summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/40351-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-03-08 23:22:16 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-03-08 23:22:16 -0800
commitf6d9f31c36ac9197b10e5e3e497e18053fca16ca (patch)
tree85fd1f4564c8ad61aecb8896f580c5097c22b66c /40351-0.txt
parent4b66138de8eeb664e7f7d8cb7276dcfd2cd9888d (diff)
Add files from ibiblio as of 2025-03-08 23:22:16HEADmain
Diffstat (limited to '40351-0.txt')
-rw-r--r--40351-0.txt3143
1 files changed, 3143 insertions, 0 deletions
diff --git a/40351-0.txt b/40351-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..94ad78a
--- /dev/null
+++ b/40351-0.txt
@@ -0,0 +1,3143 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40351 ***
+
+ ALGEMEENE
+ Geschiedenis
+ IN VERHALEN.
+
+ Een Leesboek
+ BESTEMD TOT ZELFONDERRICHT EN TOT LEIDDRAAD
+ BIJ HET ONDERWIJS.
+
+ Vrij naar het Hoogduitsch van
+ H. SOLGER.
+
+ OUDHEID.
+
+ APELDOORN,
+ N. A. HINGST.
+ 1880.
+
+ N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den
+ inhoud van het 2e deeltje (+Middeleeuwen+) op de keerzijde.
+
+
+
+
+ ALGEMEENE
+ GESCHIEDENIS
+ IN VERHALEN.
+
+ EEN LEESBOEK
+ BESTEMD TOT
+ ZELFONDERRICHT en TEN GEBRUIKE aan INRICHTINGEN van ONDERWIJS.
+
+ Vrij naar het Hoogduitsch van H. SOLGER.
+
+ OUDHEID.
+
+ APELDOORN,
+ N. A. HINGST.
+
+
+
+
+STOOMDRUK VAN J. VAN BOEKHOVEN TE UTRECHT.
+
+
+
+
+I. DE OUDHEID.
+
+1. Inleiding.
+
+
+1. Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling, hier van het ontstaan der
+wereld en der menschen te spreken. Wat daarover door geleerde mannen
+geschreven is, laat zich niet zoo licht begrijpelijk maken. Zooveel
+schijnt echter duidelijk, dat eerstens de aarde reeds sedert duizenden
+jaren bestaat, dat zij verder merkwaardige veranderingen ondergaan
+heeft, en dat ook de menschen reeds zeer lang daarop aanwezig zijn en
+zich eerst langzamerhand ontwikkeld hebben.
+
+Door de opgravingen, die steeds ijverig worden voortgezet, heeft men
+omtrent de ontwikkeling der aarde zeer belangrijke ervaringen opgedaan.
+Daarbij heeft men bevonden, dat er in overoude tijden reeds menschen
+waren, en dat dezen hunne woonplaatsen dikwijls op palen in 't water
+bouwden, weshalve men van +bewoners van paaldorpen+ spreekt. Dezen
+hadden aanvankelijk slechts +steenen+ gereedschappen, en er verliepen
+vrij lange tijdperken, eer men door middel van het vuur de metalen,
+vooral het +ijzer+, verwerkte. De oudste werktuigen zijn in elk geval de
++wapenen+, waaronder hamer en speer den oudsten rang bekleedden. Met
+pijl en boog werd de grond gelegd tot de jacht; de bijl en het mes
+dienden ook tot vreedzame doeleinden.
+
+
+2. Ofschoon de mensch aan lichamelijke kracht bij de dieren achterstaat,
+overtreft hij hen toch door zijn verstand zoo, dat hij ze aan zich
+dienstbaar kan maken. Terwijl hij nuttige dieren aan zich gewende en die
+aankweekte, legde hij den grond tot de +veeteelt+; en door de vruchten
+der planten te verzamelen en de zaden uit te strooien, leerde hij
+langzamerhand den +akkerbouw+, die eene bron van den rijksten zegen
+werd. Want terwijl de herder om den wil der weilanden dikwijls verhuizen
+moet en weinig vormenden of ontwikkelenden arbeid heeft, is de landman
+die den oogst afwacht, aan een bepaalde woonplaats gebonden en moet bij
+zijn doen op het veld en te huis bestendig nadenken en zoodoende ook
+tot betere inrichtingen geraken. De rondtrekkende herder wil weinig
+genooten, om aan zijne kudde veel plaats te verzekeren; de gezeten
+landman ziet gaarne, dat naast zijne woning nog andere bestaan. De
+akkerbouw bevorderde dus het vreedzame samenleven der menschen, en
+dit bracht de maatschappelijke ordeningen, +gemeenten+ en +stammen+,
++volken+ en +staten+ te voorschijn. Daarmeê ontstonden tevens rechters
+en aanvoerders, hoofdmannen en vorsten, die gewoonlijk allen gekozen
+werden. Bij verscheidene volken traden echter ook de sterksten op den
+voorgrond en verlangden de onderwerping der anderen. Dat waren de
++tyrannen+, die men in de geschiedenis zoo veelvuldig vindt, en die tot
+zooveel +oorlogen+ aanleiding gaven.
+
+
+3. Door het onderling verkeer der menschen moest zich ook noodzakelijk
+de +taal+ ontwikkelen. Er is geen menschelijke stam, die zonder taal is,
+al zou deze dan ook nog zoo beperkt zijn. Gelijk echter de menschen naar
+kleur, gestalte en levenswijze zeer verscheiden zijn, zoo hebben zij ook
+zeer verschillende talen.
+
+Zoodra de menschen in verkeer traden, moest ook de +handel+ ontstaan,
+die waarschijnlijk eerst slechts eene ruiling van voorwerpen was. Deze
+soort van handel is ook nu nog bij wilde volken te vinden. Daar echter
+het ruilen niet altijd mogelijk is, zoo moest men zekere dingen als
+maatstaf van waarde nemen, aanvankelijk wel schelpen, vruchten en
+dergelijke, later ook metalen stukken, waardoor ten laatste het +geld+
+ontstond.
+
+De handel kreeg eerst zijne rechte uitbreiding en verbetering, toen men
+schepen ging bouwen en zich op de zee wagen. De +scheepvaart+ is over 't
+algemeen voor de ontwikkeling der wereld van de hoogste beteekenis. Dit
+blijkt reeds daaruit, dat de volken, die aan de zee wonen, zich sneller
+ontwikkelen en eerder machtig worden dan de andere, die daarvan
+verwijderd zijn en geen zeehandel hebben.
+
+Er ligt ten zuiden van ons werelddeel, midden tusschen Europa, Azië en
+Afrika, eene groote zee, de Middellandsche genoemd. Aan de oevers van
+deze woonden de oudste en beschaafdste volkeren, die wij kennen. Wij
+beginnen met de Egyptenaren, wier berichten tot in de hoogste oudheid
+opklimmen.
+
+
+
+
+2. De Egyptenaren.
+
+
+1. Egypte ligt in Afrika, grenst aan de Middellandsche en Roode zee, en
+wordt in zijne geheele lengte door den Nijl doorsneden. Deze machtige
+stroom is de grootste weldoener van 't land. Hij bevrucht den bodem door
+zijne overstroomingen en maakt hem tot de eerste voorraadschuur der
+wereld. Naar den loop van den Nijl werd het oude Egypte in drie deelen
+verdeeld: in +Opper-Egypte+ met de stad +Thebe+, in +Midden-Egypte+ met
++Memphis+ en in +Beneden-Egypte+, waar later +Alexandria+ ontstond.
+Bijna eene mijl van den oever der zee af lag het eiland +Pharos+, dat
+door een' dijk met het vaste land verbonden werd. Op dit eiland verhief
+zich de beroemde lichttoren, +Pharos+ genoemd, naar welken later alle
+andere dien naam gekregen hebben. Hij diende in donkere nachten als
+wegwijzer voor de naderende schepen met hooge zee, en werd onder de
+wonderen der oude wereld gerekend.
+
+
+2. Geen volk heeft aan de nakomelingschap zulke reusachtige
+gedenkteekenen zijner bouwkunst nagelaten, als de Egyptenaren. Het eerst
+van alles moeten de +pyramiden+ vermeld worden, die in Midden-Egypte,
+aan de westzijde van den Nijl, staan. Het zijn groote, vierhoekige
+gebouwen, die naar boven altijd smaller worden en inwendig uit veel
+gangen en kamers bestaan. Gewoonlijk uit kalksteen gebouwd, bereiken zij
+eene hoogte van 5 tot 140 meters, en zijn niets dan gedenkteekenen van
+Egyptische koningen.
+
+De Egyptenaren besteedden in 't algemeen veel vlijt aan de graven en
+lijken. Om het bederf der dooden te verhinderen, overtrokken zij ze met
+een verhardende, doorzichtige stof, de aardhars +mum+, waarnaar men de
+gebalsemde lijken +mumiën+ noemt. Deze zijn gedeeltelijk tot aan den
+huidigen dag in stand gebleven, zien er zwart uit en zijn zoo hard als
+steen. De rustplaatsen der ontslapenen werden in de westelijk gelegen
+rotsbodems uitgehouwen, waar zij door den buiten zijne oevers tredenden
+Nijl niet konden verontrust worden. Onder de graven zijn de +katakomben+
+bij Thebe beroemd, die uit eene menigte gangen, vertrekken, zalen en
+trappen bestaan en met beelden en schriftteekens versierd zijn.
+
+In Opper-Egypte zijn ook de +obelisken+ opmerkelijk, vierhoekige zuilen
+uit een' enkelen steen, van graniet gewerkt, 15-30 meters hoog en tot
+2 meters breed, fijn gepolijst en met beelden voorzien. Zij werden
+voor tempels, paleizen en tuinen geplaatst en dienden tot sieraad of
+tot gedenkteekenen van merkwaardige gebeurtenissen, later ook als
+zonnewijzers. De monsterachtige massa's der obelisken werden ten tijde
+der overstrooming van den Nijl op vlotten bijeengebracht en dikwijls
+door bijzondere kanalen vervoerd. In Midden-Egypte bevinden zich de
+overblijfselen van een reusachtig gebouw, dat uit twaalf paleizen
+bestond en 3000 kamers bevatte. Ook dit bouwwerk, +labyrinth+ genoemd,
+was met kunstige beelden getooid.
+
+
+3. De schriftteekens, die zich op de gedenkteekenen der Egyptische
+bouwkunst bevinden, zijn van een geheel eigenaardige soort. Zij bestaan
+namelijk uit beelden, die met groote netheid geteekend zijn en, òf het
+voorwerp zelf voorstellen, òf, als dit niet mogelijk is, als b.v. bij
+eigenschappen, bekende zinnebeelden geven, als de bij voor vlijt en
+dergelijke, of ook zekere klanken aanduiden. Deze teekeningen werden
++hieroglyphen+, d. i. heilig schrift, genoemd en lang als geheimenissen
+met verwondering beschouwd. Sedert men echter bevond, dat zich onder de
+schriftbeelden ook dezulke bevinden, die vaak wederkeeren, vermoedde
+men, dat de Egyptenaren dikwijls als wij, bepaalde klanken door bepaalde
+teekens uitdrukten. Op het eind der vorige eeuw nu deed men eene
+belangrijke ontdekking. Met Bonaparte, toen generaal der Fransche
+republiek, vóórdat hij keizer werd, waren een aantal geleerden naar
+Egypte gegaan. In den Nijlmond bij Rosette vond men een steen met
+opschriften uit de oudheid. Hij vermeldde het besluit tot huldiging van
+een vorst omtrent 2 eeuwen vóór onze jaartelling, in hieroglyphen, het
+toen nog raadselachtige heilige schrift der oude Egyptenaren, en in het
+Grieksch, in de laatste eeuwen vóór Christus de algemeene taal in de
+oostelijke landen der Middellandsche zee. Er was bij vermeld, dat de
+inhoud der verschillende opschriften gelijkluidend was. Maar hiermeê was
+de sleutel tot de hieroglyphen nog niet gevonden; dit is eerst veel
+later (± 1821) gelukt aan Champollion, een Fransch geleerde. Na den
+dood van het overoude Egyptisch toch had er in het Nijldal eeuwen lang
+eene taal geleefd, die nu ook reeds dood, maar toch nog bekend was,
+het +Koptisch+. Men kwam op de gedachte der mogelijkheid, dat er
+verwantschap kon bestaan tusschen deze taal en de vroegere. Als proef
+vertaalde men het Grieksche opschrift van den steen in het Koptisch, en
+vond toen eene merkwaardige en verrassende overeenkomst tusschen de
+letterfiguren van de stammen dier woorden en de hieroglyphen op den
+steen. Op deze bevinding kon men voortbouwen ter ontcijfering van het
+schrift, ook van verscheidene andere inscripties, waaraan men eene veel
+nauwkeuriger kennis van het oude Egypte te danken heeft. Men nam waar,
+dat de Egyptenaren in den loop des tijds een +klankenschrift+ gevormd
+hadden, daar zij eerst dezelfde woorden, vervolgens dezelfde
+lettergrepen en klanken door bepaalde beelden voorstelden en deze steeds
+meer vereenvoudigden.
