op nieuw in hun huisgezin opgenomen te worden. De -Spanjaarden ontvingen hen beleefd; maar zeiden, dat zij zoo barbaarsch -jegens hunne landslieden, en zoo onbescheiden jegens henzelve gehandeld -hadden, dat hij geen besluit kon nemen, zonder de twee Engelschen en -zijne overige landslieden te raadplegen. Hij zou hen echter gaan -opzoeken en er over spreken, en hun binnen een half uur antwoord geven. -Zij schenen er kwaad aan toe te zijn, want toen zij een half uur moesten -wachten, smeekten zij, dat hij hun eerst een stuk brood wilde geven; -hetgeen hij deed, en hun tevens een stuk gekookt geitenvleesch en een -gebraden papegaai toezond, dat zij gretig opaten, want zij waren -uitgehongerd. - -Na verloop van een half uur werden zij geroepen, en nu volgde nog een -lange onderhandeling. Hunne twee landgenooten beschuldigden hen van het -vernielen van al wat zij bezaten, en van het voornemen hen te -vermoorden, hetwelk zij vroeger openlijk verklaard hadden, en dus thans -niet konden ontkennen. De Spanjaards handelden als bemiddelaars, en daar -zij vroeger de twee Engelschen belet hadden hen te vervolgen, toen zij -ongewapend waren, zoo gelastten zij thans de drie, dat zij de hutten van -hunne landslieden weder zouden opbouwen, de eene even als zij geweest -was, de andere wat grooter; ook de heiningen weder te herstellen, andere -boomen te planten voor de uitgeroeide, het land om te spitten, om het -weder te bezaaijen, waar zij het vernield hadden; kortom, alles zoo veel -mogelijk in zijn vorigen staat te herstellen, want geheel kon het niet, -daar het jaargetij voor het koorn voorbij was, en de boomen en heiningen -eerst weder moesten groeijen. - -Zij voldeden hieraan gewillig, en daar men hen al dien tijd goed van -eten voorzag, leefden zij zeer ordelijk, en de geheele bevolking begon -weder aangenaam en genoegelijk te leven; slechts konden de drie -Engelschen nimmer overgehaald worden om voor zichzelven te werken, -behalve nu en dan voor eene poos, als hun dit in het hoofd kwam. De -Spanjaarden zeiden hun echter ronduit, dat zoo zij slechts gezellig en -in goede vriendschap wilden leven, en niets tegen het welzijn der -volkplanting ondernemen, zij voor hen zouden werken en hen laten -rondzwerven en luijeren zoo veel zij wilden; en nadat zij aldus een paar -maanden zich vrij wel gedragen hadden, gaven de Spanjaards hun hunne -wapens terug en verlof om te gaan waar zij wilden. - -Geen week duurde het echter of de ondankbare kerels begonnen even -onrustig en lastig te worden. Thans echter gebeurde er iets, dat hun -aller veiligheid in gevaar bragt, waardoor zij genoodzaakt waren alle -bijzondere veeten te laten varen en alleen op hun lijfsbehoud te denken. - -Het gebeurde op een nacht, dat de Spanjaard-gouverneur, gelijk ik hem -noemde, dat wil zeggen de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en -thans zoo veel als kapitein van zijne landslieden was, zeer onrustig was -en volstrekt niet slapen kon. Hij was volkomen wel, zeide hij mij, maar -allerlei denkbeelden kwamen hem voor den geest, van lieden die vochten -en elkander doodsloegen, schoon hij volkomen wakker was, hoewel hij -volstrekt den slaap niet vatten kon. Kortom, hij bleef eene poos liggen, -maar steeds onrustiger wordende, besloot hij op te staan. Daar hun -aantal zoo groot was, sliepen zij niet, zoo als ik, in eene hangmat, -maar lagen op geitenvellen, waarvan zij legersteden gemaakt hadden. Als -zij dus wilden opstaan, behoefden zij weinig anders te doen om gereed te -zijn dan misschien schoenen en een buis aan te doen. - -Opgestaan zijnde, zag hij uit, maar het was zoo donker, dat hij niets -onderscheiden kon; en bovendien belemmerden de boomen, die ik geplant -had en nu digt ineengegroeid waren, het uitzigt, zoodat hij alleen zien -kon, dat de sterren helder aan de lucht stonden; en geenerlei gerucht -hoorende, keerde hij terug en ging weder liggen, maar het baatte niet, -hij kon niet slapen, en had geen rust, want hij was in de uiterste -onrust, zonder dat hij wist waarom. - -Daar hij met opstaan en heen en weder loopen eenig gedruisch had -gemaakt, werd een ander wakker, die vroeg wie er opgestaan was. De -gouverneur zeide hoe het met hem was. "Zegt gij zoo," zeide de ander, -"zulk een voorgevoel is niet te verachten; er wordt zeker eenig kwaad -gebrouwen in onze nabijheid. Waar zijn de Engelschen?" vervolgde -hij.--"Die zijn allen in hunne hutten," zeide hij, "en rustig." Het -schijnt, dat de Spanjaarden het grootste vertrek gehouden hadden, en de -Engelschen afzonderlijk lieten slapen, waar zij niet bij de anderen -konden komen. "Er is dan toch iets gaande," hernam de andere Spanjaard, -"daarvan ben ik door mijne eigene ondervinding verzekerd. Ik houd mij -overtuigd, dat onze ziel in betrekking staat tot bewoners eener -onzigtbare wereld, en dat een voorgevoel ons altijd tot ons welzijn -wordt gegeven, als wij er goed partij van weten te trekken. Kom," -vervolgde hij, "laat ons naar buiten gaan en eens uitzien; zoo wij niets -vinden, dat onze bezorgdheid regtvaardigt, zal ik u eene geschiedenis -verhalen, die u van de juistheid van mijn voorslag zal overtuigen." - -Zij begaven zich daarop boven op den top van den heuvel, gelijk ik -gewoon was, maar daar zij sterk en in gezelschap en niet alleen, gelijk -ik, waren, gebruikten zij geenszins dezelfde voorzorgen als ik, van -langs de ladder tot halfweg te komen, en die dan op te halen en tot op -den top te klimmen, maar zij gingen gerust en onbezorgd door het -boschje, toen zij verrast werden door het zien van een licht als van een -vuur, niet ver van hen af, en het hooren van menschenstemmen, niet van -een of twee, maar van een groot aantal. - -Telkens als ik ontdekt had, dat er wilden op het eiland geland waren, -was ik altijd zeer bevreesd geweest, dat zij zouden ontdekken, dat het -eiland door iemand bewoond werd, en toen zij dit eens bemerkt hadden, -bemerkten zij het zoo geducht, dat degeen, die er het leven afbragten, -naauwelijks het konden navertellen, want zij verdwenen zoo schielijk -mogelijk, en niemand, die mij gezien had, ontsnapte het, om het anderen -mede te deelen, behalve de drie wilden bij onze laatste ontmoeting, die -in de boot sprongen, en welke ik, gelijk ik zeide, vreesde dat naar huis -zouden keeren en met meer hulp terugkomen. Of dit nu de oorzaak was, dat -er zoo velen gekomen waren, dan of zij zonder iets te vermoeden er -toevallig met hun gewoon bloeddorstig doel kwamen, konden de -Spanjaarden, naar het schijnt, niet ontdekken. Maar hoe dit zij, het -ware hunne zaak geweest, zich of verborgen te houden en hen in het -geheel niet te zien, veel minder den wilden te laten zien, dat er -bewoners op het eiland waren; of hen zoo geducht op het lijf te vallen, -dat geen een hunner ontsnapte, hetwelk zij alleen hadden kunnen doen -door hen van hunne booten af te snijden; maar zij hadden hiertoe geen -tegenwoordigheid van geest genoeg, hetgeen hen voor langen tijd hunne -rust kostte. - -Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor -verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun -verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun -onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten -om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook -geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het -licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd -hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve -zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten -tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende -partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren. - -De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar -zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo -twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of -eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden -zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo -deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden -vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te -zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten -naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de -grot zelve te drijven. - -Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes -zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar -dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de -andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van -verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken -te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen, -om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op -verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen, -waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer -is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te -hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van -een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te -worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van -verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een -grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden -verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op -hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te -houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde -vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander -waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had -echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen -nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal -geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee -kleine legers weder in een bloedig gevecht waren. - -Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden, -dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het -veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te -houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de -overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was -hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze -had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat -zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de -voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij -gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het -gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen -worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later -blijken zal. - -Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag, -bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid, -onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het -gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke -partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het -digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen -eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk, -dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich -daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en -de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop -besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het -boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou -terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met -de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het -schot de aandacht mogt trekken der overigen. - -Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen -troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne -woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die -buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt, -dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen -zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer -menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood -werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen -achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het -overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de -overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen -bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij -naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd. -Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in -hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen -bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen -zij niets van de wilden. - -Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen -schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar -tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen -gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten -waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien -of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte -pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer -veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook -het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat -het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die -zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem -geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog -eenig leven in is, mede. - -Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want -het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs -uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking, -dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die -hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op -te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het -denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon -het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats -grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet -konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene -weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide, -maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al -dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden, -oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene -poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust -verwekten. - -Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit -jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en -lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen -echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst -voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten -in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en -door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk -zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag -werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij, -namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen, -gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn -vleesch aan mijn gebeente. - -Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het -algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne -omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam -was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het -eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken -waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs -blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden -veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter -bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen -besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een -of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren, -waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te -zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats -vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of -dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen. -Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne -spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar -het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit -besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde -daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een -gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad -van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de -drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden -van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder -van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats -beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die -ik hun bij mijn vertrek toegezonden had. - -Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die -zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en -zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van -afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog -meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn -verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen -opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het -overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne -vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater -onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er -geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig -groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze -zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt -gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon. -De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de -hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant, -zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve -voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo -digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen. - -Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen -heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die -tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top -beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand -bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed -bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de -Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender -naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele -ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans -blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug. - -Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van -wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun -grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen -uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging, -uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig -kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich -naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag -en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit. -Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook -gingen, zij landden niet op het eiland. - -Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer, -een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven, -die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij -hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn -gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om -hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die -daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke -houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den -arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem -toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem -en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor -nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem -zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den -slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand -had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot -zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen -weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde -Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere -wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman, -die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden -wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er -meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste -vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig -geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij -niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om -te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen, -zoodat het niet veilig was met hen te leven. - -De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat, -zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want -alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij, -en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd -te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid -van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te -danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en -hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden, -overlaten. - -Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij -verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne -overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop -verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat -al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in -hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde, -vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen -vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel -verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde -er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of -ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben -wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij -winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten, -dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden? -Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de -Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende. - -Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede -spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie -man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller -bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te -denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die -den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de -drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name -hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en -misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een -gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen. - -Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had -hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een -Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord, -ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij -kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem -vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet -tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de -overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen -er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun -voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur, -kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten -beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen, -eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch -lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het -gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig -zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden -of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen -uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een -zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat -zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de -veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten, -zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men -hen aantrof. - -De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene -poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende: -"Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan -geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen; -wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun -genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen; -binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij -ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter -aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den -veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en -dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder -vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of -hunne landslieden eenig kwaad zouden doen. - -Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen. -Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch -heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende, -dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en -werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens. - -Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te -halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en -eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene -plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek, -aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik -gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was, -in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij -twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de -helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten -stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder -scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige -gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun -gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de -overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap, -zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en -kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood. - -Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen -eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts -een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de -geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij -planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het -geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan -gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog -te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards -smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen -voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot -genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter -slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral -zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er -verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt. - -Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich -weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen -begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang -der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat -zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden, -naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te -maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij -daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar -huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten. - -Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets -zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag, -schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare -straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand -bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe -snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat -hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel -zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats, -waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was, -het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk -het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards -in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot -mijn verhaal terug. - -De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en -verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren -bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam. -Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te -maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van -gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes -wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame -wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het -vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last -bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien. - -De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken, -maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond -liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten -verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te -verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na -te denken. - -Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op -het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken; -dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was -het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom, -zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden, -hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop -zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en -bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij -slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet -genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en -drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden. - -Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood -voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang -het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te -slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne -kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed -was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man -kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar -de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van -een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde -geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards -riepen hun achterna: _Buen viago_, en niemand dacht, dat hij hen ooit -weder zou zien. - -Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven -eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die -drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan -dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der -Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten -naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg -liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den -Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren -vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide -de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker -wilden?"--"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en -wapens."--"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn -het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de -wereld is er, die ons anders dan goed zou doen." - -Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor -de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en -alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over -iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag. -Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en -wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele -reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt -hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende -hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar -zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening -kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland -gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de -opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het -noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te -landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten -moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun -verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer -welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van -levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd. -Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij -konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te -kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren; -zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog -gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De -Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij -antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee -vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd -gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende -feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien, -maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij -eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar -de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den -volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den -volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven -die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een -zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen. - -Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen -indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te -weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden -kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij -besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig -aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden -sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder -schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden -de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt. - -De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders -zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den -volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten -maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle -vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan -de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen -terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der -gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg -trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets -aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit -alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten -zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen, -alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten -dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te -brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij -was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om -geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen -dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te -slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden, -verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe -meesters moesten strekken. - -Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden, -vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt -hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten -gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven -de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich -derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut -gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal -gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot -zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk -drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar -oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en -twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank, -welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in -vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van -haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor -schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig -voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren, -gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende, -doch hierover nader. - -Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt -te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het -bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid -waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van -aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik, -drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den -jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te -zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar -buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden -dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan, -en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan -kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar -kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen -doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen -te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren, -Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en -zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij -hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op -zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was, -want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën. - -Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij -als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden -om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en -daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg -het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken. - -De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen -somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting -aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze -vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden -of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk. -De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de -meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het -billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het -alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne -huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u -niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw -beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen -achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden. - -Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen, -doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen -hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen -verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een -voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet -heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en -zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en -Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen -aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der -wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de -geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en -bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden. - -Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare -kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet -dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar -ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een -goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij -plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere -hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te -beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels -waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die -het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste -van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs -de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij -bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was, -wat dat betreft, de beste vrouw van allen. - -Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor -een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand, -en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden. -Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen -allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid, -dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook -konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord -zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die -haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut -gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst -der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de -Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij -voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te -bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne -gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen -hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de -noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden -waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen, -dat er drie dorpen op ontstaan waren. - -Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in -de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke -wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven -hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren, -die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie -knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de -twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer -onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen; -maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en -net. - -Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een -traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland -kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene -kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver -vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden -wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want -mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij -noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de -omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het -oog. - -De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge -boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en -schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne -landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was -alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant -en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne -druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch -eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was, -hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het -eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige -schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te -planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een -ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de -buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten -volgen. - -De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel -beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger, -en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe -hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter -behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en -maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd -dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol -doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het -op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren -onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen -en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre -takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen -het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen -alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun -graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand -des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden -overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen -dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen. - -Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en -net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat -was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij -zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen -niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen -koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om -schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom, -zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De -vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en -in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld -doorgaat. - -Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen -hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt. - -Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land, -ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden. -Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam -geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de -ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te -blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden, -stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg, -dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich -binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te -berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer -verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen, -en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren, -hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes -met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de -nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij -verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie -achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen; -waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als -beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen -vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst -teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren. - -De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De -gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het -niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te -maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij -er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij -hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij -hadden dus geen regt hen van het leven te berooven. - -Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe -verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru -zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb, -die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren -als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van -wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het -allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was -gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der -Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het -hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog -eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden -heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig -hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken -zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie -mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken, -gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen -en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten -zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal, -even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig -gerust gesteld en weggevoerd. - -Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar -mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis, -waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te -verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee -Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor -hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men -meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg, -en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep -echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug -te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne -kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee -dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij -begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne -landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het -eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik -zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe -velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een -geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen -leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de -twee Engelschen gemaakt hadden. - -Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven, -was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht -tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen -roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op -eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning -der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche -gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het -gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen -enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee -man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij -nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden, -en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het -nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden -zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee -achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen, -die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt, -zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen -brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden -medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten -gebonden, voor 's hands liggen. - -Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant -toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden -werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch -inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten -waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar -het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf -aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en -goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van -de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was, -ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te -roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en -trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op -eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan. - -Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het -legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een -oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam -staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en -voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand -houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven, -alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar -menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis -droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig -waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een -te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een -half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer -zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een -zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten -en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten -af te wachten wat er verder gebeuren zou. - -Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten, -dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen -zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen -denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht -rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken. -De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen -zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de -landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien -hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles -verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel -kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet -door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun -kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland -waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna -beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de -drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en -de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee -voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of -aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde -naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter -hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar -waren. - -Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij -achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en -misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een -vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom -een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende -tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen -kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de -drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem -duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al -zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo -hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden. -Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de -wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste -ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de -weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was -niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien -van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar -hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig -schreeuwende en gillende op den grond. - -De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende, -stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's -herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle -kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien -daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter -alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was, -onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich -in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de -arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil -boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen -waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij -zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden -deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want -gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij -nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men -menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het -anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben, -zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen. - -Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden, -aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei -besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar -zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had, -thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou, -waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde, -ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo -dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In -deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij -weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd -op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in -leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit -dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den -weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een -ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst -was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een -jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij -geen woord konden verstaan van al wat hij zeide. - -Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom -daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een -stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen -en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden -ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg -naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen -en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide -in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het -genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep, -geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk -leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij -naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden. -Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en -de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den -voet des booms. - -Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of -hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te -begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar, -die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de -wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor -hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden -zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren -geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te -ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die -het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen -hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de -vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het -genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de -andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags -vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan -en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan -dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven -Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb, -vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen -aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij -waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den -gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem -weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die -achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was. - -Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang, -dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt -noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde -echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit -de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden -blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te -geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht. - -Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden, -dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar -met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren -en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken. -Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood -hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden -geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en -twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar -begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en -hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden -eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige -wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid, -voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat -zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen -duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken. - -Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog -een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel -tevreden van hen ontslagen te zijn. - -De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al -hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen -bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot -hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen, -kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts -woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was), -en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen -ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige -te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen -staat gezet. - -Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der -wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee -verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een -storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht -na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo -ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van -hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene -andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het -scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren -wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van -bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij -hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood -was, hadden zij niemand om dit te bevestigen. - -Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden -hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig -onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden -opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte -vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen -en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig -gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de -grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de -oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den -geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste -plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij -onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal -hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten, -die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar -de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden -regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude -werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar -geland waren. - -Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne -buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en -lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den -morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der -twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed -hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van -het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten -getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons -leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens -genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als -volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen: - -/$ - 17 Spanjaarden. - 5 Engelschen. - 1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader. - 3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn. - 3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden. -$/ - -Om deze te wapenen hadden zij: - -/$ - 11 geweren. - 5 pistolen. - 3 jagtgeweren. - 5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige - matrozen ontnomen waren. - 2 sabels. - 3 oude hellebaarden. -$/ - -Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een -hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en -eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de -vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog -en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste -gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze -vrouwen hadden bijlen ook. - -De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde -het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard, -tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De -wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen -hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die -thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als -eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten -voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop -achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen, -die allen door eenige digte boomen beschermd werden. - -Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te -zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig -hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen -naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder -zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer -gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de -verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die -allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne -makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen, -die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de -drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut -gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals -de laag. - -Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was -teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij -geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden -geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte, -ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met -donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem -Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder -te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en -kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee -of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon -terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins -zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand -een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche -slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst, -terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan -zijn piek en een bijl. - -Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee -anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de -Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven; -want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer -dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak -bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van -pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne -wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten. - -Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die -gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij -hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden, -als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch -bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens -hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne -gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van -victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van -bloedverlies sterven. - -De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte -bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk -de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins, -gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan -zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van -bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze -raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor, -maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog -warm ben."--"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper -gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort -kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven -zij wachten. - -Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden -in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een -groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den -nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts -eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene -schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning -het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het -westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij -nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht -hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene -halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot -werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet -in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo -spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich -daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op -het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier -en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen, -die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten. - -Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder -iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze -zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun -legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te -voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden -als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste -verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden -schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en -zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en -de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun -geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de -laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen, -en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil -en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te -redden. - -De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide -gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de -overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de -heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich -weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk -het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne -rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een -geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar -de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb -begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de -grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren -zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld. - -De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht -echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben, -besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt -waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk -weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme -schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op -herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig -gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs -verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen -behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want -hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme -schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het -gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd -was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op -den grond, met het hoofd tusschen de handen. - -Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren, -gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit -deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten -had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij -door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij -diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks -hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst -mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe -begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van -gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord -had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de -onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren -gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk -aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren -gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk -en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest -worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil -van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad, -hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de -wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid -ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen. - -Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees, -dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop -blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde -beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds -afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste -armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan, -dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te -krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen -moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij -bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in -toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig -droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in -brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden. -Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen. -Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch -uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: _Oa, -oa, waremokoa_! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand -iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men -duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij -vertrekken wilden en nimmer terugkomen. - -Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der -kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder -naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een -hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene -mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te -kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die -kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden -in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk -hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen -eerst niet wisten, wat met hun te doen. - -De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat, -terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over -hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven -hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet -vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het -dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en -het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de -wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de -onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig -voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden -bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en -terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner -aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van -door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene -wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die -te maken, en ander wapentuig hadden zij niet. - -Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te -gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want -schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en -verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het -dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens -de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood -was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was -opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met -zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te -vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was, -nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn -gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware -honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik -kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden. - -Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het -zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op -het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen -dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun -getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn -zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid -leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig -met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot, -deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren -zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot -eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of -wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij -schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het -bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren. - -Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden -zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de -edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij -sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen -te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en -trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij -in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen -tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer -verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst -norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed -behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk -handelbaar. - -Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak, -en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet -alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland -geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen -bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden -geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om -thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan -zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden, -terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij -allen uitgeroeid zouden worden. - -De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op -zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en -smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen, -goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats -begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte -brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie -levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan -zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen -opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want -behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen, -overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen -ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken. - -Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te -fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders -zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands -aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en -van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte. -Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was -ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun -houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen -en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als -mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene -volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel -kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te -houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien -van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord -hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij -het gedaan, moeijelijk gevonden hebben. - -Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun -tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig -was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en -dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op -doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet -weder verraden wilden hebben. - -Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden -vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren, -want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven, -vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene -menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij -eerst den slag er van hadden. - -Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen, -scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard -noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich -zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk -geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en -allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel -tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo -mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen, -zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een -afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich -thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene -tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien -zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden, -gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen -zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent -zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee -en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm -gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht -stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer -sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige -ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat -ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat -scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had -voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had -houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de -ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze -wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden, -bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het -dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten -teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote -boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het -met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het -vlechtwerk voor hem gedaan hadden. - -Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van -afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee -en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde -eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den -binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig -voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner -vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers -gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur, -die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur, -die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam, -zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen -tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin -strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den -buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het -inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte -gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan -weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke -men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en -dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang -was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes -van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die -tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het -binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze -noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang, -die naar de binnenste tent voerde. - -Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld -meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo -gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen, -namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne -vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden -volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk -van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad -gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat -zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik -reeds gezegd heb. - -Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst -betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden -zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone -wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme, -onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij -met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig -van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of -godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun -toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden -leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig -bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken, -even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren, -toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren -geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden; -maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een -meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat -van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag -van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor -elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik -kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de -Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later -gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne -komst aldaar. - -Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben, -en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets -zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking -uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde. - -Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder -de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene -bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar -eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij -hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop -overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan -niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en -zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk -hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten -ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te -verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het -vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste -eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het -verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan -worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op -iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart -dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat, -schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als: -"treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte -hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in -mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in -den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal -gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander -waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk -meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere -natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen -het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in -gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den -schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding -te denken. - -Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat -zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel, -of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige -ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de -Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand -drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij -tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de -Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden -wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden -nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen -naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan -hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"--Ik verzocht -hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst -aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij -ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had; -terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan -en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij -levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk -men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk -dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op -gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel -schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch -zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij -thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet -kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun -slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten -kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van -hun land was. - -Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden, -waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het -dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over -gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp -en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van -degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden -te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest -opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen -zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds -verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat -eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van -levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der -wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek -dan anderen, die meer voedsel hadden. - -Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden -gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne -ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een -ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij -beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe -de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten -oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo -hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne -vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en -vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij -toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld -te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden, -want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun -gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich -laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de -drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls -dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en -scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette -echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in -groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote -houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze -beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms -in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der -wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen -werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij -eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat -hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden -gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen. - -Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne -overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten -tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was; -en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer -dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg -kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat -die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die -nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik -vroeger verhaald heb. - -Aandoenlijk was hunne beschrijving van de vreugde, die zij smaakten bij -de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij -door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen, -verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne -mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een -eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat -en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken. -Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den -voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood, -dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden; -hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en -hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het -overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van -hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te -brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch -dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne -bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan, -waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van -hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne -vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij -de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in -tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit -verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen -hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme -scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de -vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar -hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene -achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar -mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze -arme lieden voor mij te treffender. - -Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te -hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen -achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de -wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen -zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus -baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den -Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar -ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig -geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot -dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd -werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen -vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal -goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld -ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon, -te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun -aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren, -en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans -moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak, -en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een -voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten -en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte -vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen -hen heerschte. - -Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij -genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg -vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat -hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen -wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen -behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf -in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om -verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en -onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de -beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen -hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de -eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet. - -De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers -om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald -hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was. -Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later -meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de -bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met -wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem -hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te -dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en -zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op -allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste -omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen. - -Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den -volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet -daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat -hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van -het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen; -en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen -Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren -geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden -voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar -boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch -konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden. - -Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen -te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor -allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben, -namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst deelde ik genoeg -linnen uit, dat ieder vier hemden had, en op het verzoek der Spanjaarden -vermeerderde ik dit tot zes. Deze waren hun uiterst aangenaam, want zij -hadden sedert lang vergeten wat het was een hemd te dragen. Ik bepaalde, -dat ieder zooveel dun laken zou hebben als voor een kiel genoeg was, dat -de beste dragt in dit klimaat was, als zijnde ruim en luchtig. Ik zeide, -dat als zij versleten waren, zij uit den voorraad nieuwe konden maken, -en even zoo met de schoenen, kousen, hoeden, enz. - -Ik kan niet zeggen hoeveel genoegen op het gelaat dezer arme lieden te -lezen stond, toen zij zagen hoe ik voor hen gezorgd had. Zij zeiden, dat -ik een vader voor hen was, en dat met een correspondent als ik, zij zich -niet vergeten geloofden in dezen afgelegen hoek der wereld. En allen -beloofden mij vrijwillig de plaats niet zonder mijne toestemming te -verlaten. - -Daarop stelde ik hun de lieden voor, die ik medegebragt had, zoo als den -kleedermaker, den smid en de twee timmerlieden; maar bovenal mijn -duizendkunstenaar, wien zij niets konden noemen daar hij tegen opzag. De -kleedermaker ging, om zijne gewilligheid te toonen, dadelijk aan het -werk om voor ieder een hemd te maken, en leerde de vrouwen daarbij met -de naald omgaan, en deed zich door haar helpen. Dat de timmerlieden -nuttig waren, behoef ik ook niet te zeggen; zij namen dadelijk al het -lompe onhandige huisraad onderhanden, en maakten knappe tafels, stoelen, -bedsteden, kasten, planken, en al wat zij van dien aard noodig hadden. - -Maar eerst wilde ik hen laten zien hoe knappe kunstenaars uit zichzelve -iets kunnen doen, en nam hen mede naar Willem Atkins manden huis, gelijk -ik het noemde; en beiden verzekerden nimmer zulk een vernuftig werkstuk -gezien te hebben, noch iets wat in zijne soort zoo regelmatig en knap -gebouwd was. Een hunner, na er lang op gestaard te hebben, zeide tot -mij: "Gij kunt er op aan, dat die man ons niet noodig heeft; gij behoeft -hem slechts gereedschap te geven." - -Vervolgens bragt ik al mijne gereedschappen aan wal, en gaf iedereen een -spade, een schop en een hark, want wij hadden geene eggen of ploegen; en -voor iedere plantaadje een houweel, een breekijzer en een dissel; met -bepaling, dat als een daarvan brak of versleten was, deze dadelijk -zonder misnoegen uit den algemeenen voorraad aangevuld moest worden. -Spijkers, krammen, hengsels, hamers, beitels, messen, scharen en -allerlei gereedschappen en ijzerwerk ontving ieder ongeteld zooveel hij -noodig had, want niemand verlangde meer dan hij gebruiken kon. Voor den -smid liet ik twee ton onbewerkt ijzer achter. - -Mijn voorraad van kruid en wapens, dien ik hun medebragt, was zoo groot, -dat zij er verrukt van stonden; want nu konden zij, gelijk ik gewoon -was, met een geweer op ieder schouder uitgaan, en wel duizend wilden het -hoofd bieden, zoo zij slechts eene niet onvoordeelige standplaats kozen, -gelijk zij altijd gemakkelijk doen konden. - -Ik had den jongeling mede naar den wal genomen, wiens moeder van honger -gestorven was, en ook de dienstmaagd. Deze laatste was een zedig, -welopgevoed, godsdienstig meisje, dat zich zoo innemend gedroeg, dat -iedereen haar gaarne lijden mogt. Zij leidde onder ons een onaangenaam -leven, daar zij de eenigste vrouw aan boord was, maar droeg dit met -geduld. Na eenigen tijd, toen zij alles op mijn eiland zoo goed geordend -en bloeijend zag, en bedacht, dat zij in Oost-Indië niets te verrigten -en geene bekenden hadden, kwamen beide mij verlof vragen op het eiland -te blijven bij mijn huisgezin, gelijk zij het noemden. Ik stemde -gereedelijk hierin toe, en hun werd een stuk lands aangewezen, waar drie -huizen of tenten opgeslagen werden met vlechtwerk, gelijk die van Atkins -verschanst, en aan zijne plantaadje grenzende. Deze tenten waren zoo -ingerigt, dat aan weerszijden een slaapvertrek was, en in het midden -eene groote kamer of schuur om hunne goederen in te bewaren en te eten -en te drinken. En daar de twee andere Engelschen hunne woning naar -dezelfde plaats verlegden, zoo bleven er slechts drie kolonies op het -eiland, en niet meer; namelijk die van de Spanjaards met den ouden -Vrijdag en hunne drie slaven, in mijne oude woning aan den heuvel, dat -inderdaad eene uitmuntende stad was, welker vestingwerken zij zoo wel -aan de binnen- als buitenzijde der heuvels uitgebreid hadden, zoodat zij -zoo wel veilig als in de ruimte woonden. Nimmer zag men zulk een stadje -in een bosch, of ergens ter wereld, geloof ik, zoo verborgen. Duizend -man hadden het eiland eene maand lang kunnen doorzoeken, en zoo zij niet -geweten hadden, dat het bestond, zouden zij het niet gevonden hebben, -want de boomen stonden zoo digt opeen, en waren zoo door elkander -gegroeid, dat men ze eerst moest vellen om de plaats te naderen, behalve -door twee naauwe ingangen, die niet gemakkelijk te ontdekken waren; de -een kwam vlak aan het water uit, wel tweehonderd schreden van de plaats, -en de ander was de reeds beschreven ladder, en de plaats, waar deze -uitkwam, was ook digt met hout begroeid. - -De tweede kolonie, die van Atkins, bestond uit vier Engelschen, die ik -daar vroeger achtergelaten had, met hunne vrouwen en kinderen; drie -slaven, de weduwe en kinderen van den gedooden Engelschman, de jongeling -en de kamenier, die wij ook voor ons vertrek uittrouwden. Daar woonden -ook de twee timmerlieden, de kleedermaker en de smid, die vooral zeer -nuttig was voor hunne geweren, en mijn duizendkunstenaar, die alleen zoo -veel kon als twintig man, en iedereen door zijne grappen opbeurde. Wij -trouwden hem uit aan de kamenier, die met den jongeling met ons aan wal -gegaan was. Dit trouwen brengt mij natuurlijk op den Franschen -geestelijke, dien ik van het brandende schip verlost had. De man was -zeker Roomschgezind, en in de oogen van sommigen zal het vreemd zijn, -dat ik met zoo veel lof van hem gewaag. Maar om hem regt te laten -wedervaren, moet ik zeggen, dat hij een ernstig, bedaard, vroom en -godsdienstig man was, onberispelijk van zeden, liefderijk van aard en -een voorbeeld in al wat hij deed. Wie kan mij laken, dat ik de waarde -besef van zulk een man, onverschillig of zijn geloof al dan niet het -mijne was. - -Het eerste gesprek, dat ik met hem had, nadat wij bepaald hadden, dat -hij mede naar Oost-Indië zou gaan, was mij uiterst aangenaam. -"Mijnheer," zeide hij, "gij hebt niet alleen naast God mij het leven -gered, maar mij toegestaan deze reis met u te doen; mijn gewaad toont u -mijn geloof, en aan uwe natie kan ik het uwe gissen. Ik mag het als mijn -pligt beschouwen, gelijk het ongetwijfeld is, te allen tijde mijn -uiterste best te doen, alle zielen tot de kennis der waarheid en de -aanneming van het Roomsche geloof over te halen; maar daar ik hier met -uwe toestemming, en als het ware in uw huisgezin mij bevind, eischt zoo -wel de kieschheid als de billijkheid, dat ik mij naar uw verlangen -schik, en ik zal derhalve niet zonder uwe toestemming over -godsdienstpunten spreken, waarin wij niet overeenstemmen." - -Ik antwoordde, dat ik getroffen was over de kieschheid van zijn gedrag; -dat wij, wel is waar, tot degenen behoorden, die men elders Ketter -noemt, maar dat hij niet de eerste Katholijke priester was, met wien ik -vriendschappelijk verkeerd had, en zonder dat onze verschillende -meeningen kwaad bloed zetten. Ik verzekerde hem, dat hij niet minder zou -behandeld worden om dat zijn geloof van het mijne verschilde, en dat zoo -er uit dien hoofde ongenoegen tusschen ons rees, het mijne schuld niet -zijn zou. - -Hij zeide, dat zijns inziens niets gemakkelijker was dan te spreken -zonder te twisten, en hij niet met ieder, dien hij aantrof, over -geloofspunten behoefde te twisten, en liever als een welopgevoed man met -mij wilde verkeeren. Wilde ik later met hem over zaken van godsdienst -spreken, dit zou hem aangenaam zijn, maar dan moest ik hem vrij laten -zijne meeningen te verdedigen zoo goed hij kon, doch zonder mijne -toestemming zou dit niet gebeuren. Hij zeide verder, dat hij daarom niet -nalaten zou alles te doen wat zijn pligt als priester en Christen van -hem eischte, ten beste van het schip en scheepsvolk; en schoon wij -misschien niet in zijn gebed konde instemmen, hoopte hij toch voor ons -te bidden.--Aldus spraken wij veel, en hij was niet alleen een man van -een allerbeschaafdst gedrag, maar ook van gezond verstand, en ik geloof -ook zeer geleerd. - -Hij gaf mij een zeer belangrijk verhaal van zijn leven, gedurende de -weinige jaren, dat hij in de wereld rondzwierf, vooral was het -merkwaardig, dat hij op zijne tegenwoordige reis vijf malen van schip en -bestemming veranderd was. Eerst was hij te St. Malo op een schip, naar -Martinique bestemd, gegaan, doch toen zij door storm Lissabon moesten -inloopen, hadden zij bij het opzeilen van de Taag gestooten, en moeten -lossen. Hij vond een schip zeilree liggen naar Madera, waar hij aan -boord ging, denkende ligtelijk een schip naar Martinique te zullen -ontmoeten, maar de Portugesche kapitein, die een bedroefd zeeman was, -geraakte zijn bestek kwijt en belandde te Fial, waar hij echter zijne -lading zeer goed afzette, en dus besloot niet naar Madera te gaan, maar -zout op het eiland Mai in te laden, en vandaar naar Newfoundland te -verzeilen. Hij was genoodzaakt mede te gaan, en had eene vrij gunstige -reis tot aan de banken, waar hij een Fransch schip ontmoette, dat naar -Quebec en vandaar naar Martinique bestemd was; hiermede dacht hij zijne -bestemming te bereiken, maar de kapitein stierf en het schip bleef daar. -Daarop ging hij naar Frankrijk scheep in het schip, dat verbrandde, en -ging toen bij ons aan boord om mede naar Oost-Indië te gaan. Aldus had -hij vijf mislukte reizen gedaan op slechts eene reis als het ware. - -Doch ik wil niet uitweiden over andere lotgevallen, die niet tot de -mijne betrekking hebben, en keer tot ons eiland terug. Hij vertoefde al -dien tijd op het eiland onder ons, en kwam op een morgen bij mij, juist -toen ik de kolonie der Engelschen, die het verst af lag, wilde bezoeken. -Hij zeide mij met een zeer ernstig gelaat, dat hij twee of drie dagen -lang eene gelegenheid gezocht had tot een onderhoud met mij, hetwelk hij -hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn, omdat het, naar zijne -meening, eenigzins met mijn oogmerk strooken zou, namelijk den voorspoed -van mijne kolonie, en om op deze, misschien meer dan thans, Gods zegen -verwerven. - -Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe, -mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand -en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald -heb?"--"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten -uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt -gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben, -dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods -zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar," -vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo -kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen, -en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van -Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en -Gods toorn tegen hen verwekte." - -Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij -zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had, -en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de -plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen, -en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij, -dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen -wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig -en openhartig met mij te spreken. - -"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige -grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat -ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon -vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen. -Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst -verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen -zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij -overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God -is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te -gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen -overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat -deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk -erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene -opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal -ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat -zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden -Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel, -en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij -hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij -toestaat mij in deze zaken te mengen." - -Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij -gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht -hem mij zijne meening nader uiteen te zetten. - -"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken, -en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen -moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg -geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik -ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw -genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier -Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder -verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op -eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen, -en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen -aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te -volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of -huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de -Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis -tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter -geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen, -maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar -de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge -toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen, -maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt -elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met -eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft, -en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en -de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt." - -"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de -gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken, -aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen, -terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe, -mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe -zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op -zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden, -die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij -staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?" - -Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de -krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er -geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen -opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts -door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze -vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch -hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant, -een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken -was, dat het niet geschied was. - -Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat -dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren -zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer -te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel. - -"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot -verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik -smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te -doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende -al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het -verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen -ophouden, en in niemands magt anders." - -Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde, -door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en -niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem, -dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor -in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo -verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat -gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze -van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon -dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit -even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door -eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken -in Europa geldig zal geacht worden." - -Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver -aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk, -en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige -betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks -gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een -schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij -gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem, -en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom -zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even -geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had. -Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten. - -Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik -mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk -voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te -zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche -onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze -vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs -lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige -vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de -Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een -God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare -eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en -ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid, -die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel -vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden, -vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan -hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een -hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen -waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne -verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het -rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien -ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de -opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij -allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd -zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des -duivels." - -Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte -hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de -kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor -Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit. -"Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"--"O, zeg dat niet, -mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."--"Neen, neen," -hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"--"Het -is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te -overijld."--"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op -mijn vertrek."--"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te -spreken?" vroeg hij.--"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal -zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."