diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-03-08 23:22:16 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-03-08 23:22:16 -0800 |
| commit | f6d9f31c36ac9197b10e5e3e497e18053fca16ca (patch) | |
| tree | 85fd1f4564c8ad61aecb8896f580c5097c22b66c /40351-0.txt | |
| parent | 4b66138de8eeb664e7f7d8cb7276dcfd2cd9888d (diff) | |
Diffstat (limited to '40351-0.txt')
| -rw-r--r-- | 40351-0.txt | 3143 |
1 files changed, 3143 insertions, 0 deletions
diff --git a/40351-0.txt b/40351-0.txt new file mode 100644 index 0000000..94ad78a --- /dev/null +++ b/40351-0.txt @@ -0,0 +1,3143 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40351 *** + + ALGEMEENE + Geschiedenis + IN VERHALEN. + + Een Leesboek + BESTEMD TOT ZELFONDERRICHT EN TOT LEIDDRAAD + BIJ HET ONDERWIJS. + + Vrij naar het Hoogduitsch van + H. SOLGER. + + OUDHEID. + + APELDOORN, + N. A. HINGST. + 1880. + + N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den + inhoud van het 2e deeltje (+Middeleeuwen+) op de keerzijde. + + + + + ALGEMEENE + GESCHIEDENIS + IN VERHALEN. + + EEN LEESBOEK + BESTEMD TOT + ZELFONDERRICHT en TEN GEBRUIKE aan INRICHTINGEN van ONDERWIJS. + + Vrij naar het Hoogduitsch van H. SOLGER. + + OUDHEID. + + APELDOORN, + N. A. HINGST. + + + + +STOOMDRUK VAN J. VAN BOEKHOVEN TE UTRECHT. + + + + +I. DE OUDHEID. + +1. Inleiding. + + +1. Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling, hier van het ontstaan der +wereld en der menschen te spreken. Wat daarover door geleerde mannen +geschreven is, laat zich niet zoo licht begrijpelijk maken. Zooveel +schijnt echter duidelijk, dat eerstens de aarde reeds sedert duizenden +jaren bestaat, dat zij verder merkwaardige veranderingen ondergaan +heeft, en dat ook de menschen reeds zeer lang daarop aanwezig zijn en +zich eerst langzamerhand ontwikkeld hebben. + +Door de opgravingen, die steeds ijverig worden voortgezet, heeft men +omtrent de ontwikkeling der aarde zeer belangrijke ervaringen opgedaan. +Daarbij heeft men bevonden, dat er in overoude tijden reeds menschen +waren, en dat dezen hunne woonplaatsen dikwijls op palen in 't water +bouwden, weshalve men van +bewoners van paaldorpen+ spreekt. Dezen +hadden aanvankelijk slechts +steenen+ gereedschappen, en er verliepen +vrij lange tijdperken, eer men door middel van het vuur de metalen, +vooral het +ijzer+, verwerkte. De oudste werktuigen zijn in elk geval de ++wapenen+, waaronder hamer en speer den oudsten rang bekleedden. Met +pijl en boog werd de grond gelegd tot de jacht; de bijl en het mes +dienden ook tot vreedzame doeleinden. + + +2. Ofschoon de mensch aan lichamelijke kracht bij de dieren achterstaat, +overtreft hij hen toch door zijn verstand zoo, dat hij ze aan zich +dienstbaar kan maken. Terwijl hij nuttige dieren aan zich gewende en die +aankweekte, legde hij den grond tot de +veeteelt+; en door de vruchten +der planten te verzamelen en de zaden uit te strooien, leerde hij +langzamerhand den +akkerbouw+, die eene bron van den rijksten zegen +werd. Want terwijl de herder om den wil der weilanden dikwijls verhuizen +moet en weinig vormenden of ontwikkelenden arbeid heeft, is de landman +die den oogst afwacht, aan een bepaalde woonplaats gebonden en moet bij +zijn doen op het veld en te huis bestendig nadenken en zoodoende ook +tot betere inrichtingen geraken. De rondtrekkende herder wil weinig +genooten, om aan zijne kudde veel plaats te verzekeren; de gezeten +landman ziet gaarne, dat naast zijne woning nog andere bestaan. De +akkerbouw bevorderde dus het vreedzame samenleven der menschen, en +dit bracht de maatschappelijke ordeningen, +gemeenten+ en +stammen+, ++volken+ en +staten+ te voorschijn. Daarmeê ontstonden tevens rechters +en aanvoerders, hoofdmannen en vorsten, die gewoonlijk allen gekozen +werden. Bij verscheidene volken traden echter ook de sterksten op den +voorgrond en verlangden de onderwerping der anderen. Dat waren de ++tyrannen+, die men in de geschiedenis zoo veelvuldig vindt, en die tot +zooveel +oorlogen+ aanleiding gaven. + + +3. Door het onderling verkeer der menschen moest zich ook noodzakelijk +de +taal+ ontwikkelen. Er is geen menschelijke stam, die zonder taal is, +al zou deze dan ook nog zoo beperkt zijn. Gelijk echter de menschen naar +kleur, gestalte en levenswijze zeer verscheiden zijn, zoo hebben zij ook +zeer verschillende talen. + +Zoodra de menschen in verkeer traden, moest ook de +handel+ ontstaan, +die waarschijnlijk eerst slechts eene ruiling van voorwerpen was. Deze +soort van handel is ook nu nog bij wilde volken te vinden. Daar echter +het ruilen niet altijd mogelijk is, zoo moest men zekere dingen als +maatstaf van waarde nemen, aanvankelijk wel schelpen, vruchten en +dergelijke, later ook metalen stukken, waardoor ten laatste het +geld+ +ontstond. + +De handel kreeg eerst zijne rechte uitbreiding en verbetering, toen men +schepen ging bouwen en zich op de zee wagen. De +scheepvaart+ is over 't +algemeen voor de ontwikkeling der wereld van de hoogste beteekenis. Dit +blijkt reeds daaruit, dat de volken, die aan de zee wonen, zich sneller +ontwikkelen en eerder machtig worden dan de andere, die daarvan +verwijderd zijn en geen zeehandel hebben. + +Er ligt ten zuiden van ons werelddeel, midden tusschen Europa, Azië en +Afrika, eene groote zee, de Middellandsche genoemd. Aan de oevers van +deze woonden de oudste en beschaafdste volkeren, die wij kennen. Wij +beginnen met de Egyptenaren, wier berichten tot in de hoogste oudheid +opklimmen. + + + + +2. De Egyptenaren. + + +1. Egypte ligt in Afrika, grenst aan de Middellandsche en Roode zee, en +wordt in zijne geheele lengte door den Nijl doorsneden. Deze machtige +stroom is de grootste weldoener van 't land. Hij bevrucht den bodem door +zijne overstroomingen en maakt hem tot de eerste voorraadschuur der +wereld. Naar den loop van den Nijl werd het oude Egypte in drie deelen +verdeeld: in +Opper-Egypte+ met de stad +Thebe+, in +Midden-Egypte+ met ++Memphis+ en in +Beneden-Egypte+, waar later +Alexandria+ ontstond. +Bijna eene mijl van den oever der zee af lag het eiland +Pharos+, dat +door een' dijk met het vaste land verbonden werd. Op dit eiland verhief +zich de beroemde lichttoren, +Pharos+ genoemd, naar welken later alle +andere dien naam gekregen hebben. Hij diende in donkere nachten als +wegwijzer voor de naderende schepen met hooge zee, en werd onder de +wonderen der oude wereld gerekend. + + +2. Geen volk heeft aan de nakomelingschap zulke reusachtige +gedenkteekenen zijner bouwkunst nagelaten, als de Egyptenaren. Het eerst +van alles moeten de +pyramiden+ vermeld worden, die in Midden-Egypte, +aan de westzijde van den Nijl, staan. Het zijn groote, vierhoekige +gebouwen, die naar boven altijd smaller worden en inwendig uit veel +gangen en kamers bestaan. Gewoonlijk uit kalksteen gebouwd, bereiken zij +eene hoogte van 5 tot 140 meters, en zijn niets dan gedenkteekenen van +Egyptische koningen. + +De Egyptenaren besteedden in 't algemeen veel vlijt aan de graven en +lijken. Om het bederf der dooden te verhinderen, overtrokken zij ze met +een verhardende, doorzichtige stof, de aardhars +mum+, waarnaar men de +gebalsemde lijken +mumiën+ noemt. Deze zijn gedeeltelijk tot aan den +huidigen dag in stand gebleven, zien er zwart uit en zijn zoo hard als +steen. De rustplaatsen der ontslapenen werden in de westelijk gelegen +rotsbodems uitgehouwen, waar zij door den buiten zijne oevers tredenden +Nijl niet konden verontrust worden. Onder de graven zijn de +katakomben+ +bij Thebe beroemd, die uit eene menigte gangen, vertrekken, zalen en +trappen bestaan en met beelden en schriftteekens versierd zijn. + +In Opper-Egypte zijn ook de +obelisken+ opmerkelijk, vierhoekige zuilen +uit een' enkelen steen, van graniet gewerkt, 15-30 meters hoog en tot +2 meters breed, fijn gepolijst en met beelden voorzien. Zij werden +voor tempels, paleizen en tuinen geplaatst en dienden tot sieraad of +tot gedenkteekenen van merkwaardige gebeurtenissen, later ook als +zonnewijzers. De monsterachtige massa's der obelisken werden ten tijde +der overstrooming van den Nijl op vlotten bijeengebracht en dikwijls +door bijzondere kanalen vervoerd. In Midden-Egypte bevinden zich de +overblijfselen van een reusachtig gebouw, dat uit twaalf paleizen +bestond en 3000 kamers bevatte. Ook dit bouwwerk, +labyrinth+ genoemd, +was met kunstige beelden getooid. + + +3. De schriftteekens, die zich op de gedenkteekenen der Egyptische +bouwkunst bevinden, zijn van een geheel eigenaardige soort. Zij bestaan +namelijk uit beelden, die met groote netheid geteekend zijn en, òf het +voorwerp zelf voorstellen, òf, als dit niet mogelijk is, als b.v. bij +eigenschappen, bekende zinnebeelden geven, als de bij voor vlijt en +dergelijke, of ook zekere klanken aanduiden. Deze teekeningen werden ++hieroglyphen+, d. i. heilig schrift, genoemd en lang als geheimenissen +met verwondering beschouwd. Sedert men echter bevond, dat zich onder de +schriftbeelden ook dezulke bevinden, die vaak wederkeeren, vermoedde +men, dat de Egyptenaren dikwijls als wij, bepaalde klanken door bepaalde +teekens uitdrukten. Op het eind der vorige eeuw nu deed men eene +belangrijke ontdekking. Met Bonaparte, toen generaal der Fransche +republiek, vóórdat hij keizer werd, waren een aantal geleerden naar +Egypte gegaan. In den Nijlmond bij Rosette vond men een steen met +opschriften uit de oudheid. Hij vermeldde het besluit tot huldiging van +een vorst omtrent 2 eeuwen vóór onze jaartelling, in hieroglyphen, het +toen nog raadselachtige heilige schrift der oude Egyptenaren, en in het +Grieksch, in de laatste eeuwen vóór Christus de algemeene taal in de +oostelijke landen der Middellandsche zee. Er was bij vermeld, dat de +inhoud der verschillende opschriften gelijkluidend was. Maar hiermeê was +de sleutel tot de hieroglyphen nog niet gevonden; dit is eerst veel +later (± 1821) gelukt aan Champollion, een Fransch geleerde. Na den +dood van het overoude Egyptisch toch had er in het Nijldal eeuwen lang +eene taal geleefd, die nu ook reeds dood, maar toch nog bekend was, +het +Koptisch+. Men kwam op de gedachte der mogelijkheid, dat er +verwantschap kon bestaan tusschen deze taal en de vroegere. Als proef +vertaalde men het Grieksche opschrift van den steen in het Koptisch, en +vond toen eene merkwaardige en verrassende overeenkomst tusschen de +letterfiguren van de stammen dier woorden en de hieroglyphen op den +steen. Op deze bevinding kon men voortbouwen ter ontcijfering van het +schrift, ook van verscheidene andere inscripties, waaraan men eene veel +nauwkeuriger kennis van het oude Egypte te danken heeft. Men nam waar, +dat de Egyptenaren in den loop des tijds een +klankenschrift+ gevormd +hadden, daar zij eerst dezelfde woorden, vervolgens dezelfde +lettergrepen en klanken door bepaalde beelden voorstelden en deze steeds +meer vereenvoudigden. + +Als men zeer duidelijk zien wil, hoe nuttig +de uitvinding der +klankteekens of letters+ is, behoeft men slechts aan de +Chineezen+ te +denken. Dit volk, dat naast de Egyptenaren en +Indiërs+ tot de oudste +volken der wereld behoort, heeft nog heden geen volledig stel van +letters, maar voor elk woord eene afzonderlijke figuur. Daar heeft men +nu veel duizenden schriftteekens te leeren, wat veel tijd en groote +inspanning vereischt, terwijl wij slechts twee dozijn letters hebben +te leeren, waarmeê wij alle woorden lezen en schrijven kunnen. Het +letterschrift behoort tot de meest grootsche uitvindingen van den +mensch. Het geeft gemakkelijkheid om het ervarene en gedachte vast +te houden en uit te breiden; het behoedt de gebeurtenissen voor +vergetelheid en bevordert de beschaving in hooge mate. + +Terwijl men in oude tijden meestal op steenen of metalen schreef, waren +de Egyptenaren zoo gelukkig eene plant te hebben, waarvan zij een +schrijfmateriaal vervaardigen konden. Zij hadden de +papyrusstruik+, die +aan ons papier den naam gaf. Deze heeft eene vezelachtige huid, die men +in enkele lange deelen uitleggen kan. Had men de vezels naast elkander +gelegd en met warm Nijlwater begoten, dan bracht men eene tweede laag +vezelen dwars over de eerste, perste beide samen, liet ze drogen en +streek ze glad. Zoo was een papier gereed, dat voor den ouden tijd van +de grootste beteekenis was. + + +4. De Egyptenaren waren in standen verdeeld, die men gewoonlijk +kasten+ +noemt. Er waren er vier à zeven. De geëerdste kaste was die der ++priesters+. Zij waren opvoeders en raden der koningen, die men hier ++pharao's+, d. i. verhevenen, noemde; zij richtten het volk naar eigene +wetten; zij namen den loop der sterren waar en regelden den kalender; +zij waren de eenige geleerden in het land. Naast de priesters waren +de krijgslieden de +aanzienlijkste+ kaste. Dezen vormden geen heir +van soldaten, maar waren vrije burgers met grondeigendom en woonden +in afgezonderde rechtsgebieden. De overige kasten bestonden uit ++landbouwers+, +handwerkslieden+, +schippers+ en +herders+, en hadden +minder rechten dan de priesters en krijgslieden. Deze waren veeleer de +alleen heerschende klassen, die ook in 't bezit van alle landerijen +waren. + +De godsdienst der Egyptenaren bestond in de vereering van +natuurlichamen. De +zon+ werd als de hoogste kracht beschouwd en als +god +Osiris+ vereerd; +Isis+ was de godin der aarde. Eene bijzondere +vereering genoten ook de dieren. Er was bijna geen dier, dat zij niet +aanbaden, als het zich door nut of schade aan te brengen onderscheidde. +De nuttige dieren vereerden zij uit dankbaarheid, de schadelijke +daarentegen uit vrees. Zoo was de +ibis+, behoorende tot de orde der +moerasvogels of steltloopers, den Egyptenaren heilig, omdat hij de +slangen in het slib van den Nijl opat. De +krokodil+ echter werd uit +vrees vereerd. Dit groote roofdier, bijna twintig voet lang en met eene +zeer harde, schubbige huid gepantserd, behoort tot het geslacht der +hagedissen en is voor de menschen zeer gevaarlijk. Eene bijzondere +vereering viel den +katten+ ten deel. Hare beenderen werden gebalsemd en +plechtig begraven. Wie een kat ombracht, was des doods. Eens had een +Romeinsch soldaat in Egypte een kat gedood. Dadelijk ontstond een oploop +van 't volk, en noch de smeekingen der priesters, noch de vrees voor de +Romeinen konden het tot rust brengen. De ongelukkige moest zijne daad +met het leven boeten. + +Toch was het niet zeldzaam, dat men in de eene stad zekere dieren +vereerde, welke in eene andere zonder aarzelen geslacht werden. Slechts +de os, +Apis+ genoemd, schijnt algemeen het meest vereerd te zijn +geworden. Hij was voor de Egyptenaren een zinnebeeld van den akkerbouw, +die in het hoogste aanzien stond. De geschiedenis van het gouden kalf, +dat de Joden eenmaal in de woestijn vereerden, herinnert duidelijk aan +den Egyptischen afgodendienst met den stier. + + +5. Ofschoon Egypte zeer rijk is aan oude gedenkteekenen, kent men toch +de oude geschiedenis van dit land zeer weinig. De Egyptenaren leidden +een zeer afgezonderd leven en hielden hun land voor vreemdelingen +tamelijk gesloten. Onder de vroegste koningen worden +Menes+ en +Chufu+ +of +Cheops+ vermeld, de eerste als stichter van Memphis en den +Egyptischen staat, de tweede met zijne opvolgers als grondleggers der +fraaiste en grootste pyramiden bij genoemde stad. Een latere koning, met +name +Amenemha+ III, zou het meer +Moeris+ aangelegd hebben, dat in +Midden-Egypte ligt en met het Jozefskanaal in verband staat. Het zou +gediend hebben om bij de overstroomingen van den Nijl het overtollige +water op te nemen en in drooge tijden dit door kanalen te rechter +plaatse te brengen. + +Nadat volgens de opgaven reeds verscheidene dynastieën gedurende een +aantal eeuwen over het land geregeerd hadden, kwam uit het noordoosten +een herdersvolk, Hyksos genaamd, veroverde het grootste gedeelte van +Egypte (noord en midden) en werd eerst na vijf eeuwen weer verdrongen. +Daarop verhief zich het land tot eene groote macht. De vorsten breidden +hunne heerschappij uit over omliggende landen, zoowel in Azië als in +Afrika. Van de toenmalige koningen wordt vooral Ramses II of Sesostris +genoemd; hij deed krijgstochten naar verre landen en bracht grooten buit +huiswaarts. Na hem schijnt Egypte's macht gedaald, en het land tot zijne +natuurlijke grenzen beperkt te zijn. Toen, ongeveer zes eeuwen later, de ++Ethiopiërs+ van uit het zuiden binnengedrongen waren, en het boven- en +middendeel van 't land vermeesterd hadden, verhieven zich de Egyptenaren +op nieuw tot omverwerping der vreemde heerschappij. Deze werd verdreven +en het land daarop door 12 personen geregeerd (dodekarchie), onder +welken Psammetichus op den voorgrond trad. Zoo ontstond er nijd en +twist. Toen echter Psammetichus door gelande Grieken ondersteund werd, +verdreef hij alle medebestuurders en werd alleenbeheerscher van Egypte, +± 650 vóór Christus. Sedert kreeg het land een nieuw leven. Er ontstond +een levendig verkeer met de omliggende volken, vooral met de Grieken. +Ten gevolge daarvan werd zelfs eene nieuwe kaste gevormd, die der ++tolken+. De zoon van Psammetichus, Necho, heerschte eveneens machtig en +wijs. Om den handel te bevorderen, deed hij eene poging, tusschen de +Middellandsche en de Roode zee een kanaal aan te leggen. Ook wekte hij +zeevaarders op, het werelddeel Afrika om te zeilen. Toen hij echter op +veroveringen uitging, geraakte hij in ongeluk en geheel Egypte met hem. +Hij werd door +Nebukadnezar+, den krijgshaftigen koning van Babylon, +overwonnen bij Circesium, 605 v. Chr., en reeds ¾ eeuw later verloor +Egypte zijne onafhankelijkheid. De voorlaatste koning +Amasis+ kwam in +oorlog met Cambyses van Perzië (zie blz. 19), en was nauwelijks +opgevolgd door zijn zoon, of deze werd in 525 v. Chr. bij Pelusium +geslagen, waarop het geheele Egyptische land eene Perzische provincie +werd. Herhaaldelijk deed het pogingen om zich te bevrijden, eenmaal met +tijdelijk goed gevolg, en verwisselde in 332 v. Chr. de Perzische +opperheerschappij met die van Alexander den Grooten van Macedonië +(Hoofdstuk 14). Had zoo het land der pyramiden veel te lijden, het +behield een onvermengd volk en handhaafde de aloude instellingen. + + + + +3. Kores en de Perzen. + + +1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden, +en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen van ++Assyrië+. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr. +verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht. +De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag +aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd door +muren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een +stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den +staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst +dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende +kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een' zijner +generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid +en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde +veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht, +even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de +historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe +mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting +vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te +onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange +heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde +volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende +dynastieën worden ons genoemd, o. a. +Salmanassar+, die ± 725 v. Chr. +Israël, het rijk der 10 stammen (blz. 21), en Phoenicië onderwierp. Toen +echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte +ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger +verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene +landen vrij. Zoo zien wij in het Arische +Medië+ 712 à 710 v. Chr. een +koning Dejoces aan 't bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke +hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v. +Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ook +Babylonië+ +vrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder +Nabopolassar zich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote +Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn +beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars +zoon en mederegent toch, +Nebukadnezar+ van Babylonië, en de derde +koning van Medië, +Cyaxares+, verbonden zich tegen Niniveh, namen en +verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren +overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat +de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de +andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst +hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne +opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal. + + +2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de Pers ++Cyrus+ of +Kores+ geboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer +wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning +geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen +doen ombrengen. Maar de knaap was door een' herder opgevoed en toen +toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat +hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de +Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet +in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden +zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op +hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch +dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de +Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hij eenige jaren +aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen, +Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den +Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische +landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de +noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag het +Lydische+ rijk, +voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten +de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke +helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als +in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koning +Croesus+, die +met schrik Kores' macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde +het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en +werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten +verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop +gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: "O +Solon, Solon, Solon!" en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij +liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te +weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar +verhaalde daarop het volgende: + +"Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met name +Solon+. Ik +liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou +noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: "Solon, gij hebt zoo +ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien +houdt gij wel voor den gelukkigsten?" Daarop noemde Solon mij een' +burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen +beleefde en voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet +oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee +Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter +zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en +sprak: "O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij +mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?" En Solon +antwoordde: "Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En +dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen +kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u +echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij +uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men +op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen." + +Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr +vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den +grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o +Kores, waarom ik dezen naam riep." + +Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem +als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus +geheerscht had, kwamen bij Kores' rijk, ± 549. Nu was er van het bekende +land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische +heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift +aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijk _Upharsin_, aan de +Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot. +Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9 +mijlen in omtrek. De haar omringende muur was als een toren zoo hoog en +zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden. +Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier +waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel +poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat +leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis +getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen, +die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men +noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de +wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis +(blz. 14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten +vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der +bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter +van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de +berggezichten uit haar geboorteland. -- In een deel der stad, dat eene +geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den +tempel aan zijn voet aan den zonnegod +Baal+ of +Bel+ gewijd was. Hij +heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit +8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap +voorzien waren. + +Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon +Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens +in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van +den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de +Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de +inwoners, die slechts aan hunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd +Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf +den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê +hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde. + + +3. Kores' veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoon ++Cambyses+. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper +van Egypte, 525 (blz. 13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij +ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een' jonger' broeder, +hadde hij dien niet reeds vroeger in 't geheim laten vermoorden. Nu nam +een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen +handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat +Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden +geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, en ++Darius+, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam +in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn +terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20ste +satrapie[1] van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in +het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit +het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook +Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt +zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien. + + [1] Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen. + + +4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel +overeenkomst met de oude Duitschers. Zij zorgden voor eene krachtige +opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste +ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het +leger lag in de ruiterij. Met het 20ste jaar werd elk man, in staat de +wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef +dan tot zijn 50ste jaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden +geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters, +magi+ genoemd, hun +invloed te doen gelden. + +De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden +hun' godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden, +in de vrije natuur, en aanbaden vooral het +vuur+. Toen zich later veel +afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op, +Zoroaster+, en werd +de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boeken ++Zendavesta+, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze +is er naast den goeden wereldschepper +Ormuzd+ nog een booze geest ++Ahriman+, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade +engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd +omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het +licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed +worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is, +volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld. + +De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn; +nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien; +hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift +betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat. +Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging; eindelijk gold zelfs +al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig +verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot +geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende +stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden. +Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij +een klein gedeelte der Perzen, bij de +Parsen+ of +Gebers+, nog thans +voort. + + * * * * * + +De geschiedenis der +Joden+ mag als bekend verondersteld worden; daarom +volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.; +Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2 +stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning +van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz. 14); verwoesting van 't rijk +van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat +(blz. 15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van +Perzië (blz. 19). + + + + +4. De Phoeniciërs. + + +1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee, +woonden de +Phoeniciërs+, die in den bijbel dikwijls vermeld worden. +Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf +mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van +den Libanon gescheiden, die het in den vorm van een halven cirkel +omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen +zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter +zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun +het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had +voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs +moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de +open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel. +Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar 't noorden wijst en +zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne +vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden +nederzettingen of +koloniën+, die voor den handel buitengewoon +belangrijk werden. + + +2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende +eiland +Cyprus+, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts +voeren zij naar +Creta+, het tegenwoordige +Candia+, dat van hooge +krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en +kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een +machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich +naar +Noord-Afrika+. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo, +Tunis en vooral +Karthago+. Tegenover deze legden zij ook op de eilanden ++Sicilië+ en +Sardinië+ koloniën aan. + +Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel op +Spanje+. Hier was +goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude +inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne +met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeel op het +schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in +het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v. +Gades+ (+Kadix+), ++Malaka+, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte van ++Gibraltar+ naar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit de ++Engelsche+ eilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald +hebben. + +Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar +Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën +aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië. + + +3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer +en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen +en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen, +zooals het +letterschrift+, dat zij van de Egyptenaren leerden. De ++glasbereiding+, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds +vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de +verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven +en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas +verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten +het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in +weven en verven. Zij hadden de +purperkleur+, die, zooals men vertelt, +door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald +werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door +dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn! +De +rekenkunst+ wordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen; +de handel moest ook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de +vervaardiging van +geldstukken+ of +munten+. + + +4. De +Phoeniciërs+ waren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het +rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje +scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met +voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar +gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook +gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere +ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls +koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge +beambten. De oudste stad van het land was +Sidon+. Beroemder dan zij, ja +de beroemdste handelstad der oude wereld was +Tyrus+, een kolonie der +Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den +Joodschen koning +David+ stond Tyrus onder zijn koning +Hiram+ op het +toppunt zijner macht. Het verdrag, dat +Hiram+ met +Salomo+ wegens den +tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer +merkwaardig. + +Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men +om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs. +Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen, +daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog +zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het +land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die +oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden. ++Salmanassar+, de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël +vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard. +Later kwam +Nebukadnezar+ van Babylon en bestreed Tyrus zooals +Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de +belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen +Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder +menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar +een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus +oprichtten met al de pracht van 't oude. Dit werd de hoofdzetel van den +wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koning +Alexander +van Macedonië+ kwam en de stad na eene belegering van zeven maanden +veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen +verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of +als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de +oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in 't zelfde jaar +een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die +den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische +kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn +geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de +volkrijkste steden bloeiden. + +Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago, +op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting, +maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer +stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts +en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar 't voorbeeld van 't +moederland coloniseerende, kwamen Sardinië, Corsica en de grootste +westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den +kamp tegen Rome zien ondergaan. + + + + +5. De Grieken. + + +1. Griekenland is aan drie kanten door de zee omringd, en in 't noorden, +waar het met het vaste land samenhangt, wordt het door hooge gebergten +begrensd. De zee vormt tallooze en groote bochten, waardoor de +scheepvaart zeer gemakkelijk wordt gemaakt. De bodem is bergachtig en +bevat eene menigte kleine landschappen die meest alle vruchtbaar en +bekoorlijk zijn. Het oude Griekenland, een beetje grooter als het +nieuwe, was om zijn schoonheid zeer beroemd. Men onderscheidt van het +noordelijke deel des lands het schiereiland +Morea+, vroeger ++Peloponnesus+ genoemd, waarbij nog vele eilanden behooren. De Grieken +hadden ook talrijke nederzettingen aan de kusten van de Middellandsche +zee, voornamelijk in klein-Azië en Italië (bladz. 32.) Griekenland werd +door veel kleine volksstammen bewoond, die uit Azië afkomstig waren. +Onder dezen traden langzamerhand de Hellenen op den voorgrond, wier naam +nog heden bestaat en met dien van Grieken één is. Verscheidene sagen +wijzen er op, dat ook vreemde volksstammen naar Griekenland kwamen, die +reeds een hoogeren graad van beschaving bezaten, namelijk uit Egypte en +Phoenicië. Naast deze sagen zijn vooral beroemd die, welke van groote +helden vertellen, b.v. van +Hercules+. + + +2. De Grieken vereerden veel goden en godinnen, die zij zich geheel +menschelijk voorstelden, terwijl zij hun een hoogere macht toeschreven. +De koning der goden was +Zeus+ of +Jupiter+, die naar de schikkingen van +het noodlot alles bestuurde, en met de hemellingen op den +Olympus+, een +berg in +Thessalië+, in het noorden van Griekenland, woonde. De bode en +middelaar tusschen goden en menschen was +Hermes+ of +Merkurius+, die +met een staf en vleugels aan de hielen afgebeeld werd. De +Muzen+ waren +de beschermsters der muziek en andere kunsten. Behalve dat dachten de +Grieken zich de geheele natuur als bezield en met hoogere wezens +vervuld. Elke beweging in de natuur scheen hun een werk van de een of +andere godheid te zijn. Ook in het innerlijke der menschen werkten de +godheden als rechters van gezindheden en handelingen. + +De Grieken geloofden ook, dat de goden soms uit hun hemelsche woningen +op de aarde nederdaalden en hier op geheimzinnige wijze van de +toekomstige dingen spraken. Als uitverkoren woonsteden der goden en +hunner openbaringen golden vooral zulke plaatsen, waar schrik der natuur +of heilige herinneringen tot geloovige aandacht stemden. Daarheen deden +de Grieken bedevaarten, om bij de priesters raad te halen, als er +gewichtige aangelegenheden te beslissen waren. Zulke door de priesters +medegedeelde uitspraken werden +orakels+ genoemd en onvoorwaardelijk +geloofd. Ook machtige personen eerden de orakels, daar zij zich gunstige +antwoorden wisten te verschaffen en zoo hun plannen gemakkelijk +uitvoeren konden. Het beroemdste orakel van Griekenland was te +Delphi+, +aan den voet van den berg +Parnassus+, in het midden van het land. + + +3. De Grieken waren een vriendelijk, levenslustig volk en beminden spel +en dans, ook bij de heilige feesten. Er waren verscheidene plaatsen, +waar regelmatig alle 4 jaren geheel Griekenland tezamenkwam om groote +spelen te vieren. Deze bestonden uit wedloopen, wagenrennen, worstelen, +vuistgevechten, springen en dergelijke. Naast den lichamelijken +wedstrijd was er ook een geestelijke, daar dichters, redenaars en +kunstenaars hun werken voordroegen. Dan waren er vroolijke feesten, die +meestal 5 dagen duurden. De namen der overwinnaars werden uitgeroepen en +met gejuich door de aanwezenden herhaald. De prijs der overwinnaars was +slechts een olijventak die het echter aan roem van een koningskroon +won en niet slechts hem, die hem behaalde, maar ook zijn familie en +vaderstad verheerlijkte. Onder de nationale spelen der Grieken waren +de +Olympische+ -- naar Olympia, een vlek op Morea, genoemd -- de +beroemdste. Naar deze werd de tijdrekening bepaald en men noemde een +tijdruimte van 4 jaren, met 776 v. Chr. beginnend, een +olympiade+. + + + + +6. De tocht naar Troje. -- 1200 v. C. + + +1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden; +zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men +een ouden zanger, +Homerus+ genaamd, toeschrijft en die den tocht der +Grieken naar Troje behandelen. De stad +Troje+ lag in Klein-Azië, aan de +westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij +naar de oude verhalen iets zullen hooren. + +De Trojaansche koning +Priamus+ had een zoon, +Paris+ genaamd, die eens ++Menelaus+, koning van +Sparta+, in Griekenland, bezocht en daarbij +diens vrouw, Helena, roofde. Deze vermetele daad deed gansch +Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te +trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werd ++Agamemnon+, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten +van Griekenland zijn vooral de sluwe +Odysseus+ en de dappere +Achilles+ +te onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van 't leger +gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon. + +Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden. +Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het +hoofd van het trojaansche leger stond +Hector+, een zoon van Priamus, +die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte +tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar +beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden +gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had +men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen, +steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen, +borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden, +die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal +ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers +aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten. + +Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles +een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat +tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend, +Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende +leeuw en rustte niet, vóór hij Hector gedood had. Het lijk van Hector +liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van +Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd +vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris. + + +2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de +lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe +Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten +paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden, +waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats +staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter +slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigen +Sinon+ +aan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten +legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten +paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem. +Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk +bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden +dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de +uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze +woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad +te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een +grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen +alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste +mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten +en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte +en er begon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden +als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en +al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje +redde zich, waarbij de vrome +Aeneas+, die eindelijk naar Italië kwam en +hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het +schoone Troje lag in puinhoopen. + +De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige +stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der +manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring +rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest +tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte +en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht +had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus' omzwervingen +bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden, +afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van +een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van +Doris in Midden-Griekenland[2] den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze +de +Dorische volksverhuizing+, maar, zooals we zoo even zeiden, het +was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus +de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren +de twee hoofdstammen. Maar men ging ook verder. Vele Grieken van +verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de +Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche +volkplantingen, +nederzettingen+, zelfstandige republiekeinsche steden +(blz. 26). Links en rechts vond men ze, als: + +op Sicilië: +Syracuse+, Agrigentum, Selinus, enz. + +in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van +Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later +Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton; + +in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille; + +in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.; + +in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel); + +rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den +Don, even als deze Tanaïs geheeten; + +langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van +Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus +en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch +waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en +Sporaden, Rhodus en Creta. + + [2] Noord-Griekenland bestond uit Thessalië (oost) en Epirus, + (west); + + Midden-Griekenland of Hellas van 't oosten naar 't westen uit: + Attica (met Athene), Megaris, Boeotië (met Thebe), Phocis, + Locris, Doris, Aetolië en Acarnanië; + + Zuid-Griekenland of de Peloponesus uit: Corinthe, Argolis, + Arcadië, Achaja, Elis, Messenië, Laconica (met Sparta). + + + + +7. Lycurgus en de Spartanen. -- 888 v. Chr. + + +1. In +Sparta+, een stad in 't zuidoosten van den +Peloponnesus+, leefde +een oorlogzuchtig volk, dat zijn wetten van +Lycurgus+ ontving. Deze +beroemde man was volgens de overlevering van koninklijke afkomst en had +zich op reizen naar +Kreta+, Egypte en Klein-Azië belangrijke kennis +verworven. Hij ordende de staatsregeering op de volgende wijze. Naast de +twee koningen, die sedert ouden tijd in Sparta regeerden, werd er een +raad van 28 leden samengesteld, die minstens 60 jaar oud zijn moesten +en door het volk voor het overige van hun leven gekozen werden. Deze +raad der ouden maakte met de koningen de wetten en legde ze der +volksvergadering voor. Hier mocht elk Spartaan, die 30 jaren oud was, +verschijnen en meêstemmen. Behalve dat waren er nog opzieners, die als +wachters van de wetten iederen burger en iederen beambte, zelfs de +koningen rekenschap konden vragen. Lykurgus deed ook zijn best, het +vermogen en de levenswijze der Spartanen gelijk te maken. Hij liet +daarom een nieuwe verdeeling der landerijen plaats hebben en beval +gemeenschappelijke maaltijden. Opdat het verkeer naar buiten niet te +groot zou worden, voerde hij ijzer geld in, tot welks wegbrenging men +wagens hield. De stad zou geen muren hebben, opdat de burgers altijd tot +den strijd gerust zouden zijn. Zoo werden de Spartanen een beroemd +oorlogsvolk. Hun zwaarden waren kort, opdat zij den vijand goed naderen +zouden. De bebouwing van het veld werd den +Heloten+ overgelaten, d. i. +den ouden inwoners, welke de Spartanen na langen strijd overwonnen en +tot slaven gemaakt hadden. Het leven der Heloten was zeer treurig; zij +werden als dieren behandeld en dikwijls zonder noodzaak vermoord. + + +2. De opvoeding der jonge Spartanen was hard. Slechts de krachtige +kinderen werden geduld en deze moesten zich op allerlei wijze verharden. +Zij liepen half naakt en sliepen op een strooleger. Zij moesten honger +en dorst, vorst en hitte, ja de gevoeligste pijnen leeren verdragen. Met +hun zevende jaar behoorden de jongens den staat en kwamen onder streng +opzicht. Zij moesten flink loopen, klauteren, zwemmen en zich over 't +geheel lichamelijk ontwikkelen. Op den ouderdom van 18 jaar trad de +jonge Spartaan in den krijgsdienst. De meisjes moesten ook gymnastische +oefeningen maken. Eerbied van jonge lieden tegenover de oudere was +streng bevolen. Van veel spreken werd niet gehouden, aan korte +antwoorden de voorkeur gegeven. Daardoor bekwamen de Spartanen, ook wel ++Lakoniërs+ geheeten, zulk een bedrevenheid in het geven van bepaalde, +korte antwoorden, dat men die nog heden +lakonisch+ noemt. + + +3. Nadat Lykurgus zijn wetten ingevoerd had, liet hij de burgers +zweren, zijn wetten na te leven, tot hij van een reis in 't buitenland +teruggekeerd was. Daarop vertrok Lykurgus en kwam niet terug. Zoo +hadden de Spartanen zich met een eed verbonden zijn inrichtingen te +laten bestaan. Zij werden daardoor een sterk, dapper volk; maar zij +vervreemdden ook van zachtere, menschelijke gevoelens. + + + + +8. Solon en de Atheners. + + +1. De beroemdste stad van Griekenland is +Athene+. Zij zou door den +Egyptenaar +Cekrops+, een tijdgenoot van Mozes, gebouwd zijn. Onder haar +koningen wordt vooral +Theseus+ herdacht, omdat hij Athene onafhankelijk +en machtig maakte. In den tijd, toen Rome gesticht werd, in de 8ste eeuw +voor Chr., ontstond er in Athene een republiek, aan welker hoofd een ++archont+ of staatsregeerder gesteld werd. Toen zich twisten openbaarden +tusschen adel en burgers, zocht +Drako+ met veel strengheid orde te +maken. Dat verbitterde echter de gemoederen nog meer en er zou voorzeker +een burgeroorlog ontstaan zijn, als de wijze Solon geen nieuwe wetten +gegeven had. Solon stamde van de oude Atheensche koningen af, had +zich op reizen groote beschaving verworven en was wegens zijn +rechtschapenheid algemeen bemind. -- 594 v. Chr. + +De eerste wetten, die Solon gaf, verlichtten den schuldenlast der armen, +daar zij de interestrekening matigden en de persoonlijke verpanding van +den schuldenaar en zijne familie afschaften. Daarop verzachtte Solon de +harde straffen van Drako en zorgde voor betere behandeling van slaven +en vreemdelingen. Hierop verdeelde hij het geheele volk in 4 klassen +en bepaalde daarnaar de plichten en rechten van ieder. De hoogste +waardigheden, die der +negen archonten+, kon slechts de eerste klasse +bereiken. Naast de archonten stond de +raad van vierhonderd+, die +jaarlijks uit de verschillende klassen gekozen werden. Over alle +gewichtige vragen van oorlog en vrede moest de +volksvergadering+ +gehoord worden, waarin ieder vrij burger, die 20 jaren oud was, stemmen +mocht. Daarenboven was er nog een rechtbank van leden, die voor hun +leven benoemd waren en het opzicht over het openbare leven der burgers +hielden, terwijl zij ook het hoogste gerechtshof vormden. De eigenlijke +staatsmacht berustte bij de volksvergadering, wier werkzaamheid alle +geesteskrachten opwekte en veel tot de algemeene beschaving bijbracht. + + +2. De jeugd, die lang in het ouderlijk huis bleef, werd niet zooals in +Sparta, enkel lichamelijk, maar ook geestelijk ontwikkeld. Vooral moest +zich de jonge Athener daarin oefenen, zijn gedachten schoon en vloeiend +uit te drukken. Wie een betrekking in den staat bekomen wilde, moest +noodwendig wetenschappelijk gevormd zijn. De schoone kunsten, zooals +muziek en schilderen, stonden in hoog aanzien. De geheele stad moest uit +vlijtige en beschaafde burgers bestaan. Ledigheid was streng verboden. +Als het gevolg dezer wijze verordeningen ontwikkelde zich een schoon +volksleven. Handel en nijverheid bloeiden, en in de kunsten en +wetenschappen heerschte de grootste wedijver, zoodat Athene de koningin +der steden, de leermeesteres der volken werd. + + +3. Hoewel Solon zijn staatsinstellingen niet voor zonder fout hield, +wenschte hij toch, dat zij minstens 10 jaar lang onveranderd nageleefd +zouden worden. Toen de Atheners hem dat beloofd hadden, ging hij weder +reizen, waarbij hij ook koning Croesus van Lydië bezocht. Het duurde +echter niet lang of er braken in Athene onordelijkheden uit en Solon +moest zien, dat zijn werk niet duurzaam was. Uit verdriet daarover +verliet hij zijn vaderstad en ging naar +Cyprus+, waar hij spoedig +daarna overleed. + +In Athene ging het als in bijna alle Grieksche staten: gelijk de +koninkrijken van den ouden tijd door republieken waren vervangen, zoo +wierpen zich in deze personen op, die zich van de alleenheerschappij +meester maakten, en daarom +tirannen+ heetten. Zoo ook hunne opvolgers, +al was hun bestuur volstrekt niet tiranniek, overeenkomstig de +tegenwoordige beteekenis van dat woord. De meest bekenden daarvan +zijn: +Periander+ van Korinthe, 600, met Solon en +Thales+ van Milete +behoorende tot de zeven wijzen van Griekenland, +Polycrates+ van Samos, +zoo bekend om zijn geluk en voorspoed, en +Pisistratus+ in Athene. Na +tweemaal verdreven te zijn, nam deze (540) ten derden male de teugels +van 't bewind alleen in handen, en werd na eenige jaren opgevolgd door +zijn zoon Hippias. Deze liet zooveel invloed toe aan zijn broeder +Hipparchus, dat zij gewoonlijk in één adem genoemd worden. Nog eenige +jaren verneemt men van geen verzet tegen deze oppermacht van enkelen. +Maar in 512 werd Hipparchus om eene persoonlijke reden gedood door +Harmodius en Aristogiton, waarop Hippias wantrouwend werd. In 510 werd +hij verdreven en de republiek hersteld. + + + + +9. De Perzische oorlogen. + + +1. Hoewel de Grieken ter westkust van Klein-Azië eerst onder Lydische, +vervolgens onder Perzische heerschappij gekomen waren (blz. 17), bleven +zij echter de vrijheid liefhebben en trachtten door een opstand het juk +van Darius af te schudden (blz. 19). Maar te vergeefs, 500. De hulp die +de Grieksche Aziaten van Athene genoten hadden, had den Perzischen +monarch zoo verbitterd, dat hij zich bij elken maaltijd door een slaaf +liet toeroepen: "Heer, gedenk de Atheners." Misschien was het voor hem +maar een voorwendsel om den republikeinschen staatsvorm der Grieken te +bestrijden, die hem, den almachtigen alleenheerscher, een doorn in 't +oog moest zijn. Ook werd hij, zoo verhaalt men althans, in zijn plan +versterkt door den wraaklustigen Hippias. Zeker is het, dat hij eene +expeditie tegen Griekenland ondernam, waarbij het landleger niet verder +dan een eindweegs in Thracië kwam en de vloot bij 't voorgebergte Athos +in Macedonië door storm vernield werd. Maar nu rustte hij een tweede +onderneming uit, veel grooter en sterker dan de vorige en zond +intusschen gezanten naar de verschillende Grieksche staten om als +teeken van onderwerping aarde en water te vragen. Bijna overal gaf men +sidderend aan dien eisch gehoor. Maar in Athene en Sparta werden de +gezanten van Darius in kuilen of putten gesmeten, waar zij aarde en +water vonden. Nu kende Darius' woede geen grenzen meer; zijne groote +legermacht liet hij door een vloot overbrengen en in Attica landen. + +Bij de Spartanen heerschte het bijgeloof, dat zij niet vóór de volle +maan strijden mochten en daarom kwamen zij nog niet. Slechts de kleine +stad Plataeae in Boeotië zond 1000, de Atheners stelden 9000 man. Toen +dit hoopje bij Marathon het groote Perzische leger zag, verloor het den +moed. Maar Miltiades, een dapper aanvoerder, bezielde de versaagden en +bevocht een glansrijke zege over de Perzen. -- 490. + +Deze gebeurtenis schrikte echter Darius nog volstrekt niet af. Hij liet +drie jaar lang toebereidselen maken voor een nieuwen veldtocht, aan +welks hoofd hijzelf meêtrekken wilde. Hij werd echter door den dood +overvallen. Maar Xerxes, zijn opvolger, zette de toebereidselen met den +zelfden ijver voort en bracht eindelijk een leger tezamen, zooals de +wereld nog geen tweede gezien had. Het bestond uit meer dan een millioen +menschen, en de vloot telde meer dan 1000 oorlogschepen, waarbij nog +3000 andere schepen kwamen. + + +2. In de lente van 480 zette de onmetelijke trein, door Xerxes zelf +aangevoerd, zich in beweging en overstroomde als een zondvloed het +noordelijke Griekenland. De meeste volksstammen onderwierpen zich; +slechts de Atheners en de Spartanen wilden strijden. In dezen algemeenen +nood trad +Themistocles+ op, een zeer verstandig en praktisch man, die +Griekenland tot redder werd. Reeds als knaap had hij een uitstekend +karakter en streefde naar groote dingen. Toen men in later jaren eens +met hem spotte, omdat hij de lier niet bespelen kon, antwoordde hij +hoogmoedig: "Zingen en spelen kan ik wel niet, maar een kleine stad +beroemd en groot maken, +die+ kunst meen ik te verstaan." Themistocles +had reeds vroeg ingezien, dat de oorlogen met de Perzen niet spoedig +zouden eindigen. Daarom spoorde hij de Atheners aan, voor hunne +verdediging te zorgen en vooral eene sterke vloot uit te rusten. Ook +rustte hij niet, vóór Sparta en Athene zich nauw vereenigd en ook de +overige staten zich daarbij aangesloten hadden. De eer der hoogste +leiding in den krijg (hegemonie) tegen de Perzen viel den Spartanen ten +deel. + + +3. In het noorden van Griekenland, waar het steile Oeta-gebergte aan de +eene en de zee aan de andere zijde slechts een lang smal pad overlaat, +dat naar het hart van 't land voert, daar, bij den engen pas van +Thermopylae, sloeg de Spartaansche koning Leonidas zich met 8000 Grieken +neêr, om de naderende Perzen te bestrijden. Toen Xerxes dat hoorde, +verwonderde hij zich niet weinig en zond boden af, die van de Grieken de +wapens opeischten. "Kom ze halen", was het laconische antwoord. En toen +den Grieken gezegd werd, dat de vijanden zoo talrijk waren, dat zij met +hunne pijlen de zon verduisterden, antwoordde een Spartaan koelbloedig: +"Des te beter, dan zullen wij in de schaduw vechten." + +Daar Xerxes niet gelooven kon, dat de weinige Grieken zijn monsterachtig +leger tegenstand zouden bieden, liet hij hun vier dagen tijd om weg te +trekken. Toen dit niets uitwerkte, begon de moorddadige strijd. De +Grieken stonden als muren en sloegen elken aanval af. De Perzen waren +eindelijk zoo ontmoedigd, dat zij met geesels in de bergengte moesten +gedreven worden. Toen kwam er eindelijk eene wending in den strijd -- +door verraad. Een Griek, Ephialtes, ontdekte den Perzen een geheim +voetpad over het gebergte. Toen rukten 's nachts bijna 20000 Perzen +aan en vielen de Grieken in den rug aan. Nu was alle redding voorbij. +Leonidas liet het grootste gedeelte der troepen huiswaarts trekken, +en sprak met zijne 300 Spartanen af, tot op den laatsten man toe te +strijden. De heldenmoedige schaar bracht den Perzen een ontzettend +verlies toe; maar eindelijk moest ze voor de overmacht bezwijken. + +Op geene zegepraal is zooveel roem gevolgd als op deze nederlaag. Een +steenen leeuw toonde later den eenzamen reiziger in de bergkloof de +plaats, waar Leonidas, de leeuw van den grooten dag, met zijne dapperen +gevallen was, en het gewijde opschrift luidde: "Wandelaar, bericht te +Sparta, dat wij, gehoorzaam aan zijne wetten, hier verslagen liggen." + + +4. Nadat de dappere Leonidas bezweken was, trad de wijze +Themistocles+ +weêr op. Toen de Perzen door genoemden pas in Hellas doorgedrongen +waren, begreep hij, dat Athene ook den geduchten aanval van dat volk +geen weêrstand kon bieden, en overreedde daarom zijne medeburgers, de +stad te verlaten en zich op schepen te redden. Toen verhuisden de +vrouwen en kinderen naar de naburige kusten en eilanden; maar de +geheele manschap, in staat de wapenen te dragen, ging met Themistocles +de vijanden op de zee te gemoet. Bij het eiland +Salamis+ moest het +tot een zeeslag komen. Toen echter de Grieken de groote vloot der +Perzen zagen, verloren zij den moed en wilden ontvluchten. Daarover +was Themistocles te leur gesteld, en nu waagde hij eene wanhopige +onderneming. Hij zond heimelijk een slaaf tot Xerxes en liet hem zeggen: +"Groote koning, ik ben uw vriend en wensch in uwen dienst te treden. In +den volgenden nacht willen de Grieken uit deze zeebocht ontvluchten. +Sluit ze in, dan is de geheele vloot in uwe handen." Xerxes zeilde +daarna zoo snel mogelijk op de Grieken aan en sloot ze in. Toen +Themistocles dat zag, juichte hij en sprak tot de andere bevelhebbers: +"Nu zult gij toch strijden?" + +En de Grieken streden, gelijk Themistocles vooruit gedacht had. Het was +een strijd op leven en dood. Ofschoon de Perzische vloot oneindig veel +grooter en sterker was dan de Grieksche, zoo had zij toch wegens de +grootte harer schepen veel nadeel in de enge bocht. De duisternis van +den nacht bracht ook de Perzische schepen onder elkander in de war. De +Grieken drongen met hunne lichte vaartuigen overal door en bevochten +eene groote overwinning. + +Xerxes was aan den oever op een gouden troon gezeten en had zoo den +uitslag van den zeestrijd afgewacht. Nu bleef hij niet langer hier. Om +hem echter snel uit het land te drijven, gebruikte Themistocles eene +nieuwe list. Hij liet aan Xerxes zeggen: "De Grieken zijn van plan, +de brug over den Hellespont af te breken." -- Deze brug was voor den +overtocht van het Perzische leger over eene smalle zeeëngte (de straat +der Dardanellen) geslagen. -- Xerxes verschrikte en vlood in aller ijl. +Hij verloor daarbij een belangrijk gedeelte van zijn landleger, dat +vooral door gebrek aan levensmiddelen en door ziekte zeer verminderde. +Toch bleef altijd nog een leger van 300,000 man onder den veldheer ++Mardonius+ in Noord-Griekenland achter, om in het volgende jaar op +nieuw te strijden. + +Geheel Griekenland erkende, dat het zijne redding aan de Atheners te +danken had en onder hen vooral aan Themistocles. De Spartanen voerden +hem in triomf naar hunne hoofdstad, gaven hem een olijvenkrans als prijs +der wijsheid, schonken hem den schoonsten wagen, die in Sparta te vinden +was en lieten hem door 300 jongelingen feestelijk tot aan de grenzen +begeleiden. Toen spoedig daarop de Olympische spelen gevierd werden en +ook Themistocles daarbij verscheen, verhieven zich bij zijn intrede +alle toeschouwers van hun zitplaatsen. Niemand dacht meer aan +kampspelen; alle aanwezenden zagen en wezen met blijde bewondering +naar Themistocles. Hij werd diep geroerd en sprak: "Nu oogst ik het +loon van alle inspanning voor Griekenland." + + +5. De perzische veldheer Mardonius beproefde de Atheners te bewegen tot +een verbond met zijn volk. Toen dit echter vergeefsch bleek, stormde hij +weder op Athene los en verwoestte, wat er nog overgebleven was. De +inwoners waren ten tweede male gevlucht. Toen vereenigden zich de +Atheners onder hun veldheer +Aristides+, met de Spartanen onder ++Pausanias+ en sloegen het Perzische leger bij Plataeae, waar Mardonius +viel en waar een groote buit behaald werd. -- Op denzelfden dag, zoo +verhaalt men, gelukte het den Grieken, de Perzische vloot bij het +voorgebergte +Mykale+ aan de kust van klein-Azië geheel te vernietigen. +Sedert dien tijd was Griekenland weder vrij. -- 479. + +Door het welslagen hunner pogingen aangemoedigd, waagden de Grieken nu, +naar Klein-Azië te gaan om hun broeders daar van het Perzische juk te +bevrijden. Aan het hoofd van de vloot der bondgenooten stond Pausanias, +de Spartaansche koning en veldheer, die spoedig overwinningen behaalde. +Men bemerkte echter, dat hij tot Perzische gewoonten overhelde en de +Perzen begunstigde. Toen hij ook nog trotsch en uit de hoogte tegen +zijne Grieksche bondgenooten zich gedroeg, ontstond er een groote onwil. +Hij werd aangeklaagd van verraad en men ontnam hem het opperbevel. +Daarentegen werd +Aristides+, die wegens zijne rechtschapenheid in +groote achting stond, tot aanvoerder benoemd. Zoo verloor Sparta door +den overmoed van Pausanias het steeds gehandhaafde voorrecht der +opperste krijgsleiding, en dit ging nu op de Atheners over, die steeds +machtiger werden. Pausanias werd voor 't gerecht gesteld. Hij wist zich +echter tweemaal te redden. Toen eindelijk zijn verraad wereldkundig was +en men hem straffen wilde, vluchtte hij snel in een tempel, waar naar +oud gebruik niemand mocht worden lastig gevallen, ook de misdadiger +niet. Toen versperden de Spartanen alle uitgangen van het gebouw en +leverden hem zoo aan den hongerdood over. + + +6. Aristides vervulde zijn ambt als opperaanvoerder der Grieken +met rechtvaardigheid en wijsheid. Hij leidde het daarheen, dat de +gezamenlijke bondgenooten den Atheners jaarlijks eene bepaalde som tot +de oorlogskosten betaalden; en zoo groot was het vertrouwen van allen, +dat zij aan hem alleen het toezicht op het geld en de verdeeling der +bijdragen overlieten. Aristides beantwoordde aan 't