+
+Als men zeer duidelijk zien wil, hoe nuttig +de uitvinding der
+klankteekens of letters+ is, behoeft men slechts aan de +Chineezen+ te
+denken. Dit volk, dat naast de Egyptenaren en +Indiërs+ tot de oudste
+volken der wereld behoort, heeft nog heden geen volledig stel van
+letters, maar voor elk woord eene afzonderlijke figuur. Daar heeft men
+nu veel duizenden schriftteekens te leeren, wat veel tijd en groote
+inspanning vereischt, terwijl wij slechts twee dozijn letters hebben
+te leeren, waarmeê wij alle woorden lezen en schrijven kunnen. Het
+letterschrift behoort tot de meest grootsche uitvindingen van den
+mensch. Het geeft gemakkelijkheid om het ervarene en gedachte vast
+te houden en uit te breiden; het behoedt de gebeurtenissen voor
+vergetelheid en bevordert de beschaving in hooge mate.
+
+Terwijl men in oude tijden meestal op steenen of metalen schreef, waren
+de Egyptenaren zoo gelukkig eene plant te hebben, waarvan zij een
+schrijfmateriaal vervaardigen konden. Zij hadden de +papyrusstruik+, die
+aan ons papier den naam gaf. Deze heeft eene vezelachtige huid, die men
+in enkele lange deelen uitleggen kan. Had men de vezels naast elkander
+gelegd en met warm Nijlwater begoten, dan bracht men eene tweede laag
+vezelen dwars over de eerste, perste beide samen, liet ze drogen en
+streek ze glad. Zoo was een papier gereed, dat voor den ouden tijd van
+de grootste beteekenis was.
+
+
+4. De Egyptenaren waren in standen verdeeld, die men gewoonlijk +kasten+
+noemt. Er waren er vier à zeven. De geëerdste kaste was die der
++priesters+. Zij waren opvoeders en raden der koningen, die men hier
++pharao's+, d. i. verhevenen, noemde; zij richtten het volk naar eigene
+wetten; zij namen den loop der sterren waar en regelden den kalender;
+zij waren de eenige geleerden in het land. Naast de priesters waren
+de krijgslieden de +aanzienlijkste+ kaste. Dezen vormden geen heir
+van soldaten, maar waren vrije burgers met grondeigendom en woonden
+in afgezonderde rechtsgebieden. De overige kasten bestonden uit
++landbouwers+, +handwerkslieden+, +schippers+ en +herders+, en hadden
+minder rechten dan de priesters en krijgslieden. Deze waren veeleer de
+alleen heerschende klassen, die ook in 't bezit van alle landerijen
+waren.
+
+De godsdienst der Egyptenaren bestond in de vereering van
+natuurlichamen. De +zon+ werd als de hoogste kracht beschouwd en als
+god +Osiris+ vereerd; +Isis+ was de godin der aarde. Eene bijzondere
+vereering genoten ook de dieren. Er was bijna geen dier, dat zij niet
+aanbaden, als het zich door nut of schade aan te brengen onderscheidde.
+De nuttige dieren vereerden zij uit dankbaarheid, de schadelijke
+daarentegen uit vrees. Zoo was de +ibis+, behoorende tot de orde der
+moerasvogels of steltloopers, den Egyptenaren heilig, omdat hij de
+slangen in het slib van den Nijl opat. De +krokodil+ echter werd uit
+vrees vereerd. Dit groote roofdier, bijna twintig voet lang en met eene
+zeer harde, schubbige huid gepantserd, behoort tot het geslacht der
+hagedissen en is voor de menschen zeer gevaarlijk. Eene bijzondere
+vereering viel den +katten+ ten deel. Hare beenderen werden gebalsemd en
+plechtig begraven. Wie een kat ombracht, was des doods. Eens had een
+Romeinsch soldaat in Egypte een kat gedood. Dadelijk ontstond een oploop
+van 't volk, en noch de smeekingen der priesters, noch de vrees voor de
+Romeinen konden het tot rust brengen. De ongelukkige moest zijne daad
+met het leven boeten.
+
+Toch was het niet zeldzaam, dat men in de eene stad zekere dieren
+vereerde, welke in eene andere zonder aarzelen geslacht werden. Slechts
+de os, +Apis+ genoemd, schijnt algemeen het meest vereerd te zijn
+geworden. Hij was voor de Egyptenaren een zinnebeeld van den akkerbouw,
+die in het hoogste aanzien stond. De geschiedenis van het gouden kalf,
+dat de Joden eenmaal in de woestijn vereerden, herinnert duidelijk aan
+den Egyptischen afgodendienst met den stier.
+
+
+5. Ofschoon Egypte zeer rijk is aan oude gedenkteekenen, kent men toch
+de oude geschiedenis van dit land zeer weinig. De Egyptenaren leidden
+een zeer afgezonderd leven en hielden hun land voor vreemdelingen
+tamelijk gesloten. Onder de vroegste koningen worden +Menes+ en +Chufu+
+of +Cheops+ vermeld, de eerste als stichter van Memphis en den
+Egyptischen staat, de tweede met zijne opvolgers als grondleggers der
+fraaiste en grootste pyramiden bij genoemde stad. Een latere koning, met
+name +Amenemha+ III, zou het meer +Moeris+ aangelegd hebben, dat in
+Midden-Egypte ligt en met het Jozefskanaal in verband staat. Het zou
+gediend hebben om bij de overstroomingen van den Nijl het overtollige
+water op te nemen en in drooge tijden dit door kanalen te rechter
+plaatse te brengen.
+
+Nadat volgens de opgaven reeds verscheidene dynastieën gedurende een
+aantal eeuwen over het land geregeerd hadden, kwam uit het noordoosten
+een herdersvolk, Hyksos genaamd, veroverde het grootste gedeelte van
+Egypte (noord en midden) en werd eerst na vijf eeuwen weer verdrongen.
+Daarop verhief zich het land tot eene groote macht. De vorsten breidden
+hunne heerschappij uit over omliggende landen, zoowel in Azië als in
+Afrika. Van de toenmalige koningen wordt vooral Ramses II of Sesostris
+genoemd; hij deed krijgstochten naar verre landen en bracht grooten buit
+huiswaarts. Na hem schijnt Egypte's macht gedaald, en het land tot zijne
+natuurlijke grenzen beperkt te zijn. Toen, ongeveer zes eeuwen later, de
++Ethiopiërs+ van uit het zuiden binnengedrongen waren, en het boven- en
+middendeel van 't land vermeesterd hadden, verhieven zich de Egyptenaren
+op nieuw tot omverwerping der vreemde heerschappij. Deze werd verdreven
+en het land daarop door 12 personen geregeerd (dodekarchie), onder
+welken Psammetichus op den voorgrond trad. Zoo ontstond er nijd en
+twist. Toen echter Psammetichus door gelande Grieken ondersteund werd,
+verdreef hij alle medebestuurders en werd alleenbeheerscher van Egypte,
+± 650 vóór Christus. Sedert kreeg het land een nieuw leven. Er ontstond
+een levendig verkeer met de omliggende volken, vooral met de Grieken.
+Ten gevolge daarvan werd zelfs eene nieuwe kaste gevormd, die der
++tolken+. De zoon van Psammetichus, Necho, heerschte eveneens machtig en
+wijs. Om den handel te bevorderen, deed hij eene poging, tusschen de
+Middellandsche en de Roode zee een kanaal aan te leggen. Ook wekte hij
+zeevaarders op, het werelddeel Afrika om te zeilen. Toen hij echter op
+veroveringen uitging, geraakte hij in ongeluk en geheel Egypte met hem.
+Hij werd door +Nebukadnezar+, den krijgshaftigen koning van Babylon,
+overwonnen bij Circesium, 605 v. Chr., en reeds ¾ eeuw later verloor
+Egypte zijne onafhankelijkheid. De voorlaatste koning +Amasis+ kwam in
+oorlog met Cambyses van Perzië (zie blz. 19), en was nauwelijks
+opgevolgd door zijn zoon, of deze werd in 525 v. Chr. bij Pelusium
+geslagen, waarop het geheele Egyptische land eene Perzische provincie
+werd. Herhaaldelijk deed het pogingen om zich te bevrijden, eenmaal met
+tijdelijk goed gevolg, en verwisselde in 332 v. Chr. de Perzische
+opperheerschappij met die van Alexander den Grooten van Macedonië
+(Hoofdstuk 14). Had zoo het land der pyramiden veel te lijden, het
+behield een onvermengd volk en handhaafde de aloude instellingen.
+
+
+
+
+3. Kores en de Perzen.
+
+
+1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden,
+en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen van
++Assyrië+. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr.
+verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht.
+De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag
+aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd door
+muren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een
+stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den
+staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst
+dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende
+kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een' zijner
+generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid
+en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde
+veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht,
+even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de
+historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe
+mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting
+vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te
+onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange
+heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde
+volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende
+dynastieën worden ons genoemd, o. a. +Salmanassar+, die ± 725 v. Chr.
+Israël, het rijk der 10 stammen (blz. 21), en Phoenicië onderwierp. Toen
+echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte
+ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger
+verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene
+landen vrij. Zoo zien wij in het Arische +Medië+ 712 à 710 v. Chr. een
+koning Dejoces aan 't bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke
+hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v.
+Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ook +Babylonië+
+vrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder
+Nabopolassar zich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote
+Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn
+beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars
+zoon en mederegent toch, +Nebukadnezar+ van Babylonië, en de derde
+koning van Medië, +Cyaxares+, verbonden zich tegen Niniveh, namen en
+verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren
+overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat
+de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de
+andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst
+hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne
+opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal.
+
+
+2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de Pers
++Cyrus+ of +Kores+ geboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer
+wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning
+geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen
+doen ombrengen. Maar de knaap was door een' herder opgevoed en toen
+toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat
+hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de
+Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet
+in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden
+zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op
+hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch
+dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de
+Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hij eenige jaren
+aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen,
+Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den
+Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische
+landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de
+noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag het +Lydische+ rijk,
+voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten
+de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke
+helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als
+in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koning +Croesus+, die
+met schrik Kores' macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde
+het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en
+werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten
+verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop
+gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: "O
+Solon, Solon, Solon!" en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij
+liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te
+weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar
+verhaalde daarop het volgende:
+
+"Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met name +Solon+. Ik
+liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou
+noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: "Solon, gij hebt zoo
+ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien
+houdt gij wel voor den gelukkigsten?" Daarop noemde Solon mij een'
+burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen
+beleefde en voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet
+oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee
+Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter
+zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en
+sprak: "O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij
+mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?" En Solon
+antwoordde: "Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En
+dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen
+kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u
+echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij
+uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men
+op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen."
+
+Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr
+vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den
+grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o
+Kores, waarom ik dezen naam riep."
+
+Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem
+als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus
+geheerscht had, kwamen bij Kores' rijk, ± 549. Nu was er van het bekende
+land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische
+heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift
+aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijk _Upharsin_, aan de
+Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot.
+Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9
+mijlen in omtrek. De haar omringende muur was als een toren zoo hoog en
+zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden.
+Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier
+waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel
+poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat
+leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis
+getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen,
+die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men
+noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de
+wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis
+(blz. 14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten
+vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der
+bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter
+van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de
+berggezichten uit haar geboorteland. -- In een deel der stad, dat eene
+geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den
+tempel aan zijn voet aan den zonnegod +Baal+ of +Bel+ gewijd was. Hij
+heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit
+8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap
+voorzien waren.
+
+Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon
+Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens
+in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van
+den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de
+Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de
+inwoners, die slechts aan hunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd
+Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf
+den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê
+hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde.
+
+
+3. Kores' veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoon
++Cambyses+. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper
+van Egypte, 525 (blz. 13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij
+ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een' jonger' broeder,
+hadde hij dien niet reeds vroeger in 't geheim laten vermoorden. Nu nam
+een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen
+handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat
+Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden
+geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, en
++Darius+, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam
+in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn
+terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20ste
+satrapie[1] van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in
+het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit
+het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook
+Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt
+zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien.
+
+ [1] Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen.
+
+
+4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel
+overeenkomst met de oude Duitschers. Zij zorgden voor eene krachtige
+opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste
+ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het
+leger lag in de ruiterij. Met het 20ste jaar werd elk man, in staat de
+wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef
+dan tot zijn 50ste jaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden
+geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters, +magi+ genoemd, hun
+invloed te doen gelden.
+
+De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden
+hun' godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden,
+in de vrije natuur, en aanbaden vooral het +vuur+. Toen zich later veel
+afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op, +Zoroaster+, en werd
+de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boeken
++Zendavesta+, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze
+is er naast den goeden wereldschepper +Ormuzd+ nog een booze geest
++Ahriman+, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade
+engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd
+omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het
+licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed
+worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is,
+volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld.
+
+De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn;
+nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien;
+hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift
+betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat.
+Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging; eindelijk gold zelfs
+al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig
+verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot
+geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende
+stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden.
+Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij
+een klein gedeelte der Perzen, bij de +Parsen+ of +Gebers+, nog thans
+voort.
+
+ * * * * *
+
+De geschiedenis der +Joden+ mag als bekend verondersteld worden; daarom
+volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.;
+Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2
+stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning
+van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz. 14); verwoesting van 't rijk
+van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat
+(blz. 15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van
+Perzië (blz. 19).
+
+
+
+
+4. De Phoeniciërs.
+
+
+1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee,
+woonden de +Phoeniciërs+, die in den bijbel dikwijls vermeld worden.
+Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf
+mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van
+den Libanon gescheiden, die het in den vorm van een halven cirkel
+omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen
+zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter
+zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun
+het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had
+voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs
+moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de
+open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel.
+Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar 't noorden wijst en
+zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne
+vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden
+nederzettingen of +koloniën+, die voor den handel buitengewoon
+belangrijk werden.
+
+
+2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende
+eiland +Cyprus+, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts
+voeren zij naar +Creta+, het tegenwoordige +Candia+, dat van hooge
+krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en
+kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een
+machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich
+naar +Noord-Afrika+. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo,
+Tunis en vooral +Karthago+. Tegenover deze legden zij ook op de eilanden
++Sicilië+ en +Sardinië+ koloniën aan.
+
+Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel op +Spanje+. Hier was
+goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude
+inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne
+met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeel op het
+schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in
+het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v. +Gades+ (+Kadix+),
++Malaka+, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte van
++Gibraltar+ naar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit de
++Engelsche+ eilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald
+hebben.
+
+Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar
+Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën
+aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië.
+
+
+3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer
+en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen
+en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen,
+zooals het +letterschrift+, dat zij van de Egyptenaren leerden. De
++glasbereiding+, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds
+vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de
+verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven
+en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas
+verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten
+het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in
+weven en verven. Zij hadden de +purperkleur+, die, zooals men vertelt,
+door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald
+werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door
+dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn!
+De +rekenkunst+ wordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen;
+de handel moest ook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de
+vervaardiging van +geldstukken+ of +munten+.
+
+
+4. De +Phoeniciërs+ waren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het
+rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje
+scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met
+voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar
+gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook
+gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere
+ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls
+koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge
+beambten. De oudste stad van het land was +Sidon+. Beroemder dan zij, ja
+de beroemdste handelstad der oude wereld was +Tyrus+, een kolonie der
+Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den
+Joodschen koning +David+ stond Tyrus onder zijn koning +Hiram+ op het
+toppunt zijner macht. Het verdrag, dat +Hiram+ met +Salomo+ wegens den
+tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer
+merkwaardig.
+
+Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men
+om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs.
+Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen,
+daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog
+zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het
+land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die
+oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden.
++Salmanassar+, de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël
+vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard.
+Later kwam +Nebukadnezar+ van Babylon en bestreed Tyrus zooals
+Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de
+belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen
+Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder
+menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar
+een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus
+oprichtten met al de pracht van 't oude. Dit werd de hoofdzetel van den
+wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koning +Alexander
+van Macedonië+ kwam en de stad na eene belegering van zeven maanden
+veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen
+verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of
+als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de
+oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in 't zelfde jaar
+een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die
+den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische
+kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn
+geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de
+volkrijkste steden bloeiden.
+
+Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago,
+op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting,
+maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer
+stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts
+en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar 't voorbeeld van 't
+moederland coloniseerende, kwamen Sardinië, Corsica en de grootste
+westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den
+kamp tegen Rome zien ondergaan.
+
+
+
+
+5. De Grieken.
+
+
+1. Griekenland is aan drie kanten door de zee omringd, en in 't noorden,
+waar het met het vaste land samenhangt, wordt het door hooge gebergten
+begrensd. De zee vormt tallooze en groote bochten, waardoor de
+scheepvaart zeer gemakkelijk wordt gemaakt. De bodem is bergachtig en
+bevat eene menigte kleine landschappen die meest alle vruchtbaar en
+bekoorlijk zijn. Het oude Griekenland, een beetje grooter als het
+nieuwe, was om zijn schoonheid zeer beroemd. Men onderscheidt van het
+noordelijke deel des lands het schiereiland +Morea+, vroeger
++Peloponnesus+ genoemd, waarbij nog vele eilanden behooren. De Grieken
+hadden ook talrijke nederzettingen aan de kusten van de Middellandsche
+zee, voornamelijk in klein-Azië en Italië (bladz. 32.) Griekenland werd
+door veel kleine volksstammen bewoond, die uit Azië afkomstig waren.
+Onder dezen traden langzamerhand de Hellenen op den voorgrond, wier naam
+nog heden bestaat en met dien van Grieken één is. Verscheidene sagen
+wijzen er op, dat ook vreemde volksstammen naar Griekenland kwamen, die
+reeds een hoogeren graad van beschaving bezaten, namelijk uit Egypte en
+Phoenicië. Naast deze sagen zijn vooral beroemd die, welke van groote
+helden vertellen, b.v. van +Hercules+.
+
+
+2. De Grieken vereerden veel goden en godinnen, die zij zich geheel
+menschelijk voorstelden, terwijl zij hun een hoogere macht toeschreven.
+De koning der goden was +Zeus+ of +Jupiter+, die naar de schikkingen van
+het noodlot alles bestuurde, en met de hemellingen op den +Olympus+, een
+berg in +Thessalië+, in het noorden van Griekenland, woonde. De bode en
+middelaar tusschen goden en menschen was +Hermes+ of +Merkurius+, die
+met een staf en vleugels aan de hielen afgebeeld werd. De +Muzen+ waren
+de beschermsters der muziek en andere kunsten. Behalve dat dachten de
+Grieken zich de geheele natuur als bezield en met hoogere wezens
+vervuld. Elke beweging in de natuur scheen hun een werk van de een of
+andere godheid te zijn. Ook in het innerlijke der menschen werkten de
+godheden als rechters van gezindheden en handelingen.
+
+De Grieken geloofden ook, dat de goden soms uit hun hemelsche woningen
+op de aarde nederdaalden en hier op geheimzinnige wijze van de
+toekomstige dingen spraken. Als uitverkoren woonsteden der goden en
+hunner openbaringen golden vooral zulke plaatsen, waar schrik der natuur
+of heilige herinneringen tot geloovige aandacht stemden. Daarheen deden
+de Grieken bedevaarten, om bij de priesters raad te halen, als er
+gewichtige aangelegenheden te beslissen waren. Zulke door de priesters
+medegedeelde uitspraken werden +orakels+ genoemd en onvoorwaardelijk
+geloofd. Ook machtige personen eerden de orakels, daar zij zich gunstige
+antwoorden wisten te verschaffen en zoo hun plannen gemakkelijk
+uitvoeren konden. Het beroemdste orakel van Griekenland was te +Delphi+,
+aan den voet van den berg +Parnassus+, in het midden van het land.
+
+
+3. De Grieken waren een vriendelijk, levenslustig volk en beminden spel
+en dans, ook bij de heilige feesten. Er waren verscheidene plaatsen,
+waar regelmatig alle 4 jaren geheel Griekenland tezamenkwam om groote
+spelen te vieren. Deze bestonden uit wedloopen, wagenrennen, worstelen,
+vuistgevechten, springen en dergelijke. Naast den lichamelijken
+wedstrijd was er ook een geestelijke, daar dichters, redenaars en
+kunstenaars hun werken voordroegen. Dan waren er vroolijke feesten, die
+meestal 5 dagen duurden. De namen der overwinnaars werden uitgeroepen en
+met gejuich door de aanwezenden herhaald. De prijs der overwinnaars was
+slechts een olijventak die het echter aan roem van een koningskroon
+won en niet slechts hem, die hem behaalde, maar ook zijn familie en
+vaderstad verheerlijkte. Onder de nationale spelen der Grieken waren
+de +Olympische+ -- naar Olympia, een vlek op Morea, genoemd -- de
+beroemdste. Naar deze werd de tijdrekening bepaald en men noemde een
+tijdruimte van 4 jaren, met 776 v. Chr. beginnend, een +olympiade+.
+
+
+
+
+6. De tocht naar Troje. -- 1200 v. C.
+
+
+1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden;
+zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men
+een ouden zanger, +Homerus+ genaamd, toeschrijft en die den tocht der
+Grieken naar Troje behandelen. De stad +Troje+ lag in Klein-Azië, aan de
+westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij
+naar de oude verhalen iets zullen hooren.
+
+De Trojaansche koning +Priamus+ had een zoon, +Paris+ genaamd, die eens
++Menelaus+, koning van +Sparta+, in Griekenland, bezocht en daarbij
+diens vrouw, Helena, roofde. Deze vermetele daad deed gansch
+Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te
+trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werd
++Agamemnon+, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten
+van Griekenland zijn vooral de sluwe +Odysseus+ en de dappere +Achilles+
+te onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van 't leger
+gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon.
+
+Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden.
+Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het
+hoofd van het trojaansche leger stond +Hector+, een zoon van Priamus,
+die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte
+tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar
+beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden
+gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had
+men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen,
+steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen,
+borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden,
+die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal
+ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers
+aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten.
+
+Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles
+een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat
+tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend,
+Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende
+leeuw en rustte niet, vóór hij Hector gedood had. Het lijk van Hector
+liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van
+Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd
+vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris.
+
+
+2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de
+lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe
+Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten
+paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden,
+waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats
+staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter
+slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigen +Sinon+
+aan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten
+legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten
+paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem.
+Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk
+bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden
+dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de
+uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze
+woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad
+te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een
+grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen
+alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste
+mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten
+en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte
+en er begon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden
+als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en
+al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje
+redde zich, waarbij de vrome +Aeneas+, die eindelijk naar Italië kwam en
+hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het
+schoone Troje lag in puinhoopen.
+
+De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige
+stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der
+manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring
+rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest
+tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte
+en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht
+had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus' omzwervingen
+bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden,
+afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van
+een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van
+Doris in Midden-Griekenland[2] den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze
+de +Dorische volksverhuizing+, maar, zooals we zoo even zeiden, het
+was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus
+de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren
+de twee hoofdstammen. Maar men ging ook verder. Vele Grieken van
+verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de
+Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche
+volkplantingen, +nederzettingen+, zelfstandige republiekeinsche steden
+(blz. 26). Links en rechts vond men ze, als:
+
+op Sicilië: +Syracuse+, Agrigentum, Selinus, enz.
+
+in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van
+Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later
+Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton;
+
+in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille;
+
+in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.;
+
+in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel);
+
+rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den
+Don, even als deze Tanaïs geheeten;
+
+langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van
+Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus
+en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch
+waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en
+Sporaden, Rhodus en Creta.
+
+ [2] Noord-Griekenland bestond uit Thessalië (oost) en Epirus,
+ (west);
+
+ Midden-Griekenland of Hellas van 't oosten naar 't westen uit:
+ Attica (met Athene), Megaris, Boeotië (met Thebe), Phocis,
+ Locris, Doris, Aetolië en Acarnanië;
+
+ Zuid-Griekenland of de Peloponesus uit: Corinthe, Argolis,
+ Arcadië, Achaja, Elis, Messenië, Laconica (met Sparta).
+
+
+
+
+7. Lycurgus en de Spartanen. -- 888 v. Chr.
+
+
+1. In +Sparta+, een stad in 't zuidoosten van den +Peloponnesus+, leefde
+een oorlogzuchtig volk, dat zijn wetten van +Lycurgus+ ontving. Deze
+beroemde man was volgens de overlevering van koninklijke afkomst en had
+zich op reizen naar +Kreta+, Egypte en Klein-Azië belangrijke kennis
+verworven. Hij ordende de staatsregeering op de volgende wijze. Naast de
+twee koningen, die sedert ouden tijd in Sparta regeerden, werd er een
+raad van 28 leden samengesteld, die minstens 60 jaar oud zijn moesten
+en door het volk voor het overige van hun leven gekozen werden. Deze
+raad der ouden maakte met de koningen de wetten en legde ze der
+volksvergadering voor. Hier mocht elk Spartaan, die 30 jaren oud was,
+verschijnen en meêstemmen. Behalve dat waren er nog opzieners, die als
+wachters van de wetten iederen burger en iederen beambte, zelfs de
+koningen rekenschap konden vragen. Lykurgus deed ook zijn best, het
+vermogen en de levenswijze der Spartanen gelijk te maken. Hij liet
+daarom een nieuwe verdeeling der landerijen plaats hebben en beval
+gemeenschappelijke maaltijden. Opdat het verkeer naar buiten niet te
+groot zou worden, voerde hij ijzer geld in, tot welks wegbrenging men
+wagens hield. De stad zou geen muren hebben, opdat de burgers altijd tot
+den strijd gerust zouden zijn. Zoo werden de Spartanen een beroemd
+oorlogsvolk. Hun zwaarden waren kort, opdat zij den vijand goed naderen
+zouden. De bebouwing van het veld werd den +Heloten+ overgelaten, d. i.
+den ouden inwoners, welke de Spartanen na langen strijd overwonnen en
+tot slaven gemaakt hadden. Het leven der Heloten was zeer treurig; zij
+werden als dieren behandeld en dikwijls zonder noodzaak vermoord.
+
+
+2. De opvoeding der jonge Spartanen was hard. Slechts de krachtige
+kinderen werden geduld en deze moesten zich op allerlei wijze verharden.
+Zij liepen half naakt en sliepen op een strooleger. Zij moesten honger
+en dorst, vorst en hitte, ja de gevoeligste pijnen leeren verdragen. Met
+hun zevende jaar behoorden de jongens den staat en kwamen onder streng
+opzicht. Zij moesten flink loopen, klauteren, zwemmen en zich over 't
+geheel lichamelijk ontwikkelen. Op den ouderdom van 18 jaar trad de
+jonge Spartaan in den krijgsdienst. De meisjes moesten ook gymnastische
+oefeningen maken. Eerbied van jonge lieden tegenover de oudere was
+streng bevolen. Van veel spreken werd niet gehouden, aan korte
+antwoorden de voorkeur gegeven. Daardoor bekwamen de Spartanen, ook wel
++Lakoniërs+ geheeten, zulk een bedrevenheid in het geven van bepaalde,
+korte antwoorden, dat men die nog heden +lakonisch+ noemt.