--Hij hernam: "Dat moeten wij -aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen -behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het -mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme -onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot -het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier -zijt."--"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank -daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen. - -Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is -van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even -rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo -uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene -grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook -behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het -Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort -te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk -zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere -geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de -gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis -van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen. -Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of -zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper -en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene -gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de -belooning voor een geheel leven zou uitmaken." - -Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag -hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst, -wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen -oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht -hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld -zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne -verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts -van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden -terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden -staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en -mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten, -mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."--"Neen, -neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben -geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat -ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik, -"in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met -een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op -te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders -komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou -blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als -liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op -liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat -het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf -hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in -denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik -zoo wonderbaarlijk verlost ben." - -Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het -hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende, -dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde. -Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker, -mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te -zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen. -Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het, -als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf -onderneemt, dan het van mij te eischen?" - -Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor -mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor -zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo -gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne -doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en -moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene -heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere -verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide, -hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde -over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik -wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te -vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo -ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het -ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te -bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal -bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij -hun eenig goed kon doen of niet. - -Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij, -mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde -gaan?"--"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den -Indianen te prediken."--"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat, -als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan -bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer -het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard -dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks," -vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het -gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik -nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar -gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn -leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."--"Wat is -dat?" vroeg ik.--"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij -mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij -niet kunnen verstaan." - -Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene -redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn -reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer -genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk -te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een -Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en -zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester -een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot -zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en -ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon -het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij -mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den -anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om -hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke -onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk -hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te -verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij -evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid -ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch -geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was -hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering -der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later -anders. - -Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen -kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben -voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad -ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te -spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen -juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe -onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij -gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen -waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze -vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder -dat zij wettig met haar gehuwd waren. - -Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand -was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden -hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en -behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig -met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met -alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat -zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt -haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten -anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de -arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder -bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen -helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder -verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou -alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en -dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen, -ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven -voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke -wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen. - -Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem -Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne -vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij -haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen -zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen -deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat -hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen -en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet -zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als -er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen -met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat -oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de -proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als -hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er -zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide, -dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was, -dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen -het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de -geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat -ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een -Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd -had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen -priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen -hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en -verhaalde hem wat het volk mij gezegd had. - -Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden, -dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde -vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne, -ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want -dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en -het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden -morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden -verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare -mannen in geen geval te verlaten. - -De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden, -gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen -in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch -een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg, -droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de -kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van -hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne -aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het -Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam -allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den -beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het -geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde -volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de -vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter -zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun -daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had -medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde -sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun -daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle -maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd; -dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen -trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog -eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk -weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche, -afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd -was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te -halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder -welke hij haar niet doopen kon. - -Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de -godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne -vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon, -ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen -over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden -zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren -dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen -strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door -Goddelijke wetten verboden. - -Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na -mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts -somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe -volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van -den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij -zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen -waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken. -"En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem -Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en -Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij -zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat -wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de -slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf -wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote -schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds -tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil, -zelf eenige godsdienst hebben."--"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees, -dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw -niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een -godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch -spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles -geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien -wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo -onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de -waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft." - -"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar -iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar -zijn kan?"--"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.--"Wel, mijnheer," -zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is -of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens -haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden -is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het -tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of -wat ik behoorde gedaan te hebben."--"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar -al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan -den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot -den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt -berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit -slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten; -hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder -van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze -goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den -dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij -dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den -dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van -een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte -zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven -zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te -deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen." - -Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en -blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken -had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat; -maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te -spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw -ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God -en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas! -(hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen) -daar is voor mij geen denken meer aan."--"Geen denken meer aan," zeide -ik, "hoe meent gij dat?"--"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik -meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar." - -Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De -ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor -het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet -bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is -hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij, -dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde: -hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn -eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar -integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten -maken.--"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij -geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken, -om aan zijne ellende en angst een einde te maken. - -De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde, -maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat -het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid -ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn -lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat -zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het -bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het -nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken; -en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde -vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat -het daartoe nimmer te laat is." - -Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde, -maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat -hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij -spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van -godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij -gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over -te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te -halen. - -De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het -hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan -vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat -wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar -geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest -is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen -niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw -van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst -spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf -te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die -weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar -geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om -een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal -spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden." - -Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het -Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere -paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene -poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins -gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende, -dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden, -waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht -hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar -het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den -rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw -zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was, -en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer -ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde, -dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees. -"Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij -zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee, -hen zelven gemaakt heeft."--"Ik geloof het ook," zeide ik.--Atkins stond -thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te -hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten -en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet -opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den -geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne -moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij -zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook -gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins -zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee -of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij -hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste, -eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen -voorttredende, knielden beide neder. - -Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit: -"Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou, -en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit -tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge -priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze -afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij -weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en -Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik -smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te -slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun -gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen. -Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik -trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde -over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg -aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde, -zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was. -"En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van -tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen -zullen werken."--"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar -kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt -volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen -zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal -nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken -kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een -blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend," -zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen -tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te -bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot -der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid -te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer -verdoemd als de heidenen zelve." - -Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk, -een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de -leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik -niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan -u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de -Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van -Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne -kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop, -dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen -tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid -goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd -vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en -een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op -eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt, -en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en -zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat -gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne -eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die -gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie -nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed, -schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat -God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis -der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne -heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij -zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader -bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op -het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk -zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te -zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden -van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God -baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij -heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht -geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten -nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen." - -Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen -Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans -bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen -Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook -behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid -zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd -dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten -wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten. - -Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand -vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als -gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de -Inquisitie u spoedig beet pakken!"--"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet -niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou -hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen -ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets -meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons -wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen -gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons -te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te -vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw -vader?" - -Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een -geestelijke. - -Robinson Crusoe. En uwe opvoeding? - -A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van -alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier. - -R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een -beest gelijkt. - -A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood -aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn -armen vader den dood aangedaan! - -Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op -bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!" - -R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt -uwen vader niet met eigen hand vermoord? - -A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet -over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste, -onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde. - -R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat -Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve; -maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch -niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst -wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde. - -A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft -het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens -onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die -wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste. - -R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet -aanhooren. - -A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn. - -R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke -boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne -ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader -zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op -verre na zoo groot niet is als het uwe. - -Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans -berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het -gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats -van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een -treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan -den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb -ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen -onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het -eiland tot Christenen maken." - -Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met -Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt -in deze zaak?" - -A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard -het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst -gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te -halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal -vergeten. - -R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat -uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd. - -A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht. - -R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is -voorgevallen; ik weet er reeds iets van. - -A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk; -ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge -gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te -doen en mijn leven te verbeteren. - -R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is -waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als -zij dat bewerkt heeft. - -A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het -huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene -onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en -geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen -en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven, -en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden. - -R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen -wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden -kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op -maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter. - -A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het -tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar -misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als -wij. - -R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen? - -A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land. - -R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was? - -A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze -met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het -eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste -gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden. - -Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven, -nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het: - -De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land? - -Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal. - -V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude -Benamoekie God. - -A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in -den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is -gemaakt. - -V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet. - -Atkins lachte over deze uitdrukking. - -V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen. - -Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne -ernstiger dan hij. - -A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen. - -V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft? - -A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen -gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij -leeft eeuwig in den Hemel. - -V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd? - -A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u -met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde. - -V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet -o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk. - -A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel -was en als had Hij geene magt op aarde. - -V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven? - -A. Dat is onze eigene schuld. - -V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan -u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet -dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet? - -A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God -is genadig en straft ons niet naar verdiensten. - -V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank? - -A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem -gevreesd heb om zijne magt. - -V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk, -zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt. - -A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven. -Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte -leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet! - -V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den -Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker -weet Hij niet wat gij doet? - -A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij -doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet. - -V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen? - -A. Ja, ja, Hij hoort dat alles. - -V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt? - -A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat -bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom -worden wij gespaard. - -Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne -vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de -geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden -had durven verrigten. - -V. Genadig; wat meent gij daarmede? - -A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons. - -V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is -Hij ook zelf niet goed en niet magtig. - -A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te -straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren. -Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd. - -V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met -hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als -Hij het op anderen is. - -A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner -langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere -zondaren. - -V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem? -Zegt gij hem geen dank daarvoor? - -A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar. - -V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt -heeft. - -A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die -mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb. - -V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken, -ik zou geen kwade slechte dingen doen. - -Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom -onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een -snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon, -wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest -voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo -slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden. - -A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u -reeds en elke gedachte van uw hart. - -V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem -verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft? - -A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden, -dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik -onwaardig ben u te onderrigten. - -De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou -leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te -willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem -zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der -godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten, -en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen -en de handen opheffen. - -V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien -spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles? - -A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen -Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe -oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad -Hem. - -V. Waarom zeide gij O tegen Hem? - -A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich -aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam. - -V. Kan Hij dat doen? - -A. Ja. Hij kan alles doen. - -V. Maar hoort Hij wat gij zegt? - -A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen -verhooren. - -V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken? - -A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op -verschillende wijzen aan ons geopenbaard. - -Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons -in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk -zeide hij haar het volgende: - -A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit -den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met -zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek -geschreven. - -V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek? - -A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd -te bekomen en u daarin te leeren lezen. - -Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij -geen Bijbel had. - -V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te -schrijven? - -A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is. - -V. Hoe weet gij dat? - -A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig -is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken, -en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van -aard of boos in de gevolgen is. - -V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle -goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen -leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij -mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil -zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles -zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof, -dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u. - -Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed -hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H. -Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den -Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door -hetzelve Hem leeren kennen. - -Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en -nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb. - -Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te -deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne -eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen -van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet -langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan -zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig -zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood -waren. - -Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het -echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen -Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij -geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te -trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te -kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en -wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij, -"schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken, -dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een -godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van -het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven; -maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van -Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het -geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de -opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat." - -Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte -dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken -had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over -zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare -bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar -de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij, -zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was, -dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat -mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven. - -Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester -en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer -werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een -Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de -opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken, -en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der -Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt -de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de -verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing, -gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met -vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting, -die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op -haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe -aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo -mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide -mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop -geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet -wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde. -Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven -gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der -vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij -verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in -den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand -daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen -uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was -Fransch, of sloeg er geen acht op. - -Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten -was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende -wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door -eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat -zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield -hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het -Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te -verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou -zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop -in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch -overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag -voor de aangenaamste mijns levens gehouden. - -Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart -hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij -daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze -onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze -misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader. - -Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik -toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de -uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij -vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met -hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten -wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet -onaangenaam zou zijn. - -Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was -geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin -geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid -bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de -dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de -wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar -ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij -zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp -waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het -duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat -beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel -bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij -daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg -was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem -naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier -te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en -gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij -niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf -met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als -een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als -ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou -vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou -medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en -waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje, -hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn. - -Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te -meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen -huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in -Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op -maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem -verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden, -noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit -beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar. -Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer -braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en -van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het -noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op -den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar -gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het -geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met -alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof. - -Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader -naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk -aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene -plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk -grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen -verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan. - -Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer -ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en -godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval -stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij -deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij -alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen -verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en -grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het -regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen -met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond -terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom -voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf -jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze -acte kwam, om die te vragen. - -Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen -beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik -nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap -te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek. - -Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene -soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd -was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te -verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te -doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg -viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve -voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags -vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als -dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te -erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik -hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat -zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet -behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en -gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of -vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de -verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende -wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de -hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den -inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan -mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts -uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins -en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden. -Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid -toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte -oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was -woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om -hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en -komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en -ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de -planters niet door hen verontrust werden. - -Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de -bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen -kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt -daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen -verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die -onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou. - -Hij stemde daarin toe, _bijaldien_ ieder zich moeite gaf, "maar," zeide -hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te -willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een -voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het -zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk -waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen -hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen -Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de -wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God -en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder -elkander over de Godsdienst zouden twisten. - -Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag, -want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter -wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb, -en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze -verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had, -voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was -deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de -wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb. - -Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de -noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had; -waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor -mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond, -waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid -van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij -werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter -gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn -zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de -jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken, -hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij -elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide -ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met -zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden. -Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig -was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden; -zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge -vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te -blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat -Gods zegen met haar zijn mogt. - -Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek -hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den -zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u -misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet -spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met -beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat -God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek -waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons -gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne -vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij -eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans -gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo -beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een -bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was -te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan -de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden -verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat -daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later, -zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor -onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was -onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor -zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels -om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig -mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle -ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of -aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de -kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij -immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere -indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor -den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst, -dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met -nog onwetender dan hij te doen had. - -Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de -hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele -volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar -waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van -heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde -mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan -boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd -te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen. - -Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van -honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het -scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun -lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar -of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is -van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij -het volgende verhaal: - -"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en -leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer -hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag, -nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond -flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op -eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna -ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas -wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder -misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik -duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den -geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets -dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te -Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige -voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn -ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik -dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar -door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne -hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als -iemand die dronken is. - -"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer -dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger, -en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder -ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde -ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij -gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van -verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van -een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed -sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en -verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de -hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger. -Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel -ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig -kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich -denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek -tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen -naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam -nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en -gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er -in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de -wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde -eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen, -want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval -mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp. - -"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij -verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan -haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en -ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft. - -"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte -barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag -van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood -geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo -onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel -voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve -in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den -vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig -en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik -naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger -gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit -was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik -drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk -misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als -razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder -krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts -sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn. - -"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen, -en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een -weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij -toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had -geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij -slechts weinig teekens van leven geven kon. - -"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen -van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen -evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een -zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo -zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge -meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de -kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert -twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons -gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat -zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren -wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden." - -Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk -verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor -volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even -zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne -dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar -leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds -bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe -geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit -alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger -binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander -ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun -nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder -uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in -het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug. - -Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik -medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden -van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat -zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of -misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een -dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en -godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die -ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke -overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een -aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf -moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen -daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien -zal. - -Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden -staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig -dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam -afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen -zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee, -daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder -hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van -vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in -de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet -te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en -N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land -ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was, -weet ik niet. - -Den derden dag echter tegen den avond zagen wij bij stil weder en eene -effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet -zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot -want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende -met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets -dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger -en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die -naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef, -de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het -eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij -wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij -zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad -inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land -dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij -zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was. - -Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te -ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets -te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de -sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te -leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen, -als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop -kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender -schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend -kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd -vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien -man en meer, en de minsten zeven of acht. - -Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt, -welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst -schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter -steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij -riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze -begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste -kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de -handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en -opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een -matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij -reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van -waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder -mogten schieten. - -Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven, -zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet -bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude -kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad; -daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat -wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden, -als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om -hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden -weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner, -die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt -achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar -onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig -voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden -tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten -man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en -drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij. - -Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den -medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot -en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo -als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en -onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier -hunner kanoes verbrijzelde. - -Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste -gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij -ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten -met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou -hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij -mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk -hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd -voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en -ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst -of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een -schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of -omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard -weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes -gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een -uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons -schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want -binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op -drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar -dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil. - -De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken -wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik -wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield -mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het -hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep -na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk -namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik -alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken. - -Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en -had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen -knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het -duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met -der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat -handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets -van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het -spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong, -lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen -de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met -hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel, -en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten. -Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het -groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even -als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een _e_ -achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch -leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen -afleeren. - -En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid -van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en -plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord -gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den -trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had. - -Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer -twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste -van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in -het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later -lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner -redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is. - -Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan -ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om -eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog -leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee -gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het -eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich -herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der -Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven, -haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur -verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht -matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke -voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch -iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste -moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen, -die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had. - -Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering -begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar -zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen -tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden -moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne -geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond -ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander -einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland -had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den -voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen -was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij -het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn -compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan -wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te -zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat -deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en -gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar -hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf -hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede. - -Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon, -dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het -ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak -is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een -ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te -houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te -ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een -stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag -genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En," -voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem -toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij -zeker levend verbrand worden." - -Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan -boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai -was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren -gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik, -en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte -van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij -medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter, -de Portugees namelijk, in den grond verstond. - -Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf -kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen -moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche -vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards, -dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar -trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij, -dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen -in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters -bij zich had. - -Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer -aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de -zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen -niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van -hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië -teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal. - -Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te -komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne -gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets -anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne -eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die -telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en -teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed -tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood -behoedzaamheid inprenten. - -Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij -en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich -achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in -Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland -gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei -noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de -regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen -eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had -ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam -van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik -gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje, -met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes -maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit -gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een -verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot -zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in -de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen -op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als -ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van -eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig -rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven, -maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk -onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn -invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt -hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige -toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar -gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de -laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat -hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief -eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar -niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd -waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken -waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter -eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij -mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen -dood hun vaderland mogten terug zien. - -Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn -leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe -dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels -regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de -Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken, -en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste -verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug. - -Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk -godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon -zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het -toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te -volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem -gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot -ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot -dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van -de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle -vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen. - -Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden -wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene -gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere -ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even -zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen. - -Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over -alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot -een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier -mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door -mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun -goedvinden. - -Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken -uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en -afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook -derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de -inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen -gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene -poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor -eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten -zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij -slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten. - -Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven, -en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien, -ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de -oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons -heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met -hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen -gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een -boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk, -naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap -is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit -te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is -eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie -takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus -binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de -markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene -wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en -lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun -eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt, -loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is -geëindigd. - -Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan -gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij -bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen -betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was -rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het -strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om -als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een -steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er -een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik -het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust -begaf. - -Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den -wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met -de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord -zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit -vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het -scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren, -als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat -er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep -dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord -hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten -spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in -te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De -onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner -hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede -konden zij weinig uitrigten. - -Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar -drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de -boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden -als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met -hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de -doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's -Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan -zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons -ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het -maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het -strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren -geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van -sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter -tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard, -waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen. - -Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons -zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en -zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met -hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag, -doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende -hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste -het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en -zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe -niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven -zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene -lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand -hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit -aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker -achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden, -en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra -wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van -boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene -schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte. - -Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar -de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die -hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners -ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden -gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd -hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was -komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten -had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij -niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens -het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos -wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het -gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was. -De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen, -den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen -drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het -was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren. - -Een van ons volk was bij het begin van den aanval door een werpspies -gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn -kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het -geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want -wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee -geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten -het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles -vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden -had, ware het verlies zoo groot niet geweest. - -Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets -van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik -volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij -de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij -geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten -verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam, -alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo -heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde. - -De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij -landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen -tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik -hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige -teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik -hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij -deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden -in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een -onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch -hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op -eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den -beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op -struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk. -Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden, -hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan -opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij -duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig -lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren. -Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel -afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben. - -Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik -naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat -zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij -hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al -hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel -Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden. - -Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar -boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te -loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die -eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste -belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij -en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en -stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee -van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik -dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder -mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga," -zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"--Jack zeide ja, en toen -volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten -mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te -blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik -de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou -zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield -hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde -lot als Tom Jeffries wilden ondergaan. - -Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat -zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en -daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te -denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun -een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken, -en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er -nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken; -zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden, -beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug -zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur -vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij -vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten -wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed -gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen -hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of -dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter -onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel -goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht -gaande, en hen tot baarlijke duivels. - -Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen -half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige -weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het -dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden -overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en -het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het -naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den -anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten -zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en -gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze -besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe -behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los -maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan -volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en -de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat -volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan -verscheidene huisgezinnen woonden. - -Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad, -en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen, -op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar -buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden -wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen -plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken, -om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te -trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl -zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans, -dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en -het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met -afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin -zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door -onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander -spreken. - -Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo -verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in -hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo -onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben. -Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar -zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en -met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig -vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op -vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden -zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte -wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar -de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot -en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een -handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar -binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de -bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun -koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden -zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de -vlammen omkwamen. - -Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet -spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de -snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo -hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij -genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de -bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te -maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom -Jeffries!" - -Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral -toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons -schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der -vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe -de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook -hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken. -Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden -was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij -al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en -ging zelf met hen naar den wal. - -Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee -matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat -er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds -heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te -wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en -de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk -bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het -behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders, -voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en -hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als -vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat -hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk -niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de -reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij. - -Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij -zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus -twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te -halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij -terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen, -zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele -equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten -twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren. - -Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen -regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans -waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en -deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het -stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik -had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van -Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef -gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die -het hooren daarvan ons aanjaagt. - -Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de -vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene -hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel -verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen, -en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen -zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het -onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of -anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend. -Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens -de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een -weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende -vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of -zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter -hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor -onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook -voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de -anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en -twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren. - -Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie -Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn -volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme -vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk -kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een -droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden, -waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde -oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk -eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij -bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken -en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend -wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden -onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde. -Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk -gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die -een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond. - -Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar -kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens -opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over -dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden -kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en -gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen -onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door -hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar -nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden, -en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden -en naar ons toekwamen. - -Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden -te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik -ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die -honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme -Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen, -wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging -hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon -voegen. - -Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche -schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een -van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij -uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten -een lijk." - -"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan -hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en -daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan -een boom hing. - -Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen -tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep -dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van -Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want -hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne -taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had, -even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel -moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide -mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene -groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood -verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als -moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van -mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar -ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik -bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk -gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet -uitstaan. - -Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met -deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas -van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans -dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen -gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer -veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen -mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging -ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk. -Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas -was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde -een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam -ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat -gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van -gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en -kinderen lieten zij hier ongemoeid. - -Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn -te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij -opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar -rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk -hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de -geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf -matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand -ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen -en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij -zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond. -Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet -verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren. - -Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk, -maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als -gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in -de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne -onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij, -ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien -zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen -bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd -gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen -meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik -niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus -aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder -zeil. - -Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden, -doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen, -vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut -overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat -hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden, -alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing. - -Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een -ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods -zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden. -Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was -ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den -wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen -daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit -tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den -wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen -dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt -hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te -verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was -geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en -zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens -goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond. - -Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder -heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet -anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun -te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken. - -Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de -kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar -hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens, -en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar -China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen. - -Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het -aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren -afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige -bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de -sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende -straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder -ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het -gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen -zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den -mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den -moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon -het volk dit kwalijk verduwen kon. - -Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen -dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had, -kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt, -en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had, -hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip -te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer -verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en -hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo -ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had -bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet -veilig als ik met hen aan boord bleef. - -Ik hoorde hem vrij geduldig aan, tot hij gedaan had, en zeide toen, dat -ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen -zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te -kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was -waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook -niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons -allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij -de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het -schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en -meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan -eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden. -Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede -afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de -plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan -wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het -volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven -om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar -boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig -verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de -bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te -zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord -had. - -Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en -wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou -komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te -gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen -sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds -geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de -onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen -en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman -eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na -eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den -kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld -jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten -doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te -verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich -getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord -wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip -zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord _allen_ -keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein -was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen; -allen, iedereen!" - -Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest, -en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat -hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst -gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en -onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets -baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op, -dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder -aan boord te komen. - -Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te -danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun -ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en -dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit -bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den -kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit -hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het -schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever -het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te -behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over -spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te -zien de zaak te schikken. - -Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met -mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als -ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de -kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met -hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt, -kwam hij dan ook bij mij. - -Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met -geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip -vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten -achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen -ik alleen op het eiland was. - -Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde -wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het -schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich -om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik -verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den -wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik -kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer -aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en -zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had -toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak -afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te -overwegen welken weg ik thans moest inslaan. - -Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag, -want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik -op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door -het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te -water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door -de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italië en zoo over -land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de -helft van den diameter des aardbols bedragen. - -Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen, -die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te -gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de -Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar -verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of -kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend. - -Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene -behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van -zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen, -hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel. -Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter, -de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te -blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het -huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden, -doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde -niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een -besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige -Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn -neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer -achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben. - -Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en -gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije -diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan -altijd mijne bezittingen kon medevoeren. - -Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene -gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen -morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en -met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen -voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als -hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn -wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel -der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door -ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als -gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het -beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik -koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden -wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de -hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden -wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere -luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?" - -Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige -en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne -omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de -koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element -niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der -wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter -eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en -toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche -matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en -de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te -houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een -konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie -Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen -doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te -maken. - -Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het -weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij -bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen -over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen, -dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam -gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden; -daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist -zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene -zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen -terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich -dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in -zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond -Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men -nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen, -gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als -retourgoederen voor de tehuisreis. - -Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste -onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van -handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in -verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te -maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren -oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht -om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel -onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in -een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij -de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve -was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot -verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als -zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken -was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog, -dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien, -maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel -der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk -ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als -ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld -gezien. - -Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om -het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor -eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig -handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste -voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de -zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring -hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den -anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen -dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van -verzadigd is. - -Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te -zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te -slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om -zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de -Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading -nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen, -maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo -ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd -is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren -spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te -halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat -reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst, -aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het -rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij -volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene -eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden -terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige -notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze -naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug -ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld. - -Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend -en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet -beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft, -en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te -gapen?"