vertrouwen, dat +men hem schonk, en met recht werd hij de +rechtvaardige+ genoemd. +Themistocles had reeds vroeg met nijdigen blik op het aanzien gestaard, +dat Aristides bij het volk genoot, en getracht hem van de staatszaken te +verwijderen. Nu was in Athene de merkwaardige instelling, dat elk burger +den naam van een man, dien hij wilde verbannen hebben, op de scherf of +schaal van een zeemossel schreef en zoo tegen hem stemde. Dat was het +schervengericht, waardoor ieder, als hij 6000 stemmen tegen zich had, +zonder verdere omstandigheden in ballingschap gedreven werd. Het was +vooral tegen +die+ mannen gericht, die te machtig werden en voor de +vrijheid gevaarlijk schenen. De verbannene verloor echter noch zijne +eer noch zijn vermogen. Ook was de verbanning slechts tijdelijk en kon +herroepen worden. Themistocles had het werkelijk zoo ver gebracht, dat +Aristides voor tien jaren verbannen was. Maar nauwelijks waren eenige +jaren verloopen, of de Atheners hadden hun onrecht ingezien en Aristides +teruggeroepen. Hij bestuurde de hem toevertrouwde bondkas met de +grootste eerlijkheid, en stierf zoo arm, dat hij niet uit eigene +middelen kon begraven worden. Toen betoonden zijne medeburgers zich +dankbaar en zorgden ook voor de opvoeding van zijne kinderen. + + +7. Themistocles was er onvermoeid op uit, zijne vaderstad groot en +machtig te maken. Hij bracht het ook den Spartanen ten trots daartoe, +dat Athene met een muur omringd werd, en dat het door zijne zeemacht +de opperheerschappij in Griekenland kreeg. Maar niettegenstaande alle +verdiensten moest hij eindelijk als offer van 't schervengerecht vallen. +De verbitterde Spartanen klaagden hem aan van verstandhouding met de +Perzen, en rustten niet, vóór hij verbannen werd. En toen Themistocles +op geene plaats van Griekenland meer veilig was, vluchtte hij naar +Perzië. De opvolger van Xerxes nam hem vriendelijk op en hoopte van hem +voordelen te erlangen. Toen Themistocles echter zag, dat hij tegen zijn +vaderland werken moest, besloot hij liever te sterven en nam vergif. Te +Magnesia in Klein-Azië werd hem een kostbaar gedenkteeken opgericht; +zijn gebeente zou echter, op zijn eigen verlangen, heimelijk naar +Griekenland gebracht zijn. + + + + +10. Pericles -- 444 v. Chr. + + +1. De oorlogen, die tot bevrijding der Grieken in Klein-Azië tegen de +Perzen gevoerd werden, waren door +Cimon+, den zoon van Miltiades, tot +een gelukkig einde gebracht. Tien jaren na de slagen van Plataeae en +Mykale sloeg hij de Perzische zee- en landmacht bij de Eurymedon in +Klein-Azië en twintig jaar later op nieuw bij de stad Salamis op Cyprus +449. De vier en veertigjarige Perzische oorlog was geeindigd, en +Griekenland stond daar groot en machtig. Omstreeks dezen tijd trad +te Athene een man op, die voor geheel Griekenland van de grootste +beteekenis werd. Het was +Pericles+, de zoon van den beroemden ++Xanthippus+, die bij Mykale de Perzische vloot vernield had. Pericles +had eene innemende gestalte en was zeer beschaafd, even zoo uitstekend +als veldheer als hij was als staatsman, en een redenaar, zooals Athene +er nog geen gehoord had. + +Aanvankelijk vond Pericles een geduchten tegenstander in Cimon, die zich +aan het volk op alle wijze vriendelijk toonde. Toen echter Cimon eens +de Atheensche troepen niet genoegzaam in bescherming nam tegen de +plagerijen der Spartanen, verloor hij de gunst der menigte, en werd tot +vreugde van Pericles een tijd lang verbannen. Nu trad de welsprekende +staatsman op en wist zich het vertrouwen zijner medeburgers zoo te +winnen, dat hij als een alleenheerscher regeeren kon, zonder zelfs ooit +archont te zijn. Hij bevorderde den handel en de zeemacht, en sloot +zulke voordeelige verbintenissen, dat Athene het toppunt van rijkdom en +macht bereikte. + + +2. Pericles was ook een vriend van kunsten en wetenschappen. Van alle +kanten riep hij de grootste kunstenaars en geleerden naar Athene en +maakte zoo deze stad tot het middelpunt van alle streven van den geest. +Men vond daar een glans, gelijk er nergens anders te zien was. De +meesterwerken der bouwkunst, beeldhouw- en schilderkunst tooiden Athene +op zoo grootsche wijze, dat men de overblijfselen daarvan nog heden +bewondert. Geen volk van den ouden tijd heeft voor de schoone kunsten +zooveel gedaan als de Grieken. + +Onder de prachtige bouwwerken van Athene prijkte vooral de +burg+. Men +besteeg dien langs trappen breed als straten, die beneden door een poort +van zuilen met vijf bogen van marmer begrensd waren. Op het hoogste punt +van den berg des burgs stond het reusachtige standbeeld van Athenes +beschermgodin +Pallas+. Een goed oog kon het met zijn met struiken +omgeven gouden helm reeds tien uur van Athene zien. Naast de prachtige +hallen van den berg stond een tempel van wit marmer, een uitgelezen +meesterwerk der oude bouwkunst, dat nog heden verbazing en bewondering +opwekt. De voorhoven van dezen tempel waren met kostbare standbeelden +versierd, en in het binnenste er van had +Phidias+, de vriend van +Pericles, een afgodsbeeld gevestigd, dat van verblindend goud en +elpenbeen was en in de hoogste mate beroemd werd. + +De +schilderkunst+ had in de tijden van Pericles den hoogsten graad van +volkomenheid bereikt. Eens organiseerden +Zeuxis+ en +Parrhasius+ een +wedstrijd in hunne kunst. Zeuxis schilderde, zoo verhaalt men, druiven +zoo natuurlijk, dat de vogels er op toe vlogen en er aan pikten. Nu +bracht ook Parrhasius zijn stuk; het was met een gordijn bedekt. Toen +zeide Zeuxis: "Neem toch het gordijn weg." Maar Parrhasius lachte: het +gordijn was de schilderij zelf. Zoo had de eene kunstenaar slechts +vogels, maar de andere menschen en wel een grooten kunstenaar bedrogen. + +Nooit was in Athene zoo veel leven als in den tijd van Pericles. Op de +markt en in de straten, in den schouwburg en in de scholen, aan de haven +en in de hallen: overal zag men eene frissche en grootsche werkzaamheid, +en Pericles was de ziel van 't geheel. Het anders zoo heerschzuchtige +volk liet zich gaarne door hem leiden. Wat hij aanried, geschiedde; wat +hij sprak, dat gold. "Hij draagt den donder en bliksem op zijne tong," +zeiden de Atheners, en noemden hem niet anders, dan den +Olympiër+, +d. i. den hemelschen. + + +3. De groote macht, die Athene onder Pericles bereikte, deed bij de +andere staten van Griekenland nijd en haat ontstaan. Ook behandelden +de Atheners hunne bondgenooten niet altijd zoo, als recht en billijk +zou geweest zijn. Bovenal echter waren de Spartanen verbitterd, die +niet vergeten konden, dat zij eens de opperheerschappij in Griekenland +bezeten hadden. Zij stelden zich daarom aan de spits der ontevredene +staten en begonnen een oorlog met Athene. Toen gelukte het Pericles, +die den vrede liefhad, den Spartaanschen aanvoerder om te koopen en +een wapenstilstand te sluiten, die 30 jaar gelden zou. Hij duurde +echter slechts 14 jaar. De oude haat der Spartanen vond een geschikte +gelegenheid, zich weer te openbaren, en de vreeselijke oorlog begon, +die de +Peloponnesische+ heet, omdat de geheele Peloponnesus zich met +de Spartanen vereenigde tegen de Atheners en hun bondgenooten. + +Pericles vertrouwde op Athenes zeemacht; toen echter een landleger van +60.000 man naderde, werd Athene door zooveel vluchtelingen bezocht, dat +er spoedig ziekten ontstonden, die hoe langer hoe gevaarlijker werden, +tot eindelijk de pest uitbrak en algemeenen schrik veroorzaakte. Alle +banden van tucht en orde raakten los. De straten boden een ontzettend +schouwspel. De vroeger zoo vroolijke stad was een zetel van smart en +dood. En al de schuld van dit ongeluk werd op Pericles geworpen; hij was +het, die alle verdediging te land afgeraden, en alle rondom-wonende +genooten in de stad opgenomen had. Vergeefs beproefde Pericles de +openbare orde te herstellen, zijn beste vrienden waren door de ziekte +weggenomen. En toen hij zelf met een vloot ten strijde toog, moest hij +onverrichter zake terugkeeren, want ook op de schepen woedde de pest. + +Toen nam het wankelmoedige volk hem het opperbevel af, en veroordeelde +hem tot eene geldboete van 15 talenten (ongeveer 37.500 gld., daar een +talent ± 2500 gld. was). + +Dit ongeval verdroeg Pericles met gelatenheid. Maar de pest naderde ook +zijn familiekring. Eerst bezweken daaraan zijne beide oudste zonen en +zijne zuster. Pericles bleef gelaten. Toen hij echter ook zijn jongsten +zoon, die eveneens door de vreeselijke ziekte werd aangegrepen, naar +Atheensch gebruik den doodenkrans opzette, toen overweldigde hem de +bitterste smart, en hij brak in tranen uit, gelijk hij nooit in zijn +leven gedaan had. + + +4. Eindelijk erkende het volk, dat het aan Pericles een onrecht begaan +had. Het overtuigde zich van het gewicht van den diep gekrenkten man, en +herstelde hem in zijne vorige waardigheid. Toch was het Pericles niet +vergund, nog lang aan het hoofd van zijn vaderland te staan; ook hij +werd door de vernielende pest aangetast. Toen hij den dood nabij was, +roemden de rondom hem zittende burgers de grootheid zijner deugd en de +veelvuldigheid zijner zegepralen, zonder dat zij dachten, nog door +Pericles gehoord te worden. Toen verhief hij zijn hoofd en zeide: "Het +verwondert mij, dat gij slechts dat vermeldt, waaraan het geluk gelijk +aandeel met mij heeft, en wat ook anderen gelukt is; het schoonste en +beste hebt gij vergeten: geen Athener heeft om mijnentwille een +rouwkleed aangetrokken." + +Zoo stierf de groote staatsman, die bijna 40 jaar lang in Athene +geheerscht had! Er was niemand in staat hem te vervangen. Met hem werden +het aanzien, de macht en de glans van Athene ten grave gedragen. + + + + +11. Alcibiades. + + +1. Alcibiades, een neef van Pericles, trad door rijkdom, schoonheid +en groote geestesgaven zoo op den voorgrond, dat hij gedurende den +Peloponnesischen oorlog een belangrijken invloed kreeg. Hij had een +ijdel, eergierig karakter, was moedwillig en stout, maar had ook eene, +zelfs in Athene, zeldzame welsprekendheid. Bij zijne geweldige zucht +tot onderscheiding en roem was niets hem gewenschter dan oorlog. Toen +zich nu eene gelegenheid aanbood op Sicilië eene Ionische stad tegen +een Dorische bij te staan, wendde Alcibiades dadelijk al zijne +welsprekendheid aan om de Atheners tot een tocht daarheên te bewegen. De +veldheer Nicias, die kort te voren een vrede met de Spartanen bewerkt +had, ried even als andere mannen den oorlog af. Het volk liet zich +echter door Alcibiades medesleepen; het besloot tot den tocht, en koos +Alcibiades tot aanvoerder daarvan. Nauwelijks echter had deze het +eerste succes op Sicilië behaald, of hij werd weêr teruggeroepen. Hij +was namelijk aangeklaagd, in den nacht vóór zijn vertrek de vele +standbeelden van den god Hermes of Mercurius verminkt te hebben. Toen +verliet hij het eiland Sicilië, ging evenwel niet naar Athene, maar naar +Sparta, in de legerplaats der oude vijanden. Toen de Atheners hem daarop +ter dood veroordeelden, zeide hij: "Ik zal hun toonen dat ik nog leef," +en hij hield schrikkelijk woord. + +Te Sparta leefde de vroeger zoo zwelgende jongeling geheel naar de +strenge wetten van dat volk en verwierf zich spoedig het vertrouwen +daarvan. Uit wraak tegen de Atheners spoorde hij de Spartanen aan, den +gesloten vrede te verbreken en de Atheensche onderneming op Sicilië +te gaan bestrijden. Toen was het geluk der Atheners uit. Zij werden +geslagen en hunne vloot vernield. Het hoog gestegen Athene lag in het +stof. + + +2. Intusschen haalde Alcibiades zich door zijn opbruisenden zin in +Sparta veel vijanden op den hals en zag zich genoodzaakt de vlucht te +nemen. Hij ging naar Klein-Azië, waar Atheners en Spartanen elkaâr den +voorrang betwistten in de van Perzië bevrijde deelen, en dat het tooneel +van het derde tijdvak des Peloponesischen oorlogs werd. Toen werd hij +door de bemanning der Atheensche vloot zelve met het opperbevel over +deze bekleed. Met Alcibiades keerde ook Athenes geluk terug. Zij sloegen +de Spartanen te water en te land, en vierden der herwonnen held op alle +wijzen. + +Maar deze jubeltoon was niet duurzaam. Alcibiades had eenmaal de leiding +der vloot aan een onderbevelhebber toevertrouwd, terwijl hij iets met +de Perzen te verhandelen had. Dadelijk overviel toen de Spartaansche +veldheer Lysander de Atheners en versloeg ze. Ten gevolge dezer +nederlaag zetten de Atheners, veranderlijk als het weêr, Alcibiades af, +die zich naar Klein-Azië terugtrok. Hier moest hij zien hoe de Atheners, +die zijne waarschuwing verachtten, geheel verslagen werden en hoe +Athene, die trotsche stad, veroverd en mishandeld werd, 404. -- De +overwinnende Spartanen hadden den gevaarlijken Alcibiades niet uit het +oog verloren. Zij verlangden van de Perzen, dat hij hun zou uitgeleverd +worden. Wijl dezen hem zeer vreesden, zoo waagden zij niet tegen hem op +te treden. Zij staken daarom 's nachts zijne woning aan, om hem levend +te verbranden. En toen Alcibiades zich met het zwaard in de vuist door +de vlammen heên een weg baande, vloden zij verschrikt, tot het hun +eindelijk uit de verte gelukte, den geduchten strijder zoo met pijlen te +overstelpen, dat hij doorboord ter aarde zonk. Alcibiades bood een trouw +beeld van zijne vaderstad. Gelijk hij vallen moest, zoo was ook de +ondergang van het vrije Athene niet te stuiten. + + + + +12. Socrates. + + +1. Terwijl Griekenland aan inwendige twisten zijne beste krachten +verspilde, werd een man beroemd, wiens wijsheid wij evenzeer bewonderen, +als wij zijn einde beklagen moeten. Het was +Socrates+ in Athene. Zijn +vader was een beeldhouwer, en als jongeling wijdde Socrates zich ook aan +deze kunst; maar deze bezigheid voldeed niet aan den drang zijner ziel. +Hij bestudeerde de schriften der wijzen en deed zijn voordeel met het +onderwijs der beste leeraars. Hij wilde echter de waarheid niet alleen +daarom kennen, dat hij, gelijk de meeste Atheners, er over zou kunnen +twisten, maar hij beoefende ze in 't leven en ging overal met een goed +voorbeeld voor. + +Het eerste streven van Socrates was, zich van de uitwendige goederen zoo +onafhankelijk mogelijk te maken, opdat hij geheel voor de wetenschap +leven kon. "Niets behoeven", zeide hij, "is goddelijk, en wie het minst +behoeft, komt het naast bij de godheid". Hij nam slechts zooveel spijs +als tot zijne nooddruft vereischt werd, en dronk nooit meer dan tot +lessching van den dorst noodig was. Zijne kleeding was eenvoudig en +onaanzienlijk. + +Ofschoon Socrates van nature heftig was, had hij toch door gestrengheid +tegenover zich zelven eene edele gelijkmoedigheid verkregen, die door +niets verstoord kon worden. De meeste oefening van geduld had Socrates +in zijn eigen huis, daar zijne vrouw Xanthippe, zeer luimig en twistziek +was. Desniettegenstaande zag men hem nooit morrende of ontstemd. Als hij +beleedigd werd, bewaarde hij de grootste kalmte en gelatenheid. Zijne +burgerplichten vervulde Socrates met grooten ijver. Hij streed dikwijls +voor zijn vaderland en was steeds onder de dappersten. Door zijne +onverschrokkenheid redde hij in een slag den stouten Alcibiades, die hem +zeer genegen was. Deze wankelmoedige jongeling bekende dikwijls: "Door +de redeneeringen van Socrates word ik zoo aangegrepen, dat mij het hart +klopt en de tranen mij uit de oogen vloeien". + + +2. Socrates sprak met lieden uit alle standen, en verzamelde +langzamerhand een kring van weetgierige leerlingen om zich, die hem met +groote belangstelling aanhoorden en meerendeels beroemde mannen werden. +Zij verlieten gaarne de vermakelijkheden, om slechts bij hun geliefden +leermeester te zijn. +Euclides+ van Megara kwam vier mijlen ver tot +Socrates. En toen eens de Atheners tegen de Megarensers oorlog voerden +en elk van hen op straffe des doods verboden in de stad te komen, sloop +Euclides dikwijls in vrouwenkleêren door de poort, om naar Socrates te +hooren. +Xenophon+, een ander leerling, dien Socrates op den openbaren +weg voor zijn onderwijs gewonnen had, verzekerde later van zijn meester: +"Niets kon nuttiger zijn dan zijn gezelschap en zijn omgang. Zelfs als +hij afwezig was, strekte nog zijn aandenken hun, die bij hem geweest +waren, tot versterking en kracht in al wat goed is." + +Socrates verstond de kunst, op de gemakkelijkste en eenvoudigste manier +te onderwijzen. Hij stelde vragen, waardoor hij tot nadenken dwong, en +leidde het in gesprekken daarheên, dat men de diepste leeringen opdeed. +Zijn onderwijs was gratis en daarom voor allen toegankelijk. Socrates +sprak ook tot de volwassenen op de markt en op de straten, en werd +daardoor zeer bekend. Zijn roemde verbreidde zich zoo ver, dat de +priesters te Delphi hem voor den wijsten der menschen verklaarden. + + +3. Het was vooruit te zien, dat Socrates zich door zijne uitstekende +wijsheid en deugd de haat en den nijd zijner verdorvene medeburgers +moest op den hals halen. Zij lasterden hem ook en trachtten hem +belachelijk te maken. En toen hun dat niet hielp, klaagden zij hem +openlijk aan. Zij beschuldigden hem, dat hij niet geloofde aan de goden +van het land, en dat hij ook door zijne leer de jeugd bedierf. Socrates, +een grijsaard van 70 jaar geworden, vond het zijner onwaardig, zich +tegen zulke aanklachten wijdloopig te verdedigen. Hij wees terug op zijn +openbaar leven en bezwoer dat sedert 30 jaar niets hem meer aan het +harte gelegen had, dan zijne medeburgers deugdzamer en gelukkiger te +maken, en dat hij hiertoe de goddelijke roeping in zich gevoeld had. +Eene zoo vrijmoedige verdediging verbitterde de rechters. Zij zonden hem +voorloopig weêr naar de gevangenis. Hier bracht een vriend, +Lysias+, +hem eene schoone verdedigingsrede (apologie); die moest hij uitspreken. +Socrates las ze en vond ze schoon. "Maar, zeide hij, als gij mij zachte +en prachtige sokken bracht, zou ik ze niet aantrekken, omdat ik ze voor +onmannelijk houd." Daarmeê gaf hij de rede terug. In de eerstvolgende +vergadering van 't gerecht werd het lot van Socrates beslist. Eene +meerderheid van drie stemmen slechts veroordeelde hem tot den dood. +Socrates bleef rustig, maar zijne leerlingen niet. Zij drongen met +tranen in de oogen tot de rechters door en smeekten om de vrijheid van +hun leeraar; maar zij werden afgewezen. Socrates nam afscheid van de +rechters, die te zijnen gunste gestemd hadden, en vergaf diegenen, die +hem veroordeeld hadden. Met opgewekt gelaat, vasten tred en edele +houding verwijderde hij zich hierop uit het gerechtshuis en ging naar de +gevangenis terug. Zijne vrienden geleidden hem en waren van nu af +dagelijks om hem. + + +4. Aangezien wegens een openbaar feest geen doodvonnis mocht voltrokken +worden, hadden de leerlingen van Socrates den troost, nog korten tijd, +omtrent dertig dagen, met hun leermeester te kunnen spreken. Dat was +een kostbare tijd, want Socrates, vrij van vrees voor den dood, werd +met elken dag opgewekter en sprak de schoonste woorden van troost en +wijsheid. De leerlingen echter konden zich in 't geheel niet gewennen +aan het denkbeeld, dat hun raadsman en vriend hun zou ontscheurd worden. +Zij spraken met den gevangenbewaarder, die een medelijdend hart had, en +richtten alles zoo in, dat Socrates ontvluchten kon. Maar deze weigerde +beslist, zulks te doen, en zeide, dat men altijd aan de wetten +gehoorzamen moest. Toen snikte een leerling: "Ach, gij sterft toch zoo +onschuldig", en Socrates antwoordde lachend: "Wildet gij dan liever, dat +ik schuldig stierve?" + +Toen op den laatsten avond alle vrienden bijeen waren, nam +Krito+ het +woord en zeide: "Zeg ons, welke opdracht laat gij mij en dezen uwen +vrienden na? Waarmeê kunnen wij naar uw welgevallen leven?" De grijsaard +antwoordde: "Als gij zoo leeft, als ik u sedert lang aanbevolen heb. Ik +behoef hier niets meer bij te voegen." Nu kwamen nog zijne vrouw met de +drie kinderen, en weenden luid. Toen nam Socrates afscheid, en verzocht, +zijne vrouw naar huis te geleiden, opdat het laatste uur hem niet +verzwaard zou worden. Hierop sprak hij nog met zijne vrienden over leven +en dood en over zijne hoop, dat 's menschen ziel onsterfelijk is. + +Intusschen neigde de zon zich tot den ondergang. De gerechtsdienaar +verscheen met den gifbeker, en Socrates bereidde zich tot den dood. Hij +nam den kelk met opgewekt gelaat, en dronk dien krachtig uit. Terwijl +zijne vrienden jammerden, zeide hij: "Ik genees; offert +Aesculaap+ -- +den god der geneeskunde -- een haan!" Daarop verscheidde hij -- 400 +v. C. + +Eerst na den dood van den grooten wijze, zagen de Atheners hun ongelijk +in. Zij dreven grooten rouw, veroordeelden den voornaamsten beschuldiger +ter dood en joegen de overigen uit het land. Ook richtten zij eene +prachtige zuil op, en vereerden hem bijna als een god. Maar zijne +leerlingen, vooral +Plato+ en +Xenophon+, verbreidden schriftelijk en +mondeling zijne voortreffelijke leeringen, en stichtten zoo hun' grooten +meester een gedenkteeken, dat duurzamer is dan metaal en overal bekend +is, waar vrienden der wijsheid wonen. + + + + +13. Epaminondas en Pelopidas. + + +1. Sedert den val van Athene kende de overmoed der Spartanen geene +grenzen meer. Zij hielpen hunne stamgenooten in het naburige werelddeel +tegen de Perzen, en hun koning Agesilaus veroverde de geheele westelijke +helft van Klein-Azië. De Perzische koning verwekte toen een oorlog van +Korinthe en andere Grieksche staten tegen Sparta (Korinthische oorlog), +waarin de zegepraal wisselvallig was. Maar de Spartanen gaven liever +hunne overwinningen in Azië op dan hunne overmacht in Griekenland, en +sloten daarom in 387 den vrede van Antalcidas, den bewerker, die aan den +Grieksch-Perzischen oorlog en aan dien der Grieken onderling een einde +maakte. Midden in den vrede overvielen de Spartanen nu Thebe, waar +inwendige tweedracht bestond, en stelden er een aristocratisch bestuur +in, gelijk 20 jaar vroeger