+
+
+3. Nadat Lykurgus zijn wetten ingevoerd had, liet hij de burgers
+zweren, zijn wetten na te leven, tot hij van een reis in 't buitenland
+teruggekeerd was. Daarop vertrok Lykurgus en kwam niet terug. Zoo
+hadden de Spartanen zich met een eed verbonden zijn inrichtingen te
+laten bestaan. Zij werden daardoor een sterk, dapper volk; maar zij
+vervreemdden ook van zachtere, menschelijke gevoelens.
+
+
+
+
+8. Solon en de Atheners.
+
+
+1. De beroemdste stad van Griekenland is +Athene+. Zij zou door den
+Egyptenaar +Cekrops+, een tijdgenoot van Mozes, gebouwd zijn. Onder haar
+koningen wordt vooral +Theseus+ herdacht, omdat hij Athene onafhankelijk
+en machtig maakte. In den tijd, toen Rome gesticht werd, in de 8ste eeuw
+voor Chr., ontstond er in Athene een republiek, aan welker hoofd een
++archont+ of staatsregeerder gesteld werd. Toen zich twisten openbaarden
+tusschen adel en burgers, zocht +Drako+ met veel strengheid orde te
+maken. Dat verbitterde echter de gemoederen nog meer en er zou voorzeker
+een burgeroorlog ontstaan zijn, als de wijze Solon geen nieuwe wetten
+gegeven had. Solon stamde van de oude Atheensche koningen af, had
+zich op reizen groote beschaving verworven en was wegens zijn
+rechtschapenheid algemeen bemind. -- 594 v. Chr.
+
+De eerste wetten, die Solon gaf, verlichtten den schuldenlast der armen,
+daar zij de interestrekening matigden en de persoonlijke verpanding van
+den schuldenaar en zijne familie afschaften. Daarop verzachtte Solon de
+harde straffen van Drako en zorgde voor betere behandeling van slaven
+en vreemdelingen. Hierop verdeelde hij het geheele volk in 4 klassen
+en bepaalde daarnaar de plichten en rechten van ieder. De hoogste
+waardigheden, die der +negen archonten+, kon slechts de eerste klasse
+bereiken. Naast de archonten stond de +raad van vierhonderd+, die
+jaarlijks uit de verschillende klassen gekozen werden. Over alle
+gewichtige vragen van oorlog en vrede moest de +volksvergadering+
+gehoord worden, waarin ieder vrij burger, die 20 jaren oud was, stemmen
+mocht. Daarenboven was er nog een rechtbank van leden, die voor hun
+leven benoemd waren en het opzicht over het openbare leven der burgers
+hielden, terwijl zij ook het hoogste gerechtshof vormden. De eigenlijke
+staatsmacht berustte bij de volksvergadering, wier werkzaamheid alle
+geesteskrachten opwekte en veel tot de algemeene beschaving bijbracht.
+
+
+2. De jeugd, die lang in het ouderlijk huis bleef, werd niet zooals in
+Sparta, enkel lichamelijk, maar ook geestelijk ontwikkeld. Vooral moest
+zich de jonge Athener daarin oefenen, zijn gedachten schoon en vloeiend
+uit te drukken. Wie een betrekking in den staat bekomen wilde, moest
+noodwendig wetenschappelijk gevormd zijn. De schoone kunsten, zooals
+muziek en schilderen, stonden in hoog aanzien. De geheele stad moest uit
+vlijtige en beschaafde burgers bestaan. Ledigheid was streng verboden.
+Als het gevolg dezer wijze verordeningen ontwikkelde zich een schoon
+volksleven. Handel en nijverheid bloeiden, en in de kunsten en
+wetenschappen heerschte de grootste wedijver, zoodat Athene de koningin
+der steden, de leermeesteres der volken werd.
+
+
+3. Hoewel Solon zijn staatsinstellingen niet voor zonder fout hield,
+wenschte hij toch, dat zij minstens 10 jaar lang onveranderd nageleefd
+zouden worden. Toen de Atheners hem dat beloofd hadden, ging hij weder
+reizen, waarbij hij ook koning Croesus van Lydië bezocht. Het duurde
+echter niet lang of er braken in Athene onordelijkheden uit en Solon
+moest zien, dat zijn werk niet duurzaam was. Uit verdriet daarover
+verliet hij zijn vaderstad en ging naar +Cyprus+, waar hij spoedig
+daarna overleed.
+
+In Athene ging het als in bijna alle Grieksche staten: gelijk de
+koninkrijken van den ouden tijd door republieken waren vervangen, zoo
+wierpen zich in deze personen op, die zich van de alleenheerschappij
+meester maakten, en daarom +tirannen+ heetten. Zoo ook hunne opvolgers,
+al was hun bestuur volstrekt niet tiranniek, overeenkomstig de
+tegenwoordige beteekenis van dat woord. De meest bekenden daarvan
+zijn: +Periander+ van Korinthe, 600, met Solon en +Thales+ van Milete
+behoorende tot de zeven wijzen van Griekenland, +Polycrates+ van Samos,
+zoo bekend om zijn geluk en voorspoed, en +Pisistratus+ in Athene. Na
+tweemaal verdreven te zijn, nam deze (540) ten derden male de teugels
+van 't bewind alleen in handen, en werd na eenige jaren opgevolgd door
+zijn zoon Hippias. Deze liet zooveel invloed toe aan zijn broeder
+Hipparchus, dat zij gewoonlijk in één adem genoemd worden. Nog eenige
+jaren verneemt men van geen verzet tegen deze oppermacht van enkelen.
+Maar in 512 werd Hipparchus om eene persoonlijke reden gedood door
+Harmodius en Aristogiton, waarop Hippias wantrouwend werd. In 510 werd
+hij verdreven en de republiek hersteld.
+
+
+
+
+9. De Perzische oorlogen.
+
+
+1. Hoewel de Grieken ter westkust van Klein-Azië eerst onder Lydische,
+vervolgens onder Perzische heerschappij gekomen waren (blz. 17), bleven
+zij echter de vrijheid liefhebben en trachtten door een opstand het juk
+van Darius af te schudden (blz. 19). Maar te vergeefs, 500. De hulp die
+de Grieksche Aziaten van Athene genoten hadden, had den Perzischen
+monarch zoo verbitterd, dat hij zich bij elken maaltijd door een slaaf
+liet toeroepen: "Heer, gedenk de Atheners." Misschien was het voor hem
+maar een voorwendsel om den republikeinschen staatsvorm der Grieken te
+bestrijden, die hem, den almachtigen alleenheerscher, een doorn in 't
+oog moest zijn. Ook werd hij, zoo verhaalt men althans, in zijn plan
+versterkt door den wraaklustigen Hippias. Zeker is het, dat hij eene
+expeditie tegen Griekenland ondernam, waarbij het landleger niet verder
+dan een eindweegs in Thracië kwam en de vloot bij 't voorgebergte Athos
+in Macedonië door storm vernield werd. Maar nu rustte hij een tweede
+onderneming uit, veel grooter en sterker dan de vorige en zond
+intusschen gezanten naar de verschillende Grieksche staten om als
+teeken van onderwerping aarde en water te vragen. Bijna overal gaf men
+sidderend aan dien eisch gehoor. Maar in Athene en Sparta werden de
+gezanten van Darius in kuilen of putten gesmeten, waar zij aarde en
+water vonden. Nu kende Darius' woede geen grenzen meer; zijne groote
+legermacht liet hij door een vloot overbrengen en in Attica landen.
+
+Bij de Spartanen heerschte het bijgeloof, dat zij niet vóór de volle
+maan strijden mochten en daarom kwamen zij nog niet. Slechts de kleine
+stad Plataeae in Boeotië zond 1000, de Atheners stelden 9000 man. Toen
+dit hoopje bij Marathon het groote Perzische leger zag, verloor het den
+moed. Maar Miltiades, een dapper aanvoerder, bezielde de versaagden en
+bevocht een glansrijke zege over de Perzen. -- 490.
+
+Deze gebeurtenis schrikte echter Darius nog volstrekt niet af. Hij liet
+drie jaar lang toebereidselen maken voor een nieuwen veldtocht, aan
+welks hoofd hijzelf meêtrekken wilde. Hij werd echter door den dood
+overvallen. Maar Xerxes, zijn opvolger, zette de toebereidselen met den
+zelfden ijver voort en bracht eindelijk een leger tezamen, zooals de
+wereld nog geen tweede gezien had. Het bestond uit meer dan een millioen
+menschen, en de vloot telde meer dan 1000 oorlogschepen, waarbij nog
+3000 andere schepen kwamen.
+
+
+2. In de lente van 480 zette de onmetelijke trein, door Xerxes zelf
+aangevoerd, zich in beweging en overstroomde als een zondvloed het
+noordelijke Griekenland. De meeste volksstammen onderwierpen zich;
+slechts de Atheners en de Spartanen wilden strijden. In dezen algemeenen
+nood trad +Themistocles+ op, een zeer verstandig en praktisch man, die
+Griekenland tot redder werd. Reeds als knaap had hij een uitstekend
+karakter en streefde naar groote dingen. Toen men in later jaren eens
+met hem spotte, omdat hij de lier niet bespelen kon, antwoordde hij
+hoogmoedig: "Zingen en spelen kan ik wel niet, maar een kleine stad
+beroemd en groot maken, +die+ kunst meen ik te verstaan." Themistocles
+had reeds vroeg ingezien, dat de oorlogen met de Perzen niet spoedig
+zouden eindigen. Daarom spoorde hij de Atheners aan, voor hunne
+verdediging te zorgen en vooral eene sterke vloot uit te rusten. Ook
+rustte hij niet, vóór Sparta en Athene zich nauw vereenigd en ook de
+overige staten zich daarbij aangesloten hadden. De eer der hoogste
+leiding in den krijg (hegemonie) tegen de Perzen viel den Spartanen ten
+deel.
+
+
+3. In het noorden van Griekenland, waar het steile Oeta-gebergte aan de
+eene en de zee aan de andere zijde slechts een lang smal pad overlaat,
+dat naar het hart van 't land voert, daar, bij den engen pas van
+Thermopylae, sloeg de Spartaansche koning Leonidas zich met 8000 Grieken
+neêr, om de naderende Perzen te bestrijden. Toen Xerxes dat hoorde,
+verwonderde hij zich niet weinig en zond boden af, die van de Grieken de
+wapens opeischten. "Kom ze halen", was het laconische antwoord. En toen
+den Grieken gezegd werd, dat de vijanden zoo talrijk waren, dat zij met
+hunne pijlen de zon verduisterden, antwoordde een Spartaan koelbloedig:
+"Des te beter, dan zullen wij in de schaduw vechten."
+
+Daar Xerxes niet gelooven kon, dat de weinige Grieken zijn monsterachtig
+leger tegenstand zouden bieden, liet hij hun vier dagen tijd om weg te
+trekken. Toen dit niets uitwerkte, begon de moorddadige strijd. De
+Grieken stonden als muren en sloegen elken aanval af. De Perzen waren
+eindelijk zoo ontmoedigd, dat zij met geesels in de bergengte moesten
+gedreven worden. Toen kwam er eindelijk eene wending in den strijd --
+door verraad. Een Griek, Ephialtes, ontdekte den Perzen een geheim
+voetpad over het gebergte. Toen rukten 's nachts bijna 20000 Perzen
+aan en vielen de Grieken in den rug aan. Nu was alle redding voorbij.
+Leonidas liet het grootste gedeelte der troepen huiswaarts trekken,
+en sprak met zijne 300 Spartanen af, tot op den laatsten man toe te
+strijden. De heldenmoedige schaar bracht den Perzen een ontzettend
+verlies toe; maar eindelijk moest ze voor de overmacht bezwijken.
+
+Op geene zegepraal is zooveel roem gevolgd als op deze nederlaag. Een
+steenen leeuw toonde later den eenzamen reiziger in de bergkloof de
+plaats, waar Leonidas, de leeuw van den grooten dag, met zijne dapperen
+gevallen was, en het gewijde opschrift luidde: "Wandelaar, bericht te
+Sparta, dat wij, gehoorzaam aan zijne wetten, hier verslagen liggen."
+
+
+4. Nadat de dappere Leonidas bezweken was, trad de wijze +Themistocles+
+weêr op. Toen de Perzen door genoemden pas in Hellas doorgedrongen
+waren, begreep hij, dat Athene ook den geduchten aanval van dat volk
+geen weêrstand kon bieden, en overreedde daarom zijne medeburgers, de
+stad te verlaten en zich op schepen te redden. Toen verhuisden de
+vrouwen en kinderen naar de naburige kusten en eilanden; maar de
+geheele manschap, in staat de wapenen te dragen, ging met Themistocles
+de vijanden op de zee te gemoet. Bij het eiland +Salamis+ moest het
+tot een zeeslag komen. Toen echter de Grieken de groote vloot der
+Perzen zagen, verloren zij den moed en wilden ontvluchten. Daarover
+was Themistocles te leur gesteld, en nu waagde hij eene wanhopige
+onderneming. Hij zond heimelijk een slaaf tot Xerxes en liet hem zeggen:
+"Groote koning, ik ben uw vriend en wensch in uwen dienst te treden. In
+den volgenden nacht willen de Grieken uit deze zeebocht ontvluchten.