--"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik -begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u -zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er -lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als -ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik -zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten." - -Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van -Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar -Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij -zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had, -om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat -hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij -maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij -vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik -ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over -na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat -groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip, -betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten -wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst -wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij, -gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel -van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en -eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de -groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar -Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken. - -Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid -van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een -gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt -zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de -wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige -dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen -waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel. -Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den -kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld -waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door -te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten, -terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van -welke wij later meer zullen hooren. - -Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke -wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper -hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden, -zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht -gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip -op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf -voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij -wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden -hadden, sloten wij den koop. - -Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan, -en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de -Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met -beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes -jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in -het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst -zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten -ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de -andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit -moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat -wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij -verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter -dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen, -want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt, -omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt -noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt. - -Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal -gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen, -konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiëvaarder, die op dezelfde -rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak -mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik -heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak -aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het -iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u -dan, om het mij te zeggen?"--"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt, -en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij," -hernam hij.--"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide -ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar -ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden -kan."--"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier -te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet -gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en -dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie -Hollandsche schepen liggen?"--"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam -ik.--"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke -avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te -loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij -in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen -hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg -baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins -scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend! -waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik -ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?" - -Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met -eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij -afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor -goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee -steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks -zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal -men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had -gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke -zaak anders zoudt hebben opgenomen."--"Ik ben nimmer ondankbaar," -antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene -dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij -kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is, -en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord -gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder -dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden -hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?" - -"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen -zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen, -maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan -het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te -Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de -Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar -aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd -hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers -opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet, -dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in -hunne handen vallen." - -"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon -ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene -eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede -zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te -meenen."--"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij, -"uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven -en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra -het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al -ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig -(Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het -verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen -zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."--"Ik -heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit -vergelden?"--"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij -niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets -voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip, -waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is, -zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en -zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de -lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over." - -Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord. -Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij -verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt -ook."--"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het -anker."--"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er -gaande?"--"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk, -en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag -vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon -de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons -echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er -gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons -het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog -niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te -zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt -werd.--"Jagt, door wie?" vroeg ik.--"Door vijf sloepen met volk," zeide -de man.--"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik -liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men -voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te -behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij -antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw -blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden -afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde -verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang -mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te -beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij -ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen -mogten hebben, om onze beschotten open te breken. - -De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter -te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met -geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed -maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene -tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde -vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij -slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden -zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen -vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij -een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en -heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar -zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen. -Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden, -heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij -vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper -konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun -leven liefhadden. - -Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen -spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles -van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen -volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde -kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot -trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor -het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet -te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere -boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren. - -Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de -andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en -wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen -de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te -onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen -geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop -haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit -en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en -wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en -een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad -onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan -niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de -boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den -steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren -geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel -nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot -begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik -hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen -van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan -boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte -drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na -veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij -zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere -drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de -jagt opgaven. - -Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik -verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat -wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen. -Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van -alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere -handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te -ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu -het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had, -niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij -verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens -naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk, -vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch -gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij -in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene -boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen. - -Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van -het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden, -en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip -doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had, -die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee -Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste -gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter, -gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te -verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen -waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te -meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar -hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om -regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder -eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan -het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot -de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens -regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces -opgemaakt te worden. - -Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik -hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen -terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij -verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te -worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten, -zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs -tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn -gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen -zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk -weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te -stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te -verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden, -terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N. -Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het -gewone vaarwater. - -Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de -passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene -lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren, -en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten -ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor -ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons -gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen, -dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte, -waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke -omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief -vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat -staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of -liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan -toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene -kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden, -zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste -soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen -zou hebben. - -Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te -redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo -neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was -geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij -mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat -hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen, -en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen -behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de -zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China -te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en -moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen -voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het -gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij -waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg -voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te -weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen. -Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van -Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen -er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar -dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen -afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des -namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus -zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij -lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met -hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het -echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden -vermijden. - -Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het -noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust -tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs -de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren. -Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners -aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen -in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan -ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo -eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk -tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra -een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid. - -Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij -eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt -op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij -de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo -digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren, -onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en -het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus -het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was, -naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij -den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien -hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen -liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en -in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde -geslagen was en aan den grond zat. - -In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of -twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af, -ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons -vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want -hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd -waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan -de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende, -gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en -wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun -oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip -gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood -toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was -spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben, -schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu -allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te -redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij -eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve -sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons -aan. - -Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene -ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet -wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den -steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat -zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen, -die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip -overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten -konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald, -en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk -aan te pakken als hunne gevangenen. - -De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke -sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te -geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar -hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en -rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en -zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man -onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam -terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij -vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp -weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun -gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man -waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning -en bovendien vrij wat stof tot lagchen. - -Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te -breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken -te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met -kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de -scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten -ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende -goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot, -waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn -brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren, -dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en -riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop -stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en -hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in -de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te -zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord -had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen -schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen -heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het -geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer -hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de -grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb. - -Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen -omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar -vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve -van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en -dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het -dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging -ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden, -daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat -het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is, -noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele -onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al -vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij -kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend -mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin -zal toestemmen. - -Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn -compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind -gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel -verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik -riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem -klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten, -waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst -zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af -waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die -onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar -wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede -varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken, -wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden -morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel -mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord -in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen -afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar -wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was. -Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip -thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij -wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen, -die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts -hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus -N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen -of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder -in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien. - -Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij -naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde -buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder -Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa -bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen. -Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer -eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle -landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel -van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen -verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke -godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen -zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt. - -Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van -de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij -waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo -mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit -land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het -bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever -in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen, -besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen -wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude -Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die -wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop -zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons -thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik -met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste -punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar -zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er -onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz. -voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de -geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede -gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld -even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon -den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij -niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien, -en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen -keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide -de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen -in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte -stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren -doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels -geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang." - -"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of -gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen -gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch -schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans -banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in -staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel -grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en -zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want -ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"--"Neen," -zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der -wetten van hun land zijn."--"Wel," zeide hij, "gij zijt geene -zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam -koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn -gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen -verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man -bespeurde dit dadelijk. - -"Mijnheer!" zeide hij, "het schijnt, dat mijne woorden u eenigzins -verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van -dienst zijn, wat ik kan."--"Het is waar," hernam ik, "ik ben -besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van -zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht -tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts -zwak bemand zijn."--"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er -in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat -er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam -gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip, -dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper -gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan, -nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra -vermoord waren." - -"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den -kapitein vermoord?"--"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij -naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem -aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken, -vermoord hebben."--"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het -zelf gedaan hadden," zeide ik.--"Zeker verdienen zij dien," hervatte de -oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of -Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken -geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen." - -"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten; -hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"--"Het is waar, dat men dit zegt," -hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de -rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord -geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en -daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen, -was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste -goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar -hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen. -Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk -herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen -geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te -hangen,"--"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of -onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"--"Och!" zeide -de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt; -laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken -verdienen niet beter." - -Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad -kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik, -dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche -en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die -Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn, -die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en -menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt -te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te -straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden -doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog -eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de -geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen -mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft." - -Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles -wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het -vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik -zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord -was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren; -maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de -waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo -verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in -onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording -kwam. - -De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij -Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te -verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te -laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het -u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik -zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik -een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij -zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene -Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel -verschaffen.--"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo -goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige -onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn, -dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip -zullen zij hen als schuldig houden."--"Dat is zoo," hernam de oude man, -"maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer -goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak -ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat -zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan." - -Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen -zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig -vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en -ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen -compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden -aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of -haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen -handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen -Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen -gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen -verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik -daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter -geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds -eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan -kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te -gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige -anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water -viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het -anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide: -Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal -aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren -waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen -als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets -zonder geld. - -Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij -waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne -voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op -iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan -weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder -alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand -zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige -Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een -leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle -inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone -uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of -Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden -verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen -verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden -onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen -overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan -boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en -die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige -krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat -wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan -boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die, -naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was -geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen -en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden. -Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne -handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers -waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde -ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die -misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en -Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen -afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of -wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar -onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele -opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek -zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige -zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat -toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze -bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen -moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen -zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen -werd, daarvoor te houden. - -Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik -droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te -dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom -zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik -een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het -beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed -mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou. -Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling. -Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders -daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door -pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en -dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst -van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met -elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles -ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de -gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te -handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of -pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo -behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording -geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor -later gestraft werden. - -Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne -omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig -leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar -iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door -mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen, -vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu -op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest -worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die -begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen. - -Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over -mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor -de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat -ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals -had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk -of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden. - -Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het -besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te -laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen, -die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden. -Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel -bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans -vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze -gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te -fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als -dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen. - -Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze -vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij -gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen, -en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods -en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons -allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last -ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met -dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees, -dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en -een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot -huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote -bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het -schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een -wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor -de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld, -ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen -veilig waren. - -De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige -jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in -China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de -eigenaars zich aan wal bevonden. - -Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met -drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om -de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen -maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman, -vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig -en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees. -Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren -terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de -inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met -hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal -bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden -tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet -verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het -eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren -zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun -verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en -de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij -moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren -doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel. - -Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het -schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het -verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te -wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te -trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met -hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van -dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten -zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te -zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend -bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw, -zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen. - -Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen -vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem -mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk -op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo -naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet -liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."--"O," -antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken; -mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog -niet bekeer?"--"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen -weg over voorprediken?"--"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze -godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier, -als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een -katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide -beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder -elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij -denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had; -doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon -men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij -echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en -vroomheid van dien waardigen geestelijke. - -Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met -aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere -zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij -wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig -handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de -Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te -hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet -wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche -loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij -hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden -prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in -Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf -oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij -op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den -tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de -schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de -zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen -voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons -gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop -zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij -hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren, -om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan -hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en -als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar, -en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede -te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en -dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de -Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan -kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in -Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om -hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik, -bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën -als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de -Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder, -arglistiger en verraderlijker zijn. - -Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij -eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om -naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien -mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en -zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde, -en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde, -maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als -ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland -terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou -afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig -lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten -overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot -ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem -den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer -edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig -schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw -hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in -het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen, -en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading -verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn." - -Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk -een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het -scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan -hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de -andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was -een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem -eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër -zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen -naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen, -waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte -nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was -en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te -verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening, -waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te -krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van -Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar -Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te -gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en -ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans -zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een -schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug. - -Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk -denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas -gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia -liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun -veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren, -want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip -doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen -men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te -steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de -hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit -verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar -ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de -gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed -hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander -zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij -zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar -de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den -Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en -tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige -kerels. - -Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn -vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld -naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer -duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts -te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren, -over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij -allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche -jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te -wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen -hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze -goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij -altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons -vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis -van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel -verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter -niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die -elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat. - -Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek, -hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun -rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen, -dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als -gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd -hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering, -manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo -bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en -domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar -anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke -gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland, -Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van -rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid? -Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze -zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche -rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou -heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige -regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen -als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus -niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al -hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met -hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee -millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en -uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd -leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche -ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand -houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon -worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat -dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China -zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven; -geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger -uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen, -in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben -zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun -kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend, -even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij -derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van -de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een -verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk -een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit -land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen -allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren. -Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich -met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China -kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen -te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en -grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig, -bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne -wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten -iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij -nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en -zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden, -dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op -trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een -bijenzwerm bijeen te houden. - -Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van -al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in -mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar -alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een -zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus -niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame -landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het -tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar -mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts -van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust -om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon -spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling, -die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat -wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon -over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons -dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een -mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene -provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist. -Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat -verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun -levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof, -als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij -levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren -verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des -mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat, -schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter -niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was, -aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder -zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het -gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor -af. - -Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer -bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er -even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft; -ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo -moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De -hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede -overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in -Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben, -begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en -voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is -ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en -in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het -bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve -zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de -wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer -goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers; -maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen -trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend, -vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid -van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk -vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij -een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een -zamenstel van armoede en grootschheid. - -Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol -lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn -Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een -manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan -koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te -drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van -voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons, -gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad -naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden -langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een -dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn -landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd -zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk -men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het -hem zijn zou. - -Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had -hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten -leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten -zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop, -geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk -stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand -den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn -kleed viel. - -Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren, -terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk -een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te -mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij, -die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met -een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen -schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden -op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten. - -Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst -geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat -ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel -paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen -kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men -weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon. - -Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans -zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het -rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men -zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd -door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek -verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik -die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo -de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was. - -Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den -jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had -achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had -slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de -Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op -onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het -land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was -ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij -kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te -zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."--"Mij verheugen," zeide ik, "ik -geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven -kan."--"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken." -Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd -maken?"--"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver, -gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip, -zonder paard, zonder geld."--Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote -karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over -vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het -als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten -terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk -verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik: -"Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"--"Ik heb dezen morgen een -Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en -naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze -heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo -den Wolga af naar Astracan te gaan."--"Kom senhor," zeide ik, "wees niet -ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan -terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet -wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van -dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had -zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen -achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte -Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en -vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren. - -Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods -wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland -zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor -de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze -loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den -Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak -gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven, -ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn -paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne -goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik -zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren, -maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten -terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug -te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe -hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis -was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als -hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom -besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne -gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem -vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon -besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene -toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve -alleen het vervoeren van zijn eigen goed. - -Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons -wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis. -Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in -plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles -gereed was. - -Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn -compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren -binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven -waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te -Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking -gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken -zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen -dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten -wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze -lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond -St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie -kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen -voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of -drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het -geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden. - -De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of -vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed -gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls -door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon -deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na -de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende -natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden -uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen -waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te -zijn. - -Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de -passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als -zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas, -om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en -dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk -er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te -voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel -die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal. - -Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en -lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze -Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend -gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des -lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China -gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga -in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was, -en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.--"Zoo," zeide ik, -"dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een -kameel pakken? Dan wil ik het koopen."--"Op een kameel laden!" riep de -oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig -zielen in." - -Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het -niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch -met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het -porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was -verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe -figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen -waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde -platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het -fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met -goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar -zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de -voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en -volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in -eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze -gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar -donkerzwarte tegels belegd. - -Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder -had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen -besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren, -waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden -bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun -geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is, -mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want -zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van -porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een -onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had, -met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te -voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt -en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen -gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was. -Ik lachte daarom en zeide er niets van. - -Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen -blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer -beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur -geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier -malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om -verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen -oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven, -hoogst noodzakelijk waren. - -Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene -versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk, -dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen -onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij, -dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de -uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn -slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen -even zoo dik. - -Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien, -zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om -hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls -geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide, -dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen -hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield, -maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt -verbloemd."--"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan -de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is -om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen -Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor -Chinees begrijpt u op zijne wijze." - -"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een -leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs -met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een -bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken, -of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van -overblijft?"--"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne -weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later -verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en -hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik -gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer -van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij -ons was. - -Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn, -vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte -dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten -en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door -de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier -hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen -Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij -zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop -onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop -wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten. - -Hunne paarden zijn schraal, zwak, verhongerd en nergens goed voor; dit -ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat -wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van -dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het -noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten, -want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij -loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint, -want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven -altijd bijeen als zij vlugten. - -Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer -veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit -weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van -hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde, -en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om -hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half -kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur -afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons -afgedaan. - -Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij -den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen -dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende, -vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op -hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder -eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij -hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat -zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne -pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder -geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn -geweest. - -Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij -vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna -wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist -aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een -koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens -met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter -geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren, -vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen -in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze -regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij -zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe, -zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een -hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de -derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er -echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand -onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf -gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo -verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet. - -Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de -Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later -bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie -nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater -in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld -door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik -vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit -eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen; -dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend -werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te -beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt -was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken. - -Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen -wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets -kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen -schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen -stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand -hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al -of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren, -vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de -karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af, -maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard -zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten -achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen. - -Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed -niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen -keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde -van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen -(ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een -kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo -als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele -karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een -kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze -dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was -ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de -kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden. - -Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer -naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij, -dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los -opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche -soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten -te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de -kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner -grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar -mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam -ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik -mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan, -toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards), -maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd, -dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet -hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar -mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene -pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders -zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd -het moedigst als er geen gevaar is. - -Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan, -die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende -en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat -hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons -staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde -alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die -hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het -hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme -dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in -den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van -den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn -berijder af en viel op hem. - -Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had, -doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard -op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk -wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de -hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te -doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos, -noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de -oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de -Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods -meester van het slagveld. - -Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit -eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik -op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid -gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand -aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan -mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er -gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel, -maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den -grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag -ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met -zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag, -kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar -hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij -naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts -uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen -ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen -bijkans genezen. - -Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een -kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen -wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald -worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van -die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om -hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na -beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die -met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was. -"Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling -mede."--"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.--"Op des vreemdelings -verzoek," was het antwoord.--"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in -dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in -zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en -hij moet hem betalen." - -Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon -inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne -juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en -zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf -ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst. - -De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het -eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik -verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige -millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen -schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen -werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren -nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van -alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te -verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was -toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel -tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen -van de stad. - -Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur -zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een -escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd -soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd -uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De -driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan, -en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de -geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde -toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te -kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden -dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit. - -Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu -geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij -moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren, -hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en -de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar -niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van -ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene -opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want -zij kwamen naar ons toerijden. - -De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden, -begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een -soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten. -Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij: -"Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met -ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand -houden."--"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij -doen?"--"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken, -en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als -dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal -iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder, -wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten -vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit; -zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene -afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat -zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden. - -In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden -wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst -kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie -reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze -aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide -vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke -ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken, -want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf -zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij -niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt. - -Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den -gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd -kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden, -en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin -negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de -Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het -deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze -stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en -vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden, -want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het -eigenlijke Rusland kwamen. - -Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door -verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die -onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de -grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar -Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun. - -Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in -een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de -wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis -bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van -God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk -den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt. -Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het -volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen -vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën -voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God -aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste -der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en -hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder -Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg, -landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij -zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den -naam van zien."--"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en -duivelaanbidding," zeide ik.--"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in -garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden, -wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste -heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later. - -Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte -vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is. -Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee, -westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend -van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de -Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts -van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er -noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool -noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand -weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen -aanvoeren. - -Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van -eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat -alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen -onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de -groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop -moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet, -dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende -grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog, -geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen -nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie -dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor -zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in -booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker, -dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren -in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar -zeker aan te treffen is. - -Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote -stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al -deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de -noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen -zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat -de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn. - -Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren -den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op -zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet -ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken -van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van -reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel -de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van -het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en -sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik -ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk -de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten. - -Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij -het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren -bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit -eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door -te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de -nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die -alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk -ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als -de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet, -wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren -waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een -driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier -hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de -sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan, -zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij -had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er -doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen, -noch eenige andere ligchaamsdeelen. - -Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag -ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet -zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit -wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even -bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout -waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een -krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof -zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit -monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden -gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want -zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden -drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers -voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van -hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die -de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden. - -Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer -ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel, -aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene -zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met -eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te -zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets, -nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met -vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die -den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid -had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de -natuur zou denken te strijden. - -Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne -oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en -reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met -mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne -horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er -af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw, -wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de -vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik -besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven. - -Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om -zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de -slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik -gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen -mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de -duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe -dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik -slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat -afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat -het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn -kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar -wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"--"Wat," zeide ik, "wel om -Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd -wordt."--"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk -niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en -het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten, -en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen -vechten."--"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan -schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"--"Schriftelijk?" -herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene -letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."--"Welk eene grove -onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen; -misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering -van zulke plompe dingen beneden den mensch is."--"Hoor eens, mijnheer!" -zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar -vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder -de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het -doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur -van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te -eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat -zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren -in het geheele land geven." - -Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik -bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik -mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig -den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak -mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt," -zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij -evenzeer als gij."--"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering -nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van -afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij -deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen -uitleveren."--"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk -een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat -zou uw zekere dood zijn."--"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg -ik.--"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus -behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst -beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon -wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het -afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in -zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van -hunnen afgod."--"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.--"Dezelfde," -zeide hij.--"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop -verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het -geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat -zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en -toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit -dorp even zoo moest gehandeld worden. - -Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van -dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk; -het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het -was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land -rond."--"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden, -en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef." - -Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed, -en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst -zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en -zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij -bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein -Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord -had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven -kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan -mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen. -Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen -bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij -besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen -middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan. - -Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat -de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de -gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven, -als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even -standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een -Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en -pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft, -opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren. - -Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van -brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te -mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben, -gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit. -Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem -van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de -maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in -dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk -scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren, -waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden -aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel -vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het -afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden -toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet -hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld -mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar -toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om -te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg -voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen, -neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen -niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan -zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman, -"wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden, -en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien." - -Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze -brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze -lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst, -wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters -dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe, -knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan -handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden. - -Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander -naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de -derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij -weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den -eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen -op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna -wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de -derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden -hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De -Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat -hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij -daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de -Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen -aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden -zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk -naar ons terug. - -Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens -toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in, -dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij -vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen, -die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij -schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en -als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den -rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder -eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut -gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook -uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het -afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden -wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel -van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol -met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en -behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt. -Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het -viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen -geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en -een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug. -Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond, -plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in. - -Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen, -mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer -had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor -stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen -wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter -zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende -schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod -laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch -verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen. - -Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze -toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders -dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers -verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat -te stellen. - -Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene -ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof -nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de -onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen -van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten -Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het -monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy -waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder -dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel -tot honderdduizend man zouden aangroeijen. - -De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle -goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er -niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten; -dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij -hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft -zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten -Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling -tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige -Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij -hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met -oorlog. - -De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet -wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld -daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de -veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen, -gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien -morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand -daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als -zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar -te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en -diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat -er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand -in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken; -maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden -maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou -houden. - -Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter -bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons, -die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand -vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van -de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en -twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in -een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar -haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij -vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij -ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en -waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons -graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van -Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren -afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd -werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer, -Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de -andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep -paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij -bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening -waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn -getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee -dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat -wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de -rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom, -doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden. - -Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van -ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af. -Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene -zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van -eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was, -zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene -aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag. -Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in -de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte -boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den -nacht aangevallen te zullen worden. - -Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar -de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond -te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als -tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd -werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene -allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee -boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch -anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden -derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze -pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het -riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van -eenige boomen. - -In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze -toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij -overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar -zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van -degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu -verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval, -zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo -niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij -deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders -gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan, -niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten -antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon -hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen -handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden -gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die -hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun, -om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden -vergelden. - -Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden -morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp -opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen, -durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan -bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er -inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel -tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden -zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar -daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene -schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand -onzer eene kwetsuur ontving. - -Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van -achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een -kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van -de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka -terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts -en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te -paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy -wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het -Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop -een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand -had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen -Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den -afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden. - -Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak, -speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat -zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het -scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren -waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen, -noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij -trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen -lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het -gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had. - -Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig -dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het -des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de -karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren; -en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den -nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig -afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen. - -Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden, -want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en -dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men -hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan -dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen -aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde -eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek -komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons -gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn -doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat -wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland -gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te -verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en -zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het -beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er -zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de -bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot -station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik -gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen -koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het -naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was. - -Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa -kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden -vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten -nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere -blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren; -daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne -heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in -onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter -wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne -huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander -onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des -winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in -eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander -loopen. - -Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp -of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol; -bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom, -alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig, -zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt. - -Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan -voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets -bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn -af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste -vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote -woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch -huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood -als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee -dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier -Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch -ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is -het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een -wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als -geheel Duitschland. - -En zelfs hier bespeurde ik nog overal onwetendheid en heidendom, behalve -in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en -de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de -verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in -Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke -ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch -verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de -Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar -al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de -czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen -te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden, -maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik -verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op -gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te -maken. - -Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest, -onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek -aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar -en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen, -behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze -landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de -Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen, -en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten. -Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad -van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed -vertoeven. - -Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter -naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze -zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe -wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet -naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den -winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het, -dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat -zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de -thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en -laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en -zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder -is. - -Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar -Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een -was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar -Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig, -waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen -afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten, -vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was -ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of -Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den -winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus -voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou -veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik -in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken -zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig -levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten -doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter; -de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik -was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik -verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan -doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert; -een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik -nader zal vermelden. - -Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland, -waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel, -het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer -vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te -koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over, -die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden -worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren. - -Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche -manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen -vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer -even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed -huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als -een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook -wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te -doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm -gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in -Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm, -en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook -buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en -hadden nimmer eenigen last van den rook. - -Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap -aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa, -nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar -dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de -staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van -vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten -en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of -Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere -aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang. - -Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter -hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis, -waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange -winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had. -Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen -ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne -lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en -luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel -hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was, -dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch -mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins -zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet, -wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou -ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik -onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had, -dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig -misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn -gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon -zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk -mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en -dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel -voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher, -want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo -ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen. - -Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik -hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland -gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder -mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer -mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat -de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat -hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië -zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin -hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij -aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt -van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden -te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de -geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had -hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd, -gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en -nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de -voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen -geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het -algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig -heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te -bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en -bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te -dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om -de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne -gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld -ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag, -die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan -hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest -hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze -minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid, -eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op -zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten; -terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die -eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons -Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het -gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond, -had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen, -waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij -overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en -hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert, -en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger, -dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en -magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten. - -"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der -omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde -dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken, -zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de -czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige -grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts -terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden -des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van -eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne -gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den -hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven." - -Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen -ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er -was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken. - -Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik -hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat -ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot -veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten -onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over -zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker -grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u -eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.