in Athene. Verschrikt vluchtten vele Thebanen +uit de stad en wendden zich naar Athene. Hier verzamelden zij zich onder +hun hooghartigen medeburger +Pelopidas+, om hun vaderstad weder te +bevrijden. Het gelukte hun ook. De tyrannen werden bij een vroolijk +gelag door sluipmoordenaars van kant gemaakt, en de Spartaansche +bezetting moest zich spoedig overgeven. + +Wat Pelopidas koen begonnen was, voltooide zijn vriend +Epaminondas+. De +beide mannen waren van hun vroegste kindsheid af door innige vriendschap +verbonden geweest, ofschoon hun uiterlijke omstandigheden zeer +verschillend waren. Pelopidas was een der rijkste burgers, Epaminondas +een der armsten. Dikwijls had Pelopidas zijn rijkdom willen deelen met +zijn vriend, maar nooit had deze het geringste willen aannemen. +Epaminondas leefde uiterst eenvoudig en bescheiden, was geheel zonder +aanmatiging en streefde nooit naar eereposten. Maar toen het vaderland +zijn diensten verlangde, was hij dadelijk bereid. Men mocht hem een +hoogen of nederigen post aanwijzen: steeds nam hij hem met de grootste +nauwkeurigheid waar. Toen een Perzisch gezant met zakken geld tot hem +kwam om hem om te koopen, zeide hij: "Als de voornemens van uwen koning +voordeelig zijn voor mijn land, heeft het uw geld niet noodig; zijn zij +echter schadelijk, dan zal uw goud mij niet tot een verrader maken. +Verlaat dadelijk de stad, opdat geen anderen door u verleid worden." + +Deze rechtschapen man stond nu aan het hoofd van het Thebaansche leger, +om de vijandelijke Spartanen te bestrijden. Zijn vriend Pelopidas had +het bevel over een bijzondere afdeeling van Thebaansche jongelingen, die +zich door een plechtigen eed verbonden te overwinnen of te sterven. Dat +was "+de heilige schaar+", die uit 300 man bestond. Bij +Leuktra+, een +stadje niet ver van Thebe, kwam het tot den strijd, waarbij de 5 maal +zoo talrijke Spartanen verslagen werden. Nu was Thebe de eerste stad van +Griekenland. + + +2. De koene Epaminondas zocht nu spoedig de Spartanen in hun eigen land +op. Toen dezen voor het eerst sedert eeuwen een vijand voor hun stad +zagen, waagden zij het uiterste en riepen zelfs de Atheners, hun oude +tegenstanders, te hulp. Toen had er een bloedige slag plaats bij ++Mantinea+, 362. -- De Thebanen overwonnen, maar Epaminondas viel. Twee +jaar vroeger was reeds Pelopidas gevallen. Met deze beide helden zonk +ook Thebes grootheid en roem. De rust van Griekenland was weg. Telkens +nam de eene stad de wapenen op tegen een andere, tot er eindelijk een +vreemde heerschappij kwam, die alles onderwierp. + + + + +14. Alexander van Macedonië -- 333 v. Chr. + + +1. Terwijl de Grieken zich door hun binnenlandsche oorlogen altijd +meer verzwakten, kwam er hoog uit het Noorden een zwaar onweder op hen +aanzetten. Daar had zich aan de grens van Griekenland uit een zeer +kleinen oorsprong het koninkrijk Macedonië gevormd, dat onder Philips II +belangrijke macht verkreeg. Deze werkzame en sluwe vorst, die in Thebe +bij Epaminondas opgevoed was, kende de Grieksche omstandigheden zoo +goed, dat hij zich spoedig de opperheerschappij in Griekenland verwierf. +Vergeefs had de beroemde redenaar +Demosthenes+ te Athene op het gevaar +gewezen, dat van Macedonië dreigde; de Grieken streden te laat: Philips +was overwinnaar; hij behandelde echter de overwonnenen met veel +verschooning en liet hun veel vrijheid. Hij bracht het zoover, dat de +Grieken hem in een tocht tegen de Perzen wilden vergezellen en reeds +dacht hij op te trekken, toen hij plotseling bij het bruiloftsfeest +zijner dochter vermoord werd. Voor zijn zoon Alexander was het weggelegd +het aangevangen werk te voltooien. Alexander bezat groote bekwaamheden +en had het geluk door den beroemdsten geleerde van Griekenland, door ++Aristoteles+, opgevoed te worden. Deze wijze behoorde tot de grootste +geesten, die ooit op de aarde woonden. Wat hij nagevorscht en onderwezen +heeft, is voor de menschheid een groote zegen geweest. Of hij veel +van den oorlogzuchtigen zin van zijn kweekeling hield, is zeer te +betwijfelen, maar zeker is het, dat de ijver van Alexander om de +wetenschap te bevorderen door het verkeer met Aristoteles gewekt werd. +Wat echter bij Alexander reeds in zijn vroege jeugd te voorschijn trad, +dat was de zucht tot strijden en tot veroveren. Het liefste hoorde hij +verhalen van de oude krijgshelden. Hoe klopte zijn hart, als hij de +gezangen van Homerus las, waar de slagen van Troja zoo meesterlijk +bezongen waren. Zijn hoogste wensch was een held te zijn als Achilles en +ook eenmaal bezongen te worden. + + +2. Toen Alexander op zijn twintigste jaar koning werd, had hij dadelijk +gelegenheid zijn strijdlust te bevredigen. Van alle kanten stonden de +door Philips onderworpen volken op en dachten, dat de tijd voor hun +bevrijding gunstig was. Maar Alexander was spoedig er bij en onderdrukte +overal het oproer. De stad Thebe, die weigerde zich te onderwerpen, werd +tot den grond verwoest. Slechts het huis van den dichter +Pindarus+ +bleef staan, daar hij zoo schoon de overwinnaars der Grieksche +kampspelen bezongen had. Het lot van Thebe verbreidde schrik over geheel +Griekenland. Allen bogen zich voor den jeugdigen heerscher en beloofden +gehoorzaamheid. Alexander ging daarop naar Korinthe, naar de algemeene +vergadering der Grieken, om zich, zooals vroeger zijn vader, tot +aanvoerder tegen de Perzen te laten benoemen. Bij deze gelegenheid +bezocht hij +Diogenes+, die beroemd was om zijn zonderlingheid. Diogenes +hield zich aan den grondregel van Socrates, dat de mensch, hoe minder +hij noodig heeft, des te gelukkiger is, en leefde daarom zoo streng, +dat hij belachelijk werd. Zijn woning was een ton of vat. Als hij +daaruit met zijn langen baard en gescheurden mantel te voorschijn kwam, +trok hij ieders opmerkzaamheid. Hij bekommerde er zich echter weinig om +en verachtte het volk. Eens liep hij op den helderen dag met eene +brandende lantaarn op de markt van Athene rond. Toen men hem vroeg wat +hij zocht, antwoordde hij: "Ik zoek menschen." + +Alexander kwam met zijn gevolg bij Diogenes en onderhield zich langen +tijd met hem. Eindelijk vroeg hij hem: "Kan ik u eene gunst bewijzen?" +Toen antwoordde Diogenes: "Ja, ga mij slechts een weinig uit de zon!" +Daarom lachten de lieden uit Alexanders gevolg; deze echter keerde zich +om en zeide: "Als ik niet Alexander was, zou ik wel Diogenes willen +zijn." + + +3. Toen Alexander met een klein, maar wel toegerust leger naar Azië +ging, om de Perzen te beoorlogen, zocht hij de plaatsen op, waar hij zoo +dikwijls in den geest vertoefd had, als hij de gedichten van Homerus +las. Op het slagveld van Troje tooide hij het gedenkteeken van Achilles +en wenschte niets meer, dan dat eens een dichter als Homerus ook zijne +daden verheerlijken mocht. Toen voerde hij zijn leger oostwaarts naar de +nabijzijnde rivier +Granikus+. Daar wachtte hem een machtig Perzisch +leger. Zonder toeven leverde Alexander met zijne manschappen een slag, +die hem tot heer van Klein-Azië maakte. Spoedig daarop stiet hij op een +tweede leger der Perzen, dat door hun koning Darius Kodomannus zelf werd +aangevoerd. Deze werd echter zoo geslagen bij Issus 333, dat hij ijlings +vluchtte en zijne familie in handen van den overwinnaar liet, die haar +echter vriendelijk behandelde. + +Hierop trok Alexander door Syrië en Phoenicië, waar de eene stad na de +andere zich overgaf. Alleen Nieuw-Tyrus bood tegenstand en werd daarom +aan de verwoesting prijs gegeven. Op zijn verderen tocht kwam Alexander +ook naar Jeruzalem. Hier ontvingen hem de voornaamste Joden met den +hoogepriester aan het hoofd, en leidden hem ook in den tempel. De +Egyptenaren, die de Perzische heerschappij lang gedragen en gehaat +hadden (blz. 13), ontvingen Alexander vriendelijk, en kregen daarvoor +groote gunstbewijzen. Zoo stichtte hij Alexandrië (blz. 6). + +Door nieuwe krijgsvolken versterkt, ging Alexander naar Azië terug, om +nogmaals de Perzen te bestrijden. Darius bood eene schikking aan, maar +Alexander wilde alleenheerscher zijn. Toen kwam het bij +Gaugamela+ en ++Arbela+ tot een geduchten slag, waarin de Perzen volkomen geslagen +werden. Darius vluchtte en werd door Alexander vervolgd. Vóór deze hem +echter bereikte, was Darius op last van een Perzischen satraap gedood. +Deze daad werd door Alexander streng gestraft, terwijl hij het lijk van +Darius in de koninklijke groeve te Persepolis plechtig liet bijzetten. + +Alexander had zijn doel bereikt: hij was de beheerscher van het groote +rijk der Perzen geworden door de inname der verschillende hoofdsteden +Babylon, Susa, Persepolis en Ecbatana. De eerstvolgende jaren werden +besteed aan het onderwerpen van al de oostelijke deelen van het +Perzische rijk, de uitgestrekte landen tusschen het eigenlijke +Medo-Perzië en den Indus, en daarop drong men tot +Indië+ door. + + +4. Dit door de natuur zoo rijk begiftigde land had wel reeds veel van +zich doen spreken, maar toch was de kennis er van nog zeer gering. De +Indiërs hadden reeds vroeg eene hooge mate van ontwikkeling bereikt, +zooals blijkt uit hunne heilige taal, het Sanskriet, de oudste zuster +aller Indo-Germaansche talen, tevens de sleutel tot hare studie. Zij +hadden vele instellingen gelijk de Egyptenaren, vooral die der kasten. +Hunne priesters heetten +Braminen+ of +Brahmanen+. Dezen werd zoo groote +eerbied bewezen, dat de koning geen Brahmaan, al had hij de grootste +misdaden bedreven, mocht laten ter dood brengen. Hunne heilige boeken, +Vedas (d. i. Weten) genaamd, zijn in 't Sanskriet geschreven. Hunne +hoofdgodheid was +Brahma+, de schepper, die met +Vishnoe+, den +onderhouder, en +Civa+, den verdelger, eene drieëenheid vormde, waarvan +echter eerst in den lateren tijd gesproken wordt. Een hoofddenkbeeld +hunner leer was de onsterfelijkheid der ziel. De zielsverhuizing was +een toestand, waarin de boozen na hun dood tijdelijk verkeerden. Het +tegenovergestelde van onsterfelijkheid leerde het +Boeddhisme+, een +godsdienst, die omstreeks 600 of 500 v. C. in Vóór-Indië ontstond, en +genoemd is naar den stichter. Deze, een koningszoon, had zich, na +eenigen tijd van weelderig leven, jaren lang aan de eenzaamheid en het +nadenken gewijd en was toen tot de meening gekomen, dat er voor den +mensch niets ongelukkiger kon wezen, dan altijd voort te leven. +Integendeel, eeuwige rust, gevoelloosheid, +Nirvana+, moest het einddoel +van elks wenschen en streven zijn. Die zaligheid kon men verwerven door +de beoefening van een aantal deugden. Zijne aanhangers noemden hem +den wijzen, +Boeddha+. Hij maakte de grenslijnen tusschen de eerste +kaste en de drie andere, die der krijgers, handelaars en werklieden +veel minder scherp dan het brahmaïsme. Hierom reeds, en vooral om de +tegenovergestelde meening ten aanzien van het al of niet sterfelijke der +ziel bestonden de twee godsdiensten volstrekt niet, zooals velen meenen, +eendrachtig naast elkander, maar stonden integendeel hevig vijandig +tegenover elkander. De onderlinge haat voerde tot hevige oorlogen, +van de 3de tot de 7de eeuw onzer jaartelling, ten gevolge waarvan het +boeddhisme uit Indië zoo goed als geheel verdrongen werd. Maar het had +een uitgebreiden aanhang gevonden in China, Japan e. a. l., en breidde +zich voortdurend zoo uit, dat het tegenwoordig 500 millioen belijders +telt. + +Verder dan den noordwestelijken hoek van Vóór-Indië is Alexander met +zijne troepen niet geweest. In dien hoek ontstaat de Indus uit de +samenvloeiing van vijf rivieren, waarnaar de landstreek Pendsjab, het +vijfstroomenland, heet. Bij een van de oostelijkste dier rivieren, de +Hyphasis, sloegen zijne Macedoniërs aan het morren en verklaarden, +niettegenstaande alle verzoeken en bedreigingen, niet verder te willen +trekken. Zoo was Alexander genoodzaakt, zijne plannen ten aanzien van +Indië op te geven en terug te keeren. Een groot deel van het leger +zeilde onder den bekwamen Nearchus den Indus af en over de kustenzee +naar den mond van Tiger en Eufraat, terwijl Alexander met het andere +deel langs den Indus naar het zuiden trok, en vervolgens over Gedrosië +enz. terugkeerde naar Babylon. + + +5. Hier rustend, wilde de beheerscher van het grootste rijk, dat de +wereld ooit aanschouwd had, alle onderworpene volken tot één groot +geheel samensmelten en uit de oude hoofdstad aan den Eufraat den +ganschen staat besturen, waartoe hij de Perzische indeeling in +satrapieën had overgenomen. Om de harten zijner nieuwe onderdanen te +winnen, leefde hij geheel naar Perzisch gebruik. Daarbij werd hij, als +een Perzisch grootmachtig koning, dikwijls overmoedig en wreed. Zijne +vleiers verhieven hem ten hemel, zonder dat iemand daartegen iets durfde +inbrengen. Toen dit toch eens door den veldheer Clitus, die bij de +Granicus Alexanders leven gered had, geschiedde, werd Alexander zoo +door toorn overweldigd, dat hij eene lans greep en zijn ouden vriend +doorboorde. Hierop ontnuchterd, want het feit was gepleegd op eene +partij, waar men te veel aan god Bacchus had geofferd, betreurde de +koning zijne daad ten zeerste. Vóórdat hij de beoogde eenheid in het +groote wereldrijk had kunnen tot stand brengen, nam een hevige koorts, +die hij zich door inspanningen en zwelgerijen op den hals gehaald had, +hem weg, 10 jaar na 't feit bij Issus, nauwelijks 33 jaar oud. Nu was +het onder de grootwaardigheidsbekleeders een algemeen streven van +den een om in Alexanders plaats te treden, van den ander om zich +onafhankelijk te maken. Het meest traden de satrapen in 't westen op den +voorgrond, als die van Macedonië, Lysimachus van Thracië, Ptolemaeus van +Egypte, Seleucus van Syrië, vooral Antigonus van Phrygië, die over de +anderen wilde heerschen. Daarom verbonden dezen zich tegen hem en in 301 +werd hij bij Ipsus[3] in zijn eigen land geslagen. Hij stierf en zijne +landen werden verdeeld tusschen Thracië en Syrië. Twintig jaar later +werd Lysimachus eveneens verslagen door Seleucus, die de Aziatische +landen van zijn overwonneling annexeerde, terwijl Thracië zelf bij +Macedonië kwam. Zoo waren er dus nu van Alexanders wereldrijk in elk der +drie werelddeelen hoofdzakelijk even zooveel groote staten overgebleven, +want de Grieksche landen stonden in betrekking tot Macedonië, al vormden +de deelen van Hellas het Aetolisch, die van den Peloponnesus het +Achaeïsch verbond. + + [3] Vooral niet te verwarren met Issus blz. 61. + +Van het Syrische rijk, dat zich uitstrekte van de Aegaeische zee tot aan +den Indus, scheidden zich achtereenvolgens verschillende deelen af, als +Pergamus, Parthië en Bactrië. Het laatste werd anderhalve eeuw vóór onze +jaartelling met het voorlaatste vereenigd, en machtig werd het rijk der +Parthen, tusschen Tiger en Indus. Daar het eerst in 't midden der 7de +eeuw onzer jaartelling bezweek voor de Arabische macht, weêrstond het +zelfs de machtige heerschappij der Romeinen, in welke overigens alle +bovengenoemde staten opgingen, als: het Aetolisch verbond 189, het +Achaeisch 146, twee jaar na Macedonië, Pergamus 133, Syrië 64, Egypte +31 v. C. + + + + +15. De oude Romeinen. + + +1. De stad +Rome+ ontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland +Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel +als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting +der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met +welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning +wordt eveneens door de legende +Romulus+ genoemd, van wien vele sagen +in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van den dood +gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben +en dergelijke. Van zijne opvolgers wordt +Numa Pompilius+ geroemd, +die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De +koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken, ++patriciërs+. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf +koningen, waarvan de beide laatsten waren +Servius Tullius+ en ++Tarquinius Superbus+ d. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde +verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe +volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en +willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen +zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het +koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der +centuriën werd de zetel van 't hoogste gezag; daar werd over oorlog en +vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de +patriciërs de +consuls+ benoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren, +ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door +eene raadgevende vergadering, de +senaat+, van 300 patricische leden, +die ook aandeel aan 't uitvoerend bewind had. Was b. v. door de +vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat +het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en +lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere +volksklasse, de +plebejers+, geen aandeel aan 't bewind. Eerst +langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs +verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te +hebben -- 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit +hunne klasse moest zijn -- 367, en het meest omvattende, dat de +besluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere +bekrachtiging te behoeven, 287. + +De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van 't begin af +met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die +hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne +taal heet de +Latijnsche+, naar het landschap Latium, waar de Latijnen +woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht +over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen. +De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het +beroepswezen was veracht. De +Romeinen+ stonden derhalve bij de ++Grieken+ zeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de +dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen +werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren. + + +2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs +of +Etruscen+ op den voorgrond. Zij onderscheidden zich door +kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken +vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken. +De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den +rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met +deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en +rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou +geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten +triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst +verloor, ging hij vrijwillig in ballingschap, waaruit hij echter +spoedig teruggeroepen werd. + +De +Galliërs+, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in +opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen +en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een +gezantschap aan den Gallischen aanvoerder +Brennus+, en lieten hem +vragen, met welk recht hij in 't gebied van vrije mannen viel. Toen +antwoordde de trotsche man: "Het recht rust op de spits van onze +zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld." Over zoodanig antwoord +verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter +geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene +ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels +op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude +senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen +en de geheele stad verwoest. + +Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het +insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de +Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo +verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere +der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de +vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had, +begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij +van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad +weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als +hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten +de Galliërs echter valsche gewichten, en toen de Romeinen zich daarover +beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep +honend: "Wee den overwonnelingen!" In dit oogenblik verscheen echter +Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor +ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden. + +Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong +Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig +een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare +Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des +vaderlands. + + + + +16. Pyrrhus en Fabricius. + + +1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, de ++Samnieten+, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog +tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun +70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de +vernedering lijden van onder 't vijandelijk juk door te gaan. Maar +weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel +onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne +blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich +spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente +had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer +gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog +begonnen, riepen de Tarentijnen +Pyrrhus+, koning van +Epirus+, bij +Macedonië, te hulp. Deze vorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld +en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij +hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man, +waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met +soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel +om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid +waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat +Pyrrhus vol bewondering uitriep: "Met zulke soldaten zou ik de geheele +wereld veroveren". + + +2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden, +eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe +groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht +hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend +wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken +aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: "Ik behoef geen geld. Mijn +geluk bestaat in de achting mijner medeburgers." Den volgenden morgen +wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen. +Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde, +dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog +het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit +over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot +Pyrrhus: "Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig +verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede +onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt." + +In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen, waarbij de +Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor, +dat hij zou hebben uitgeroepen: "Nog één zoodanige zegepraal, en ik +ben verloren." Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en +betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van +Pyrrhus' lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning +te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te +bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het +verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de +koning: "Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het +pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen." Hij liet daarop den +trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene +Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede +aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even +zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in. + +Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers +streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de +Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de +olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te +brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus +ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel +Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de +Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken, +die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende +modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en +zeden kennen. + + + + +17. De Punische oorlogen. -- 264-146. + + +1. De rijkdom en macht van Karthago (blz. 25 en 26) maakte de ijverzucht +der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de +Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden +hunne oorlogen met de Karthagers als de +Punische+ aangeduid. Nog nooit +hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar 't model van +een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van +enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, 't grootste +gedeelte van 't Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste +overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consul +Regulus+ den vijand +in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert +blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers +nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in +Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240 +eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied +op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt. +Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk +en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene +andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken +in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het +land veroverde. Zijn zoon +Hannibal+ had hij reeds als knaap meêgenomen +naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker +is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze. Toen de +zoon, eenigen tijd na 's vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij +opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz. 32) aan, en +gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het +verloren. + + +2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen +hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en +stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde +den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de +Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den +Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet +gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest +was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij +konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in +Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter +elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat +Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar +hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij +Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal, +laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van +Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten. + +Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat +was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten +door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste +krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zij Macedonië door +de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in +Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan +3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de +verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines +vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en +dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest +zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de +bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat, +onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende +figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch +soldaat binnen, die den grooten man niet kende. "O, veeg mijne cirkels +niet uit!" riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem. + + +3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en +konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren +zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit door +Scipio+ +met zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche +schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals +jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn +broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan +bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger +vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder +aanschouwde, riep hij weenend uit: "Wee, nu zie ik het lot van Karthago +naderen!" + +En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had +Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul +van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te +voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen, +en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen +de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man +niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding +der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten +af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij +verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij +Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De +groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat +hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de +beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren +van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio +in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal +reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried +Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke +wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede +den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio +echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke +onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd +begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en +stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen +buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven +geen oorlog te voeren zonder toestemming der Romeinen, en eene groote +som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even +zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som +in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want +door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw +werd Karthago als 't ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij +in 't westen reeds nu gevestigd was. 200. + + +4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij +bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad +en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen +(blz. 65 en 66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand +verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de +Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan +zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter +ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar +Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke +vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam +hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in +den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste +veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo +straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag +bij Cannae (blz. 74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder +Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als +wingewest ingelijfd. + + +5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog +aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn +diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den +senaat hield, met de woorden: "Overigens ben ik van meening, dat +Karthago moet verwoest worden." Daar de wensch van Cato ook het +verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog +licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers +moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300 +voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen, +wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan, +gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten +en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende +eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich +liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen. +Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. -- Een klein +deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. -- Maar +het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd +hadden, verscheen de kleinzoon[4] van Scipio, die ruim een halve eeuw +geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong +met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het +vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de +brand, en toen er geen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking +zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En +ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor +werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid, +waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam +Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de +Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland, +waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus +vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot +Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig +naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche +beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden +der Romeinen. + + [4] Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een + zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens + Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam + overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1. + + + + +18. De Gracchen. + + +1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en +plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel +gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen +waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde +landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk +behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen +waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere +volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte +de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste +familiën behoorden. Het waren de beide broeders +Tiberius+ en +Cajus +Gracchus+. Hunne moeder +Cornelia+, eene dochter van Scipio, den +overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij +liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde +zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in +een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond +werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide +zonen en zeide: "Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!" + +De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op +ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in 't openbaar op. Hij werd +tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz. 67) +gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de +groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan +twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens +welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en +al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare +volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook +wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten +en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder, +Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in +Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang. + + +2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk +zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had. +De nood des volks, dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij +sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde. +Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet +bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en +voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen +aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de +arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl +Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad, +zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot +tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle +van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk +betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks +mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat +zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een +strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner +vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem +vielen nog meer dan 3000 burgers -- 121. -- Zoo waren de Gracchen, +de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij +bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk +zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het +richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij +gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd, +waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond: +Cornelia, +moeder der Gracchen+. + + + + +19. Marius en Sulla. + + +1. +Marius+, een dagloonerszoon, was zonder eenig onderwijs opgegroeid, +sterk gebouwd, forsch van aanzien en ruw van zeden. Door wilde koenheid +en dapperheid had hij zich in den oorlog onderscheiden en eindelijk den +veldheersrang verworven. Tot volkstribuun gekozen, wist hij zich de +gunst der lagere klassen te winnen. Ook wierf hij voor het eerst een +leger uit de armste burgers, waardoor de grond gelegd werd tot de +heerschappij der soldaten. Nadat hij den Afrikaanschen koning Jugurtha +overwonnen had, voerde hij een hevigen strijd tegen de Cimbren en +Teutonen. De eerste, een der vorsten van Numidië, had zijne medekoningen +laten vermoorden, bij 't veroveren van hun gebied de stad Cirta genomen +en de geheele mannelijke bevolking er van omgebracht, waaronder een +aantal Romeinen waren. Toen de regeering in Rome zich dit aantrok, wist +Jugurtha gezantschappen, tribunen en veldheeren om te koopen, behalve +Metellus, die hem versloeg. Maar de volkspartij, sedert der Gracchen +dood de onderliggende, had het hoofd opgestoken, en benoemde uit haar +midden Marius tot consul en opperbevelhebber tegen Jugurtha. Ook deze +overwon (107) en Jugurtha werd gevangen genomen en stierf te Rome. + +Reeds even vóórdat de strijd met Jugurtha was begonnen, waren +bovengenoemde Germaansche of Duitsche volksstammen uit het noorden in +de Romeinsche provinciën gevallen. Zij waren van reusachtige grootte, +in dierenvellen gehuld en vreeselijk om aan te zien. Hunne breede +zwaarden en zware strijdkolven werkten inderdaad ontzettend; zelfs +den ouden soldaten van Marius kwamen de Duitsche barbaren zoo +schrikkelijk voor, dat hij ze eerst weken lang aan hun aanblik +gewennen moest. Herhaaldelijk hadden zij de Romeinsche legers onder +andere hoofden reeds geslagen, waarom de volksklasse de herbenoeming +van Marius tot consul had doorgedreven, wat zij nog vier jaren +achtereen herhaalde. Het was een geluk voor de Romeinen, dat de +Teutonen zich van de Cimbren scheidden en alleen marcheerden. Zij +werden geheel verslagen, in 't zuid-oosten van het tegenwoordige +Frankrijk 102. + +Intusschen waren de Cimbren over de Tiroler Alpen in noord-Italië +gevallen. Zij hadden zich op hunne groote schilden van de ijs- en +sneeuwhellingen laten afglijden en toen groote rotsbrokken en +boomstammen in de Etsch geworpen, om daarover den tegenovergestelden +oever te bereiken. Toen ijlde Marius met zijne van roem dronken troepen +daarheen. In de nabijheid van Verona kwam het tot een ontzettenden slag, +waarin de Cimbren overwonnen werden 101. + +Marius werd als redder van den staat, als "den derden stichter der +stad", "den tweeden Camillus", begroet. + + +2. Niet lang daarna brak een inwendige oorlog uit, daar de Italiaansche +bondgenooten van Rome zich gelijke rechten als de Romeinen wilden +verwerven. In dezen strijd trad Sulla op den voorgrond, een man van +zeldzame gaven en uit voornamen stand. Terwijl Marius de ziel der +volkspartij was, was Sulla het hoofd van den adel. Toen om dezen tijd +de koning +Mithradates+ van Pontus, aan de Zwarte zee, zich tegen de +Romeinen verhief en een geweldig leger op de been bracht, koos de +Romeinsche senaat Sulla tot opperbevelhebber. Maar het volk nam met die +opdracht geen genoegen, het verlangde Marius als aanvoerder tegen den +vijand. Zoo begon de eerste burgeroorlog; maar Sulla joeg Marius op de +vlucht naar de puinhoopen van Karthago en ging nu den eersten strijd +tegen Mithradates voeren. Terwijl hij (Sulla) dezen herhaaldelijk sloeg, +werd Marius door zijn wapenbroeder Cinna teruggeroepen en ten zevenden +male consul (86). De aanhangers van den senaat werden met ontzettende +wreedheid vervolgd en gedood; Marius zelf stierf binnen weinige weken. +Sulla liet in Rome zijne tegenpartij razen, en zette in 't oosten zijne +taak voort. Toen hij echter deze glorierijk voltooid had, kwam hij naar +Italië terug, vast besloten de volkspartij uit te roeien. Hij overwon +zijne tegenstanders en woedde nu nog oneindig wreeder dan dezen gedaan +hadden. Het aantal der gedooden wordt op 50000 geschat. Nadat hij geheel +de macht van den senaat hersteld had, trad hij van het staats-, en +weldra ook van het levenstooneel af. Evenals Marius, stierf hij aan de +gevolgen van onmatigheid, vooral in het drinken. Eene geduchte ziekte +vernietigde zijn leven op smartvolle wijze. Hij had zich gaarne den +gelukkigen genoemd, en stierf toch als de ongelukkigste der menschen. + + + + +20. Julius Caesar. -- 100-44. + + +1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den +verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in +geest en kracht alle anderen overtrof. Het was +Julius Caesar+, de +groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was +vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem +eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en +liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had +een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige +verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne +jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield +zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich +weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van +den oorlog verdragen kon. + +Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch, +de grooten niet tegen zich in 't harnas te jagen, vóór hij geheel de +stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades, +maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner +medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het +waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de +eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder +twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en +keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te +bewegen. + + +2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie +Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten +trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijken ++Crassus+ voor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar +Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoord vermogen verwierf. +Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en +de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk +naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld was +Pompejus+, die