+Sluit ze in, dan is de geheele vloot in uwe handen." Xerxes zeilde
+daarna zoo snel mogelijk op de Grieken aan en sloot ze in. Toen
+Themistocles dat zag, juichte hij en sprak tot de andere bevelhebbers:
+"Nu zult gij toch strijden?"
+
+En de Grieken streden, gelijk Themistocles vooruit gedacht had. Het was
+een strijd op leven en dood. Ofschoon de Perzische vloot oneindig veel
+grooter en sterker was dan de Grieksche, zoo had zij toch wegens de
+grootte harer schepen veel nadeel in de enge bocht. De duisternis van
+den nacht bracht ook de Perzische schepen onder elkander in de war. De
+Grieken drongen met hunne lichte vaartuigen overal door en bevochten
+eene groote overwinning.
+
+Xerxes was aan den oever op een gouden troon gezeten en had zoo den
+uitslag van den zeestrijd afgewacht. Nu bleef hij niet langer hier. Om
+hem echter snel uit het land te drijven, gebruikte Themistocles eene
+nieuwe list. Hij liet aan Xerxes zeggen: "De Grieken zijn van plan,
+de brug over den Hellespont af te breken." -- Deze brug was voor den
+overtocht van het Perzische leger over eene smalle zeeëngte (de straat
+der Dardanellen) geslagen. -- Xerxes verschrikte en vlood in aller ijl.
+Hij verloor daarbij een belangrijk gedeelte van zijn landleger, dat
+vooral door gebrek aan levensmiddelen en door ziekte zeer verminderde.
+Toch bleef altijd nog een leger van 300,000 man onder den veldheer
++Mardonius+ in Noord-Griekenland achter, om in het volgende jaar op
+nieuw te strijden.
+
+Geheel Griekenland erkende, dat het zijne redding aan de Atheners te
+danken had en onder hen vooral aan Themistocles. De Spartanen voerden
+hem in triomf naar hunne hoofdstad, gaven hem een olijvenkrans als prijs
+der wijsheid, schonken hem den schoonsten wagen, die in Sparta te vinden
+was en lieten hem door 300 jongelingen feestelijk tot aan de grenzen
+begeleiden. Toen spoedig daarop de Olympische spelen gevierd werden en
+ook Themistocles daarbij verscheen, verhieven zich bij zijn intrede
+alle toeschouwers van hun zitplaatsen. Niemand dacht meer aan
+kampspelen; alle aanwezenden zagen en wezen met blijde bewondering
+naar Themistocles. Hij werd diep geroerd en sprak: "Nu oogst ik het
+loon van alle inspanning voor Griekenland."
+
+
+5. De perzische veldheer Mardonius beproefde de Atheners te bewegen tot
+een verbond met zijn volk. Toen dit echter vergeefsch bleek, stormde hij
+weder op Athene los en verwoestte, wat er nog overgebleven was. De
+inwoners waren ten tweede male gevlucht. Toen vereenigden zich de
+Atheners onder hun veldheer +Aristides+, met de Spartanen onder
++Pausanias+ en sloegen het Perzische leger bij Plataeae, waar Mardonius
+viel en waar een groote buit behaald werd. -- Op denzelfden dag, zoo
+verhaalt men, gelukte het den Grieken, de Perzische vloot bij het
+voorgebergte +Mykale+ aan de kust van klein-Azië geheel te vernietigen.
+Sedert dien tijd was Griekenland weder vrij. -- 479.
+
+Door het welslagen hunner pogingen aangemoedigd, waagden de Grieken nu,
+naar Klein-Azië te gaan om hun broeders daar van het Perzische juk te
+bevrijden. Aan het hoofd van de vloot der bondgenooten stond Pausanias,
+de Spartaansche koning en veldheer, die spoedig overwinningen behaalde.
+Men bemerkte echter, dat hij tot Perzische gewoonten overhelde en de
+Perzen begunstigde. Toen hij ook nog trotsch en uit de hoogte tegen
+zijne Grieksche bondgenooten zich gedroeg, ontstond er een groote onwil.
+Hij werd aangeklaagd van verraad en men ontnam hem het opperbevel.
+Daarentegen werd +Aristides+, die wegens zijne rechtschapenheid in
+groote achting stond, tot aanvoerder benoemd. Zoo verloor Sparta door
+den overmoed van Pausanias het steeds gehandhaafde voorrecht der
+opperste krijgsleiding, en dit ging nu op de Atheners over, die steeds
+machtiger werden. Pausanias werd voor 't gerecht gesteld. Hij wist zich
+echter tweemaal te redden. Toen eindelijk zijn verraad wereldkundig was
+en men hem straffen wilde, vluchtte hij snel in een tempel, waar naar
+oud gebruik niemand mocht worden lastig gevallen, ook de misdadiger
+niet. Toen versperden de Spartanen alle uitgangen van het gebouw en
+leverden hem zoo aan den hongerdood over.
+
+
+6. Aristides vervulde zijn ambt als opperaanvoerder der Grieken
+met rechtvaardigheid en wijsheid. Hij leidde het daarheen, dat de
+gezamenlijke bondgenooten den Atheners jaarlijks eene bepaalde som tot
+de oorlogskosten betaalden; en zoo groot was het vertrouwen van allen,
+dat zij aan hem alleen het toezicht op het geld en de verdeeling der
+bijdragen overlieten. Aristides beantwoordde aan 't vertrouwen, dat
+men hem schonk, en met recht werd hij de +rechtvaardige+ genoemd.
+Themistocles had reeds vroeg met nijdigen blik op het aanzien gestaard,
+dat Aristides bij het volk genoot, en getracht hem van de staatszaken te
+verwijderen. Nu was in Athene de merkwaardige instelling, dat elk burger
+den naam van een man, dien hij wilde verbannen hebben, op de scherf of
+schaal van een zeemossel schreef en zoo tegen hem stemde. Dat was het
+schervengericht, waardoor ieder, als hij 6000 stemmen tegen zich had,
+zonder verdere omstandigheden in ballingschap gedreven werd. Het was
+vooral tegen +die+ mannen gericht, die te machtig werden en voor de
+vrijheid gevaarlijk schenen. De verbannene verloor echter noch zijne
+eer noch zijn vermogen. Ook was de verbanning slechts tijdelijk en kon
+herroepen worden. Themistocles had het werkelijk zoo ver gebracht, dat
+Aristides voor tien jaren verbannen was. Maar nauwelijks waren eenige
+jaren verloopen, of de Atheners hadden hun onrecht ingezien en Aristides
+teruggeroepen. Hij bestuurde de hem toevertrouwde bondkas met de
+grootste eerlijkheid, en stierf zoo arm, dat hij niet uit eigene
+middelen kon begraven worden. Toen betoonden zijne medeburgers zich
+dankbaar en zorgden ook voor de opvoeding van zijne kinderen.
+
+
+7. Themistocles was er onvermoeid op uit, zijne vaderstad groot en
+machtig te maken. Hij bracht het ook den Spartanen ten trots daartoe,
+dat Athene met een muur omringd werd, en dat het door zijne zeemacht
+de opperheerschappij in Griekenland kreeg. Maar niettegenstaande alle
+verdiensten moest hij eindelijk als offer van 't schervengerecht vallen.
+De verbitterde Spartanen klaagden hem aan van verstandhouding met de
+Perzen, en rustten niet, vóór hij verbannen werd. En toen Themistocles
+op geene plaats van Griekenland meer veilig was, vluchtte hij naar
+Perzië. De opvolger van Xerxes nam hem vriendelijk op en hoopte van hem
+voordelen te erlangen. Toen Themistocles echter zag, dat hij tegen zijn
+vaderland werken moest, besloot hij liever te sterven en nam vergif. Te
+Magnesia in Klein-Azië werd hem een kostbaar gedenkteeken opgericht;
+zijn gebeente zou echter, op zijn eigen verlangen, heimelijk naar
+Griekenland gebracht zijn.
+
+
+
+
+10. Pericles -- 444 v. Chr.
+
+
+1. De oorlogen, die tot bevrijding der Grieken in Klein-Azië tegen de
+Perzen gevoerd werden, waren door +Cimon+, den zoon van Miltiades, tot
+een gelukkig einde gebracht. Tien jaren na de slagen van Plataeae en
+Mykale sloeg hij de Perzische zee- en landmacht bij de Eurymedon in
+Klein-Azië en twintig jaar later op nieuw bij de stad Salamis op Cyprus
+449. De vier en veertigjarige Perzische oorlog was geeindigd, en
+Griekenland stond daar groot en machtig. Omstreeks dezen tijd trad
+te Athene een man op, die voor geheel Griekenland van de grootste
+beteekenis werd. Het was +Pericles+, de zoon van den beroemden
++Xanthippus+, die bij Mykale de Perzische vloot vernield had. Pericles
+had eene innemende gestalte en was zeer beschaafd, even zoo uitstekend
+als veldheer als hij was als staatsman, en een redenaar, zooals Athene
+er nog geen gehoord had.
+
+Aanvankelijk vond Pericles een geduchten tegenstander in Cimon, die zich
+aan het volk op alle wijze vriendelijk toonde. Toen echter Cimon eens
+de Atheensche troepen niet genoegzaam in bescherming nam tegen de
+plagerijen der Spartanen, verloor hij de gunst der menigte, en werd tot
+vreugde van Pericles een tijd lang verbannen. Nu trad de welsprekende
+staatsman op en wist zich het vertrouwen zijner medeburgers zoo te
+winnen, dat hij als een alleenheerscher regeeren kon, zonder zelfs ooit
+archont te zijn. Hij bevorderde den handel en de zeemacht, en sloot
+zulke voordeelige verbintenissen, dat Athene het toppunt van rijkdom en
+macht bereikte.
+
+
+2. Pericles was ook een vriend van kunsten en wetenschappen. Van alle
+kanten riep hij de grootste kunstenaars en geleerden naar Athene en
+maakte zoo deze stad tot het middelpunt van alle streven van den geest.
+Men vond daar een glans, gelijk er nergens anders te zien was. De
+meesterwerken der bouwkunst, beeldhouw- en schilderkunst tooiden Athene
+op zoo grootsche wijze, dat men de overblijfselen daarvan nog heden
+bewondert. Geen volk van den ouden tijd heeft voor de schoone kunsten
+zooveel gedaan als de Grieken.
+
+Onder de prachtige bouwwerken van Athene prijkte vooral de +burg+. Men
+besteeg dien langs trappen breed als straten, die beneden door een poort
+van zuilen met vijf bogen van marmer begrensd waren. Op het hoogste punt
+van den berg des burgs stond het reusachtige standbeeld van Athenes
+beschermgodin +Pallas+. Een goed oog kon het met zijn met struiken
+omgeven gouden helm reeds tien uur van Athene zien. Naast de prachtige
+hallen van den berg stond een tempel van wit marmer, een uitgelezen
+meesterwerk der oude bouwkunst, dat nog heden verbazing en bewondering
+opwekt. De voorhoven van dezen tempel waren met kostbare standbeelden
+versierd, en in het binnenste er van had +Phidias+, de vriend van
+Pericles, een afgodsbeeld gevestigd, dat van verblindend goud en
+elpenbeen was en in de hoogste mate beroemd werd.
+
+De +schilderkunst+ had in de tijden van Pericles den hoogsten graad van
+volkomenheid bereikt. Eens organiseerden +Zeuxis+ en +Parrhasius+ een
+wedstrijd in hunne kunst. Zeuxis schilderde, zoo verhaalt men, druiven
+zoo natuurlijk, dat de vogels er op toe vlogen en er aan pikten. Nu
+bracht ook Parrhasius zijn stuk; het was met een gordijn bedekt. Toen
+zeide Zeuxis: "Neem toch het gordijn weg." Maar Parrhasius lachte: het
+gordijn was de schilderij zelf. Zoo had de eene kunstenaar slechts
+vogels, maar de andere menschen en wel een grooten kunstenaar bedrogen.
+
+Nooit was in Athene zoo veel leven als in den tijd van Pericles. Op de
+markt en in de straten, in den schouwburg en in de scholen, aan de haven
+en in de hallen: overal zag men eene frissche en grootsche werkzaamheid,
+en Pericles was de ziel van 't geheel. Het anders zoo heerschzuchtige
+volk liet zich gaarne door hem leiden. Wat hij aanried, geschiedde; wat
+hij sprak, dat gold. "Hij draagt den donder en bliksem op zijne tong,"
+zeiden de Atheners, en noemden hem niet anders, dan den +Olympiër+,
+d. i. den hemelschen.
+
+
+3. De groote macht, die Athene onder Pericles bereikte, deed bij de
+andere staten van Griekenland nijd en haat ontstaan. Ook behandelden
+de Atheners hunne bondgenooten niet altijd zoo, als recht en billijk
+zou geweest zijn. Bovenal echter waren de Spartanen verbitterd, die
+niet vergeten konden, dat zij eens de opperheerschappij in Griekenland
+bezeten hadden. Zij stelden zich daarom aan de spits der ontevredene
+staten en begonnen een oorlog met Athene. Toen gelukte het Pericles,
+die den vrede liefhad, den Spartaanschen aanvoerder om te koopen en
+een wapenstilstand te sluiten, die 30 jaar gelden zou. Hij duurde
+echter slechts 14 jaar. De oude haat der Spartanen vond een geschikte
+gelegenheid, zich weer te openbaren, en de vreeselijke oorlog begon,
+die de +Peloponnesische+ heet, omdat de geheele Peloponnesus zich met
+de Spartanen vereenigde tegen de Atheners en hun bondgenooten.