--"Met al mijn hart," antwoordde -hij.--"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik, -"zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te -bevrijden?"--"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige -juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen -geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld -zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te -verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne -bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar -dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den -roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de -genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling; -als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het -bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik -u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen -en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen -verlaten."--"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen -verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de -schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige -gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien -verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet -voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."--"Ja," zeide hij, -"dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins, -gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een -mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen -onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of -kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet -onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen -rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze -fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen -ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen, -maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven -even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen; -eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar, -en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het -noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen." - -Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van -het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had; -gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een -diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als -door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld -werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds -gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken. - -Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de -koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken, -zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te -dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee, -om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie -maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon -het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en -het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te -verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze -paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren. - -Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik, -de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond -hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken, -verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en -buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter -worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn -vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij -echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten -ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om -het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee, -waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het -geheel een zeer goed leven. - -Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans -dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden -gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten, -gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee -te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de -schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als -ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om -met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte -ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene -groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken. -Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te -handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden -te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar -Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug -moesten, vertrokken voor mij. - -Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te -maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze -lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij -hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden, -waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij -goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen. - -Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins, -van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten -antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar -wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den -toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door -sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene -onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene -boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er -mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij -ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken, -langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering -gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat -wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op -eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn -derhalve vergeefs." - -Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene -gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van -Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op, -dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen -ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te -voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En -daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze -van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de -vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon -doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering -Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of -Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden -betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien. - -Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag -mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien, -dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde -dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat -hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik -had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou -zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide: -"Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste -daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in -verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding -is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel -beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij -niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik -daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in -hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte? -Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier -werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles -wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat -ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al -zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan -het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar? -Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij -voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn -antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield, -omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij -niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen -ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem -over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door -den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het -een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om -zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden. - -Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer," -zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is -van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk -eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan -zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd -van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te -bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed, -eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet -zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester -van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als -meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten -zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde -vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden -des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van -de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te -gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou -verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften -en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen -overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn -verleider!" - -Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en -stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem -gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het -zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde -ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest -nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne -kamer. - -Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik -stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam. -"Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald -hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet -ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet -omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u -mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans -mijzelven overwonnen te hebben." - -"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u -niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."--"Ware het eene stem -des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven -hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd -dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het -mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf -man, schoon dan ook een gevangen man." - -Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat -mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij -omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was, -en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk -van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand -in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het -zich niet afslaan. - -Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein -geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes -Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter -niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in -Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam -de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes, -daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de -zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij -door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken. - -Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen -ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem -aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan -had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een -ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel -belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand -anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik -gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen -wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn -antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij, -dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had, -in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd -(Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik -toestemde, om hem zenden zou. - -Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter -daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien -ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven -door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles -hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig -dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven -paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote -waarde waren. - -Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen -prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij -ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij -hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen. - -Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn -hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere -goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en -nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel -verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen -gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming -veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in -zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven -handel. - -In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad, -waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar -zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot -eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit -tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen, -schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer -natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins -ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf -gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen. -Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op -de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op -vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van -konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten -hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de -rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders. - -De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk -een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs -zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den -grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen, -zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en -vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te -ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en -daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de -steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor -liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen -prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet -wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den -nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene -afgesprokene plaats opwachtte. - -Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te -zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en -de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo -veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier -verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de -bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden -misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken, -die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige -plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij -hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer -weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest -heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen -en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in -de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die -door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de -godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige -plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was. - -In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij -meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog -uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep -roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het -zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest -volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan -wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard, -droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij -kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder -ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer -ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons -in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man -in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe -om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten -gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die -men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte -vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of -liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij -zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als -hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij -naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug, -even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne -kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs -hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon -hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts -waren doorgedrongen. - -Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen. -Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen, -die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons -daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik -begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen -zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa -op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche -loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat -hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste -was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest -mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren -of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis -in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd, -dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde -eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs -nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat -eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op -de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd -boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra -wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware -zij afstegen en ons te voet aanvielen. - -Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden -ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den -stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene -onafgebroken verschansing om ons heen vormde. - -Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die -echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren -voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het -niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen -gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter, -naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half -geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los -kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons -hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter -niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan, -zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er -wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij -vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor -zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op -hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten, -waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden -van ons af waren. - -Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de -eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens -eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten -minste twee of drie kogels geladen. - -Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd -roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende, -dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden -vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de -gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon -wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo -buitengewoon verren togt hadden ondernomen. - -Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen, -en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden -doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden, -verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats -te gaan. - -Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het -meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de -toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in -afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt -hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt -hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was -thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf -hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren. -Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie -kwartieruurs van ons verwijderd. - -Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet -ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner -goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde -waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te -moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo -vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de -haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was -woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou -boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en -hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed. - -De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het -gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling -hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in -beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij -dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij -in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en -hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en -met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den -volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de -lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere, -geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad -konden bereiken, of wel het einde der woestijn. - -De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen -wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in -den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier -Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden -kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven -zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen -vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed -begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder -eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij -onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of -achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene -onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het -mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten -beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn -leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer -over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons -dadelijk gereed om het uit te voeren. - -In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in -onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou -kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog -waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de -sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden -wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds -vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster -rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was. - -Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te -worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan -op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den -volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen -afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden. -Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust -hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren -voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden -morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven -ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene -goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd -Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of -horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar -voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen -was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij -rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon -en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de -waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide. - -Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in -de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te -land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij -den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en -namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen -den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na -een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder -begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk. - -Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te -wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een -Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was; -na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor -onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en -na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk, -dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden. -Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen -te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar -hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van -Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben. - -Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig -merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn -compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen -te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na -het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel -drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien -schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en -onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder -begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten, -die ik te Bengalen gekocht had. - -Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich -naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te -zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns -vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde -betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor -de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg. - -Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had, -reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de -pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705, -na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest. - -En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te -bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans -tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze -afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen, -en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten. - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - -***** This file should be named 41429-8.txt or 41429-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41429/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/41429-8.zip b/old/41429-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 4713c54..0000000 --- a/old/41429-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h.zip b/old/41429-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 95b2c76..0000000 --- a/old/41429-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/41429-h.htm b/old/41429-h/41429-h.htm deleted file mode 100644 index ec443c1..0000000 --- a/old/41429-h/41429-h.htm +++ /dev/null @@ -1,9423 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" - "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> -<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ --> - -<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> - <head> - <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> - <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> - <title> - The Project Gutenberg eBook of Het Leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, by Daniel De Foe. - </title> - <style type="text/css"> - -body { - margin-left: 10%; - margin-right: 10%; -} - - h1,h2,h3,h4,h5,h6 { - text-align: center; /* all headings centered */ - clear: both; -} - -p { - margin-top: .75em; - text-align: justify; - margin-bottom: .75em; -} - -hr { - width: 33%; - margin-top: 2em; - margin-bottom: 2em; - margin-left: auto; - margin-right: auto; - clear: both; -} - -.blockquot { - margin-left: 5%; - margin-right: 10%; -} - -a:link {color: #800000; text-decoration: none; } -v:link {color: #800000; text-decoration: none; } - -.bb {border-bottom: solid 2px;} - -.bl {border-left: solid 2px;} - -.bt {border-top: solid 2px;} - -.br {border-right: solid 2px;} - -.bbox {border: solid 2px;} - -.center {text-align: center;} - -.smcap {font-variant: small-caps;} - -.u {text-decoration: underline;} - -.caption {font-weight: bold;} - -/* Images */ -.figcenter { - margin: auto; - text-align: center; -} - -.figleft { - float: left; - clear: left; - margin-left: 0; - margin-bottom: 1em; - margin-top: 1em; - margin-right: 1em; - padding: 0; - text-align: center; -} - -.figright { - float: right; - clear: right; - margin-left: 1em; - margin-bottom: - 1em; - margin-top: 1em; - margin-right: 0; - padding: 0; - text-align: center; -} - - </style> - </head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van Robinson -Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 (of 2) - -Author: Daniel De Foe - -Release Date: November 21, 2012 [EBook #41429] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - - - - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - - - - - -</pre> - - - - -<h1>HET LEVEN</h1> - -<h3>EN</h3> - -<h1>DE LOTGEVALLEN</h1> - -<h3>VAN</h3> - -<h1>ROBINSON CRUSOE,</h1> - -<h3>DOOR</h3> - -<h2>DANIËL DE FOE.</h2> - -<h3>TWEEDE DEEL.</h3> - -<h4>OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD.</h4> - -<h5>TE AMSTERDAM, BIJ</h5> - -<h5>J.F. SCHLEIJER.</h5> - -<h5>1843</h5> - -<hr style="width: 95%;" /> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_001.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> -<hr style="width: 65%;" /> - -<h3>HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN</h3> - -<h3>van</h3> - -<h3>ROBINSON CRUSOE.</h3> - - - -<div class="figleft" style="width: 200px;"> -<img src="images/crus02_002.jpg" width="200" alt="" title="" /> -</div> -<p>Lezers, ons gewone Engelsche spreekwoord, dat wat in het gebeente zit, -niet uit het vleesch zal gaan, werd bij niemand meer dan bij mij -bevestigd. Iedereen zou denken, dat na vijf en dertig jaren vol -rampspoed en eene menigte ongelukken, zoo als zelden of nooit iemand -ondervond, en na bijkans zeven jaren rust en welvaart in alle opzigten -genoten te hebben; en nu ik oud was, en zoo goed als iemand zeggen mogt, -in mijne mannelijke jaren ondervinding opgedaan te hebben, ik zeg, na -dit alles zou men denken, dat de zucht tot zwerven, die, gelijk ik -verhaald heb, mij aangeboren was, wel zou uitgebluscht zijn, en ik op -mijn een en zestigste jaar weinig lust kon hebben mijn vaderland te -verlaten en mijn leven en bezittingen op nieuw in gevaar te stellen.</p> - -<p>Wat meer is, ik had geene reden meer om buitenlandsche avonturen te -zoeken; want ik behoefde mijne fortuin niet meer te maken. Al had ik -tienduizend Pond St. verdiend, ik zou er niet rijker om geweest zijn, -want ik bezat reeds genoeg voor mij en voor hen, dien ik het nalaten -zou; en het vermeerderde nog dagelijks; want daar ik een kleine familie -had, kon ik mijne inkomsten niet verteren, of ik had eene andere -levenswijze moeten aannemen; zoo als een groot huishouden opzetten, -knechts en paarden houden, gastmalen geven, en zoo voorts; dingen, -waarvan ik geen verstand, noch lust toe had; zoodat ik slechts behoefde -stil te zitten en te genieten wat ik had, om dit nog dagelijks onder -mijne handen te zien aangroeijen.</p> - -<p>Dit alles maakte echter geen indruk op mij, althans niet genoeg om mij -den lust te benemen, om weder buiten 's lands te gaan, dat eene -aangeboren kwaal bij mij scheen te zijn; vooral maalde mij de begeerte, -mijn eiland en de kolonie, die ik daar achtergelaten had, weder te zien, -mij gestadig door het hoofd. Des nachts droomde ik er van, en over dag -peinsde ik er gestadig over, tot dat mijne verbeelding zoo werd, dat ik -in mijn slaap er over sprak. Kortom, niets kon dit mij uit het gemoed -zetten; en het werd daardoor zelfs lastig met mij om te gaan, want ik -kon nergens anders over spreken, maar had er, tot walgens toe, altijd -den mond vol van.</p> - -<p>Ik heb dikwijls verstandige lieden hooren zeggen, dat al wat men lieden -van spoken of geesten hoort verhalen, alleen zijn oorsprong heeft in -hunne eigene sterk gespannen verbeelding; dat er geesten noch spoken -verschijnen, maar dat men door gestadig aan afgestorvenen te denken, zoo -ver komt van zich eindelijk te verbeelden, dat men die bij buitengewone -gelegenheden ziet, met hun spreekt en antwoord ontvangt; terwijl alles -slechts ijdelheid, bedrog en zelfbegoocheling is.</p> - -<p>Wat mij betreft, ik weet niet dat er spoken zijn, of dat er in de -spookgeschiedenissen, die men hoort, iets anders dan de werking eener -verhitte verbeeldingskracht is; maar dit weet ik, dat mijne verbeelding -zoo gaande raakte, dat ik mij somtijds verbeelden kon op het eiland, in -mijn oud kasteel achter het geboomte te zijn; dan zag ik mijn ouden -Spanjaard, Vrijdags vader, en de schelmsche matrozen, die er achter -gebleven waren; soms verbeeldde ik mij, dat ik met hen sprak; en daar -dit niet in mijn slaap, maar als ik wakker was, gebeurde, werd ik -eindelijk bevreesd hoe dit alles zou afloopen. Eens in mijn slaap -verbeeldde ik mij duidelijk, dat de oude Spanjaard en Vrijdags vader mij -de slechtheid der drie matrozen verhaalden, zij vertelden hoe deze al de -overige Spanjaarden hadden willen vermoorden, en zij hunnen voorraad van -levensmiddelen hadden in brand gestoken, om hen te laten verhongeren; -dingen, waarvan ik nooit gehoord had, en die ook later bleken onwaar te -zijn. Dit alles stond mij zoo levendig voor den geest, dat ik niet -anders dacht of het was waarlijk zoo; ook hoe ik op de aanklagt der -Spanjaards dit bestrafte, hen voor mij als regter daagde, en alle drie -veroordeelde om opgehangen te worden. Wat hiervan waarheid is zal men -later zien, hoezeer dit was, moet ik zeggen, zeer veel. Wel was er niets -letterlijk zoo gebeurd als in mijn droom, maar toch had het slechte -gedrag der schelmen veel overeenkomst daarmede, en zoo wel als ik hen -naderhand gestreng wilde straffen, had ik hen toen kunnen laten -ophangen, en zou gelijk gehad hebben, en mijn gedrag door Goddelijke en -menschelijke wetten te regtvaardigen geweest zijn. Doch ik keer tot -mijne geschiedenis terug.</p> - -<p>Ik had in deze gemoedsgesteldheid nu eenige jaren geleefd. Ik had geen -genot van mijn leven; niets was er, dat mij vermaak verschafte, of dit -werd hierdoor getemperd; zoodat mijne vrouw, die bespeurde hoezeer mijn -hart mij derwaarts trok, mij op zekeren avond ernstig onder het oog -bragt, hoe zij het voor een geheimen aandrang der Voorzienigheid hield, -die besloten had, dat ik derwaarts zou gaan; en dat zij vond, dat mij -niets hierin verhinderde dan mijne gehechtheid aan vrouw en kinderen. -Zij zeide, dat zij, wel is waar, er niet aan denken kon van mij te -scheiden, maar dat zij zich verzekerd hield, dat het het eerste zijn -zou, wat ik na haren dood deed, dat zij dus, daar het des Hemels wil -scheen te zijn, niet de eenigste hinderpaal wilde zijn. Want dat als ik -besloten had te gaan.... Hier hield zij in verwarring op, om dat zij -zag, dat ik met een zeer ernstig gelaat naar haar luisterde. Ik vroeg -haar waarom zij niet voortging en zeide wat haar op het hart lag. Maar -ik bemerkte, dat haar hart te vol was, en dat de tranen haar in de oogen -kwamen.—"Spreek verder, mijn beste," zeide ik, "verlangt gij, dat ik -gaan zoude?"—"Neen," zeide zij, "verre vandaar. Maar zoo gij er toe -besloten hebt, wil ik, liever dan de eenigste hinderpaal te zijn, u -vergezellen; want schoon het eene ontzettende onderneming voor iemand -van uwe jaren is, zoo wil ik echter, als het zijn moet," vervolgde zij -weenende, "u niet verlaten. Want is het des Hemels wil, dan moet gij het -doen, en zoo de Hemel wil, dat gij gaat, zal hij mij ook sterken om u te -vergezellen, of maken, dat ik niet langer een hinderpaal daar tegen -ben!"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_003.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit liefderijk gedrag mijner vrouw bragt mij een weinig tot andere -gedachten, en ik begon over mijn voornemen na te denken. Ik beteugelde -mijne verhitte verbeelding, en vroeg mij zelven af, wat ik, die zestig -jaren oud was, na zulk een leven vol ongevallen en lijden, dat op zulk -eene gelukkige wijze afgeloopen was, wat ik nog noodig had nieuwe -gevaren te zoeken en avonturen, die alleen geschikt zijn voor jeugd en -armoede.</p> - -<p>Bovendien overwoog ik welke nieuwe betrekkingen ik had, dat ik eene -vrouw en een kind had, en weldra een tweede mogt verwachten; dat ik -alles bezat wat de wereld mij verschaffen kon, en niet noodig had -gevaren te zoeken, om eenig geld te verdienen; dat ik oud begon te -worden, en eerder denken moest datgene, wat ik gewonnen had, te -verlaten, dan te trachten het te vermeerderen. Met hetgeen mijne vrouw -gezegd had, dat het de wil des Hemels zijn kon, kon ik mij niet -vereenigen; zoodat ik na veel weifelen eindelijk mijn voornemen opgaf, -en mij zelven daartoe overreden met de gronden, die mij voor den geest -kwamen. Als het beste middel daartegen echter, besloot ik eenige -bezigheden aan te vangen, die mij in het vervolg voor soortgelijke -buitensporigheden zouden behoeden; want ik ondervond, dat dit verlangen -mij meestal bekroop als ik niets te doen, noch iets van belang te -wachten had.</p> - -<p>Te dien einde kocht ik een boerenplaats in het graafschap Bedford, en -besloot mij daar neder te zetten. Er stond een klein, gemakkelijk huis -op, en ik bevond, dat het daarbij behoorende land voor veel verbetering -vatbaar was, iets, wat zeer met mijne neiging strookte, want land -ontginnen, planten en bouwen was mijn lust; en daar het binnen in het -land lag, was ik buiten allen omgang met schippers en schepen, en -dingen, die tot andere werelddeelen betrekking hebben. Ik ging dan met -mijn gezin mijne boerderij betrekken, kocht ploegen, eggen, een kar, een -wagen, paarden, koeijen, schapen, en ging ijverig aan het werk, zoodat -ik binnen een half jaar een volslagen landedelman was geworden. Mijne -gedachten waren uitsluitend gevestigd op mijne knechts, het bouwen en -planten, enz., en ik leidde, naar mij dacht, het aangenaamste leven, -waartoe iemand, die altijd tot ongelukken bestemd was, in staat was.</p> - -<p>Ik bouwde mijn eigen land, behoefde geen pacht te betalen, en kon in -alles mijn eigen hoofd volgen, bouwen of afbreken, naar ik goedvond. Wat -ik kweekte was voor mij, wat ik verbeterde was voor mijn gezin, en toen -al mijne neiging tot zwerven mij verlaten scheen te hebben, was er niets -in mijn leven, dat mij kwelde. Nu meende ik tot dien staat gekomen te -zijn, dien mijn vader mij zoo ernstig aangeraden had, die levenswijze, -die de dichter noemt: "bevrijd van ondeugden en smarten; waar de -ouderdom geene zorgen, de jeugd geene valstrikken kent."</p> - -<p>Maar te midden van dit geluk werd het door eene beschikking der -Voorzienigheid mij op eens ontnomen. Deze slag trof mij, mag ik zeggen, -tot in mijn binnenste, en deed mijn lust tot zwerven weder ontwaken, die -mij ingeschapen zijnde, als eene ziekte met onweerstaanbare kracht mij -weder overviel, zoo dat ik tot niets meer geschikt was. Deze slag was de -dood mijner vrouw. Ik wil hier geene lofrede op haar houden, of hare -deugden in het bijzonder opsommen. Zij was de steun van al mijne -verrigtingen; het middenpunt van al mijne ondernemingen; de wijze -raadsvrouw, die mij van de heillooze voornemens, die mij steeds door het -hoofd maalden, wist af te houden; en die hiertoe meer deed dan mijn -moeders tranen, mijn vaders wijze lessen, vriendenraad en mijn eigen -gezond verstand ooit vermogten. Ik was gelukkig als ik naar hare -smeekingen luisterde en aan hare tranen toegaf; en uiterst rampzalig en -van alles beroofd door haren dood.</p> - -<p>Toen ik haar verloren had, was de wereld mij een walg; in mijn vaderland -achtte ik mij evenzeer een vreemdeling als in Brazilië, toen ik daar het -eerst aan wal stapte; en even verlaten, met uitzondering van de hulp van -knechts, als op mijn eiland. Ik zag iedereen rondom mij bezig; de een -zwoegde voor zijn brood, de ander verspilde zijn geld in lage -losbandigheden of ijdele vermaken; en beide even ongelukkig, omdat zij -hun doel niet konden bereiken; want dagelijks walgden de najagers van -het vermaak meer van hunne genoegens, en zamelden steeds meer redenen -tot ellende en naberouw; terwijl de arme dagelijks zwoegde om een -schamel stuk brood te verwerven, levende in eenen gedurigen kring van -zorg en kommer, en alleen om zooveel te verdienen, dat zij niet van -gebrek omkwamen.</p> - -<p>Dit bragt mij mijne levenswijze en mijn koningrijk, mijn eiland, weder -te binnen, waar ik geen meer graan kweekte, omdat ik niet meer noodig -had; waar ik geen meer geiten aanfokte, daar ik geen meer gebruiken kon; -waar het geld lag te beschimmelen, en naauwelijks eens in twintig jaren -met eenen blik verwaardigd werd. Zoo ik uit deze bedenkingen het regte -nut getrokken had, gelijk ik had moeten doen, en rede en godsdienst mij -leerden, zouden zij mij geleerd hebben naar een volmaakter geluk te -trachten, dan de genoegens des levens mij konden verschaffen; en dat er -een doel van ons bestaan was, dat men aan deze zijde des grafs bereiken, -althans er naar streven konde. Doch mijne wijze raadgeefster was -verdwenen; ik was als een schip zonder loods, dat zich door den wind op -goed geluk laat voortdrijven. Mijne gedachten waren steeds bij mijne -vroegere verrigtingen en op vreemde avonturen gevestigd. De schuldelooze -genoegens van mijn akker- en tuinbouw en huisgezin, die mij vroeger -geheel bezig hielden, waren thans voor mij als muzijk voor een doove, en -lekkernijen voor iemand, die geen smaak heeft. Ik besloot eindelijk -mijne huishouding op te breken, mijn goed te verkoopen, en naar Londen -te gaan, gelijk ik weinige maanden daarna deed.</p> - -<p>Te Londen was ik even onrustig als vroeger, de plaats beviel mij niet; -ik had er niets te doen dan rond te slenteren, als een luiaard, van wien -men zeggen kon, dat hij op Gods aardbodem van geen het minste nut is, en -het iedereen onverschillig is of hij leeft of dood is. Dit was mij al -mijn leven de onaangenaamste toestand, daar ik altijd aan een werkzaam -leven gewoon geweest was, en dikwijls zeide ik tot mijzelven: "een lui -leven is een ellendig leven," en waarlijk ik begreep, dat ik mijn tijd -veel beter besteed had, toen ik zes en twintig dagen werkte, om eene -plank te maken.</p> - -<p>In het begin van 1698 kwam mijn neef, dien ik, gelijk ik verhaald heb, -naar zee gezonden en kapitein gemaakt had op een schip, terug van een -reisje naar Bilbao. Hij kwam bij mij en verhaalde, dat eenige kooplieden -van zijne kennis hem voorgesteld hadden, voor hen een reis naar -Oost-Indië en China te doen. "En als gij nu mede wilt gaan, oom," zeide -hij, "verbind ik mij u aan uw oud verblijf op het eiland aan land te -zetten, want wij zullen Brazilië aandoen."</p> - -<p>Mijn neef wist niet hoe mijn zucht tot reizen weder bij mij ontwaakt -was, en ik niets van hetgeen hij mij wilde voorslaan; doch dien zelfden -morgen had ik, na alles overwogen te hebben, het besluit genomen van -naar Lissabon te gaan, om met mijn ouden kapitein te raadplegen, en als -het verstandig en uitvoerbaar was, mijn eiland weder te gaan opzoeken, -en zien wat er van het volk daarop geworden was. Het denkbeeld streelde -mij van de plaats te bevolken, inboorlingen van hier derwaarts over te -brengen; en een octrooi of acte te verkrijgen, waarbij het mij wettig -toegewezen werd; toen juist mijn neef inkwam met zijn voorslag, mij -daarheen te brengen op zijne reis naar Oost-Indië.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 400px;"> -<img src="images/crus02_004.jpg" width="400" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik zweeg eenigen tijd, terwijl ik hem strak aanzag. "Wie duivel heeft u -die ongelukkige boodschap ingegeven?" vroeg ik. Mijn neef ontzette op -deze vraag, maar ziende, dat hij er mij niet mede mishaagde, zeide hij: -"Ik hoop, dat het geen ongelukkige voorslag zal geweest zijn, oom. Ik -dacht, dat gij verlangde uwe nieuwe kolonie te zien, waar gij eens -gelukkiger regeerde dan de meeste uwer broeders, de koningen en vorsten, -in hunne rijken doen."</p> - -<p>Het voorstel strookte zoo zeer met mijn verlangen, dat ik hem met korte -woorden zeide, dat ik mede zou gaan, als de andere kooplieden er in -toestemden. "Maar ik beloof u niet verder dan mijn eiland mede te gaan," -zeide ik.—"Wel oom! ik hoop toch niet, dat gij daar zult willen -achterblijven," hernam hij.—"Kunt gij mij op de tehuisreis niet weder -afhalen?" hervatte ik.—"Dat zou onmogelijk zijn," zeide hij, "want de -reeders zouden nimmer toestaan, dat een zoo rijkgeladen schip zulk een -omweg maakte, daar misschien een, misschien drie of vier maanden mede -konden heengaan. Bovendien, als ik schipbreuk leed," voegde hij er bij, -"en in het geheel niet terugkeerde, zoudt gij u in denzelfden toestand -als vroeger bevinden."</p> - -<p>Dit was verstandig gesproken, maar wij vonden er spoedig een middel op, -namelijk om een uit elkander genomen sloepscheepje aan boord te nemen, -dat door eenige timmerlieden, die wij zouden medenemen, op het eiland -ineengezet, en in weinige dagen klaar kon zijn, om zee te bouwen. Ik -bleef dan ook niet lang besluiteloos, want het verlangen van mijnen neef -en het mijne stemden volkomen overeen. Daar aan den anderen kant mijne -vrouw dood was, was er niemand, die mij raad kon geven dan mijne oude -vriendin, de weduwe, die mij ernstig smeekte mijne jaren, mijne -onbekrompen omstandigheden, de gevaren eener lange reis, en bovenal -mijne nog zoo jonge kinderen te bedenken. Doch niets baatte; ik had zulk -eene begeerte die reis te doen, dat ik haar zeide, dat mijn geest er zoo -mede vervuld was, dat ik geloofde de Voorzienigheid tegen te streven, -zoo ik te huis bleef. Zij berustte er dus in, en verleende mij hulp niet -alleen voor mijne uitrusting, maar ook voor het schikken mijner zaken en -de opvoeding mijner kinderen, gedurende mijne afwezigheid. Ik maakte -mijn testament, en zoodanige beschikkingen, dat ik volmaakt gerust was, -dat mijne kinderen na mijn dood ontvangen zouden wat hun toekwam. Hunne -opvoeding liet ik geheel aan de weduwe over, met genoegzamen onderstand, -om haar voor alle gebrek te vrijwaren. Dit alles verdiende zij dubbel, -want geen moeder kon beter voor hunne opvoeding bezorgd of geschikt -geweest zijn; en daar zij bij mijne tehuiskomst nog leefde, mogt ik haar -daarvoor nog mijne dankbaarheid bewijzen.</p> - -<p>Mijn neef was in het begin van Januarij 1694 zeilree, en ik ging met -Vrijdag den 8<sup>sten</sup> aan boord te Duins, hebbende behalve de sloep, eene -groote lading van allerlei noodwendigheden voor mijne kolonie, die ik -besloot in eenen goeden staat te verlaten, als ik ze daarin niet -aantrof. In de eerste plaats nam ik eenige lieden mede, die ik daar als -kolonisten wilde achterlaten, althans voor mij gedurende mijn verblijf -aldaar laten werken, en ze achterlaten of medenemen, naar zij zouden -verkiezen; vooral had ik twee timmerlieden, een smid, en een zeer -handige, vlugge knaap, die eigenlijk een kuiper van beroep was, maar -allerlei werktuigen kon maken en uitdenken. Hij was een goed -wieldraaijer, en kon handmolens maken, om koren te malen, en kon van -klei of hout alles maken, wat men wilde. Aan boord noemde men hem altijd -de duizendkunstenaar.</p> - -<p>Bovendien nam ik een kleermaker mede, die als passagier naar Oost-Indië -wilde gaan, maar naderhand er in toestemde, in mijne kolonie te blijven, -en die, gelijk later bleek, een onontbeerlijke en vlugge knaap was in -vele opzigten buiten zijn beroep; want de noodzakelijkheid is de moeder -van vele kunsten.</p> - -<p>Mijne lading bestond, voor zoo ver ik onthouden heb, want ik heb er -geene lijst meer van, uit genoegzaam linnen en ligt Engelsch laken, om -al de Spanjaards, die ik daar verwachtte te vinden, te kleeden, en zoo -veel als naar mijne rekening voor zeven jaren voor hen genoeg was. Als -ik het wel heb, kostten de stoffen voor kleeding, met handschoenen, -hoeden, kousen en schoenen daaronder begrepen, meer dan tweehonderd Pond -St. Hieronder was ook begrepen eenige bedden, beddegoed en -huishoudelijk goed, vooral keukengereedschappen, ketels, potten en -pannen, enz., terwijl ik nog een honderd pond uitgaf voor ijzerwerk, -spijkers en allerlei gereedschappen, krammen, schroeven, hengsels en al -wat ik bedenken kon.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_005.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik nam ook een honderd wapens, geweren en pistolen, een groote menigte -hagel van allerlei grootte, eenige duizend ponden lood en twee koperen -stukjes geschut, en daar ik niet wist wat er te eeniger tijd gebeuren -kon, een honderd vaatjes kruid, met sabels en houwers, en het ijzer van -eenige pieken en hellebaarden, zoo dat wij, om kort te gaan, een -magazijn van allerlei goederen hadden, en ik deed mijn neef twee -halfdek-stukjes meer medenemen dan hij noodig had, om die daar te kunnen -laten, en zoo het noodig was daar een fort te kunnen bouwen en tegen -allerlei vijanden te kunnen verdedigen. Ik dacht ook in het eerst, dat -wij dit alles en nog meer zouden noodig hebben, om ons in het bezit van -het eiland te handhaven, gelijk men in den loop van mijn verhaal zien -zal.</p> - -<p>Op deze reis trof ik zoo veel tegenspoed niet, als ik gewoon was, en -derhalve zal ik den lezer, die misschien naar nieuws uit mijne kolonie -verlangt, minder ophouden; echter troffen wij bij onze uitreis eenige -ongevallen, als slecht weder en tegenwind, dat onze reis langer maakte -dan ik eerst gedacht had, en ik, die slechts eens in mijn leven eene -reis gedaan had, die goed afliep, namelijk mijne eerste reis naar -Guinea, begon te denken, dat hetzelfde onheil mij toefde, en dat ik -geboren was om aan wal nimmer tevreden en op zee altijd ongelukkig te -zijn.</p> - -<p>Tegenwinden sloegen ons noordwaarts heen, en wij waren verpligt te -Galway, in Ierland, binnen te loopen, waar wij twee en twintig dagen -moesten blijven. Wij troffen hier echter dit geluk, dat de -levensmiddelen er zeer goedkoop en overvloedig waren, zoodat wij al dien -tijd nimmer den scheepsvoorraad behoefden aan te spreken, maar dien nog -vermeerderden. Ik kocht hier nog twee koeijen, die kalven moesten, met -oogmerk, die bij een gelukkige overtogt, op mijn eiland aan wal te -zetten, maar zij kwamen ons naderhand anders te pas.</p> - -<p>Den 5<sup>den</sup> Februarij verlieten wij Ierland, en hadden eenige dagen zwaren -wind. Als ik het wel heb, was het den 20<span class="u">sten</span> februarij, laat in den -avond, dat de stuurman, die toen de wacht had, in de kajuit kwam, en ons -zeide, dat hij een flikkering van vuur gezien en een schot gehoord had, -en terwijl hij het ons verhaalde, kwam een jongen met het berigt, dat de -bootsman een tweede gehoord had. Dit deed ons allen naar het halfdek -gaan, waar wij eerst niets hoorden, maar eenige minuten later zagen wij -een groot licht, en bemerkten, dat het een vreesselijke brand in de -verte was. Onmiddellijk maakten wij allen ons bestek op, en kwamen -daarin overeen, dat er dien kant uit, waar het vuur zigtbaar was, geen -land zijn kon op geen vijfhonderd mijlen, want wij zagen het in het -W.N.W. Hierop besloten wij, dat het een schip op zee moest zijn, dat in -brand stond, en dat het, daar wij even te voren het schieten gehoord -hadden, niet ver af zijn kon. Wij hielden er dus regt op aan, en zagen -spoedig, dat wij vinden zouden wat het was, daar het licht steeds -grooter werd, naarmate wij verder zeilden, schoon, daar het nevelachtig -weder was, wij eene poos niets anders dan het licht konden zien. Na -verloop van een half uur konden wij, daar wij vlak voor den wind -zeilden, ofschoon die niet stevig was, toen het weder wat opklaarde, -zien, dat het een schip was, dat midden in zee in brand stond. Hoezeer -ik niet wist wie er op waren, trof deze ramp mij allerhevigst. Ik -herinnerde mij mijn vroegere lotgevallen, en in welken toestand ik door -den Portugeeschen kapitein opgenomen was, en in hoe veel beklagelijker -toestand de arme schepsels daar aan boord moesten zijn, zoo zij niet met -een ander schip in gezelschap zeilden. Ik gelastte dadelijk vijf schoten -spoedig achter elkander te doen, om hun, zoo mogelijk, te kennen te -geven, dat er hulp voor hen opdaagde, en dat zij trachten moesten zich -in de boot te redden, want schoon wij de vlam van het schip zien konden, -konden zij ons echter niet gewaar worden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_006.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Eenigen tijd maakten wij een bijlegger en dreven even als het andere -schip dreef, in afwachting dat het daglicht zou doorkomen, toen -plotseling, tot onzen grooten schrik, schoon wij dit hadden kunnen -verwachten, het schip in de lucht vloog, en onmiddellijk, dat wil -zeggen weinige minuten daarna, was al het vuur uit, want het wrak zonk. -Dat was een verschrikkelijk en inderdaad bedroevend gezigt, om de arme -menschen, die ik begreep, dat allen met het schip moesten vergaan, of in -den uitersten angst zijn in het midden van den oceaan in hunne booten, -die wij thans niet zien konden. Om hun echter den weg te wijzen, deed ik -op alle plaatsen van het schip zooveel lantarens hangen als wij hadden, -en wij bleven den geheelen nacht schoten doen, om hun te doen weten, dat -wij niet ver af waren.</p> - -<p>Tegen acht ure des morgens ontdekten wij door onze kijkers de -scheepsbooten, en zagen, dat er twee waren, die opgepropt met volk en -zeer diep geladen waren. Wij bespeurden, dat zij roeiden, daar de wind -tegen was, dat zij ons schip zagen en hun uiterste best deden, dat wij -hen zouden zien. Wij heschen dadelijk onze vlag, ten teeken dat wij hen -zagen, zetten meer zeil bij en hielden regt op hen aan. Binnen een half -uur hadden wij hen bereikt en namen hen allen aan boord, ten getale van -niet minder dan vierenzestig, mannen, vrouwen en kinderen, want er waren -veel passagiers.</p> - -<p>Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van -Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het -breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de -stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar -nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk -iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken -gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen, -dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de -inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim -verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had.</p> - -<p>Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer -groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog -een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water -en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij -hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle -land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten, -waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat -zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden -zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers -te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij -hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van -gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf -dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt -had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te -bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat -zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog -veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden, -van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden -opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered -waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten.</p> - -<p>De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner -beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen -wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door -nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen, -zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en -verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de -nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten -hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den -wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen -tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten -gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden.</p> - -<p>Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en -ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door -had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen, -ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten -zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden.</p> - -<p>Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de -verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich -overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te -drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en -tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de -eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van -vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met -zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden, -alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen -krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen -handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten, -anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen -woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen -in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_007.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen -dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die -niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en -slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd. -Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken -landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger, -hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan -die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te -bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De -verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij -zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing -van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de -schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er -eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn -leven zag, haalde er eenigzins bij.</p> - -<p>Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij -verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon -bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die -het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was, -danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een -oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen -van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten -daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en -zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen -weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee, -of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was -onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten.</p> - -<p>Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en -wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij -aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder, -terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor -diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan -boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem -eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te -verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat -ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier -daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep -hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje -in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor -roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide, -dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval -was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem -een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en -den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn -volle verstand.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_008.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een -voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan -boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor -zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig -stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak -bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne -bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te -laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen.</p> - -<p>Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet -alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef -ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe, -gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en -met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere -ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet -behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien -had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit -slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en -menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als -zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot -werktuigen zijner barmhartigheid te maken.</p> - -<p>Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte -hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene -buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de -meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om -dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt, -dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten; -want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het -bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat -of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over -alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als -bij droefheid en leed.</p> - -<p>Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag -eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven, -zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen -hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den -volgenden dag geheel andere menschen.</p> - -<p>Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun -bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het -algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen -den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen -kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen -zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered -hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze -dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige -zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en -dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te -bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden, -vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn -neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan -te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is, -in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche -kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne -bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of -in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan -aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen -beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger.</p> - -<p>Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in -zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens -onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken -toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan -hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben -gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij -hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en -dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand -gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot -over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen -naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om -hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun -niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was -inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want -ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts -heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus -beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te -veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders -verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar -Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel -mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande -West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of -Frankrijk te verschaffen.</p> - -<p>Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat -zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer -ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien -mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien -ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans -tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik -waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om -hen naar Canada terug te brengen.</p> - -<p>Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne -toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te -nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn -zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze -proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag, -dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet -te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten -van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen -toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand -vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal -zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en -weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou -brengen.</p> - -<p>De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er -reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene -gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden -verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die -van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten -opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van -levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was -omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland -bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten -overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar -Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden -bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van -wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons -verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal -gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik -hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg -blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel -nut hadden.</p> - -<p>Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks -twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij -nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even -jammerlijk als de vorige.</p> - -<p>Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat -in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip -was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken. -Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en -boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder -was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig -konden wij het praaijen.</p> - -<p>Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch -dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken -storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en -opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van -den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen. -Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een -vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten -hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden. -Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen -weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het -Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene -soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden -bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de -Kanarische eilanden te bereiken.</p> - -<p>Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit -gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun -brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij -hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half -vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij -eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven -vaatjes rum.</p> - -<p>Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als -passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder -zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en -daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog -jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf -zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en -deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is.</p> - -<p>Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij -niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De -tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan -boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers -hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof -zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen -niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde -hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."—Wij zochten onmiddellijk -zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met -mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden -wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om -voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet -noodzakelijk.</p> - -<p>Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te -veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die -thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme -lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks -op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half -verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit -had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde -hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den -derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor -maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel, -volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd -hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten -voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren -zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen -konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in -levensgevaar waren.</p> - -<p>De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het -verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar -ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen -bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren -verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den -jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit -mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de -groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje -namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en -die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel -verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep -hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij -derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de -kajuit liggen.</p> - -<p>Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te -verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven -was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf -man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken -ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het -vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de -wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was -door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een -klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van -het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen -hun tot behoud van hun leven gegeven werd.</p> - -<p>Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien -in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen -te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en -de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman -had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op -de been zou brengen.</p> - -<p>Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide, -verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou -opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein, -gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan -boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den -ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en -deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht -hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te -hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter -eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een -stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen -bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch -niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en -hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven, -zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het -vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor -eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de -eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen -eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_009.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen -aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk -zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld, -en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven -dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene -dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman, -eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij -krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder -bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij -op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde -stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel -dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en -aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond. -Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij -verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het -voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat -hij daarvoor maar moest zorgen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 600px;"> -<img src="images/crus02_010.jpg" width="600" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen -te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen -doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter -te laat; zij stierf nog denzelfden nacht.</p> - -<p>De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was -nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en -gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden -handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij -echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem -langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij, -toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer -ongesteld werd en het niet kon binnenhouden.</p> - -<p>De dienstmaagd vereischte thans ook onze zorg. Zij lag digt bij hare -meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte -getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren -verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel -geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare -andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot -der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een -vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en -verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons -naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen -te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder -beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen -onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar -met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder -zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand -gekrenkt was.</p> - -<p>De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men -op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te -land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats -blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij -te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige -dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil -voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren -had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng -op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te -zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een -bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek, -twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen -konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten -suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen -daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd -met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen.</p> - -<p>De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede, -verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner -moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn -vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak -bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige -kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de -waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de -arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al -ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de -honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch -regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden -onvatbaar.</p> - -<p>De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die -hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even -ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de -wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar -hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk -ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had -mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd, -dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof, -ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook -waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik -er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen; -behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de -jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene -verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren -heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings -zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al -de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof, -dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te -Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo -ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den -eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek -en had schade in het hol, toen wij het aantroffen.</p> - -<p>Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft, -eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad. -Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind -en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden, -dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam. -Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik -vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van -Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland, -en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik -het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet.</p> - -<p>Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan -in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door -onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was; -namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde -meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of -liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond -dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland -kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar -eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan -onzen kant woonden.</p> - -<p>Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat -onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige -Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen -ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep -hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar -parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad, -dat op 10° of 11° verder noordelijk lag.</p> - -<p>Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip, -en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt -vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik -eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk -waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de -kleine kreek, waar mijne oude woning was.</p> - -<p>Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar -hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit: -"O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en -danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite, -hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen.</p> - -<p>"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden -of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene -poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een -treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen. -"Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij -denkelijk uw vader zult zien?"—"Neen, neen," zeide hij, het hoofd -schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."—"Waarom?" -zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"—"O neen," zeide Vrijdag, "hij -lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."—"Kom, het -is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand -anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den -heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af -lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en -daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met -een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in -opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had -gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die -niet wisten waar zij ons voor moesten houden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_011.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche -vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij -vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van -de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te -zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging -ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien -ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar -gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen -verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen -bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet -kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_012.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen, -roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de -Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk -herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat -buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te -houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien, -veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten -gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of -hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste -mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting -zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en -kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en -zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en -staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een -kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste -ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd -hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen -als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf. -In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het -strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind -was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een -klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering. -Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den -ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige -gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem -eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was, -om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel -zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te -zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was.</p> - -<p>Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als -ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden. -De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was -degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot -toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het -eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat -ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het -Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn -geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch -zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde -mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet -herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was -verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte -beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en -riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers -te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf -te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou -stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren -aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin -vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen -en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo -ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke -kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door -konden vinden.</p> - -<p>Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik -erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat -zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij -het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat -toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen -vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat -hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen -tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo -onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in -het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had, -dat ik mij daar niet meer bevond.</p> - -<p>Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van -welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten -zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal -waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden -reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte. -"Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij, -"als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud -van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in -zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot -onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd -had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het -eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren; -anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de -anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij -verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer -aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik -wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot -alle kwaad in staat waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_013.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met -nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij -droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde -alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en -naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de -heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen -keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij -allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk -volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van -hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten -uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en -deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo -hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te -ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou.</p> - -<p>De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek -is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel -mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met -het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst -genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen.</p> - -<p>Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal: -"ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen, -maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens -geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij -mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats -vernam.</p> - -<p>Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot -den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik -spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den -Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het -vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de -makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten -einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en -hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk, -gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden.</p> - -<p>Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen -grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had, -veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde, -namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te -nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij -bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er -ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik -achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn.</p> - -<p>Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik -verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne -landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen. -Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets -merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad. -Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd -waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen -was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden -hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen -te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was, -die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden -opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden -en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te -droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen -deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven -was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet -zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot -zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot -hun vertrek gereed.</p> - -<p>Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij -genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden, -de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel, -dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden -morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want -zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan -zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen, -waarvan zij gewoon waren brood te maken.</p> - -<p>In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had -zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland -te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er -drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken -achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en -ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen.</p> - -<p>De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden -aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en -goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene -aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe -ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en -mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit -geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee -vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet, -hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede -verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den -kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van -mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle -werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland -rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des -avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed -gemaakt.</p> - -<p>Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen -slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich -verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten, -noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst -beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in -openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en -ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met -alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de -Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels, -toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen.</p> - -<p>Maar alvorens hiervan de bijzonderheden mede te deelen, moet ik iets -vermelden, wat ik in mijn vorig verhaal vergeten heb, namelijk, dat -juist toen wij het anker zouden ligten bij mijn vertrek, er een kleine -twist aan boord ontstond, die ik vreesde, dat in eene tweede muiterij -zou ontaarden. Deze werd ook niet gestild, voor dat de kapitein ons -allen tot zijn bijstand geroepen had, hen met geweld uiteen dreef, en de -twee weerbarstigsten in de ijzers zette; en daar deze ook aan de -vroegere wanorde deel genomen, en zich eenige zware bedreigingen de -tweede maal hadden laten ontvallen, dreigde hij hun in de ijzers naar -Engeland te zullen voeren, en daar voor muiterij en afloopen van het -schip te laten ophangen.</p> - -<p>Hoewel de kapitein dit niet ernstig meende, scheen het toch eenige -andere matrozen bang gemaakt te hebben, en deze trachtten de overigen -diets te maken, dat de kapitein hen met goede woorden zocht te paaijen, -tot hij eene Engelsche haven zou bereikt hebben, en hen dan allen in de -gevangenis zetten zou, en hun proces laten opmaken. De stuurman had dit -vernomen en deelde het ons mede, waarop men besloot, dat ik, die nog -altijd voor een groot man bij hen doorging, met den stuurman bij hen zou -gaan, en het volk geruststellen en beloven, dat het verledene vergeven -zou zijn, als zij zich gedurende de verdere reis goed gedroegen. Ik deed -dit, en op mijn woord stelden zij zich gerust, vooral toen ik de twee -matrozen, die in de ijzers zaten, deed ontslaan.</p> - -<p>Maar door deze muiterij hadden wij, daar de wind ook was gaan liggen, -dien nacht voor anker moeten blijven. Den volgenden morgen vernamen wij, -dat de twee man, die uit de boeijen waren ontslagen, ieder een geweer en -eenige andere wapens gestolen hadden, en kruid en lood, hoeveel wisten -wij niet, en met de pinnas naar hunne makkers aan den wal gevlugt waren. -Op het ontdekken hiervan zond ik de groote boot met twaalf man en den -stuurman aan wal om hen te zoeken; maar zij konden noch hen, noch een -der overigen vinden, want allen waren in de bosschen gevlugt, toen zij -de boot zagen naderen. De stuurman wilde eerst, om hen te straffen, alle -aanplantingen vernielen, en al hun goed en huisraad verbranden, maar -daar hij hiertoe geene orders had, liet hij alles zoo als het was, en -nam alleen de pinnas weder mede.</p> - -<p>Zij waren dus thans met hun vijven, maar de drie eersten waren zoo veel -woester, dat zij na twee of drie dagen de nieuw aangekomen ter deur -uitwierpen en niets met hen te doen wilden hebben; het duurde lang eer -zij zelfs bewogen konden worden hun eenig eten te geven; de Spanjaarden -waren toen nog niet aangekomen. Toen deze aankwamen, wilden zij de drie -Engelschen overreden hunne landslieden weder op te nemen, ten einde, -gelijk zij zeiden, allen slechts een huisgezin zouden uitmaken, maar -deze wilden daarvan niet hooren. Dus leefden deze twee Engelschen op -zichzelven, en bemerkende, dat zij op hunne vlijt alleen moesten -steunen, sloegen zij tenten op aan de noordzijde van het eiland, doch -wat naar het westen toe, om voor de wilden bevrijd te blijven, die -altijd op de oostzijde van het eiland aan wal stapten.</p> - -<p>Hier bouwden zij twee hutten; een om in te wonen en een om hunnen -voorraad in te bergen, en daar de Spanjaarden hun eenig zaaikoren en -vooral erwten geschonken hadden, zaaiden en plantten en omheinden zij, -op de wijze als ik gedaan had, en leefden rustig voort. Hun eerste koren -kwam juist boven den grond, en schoon de tijd hun slechts toegelaten had -weinig om te spitten, was dit genoeg om hen te voeden, en van -genoegzamen spijsvoorraad te voorzien. Een hunner, die aan boord -koksmaat geweest was, was zeer behendig in het maken van soep, podding -en soortgelijke spijzen, waartoe de rijst, melk en het weinige vleesch, -dat zij hadden, hem in staat stelde.</p> - -<p>Terwijl zij aldus rustig voortleefden, kwamen de drie schurken, en dat -nog wel hunne landslieden waren, bij hen, alleen uit lust om hen te -schelden en te beschimpen. Zij zeiden, dat het eiland hun toebehoorde, -dat de gouverneur, waarmede zij mij bedoelden, hen in het bezit er van -gesteld had, en niemand anders er eenig regt op had, terwijl zij onder -afgrijsselijke vloeken betuigden, dat zij op hunnen grond geene huizen -zouden bouwen zonder er belasting voor te betalen.</p> - -<p>De twee Engelschen dachten, dat zij schertsten, en noodigden hen binnen -te komen, om te zien welk slag van huizen zij gebouwd hadden, en hun te -zeggen hoeveel grondrente zij daar wel voor moesten betalen. Een hunner -voegde er lagchende bij, dat hij hoopte, zij zouden, als grondeigenaars, -het land verbeteren en er gebouwen opzetten, en hun, volgens gewoonte, -een langen pachttijd vergunnen, en verzocht hun een notaris te halen om -de grondbrieven op te maken. Een der anderen zeide daarop onder veel -vloeken en zweren, dat zij zien zouden, dat het geene gekheid was, en -een eind weegs vandaar gaande, waar de ander een vuur aangelegd had, om -eten te koken, nam hij een brandend stuk hout en wierp het tegen de hut, -die binnen weinige minuten in de asch zou gelegd zijn, zoo niet de ander -hem weggestooten, en hoewel niet zonder moeite, het vuur had uitgetrapt.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_014.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De kerel werd zoo woedend, dat de ander hem wegstiet, dat hij een stuk -hout opnam, en zoo de ander niet vlug den slag ontweken en in zijne hut -de wijk genomen had, ware het met hem gedaan geweest. Zijn makker, -ziende in welk gevaar zij beide waren, liep hem achterna, en een -oogenblik daarna kwamen zij met hunne geweren terug. Degeen, op wien de -slag gemunt was geweest, velde dengeen, die hem dien had willen -toebrengen, met den kolf van zijn geweer neder, voor de anderen hem te -hulp konden komen, en toen deze naderden, hielden zij hen de geweren -voor en gelastten hen heen te gaan.</p> - -<p>De anderen hadden ook vuurwapens bij zich, maar de moedigste van de twee -eerlijke Engelschen (gelijk ik hen voortaan noemen zal) door het gevaar -wanhopig gemaakt, zeide, dat zij hen zouden doodschieten als zij hand of -voet bewogen, en gelastte hen hunne wapens af te leggen. Dit laatste -deden zij wel niet; maar de standvastigheid van de anderen bragt hen tot -onderhandelen, en zij verlangden den gekwetste mede te nemen en te -vertrekken; het schijnt, dat deze vrij zwaar gekwetst was. Zij hadden -echter ongelijk, dat zij, thans de overhand hebbende, hen niet -ontwapenden, gelijk zij hadden kunnen doen, en daarop naar de Spanjaards -toegingen en hun verhaalden hoe de schurken hem bedreigd hadden, want -deze drie zonnen op niets dan op wraak, en gaven toen dagelijks de -blijken daarvan.</p> - -<p>Ik zal kleinere staaltjes hiervan niet vermelden, als het vertrappen van -hun koorn, het doodschieten van jonge geiten en van een tamme geit, die -de arme lieden voor verdere aanfokking hielden. Zij plaagden hen op -dergelijke wijze nacht en dag, tot dat de twee anderen in wanhoop -besloten hen alle drie te bevechten, bij de eerste gelegenheid de beste. -Zij besloten te dien einde naar mijne oude woning te gaan, waar de -Spanjaards en de drie schurken gezamenlijk woonden, ten einde de -Spanjaards te vragen om toe te zien, dat het bij het gevecht eerlijk in -zijn werk ging. Op een morgen voor dat de dag aanbrak, begaven zij zich -op weg, en voor het kasteel gekomen (gelijk zij het noemden) riepen zij -de Engelschen bij hun naam, en zeiden aan een Spanjaard, die hun -antwoordde, dat zij hen wilden spreken.</p> - -<p>Toevallig hadden twee der Spanjaarden den vorigen dag in het bosch een -der eerlijke Engelschen ontmoet, die zich bij hen bitter beklaagd had -over de schandelijke behandeling, die zij van hunne landslieden -ondergingen, hoe deze hunne aanplantingen vernield, hun koorn vertrapt -hadden, waaraan zij zoo hard gewerkt hadden; dat zij hunne melkgeit en -drie jongen gedood hadden, waarvan zij geheel moesten leven, en dat zoo -de Spanjaarden hen niet bijstonden, zij van honger moesten sterven. Toen -de Spanjaarden dien avond te huis kwamen, namen zij de vrijheid de -Engelschen te berispen, schoon in zachte en gematigde bewoordingen, en -vroegen hoe zij zoo wreed konden zijn jegens lieden, die hun geheel geen -kwaad deden, en die zelf hun onderhoud trachtten te verdienen, en wie -het zoo veel moeite had gekost hunne zaken op dien voet te brengen.</p> - -<p>Een der Engelschen antwoordde zeer barsch, wat zij daar te maken hadden; -zij waren zonder verlof op het eiland gekomen; de grond behoorde hun -niet. "Wel sennor," zeide een der Spanjaarden zeer bedaard, "zij moeten -niet van honger sterven."—"Dat kunnen zij doen, wat mij betreft," -antwoordde de Engelschman, als een echte ruwe zeebonk, "zij mogen daar -niet planten of bouwen."—"Wat moeten zij dan doen, sennor?" vroeg de -Spanjaard. Een ander der woestelingen antwoordde, dat zij knechts -moesten zijn en voor hen werken.—"Maar hoe kunt gij dat verwachten," -hernam de Spanjaard, "gij hebt ze niet voor geld gekocht, gij hebt geen -regt hen tot uwe knechts te maken." De Engelschman antwoordde, dat het -eiland hun toebehoorde, de gouverneur had het hun gegeven en niemand had -daar iets te zeggen dan zij, en daarbij zwoer hij, dat hij telkens hunne -nieuwe hutten zou afbranden, en dat zij er geen op hun land zouden -zetten.</p> - -<p>"Wel, sennor," zeide de Spanjaard, "op dien grond zouden wij ook uwe -dienstknechten zijn."—"Ja," zeide de onbeschaamde kerel, "en dat zult -gij ook worden, eer wij met elkander afgedaan hebben." Hij doormengde -dit gezegde met eenige afgrijsselijke vloeken. De Spanjaard echter -lachte hierover en gaf hem geen antwoord. Dit gesprek had echter de -Engelschen warm gemaakt; een hunner, Willem Atkins geloof ik, zeide: -"Kom Jack, laat ons hen op een ander tijd te lijf gaan; wij zullen hun -kasteel vernielen, zij zullen op onzen grond geene plantaadje -aanleggen."</p> - -<p>Hierop vertrokken zij, ieder met een snaphaan, een pistool en sabel -gewapend, terwijl zij verscheidene bedreigingen uitstieten, wat zij den -Spanjaarden zouden doen, als er zich de gelegenheid toe aanbood. Het -schijnt echter, dat de Spanjaarden hen niet genoeg verstonden om hunne -bedoeling op te maken, alleen begrepen zij, dat zij verbitterd waren, -omdat zij de twee andere Engelschen voorgesproken hadden.</p> - -<p>Waar zij heen gingen en hoe zij dien avond den tijd doorbragten, zeiden -de Spanjaarden, wisten zij niet. Het schijnt echter, dat zij een deel -van den nacht rondzwierven, en toen, vermoeid zijnde, gingen liggen op -de plaats, die ik mijne buitenplaats noemde, en dat zij toen zich -versliepen. Zij hadden namelijk besloten tot middernacht te wachten, en -dan hunne arme landslieden, als zij sliepen, te overvallen, en gelijk -zij naderhand bekenden, hunne hut in brand te steken, terwijl zij er in -sliepen, en hen laten verbranden of hen dood te slaan als zij er uit -kwamen. Daar nu de boosheid zelden gerust slaapt, is het wonder, dat zij -niet wakker bleven.</p> - -<p>Daar echter de twee anderen ook een voornemen hadden, schoon een veel -loffelijker dan dat om te branden en te moorden, gebeurde het, en zeer -tot hun geluk, dat zij op, en uitgegaan waren voor de bloeddorstige -schelmen aan hunne hutten kwamen. Toen deze daar gekomen en de bewoners -vertrokken vonden, riep Willem Atkins, die naar het scheen de belhamel -was: "Ha, Jack, daar is het nest, maar de vogels zijn gevlogen!" Zij -wisten eerst niet wat zij er van denken moesten, dat zij zoo vroeg -uitgegaan waren, en begrepen, dat de Spanjaards hen gewaarschuwd hadden; -hierop sloegen zij de handen ineen, en zwoeren, dat zij zich op de -Spanjaarden zouden wreken. Zoodra zij deze bloedige overeenkomst -gesloten hadden, vielen zij op de woning der arme Engelschen aan. Zij -staken wel niets in brand, maar braken de beide hutten stuksgewijs -uiteen, en lieten niet den minsten stijl in den grond, zoodat men -naauwelijks zien kon waar zij gestaan hadden. Al hun huisraad en -goederen vernielden zij, en strooiden alles zoo in het rond, dat de arme -lieden naderhand eenige hunner goederen een kwartier verder vonden -liggen.</p> - -<p>Toen dit gedaan was, rukten zij al het jonge plantsoen uit, dat zij -geplant hadden, vertrapten de heining, waardoor zij hun vee en graan -beschermden, en kortom, vernielden en verwoestten alles zoo als -naauwelijks eene horde Tartaren had kunnen doen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_015.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De twee Engelschen waren op dat oogenblik uitgegaan om hen op te zoeken, -en zij hadden besloten hen te bevechten, waar zij hen ook vonden, schoon -zij twee tegen drie waren, zoo dat er zeker bloed zou gestort zijn als -zij elkander ontmoet hadden, want allen waren zeer kloeke en moedige -kerels. Doch de Voorzienigheid zorgde meer, hen van elkander te houden, -dan zij om elkander te ontmoeten, want, alsof zij voor elkander -wegliepen, waren de twee hier, de drie waren ginder; en toen naderhand -de twee teruggingen om hen op te zoeken, kwamen de drie aan hunne oude -woning terug; wij zullen zien hoe verschillend zij zich gedroegen. Toen -de drie terug kwamen, als dolle schepselen, kokende van drift, waarin -hunne daden hen gebragt hadden, kwamen zij bij de Spanjaarden, en -verhaalden hun, al snoevende, wat zij gedaan hadden, en een hunner trad -naar de Spanjaards toe, als waren zij een troep kwade jongens, draaide -een den hoed op het hoofd rond, en sloeg hem daarop er mede in het -gelaat, zeggende: "En gij, Spaansche Jaap, zult van hetzelfde laken een -pak hebben, als gij u voortaan niet beter gedraagt." De Spanjaard, die, -ofschoon een stil, beleefd man, zoo moedig als een leeuw was, zag hem -eene poos strak aan, en stapte, daar hij geen wapen in de hand had, -daarop langzaam naar hem toe, en deed hem met een vuistslag, als een -gedolden os, op den grond storten; waarop een van de schurken, even -onbeschaamd, dadelijk een pistool op den Spanjaard loste. Hij miste hem, -maar de kogel streek langs zijn hoofd, en raakte hem even aan zijn oor, -zoo dat dit bloedde. Het zien van het bloed deed den Spanjaard gelooven, -dat hij zwaarder gewond was, dan het geval was, en hierdoor eenigzins -driftig geworden, want hij was tot hiertoe volkomen bedaard gebleven, -nam hij het geweer op van den kerel, dien hij nedergeveld had, en stond -op het punt den man, die op hem gevuurd had, dood te schieten, toen de -andere Spanjaarden uit den kelder kwamen, hem toeriepen niet te -schieten, tusschen beide traden en de anderen ontwapenden en bonden.</p> - -<p>Toen zij thans ontwapend waren, en bemerkten, dat zij zich ook de -Spanjaards tot vijand hadden gemaakt, zoo wel als hunne landslieden, -begonnen zij een toontje lager, en gaven den Spanjaards goede woorden, -om hun de geweren terug te geven; maar de Spanjaards, in aanmerking -genomen de veete, die er tusschen hen en hunne landslieden bestond, en -begrijpende, dat het best ware hen van elkander te houden, zeiden, dat -zij hun geen kwaad wilden doen, en zoo zij vreedzaam wilden leven, hen -blijven bijstaan, gelijk zij vroeger gedaan hadden, maar dat zij er -niet aan konden denken hunne wapens terug te geven, terwijl zij -voornemens schenen er hunne landslieden mede te beleedigen, en zelfs -gedreigd hadden hen allen tot slaven te maken.