tot op +dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd +gold. + +Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste +overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte, +had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op +de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestane +slaven+ +en +zwaardvechters+ ten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken +was. Daarna bedwong hij de +zeeroovers+, die in Cilicië en Creta +woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere +krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden +oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus, +de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar +Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij +den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome +(64). -- Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus' +beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter +Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er +een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk +zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië, +d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar +bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië. + +In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer. Binnen 10 jaren +heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle +Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug, +en de Germanen, onder +Ariovistus+ den Gallen te hulp gekomen, +tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn +teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den +beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs +gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland. +Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven, +gelijk ook den volgenden burgeroorlog. + + +3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den +dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met +den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang +voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het +bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed +hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van 't vaderland verklaard +worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te +verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië. +Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen, +zeide hij: "De teerling zij geworpen", en marcheerde naar Rome. Pompejus +had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij +vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar +Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop +sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar +Griekenland, waar hij zijn tegenstander bij +Pharsalus+ in Thessalië +overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naar Egypte, maar werd +hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning +vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart +wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen +tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan 's konings zuster ++Cleopatra+ ten deel. + +4. Na Pompejus' dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan, +daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten +en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten. +Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de +heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote +feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei +wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld +stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maand +Julius+ genoemd; +ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, den ++Juliaanschen+. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden +zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de +koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde +anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der +heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om +Caesar te dooden. Aan het hoofd stonden +Brutus+ en +Cassius+. De 15de +Maart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd, +die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij +door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken +getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood +ter aarde. + +Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consul ++Antonius+ bewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige +begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die +de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de +verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat +allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken +doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven +stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat +alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en +de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen +der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe +burgeroorlog was nabij. + + + + +21. Octavianus Augustus. + + +1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5], +Octavianus+, tot zijn +hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar +liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij +in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg +Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen trad +Cicero+ +op, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius, +als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had +hij den senaat de grootste diensten bewezen door 't verijdelen der +samenzwering van +Catilina+, die de heerschappij der optimaten wilde +breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit +geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhanger ++Lepidus+ hem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop +gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van 't +Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar +Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en +Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen +en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede +driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen +al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius +en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord, +op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten, +als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze +ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen, +was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam +"Vader des Vaderlands" gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem +dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde. + + [5] Genealogische tabellen no. 2. + +Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en +Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers +gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der +senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De +aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de +overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een +valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk +ook Brutus en gaf zich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de +laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van +welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende +Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus +en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste +de oostelijke landen. + + +2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius +spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het +schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en +hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en +verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van +Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze +bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij +bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid +ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard +werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken +vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in +den zeeslag bij kaap +Actium+ (west. van Hellas) de koningin Cleopatra +vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo +zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep. +Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door +Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was, +en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven +vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te +winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nog vreesde in triomf +naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door -- zoo +verhaalt men -- eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte +werd nu eene Romeinsche provincie. + +Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het +monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste +titels beschonken. Men gaf hem den bijnaam +Augustus+, d. i. de +verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus +liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich, +door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij +koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in 't +Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad +de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een +keizerrijk veranderd. + + +3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner +macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het +Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen +uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn, +den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische +woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde, +o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en +Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze +groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de +helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren +behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar pracht en rijkdom waren +grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen, +prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en +dergelijke. + +De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder +de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de +wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en +raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome +samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige +burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen +aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der +slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook +eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan +echte menschelijkheid. + + +4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche +stadhouders regeerden, +Jezus, de stichter van 't christendom+, geboren. +Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder +de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen. +Met den opkomenden bloei van 't christendom valt het optreden der ++Duitschers+ of +Germanen+ samen, die van nu af met de Romeinen om de +wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoon +Drusus+ met +een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering +den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was, +volgde zijn broeder +Tiberius+ hem op, die meer door list dan door macht +slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouder +Varus+, die +zonder schroom de Duitsche instellingen veranderde en geheel naar +willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had, +verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van +hen, +Armin+ of +Herman+, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus +in het +Teutoburgerwoud+ -- 9 na Chr. -- en werd zoo de bevrijder van +Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te +weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: "Varus, Varus, geef mij mijne +legioenen terug!" en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome +verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee +gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden, +was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de +grootste rust t'huis bleven. + + +5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter +Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel +kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus' derde +gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de +bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus +stierf in 't jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot +de omstaande vrienden gezegd hebben: "Applaudisseert, want ik heb mijne +rol goed gespeeld." Deze woorden geven juist het karakter van den koelen +man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar +steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden +opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer +bij den aanvang zijner regeering toe: "Regeer gelukkig als Augustus!" + + + + +22. Verscheidene keizers van 't Romeinsche rijk. + + +1. Tiberius, die Augustus opvolgde, was een somber, hardvochtig en wreed +mensch. Hij zond +Germanicus+, Drusus' zoon, tot een krijg der wrake +naar Duitschland, maar kon hier even weinig bereiken als Augustus. +Wantrouwend over het aanzien van den dapperen Germanicus, riep hij dezen +uit Duitschland terug en verplaatste hem naar Syrië, waar hij hem +waarschijnlijk liet vergiftigen. De argwaan en de wreedheid van den +tyran werden door zijne gemalin nog vermeerderd, zoodat hij ontzettend +woedde, tot hij eindelijk door den overste zijner lijfwacht vermoord +werd. Onder zijne regeering zijn de Friezen opgestaan, die eerst bijna +20 jaar later onder die van +Claudius+ weêr onderdrukt zijn. + +Onder de slechte vorsten in de eerste eeuw is +Nero+ wel de +vreeselijkste. Hij liet zijn stiefbroeder, zijne vrouw, ja zijne eigene +moeder vermoorden. Zijn vroegere leermeester, de beroemde +Seneca+, +werd gedwongen zich zelven te dooden. Met de schrikkelijkste wreedheid +verbond Nero eene ijdelheid, die aan waanzin grensde. Hij hield +zichzelven voor den eersten kunstenaar der wereld, en trok als +harpspeler en wagenmenner geheel Italië en Griekenland door om zich te +laten huldigen. Een groote brand in Rome zou hem aanleiding hebben +gegeven om van de tinne van zijn paleis af den brand van Troje te +bezingen. Toen zich daarop de haat van het volk ontwikkelde, schoof hij +de schuld van den brand op de christenen, die in Rome slechts weinig in +aanzien stonden, en begon de eerste christenvervolging. Vele aanhangers +van Jezus werden gekruisigd, andere door dieren verscheurd, nog anderen +verbrand. Toen eindelijk de eene stadhouder na den anderen oproerig +werd, vluchtte de laffe tyran op een landgoed, waar hij zich, om zijne +terechtstelling te ontgaan, door een vrijgelaten slaaf liet vermoorden. +Zijne laatste woorden zouden geweest zijn: "Ach, welk een kunstenaar +verliest de wereld in mij!" + + +2. Na Nero volgden in zeer korten tijd drie keizers, waarvan er geen een +natuurlijken dood stierf. De soldaten, die nu gewoonlijk den keizer +aanwezen, kregen eerst in +Vespasianus+ een geduchten heerscher, onder +wien weêr rust en orde heerschte. Van zijne oorlogen is ons met name die +met de Joden opmerkenswaardig. Dit volk was reeds dikwijls tegen de +Romeinen opgestaan, en was telkens eerst na veel bloedvergieten weêr +onderworpen. In Nero's tijd was andermaal een oproer ontstaan, en +Vespasianus, die toen nog generaal was, trok tegen Jeruzalem op, om de +stad te belegeren. Toen hij intusschen tot keizer werd uitgeroepen, +droeg hij de onderwerping der Joden aan zijn zoon +Titus+ op. Deze +betoonde zich een menschenvriend, en beproefde lang de Joden door +goedheid te winnen. Maar toen dat niets hielp, zette hij de belegering +van Jeruzalem met grooten ijver voort en tastte het eene deel der stad +na het andere aan. Daar zich hier wegens het paaschfeest eene groote +menigte menschen bevond, brak er een ontzettende hongersnood uit, +en daarop volgden verwoestende ziekten. Niettegenstaande dezen +verschrikkelijken nood waagde niemand in de stad van overgave te +spreken. Toen Titus het benedendeel van Jeruzalem stormenderhand genomen +had, deed hij nogmaals eene goedwillige poging, die weêr afgewezen werd. +Daarop veroverde hij den burg en den tempel, waar de Joden zich het +hardnekkigst hadden gehandhaafd. Ofschoon Titus den tempel sparen wilde, +werd dit prachtig gebouw toch in de woede van den strijd eene prooi der +vlammen. Er bleef geen steen op den anderen. De groote stad Jerusalem +zonk in asch. De inwoners werden gedood of tot gevangenen gemaakt. Men +schat het aantal der omgekomen en weggesleepte Joden op meer dan een +millioen. Het Israelietische volk verstrooide zich over den geheelen +aardbodem. Zijne heilige stad bleef onder vreemde heerschers. 70. + + +3. Titus regeerde maar twee jaren als keizer, en toonde zich gedurende +dien tijd zoo edel en wijs, dat men zijne vroegere gewelddadigheden en +buitensporigheden geheel vergat. Het Romeinsche volk noemde hem "de +vreugd en wellust van het menschelijk geslacht." -- Gedurende de +regeering van Titus, in 't jaar 79, had eene groote aardbeving plaats +met een hevige uitbraak van den vuurspuwenden berg Vesuvius (bij +Napels). Daardoor werden de steden Pompeji, Herculanum en Stabiae +bedolven, zoodat men haar spoor niet meer zag. Eerst voor 100 jaren +ontdekte men Herculanum en Pompeji weêr en begon men langzamerhand de +oude steden weêr op te graven. Toen vond men alles nog zoo als het +eenmaal begraven was, slechts was het door de heete asch verdroogd of +tot stof geworden. In de goed gebleven woningen vond men het huisraad, +de boeken, de spijzen op de tafel. Geraamten van menschen stonden en +zaten in de houding, waarin de dood hen overvallen had. + +Na de aardbeving ontstond een hongersnood, die van ziekten vergezeld +was. Een groot gedeelte van Rome werd door een brand verwoest. Bij +deze ongelukken toonde Titus zich van de welwillendste zijde. Den dag, +waarop hij niets goeds gedaan had, hield hij voor verloren. Hij wilde +ook, dat niemand treurig van zijn troon wegging. Hoe jammer toch, dat +zulk eene goede regeering slechts twee jaar duurde! +Domitianus+, de +broeder van Titus, heerschte als een monster in alle ondeugden omtrent +15 jaar. Maar op hem volgden gelukkig verscheidene goede keizers. + + +4. +Trajanus+, een Spanjaard van geboorte, verwierf zich de liefde der +Romeinen in zoo groote mate, dat men hem den "besten" noemde, en dat men +nog 250 jaar na zijn' dood den nieuwgekozen keizer toeriep: "Heersch +gelukkig als Augustus, mild als Trajanus!" Overigens mag niet +onopgemerkt blijven, dat ook Trajanus de Christenen vervolgde. Zijn +opvolger +Hadrianus+ beminde den vrede, en bevorderde kunsten en +wetenschappen, maar toonde bij groote ijdelheid ook wreeden zin. Hij +bouwde de stad Hadrianopel (in het tegenwoordige Turkijë) en liet ook +Jerusalem weêr verrijzen. Toen hij echter hier aan den Romeinschen god +Jupiter liet offeren, werden de Joden oproerig, en er ontstond een +driejarige strijd, waarin ongeveer 500,000 man gedood werden. Daarbij +werd Jerusalem nogmaals de vernieling ten prooi, werd toen opnieuw +opgebouwd en voor elk Israëliet gesloten. + ++Antoninus+, genaamd Pius d. i. de vrome, toonde zich gedurende zijne +lange regeering (138-161) een der beste keizers. Hij vermeed den oorlog, +terwijl hij den schoonen grondregel volgde: "Ik wil liever één burger +het leven behouden, dan duizend vijanden dooden." Hij verbreidde overal +geluk en zegen, en was zoo geacht, dat de verwijderdste volken hem als +hun scheidsrechter kozen. Eeuwen lang bleef zijn aandenken bij het volk +in gedachtenis. Verscheidene latere keizers voegden zich zijn naam toe, +om zich bemind te maken. Zijn pleegzoon +Marcus Aurelius+, ook Antoninus +genaamd, regeerde in denzelfden geest (161-180). Hij kreeg den bijnaam +"philosoof" d. i. wijsgeer[6], daar hij door eigene beschouwingen het +rechte inzicht over het leven in zijne menigvuldige betrekkingen zocht +te verkrijgen en te verbreiden. Ook onder dezen edelen keizer ontstond +echter helaas eene christenvervolging. Daarenboven werd de regeering van +Marcus Aurelius door den grooten krijg tegen de +Markomannen+, een +Duitschen volkenbond in het tegenwoordige Bohemen, zeer verontrust. +Veertien jaar lang streden de Romeinen tegen de geduchte vijanden, en +aan het einde daarvan zag men den vrede nog niet verzekerd. Marcus +Aurelius stierf te Vindobona, het tegenwoordige Weenen. + + [6] Na de zeven wijzen van Griekenland (blz. 36), die allen + gelijktijdig leefden, 600 v. C., was dit woord ontstaan, + beteekenende vriend van, zoeker of strever naar wijsheid. + Pythagoras te Croton had het woord _philosophos_ in plaats van + _sophos_ (wijze) gesteld. + +Op de glorierijke regeering der beide edele Antonijnen, volgde een tijd +van verval. +Commodus+, de dwaze zoon van den wijzen Marcus Aurelius, +regeerde zoo slecht, dat hij vermoord werd. De meeste Romeinsche keizers +van 't jaar 180 af waren boosaardige lieden, die oneindig veel jammer +over de menschheid brachten. Van hen heerschten er tot het jaar 300 niet +minder dan 36, van welken er 27 vermoord werden en drie in den krijg +vielen. Het leger stelde naar welgevallen keizers aan en af en doodde +de weinige beteren, die de poging waagden, de vervallen discipline te +herstellen. Bij deze soldatenheerschappij ging het rijk met snelle +schreden zijn ondergang te gemoet, te meer daar behalve bovengenoemden +zich nog verschillende andere bonden onder de Germaansche stammen +gevormd hadden ter verdediging tegen en ter bestoking van het Romeinsche +rijk. Zoo moest keizer +Aurelianus+ het door Trajanus veroverde