+
+Pericles vertrouwde op Athenes zeemacht; toen echter een landleger van
+60.000 man naderde, werd Athene door zooveel vluchtelingen bezocht, dat
+er spoedig ziekten ontstonden, die hoe langer hoe gevaarlijker werden,
+tot eindelijk de pest uitbrak en algemeenen schrik veroorzaakte. Alle
+banden van tucht en orde raakten los. De straten boden een ontzettend
+schouwspel. De vroeger zoo vroolijke stad was een zetel van smart en
+dood. En al de schuld van dit ongeluk werd op Pericles geworpen; hij was
+het, die alle verdediging te land afgeraden, en alle rondom-wonende
+genooten in de stad opgenomen had. Vergeefs beproefde Pericles de
+openbare orde te herstellen, zijn beste vrienden waren door de ziekte
+weggenomen. En toen hij zelf met een vloot ten strijde toog, moest hij
+onverrichter zake terugkeeren, want ook op de schepen woedde de pest.
+
+Toen nam het wankelmoedige volk hem het opperbevel af, en veroordeelde
+hem tot eene geldboete van 15 talenten (ongeveer 37.500 gld., daar een
+talent ± 2500 gld. was).
+
+Dit ongeval verdroeg Pericles met gelatenheid. Maar de pest naderde ook
+zijn familiekring. Eerst bezweken daaraan zijne beide oudste zonen en
+zijne zuster. Pericles bleef gelaten. Toen hij echter ook zijn jongsten
+zoon, die eveneens door de vreeselijke ziekte werd aangegrepen, naar
+Atheensch gebruik den doodenkrans opzette, toen overweldigde hem de
+bitterste smart, en hij brak in tranen uit, gelijk hij nooit in zijn
+leven gedaan had.
+
+
+4. Eindelijk erkende het volk, dat het aan Pericles een onrecht begaan
+had. Het overtuigde zich van het gewicht van den diep gekrenkten man, en
+herstelde hem in zijne vorige waardigheid. Toch was het Pericles niet
+vergund, nog lang aan het hoofd van zijn vaderland te staan; ook hij
+werd door de vernielende pest aangetast. Toen hij den dood nabij was,
+roemden de rondom hem zittende burgers de grootheid zijner deugd en de
+veelvuldigheid zijner zegepralen, zonder dat zij dachten, nog door
+Pericles gehoord te worden. Toen verhief hij zijn hoofd en zeide: "Het
+verwondert mij, dat gij slechts dat vermeldt, waaraan het geluk gelijk
+aandeel met mij heeft, en wat ook anderen gelukt is; het schoonste en
+beste hebt gij vergeten: geen Athener heeft om mijnentwille een
+rouwkleed aangetrokken."
+
+Zoo stierf de groote staatsman, die bijna 40 jaar lang in Athene
+geheerscht had! Er was niemand in staat hem te vervangen. Met hem werden
+het aanzien, de macht en de glans van Athene ten grave gedragen.
+
+
+
+
+11. Alcibiades.
+
+
+1. Alcibiades, een neef van Pericles, trad door rijkdom, schoonheid
+en groote geestesgaven zoo op den voorgrond, dat hij gedurende den
+Peloponnesischen oorlog een belangrijken invloed kreeg. Hij had een
+ijdel, eergierig karakter, was moedwillig en stout, maar had ook eene,
+zelfs in Athene, zeldzame welsprekendheid. Bij zijne geweldige zucht
+tot onderscheiding en roem was niets hem gewenschter dan oorlog. Toen
+zich nu eene gelegenheid aanbood op Sicilië eene Ionische stad tegen
+een Dorische bij te staan, wendde Alcibiades dadelijk al zijne
+welsprekendheid aan om de Atheners tot een tocht daarheên te bewegen. De
+veldheer Nicias, die kort te voren een vrede met de Spartanen bewerkt
+had, ried even als andere mannen den oorlog af. Het volk liet zich
+echter door Alcibiades medesleepen; het besloot tot den tocht, en koos
+Alcibiades tot aanvoerder daarvan. Nauwelijks echter had deze het
+eerste succes op Sicilië behaald, of hij werd weêr teruggeroepen. Hij
+was namelijk aangeklaagd, in den nacht vóór zijn vertrek de vele
+standbeelden van den god Hermes of Mercurius verminkt te hebben. Toen
+verliet hij het eiland Sicilië, ging evenwel niet naar Athene, maar naar
+Sparta, in de legerplaats der oude vijanden. Toen de Atheners hem daarop
+ter dood veroordeelden, zeide hij: "Ik zal hun toonen dat ik nog leef,"
+en hij hield schrikkelijk woord.
+
+Te Sparta leefde de vroeger zoo zwelgende jongeling geheel naar de
+strenge wetten van dat volk en verwierf zich spoedig het vertrouwen
+daarvan. Uit wraak tegen de Atheners spoorde hij de Spartanen aan, den
+gesloten vrede te verbreken en de Atheensche onderneming op Sicilië
+te gaan bestrijden. Toen was het geluk der Atheners uit. Zij werden
+geslagen en hunne vloot vernield. Het hoog gestegen Athene lag in het
+stof.
+
+
+2. Intusschen haalde Alcibiades zich door zijn opbruisenden zin in
+Sparta veel vijanden op den hals en zag zich genoodzaakt de vlucht te
+nemen. Hij ging naar Klein-Azië, waar Atheners en Spartanen elkaâr den
+voorrang betwistten in de van Perzië bevrijde deelen, en dat het tooneel
+van het derde tijdvak des Peloponesischen oorlogs werd. Toen werd hij
+door de bemanning der Atheensche vloot zelve met het opperbevel over
+deze bekleed. Met Alcibiades keerde ook Athenes geluk terug. Zij sloegen
+de Spartanen te water en te land, en vierden der herwonnen held op alle
+wijzen.
+
+Maar deze jubeltoon was niet duurzaam. Alcibiades had eenmaal de leiding
+der vloot aan een onderbevelhebber toevertrouwd, terwijl hij iets met
+de Perzen te verhandelen had. Dadelijk overviel toen de Spartaansche
+veldheer Lysander de Atheners en versloeg ze. Ten gevolge dezer
+nederlaag zetten de Atheners, veranderlijk als het weêr, Alcibiades af,
+die zich naar Klein-Azië terugtrok. Hier moest hij zien hoe de Atheners,
+die zijne waarschuwing verachtten, geheel verslagen werden en hoe
+Athene, die trotsche stad, veroverd en mishandeld werd, 404. -- De
+overwinnende Spartanen hadden den gevaarlijken Alcibiades niet uit het
+oog verloren. Zij verlangden van de Perzen, dat hij hun zou uitgeleverd
+worden. Wijl dezen hem zeer vreesden, zoo waagden zij niet tegen hem op
+te treden. Zij staken daarom 's nachts zijne woning aan, om hem levend
+te verbranden. En toen Alcibiades zich met het zwaard in de vuist door
+de vlammen heên een weg baande, vloden zij verschrikt, tot het hun
+eindelijk uit de verte gelukte, den geduchten strijder zoo met pijlen te
+overstelpen, dat hij doorboord ter aarde zonk. Alcibiades bood een trouw
+beeld van zijne vaderstad. Gelijk hij vallen moest, zoo was ook de
+ondergang van het vrije Athene niet te stuiten.
+
+
+
+
+12. Socrates.
+
+
+1. Terwijl Griekenland aan inwendige twisten zijne beste krachten
+verspilde, werd een man beroemd, wiens wijsheid wij evenzeer bewonderen,
+als wij zijn einde beklagen moeten. Het was +Socrates+ in Athene. Zijn
+vader was een beeldhouwer, en als jongeling wijdde Socrates zich ook aan
+deze kunst; maar deze bezigheid voldeed niet aan den drang zijner ziel.
+Hij bestudeerde de schriften der wijzen en deed zijn voordeel met het
+onderwijs der beste leeraars. Hij wilde echter de waarheid niet alleen
+daarom kennen, dat hij, gelijk de meeste Atheners, er over zou kunnen
+twisten, maar hij beoefende ze in 't leven en ging overal met een goed
+voorbeeld voor.
+
+Het eerste streven van Socrates was, zich van de uitwendige goederen zoo
+onafhankelijk mogelijk te maken, opdat hij geheel voor de wetenschap
+leven kon. "Niets behoeven", zeide hij, "is goddelijk, en wie het minst
+behoeft, komt het naast bij de godheid". Hij nam slechts zooveel spijs
+als tot zijne nooddruft vereischt werd, en dronk nooit meer dan tot
+lessching van den dorst noodig was. Zijne kleeding was eenvoudig en
+onaanzienlijk.
+
+Ofschoon Socrates van nature heftig was, had hij toch door gestrengheid
+tegenover zich zelven eene edele gelijkmoedigheid verkregen, die door
+niets verstoord kon worden. De meeste oefening van geduld had Socrates
+in zijn eigen huis, daar zijne vrouw Xanthippe, zeer luimig en twistziek
+was. Desniettegenstaande zag men hem nooit morrende of ontstemd. Als hij
+beleedigd werd, bewaarde hij de grootste kalmte en gelatenheid. Zijne
+burgerplichten vervulde Socrates met grooten ijver. Hij streed dikwijls
+voor zijn vaderland en was steeds onder de dappersten. Door zijne
+onverschrokkenheid redde hij in een slag den stouten Alcibiades, die hem
+zeer genegen was. Deze wankelmoedige jongeling bekende dikwijls: "Door
+de redeneeringen van Socrates word ik zoo aangegrepen, dat mij het hart
+klopt en de tranen mij uit de oogen vloeien".
+
+
+2. Socrates sprak met lieden uit alle standen, en verzamelde
+langzamerhand een kring van weetgierige leerlingen om zich, die hem met
+groote belangstelling aanhoorden en meerendeels beroemde mannen werden.
+Zij verlieten gaarne de vermakelijkheden, om slechts bij hun geliefden
+leermeester te zijn. +Euclides+ van Megara kwam vier mijlen ver tot
+Socrates. En toen eens de Atheners tegen de Megarensers oorlog voerden
+en elk van hen op straffe des doods verboden in de stad te komen, sloop
+Euclides dikwijls in vrouwenkleêren door de poort, om naar Socrates te
+hooren. +Xenophon+, een ander leerling, dien Socrates op den openbaren
+weg voor zijn onderwijs gewonnen had, verzekerde later van zijn meester:
+"Niets kon nuttiger zijn dan zijn gezelschap en zijn omgang. Zelfs als
+hij afwezig was, strekte nog zijn aandenken hun, die bij hem geweest
+waren, tot versterking en kracht in al wat goed is."
+
+Socrates verstond de kunst, op de gemakkelijkste en eenvoudigste manier
+te onderwijzen. Hij stelde vragen, waardoor hij tot nadenken dwong, en
+leidde het in gesprekken daarheên, dat men de diepste leeringen opdeed.
+Zijn onderwijs was gratis en daarom voor allen toegankelijk. Socrates
+sprak ook tot de volwassenen op de markt en op de straten, en werd
+daardoor zeer bekend. Zijn roemde verbreidde zich zoo ver, dat de
+priesters te Delphi hem voor den wijsten der menschen verklaarden.
+
+
+3. Het was vooruit te zien, dat Socrates zich door zijne uitstekende
+wijsheid en deugd de haat en den nijd zijner verdorvene medeburgers
+moest op den hals halen. Zij lasterden hem ook en trachtten hem
+belachelijk te maken. En toen hun dat niet hielp, klaagden zij hem
+openlijk aan. Zij beschuldigden hem, dat hij niet geloofde aan de goden
+van het land, en dat hij ook door zijne leer de jeugd bedierf. Socrates,
+een grijsaard van 70 jaar geworden, vond het zijner onwaardig, zich
+tegen zulke aanklachten wijdloopig te verdedigen. Hij wees terug op zijn
+openbaar leven en bezwoer dat sedert 30 jaar niets hem meer aan het
+harte gelegen had, dan zijne medeburgers deugdzamer en gelukkiger te
+maken, en dat hij hiertoe de goddelijke roeping in zich gevoeld had.
+Eene zoo vrijmoedige verdediging verbitterde de rechters. Zij zonden hem
+voorloopig weêr naar de gevangenis. Hier bracht een vriend, +Lysias+,
+hem eene schoone verdedigingsrede (apologie); die moest hij uitspreken.
+Socrates las ze en vond ze schoon. "Maar, zeide hij, als gij mij zachte
+en prachtige sokken bracht, zou ik ze niet aantrekken, omdat ik ze voor
+onmannelijk houd." Daarmeê gaf hij de rede terug. In de eerstvolgende
+vergadering van 't gerecht werd het lot van Socrates beslist. Eene
+meerderheid van drie stemmen slechts veroordeelde hem tot den dood.