</p> - -<p>De schurken wilden evenmin naar rede hooren als handelen, en op deze -weigering gingen zij heen, vloekende als dollen, en dreigende wat zij -hen ook zonder vuurwapenen zouden doen. Maar de Spanjaards, die hunne -bedreigingen verachtten, zeiden hun, dat zij te zorgen hadden van geen -kwaad aan hunne plantaadjes of vee te doen, want dat zij hen anders als -wilde beesten zouden doodschieten, waar zij hen vonden, en hen ophangen -zoo zij hun levende in handen vielen. Wel verre van hierdoor te bedaren, -dropen zij af, vloekende en zwerende als helsche furiën. Naauwelijks -waren zij weg of de twee anderen kwamen, even woedend, schoon om eene -andere reden; want toen zij, bij hunne aanplantingen gekomen, die allen, -gelijk gezegd is, vernield en verwoest vonden, hadden zij reden genoeg -zich te vertoornen. Zij konden naauwelijks hun verhaal doen, want de -Spanjaards lieten hen niet aan het woord komen, en verhaalden hun -wedervaren; en waarlijk het was opmerkelijk hoe drie menschen hier -negentien getergd hadden, zonder straf te beloopen. De Spanjaarden -echter verachtten hen, en na hen ontwapend te hebben, telden zij hunne -bedreigingen weinig, maar de twee Engelschen besloten het hun te -vergelden, wat moeite het hun ook kosten zou hen op te sporen.</p> - -<p>Maar hier kwamen de Spanjaarden ook weder tusschen beide, en zeiden hun, -dat daar de anderen reeds ontwapend waren, zij niet konden toestemmen, -dat zij (de twee) hen met vuurwapens vervolgden en misschien -doodschoten. "Maar," zeide de bezadigde Spanjaard, die hun gouverneur -was, "wij willen ons best doen, dat u geregtigheid geschiede, als gij -het aan ons wilt overlaten, want er is geen twijfel aan of zij zullen -terugkomen als hunne eerste drift bedaard is, daar zij zonder onzen -bijstand niet leven kunnen, en ik beloof u, dat wij geen vrede met hen -zullen maken zonder eene volledige voldoening aan u, en op deze -voorwaarde hopen wij, dat gij u van alle gewelddadigheden jegens hen -zult onthouden, anders dan ter uwer verdediging."</p> - -<p>De twee Engelschen stemden slechts met weerzin hierin toe, maar de -Spanjaarden verzekerden dat zij het alleen deden om bloedstorting te -voorkomen en eindelijk alles te schikken. "Want," zeide hij, "zoo veel -zijn wij niet in getal of er is ruimte genoeg voor ons allen, en het zou -jammer zijn zoo wij niet allen in goede vriendschap leefden." Eindelijk -stemden zij dan toe af te wachten hoe de zaak afloopen zou, en bleven -eenige dagen bij de Spanjaards, omdat hunne eigene woning vernield was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_016.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ongeveer vijf dagen daarna kwamen de drie vagebonden, vermoeid van hun -rondzwerven, en half dood van honger, daar zij bijkans alleen van -schildpadeijeren geleefd hadden, naar het woonhuis terug, en daar zij -den Spanjaard, die, gelijk ik zeide, de gouverneur was, met nog twee -anderen langs de kreek zagen wandelen, kwamen zij zeer ootmoedig naar -hen toe en smeekten op nieuw in hun huisgezin opgenomen te worden. De -Spanjaarden ontvingen hen beleefd; maar zeiden, dat zij zoo barbaarsch -jegens hunne landslieden, en zoo onbescheiden jegens henzelve gehandeld -hadden, dat hij geen besluit kon nemen, zonder de twee Engelschen en -zijne overige landslieden te raadplegen. Hij zou hen echter gaan -opzoeken en er over spreken, en hun binnen een half uur antwoord geven. -Zij schenen er kwaad aan toe te zijn, want toen zij een half uur moesten -wachten, smeekten zij, dat hij hun eerst een stuk brood wilde geven; -hetgeen hij deed, en hun tevens een stuk gekookt geitenvleesch en een -gebraden papegaai toezond, dat zij gretig opaten, want zij waren -uitgehongerd.</p> - -<p>Na verloop van een half uur werden zij geroepen, en nu volgde nog een -lange onderhandeling. Hunne twee landgenooten beschuldigden hen van het -vernielen van al wat zij bezaten, en van het voornemen hen te -vermoorden, hetwelk zij vroeger openlijk verklaard hadden, en dus thans -niet konden ontkennen. De Spanjaards handelden als bemiddelaars, en daar -zij vroeger de twee Engelschen belet hadden hen te vervolgen, toen zij -ongewapend waren, zoo gelastten zij thans de drie, dat zij de hutten van -hunne landslieden weder zouden opbouwen, de eene even als zij geweest -was, de andere wat grooter; ook de heiningen weder te herstellen, andere -boomen te planten voor de uitgeroeide, het land om te spitten, om het -weder te bezaaijen, waar zij het vernield hadden; kortom, alles zoo veel -mogelijk in zijn vorigen staat te herstellen, want geheel kon het niet, -daar het jaargetij voor het koorn voorbij was, en de boomen en heiningen -eerst weder moesten groeijen.</p> - -<p>Zij voldeden hieraan gewillig, en daar men hen al dien tijd goed van -eten voorzag, leefden zij zeer ordelijk, en de geheele bevolking begon -weder aangenaam en genoegelijk te leven; slechts konden de drie -Engelschen nimmer overgehaald worden om voor zichzelven te werken, -behalve nu en dan voor eene poos, als hun dit in het hoofd kwam. De -Spanjaarden zeiden hun echter ronduit, dat zoo zij slechts gezellig en -in goede vriendschap wilden leven, en niets tegen het welzijn der -volkplanting ondernemen, zij voor hen zouden werken en hen laten -rondzwerven en luijeren zoo veel zij wilden; en nadat zij aldus een paar -maanden zich vrij wel gedragen hadden, gaven de Spanjaards hun hunne -wapens terug en verlof om te gaan waar zij wilden.</p> - -<p>Geen week duurde het echter of de ondankbare kerels begonnen even -onrustig en lastig te worden. Thans echter gebeurde er iets, dat hun -aller veiligheid in gevaar bragt, waardoor zij genoodzaakt waren alle -bijzondere veeten te laten varen en alleen op hun lijfsbehoud te denken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_017.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het gebeurde op een nacht, dat de Spanjaard-gouverneur, gelijk ik hem -noemde, dat wil zeggen de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en -thans zoo veel als kapitein van zijne landslieden was, zeer onrustig was -en volstrekt niet slapen kon. Hij was volkomen wel, zeide hij mij, maar -allerlei denkbeelden kwamen hem voor den geest, van lieden die vochten -en elkander doodsloegen, schoon hij volkomen wakker was, hoewel hij -volstrekt den slaap niet vatten kon. Kortom, hij bleef eene poos liggen, -maar steeds onrustiger wordende, besloot hij op te staan. Daar hun -aantal zoo groot was, sliepen zij niet, zoo als ik, in eene hangmat, -maar lagen op geitenvellen, waarvan zij legersteden gemaakt hadden. Als -zij dus wilden opstaan, behoefden zij weinig anders te doen om gereed te -zijn dan misschien schoenen en een buis aan te doen.</p> - -<p>Opgestaan zijnde, zag hij uit, maar het was zoo donker, dat hij niets -onderscheiden kon; en bovendien belemmerden de boomen, die ik geplant -had en nu digt ineengegroeid waren, het uitzigt, zoodat hij alleen zien -kon, dat de sterren helder aan de lucht stonden; en geenerlei gerucht -hoorende, keerde hij terug en ging weder liggen, maar het baatte niet, -hij kon niet slapen, en had geen rust, want hij was in de uiterste -onrust, zonder dat hij wist waarom.</p> - -<p>Daar hij met opstaan en heen en weder loopen eenig gedruisch had -gemaakt, werd een ander wakker, die vroeg wie er opgestaan was. De -gouverneur zeide hoe het met hem was. "Zegt gij zoo," zeide de ander, -"zulk een voorgevoel is niet te verachten; er wordt zeker eenig kwaad -gebrouwen in onze nabijheid. Waar zijn de Engelschen?" vervolgde -hij.—"Die zijn allen in hunne hutten," zeide hij, "en rustig." Het -schijnt, dat de Spanjaarden het grootste vertrek gehouden hadden, en de -Engelschen afzonderlijk lieten slapen, waar zij niet bij de anderen -konden komen. "Er is dan toch iets gaande," hernam de andere Spanjaard, -"daarvan ben ik door mijne eigene ondervinding verzekerd. Ik houd mij -overtuigd, dat onze ziel in betrekking staat tot bewoners eener -onzigtbare wereld, en dat een voorgevoel ons altijd tot ons welzijn -wordt gegeven, als wij er goed partij van weten te trekken. Kom," -vervolgde hij, "laat ons naar buiten gaan en eens uitzien; zoo wij niets -vinden, dat onze bezorgdheid regtvaardigt, zal ik u eene geschiedenis -verhalen, die u van de juistheid van mijn voorslag zal overtuigen."</p> - -<p>Zij begaven zich daarop boven op den top van den heuvel, gelijk ik -gewoon was, maar daar zij sterk en in gezelschap en niet alleen, gelijk -ik, waren, gebruikten zij geenszins dezelfde voorzorgen als ik, van -langs de ladder tot halfweg te komen, en die dan op te halen en tot op -den top te klimmen, maar zij gingen gerust en onbezorgd door het -boschje, toen zij verrast werden door het zien van een licht als van een -vuur, niet ver van hen af, en het hooren van menschenstemmen, niet van -een of twee, maar van een groot aantal.</p> - -<p>Telkens als ik ontdekt had, dat er wilden op het eiland geland waren, -was ik altijd zeer bevreesd geweest, dat zij zouden ontdekken, dat het -eiland door iemand bewoond werd, en toen zij dit eens bemerkt hadden, -bemerkten zij het zoo geducht, dat degeen, die er het leven afbragten, -naauwelijks het konden navertellen, want zij verdwenen zoo schielijk -mogelijk, en niemand, die mij gezien had, ontsnapte het, om het anderen -mede te deelen, behalve de drie wilden bij onze laatste ontmoeting, die -in de boot sprongen, en welke ik, gelijk ik zeide, vreesde dat naar huis -zouden keeren en met meer hulp terugkomen. Of dit nu de oorzaak was, dat -er zoo velen gekomen waren, dan of zij zonder iets te vermoeden er -toevallig met hun gewoon bloeddorstig doel kwamen, konden de -Spanjaarden, naar het schijnt, niet ontdekken. Maar hoe dit zij, het -ware hunne zaak geweest, zich of verborgen te houden en hen in het -geheel niet te zien, veel minder den wilden te laten zien, dat er -bewoners op het eiland waren; of hen zoo geducht op het lijf te vallen, -dat geen een hunner ontsnapte, hetwelk zij alleen hadden kunnen doen -door hen van hunne booten af te snijden; maar zij hadden hiertoe geen -tegenwoordigheid van geest genoeg, hetgeen hen voor langen tijd hunne -rust kostte.</p> - -<p>Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor -verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun -verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun -onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten -om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook -geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het -licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd -hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve -zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten -tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende -partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren.</p> - -<p>De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar -zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo -twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of -eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden -zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo -deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden -vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te -zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten -naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de -grot zelve te drijven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 520px;"> -<img src="images/crus02_018.jpg" width="520" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes -zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar -dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de -andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van -verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken -te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen, -om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op -verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen, -waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer -is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te -hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van -een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te -worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van -verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een -grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden -verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op -hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te -houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde -vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander -waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had -echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen -nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal -geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee -kleine legers weder in een bloedig gevecht waren.</p> - -<p>Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden, -dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het -veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te -houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de -overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was -hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze -had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat -zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de -voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij -gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het -gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen -worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later -blijken zal.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_019.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag, -bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid, -onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het -gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke -partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het -digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen -eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk, -dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich -daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en -de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop -besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het -boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou -terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met -de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het -schot de aandacht mogt trekken der overigen.</p> - -<p>Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen -troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne -woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die -buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt, -dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen -zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer -menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood -werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen -achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het -overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de -overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen -bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij -naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd. -Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in -hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen -bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen -zij niets van de wilden.</p> - -<p>Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen -schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar -tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen -gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten -waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien -of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte -pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer -veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook -het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat -het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die -zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem -geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog -eenig leven in is, mede.</p> - -<p>Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want -het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs -uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking, -dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die -hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op -te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het -denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon -het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats -grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet -konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene -weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide, -maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al -dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden, -oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene -poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust -verwekten.</p> - -<p>Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit -jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en -lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen -echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst -voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten -in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en -door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk -zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag -werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij, -namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen, -gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn -vleesch aan mijn gebeente.</p> - -<p>Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het -algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne -omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam -was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het -eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken -waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs -blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden -veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter -bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen -besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een -of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren, -waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te -zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats -vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of -dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen. -Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne -spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar -het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit -besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde -daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een -gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad -van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de -drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden -van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder -van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats -beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die -ik hun bij mijn vertrek toegezonden had.</p> - -<p>Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die -zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en -zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van -afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog -meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn -verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen -opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het -overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne -vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater -onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er -geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig -groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze -zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt -gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon. -De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de -hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant, -zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve -voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo -digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen.</p> - -<p>Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen -heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die -tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top -beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand -bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed -bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de -Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender -naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele -ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans -blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.</p> - -<p>Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van -wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun -grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen -uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging, -uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig -kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich -naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag -en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit. -Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook -gingen, zij landden niet op het eiland.</p> - -<p>Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer, -een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven, -die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij -hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn -gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om -hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die -daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke -houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den -arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem -toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem -en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor -nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem -zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den -slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand -had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot -zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen -weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde -Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere -wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman, -die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden -wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er -meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste -vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig -geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij -niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om -te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen, -zoodat het niet veilig was met hen te leven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_020.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat, -zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want -alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij, -en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd -te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid -van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te -danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en -hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden, -overlaten.</p> - -<p>Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij -verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne -overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop -verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat -al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in -hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde, -vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen -vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel -verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde -er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of -ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben -wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij -winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten, -dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden? -Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de -Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 350px;"> -<img src="images/crus02_021.jpg" width="350" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede -spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie -man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller -bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te -denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die -den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de -drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name -hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en -misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een -gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen.</p> - -<p>Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had -hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een -Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord, -ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij -kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem -vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet -tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de -overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen -er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun -voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur, -kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten -beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen, -eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch -lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het -gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig -zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden -of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen -uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een -zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat -zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de -veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten, -zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men -hen aantrof.</p> - -<p>De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene -poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende: -"Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan -geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen; -wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun -genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen; -binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij -ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter -aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den -veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en -dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder -vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of -hunne landslieden eenig kwaad zouden doen.</p> - -<p>Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen. -Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch -heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende, -dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en -werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens.</p> - -<p>Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te -halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en -eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene -plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek, -aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik -gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was, -in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij -twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de -helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten -stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder -scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige -gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun -gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de -overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap, -zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en -kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood.</p> - -<p>Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen -eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts -een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de -geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij -planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het -geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan -gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog -te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards -smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen -voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot -genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter -slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral -zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er -verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt.</p> - -<p>Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich -weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen -begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang -der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat -zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden, -naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te -maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij -daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar -huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten.</p> - -<p>Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets -zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag, -schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare -straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand -bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe -snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat -hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel -zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats, -waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was, -het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk -het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards -in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot -mijn verhaal terug.</p> - -<p>De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en -verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren -bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam. -Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te -maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van -gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes -wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame -wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het -vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last -bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien.</p> - -<p>De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken, -maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond -liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten -verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te -verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na -te denken.</p> - -<p>Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op -het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken; -dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was -het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom, -zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden, -hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop -zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en -bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij -slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet -genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en -drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden.</p> - -<p>Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood -voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang -het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te -slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne -kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed -was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man -kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar -de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van -een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde -geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards -riepen hun achterna: <i>Buen viago</i>, en niemand dacht, dat hij hen ooit -weder zou zien.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_022.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven -eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die -drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan -dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der -Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten -naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg -liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den -Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren -vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide -de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker -wilden?"—"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en -wapens."—"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn -het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de -wereld is er, die ons anders dan goed zou doen."</p> - -<p>Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor -de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en -alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over -iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag. -Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en -wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele -reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt -hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende -hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar -zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening -kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland -gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de -opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het -noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te -landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten -moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun -verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer -welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van -levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd. -Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij -konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te -kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren; -zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog -gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De -Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij -antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee -vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd -gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende -feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien, -maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij -eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar -de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den -volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den -volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven -die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een -zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_023.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen -indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te -weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden -kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij -besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig -aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden -sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder -schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden -de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt.</p> - -<p>De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders -zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den -volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten -maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle -vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan -de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen -terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der -gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg -trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets -aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit -alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten -zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen, -alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten -dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te -brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij -was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om -geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen -dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te -slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden, -verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe -meesters moesten strekken.</p> - -<p>Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden, -vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt -hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten -gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven -de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich -derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut -gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal -gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot -zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk -drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar -oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en -twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank, -welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in -vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van -haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor -schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig -voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren, -gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende, -doch hierover nader.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_024.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt -te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het -bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid -waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van -aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik, -drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den -jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te -zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar -buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden -dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan, -en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan -kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar -kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen -doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen -te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren, -Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en -zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij -hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op -zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was, -want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 650px;"> -<img src="images/crus02_025.jpg" width="650" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij -als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden -om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en -daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg -het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken.</p> - -<p>De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen -somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting -aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze -vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden -of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk. -De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de -meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het -billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het -alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne -huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u -niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw -beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen -achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden.</p> - -<p>Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen, -doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen -hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen -verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een -voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet -heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en -zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en -Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen -aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der -wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de -geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en -bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden.</p> - -<p>Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare -kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet -dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar -ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een -goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij -plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere -hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te -beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels -waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die -het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste -van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs -de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij -bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was, -wat dat betreft, de beste vrouw van allen.</p> - -<p>Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor -een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand, -en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden. -Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen -allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid, -dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook -konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord -zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die -haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut -gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst -der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de -Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij -voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te -bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne -gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen -hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de -noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden -waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen, -dat er drie dorpen op ontstaan waren.</p> - -<p>Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in -de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke -wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven -hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren, -die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie -knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de -twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer -onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen; -maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en -net.</p> - -<p>Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een -traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland -kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene -kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver -vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden -wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want -mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij -noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de -omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het -oog.</p> - -<p>De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge -boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en -schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne -landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was -alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant -en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne -druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch -eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was, -hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het -eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige -schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te -planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een -ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de -buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten -volgen.</p> - -<p>De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel -beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger, -en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe -hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter -behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en -maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd -dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol -doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het -op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren -onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen -en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre -takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen -het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen -alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun -graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand -des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden -overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen -dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_026.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en -net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat -was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij -zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen -niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen -koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om -schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom, -zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De -vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en -in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld -doorgaat.</p> - -<p>Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen -hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt.</p> - -<p>Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land, -ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden. -Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam -geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de -ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te -blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden, -stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg, -dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich -binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te -berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer -verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen, -en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren, -hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes -met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de -nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij -verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie -achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen; -waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als -beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen -vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst -teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren.</p> - -<p>De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De -gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het -niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te -maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij -er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij -hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij -hadden dus geen regt hen van het leven te berooven.</p> - -<p>Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe -verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru -zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb, -die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren -als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van -wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het -allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was -gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der -Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het -hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog -eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden -heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig -hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken -zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie -mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken, -gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen -en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten -zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal, -even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig -gerust gesteld en weggevoerd.</p> - -<p>Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar -mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis, -waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te -verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee -Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor -hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men -meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg, -en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep -echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug -te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne -kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee -dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij -begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne -landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het -eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik -zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe -velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een -geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen -leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de -twee Engelschen gemaakt hadden.</p> - -<p>Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven, -was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht -tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen -roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op -eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning -der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche -gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het -gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen -enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee -man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij -nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden, -en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het -nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden -zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee -achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen, -die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt, -zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen -brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden -medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten -gebonden, voor 's hands liggen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_027.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant -toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden -werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch -inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten -waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar -het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf -aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en -goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van -de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was, -ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te -roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en -trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op -eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan.</p> - -<p>Zij waren niet ver gegaan of zij konden van een hoogen grond het -legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een -oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam -staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en -voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand -houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven, -alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar -menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis -droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig -waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een -te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een -half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer -zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een -zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten -en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten -af te wachten wat er verder gebeuren zou.</p> - -<p>Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten, -dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen -zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen -denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht -rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken. -De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen -zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de -landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien -hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles -verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel -kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet -door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun -kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland -waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna -beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de -drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en -de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee -voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of -aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde -naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter -hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar -waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_028.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij -achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en -misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een -vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom -een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende -tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen -kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de -drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem -duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al -zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo -hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden. -Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de -wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste -ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de -weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was -niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien -van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar -hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig -schreeuwende en gillende op den grond.</p> - -<p>De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende, -stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's -herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle -kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien -daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter -alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was, -onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich -in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de -arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil -boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen -waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij -zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden -deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want -gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij -nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men -menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het -anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben, -zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen.</p> - -<p>Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden, -aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei -besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar -zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had, -thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou, -waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde, -ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo -dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In -deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij -weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd -op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in -leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit -dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den -weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een -ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst -was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een -jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij -geen woord konden verstaan van al wat hij zeide.</p> - -<p>Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom -daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een -stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen -en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden -ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg -naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen -en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide -in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het -genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep, -geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk -leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij -naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden. -Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en -de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den -voet des booms.</p> - -<p>Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of -hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te -begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar, -die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de -wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor -hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden -zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren -geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te -ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die -het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen -hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de -vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het -genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de -andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags -vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan -en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan -dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven -Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb, -vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen -aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij -waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den -gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem -weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die -achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was.</p> - -<p>Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang, -dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt -noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde -echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit -de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden -blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te -geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht.</p> - -<p>Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden, -dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar -met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren -en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken. -Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood -hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden -geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en -twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar -begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en -hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden -eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige -wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid, -voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat -zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen -duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken.</p> - -<p>Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog -een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel -tevreden van hen ontslagen te zijn.</p> - -<p>De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al -hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen -bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot -hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen, -kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts -woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was), -en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen -ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige -te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen -staat gezet.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 600px;"> -<img src="images/crus02_029.jpg" width="600" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der -wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee -verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een -storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht -na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo -ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van -hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene -andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het -scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren -wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van -bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij -hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood -was, hadden zij niemand om dit te bevestigen.</p> - -<p>Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden -hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig -onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden -opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte -vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen -en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig -gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de -grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de -oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den -geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste -plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij -onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal -hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten, -die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar -de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden -regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude -werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar -geland waren.</p> - -<p>Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne -buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en -lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den -morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der -twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed -hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van -het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten -getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons -leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens -genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als -volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen:</p> - -<p> -<span style="margin-left: 1em;">17 Spanjaarden.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">5 Engelschen.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden.</span><br /> -</p> - -<p>Om deze te wapenen hadden zij:</p> - -<p> -<span style="margin-left: 1em;">11 geweren.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">5 pistolen.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 jagtgeweren.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">matrozen ontnomen waren.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">2 sabels.</span><br /> -<span style="margin-left: 1.5em;">3 oude hellebaarden.</span><br /> -</p> - -<p>Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een -hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en -eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de -vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog -en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste -gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze -vrouwen hadden bijlen ook.</p> - -<p>De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde -het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard, -tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De -wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen -hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die -thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als -eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten -voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop -achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen, -die allen door eenige digte boomen beschermd werden.</p> - -<p>Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te -zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig -hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen -naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder -zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer -gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de -verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die -allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne -makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen, -die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de -drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut -gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals -de laag.</p> - -<p>Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was -teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij -geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden -geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte, -ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met -donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem -Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder -te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en -kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee -of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon -terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins -zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand -een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche -slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst, -terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan -zijn piek en een bijl.</p> - -<p>Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee -anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de -Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven; -want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer -dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak -bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van -pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne -wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten.</p> - -<p>Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die -gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij -hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden, -als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch -bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens -hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne -gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van -victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van -bloedverlies sterven.</p> - -<p>De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte -bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk -de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins, -gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan -zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van -bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze -raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor, -maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog -warm ben."—"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper -gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort -kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven -zij wachten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_030.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden -in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een -groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den -nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts -eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene -schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning -het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het -westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij -nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht -hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene -halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot -werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet -in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo -spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich -daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op -het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier -en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen, -die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten.</p> - -<p>Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder -iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze -zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun -legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te -voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden -als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste -verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden -schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en -zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en -de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun -geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de -laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen, -en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil -en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te -redden.</p> - -<p>De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide -gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de -overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de -heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich -weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk -het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne -rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een -geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar -de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb -begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de -grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren -zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld.</p> - -<p>De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht -echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben, -besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt -waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk -weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme -schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op -herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig -gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs -verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen -behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want -hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme -schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het -gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd -was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op -den grond, met het hoofd tusschen de handen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crus02_031.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren, -gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit -deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten -had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij -door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij -diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks -hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst -mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe -begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van -gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord -had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de -onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren -gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk -aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren -gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk -en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest -worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil -van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad, -hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de -wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid -ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crus02_032.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees, -dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop -blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde -beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds -afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste -armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan, -dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te -krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen -moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij -bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in -toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig -droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in -brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden. -Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen. -Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch -uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: <i>Oa, -oa, waremokoa</i>! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand -iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men -duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij -vertrekken wilden en nimmer terugkomen.</p> - -<p>Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der -kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder -naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een -hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene -mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te -kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die -kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden -in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk -hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen -eerst niet wisten, wat met hun te doen.</p> - -<p>De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat, -terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over -hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven -hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet -vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het -dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en -het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de -wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de -onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig -voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden -bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en -terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner -aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van -door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene -wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die -te maken, en ander wapentuig hadden zij niet.</p> - -<p>Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te -gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want -schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en -verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het -dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens -de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood -was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was -opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met -zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te -vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was, -nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn -gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware -honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik -kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden.</p> - -<p>Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het -zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op -het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen -dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun -getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn -zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid -leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig -met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot, -deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren -zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot -eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of -wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij -schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het -bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_033.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden -zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de -edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij -sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen -te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en -trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij -in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen -tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer -verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst -norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed -behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk -handelbaar.</p> - -<p>Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak, -en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet -alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland -geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen -bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden -geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om -thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan -zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden, -terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij -allen uitgeroeid zouden worden.</p> - -<p>De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op -zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en -smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen, -goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats -begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte -brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie -levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan -zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen -opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want -behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen, -overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen -ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken.</p> - -<p>Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te -fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders -zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands -aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en -van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte. -Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was -ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun -houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen -en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als -mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene -volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel -kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te -houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien -van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord -hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij -het gedaan, moeijelijk gevonden hebben.</p> - -<p>Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun -tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig -was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en -dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op -doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet -weder verraden wilden hebben.</p> - -<p>Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden -vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren, -want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven, -vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene -menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij -eerst den slag er van hadden.</p> - -<p>Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen, -scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard -noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich -zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk -geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en -allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel -tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo -mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen, -zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een -afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich -thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene -tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien -zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden, -gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen -zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent -zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee -en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm -gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht -stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer -sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige -ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat -ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat -scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had -voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had -houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de -ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze -wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden, -bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het -dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten -teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote -boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het -met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het -vlechtwerk voor hem gedaan hadden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 675px;"> -<img src="images/crus02_034.jpg" width="675" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van -afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee -en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde -eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den -binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig -voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner -vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers -gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur, -die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur, -die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam, -zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen -tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin -strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den -buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het -inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte -gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan -weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke -men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en -dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang -was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes -van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die -tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het -binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze -noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang, -die naar de binnenste tent voerde.</p> - -<p>Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld -meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo -gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen, -namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne -vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden -volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk -van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad -gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat -zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik -reeds gezegd heb.</p> - -<p>Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst -betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden -zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone -wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme, -onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij -met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig -van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of -godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun -toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden -leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig -bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken, -even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren, -toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren -geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden; -maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een -meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat -van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag -van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor -elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik -kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de -Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later -gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne -komst aldaar.</p> - -<p>Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben, -en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets -zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking -uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde.</p> - -<p>Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder -de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene -bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar -eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij -hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop -overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan -niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en -zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk -hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten -ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te -verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het -vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste -eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het -verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan -worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op -iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart -dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat, -schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als: -"treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte -hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in -mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in -den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal -gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander -waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk -meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere -natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen -het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in -gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den -schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding -te denken.</p> - -<p>Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat -zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel, -of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige -ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de -Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand -drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij -tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de -Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden -wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden -nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen -naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan -hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"—Ik verzocht -hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst -aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij -ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had; -terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan -en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij -levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk -men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk -dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op -gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel -schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch -zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij -thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet -kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun -slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten -kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van -hun land was.</p> - -<p>Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden, -waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het -dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over -gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp -en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van -degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden -te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest -opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen -zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds -verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat -eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van -levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der -wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek -dan anderen, die meer voedsel hadden.</p> - -<p>Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden -gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne -ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een -ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij -beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe -de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten -oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo -hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne -vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en -vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij -toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld -te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden, -want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun -gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich -laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de -drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls -dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en -scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette -echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in -groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote -houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze -beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms -in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der -wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen -werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij -eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat -hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden -gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_035.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne -overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten -tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was; -en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer -dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg -kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat -die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die -nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik -vroeger verhaald heb.</p> - -<p>Aandoenlijk was hunne beschrijving van de vreugde, die zij smaakten bij -de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij -door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen, -verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne -mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een -eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat -en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken. -Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den -voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood, -dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden; -hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en -hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het -overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van -hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te -brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch -dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne -bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan, -waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van -hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne -vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij -de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in -tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit -verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen -hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme -scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de -vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar -hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene -achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar -mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze -arme lieden voor mij te treffender.</p> - -<p>Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te -hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen -achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de -wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen -zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus -baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den -Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar -ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig -geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot -dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd -werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen -vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal -goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld -ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon, -te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun -aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren, -en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans -moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak, -en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een -voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten -en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte -vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen -hen heerschte.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_036.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij -genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg -vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat -hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen -wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen -behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf -in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om -verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en -onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de -beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen -hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de -eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_037.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers -om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald -hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was. -Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later -meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de -bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met -wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem -hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te -dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en -zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op -allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste -omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen.</p> - -<p>Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den -volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet -daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat -hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van -het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen; -en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen -Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren -geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden -voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar -boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch -konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden.</p> - -<p>Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen -te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor -allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben, -namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst deelde ik genoeg -linnen uit, dat ieder vier hemden had, en op het verzoek der Spanjaarden -vermeerderde ik dit tot zes. Deze waren hun uiterst aangenaam, want zij -hadden sedert lang vergeten wat het was een hemd te dragen. Ik bepaalde, -dat ieder zooveel dun laken zou hebben als voor een kiel genoeg was, dat -de beste dragt in dit klimaat was, als zijnde ruim en luchtig. Ik zeide, -dat als zij versleten waren, zij uit den voorraad nieuwe konden maken, -en even zoo met de schoenen, kousen, hoeden, enz.</p> - -<p>Ik kan niet zeggen hoeveel genoegen op het gelaat dezer arme lieden te -lezen stond, toen zij zagen hoe ik voor hen gezorgd had. Zij zeiden, dat -ik een vader voor hen was, en dat met een correspondent als ik, zij zich -niet vergeten geloofden in dezen afgelegen hoek der wereld. En allen -beloofden mij vrijwillig de plaats niet zonder mijne toestemming te -verlaten.</p> - -<p>Daarop stelde ik hun de lieden voor, die ik medegebragt had, zoo als den -kleedermaker, den smid en de twee timmerlieden; maar bovenal mijn -duizendkunstenaar, wien zij niets konden noemen daar hij tegen opzag. De -kleedermaker ging, om zijne gewilligheid te toonen, dadelijk aan het -werk om voor ieder een hemd te maken, en leerde de vrouwen daarbij met -de naald omgaan, en deed zich door haar helpen. Dat de timmerlieden -nuttig waren, behoef ik ook niet te zeggen; zij namen dadelijk al het -lompe onhandige huisraad onderhanden, en maakten knappe tafels, stoelen, -bedsteden, kasten, planken, en al wat zij van dien aard noodig hadden.</p> - -<p>Maar eerst wilde ik hen laten zien hoe knappe kunstenaars uit zichzelve -iets kunnen doen, en nam hen mede naar Willem Atkins manden huis, gelijk -ik het noemde; en beiden verzekerden nimmer zulk een vernuftig werkstuk -gezien te hebben, noch iets wat in zijne soort zoo regelmatig en knap -gebouwd was. Een hunner, na er lang op gestaard te hebben, zeide tot -mij: "Gij kunt er op aan, dat die man ons niet noodig heeft; gij behoeft -hem slechts gereedschap te geven."</p> - -<p>Vervolgens bragt ik al mijne gereedschappen aan wal, en gaf iedereen een -spade, een schop en een hark, want wij hadden geene eggen of ploegen; en -voor iedere plantaadje een houweel, een breekijzer en een dissel; met -bepaling, dat als een daarvan brak of versleten was, deze dadelijk -zonder misnoegen uit den algemeenen voorraad aangevuld moest worden. -Spijkers, krammen, hengsels, hamers, beitels, messen, scharen en -allerlei gereedschappen en ijzerwerk ontving ieder ongeteld zooveel hij -noodig had, want niemand verlangde meer dan hij gebruiken kon. Voor den -smid liet ik twee ton onbewerkt ijzer achter.</p> - -<p>Mijn voorraad van kruid en wapens, dien ik hun medebragt, was zoo groot, -dat zij er verrukt van stonden; want nu konden zij, gelijk ik gewoon -was, met een geweer op ieder schouder uitgaan, en wel duizend wilden het -hoofd bieden, zoo zij slechts eene niet onvoordeelige standplaats kozen, -gelijk zij altijd gemakkelijk doen konden.</p> - -<p>Ik had den jongeling mede naar den wal genomen, wiens moeder van honger -gestorven was, en ook de dienstmaagd. Deze laatste was een zedig, -welopgevoed, godsdienstig meisje, dat zich zoo innemend gedroeg, dat -iedereen haar gaarne lijden mogt. Zij leidde onder ons een onaangenaam -leven, daar zij de eenigste vrouw aan boord was, maar droeg dit met -geduld. Na eenigen tijd, toen zij alles op mijn eiland zoo goed geordend -en bloeijend zag, en bedacht, dat zij in Oost-Indië niets te verrigten -en geene bekenden hadden, kwamen beide mij verlof vragen op het eiland -te blijven bij mijn huisgezin, gelijk zij het noemden. Ik stemde -gereedelijk hierin toe, en hun werd een stuk lands aangewezen, waar drie -huizen of tenten opgeslagen werden met vlechtwerk, gelijk die van Atkins -verschanst, en aan zijne plantaadje grenzende. Deze tenten waren zoo -ingerigt, dat aan weerszijden een slaapvertrek was, en in het midden -eene groote kamer of schuur om hunne goederen in te bewaren en te eten -en te drinken. En daar de twee andere Engelschen hunne woning naar -dezelfde plaats verlegden, zoo bleven er slechts drie kolonies op het -eiland, en niet meer; namelijk die van de Spanjaards met den ouden -Vrijdag en hunne drie slaven, in mijne oude woning aan den heuvel, dat -inderdaad eene uitmuntende stad was, welker vestingwerken zij zoo wel -aan de binnen- als buitenzijde der heuvels uitgebreid hadden, zoodat zij -zoo wel veilig als in de ruimte woonden. Nimmer zag men zulk een stadje -in een bosch, of ergens ter wereld, geloof ik, zoo verborgen. Duizend -man hadden het eiland eene maand lang kunnen doorzoeken, en zoo zij niet -geweten hadden, dat het bestond, zouden zij het niet gevonden hebben, -want de boomen stonden zoo digt opeen, en waren zoo door elkander -gegroeid, dat men ze eerst moest vellen om de plaats te naderen, behalve -door twee naauwe ingangen, die niet gemakkelijk te ontdekken waren; de -een kwam vlak aan het water uit, wel tweehonderd schreden van de plaats, -en de ander was de reeds beschreven ladder, en de plaats, waar deze -uitkwam, was ook digt met hout begroeid.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_038.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De tweede kolonie, die van Atkins, bestond uit vier Engelschen, die ik -daar vroeger achtergelaten had, met hunne vrouwen en kinderen; drie -slaven, de weduwe en kinderen van den gedooden Engelschman, de jongeling -en de kamenier, die wij ook voor ons vertrek uittrouwden. Daar woonden -ook de twee timmerlieden, de kleedermaker en de smid, die vooral zeer -nuttig was voor hunne geweren, en mijn duizendkunstenaar, die alleen zoo -veel kon als twintig man, en iedereen door zijne grappen opbeurde. Wij -trouwden hem uit aan de kamenier, die met den jongeling met ons aan wal -gegaan was. Dit trouwen brengt mij natuurlijk op den Franschen -geestelijke, dien ik van het brandende schip verlost had. De man was -zeker Roomschgezind, en in de oogen van sommigen zal het vreemd zijn, -dat ik met zoo veel lof van hem gewaag. Maar om hem regt te laten -wedervaren, moet ik zeggen, dat hij een ernstig, bedaard, vroom en -godsdienstig man was, onberispelijk van zeden, liefderijk van aard en -een voorbeeld in al wat hij deed. Wie kan mij laken, dat ik de waarde -besef van zulk een man, onverschillig of zijn geloof al dan niet het -mijne was.</p> - -<p>Het eerste gesprek, dat ik met hem had, nadat wij bepaald hadden, dat -hij mede naar Oost-Indië zou gaan, was mij uiterst aangenaam. -"Mijnheer," zeide hij, "gij hebt niet alleen naast God mij het leven -gered, maar mij toegestaan deze reis met u te doen; mijn gewaad toont u -mijn geloof, en aan uwe natie kan ik het uwe gissen. Ik mag het als mijn -pligt beschouwen, gelijk het ongetwijfeld is, te allen tijde mijn -uiterste best te doen, alle zielen tot de kennis der waarheid en de -aanneming van het Roomsche geloof over te halen; maar daar ik hier met -uwe toestemming, en als het ware in uw huisgezin mij bevind, eischt zoo -wel de kieschheid als de billijkheid, dat ik mij naar uw verlangen -schik, en ik zal derhalve niet zonder uwe toestemming over -godsdienstpunten spreken, waarin wij niet overeenstemmen."</p> - -<p>Ik antwoordde, dat ik getroffen was over de kieschheid van zijn gedrag; -dat wij, wel is waar, tot degenen behoorden, die men elders Ketter -noemt, maar dat hij niet de eerste Katholijke priester was, met wien ik -vriendschappelijk verkeerd had, en zonder dat onze verschillende -meeningen kwaad bloed zetten. Ik verzekerde hem, dat hij niet minder zou -behandeld worden om dat zijn geloof van het mijne verschilde, en dat zoo -er uit dien hoofde ongenoegen tusschen ons rees, het mijne schuld niet -zijn zou.</p> - -<p>Hij zeide, dat zijns inziens niets gemakkelijker was dan te spreken -zonder te twisten, en hij niet met ieder, dien hij aantrof, over -geloofspunten behoefde te twisten, en liever als een welopgevoed man met -mij wilde verkeeren. Wilde ik later met hem over zaken van godsdienst -spreken, dit zou hem aangenaam zijn, maar dan moest ik hem vrij laten -zijne meeningen te verdedigen zoo goed hij kon, doch zonder mijne -toestemming zou dit niet gebeuren. Hij zeide verder, dat hij daarom niet -nalaten zou alles te doen wat zijn pligt als priester en Christen van -hem eischte, ten beste van het schip en scheepsvolk; en schoon wij -misschien niet in zijn gebed konde instemmen, hoopte hij toch voor ons -te bidden.—Aldus spraken wij veel, en hij was niet alleen een man van -een allerbeschaafdst gedrag, maar ook van gezond verstand, en ik geloof -ook zeer geleerd.</p> - -<p>Hij gaf mij een zeer belangrijk verhaal van zijn leven, gedurende de -weinige jaren, dat hij in de wereld rondzwierf, vooral was het -merkwaardig, dat hij op zijne tegenwoordige reis vijf malen van schip en -bestemming veranderd was. Eerst was hij te St. Malo op een schip, naar -Martinique bestemd, gegaan, doch toen zij door storm Lissabon moesten -inloopen, hadden zij bij het opzeilen van de Taag gestooten, en moeten -lossen. Hij vond een schip zeilree liggen naar Madera, waar hij aan -boord ging, denkende ligtelijk een schip naar Martinique te zullen -ontmoeten, maar de Portugesche kapitein, die een bedroefd zeeman was, -geraakte zijn bestek kwijt en belandde te Fial, waar hij echter zijne -lading zeer goed afzette, en dus besloot niet naar Madera te gaan, maar -zout op het eiland Mai in te laden, en vandaar naar Newfoundland te -verzeilen. Hij was genoodzaakt mede te gaan, en had eene vrij gunstige -reis tot aan de banken, waar hij een Fransch schip ontmoette, dat naar -Quebec en vandaar naar Martinique bestemd was; hiermede dacht hij zijne -bestemming te bereiken, maar de kapitein stierf en het schip bleef daar. -Daarop ging hij naar Frankrijk scheep in het schip, dat verbrandde, en -ging toen bij ons aan boord om mede naar Oost-Indië te gaan. Aldus had -hij vijf mislukte reizen gedaan op slechts eene reis als het ware.</p> - -<p>Doch ik wil niet uitweiden over andere lotgevallen, die niet tot de -mijne betrekking hebben, en keer tot ons eiland terug. Hij vertoefde al -dien tijd op het eiland onder ons, en kwam op een morgen bij mij, juist -toen ik de kolonie der Engelschen, die het verst af lag, wilde bezoeken. -Hij zeide mij met een zeer ernstig gelaat, dat hij twee of drie dagen -lang eene gelegenheid gezocht had tot een onderhoud met mij, hetwelk hij -hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn, omdat het, naar zijne -meening, eenigzins met mijn oogmerk strooken zou, namelijk den voorspoed -van mijne kolonie, en om op deze, misschien meer dan thans, Gods zegen -verwerven.</p> - -<p>Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe, -mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand -en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald -heb?"—"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten -uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt -gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben, -dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods -zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar," -vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo -kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen, -en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van -Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en -Gods toorn tegen hen verwekte."</p> - -<p>Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij -zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had, -en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de -plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen, -en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij, -dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen -wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig -en openhartig met mij te spreken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_039.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige -grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat -ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon -vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen. -Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst -verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen -zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij -overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God -is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te -gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen -overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat -deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk -erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene -opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal -ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat -zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden -Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel, -en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij -hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij -toestaat mij in deze zaken te mengen."</p> - -<p>Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij -gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht -hem mij zijne meening nader uiteen te zetten.</p> - -<p>"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken, -en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen -moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg -geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik -ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw -genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier -Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder -verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op -eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen, -en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen -aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te -volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of -huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de -Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis -tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter -geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen, -maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar -de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge -toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen, -maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt -elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met -eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft, -en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en -de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt."</p> - -<p>"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de -gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken, -aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen, -terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe, -mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe -zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op -zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden, -die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij -staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?"