Dacië +(275) aan de West-Gothen afstaan, een der weinige onder de Germaansche +stammen, die toen reeds het christendom aangenomen hadden. Hunne +voorouders hadden reeds eeuwen vóór onze jaartelling benoorden de Zwarte +zee gewoond en hadden daar een belangrijken stoot van de Grieksche (blz. +32) beschaving ondervonden. Zoo waren zij andere verwante stammen in +ontwikkeling ver vooruit, blijkbaar o. a. uit hunne taal, die ons bekend +is uit eene bijbeloverzetting van hun bisschop Ulfilas. + + + + +23. Constantijn, de eerste Christenkeizer. + + +1. Door keizer Diocletianus (300), die een energiek man was, had het +Romeinsche rijk eene nieuwe inrichting van 't bestuur gekregen. Daar hij +inzag, dat één enkel vorst het zoo uitgebreide landgebied niet goed +beheerschen kon, benoemde hij mederegenten, van welken er een in Trier +woonde en Constantius heette. Deze man was wijs en toonde zich den +christenen genegen. Zijn zoon +Constantijn+ was zulks nog meer. Even na +den dood van Diocletianus in 't Oosten, volgde Constantijn zijn vader +op in Trier, en binnen eenige jaren had deze al zijne mederegenten +overwonnen en zich dus tot alleenheerscher in het geheele groote rijk +opgewerkt (323). Hij begunstigde het christendom op in 't oog loopende +wijze. Inderdaad dacht hij in 't begin slechts daaraan, dat de +christenen hem in den strijd tegen de medekeizers krachtig konden +ondersteunen. Ook bleef hij nog heiden en was zelf heidensch +opperpriester. Daarentegen spreidde zijne moeder Helena een grooten +ijver voor de nieuwe leer ten toon. Zij liet in Palestina de plaatsen, +die den christenen heilig waren, weêr opzoeken en met prachtige tempels +tooien. Het christendom was van een vervolgden godsdienst tot een +heerschenden geworden. Hoewel altijd nog heiden, beheerschte Constantijn +toch de kerkelijke aangelegenheden der christenen, en schreef ook +de eerste algemeene kerkvergadering voor, die in 325 te Nicaea in +Klein-Azië plaats vond en aan vele twisten een einde maakte. Eene +belangrijke daad van Constantijn was de stichting eener nieuwe +hoofdstad. Hij verplaatste zijne residentie naar Byzantium (blz. 32), +dat hij Nieuw-Rome noemde, maar later den naam Constantinopolis of ++Constantinopel+, d. i. Constantijnsstad, kreeg. De uitstekende ligging +dezer nieuwe hoofdstad lokte eene groote bevolking. Toen ook de +kunstschatten van Azië, Griekenland en Italië aan Konstantinopel +toevloeiden, zonk het oude Rome altijd meer in vergelijking met het +nieuwe. + +Constantijn had zijn' doop uitgesteld tot tegen zijn naderend +levenseinde, daar hij meende, dat deze alle vooraf begane zonden +afwiesch. Toen hij, 65 jaren oud, in eene zware ziekte verviel, liet +hij zich eindelijk doopen, en stierf toen weinige dagen daarna (337). + + +2. De wreedheid, die Constantijn tegen zijne naaste verwanten geoefend +had, had zich op zijn zoon +Constantius+ overgedragen. Deze liet zijne +medeërvende broeders en neven met andere bloedverwanten uit den weg +ruimen en wierp zich op als alleenheerscher. Dat hij, de eerste keizer, +die christelijk opgevoed was, eene vervolging der heidenen verordende, +mag niet onvermeld blijven. Toen hij zich in zijne slechte regeering +niet meer alleen handhaven kon, riep hij zijn neef +Julianus+, die in +Athene was, tot zich en droeg hem weldra de heerschappij in Gallië over. + +Julianus, een beschaafd en dapper man, werkte in Gallië gelijk eenmaal +Caesar, herstelde overal rust en orde en verwierf zich de liefde van +leger en volk. Daarop ijverzuchtig, verlangde Constantius, dat Julianus +hem de beste troepen zou uitleveren. Toen begreep deze, wat hem te +wachten stond, en ras besloten, rukte hij met zijne soldaten, die hem in +Parijs tot keizer kozen, tegen Constantius op, die echter reeds vóór den +strijd stierf. Nu was Julianus alleen keizer en toonde zich gedurende +zijne korte regeering, die slechts 20 maanden duurde, zeer werkzaam, +spaarzaam en rein van zeden. Daar hij van christelijke leeraars veel +geleden en in 't algemeen geen goed begrip van den nieuwen godsdienst +gekregen had, keerde hij zich tot het heidendom, tengevolge waarvan hij +"de afvallige" genoemd werd. Toch moet opgemerkt worden, dat Julianus +geen vervolging der christenen duldde, en dat hij steeds met goedheid en +verschooning te werk ging. In een oorlog tegen de Perzen viel hij, door +een pijl getroffen, 32 jaar oud. -- 363. + + + + +24. De volksverhuizing. -- 375. + + +1. Onder de opvolgers van keizer Julianus ontstond de groote +volksverhuizing, die haar uitgangspunt in 't binnenste van Azië had en +zich door Europa, ja zelfs tot Afrika uitstrekte. Reeds sedert langen +tijd waren de volken aan de grenzen van het Chineesche rijk in beweging +geraakt. De Chineezen zelf hadden zich van de oudheid af zeer afgesloten +gehouden, weshalve zij ook tegen hunne noordelijke naburen een +monsterachtigen muur oprichtten. Daardoor bleven zij, ofschoon zij in +nijverheid en kunsten zeer bekwaam zijn, altijd op een eenzijdig en +beperkt standpunt, tot zij eindelijk het verkeer met vreemde volken niet +meer uitsluiten konden en zoo voor den algemeenen voortgang der +beschaving gewonnen werden. + +In het noorden van China leefden de +Hunnen+, een barbaarsch +herdersvolk, dat overal vrees teweegbracht. De lieden waren klein en +dik, met breede schouders en groot hoofd. Zij kleedden zich in +dierenvellen en leefden geheel in de vrije natuur. Huizen meden zij als +graven. Dag en nacht zaten zij op hunne leelijke paarden, die echter +het loopen zeer lang volhielden. Zij leefden van de wortels van wilde +kruiden, of van rauw vleesch, dat zij door rijden zacht maakten. Oorlog +was hun grootste lust. + +Toen zij in 375 hunne steppenlanden verlieten en in Europa verschenen, +stieten zij op Germaansche volken, eerst op de +Alanen+, die tusschen de +Wolga en den Don woonden. Daar dezen zich tegen de wilde horden niet +verdedigen konden, sloten zij zich bij hen aan en trokken meê tegen de ++Gothen+, die de landen tusschen de Zwarte zee en de oevers van den +Weichsel tot aan de Oostzee bezaten, en zich in Oost- en West-Gothen +onderscheidden. De Oostgothen, eerst opgejaagd, wierpen zich op de +Westgothen, en dezen wendden zich tot +Valens+, den bestuurder der +oostelijke provinciën van 't Romeinsche rijk, die hun woonplaatsen +binnen den Donau toestond. Toen zij echter tijdens een hongersnood door +de keizerlijke beambten slecht behandeld werden, verhieven zij zich tot +een vreeselijken kamp, waarin ook Valens viel, bij Hadrianopel 378. +Reeds stonden de zegevierende Westgothen onder de muren van +Constantinopel en dreigden met schrikkelijke verwoesting. Toen kwam de +nieuw gekozen keizer +Theodosius+ ijlings aanzetten en bemiddelde den +vrede. De Gothen kregen Thracië, in 't oosten van Turkije, en verbonden +zich daarvoor, den keizer 40.000 man hulptroepen te leveren. Van nu af +dienden altijd Gothen, grootendeels onder eigene bevelhebbers, in het +Romeinsche leger, en kregen zelfs de aanzienlijkste plaatsen. + +Kort vóór zijn dood, in het jaar 395, deelde Theodosius het Romeinsche +rijk tusschen zijne beide zonen +Honorius+ en +Arcadius+, zoodat de +eerste de westelijke provinciën met de hoofdstad Rome, de ander +de oostelijke met Constantinopel kreeg. Van nu aan was er een ++West-Romeinsch+ of +Latijnsch+ en een +Oost-Romeinsch+ of +Grieksch+ of ++Byzantijnsch+ keizerrijk. Daar de beide keizers nog zeer jong waren, +heerschten in hunne plaats ministers, die elkander echter wederkeerig +haatten en bestreden. Daardoor werd de wanorde in het rijk nog grooter. +Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hof te Constantinopel den +krijgshaftigen koning der Westgothen, +Alarik+, tot een inval in Italië +aanspoorde. Dat was het begin van het einde der Romeinsche heerlijkheid. + + +2. Alarik trok -- omstreeks 400 -- aan het hoofd zijner Gothen +verwoestend door Griekenland en van daar naar Italië. In dezen +algemeenen nood vermanden zich de Romeinen onder leiding van +Stilico+ +tot een ernstigen tegenstand. Alarik trok zich naar Illyrië terug. Zijn +inval in 't Romeinsche rijk had echter in geheel Europa het grootste +opzien gebaard en andere volken tot dergelijke tochten aangemoedigd. +De dappere Stilico beschermde nog het rijk. Maar toen hij door zijn +wantrouwenden keizer, met wiens dochter hij gehuwd was, ter dood +gebracht werd, verscheen Alarik weêr en sloeg zijne legerplaats op in +'t gezicht van Rome. De groote stad, die sedert Hannibals tijden geen +vijand voor hare poorten gezien had, sidderde voor de Duitsche +legerscharen en vroeg om vredesonderhandelingen. Alarik eischte eerst al +het goud en zilver der stad; maar later liet hij zich met 5000 pond goud +en 30000 pond zilver tevreden stellen. + +Keizer Honorius, die gevlucht was, wilde het verdrag, dat de Romeinen +met Alarik gesloten hadden, niet laten gelden. Toen keerde deze naar +Rome terug en stelde een anderen keizer aan. Maar later onderhandelde +Alarik weêr met Honorius, en eischte bijzonder, dat zijn volk vaste +woonplaatsen zouden worden ingeruimd. Toen dit vergeefsch was, trok +Alarik ten derden male tegen Rome op. Hij nam de stad stormenderhand en +liet haar zijn volk ter plundering over. Het was in het jaar 410, +ongeveer 800 jaar na de eerste verwoesting van Rome door de Galliërs, +en de trotsche stad, waar sedert 1000 jaar ongehoorde schatten +samengebracht waren, viel nu als buit in de macht van een "barbaarsch" +volk. Maar gedurende hunne driedaagsche plundering gingen de Gothen zeer +verschoonend te werk, zoodat zij zich zeer gunstig onderscheidden van de +Romeinen, die eenmaal in Karthago zoo vreeselijk huisgehouden hadden. + +Alarik bleef maar weinige dagen in Rome. Zijn plan was, eerst Sicilië te +veroveren en dan naar Afrika te gaan. Toen overviel hem plotseling de +dood te Cosenza in beneden-Italië. De treurende Gothen hielden een zeer +plechtige begrafenis. Zij leidden de rivier Busento af, begroeven in +haar bedding Alarik met groote eerbewijzen, en lieten toen het water +zijn vorigen loop weêr, opdat niemand de plaats zou vinden, waar de +groote held der Gothen zijne rust gevonden had. + + +3. Tot opvolger van Alarik werd zijn zwager, +Athaulf+ of +Adolf+, +gekozen. Deze verzoende zich met keizer Honorius, huwde diens zuster en +verliet met de Gothen het verwoeste Italië, om naar Frankrijk en Spanje +te trekken. In beide landen aan deze en gene zijde der Pyrenaeën +ontstond een west-Gothisch rijk, dat tot groote macht geraakte. + +De oorlogen in Italië hadden de Romeinen gedwongen, hunne troepen uit de +provinciën terug te roepen. Daardoor ging het eene land na het andere +verloren en wel meestal aan Duitsche volkeren. De +Vandalen+ trokken van +het Reuzengebergte door Duitschland en Gallië naar Spanje, en eindelijk +onder hun koning Geiserik naar Afrika, waar zij een groot rijk met +de hoofdstad Karthago stichtten, 429. De Bourgondiërs hadden zich +intusschen aan den boven-Rijn neêrgezet en bezaten een tijd lang de stad +Worms. Het noordwestelijk Gallië werd door de +Franken+ ingenomen en +naar hen +Frankrijk+ genoemd. Reeds ten tijde van Julianus den afvallige +hadden zij zich aan den beneden-Rijn gevestigd, nu breidden zij zich van +daar uit tot aan de Loire en vestigden een aantal kleine rijken. Doornik +was een hunner hoofdzetels, later ook Soissons. Ook +Brittannië+ werd +door Duitsche volken, de +Angelen+, +Saksen+, en +Jutten+, in bezit +genomen. Het veroverde land kreeg den naam +Angelland+ of +Engeland+. + +Terwijl zoo het eene deel na het andere van het Romeinsche rijk +afgescheurd werd, kwamen de Hunnen, die middelerwijl tusschen Wolga en +Donau gehuisd hadden, met de oude en nieuwe bewoners der Romeinsche +provinciën in altijd nadere beroering en brachten een groot gevaar voor +allen. + + +4. De Hunnen waren omstreeks het jaar 450 door hun stouten aanvoerder ++Attila+ of Etzel tot een groot geheel vereenigd en daardoor tot een +machtig krijgsvolk verheven. Attila was klein van gestalte, maar +ijzervast in lichaams- en wilskracht. Als hij de kleine fonkelende oogen +rolde, overviel ook den dappersten een siddering. Zijn hoofdlegerplaats +was in Hongarijë, waar hij in een houten tent de vreemde gezanten +ontving. + +Hij werd niet anders genoemd dan +Godegisel+, d. i. geesel Gods tot +tuchtiging der wereld. Voor dezen geesel beefden de volkeren allerwege. +Eerst keerde Attila zijn zwaard tegen de oostelijke provinciën en +plunderde ze op schrikkelijke wijze. De keizer te Constantinopel +sidderde en verbond zich, hem eene jaarlijksche schatting van 2000 pond +goud te betalen. Nu keerde Attila zijn zwaard tegen het westen. In den +winter van het jaar 450 brak de Hunnenheld aan het hoofd van een half +millioen strijders uit zijne legerplaats in Hongarije op en trok, alles +verwoestend, naar den Rijn. Hier traden hem de Bourgondiërs te gemoet; +zij bezweken echter voor de talrijke horden. Even weinig vermochten de +Franken en andere Duitsche volken een grooten tegenstand te bieden. +De schoonste steden, die reeds door de Romeinen gesticht waren, als +Spiers, Worms, Mainz, Straatsburg, werden met den grond gelijk gemaakt. +Het sterke Metz viel na een korten tegenstand in handen der ruwe +overwinnaars. Trier werd voor de vijfde maal verwoest. Reeds stonden +de Hunnen voor Orleans. Toen kwam er hulp. + +De Romeinsche veldheer +Aëtius+ had zich met +Theodorik+, koning der +Westgothen, verbonden en verscheidene Duitsche volkeren te hulp +geroepen. Dit vereenigde leger trad Attila stout te gemoet. Op de ++Catalaunische velden+ aan de Marne, bij het tegenwoordige +Chalons+, +begon de volkenslag, waarin Attila voor het eerst geslagen werd. Omtrent +200000 menschen waren gevallen. De vorst der Hunnen trok naar Hongarijë +terug. + +Reeds in het volgende jaar had Attila evenwel een nieuw leger bijeen. +Daardoor stout gemaakt, eischte hij herhaaldelijk de hand van Honoria, +de zuster van keizer Valentinianus III. Toen deze hem geweigerd werd, +viel hij in Italië. Hij veroverde en verwoestte de belangrijke +handelsstad Aquileja aan de Adriatische golf. Hare bewoners vluchtten, +gelijk de Tyriërs, op de vele kleine eilanden der zee en stichtten daar +het later zoo beroemde +Venetië+. Intusschen verwoestte Attila de steden +Verona, Milaan en vele andere, en trok naar Rome. De beangste hoofdstad +vroeg een wapenstilstand, terwijl zij een gezantschap met den bisschop ++Leo+ aan het hoofd naar Attila zond. Deze liet zich door de betaling +eener geldsom tot den aftocht bewegen, en keerde met zijne horden naar +Hongarijë terug. Het was zijn laatste legertocht, want hij stierf reeds +in 't jaar 453. + +De dood van Attila bevrijdde de wereld van een vreeselijken geesel. De +zonen van den stouten hoofdman konden de macht der Hunnen niet staande +houden. De onderworpene volken maakten zich onafhankelijk en tastten +ook hunne oude onderdrukkers aan, die zich eindelijk aan de Wolga +terugtrokken en onder andere volken verloren. In hunne plaats zetten +zich in Hongarijë de Oostgothen en Langobarden neêr, die echter spoedig +naar Italië opbraken en hier nieuwe rijken stichtten. Daarmeê had de +volksverhuizing haar einde bereikt. + + + + +25. Ondergang van het West-Romeinsche rijk. -- 476. + + +1. Het West-Romeinsche rijk bestond bijna slechts nog uit Italië, en +ook dit land ijlde met snelle schreden zijn ondergang te gemoet. De +wantrouwende keizer Valentinianus vermoordde den overwinnaar der Hunnen +Aëtius, den laatsten steun van 't keizerrijk. Daarop werd Valentinianus +op aansporing van den bevelhebber Maximus vermoord, die nu zelf den +troon besteeg en de keizerin-weduwe Eudoxia dwong, zijne gemalin te +worden. Deze wreekte zich, zoo het heet, daardoor, dat zij heimelijk +den Vandalenkoning +Geiserik+ uit Afrika riep. In allerijl verscheen +de Karthager met zijne vloot en trok met het gelande leger naar Rome. +De vluchtende Maximus werd door het volk gesteenigd en in den Tiber +geworpen. Niemand waagde tegen de Vandalen te strijden. Toen deed de +bisschop +Leo+ eene bedevaart tot Geiserik en verzocht, de ongelukkige +stad voor vuur en zwaard te sparen. De Vandaal beloofde het en hield +woord zoo goed hij kon. + +Het was op den 25sten Juni 455, dat Geiserik zijn intocht in Rome +hield. Hij duldde brand noch moord; maar veertien dagen lang duurde +de plundering. Alle kunstschatten en kostbaarheden, die sedert de +vernieling door Alarik nog voorhanden waren, werden een buit der ruwe +Vandalen. Zij sleepten bovendien nog verscheidene duizenden ongelukkige +Romeinen, o. a. de keizerin en hare beide dochters, als gevangenen weg. +Karthago had na zes eeuwen zijne wrekers naar de Tiberstad gezonden. +Maar zelfs de Vandalen gingen hier minder wreed te werk, dan eens de +Romeinen in Karthago. + + +2. Na deze geduchte nederlaag van Rome heerschten hier in de korte +tijdruimte van 20 jaren nog 9 keizers, die door de bevelhebbers der +Duitsche troepen aangesteld en afgezet werden. De schepter ging van hand +tot hand, tot eindelijk +Odoaker+, een Duitsch legeraanvoerder, aan het +oude rijk een einde maakte. Hij voerde de +Herulers+ en +Rugiërs+ aan, +die eertijds in Pommeren woonden, en eischte voor de veeljarige diensten +zijner troepen een gedeelte van den grondeigendom. Toen dat geweigerd +werd, verdreef hij den laatsten Romeinschen keizer +Romulus+ (Augustulus +of de kleine Augustus bijgenaamd, omdat hij pas 15 jaar oud was) en +noemde zich zelven +koning van Italië+. Den jongen Romulus werd het +leven geschonken en een slot met een jaarlijksch inkomen bewilligd. +Daarentegen moest de vader van den laatsten keizer, de eergierige +veldheer Orestes, het leven laten. + +Zoo werd in het jaar 476 na Chr. het Romeinsche rijk vernietigd, dat +volgens zijne eigene tijdrekening meer dan 12 eeuwen bestaan had. Het +Oost-Romeinsche of Grieksche rijk bestond na den ondergang van het +West-Romeinsche nog ongeveer 1000 jaren, tot 1453. In dat jaar werd het, +na vele voorafgegane verwarringen inwendig en aanvallen van buiten, door +de Turken onderworpen. + +Met den val van Rome in het jaar 476 sluit de +oude geschiedenis+. In +de plaats der ontaarde Romeinen traden nu de ruwe, maar onbedorvene +volksstammen der Germanen of Duitschers, en stichtten op de puinhoopen +van 't Romeinsche rijk nieuwe zelfstandige staten met eigene wetten, +gebruiken en talen. + + + + +INHOUD. + + + Hoofdst. Bladz. + 1. Inleiding 3. + 2. De Egyptenaren 6. + 3. Kores en de Perzen 13. + 4. De Phoeniciërs 21. + 5. De Grieken 26. + 6. De tocht naar Troje -- 1200 v. C. 28. + 7. Lycurgus en de Spartanen -- 888 32. + 8. Solon en de Atheners 34. + 9. De Perzische oorlogen 37. + 10. Pericles -- 444 45. + 11. Alcibiades 50. + 12. Socrates -- 400 52. + 13. Epaminondas en Pelopidas 57. + 14. Alexander van Macedonië 59. + 15. De oude Romeinen 66. + 16. Pyrrhus en Fabricius 70. + 17. De Punische oorlogen -- 264-146 73. + 18. De Gracchen 79. + 19. Marius en Sulla 82. + 20. Julius Caesar -- 44 84. + 21. Octavianus Augustus 89. + 22. Verscheidene Keizers van 't Romeinsche rijk 95. + 23. Constantijn de Groote -- 323 n. C. 100. + 24. De volksverhuizing -- 375 102. + 25. Ondergang van 't West-Romeinsche rijk 109. + + + + +INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL. + +=Middeleeuwen.= + + +De oude Duitschers of Germanen. Herman -- 9. Theoderik -- 500. De +Nevelingen. Mohammed -- 622. Bonifacius -- 755. Karel van Franken of de +Groote -- 800. Alfred van Engeland -- 900. De eerste Duitsche koningen. +Otto I, 936-973. Hendrik IV en Gregorius VII -- 1077. De eerste +kruistocht -- 1099. Frederik I Barbarossa -- 1190. Frederik II -- 1250. +De ridderstand. De burgerstand. Rudolf van Habsburg -- 1273. Het +Zwitsersch bondgenootschap -- 1300. Verscheidene keizers van het +Duitsche rijk. Huss -- 1415. De maagd van Orleans -- 1429. Ondergang +v. h. Oost-Romeinsche rijk -- 1453. Gutenberg -- 1456. Columbus -- 1492. +Einde der middeleeuwen. + + +[Hand Symbool] Deze Algemeene Geschiedenis zal in 4 deeltjes compleet +zijn, +Oudheid+, +Middeleeuwen+, +Nieuwe Tijd+, De jongste Eeuw. + +=Prijs f 2,20 voor het geheel.= + + + + +Opmerkingen van de bewerker + + +Voor de txt-versie van dit boek is cursief aangegeven met _cursief_, vet +met _vet_ en gespatieerd met +gespatieerd+. Klein kapitaal is veranderd +in hoofdletters. De voetnoten zijn verplaatst naar tussen de alinea's. + +Op de kaft aan de voorzijde was een woord onleesbaar, hier is +"keer"zijde ingevuld (de inhoud van het 2e deeltje (+Middeleeuwen+) op +de keerzijde). + +Leestekens zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Verder zijn de volgende +correcties aangebracht, op bladzij + + 17 "antwoorde" in "antwoordde" (Solon antwoordde) + 19 "3." toegevoegd. (3. Kores' veroveringstochten) + 30 "verwonderderden" in "verwonderden" (en verwonderden zich niet + weinig) + 31 "overgebleven" in "overgeblevenen" (dwaalden de overgeblevenen in + verwarring) + 43 "vehaalt" in "verhaalt" (zoo verhaalt men, gelukte) + 47 "meersterwerk" in "meesterwerk" (een uitgelezen meesterwerk der oude + bouwkunst) + 60 "menscheid" in "menschheid" (is voor de menschheid een groote zegen) + 71 "det" in "dat" (en zorgde, dat Fabricius vlak) + 75 "3." toegevoegd (3. Na den val der stad) + 78 "5." toegevoegd (5. Even vóórdat dit) + 88 "met" toegevoegd (den machtigen heerser met een gouden zetel) + 97 "onstond" in "ontstond" (Na de aardbeving ontstond een hongersnood) + 99 "onstond" in "ontstond" (dezen edelen keizer ontstond echter) + 108 "stichten" in "stichtten" (en stichtten daar het latere) + achterkant: "Gesehiedenis" in "Geschiedenis" (Deze Algemeene + Geschiedenis zal). + +Overigens is de originele tekst onveranderd overgenomen, met inbegrip van +inconsequente spelling. + + + + + +End of Project Gutenberg's Algemeene Geschiedenis in Verhalen, by H. Solger + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40351 *** |