+Socrates bleef rustig, maar zijne leerlingen niet. Zij drongen met
+tranen in de oogen tot de rechters door en smeekten om de vrijheid van
+hun leeraar; maar zij werden afgewezen. Socrates nam afscheid van de
+rechters, die te zijnen gunste gestemd hadden, en vergaf diegenen, die
+hem veroordeeld hadden. Met opgewekt gelaat, vasten tred en edele
+houding verwijderde hij zich hierop uit het gerechtshuis en ging naar de
+gevangenis terug. Zijne vrienden geleidden hem en waren van nu af
+dagelijks om hem.
+
+
+4. Aangezien wegens een openbaar feest geen doodvonnis mocht voltrokken
+worden, hadden de leerlingen van Socrates den troost, nog korten tijd,
+omtrent dertig dagen, met hun leermeester te kunnen spreken. Dat was
+een kostbare tijd, want Socrates, vrij van vrees voor den dood, werd
+met elken dag opgewekter en sprak de schoonste woorden van troost en
+wijsheid. De leerlingen echter konden zich in 't geheel niet gewennen
+aan het denkbeeld, dat hun raadsman en vriend hun zou ontscheurd worden.
+Zij spraken met den gevangenbewaarder, die een medelijdend hart had, en
+richtten alles zoo in, dat Socrates ontvluchten kon. Maar deze weigerde
+beslist, zulks te doen, en zeide, dat men altijd aan de wetten
+gehoorzamen moest. Toen snikte een leerling: "Ach, gij sterft toch zoo
+onschuldig", en Socrates antwoordde lachend: "Wildet gij dan liever, dat
+ik schuldig stierve?"
+
+Toen op den laatsten avond alle vrienden bijeen waren, nam +Krito+ het
+woord en zeide: "Zeg ons, welke opdracht laat gij mij en dezen uwen
+vrienden na? Waarmeê kunnen wij naar uw welgevallen leven?" De grijsaard
+antwoordde: "Als gij zoo leeft, als ik u sedert lang aanbevolen heb. Ik
+behoef hier niets meer bij te voegen." Nu kwamen nog zijne vrouw met de
+drie kinderen, en weenden luid. Toen nam Socrates afscheid, en verzocht,
+zijne vrouw naar huis te geleiden, opdat het laatste uur hem niet
+verzwaard zou worden. Hierop sprak hij nog met zijne vrienden over leven
+en dood en over zijne hoop, dat 's menschen ziel onsterfelijk is.
+
+Intusschen neigde de zon zich tot den ondergang. De gerechtsdienaar
+verscheen met den gifbeker, en Socrates bereidde zich tot den dood. Hij
+nam den kelk met opgewekt gelaat, en dronk dien krachtig uit. Terwijl
+zijne vrienden jammerden, zeide hij: "Ik genees; offert +Aesculaap+ --
+den god der geneeskunde -- een haan!" Daarop verscheidde hij -- 400
+v. C.
+
+Eerst na den dood van den grooten wijze, zagen de Atheners hun ongelijk
+in. Zij dreven grooten rouw, veroordeelden den voornaamsten beschuldiger
+ter dood en joegen de overigen uit het land. Ook richtten zij eene
+prachtige zuil op, en vereerden hem bijna als een god. Maar zijne
+leerlingen, vooral +Plato+ en +Xenophon+, verbreidden schriftelijk en
+mondeling zijne voortreffelijke leeringen, en stichtten zoo hun' grooten
+meester een gedenkteeken, dat duurzamer is dan metaal en overal bekend
+is, waar vrienden der wijsheid wonen.
+
+
+
+
+13. Epaminondas en Pelopidas.
+
+
+1. Sedert den val van Athene kende de overmoed der Spartanen geene
+grenzen meer. Zij hielpen hunne stamgenooten in het naburige werelddeel
+tegen de Perzen, en hun koning Agesilaus veroverde de geheele westelijke
+helft van Klein-Azië. De Perzische koning verwekte toen een oorlog van
+Korinthe en andere Grieksche staten tegen Sparta (Korinthische oorlog),
+waarin de zegepraal wisselvallig was. Maar de Spartanen gaven liever
+hunne overwinningen in Azië op dan hunne overmacht in Griekenland, en
+sloten daarom in 387 den vrede van Antalcidas, den bewerker, die aan den
+Grieksch-Perzischen oorlog en aan dien der Grieken onderling een einde
+maakte. Midden in den vrede overvielen de Spartanen nu Thebe, waar
+inwendige tweedracht bestond, en stelden er een aristocratisch bestuur
+in, gelijk 20 jaar vroeger in Athene. Verschrikt vluchtten vele Thebanen
+uit de stad en wendden zich naar Athene. Hier verzamelden zij zich onder
+hun hooghartigen medeburger +Pelopidas+, om hun vaderstad weder te
+bevrijden. Het gelukte hun ook. De tyrannen werden bij een vroolijk
+gelag door sluipmoordenaars van kant gemaakt, en de Spartaansche
+bezetting moest zich spoedig overgeven.
+
+Wat Pelopidas koen begonnen was, voltooide zijn vriend +Epaminondas+. De
+beide mannen waren van hun vroegste kindsheid af door innige vriendschap
+verbonden geweest, ofschoon hun uiterlijke omstandigheden zeer
+verschillend waren. Pelopidas was een der rijkste burgers, Epaminondas
+een der armsten. Dikwijls had Pelopidas zijn rijkdom willen deelen met
+zijn vriend, maar nooit had deze het geringste willen aannemen.
+Epaminondas leefde uiterst eenvoudig en bescheiden, was geheel zonder
+aanmatiging en streefde nooit naar eereposten. Maar toen het vaderland
+zijn diensten verlangde, was hij dadelijk bereid. Men mocht hem een
+hoogen of nederigen post aanwijzen: steeds nam hij hem met de grootste
+nauwkeurigheid waar. Toen een Perzisch gezant met zakken geld tot hem
+kwam om hem om te koopen, zeide hij: "Als de voornemens van uwen koning
+voordeelig zijn voor mijn land, heeft het uw geld niet noodig; zijn zij
+echter schadelijk, dan zal uw goud mij niet tot een verrader maken.
+Verlaat dadelijk de stad, opdat geen anderen door u verleid worden."
+
+Deze rechtschapen man stond nu aan het hoofd van het Thebaansche leger,
+om de vijandelijke Spartanen te bestrijden. Zijn vriend Pelopidas had
+het bevel over een bijzondere afdeeling van Thebaansche jongelingen, die
+zich door een plechtigen eed verbonden te overwinnen of te sterven. Dat
+was "+de heilige schaar+", die uit 300 man bestond. Bij +Leuktra+, een
+stadje niet ver van Thebe, kwam het tot den strijd, waarbij de 5 maal
+zoo talrijke Spartanen verslagen werden. Nu was Thebe de eerste stad van
+Griekenland.
+
+
+2. De koene Epaminondas zocht nu spoedig de Spartanen in hun eigen land
+op. Toen dezen voor het eerst sedert eeuwen een vijand voor hun stad
+zagen, waagden zij het uiterste en riepen zelfs de Atheners, hun oude
+tegenstanders, te hulp. Toen had er een bloedige slag plaats bij
++Mantinea+, 362. -- De Thebanen overwonnen, maar Epaminondas viel. Twee
+jaar vroeger was reeds Pelopidas gevallen. Met deze beide helden zonk
+ook Thebes grootheid en roem. De rust van Griekenland was weg. Telkens
+nam de eene stad de wapenen op tegen een andere, tot er eindelijk een
+vreemde heerschappij kwam, die alles onderwierp.
+
+
+
+
+14. Alexander van Macedonië -- 333 v. Chr.
+
+
+1. Terwijl de Grieken zich door hun binnenlandsche oorlogen altijd
+meer verzwakten, kwam er hoog uit het Noorden een zwaar onweder op hen
+aanzetten. Daar had zich aan de grens van Griekenland uit een zeer
+kleinen oorsprong het koninkrijk Macedonië gevormd, dat onder Philips II
+belangrijke macht verkreeg. Deze werkzame en sluwe vorst, die in Thebe
+bij Epaminondas opgevoed was, kende de Grieksche omstandigheden zoo
+goed, dat hij zich spoedig de opperheerschappij in Griekenland verwierf.
+Vergeefs had de beroemde redenaar +Demosthenes+ te Athene op het gevaar
+gewezen, dat van Macedonië dreigde; de Grieken streden te laat: Philips
+was overwinnaar; hij behandelde echter de overwonnenen met veel
+verschooning en liet hun veel vrijheid. Hij bracht het zoover, dat de
+Grieken hem in een tocht tegen de Perzen wilden vergezellen en reeds
+dacht hij op te trekken, toen hij plotseling bij het bruiloftsfeest
+zijner dochter vermoord werd. Voor zijn zoon Alexander was het weggelegd
+het aangevangen werk te voltooien. Alexander bezat groote bekwaamheden
+en had het geluk door den beroemdsten geleerde van Griekenland, door
++Aristoteles+, opgevoed te worden. Deze wijze behoorde tot de grootste
+geesten, die ooit op de aarde woonden. Wat hij nagevorscht en onderwezen
+heeft, is voor de menschheid een groote zegen geweest. Of hij veel
+van den oorlogzuchtigen zin van zijn kweekeling hield, is zeer te
+betwijfelen, maar zeker is het, dat de ijver van Alexander om de
+wetenschap te bevorderen door het verkeer met Aristoteles gewekt werd.
+Wat echter bij Alexander reeds in zijn vroege jeugd te voorschijn trad,
+dat was de zucht tot strijden en tot veroveren. Het liefste hoorde hij
+verhalen van de oude krijgshelden. Hoe klopte zijn hart, als hij de
+gezangen van Homerus las, waar de slagen van Troja zoo meesterlijk
+bezongen waren. Zijn hoogste wensch was een held te zijn als Achilles en
+ook eenmaal bezongen te worden.
+
+
+2. Toen Alexander op zijn twintigste jaar koning werd, had hij dadelijk
+gelegenheid zijn strijdlust te bevredigen. Van alle kanten stonden de
+door Philips onderworpen volken op en dachten, dat de tijd voor hun
+bevrijding gunstig was. Maar Alexander was spoedig er bij en onderdrukte
+overal het oproer. De stad Thebe, die weigerde zich te onderwerpen, werd
+tot den grond verwoest. Slechts het huis van den dichter +Pindarus+
+bleef staan, daar hij zoo schoon de overwinnaars der Grieksche
+kampspelen bezongen had. Het lot van Thebe verbreidde schrik over geheel
+Griekenland. Allen bogen zich voor den jeugdigen heerscher en beloofden
+gehoorzaamheid. Alexander ging daarop naar Korinthe, naar de algemeene
+vergadering der Grieken, om zich, zooals vroeger zijn vader, tot
+aanvoerder tegen de Perzen te laten benoemen. Bij deze gelegenheid
+bezocht hij +Diogenes+, die beroemd was om zijn zonderlingheid. Diogenes
+hield zich aan den grondregel van Socrates, dat de mensch, hoe minder
+hij noodig heeft, des te gelukkiger is, en leefde daarom zoo streng,
+dat hij belachelijk werd. Zijn woning was een ton of vat. Als hij
+daaruit met zijn langen baard en gescheurden mantel te voorschijn kwam,
+trok hij ieders opmerkzaamheid. Hij bekommerde er zich echter weinig om
+en verachtte het volk. Eens liep hij op den helderen dag met eene
+brandende lantaarn op de markt van Athene rond. Toen men hem vroeg wat
+hij zocht, antwoordde hij: "Ik zoek menschen."
+
+Alexander kwam met zijn gevolg bij Diogenes en onderhield zich langen
+tijd met hem. Eindelijk vroeg hij hem: "Kan ik u eene gunst bewijzen?"
+Toen antwoordde Diogenes: "Ja, ga mij slechts een weinig uit de zon!"
+Daarom lachten de lieden uit Alexanders gevolg; deze echter keerde zich
+om en zeide: "Als ik niet Alexander was, zou ik wel Diogenes willen
+zijn."
+
+
+3. Toen Alexander met een klein, maar wel toegerust leger naar Azië
+ging, om de Perzen te beoorlogen, zocht hij de plaatsen op, waar hij zoo
+dikwijls in den geest vertoefd had, als hij de gedichten van Homerus
+las. Op het slagveld van Troje tooide hij het gedenkteeken van Achilles
+en wenschte niets meer, dan dat eens een dichter als Homerus ook zijne
+daden verheerlijken mocht. Toen voerde hij zijn leger oostwaarts naar de
+nabijzijnde rivier +Granikus+. Daar wachtte hem een machtig Perzisch
+leger. Zonder toeven leverde Alexander met zijne manschappen een slag,
+die hem tot heer van Klein-Azië maakte. Spoedig daarop stiet hij op een
+tweede leger der Perzen, dat door hun koning Darius Kodomannus zelf werd
+aangevoerd. Deze werd echter zoo geslagen bij Issus 333, dat hij ijlings
+vluchtte en zijne familie in handen van den overwinnaar liet, die haar
+echter vriendelijk behandelde.
+
+Hierop trok Alexander door Syrië en Phoenicië, waar de eene stad na de
+andere zich overgaf. Alleen Nieuw-Tyrus bood tegenstand en werd daarom
+aan de verwoesting prijs gegeven. Op zijn verderen tocht kwam Alexander
+ook naar Jeruzalem. Hier ontvingen hem de voornaamste Joden met den
+hoogepriester aan het hoofd, en leidden hem ook in den tempel. De
+Egyptenaren, die de Perzische heerschappij lang gedragen en gehaat
+hadden (blz. 13), ontvingen Alexander vriendelijk, en kregen daarvoor
+groote gunstbewijzen. Zoo stichtte hij Alexandrië (blz. 6).