</p> - -<p>Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de -krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er -geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen -opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts -door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze -vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch -hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant, -een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken -was, dat het niet geschied was.</p> - -<p>Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat -dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren -zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer -te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel.</p> - -<p>"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot -verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik -smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te -doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende -al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het -verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen -ophouden, en in niemands magt anders."</p> - -<p>Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde, -door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en -niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem, -dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor -in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo -verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat -gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze -van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon -dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit -even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door -eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken -in Europa geldig zal geacht worden."</p> - -<p>Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver -aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk, -en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige -betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks -gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een -schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij -gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem, -en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom -zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even -geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had. -Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten.</p> - -<p>Vervolgens vroeg ik hem naar de tweede reden tot klagten; terwijl ik -mijne verpligting voor de eerste jegens hem erkende, en er hem hartelijk -voor dank zeide. Hij zeide even rondborstig en vrij met mij daarover te -zullen spreken; het was dat, niettegenstaande deze mijne Engelsche -onderdanen, gelijk hij ze noemde, nu bijkans zeven jaren met deze -vrouwen geleefd hadden, en haar Engelsch hadden leeren spreken, en zelfs -lezen, en zij, naar hij opgemerkt had, vrij bevattelijke en verstandige -vrouwen waren, dat zij nog tot op dit oogenblik haar niets van de -Christelijke godsdienst geleerd hadden, zelfs niet zooveel, dat er een -God was, of eene eerdienst, of hoe God gediend worden moet, of dat hare -eigene afgoderij en aanbidding van zij wisten zelf niet wat, valsch en -ongerijmd was. Bat was, zeide hij, eene onverschoonbare achteloosheid, -die zij voor God zouden moeten verantwoorden. Hij vervolgde met veel -vuur: "Ik ben overtuigd, dat zoo deze lieden in het land woonden, -vanwaar hunne vrouwen gekomen zijn, de wilden meer moeite zouden gedaan -hebben om hen tot afgodendienaars en duivelaanbidders te maken, dan een -hunner, zoo ver ik zien kan, gedaan heeft, om de kennis van den eenigen -waren God te verspreiden. En ofschoon, mijnheer, uw geloof en het mijne -verschillend zijn, zouden wij echter beide gaarne aan dienaren van het -rijk des duivels de algemeene beginselen van de Christelijke leer zien -ingeprent; opdat zij ten minste van eenen God, van den Verlosser, van de -opstanding en van een toekomstigen staat hoorden; zaken, waarin wij -allen gelooven; dan zouden zij althans de ware kerk veel meer genaderd -zijn dan thans in de openbare belijdenis der afgoderij en aanbidding des -duivels."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_040.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik kon mij niet langer bedwingen; ik sloot hem in mijne armen en drukte -hem met vervoering aan mijn hart. "Hoe ver ben ik verwijderd van de -kennis van eens Christens grootsten pligt, namelijk van de liefde voor -Christus kerk en voor het geestelijk welzijn van anderen!" riep ik uit. -"Ik weet naauwelijks wat een Christen betaamt!"—"O, zeg dat niet, -mijnheer," zeide hij, "deze zaak is uwe schuld niet."—"Neen, neen," -hernam ik, "maar waarom nam ik ze niet zoo wel als gij ter harte?"—"Het -is nog niet te laat," antwoordde hij, "veroordeel u zelven niet te -overijld."—"Wat thans echter te doen?" hernam ik, "gij ziet, ik sta op -mijn vertrek."—"Wilt gij mij toestaan er met deze arme lieden over te -spreken?" vroeg hij.—"Met al mijn hart," antwoordde ik, "en ik zal -zorgen, dat zij op uwe woorden acht geven."—Hij hernam: "Dat moeten wij -aan de genade van Christus overlaten, maar het is onze pligt hen -behulpzaam te zijn, aan te moedigen en te onderrigten, en zoo gij het -mij toestaat en God zijnen zegen geeft, twijfel ik niet of de arme -onwetende zielen zullen tot het rijk van Christus gebragt worden, tot -het geloof, dat wij allen belijden, en dat nog terwijl gij hier -zijt."—"Ik zal u niet alleen verlof, maar ook den hartelijksten dank -daarvoor geven," zeide ik. Ook hiervan zal ik den uitslag mededeelen.</p> - -<p>Nu vroeg ik hem naar het derde punt, waarin wij te laken waren, "Het is -van gelijken aard," zeide hij, "en ik zal het, met uw verlof, even -rondborstig openleggen. Het betreft gindsche wilden, die, als ik mij zoo -uitdrukken mag, uwe overwonnen onderdanen zijn. Het is eene -grondstelling, mijnheer! die alle Christenen, tot welke kerk zij ook -behooren, erkennen of behooren te erkennen, dat de kennis van het -Christendom door alle mogelijke middelen en bij elke gelegenheid behoort -te worden uitgebreid. Van dit beginsel uitgaande, zendt onze kerk -zendelingen naar Perzië, Indië en China, en zelfs onze hoogere -geestelijken begeven zich gewillig op de gevaarlijkste togten en in de -gevaarlijkste verblijven onder moordenaars en barbaren, om hun de kennis -van den waren God te leeren en tot het Christelijk geloof over te halen. -Nu hebt gij hier, mijnheer! eene zoodanige gelegenheid, om zes- of -zevenendertig wilden van de afgoderij tot de kennis van hunnen Schepper -en Verlosser te brengen, dat het mij verwondert, dat gij zulk eene -gelegenheid, om goed te doen, kunt laten voorbijgaan, welke waarlijk de -belooning voor een geheel leven zou uitmaken."</p> - -<p>Ik was nu inderdaad verstomd en wist geen woord in te brengen. Ik zag -hier voor mij een Christen vol waren ijver voor God en de godsdienst, -wat dan ook zijne bijzondere geloofsbelijdenis was; en ik had zelfs geen -oogenblik hier ooit aan gedacht, en zou er, geloof ik, nooit aan gedacht -hebben, want ik beschouwde die wilden als slaven, die wij zoo behandeld -zouden hebben, als wij er eenig werk voor gehad hadden, of gaarne -verkocht en naar een ander werelddeel gezonden hebben; zoo wij slechts -van hen ontslagen werden en zij niet naar hun eigen land konden -terugkeeren. Maar ik moet bekennen, dat zijne woorden mij verstomd deden -staan en ik niet wist, wat ik zeggen zou. Hij zag mij ernstig aan, en -mij eenigzins verbijsterd ziende, zeide hij: "Het zou mij spijten, -mijnheer! als gij misnoegd waart over iets wat ik gezegd heb."—"Neen, -neen," antwoordde ik, "ik ben alleen misnoegd op mijzelven; en ik ben -geheel verslagen, dat ik er vroeger niet alleen niet aan dacht, maar dat -ik ook nu niet weet wat ik er nu aan doen kan. Gij weet," vervolgde ik, -"in welke omstandigheden ik mij bevond. Ik moet naar de Oost-Indiën, met -een schip, welks reeders ik groot nadeel toebreng, met het schip hier op -te houden, terwijl het volk al dien tijd voor rekening van de reeders -komt. Wel is waar, wij zijn overeengekomen, dat ik hier twaalf dagen zou -blijven, en dat ik voor ieder dag daar boven drie pond sterl. als -liggeld per dag zou betalen. Maar ik mag niet langer dan acht dagen op -liggeld blijven liggen, en ik ben nu reeds dertien dagen hier; zoodat -het mij volstrekt onmogelijk is iets hieraan te doen, of ik moest zelf -hier achterblijven; en als dan dit schip op reis verging, zou ik in -denzelfden toestand zijn, als toen ik hier het eerst kwam, en waaruit ik -zoo wonderbaarlijk verlost ben."</p> - -<p>Hij bekende, dat dit zeer hard voor mij was, maar drukte mij op het -hart, of niet het geluk van zevenendertig zielen te redden, verdiende, -dat ik daarvoor alles wat ik in de wereld had, in de waagschaal stelde. -Dit wilde er bij mij nog zoo niet in, en ik antwoordde: "Zeker, -mijnheer! is het een onwaardeerbaar geluk, in Gods hand het werktuig te -zijn, om zevenendertig heidenen tot de kennis van Christus te brengen. -Maar daar gij een geestelijke zijt en daarvoor opgebragt, zoodat het, -als het ware, uw beroep is, hoe komt het, dat gij het niet liever zelf -onderneemt, dan het van mij te eischen?"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 350px;"> -<img src="images/crus02_041.jpg" width="350" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hierop bleef hij vlak voor mij staan, en maakte eene diepe buiging voor -mij. "Ik dank allerhartelijkst God en u, mijnheer!" zeide hij, "voor -zulk eene blijkbare roeping tot eene zoo gezegende onderneming, en zoo -gij er u van ontslagen acht en het van mij verlangt, wil ik het gaarne -doen, en het als eene ruime belooning beschouwen voor al de gevaren en -moeiten van mijne ongelukkige reis, dat mij eindelijk zulk eene -heerlijke loopbaan geopend is." Terwijl hij sprak, zag ik eene zekere -verrukking op zijn gelaat, zijne oogen fonkelden, zijn gelaat gloeide, -hij werd beurtelings bleek en rood, kortom, hij was verrukt van vreugde -over het werk, dat zich voor hem opdeed. Het duurde eene poos, eer ik -wist, wat ik hem zeggen zou; want ik stond inderdaad verrast een man te -vinden, zoo opregt en zoo vol ijver, en die zich door zijnen ijver zoo -ver liet vervoeren. Maar na eenig nadenken vroeg ik hem, of hij het -ernstig meende, en of hij op het vooruitzigt van deze arme lieden te -bekeeren, het wagen wilde, zich misschien levenslang op een schraal -bevolkt eiland te laten opsluiten, terwijl hij zelfs niet wist, of hij -hun eenig goed kon doen of niet.</p> - -<p>Hij zag mij verbaasd aan, en vroeg wat ik wagen noemde. "Weet gij, -mijnheer!" vroeg hij, "waarom ik met u naar de Indiën wilde -gaan?"—"Neen," zeide ik, "ik weet dat niet, maar ik denk, om den -Indianen te prediken."—"Ongetwijfeld," hernam hij, "en denkt gij, dat, -als ik deze zevenendertig wilden tot het Christelijk geloof kan -bekeeren, dat dan mijn tijd niet wel besteed is, al verliet ik nimmer -het eiland weder? Is het behouden van zoovelen niet oneindig meer waard -dan mijn leven, ja, dat van twintig menschen als ik. Dagelijks," -vervolgde hij, "zou ik Christus en de H. Maagd danken, als ik het -gezegend werktuig mogt zijn, om deze arme lieden te behouden, al zou ik -nimmer het eiland verlaten, of mijn geboorteland wederzien. Maar daar -gij mij de eer doet, mij dit werk op te dragen (waarvoor ik u al mijn -leven dankbaar zal zijn), heb ik u nog een verzoek te doen."—"Wat is -dat?" vroeg ik.—"Dat gij," antwoordde hij, "uw knecht Vrijdag hier bij -mij laat, om mijn tolk en medehelper te zijn, daar ik hen en zij mij -niet kunnen verstaan."</p> - -<p>Dit verzoek was mij hoogst onaangenaam, want ik kon om verscheidene -redenen niet aan eene scheiding van Vrijdag denken. Hij was mijn -reisgezel geweest, hij was mij niet alleen getrouw, maar ook zeer -genegen, en ik had besloten, vrij wat voor hem te doen, als hij, gelijk -te verwachten was, mij zou overleven. Bovendien, daar ik Vrijdag tot een -Protestant had gemaakt, zou een ander geloof hem geheel verbijsteren, en -zoolang hij leefde zou hij nimmer willen gelooven, dat zijn oude meester -een ketter en een verdoemde was, en dit kon ten laatste hem weder tot -zijne vroegere afgoderij brengen. Echter schoot mij iets te binnen, en -ik zeide hem, dat ik geenen lust had, mij van Vrijdag te ontdoen, schoon -het waar was, dat een werk, dat hem hooger dan zijn leven toescheen, bij -mij zwaarder dan het behoud van eenen knecht moest wegen, maar aan den -anderen kant wist ik, dat Vrijdag mij nimmer zou willen verlaten, en om -hem tegen zijnen wil daartoe te dwingen, zou eene schandelijke -onregtvaardigheid zijn, omdat ik hem het tegendeel beloofd had, gelijk -hij beloofd had mij nimmer te zullen verlaten. Dit scheen hem te -verontrusten, want hij kon onmogelijk met deze lieden omgaan, daar hij -evenmin een woord van hen kon verstaan, als zij van hem. Deze zwarigheid -ruimde ik uit den weg, door te zeggen, dat Vrijdags vader Spaansch -geleerd had, dat hij ook verstond, en dus als tolk dienen kon. Thans was -hij tevreden en niets kon hem overhalen, zijn voornemen ter bekeering -der zevenendertig wilden op te geven. Doch de Hemel beschikte dit later -anders.</p> - -<p>Ik kom thans tot zijn eerste bezwaar terug. Toen wij bij de Engelschen -kwamen, liet ik hen allen bijeenroepen, en na hen te hebben -voorgehouden, wat ik voor hen gedaan had, namelijk van welken voorraad -ik hen voorzien had, waarvoor zij zeer dankbaar waren, begon ik te -spreken over het schandelijke leven, dat zij leidden, en verhaalde hen -juist hoe de geestelijke het beschouwd had, en terwijl ik hen bewees hoe -onchristelijk en goddeloos het was, doch vooraf vroeg ik hun of zij -gehuwd of ongehuwd waren. Twee hunner waren weduwnaars en de anderen -waren ongehuwd. Ik vroeg hen, hoe zij met een goed geweten met deze -vrouwen konden zamenwonen en zoovele kinderen bij haar hebben, zonder -dat zij wettig met haar gehuwd waren.</p> - -<p>Zij gaven allen ten antwoord, gelijk ik wel verwacht had, dat er niemand -was, die hen trouwen kon, dat zij zich voor den gouverneur verbonden -hadden, haar steeds als hunne wettige vrouwen te zullen behandelen en -behouden, en zij vermeenden, dat zij in deze omstandigheden even wettig -met haar gehuwd waren, alsof het huwelijk door eenen geestelijke en met -alle plegtigheden der wereld ingezegend was geworden. Ik antwoordde, dat -zij ongetwijfeld voor God gehuwd waren, en voor hun geweten verpligt -haar als hunne vrouwen te beschouwen; maar dat de menschelijke wetten -anders waren, dat zij later konden voorgeven niet gehuwd te zijn, en de -arme vrouwen en kinderen verlaten, en dat deze arme vrouwen, zonder -bloedverwanten of geld, zichzelve niet door de wereld zouden kunnen -helpen. Ik zeide, dat ik derhalve niets voor hen doen kon, zonder -verzekerd te zijn, dat zij het eerlijk meenden, maar dat ik zorgen zou -alles te doen, wat ik kon, voor hunne vrouwen of kinderen buiten hen, en -dat, ten ware zij mij blijken gaven, dat zij de vrouwen wilden trouwen, -ik het niet voegzaam oordeelde, dat zij als man en vrouw bleven -voortleven, want dat dit streed met alle goddelijke en menschelijke -wetten, en zij, zoo voortgaande, niet op Gods zegen konden hopen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_042.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Alles ging zoo als ik verwacht had; zij zeiden mij, bijzonder Willem -Atkins, die voor de anderen het woord scheen te voeren, dat zij hunne -vrouwen zoo lief hadden, alsof zij hunne landgenooten waren, en dat zij -haar in geen geval zouden verlaten, en zij geloofden, dat hunne vrouwen -zoo zedig en deugdzaam waren, en zoo veel voor hen en hunne kinderen -deden, als zij bij mogelijkheid konden. En Atkins voegde er bij, dat wat -hem betrof, als iemand hem aanbood, om hem naar Engeland mede te nemen -en daar kapitein van het beste schip uit de marine te maken, hij niet -zou medegaan, als hij zijne vrouw en kinderen niet kon medenemen, en als -er een geestelijke aan boord was, wilde hij zich dadelijk laten trouwen -met al zijn hart. Dit was juist wat ik wenschte. De priester was op dat -oogenblik niet bij mij, maar toch in de nabijheid; om hem verder op de -proef te stellen, zeide ik, dat ik een geestelijke bij mij had, die, als -hij het meende, hem den volgenden morgen zou trouwen, en verzocht hem er -zich op te bedenken en er met de overigen over te spreken. Hij zeide, -dat hij voor zich er zich niet op behoefde te bedenken, maar blijde was, -dat ik een geestelijke aan boord had, en dat hij dacht, dat de anderen -het ook gaarne doen zouden. Ik zeide vervolgens, dat mijn vriend, de -geestelijke, een Franschman was, en geen Engelsch kon spreken, maar dat -ik als tolk zou handelen. Hij vroeg mij volstrekt niet of het een -Roomsch of Protestantsch geestelijke was, waarvoor ik eigenlijk gevreesd -had, doch hij vroeg er niet naar, en ik vertrok daarop naar mijnen -priester en Atkins naar zijne makkers. Ik verzocht den priester tegen -hen nergens over te spreken voor de zaak haar geheel beslag had, en -verhaalde hem wat het volk mij gezegd had.</p> - -<p>Alvorens ik hunne streek verliet, kwamen zij weder bij mij en zeiden, -dat zij over mijne woorden nagedacht hadden, dat zij met vreugde -vernomen hadden, dat ik een geestelijke bij mij had, en gaarne, -ingevolge mijn verlangen, wilden trouwen, zoo spoedig ik begeerde, want -dat zij in het geheel niet verlangden van hunne vrouwen te scheiden, en -het beste met haar voorhadden. Wij stelden het dus op den volgenden -morgen, en bepaalden, dat zij middelerwijl hunne vrouwen zouden -verklaren wat het huwelijk was, en dat dit ook van haar eischte, hare -mannen in geen geval te verlaten.</p> - -<p>De vrouwen begrepen dit gemakkelijk en waren er zeer mede tevreden, -gelijk zij ook reden hadden. Den volgenden morgen kwamen zij dus allen -in mijn vertrek, waar ook mijn geestelijke zich bevond. Schoon hij noch -een Engelsen geestelijke kleeding, noch een Fransch priesterkleed droeg, -droeg hij echter een zwart overkleed met een sjerp, hetgeen veel naar de -kleeding van een Engelsch geestelijke geleek. Ik diende voor tolk van -hetgeen hij zeide. Maar zijne ernstige taal jegens hen, en zijne -aarzeling om de vrouwen te trouwen, omdat zij ongedoopt waren en het -Christelijk geloof niet beleden, boezemden eerbied voor hem in, en nam -allen twijfel weg of hij een geestelijke was. Ik vreesde zelfs in den -beginne, dat deze zwarigheid hem zou verhinderd hebben haar in het -geheel te trouwen. Al wat ik ook zeide baatte niet, en hij weigerde -volstandig het huwelijk te sluiten, alvorens hij met de mannen en ook de -vrouwen gesproken had. Schoon ik hier eerst iets tegen had, deed echter -zijne welmeenende opregtheid mij daarin toestemmen. Hij zeide hun -daarop, dat ik hem hunne omstandigheid en tegenwoordig voornemen had -medegedeeld, dat hij gaarne, volgens mijn verlangen, hun huwelijk wilde -sluiten, maar eerst eenige woorden tot hen rigten moest. Hij bragt hun -daarop onder het oog, dat zij in de oogen van iedereen, en volgens alle -maatschappelijke wetten, tot hiertoe in openbare ontucht hadden geleefd; -dat dit, wel is waar, thans alleen verholpen kon worden als hij hen -trouwde of zij zich van elkander scheidden; maar dat zich bij hen nog -eene zwarigheid tegen een Christelijk huwelijk opdeed, die moeijelijk -weg te nemen was, namelijk die van een Christen aan eene heidensche, -afgodische vrouw te verbinden; terwijl hij echter zag, dat er geen tijd -was om de vrouwen vooraf te doopen en tot de leer van Christus over te -halen, daar zij ongetwijfeld nimmer iets van gehoord hadden, en zonder -welke hij haar niet doopen kon.</p> - -<p>Hij zeide het er voor te houden, dat zij zelf slechts weinig van de -godsdienst wisten, en derhalve niet verwachten kon, dat zij er hunne -vrouwen veel van medegedeeld hadden, maar dat hij hen niet trouwen kon, -ten ware zij hem beloofden hun uiterste best te doen om hunne vrouwen -over te halen Christenen te worden, en dat zij haar zoo goed zij konden -zouden onderrigten nopens hunnen Schepper, en hunnen Verlosser leeren -dienen, want hij wilde geene Christenen en heidenen verbinden, hetgeen -strijdig was met alle beginselen der Christelijke leer; en door -Goddelijke wetten verboden.</p> - -<p>Zij hoorden dit alles zeer oplettend aan, gelijk ik het hen, zoo na -mogelijk met zijne eigene woorden, mededeelde, terwijl ik er slechts -somtijds iets bijvoegde om hen te overtuigen hoe billijk het was, en hoe -volkomen naar mijne overtuiging; en ik zorgde steeds goed de woorden van -den geestelijke, en hetgeen ik er bijvoegde, te onderscheiden. Zij -zeiden, dat alles zeer waar was, dat zij zelve slechts laauwe Christenen -waren, en nimmer met hunne vrouwen over de godsdienst hadden gesproken. -"En hoe zouden wij haar de godsdienst leeren, mijnheer?" zeide Willem -Atkins. "Wij zijn zelf onwetend, en als wij haar spraken van God en -Christus, en Hemel en hel, zouden zij ons uitlagchen, en vragen wat wij -zelf geloofden. En als wij dan zeiden, dat wij alles zelf geloofden wat -wij zeiden, zoo als, dat de brave lieden naar den hemel gaan en de -slechten naar den duivel, dan zouden zij ons vragen waar wij zelf -wenschten heen te gaan, die dit alles gelooven, en toch zulke groote -schelmen zijn. Waarlijk, mijnheer, dat is genoeg om haar al aanstonds -tegen de godsdienst in te nemen. Men moet, als men anderen leeren wil, -zelf eenige godsdienst hebben."—"Willem Atkins," zeide ik, "ik vrees, -dat het maar al te waar is wat gij zegt, maar kunt gij daarom uwe vrouw -niet zeggen, dat zij een verkeerd geloof belijdt, dat er een God en een -godsdienst is, beter dan de hare, dat hare goden afgoden zijn, die noch -spreken, noch hooren kunnen; dat er een opperst Wezen is, die alles -geschapen heeft, die de goeden beloont, de kwaden bestraft, en door wien -wij eindelijk voor al onze daden geoordeeld zullen worden. Gij zijt zoo -onwetend niet, maar uw eigen verstand zal u zeggen, dat dit alles de -waarheid is, en ik vertrouw, dat gij dit ook weet en gelooft."</p> - -<p>"Dat is waar, mijnheer," zeide Atkins, "maar hoe zal ik mijne vrouw daar -iets van zeggen, als zij mij dadelijk zal tegenwerpen, dat dit niet waar -zijn kan?"—"Waarom zou zij dat zeggen?" vroeg ik.—"Wel, mijnheer," -zeide hij, "zij zal zeggen, het is niet waar, dat die God regtvaardig is -of straft en beloont, daar een kerel als ik, die zich zoo slecht jegens -haar en iedereen gedragen heeft, niet gestraft en naar de hel gezonden -is geworden; en dat mij het leven gelaten is, terwijl ik altijd het -tegendeel gedaan heb van hetgeen ik haar zeggen moet, dat goed is, of -wat ik behoorde gedaan te hebben."—"Ik vrees, dat hetgeen gij zegt maar -al te waar is, Atkins," zeide ik, en deelde daarop het gesprokene aan -den geestelijke mede. "O," zeide deze, "zeg hem, dat ééne zaak hem tot -den besten leermeester zijner vrouw zal maken, en dat is berouw. Opregt -berouw leert hem het best zijne misstappen kennen, en zoo hij dit -slechts gevoelt, is hij volkomen geschikt zijne vrouw te onderrigten; -hij zal haar dan zeggen, dat God niet alleen een regtvaardig vergelder -van goed en kwaad is, maar ook de hoogste Genade, die met eindelooze -goedheid en langmoedigheid de straf des zondaars ophoudt, en niet den -dood des zondaars wil, maar dat hij leve en zich bekeere; dat Hij -dikwijls de slechten langen tijd laat voortgaan, en zelfs spaart tot den -dag des oordeels; dat dit een duidelijk bewijs van Gods bestaan en van -een toekomstigen staat is, dat de regtvaardige zijn loon en de slechte -zijne straf niet ontvangt op deze wereld. Dit zal hem aanleiding geven -zijne vrouw de leer der opstanding en van het laatste oordeel mede te -deelen. Laat hem slechts opregt berouw gevoelen."</p> - -<p>Ik zeide dit alles tot Atkins, die het met een zeer ernstig gelaat en -blijkbare ontroering aanhoorde, tot hij, toen ik nauwelijks uitgesproken -had, in drift uitriep: "Ik weet dat alles, mijnheer, en meer dan dat; -maar ik ben niet zoo schaamteloos van er tegen mijne vrouw over te -spreken, terwijl het God en mijn eigen geweten bekend is, en mijne vrouw -ook getuigen kan, dat ik altijd geleefd heb alsof ik nooit iets van God -en een toekomstig leven gehoord had. En wat berouw betreft, helaas! -(hier loosde hij een diepen zucht, en ik zag de tranen in zijne oogen) -daar is voor mij geen denken meer aan."—"Geen denken meer aan," zeide -ik, "hoe meent gij dat?"—"Ik weet wel wat ik zeg," hervatte hij, "ik -meen, dat het te laat is, en dat is maar al te waar."</p> - -<p>Ik herhaalde den geestelijke woord voor woord wat hij zeide. De -ijverige, liefderijke priester (die, wat ook zijn geloof was, zeer voor -het eeuwig heil van anderen bezorgd was) kon zijne tranen niet -bedwingen, maar zeide daarop tegen mij: "Doe hem slechts eene vraag. Is -hij tevreden, dat het te laat is, of doet het hem leed en wenschte hij, -dat het anders ware?" Ik zeide dit aan Atkins, die met drift antwoordde: -hoe iemand tevreden zou zijn in een staat, die noodwendig tot zijn -eeuwig verderf moet uitloopen, dat hij alles behalve gerust was, maar -integendeel er den een of anderen dag een eind aan zou moeten -maken.—"Wat meent gij daarmede?" vroeg ik. Hij antwoordde, dat hij -geloofde, dat hij den een of anderen tijd zich zelf van kant zou maken, -om aan zijne ellende en angst een einde te maken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_043.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De priester schudde zeer ontroerd het hoofd, toen ik hem dit mededeelde, -maar zeide daarop: "Als dat het geval is, kunt gij hem verzekeren, dat -het niet te laat is: Christus zal hem berouw schenken. Verklaar hem, bid -ik u, dat daar alle menschen door Christus behouden zijn, en door zijn -lijden de Goddelijke genade verwerven, hoe kan het voor iemand te laat -zijn om de genade te ontvangen? Denkt hij, dat hij zich buiten het -bereik kan stellen der Goddelijke barmhartigheid? Zeg hem, dat het -nimmer voor iemand te laat is, om vergiffenis van zonden af te smeeken; -en dat alle dienaren der godsdienst gelast zijn te allen tijde -vergiffenis te verkondigen aan hen, die opregt berouw gevoelen; en dat -het daartoe nimmer te laat is."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 600px;"> -<img src="images/crus02_044.jpg" width="600" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik deelde dit alles aan Atkins mede, die het zeer ernstig aanhoorde, -maar daarop het gesprek scheen te willen afbreken, want hij zeide, dat -hij thans zijne vrouw eens moest spreken. Hij vertrok dus, en wij -spraken tot de overigen. Deze waren allen even onkundig in het stuk van -godsdienst als ik, toen ik mijne ouders ontliep. Echter luisterden zij -gretig naar hetgeen wij zeiden, en beloofden er met hunne vrouwen over -te spreken, en te zullen trachten haar tot het Christendom over te -halen.</p> - -<p>De geestelijke glimlachte, toen ik hem dit mededeelde, schudde het -hoofd, en zeide: "Wij dienaars van Christus kunnen niets doen dan -vermanen en onderrigten, en als men ons aanhoort en belooft te doen wat -wij verlangen, moeten wij met hunne beloften ons vergenoegen. Maar -geloof mij, mijnheer, hoe ook het gedrag van dien Willem Atkins geweest -is, ik geloof, dat hij alleen opregt bekeerd is. Ik wil aan de anderen -niet wanhopen, maar die man heeft blijkbaar een juist besef en berouw -van zijn vroeger leven, en zoo hij tot zijne vrouw over de godsdienst -spreekt, zal hij zichzelven tevens bekeeren; want de beste wijze om zelf -te leeren is somtijds, anderen te onderwijzen. Ik heb iemand gekend, die -weinig met de godsdienst ophad, en een overgegeven booswicht was, maar -geheel van zijn slechten weg teruggebragt is, door zijne pogingen, om -een Jood te bekeeren. Zoo Atkins tot zijne vrouw over den Heiland zal -spreken, zal hij zelf zich daardoor tot Hem leeren wenden."</p> - -<p>Na dit gesprek en op de belofte, dat zij hunne vrouwen tot het -Christendom zouden trachten over te halen, trouwde hij de drie andere -paren, maar Willem Atkins en zijne vrouw waren nog niet terug. Na eene -poos wachtens werd de geestelijke nieuwsgierig te weten, waar Atkins -gebleven was, en verzocht mij met hem uit het doolhof te gaan, zeggende, -dat hij vast vertrouwde dien armen man hier of daar te zullen vinden, -waar hij zijne vrouw de beginselen der godsdienst leert. Ik dacht -hetzelfde en geleidde hem door een weg, dien ik alleen kende, en waar -het geboomte zoo digt was, dat men er naauwelijks door kon zien. Aan den -rand van het bosch gekomen, zag ik Atkins en zijne vrouw, in de schaduw -zeer ijverig zitten praten. Ik wachtte tot de geestelijke bij mij was, -en toen bleven wij hen eene poos gadeslaan. Wij bemerkten, dat hij zeer -ernstig met haar sprak, haar naar de zon en de lucht, dan naar de aarde, -dan naar de zee, dan op haar en zich zelven, dan naar de boomen wees. -"Gij ziet, dat ik gelijk had," zeide de geestelijke, "thans onderrigt hij -zijne vrouw. Hij leert haar, dat God de aarde, de lucht, de zon, de zee, -hen zelven gemaakt heeft."—"Ik geloof het ook," zeide ik.—Atkins stond -thans op, knielde neder en vouwde de handen. Wij waren te ver af om te -hooren of hij iets zeide. Daarop ging hij weder naast zijne vrouw zitten -en tegen haar spreken. Zij scheen zeer oplettend, doch wij konden niet -opmerken of zij iets zeide of niet. Toen hij nederknielde, zag ik den -geestelijke de tranen over de wangen loopen, en ook ik kon de mijne -moeijelijk bedwingen. Het speet ons, dat wij niet konden hooren wat zij -zeiden, doch wij durfden niet naderbij komen, om hen niet te storen; ook -gaven hunne gebaren genoeg den aard van hun onderhoud te kennen. Atkins -zat naast zijne vrouw, en sprak haar met zigtbare ontroering toe; twee -of drie malen omhelsde hij haar hartelijk, daarop zagen wij, dat hij -hare oogen afwischte en haar met buitengewone vervoering kuste, -eindelijk nam hij haar bij de hand, sprong op, en een paar stappen -voorttredende, knielden beide neder.</p> - -<p>Mijn vriend kon zich niet langer bedwingen, maar riep luidkeels uit: -"Heilige Paulus, zie, hij bidt!" Ik vreesde, dat Atkins hem hooren zou, -en verzocht hem dus zich te bedwingen, om het verdere te zien van dit -tooneel, het treffendste en streelendste, dat ik ooit zag. De jonge -priester bedwong zich met moeite, want het denkbeeld, dat deze -afgodische vrouw eene Christin werd, bragt hem in vervoering. Hij -weende, kruiste zich en dankte God bij zichzelven in het Latijn en -Fransch, waarbij de vreugdetranen soms zijne woorden verstikten. Ik -smeekte hem zich te matigen en het verdere van dit tooneel gade te -slaan. Na opgestaan te zijn, hervatten de man en zijne vrouw hun -gesprek, en hare gebaren gaven de grootste aandacht en ernst te kennen. -Dit duurde ongeveer een half kwartieruurs, waarna zij vertrokken. Ik -trad thans met den geestelijke in gesprek, en betuigde hem mijne vreugde -over hetgeen wij gezien hadden, dat, schoon ik niet veel geloof sloeg -aan die spoedige bekeeringen, ik deze echter als opregt beschouwde, -zoowel bij den man als bij zijne vrouw, hoe onwetend deze ook nog was. -"En wie weet," voegde ik er bij, "of niet deze twee, in vervolg van -tijd, door voorbeeld en onderrigt, weldadig op sommigen der overigen -zullen werken."—"Op sommigen!" herhaalde hij, "neen, op allen, daar -kunt gij staat op maken, en zoo deze twee wilden (want hij schijnt -volgens u weinig beter dan een wilde) het Christendom omhelzen, zullen -zij het ook onvermoeid aan de anderen mededeelen. Een waar Christen zal -nimmer een heiden bij zijn geloof laten als hij hem daaraan ontrukken -kan." Ik stemde toe, dat dit een waar Christelijk beginsel was, en een -blijk van zijn opregten ijver en edel karakter. "Maar mijn vriend," -zeide ik, "sta mij toe u hier eene vraag te doen. Ik kan niets inbrengen -tegen uwen ijver om deze arme lieden van heidenen tot Christenen te -bekeeren. Maar hoe kan u dit voldoen, daar deze lieden buiten den schoot -der Roomsche kerk blijven, waar binnen, volgens u, alleen de zaligheid -te vinden is; dus moet gij dezen nog als ketters beschouwen, en evenzeer -verdoemd als de heidenen zelve."</p> - -<p>Met veel opregtheid antwoordde hij: "Mijnheer, ik ben Roomsch Katholijk, -een priester, monnik van de Benediktijner orde, en gehecht aan al de -leerstellingen van het Roomsche geloof. Echter, en geloof mij, dat ik -niet spreek uit beleefdheid jegens u, of om de verpligtingen, die ik aan -u heb, beschouw ik u, Protestanten, niet liefdeloos en als van de -Goddelijke genade uitgesloten. Ik wil geenszins de verdiensten van -Christus in zoo verre beperken van te denken, dat Hij u niet in zijne -kerk kan opnemen, op eene wijze, die voor ons verborgen is, en ik hoop, -dat gij eveneens over ons denkt. Dagelijks bid ik God, dat hij u allen -tot de kerk van Christus brenge, op de wijze, die de hoogste Wijsheid -goedvindt. Middelerwijl zult gij het in een Katholijk niet vreemd -vinden, dat hij een groot onderscheid maakt tusschen een Protestant en -een heiden; tusschen iemand, die Jezus Christus aanroept, schoon dan op -eene wijze, die naar mijne denkwijze niet met het ware geloof strookt, -en een heiden, die noch van God, noch van den Verlosser iets weet; en -zoo gij niet binnen den schoot der Katholijke kerk zijt, hopen wij, dat -gij er naderbij zijt dan diegenen, die nooit van den Heiland en zijne -eerdienst hebben gehoord. Het verheugt mij dus, dat ik dezen man, die -gelijk gij zegt, een deugniet en bijkans een doodslager geweest is, zie -nederknielen en tot Christus bidden, gelijk wij meenen, dat hij deed, -schoon hij dan nog niet tot het volle licht gekomen is; geloovende, dat -God, van wien alle goede werken komen, hem te zijner tijd verdere kennis -der waarheid zal schenken, en als door Gods invloed deze man zijne -heidensche vrouw onderrigt en bekeert, kan ik niet gelooven, dat hij -zelf zou verloren gaan. En zou ik mij dan niet verheugen als zij nader -bij de kennis van Christus gebragt zijn, schoon zij dan juist niet op -het oogenblik, dat ik zulks wenschte, in den schoot der Katholijke kerk -zijn gekomen, en laten het aan 's Heilands wijsheid over zijn werk te -zijner tijd te voltooijen? Zeker zou ik mij verheugen als al de wilden -van Amerika zoo ver waren, dat zij even als deze arme vrouw tot God -baden, al werden zij ook in den beginne Protestanten, liever dan dat zij -heidenen bleven; want ik zou vast gelooven, dat Hij hun het eerste licht -geschonken had, een straal der Hemelsche genade op hen zou laten -nederdalen, en als Hij goedvond, in den schoot zijner kerk brengen."</p> - -<p>Ik was verbaasd over de opregtheid en gematigdheid van dezen vromen -Katholijk, en weggesleept door de kracht zijner redenering, en thans -bedacht ik, dat als alle menschen zoo gematigd dachten, wij allen -Katholijke Christenen konden zijn, tot welke kerk of sekte wij ook -behoorden; dat een geest van liefde ons alsdan weldra tot de waarheid -zou brengen. Ik zeide hem, dat als alle leden zijner kerk zoo gematigd -dachten, zij spoedig allen Protestantsch zouden zijn; en hierbij lieten -wij het berusten. want wij kwamen nooit tot redetwisten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 420px;"> -<img src="images/crus02_045.jpg" width="420" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik viel hem echter op eene andere wijze aan, en zeide, hem bij de hand -vattende: "Mijn waarde vriend, ik deel volkomen in uw gevoelen, maar als -gij in Spanje of Italië zulke leerstellingen verkondigt, zal de -Inquisitie u spoedig beet pakken!"—"Het kan zijn," zeide hij, "ik weet -niet wat men in Spanje of Italië zou doen, maar deze gestrengheid zou -hen geen beter Christenen maken, want overmaat van liefde is geen -ketterij." Daar Atkins en zijne vrouw weg waren, hadden wij hier niets -meer te verrigten en keerden huiswaarts, en daar vonden wij hen op ons -wachten. Ik vroeg den priester of wij hen zeggen zouden dat wij hen -gezien hadden, maar hij zeide liever eerst te willen hooren wat hij ons -te zeggen had. Daar er niemand anders bij was, begon ik met hem te -vragen: "Willem Atkins, welke opvoeding hebt gij wel gehad? Wie was uw -vader?"</p> - -<p>Atkins. Een aanzienlijker man dan ik ooit worden zal; hij was een -geestelijke.</p> - -<p>Robinson Crusoe. En uwe opvoeding?</p> - -<p>A. Hij wilde mij goed onderwijzen, mijnheer, maar ik had een afschuw van -alle onderrigt, vermaning en berisping, als een wild dier.</p> - -<p>R. C. Ja, Salomo zegt reeds, dat hij, die berisping veracht, naar een -beest gelijkt.</p> - -<p>A. Ja, mijnheer, ik leefde als een beest. Ik heb mijn vader den dood -aangedaan; om Gods wil, mijnheer, spreek er niet meer over, ik heb mijn -armen vader den dood aangedaan!</p> - -<p>Terwijl ik dit alles den priester vertolkte, werd hij bleek, sprong op -bij de laatste woorden en riep uit: "Hemel! een moordenaar!"</p> - -<p>R. C. Neen, neen, mijnheer, gij begrijpt hem verkeerd. Atkins, gij hebt -uwen vader niet met eigen hand vermoord?</p> - -<p>A. Neen, mijnheer, maar ik heb hem het hart gebroken en het verdriet -over mij heeft zijne dagen verkort, doordien ik op de ondankbaarste, -onnatuurlijkste wijze de liefderijkste en teederste zorgen beantwoordde.</p> - -<p>R. C. Ik bedoelde niet u deze belijdenis af te persen, ik bid God dat -Hij er u berouw over schenke, en u deze en uwe overige zonden vergeve; -maar ik vroeg u dit, omdat ik zie dat gij, ofschoon niet geleerd, toch -niet zoo onwetend zijt in het goede, en dat gij meer van de godsdienst -wist, dan gij in uw gedrag aan den dag legde.</p> - -<p>A. Gij hebt mij die belijdenis niet afgeperst, maar mijn geweten heeft -het gedaan. Als wij op onze levensbaan terugzien zijn de zonden, jegens -onze liefderijke ouders gepleegd, zeker de eersten die zich opdoen; die -wonden zijn het diepst en van alle zonden drukken deze ons het zwaarste.</p> - -<p>R. C. Hetgeen gij zegt treft mij te sterk, Atkins, ik kan het niet -aanhooren.</p> - -<p>A. Gij mijnheer? Deze wroegingen zullen u toch wel niet bekend zijn.</p> - -<p>R. C. Ja, Atkins, ieder strand, iedere heuvel, ja ik mag wel zeggen elke -boom van dit eiland is getuige van mijne wroegingen over mijne -ondankbaarheid en mijne slechte handelwijze jegens mijn vader; een vader -zoo als ook de uwe was, Atkins, maar ik geloof toch dat mijn berouw op -verre na zoo groot niet is als het uwe.</p> - -<p>Mijne aandoeningen beletten mij meer te zeggen, maar ik achtte 's mans -berouw zoo veel sterker dan het mijne, dat ik op het punt stond het -gesprek te staken en mij te verwijderen, want ik begreep, dat in plaats -van hem te leeren en te onderrigten, ik in hem zeer onverwachts, een -treffend leeraar en onderwijzer gevonden had. Ik deelde dit alles aan -den geestelijke mede, die er zeer door getroffen was, en mij zeide: "Heb -ik u niet gezegd, mijnheer, dat zoo deze man bekeerd was, hij ons allen -onderrigten zou? Men heeft mij hier niet noodig, hij zal alles op het -eiland tot Christenen maken."</p> - -<p>Na mij eenigzins hersteld te hebben, hervatte ik mijn gesprek met -Atkins. "Maar, Atkins," zeide ik, "hoe komt gij juist nu zoo tot inzigt -in deze zaak?"</p> - -<p>A. Mijnheer, gij hebt mij een werk opgedragen, dat mij als een zwaard -het hart doorboort. Ik heb mijne vrouw over God en de godsdienst -gesproken, gelijk gij mij gelastte, om haar tot het Christendom over te -halen, en zij heeft mij eene predikatie gehouden, die ik nimmer zal -vergeten.</p> - -<p>R.C. Neen, neen, uwe vrouw heeft die niet gehouden, maar uw geweten, dat -uwe bewijzen tegen u zelven heeft aangevoerd.</p> - -<p>A. Ja, mijnheer en met onweerstaanbare kracht.</p> - -<p>R.C. Verhaal mij, als gij wilt, wat er tusschen u en uwe vrouw is -voorgevallen; ik weet er reeds iets van.</p> - -<p>A. Mijnheer, u daarvan een volledig verslag te geven is mij onmogelijk; -ik ben er vol van en kan het toch niet uitspreken; maar wat zij ook moge -gezegd hebben, dit kan ik u verzekeren, dat ik besloten heb boete te -doen en mijn leven te verbeteren.</p> - -<p>R.C. Maar verhaal er ons iets van. Hoe zijt gij aangevangen. Dit is -waarlijk buitengewoon; zij heeft u inderdaad eene boetpreek gehouden als -zij dat bewerkt heeft.</p> - -<p>A. Welnu dan, ik verhaalde haar eerst van den aard onzer wetten op het -huwelijk, en waarom mannen en vrouwen verpligt waren zulk eene -onverbreekbare verbindtenis aan te gaan; dat anders de orde en -geregtigheid niet gehandhaafd konden worden, en de mannen hunne vrouwen -en kinderen zouden verlaten, geen bloedverwantschap zou gekend blijven, -en geen opvolging of erfdeel wettig kunnen genoten worden.</p> - -<p>R.C. Gij spreekt als een advokaat, Atkins. Kondt gij haar doen begrijpen -wat gij door erfenissen en door bloedverwantschap meende? Bij de wilden -kennen zij dat niet, maar trouwen naar ik gehoord heb, zonder op -maagschap acht te geven, broeder en zuster, zelfs vader en dochter.</p> - -<p>A. Ik geloof mijnheer, dat gij dwaalt. Mijne vrouw verzekert het -tegendeel en zegt, dat zij bloedschande verfoeijen zoo wel als wij, maar -misschien zijn zij omtrent verdere verwantschap niet zoo naauwgezet als -wij.</p> - -<p>R.C. En wat zeide zij op uwe voorstellingen?</p> - -<p>A. Dat dit haar zeer goed beviel, en beter was dan in haar land.</p> - -<p>R.C. Maar zeide gij haar wat het huwelijk was?</p> - -<p>A. Ja, daarmede begon ons gesprek. Ik vroeg haar of zij op onze wijze -met mij wilde trouwen. Zij vroeg wat dat was. Ik zeide haar, dat het -eene Goddelijke instelling was, en hierop hebben wij het zonderlingste -gesprek gehad, dat ooit man en vrouw te zamen voerden.</p> - -<p>Dit gesprek tusschen Atkins en zijne vrouw heb ik dadelijk opgeschreven, -nadat hij het mij verhaald had. Hier volgt het:</p> - -<p>De vrouw. Door uw God ingesteld. Hebt gij dan een God in uw land?</p> - -<p>Atkins. Ja, mijne lieve, God is overal.</p> - -<p>V. Neen, uw God is in mijn land niet. In mijn land is de groote oude -Benamoekie God.</p> - -<p>A. Kind, ik ben weinig in staat u den aard van God te leeren. God is in -den Hemel, en heeft den hemel en de aarde en de zee en al wat er in is -gemaakt.</p> - -<p>V. Neen, uw God heeft de geheele aarde niet gemaakt, mijn land niet.</p> - -<p>Atkins lachte over deze uitdrukking.</p> - -<p>V. Waarom lacht gij? niet lagchen. Dit is geen ding om mede te lagchen.</p> - -<p>Hij gevoelde hoe regtmatig zij hem berispte, want zij was in den beginne -ernstiger dan hij.</p> - -<p>A. Gij hebt gelijk; ik zal niet meer lagchen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_046.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>V. Gij zegt dus, dat uw God alles gemaakt heeft?</p> - -<p>A. Ja kind, onze God heeft de geheele wereld en u en mij en alle dingen -gemaakt, want Hij is de eenige ware God; er is geen God buiten hem. Hij -leeft eeuwig in den Hemel.</p> - -<p>V. Waarom hebt gij mij dat niet al lang gezegd?</p> - -<p>A. Gij hebt gelijk, maar ik was een deugniet, die niet alleen vergat u -met iets van dien aard bekend te maken, maar zelf buiten God leefde.</p> - -<p>V. Wat, hebt gij een groote God in uw land, en kent Hem niet! Zegt niet -o tegen Hem? Doet niets goeds voor Hem? Dat is niet mogelijk.</p> - -<p>A. Het is toch maar al te waar. Wij leven alsof er geen God in den Hemel -was en als had Hij geene magt op aarde.</p> - -<p>V. Waarom laat God u dat doen? Waarom laat Hij u niet goed leven?</p> - -<p>A. Dat is onze eigene schuld.</p> - -<p>V. Maar gij zegt, Hij is groot, zeer groot, heeft zeer groote magt; kan -u dooden als Hij wil. Waarom slaat Hij u niet dood als gij Hem niet -dient, hem niet aanroept, geene goede dingen doet?</p> - -<p>A. Dat is waar, Hij kon mij dooden en ik mogt het verwachten; maar God -is genadig en straft ons niet naar verdiensten.</p> - -<p>V. Maar zegt gij uwen God daarvoor dan niet dank?</p> - -<p>A. Neen, ik heb God niet gedankt voor zijne genade, evenmin als ik Hem -gevreesd heb om zijne magt.</p> - -<p>V. Dan is uw God geen God. Ik geloof niet dat Hij zoo groot, zoo sterk, -zoo magtig is, als Hij u niet doodslaat als gij Hem beleedigt.</p> - -<p>A. Hoe, zou mijn slecht leven u verhinderen in God te gelooven. -Ellendige, die ik ben! Welk eene droevige waarheid, dat het slechte -leven der Christenen de bekeering der Heidenen belet!</p> - -<p>V. Hoe kan ik denken, dat gij zulk een grooten God dáár hebt (naar den -Hemel wijzende) als gij geene goede dingen doet. Kan Hij spreken? Zeker -weet Hij niet wat gij doet?</p> - -<p>A. Ja wel, Hij weet en ziet alles; Hij hoort ons spreken, ziet wat wij -doen, weet, wat wij denken, al spreken wij niet.</p> - -<p>V. Wat? Hoort Hij u vloeken, zweren, anderen verdoemen?</p> - -<p>A. Ja, ja, Hij hoort dat alles.</p> - -<p>V. Waar is dan zijn zoo sterke, groote magt?</p> - -<p>A. Hij is genadig, dat is al wat wij er van kunnen zeggen, en dat -bewijst dat Hij de ware God is; Hij is God en geen mensch en daarom -worden wij gespaard.</p> - -<p>Atkins zeide, dat hij hier zelf ijsde van de gedachte, dat hij zijne -vrouw zoo duidelijk kon zeggen dat God alles ziet en hoort en de -geheimste gedachten des harten kent; en dat hij toch al zijne euveldaden -had durven verrigten.</p> - -<p>V. Genadig; wat meent gij daarmede?</p> - -<p>A. Hij is onze Vader en Schepper, en Hij heeft ons lief en spaart ons.</p> - -<p>V. Dan doodt Hij nimmer, wordt nimmer boos als gij kwaad doet, dan is -Hij ook zelf niet goed en niet magtig.</p> - -<p>A. Ja wel, ja wel; Hij is oneindig goed en oneindig magtig om te -straffen. Somwijlen geeft Hij blijken van zijnen toorn jegens zondaren. -Menigeen wordt te midden zijner boosheden verdelgd.</p> - -<p>V. Maar Hij heeft u niet gedood; dan hebt gij misschien een verdrag met -hem gemaakt, dat gij kwaad zoudt doen en Hij niet boos op u worden als -Hij het op anderen is.</p> - -<p>A. Neen waarlijk niet; al mijne zonden zijn zoo veel tergingen zijner -langmoedigheid, en met regtvaardigheid kon Hij mij verdelgen als andere -zondaren.</p> - -<p>V. Zoo, en toch maakt Hij u niet dood? Wat zegt gij daarvoor tegen hem? -Zegt gij hem geen dank daarvoor?</p> - -<p>A. Ik ben een ondankbaar voorwerp, dat is waar.</p> - -<p>V. Waarom maakt Hij u niet veel beter? Gij zegt, dat Hij u gemaakt -heeft.</p> - -<p>A. Hij heeft mij gemaakt, zoo wel als de geheele wereld; ik ben het, die -mij zelven verlaagd en zijne goedheid misbruikt heb.</p> - -<p>V. Ik wenschte, dat God mij leerde kennen; ik zou hem niet boos maken, -ik zou geen kwade slechte dingen doen.</p> - -<p>Hier zeide Atkins dacht hij van schaamte te vergaan, dat een dom -onwetend schepsel naar de kennisse Gods verlangde; en dat hij zulk een -snoodaard was, dat hij haar omtrent God geen woord schier zeggen kon, -wat niet door zijn eigen gedrag haar schier ongeloofelijk moest -voorkomen; ja, dat zij reeds niet in God kon gelooven, omdat een zoo -slecht schepsel als hij niet verdelgd was geworden.</p> - -<p>A. Gij verlangt, mijn lieve, dat ik u God leer kennen, maar God kent u -reeds en elke gedachte van uw hart.</p> - -<p>V. Zoo, als Hij weet wat ik nu tegen u zeg, dan weet Hij, dat ik Hem -verlang te kennen. Hoe zal ik weten wie mij gemaakt heeft?</p> - -<p>A. Arm schepsel, God moet u leeren, ik kan het niet. Ik zal Hem bidden, -dat Hij zich aan u leert kennen, en mij vergiffenis schenkt, dat ik -onwaardig ben u te onderrigten.</p> - -<p>De arme man was zoo beangst, toen zij verlangde, dat hij haar God zou -leeren kennen, dat hij voor haar op de knieën viel, en God bad haar te -willen verlichten door de zaligmakende kennis aan Jezus Christus, en hem -zijne zonden vergeven en het werktuig worden, om haar de beginselen der -godsdienst mede te deelen. Vervolgens ging hij weder naast haar zitten, -en het gesprek ging voort. Het was toen dat wij hem zagen nederknielen -en de handen opheffen.</p> - -<p>V. Waarom knielt gij? waarom heft gij de handen omhoog? Tegen wien -spreekt gij? Wat zegt gij? Wat beteekent dat alles?</p> - -<p>A. Mijn lieve, ik boog mijne knieën met onderdanigheid aan mijnen -Schepper. Ik zeide "O" tegen Hem, gelijk gij het noemt, en zoo als uwe -oude lieden tegen uwen afgod Benamoekie doen, dat wil zeggen ik aanbad -Hem.</p> - -<p>V. Waarom zeide gij O tegen Hem?</p> - -<p>A. Ik smeekte Hem uwe oogen en verstand te openen; ten einde Hij zich -aan u leerde kennen, en Hij zich uwer aannam.</p> - -<p>V. Kan Hij dat doen?</p> - -<p>A. Ja. Hij kan alles doen.</p> - -<p>V. Maar hoort Hij wat gij zegt?</p> - -<p>A. Ja, Hij heeft ons gelast tot Hem te bidden, en beloofd ons te zullen -verhooren.</p> - -<p>V. U dat gelast? wanneer? en hoe? Hebt gij Hem hooren spreken?</p> - -<p>A. Neen, wij hooren Hem niet spreken, maar Hij heeft zich op -verschillende wijzen aan ons geopenbaard.</p> - -<p>Hier wist hij niet hoe hij haar zou doen begrijpen, dat God zich aan ons -in zijn Woord heeft geopenbaard, en wat zijn woord was: maar eindelijk -zeide hij haar het volgende:</p> - -<p>A. God heeft in vroegere dagen tot eenige goede menschen gesproken, uit -den Hemel, in duidelijke woorden, en God heeft eenige goede menschen met -zijn geest vervuld en deze hebben al zijne wetten in een boek -geschreven.</p> - -<p>V. Dat begrijp ik niet. Waar is dat boek?</p> - -<p>A. Ik heb helaas dat boek niet, maar ik hoop het den een of anderen tijd -te bekomen en u daarin te leeren lezen.</p> - -<p>Hier omhelsde hij haar met veel aandoening, maar zeer bedroefd, dat hij -geen Bijbel had.</p> - -<p>V. Maar hoe zult gij mij leeren, dat God hun geleerd heeft, dat boek te -schrijven?</p> - -<p>A. Op dezelfde wijze, als waarop wij weten, dat Hij God is.</p> - -<p>V. Hoe weet gij dat?</p> - -<p>A. Omdat hij niet leert of beveelt dan wat goed, regtvaardig en heilig -is, en ons zoowel volmaakt goed als volmaakt gelukkig tracht te maken, -en omdat Hij ons gelast alles te vermijden wat slecht is, wat boos van -aard of boos in de gevolgen is.</p> - -<p>V. Dat zou ik wel begrijpen, dat zou ik wel willen zien; als Hij alle -goede dingen beloont, alle slechte dingen bestraft; alle goede dingen -leert, alle kwade verbiedt, als Hij alles maakt, alles geeft, als Hij -mij hoort als ik O tegen Hem zeg, als Hij mij goed maakt als ik goed wil -zijn; mij spaarde, mij niet dood maakt als ik niet goed ben. Dat alles -zegt gij, dat Hij doet; ja, Hij is een groote God, ik denk, ik geloof, -dat Hij de groote God is; ik zal tot Hem "O" zeggen met u.</p> - -<p>Hier kon de arme man zich niet langer bedwingen, maar opstaande, deed -hij haar nederknielen, en bad God met luider stemme haar door den H. -Geest in de kennisse Gods te onderrigten; en dat hij te eeniger tijd den -Bijbel mogt bekomen, ten einde zij Gods woord mogt hooren en door -hetzelve Hem leeren kennen.</p> - -<p>Dit was het oogenblik, waarop wij hem haar bij de hand zagen vatten en -nederknielen, gelijk ik vroeger gezegd heb.</p> - -<p>Naar het schijnt wisselden zij nog vele woorden, te veel om hier mede te -deelen, en in het bijzonder deed zij hem beloven, daar, volgens zijne -eigene bekentenis, zijn leven eene reeks van schandelijke overtredingen -van Gods geboden was geweest, dat hij zich zou beteren, en God niet -langer tergen, opdat Hij hem niet dood maakte, gelijk zij zeide, en dan -zou zij verlaten zijn, en nimmer God leeren kennen, en hij zou rampzalig -zijn, gelijk hij haar verhaald had, dat slechte lieden na hunnen dood -waren.</p> - -<p>Dit verhaal trof ons beide, maar vooral den jongen geestelijke, wien het -echter bitter speet, dat hij niet tot haar spreken kon, daar hij geen -Engelsch en zij het zeer gebrekkig sprak. Hij zeide tot mij, dat hij -geloofde, dat bij deze vrouw nog iets anders te doen was dan haar te -trouwen. Ik begreep hem eerst niet, maar hij gaf mij zijne meening te -kennen, dat zij gedoopt moest worden. Ik stemde dit volmondig toe, en -wilde er dadelijk toe overgaan. "Neen, neen, mijnheer," zeide hij, -"schoon ik haar in allen geval wilde doopen, moet ik u doen opmerken, -dat Willem Atkins haar op eene wonderbaarlijke wijze den lust tot een -godsdienstig leven heeft bijgebragt, en haar zeer juiste denkbeelden van -het wezen van God, van zijne magt, regtvaardigheid en genade, gegeven; -maar ik wenschte wel van hem te weten of hij haar iets gezegd heeft van -Jezus Christus en van de behoudenis der zondaren, van den aard van het -geloof in Hem en der verlossing door Hem, van den Heiligen Geest, de -opstanding, het laatste oordeel, en een toekomstigen staat."</p> - -<p>Ik riep Willem Atkins terug en vroeg hem dit, maar de arme kerel barstte -dadelijk in tranen uit, en zeide, dat hij haar over dat alles gesproken -had, maar dat hij zelf zoo slecht was, en zijn eigen geweten hem over -zijn goddeloos leven knaagde, dat de vrees hem deed beven, dat hare -bekendheid met hem haar belangstelling hierin zou verhinderen, en haar -de godsdienst eer doen verachten dan beminnen. Maar hij was, zeide hij, -zoo verzekerd; dat haar geest voor alle goede indrukken geopend was, -dat zoo ik slechts met haar wilde spreken, het spoedig blijken zou, dat -mijne moeite bij haar niet vruchteloos zou blijven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 615px;"> -<img src="images/crus02_047.jpg" width="615" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik riep haar dus binnen en plaatste mij als tolk tusschen den priester -en de vrouw, en verzocht hem met haar te beginnen; maar waarlijk nimmer -werd een tweede predikatie als deze, in de laatste eeuwen, door een -Roomsch priester gehouden. Hij had, gelijk mij voorkwam, al de -opregtheid van een Christen, zonder de dwalingen der Roomsch-Katholijken, -en ik hield hem voor een geestelijke, gelijk de eerste bisschoppen der -Christelijke kerk ongetwijfeld geweest zijn. Om kort te gaan, hij bragt -de arme vrouw zoo ver, dat zij de kennis van Christus en van de -verlossing door Hem aannam, niet alleen met verwondering en verbazing, -gelijk zij de eerste begrippen van Gods wezen ontving, maar met -vertrouwen en vreugde, met aandoening, en met eene treffende bevatting, -die men zich naauwelijks verbeelden, laat staan beschrijven kan, en op -haar eigen verzoek werd zij gedoopt. Toen de geestelijke hiertoe -aanstalten maakte, verzocht ik hem hierbij voorzigtig te zijn, opdat zoo -mogelijk, de man niet bemerkte, dat hij Roomsch-Katholijk was. Hij zeide -mij, dat daar hij geene gewijde kapel, noch eenige dingen, tot den doop -geschikt, had, hij het op eene wijze doen zou, dat ik, zoo ik het niet -wist, niet zeggen zou, dat het door een Roomsch-Katholijk geschiedde. -Zoo deed hij ook, want na eenige woorden in het Latijn bij zichzelven -gezegd te hebben, stortte hij eene schaal vol water over het hoofd der -vrouw, daarbij in het Fransch zeggende: "Maria," zoo als haar man mij -verzocht had, dat zij heeten zou, want ik was haar peet, "ik doop u in -den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes!" zoodat niemand -daaraan kon hooren van welk geloof hij was. Daarop sprak hij den zegen -uit in het Latijn, maar Willem Atkins wist niet beter of het was -Fransch, of sloeg er geen acht op.</p> - -<p>Onmiddellijk hierop trouwde hij hen, en zoodra het huwelijk gesloten -was, wendde hij zich tot Atkins, en vermaande hem op eene treffende -wijze, niet alleen in zijne goede voornemens te volharden, maar door -eene verbetering van zijn leven zijn geloof te bewijzen. Hij zeide, dat -zijn berouw niets baatte, zoo hij geen afstand deed van het kwaad; hield -hem voor hoe God hem tot het werktuig had gekozen om zijne vrouw tot het -Christendom te bekeeren, en dat hij zorgen moest Gods genade niet te -verwaarloozen, want dat anders de bekeerde heiden een beter Christen zou -zijn dan hij. Hij voegde daarbij nog vele goede lessen en gaf hun daarop -in korte woorden den zegen, terwijl ik al wat hij zeide in het Engelsch -overbragt. Hiermede eindigde deze plegtigheid. Steeds heb ik dezen dag -voor de aangenaamste mijns levens gehouden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_048.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Maar mijn geestelijke hield zijne taak nog niet voor volbragt; zijn hart -hing aan de bekeering der zevenendertig wilden, en gaarne wilde hij -daartoe op het eiland blijven; maar ik overtuigde hem, dat deze -onderneming op zichzelve zeer bezwaarlijk was, en ten tweede, dat deze -misschien in zijne afwezigheid kon geschieden, waarover straks nader.</p> - -<p>Na de zaken aldus op het eiland geschikt te hebben, maakte ik -toebereidselen tot mijn vertrek, toen de jongeling, die ik van de -uitgehongerde equipage had medegenomen, bij mij kwam, zeggende, dat hij -vernomen had, dat ik een geestelijke bij mij had, en de Engelschen met -hunne vrouwen had doen trouwen; dat hij ook een huwelijk gesloten -wenschte tusschen twee Christenen, hetgeen hij hoopte, dat mij niet -onaangenaam zou zijn.</p> - -<p>Dit, wist ik, moest de jonge dienstmaagd zijner moeder zijn, want er was -geene andere Christenvrouw op het eiland; ik vermaande hem dus hierin -geen overijlden stap te doen, of omdat hij zich in deze eenzaamheid -bevond. Ik hield hem voor, dat hij, gelijk ik van hem en ook van de -dienstmaagd gehoord had, eenige bezittingen en goede vrienden in de -wereld had, dat het meisje niet alleen arm, en eene dienstbode was, maar -ook niet met hem gelijk stond, daar zij zes- of zevenentwintig, en hij -zeventien of achttien jaar oud was; dat hij met mijne hulp -waarschijnlijk van hier en weder in zijn land zou komen, en dat het -duizend tegen een was, dat zijne keus hem later zou berouwen, en dat -beider leven alsdan even onaangenaam zou zijn. Ik wilde hier nog veel -bijvoegen, toen hij mij glimlagchend zeide, dat ik mij vergiste, dat hij -daar volstrekt niet aan dacht, daar zijn tegenwoordig lot treurig genoeg -was; dat hij met vreugde hoorde, dat ik op middelen bedacht was, hem -naar hun vaderland terug te voeren, en dat niets hem zou overhalen hier -te blijven, dan dat mijne voorgenomen reis zoo uiterst lang en -gevaarlijk was, en hen zoo ver van al zijne vrienden zou voeren, dat hij -niets van mij verlangde, dan dat ik hem op het eiland een stuk land gaf -met eenige noodwendigheden, en een paar dienstboden, en dat hij dan als -een planter leven zou, in afwachting, dat ik hem zou vandaar helpen als -ik in Engeland terugkwam; in welk geval hij hoopte, dat ik hem niet zou -vergeten; dat hij mij eenige brieven aan zijne familie in Londen zou -medegeven, met vermelding hoe goed ik jegens hem geweest was, en hoe en -waar ik hem gelaten had; en dat als hij vandaar kwam, de plantaadje, -hoeveel die ook dan waard mogt zijn, geheel mijn eigendom zou zijn.</p> - -<p>Dit was voor een zoo jeugdig mensch zeer verstandig gesproken, en mij te -meer aangenaam, omdat hij mij stellig zeide, dat het voorgenomen -huwelijk hem niet aanging. Ik beloofde hem, dat zoo ik behouden in -Engeland terugkwam, ik zijne brieven verzenden zou, en hij er staat op -maken kon, dat ik nimmer zou vergeten in welke omstandigheden ik hem -verlaten had. Op mijn verlangen om te weten wie er trouwen wilden, -noemde hij mijn duizendkunstenaar, en Suzanna, zijne dienstmaagd. Dit -beviel mij uitstekend, want ik hield hen voor een zeer geschikt paar. -Het karakter van den man heb ik reeds geschetst, en het meisje was zeer -braaf, zedig, godsdienstig en ingetogen; zij wist zich zeer wellevend en -van pas uit te drukken, en schroomde niet zich te laten hooren als het -noodig was, zonder dat zij, waar het onnoodig was, zich onbescheiden op -den voorgrond stelde; zij was zeer handig en huishoudelijk in haar -gedrag, en zeer goed tot het huisbestier geschikt, ja zij had het -geheele eiland wel kunnen bestieren. Zij had zeer goed den slag van met -alle menschen om te gaan, ook met aanzienlijker dan zij hier aantrof.</p> - -<p>Wij trouwden het paar nog dienzelfden dag, en daar ik de bruid als vader -naar het altaar geleidde, gaf ik haar ook een bruidschat; want ik schonk -aan haar man en haar eene fraaije uitgestrekte plek gronds, voor eene -plantaadje. Dit huwelijk en het verzoek van den jongeling hem een stuk -grond af te staan, gaf aanleiding, dat ik de landerijen onder hen -verdeelde, opdat er naderhand geen twist over zou ontstaan.</p> - -<p>Deze land verdeeling droeg ik aan Willem Atkins op, die nu een zeer -ingetogen, bezadigd, ernsthaftig man, geheel veranderd en zeer vroom en -godsdienstig was geworden; en voor zoo verre men in zulk een geval -stellig spreken kan, en naar ik geloof, zich opregt bekeerd had. Hij -deed deze verdeeling zoo regtvaardig en naar ieders genoegen, dat zij -alleen eene algemeene door mij geteekende acte voor zich allen -verzochten, die ik deed opstellen en teekende, waarbij de ligging en -grenzen van iedere plantaadje bepaald werden, met bepaling, dat ik het -regt op het geheele bezit en beschikking der verschillende plantaadjen -met derzelver aanhoorigheden, aan hen en hunne erfgenamen afstond -terwijl ik mij het overige des eilands als mijn bijzonder eigendom -voorbehield, met eene zekere rente of erfpacht, na verloop van elf -jaren, als ik, of iemand van mijnentwege met een echt afschrift van deze -acte kwam, om die te vragen.</p> - -<p>Aangaande het bestier en wetten onder hen, zeide ik hun, dat ik hun geen -beter voorschriften geven kon dan zij zichzelven konden geven; doch ik -nam hun de belofte af met elkander in liefde te leven en goede buurschap -te onderhouden. En vervolgens maakte ik mij gereed tot mijn vertrek.</p> - -<p>Ik moet echter nog eene zaak vermelden, dat is, dat daar zij thans eene -soort van gemeenebest uitmaakten, en volop werk hadden, het ongerijmd -was, dat zevenendertig Indianen, onafhankelijk, en zonder iets te -verrigten, in een hoek van het eiland woonden; want deze hadden niets te -doen dan zich voedsel te verschaffen, dat hun soms moeijelijk genoeg -viel, maar anders hadden zij niets te verrigten. Ik stelde derhalve -voor, dat de Spaansche gouverneur naar hen toe zou gaan, met Vrijdags -vader, en hun voorstellen of voor zich zelven te bouwen, of bij hen als -dienstboden ingedeeld te worden, om voor hunnen arbeid onderhoud te -erlangen, maar zonder eigenlijke slaven te zijn, want daartoe wilde ik -hen noch door geweld, noch door eenige middelen gemaakt hebben, omdat -zij zich als het ware bij een verdrag hadden overgegeven, en dit niet -behoorde geschonden te worden. Zij namen verheugd het voorstel aan, en -gingen welgemoed met hem mede. Wij gaven hun dus landerijen, die drie of -vier aannamen, maar de overigen wilden liever als dienstboden bij de -verschillende huisgezinnen gaan. Dus was mijne kolonie nu op de volgende -wijze zamengesteld. De Spanjaarden bezaten mijne oude woning, die de -hoofdstad uitmaakte, en hunne plantaadje strekte zich uit langs den -inham, die de zoo dikwijls door mij beschrevene kreek vormde, tot aan -mijne buitenplaats, terwijl zij hunne ontginningen steeds oostwaarts -uitbreidden. De Engelschen woonden aan de noordoost zijde, waar Atkins -en zijne makkers begon, en zij zich zuid- en zuidwestwaarts uitbreidden. -Ieder plantaadje had eene menigte woeste gronden, om als er gelegenheid -toe was, er bij aan te trekken, zoo dat zij niet uit gebrek aan ruimte -oneens behoefden te worden. Het geheele westeinde van het eiland was -woest gelaten, ten einde als de wilden daar alleen aan wal kwamen, om -hunne gewone barbaarsche feestmalen te houden, zij ongehinderd gaan en -komen konden, en zoo zij niemand deerden, zou niemand hun deren, en -ongetwijfeld kwamen zij dikwijls aan land en vertrokken, schoon de -planters niet door hen verontrust werden.</p> - -<p>Nu bedacht ik, dat ik mijn vriend, den geestelijke gezegd had, dat de -bekeering der wilden, misschien in zijne afwezigheid, naar zijn genoegen -kon verrigt worden, en ik zeide hem, dat ik nu een goed vooruitzigt -daarop meende te hebben, daar de wilden thans onder de Christenen -verdeeld waren, en zoo ieder zich nu slechts moeite gaf op degenen, die -onder zijne handen waren, hoopte ik, dat dit zeer goed afloopen zou.</p> - -<p>Hij stemde daarin toe, <i>bijaldien</i> ieder zich moeite gaf, "maar," zeide -hij, "hoe zullen wij dat van hen gedaan krijgen?" Ik zeide hen bijeen te -willen roepen, en het hun allen op het hart te drukken, of wel hen een -voor een te gaan spreken, wat hij het best oordeelde. Wij verdeelden het -zoo, dat hij tot de Spanjaarden spreken zou, die allen Roomsch Katholijk -waren, en ik tot de Engelschen, die Protestanten waren, en wij bevolen -hen aan en deden hen beloven, dat zij nimmer eenig onderscheid tusschen -Roomsch en Protestantsch zouden maken in hunne vermaningen aan de -wilden, maar hun de algemeene grondstellingen van den eenigen waren God -en den Heiland leeren; en zij beloofden ons ook, dat zij nimmer onder -elkander over de Godsdienst zouden twisten.</p> - -<p>Toen ik aan het huis van Willem Atkins kwam (dat ik wel zoo noemen mag, -want zulk een huis of stuk mandewerk zag men geloof ik nooit ergens ter -wereld) vond ik, dat de jonge vrouw, waarvan ik hiervoor gesproken heb, -en de vrouw van Atkins boezemvriendinnen waren geworden, en deze -verstandige, godsdienstige vrouw had het werk, dat Atkins begonnen had, -voltooid, en schoon het verhaalde eerst vier dagen geleden was, was -deze pas gedoopte Indiaansche vrouw zulk eene Christin, waarvan ik de -wederga in al mijne ontmoetingen in de wereld zelden aangetroffen heb.</p> - -<p>Den morgen voor ik naar hen toeging bedacht ik, dat ik bij al de -noodwendigheden, die ik voor hen achterliet, geen Bijbel gevoegd had; -waarin ik mij minder bezorgd voor hen betoonde, dan de goede weduwe voor -mij was, toen zij mij de lading van honderd Pond St. van Lissabon zond, -waarbij zij drie Bijbels en een gebedeboek voegde. Deze liefderijkheid -van de goede vrouw had nuttiger gevolgen dan zij voorzien kon, want zij -werden gespaard tot stichting en onderrigt van hen, die er veel beter -gebruik van maakten dan ik gedaan had. Ik stak een der Bijbels in mijn -zak, en toen ik bij Willem Atkins tent of huis kwam, vernam ik, dat de -jonge vrouw en die van Atkins over de Godsdienst hadden gesproken, -hetgeen Atkins mij met veel vreugde verhaalde. Hoorende, dat zij nog bij -elkander waren, ging ik binnen en zij met mij, en vond haar beide -ernstig in gesprek. "O, mijnheer," zeide Atkins, "als God zondaars met -zich verzoenen wil, en verlorenen terug brengen, heeft Hij altijd boden. -Mijne vrouw heeft eene nieuwe leermeesteres. Ik weet, dat ik onwaardig -was tot dat werk; die jonge vrouw is door den Hemel hierheen gezonden; -zij is in staat een geheel eiland vol wilden te bekeeren." De jonge -vrouw stond blozende op en wilde heengaan, doch ik verzocht haar te -blijven, zeide, dat zij een goed werk verrigtte, waarin ik hoopte, dat -Gods zegen met haar zijn mogt.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_049.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij spraken eenige oogenblikken en ik zag niet, dat zij eenig boek -hadden, doch ik vroeg daar niet naar, maar haalde mijn Bijbel uit den -zak. "Hier," zeide ik tot Atkins, "hebt gij een onderwijzer, die u -misschien ontbrak." Hij was zoo verbijsterd, dat hij in het eerst niet -spreken kon, maar zich vervolgens herstellende, nam hij het boek met -beide handen aan en zeide tegen zijne vronw: "Heb ik u niet gezegd dat -God, schoon in den Hemel, hooren kan wat wij zeggen? Hier is het boek -waarom ik gebeden heb. God heeft ons gebed verhoord en het ons -gezonden." Hij weende als een kind van vreugde en dankbaarheid. Zijne -vrouw was uiterst vatbaar, en schier in eene dwaling vervallen, die wij -eerst later bemerkten; zij geloofde, dat God dit boek, op haar mans -gebed had gezonden. Het is waar, dat dit ook door de Voorzienigheid zoo -beschikt was, maar zij was geloof ik, geneigd te gelooven, dat er een -bode uit den Hemel gekomen was, om haar dat boek te brengen. De zaak was -te ernstig, om hier eenige misleiding te gedoogen, dus verzocht ik aan -de jonge vrouw onze nieuwbekeerde te verklaren, hoe onze gebeden -verhoord kunnen worden door den gewonen loop der zaken, en zonder dat -daarbij een wonder behoeft te geschieden. De jonge vrouw deed dit later, -zoodat hier geen vroom bedrog plaats greep, hetgeen ik voor -onverantwoordelijk zou gehouden hebben. De vreugde van Atkins echter was -onbeschrijfelijk. Nimmer gevoelde iemand meer dankbaarheid dan hij voor -zijn Bijbel, en niemand verheugde zich ooit over het bezit eens Bijbels -om beter redenen, en hoewel hij een zeer woest, kwaadaardig en losbandig -mensch was geweest, bewijst hij echter door zijn voorbeeld aan alle -ouders, dat zij nimmer het onderrigt hunner kinderen moeten staken, of -aan het goed gevolg hunner pogingen daartoe wanhopen, al zijn de -kinderen ook schijnbaar nog zoo halsstarrig en ongevoelig, want zoo zij -immer tot een waar inzigt hunner zonden geraken, komen deze vroegere -indrukken, die zoo lang geslapen hadden, weder levendig en weldadig voor -den geest. Zoo was het ook hier; het weinige onderrigt in de Godsdienst, -dat hij genoten had, kwam dezen armen man thans van pas, daar hij met -nog onwetender dan hij te doen had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_050.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Vooral herinnerde hij zich, wat zijn vader hem zoo dikwijls van de -hooge waarde des Bijbels gezegd had, welk een voorregt deze voor geheele -volkeren, huisgezinnen en personen was, maar nimmer had hij dit naar -waarde beseft, dan nu hij de behoefte daaraan tot onderrigting van -heidenen en barbaren gevoelde. De jonge vrouw was er ook zeer blijde -mede, hoe wel zij en de jongeling onder hunne goederen, die nog aan -boord waren, er ieder een hadden. Na zooveel van deze brave vrouw gezegd -te hebben, kan ik niet nalaten er iets bij te voegen.</p> - -<p>Ik heb verhaald welk gebrek zij geleden had, hoe hare meesteres van -honger gestorven was op dat ongelukkige schip, terwijl zij door het -scheepsvolk eerst onmeedoogend behandeld en vervolgens geheel aan hun -lot overgelaten waren. Eens hierover met haar sprekende, vroeg ik haar -of zij, na hetgeen zij had uitgestaan, mij beschrijven kon wat het is -van honger te sterven. Zij zeide, dat zij geloofde van ja, en deed mij -het volgende verhaal:</p> - -<p>"Eerst," zeide zij, "hadden wij verscheidene dagen het zeer hard en -leden geweldigen honger, tot wij eindelijk niets geen voedsel meer -hadden dan een weinig suiker en wat wijn met water. Den eersten dag, -nadat ik geheel geen voedsel gehad had, gevoelde ik mij tegen den avond -flaauw en misselijk en zeer geneigd tot geeuwen en slapen. Ik ging op -eene bank in de groote kajuit liggen, en sliep bijkans drie uren, waarna -ik eenigzins verkwikt ontwaakte, daar ik, voor ik slapen ging, een glas -wijn gedronken had. Na drie uren wakker geweest te zijn, werd ik weder -misselijk, ik ging weder liggen, maar kon niet slapen, terwijl ik -duizelig was en dan weder neiging tot braken had, en dit ging zoo den -geheelen volgenden dag. Dien avond moest ik te rust gaan, zonder iets -dan eene teug water genuttigd te hebben; ik droomde toen dat ik te -Barbados op de markt was, die vol met levensmiddelen was, dat ik eenige -voor mijne meesteres kocht, en een goed middagmaal deed; maar bij mijn -ontwaken was ik zeer neerslagtig van denzelfden honger te gevoelen. Ik -dronk het laatste glas wijn dat ik had, met wat suiker tot voedsel; maar -door de zwakte van mijne maag, werkte de wijn onaangenaam op mijne -hersenen, en naar men mij zeide, lag ik eenigen tijd bedwelmd en als -iemand die dronken is.</p> - -<p>"Den derden dag, na een nacht dien ik vol verwarde droomen, meer -dommelend dan slapend had doorgebragt, ontwaakte ik woedende van honger, -en zoo mijne rede niet teruggekeerd was, weet ik niet of, zoo ik moeder -ware geweest, mijn kind wel veilig bij mij zou geweest zijn. Dit duurde -ongeveer drie uren, gedurende welke ik, gelijk mijn jonge meester mij -gezegd heeft, ik in volslagen razernij verkeerde. In een der vlagen van -verbijstering, struikelde ik en viel met mijn gelaat tegen den kant van -een rustbed, waarop mijne mevrouw lag, zoodat mijn neus aan bloed -sprong. De kajuitjongen reikte mij eene kom toe, ik ging zitten en -verloor veel bloed, en naar gelang dat ik dit verloor, bedaarde de -hevigheid van de koorts en tevens de knagingen van den honger. -Vervolgens werd ik gekweld door neiging tot braken. Na eenigen tijd viel -ik van bloedverlies flaauw, en allen hielden mij voor dood, doch spoedig -kwam ik weder bij, en had toen de vreeselijkste maagpijn, die men zich -denken kan, niet als een kolijk, maar als een knagende, woedende trek -tot honger, die tegen den avond overging in een allerhevigst verlangen -naar voedsel, misschien gelijk zwangere vrouwen wel ondervinden. Ik nam -nog een glas water met suiker, doch mijn maag walgde van de suiker en -gaf die weder terug. Toen nam ik eene teug zuiver water, en hield dat er -in, waarna ik liggen ging en God allervurigst bad, dat Hij mij van de -wereld mogt wegnemen. De hoop hierop deed mij wat bedaren, ik sluimerde -eenigen tijd en toen ik ontwaakte, dacht ik dat ik lag te zieltogen, -want mijne zwakke en ledige maag verbijsterde mij het brein. Ik beval -mijne ziel aan God en verlangde hartelijk, dat iemand mij in zee wierp.</p> - -<p>"Al dien tijd lag mijne mevrouw bij mij als eene stervende, maar zij -verdroeg het geduldiger dan ik, en gaf haar laatste stukje brood aan -haren zoon, die het niet nemen wilde, maar zij dwong hem het te eten, en -ik geloof dat hij zijn leven hieraan te danken heeft.</p> - -<p>"Tegen den morgen viel ik weder in slaap, en eerst toen ik ontwaakte -barstte ik in tranen uit, en daarna had ik weder eene geweldige vlaag -van honger, zoodat ik half razend werd. Ware mijne meesteres dood -geweest, ik zou geloof ik een stuk van haar vleesch gegeten hebben, zoo -onverschillig en met zoo veel smaak, als ik ooit vroeger eenig voedsel -voor ons bestemd, genuttigd had, en eens of tweemaal beet ik mij zelve -in den arm. Eindelijk zag ik de kom waarin het bloed was, dat ik den -vorigen dag verloren had, ik liep er heen, en verzwolg het zoo haastig -en gretig, alsof ik vreesde, dat men het mij zou afnemen. Schoon ik -naderhand walgde van hetgeen ik gedaan had, was echter mijn honger -gestild; ik nam eene teug water en bragt eenige uren zeer kalm door. Dit -was de vierde dag en dezen bragt ik zoo door tot des nachts, toen ik -drie uren lang dezelfde reeks van gewaarwordingen weder had; namelijk -misselijk, slaperig, uiterst hongerig, pijn in de maag, dan weder als -razende, dan weder misselijk, dan ijlhoofdig, dan gillende, dan weder -krankzinnig, en zoo ieder kwartier. Ik werd zeer zwak, en des nachts -sliep ik in, alleen hopende, dat ik voor den morgen dood zou zijn.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 460px;"> -<img src="images/crus02_051.jpg" width="460" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Den geheelen nacht sliep ik niet, de honger was door ziekte vervangen, -en ik had zware kolijkpijnen; en zoo lag ik tot den morgen, toen ik een -weinig verrast werd door het gejammer van mijn jongen heer, die mij -toeriep dat zijn moeder dood was. Ik hief mij een weinig op, want ik had -geen kracht om op te staan, en zag dat zij niet dood was, schoon zij -slechts weinig teekens van leven geven kon.</p> - -<p>"Toen gevoelde ik zulk eene snijdende pijn in de maag, en zulke knagingen -van den honger, dat niets dan de kwellingen des doods die kunnen -evenaren. In dezen toestand hoorde ik de matrozen roepen: "Een zeil! Een -zeil!" en boven mij schreeuwen en rondspringen als razenden. Ik was zoo -zwak, dat ik niet opstaan kon en mijne mevrouw nog minder; en mijn jonge -meester was zoo ziek, dat ik dacht dat hij zieltoogde. Dus konden wij de -kajuitdeur niet openen, om de reden van dit rumoer te hooren. Sedert -twee dagen hadden wij niemand van het scheepsvolk gezien; zij hadden ons -gezegd, dat zij zelve niets te eten hadden, en later vernamen wij, dat -zij ons reeds gestorven waanden. In dezen jammerlijken toestand waren -wij, toen de Hemel u zond om ons het leven te redden."</p> - -<p>Dit was haar verhaal, en naar het mij toescheen een zoo duidelijk -verslag van den hongerdood, als ik nimmer hoorde. Ik houd het voor -volkomen waar, omdat de jongeling mij verscheidene omstandigheden even -zoo verhaald had, schoon niet zoo juist en treffend als zijne -dienstmaagd; welligt omdat zijne moeder hem nog, ten koste van haar -leven, gevoed had. De arme meid echter, schoon sterker dan hare reeds -bejaarde en zwakke meesteres, was er welligt het hardste aan toe -geweest, daar hare mevrouw misschien nog iets langer wat bewaard, en dit -alleen aan haren zoon gegeven had. Ongetwijfeld zouden allen van honger -binnen weinige dagen gestorven zijn, zoo zij niet ons schip of een ander -ontmoet hadden, ten ware zij elkander verslonden hadden, en dit zou hun -nog weinig gebaat hebben, op vijfhonderd mijlen van alle land en zonder -uitzigt op andere hulp, dan hun thans te beurt was gevallen. Doch dit in -het voorbijgaan. Ik keer tot mijne schikkingen in de kolonie terug.</p> - -<p>Om verscheidene redenen zeide ik aan niemand iets van de sloep, die ik -medegenomen en bij hen gedacht had in elkander te zetten, want de zaden -van tweedragt, die ik bij mijne komst bespeurde, deden mij vreezen, dat -zij bij eenige nieuwe oneenigheid, het eiland verlaten zouden of -misschien op zeeroof uitgaan, en mijn eiland hierdoor een -dievenschuilhoek worden zou, in plaats van eene vestiging van brave en -godsdienstige lieden. Hierom behield ik ook de twee koperen stukken, die -ik aan boord had. Ik achtte hen genoegzaam in staat, om zich tegen elke -overval te verdedigen, maar wilde hun geen gelegenheid geven tot een -aanvallenden oorlog of strooptogten, die eindelijk op hun verderf -moesten uitloopen. Ik behield derhalve de sloep en de kanonnen, om hen -daarmede op eene andere wijs van dienst te zijn, gelijk men later zien -zal.</p> - -<p>Ik heb thans met het eiland afgedaan. Ik verliet het in een bloeijenden -staat en ging aan boord den 6 Mei, na een verblijf van vijfentwintig -dagen, en daar allen besloten hadden er te blijven tot ik hen kwam -afhalen, beloofde ik hun nog eenigen onderstand van Brazilië te zullen -zenden, als ik er gelegenheid toe vinden kon, vooral nog eenig rundvee, -daar wij datgene, wat ik in Engeland gekocht had, uit gebrek aan voeder -hadden moeten slagten. Den volgenden dag groette ik met een saluut van -vijf schoten en ging onder zeil, en kwam na tweeëntwintig dagen reis in -de Allerheiligen baai in Brazilië aan, zonder iets merkwaardigs ontmoet -te hebben, dan dat wij een paar malen door de sterke strooming ten N. en -N. O. uit onzen koers gedreven werden, en eens of tweemaal werd er "land -ten Westen!" geroepen, doch of het een eiland of het vaste land was, -weet ik niet.</p> - -<p>Den derden dag echter tegen den avond zagen wij bij stil weder en eene -effene zee, in de verte de zee met iets zwarts bedekt, doch konden niet -zien wat het was. De opperstuurman echter, die met een kijker het groot -want inging, riep dat het een leger was. Ik begreep niet wat hij meende -met een leger, en riep wat te overijld, dat hij stapelgek was, of iets -dergelijks. "Word niet driftig, mijnheer," zeide hij, "het is een leger -en eene vloot ook; er zijn geloof ik wel duizend kanoes, vol volk, die -naar ons toe komen pagaaijen." Ik stond een weinig verzet en mijn neef, -de kapitein, ook, die verschrikkelijke dingen van de wilden op het -eiland gehoord had, en nimmer te voren in deze zeeën geweest was. Hij -wist niet wat hiervan te denken en herhaalde twee of drie maal: "Wij -zullen allen verslonden worden!" Ik moet bekennen, dat ik ook het kwaad -inzag, daar het doodstil was, en de stroom ons sterk naar het land -dreef. Ik ried hem echter niet bang te zijn, maar te ankeren, zoodra zij -zoo digt bij waren, dat het gevecht onvermijdelijk was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_052.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het weder bleef stil en zij kwamen steeds nader, dus gelastte ik te -ankeren en de zeilen in te nemen. Van de wilden had men, zeide ik, niets -te vreezen, dan dat zij brand verwekten, en hiertoe was het noodig de -sloepen uit te zetten, en die wel bemand, voor en achter het schip te -leggen, ten einde het volk daarin met putsen den brand kon blusschen, -als de wilden dien verwekten. Aldus wachtten wij hen af, en kort daarop -kwamen zij nader; ik geloof niet, dat ooit Christenen ontzettender -schouwspel zagen. De stuurman had zich echter in het getal van duizend -kanoes vergist; naar onze telling waren er niet meer dan honderd -vijfentwintig, doch zwaar bemand; sommigen voerden zestien en zeventien -man en meer, en de minsten zeven of acht.</p> - -<p>Toen zij naderbij kwamen, schenen zij geheel ontzet van een gezigt, -welks wederga zij waarschijnlijk nimmer te voren gezien hadden, en eerst -schenen zij niet te weten wat van ons te maken. Zij naderden echter -steeds meer en meer, en schenen ons te willen omsingelen, doch wij -riepen het volk in de sloepen toe hen niet te laten naderen. Tegen onze -begeerte bragt dit een gevecht te weeg, want vijf of zes hunner grootste -kanoes, kwamen zoo digt bij onze groote boot, dat ons volk hen met de -handen toewenkte om achteruit te gaan, hetgeen zij zeer goed begrepen en -opvolgden, doch tevens schoten zij een vijftig pijlen op hen af, en een -matroos werd zwaar gewond. Ik riep hen echter toe niet te vuren, en wij -reikten hun eenige planken toe, waarvan de timmerman eene soort van -waring opzette, om hen voor de pijlen te bedekken, als de wilden weder -mogten schieten.</p> - -<p>Een half uur daarna kwamen zij allen te gelijk naar den achtersteven, -zoo digt bij, dat wij hen zeer goed konden onderscheiden, maar niet -bevroeden wat hun oogmerk was. Ik zag dadelijk, dat het mijne oude -kennissen waren, de wilden, waarmede ik zoo veel te doen had gehad; -daarop roeiden zij wat terug en kwamen ons toen zoo digt op zijde, dat -wij hen beroepen konden. Ik gelastte al het volk zich bedekt te houden, -als zij soms weder mogten schieten, doch liet Vrijdag op het dek gaan om -hen toe te spreken en te vernemen wat zij wilden. Of zij hem verstonden -weet ik niet, maar zoodra hij hen aangeroepen had, wendden zes hunner, -die de voorsten waren, hunne kanoe, en toonden (met verlof) hun naakt -achterste. Of dit eene uitdaging of beschimping was, weet ik niet, maar -onmiddellijk daarop riep Vrijdag, dat zij gingen schieten, en ongelukkig -voor den armen jongen, schoten zij wel driehonderd pijlen af, en doodden -tot mijne onuitsprekelijke droefheid, den armen Vrijdag, den eenigsten -man dien zij zagen. De arme jongen was van drie pijlen getroffen, en -drie vielen vlak bij hem, zulke goede schutters waren zij.</p> - -<p>Ik was zoo woedend over het verlies van mijn trouwen knecht, den -medgezel van mijne eenzaamheid, dat ik dadelijk vijf stukken met schroot -en vier met kogels geladen, liet afvuren, en hun eene laag toezond, zoo -als zij zeker nimmer in hun leven gehoord hadden. Zij waren zoo nabij en -onze konstapels mikten zoo goed, dat een enkele kogel drie of vier -hunner kanoes verbrijzelde.</p> - -<p>Wij achtten ons juist niet zeer beleedigd doordien zij ons hun achterste -gewezen hadden, en daar ik niet wist of deze verregaande lompheid bij -ons, bij hen hetzelfde beteekende, had ik besloten vier of vijf schoten -met los kruid te laten doen, dat hen genoeg schrik aangejaagd zou -hebben. Maar toen zij zoo woedend op ons schoten, maar vooral toen zij -mijn armen Vrijdag doodden, dien ik zoo hoog schatte en lief had, gelijk -hij verdiende, achtte ik mijne handelwijze niet alleen geregtvaardigd -voor God en de menschen, maar zou ik gaarne iedere kanoe overzeild en -ieder hunner hebben laten verdrinken. Ik weet niet hoe velen er gekwetst -of gedood werden, maar nimmer zag men onder eene groote menigte zulk een -schrik, dertien of veertien hunner kanoes waren verbrijzeld of -omgeslagen, en al het volk aan het zwemmen; de overigen roeiden zoo hard -weg als zij konden, zonder zich te bekreunen aan hen, wier kanoes -gezonken waren. Veel hunner zijn, denk ik, verongelukt. Ons volk nam een -uur later, een armen kerel in, die het nog zwemmende gehouden had. Ons -schroot had zeker velen gedood, maar wij vernamen er niets van, want -binnen een uur of drie hadden wij hen geheel uit het gezigt verloren, op -drie of vier kanoes na, die niet spoedig voort konden, en daar -dienzelfden avond eene koelte opkwam, gingen wij onder zeil.</p> - -<p>De gevangene die wij hadden was zoo woest, dat hij eten noch spreken -wilde, en wij dachten, dat hij zich wilde laten doodhongeren. Maar ik -wist hem wel te temmen, want ik liet hem in de sloep werpen, en hield -mij alsof wij hem in zee wilden smijten, als hij niet spreken wilde. Het -hielp echter niet, dus werd hij in zee gegooid, maar hij zwom de sloep -na, en riep hen toe, schoon zij er niets van verslaan konden. Eindelijk -namen zij hem weder in, en nu was hij wat handelbaarder; hetgeen ik -alleen gewild had, want ik zou hem niet hebben laten verdrinken.</p> - -<p>Ik was bitter ter neder geslagen door het verlies van mijn Vrijdag, en -had gaarne naar het eiland willen terugkeeren, om vandaar een anderen -knecht te halen, maar dit ging niet, dus vervolgden wij onze reis. Het -duurde lang eer wij onzen gevangene iets konden doen begrijpen, maar met -der tijd leerden de matrozen hem wat Engelsch, en werd hij wat -handelbaarder. Wij vroegen van welk land hij kwam, maar konden er niets -van begrijpen, zulk een zonderling keelgeluid maakte hij bij het -spreken, daar zijne taal alleen uit scheen te bestaan, en hij de tong, -lippen of tanden niet scheen te gebruiken bij het spreken. Later, toen -de matrozen hem wat Engelsch geleerd hadden, zeide hij, dat zij met -hunne koningen uitgegaan waren om te vechten. Wij vroegen hem hoe veel, -en hij zeide vijf, die met hun allen tegen twee volken gingen vechten. -Op onze vraag waarom zij naar ons toe gekomen waren, zeide hij, om het -groot wonder te zien. Wij konden hem nimmer leeren het meervoudig even -als wij aan te duiden, en bij zijn uitspraak voegde hij altijd een <i>e</i> -achter ieder woord gelijk ook alle Afrikanen doen als zij Engelsch -leeren, en dat ik niet dan met de uiterste moeite Vrijdag had kunnen -afleeren.</p> - -<p>En nu ik dezen armen jongen nogmaals noem, moet ik voor altijd afscheid -van hem nemen. Arme brave Vrijdag! Wij begroeven hem zoo welvoegelijk en -plegtig als ons mogelijk was. Het lijk werd in eene kist over boord -gezet, waarbij ik elf schoten liet doen. Dit was het einde van den -trouwsten, eerlijksten en genegensten dienaar dien ooit iemand had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_053.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij zetten nu met een gunstigen wind koers naar Brazilië, en ongeveer -twaalf dagen later zagen wij land op 5° Z.B., zijnde het Noordoostelijkste -van dat gedeelte van Amerika. Vier dagen liepen wij Zuidoostwaars, in -het gezigt van het land, toen wij kaap Augustijn zagen, en drie later -lieten wij het anker vallen in de Allerheiligenbaai, de plaats mijner -redding, vanwaar mijn goed en kwaad lot begonnen is.</p> - -<p>Nimmer liep hier een schip binnen, dat minder er te verrigten had dan -ik, en toch konden wij slechts met de grootste moeite verlof bekomen, om -eenige gemeenschap met den wal te hebben. Noch mijn compagnon, die nog -leefde en een zeer aanzienlijk man was geworden, noch mijne twee -gemagtigden, noch het gerucht van mijn wonderbaarlijk behoud op het -eiland, konden mij deze gunst doen verkrijgen. Mijn compagnon, die zich -herinnerde, dat ik vijfhonderd gouden moidores aan den prioor der -Augustijnen, en driehonderd tweeënzeventig aan de armen had gegeven, -haalde den tegenwoordigen prioor over, voor mij van den gouverneur -verlof te vragen, om met den kapitein en een ander, benevens acht -matrozen aan wal te komen. Dit ontving ik onder uitdrukkelijke -voorwaarde van geene goederen zonder verlof aan land te brengen, noch -iemand van daar mede te nemen. Zij waren zoo streng, dat ik de grootste -moeite had om drie balen Engelsche goederen aan land te mogen brengen, -die ik tot presenten voor mijn compagnon medegebragt had.</p> - -<p>Deze was een braaf, onbekrompen man, schoon hij, even als ik, gering -begonnen was. Hij wist niet dat ik hem iets present wilde geven, maar -zond mij versch vleesch, confituren en wijn present, dat met eenigen -tabak en drie of vier fraaije gouden medailles, wel dertig gouden -moidores waard was. Maar ik deed voor hem niet onder in mijne -geschenken, die uit fijn laken, linnen en kant bestonden. Bovendien zond -ik hem aan dezelfde goederen eene waarde van 100 Pond St. tot een ander -einde, en verzocht hem de sloep, die ik voor mijne kolonie uit Engeland -had mede gebragt, in elkander te laten zetten, om daarmede den -voorgenomen onderstand naar mijn eiland te zenden. Binnen weinige dagen -was de sloep gereed, en ik gaf den schipper zulke inlichtingen, dat hij -het eiland niet missen kon, waar hij ook, gelijk ik later van mijn -compagnon vernam, gelukkig aanlandde. Een der matrozen, die met mij aan -wal geweest was, verzocht mij mede te mogen gaan en zich daar neder te -zetten, als ik hem een brief aan den Spaansche gouverneur mede gaf, dat -deze hem een stuk land zou geven, en ik hem eenige kleederen en -gereedschap mede gaf, om dat te bebouwen, waarvan hij verstand had, daar -hij in Maryland een planter geweest was, en een boekanier ook. Ik gaf -hem wat hij vroeg, en tevens den gevangen wilde als slaaf mede.</p> - -<p>Terwijl ik aan zijne uitrusting bezig was, zeide mijn oude compagnon, -dat een Brazilisch planter, dien hij kende, een zeer braaf man, zich het -ongenoegen der kerk op den hals gehaald had. "Wat eigenlijk van de zaak -is," zeide hij, "weet ik niet, maar ik geloof, dat hij in zijn hart een -ketter is; en hij is genoodzaakt zich voor de Inquisitie schuil te -houden. Zulk eene gelegenheid, om met zijne vrouw en twee dochters te -ontkomen, zou hem zeer welkom zijn, vooral als gij hem op een eiland een -stuk gronds wilde afstaan, want al zijn goederen hier zijn in beslag -genomen, en hij bezit niets dan eenig huisraad en twee slaven. En," -voegde hij er bij, "schoon ik zijne stellingen verfoei, wilde ik hem -toch niet in handen der geestelijke regtbank zien, want dan zou hij -zeker levend verbrand worden."</p> - -<p>Ik stond hem zijn verzoek toe, en wij hielden den man met zijn gezin aan -boord verborgen, tot de sloep in zee stak, en toen deze buiten de baai -was, bragten wij hem daar aan boord, waar zijne goederen kort te voren -gekomen waren. Onze matroos was met zijn reisgenoot zeer in zijn schik, -en zij waren beide even rijk, namelijk in gereedschappen, en de belofte -van een stuk land. Het beste echter was eenig suikerriet, dat hij -medevoerde om daar te planten, en welks bouwing en bewerking de ketter, -de Portugees namelijk, in den grond verstond.</p> - -<p>Onder den voorraad bevond zich voor mijn eiland drie koeijen en vijf -kalven, tweeëntwintig varkens, waaronder drie zeugen, die biggen -moesten, twee merriën en een hengst. Ik haalde ook drie Portugesche -vrouwen over zich derwaarts te begeven, en schreef aan de Spanjaards, -dat zij haar goed behandelen moesten, en als zij wilden met haar -trouwen. Ik had er wel meer kunnen overzenden, maar ik herinnerde mij, -dat slechts vijf Spanjaarden ongehuwd waren, terwijl de overige vrouwen -in hun eigen land hadden, en dat de Portugesche vlugteling twee dochters -bij zich had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 520px;"> -<img src="images/crus02_054.jpg" width="520" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Deze geheele bezending kwam behouden over, en was den inwoners zeer -aangenaam, die nu met de nieuw aangekomenen, een getal van tusschen de -zestig en zeventig personen uitmaakten, eene menigte kleine kinderen -niet medegerekend. Bij mijne terugkomst te Londen vond ik brieven van -hen, die over Lissabon gekomen waren, en door hen met de naar Brazilië -teruggekeerde sloep medegegeven waren, en waarover ik later spreken zal.</p> - -<p>Ik stap thans geheel van mijn eiland af om er niet weer op terug te -komen, en die het verdere mijner gedenkschriften lezen, moeten hunne -gedachten daarvan aftrekken, en zullen in de volgende bladzijden niets -anders vinden dan de dwaasheden van een oud man, die noch door zijne -eigene ongelukken, noch door die van anderen zich liet afhouden om die -telkens weder te begaan; wien bijkans veertig jaren vol jammer en -teleurstellingen geene bezadigdheid, noch ongedachte voorspoed -tevredenheid konden verschaffen, noch ongehoorde rampspoeden en nood -behoedzaamheid inprenten.</p> - -<p>Ik had even weinig noodig naar Oost-Indië te gaan, als iemand, die vrij -en onschuldig is, zich naar de gevangenis behoeft te begeven, om zich -achter slot te laten zetten en van ellende te vergaan. Had ik in -Engeland een klein scheepje genomen, daarmede regt naar mijn eiland -gestevend, had ik het, gelijk het andere schip, beladen met allerlei -noodwendigheden voor het eiland en voor mijn volk, en een patent van de -regering gevraagd, om het als een aan de Engelsche kroon onderworpen -eiland in bezit te gaan nemen, dat ik zeker had kunnen verkrijgen; had -ik geschut en wapens, bedienden en landlieden medegenomen, en er in naam -van Engeland bezit van genomen en het versterkt en bevolkt, gelijk ik -gemakkelijk had kunnen doen; had ik mij daar gevestigd, en het scheepje, -met rijst geladen, terug gezonden, gelijk ik ook had kunnen doen in zes -maanden, en het daarop weder in Engeland laten uitrusten; had ik dit -gedaan en ware ik er zelf gebleven, dan hadde ik althans als een -verstandig mensch gehandeld. Maar ik was bezeten met een zucht tot -zwerven, die alle voordeel in den wind sloeg; ik schepte er vermaak in -de beschermer van de lieden te zijn, die ik daar geplaatst had, en hen -op eene aartsvaderlijke wijze wel te doen, door hen te behandelen als -ware ik hun vader. Ik had geen de minste gedachte om in den naam van -eenige regering het te bezitten, of de bevolking onderdanen van eenig -rijk te noemen; zelfs dacht ik er niet aan het eiland een naam te geven, -maar ik liet het zoo als ik het vond, als niemands eigendom, en het volk -onder geenerlei oppermagt of wetten dan de mijne, die, schoon mijn -invloed op hen die van een vader en weldoener was, geen ander regt -hadden op hunne gehoorzaamheid, dan die uit hunne vrijwillige -toestemming ontsproot. Dit zou echter voldoende geweest zijn als ik daar -gebleven was, maar daar ik hun verliet en niet terugkwam, behelsden de -laatste berigten, die mijn compagnon mij van hen deed toekomen, nadat -hij hun nog een tweede sloep derwaarts gezonden had, hoewel ik den brief -eerst vijf jaren ontving nadat hij geschreven was, dat de zaken daar -niet vooruit gingen, en zij over hun lang verblijf aldaar misnoegd -waren; dat Willem Atkins dood en vijf van de Spanjaarden vertrokken -waren, en dat, schoon de wilden hen weinig lastig vielen, zij echter -eenige schermutselingen met hen gehad hadden, dat zij hem smeekten mij -mijne belofte te herinneren van hen weg te halen, opdat zij voor hunnen -dood hun vaderland mogten terug zien.</p> - -<p>Maar ik volgde steeds allerlei hersenschimmen, en die meer van mijn -leven willen hooren, moeten mij volgen door eene reeks van nieuwe -dwaasheden, moeijelijkheden en wilde avonturen, waaruit 's Hemels -regtvaardigheid duidelijk uitblonk, en men zien kan hoe gemakkelijk de -Hemel onze geliefdste wenschen tot de bron onzer rampspoeden kan maken, -en ons straffen door de vervulling van datgene, wat wij het vurigste -verlangden. Doch ik keer tot de geschiedenis van mijne reis terug.</p> - -<p>Ik moet hier echter echter nog vermelden, dat de brave en waarlijk -godvruchtige priester mij hier verliet; daar er een schip naar Lissabon -zeilree lag, verzocht hij mij hem daarop te laten overgaan, daar het -toch, gelijk hij zeide, zijne bestemming scheen, nimmer eene reis te -volbrengen, die hij begon. Hoe gelukkig ware het geweest zoo ik met hem -gegaan was. Doch dit was nu te laat, en al wat de Hemel beschikt, is tot -ons bestwil. Ware ik met hem gegaan, ik had nimmer zoo veel reden tot -dankbaarheid aan God gehad, en de lezer zou nimmer het tweede deel van -de Lotgevallen van Robinson Crusoe ontvangen hebben. Ik zal dus alle -vruchtelooze klagten over mij zelven sparen en mijn verhaal vervolgen.</p> - -<p>Van Brazilië stevenden wij regt naar de Kaap de Goede Hoop, en hadden -wel nu en dan eens storm of tegenwind, maar over het geheel eene -gunstige reis. Mijne tegenspoeden op zee waren nu ten einde, maar andere -ongevallen en rampen wachtten mij op het land, ten blijke, dat dit even -zoo wel als de zee, een middel kan zijn om ons te tuchtigen.</p> - -<p>Wij hadden een supercarga aan boord, die na onze komst aan de Kaap over -alles het bestier had, alleen was hij door den vrachtbrief verbonden tot -een bepaald getal legdagen in elke haven, die wij aandeden. Ik had hier -mij niet mede te bemoeijen, en al wat schip en lading betrof, werd door -mijn neef den kapitein en den supercarga beide bestierd naar hun -goedvinden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_055.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik zal den lezer niet vervelen met beschrijvingen van plaatsen, stukken -uit het journaal, of met wijzingen van het compas, breedten, lengten en -afstanden, passaatwinden, enz., die alleen nuttig zijn voor hen, die ook -derwaarts willen gaan. Wij deden eerst Madagascar aan, waar, schoon de -inboorlingen er stout en verraderlijk en zeer goed met bogen en lansen -gewapend zijn, waarmede zij zeer behendig weten om te gaan; wij eene -poos zeer goed met hen omgingen; zij behandelden ons zeer goed, en voor -eenige kramerijen als messen, scharen, enz., die wij hun gaven, bragten -zij ons elf goede vette ossen, niet groot maar goed gevoed, die wij -slagtten en gedeeltelijk voor scheepsgebruik inzoutten.</p> - -<p>Na voorraad ingenomen te hebben, moesten wij hier eenige dagen blijven, -en ik, die altijd nieuwsgierig was om elken hoek van de wereld te zien, -ging zoo dikwijls aan den wal als ik kon. Op een avond ging ik aan de -oostzijde aan wal, en eene talrijke menigte inboorlingen drong om ons -heen en bekeek ons, schoon zij op eenigen afstand bleven. Daar wij met -hen handel gedreven, en vriendelijk bejegend waren, duchtten wij geen -gevaar, maar toen wij al het volk zagen, kapten wij drie takken van een -boom, en staken die op eenigen afstand van ons in den grond, hetwelk, -naar het schijnt, aldaar niet alleen een blijk van vrede en vriendschap -is, maar als men van de andere zijde ook drie takken steekt, geeft dit -te kennen, dat men den vrede of wapenstilstand aanneemt. Maar het is -eene bekende voorwaarde, dat men hen niet verder dan tot aan hunne drie -takken naderen mag, en zij niet verder komen dan die van u. Men is dus -binnen die takken volkomen veilig, en die ruimte is als het ware de -markt, waarop handel gedreven wordt. Daar binnenkomende, moet men geene -wapens medebrengen, en zij steken aan hunne zijde hunne spietsen en -lansen bij de eerste takken, en naderen ongewapend, maar zoo jegens hun -eenig geweld gebruikt, en de wapenstilstand daardoor verbroken wordt, -loopen zij naar de takken, vatten de wapens op, en de wapenstilstand is -geëindigd.</p> - -<p>Op een avond, dat wij aan wal gegaan waren, kwam er veel meer volk dan -gewoonlijk naar het strand, doch allen waren beleefd en minzaam. Zij -bragten ons verscheidene eetwaren, die wij hun met eenige kramerijen -betaalden; de vrouwen bragten ons ook melk en groenten, en alles was -rustig. Wij sloegen van takken een hutje op, en bleven dien nacht op het -strand. Ik had echter een tegenzin, schoon ik er geen reden voor had, om -als de overigen op het strand te slapen, en daar onze sloep op een -steenworp afstands voor anker lag met twee matrozen er in, liet ik er -een van aan wal komen en eenige takken in de sloep brengen, waarna ik -het zeil op den bodem der sloep uitspreidde, en daarop mij ter rust -begaf.</p> - -<p>Tegen twee uren in den morgen hoorden wij een vreesselijk rumoer aan den -wal, en een van ons volk riep ons toe, om Gods wil aan wal te komen met -de sloep om hen te helpen, want dat zij allen waarschijnlijk vermoord -zouden worden; tevens hoorde ik hen al hun schietgeweer lossen, dat uit -vier of vijf snaphanen bestond, en dit tot driemaal toe, want het -scheen, dat de inboorlingen hier niet zoo bang voor schietgeweer waren, -als de Indianen, met welke ik te doen had gehad. Zonder te begrijpen wat -er gaande was, maar door het rumoer dadelijk opgewekt, liet ik de sloep -dadelijk naar land gaan, en besloot met drie geweren, die wij aan boord -hadden, aan land te gaan, om ons volk bij te staan. Wij bereikten -spoedig het strand, maar ons volk sprong te water, om er te spoediger in -te komen, daar zij door drie- of vierhonderd man vervolgd werden. De -onzen waren slechts negen in getal, en slechts vier of vijf hunner -hadden geweren; de overigen hadden wel pistolen en sabels, maar daarmede -konden zij weinig uitrigten.</p> - -<p>Wij namen zeven matrozen in de boot, en dit ging moeijelijk genoeg, daar -drie hunner zwaar gewond waren; en het ergste was, dat terwijl wij in de -boot stonden om ons volk er in te helpen, wij evenveel gevaar uitstonden -als zij op het strand gehad hadden, want zij beschoten ons zoo hevig met -hunne pijlen, dat wij genoodzaakt waren ons te verschansen met de -doften, en twee of drie losse planken, die bij toeval, of liever door 's -Hemels beschikking in de boot lagen. Ware het echter dag geweest, dan -zouden zij ons zeker allen gedood hebben, zoo zij slechts iets van ons -ligchaam hadden kunnen zien, zulke goede schutters zijn zij. Bij het -maanlicht zagen wij echter een glimp van hen, terwijl zij ons op het -strand spietsen en pijlen stonden toe te werpen, en na onze geweren -geladen te hebben, gaven wij hun de laag, en konden aan de kreten van -sommigen hooren, dat wij verscheidenen gewond hadden. Zij bleven echter -tot het aanbreken van den dag in slagorde op het strand geschaard, -waarschijnlijk om ons dan te wisser te treffen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_056.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Terwijl wij zoo lagen, wisten wij niet hoe wij ons anker ligten of ons -zeil bijzetten zouden, omdat wij dan in de boot moesten gaan staan, en -zij dan ons zoo zeker zouden treffen als wij een zittenden vogel met -hagel. Wij maakten noodseinen tegen het schip, dat eene mijl in zee lag, -doch mijn neef de kapitein hoorde ons vuur, en door zijne kijkers ziende -hoe wij lagen, begreep hij dadelijk wat er gaande was, en ten spoedigste -het anker ligtende, naderde hij den wal zoo nabij als hij durfde, en -zond ons eene andere sloep met tien man te hulp, maar wij riepen hun toe -niet te nabij te komen, en hoe de zaken stonden. Niet ver van ons bleven -zij liggen, en een van het volk zwom naar ons toe met het eind van eene -lijn in de hand, terwijl hij onze boot tusschen zich en den vijand -hield, zoo dat men hem van het strand niet goed zien kon, en maakte dit -aan ons vast, waarop wij ons ankertouw lieten glippen, en ons anker -achter lieten, terwijl zij ons buiten bereik hunner pijlen boegseerden, -en wij ons achter de opgeslagen verschansing verborgen hielden. Zoodra -wij niet meer tusschen het schip en den wal lagen, zonden wij hen van -boord eene volle laag met schroot en kogels toe, hetwelk eene -schrikkelijke verwoesting onder hen aanrigtte.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_057.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Toen wij aan boord teruggekeerd en buiten gevaar waren, konden wij naar -de oorzaak van deze onlusten onderzoek doen, waarop onze supercarga, die -hier meermalen geweest was, aandrong, want hij zeide, dat de inwoners -ons, na het aangaan van een wapenstilstand, nimmer eenig leed zouden -gedaan hebben, als wij hen niet door het een of ander daartoe getergd -hadden. Eindelijk kwam het uit, dat eene vrouw, die ons eenige melk was -komen verkoopen, een jong meisje had medegebragt, die eenige groenten -had gebragt, en terwijl de oude vrouw (of het hare moeder was wisten zij -niet) hare melk verkocht, had een van ons volk zich ruw gedragen jegens -het meisje, waarop de oude vrouw een groot misbaar maakte. De matroos -wilde echter zijne prooi niet laten varen, maar sleepte haar buiten het -gezigt der oude, onder de takken, daar het thans genoegzaam duister was. -De oude vrouw moest zonder haar vertrekken, en bragt, naar het scheen, -den stam, vanwaar zij gekomen was, in opschudding, die daarop binnen -drie of vier uren dit geheele leger tegen ons op de been bragt; en het -was groot wonder, dat wij niet allen omgebragt waren.</p> - -<p>Een van ons volk was bij het begin van den aanval door een werpspies -gedood, zoo als hij uit de tent, die wij gemaakt hadden, te voorschijn -kwam; de overigen bragten er het leven af, behalve de kerel, die het -geheele onheil veroorzaakt had, en zijn lust duur genoeg boette, want -wij hoorden niets van hem. Wij bleven, schoon de wind gunstig was, twee -geheele dagen liggen, en deden seinen voor hem, en lieten onze booten -het strand verscheidene mijlen ver op en neder zeilen, maar alles -vergeefs. Dus moesten wij het opgeven, en zoo hij er alleen voor geleden -had, ware het verlies zoo groot niet geweest.</p> - -<p>Ik had echter geen rust voor ik nogmaals aan den wal beproefd had iets -van zijn lot te vernemen. Den derden nacht na het gevecht verlangde ik -volstrekt te weten wat kwaad wij hen gedaan hadden, en hoe de zaken bij -de Indianen stonden. Ik zorgde het in den nacht te doen, ten einde wij -geen gevaar van een nieuwen aanval liepen, maar ik had mij ook moeten -verzekeren, dat ik volkomen gezag had over het volk, dat ik medenam, -alvorens ik mij op een togt waagde, die zoo gevaarlijk was, en zoo -heilloos afliep, als zonder mijn weten of wensch gebeurde.</p> - -<p>De supercarga en ik namen twintig van de moedigste matrozen mede, en wij -landden twee uren voor middernacht op dezelfde plaats, waar de Indianen -tijdens het gevecht gestaan hadden. Ik landde juist hier, omdat ik -hoofdzakelijk verlangde te zien of zij het veld geruimd en eenige -teekens hadden achtergelaten van het door ons gestichte onheil; en ik -hoopte, dat zoo wij soms een of twee hunner gevangen konden maken, wij -deze misschien voor onzen matroos zouden kunnen uitwisselen. Wij landden -in de diepste stilte, en verdeelden het volk in twee hoopen; de een -onder mijn bevel, de andere onder dat van den bootsman. Wij zagen noch -hoorden een spoor van eenig menschelijk wezen, dus trokken wij op -eenigen afstand van elkander tot naar de plaats van het gevecht. In den -beginne belette de duisternis ons iets te zien, maar verder op -struikelde de bootsman, die vooruit ging, een paar malen over een lijk. -Hierdoor wetende, dat dit de plek was waar de Indianen gestaan hadden, -hielden zij halt en wachtten mij af. Wij besloten te wachten tot de maan -opkwam, hetgeen binnen een uur zou geschieden, en toen zagen wij -duidelijk de door ons aangerigte vernieling. Wij telden tweeëndertig -lijken op het slagveld, waaronder twee die nog niet geheel dood waren. -Sommigen waren een arm, anderen een been, en een het hoofd geheel -afgeschoten. De gewonden schenen zij medegevoerd te hebben.</p> - -<p>Na alles ontdekt te hebben, wat ik begreep te kunnen ontdekken, wilde ik -naar boord keeren, maar de bootsman en zijn volk lieten mij zeggen, dat -zij besloten hadden het dorp op te zoeken, waar die schelmen, gelijk zij -hen noemden, woonden, en verzocht mij mede te gaan; want vonden zij al -hen niet, dan vonden zij toch zeker een rijken buit, en misschien wel -Tom Jeffries, zoo als de man heette dien wij verloren hadden.</p> - -<p>Hadden zij mij om verlof gevraagd, dan had ik hun dadelijk bevolen naar -boord te keeren, wetende, dat het ons niet betaamde dit gevaar te -loopen, aan wie een schip en zijne lading toevertrouwd waren, en die -eene reis te doen hadden, waartoe het leven van het volk van het hoogste -belang was; maar daar zij mij lieten weten dat zij gaan wilden, en mij -en mijn volk alleen verzochten mede te gaan, weigerde ik dit ronduit, en -stond op, want ik zat op den grond, om naar de boot te gaan. Een of twee -van mijn volk vielen mij lastig om hen mede te laten gaan, en toen ik -dit ook weigerde, begonnen zij te morren, zeiden, dat zij niet onder -mijn bevel stonden, en dat zij toch zouden gaan. "Ik ten minsten ga," -zeide een hunner, "kom Jack, gaat gij mede?"—Jack zeide ja, en toen -volgde een ander en toen nog een, en om kort te gaan, allen verlieten -mij op een na, dien ik, en dat nog met veel moeite, overreedde te -blijven, waarop ik met hem en den supercarga naar de sloep ging, waar ik -de anderen gezegd had, dat ik op hen wachten zou, en trachten zou -zooveel van hen in te nemen als heelhuids terug kwamen; want ik hield -hen voor dat zij eene dwaasheid begingen, en naar het scheen hetzelfde -lot als Tom Jeffries wilden ondergaan.</p> - -<p>Als echte matrozen zeiden zij, dat alles zeker goed afloopen zou, dat -zij daarvoor instonden, dat zij zeer voorzigtig zouden zijn, enz., en -daarmede gingen zij heen. Ik smeekte hen om het schip en de reis te -denken, en dat deze eenigermate aan hen toevertrouwd was; dat zoo hun -een ongeluk overkwam, het schip uit gebrek aan volk kon verongelukken, -en dat zij dit voor God noch menschen konden verantwoorden. Ik voegde er -nog veel bij, maar had even goed tegen den grooten mast kunnen spreken; -zij waren als verzot op den togt, doch gaven mij goede woorden, -beloofden dat zij uiterst voorzigtig en zeker binnen een uur terug -zouden zijn, want het dorp lag volgens hun zeggen, geen half uur -vandaar; schoon zij later ondervonden, dat het twee mijlen ver was. Zij -vertrokken dan op deze dolzinnige onderneming, en om hun regt te laten -wedervaren, even voorzigtig als moedig. Zij waren zekerlijk goed -gewapend, ieder had een geweer, een bajonet en een pistool; sommigen -hadden sabels en anderen enterbijlen, en bovendien hadden zij twaalf of -dertien handgranaten. Nimmer gingen moediger kerels op slechter -onderneming uit. Hun hoofddoel was plunderen, en zij hoopten er veel -goud te vinden; doch een onvoorzien toeval maakte hunne wraakzucht -gaande, en hen tot baarlijke duivels.</p> - -<p>Aan de plaats gekomen, waar zij het dorp dachten te vinden, en die geen -half uur ver was, zagen zij zich teleurgesteld door slechts eenige -weinige hutten te vinden, en nu wisten zij niet waar en hoe groot het -dorp was. Zij beraadslaagden eenigen tijd of zij dit gehucht zouden -overrompelen. In dat geval moesten zij al de inwoners van kant maken, en -het was tien tegen een dat er een ontsnapte, die hun weldra uit het -naaste dorp een geheel leger op den hals kon zenden. Zoo zij aan den -anderen kant verder gingen, en de Indianen hier lieten slapen, wisten -zij niet hoe het dorp te vinden. Eindelijk besloten zij er toch toe en -gingen wat verder, tot zij eene koe aan een boom gebonden vonden. Deze -besloten zij hun tot gids te laten dienen, want, zeiden zij, de koe -behoort in het dorp voor ons of achter ons te huis; als wij haar los -maken en zij gaat terug, laten wij haar gaan, maar gaat zij verder dan -volgen wij haar. Zij sneden dus de koord van gevlochten takken los, en -de koe ging voorwaarts, en bragten hen zoo regt naar het dorp, dat -volgens hen uit tweehonderd huizen of hutten bestond, in sommige waarvan -verscheidene huisgezinnen woonden.</p> - -<p>Alles was daar even gerust in slaap, en zij hielden op nieuw krijgsraad, -en besloten eindelijk zich in drie hoopen te verdeelen, en drie huizen, -op drie verschillende plaatsen in brand te steken, en als het volk naar -buiten kwam, hen te grijpen en te binden, en zoo zij zich verweerden -wist ieder wat hem te doen stond; en dan zouden zij de overige huizen -plunderen. Zij besloten echter eerst in stilte het dorp door te trekken, -om te zien hoe groot het was, en of zij ook beter zouden doen met af te -trekken. Dit deden zij, en besloten daarop tot den aanval; maar terwijl -zij nog bijeen stonden, waren drie wat vooruitgetrokken en riepen thans, -dat zij Thomas Jeffries gevonden hadden. Zij liepen allen derwaarts en -het was ook zoo, want zij vonden den rampzalige naakt uitgeschud, met -afgesneden hals, aan een arm hangende. Digt daarbij was een hut, waarin -zestien of zeventien Indianen zaten, waaronder twee of drie, die door -onze kogels getroffen waren geworden, en zij hoorden deze tot elkander -spreken.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crus02_058.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het gezigt van hunnen ongelukkigen, mishandelden makker, maakte hen zoo -verwoed, dat zij zwoeren hem te zullen wreken, en geen Indiaan, die in -hunne handen viel, kwartier te geven. Zij gingen echter niet zoo -onbesuisd te werk als men van hunne razende woede zou verwacht hebben. -Eerst zochten zij een en ander bijeen, dat spoedig vuur vatten kon, maar -zij vonden dat dit niet noodig was, daar de meeste huizen zeer laag en -met biezen en dorre takken bedekt waren, derhalve maakten zij van eenig -vochtig kruid een loop, en binnen een kwartier uurs stond het dorp op -vier of vijf plaatsen in brand, vooral het huis waar de Indianen hadden -zitten praten. Zoodra de vlammen uitsloegen, wilden de verschrikte -wilden naar buiten vlugten, maar vonden den dood aan den ingang, waar -de bootsman zelf twee hunner met zijne bijl velde. Daar het huis groot -en er veel volk in was, wilde hij er niet ingaan, maar wierp er een -handgranaat in, die bij de uitbarsting bijkans allen doodde die daar -binnen waren, behalve twee of drie, die aan de deur gekomen met de -bajonet afgemaakt werden. Er was een ander vertrek daar, waarin hun -koning of vorst zich met verscheidene anderen bevond, en deze hielden -zij met geweld binnen, tot dat het brandende dak instortte, en zij in de -vlammen omkwamen.</p> - -<p>Zij hadden middelerwijl nog geen schot gedaan, omdat zij het volk niet -spoediger wilden wakker maken, dan zij hen konden vermeesteren, maar de -snel voortgaande vlam deed hen spoedig genoeg ontwaken, en was zoo -hevig, dat zij naauwelijks op den grond konden loopen, echter waren zij -genoodzaakt den loop des vuurs te volgen. Zoodra dus de vlammen de -bewoners uit hunne huizen dreven, stonden de onzen gereed om hen af te -maken, terwijl zij elkander aanhoudend toeriepen: "Denk om Tom -Jeffries!"</p> - -<p>Ik was, terwijl dit gebeurde, in de grootste ongerustheid, en vooral -toen ik de vlammen zag opstijgen; die in de duisternis vlak bij ons -schenen te zijn. Mijn neef de kapitein, dien men bij het zien der -vlammen gewekt had, was ook niet weinig ongerust, daar hij niet wist hoe -de zaken stonden of in welk gevaar ik mij bevond, vooral toen hij ook -hoorde schieten, want zij begonnen nu ook hunne geweren te gebruiken. -Hij stond duizend angsten uit, wat er van mij en den supercarga geworden -was. Eindelijk, niet wetende in wat nood wij waren, liet hij, schoon hij -al zijn volk hoog noodig had, dertien man in eene andere sloep gaan, en -ging zelf met hen naar den wal.</p> - -<p>Hij zag vreemd op, toen hij mij met den supercarga en slechts twee -matrozen in de boot vond, maar verlangde even hard als ik te weten wat -er omging, want het getier hield aan en de vlammen werden steeds -heviger. In zulk een geval is het bijkans onmogelijk het verlangen te -wederstaan, om te weten wat er gebeurt en zijn volk te hulp te komen, en -de kapitein zeide mij, dat hij, het kostte wat het wilde, zijn volk -bijstand wilde bieden. Ik hield hem, even als vroeger het volk, het -behoud van het schip, het gevaar dat hij liep en het belang der reeders, -voor; en zeide, dat ik met de twee mannen op verkenning wilde uitgaan en -hem berigt brengen. Maar ik had even goed spreken tegen mijn neef als -vroeger tegen het volk. Hij wilde gaan, zeide hij, en hij wenschte dat -hij slechts tien man aan boord gelaten had; want hij wilde zijn volk -niet uit gebrek aan hulp laten omkomen; liever, zeide hij, het schip, de -reis en zijn eigen leven er bij in te schieten, en daarmede vertrok hij.</p> - -<p>Gelijk ik hen niet had kunnen overreden om niet te gaan, zoo kon ik mij -zelven thans evenmin bedwingen om mede te gaan. De kapitein gelastte dus -twee man met de pinnas terug te roeijen, en nog twaalf man van boord te -halen, terwijl de groote boot voor anker bleef liggen, en dat als zij -terug kwamen zes man op de booten zouden passen en zes ons volgen, -zoodat hij slechts zestien man op het schip liet, want de geheele -equipaadje bestond uit zesenvijftig man, waarvan twee bij den eersten -twist, die al het onheil te weeg bragt, gesneuveld waren.</p> - -<p>Eens op weg dachten wij er weinig aan een pad te zoeken, maar gingen -regt op de vlammen aan. Had eerst het schieten ons verontrust, thans -waren de jammerkreten van het arme volk van een geheel anderen aard, en -deden ons bloed verstijven van ijzing. Ik had zeker nimmer het -stormenderhand innemen en verbranden van eene stad bijgewoond, maar ik -had van Cromwell's wreedheden in Ierland en van Tilly's plundering van -Maagdenburg gehoord, maar nimmer vroeger van die zaken eenig besef -gehad; ook is het niet mogelijk die te beschrijven of de ontzetting, die -het hooren daarvan ons aanjaagt.</p> - -<p>Wij gingen echter verder en kwamen eindelijk aan het dorp, schoon de -vlammen ons beletten er binnen te gaan. Het eerst wat wij zagen was eene -hut in puin of liever in de asch, want het vuur had haar geheel -verteerd, en daar voor lagen de lijken van vier mannen en drie vrouwen, -en wij meenden nog een of twee in het vuur te zien. Kortom wij troffen -zoo veel blijken aan van onmenschelijke woede en wraakzucht, dat wij het -onmogelijk hielden, dat ons volk die allen had kunnen bedrijven; of -anders hadden allen naar ons gevoelen den gruwelijksten dood verdiend. -Doch dit was niet alles; voor ons uit vermeerderden de vlammen en tevens -de kreten, zoodat wij volstrekt niet begrepen wat er gaande was. Een -weinig verder gekomen zagen wij tot onze verbazing drie naakte gillende -vrouwen ons als razenden voorbij vlugten, gevolgd door zestien of -zeventien inboorlingen, met drie van onze Engelsche moordenaars achter -hen, die, daar zij hen niet konden inhalen, op hen vuurden, en een voor -onze oogen doodschoten. Toen de anderen ons zagen hielden zij ons ook -voor vijanden, van wie hun een gelijk lot te wachten stond als van de -anderen, en zij begonnen allerakeligst te gillen, vooral de vrouwen, en -twee hunner vielen neder als of zij reeds werkelijk dood waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 680px;"> -<img src="images/crus02_059.jpg" width="680" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Mijn bloed verstijfde toen ik dit zag, en ik geloof dat, zoo de drie -Engelsche matrozen, die hen vervolgden, bij ons gekomen waren, ik mijn -volk op hen zou hebben laten vuren. Wij gaven echter de arme -vlugtelingen te kennen, dat wij hun geen kwaad wilden doen, en dadelijk -kwamen zij naar ons toe, knielden met opgeheven handen, en hieven een -droevig gejammer om bescherming aan, die wij hun door gebaren beloofden, -waarop zij zich digt achter ons voegden. Ik liet mijn volk in orde -oprukken en gelastte hun niemand kwaad te doen, maar zoo mogelijk -eenigen van ons volk te bereiken, en te zien van welken duivel zij -bezeten waren, wat zij wilden, en hun te gelasten het moorden te staken -en te verzekeren, dat zij met het aanbreken van den dag honderdduizend -wilden om hen heen zouden hebben, en ik begaf mij met een paar lieden -onder de vlugtelingen, waar ik een jammerlijk schouwspel ontwaarde. -Sommigen hadden zich, bij het redden uit de vlammen, vreesselijk -gebrand, anderen waren bovendien door de onzen gekwetst, en een man, die -een kogel door het lijf had ontvangen, stierf terwijl ik er bij stond.</p> - -<p>Ik had gaarne de aanleidende oorzaak van dit alles willen vernemen, maar -kon van hunne woorden niets begrijpen, schoon ik uit hunne teekens -opmaakte, dat zij er zelf niets van wisten. Ik was zoo verbitterd over -dezen onmenschelijken aanval, dat ik het hier niet langer uithouden -kon, maar naar mijn volk terug ging. Ik zeide hun mijn voornemen en -gelastte hun mij te volgen, toen op dat oogenblik vier onzer matrozen -onder aanvoering van de bootsman kwamen aanloopen, over hoopen van door -hen vermoorde wilden, geheel met bloed en stof bedekt, alsof zij naar -nog meer moorden verlangden. Ons volk riep hen toe zoo luid zij konden, -en deden zich eindelijk met veel moeite hooren, zoodat zij ons herkenden -en naar ons toekwamen.</p> - -<p>Zoodra de bootsman ons zag riep hij hoezee, omdat hij dacht hulpbenden -te zien, en zonder te wachten dat ik iets zeide, riep hij: "Kapitein, ik -ben blijde dat gij gekomen zijt, wij hebben nog niet half gedaan. Die -honden, die helsche schurken! Ik zal er zoo veel doodslaan als de arme -Tomas haren op het hoofd had. Wij hebben gezworen geen hunner te sparen, -wij willen hunne geheele natie van den aardbodem verdelgen!" en zoo ging -hij voort, hijgende van drift, zonder dat ik er een woord tusschen kon -voegen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_060.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Eindelijk verhief ik mijne stem om hem te overschreeuwen. "Barbaarsche -schelm, wat doet gij?" zeide ik. "Ik verbied u, op doodstraffe, nog een -van het leven te berooven. Blijf hier en houd uwe handen voor u, als gij -uw leven lief hebt, dat gelast ik u, of gij zijt zelf in twee minuten -een lijk."</p> - -<p>"Wel mijnheer," zeide hij, "weet gij wel wat gij doet of wat zij gedaan -hebben. Wilt gij de reden weten van onze handelingen, kom hier," en -daarmede bragt hij mij bij den armen kerel, die met afgesneden strot aan -een boom hing.</p> - -<p>Ik moet bekennen, dat ik toen zelf warm genoeg werd en op een anderen -tijd misschien de voorste onder hen zou geweest zijn; maar ik begreep -dat zij hunne wraak te ver hadden getrokken, en dacht aan de woorden van -Jacob tot zijne zonen Simeon en Levi: "vervloekt zij hunnen toorn, want -hij is heftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard!" Maar mijne -taak vermeerderde thans, want toen het volk, dat ik medegebragt had, -even als ik dit schouwspel zag, had ik om hen terug te houden even veel -moeite als aan de anderen, ja mijn neef zelf trok hunne partij, en zeide -mij, zoodat zij het hooren konden, dat hij alleen bang was dat zij eene -groote overmagt zouden vinden; maar dat de wilden allen den dood -verdiend hadden, om het vermoorden van den armen man, en dat zij als -moordenaars behoorden behandeld te worden. Dit hoorende, liepen acht van -mijn volk den bootsman na om hem in zijn bloedig werk te helpen, en daar -ik zag, dat ik volstrekt buiten staat was hen tegen te houden, ging ik -bitter bedroefd heen, want ik kon het gezigt, laat staan het jammerlijk -gegil en geschreeuw der ongelukkigen, die in hunne handen vielen, niet -uitstaan.</p> - -<p>Ik kon niemand mede krijgen dan den supercargo en twee matrozen, en met -deze keerde ik naar de booten terug. Het was, dat beken ik, zeer dwaas -van mij, mij zoo alleen terug te wagen, want daar het nu reeds bijkans -dag begon te worden, en de geheele omstreek in rep en roer scheen -gebragt, stonden er bij het gehucht, waarvan ik vroeger sprak, ongeveer -veertig man met lansen en bogen gewapend; maar toevallig liep ik hen -mis, en kwam aan het strand toen het reeds klaar dag was. Dadelijk ging -ik met de pinnas aan boord, en zond haar daarop terug voor het volk. -Toen ik de boot bereikte, waren de vlammen bijkans uit, en het geraas -was veel verminderd, maar geen halfuur was ik aan boord, of ik hoorde -een geregeld geweervuur, en zag een grooten rook opgaan. Later vernam -ik, dat ons volk toen die veertig man, die, gelijk ik zeide, bij dat -gehucht stonden, hadden aangevallen, en er zestien of zeventien van -gedood, waarna zij de hutten in brand staken, doch de vrouwen en -kinderen lieten zij hier ongemoeid.</p> - -<p>Toen de pinnas weder aan het strand kwam, begon ons volk te voorschijn -te komen, niet in twee afdeelingen, en in geregelde orde, gelijk zij -opgetrokken waren, maar bij kleine troepjes, die hier en daar -rondzwierven, zoodat eenige weinige moedige mannen hen gemakkelijk -hadden kunnen in de pan hakken. Maar de vrees voor hen was door de -geheele omstreek verspreid; en honderd wilden zouden geloof ik voor vijf -matrozen gevlugt zijn. Bij deze geheele slagting had zich niemand -ernstig verdedigd; zij waren zoo verrast door den schrik van de vlammen -en de overrompeling der onzen in den nacht, dat zij niet wisten waar zij -zich heen wenden zouden; want overal liepen zij den dood in den mond. -Geen der matrozen had ook eenig letsel, behalve een, die zijn voet -verstuikt had en een wiens handen zwaar gebrand waren.</p> - -<p>Ik was zeer boos op mijn neef den kapitein, zoo wel als op al het volk, -maar op hem in het bijzonder, zoo wel omdat hij zijn pligt als -gezagvoerder van een schip vergeten, en het gelukken der geheele reis in -de waagschaal gesteld had, als omdat hij de woede van zijn volk in hunne -onmenschelijke wraak eer aangevuurd dan gestild had. Hij zeide mij, -ofschoon zeer eerbiedig, dat toen hij het lijk van den matroos zag, dien -zij zoo wreedaardig vermoord hadden, hij zijne drift niet had kunnen -bedwingen. Hij erkende, dat hij als gezagvoerder van een schip verkeerd -gehandeld had, maar dat hij een mensch was, en bij dit gezigt geen -meester van zichzelven had kunnen blijven. Over het overige volk had ik -niets te zeggen, gelijk zij zeer goed wisten, en zij stoorden zich dus -aan mijn misnoegen in het geheel niet, en op den dag gingen wij onder -zeil.</p> - -<p>Onze matrozen verschilden van meening omtrent het getal der gedooden, -doch naar de beste berekening waren er wel honderdvijftig mannen, -vrouwen en kinderen gevallen, en was er in het dorp geen hut -overgebleven. Daar de arme Tom Jeffries dood was, zou het weinig gebaat -hebben hem mede te voeren, dus lieten zij hem waar zij hem vonden, -alleen namen zij hem van den boom af waaraan hij hing.</p> - -<p>Hoe regtvaardig ons volk ook meende gehandeld te hebben, ik was van een -ander gevoelen, en zeide hun telkens, dat zij op hunne reis niet op Gods -zegen konden hopen; want ik beschouwde hunne daden als zoo vele moorden. -Het was wel waar, dat zij Tomas Jeffries vermoord hadden, maar het was -ook waar dat Jeffries de aanvaller was geweest, dat hij den -wapenstilstand verbroken en een jong meisje, dat in het vertrouwen -daarop in ons kamp kwam, geweld had aangedaan. De bootsman sprak dit -tegen toen wij later aan boord waren. Het was wel schijnbaar dat wij den -wapenstilstand gebroken hadden, maar eigenlijk hadden de inboorlingen -dit zelf gedaan, door een van ons volk te dooden, zoodat, daar wij regt -hadden hen te bevechten, wij evenzeer regt hadden ons zelven regt te -verschaffen; en ofschoon de arme man wat ruw tegen een meisje was -geweest, had men hem daarvoor zoo schandelijk niet mogen vermoorden; en -zij hadden niets gedaan dan hetgeen regtmatig was, en hetgeen volgens -goddelijke wetten hun tegen moordenaars vrij stond.</p> - -<p>Men zou denken, dat dit ons had moeten waarschuwen van niet weder onder -heidenen en barbaren aan wal te gaan, maar de menschen willen niet -anders dan door hunne schade leeren; en hoe duurder de ondervinding hun -te staan komt, des te meer indruk schijnt zij op hen te maken.</p> - -<p>Onze bestemming was thans naar de Perzische golf, en vandaar naar de -kust van Coromandel, terwijl wij Suratte zouden aandoen; maar -hoofdzakelijk was onze supercargo naar de baai van Bengalen voornemens, -en als hij op de uitreis niet slaagde naar zijn genoegen, zou hij naar -China stevenen, op de thuisreis daar weder de kust aandoen.</p> - -<p>Ons eerste ongeval trof ons in de Perzische golf, waar vijf man, die het -aan de Arabische zijde waagden landwaarts in te gaan, door de Arabieren -afgesneden en gedood of in slavernij gevoerd werden; het overige -bootsvolk kon hen niet ontzetten, maar had naauwelijks tijd het met de -sloep te ontkomen. Ik bragt hen onder het oog, dat dit eene verdiende -straf des Hemels was; maar de bootsman zeide mij driftig, dat ik verder -ging, dan waartoe de Heilige Schrift mij regt gaf, en verwees mij op het -gezegde des Heilands, dat de mannen, op wie de toren van Silo viel, geen -zondaars waren geweest boven de anderen. Hetgeen mij echter hier den -mond stopte was dat van de vijf man, die wij hier verloren, geen bij den -moord van Madagascar was geweest, gelijk ik het altijd noemde, schoon -het volk dit kwalijk verduwen kon.</p> - -<p>Mijne gedurige berispingen hierover hadden echter rampzaliger gevolgen -dan ik vermoed had, en de bootsman, die hen destijds aangevoerd had, -kwam eens bij mij en zeide dat ik die zaak gestadig op het tapijt bragt, -en al het volk en hem in het bijzonder er ten sterkste over gelaakt had, -hetgeen zij, daar ik slechts een passagier was, die niets op het schip -te bevelen had en wien de reis niets aanging, van mij niet langer -verdragen wilden; dat zij vreesden, dat ik eenig kwaad opzet brouwde, en -hen misschien bij onze terugkomst in Engeland zou aanklagen; en dat, zoo -ik er niet mede ophield, en mij nog verder met hem of wat hij gedaan had -bemoeide, hij het schip zoude verlaten, want hij achtte het dan niet -veilig als ik met hen aan boord bleef.</p> - -<p>Ik hoorde hem vrij geduldig aan, tot hij gedaan had, en zeide toen, dat -ik zeker altijd den moord van Madagascar, gelijk ik dien altijd noemen -zou, veroordeelde, en dat ik dit bij alle gelegenheden ronduit had te -kennen gegeven, schoon niet meer tegen hem dan tegen een ander. Het was -waar, dat ik op het schip niets te bevelen had, maar ik matigde mij ook -niets geen gezag aan, maar nam alleen de vrijheid om over zaken, die ons -allen betroffen, ronduit te zeggen wat ik dacht; dat, welk belang ik bij -de reis had, hem volstrekt niet aanging, dat ik een der reeders van het -schip was, en als zoodanig begreep het regt te hebben van te spreken, en -meer te zeggen nog dan ik gedaan had, en noch hem, noch iemand daarvan -eenige verantwoording schuldig was; en ik begon hierop warm te worden. -Hij antwoordde weinig of niets, en ik dacht dat de zaak hiermede -afgeloopen was. Wij waren toen op de reede van Bengalen, en daar ik de -plaats gaarne wilde zien, ging ik met den supercargo met de sloep aan -wal. Tegen den avond wilde ik weder naar boord gaan, toen een van het -volk naar mij toekwam, en mij zeide, dat ik mij geene moeite moest geven -om naar het strand te gaan, want dat zij orders hadden mij niet naar -boord te brengen. Op deze onbeschaamde boodschap stond ik niet weinig -verbaasd, en vroeg den man wie hem daarmede belast had. Hij zeide de -bootsman. Ik maakte hierop geene aanmerkingen, maar gelastte hem te -zeggen, dat hij mij zijne boodschap gedaan en ik er niet op geantwoord -had.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_061.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik zocht dadelijk den supercargo op, en zeide hem wat er gebeurd was en -wat ik er van dacht, namelijk, dat er zeker muiterij aan boord zou -komen, en verzocht hem dadelijk in eene inlandsche boot naar boord te -gaan, en er den kapitein van te verwittigen. Ik had die moeite kunnen -sparen, want voor ik hem gesproken had, was het aan boord reeds -geschied. De bootsman, de konstapel, de timmerman, en in een woord al de -onderofficiers, waren, zoodra ik vertrokken was, naar achteren gekomen -en hadden verzocht den kapitein te spreken, en daarop had de bootsman -eene lange aanspraak gedaan (want de man was zeer goed ter taal) en na -eerst alles herhaald te hebben wat hij mij gezegd had, zeide hij den -kapitein, dat daar ik nu vreedzaam aan wal was gegaan, zij geen geweld -jegens mij gebruiken wilden, hetwelk zij anders zouden hebben moeten -doen om mij van boord te krijgen. Zij achtten zich dus genoodzaakt te -verklaren, dat zij, die scheep gegaan waren onder zijn bevel, zich -getrouw van hunnen pligt zouden kwijten; maar dat, als ik niet van boord -wilde gaan, noch de kapitein er mij toe dwingen, zij allen het schip -zouden verlaten en niet verder met hem zeilen. Op het woord <i>allen</i> -keerde hij zich om, hetwelk, naar het schijnt, een vooraf beraamd sein -was, waarop al de matrozen, die bijeen stonden, riepen: "Ja, allen; -allen, iedereen!"</p> - -<p>Mijn neef de kapitein bezat zoo wel moed als tegenwoordigheid van geest, -en schoon het voorgevallene hem zeer trof, zeide hij zeer bedaard dat -hij er over denken zou, maar dat hij niets kon doen zonder mij eerst -gesproken te hebben. Hij trachtte hun daarop het onbillijke en -onregtvaardige van hunnen eisch onder het oog te brengen, maar niets -baatte. Zij zwoeren en gaven elkander in zijn bijzijn er de hand op, -dat, zoo hij hun zijn woord niet gaf, zij mij niet zouden toelaten weder -aan boord te komen.</p> - -<p>Dit was eene harde voorwaarde voor iemand, die zoo veel aan mij te -danken had, en niet wist hoe ik het op zou nemen; dus sprak hij hun -ernstig toe, zeide, dat ik de voornaamste reeder van het schip was, en -dat men mij niet kon beletten bij mijn eigendom te blijven; dat dit -bijkans even zoo gehandeld zou zijn als die zeeroover deed, die den -kapitein op een woest eiland zette en met het schip doorging; dat dit -hen bitter zou opbreken als zij ooit weder in Engeland kwamen, dat het -schip mij toebehoorde en hij er mij niet kon afjagen, en dat hij liever -het schip en de reis in de steek zou laten, dan mij zoo slecht te -behandelen. Echter wilde hij aan den wal gaan en er met mij over -spreken, en hij noodigde den bootsman met hem mede te gaan, ten einde te -zien de zaak te schikken.</p> - -<p>Zij weigerden dit echter eenstemmig en zeiden, dat zij niets meer met -mij te doen wilden hebben, noch aan boord, noch aan den wal, en dat, als -ik op het schip kwam, zij allen het zouden verlaten. "Nu," zeide de -kapitein, "als dat uw voornemen is, zal ik aan den wal gaan en er met -hem over spreken." Kort nadat de bootsman mij het berigt had gebragt, -kwam hij dan ook bij mij.</p> - -<p>Ik was zeer verheugd mijn neef te zien, want ik was bang dat zij hem met -geweld zouden aan boord houden, zeil bijzetten en met het schip -vertrekken, en dan had ik naakt en bloot in een vreemd land moeten -achterblijven. In dat geval ware ik er erger aan toe geweest, dan toen -ik alleen op het eiland was.</p> - -<p>Gelukkig waren zij zoo ver niet gegaan, en toen mijn neef mij verhaalde -wat zij hem gezegd en hoe zij gezworen hadden, tot den laatsten man het -schip te zullen verlaten als ik aan boord kwam, zeide ik, dat hij zich -om mij niet bekommeren moest, want dat ik aan den wal zou blijven. Ik -verzocht hem alleen, dat hij zorgen zou mij al wat ik noodig had aan den -wal te zenden, en mij genoeg geld te laten, en dat ik dan, zoo goed ik -kon, zou zien hoe ik naar Engeland kwam. Dit was mijn neef niet zeer -aangenaam, maar er was niet anders te doen; hij ging dus aan boord en -zeide het volk, dat zijn oom aan hun onbescheiden verlangen had -toegegeven en zijne goederen van boord liet halen. Hiermede was de zaak -afgeloopen, het volk keerde tot zijnen pligt terug, en ik begon te -overwegen welken weg ik thans moest inslaan.</p> - -<p>Ik was nu alleen aan het einde der wereld, gelijk ik wel zeggen mag, -want ik was ter zee drieduizend mijlen verder van Engeland dan toen ik -op mijn eiland was; het is waar, ik kon van hier te land reizen, door -het land van den grooten Mogol naar Suratte, vandaar naar Bassora te -water, de Perzische golf op, en zoo den reisweg der karavanen op, door -de Arabische woestijn naar Aleppo, en vandaar naar Italië en zoo over -land naar Frankrijk, en dit zou te zamen gerekend, zeker meer dan de -helft van den diameter des aardbols bedragen.</p> - -<p>Een ander middel was er nog, namelijk te wachten op Engelsche schepen, -die van Sumatra naar Bengalen kwamen, en daarmede naar Engeland terug te -gaan. Maar ik was hier gekomen zonder eenige betrekking tot de -Oost-Indische compagnie, zoodat het moeijelijk zijn zou zonder haar -verlof te vertrekken, tenzij door bijzondere gunst van de kapiteins of -kooplieden van de compagnie, en bij dezen was ik geheel onbekend.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crus02_062.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Thans had ik het hartzeer het schip te zien vertrekken zonder mij; eene -behandeling, die iemand, geloof ik, nimmer wedervaren is, dan van -zeeroovers, die het schip afliepen, en hen, die niet wilden mededoen, -hier of daar op de kust zetten. Mijn geval verschilde hiervan niet veel. -Echter liet mijn neef mij twee bedienden, of liever lotgenooten, achter, -de een was de onderschrijver, dien hij overreed had, om bij mij te -blijven, en de andere was zijn eigen knecht. Ik nam mijnen intrek in het -huis van eene Engelsche vrouw, waar verscheidene kooplieden logeerden, -doch slechts een Engelschman. Hier had ik het zeer goed, en ten einde -niets overijld te doen, bleef ik hier negen maanden, alvorens ik tot een -besluit kwam, wat ik doen en hoe ik verder trekken zou. Ik had eenige -Engelsche goederen van groote waarde en vrij wat geld bij mij, daar mijn -neef mij duizend stukken van achten en een kredietbrief voor meer -achtergelaten had, ten einde ik in geen geval geldgebrek zou hebben.</p> - -<p>Ik ontdeed mij spoedig en zeer voordeelig van al mijne goederen, en -gelijk ik altijd voornemens was geweest, kocht ik er eenige fraaije -diamanten voor, dat in mijne omstandigheden het best was, omdat ik dan -altijd mijne bezittingen kon medevoeren.</p> - -<p>Na lang hier gebleven te zijn, zonder dat het mij gelukte, eene -gelegenheid naar Engeland te vinden, die mij aanstond, kwam op eenen -morgen de Engelsche koopman bij mij, die in hetzelfde huis logeerde, en -met wien ik bevriend was geraakt. "Landsman!" zeide hij, "ik heb u eenen -voorslag te doen, welke ik vertrouw, dat u even goed zal aanstaan, als -hij mij doet, nadat gij er goed over nagedacht zult hebben. Hier zijn -wij geposteerd, gij bij toeval en ik uit eigene verkiezing, in een deel -der wereld, dat zeer ver van ons vaderland verwijderd is, maar waar door -ons, die verstand van zaken hebben, vrij wat geld te verdienen is. Als -gij duizend pond wilt toeleggen, even als ik, zullen wij het eerste het -beste schip huren, dat wij krijgen kunnen; gij zult kapitein en ik -koopman zijn, en wij zullen een reisje naar China doen. Waarom zouden -wij stilzitten? De wereld en alle schepselen Gods, die er op zijn, de -hemelligchamen zelfs, zijn allen vol beweging en leven. Waarom zouden -wij alleen werkeloos zijn? Er zijn op Gods aardbodem geene andere -luiaards dan menschen. Waarom zouden wij ons daaronder scharen?"</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crus02_063.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Deze voorslag smaakte mij zeer, vooral omdat hij op eene zoo goedhartige -en minzame wijze gedaan werd. Ik zal niet zeggen, dat mijne -omstandigheden mij te geschikter voor eenen handelstogt maakten, want de -koophandel was eigenlijk mijn element niet. Maar was deze mijn element -niet, het zwerven wel, en dus moest iedere voorslag, om eenig deel der -wereld te zien, dat mij nog onbekend was, mij smaken. Het duurde echter -eenigen tijd, voordat wij een schip naar ons genoegen konden vinden, en -toen wij dit hadden, was het niet gemakkelijk, om zooveel Engelsche -matrozen te verkrijgen, als noodig waren, om de reis te kunnen doen en -de overige matrozen, die wij hier en daar opraapten, in bedwang te -houden. Na eene poos kregen wij een stuurman, een bootsman en een -konstapel, alle drie Engelschen; een Hollandsche timmerman en drie -Portugezen voor eerste matrozen; met deze meenden wij het wel te kunnen -doen, daar wij overigens Hindoes namen, om de verdere bemanning uit te -maken.</p> - -<p>Zooveel reizigers hebben hunne togten en lotgevallen beschreven, dat het -weinigen smaken zou, hier een breed verhaal van de plaatsen, die wij -bezochten, en derzelver bewoners te ontvangen. Ik laat het aan anderen -over, naar wier werken ik mijne lezers verwijs. Alleen zal ik zeggen, -dat wij eerst Achim op het eiland Sumatra aandeden, en vandaar naar Siam -gingen, waar wij eenige onzer goederen voor opium en arak verruilden; -daar het eerste bij de Chinezen zeer duur betaald wordt en toen juist -zeer schaars was. Om kort te gaan, wij gingen naar Susam, deden eene -zeer groote reis, bleven acht maanden uit, en keerden naar Bengalen -terug, zeer tevreden over onze reis. In Engeland verwondert men zich -dikwijls, hoe de beambten en kooplieden der Oost-Indische compagnie, in -zoo goeden doen geraken en dikwijls met zeventig, ja honderdduizend pond -Sterl. huiswaarts keeren. Maar dit is gemakkelijk te begrijpen, als men -nagaat, dat op al die plaatsen en markten, waar Engelsche schepen komen, -gestadig vraag is naar de voortbrengselen van andere landen, zoowel als -retourgoederen voor de tehuisreis.</p> - -<p>Wij hadden gelijk ik zeide, eene voordeelige reis, en door onze eerste -onderneming zooveel geld gewonnen, en ik zooveel inzigt in de wijze van -handel drijven, dat, ware ik twintig jaren jonger geweest, ik in -verzoeking zou gekomen zijn, om daar te blijven en mijne fortuin te -maken. Maar waartoe zou dit dienen bij iemand, die boven de zestig jaren -oud was, geld genoeg bezat, en meer reisde uit eene onbedwingbare zucht -om de wereld te zien, dan uit hebzucht, en waarlijk ik mag die zucht wel -onbedwingbaar noemen, want te huis verlangde ik op reis te zijn, en in -een vreemd land verlangde ik naar huis. Ik herhaal het, wat baatte mij -de winst? Ik was rijk genoeg, en verlangde niet naar schatten; derhalve -was het voordeelige van de reis voor mij geene drangreden, om mij tot -verdere ondernemingen aan te zetten, en ik achtte zelfs deze reis als -zonder gewin voor mij, omdat ik tot de plaats, vanwaar ik vertrokken -was, was teruggekeerd, alsof daar mijn vaderland was, terwijl mijn oog, -dat, gelijk dat waarvan Salomo spreekt, onverzadigbaar was van zien, -maar altijd verlangde om meer te zwerven en te zien. Ik was in een deel -der wereld gekomen, waar ik vroeger nimmer geweest was, en van hetwelk -ik vooral veel gehoord had, en had besloten, er van te zien zooveel als -ik kon, dan meende ik, had ik al het bezienswaardige in de wereld -gezien.</p> - -<p>Mijn compagnon bezag de zaken uit een ander oogpunt. Ik zeg dit niet, om -het mijne te verdedigen, want het zijne was het beste en het meest voor -eenen koopman geschikt, die, als hij op avontuur uitgaat, verstandig -handelt als hij zich houdt aan hetgeen waarschijnlijk hem het meeste -voordeel zal geven. Mijn nieuwe vriend hield zich aan het wezen van de -zaak, en zou even als een paard in eenen molen, altijd denzelfden kring -hebben willen rondloopen, mits hij er zijne rekening bij vond; aan den -anderen kant was mijne denkwijze, hoe oud ik ook was, die van eenen -dollen jongen, die als hij eens iets gezien heeft, er dadelijk van -verzadigd is.</p> - -<p>Maar dit was niet alles. Ik verlangde vurig digter bij mijn vaderland te -zijn, en kon volstrekt tot geen besluit komen, welken weg daartoe in te -slaan. Terwijl ik hierover nadacht, stelde mijn vriend, die altijd om -zijne zaken dacht, mij eene andere onderneming voor, naar de -Specerij-eilanden, en om van de Manilla's of dien kant uit, eene lading -nagelen mede te brengen. Wel handelen de Hollanders op deze plaatsen, -maar zij behooren gedeeltelijk aan de Spanjaarden. Wij gingen echter zoo -ver niet, maar naar eenige andere, waar hunne magt niet zoo gevestigd -is, als te Batavia, Ceylon enz. De toebereidselen tot deze reis waren -spoedig gedaan, de grootste zwarigheid was alleen om er mij toe over te -halen. Daar echter niets anders zich voordeed en ik ondervond, dat -reizen en handelen met eene zoo groote, en ik mag zeggen, zekere winst, -aangenamer en streelender was dan stil zitten, dat vooral voor mij, het -rampzaligste leven was, besloot ik ook deze reis mede te doen. Wij -volbragten die reis gelukkig, legden te Borneo aan, en op verscheidene -eilanden, wier namen mij ontgaan zijn, en kwamen binnen vijf maanden -terug. Onze specerijen, die voornamelijk in nagelen en eenige -notenmuskaat bestonden, verkochten wij aan Perzische kooplieden, die ze -naar de golf voerden, en daar wij vijf malen ons kapitaal terug -ontvingen, wonnen wij inderdaad veel geld.</p> - -<p>Toen mijn compagnon de rekening opgemaakt had, zeide hij, glimlagchend -en als om mijne onverschilligheid te hekelen: "Welnu, is dat nu niet -beter dan hier rond te loopen als iemand, die niets te verrigten heeft, -en onzen tijd te verkwisten met den onzin en domheid der heidenen aan te -gapen?"—"Ik geloof waarlijk van ja, mijn vriend!" antwoordde ik, "en ik -begin de leerstellingen der kooplieden te omhelzen; maar ik moet u -zeggen," vervolgde ik, "gij weet niet wat ik doen kan, want als ik er -lust in krijg en met hart en ziel er deel in neem, zal ik, zoo oud als -ik ben, u de wereld doorslepen, tot gij er uw bekomst van hebt, want ik -zal het zoo ijverig aanleggen, dat gij geen oogenblik zult stilzitten."</p> - -<p>Doch om voort te gaan. Eene poos daarna kwam een Hollandsen schip van -Batavia binnen; het was geschikt voor reizen langs de kust en niet naar -Europa, en van ongeveer tweehonderd ton. Het volk gaf voor, dat zij -zooveel aan ziekte geleden hadden, dat de kapitein geen volk genoeg had, -om weder naar zee te gaan, en daarom binnengeloopen was, en hetzij dat -hij geld genoeg had of om andere redenen naar Europa verlangde, hij -maakte openlijk bekend, dat hij zijn schip wilde verkoopen. Dit kwam mij -vroeger ter oore dan mijn compagnon, en ik kreeg lust het te koopen. Ik -ging dus naar hem toe en sprak er hem over. Hij dacht eene poos er over -na, want hij overijlde zich nooit, en zeide eindelijk: "Het is wel wat -groot; maar wij zullen het nemen." Diensvolgens kochten wij het schip, -betaalden het, en namen er bezit van. Toen dit afgeloopen was, besloten -wij, om aan het volk te vragen, of zij met onze matrozen bij ons dienst -wilden nemen, maar plotseling waren zij allen verdwenen, nadat zij, -gelijk wij later vernamen, niet alleen hunne gagie, maar ook hun aandeel -van den koopprijs hadden ontvangen. Wij deden veel navraag naar hen, en -eindelijk zeide men ons, dat zij allen over land naar Agra, waar de -groote mogol zijn verblijf hield, waren gegaan, en van daar naar -Suratte, en zoo te scheep naar de Perzische golf trokken.</p> - -<p>Niets speet mij eenen geruimen tijd zoo zeer, dan dat ik de gelegenheid -van met hen te gaan, had verzuimd, want zulk eene reis, in een -gezelschap, dat mij zoowel tot bescherming als tot genoegen verstrekt -zou hebben, zou juist met mijne wenschen gestrookt hebben. Ik zou dan de -wereld gezien hebben, en tevens huiswaarts gekeerd zijn. Maar eenige -dagen later dacht ik er anders over, toen ik vernam, wat het voor knapen -waren, want de man, dien zij kapitein noemden, was slechts de konstapel. -Zij waren op eene reis door eenige Maleijers aangevallen, die den -kapitein en drie van zijn volk gedood hadden. Nadat deze gesneuveld -waren, besloten de overigen aan boord, elf in getal, met het schip door -te gaan, gelijk zij deden, en het in de baai van Bengalen bragten, -terwijl zij den stuurman met vijf man aan den wal achterlieten, van -welke wij later meer zullen hooren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 340px;"> -<img src="images/crus02_064.jpg" width="340" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Doch hoe zij ook aan het schip kwamen, wij geraakten er op eene eerlijke -wijze aan, naar wij meenden, schoon wij misschien dat wat scherper -hadden moeten onderzoeken, want zoo wij de matrozen ondervraagd hadden, -zouden zij elkander zeker tegengesproken en ons grond tot achterdocht -gegeven hebben; maar de kapitein toonde ons eene overdragt van het schip -op zekeren Emanuel Kloosterhoven (waarschijnlijk alles valsch) en gaf -voor, dat hij zoo heette. Wij konden hem niet tegenspreken, en daar wij -wat onvoorzigtig waren, of liever in het geheel geen kwaad vermoeden -hadden, sloten wij den koop.</p> - -<p>Wij namen vervolgens nog eenige Engelsche en Hollandsche matrozen aan, -en besloten nu tot eene tweede reis, om specerijen naar de -Philippijnsche en Moluksche eilanden; en om den lezer niet met -beuzelingen te vermoeijen, ik bragt in het geheel in dit werelddeel zes -jaren door met van de eene haven naar de andere te varen, en ging nu in -het laatste jaar met mijnen compagnon op reis naar China, doch eerst -zouden wij Siam aandoen om rijst in te koopen. Tegenwinden noodzaakten -ons hier eenen langen tijd in de engte van de Molucco's en tusschen de -andere eilanden te kruisen, doch naauwelijks waren wij uit dit -moeijelijke vaarwater of wij vonden dat het schip lek was, zonder dat -wij bij mogelijkheid konden vinden, waar dit lek zat. Hierdoor waren wij -verpligt, om eene haven op te zoeken, en mijn compagnon, die hier beter -dan ik bekend was, gelastte den kapitein de rivier Cambodia op te varen, -want ik had een Engelschen stuurman, zekeren Thomson, kapitein gemaakt, -omdat ik geen lust had, om zelf het gezag te voeren. De rivier ligt -noordwaarts van de golf of baai die tot Siam zich uitstrekt.</p> - -<p>Terwijl wij hier lagen en dikwijls om ververschingen naar den wal -gingen, ontmoette ik daar eens een Engelschman, naar het scheen, -konstapelsmaat op eenen Engelschen Oost-Indiëvaarder, die op dezelfde -rivier digt bij Cambodia ten anker lag. Hij kwam naar mij toe, en sprak -mij in het Engelsch aan, zeggende: "Mijnheer! wij zijn onbekend, maar ik -heb u iets te zeggen, dat van veel belang voor u is." Ik zag hem strak -aan, en dacht eerst, dat ik hem kende, maar dat was zoo niet. "Zoo het -iets van belang voor mij en niet voor u is," zeide ik, "wat beweegt u -dan, om het mij te zeggen?"—"Het groot gevaar, waarin gij u bevindt, -en dat gij, naar ik meen te zien, geheel niet vermoedt, treft mij," -hernam hij.—"Ik weet niet in welk gevaar ik mij bevinden zou," zeide -ik, "behalve dat mijn schip een lek heeft, dat ik niet vinden kan, maar -ik denk het morgen op zijde te halen, en te zien of ik het vinden -kan."—"Lek of niet, gij zult wel wijzer doen, dan uw schip morgen hier -te laten, als gij gehoord hebt, wat ik u zeggen zal," hernam hij. "Weet -gij wel, dat de stad Cambodia slechts vijftien mijlen van hier ligt, en -dat er vijf mijlen aan deze zijde twee groote Engelsche en drie -Hollandsche schepen liggen?"—"Wel, wat gaat mij dat aan?" hernam -ik.—"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde hij, "iemand, die op zulke -avonturen uitgaat als gij, is het niet geraden, om eene haven binnen te -loopen, zonder eerst te onderzoeken welke schepen daar zijn, en of hij -in staat is, om ze het hoofd te bieden. Ik geloof niet, dat gij tegen -hen opgewassen zijt." Ik lachte over deze woorden, die mij geene zorg -baarden, want ik kon niet vatten wat hij meende, dus zeide ik eenigzins -scherp: "Ik wenschte wel, dat gij duidelijker spraakt, mijn vriend! -waarom zou ik bang zijn voor eenig kompagnies of Hollandsen schip; ik -ben geen smokkelaar. Wat kunnen zij tegen mij hebben?"</p> - -<p>Hij zette een misnoegd gelaat; doch zeide na eene poos zwijgens, met -eenen glimlach: "Welnu, mijnheer! als gij u veilig acht, moogt gij -afwachten wat er komen zal. Het spijt mij, dat gij blind zijt voor -goeden raad, maar wees verzekerd, dat zoo gij niet dadelijk in zee -steekt, gij met het volgende getij door vijf groote booten vol volks -zult aangevallen worden; en als gij misschien genomen mogt worden, zal -men u als een zeeroover ophangen en daarna uw proces opmaken. Ik had -gedacht," vervolgde hij, "dat gij een berigt van zulk eene belangrijke -zaak anders zoudt hebben opgenomen."—"Ik ben nimmer ondankbaar," -antwoordde ik, "voor eenige dienst, noch jegens iemand, die mij eene -dienst doet, maar ik begrijp niet, hoe zij zulk een oogmerk tegen mij -kunnen hebben. Daar gij echter zegt, dat er geen tijd te verliezen is, -en dat er een schelmsch voornemen bestaat, zal ik dadelijk aan boord -gaan en in zee steken, als mijn volk het lek kan stoppen of wij zonder -dat zee kunnen bouwen. Maar," vervolgde ik, "ik zou gaarne de reden -hiervan weten. Kunt gij mij hieromtrent geene opheldering geven?"</p> - -<p>"Slechts gedeeltelijk, mijnheer!" zeide hij, "maar ik heb een Hollandsen -zeeman bij mij, en ik geloof, dat hij u wel alles zal willen verhalen, -maar er is naauwelijks tijd toe. De hoofdzaak echter is deze, waarvan -het begin u wel bekend zal zijn, namelijk dat gij met dit schip te -Sumatra geweest zijt, dat daar uw kapitein met drie of vier man door de -Maleijers vermoord is geworden, en dat gij, of eenigen die met u daar -aan boord waren, met het schip doorgingen, en sedert zeeroof gepleegd -hebben. Dit is de hoofdinhoud der zaak; en gij zult allen als zeeroovers -opgepakt en zonder vele pligtplegingen opgehangen worden, want gij weet, -dat koopvaarders den zeeroovers een kort proces aandoen, als die in -hunne handen vallen."</p> - -<p>"Nu spreekt gij rond en duidelijk," zeide ik, "en ik bedank u, en schoon -ik weet, dat wij niets van dit alles bedreven hebben, maar op eene -eerlijke wijze aan dit schip gekomen zijn, zal ik echter op mijne hoede -zijn als er zoo iets gebeurt, en daar gij het eerlijk schijnt te -meenen."—"Spreek niet van op uwe hoede te zijn, mijnheer!" zeide hij, -"uwe beste handelwijze is het gevaar te ontwijken. Zoo gij op uw leven -en op dat van uw volk eenigen prijs stelt, zoo kies de ruimte, zoodra -het hoogwater is, en daar gij een geheel getij voor u hebt, zult gij al -ver in zee zijn, voordat zij bij u kunnen komen, en daar zij twintig -(Eng.) mijlen moeten afleggen, wint gij bovendien twee uren door het -verschil van het getij, en daar zij slechts met sloepen afkomen, zullen -zij u niet te ver in zee kunnen volgen, vooral als het wat waait."—"Ik -heb waarlijk veel verpligting aan u," zeide ik, "hoe zal ik u dit -vergelden?"—"Spreek daarvan niet, mijnheer!" zeide hij, "zoolang gij -niet weet, of het waarheid is wat ik u gezegd heb. Ik zal u iets -voorstellen. Ik heb negentien maanden gagie te goed op het schip, -waarmede ik uit Engeland ben gekomen, en de Hollander, die bij mij is, -zeven maanden. Zoo gij ons deze geven wilt, zullen wij met u gaan, en -zoo gij overtuigd wordt, dat wij uw leven en dat van uw volk en de -lading gered hebben, laten wij de meerdere belooning aan u over."</p> - -<p>Ik stemde dadelijk hierin toe en ging onmiddellijk met hen naar boord. -Zoodra ik op zijde kwam, riep mijn compagnon, die op het dek stond, mij -verheugd toe: "Wij hebben het lek gevonden en al gestopt -ook."—"Goddank, dat ik het hoor," zeide ik, "maar ligt dadelijk het -anker."—"Dadelijk ankerligten?" herhaalde hij, "waarom, wat is er -gaande?"—"Vraag niet," zeide ik, "maar roep alle mannen aan het werk, -en laat het anker ligten, zonder een oogenblik te verliezen." Hij zag -vreemd op, maar riep dadelijk den kapitein, en gaf hem orders, en schoon -de eb nog niet doorgekomen was, dreef een koeltje van het land ons -echter naar zee. Daarop riep ik hem in de kajuit en verhaalde hem wat er -gaande was, en riep toen de twee mannen binnen, en zij verhaalden ons -het overige; maar daar hiermede vrij wat tijd verliep, hadden zij nog -niet gedaan, toen reeds een matroos aan de kajuitdeur kwam, om ons te -zeggen, dat de kapitein ons liet weten, dat er jagt op ons gemaakt -werd.—"Jagt, door wie?" vroeg ik.—"Door vijf sloepen met volk," zeide -de man.—"Het is goed," zeide ik. "Dan is er waarschijnlijk wat aan." Ik -liet daarop al het volk achterop komen, en verhaalde hun, dat men -voornemens was, om het schip prijs te verklaren en ons als zeeroovers te -behandelen, en vroeg hun, of zij ons trouw wilden bijstaan. Zij -antwoordden welgemoed, dat zij ons tot in den dood zouden getrouw -blijven. Toen vroeg ik den kapitein, hoe wij hen het best zouden -afslaan, want dat ik mij tot den laatsten droppel bloeds wilde -verdedigen. Hij zeide, dat het best ware, hen met onze stukken zoo lang -mogelijk op eenen afstand te houden, en daarna hen met ons handgeweer te -beletten, dat zij ons enterden, maar als dat alles vergeefs was, dat wij -ons dan omlaag moesten begeven, in de hoop, dat zij geene gereedschappen -mogten hebben, om onze beschotten open te breken.</p> - -<p>De konstapel ontving middelerwijl order om twee stukken voor en achter -te plaatsen, zoodat zij het dek bestreken, en die te laden met -geweerkogels, oud ijzer en wat hij maar vond. Terwijl wij ons zoo gereed -maakten om te vechten, hielden wij het echter zeewaarts met eene -tamelijke koelte en konden de sloepen op eenigen afstand zien, zijnde -vijf groote barkassen, die ons vervolgden met zooveel zeil als zij -slechts konden bijzetten. Twee daarvan, die wij door onze kijkers konden -zien, dat Engelschen waren, waren de anderen bijkans twee mijlen -vooruit, zoodat wij zagen, dat zij ons zouden inhalen. Hierop deden wij -een schot met los kruid, tot een sein dat zij zouden bijleggen, en -heschen eene witte vlag, tot teeken dat wij onderhandelen wilden, maar -zij hielden vol totdat zij binnen het bereik van ons geschut kwamen. -Hierop streken wij de witte vlag, daar zij er niet op geantwoord hadden, -heschen de roode en vuurden op hen met scherp. Desniettemin hielden zij -vol, totdat zij zoo digt genaderd waren, dat wij hen met eenen roeper -konden praaijen; dus riepen wij hun toe om af te houden, als zij hun -leven liefhadden.</p> - -<p>Het baatte alles niets; zij bleven ons volgen en trachtten onder onzen -spiegel te komen, om ons zoo te enteren; waarop ik, ziende dat wij alles -van hen te vreezen hadden en dat zij op de andere booten, die hen -volgden, rekenden, gelastte het schip te wenden, zoodat zij ons op zijde -kwamen, waarop wij dadelijk vijf stukken op hen afvuurden. Een schot -trof zoo goed, dat het den achtersteven van eene boot wegsloeg, waardoor -het volk de zeilen moest innemen en allen voorop loopen, om de boot niet -te doen zinken; deze was dus buiten gevecht gesteld, maar daar de andere -boot nog volhield, besloten wij op deze alleen te vuren.</p> - -<p>Terwijl dit geschiedde had een van de drie achterste booten, die de -andere twee vooruitgeraakt was, de door ons gehavende boot bereikt, en -wij zagen naderhand, dat zij er het volk uit had overgenomen. Wij riepen -de voorste boot weder aan, en boden eenen wapenstilstand aan, om te -onderhandelen en te weten wat zij van ons wilden hebben, maar ontvingen -geen antwoord, terwijl zij nader onder onzen spiegel schoot. Hierop -haalde onze konstapel, die een vlugge knaap was, zijne twee jagers uit -en gaf vuur op haar, zonder te treffen. Het volk in de boot juichte en -wuifde met hunne mutsen; maar de konstapel had spoedig weder geladen, en -een schot trof het volk, schoon het de boot miste, en deed veel kwaad -onder hen, gelijk wij duidelijk zagen. Maar wij stoorden ons hieraan -niet, maar wendden weder, en deden nog drie schoten, waarmede wij de -boot bijkans verbrijzelden, vooral was het roer en een deel van den -steven geheel weggeschoten; zij streken dus ijlings het zeil en waren -geheel in wanorde. Maar om hun ongeluk te voltooijen, gaf de konstapel -nog tweemaal vuur op hen. Waar hij hen trof weet ik niet, maar de boot -begon te zinken en eenigen lagen reeds in het water. Dadelijk bemande ik -hierop onze pinnas, die wij op zijde hadden liggen, met last om eenigen -van het volk, zoo het mogelijk was, te redden en dadelijk met hen aan -boord te komen, omdat de andere booten ook opkwamen. Ons volk vischte -drie man op, waarvan een reeds half verdronken was, die wij eerst na -veel moeite weder bijbragten. Zoo als zij aan boord waren, zetten wij -zooveel zeil bij als wij konden en hielden zeewaarts, en toen de andere -drie booten bij de twee voorste gekomen waren, zagen wij, dat zij de -jagt opgaven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_065.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Aldus van een gevaar bevrijd, dat veel grooter scheen, dan ik -verwachtte, schoon ik er nog de reden niet van begreep, zorgde ik, dat -wij onzen koers veranderden, zoodat niemand wist waar wij heengingen. -Wij legden dus eerst oostwaarts aan, geheel buiten het vaarwater van -alle Europesche schepen, hetzij naar China of naar eenige andere -handelplaats. Toen wij op zee waren begonnen wij de beide zeelieden te -ondervragen naar de reden van dit alles. De Hollander helderde ons nu -het geheim op, zeggende, dat de kerel, die ons het schip verkocht had, -niet anders dan een dief was, die met het schip was doorgegaan. Hij -verhaalde vervolgens hoe de kapitein, dien hij mij noemde, doch wiens -naam mij ontgaan is, op de kust van Malacca, met drie van zijn volk, -vermoord was geworden; en dat hij met nog vier anderen in het bosch -gevlugt was, waar zij eenen geruimen tijd hadden rondgezworven, tot hij -in het bijzonder zich gered had op een Hollandsen schip, dat daar eene -boot aan wal gezonden had, om zoet water in te nemen.</p> - -<p>Vervolgens verhaalde hij, hoe hij, op Batavia gekomen, twee matrozen van -het geroofde schip had ontmoet, die de overigen op reis verlaten hadden, -en hoe deze hem gezegd hadden, dat de kerel, die met het schip -doorgegaan was, het in Bengalen aan een hoop zeeroovers verkocht had, -die er mede waren gaan kruisen, en dat zij reeds een Engelsch en twee -Hollandsche schepen genomen hadden, alle rijk geladen. Dit laatste -gedeelte sloeg op ons, en schoon wij wisten dat het valsch was, echter, -gelijk mijn compagnon aanmerkte, het ware vruchteloos geweest ons te -verdedigen of lijfsbehoud van hen te verwachten, als wij in hunne handen -waren gevallen, terwijl zij zulk eene meening van ons koesterden, en te -meer, daar onze beschuldigers tevens onze regters waren en alleen naar -hunne blinde driften te werk gingen. Hij sloeg derhalve voor, om -regtstreeks naar Bengalen, vanwaar wij kwamen, terug te keeren, zonder -eenige haven aan te doen, omdat wij daar konden bewijzen, hoe wij aan -het schip gekomen waren. In alle gevallen, als wij genoodzaakt waren tot -de regtbank ons te wenden, konden wij ten minste verwachten, volgens -regten behandeld te worden, en niet eerst gehangen en dan ons proces -opgemaakt te worden.</p> - -<p>Eenigen tijd dacht ik er ook zoo over, maar na rijp overleg zeide ik -hem, dat ik het zeer gevaarlijk achtte, om naar Bengalen te willen -terugkeeren, want daar wij tusschen de Moluccos waren, konden wij -verwachten overal door de Hollanders en Engelschen aangevallen te -worden, en als wij genomen werden, terwijl wij als het ware vlugtten, -zouden wij ons eigen vonnis uitspreken, en men zou geen verder bewijs -tegen ons noodig achten. Ik vroeg den Engelschen zeeman naar zijn -gevoelen, die mij gelijk gaf, en het zeker achtte, dat wij genomen -zouden worden. Dit gevaar smaakte mijn compagnon en het scheepsvolk -weinig, en wij besloten naar de kust van Tonking en zoo naar China te -stevenen, en daar op eene of andere wijze ons schip trachten te -verkoopen, en met een vaartuig van het land, dat wij bekomen konden, -terug te keeren. Dit werd goedgekeurd, en dus stevenden wij N. N. -Oostwaarts, en hielden ons ongeveer vijftig mijlen ten Oosten van het -gewone vaarwater.</p> - -<p>Dit had echter dat ongemak, dat wij gestadig tegenwind hadden, daar de -passaat bijkans altijd uit het O. en O. N. O. blies, zoodat wij eene -lange reis hadden, terwijl wij slecht van levensmiddelen voorzien waren, -en wat nog erger was, er was eenige kans, dat die schepen, wier booten -ons vervolgd hadden, waarvan sommigen dien kant heen moesten, daar voor -ons waren aangekomen, of aan eenen anderen Chinavaarder tijding van ons -gegeven hadden, en dat die ons even fel vervolgden. Ik moet bekennen, -dat ik vrij ongerust was, en mij in den gevaarlijksten toestand achtte, -waarin ik mij nog ooit bevonden had. Want in welke hagchelijke -omstandigheden ik ook geweest was, nimmer te voren was ik als een dief -vervolgd, noch had ik ooit iets gedaan wat oneerlijk, ongeoorloofd, laat -staan diefachtig was. Ik was voornamelijk mijn eigen vijand geweest of -liever niemand vijandig dan mijzelven. Maar nu was ik er zoo slim aan -toe als mogelijk was, want schoon volmaakt onschuldig, zag ik geene -kans, om die onschuld te doen blijken, en als ik genomen mogt worden, -zou dit zijn, omdat men mij hield voor eenen misdadiger van de ergste -soort, althans naar de schatting van die lieden, met welke ik te doen -zou hebben.</p> - -<p>Dit maakte mij hoogst ongerust, schoon ik niet wist hoe er mij uit te -redden, noch waar ik zou heengaan. Mijn compagnon, die mij zoo -neerslagtig zag, schoon hij in den beginne er het meest verzet van was -geweest, trachtte mij een riem onder het hart te steken, en terwijl hij -mij de verschillende havens van die kust beschreef, zeide hij mij, dat -hij op de kust van Cochinchina of de baai van Tonking zou binnenloopen, -en daarna naar Macao gaan, eene stad, die vroeger aan de Portugezen -behoorde, en waar nog zeer vele Europeërs woonden; voornamelijk de -zendelingen, die gewoonlijk zich daarheen begeven, om vandaar naar China -te gaan. Wij besloten daarheen te gaan, en na eene langdurige en -moeijelijke reis, terwijl wij slechts schraal van levensmiddelen -voorzien waren, kregen wij op eenen vroegen morgen de kust in het -gezigt. Toen wij nadachten in welke gevaarlijke omstandigheden wij -waren, besloten wij een riviertje op te varen, dat smal maar diep genoeg -voor ons was, en te zien of wij, hetzij te land of met de sloep, te -weten konden komen, welke schepen er in de havens daaromstreeks lagen. -Dit gelukkig besluit was ons behoud, want er lagen in de baai van -Tonking wel geene Europesche schepen, maar den volgenden morgen kwamen -er twee Hollanders binnen en een derde schip, dat geen vlag voerde, maar -dat wij ook voor eenen Hollander aanzagen, voer ons op twee mijlen -afstands voorbij, koers zettende naar de Chinesche kust, en des -namiddags zagen wij twee Engelschen denzelfden koers houden, en dus -zagen wij ons van alle kanten omringd van vijanden. De plaats waar wij -lagen was dor en woest, het volk diefachtig; en schoon wij weinig met -hen verlangden om te gaan, dan om eenigen leeftogt op te doen, was het -echter dikwijls moeijelijk genoeg dat wij allen twist met hen konden -vermijden.</p> - -<p>Wij lagen op eene kleine rivier, op weinige mijlen afstands van het -noordelijk uiteinde van dat land, en met onze boot verkenden wij de kust -tot aan het punt van de groote baai van Tonking, en op deze vaart langs -de kust ontdekten wij, hoe wij als het ware van vijanden omringd waren. -Het volk van dit land was het onbeschaafdste van al de kustbewoners -aldaar; het had geenerlei omgang met andere natiën, en handelde alleen -in visch en olie en dergelijke. Als een blijk van hunne woestheid, kan -ik vermelden, dat zij onder andere gewoonten ook die hebben, dat zoo -eenig schip bij ongeluk op hunne kust strandt, zij al het scheepsvolk -tot gevangenen, dat wil zeggen tot slaven maken, en wij hadden weldra -een blijk van hunne geaardheid bij de volgende gelegenheid.</p> - -<p>Ik heb reeds gezegd, dat ons schip op zee een lek had gekregen, dat wij -eerst niet hadden kunnen stoppen; echter was het gelukkig digt gemaakt -op het oogenblik, dat wij door de Hollandsche en Engelsche schepen bij -de baai van Siam zouden genomen worden. Het schip was echter niet zoo -digt als het wel behoorde, en dus besloten wij, terwijl wij hier waren, -onze zwaarste goederen aan wal te brengen, die gelukkig weinig waren, en -het schip te kalfaten en zooveel mogelijk de lekken te stoppen. Na dus -het schip verligt te hebben, en onze stukken en wat vervoerbaar was, -naar de eene zijde gebragt te hebben, haalden wij het op zijde, om bij -den bodem te kunnen komen. De inboorlingen, die nimmer zoo iets gezien -hadden, kwamen naar het strand, en toen zij het schip zoo op zijde zagen -liggen, en ons volk niet zagen, dat aan de andere zijde op steigers en -in booten aan het werk was, begrepen zij, dat het schip op zijde -geslagen was en aan den grond zat.</p> - -<p>In deze meening kwamen zij allen, een paar uren later, met tien of -twaalf groote booten, waarin acht tot tien man waren, op ons af, -ongetwijfeld met oogmerk, om het schip te plunderen, en als zij ons -vonden, als slaven weg te voeren naar hunnen koning of opperhoofd, want -hoe zij geregeerd worden weet ik niet. Toen zij het schip genaderd -waren, en er rondom roeiden, zagen zij ons allen hard aan het werk aan -de buitenzijde van het schip, wasschende en schrapende en stoppende, -gelijk ieder zeeman weet hoe. Zij stonden eene poos naar ons te zien, en -wij, die eenigzins verrast waren, konden ons niet verbeelden wat hun -oogmerk was; maar om zeker te gaan, lieten wij eenigen in het schip -gaan, om aan de anderen, die aan het werk waren, wapens en kruid en lood -toe te reiken, om zich mede te verdedigen, als het noodig was. Het was -spoedig noodig, want na een kwartier uurs beraadslaagd te hebben, -schenen zij begrepen te hebben, dat wij werkelijk gestrand waren, en nu -allen bezig waren, om het schip vlot te krijgen of ons met de sloepen te -redden, en toen wij wapens in de booten lieten, begrepen zij, dat wij -eenige goederen trachtten te bergen. Zij begrepen, dat thans van zelve -sprak, dat alles hun toekwam, en dus voeren zij in slagorde regt op ons -aan.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 520px;"> -<img src="images/crus02_066.jpg" width="520" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ons volk werd verschrikt door hun aantal, want wij waren in eene -ongunstige positie om te vechten, en zij riepen ons toe, dat zij niet -wisten, wat zij doen zouden. Ik gelastte dadelijk het volk dat op den -steiger werkte, om er af te komen, en hen, die in de booten waren, dat -zij het schip omroeijen zouden en aan boord komen, terwijl de weinigen, -die met ons aan boord waren, alle krachten inspanden, om het schip -overeind te halen. Maar eer het volk op den steiger en dat in de booten -konden doen wat hun gelast was, hadden de Cochinchinezen hen ingehaald, -en twee hunner booten kwamen onze sloep op zijde, en begonnen het volk -aan te pakken als hunne gevangenen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_067.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De eerste, dien zij aangrepen, was een Engelsche matroos, een kloeke -sterke kerel, die een geweer in de hand had, maar, in plaats van vuur te -geven, het in de boot nederlegde, zeer onverstandig naar mij dacht. Maar -hij wist zeer goed wat hij deed, want hij greep den barbaar aan, en -rukte hem uit zijne boot in de onze, waar hij hem bij de ooren greep en -zijn hoofd zoo geweldig tegen het boord van de sloep stiet, dat de man -onder zijne handen dood bleef. Een Hollander, die naast hem stond, nam -terwijl het geweer op, en sloeg met de kolf zoo om zich heen, dat hij -vier of vijf, die in de sloep wilden komen, nedervelde; maar dit hielp -weinig tegen veertig of vijftig man, die onbevreesd, omdat zij hun -gevaar niet kenden, in de andere sloep sprongen, waarin slechts vijf man -waren. Een toeval verschafte echter ons volk eene volkomene overwinning -en bovendien vrij wat stof tot lagchen.</p> - -<p>Onze timmerman was namelijk bezig, de buitenzijde van het schip te -breeuwen en de naden te vullen, waar hij die gekalfaat had, om de lekken -te stoppen, en had juist twee ketels in de boot gelaten, de een met -kokende pik en de andere met harpuis, olie en smeer, gelijk de -scheepsbreeuwers gebruiken, en de man, die bij hem was, had een grooten -ijzeren lepel in de hand, waarmede hij de lieden, die met dat kokende -goed werkten, er van voorzag. Twee vijanden stapten voor in de boot, -waar die man stond; hij bedeelde hen terstond met een lepel vol van zijn -brouwsel, dat hen zoo zengde en brandde, daar zij bijkans naakt waren, -dat zij brullende als stieren in zee sprongen. De timmerman zag het en -riep: "Goed gedaan; Jaap! geef ze nog wat!" en terwijl hij zelf voorop -stond, nam hij een van de dwijlen, en doopte die in de harpuispot, en -hij en zijne maats besproeiden hen zoo rijkelijk, dat van al het volk in -de drie booten er niet een was, zonder duchtig gebrand en verschroeid te -zijn; en zulk een gehuil en getier hieven zij aan, als ik nimmer gehoord -had. Ik mag hier wel opmerken, dat hoewel natuurlijk pijn iedereen -schreeuwen doet, echter ieder volk eene bijzondere wijze van schreeuwen -heeft, dat evenveel van elkander verschilt als hunne spraak. Ik kan het -geluid van deze kerels niet gepaster noemen dan gehuil, want nimmer -hoorde ik iets, dat zoo naar wolvengehuil geleek, hetwelk ik op de -grenzen van Languedoc gehoord had, gelijk ik verhaald heb.</p> - -<p>Nimmer baarde eene overwinning mij meer genoegen dan deze, niet alleen -omdat wij zoo verrassend uit een waarlijk groot gevaar gered waren, maar -vooral omdat wij haar zonder bloedvergieten bevochten hadden, behalve -van den man, dien de Engelschman met zijne handen doodgeslagen had, en -dit was mij zeer aangenaam, want ik had eenen grooten weerzin in het -dooden van zulke arme wilden, schoon het ook uit zelfverdediging -ontstond. Ik wist, dat zij hunne handelingen als geoorloofd beschouwden, -daar zij niet beter wisten, en schoon wij misschien regt hadden, omdat -het noodzakelijk was (want in de natuur is niets, wat onregt is, -noodzakelijk), echter achtte ik het droevig, tot ons zelfbehoud zoovele -onzer medemenschen te moeten dooden; en ik zou tegenwoordig liever al -vrij wat leed willen ondergaan, dan zelfs den slechtsten mensch die mij -kwaad deed, het leven te benemen. Ik geloof, dat ieder redelijk denkend -mensch, die de waarde des levens beseft, bij eenig nadenken, mij hierin -zal toestemmen.</p> - -<p>Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Terwijl dit gebeurde, hadden mijn -compagnon en ik met het overige volk aan boord het schip weder overeind -gehaald, en de stukken weder op zijne plaats gebragt. De konstapel -verzocht mij, de booten terug te roepen, want dat hij vuren wilde. Ik -riep hem toe, geen vuur te geven, want de timmerman zou dat wel voor hem -klaren, maar gelastte hem nog een ketel met harpuis te vuur te zetten, -waarvoor onze kok zorgde. De vijand was echter van de eerste ontvangst -zoo voldaan, dat zij niet terugkwamen, en toen degenen, die het verst af -waren, het schip vlot zagen, schenen zij het raadzaam te achten, die -onderneming op te geven. Hiermede eindigde dit koddig gevecht, en daar -wij twee dagen te voren wat rijst en groenten en brood en zestien goede -varkens aan boord hadden gekregen, besloten wij dadelijk te vertrekken, -wat er ook van komen mogt, want wij begrepen, dat wij den volgenden -morgen meer roovers om ons heen zouden zien, dan onze harpuisketel -mogelijk kon verjagen. Derhalve bragten wij dien avond alles aan boord -in orde, en waren den volgenden morgen zeilree. Nu wij op eenigen -afstand van den wal voor anker lagen, waren wij niet zoo ongerust, daar -wij gereed waren om te vechten of te vlugten, al naar het noodig was. -Den volgenden morgen gingen wij onder zeil, en vonden dat ons schip -thans geheel digt was. Wij wilden de baai van Tonking inloopen, want wij -wenschten te weten wat daar bekend was omtrent de Hollandsche schepen, -die daar geweest waren, maar omdat wij verscheidene schepen derwaarts -hadden zien stevenen, durfden wij er niet binnenloopen. Wij hielden dus -N. Oostwaarts naar het eiland Formosa, evenzeer vreezende, een Engelsen -of Hollandsch schip te zien, als een Engelsch of Hollandsch koopvaarder -in de Middellandsche zee vreest een Algerijnschen kaper te zien.</p> - -<p>Eenmaal in volle zee zijnde hielden wij het N. Oostwaarts, alsof wij -naar Manilla of de Philippijnsche eilanden wilden stevenen, ten einde -buiten het vaarwater der Europesche schepen te blijven, en toen weder -Noordelijk tot op eene breedte van 22° 20', op welke wijze wij Formosa -bereikten, waar wij ankerden, om water en levensmiddelen in te nemen. -Wij vonden de bewoners hier zeer beleefd en zij behandelden ons zeer -eerlijk en volkomen volgens overeenkomst, wat men niet altijd in alle -landen ondervindt, en hetgeen hier misschien ontsproot uit overblijfsel -van het Christendom, dat hier eenmaal door Hollandsche zendelingen -verkondigd is. Dit bewijst wat ik overal gezien heb, dat de Christelijke -godsdienst altijd beschaving en betere zeden bewerkt, behalve hetgeen -zij tot hun eeuwig welzijn bijdraagt.</p> - -<p>Wij zeilden vervolgens Noordwaarts en hielden het op eenen afstand van -de Chinesche kust, tot wij wisten, dat wij alle havens van China voorbij -waren, die gewoonlijk door Europeërs bezocht worden, daar wij zoo -mogelijk niet in hunne handen wilden vallen, hetgeen ons vooral in dit -land geheel of gedeeltelijk in het verderf zou gestort hebben. Ik in het -bijzonder was zoo bevreesd, van in hunne magt te geraken, dat ik liever -in die der Spaansche inquisitie had willen zijn. Op 30° gekomen, -besloten wij de eerste haven, die zich opdeed, binnen te loopen, en toen -wij op twee mijlen afstands van de kust waren, kwam een oude -Portugesche loods bij ons aan boord, om zijne dienst aan te bieden, die -wij aannamen. Zonder te vragen waar wij heen wilden, zond hij daarop -zijne boot weg, waarmede hij gekomen was. Daar ik begreep, dat wij ons -thans door den ouden man konden laten brengen, waar wij wilden, begon ik -met hem te spreken, om ons naar de golf van Nanking, het noordelijkste -punt van de kust van China, te voeren. De oude man zeide, dat hij daar -zeer goed bekend was, maar vroeg wat wij daar doen wilden. Ik zeide: er -onze lading verkoopen en er calicots, thee, ruwe en gewerkte zijde enz. -voor nemen, en zoo denzelfden weg terugkeeren. Hij antwoordde, dat de -geschiktste haven daartoe Macao geweest was, waar wij eene goede -gelegenheid voor onzen opium zouden gevonden hebben, en voor ons geld -even goede Chinesche produkten konden inkoopen als te Nanking. Ik kon -den ouden man van dit denkbeeld niet afbrengen, en zeide dus, dat wij -niet alleen om handel te drijven reisden, maar ook om de wereld te zien, -en dat wij de groote stad Peking en het vermaarde hof van den Chineschen -keizer verlangden te zien. "Wel, dan moest gij naar Ningpo gaan," zeide -de oude man, "waar de rivier, die daar in zee valt, u binnen vijf mijlen -in het groote kanaal brengt. Dit kanaal is een bevaarbaar gemaakte -stroom, die het geheele Chinesche rijk doorloopt, al de rivieren -doorkruist, met behulp van sluizen over verscheidene groote heuvels -geleid is, en tot Peking loopt, zijnde 270 mijlen lang."</p> - -<p>"Goed," zeide ik, "maar dit is thans ons zoeken niet; de vraag is: of -gij ons naar Nanking kunt brengen, vanwaar wij later naar Peking kunnen -gaan?" Hij antwoordde van ja, en dat kort geleden nog een Hollandsch -schip derwaarts gegaan was. Dit deed mij schrikken, want wij waren thans -banger voor een Hollandsch schip dan voor den duivel. Wij waren niet in -staat het te bevechten, want hunne schepen, die daarop varen, zijn veel -grooter en sterker bemand dan het onze. De oude man zag mijne onrust en -zeide: "Gij behoeft voor de Hollanders niet te vreezen, mijnheer! want -ik geloof niet, dat zij thans met uw volk in oorlog zijn,"—"Neen," -zeide ik, "maar wie weet wat zij doen, als zij buiten het bereik der -wetten van hun land zijn."—"Wel," zeide hij, "gij zijt geene -zeeroovers, waarvoor zoudt gij bang zijn? Zij zullen een vreedzaam -koopvaarder wel ongemoeid laten." Zoo al mijn bloed niet naar mijn -gelaat vloog bij deze woorden, was het zeker, dat het in mijne aderen -verstijfde. Ik geraakte in de grootste verwarring en de oude man -bespeurde dit dadelijk.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 425px;"> -<img src="images/crus02_068.jpg" width="425" alt="" title="" /> -</div> - -<p>"Mijnheer!" zeide hij, "het schijnt, dat mijne woorden u eenigzins -verontrusten, zeg slechts welken weg gij gaan wilt, en ik zal u van -dienst zijn, wat ik kan."—"Het is waar," hernam ik, "ik ben -besluiteloos, waar ik heen wil gaan, en vooral na hetgeen gij van -zeeroovers zegt. Ik hoop, dat er hier geene zwerven, want ik zou slecht -tegen hen bestand zijn; gij ziet dat wij niet sterk gewapend en slechts -zwak bemand zijn."—"Vrees niet," antwoordde hij, "ik weet niet, dat er -in de laatste vijftien jaren hier zeeroovers geweest zijn, behalve dat -er een, naar ik gehoord heb, eene maand geleden in de baai van Siam -gezien is, en die is stellig Zuidwaarts gegaan; ook was het geen schip, -dat zeer sterk of geschikt daartoe was. Het was niet voor een kaper -gebouwd, maar eenige schurken daar aan boord waren er mede doorgegaan, -nadat de kapitein en eenigen van het volk op of bij het eiland Sumatra -vermoord waren."</p> - -<p>"Wat!" zeide ik, mij houdende alsof ik van niets wist, "hebben zij den -kapitein vermoord?"—"Neen," zeide hij, "dat zeg ik niet, maar daar zij -naderhand met het schip doorgingen, gelooft men algemeen, dat zij hem -aan de Maleijers verraden hebben, die hem, misschien op hun aanstoken, -vermoord hebben."—"Dan verdienen zij evenzeer den dood, alsof zij het -zelf gedaan hadden," zeide ik.—"Zeker verdienen zij dien," hervatte de -oude man, "en zij zullen dien ook ondergaan, als zij een Engelsch of -Hollandsch schip ontmoeten, want allen hebben besloten, die schurken -geen kwartier te geven, als zij hen aantreffen."</p> - -<p>"Maar," zeide ik, "gij zegt, dat de zeeroover deze zeeën heeft verlaten; -hoe kunnen zij hem dan aantreffen?"—"Het is waar, dat men dit zegt," -hernam hij, "maar zoo als ik zeide, werd hij in de baai van Siam, op de -rivier Cambodia ontdekt door eenige Hollanders, die daar aan boord -geweest en achtergebleven waren, toen men met het schip doorging, en -daar eenige Engelsche en Hollandsche koopvaarders op de rivier lagen, -was hij bijkans genomen. Zoo slechts de voorste booten door de achterste -goed ondersteund waren geworden, dan hadden zij hem zeker genomen; maar -hij vuurde op hen, en koos toen de ruimte, voordat de andere opkwamen. -Zij hebben het schip echter zoo goed beschreven, dat het dadelijk -herkend moet worden, en zij hebben gezworen, den kapitein en de matrozen -geen kwartier te geven, maar aan de nok van de groote ra op te -hangen,"—"Zoo," zeide ik, "zal men hen straffen, schuldig of -onschuldig; eerst hen ophangen en dan hun proces opmaken?"—"Och!" zeide -de oude loods, "met zulke schurken behoeft zooveel omslag niet gemaakt; -laat men hen rug aan rug binden en dan de voeten spoelen; zulke schurken -verdienen niet beter."</p> - -<p>Ik wist, dat ik den ouden man vast aan boord had, en hij mij geen kwaad -kon doen, dus zeide ik driftig: "Welnu, senhor! juist daarom wil ik, -dat gij ons naar Nanking en niet naar Macao of ergens waar Hollandsche -en Engelsche schepen komen, brengt; want laat mij u zeggen, dat die -Engelsche en Hollandsche kapiteins een troep laatdunkende schoften zijn, -die volstrekt niet weten wat de regtvaardigheid, noch wat goddelijke en -menschelijke wetten eischen, maar die, trotsch op hun gezag, hunne magt -te buiten gaan, en als moordenaars willen handelen, om zeeroovers te -straffen, en menschen, die ten onregte beschuldigd zijn, kwaad zouden -doen en hen zonder onderzoek schuldig verklaren; en misschien zal ik nog -eens eenigen ter verantwoording roepen, waar zij leeren kunnen, hoe de -geregtigheid gehandhaafd moet worden, en dat men niemand veroordeelen -mag, zonder bewijs van de misdaad en dat hij die bedreven heeft."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_069.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hierop verhaalde ik hem, dat juist dit schip aangevallen was, en alles -wat er met de sloepen bij hunnen aanval gebeurd was, hoe wij aan het -vaartuig gekomen waren, en hoe de Hollander ons gewaarschuwd had. Ik -zeide hem, dat ik geloofde, dat de kapitein door de Maleijers vermoord -was geworden, en ook dat de matrozen met het schip doorgegaan waren; -maar dat de zeerooverij een bloot verzinsel van hen was, en van de -waarheid daarvan hadden zij zeker moeten zijn, eer zij ons zoo -verraderlijk overvielen, en ik voegde er bij, dat het bloed, dat wij in -onze regtmatige verdediging vergoten hadden, ter hunner verantwoording -kwam.</p> - -<p>De oude man stond zeer verbaasd, en gaf ons volkomen gelijk, dat wij -Noordwaarts gehouden hadden, maar raadde ons om het schip in China te -verkoopen, dat zeer goed gaan zou, en daar een ander te koopen of te -laten bouwen. "Al is het dan ook zoo goed niet," zeide hij, "dan zal het -u en uwe goederen toch naar Bengalen of elders kunnen brengen." Ik -zeide, dat ik hierover denken zou, als ik in eene haven kwam, waar ik -een kooper voor dit schip of een ander vaartuig voor mij vinden kon. Hij -zeide, dat ik te Nanking koopers genoeg zou vinden, en met eene -Chinesche jonk kon ik de thuisreis wel doen, en hij zou mij beide wel -verschaffen.—"Maar," zeide ik, "daar het schip, gelijk gij zegt, zoo -goed bekend is, zal ik, als ik uw raad volg, misschien eenige -onschuldige menschen in groot gevaar brengen, en welligt oorzaak zijn, -dat zij in koelen bloede vermoord worden; want alleen om het schip -zullen zij hen als schuldig houden."—"Dat is zoo," hernam de oude man, -"maar ik weet een middel om dat te beletten; ik ken al de kapiteins zeer -goed en zal hen allen opzoeken, als zij voorbijgaan, en hen de zaak -ophelderen, en zij zullen mij zeker in zoo verre althans gelooven, dat -zij in het vervolg voorzigtiger zullen te werk gaan."</p> - -<p>Wij bleven middelerwijl koers zetten naar Nanking, en na dertien dagen -zeilens ankerden wij aan de Z.W. punt van Nanking, waar ik toevallig -vernam, dat de twee groote Hollandsche schepen mij voorgegaan waren en -ik onfeilbaar in hunne handen vallen zou. Ik raadpleegde mijnen -compagnon, die even zoo verlegen was als ik, en gaarne overal behouden -aan wal had willen zijn. Ik vroeg den ouden loods, of er geene kreek of -haven hier omstreeks was, waarin ik zonder gevaar met de Chinezen -handelen kon. Hij zeide mij, dat ongeveer tweeënveertig mijlen -Zuidwaarts eene haven, Quinchang, was, waar de paters zendelingen -gewoonlijk van Macao landden, als zij het Christendom in China gingen -verkondigen, en waar nimmer Europesche schepen binnenkwamen, en als ik -daar was, kon ik zien hoedanig ik verder handelen wilde. Het was echter -geene geschikte plaats om handel te drijven, behalve dat er somtijds -eene soort van jaarmarkt gehouden werd, waarop de kooplieden van Japan -kwamen om Chinesche waren te koopen. Wij besloten naar die haven te -gaan, wier naam ik misschien niet juist opgeef, daar ik dien met eenige -anderen in een zakboekje opgeschreven had, dat bij toeval in het water -viel; maar ik herinner mij, dat de Chinesche en Japansche kooplieden het -anders noemden, dan onze Portugesche loods, ongeveer als ik zeide: -Quinchang. Den volgenden dag gingen wij onder zeil, na slechts tweemaal -aan wal geweest te zijn, om zoet water in te nemen, en beide keeren -waren de inboorlingen zeer beleefd, en bragten ons eene menigte goederen -als groenten, thee, rijst en eenig gevogelte, maar zij gaven niets -zonder geld.</p> - -<p>Door tegenwind kwamen wij eerst na vijf dagen aan de andere haven. Wij -waren zeer verheugd en ik dankte den hemel hartelijk, toen ik mijne -voeten behouden aan wal zette, en besloot, even als mijn compagnon, op -iedere andere redelijke wijze met ons goed elders te gaan, liever dan -weder een voet op dit heilloos vaartuig te zetten; en waarlijk, onder -alle omstandigheden mijns levens heb ik ondervonden, dat niets iemand -zoo ongelukkig maakt als voortdurende vrees. Teregt zegt de Heilige -Schrift: "De vrees van den mensch brengt hem in eenen strik;" het is een -leven des doods, en de geest wordt zoo gedrukt, dat hij tot alle -inspanning buiten staat is. In ons geval deed de vrees hare gewone -uitwerking, namelijk door elk gevaar te verhoogen; alle Engelsche of -Hollandsche kapiteins te beschouwen als menschen, die geene reden -verstonden, eerlijke lieden niet van schelmen, noch een geheel verzonnen -verhaal van een waarachtig verslag van onze reis en ons oogmerk konden -onderscheiden. Ieder verstandig mensch toch hadden wij kunnen -overtuigen, dat wij geene zeeroovers waren. De goederen, die wij aan -boord hadden, onze koers, de wijze waarop wij ons vertoonden en deze en -die havens binnenliepen, onze zwakke bemanning en weinige -krijgsbehoeften en leeflogt, alles had iedereen moeten overtuigen, dat -wij geene zeeroovers waren. De opium en andere goederen, die wij aan -boord hadden, bewezen dat wij van Bengalen kwamen; de Hollander, die, -naar men zeide, de namen kende van het volk, dat op het schip was -geweest, kon gemakkelijk zien, dat ons volk uit Engelschen, Portugezen -en Hindoes bestond, en dat wij slechts twee Hollanders aan boord hadden. -Deze en vele andere bijzonderheden hadden een kapitein, als wij in zijne -handen gevallen waren, moeten overtuigen, dat wij geene zeeschuimers -waren. Maar de vrees, die blinde en nuttelooze hartstogt, verbijsterde -ons geheel en al, en spiegelde ons duizend ijselijkheden voor, die -misschien nimmer konden gebeuren. Wij onderstelden, dat de Engelschen en -Hollanders, vooral de laatsten, zoo woedend waren, dat wij hunne sloepen -afgeslagen hadden, dat zij zich met geen onderzoek zouden inlaten, of -wij zeeroovers waren of niet, maar ons ter dood brengen, zonder naar -onze verdediging te hooren. Wij hielden ons voor, dat werkelijk in vele -opzigten de schijn zoo tegen ons was, dat zij aan geen verder onderzoek -zouden denken. Vooreerst toch was het schip hetzelfde, gelijk sommige -zeelieden wisten, die er aan boord geweest waren; en ten tweede, dat -toen wij de tijding kregen, dat hunne sloepen op ons afkwamen, wij deze -bevochten en daarop de vlugt kozen, zoodat dit hen ten volle overtuigen -moest, dat wij zeeroovers waren; gelijk ik in hun geval niet aarzelen -zou, al het scheepsvolk, dat in zulke omstandigheden gevangen genomen -werd, daarvoor te houden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_070.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hoe het ook zij, deze angst kwelde ons; en zoowel mijn compagnon als ik -droomden schier elken nacht van galg en strop en gevangenneming, van te -dooden of gedood te worden, en op zekeren nacht werd ik in mijnen droom -zoo woedend, dat ik meende, dat een Hollandsch schip ons enterde en ik -een matroos nedervelde, dat ik met mijne vuist zoo geweldig tegen het -beschot van de kajuit, sloeg, dat ik mij geweldig kneusde. De pijn deed -mij ontwaken, en ik vreesde eerst, dat ik twee vingers verliezen zou. -Nog eene vrees kwelde mij, namelijk die voor eene wreede behandeling. -Toen herinnerde ik mij den moord van Amboina, en hoe wreed de Hollanders -daar te werk waren gegaan, en hoe zij thans eenige onzer ook ligt door -pijnigingen de bekentenis konden afpersen, dat wij zeeroovers waren, en -dan zouden zij ons met eenen schijn van regt ter dood brengen; de winst -van ons schip en lading was eene groote verzoeking hiertoe, want met -elkander was dit wel vier of vijfduizend Pond st. waardig. Dit alles -ontrustte mijn compagnon en mij dag en nacht. Wij troostten ons met de -gedachte, dat koopvaardijkapiteins het regt niet hebben, om zoo te -handelen, en dat, als wij ons aan hen gevangen gaven, zij onzen dood of -pijniging zouden moeten verantwoorden in hun land; maar als zij ons zoo -behandelden, wat kon het ons baten, dat zij daarvoor ter verantwoording -geroepen werden; als wij dood waren, wat baatte het ons of zij daarvoor -later gestraft werden.</p> - -<p>Ik kan niet nalaten hier mijne gedachten te vermelden over mijne -omstandigheden, hoe hard ik het achtte, dat ik, die na een veertigjarig -leven vol ongemakken, als het ware in de haven gekomen, waarnaar -iedereen verlangt, namelijk die van rust en overvloed, vrijwillig door -mijne eigene dwaze verkiezing, nieuwe rampen in den mond was geloopen, -vooral dat ik, die in mijne jeugd aan zoovele gevaren ontkomen was, nu -op mijnen ouden dag, in zulk eene afgelegene plaats opgehangen moest -worden, voor eene misdaad, waaraan ik niet eens gedacht, laat staan die -begaan had, zonder dat mijne onschuld mij kon beschermen.</p> - -<p>Somwijlen bedacht ik, dat ik mij aan alles wat de Voorzienigheid over -mij besloten had, moest onderwerpen, en dat, hoezeer ook onschuldig voor -de menschen, ik echter niet schuldeloos voor mijnen Schepper was, en dat -ik behoorde na te gaan door welken misstap ik mij deze straf op den hals -had gehaald, en mij daaraan te onderwerpen, even als aan eene schipbreuk -of anderen rampspoed, die het God behagen mogt mij toe te zenden.</p> - -<p>Op andere tijden kwam de stoutmoedigheid boven, en dan nam ik het -besluit, om mij niet in koelen bloede door onmededoogende lieden te -laten mishandelen; beter ware het in de handen der kannibalen te vallen, -die mij dooden en verslinden, maar niet onmenschelijk pijnigen zouden. -Ik had altijd besloten, mij tegen de wilden tot den laatsten droppel -bloeds te verdedigen, en waarom dan nu niet, daar het mij althans -vreeselijker toescheen in de handen der Europeërs te vallen. Als deze -gedachten bij mij opkwamen, begon mijn bloed te koken en mijne oogen te -fonkelen, en ik besloot, mij zoolang te verdedigen als ik kon, en als -dit niet langer mogelijk was, het schip in de lucht te laten springen.</p> - -<p>Maar hoe heviger onze bekommering hierover was, des te grooter was onze -vreugde toen wij behouden aan wal waren. Mijn compagnon zeide, dat hij -gedroomd had, hoe hij met eene zware lading een heuvel moest opstijgen, -en dat zijne krachten hem begaven, maar toen kwam de Portugesche loods -en nam hem zijne lading af, en zijn weg werd effen. En waarlijk ons -allen was een pak van het hart genomen. Ook ik was van eenen last -ontheven, dien ik niet langer kon dragen, en wij besloten niet weder met -dit schip in zee te gaan. Toen wij aan wal waren, bezorgde de Portugees, -dien wij thans als een vriend beschouwden, ons een verblijf voor ons en -een pakhuis voor onze goederen; het was een klein huis met een groot -huis er aangetrokken, geheel van bamboes gebouwd en rondom met groote -bamboezen gepalissadeerd, om de dieven te weren, die daar naar het -schijnt in overvloed waren. De overheid stond ons echter bovendien een -wacht toe, namelijk een soldaat, die met eene soort van hellebaard voor -de deur op schildwacht stond, en dien wij eenige rijst en eenig geld, -ter waarde van drie stuivers dagelijks, gaven, zoodat onze goederen -veilig waren.</p> - -<p>De gewone jaarmarkt was hier reeds voorbij, echter vonden wij eenige -jonken op de rivier en twee schepen uit Japan met goederen, die zij in -China gekocht hadden, en die nog niet vertrokken waren, omdat de -eigenaars zich aan wal bevonden.</p> - -<p>Het eerste wat onze loods deed, was, dat hij ons in kennis bragt met -drie Roomsche zendelingen, die eenigen tijd in de stad geweest waren, om -de inboorlingen te bekeeren. Ik geloof, dat zij weinig bekeerlingen -maakten, doch dit ging ons niet aan. Een hunner was een Franschman, -vader Simon genaamd, een hupsch, opgeruimd man, en van geen zoo ernstig -en statig voorkomen als de twee anderen, een Genuees en een Portugees. -Vader Simon was beleefd en vrolijk in gezelschap; de anderen waren -terughoudender en schenen ijverig in hunne zaak, namelijk om met de -inboorlingen om te gaan en met hen te spreken. Wij aten dikwijls met -hen, maar ik moet bekennen, dat schoon hunne bekeeringen zich meestal -bepaalden met den naam van Christus te leeren uitspreken, eenige gebeden -tot de H. Maagd en Christus te doen, in eene taal, die zij niet -verstonden, deze zendelingen echter vast vertrouwen, dat dit tot het -eeuwig heil van hunne bekeerlingen strekt. In dit vertrouwen verduren -zij niet alleen de moeijelijkheden der reis en de gevaren aan hun -verblijf alhier verknocht, maar zij ondergaan soms welgemoed den dood en -de akeligste folteringen. Hoe wij ook over hunnen arbeid denken, wij -moeten altijd eerbied hebben voor hunnen ijver, die hen zoovele gevaren -doet trotseren, zonder eenig uitzigt op wereldlijk voordeel.</p> - -<p>Doch om tot mijn verhaal terug te keeren. Vader Simon was, naar het -schijnt, door den superior der zending gelast, om naar Peking, het -verblijf van den keizer, te gaan, en daar een ander priester af te -wachten, die van Macao derwaarts zou gaan; en dan met dezen verder te -trekken. Wij spraken hem bijkans nimmer of hij drong bij ons aan, om met -hem die reis te doen, zeggende, dat hij mij alle merkwaardigheden van -dit magtige rijk, en onder anderen de grootste stad der wereld zou laten -zien; "eene stad," zeide hij, "veel grooter dan Londen en Parijs te -zamen." Hier meende hij Peking mede, dat zeker zeer groot en ontzettend -bevolkt is, maar daar ik de zaken niet zoo als alle menschen beschouw, -zal ik mijn gevoelen in het vervolg mijner reis daarover zeggen.</p> - -<p>Om tot mijnen zendeling weder te keeren. Op zekeren dag, dat wij zamen -vrolijk aan tafel zaten, toonde ik eenigen flaauwen lust, om met hem -mede te gaan, en hij drong er bij mij en mijnen compagnon op nieuw sterk -op aan. "Maar vader Simon!" zeide mijn compagnon, "hoe verlangt gij zoo -naar ons gezelschap? Gij weet, dat wij ketters zijn, die gij niet -liefhebben kunt, noch met genoegen er mede in gezelschap zijn."—"O," -antwoordde hij, "misschien wordt gij met den tijd nog goede katholijken; -mijne taak is hier de heidenen te bekeeren, wie weet of ik u ook nog -niet bekeer?"—"Mooi, vader!" zeide ik, "dan zult gij ons den geheelen -weg over voorprediken?"—"Ik zal u niet tot last zijn," zeide hij. "Onze -godsdienst belet ons niet welvoegelijk te zijn; bovendien zijn wij hier, -als het ware, landslieden, en schoon gij een protestant zijt en ik een -katholijk ben, zijn wij toch beide Christenen, en in allen geval beide -beschaafde lieden, en dus kunnen wij met elkander omgaan, zonder -elkander tot last te zijn." Dit antwoord beviel mij zeer, en deed mij -denken aan den jongen priester, dien ik in Brazilië achtergelaten had; -doch bij wiens karakter dat van vader Simon niet halen kon, want schoon -men hem geene laakbare ligtgeloovigheid kon te last leggen, bezat hij -echter niet dien Christelijken ijver en die opregte godsvrucht en -vroomheid van dien waardigen geestelijke.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_071.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij zullen hem een oogenblik daarlaten, schoon hij nimmer ophield met -aandringen, dat ik met hem zou gaan; maar wij hadden thans andere -zorgen; want ons schip en onze lading lag ons nog op den hals, en wij -wisten niet wat wij er mede doen zouden, want op deze plaats was weinig -handel, en eens stond ik op het punt om naar Nanking te zeilen; doch de -Voorzienigheid scheen thans zigtbaar voor ons te waken, en ik begon te -hopen eenmaal mijn vaderland te zullen wederzien, schoon ik nog niet -wist op welke wijze. In de eerste plaats bragt onze oude Portugesche -loods een Japanschen koopman bij ons, die ons vroeg, welke goederen wij -hadden. Hij kocht ons dadelijk al onzen opium af tot een zeer goeden -prijs, en betaalde ons in goud, bij het gewigt, gedeeltelijk in -Japansche muntstukjes, en gedeeltelijk aan staafjes van tien of twaalf -oncen. Terwijl wij met hem over den opium handelden, kwam het bij mij -op, dat hij het schip misschien ook wel koopen wilde, en ik zeide den -tolk, om hem dit voor te slaan. Hij haalde bij het eerste voorstel de -schouders op; maar hij kwam eenige dagen daarna terug met een van de -zendelingen, om hem tot tolk te dienen, en zeide, dat hij mij eenen -voorslag te doen had. Hij had namelijk eene menigte goederen van ons -gekocht, zonder eenige gedachten te hebben, dat hem het schip te koop -zou geboden worden; en hij had er dus nu geen geld voor; maar als wij -hetzelfde volk daar aan boord wilden laten, wilde hij het schip huren, -om naar Japan te gaan, en het vandaar met eene andere lading, waarvan -hij de vracht betalen zou, naar de Philippijnsche eilanden zenden, en -als het terugkwam zou hij het schip koopen. Ik had hier wel ooren naar, -en zoo zat het zwerven mij nog in het hoofd, dat ik lust kreeg, om mede -te gaan, en van de Philippijnsche eilanden naar de Zuidzee te gaan, en -dus vroeg ik aan den Japanees, of hij ons niet huren wilde tot aan de -Philippijnsche eilanden en ons daar ontslaan. Hij zeide neen, want dan -kon hij geene retour voor zijne lading krijgen, maar hij wilde ons in -Japan, als het schip terugkwam, wel ontslaan. Ik stond op het punt, om -hierin toe te stemmen, maar mijn compagnon, die verstandiger was dan ik, -bragt er mij van af, en hield mij de gevaren voor, zoowel van deze zeeën -als van de Japanezen, die een wreed, arglistig volk zijn, en van de -Spanjaarden op de Philippijnsche eilanden, die nog veel wreeder, -arglistiger en verraderlijker zijn.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 465px;"> -<img src="images/crus02_072.jpg" width="465" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Om dit verhaal van onze zaken te bekorten, moet ik vermelden, dat wij -eerstelijk den kapitein en het volk vroegen of zij genegen waren, om -naar Japan te gaan, en terwijl dit gebeurde, kwam de jonge man, dien -mijn neef, gelijk ik verhaald heb, bij mij achtergelaten had, bij mij en -zeide, dat hij deze reis als zeer voordeelig zullende zijn beschouwde, -en dat hij gaarne zou zien, dat ik medeging, maar als ik dit niet wilde, -maar hem verlof geven, dat hij dan als koopman mede zou gaan, of zoo als -ik zou goedvinden, om hem aan te stellen, dat zoo hij in Engeland -terugkwam en mij daar in leven vond, hij mij getrouwe rekening zou -afleggen, en dat ik hem dan kon afstaan wat ik wilde. Ik had weinig -lust, om van hem te scheiden, maar als ik de voordeelige vooruitzigten -overwoog, en dat hij een jongman was, op wien men rekenen kon, besloot -ik er toe, maar zeide, dat ik eerst mijn compagnon wilde spreken, en hem -den volgenden dag zou antwoorden. Mijn compagnon deed mij een zeer -edelmoedig voorstel. "Gij weet," zeide hij, "dat dit een ongelukkig -schip is, en dat wij er niet weder mede in zee willen steken; als uw -hofmeester (zoo noemde hij hem) het wagen wil, zal ik mijn aandeel in -het schip aan hem overlaten, en als wij elkander in Engeland aantreffen, -en het is hem wel gegaan, zal hij ons de helft van de lading -verantwoorden en de andere helft zal voor hem zijn."</p> - -<p>Toen mijn compagnon, voor wien de jonge man een vreemdeling was, zulk -een voorstel deed, kon ik niet wel minder doen, en daar al het -scheepsvolk de reis wilde doen, droegen wij de helft van het schip aan -hem in eigendom over, en ik liet hem eene verbindtenis teekenen voor de -andere helft, en daarop vertrok hij naar Japan. De Japansche koopman was -een zeer braaf, eerlijk man; hij beschermde hem te Japan en bezorgde hem -eene vergunning om aan den wal te komen, hetgeen voor eenen Europeër -zeer moeijelijk gaat. Hij betaalde prompt de vracht, en zond hem toen -naar de Philippijnsche eilanden met Japansche en Chinesche goederen, -waarvoor hij van de Spanjaarden Europesche goederen en eene menigte -nagelen en specerijen inhandelde; en toen hij te Japan teruggekomen was -en eene zeer goede vracht ontving, en hij geen lust had om het schip te -verkoopen, bezorgde de koopman hem goederen voor zijne eigene rekening, -waarmede hij weder naar Manilla ging. Hier wist hij zijn schip vrij te -krijgen en de gouverneur huurde het, om naar Acapulco op de kust van -Mexico te gaan; en gaf hem eene vergunning, om aldaar te landen, naar -Mexico te gaan, en op een Spaansch schip met al zijn volk naar Europa te -gaan. Hij kwam gelukkig te Acapulco en verkocht daar zijn schip, en -ontving verlof om te land naar Porto Bello te gaan, vanwaar hij kans -zag, om naar Jamaica te komen, en acht jaren later kwam hij als een -schatrijk man in Engeland. Doch ik keer tot onze zaken terug.</p> - -<p>Nu wij het schip en scheepsvolk verlieten, moesten wij natuurlijk -denken, hoe wij de twee mannen beloonen zouden, die ons zoo van pas -gewaarschuwd hadden, voor het gevaar, dat wij op de rivier Cambodia -liepen. Het was waar, dat zij ons eene groote dienst gedaan en wij hun -veel schuldig waren; schoon het toch een paar groote schurken waren, -want daar zij geloofden dat wij zeeroovers en werkelijk met het schip -doorgegaan waren, kwamen zij ons niet alleen waarschuwen voor hetgeen -men tegen ons voornemens was, maar om met ons als zeeroovers in zee te -steken; en een hunner liet zich naderhand eens ontvallen, dat alleen de -hoop om op zeeroof uit te gaan hem daartoe had overgehaald. Dit -verminderde echter de dienst niet, die zij ons bewezen hadden, en daar -ik beloofd had hun dankbaar te zullen zijn, gelastte ik hun eerst de -gaadje te betalen, die zij zeiden, dat zij op hun vorig schip te goed -hadden gehad, dat wil zeggen den Engelschman negentien en den Hollander -zeven maanden gaadje; en bovendien gaf ik hun eenig goud, waarmede zij -zeer tevreden waren, en maakte den Engelschman konstapel aan boord, daar -de konstapel thans tweede stuurman en schrijver was geworden, en den -Hollander maakte ik bootsman. Zoo waren zij beide zeer in hun schik en -tevens van veel dienst, want het waren bekwame zeelieden en moedige -kerels.</p> - -<p>Wij waren thans in China aan wal. Zoo ik in Bengalen mij ver van mijn -vaderland had geacht, waar ik op verschillende wijzen voor mijn geld -naar huis kon keeren, wat moest ik dan nu denken, nu ik er ongeveer -duizend mijlen verder af was, en zonder eenig vooruitzigt om derwaarts -te kunnen gaan. Het eenigste was dat er op de plaats waar wij waren, -over vier maanden weder eene markt zou gehouden worden, waarop wij -allerlei goederen konden inslaan, en welligt een of andere Chinesche -jonk koopen, om ons te brengen waar wij wilden. Ik besloot dus hierop te -wachten, en misschien, daar wij voor onze personen niets te vreezen -hadden, konden wij, als een Hollandsen of Engelsen schip hier kwam, onze -goederen daarin laden en er mede hier of daar in Indië komen, waar wij -altijd digter bij huis waren. In afwachting daarvan deden wij tot ons -vermaak twee of drie reizen landwaarts in. Eerstelijk deden wij een reis -van tien dagen naar Nanking om dat te zien, eene stad die het wel -verdient. Men Zegt, dat het een millioen bewoners heeft, wat ik echter -niet geloof; de stad is regelmatig gebouwd, met regte straten, die -elkander regthoekig doorsnijden, hetgeen zeer goed staat.</p> - -<p>Toen ik echter de jammerlijke bewoners met onze landgenooten vergeleek, -hunne fabrieken, hunne levenswijs, hunne regering, hunne godsdienst, hun -rijkdom en pracht (gelijk men die somtijds noemt), dan moet ik bekennen, -dat die geene melding verdient, en evenmin waardig is beschreven als -gelezen te worden. Het is opmerkelijk, dat wij ons altijd zoo verwonderd -hebben over de grootheid, rijkdom, luister, ceremoniën, regering, -manufacturen, handel en zeden van dit volk; niet omdat dit alles zoo -bewonderenswaardig is, maar omdat wij aldaar niet die onbeschaafdheid en -domheid vinden, die wij algemeen in dit werelddeel verwachten. Maar -anders, wat zijn hunne gebouwen bij de paleizen en vorstelijke -gestichten van Europa? Wat is hun handel bij dien van Engeland, Holland, -Frankrijk en Spanje? Wat zijn hunne steden bij de onze, ten aanzien van -rijkdom, sterkte, vrolijk voorkomen, rijke meubelen en verscheidenheid? -Wat zijn hunne havens, waarin eenige jonken en sloepen liggen, bij onze -zeevaart? Londen alleen drijft meer handel dan geheel het Chinesche -rijk. Een Engelsch, Hollandsch of Fransch oorlogschip van 80 stukken zou -heel de Chinesche zeemagt vernielen. Maar hun rijkdom, handel, krachtige -regering en sterk leger wekt onze verbazing, omdat wij gewoon zijn hen -als onbeschaafde Heidenen, weinig beter dan wilden te beschouwen, en dus -niets van dien aard bij hen verwachten. Uit dit oogpunt heeft men al -hunne grootheid en magt beschouwd. Met hun leger is het even als met -hunne zeemagt gesteld; al hunne strijdkrachten, al bragten zij ook twee -millioen op de been, zou niets uitrigten dan het land vernielen en -uithongeren. Als zij eene sterke vesting of een goed gedisciplineerd -leger moesten bevechten, zou een gelid zware ruiterij al de Chinesche -ruiterij over hoop werpen; een milloen van hun voetvolk zou geen stand -houden tegen een troep van ons voetvolk, als dit niet omsingeld kon -worden, al waren zij een tegen twintig. Ik snoef niet als ik zeg, dat -dertigduizend man voetvolk en tienduizend ruiters al de legers van China -zouden verslaan. Even ver gaan wij hen in vestingbouwkunde te boven; -geen vesting in China zou het eene maand tegen een Europeesch leger -uithouden, en al de magt van China zou Duinkerken niet kunnen innemen, -in geen tien jaren zelfs, ten ware door het uit te hongeren. Zij hebben -zeker geweren, maar het zijn lompe, slecht gemaakte stukken, en hun -kruid draagt niet ver. Hunne soldaten zijn zonder tucht, ongeoefend, -even onbekwaam tot aanval als tot verdediging. Ik verwonderde mij -derhalve niet weinig, toen ik te huis gekomen zoo veel fraais hoorde van -de magt, luister en rijkdom der Chinezen, daar ik wist dat het een -verachtelijke troep slaven was, onder eene regering alleen in staat zulk -een volk te regeren. Ware China niet zoo ver van Rusland, en ware dit -land zelf niet nog zoo onbeschaafd, dan kon de Czaar van Rusland hen -allen met gemak in een veldtogt uit hun land drijven en dit veroveren. -Zoo Czaar Peter I dezen kant uit oorlog gevoerd had, in plaats van zich -met de krijgshafte Zweden in te laten, zou hij thans Keizer van China -kunnen zijn, in stede van door den Koning van Zweden te Nerva geslagen -te zijn met eene zes maal mindere magt. Even als hunne kracht en -grootheid zoo is ook hun handel, zeevaart en landbouw zeer gebrekkig, -bij die van Europa vergeleken; even zoo is het met hunne -wetenschappelijke kennis; zij bezitten aard- en hemelglobes en weten -iets van de wiskunde, maar hoe onwetend vindt men al hunne geleerden bij -nader onderzoek. Van de beweging der hemelligchamen weten zij niets, en -zij zijn zoo dom, dat zij bij eene zonsverduistering zich verbeelden, -dat eene groote draak met de zon vecht, en daarom slaat iedereen op -trommen en ketels om het monster te verjagen, even als wij doen om een -bijenzwerm bijeen te houden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_073.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Deze uitweiding is de eenigste van dien aard, die ik in het verhaal van -al mijne reizen gedaan heb, en zij zal de laatste zijn. Het ligt niet in -mijn bestek meer beschrijvingen van landen en volken te geven, maar -alleen een verslag te geven van mijne eigene lotgevallen, gedurende een -zoo wisselvallig en onrustig leven als men zelden zien zal. Ik zal dus -niets zeggen van de vele volkeren, belangrijke plaatsen en eenzame -landstreken, die ik nog moet doortrekken, anders dan voor zoo verre het -tot regt verstand van mijn verhaal vereischt wordt. Ik was thans, naar -mijne beste schatting in het hart van China, ongeveer 30° noordwaarts -van de linie, want wij waren naar Nanking teruggekeerd. Ik had wel lust -om Peking te zien, daar ik zoo veel van gehoord had, en vader Simon -spoorde er mij alle dagen toe aan. Eindelijk was de andere zendeling, -die met hem mede moest gaan, van Macao aangekomen, en het werd tijd, dat -wij besloten al of niet te gaan. Ik liet het geheel aan mijn compagnon -over, die eindelijk besliste, dat wij gaan zouden, en wij maakten ons -dus daartoe gereed. Wij ontvingen verlof om in het gevolg van een -mandarijn te reizen, een soort van Onderkoning of Gouverneur van eene -provincie, die eene groote staatsie houdt, en met groot gevolg reist. -Het volk bewijst hun veel eer, schoon zij het dikwijls vrij wat -verarmen, want al de gewesten, die zij doortrekken, zijn verpligt hun -levensmiddelen voor hen en hun gevolg te verschaffen. Wat ons betrof, -als tot het gevolg van den mandarijn behoorende, ontvingen wij -levensmiddelen genoeg, zoo voor ons als onze paarden; maar wij waren -verpligt alles naar den marktprijs van het gewest te betalen aan des -mandarijns hofmeester of opzigter, die dit van ons afeischte; zoodat, -schoon het reizen in zijn gevolg voor ons zeer aangenaam was, het echter -niet alleen eene gunst van hem, maar ook zeer voordeelig voor hem was, -aangezien er nog dertig lieden even als wij in zijn gevolg of onder -zijne bescherming reisden. Dit was zeer voordeelig voor hem, want het -gewest gaf hem allen leeftogt om niet, en hij nam ons er ons geld voor -af.</p> - -<p>Wij deden in vijfentwintig dagen de reis naar Peking, door een zeer -bevolkt, maar slecht bebouwd land; de akkerbouw en levenswijze waren er -even ellendig, hoe breed men ook van de nijverheid van dit volk opgeeft; -ik zeg ellendig als wij hunne levenswijze bij de onze vergelijken of zoo -moesten leven, maar voor hen, die niet beter weten, is zij dit niet. De -hoogmoed van dit volk is geweldig, en wordt alleen door hunne armoede -overtroffen, hetgeen hun leven nog ellendiger maakt. De naakte wilden in -Amerika leven, dunkt mij, gelukkiger, want schoon deze niets hebben, -begeeren zij ook niets, terwijl de Chinezen trotsch en onbeschoft en -voor het meerendeel smerige bedelaars zijn. Hunne opgeblazenheid is -ongeloofelijk en blijkt hoofdzakelijk in hunne kleeding en gebouwen en -in het houden van eene menigte slaven of bedienden, en, wat nog het -bespottelijkste is, dat zij alles in de wereld verachten behalve -zichzelven. Ik reisde naderhand met veel meer genoegen door de -wildernissen en woestijnen van Tartarijë dan hier; schoon de wegen zeer -goed bestraat en onderhouden zijn, en zeer gemakkelijk voor reizigers; -maar niets hinderde mij meer dan het zien van zulk een opgeblazen -trotschheid, te midden van de grootste armoede en domheid. Mijn vriend, -vader Simon, en ik lachten zeer dikwijls om de armoede en trotschheid -van dit volk. Een blijk hiervan zagen wij bij een landedelman, gelijk -vader Simon hem noemde, ongeveer tien mijlen van Nanking, met welke wij -een paar mijlen gereden hadden. Hij was een volmaakte Don Quichot, een -zamenstel van armoede en grootschheid.</p> - -<p>Zijn rok was zeer goed geweest voor een hansworst, want hij was vol -lappen en gaten. Zijn onderkleed van zijde was zoo smerig, dat Zijn -Hoog-Edele een allergrootste smeerpoets moest zijn. Zijn paard was een -manke, magere knol, zoo als men in Engeland voor dertig schellingen kan -koopen, en twee slaven volgden hem te voet om het beest voort te -drijven. Hij had een zweep in de hand, waarmede hij het even hard van -voren sloeg als zijne slaven van achteren, en zoo reed hij met ons, -gevolgd door tien of twaalf slaven. Wij vernamen, dat hij van de stad -naar zijn landverblijf, eene halve mijl verder op, ging. Wij reden -langzaam en onze edelman reed ons vooruit, en daar wij een uur in een -dorp gebleven waren om te ontbijten, zagen wij hem, toen wij zijn -landhuis voorbijkwamen, op een pleintje voor de deur aan den maaltijd -zitten; het was een soort van tuin, en wij zagen hem ligtelijk, gelijk -men ons ook zeide, dat hoe meer wij naar hem zagen, hoe aangenamer het -hem zijn zou.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crus02_074.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hij zat onder eene soort van palmboom, die hem schaduw gaf, echter had -hij nog een groot zonnescherm boven zich. Hij zat in een grooten -leuningstoel, want hij was zeer zwaarlijvig, en twee slavinnen bragten -zijn eten op, terwijl twee anderen bezig waren met eene dienst, waarop, -geloof ik, weinig heeren in Europa gesteld zouden zijn; de een namelijk -stopte hem het eten in den mond, en de andere hield met de eene hand -den schotel, en nam met de andere op hetgeen in zijn baard of op zijn -kleed viel.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crus02_075.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij lieten hem in den waan, dat wij over zijne pracht verrukt waren, -terwijl wij die belachten, maar vader Simon wilde weten wat hij op zulk -een feestdag at, en hij had, gelijk hij zeide, de eer gehad er van te -mogen proeven; het was gekookte rijst met groene peper en eene specerij, -die naar muskus riekt en bijkans als mostaard smaakt. Dit alles was met -een stukje schapenvleesch door elkander gekookt, en uit dezen enkelen -schotel bestond zijn geheele maaltijd. Vier of vijf dienstboden stonden -op een afstand, waarschijnlijk op het overschot te wachten.</p> - -<p>Wat den mandarijn betreft, met wien wij reisden, deze werd als een vorst -geëerd; hij was altijd door zijn stoet zoo omringd en zoo bediend, dat -ik hem altijd slechts op een afstand kon zien. Ik heb echter geen enkel -paard in zijn gevolg gezien, dat bij een onzer gewone karrenaarden halen -kon; maar zij waren allen zoo bedekt met mantels en kleeden, dat men -weinig anders dan den kop en de pooten van hen zien kon.</p> - -<p>Ik was thans welgemoed; bevrijd van al mijne onrust, reisde ik thans -zeer opgeruimd, ook had ik geenerlei wederwaardigheden, dan dat bij het -rijden door eene beek mijn paard viel en mij burger maakte, gelijk men -zegt; dat wil zeggen, mij er in wierp; het was niet diep, maar ik werd -door en door nat. Ik maak hiervan gewag, omdat ik in mijn zakboek -verscheidene namen van volken en plaatsen had opgeschreven, en daar ik -die bladen niet droogde, verrotten zij, en tot mijn spijt verloor ik zoo -de namen van verscheidene plaatsen, die ik doorgetrokken was.</p> - -<p>Eindelijk kwamen wij te Peking. Ik had niemand bij mij dan den -jongeling, dien mijn neef den kapitein, mij tot mijne bediening had -achtergelaten, die even trouw als schrander was; en mijn compagnon had -slechts een dienstbode, die aan hem verwant was, bij zich. Daar de -Portugesche loods ook verlangde het hof te zien, deed hij de reis op -onze kosten, en hij diende ons als tolk, want hij sprak de taal van het -land en zeer goed Fransch, en een weinig Engelsch. Deze oude man was -ons zeer nuttig, want naauwelijks waren wij eene week te Peking of hij -kwam lagchende bij mij en zeide: "O, senhor Inglese, ik heb u iets te -zeggen, dat u bijzonder verheugen zal."—"Mij verheugen," zeide ik, "ik -geloof niet, dat hier te lande mij iets bijzonder verheugen of bedroeven -kan."—"Ja, ja," zeide hij, "het zal u blijde en mij bedroefd maken." -Dit maakte mij nieuwsgierig. "Waarom zal het u bedroefd -maken?"—"Omdat," zeide hij, "gij mij hier, vijfentwintig dagreizen ver, -gebragt heb, en ik nu alleen zal moeten terugkeeren, zonder schip, -zonder paard, zonder geld."—Kortom hij verhaalde mij, dat eene groote -karavaan van Russische en Poolsche kooplieden in de stad was, die over -vier of vijf weken te land naar Rusland zouden gaan, en hij achtte het -als zeker, dat ik deze gelegenheid te baat zou nemen en hem alleen laten -terugkeeren. Ik moet bekennen, dat dit nieuws mij onbeschrijfelijk -verraste en mij eene poos sprakeloos maakte, maar eindelijk zeide ik: -"Zijt gij daar zeker van? Hoe weet gij dat?"—"Ik heb dezen morgen een -Armeniër ontmoet," hernam hij, "die onlangs van Astracan gekomen is, en -naar Nanking wilde, waar ik hem vroeger heb leeren kennen; maar deze -heeft thans zich bedacht en besloten met de karavaan naar Moscou, en zoo -den Wolga af naar Astracan te gaan."—"Kom senhor," zeide ik, "wees niet -ongerust over uwe terugreis; als ik langs dezen weg naar Engeland kan -terug komen, behoeft gij niet weder naar Macao te gaan als gij niet -wilt." Ik raadpleegde daarop mijn compagnon en vroeg hem wat hij er van -dacht. Hij zeide, dat hij juist zoo handelen zou als ik, want hij had -zijne zaken in Bengalen zoo goed geschikt, en in zulke vertrouwde handen -achtergelaten, dat als wij de winst van onze reis in ruwe en gewerkte -Chinesche zijde konden steken, hij gaarne naar Engeland wilde gaan, en -vandaar met een compagniesschip naar Bengalen terugkeeren.</p> - -<p>Na dit bepaald te hebben, besloten wij, dat als onze Portugesche loods -wilde mede gaan, wij de reiskosten voor hem tot Moscou of Engeland -zouden dragen; en dit was het minste wat wij voor hem konden doen voor -de vele diensten, die hij ons bewezen had. Niet alleen was hij onze -loods op zee, maar aan den wal onze makelaar geweest, en met ons den -Japanschen koopman te brengen, had hij ons honderden guinjes in den zak -gebragt. Wij besloten dus hem bovendien eenige staafjes goud te geven, -ter waarde ongeveer van 175 Pond St. en de reiskosten voor hem en zijn -paard, uitgezonderd alleen den aankoop van een pakpaard voor zijne -goederen, te dragen. Wij riepen hem daarop om hem dit te verhalen. Ik -zeide, dat hij gevreesd had dat wij hem alleen zouden laten terugkeeren, -maar dat wij besloten hadden hem in het geheel niet te laten -terugkeeren; dat wij besloten hadden naar Europa met de karavaan terug -te keeren, en dat hij zou mede gaan, en nu wenschten wij te weten hoe -hij er over dacht. Hij schudde het hoofd, zeide dat het eene lange reis -was, en dat hij geen geld had om die te doen, noch om van te leven als -hij daar kwam. Wij zeiden dat dit wel zoo was, maar dat wij daarom -besloten hadden iets voor hem te doen, ten bewijze hoezeer wij zijne -gedane diensten erkenden, en hoe veel wij van hem hielden. Ik zeide hem -vervolgens wat wij hem wilden geven, en dat hij even als wij kon -besteden, en dat wij hem en zijne goederen, buiten onvoorziene -toevallen, in Rusland of Engeland zoude brengen, op onze kosten, behalve -alleen het vervoeren van zijn eigen goed.</p> - -<p>Hij was hierover verrukt, en zeide, dat hij de geheele wereld met ons -wilde doortrekken, en derhalve maakten wij alles gereed tot onze reis. -Even als wij hadden de andere kooplieden echter veel te doen, zoodat in -plaats van vijf weken het ruim vier maanden duurde, alvorens alles -gereed was.</p> - -<p>Het was in het begin van Februarij, toen wij Peking verlieten. Mijn -compagnon was met den ouden loods naar de haven, die wij eerst waren -binnengeloopen, teruggekeerd, om eenige goederen, die daar gebleven -waren, te verkoopen, en ik was met een Chineschen koopman, dien ik te -Nanking ontmoet had, en die thans naar Peking was gekomen, naar Nanking -gegaan, waar ik negentig stukken zware zijde, en nog tweehonderd stukken -zeer fraaije zijde, waaronder met goud doorwerkt, kocht, en die tegen -dat mijn compagnon terug kwam naar Peking terug bragt. Bovendien kochten -wij eene groote menigte ruwe zijde en eenige andere goederen. Onze -lading bedroeg alleen hieraan de waarde van drieduizend vijfhonderd Pond -St., waarmede wij, met thee en eenige fijne calicots en drie -kameelladingen nootmuskaten en nagelen, in het geheel achttien kameelen -voor onze rekening belaadden, behalve die waarop wij reden, en twee of -drie handpaarden en twee paarden met levensmiddelen, waardoor wij in het -geheel zesentwintig kameelen en paarden hadden.</p> - -<p>De karavaan was zeer groot en bestond naar ik meen uit ongeveer drie- of -vierhonderd paarden en kameelen en honderdtwintig man, allen goed -gewapend en uitgerust, want even als de karavanen in het Oosten dikwijls -door Arabieren worden aangevallen, zoo worden deze door Tartaren, schoon -deze niet zoo gevaarlijk zijn als de Arabieren, noch zoo barbaarsch na -de overwinning. De karavaan bestond uit personen van verschillende -natiën, voornamelijk Russen, want er waren meer dan zestig kooplieden -uit Moscou, waarvan eenige echter Lijflanders waren, en tot ons genoegen -waren er vijf Schotten, die lieden van veel ervaring en moed schenen te -zijn.</p> - -<p>Na een dag reizens riepen de gidsen, die vijf in getal waren, al de -passagiers, behalve de dienstboden, tot een grooten raad bijeen, zoo als -zij het noemden. Iedereen gaf daarbij eenig geld tot eene algemeene kas, -om onder weg voeder te koopen, de gidsen te betalen, paarden te huren en -dergelijke. En wijders werd hier de orde van de reis geregeld, namelijk -er werden officieren benoemd, om ingeval van een aanval het bevel te -voeren, en ieder had op zijne beurt het bevel. Dit was ook een maatregel -die zeer noodig was, gelijk in het vervolg blijken zal.</p> - -<p>Wij vonden hier het land overal zeer bevolkt, en vol pottebakkers en -lieden, die de aarde voor het porselein mengden; en eens kwam onze -Portugesche loods, die altijd op eene grap uit was, met een lagchend -gezigt bij mij, en zeide, dat hij mij de grootste merkwaardigheid des -lands zou laten zien, en dat ik na al het kwaad, dat ik al van China -gezegd had, zou moeten bekennen, dat ik iets gezien had, welks wederga -in de wereld niet te vinden was. Ik was zeer nieuwsgierig wat het was, -en eindelijk zeide hij het was een huis van porselein.—"Zoo," zeide ik, -"dat is mogelijk. Hoe groot is het? Kunnen wij het in een kist op een -kameel pakken? Dan wil ik het koopen."—"Op een kameel laden!" riep de -oude man, de handen ineenslaande, "er leeft een huisgezin van dertig -zielen in."</p> - -<p>Ik werd toen nog veel nieuwsgieriger, maar toen ik er bij kwam, was het -niets dan een gewoon houten huis of wel van latten en leem gebouwd, doch -met echt porselein gepleisterd, of liever met de klei waarvan het -porselein gemaakt wordt. De buitenzijde, waarop de zon brandde, was -verglaasd en zag er zeer goed en helder wit uit en was met blaauwe -figuren beschilderd, gelijk men op het groote porselein ziet. Van binnen -waren geen beschotten van hout, maar de muren waren met geschilderde -platte tegels belegd, gelijk onze vierkante muurtegels, allen van het -fijnst porselein en zeer fraai beschilderd, met allerlei kleuren, met -goud doormengd; verscheidene steentjes vormden slechts eene figuur, maar -zij waren zoo kunstig met cement van dezelfde klei vereenigd, dat men de -voegen moeijelijk ontdekken kon. In de kamers was de vloer even zoo, en -volmaakt effen en hard, maar niet verglaasd en geschilderd, behalve in -eenige kamertjes of kabinetjes, die geheel in het rond op gelijke wijze -gepleisterd waren, en ook het dak was met soortgelijke, maar -donkerzwarte tegels belegd.</p> - -<p>Dit mogt inderdaad een porseleinen pakhuis heeten, en zoo ik niet verder -had moeten trekken, zou ik eenige dagen met de bezigtiging hebben kunnen -besteden. Men zeide mij dat er in den tuin fonteinen en vijvers waren, -waarvan de bodem en de zijden even zoo geplaatst waren, terwijl de paden -bezet waren met beelden van dezelfde porseleinaarde gevormd en in hun -geheel gebakken. Daar dit een der merkwaardigheden van hun land is, -mogen zij er zeker wel op roemen, maar zij overdrijven geweldig, want -zij verhaalden mij zulke ongelooflijke dingen van hetgeen zij van -porselein konden maken, dat ik zeker weet, dat niet waar kon zijn. Een -onder anderen, vertelde mij van een werkman die een schip gemaakt had, -met al zijn want, masten en zeilen, groot genoeg om vijftig man te -voeren. Zoo hij mij niet verhaald had, dat hij het te water had gebragt -en er eene reis mede naar Japan gedaan had, had ik er iets van kunnen -gelooven, maar nu wist ik, dat de geheele zaak eenvoudig een leugen was. -Ik lachte daarom en zeide er niets van.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_076.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het bezien van dit huis had mij twee uren achter de karavaan doen -blijven, waarvoor de aanvoerder mij voor drie schellingen ongeveer -beboette, en mij zeide, dat zoo ik drie dagreizens buiten den muur -geweest was, even als thans drie dagreizens er binnen, hij mij vier -malen zoo hoog had moeten beboeten, en op den volgenden raadsdag om -verschooning doen vragen. Ik beloofde in het vervolg beter te zullen -oppassen, en vond naderhand dat de bevelen, om allen bijeen te blijven, -hoogst noodzakelijk waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 575px;"> -<img src="images/crus02_077.jpg" width="575" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Twee dagen later passeerden wij den grooten muur van China, die tot eene -versterking tegen de Tartaren strekt. Het is een ontzettend werkstuk, -dat eindeloos ver over heuvelen en bergen loopt, tot waar de rotsen -onbeklimbaar en de afgronden niet over te trekken zijn. Men zeide mij, -dat hij bijkans duizend Engelsche mijlen lang is, maar dat de -uitgestrektheid van het landschap, dat hij omgeeft, in eene regte lijn -slechts vijfhonderd is; hij is vier vademen hoog en op vele plaatsen -even zoo dik.</p> - -<p>Een uur of daaromstreeks besteedde ik om dien zoo ver ik kon te bezien, -zonder de orders te overtreden, want zoo lang had de karavaan werk om -hem door te trekken; en onze gids, die dit wereldwonder reeds dikwijls -geroemd had, verlangde zeer te vernemen hoe ik er over dacht. Ik zeide, -dat het een uitmuntend werkstuk was om de Tartaren af te weren, hetgeen -hij anders opvatte dan ik het meende, en het voor eene loftuiting hield, -maar de oude loods lachte en zeide: "O, senhor Inglese, gij spreekt -verbloemd."—"Hoe zoo?" zeide ik. "Wel," hernam hij, "wat gij zegt is aan -de eene zijde wit, aan den anderen kant zwart; gij zegt dat hij goed is -om Tartaren af te weren, daarmede wilt gij zeggen, dat hij alleen -Tartaren kan buiten houden. Ik begrijp u wel, senhor, maar senhor -Chinees begrijpt u op zijne wijze."</p> - -<p>"Wel," zeide ik, "denkt gij dat deze muur zou bestand zijn tegen een -leger van onze landslieden met een goed deel geschut, of onze ingenieurs -met een paar kompagniën mineurs? Zouden zij er niet in tien dagen een -bres in maken, daar een geheel leger in slagorde zou kunnen doortrekken, -of hem in de lucht laten springen, dat er geen spoor van -overblijft?"—"Ja, ja," zeide hij, "dat weet ik." De Chinees wilde gaarne -weten wat ik er van gezegd had, en ik gaf hem eenige dagen later -verlof het te vertellen, want wij waren toen bijkans uit hun land, en -hij zou ons kort daarop verlaten; maar toen hij vernomen had wat ik -gezegd had, sprak hij verder geen woord meer, en wij hoorden niets meer -van zijn gezwets over de magt en de grootheid van China, zoolang hij bij -ons was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_078.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Na dit geweldige niets, dezen vermaarden muur, doorgetrokken te zijn, -vonden wij het land schaars bevolkt, en het volk meer in versterkte -dorpen en steden, daar zij hier meer blootstonden voor de strooptogten -en invallen der Tartaren, die altijd in groot aantal komen, en dan door -de bewoners van een open land niet kunnen afgeslagen worden. Ik zag hier -hoe noodzakelijk het was, ons bijeen te houden, want verscheidene hoopen -Tartaren kwamen om ons heen zwerven; maar toen ik hen meer van nabij -zag, kon ik niet begrijpen, hoe het Chinesche rijk door zulk een hoop -onbeschaafd volk had kunnen verwonnen worden, want het is een hoop -wilden, die noch van krijgstucht, noch van krijgskunde iets weten.</p> - -<p>Hunne paarden zijn schraal, zwak, verhongerd en nergens goed voor; dit -ondervonden wij den eersten dag, dat wij hen zagen, hetwelk was, nadat -wij in het woestere deel des lands waren gekomen. Onze aanvoerder van -dien dag gaf zestien onzer verlof op de jagt te gaan, gelijk zij het -noemden, namelijk op de schapenjagt! Het mogt echter wel zoo heeten, -want het waren de wildste en vlugste schapen, die ik ooit zag, doch zij -loopen niet lang, en gij zijt zeker van hen, als gij de jagt begint, -want zij zwerven bij kudden van dertig of veertig stuks, en blijven -altijd bijeen als zij vlugten.</p> - -<p>Terwijl wij op dit wild joegen, ontmoetten wij een troep van ongeveer -veertig Tartaren, die ook op schapen of eene andere prooi uitgingen, dit -weet ik niet. Zoodra zij ons zagen, blies een hunner op eene soort van -hoorn, en bragt een zeer wanluidend geluid voort, als ik nimmer hoorde, -en ook nimmer verlang weder te hooren. Wij begrepen, dat dit was, om -hunne makkers bijeen te roepen, en zoo was het ook, want binnen een half -kwartieruurs zagen wij nog een veertig- of vijftigtal op een kwartieruur -afstands opdagen, doch voor dien tijd was de zaak reeds tusschen ons -afgedaan.</p> - -<p>Een van de Schotsche kooplieden uit Moscou was bij ons, en zoodra wij -den hoorn hoorden, zeide hij, dat wij niets beter konden doen, dan hen -dadelijk zonder eenig dralen aan te vallen, en ons in gelid plaatsende, -vroeg hij of wij gereed waren. Wij antwoordden ja, en reden daarop op -hen aan. Zij stonden in eenen verwarden hoop ons aan te gapen, zonder -eenigen schijn van orde, maar zoodra zij ons zagen naderen, schoten zij -hunne pijlen op ons af, waarvan geen ons echter trof. Het scheen, dat -zij wel goed gemikt hadden, maar dat de afstand te ver was, want hunne -pijlen vielen zoo digt voor ons neder, dat zoo wij tien roeden verder -geweest waren, zeker verscheidene onzer gedood of gewond zouden zijn -geweest.</p> - -<p>Wij hielden dadelijk stil, en schoon de afstand nog groot was, gaven wij -vuur en zonden hun voor hunne houten pijlen looden kogels toe, waarna -wij in vollen galop op hen toe reden, om hen met de sabel in de vuist -aan te tasten, gelijk onze moedige Schot ons gelast had. Hij was een -koopman, maar hij gedroeg zich bij deze gelegenheid zoo dapper en tevens -met zulk eenen bedaarden moed, dat ik nimmer iemand zag, die beter -geschikt was, om een gevecht te besturen. Zoodra wij vlak bij hen waren, -vuurden wij onze pistolen af, en trokken toen de sabel, maar zij sloegen -in de grootste wanorde op de vlugt. Slechts drie hunner hielden aan onze -regterzijde een oogenblik stand, en deden de anderen teekens dat zij -zouden terugkeeren. Onze dappere aanvoerder galoppeerde naar hen toe, -zonder iemand te gelasten hem te volgen, en sloeg met zijn geweer een -hunner van het paard af en doodde den tweede met een pistoolschot, de -derde nam de vlugt, en hiermede eindigde ons gevecht. Wij hadden er -echter dit ongeval bij, dat daardoor onze jagt op niets uitliep. Niemand -onzer was gedood of gewond, maar van de Tartaren waren er vier of vijf -gesneuveld, en ik weet niet hoeveel gewond. De andere troep was zoo -verschrikt, van ons vuur, dat zij de vlugt koos en ons ongemoeid liet.</p> - -<p>Wij waren thans nog op Chineesch grondgebied; en derhalve waren de -Tartaren niet zoo vermetel als naderhand, maar vijf dagen later -bereikten wij eene groote woestijn, welker doortrekking ons drie -nachten en drie dagen bezig hield, en wij waren verpligt het drinkwater -in groote lederen zakken mede te nemen en den nacht in het open veld -door te brengen, even als ik van de woestijn van Arabië gehoord heb. Ik -vroeg mijne gidsen, wien dit land behoorde. Zij antwoordden, dat dit -eene soort van grensscheiding was, die men wel Niemandsland mogt noemen; -dat het een deel was van Groot-Tartarije, maar echter tot China gerekend -werd, waar men echter niet zorgde, om het voor invallen van roovers te -beschermen, en het derhalve de gevaarlijkste weg van den geheelen togt -was, schoon wij nog grootere woestijnen moesten doortrekken.</p> - -<p>Bij het doortrekken dezer woestijn, die mij zeer akelig toescheen, zagen -wij twee of driemalen kleine troepen Tartaren, maar zij schenen niets -kwaads tegen ons in den zin te hebben, en daar zij ons niets te zeggen -schenen te hebben, zoo hadden wij evenmin er lust toe, en lieten hen -stil gaan. Eens echter kwam eene troep ons zoo nabij, dat zij stand -hielden, en ons aanstaarden; of het was om te beraadslagen of zij ons al -of niet wilden aanvallen weet ik niet; maar toen wij hen voorbij waren, -vormden wij eene achterhoede van veertig man, die staan bleef en de -karavaan een half uur vooruit liet trekken. Na eene poos trokken zij af, -maar zonden ons tot afscheid vijf pijlen toe, waarvan een een paard -zoodanig kwetste, dat wij het den volgenden dag op weg moesten -achterlaten; dien dag zagen wij niets meer van hen.</p> - -<p>Wij hadden bijkans eene maand gereisd, terwijl de wegen, die zoo goed -niet meer waren als vroeger, schoon nog op het gebied van den Chineschen -keizer, meerendeels door dorpen liepen, die versterkt waren, uithoofde -van de invallen der Tartaren. Toen wij aan een dezer dorpen kwamen -(ongeveer twee en een halve dagreis van de stad Naum) verlangde ik een -kameel te koopen, die men op den weg overal vindt, en paarden ook, zoo -als zij dan zijn, omdat daaraan dikwijls behoefte is, dewijl zoovele -karavanen hier langs komen. De persoon, dien ik over het koopen van een -kameel sprak, wilde er een voor mij gaan halen, maar ik had de dwaze -dienstvaardigheid van mede te gaan. De plaats waar zij waren, was -ongeveer een half uur buiten het dorp, waar zij, naar het scheen, de -kameelen en paarden onder eene wacht lieten weiden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 750px;"> -<img src="images/crus02_079.jpg" width="750" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Ik ging te voet mede met mijnen ouden loods en een Chinees, daar ik zeer -naar eenige verscheidenheid verlangde. Aan de plaats komende, zagen wij, -dat dit eene lage, moerassige plek was, door eenen muur van los -opgestapelde steenen omringd, met eene kleine wacht van Chinesche -soldaten aan den ingang. Na een kameel uitgezocht en den koop gesloten -te hebben, ging ik heen, en de Chinees, die bij mij was, leidde de -kameel, toen plotseling vijf Tartaren kwamen aanrijden; twee hunner -grepen den man en ontrukten hem den kameel, terwijl de drie anderen naar -mij en mijnen ouden loods toetraden, ziende dat wij genoegzaam -ongewapend waren, want ik had niets bij mij dan mijne sabel, waarmede ik -mij kwalijk tegen drie ruiters verdedigen kon. De eerste bleef staan, -toen hij mij mijne sabel zag trekken (want het zijn groote lafaards), -maar een tweede kwam mij op zijde en gaf mij eenen slag op het hoofd, -dien ik eerst naderhand voelde, want toen ik weder bijkwam, wist ik niet -hoe ik het had noch waar ik was, want ik was op den grond gevallen, maar -mijn brave oude loods had door eene bestiering der Voorzienigheid eene -pistool in zijnen zak, waarvan ik noch de Tartaren iets wisten, anders -zouden zij ons zeker niet aangevallen hebben. Maar lafaards zijn altijd -het moedigst als er geen gevaar is.</p> - -<p>Toen de oude man mij zag nedervallen, stapte hij moedig op den man aan, -die mij nedergeveld had, en hem met de eene hand bij den arm grijpende -en een weinig naar zich toehalende, schoot hij hem door het hoofd, dat -hij dood nederviel, daarop stapte hij naar den eersten toe, die ons -staande gehouden had, en voor deze hem naderen kon (want het geschiedde -alles in een oogenblik) deed hij eene houw naar hem met de sabel, die -hij altijd droeg. Hij miste hem echter, maar trof zijn paard aan het -hoofd, sloeg het een oor af en eene groote lap vel van den kop. Het arme -dier, dol van pijn, werd onhandelbaar, schoon de ruiter vast genoeg in -den zadel zat, ging het met hem door, en voerde hem buiten bereik van -den loods, en toen het een eind ver was, steigerde het, wierp zijn -berijder af en viel op hem.</p> - -<p>Middelerwijl kwam de arme Chinees aan, die zijn kameel verloren had, -doch hij was ongewapend. Toen hij den Tartaar zag vallen en zijn paard -op hem, liep hij naar dezen toe en ontnam hem een lomp wapen, hetwelk -wel naar eene bijl geleek, dat deze op zijde had, en sloeg er hem de -hersenen mede in. De oude loods had echter nog met den derden Tartaar te -doen, en ziende dat deze niet, gelijk hij gehoopt had, de vlugt koos, -noch gelijk hij vreesde op hem afkwam, maar stil bleef staan, bleef de -oude man ook staan en begon zijne pistool weder te laden. Zoodra de -Tartaar echter de pistool zag, koos hij het hazenpad en liet den loods -meester van het slagveld.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_080.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Thans begon ik een weinig bij te komen, maar eerst dacht ik, dat ik uit -eenen gerusten slaap ontwaakt was, en wist niet waar ik was, noch hoe ik -op den grond kwam; eenige oogenblikken daarna, weder tot bewustheid -gekomen, gevoelde ik pijn, schoon ik niet wist waar, ik bragt mijne hand -aan mijn hoofd, en haalde die bebloed terug, toen gevoelde ik pijn aan -mijn hoofd en weldra keerde ook de herinnering terug van hetgeen er -gebeurd was. Ik sprong dadelijk op de been en greep naar mijne sabel, -maar er was geen vijand meer te zien. Ik zag een Tartaar dood op den -grond liggen, en zijn paard bedaard naast hem staan, en wat verderop zag -ik mijn bondgenoot en redder, die gaan zien was wat de Chinees deed, met -zijne sabel in de hand terugkeeren. Toen de oude man mij op de been zag, -kwam hij naar mij toeloopen, en omhelsde mij met groote vreugde, daar -hij eerst gevreesd had, dat ik dood was. Mij bebloed ziende, wilde hij -naar mijne wond zien, maar deze beteekende niet veel, en bestond slechts -uit een gat in den kop, gelijk men zegt. Ook had ik naderhand geen -ongemak van den slag, dan de wond, en die was binnen twee of drie dagen -bijkans genezen.</p> - -<p>Deze overwinning bragt ons echter weinig voordeel aan; wij verloren een -kameel en wij wonnen een paard, doch het verdient opmerking, dat toen -wij in het dorp terugkwamen, de man voor den kameel wilde betaald -worden. Ik weigerde dit, en de zaak werd voor den Chineschen regter van -die plaats gebragt, of gelijk wij zouden zeggen voor den vrederegter. Om -hem regt te doen, hij handelde zeer voorzigtig en onpartijdig, en na -beide partijen gehoord te hebben, vroeg hij ernstig aan den Chinees, die -met mij medegegaan was, om den kameel te koopen, wiens knecht hij was. -"Ik ben geen knecht," zeide deze, "maar ik ging met den vreemdeling -mede."—"Op wiens verzoek!" vraagde de regter.—"Op des vreemdelings -verzoek," was het antwoord.—"Welnu," zeide de regter, "dan waart gij in -dienst van den vreemdeling te dier tijd, en daar de kameel aan iemand in -zijne dienst is ter hand gesteld, is zij aan hem ter hand gesteld, en -hij moet hem betalen."</p> - -<p>Ik beken, dat dit zoo duidelijk was, dat ik er niets tegen kon -inbrengen; maar bewonderde de juistheid zijner gevolgtrekking en zijne -juiste uiteenzetting der zaak, en betaalde dus gewillig den kameel en -zond om eenen anderen, maar gij kunt er op aan, dat ik dien niet zelf -ging halen. Ik had daarvan mijn bekomst.</p> - -<p>De stad Naum is eene grensplaats van het Chinesche rijk, zij noemen het -eene vesting, en het is er ook eene voor hun doen, want dat durf ik -verzekeren, dat al de Tartaren van Groot-Tartarije, die geloof ik eenige -millioenen bedragen, de muren met hunne bogen en pijlen niet plat kunnen -schieten, maar om het sterk te noemen, als het met geschut aangevallen -werd, daar zou iedereen om lagchen, die er verstand van had. Wij waren -nog twee dagreizen van deze stad, toen wij boden ontmoetten, die van -alle kanten uitgezonden waren, om alle reizigers en karavanen te -verwittigen, dat zij halt moesten houden tot hun eene wacht was -toegezonden, want dat een bijzonder groote troep Tartaren, wel -tienduizend, in de omstreek gezien was, ongeveer dertig (Eng.) mijlen -van de stad.</p> - -<p>Dat was kwaad nieuws voor reizigers; echter was het van den gouverneur -zeer zorgvuldig gehandeld, en wij vernamen met blijdschap, dat wij een -escorte zouden erlangen. Twee dagen later werden ons ook tweehonderd -soldaten, uit een Chineesch garnizoen, links van ons, en nog driehonderd -uit de stad Naum toegezonden, en met deze trokken wij moedig voort. De -driehonderd soldaten van Naum trokken vooruit, de tweehonderd achteraan, -en ons volk aan weerszijden van de kameelen, met onze bagaadje en de -geheele karavaan in het midden. Op deze wijze en goed ten strijde -toegerust, dachten wij het wel met tienduizend Mongoolsche Tartaren te -kunnen opnemen, als zij verschenen waren, maar toen zij den volgenden -dag kwamen opdagen, zag het er geheel anders uit.</p> - -<p>Vroeg in den morgen, toen wij Van een klein, welgelegen dorp, Changu -geheeten, opbraken, moesten wij eene rivier overtrekken, waar wij -moesten overvaren, en zoo de Tartaren op kondschap uitgegaan waren, -hadden zij ons hier moeten overvallen, toen de karavaan overgetrokken en -de achterhoede nog aan de andere zijde was, maar zij lieten zich daar -niet zien. Eerst drie uren later, toen wij op eene woeste vlakte van -ongeveer vijftien of zestien mijlen gekomen waren, zagen wij aan eene -opstijgende stofwolk, dat de vijand nabij was, en dit was ook zoo, want -zij kwamen naar ons toerijden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 515px;"> -<img src="images/crus02_081.jpg" width="515" alt="" title="" /> -</div> - -<p>De Chinezen, onze voorhoede, die den vorigen dag zoo gesnoefd hadden, -begonnen te deinzen, en de soldaten zagen dikwijls om, hetgeen bij een -soldaat een zeker teeken is, dat hij op het punt staat van te vlugten. -Mijn oude loods dacht er ook zoo over, want bij mij komende zeide hij: -"Senhor Inglese! deze lieden moeten aangemoedigd worden of het is met -ons gedaan, want als de Tartaren nader komen, zullen zij geen stand -houden."—"Ik geloof het ook," zeide ik, "maar wat zullen wij -doen?"—"Wel," zeide hij, "laat vijftig man van ons volk vooruittrekken, -en hen de beide vleugels dekken en aanmoedigen, en dan zullen zij als -dappere kerels met dappere bondgenooten strijden, maar zonder dit zal -iedereen het hazenpad kiezen." Ik reed dadelijk naar onzen aanvoerder, -wien ik dit mededeelde. Hij gaf mij volkomen gelijk en dus dekten -vijftig onzer hunne vleugels en de overigen maakten eene reserve uit; -zoo trokken wij voort en lieten de laatste tweehonderd man als eene -afzonderlijke afdeeling, om de kameelen te bewaken, met afspraak, dat -zij, als het noodig ware, ons honderd man tot versterking zouden zenden.</p> - -<p>In een woord, de Tartaren kwamen in ontelbare menigte, hoe veel konden -wij niet zeggen, maar wij geloofden op zijn minst tienduizend. Eerst -kwam eene troep van hen ons verkennen, die dwars voorbij onze linie -reed, en daar zij binnen het bereik van onze geweren kwamen, liet onze -aanvoerder de twee vleugels vooruitrukken, en hen met kogels van beide -vleugels begroeten. Zij trokken af en gingen denkelijk verhalen, welke -ontvangst hen hier bereid werd. Dit scheen de anderen weinig te smaken, -want zij hielden stil, stonden zich eene poos te bedenken, en linksaf -zwenkende verlieten zij ons, hetgeen ons niet onaangenaam was, daar wij -niet zeer verlangden naar een gevecht met zulk eene overmagt.</p> - -<p>Twee dagen daarna kwamen wij in de stad Naum. Wij bedankten den -gouverneur voor zijne zorgen jegens ons, en bragten ongeveer een honderd -kroonen bijeen, die wij aan de soldaten gaven, die ons begeleid hadden, -en wij hielden hier een dag rust. Dit is eene vesting, waarin -negenhonderd soldaten lagen, maar de reden hiervan is, dat vroeger de -Russische grenzen hier digterbij waren dan thans, daar de Russen het -deel des lands, dat zich ongeveer 200 (Eng.) mijlen westwaarts van deze -stad uitstrekt, hebben verlaten, als woest en nergens toe geschikt, en -vooral omdat het zoo ver af was en moeijelijk er troepen heen te zenden, -want wij moesten nog tweeduizend mijlen afleggen, eer wij aan het -eigenlijke Rusland kwamen.</p> - -<p>Hierna trokken wij over verscheidene groote rivieren en door -verscheidene woestijnen, waarmede wij zestien dagen bezig waren, en die -onder geen bepaald gebied behoorden. Den 12 April kwamen wij aan de -grenzen van het Russische gebied. Ik meen, dat de eerste stad aldaar -Arguna heette, aan de westzijde van de rivier Argun.</p> - -<p>Met groote vreugde zag ik mij thans in een Christelijk land, althans in -een land, dat door Christenen geregeerd wordt. Ieder die zooveel door de -wereld gereisd had als ik, en eenige nagedachten had, zou gewis -bedenken, welk een zegen het is in een land te komen, waar de naam van -God en den Verlosser bekend is en vereerd wordt; en waar niet het volk -den duivel aanbidt, of zich voor houten of steenen monsters nederbuigt. -Nog geene stad of dorp waren wij tot hiertoe doorgetrokken, waar het -volk niet zijne afgoden en tempels had, en het werk zijner eigene handen -vereerde en aanbad. Nu echter kwamen wij op plaatsen, waar de knieën -voor onzen Heer gebogen werden en de naam van den eenigen waren God -aangeroepen werd, en dit denkbeeld verheugde mij tot in het binnenste -der ziel. Ik deelde den Schotschen koopman mijne gewaarwordingen mede en -hem bij de hand nemende, zeide ik: "God dank, dat wij thans weder onder -Christenen zijn." Hij glimlachte en zeide: "Verheug u niet te vroeg, -landsman! de lieden hier zijn een vreemd slag van Christenen, en gij -zult in de eerste maanden van onze reis daar niet veel anders dan den -naam van zien."—"Dat is toch altijd beter dan het heidendom en -duivelaanbidding," zeide ik.—"Ja," zeide hij, "maar behalve de hier in -garnizoen liggende Russische soldaten en eenige bewoners der steden, -wordt het land nog duizend (Eng.) mijlen verder door de onwetendste -heidenen bewoond." En de waarheid van het gezegde bleek ons later.</p> - -<p>Wij bevonden ons thans, naar ik geloof, op het grootste gedeelte -vastland, dat er, naar ik meen, op den ganschen aardbol te vinden is. -Wij waren oostwaarts ten minste twaalfhonderd (Eng.) mijlen van de zee, -westwaarts ten minste tweeduizend van de Oostzee, en bijkans drieduizend -van het Engelsch kanaal verwijderd; zuidwaarts vijfduizend mijlen van de -Indische of Perzische zee, en ongeveer achthonderd mijlen noordwaarts -van de Poolzee. Zelfs als men sommigen gelooven wilde, zou er -noordoostwaarts in het geheel geene zee zijn, voor men om de pool -noordwestelijk was; en dus een vastland tot in Amerika hebben, niemand -weet waar, schoon ik wel eenige reden voor het tegendeel zou kunnen -aanvoeren.</p> - -<p>Toen wij op het Russische gebied kwamen, lang voordat wij eene stad van -eenig belang bereikten, vonden wij niets opmerkelijks, dan alleen dat -alle rivieren oostelijk liepen. Naar de kaarten te zien, die sommigen -onzer bij zich hadden, was het duidelijk, dat al deze stroomen in de -groote rivier Jamoer of Gamoer uitliepen. Door zijnen natuurlijken loop -moet deze rivier in de Chinesche zee vloeijen. Het verhaal dat men doet, -dat de mond van deze rivier opgestopt is met biezen van ontzettende -grootte, namelijk van drie voet dik en twintig tot dertig voet hoog, -geloof ik, dat onwaar is. Maar daar derzelver bevaarbaarheid van geen -nut is, dewijl er dien kant uit geen handel is, en de Tartaren, aan wie -dezelve behoort, alleen in vee handelen, zoo is niemand ooit, voor -zoover ik gehoord heb, zoo nieuwsgierig geweest, van naar den mond in -booten op te varen, of die in schepen af te varen, maar dit is zeker, -dat deze rivier op 60° breedte vlak oost loopt, en eene menigte rivieren -in zich opneemt, en zich op die breedte in eene zee ontlast, die daar -zeker aan te treffen is.</p> - -<p>Eenige mijlen noordwaarts van die rivier zijn verscheidene groote -stroomen, die even vlak noordelijk loopen, als de Jamoer oost, en al -deze ontlasten zich in de groote rivier Tartarus, zoo genoemd naar de -noordelijkste stammen der Mongoolsche Tartaren, die, naar de Chinezen -zeggen, de oudste Tartaren der wereld zijn, en welke sommige zeggen, dat -de Gog en Magog der Heilige Schrift zijn.</p> - -<p>Wij trokken thans met kleine dagreizen van de rivier Arguna, en waren -den Czaar van Rusland zeer verpligt voor zijne moeite, dat hij op -zoovele plaatsen als mogelijk dorpen en steden had aangelegd, niet -ongelijk aan de vestigingen, die de Romeinen in de afgelegenste streken -van hun gebied aanlegden, ter beveiliging van den handel en opname van -reizigers. Dit was ook hier het geval, want waar wij kwamen, waren wel -de gouverneur en de bezetting Russen en Chinezen, maar de bewoners van -het land waren heidenen, die afgoden dienden, en de zon, de maan en -sterren aanbaden, en dat niet alleen, maar van al de heidenen, die ik -ooit aantrof, waren dit de onbeschaafdste, behalve dat zij niet, gelijk -de wilden van Amerika deden, menschenvleesch aten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 550px;"> -<img src="images/crus02_082.jpg" width="550" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Eenige blijken hiervan vonden wij in het land tusschen Angura, waar wij -het Russische gebied betraden, en eene door de Russen en Tartaren -bezeten wordende stad, Nortzinskoi genaamd, welke tusschenruimte uit -eene aanhoudende woestijn bestond, die ons twintig dagen kostte, om door -te trekken. In een dorp nabij de laatste plaats, dreef de -nieuwsgierigheid mij, om hunne leefwijze te bezien, die -alleronbeschaafdst is. Zij hadden dien dag eene groote offerande, denk -ik, want op een ouden boomstronk stond een houten afgod, zoo leelijk als -de duivel, althans zoo leelijk als iets wat den duivel voorstellen moet, -wezen kan; zijn hoofd geleek naar niets wat ooit iemand zag, zijne ooren -waren zoo groot en dik, als bokkenhorens, zijne oogen zoo groot als een -driegulden, een neus als een gekromde ramshoorn, en een muil met vier -hoeken als die van eenen leeuw, met leelijke tanden, zoo hoekig als de -sneb van een papegaai. Hij was zoo leelijk gekleed als men denken kan, -zijn bovenkleed was van schapenhuiden met de wol buitenwaarts, en hij -had eene groote Tartaarsche muts op het hoofd met twee hoorns er -doorkomende. Het was ongeveer acht voet hoog, maar had geene beenen, -noch eenige andere ligchaamsdeelen.</p> - -<p>Deze moolik stond aan de buitenzijde van het dorp, en er bijkomende zag -ik zestien of zeventien personen, mannen of vrouwen, dit kon ik niet -zien, want zij zijn allen volkomen eveneens gekleed, rondom dit -wanschapen beeld uitgestrekt op den grond liggen. Zij waren even -bewegingloos, als hun houten afgod. Eerst dacht ik, dat zij ook van hout -waren, maar toen ik naderbijkwam, sprongen zij op de been, met een -krijschend gehuil, als zoovele huilende honden, en trokken terug, alsof -zij misnoegd waren, dat zij gestoord waren. Een eind weegs van dit -monster, aan de deur van een van gedroogde koeijen- en schapenhuiden -gemaakte tent, stonden drie slagers, alshans daarvoor hield ik hen, want -zij hadden lange messen in de hand, en in het midden van de tent stonden -drie schapen en een jonge stier. Het waren, naar het schijnt, offers -voor dat gedrochtelijk stuk hout, en deze drie mannen priesters van -hetzelve, en de zeventien op den grond liggende wezens waren lieden, die -de offers aanbragten, en daarbij hunne gebeden deden.</p> - -<p>Ik beken, dat hunne domheid in deze vereering van den moolik mij meer -ergerde, dan iets wat ik ooit aanschouwd had; om Gods edelste schepsel, -aan wien bij de schepping zoo vele voorregten boven al het geschapene -zijn toegestaan, dat begaafd is met eene redelijke ziel, en met -eigenschappen om zijnen Schepper te eeren; hem zoo diep gezonken te -zien, dat hij zich voor een leelijk schrikbeeld, een ingebeeld iets, -nederwerpt, dat hij zelf gevormd en schrikinboezemend gemaakt en met -vuile lappen bekleed had, dit achtte ik een gewrocht des duivels, die -den Schepper de aanbidding zijner schepselen benijdde, en hen verleid -had tot zulke walgelijke en verderfelijke dingen, als men tegen de -natuur zou denken te strijden.</p> - -<p>Maar wat baatten alle deze overwegingen? Ik zag het daar voor mijne -oogen en kon dus niet denken, dat het onmogelijk was. Ik werd woedend en -reed naar het beeld of monster, hoe men het noemen wil, en deed met -mijne sabel een houw op de muts, die het droeg, zoodat die aan zijne -horens bleef hangen, en een van mijne geleiders trok de schapenhuid er -af, die het bekleedde, toen er eensklaps, onder een geweldig geschreeuw, -wel twee of driehonderd man kwamen aanloopen, zoodat ik blijde was de -vlugt te kunnen kiezen, want wij zagen eenige bogen en pijlen; maar ik -besloot toch, het beeld nog een bezoek te geven.</p> - -<p>Onze karavaan bleef drie dagen in het dorp, dat een uur verder lag, om -zich eenige paarden aan te schaffen, die wij noodig hadden, daar door de -slechte wegen verscheidene paarden kreupel waren geworden. Dus had ik -gelegenheid, hier mijn oogmerk uit te voeren. Ik deelde mijn voornemen -mede aan den Schotschen koopman van Moscou, van wiens moed ik de -duidelijkste blijken had gezien. Ik zeide hem, wat ik gezien had, en hoe -dit mijne verontwaardiging had opgewekt, en dat ik besloten had, als ik -slechts vier of vijf goed gewapende lieden mede kon krijgen, dat -afschuwelijke afgodsbeeld te gaan vernielen, om hun te laten zien, dat -het geene de minste magt bezat, en dus geen voorwerp van vereering zijn -kon. Hij begon te lagchen en zeide: "Uw ijver is misschien goed, maar -wat hebt gij u eigenlijk er bij voorgesteld?"—"Wat," zeide ik, "wel om -Gods eer te wreken, die door deze duivelaanbidding beleedigd -wordt."—"Maar hoe zal dit geschieden," vervolgde hij, "als het volk -niet weet wat gij daarmede bedoelt, ten zij gij met hen kondt spreken en -het hen zeggen? En in dit geval beloof ik u, dat zij u zouden bevechten, -en vooral ter verdediging van hunnen afgod zouden zij als wanhopigen -vechten."—"Kunnen wij het niet des nachts doen," vroeg ik, "en hen dan -schriftelijk in hunne taal er de redenen van achterlaten?"—"Schriftelijk?" -herhaalde hij, "wel in al hunne vijf natiën is er niet één, die eene -letter lezen kan, zelfs niet in zijne moedertaal."—"Welk eene grove -onwetendheid!" zeide ik. "Maar toch heb ik mij voorgenomen het te doen; -misschien zullen zij er door tot het besluit komen, dat hunne vereering -van zulke plompe dingen beneden den mensch is."—"Hoor eens, mijnheer!" -zeide hij, "als uw ijver er u toe aandrijft, moet gij het doen, maar -vooreerst moet gij bedenken, dat deze woeste volkeren met geweld onder -de heerschappij van den Russischen Czaar gebragt zijn; en als gij het -doet, is het tien tegen een, dat zij bij duizenden naar den gouverneur -van Nortzinskoy zullen komen, om zich te beklagen en voldoening te -eischen, en als hij hun die niet geven kan, is het tien tegen een, dat -zij zullen opstaan, en dit zal eenen nieuwen oorlog met al de Tartaren -in het geheele land geven."</p> - -<p>Dit moet ik bekennen, bragt mij eene poos op andere gedachten, maar ik -bleef er toch mijne zinnen op zetten, en den geheelen dag verlangde ik -mijn oogmerk te kunnen volvoeren. Tegen den avond ontmoette ik toevallig -den Schotschen koopman op eene wandeling buiten de stad, en hij sprak -mij aan. "Ik geloof, dat ik u van uw goed voornemen heb afgebragt," -zeide hij, "en dat spijt mij eenigzins, want ik verfoei de afgoderij -evenzeer als gij."—"Gij hebt mij zekerlijk overgehaald, de uitvoering -nog uit te stellen," antwoordde ik, "maar mij er nog niet geheel van -afgebragt, en ik geloof, dat ik het stuk nog bestaan zal, voordat wij -deze plaats verlaten, al zou men mij ook, om hen te voldoen, aan hen -uitleveren."—"Neen, neen," hernam hij, "voor de uitlevering aan zulk -een hoop monsters moge de Hemel u bewaren; dat zal men niet doen, dat -zou uw zekere dood zijn."—"Hoe zouden zij mij dan behandelen?" vroeg -ik.—"Ik zal u zeggen," hernam hij, "hoe zij een ongelukkigen Rus -behandeld hebben, die hen, zoo als gij wilt, in hunne godsdienst -beleedigd had. Nadat zij hem verminkt hadden, dat hij niet kon -wegloopen, ontkleedden zij hem, en zetteden hem boven op het -afgodsbeeld, en allen gingen om hem staan, en schoten zoovele pijlen in -zijn ligchaam, als zij konden, en verbrandden hem daarop ter eere van -hunnen afgod."—"En was dat dezelfde afgod?" vroeg ik.—"Dezelfde," -zeide hij.—"Nu, dan zal ik u ook iets verhalen," zeide ik. Daarop -verhaalde ik hem het gebeurde te Madagascar, hoe ons volk daar het -geheele dorp in brand gestoken en al de bewoners omgebragt had, omdat -zij een man van ons hadden vermoord, gelijk ik vroeger verhaald heb, en -toen ik geëindigd had, voegde ik er bij, dat mijns bedunkens met dit -dorp even zoo moest gehandeld worden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 500px;"> -<img src="images/crus02_083.jpg" width="500" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Hij luisterde zeer oplettend naar mijn verhaal, maar toen ik sprak van -dit dorp even zoo te behandelen, zeide hij: "Gij hebt groot ongelijk; -het was dit dorp niet, het was bijkans honderd mijlen van hier, maar het -was dezelfde afgod, want dien voeren zij in processie het land -rond."—"Welnu," zeide ik, "dan zal dit beeld er voor gestraft worden, -en dit zal dezen nacht gebeuren, als ik dien beleef."</p> - -<p>Toen hij zag, dat ik bij mijn voornemen bleef, keurde hij hetzelve goed, -en zeide, dat ik niet alleen, maar dat hij met mij zou gaan; maar eerst -zou hij een zijner landslieden gaan halen, een zeer ondernemend man, en -zoo vol ijver als iemand tegen zulke werken des duivels als deze. Hij -bragt daarop zijn makker bij mij, een Schot, dien hij kapitein -Richardson noemde, en dezen verhaalde ik alles wat ik gezien en gehoord -had, en hij zeide, dat hij zou medegaan, al zou het hem het leven -kosten. Zoo besloten wij dan met ons drieën te gaan. Ik had het ook aan -mijnen compagnon voorgesteld, maar deze weigerde er deel aan te nemen. -Hij zeide, mij overal en ten allen tijde tot mijne verdediging te willen -bijstaan, maar dit was eene zaak, waarmede ik niets te maken had. Wij -besloten dus, met ons drieën en mijn knecht dien nacht, tegen -middernacht, het stuk zoo bedekt mogelijk te bestaan.</p> - -<p>Bij nadere overweging besloten wij het nog een dag uit te stellen, omdat -de karavaan den volgenden morgen vertrekken zou, en wij begrepen, dat de -gouverneur hun dan geene voldoening ten onzen koste zou kunnen geven, -als wij eens buiten zijn bereik waren. De Schotsche koopman, die even -standvastig als moedig was in wat hij ondernam, bragt mij een -Tartaarschen rok van schapenvachten en eene Tartaarsche muts, en boog en -pijlen, hetwelk hij ook voor zich en zijnen landgenoot had aangeschaft, -opdat als men ons zien mogt, men niet zou weten, wie wij waren.</p> - -<p>Den geheelen avond bragten wij door met het gereedmaken van -brandstoffen, door voorloop, kruid en wat wij bekomen konden ondereen te -mengen, en na ons nog van een pot vol teer meester gemaakt te hebben, -gingen wij ongeveer een uur na zonsondergang op onze onderneming uit. -Tegen elf ure kwamen wij op de plaats, en vonden dat het volk geen zweem -van vrees voor hunnen afgod koesterde. De lucht was bewolkt, maar de -maan gaf ons toch licht genoeg, om te zien, dat het afgodsbeeld juist in -dezelfde houding en op dezelfde plaats stond als vroeger. Al het volk -scheen te slapen, behalve degenen, die in de groote hut of tent waren, -waar wij de drie priesters gezien hadden, die wij voor slagers hadden -aangezien; en digt bij de deur komende, hoorden wij de stemmen van wel -vijf of zes personen. Wij begrepen nu, dat als wij rondom het -afgodsbeeld een vuurtje maakten, deze mannen dadelijk zouden -toeschieten, om hunnen afgod uit het vuur te redden, en wij wisten niet -hoe wij tegen hen zouden te werk gaan; eerst dachten wij het afgodsbeeld -mede te nemen, en op eenen afstand van daar het in brand te steken; maar -toen wij het aanpakten, bemerkten wij, dat het voor ons te zwaar was, om -te vervoeren, dus waren wij weder ten einde raad. De tweede Schot sloeg -voor, de hut of tent in brand te steken, en de lieden, die er uitkwamen, -neder te vellen, maar daarin wilde ik niet toestemmen, want ik wilde hen -niet dooden, als het bij mogelijkheid kon vermeden worden. "Welnu, dan -zal ik u zeggen, wat er gedaan moet worden," zeide de Schotsche koopman, -"wij moeten trachten hen gevangen te nemen, hen handen en voeten binden, -en hen de vernieling van hunnen afgod laten aanzien."</p> - -<p>Toevallig hadden wij genoeg bindtouw of koord bij ons, daar wij onze -brandstoffen mede bijeengebonden hadden, en dus besloten wij eerst deze -lieden, met zoo weinig gerucht als mogelijk, te overvallen. Het eerst, -wat wij deden, was, aan de deur te kloppen; toen een der priesters -dezelve opende, grepen wij hem dadelijk aan, stopten hem den mond toe, -knevelden hem en bragten hem tot voor het afgodsbeeld, waar wij hem aan -handen en voeten gebonden, op den grond nederlegden.</p> - -<p>Twee onzer waren aan de deur blijven staan wachten, of niet een ander -naar den eerste zou komen uitzien, maar wij stonden er nog, toen de -derde man bij ons terugkwam, en toen er nog niemand kwam, klopten wij -weder zachtjes aan, daarop kwamen er nog twee uit, die wij even als den -eerste behandelden, maar wij waren verpligt allen mede te gaan, en hen -op eenigen afstand van elkander bij den afgod neder te leggen, waarna -wij terugkeerden en er twee voor de deur zagen staan uitzien, terwijl de -derde achter hen binnen de hut stond. Wij grepen de twee aan en bonden -hen dadelijk; waarop de derde terugtrad en begon te schreeuwen. De -Schotsche koopman volgde hem na, en haalde een mengsel voor den dag, dat -hij gemaakt had, en hetwelk alleen rook en stank veroorzaakte, dat hij -daarop in brand stak en in de hut wierp. Middelerwijl hadden de -Schotsche koopman en mijn bediende de twee reeds gebonden, mannen -aangegrepen, en legden hen voor hun afgodsbeeld neder, waar zij konden -zien, of dit hen ook kon helpen, en keerden daarop zoo spoedig mogelijk -naar ons terug.</p> - -<p>Toen het mengsel, dat wij in de hut hadden geworpen, die tot stikkens -toe met rook had opgevuld, wierpen wij een ander lederen zakje er in, -dat met eene heldere vlam opbrandde, en traden die daarop binnen. Wij -vonden er nog slechts vier personen in, twee mannen en twee vrouwen, -die, naar het scheen, een hunner duivelsfeesten daar gevierd hadden. Zij -schenen allen doodelijk verschrikt; althans zij zaten ineengehurkt en -als verbijsterd, zonder dat zij eenig geluid konden geven van wege den -rook. Wij grepen hen aan en bonden hen even gelijk de overigen, zonder -eenig gedruisch te maken. Wij hadden hen echter eerst buiten de hut -gebragt, want wij zelve konden het, evenmin als zij, in den rook -uithouden. Toen dit geschied was, bragten wij hen allen naar het -afgodsbeeld. Daarna gingen wij te werk met den afgod; eerst beteerden -wij hem van boven tot onderen, en bestreken hem daarop met een mengsel -van talk en zwavel, daarna stopten wij zijne oogen, ooren en mond vol -met buskruid, vervolgens stopten wij een zak met vet in zijne muts, en -behingen hem toen met al de brandstoffen, die wij hadden medegebragt. -Daarna zagen wij rond naar alles, wat den brand nog kon helpen, en het -viel mijnen knecht in, dat hij bij de hut of tent, waar die menschen -geweest waren, een hoop droog stroo of biezen had zien liggen. Hij en -een der Schotten liepen derwaarts en kwamen ieder met een arm vol terug. -Dit gedaan zijnde, namen wij onze gevangenen de stoppers uit den mond, -plaatsten hen voor hunnen afgod, en staken er daarop den brand in.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 475px;"> -<img src="images/crus02_084.jpg" width="475" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij bleven er ongeveer een kwartieruurs bij, tot het kruid in de oogen, -mond en ooren van het beeld vlam vatte, en het geheel geen fatsoen meer -had, maar niets dan een blok hout was; en daarop er het stroo voor -stapelende, zagen wij, dat hij spoedig zou verbrand zijn; dus begonnen -wij aan ons vertrek te denken. Een der Schotsche kooplieden echter -zeide: "Neen, wij moeten niet heengaan, want deze arme onwetende -schepsels zouden zich allen in het vuur storten en zich met hunnen afgod -laten verbranden." Wij besloten dus te blijven, totdat alles tot asch -verbrand was, en toen maakten wij dat wij wegkwamen.</p> - -<p>Des morgens kwamen wij onder onze reisgenooten, druk bezig met onze -toebereidselen voor de reis, en niemand vermoedde, dat wij ergens anders -dan in ons bed waren geweest, gelijk men ook niet anders van reizigers -verwachten zou, om zich tot de vermoeijenissen van de dagreis in staat -te stellen.</p> - -<p>Maar daarmede was de zaak niet geëindigd. Den volgenden morgen kwam eene -ontzettende menigte landvolk, niet alleen uit het dorp, maar ik geloof -nog wel uit honderd andere, voor de stadspoorten, en eischten, op de -onbeschaamdste wijze, voldoening van den gouverneur, voor het beschimpen -van hunne priesters, en het verbranden van hunnen grooten -Cham-Chi-Thangu, zulk eenen wanluidenden naam gaven zij aan het -monsterachtig schepsel, dat zij vereerden. De inwoners van Nortzinskoy -waren in den beginne zeer ontrust, want men zeide, dat er niet minder -dan dertigduizend Tartaren waren, en dat zij binnen weinige dagen wel -tot honderdduizend man zouden aangroeijen.</p> - -<p>De Russische gouverneur zond afgezanten naar hen toe, en gaf hen alle -goede woorden, die hij bedenken kon. Hij verzekerde hen, dat hij er -niets van wist, en dat van de bezetting geen man de stad had verlaten; -dat het niet door iemand uit de stad kon bedreven zijn, en dat, zoo zij -hem te kennen gaven, wie het gedaan had, de daders streng gestraft -zouden worden. Zij antwoordden op hoogen toon, dat een ieder den grooten -Cham-Chi-Thangu vereerde, die in de zon woonde, en dat geen sterveling -tegen zijn beeld geweld zou hebben durven plegen, dan eenige -Christelijke booswichten, gelijk zij hen noemden; en dus dreigden zij -hem en al de Russen, die allen euveldaders en Christenen waren, met -oorlog.</p> - -<p>De gouverneur, die ongezind was, om eene vredebreuk te bewerken, en niet -wilde, dat men, bij het uitbreken van eenen oorlog, op hem de schuld -daarvan zou leggen, daar de czaar hem strengelijk gelast had, de -veroverde landstreek met inschikkelijkheid en goedheid te behandelen, -gaf hun nog steeds goede woorden; eindelijk zeide hij hun, dat er dien -morgen eene karavaan naar Rusland vertrokken was, en dat welligt iemand -daarbij behoorende, hun deze beleediging had aangedaan, en dat hij, als -zij hiermede tevreden waren, deze iemand achterop zou zenden, om er naar -te onderzoeken. Dit scheen hen een weinig tot bedaren te brengen, en -diensvolgens zond de gouverneur ons iemand achterop, die ons alles, wat -er voorgevallen was, mededeelde, en ten dringendste ried, dat zoo iemand -in onze karavaan het gedaan had, deze zich uit de voeten moest maken; -maar dat, of dit het geval ware of niet, wij alle mogelijke haast zouden -maken, en dat hij hen middelerwijl, zoo lang hij kon, op den tuil zou -houden.</p> - -<p>Dit was zeer vriendelijk van den gouverneur. Toen zijn zendeling echter -bij de karavaan kwam, was er niemand, die er iets van wist, en op ons, -die het gedaan hadden, viel in het geheel geene verdenking; niemand -vroeg er ons zelfs naar. Echter volgde de tegenwoordige aanvoerder van -de karavaan den raad van den gouverneur, en wij trokken twee dagen en -twee nachten achter elkander voort, zonder van belang te rusten, dan in -een dorpje, Plothus genaamd, en ook daar bleven wij niet lang, maar -haastten ons naar Jarawena, eene andere Russische stichting, waar wij -vertrouwden, veilig te zullen zijn. Maar om daar te komen, begaven wij -ons in eene uitgestrekte woestijn, waarover ik nader zal spreken, en -waarin wij, zoo wij er midden in geweest waren, waarschijnlijk allen ons -graf zouden gevonden hebben. Het was de tweede dag na ons vertrek van -Plothus, dat eenigen onzer, aan de groote stofwolken, die op verren -afstand achter ons oprezen, begonnen te vermoeden, dat wij vervolgd -werden. Wij waren de woestijn ingetrokken, en hadden een groot meer, -Schaks-Oser genaamd, op zijde van ons laten liggen, toen wij aan de -andere zijde van hetzelve noordwaarts van ons, een groote troep -paardenvolk zagen verschijnen, terwijl wij westwaarts trokken. Wij -bemerkten, dat zij, even als wij, westwaarts trokken, maar in de meening -waren geweest, dat wij langs de overzijde van het meer zouden zijn -getrokken, terwijl wij gelukkig de zuidzijde gekozen hadden, en twee -dagen later zagen wij niets meer van hen, want daar zij geloofden, dat -wij hen nog steeds vooruit waren, trokken zij verder, tot zij aan de -rivier Udda kwamen; deze is hooger noordwaarts een zeer groote stroom, -doch waar wij er bijkwamen, was zij smal en konden wij haar doorwaden.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 700px;"> -<img src="images/crus02_085.jpg" width="700" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Den derden dag bespeurden zij hunnen misslag, of hadden zij tijding van -ons ontvangen, want in de schemering van den avond kwamen zij op ons af. -Wij waren zeer in onzen schik, dat wij juist voor ons nachtleger eene -zeer geschikte plaats hadden uitgekozen, want daar wij aan den zoom van -eene woestijn waren, die ongeveer vijfhonderd (Eng.) mijlen groot was, -zoo hadden wij geene steden te wachten, noch verwachtten wij ook geene -aan te treffen, buiten Jarawena, dat nog twee dagreizen van ons af lag. -Aan deze zijde waren echter eenige boschaadjes en beekjes, die allen in -de groote rivier Udda uitliepen. In eenen engen pas tusschen twee digte -boschjes sloegen wij ons nachtleger op, in de verwachting van in den -nacht aangevallen te zullen worden.</p> - -<p>Niemand dan wij wisten, waarom wij eigenlijk vervolgd werden, maar daar -de Mongoolsche Tartaren gewoon zijn, bij troepen in deze woestijn rond -te zwerven, verschansen de karavanen zich iederen nacht tegen hen, als -tegen rooverbenden, en dus was het niets vreemds, dat wij achtervolgd -werden. Maar van al onze nachtlegers hadden wij dezen nacht eene -allerbijzonderst gunstige legerplaats, want wij lagen tusschen twee -boschjes, met een beekje vlak van voren, zoodat wij niet omsingeld, noch -anders dan van voren en achteren aangetast konden worden. Wij zorgden -derhalve ons front zooveel te versterken, als wij konden, door onze -pakken en kameelen en paarden, allen in eene lijn aan deze zijde van het -riviertje te plaatsen, en achter ons maakten wij eene verhakking van -eenige boomen.</p> - -<p>In deze stelling sloegen wij ons veldleger op, maar voordat onze -toerustingen voltooid waren, hadden wij reeds den vijand bij ons. Zij -overvielen ons niet, zoo als wij verwacht hadden, gelijk roovers, maar -zonden ons drie lieden toe, om ons af te vragen de uitlevering van -degenen, die hunne priesters mishandeld en hunnen afgod Cham-Chi-Thangu -verbrand hadden, ten einde deze met vuur te verbranden. In dat geval, -zeiden zij, zouden zij ons geen leed doen, maar aftrekken; doch zoo -niet, dan zouden zij ons allen met vuur verbranden. De onzen zagen bij -deze boodschap vrij onthutst, en gaapten elkander aan, om uit elkanders -gelaat te lezen, wie er schuldig was; maar niemand had het gedaan, -niemand wist er iets van. De aanvoerder van de karavaan gaf ten -antwoord, dat hij verzekerd was, dat niemand uit ons kamp het gedaan kon -hebben, dat wij vreedzame kooplieden waren, die zich alleen met hunnen -handel bemoeiden, dat wij noch hen noch iemand anders kwaad hadden -gedaan, en dat zij derhalve elders moesten zoeken naar de vijanden, die -hen beleedigd hadden, want dat wij het niet waren; dus verzocht hij hun, -om ons geen kwaad te doen, want dat wij geweld met geweld zouden -vergelden.</p> - -<p>Wel verre van met dit antwoord tevreden te zijn, kwam den volgenden -morgen met het krieken van den dag eene groote troep van hen ons kamp -opzoeken; maar toen zij ons in zulk eene voordeelige stelling zagen, -durfden zij niet verder komen, dan de beek voor ons, waar zij staan -bleven, en aan ons eene menigte vertoonden, zoo talrijk, dat wij er -inderdaad van ontzetteden; want naar de geringste schatting waren er wel -tienduizend. Zij bleven daar eene poos ons staan opnemen, en toen zonden -zij, onder een geweldig geschreeuw ons eene wolk van pijlen toe, maar -daartegen waren wij zeer goed beschut, want wij zochten eene -schuilplaats achter onze pakken, en ik herinner mij niet, dat iemand -onzer eene kwetsuur ontving.</p> - -<p>Eene poos daarna zagen wij hen regtsaf zwenken, en wij verwachtten van -achteren aangevallen te zullen worden; toen een doorslepen knaap, een -kozak van Jarawena, die in Russische dienst was, naar den aanvoerder van -de karavaan ging, en hem zeide: "Ik zal al het volk naar Siheilka -terugzenden." Dit was eene stad, zeker vier of vijf dagreizen zuidwaarts -en eenigzins achter ons. Daarop nam hij zijn boog en pijlen, steeg te -paard en reed als het ware achterwaarts, alsof hij regt naar Nortzinskoy -wilde terugkeeren; daarna nam hij eenen verren omweg en kwam zoo bij het -Tartaarsche leger, alsof hij naar hen afgezonden was, en deed hen daarop -een lang verhaal, dat het volk, hetwelk hunnen Cham-Chi-Thangu verbrand -had, met eene troep boosdoeners, gelijk hij zeide, dat wil zeggen -Christenen, naar Siheilka was gegaan; en dat zij besloten hadden, om den -afgod Schal-Isar, die aan de Tunguzen behoorde, ook te verbranden.</p> - -<p>Daar deze knaap een volkomen Tartaar was en hunne taal volmaakt sprak, -speelde hij zijne rol zoo goed, dat zij hem in alles geloofden, en dat -zij zich zoo haastig mogelijk naar Siheilka spoedden, dat, naar het -scheen, bijkans vijf dagreizen zuidwaarts van ons lag. Binnen drie uren -waren zij allen uit ons gezigt, en nimmer hoorden wij iets meer van hen, -noch kwamen te weten, of zij naar Siheilka waren gegaan of niet. Wij -trokken thans in veiligheid naar Jarawena, waar een Russisch garnizoen -lag, en hier bleven wij vijf dagen, doordien de laatste dagreis en het -gemis der nachtrust de karavaan uiterst vermoeid had.</p> - -<p>Van deze stad hadden wij eene akelige woestijn, die ons drieëntwintig -dagen ophield. Wij voorzagen ons hier van eenige tenten, ten einde het -des nachts gemakkelijker te hebben, en de aanvoerder voorzag hier de -karavaan van zestien wagens, om water en levensmiddelen mede te voeren; -en deze wagens strekten tot verschansing van ons kamp gedurende den -nacht, zoodat, als de Tartaren weder verschenen waren, zij ons weinig -afbreuk hadden kunnen doen, ten ware zij in overgroot getal kwamen.</p> - -<p>Ligt zal men begrijpen, dat wij na eene zoo lange reis rust behoefden, -want in deze woestijn zagen wij huizen noch boomen, naauwelijks nu en -dan wat heesters. Wij zagen echter eene menigte sabeljagers, gelijk men -hen noemt; dat waren allen Tartaren uit Mongoolsch Tartarije, waarvan -dit land een gedeelte uitmaakt, en dikwijls tasten zij kleine karavanen -aan; maar wij zagen geene talrijke troepen van hen bijeen. Ik verlangde -eenige sabelvellen van hen te zien, maar ik kon niet met hen in gesprek -komen, want zij durfden ons zoo digt niet te naderen, en wij durfden ons -gezelschap niet verlaten, om hen te naderen. Na deze woestijn -doorgetrokken te zijn, kwamen wij in eene vrij bevolkte landstreek, dat -wil zeggen wij vonden dorpen en kasteelen, door den czaar van Rusland -gesticht, om de karavanen te beschermen en het land tegen de Tartaren te -verdedigen, die anders het reizen allergevaarlijkst zouden maken, en -zijne majesteit heeft zulke strikte bevelen gegeven omtrent het -beschermen der karavanen en kooplieden, dat, als men verneemt, dat er -zich in de landstreek Tartaren ophouden, er altijd afdeelingen van de -bezettingen afgezonden worden, om de reizigers veilig van station tot -station te geleiden. Zoo bood de gouverneur van Adinskoy, dien ik -gelegenheid had een bezoek te geven, door middel van den Schotschen -koopman, die hem kende, ons eene wacht van vijftig man aan, tot aan het -naaste station, als wij dachten, dat er gevaar was.</p> - -<p>Reeds lang te voren had ik gedacht, dat, daar wij nu nader bij Europa -kwamen, wij het land meer bevolkt, en het volk meer beschaafd zouden -vinden; maar in beide opzigten vond ik mij bedrogen; want wij moesten -nog het land der Tunguzen doortrekken, waar wij dezelfde of nog ergere -blijken van heidendom en barbaarschheid te zien kregen, als te voren; -daar echter het land door de Russen veroverd en geheel onder hunne -heerschappij gebragt is, zijn zij niet zoo gevaarlijk; doch in -onbeschaafdheid, afgoderij en veelgodendom doen zij voor geen volk ter -wereld onder. Zij gaan allen in beestenvellen gekleed, waarvan ook hunne -huizen gebouwd zijn. Men kan geene mannen of vrouwen van elkander -onderscheiden, noch aan hun ruw gelaat, noch aan hunne kleeding, en des -winters als de grond met sneeuw bedekt is, leven zij onder den grond, in -eene soort van gewelven, die kelders of holen hebben, die in elkander -loopen.</p> - -<p>Terwijl de Tartaren hunnen Cham-Chi-Thangu hadden voor een geheel dorp -of landschap, bezaten deze een afgod in ieder huis en in ieder hol; -bovendien vereeren zij de zon, de sterren, het water, de sneeuw, kortom, -alles wat boven hun begrip is, en zij begrijpen slechts zeer weinig, -zoodat bijkans alles, wat buitengewoon is, door hen vereerd wordt.</p> - -<p>Maar ik zal verder geene volken of landstreken meer beschrijven, dan -voor zoover het met mijne eigene lotgevallen in verband staat. Niets -bijzonders gebeurde ons in deze geheele landstreek, die van de woestijn -af, waarvan ik het laatst sprak, naar mijne gissing ten minste -vierhonderd (Eng.) mijlen groot was, en waarbij wij eene andere groote -woestijn aantroffen, die ons twaalf dagreizen kostte, waar wij noch -huis, noch boom, noch struik zagen, maar levensmiddelen, zoowel brood -als water, moesten medevoeren. Uit deze woestijn kwamen wij, na twee -dagen reizens, te Janezay, eene Russische stad of sterkte aan de rivier -Janezay. Deze rivier, verhaalde men ons, scheidt Europa van Azië, doch -ik geloof niet, dat onze kaartenmakers dit zullen toestemmen. Zeker is -het de oostelijke grens van het oude Siberië, dat nu slechts een -wingewest van het Russische rijk is, maar zoo groot op zichzelf als -geheel Duitschland.</p> - -<p>En zelfs hier bespeurde ik nog overal onwetendheid en heidendom, behalve -in de Russische garnizoenen; het geheele land tusschen de rivier Obij en -de Janezay, is zoo geheel heidensch en het volk zoo onbeschaafd, als de -verst afgelegene Tartaren, ja, zelfs als eenig volk, dat ik weet, in -Azië of Amerika. Ik vond ook, gelijk ik de Russische gouverneurs, welke -ik van tijd tot tijd sprak, deed opmerken, dat de heidenen noch -verstandiger, noch nader bij het Christendom zijn, omdat zij onder de -Russische heerschappij woonden, hetwelk zij erkennen moesten, dat maar -al te waar was, maar zij zeiden, dat hen dit niet aanging; maar als de -czaar goedvond, zijne Siberische, Tungusische of Tartaarsche onderdanen -te bekeeren, dan moest hij het doen door priesters tot hen te zenden, -maar geene soldaten; en zij voegden er met meer opregtheid dan ik -verwacht had, bij, dat zij ondervonden, dat hun monarch er minder op -gesteld was, om hen tot Christenen, dan wel tot zijne onderdanen te -maken.</p> - -<p>Van hier tot aan de groote rivier Oby trokken wij door een woest, -onbebouwd land; het land is wel niet onvruchtbaar, maar het heeft gebrek -aan bevolking, anders is het op zichzelf een zeer aangenaam, vruchtbaar -en bevallig land. Al de inwoners, die wij aantroffen, waren heidenen, -behalve zulken, die uit Rusland derwaarts gezonden waren; want in deze -landstreek, namelijk aan de beide kanten van de rivier Oby, worden de -Russische misdadigers, die niet ter dood veroordeeld worden, gebannen, -en het is genoegzaam onmogelijk, dat zij hier ooit kunnen ontvlugten. -Mijzelven wedervoer niets bijzonders, totdat ik te Tobolsk, de hoofdstad -van Siberië, kwam, waar de volgende reden mij eenigen tijd deed -vertoeven.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_086.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Wij waren thans bijkans zeven maanden op reis geweest, en de winter -naderde met snelle schreden, weshalve mijn compagnon en ik over onze -zaken beraadslaagden, dewijl wij het noodig achtten, te overleggen hoe -wij verder zouden handelen, omdat onze bestemming naar Engeland, en niet -naar Moskou, was. Men sprak ons van sleden en rendieren, om ons in den -winter over de sneeuw te vervoeren; en inderdaad door dit middel is het, -dat de Russen beter in den winter dan in den zomer reizen kunnen, omdat -zij in deze sleden nacht en dag doorrijden, daar de natuur hun door de -thans bevrozen sneeuw eene effene baan verschaft, en de hoogten en -laagten, rivieren en meren allen effen en zoo hard als steen zijn, en -zij glijden over de oppervlakte, zonder zich te bekreunen wat er onder -is.</p> - -<p>Maar zulk eene winterreis was voor mij niet voegzaam; ik moest naar -Engeland, en niet naar Moskou. Twee wegen lagen thans voor mij: de een -was met de karavaan mede te gaan tot Jaroslaw, en dan westwaarts naar -Nerva en de Finlandsche golf, en zoo ter zee of te land naar Dantzig, -waar ik mijne Chinesche goederen misschien zeer voordeelig zou kunnen -afzetten; of ik moest de karavaan aan een stadje aan de Dwina verlaten, -vanwaar ik in zes dagen te water naar Archangel kon komen, en daar was -ik zeker scheepsgelegenheid te zullen vinden naar Holland, Engeland of -Hamburg. Maar het ware niet raadzaam geweest, om een dezer togten in den -winter te ondernemen, want bij Dantzig zou de Oostzee bevrozen en dus -voor mij ontoegankelijk zijn, en om te land van daar te trekken, zou -veel onveiliger zijn, dan onder de Mongoolsche Tartaren; even zoo als ik -in October naar Archangel ging, zouden al de schepen van daar vertrokken -zijn, en ik zou daar niets te wachten hebben dan veel koude en weinig -levensmiddelen, en den geheelen winter in eene eenzame stad moeten -doorbrengen. Na alles te hebben overwogen, achtte ik het dus veel beter; -de karavaan te laten vertrekken en den winter door te brengen waar ik -was, namelijk te Tobolsk in Siberië, op eene breedte van 60°, waar ik -verzekerd was van drie dingen, waarmede men een kouden winter kan -doorstaan, namelijk overvloed van eten en drinken wat het land oplevert; -een warm huis met genoeg brandstof, en uitmuntend gezelschap, gelijk ik -nader zal vermelden.</p> - -<p>Ik was nu in een klimaat, geheel verschillend van mijn bemind eiland, -waar ik nimmer koude gevoelde, dan als ik de koorts had; integendeel, -het viel mij daar zuur eenige kleederen te dragen, en waar ik nimmer -vuur aanlegde, dan buiten de deur en als ik het noodig had, om eten te -koken. Nu liet ik mij drie goede rokken maken, met wijde jassen er over, -die tot op de voeten hingen, en tot beneden toe digt toegeknoopt konden -worden, en die allen met bont gevoerd en zeer warm waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 450px;"> -<img src="images/crus02_087.jpg" width="450" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Van een warm huis gesproken, moet ik zeggen, dat ik onze Engelsche -manier zeer afkeur, om in elke kamer van het huis in opene schoorsteenen -vuur aan te maken, waardoor, als het vuur uit was, de lucht in de kamer -even koud wordt als de buitenlucht. Maar na mijn intrek in een goed -huis in de stad genomen te hebben, liet ik een schoorsteen bouwen als -een oven, in het midden van zes kamers; de pijp, door welke de rook -wegtrok, liep naar de eene zijde, en de plaats om er de brandstof in te -doen, was aan de andere zijde, en al de kamers werden even warm -gehouden, zonder dat men het vuur zag, even als men de badstoven in -Engeland heet maakt. Hierdoor was het altijd in alle kamers even warm, -en hadden wij steeds eene gelijkmatige warmte, en hoe koud het ook -buiten ware, binnen was het altijd warm, echter zagen wij geen vuur, en -hadden nimmer eenigen last van den rook.</p> - -<p>Het zonderlingste van alles was, dat men hier zulk goed gezelschap -aantrof, in een land, zoo woest als de noordelijkste deelen van Europa, -nabij de Poolzee, en slechts weinige graden van Nova Zembla. Maar daar -dit het land is, waarheen, gelijk ik vroeger zeide, al de -staatsgevangenen van Rusland worden gebannen, was het er vol van -vorsten, edellieden, generaals, kortom, alle graden van edelen, soldaten -en hovelingen van Rusland. Hier was de vermaarde prins Galopkin of -Galitzin en zijn zoon, de oude generaal Robodisky en verscheidene andere -aanzienlijke personen en eenige vrouwen van rang.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 300px;"> -<img src="images/crus02_088.jpg" width="300" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Door middel van mijne Schotsche kooplieden, waarvan eenige mij echter -hier verlieten, geraakte ik met verscheidene van deze heeren in kennis, -waaronder eenige van den hoogsten rang, waarmede ik in de lange -winteravonden, die ik hier doorbragt, eenen zeer aangenamen omgang had. -Ik sprak op een avond met eenen zekeren prins, een der gebannen -ministers van den Moscovischen Czaar, toen het gesprek op mijne -lotgevallen viel. Hij had mij veel fraais verhaald van de grootheid en -luister, van het gebied en de onbeperkte magt van zijnen vorst. Ik viel -hem in de rede, en zeide, dat ik een veel grooter en magtiger vorst was, -dan de Russische keizer, schoon mijn gebied zoo groot niet was, noch -mijne onderdanen zoo talrijk waren als de zijne. De Russische prins -zette groote oogen op, terwijl hij mij strak aanzag, en begreep niet, -wat ik wilde te kennen geven. Ik zeide hem, dat zijne verwondering zou -ophouden, als ik hem alles verklaard had. Eerst zeide ik hem, dat ik -onbeperkte magt over het leven en de bezittingen mijner onderdanen had, -dat niettegenstaande mijne onbeperkte magt, niet een hunner eenig -misnoegen had tegen mijne regering of mijnen persoon, op geheel mijn -gebied. Hij schudde het hoofd, en zeide, dat ik in dat geval meer kon -zeggen dan de czaar. Ik voegde er bij, dat al de landerijen in mijn rijk -mijn eigendom waren, en al mijne onderdanen slechts mijne pachters, en -dat wel vrijwillig waren, dat zij allen hunnen laatsten bloeddroppel -voor mij zouden willen storten, en dat nimmer een willekeurig heerscher, -want dit bekende ik te zijn, ooit zoo algemeen bemind en toch zoo -ontzettend gevreesd was geworden van zijne onderdanen.</p> - -<p>Na hem eenigen tijd met deze raadsels te hebben bezig gehouden, gaf ik -hem de oplossing en verhaalde hem breedvoerig hoe ik op het eiland -gekomen was, en hoe ik daar huishield, zoowel als de bevolking onder -mij, gelijk ik hiervoren uitvoerig verhaald heb. Zij waren er allen zeer -mede ingenomen, inzonderheid de prins, die mij met een zucht zeide, dat -de ware grootheid bestond in heerschappij over zichzelven te voeren, dat -hij eene levenswijze als de mijne niet voor die van czaar van Moscovië -zou willen ruilen, en dat hij meer geluk vond in de afzondering, waarin -hij hier gebannen scheen, dan vroeger ooit in de hoogste magt, die hij -aan het hof van zijnen meester, den czaar, genoten had; dat het toppunt -van menschelijke wijsheid bestond in onzen geest naar de omstandigheden -te voegen, en rust en stilte van binnen te bewaren, terwijl buiten de -geweldigste stormen loeiden. Toen hij eerst hier kwam, zeide hij, had -hij zich de haren uit het hoofd en de kleederen van het lijf gescheurd, -gelijk anderen voor hem gedaan hadden; maar eenig tijdverloop en -nadenken hadden hem geleerd, een blik in zichzelven, zoowel als op de -voorwerpen buiten hem te slaan; hij had bevonden, dat zoo 's menschen -geest slechts eerst ernstig nadenkt over den staat van ons leven in het -algemeen; en hoe weinig men voor zijn waar geluk in deze wereld noodig -heeft, men volkomen in staat is, om voor zichzelven een geluk te -bereiden, dat volkomen genoegzaam is, en met onze beste verlangens en -bestemming strookt, en waartoe de wereld slechts weinig behoeft bij te -dragen; dat lucht, om in te ademen, voedsel, om te leven, kleederen, om -de koude af te weren, en gelegenheid tot ligchaamsbeweging, om zijne -gezondheid te onderhouden, naar zijne meening alles waren, wat de wereld -ons kon opleveren. Schoon de grootheid, magt, rijkdommen en het gezag, -die sommigen in de wereld bezitten, en waarvan hij zijn deel meer dan -hem lief was had gehad, in vele opzigten aangenaam voor ons waren, moest -hij echter opmerken, dat al deze dingen grootendeels strekken, om onze -minder edele hartstogten te voldoen, als onze hoogmoed, ijdelheid, -eerzucht, gierigheid of ligtgeraaktheid, welke alle inderdaad op -zichzelve misdadig zijn, en in zich de zaden van alle misdaden bevatten; -terwijl zij op geenerlei wijze in betrekking staan tot die -eigenschappen, die de wijsheid ons leert, of tot die deugd, die ons -Christenen onderscheidt. Thans, vervolgde bij, beroofd van al het -gewaande geluk, dat hij in de uitoefening van al deze ondeugden vond, -had hij ruimschoots gelegenheid, om deze van de keerzijde te beschouwen, -waarop hij allerlei soort van verkeerdheden vond, en thans was hij -overtuigd, dat de deugd alleen iemand rijk, groot en magtig maakt, en -hem op den weg houdt, die tot hooger geluk in eene andere wereld voert, -en in dit opzigt, zeide hij, waren zij in hunne verbanning gelukkiger, -dan al hunne vijanden, die in het volle genot waren van al die weelde en -magt, die zij (de bannelingen) hadden moeten achterlaten.</p> - -<p>"En mijnheer!" zeide hij, "het is niet door den drang der -omstandigheden, die sommigen ongelukkig noemen, dat ik uit staatkunde -dit aan mijnen geest zoek op te dringen. Zoo ik mijzelven eenigzins ken, -zou ik thans niet terugkeeren, neen, zelfs niet, al zou mijn meester, de -czaar, mij terugroepen, met aanbieding van mij in al mijne vorige -grootheid te herstellen, ik zou, ik herhaal het, evenmin derwaarts -terugkeeren, als ik vertrouw, dat mijne ziel, na eenmaal van de banden -des ligchaams ontslagen te zijn en eenen voorsmaak gehad te hebben van -eenen hemelschen staat na dit leven, zou willen terugkeeren in zijne -gevangenis van vleesch en bloed, waarin zij thans is besloten, en den -hemel verlaten, om in het slijk der aarde rond te zwerven."</p> - -<p>Hij zeide dit met zooveel vuur, en op zijn gelaat blonk zulk eenen -ernst, dat dit blijkbaar de ware meening zijner ziel was, en waarlijk er -was geene reden, om zijne opregtheid in twijfel te trekken.</p> - -<p>Ik zeide hem, dat ik eenmaal in mijnen voormaligen toestand, waarvan ik -hem verhaald had, mijzelven eene soort van monarch gedacht had, maar dat -ik hem thans niet alleen als eenen monarch, maar als een groot -veroveraar beschouwde, want dat hij zijne eigene hooggaande begeerten -onder het juk had gebragt, en eene volstrekte heerschappij over -zichzelven voerde; en hij, wiens rede al zijne daden bestuurt, is zeker -grooter dan hij, die eene stad inneemt. "Maar mag ik zoo vrij zijn van u -eene vraag te doen, mijnheer?" zeide ik.—"Met al mijn hart," antwoordde -hij.—"Bijaldien de deur voor de vrijheid u werd opengesteld," zeide ik, -"zoudt gij die dan niet aangrijpen, om u uit deze ballingschap te -bevrijden?"—"Uwe vraag is dubbelzinnig," zeide hij, "en heeft eenige -juiste onderscheidingen noodig, om er een opregt antwoord op te kunnen -geven, en die zal ik u uit grond van mijn hart geven. Niets ter wereld -zou mij aandrijven, om mij uit dezen staat van ballingschap te -verwijderen, dan twee beweegredenen; eerstelijk het verlangen, om mijne -bloedverwanten weder te zien, en tweedens een warmer luchtgestel. Maar -dit verzeker ik u, om terug te keeren naar den luister van het hof, den -roem, de magt, de bezigheden van eenen minister, de rijkdommen, de -genoegens en vermaken, dat wil zeggen dwaasheden, van eenen hoveling; -als mijn meester mij op dit oogenblik liet weten, dat hij mij in het -bezit herstelde van alles, wat hij mij ontnomen heeft, dan verzeker ik -u, dat ik, als ik eenigzins mijzelven ken, deze woestijnen, wildernissen -en ijsvelden niet voor de paleizen van Moskou zou willen -verlaten."—"Maar prins!" vervolgde ik, "misschien zijt gij niet alleen -verbannen van de vermaken van het hof en van de magt, het gezag en de -schatten, die vroeger uw deel waren, maar gij kunt ook van eenige -gemakken des levens verstoken zijn; uwe bezittingen zijn misschien -verbeurd verklaard, en wat men u hier toestaat, is welligt niet -voldoende, om in uwe gewone behoeften te voorzien."—"Ja," zeide hij, -"dat is ook zoo, als gij mij beschouwt als een edelman, een prins, -gelijk ik ook ben; maar gij moet mij thans alleen beschouwen, als een -mensch, een menschelijk wezen, dat zich van geen zijner medemenschen -onderscheidt, en dan kan ik geen gebrek lijden, tenzij ik met ziekte of -kwalen mogt bezocht worden. Om echter deze vraag op te lossen: gij ziet -onze levenswijze, wij zijn hier met ons vijven, personen van hoogen -rang, wij leven zoo stil, als in eenen staat van ballingschap. Van onze -fortuin hebben wij uit de schipbreuk een klein gedeelte gered, hetgeen -ons van de verpligting ontslaat, om met jagen den kost te verdienen, -maar de arme soldaten, die hier zijn, en die hulp niet hebben, leven -even ruim als wij. Zij gaan in de bosschen en vangen sabels en vossen; -eene maand hieraan besteed, verschaft hun levensonderhoud voor een jaar, -en daar de levenswijze hier niet kostbaar is, is het gemakkelijk het -noodige te verwerven; dus is deze tegenwerping vervallen."</p> - -<div class="figcenter" style="width: 375px;"> -<img src="images/crus02_089.jpg" width="375" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Het zou mij te ver voeren, als ik een volledig verslag wilde geven van -het aangename onderhoud, dat ik met dezen waarlijk grooten man had; -gedurende hetwelk hij bewees, dat zijn geest zoo vervuld was met een -diep inzigt in alle zaken; zoo gesterkt werd door godsdienst, zoowel als -door de uitgebreidste kennis; dat zijne versmading van de wereld -werkelijk was, zoo als hij verklaarde, en dat hij zichzelven steeds -gelijk bleef, gelijk in het vervolg van dit verhaal zal blijken.</p> - -<p>Ik bragt hier acht maanden in eenen donkeren, treurigen winter door; de -koude was zoo streng, dat ik mijn neus niet buiten de deur kon steken, -zonder in bont gewikkeld te zijn, en een masker voor het gelaat te -dragen, of liever een digte sluijer, met een gat, om te ademen, en twee, -om te zien. Het korte daglicht, dat wij hadden, was ongeveer drie -maanden lang niet meer dan vijf uren daags, zes op zijn hoogst, schoon -het nimmer zeer donker was, daar de sneeuw voortdurend liggen bleef en -het weder helder was. Onze paarden stonden in eenen kelder te -verkwijnen, en onze dienstboden (want wij huurden die, om ons en onze -paarden op te passen) waren telkens de handen en voeten bevroren.</p> - -<p>Echter zaten wij binnenshuis warm, de huizen waren digt, de muren dik, -de vensters klein en allen met dubbele glazen. Ons eten bestond -hoofdzakelijk in gedroogd wild, goed brood, als beschuit gebakken, -verschillende soorten van gedroogden visch, en eenig schapen- en -buffelvleesch, dat zeer goed is. Alle levensmiddelen voor den winter -worden in den zomer ingelegd. Onze drank was water, met brandewijn -vermengd, en meede in plaats van wijn, voor een traktement, die zij -echter zeer goed hebben. De jagers, die in elk weder uitgaan, bragten -ons dikwijls zeer goed en vet wild, en somtijds beerenvleesch, doch om -het laatste gaven wij niet veel. Wij hadden een goeden voorraad thee, -waarop wij onze vrienden onthaalden; met een woord, wij leidden over het -geheel een zeer goed leven.</p> - -<p>Het was nu Maart; de dagen begonnen vrij wat langer en het weder althans -dragelijker te worden; derhalve begonnen de andere reizigers sleden -gereed te maken, om hen over de sneeuw te brengen; maar ik had besloten, -gelijk ik gezegd heb, naar Archangel, en niet naar Rusland of de Oostzee -te gaan, en ik bleef dus waar ik was, want ik wist zeer goed, dat de -schepen uit het zuiden daar niet voor Mei of Junij heengaan, en dat, als -ik in het begin van Augustus daar kwam, ik er vroeg genoeg zou zijn, om -met een der eerst vertrekkende schepen mede te gaan, en derhalve maakte -ik geen haast om te vertrekken, zoo als de anderen, en zag dus ook eene -groote menigte volks, ja, eindelijk alle reizigers voor mij vertrekken. -Het schijnt, dat zij van Moskou alle jaren herwaarts trekken, om te -handelen, namelijk om pelterijen te brengen, en andere noodwendigheden -te halen voor hunne winkels; en deze gaan met hetzelfde, oogmerk naar -Archangel, maar deze allen, die ongeveer achthonderd mijlen terug -moesten, vertrokken voor mij.</p> - -<p>Tegen het laatst van Mei begon ik mij ook tot mijn vertrek gereed te -maken, en terwijl ik dit deed, schoot mij te binnen, terwijl ik al deze -lieden zag, die de czaar naar Siberië gebannen had, en die toch als zij -hier gekomen waren, vrijheid hadden om te gaan waarheen zij wilden, -waarom zij niet heengingen naar eenig deel der wereld, waar zij -goedvonden, en ik begon na te gaan wat hen belette zulks te ondernemen.</p> - -<p>Maar mijne verwondering hield op, toen ik hierover sprak, met den prins, -van wien ik hiervoren gewag gemaakt heb, en die mij het volgende ten -antwoord gaf: "In de eerste plaats, mijnheer! moet gij bedenken, waar -wij zijn; ten tweede den toestand waarin wij zijn, en bijzonder den -toestand van het volk, dat hier gebannen is. Wij zijn hier omgeven door -sterkere sluitingen dan muren en grendels; aan de noordzijde is eene -onbevaarbare oceaan, waarop nimmer een schip gezeild heeft, noch eene -boot gevaren, en al bezaten wij beide, wij zouden niet weten waarheen er -mede te gaan. Langs elken anderen weg," vervolgde hij, "moeten wij -ongeveer duizend (Eng.) mijlen het gebied van den czaar doortrekken, -langs wegen die ontoegankelijk zijn, behalve die welke de regering -gemaakt heeft, en door steden, waarin zij bezetting heeft liggen, zoodat -wij nimmer dien weg kunnen volgen, zonder ontdekt te worden, noch op -eene andere wijze levensmiddelen erlangen; alle pogingen daartoe zijn -derhalve vergeefs."</p> - -<p>Dit bragt mij tot zwijgen, en ik zag in, dat zij inderdaad in eene -gevangenis waren opgesloten, zoo zeker, alsof zij in het kasteel van -Moskou achter de grendels zaten. Het denkbeeld kwam echter bij mij op, -dat ik wel het werktuig kon zijn, om een zoo uitmuntend persoon te doen -ontsnappen, en dat het voor mij zeer gemakkelijk was, hem mede te -voeren, daar er geene wacht hier te lande over hem gehouden werd. En -daar ik niet naar Moskou ging, maar wel naar Archangel, en op de wijze -van eene karavaan voorttrok, waardoor ik niet verpligt was de -vestigingen in de woeste streken te betrekken, maar mijne nachten kon -doorbrengen waar ik wilde, konden wij gemakkelijk zonder verhindering -Archangel bereiken, waar ik hem dadelijk aan boord van een Engelsch of -Hollandsch schip zou brengen. Wat zijn onderhoud en andere kleinigheden -betrof, hiervoor zou ik zorgen, totdat hij daarin zelf kon voorzien.</p> - -<p>Hij hoorde mij zeer oplettend aan, terwijl ik hem dit voorstelde, en zag -mij al den tijd dat ik sprak strak aan, ja, ik kon op zijn gelaat zien, -dat hetgeen ik zeide zijn gemoed hevig in beweging bragt; hij veranderde -dikwerf van kleur, zijne oogen vonkelden, en men kon ligt bespeuren, dat -hij weifelde. Hij was eerst niet in staat om mij te antwoorden, toen ik -had uitgesproken, en ik, als het ware, wachtte wat hij er van zou -zeggen. Na eenigen tijd gezwegen te hebben, omhelsde hij mij en zeide: -"Hoe ongelukkig zijn wij, feilbare menschen toch, dat zelfs onze beste -daden van vriendschap ons tot een strik worden, en dat wij elkander in -verzoeking brengen! Mijn beste vriend," vervolgde hij, "uwe aanbieding -is zoo opregt, zoo goedhartig, zoo belangeloos, en zoo mijn voordeel -beoogende; dat ik slechts weinig wereldkennis zou bezitten als ik er mij -niet zeer over verwonderde, en de verpligting niet erkende, die ik -daarvoor jegens u heb. Maar geloofde gij aan mijne opregtheid, in -hetgeen ik zoo dikwijls u gezegd heb, dat ik de wereld verachtte? -Geloofde gij, dat ik uit grond van mijn hart sprak, en dat ik hier -werkelijk dien graad van geluk bereikt had, die mij verheft boven alles -wat de wereld mij kon verschaffen of voor mij kon doen? Geloofde gij dat -ik opregt was, toen ik u zeide dat ik niet zou willen terugkeeren, al -zou ik teruggeroepen worden om alles te worden wat ik eenmaal was aan -het hof en in het bezit van de gunst van mijn meester, den czaar? -Gelooft gij, mijn vriend, dat ik een eerlijk man ben, of houdt gij mij -voor een snoevenden huichelaar?" Hier zweeg hij stil, alsof hij op mijn -antwoord wachtte, maar ik bespeurde spoedig dat hij eigenlijk ophield, -omdat zijn gemoed geschokt en heen en weder geslingerd werd, en dat hij -niet spreken kon. Ik beken dat ik verbaasd stond, zoo wel over hetgeen -ik hoorde, als over den man zelven. Ik voerde eenige redenen aan, om hem -over te halen de vrijheid te kiezen; dat hij beschouwen moest, dat door -den Hemel eene deur ter zijner bevrijding werd opengesteld, en dat het -een wenk was van de Voorzienigheid, die alle dingen bestiert, om -zichzelven wel te doen, en nuttig voor anderen te worden.</p> - -<p>Hij had thans zijne bedaardheid herkregen. "Hoe weet gij, mijnheer," -zeide hij, "dat dit in plaats van een wenk des Hemels, geen aanloksel is -van een anderen kant, dat mij in de verleidelijkste kleuren het geluk -eener bevrijding voorspiegelt, terwijl het inderdaad een valstrik kan -zijn; waardoor ik mijn eigen verderf te gemoet ga? Ik ben hier bevrijd -van alle verzoeking, om mijne voormalige rampzalige grootheid weder te -bereiken; ginds ben ik niet verzekerd of al de zaden van hoogmoed, -eer- en hebzucht en weelde, die ik weet dat nog in mijn aard liggen, niet -zullen herleven en wortel schieten, en met een woord, zich weder meester -van mij maken; en dan zal de gelukkige gevangene, dien gij thans als -meester van zichzelven ziet, de rampzalige slaaf zijner hartstogten -zijn, bij het genot van alle mogelijke persoonlijke vrijheid. Waarde -vriend, laat mij in deze gelukkige hechtenis, verbannen van de misdaden -des levens, liever dan een zweem van vrijheid te koopen, ten koste van -de vrijheid mijner rede, en van mijn toekomstig heil, dat ik thans te -gemoet zie; maar dat ik alsdan, vrees ik, spoedig uit het oog zou -verliezen, want ik ben slechts een mensch, heb vleesch en bloed, driften -en hartstogten, die mij zoo waarschijnlijk als een ander zullen -overmeesteren en wegslepen. O, wees niet mijn vriend en tegelijk mijn -verleider!"</p> - -<p>Stond ik vroeger verbaasd, thans was ik geheel tot zwijgen gebragt, en -stond hem aan te staren en te bewonderen. De tweestrijd, waarin ik hem -gebragt had, was zoo groot, dat, ofschoon het geweldig koud was, het -zweet hem uitgebroken was, en daar ik zag dat hij zijn gemoed wilde -ontlasten, zeide ik met een paar woorden, dat hij er nog eens over moest -nadenken en ik hem weder zou opzoeken, en begaf mij daarop naar mijne -kamer.</p> - -<p>Een paar uren daarna hoorde ik iemand aan of bij mijne kamerdeur, en ik -stond op om die te openen, toen de prins dit zelf deed en binnen kwam. -"Mijn waarde vriend," zeide hij, "gij zoudt mij bijkans overgehaald -hebben, doch thans ben ik weder tot mijzelven gekomen. Duid het mij niet -ten kwade, dat ik uw aanbod niet aanneem. Ik verzeker u, het is niet -omdat ik niet gevoel hoe vriendschappelijk het van u is, en ik kwam er u -mijne hartelijke dankbaarheid voor betuigen; maar ik hoop thans -mijzelven overwonnen te hebben."</p> - -<p>"Prins," zeide ik, "ik hoop dat gij ten volle overtuigd zijt, dat gij u -niet tegen eenen wenk der Voorzienigheid verzet."—"Ware het eene stem -des Hemels geweest," zeide hij, "dan zou diezelfde magt mij aangedreven -hebben het voorstel aan te nemen; maar ik acht mij ten volle overtuigd -dat het 's Hemels wil is dat ik het afwijs, en als wij scheiden zal het -mij eene streelende gedachte zijn, dat gij mij achterlaat als een braaf -man, schoon dan ook een gevangen man."</p> - -<p>Mij schoot niets over dan hierin te berusten, en hem te verzekeren, dat -mijne eenigste bedoeling geweest was hem van dienst te zijn. Hij -omhelsde mij met vuur en verzekerde mij dat hij hiervan overtuigd was, -en altijd dit zou erkennen; en daarbij bood hij mij een fraai geschenk -van sabelvellen; inderdaad voor mij te groot om aan te nemen, van iemand -in zijne omstandigheden; en ik wilde het ontwijken, maar hij liet het -zich niet afslaan.</p> - -<p>Den volgenden morgen zond ik mijn knecht naar hem toe, met een klein -geschenk van thee, twee stukken Chinesche lijnwaad, en vier stukjes -Japansch goud, die te zamen nog geen zes oncen wogen; hetwelk echter -niet haalde bij de waarde der sabelvellen, die ik bij mijne komst in -Engeland vernam dat omtrent twee honderd Pond St. waard waren. Hij nam -de thee en een stuk lijnwaad aan, en een van de Japansche goudstukjes, -daar een fraaije stempel opstond, hetwelk ik begreep, dat hij om de -zeldzaamheid aannam; doch meer wilde hij niet aannemen, en hij liet mij -door mijn knecht zeggen, dat hij mij gaarne wilde spreken.</p> - -<p>Toen ik bij hem kwam zeide hij, dat ik nog wel weten zou wat er tusschen -ons voorgevallen was, en hij hoopte, dat ik daarover niet meer bij hem -aandringen zou. Maar dewijl ik hem zulk een edelmoedig aanbod gedaan -had, vroeg hij mij of ik zoo welwillend zou zijn om hetzelfde voor een -ander persoon te doen, dien hij mij noemen zou, en waarin hij zeer veel -belang stelde. Ik antwoordde, dat ik weinig lust had het voor iemand -anders dan voor hem te doen, wien ik bijzonder hoogschatte, en dien ik -gaarne had willen bevrijden. Zoo hij mij echter den persoon noemen -wilde, zou ik hem bepaald antwoorden, in de hoop dat hij, zoo mijn -antwoord hem niet beviel, mij dit niet euvel zou duiden. Hij zeide mij, -dat hij het voor zijn zoon vroeg, die, ofschoon ik hem niet gezien had, -in dezelfde omstandigheden als hij verkeerde, en ongeveer tweehonderd -(Eng.) mijlen vandaar aan de overzijde der Oby was, maar dat hij, als ik -toestemde, om hem zenden zou.</p> - -<p>Zonder te aarzelen zeide ik hem dat ik het doen zou. Ik gaf hem echter -daarbij te kennen, dat het alleen om zijnentwil was, en dat, aangezien -ik hem niet kon overhalen, ik hem een bewijs mijner achting wilde geven -door mijn gedrag jegens zijn zoon, doch het zou vervelend zijn dit alles -hier te herhalen. Hij zond den volgenden dag om zijn zoon, en twintig -dagen later keerde deze met den bode terug, medebrengende zes of zeven -paarden met zeer kostbare pelterijen beladen, die te zamen van groote -waarde waren.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_090.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Zijne knechts bragten de paarden in de stad, maar lieten den jongen -prins op een afstand achter, tot in den nacht, toen hij heimelijk bij -ons kwam, en zijn vader hem aan mij voorstelde, en hier overlegden wij -hoe wij reizen zouden, en welken weg wij zouden kiezen.</p> - -<p>Ik had eene groote menigte sabelvellen, zwarte vossenvellen, fijn -hermelijn en ander kostbaar bont gekocht, of liever geruild voor andere -goederen, die ik uit China medegebragt had, vooral voor de nagelen en -nootmuskaten, die ik meerendeels hier en het overschot in Archangel -verkocht, voor een veel hooger prijs dan zij te Londen hadden kunnen -gelden; en mijn compagnon, die de winst berekende, en wiens bestemming -veel meer dan de mijne het drijven van koophandel was, was magtig in -zijn schik met ons vertoeven hier, uithoofde van onzen hier gedreven -handel.</p> - -<p>In het begin van Junij verliet ik deze afgelegene plaats; eene stad, -waarvan men, geloof ik, in de wereld weinig spreekt, en geen wonder daar -zij zoo ver buiten alle gewone handelswegen ligt. Wij waren thans tot -eene zeer kleine karavaan gesmolten, bestaande in het geheel slechts uit -tweeëndertig paarden en kameelen, die allen voor de mijnen doorgingen, -schoon er vier aan mijn nieuwen gast toebehoorden. Het was dus zeer -natuurlijk, dat ik meer knechts medenam dan vroeger; en de jonge prins -ging voor mijn opzigter of intendant door. Voor welk groot heer ik zelf -gehouden werd, weet ik niet, ook lustte het mij niet er naar te vragen. -Wij moesten hier de ergste en grootste woestijn doortrekken, die wij op -de geheele aarde aantroffen; ik noem haar de ergste, omdat de weg er op -vele plaatsen zeer gevaarlijk en ongelijk was; het best dat wij er van -konden zeggen, was, dat wij geen troepen Tartaren en roovers te duchten -hadden, omdat die nimmer, of althans hoogstzelden aan deze zijde van de -rivier Oby komen; doch wij ondervonden het anders.</p> - -<p>De jonge prins had bij zich een trouwen Russischen knecht, of eigenlijk -een Siberiër van geboorte, die het land volkomen kende, en ons langs -zijwegen voerde, zoodat wij de voornaamste steden en dorpen aan den -grooten weg vermeden; omdat de Russische bezettingen, die daar liggen, -zeer nieuwsgierig, en gestreng in hun onderzoek van reizigers zijn, en -vooral nasporen of ook eenige ballingen op die wijze trachten te -ontkomen. Wij waren dikwijls verpligt in het open veld te liggen, en -daar onder onze tenten den nacht door te brengen, terwijl wij in de -steden aan den weg zeer goed ons gemak hadden kunnen nemen; hierdoor -liep onze geheele reisweg als het ware door eene woestijn. Den jongen -prins hinderde dit zoo, dat hij aan verscheidene steden gekomen, niet -wilde dat wij in het open veld bleven, maar zelf met zijn knecht den -nacht in de bosschen doorbragt, en ons den volgenden dag op eene -afgesprokene plaats opwachtte.</p> - -<p>Wij hadden juist Europa betreden, na de rivier Kama overgetrokken te -zijn, die aldaar de grensscheiding tusschen Europa en Azië uitmaakt, en -de eerste stad aan de Europesche zijde heette Soloi-Kamaskoi, dat zoo -veel zeggen wil als de groote stad op den oever van de Kama; en hier -verwachtten wij eene merkbare verandering te zullen bespeuren in de -bewoners, hunne zeden, gewoonten, godsdienst en bedrijf; maar wij hadden -misgerekend. Wij hadden nog eene uitgestrekte woestijn door te trekken, -die, naar men ons verhaalde, zevenhonderd (Eng.) mijlen op sommige -plaatsen lang is, maar niet meer dan tweehonderd mijlen breed, waar wij -hem doortrokken. Tot dat wij deze achter den rug hadden, vonden wij zeer -weinig verschil tusschen dit land en Tartarijë, en het volk meest -heidenen en weinig beschaafder dan de wilden van Amerika; hunne huizen -en dorpen vol afgoden, en hunne levenswijze allerbarbaarscht, behalve in -de steden, gelijk ik zeide, en de dorpen en derzelver nabijheid, die -door Christenen van de Grieksche godsdienst bewoond worden; maar ook de -godsdienst van deze is zoo met bijgeloof doormengd, dat die op sommige -plaatsen niet van afgoderij te onderscheiden was.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 525px;"> -<img src="images/crus02_091.jpg" width="525" alt="" title="" /> -</div> - -<p>In het doortrekken van deze woestijn, nadat wij alle gevaren zoo wij -meenden, reeds achter den rug hadden, dacht ik dat wij nog -uitgeplunderd en misschien vermoord zouden worden door eene troep -roovers. Ik weet nog niet uit welk land zij waren; hetzij het -zwerfbenden waren van de Ostiaken, eene soort van Tartaren, of woest -volk van de boorden van de Oby, die tot hier heen gezworven waren, dan -wel of het Siberische sabeljagers waren; maar zij waren allen te paard, -droegen boog en pijlen, en waren eerst vijfenveertig in getal; zij -kwamen tot op ongeveer twee geweerschoten afstands van ons, en zonder -ons eenige vragen te doen, reden zij om ons heen en sloegen ons zeer -ernstig gade. Eindelijk plaatsten zij zich vlak voor ons, waarop wij ons -in een gelid voor onze kameelen schaarden, daar wij nog geen zestien man -in het geheel uitmaakten, en zonden den Siberischen knecht naar hen toe -om te zien wie zij waren. Zijn meester was te meer geneigd hem te laten -gaan, daar hij zeer beducht was dat het een Siberische troep was, die -men hem achterna had gezonden. De man reed naar hen toe met eene witte -vlag en sprak hen aan; maar schoon hij verscheidene van hunne talen of -liever tongvallen gebruikte, kon hij geen woord verstaan van hetgeen zij -zeiden. Na eenige teekens die zij hem deden van niet nader te komen als -hij zijn leven lief had, en een aanbod om hem dood te schieten als hij -naderde, ten minste zoo verstond hij hunne bedoeling, kwam de man terug, -even wijs als toen hij ging; echter zeide hij dat hij hen, naar hunne -kleeding, voor Tartaren of Kalmukken, of voor eene horde Circassiërs -hield, en dat er in de groote woestijn meer van hen moesten zijn, schoon -hij nimmer gehoord had, dat er vroeger ooit eenige zoo ver noordwaarts -waren doorgedrongen.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 685px;"> -<img src="images/crus02_092.jpg" width="685" alt="" title="" /> -</div> - -<p>Dit was eene slechte troost voor ons. Er viel echter niet aan te doen. -Aan de linkerzijde, op ongeveer een vierde uurs was een groepje boomen, -die digt bijeen en vlak bij den weg stonden. Ik besloot dadelijk ons -daarheen te begeven en ons, zoo goed wij konden, te verschansen; want ik -begreep dat vooreerst deze boomen ons grootendeels voor hunne pijlen -zouden beschutten, en in de tweede plaats, dat zij ons dan niet in massa -op het lijf konden vallen. Eigenlijk was het mijn oude Portugeesche -loods die het voorstelde, en die deze uitmuntende eigenschap had, dat -hij altijd in de oogenblikken van het grootste gevaar het geschiktste -was om ons te leiden en aan te moedigen. Wij trokken met den meest -mogelijken spoed daarheen en bereikten dat boschje, terwijl de Tartaren -of dieven, wat zij dan ook waren, stand hielden, en ons geen hindernis -in den weg legden. Daar gekomen, bevonden wij tot onze groote vreugd, -dat het eene vochtige, moerassige plek gronds was, met aan de eene zijde -eene groote bron, die in een klein beekje uitliep, dat een eind weegs -nader zich met een ander van gelijke grootte vereenigde, en dat -eigenlijk de oorsprong of bron van eene groote rivier was, die hooger op -de Wertska heette. Er stonden om die bron niet boven de tweehonderd -boomen, maar zij waren zeer groot en stonden digt opeen; zoodat, zoodra -wij daar waren, wij ons volkomen voor den vijand beschut zagen, ten ware -zij afstegen en ons te voet aanvielen.</p> - -<p>Om dit echter moeijelijk te maken, kapte onze Portugees met onvermoeiden -ijver takken van de boomen, en liet die hangen en niet geheel van den -stam gescheiden, van den eenen boom naar den anderen; zoodat hij eene -onafgebroken verschansing om ons heen vormde.</p> - -<p>Wij bleven hier eenige uren de bewegingen des vijands gadeslaan, die -echter geen lust tot eenige beweging scheen te hebben. Een paar uren -voor den avond kwamen zij echter op ons aanrukken, en schoon wij het -niet bemerkt hadden, zagen wij nu dat er zich nog eenigen bij hen -gevoegd hadden, zoodat er thans tachtig ruiters waren, waaronder echter, -naar onze meening, eenige vrouwen. Wij lieten hen tot op een half -geweerschot afstands van onze legerplaats komen, waarna wij met los -kruid op hen schoten, en hen in het Russisch toeriepen wat zij van ons -hebben wilden, en hen gelastten zich te verwijderen. Daar zij ons echter -niet verstonden, drongen zij met verdubbelde woede op ons boschje aan, -zich verbeeldende, dat wij niet zoo verschanst waren of zij zouden er -wel kunnen doorbreken. Onze oude loods was onze bevelhebber, gelijk hij -vroeger onze ingenieur geweest was, en gelastte ons niet te vuren, voor -zij op een pistoolschot afstands gekomen waren; en alsdan vooral goed op -hen te mikken. Wij zeiden, dat wij op zijn bevel zouden wachten, -waarmede hij zoo lang draalde tot sommigen nog slechts eenige schreden -van ons af waren.</p> - -<p>Wij mikten zoo goed, of de hemel bestierde ons vuur zoo, dat wij bij de -eerste losbranding er veertien doodden, en nog verscheidenen benevens -eenige paarden kwetsten, want wij hadden allen onze geweren met ten -minste twee of drie kogels geladen.</p> - -<p>Dit bragt hen geheel in verwarring, en zij trokken dadelijk wel honderd -roeden terug, in welken tijd wij onze geweren weder laadden, en ziende, -dat zij op dien afstand bleven, deden wij een uitval, en vermeesterden -vier of vijf paarden, wier ruiters waarschijnlijk gedood waren. Bij de -gesneuvelden komende, zagen wij duidelijk dat het Tartaren waren, schoon -wij niet wisten uit welke streek, noch hoe het kwam dat zij een zoo -buitengewoon verren togt hadden ondernomen.</p> - -<p>Een dag daarna maakten zij eene beweging om ons op nieuw aan te vallen, -en reden ons boschje rond om te zien of zij ook ergens konden -doorbreken; maar ons steeds gereed vindende hun het hoofd te bieden, -verlieten zij ons weder, en wij besloten dien nacht niet van de plaats -te gaan.</p> - -<p>Wij sliepen weinig, gelijk men wel denken kan, maar bragten het -meerendeel van den nacht door met ons leger te versterken, en de -toegangen te verschansen, en eene scherpe wacht te houden, in -afwachting, dat het zou beginnen te dagen. Toen de dag doorkwam bragt -hij ons eene onaangename ontdekking; want de vijand, dien wij gehoopt -hadden dat door de geledene ontvangst afgeschrikt zou zijn geworden, was -thans tot op zijn minst driehonderd aangegroeid, en had elf of twaalf -hutten of tenten opgeslagen, alsof hij besloten had ons te belegeren. -Zij hadden hun kamp opgeslagen op eene opene vlakte, ongeveer drie -kwartieruurs van ons verwijderd.</p> - -<p>Deze ontdekking was eene onaangename verrassing voor ons; en hier moet -ik bekennen, achtte ik mij verloren en al wat ik had. Het verlies mijner -goederen ging mij zoo veel niet aan het hart (schoon zij van veel waarde -waren), als wel de gedachte van in de handen van zulke barbaren te -moeten vallen, op het laatst van mijne reis, na het doorstaan van zoo -vele gevaren en moeijelijkheden, en als het ware in het gezigt van de -haven, waar wij veiligheid en behoud verwachtten. Mijn compagnon was -woedend; hij zeide, dat het verlies zijner goederen hem in den grond zou -boren, en dat hij liever wilde sterven dan tot den bedelstaf geraken, en -hij wilde vechten tot den laatsten droppel bloed.</p> - -<p>De jonge prins, een man zoo dapper als iemand, stemde ook voor het -gevecht, en mijn oude loods was van meening, dat wij in onze stelling -hen allen konden weerstaan. Wij bragten zoo den dag door in -beraadslagingen wat wij doen wilden, doch tegen den avond bespeurden wij -dat het getal onzer vijanden nog vermeerderd was. Misschien hadden zij -in verschillende afdeelingen rond gezworven om buit op te sporen, en -hadden de eerste verspieders uitgezonden om hen te hulp te roepen, en -met den buit bekend te maken. Wij wisten niet of niet hun getal den -volgenden morgen nog meer aangegroeid zou zijn, en dus vroeg ik aan de -lieden, die wij van Tobolsk hadden medegenomen, of er geene andere, -geene zijwegen waren, waardoor wij misschien een of ander dorp of stad -konden bereiken, of wel het einde der woestijn.</p> - -<p>De Siberische knecht van den jongen prins zeide ons, dat als wij hen -wilden uit den weg gaan en niet bevechten, hij zich sterk maakte ons in -den nacht op een weg te brengen, die noordwaarts liep, naar de rivier -Petras, waardoor hij zich verzekerd hield, dat wij den aftogt zouden -kunnen blazen, zonder dat de Tartaren wisten waar wij zouden gebleven -zijn, maar hij zeide, dat zijn heer hem gezegd had niet te willen -vlugten, maar liever te vechten. Ik zeide, dat hij zijn heer niet goed -begrepen had, dat deze te verstandig was om gaarne te vechten zonder -eenig doel; dat zijn heer reeds blijken genoeg had gegeven, dat hij -onversaagd was, maar dat zijn heer zelf wel wist, dat zeventien of -achttien man niet tegen vijfhonderd konden vechten, ten ware eene -onvermijdelijke noodzakelijkheid hen er toe dwong, en dat als hij het -mogelijk achtte in den nacht te ontkomen, wij dit volstrekt moesten -beproeven. Hij antwoordde, dat als zijn heer hem dit gebood, hij zijn -leven te pand zette dat hij het doen zou. Wij haalden weldra zijn heer -over, doch in het geheim, om hem dit bevel te geven, en maakten ons -dadelijk gereed om het uit te voeren.</p> - -<p>In de eerste plaats legden wij, zoodra het duister werd, een vuur aan in -onze legerplaats, en maakten het zoo, dat het den geheelen nacht zou -kunnen doorbranden, opdat de Tartaren mogten begrijpen dat wij er nog -waren; maar zoodra het duister werd, dat wil zeggen, zoodra wij de -sterren konden zien (want eer wilde onze gids niet op weg gaan) volgden -wij onzen nieuwen geleider, daar wij de paarden en kameelen reeds -vooraf beladen hadden. Ik zag weldra, dat hij zijn weg naar de poolster -rigtte, daar het land een groot eind geheel effen was.</p> - -<p>Na twee uren zeer snel voortgetrokken te zijn, begon het nog lichter te -worden; want ofschoon de nacht reeds helder was geweest, kwam nu de maan -op, zoodat het eigenlijk lichter was dan wij verlangden; doch den -volgenden morgen te zes ure hadden wij bijkans veertig (Eng.) mijlen -afgelegd; waarmede wij onze paarden dan ook schier dood gereden hadden. -Hier vonden wij een Russisch dorp, Kirmazinskoi genaamd, waar wij rust -hielden en dien dag niets van de Kalmuksche Tartaren vernamen. Twee uren -voor den avond trokken wij weder op weg en reisden tot den volgenden -morgen te acht ure, schoon niet zoo haastig als vroeger; en tegen zeven -ure trokken wij een riviertje over, genaamd Kirtza, en kwamen aan eene -goede, groote en zeer bevolkte stad, door Russen bewoond, genaamd -Ozomoys. Hier hoorden wij, dat er in de woestijn verscheidene troepen of -horden Kalmukken rondzwierven, maar dat wij thans buiten alle gevaar -voor hen waren, hetgeen, gelijk men denken kan, zeer naar ons genoegen -was. Hier waren wij verpligt andere paarden aan te schaffen, en daar wij -rust hoog noodig hadden, bleven wij hier vijf dagen; en mijn compagnon -en ik besloten den eerlijken Siberiër, die ons hierheen geleid had, de -waarde van tien pistolen te geven voor zijn geleide.</p> - -<p>Binnen vijf dagen kwamen wij te Venessima aan de rivier Witzogda, die in -de Dwina uitloopt, en dus gelukkig nabij het einde van onze reis te -land, daar die rivier tot Archangel bevaarbaar is. Vandaar kwamen wij -den derden nabij de Lawrenskoi, waar deze rivieren zich vereenigen, en -namen daar twee vrachtscheepjes en eene bark voor ons aan. Wij gingen -den zevenden scheep en kwamen behouden te Archangel den achttienden, na -een jaar, vijf maanden en drie dagen op reis te zijn geweest, daaronder -begrepen ons verblijf van acht maanden te Tobolsk.</p> - -<p>Wij waren verpligt hier zes weken op de aankomst van schepen te -wachten, en zouden nog langer hebben moeten wachten, zoo niet een -Hamburger eene maand vroeger dan eenig Engelsen schip binnengekomen was; -na overwogen te hebben, dat Hamburg misschien eene even goede markt voor -onze goederen als Londen zou opleveren, bevrachtten wij alleen hem, en -na onze goederen aan boord gebragt te hebben, was het zeer natuurlijk, -dat ik er mijn opzigter liet blijven om er het oog op te houden. -Hierdoor had de jonge prins eene voldoende gelegenheid om zich verborgen -te houden, terwijl hij zoo lang wij hier bleven niet aan wal kwam, daar -hij vreesde in de stad gezien te worden door eenige kooplieden van -Moscou, die hem zeker herkend zoude hebben.</p> - -<p>Wij zeilden van Archangel den 2den Augustus, en liepen zonder eenig -merkwaardig wedervaren den 13den September de Elbe op. Hier vonden mijn -compagnon zoo wel als ik, eene zeer goede gelegenheid om onze goederen -te verkoopen, zoowel die uit China als de pelterijen van Siberië, en na -het bedrag van den verkoop gedeeld te hebben, beliep mijn aandeel -drieduizend vierhonderd vijfenzeventig pond Sterling, zeventien -schellingen, niettegenstaande de vele verliezen die wij geleden, en -onkosten die wij hadden gemaakt. Ik moet echter aanmerken, dat hieronder -begrepen was de waarde van ongeveer zeshonderd Pond St. aan diamanten, -die ik te Bengalen gekocht had.</p> - -<p>Hier nam de jonge prins afscheid van ons, en ging de Elbe op, om zich -naar het hof van Weenen te begeven, waar hij besloot bescherming te -zoeken, en vanwaar hij briefwisseling kon houden met de vrienden zijns -vaders, die nog leefden. Hij scheidde niet van mij, zonder herhaalde -betuigingen van zijne dankbaarheid voor de hem bewezen dienst, en voor -de genegenheid, die ik zijn vader toedroeg.</p> - -<p>Ten besluite. Nadat ik bijkans vier maanden in Hamburg vertoefd had, -reisde ik vandaar te land naar den Haag, en stak vervolgens met de -pakketboot over naar Engeland, en kwam te Londen den 10 Januarij 1705, -na tien jaren en negen maanden van Engeland afwezig te zijn geweest.</p> - -<p>En hier heb ik besloten mij niet meer af te slooven; maar mij voor te -bereiden voor een langduriger reize dan deze allen; daar ik thans -tweeënzeventig jaren oud ben geworden, in een leven vol eindelooze -afwisseling, en thans voldoende de waarde van rust heb leeren waarderen, -en den zegen van zijne dagen in vrede te besluiten.</p> - -<div class="figcenter" style="width: 460px;"> -<img src="images/crus02_093.jpg" width="460" alt="" title="" /> -</div> - - - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het leven en de lotgevallen van -Robinson Crusoe, t. 2 (of 2), by Daniel De Foe - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBINSON CRUSOE, T. 2 *** - -***** This file should be named 41429-h.htm or 41429-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/1/4/2/41429/ - -Produced by Anne Dreze, Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at -http://www.freeliterature.org (Images generously made -available by the Hathi Trust) - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/41429-h/images/crus02_001.jpg b/old/41429-h/images/crus02_001.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4adb4de..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_001.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_002.jpg b/old/41429-h/images/crus02_002.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f15d4dc..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_002.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_003.jpg b/old/41429-h/images/crus02_003.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e8983e8..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_003.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_004.jpg b/old/41429-h/images/crus02_004.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index bc1b301..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_004.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_005.jpg b/old/41429-h/images/crus02_005.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5fe2eaa..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_005.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_006.jpg b/old/41429-h/images/crus02_006.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ec0f6cc..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_006.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_007.jpg b/old/41429-h/images/crus02_007.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1999fda..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_007.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_008.jpg b/old/41429-h/images/crus02_008.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9b0b7b3..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_008.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_009.jpg b/old/41429-h/images/crus02_009.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2e8dd28..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_009.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_010.jpg b/old/41429-h/images/crus02_010.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 75337ea..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_010.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_011.jpg b/old/41429-h/images/crus02_011.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3eb24d2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_011.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_012.jpg b/old/41429-h/images/crus02_012.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5a452d3..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_012.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_013.jpg b/old/41429-h/images/crus02_013.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 87ec8ae..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_013.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_014.jpg b/old/41429-h/images/crus02_014.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2ee9981..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_014.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_015.jpg b/old/41429-h/images/crus02_015.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2558b81..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_015.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_016.jpg b/old/41429-h/images/crus02_016.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4a60334..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_016.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_017.jpg b/old/41429-h/images/crus02_017.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a0904b8..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_017.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_018.jpg b/old/41429-h/images/crus02_018.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 7d5194b..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_018.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_019.jpg b/old/41429-h/images/crus02_019.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 88a4e02..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_019.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_020.jpg b/old/41429-h/images/crus02_020.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5d9c9e5..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_020.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_021.jpg b/old/41429-h/images/crus02_021.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5e8b530..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_021.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_022.jpg b/old/41429-h/images/crus02_022.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f842908..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_022.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_023.jpg b/old/41429-h/images/crus02_023.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4274ecd..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_023.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_024.jpg b/old/41429-h/images/crus02_024.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3d6c1e6..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_024.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_025.jpg b/old/41429-h/images/crus02_025.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6b427a2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_025.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_026.jpg b/old/41429-h/images/crus02_026.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 8f37889..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_026.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_027.jpg b/old/41429-h/images/crus02_027.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4c24d2d..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_027.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_028.jpg b/old/41429-h/images/crus02_028.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index fa5380f..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_028.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_029.jpg b/old/41429-h/images/crus02_029.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 699cb1c..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_029.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_030.jpg b/old/41429-h/images/crus02_030.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e2537e9..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_030.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_031.jpg b/old/41429-h/images/crus02_031.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c689e0a..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_031.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_032.jpg b/old/41429-h/images/crus02_032.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1a70d98..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_032.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_033.jpg b/old/41429-h/images/crus02_033.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index cb19613..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_033.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_034.jpg b/old/41429-h/images/crus02_034.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d7556fc..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_034.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_035.jpg b/old/41429-h/images/crus02_035.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2e3714f..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_035.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_036.jpg b/old/41429-h/images/crus02_036.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9390958..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_036.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_037.jpg b/old/41429-h/images/crus02_037.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b28dd53..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_037.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_038.jpg b/old/41429-h/images/crus02_038.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0586f98..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_038.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_039.jpg b/old/41429-h/images/crus02_039.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 602dfbd..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_039.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_040.jpg b/old/41429-h/images/crus02_040.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a418aff..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_040.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_041.jpg b/old/41429-h/images/crus02_041.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b7c760f..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_041.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_042.jpg b/old/41429-h/images/crus02_042.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 50a9fa2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_042.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_043.jpg b/old/41429-h/images/crus02_043.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1d1b224..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_043.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_044.jpg b/old/41429-h/images/crus02_044.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ace8ffc..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_044.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_045.jpg b/old/41429-h/images/crus02_045.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 33f0593..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_045.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_046.jpg b/old/41429-h/images/crus02_046.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 695618f..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_046.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_047.jpg b/old/41429-h/images/crus02_047.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d657e94..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_047.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_048.jpg b/old/41429-h/images/crus02_048.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d9a344f..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_048.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_049.jpg b/old/41429-h/images/crus02_049.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 64d1280..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_049.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_050.jpg b/old/41429-h/images/crus02_050.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0f6a7cd..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_050.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_051.jpg b/old/41429-h/images/crus02_051.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 02620ae..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_051.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_052.jpg b/old/41429-h/images/crus02_052.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2e6dace..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_052.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_053.jpg b/old/41429-h/images/crus02_053.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1a94fc7..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_053.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_054.jpg b/old/41429-h/images/crus02_054.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 043ad42..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_054.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_055.jpg b/old/41429-h/images/crus02_055.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index cdb13ed..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_055.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_056.jpg b/old/41429-h/images/crus02_056.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2a180eb..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_056.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_057.jpg b/old/41429-h/images/crus02_057.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 34cfe1a..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_057.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_058.jpg b/old/41429-h/images/crus02_058.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 484eee2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_058.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_059.jpg b/old/41429-h/images/crus02_059.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c660d50..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_059.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_060.jpg b/old/41429-h/images/crus02_060.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9e4d90b..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_060.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_061.jpg b/old/41429-h/images/crus02_061.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6e43fb9..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_061.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_062.jpg b/old/41429-h/images/crus02_062.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index af2e328..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_062.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_063.jpg b/old/41429-h/images/crus02_063.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d2de459..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_063.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_064.jpg b/old/41429-h/images/crus02_064.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9754908..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_064.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_065.jpg b/old/41429-h/images/crus02_065.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c009938..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_065.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_066.jpg b/old/41429-h/images/crus02_066.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f57168e..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_066.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_067.jpg b/old/41429-h/images/crus02_067.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f8800b3..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_067.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_068.jpg b/old/41429-h/images/crus02_068.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 21d96b2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_068.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_069.jpg b/old/41429-h/images/crus02_069.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 36cd272..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_069.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_070.jpg b/old/41429-h/images/crus02_070.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d143ff2..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_070.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_071.jpg b/old/41429-h/images/crus02_071.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5740467..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_071.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_072.jpg b/old/41429-h/images/crus02_072.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ab57fee..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_072.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_073.jpg b/old/41429-h/images/crus02_073.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 405eafa..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_073.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_074.jpg b/old/41429-h/images/crus02_074.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index aba2473..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_074.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_075.jpg b/old/41429-h/images/crus02_075.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2730a30..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_075.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_076.jpg b/old/41429-h/images/crus02_076.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 37f81ba..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_076.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_077.jpg b/old/41429-h/images/crus02_077.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 32727c9..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_077.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_078.jpg b/old/41429-h/images/crus02_078.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 82a0dfd..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_078.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_079.jpg b/old/41429-h/images/crus02_079.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 931aa8a..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_079.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_080.jpg b/old/41429-h/images/crus02_080.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 34b1cf6..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_080.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_081.jpg b/old/41429-h/images/crus02_081.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 338e8c0..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_081.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_082.jpg b/old/41429-h/images/crus02_082.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5693186..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_082.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_083.jpg b/old/41429-h/images/crus02_083.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f77fbca..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_083.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_084.jpg b/old/41429-h/images/crus02_084.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3a680b3..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_084.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_085.jpg b/old/41429-h/images/crus02_085.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d2c5b63..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_085.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_086.jpg b/old/41429-h/images/crus02_086.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ff58fb3..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_086.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_087.jpg b/old/41429-h/images/crus02_087.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4e3c34c..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_087.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_088.jpg b/old/41429-h/images/crus02_088.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2b14eef..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_088.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_089.jpg b/old/41429-h/images/crus02_089.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 959509d..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_089.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_090.jpg b/old/41429-h/images/crus02_090.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a72a843..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_090.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_091.jpg b/old/41429-h/images/crus02_091.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0bb2705..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_091.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_092.jpg b/old/41429-h/images/crus02_092.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6058be4..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_092.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/41429-h/images/crus02_093.jpg b/old/41429-h/images/crus02_093.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9502548..0000000 --- a/old/41429-h/images/crus02_093.jpg +++ /dev/null |