+
+Door nieuwe krijgsvolken versterkt, ging Alexander naar Azië terug, om
+nogmaals de Perzen te bestrijden. Darius bood eene schikking aan, maar
+Alexander wilde alleenheerscher zijn. Toen kwam het bij +Gaugamela+ en
++Arbela+ tot een geduchten slag, waarin de Perzen volkomen geslagen
+werden. Darius vluchtte en werd door Alexander vervolgd. Vóór deze hem
+echter bereikte, was Darius op last van een Perzischen satraap gedood.
+Deze daad werd door Alexander streng gestraft, terwijl hij het lijk van
+Darius in de koninklijke groeve te Persepolis plechtig liet bijzetten.
+
+Alexander had zijn doel bereikt: hij was de beheerscher van het groote
+rijk der Perzen geworden door de inname der verschillende hoofdsteden
+Babylon, Susa, Persepolis en Ecbatana. De eerstvolgende jaren werden
+besteed aan het onderwerpen van al de oostelijke deelen van het
+Perzische rijk, de uitgestrekte landen tusschen het eigenlijke
+Medo-Perzië en den Indus, en daarop drong men tot +Indië+ door.
+
+
+4. Dit door de natuur zoo rijk begiftigde land had wel reeds veel van
+zich doen spreken, maar toch was de kennis er van nog zeer gering. De
+Indiërs hadden reeds vroeg eene hooge mate van ontwikkeling bereikt,
+zooals blijkt uit hunne heilige taal, het Sanskriet, de oudste zuster
+aller Indo-Germaansche talen, tevens de sleutel tot hare studie. Zij
+hadden vele instellingen gelijk de Egyptenaren, vooral die der kasten.
+Hunne priesters heetten +Braminen+ of +Brahmanen+. Dezen werd zoo groote
+eerbied bewezen, dat de koning geen Brahmaan, al had hij de grootste
+misdaden bedreven, mocht laten ter dood brengen. Hunne heilige boeken,
+Vedas (d. i. Weten) genaamd, zijn in 't Sanskriet geschreven. Hunne
+hoofdgodheid was +Brahma+, de schepper, die met +Vishnoe+, den
+onderhouder, en +Civa+, den verdelger, eene drieëenheid vormde, waarvan
+echter eerst in den lateren tijd gesproken wordt. Een hoofddenkbeeld
+hunner leer was de onsterfelijkheid der ziel. De zielsverhuizing was
+een toestand, waarin de boozen na hun dood tijdelijk verkeerden. Het
+tegenovergestelde van onsterfelijkheid leerde het +Boeddhisme+, een
+godsdienst, die omstreeks 600 of 500 v. C. in Vóór-Indië ontstond, en
+genoemd is naar den stichter. Deze, een koningszoon, had zich, na
+eenigen tijd van weelderig leven, jaren lang aan de eenzaamheid en het
+nadenken gewijd en was toen tot de meening gekomen, dat er voor den
+mensch niets ongelukkiger kon wezen, dan altijd voort te leven.
+Integendeel, eeuwige rust, gevoelloosheid, +Nirvana+, moest het einddoel
+van elks wenschen en streven zijn. Die zaligheid kon men verwerven door
+de beoefening van een aantal deugden. Zijne aanhangers noemden hem
+den wijzen, +Boeddha+. Hij maakte de grenslijnen tusschen de eerste
+kaste en de drie andere, die der krijgers, handelaars en werklieden
+veel minder scherp dan het brahmaïsme. Hierom reeds, en vooral om de
+tegenovergestelde meening ten aanzien van het al of niet sterfelijke der
+ziel bestonden de twee godsdiensten volstrekt niet, zooals velen meenen,
+eendrachtig naast elkander, maar stonden integendeel hevig vijandig
+tegenover elkander. De onderlinge haat voerde tot hevige oorlogen,
+van de 3de tot de 7de eeuw onzer jaartelling, ten gevolge waarvan het
+boeddhisme uit Indië zoo goed als geheel verdrongen werd. Maar het had
+een uitgebreiden aanhang gevonden in China, Japan e. a. l., en breidde
+zich voortdurend zoo uit, dat het tegenwoordig 500 millioen belijders
+telt.
+
+Verder dan den noordwestelijken hoek van Vóór-Indië is Alexander met
+zijne troepen niet geweest. In dien hoek ontstaat de Indus uit de
+samenvloeiing van vijf rivieren, waarnaar de landstreek Pendsjab, het
+vijfstroomenland, heet. Bij een van de oostelijkste dier rivieren, de
+Hyphasis, sloegen zijne Macedoniërs aan het morren en verklaarden,
+niettegenstaande alle verzoeken en bedreigingen, niet verder te willen
+trekken. Zoo was Alexander genoodzaakt, zijne plannen ten aanzien van
+Indië op te geven en terug te keeren. Een groot deel van het leger
+zeilde onder den bekwamen Nearchus den Indus af en over de kustenzee
+naar den mond van Tiger en Eufraat, terwijl Alexander met het andere
+deel langs den Indus naar het zuiden trok, en vervolgens over Gedrosië
+enz. terugkeerde naar Babylon.
+
+
+5. Hier rustend, wilde de beheerscher van het grootste rijk, dat de
+wereld ooit aanschouwd had, alle onderworpene volken tot één groot
+geheel samensmelten en uit de oude hoofdstad aan den Eufraat den
+ganschen staat besturen, waartoe hij de Perzische indeeling in
+satrapieën had overgenomen. Om de harten zijner nieuwe onderdanen te
+winnen, leefde hij geheel naar Perzisch gebruik. Daarbij werd hij, als
+een Perzisch grootmachtig koning, dikwijls overmoedig en wreed. Zijne
+vleiers verhieven hem ten hemel, zonder dat iemand daartegen iets durfde
+inbrengen. Toen dit toch eens door den veldheer Clitus, die bij de
+Granicus Alexanders leven gered had, geschiedde, werd Alexander zoo
+door toorn overweldigd, dat hij eene lans greep en zijn ouden vriend
+doorboorde. Hierop ontnuchterd, want het feit was gepleegd op eene
+partij, waar men te veel aan god Bacchus had geofferd, betreurde de
+koning zijne daad ten zeerste. Vóórdat hij de beoogde eenheid in het
+groote wereldrijk had kunnen tot stand brengen, nam een hevige koorts,
+die hij zich door inspanningen en zwelgerijen op den hals gehaald had,
+hem weg, 10 jaar na 't feit bij Issus, nauwelijks 33 jaar oud. Nu was
+het onder de grootwaardigheidsbekleeders een algemeen streven van
+den een om in Alexanders plaats te treden, van den ander om zich
+onafhankelijk te maken. Het meest traden de satrapen in 't westen op den
+voorgrond, als die van Macedonië, Lysimachus van Thracië, Ptolemaeus van
+Egypte, Seleucus van Syrië, vooral Antigonus van Phrygië, die over de
+anderen wilde heerschen. Daarom verbonden dezen zich tegen hem en in 301
+werd hij bij Ipsus[3] in zijn eigen land geslagen. Hij stierf en zijne
+landen werden verdeeld tusschen Thracië en Syrië. Twintig jaar later
+werd Lysimachus eveneens verslagen door Seleucus, die de Aziatische
+landen van zijn overwonneling annexeerde, terwijl Thracië zelf bij
+Macedonië kwam. Zoo waren er dus nu van Alexanders wereldrijk in elk der
+drie werelddeelen hoofdzakelijk even zooveel groote staten overgebleven,
+want de Grieksche landen stonden in betrekking tot Macedonië, al vormden
+de deelen van Hellas het Aetolisch, die van den Peloponnesus het
+Achaeïsch verbond.
+
+ [3] Vooral niet te verwarren met Issus blz. 61.
+
+Van het Syrische rijk, dat zich uitstrekte van de Aegaeische zee tot aan
+den Indus, scheidden zich achtereenvolgens verschillende deelen af, als
+Pergamus, Parthië en Bactrië. Het laatste werd anderhalve eeuw vóór onze
+jaartelling met het voorlaatste vereenigd, en machtig werd het rijk der
+Parthen, tusschen Tiger en Indus. Daar het eerst in 't midden der 7de
+eeuw onzer jaartelling bezweek voor de Arabische macht, weêrstond het
+zelfs de machtige heerschappij der Romeinen, in welke overigens alle
+bovengenoemde staten opgingen, als: het Aetolisch verbond 189, het
+Achaeisch 146, twee jaar na Macedonië, Pergamus 133, Syrië 64, Egypte
+31 v. C.
+
+
+
+
+15. De oude Romeinen.
+
+
+1. De stad +Rome+ ontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland
+Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel
+als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting
+der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met
+welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning
+wordt eveneens door de legende +Romulus+ genoemd, van wien vele sagen
+in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van den dood
+gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben
+en dergelijke. Van zijne opvolgers wordt +Numa Pompilius+ geroemd,
+die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De
+koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken,
++patriciërs+. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf
+koningen, waarvan de beide laatsten waren +Servius Tullius+ en
++Tarquinius Superbus+ d. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde
+verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe
+volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en
+willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen
+zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het
+koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der
+centuriën werd de zetel van 't hoogste gezag; daar werd over oorlog en
+vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de
+patriciërs de +consuls+ benoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren,
+ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door
+eene raadgevende vergadering, de +senaat+, van 300 patricische leden,
+die ook aandeel aan 't uitvoerend bewind had. Was b. v. door de
+vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat
+het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en
+lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere
+volksklasse, de +plebejers+, geen aandeel aan 't bewind. Eerst
+langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs
+verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te
+hebben -- 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit
+hunne klasse moest zijn -- 367, en het meest omvattende, dat de
+besluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere
+bekrachtiging te behoeven, 287.
+
+De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van 't begin af
+met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die
+hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne
+taal heet de +Latijnsche+, naar het landschap Latium, waar de Latijnen
+woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht
+over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen.
+De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het
+beroepswezen was veracht. De +Romeinen+ stonden derhalve bij de
++Grieken+ zeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de
+dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen
+werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren.
+
+
+2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs
+of +Etruscen+ op den voorgrond. Zij onderscheidden zich door
+kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken
+vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken.
+De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den
+rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met
+deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en
+rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou
+geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten
+triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst
+verloor, ging hij vrijwillig in ballingschap, waaruit hij echter
+spoedig teruggeroepen werd.
+
+De +Galliërs+, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in
+opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen
+en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een
+gezantschap aan den Gallischen aanvoerder +Brennus+, en lieten hem
+vragen, met welk recht hij in 't gebied van vrije mannen viel. Toen
+antwoordde de trotsche man: "Het recht rust op de spits van onze
+zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld." Over zoodanig antwoord
+verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter
+geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene
+ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels
+op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude
+senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen
+en de geheele stad verwoest.
+
+Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het
+insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de
+Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo
+verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere
+der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de
+vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had,
+begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij
+van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad
+weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als
+hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten
+de Galliërs echter valsche gewichten, en toen de Romeinen zich daarover
+beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep
+honend: "Wee den overwonnelingen!" In dit oogenblik verscheen echter
+Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor
+ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden.
+
+Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong
+Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig
+een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare
+Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des
+vaderlands.
+
+
+
+
+16. Pyrrhus en Fabricius.
+
+
+1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, de
++Samnieten+, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog
+tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun
+70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de
+vernedering lijden van onder 't vijandelijk juk door te gaan. Maar
+weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel
+onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne
+blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich
+spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente
+had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer
+gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog
+begonnen, riepen de Tarentijnen +Pyrrhus+, koning van +Epirus+, bij
+Macedonië, te hulp. Deze vorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld
+en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij
+hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man,
+waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met
+soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel
+om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid
+waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat
+Pyrrhus vol bewondering uitriep: "Met zulke soldaten zou ik de geheele
+wereld veroveren".
+
+
+2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden,
+eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe
+groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht
+hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend
+wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken
+aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: "Ik behoef geen geld. Mijn
+geluk bestaat in de achting mijner medeburgers." Den volgenden morgen
+wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen.
+Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde,
+dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog
+het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit
+over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot
+Pyrrhus: "Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig
+verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede
+onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt."
+
+In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen, waarbij de
+Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor,
+dat hij zou hebben uitgeroepen: "Nog één zoodanige zegepraal, en ik
+ben verloren." Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en
+betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van
+Pyrrhus' lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning
+te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te
+bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het
+verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de
+koning: "Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het
+pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen." Hij liet daarop den
+trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene
+Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede
+aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even
+zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in.
+
+Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers
+streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de
+Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de
+olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te
+brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus
+ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel
+Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de
+Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken,
+die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende
+modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en
+zeden kennen.
+
+
+
+
+17. De Punische oorlogen. -- 264-146.
+
+
+1. De rijkdom en macht van Karthago (blz. 25 en 26) maakte de ijverzucht
+der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de
+Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden
+hunne oorlogen met de Karthagers als de +Punische+ aangeduid. Nog nooit
+hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar 't model van
+een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van
+enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, 't grootste
+gedeelte van 't Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste
+overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consul +Regulus+ den vijand
+in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert
+blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers
+nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in
+Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240
+eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied
+op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt.
+Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk
+en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene
+andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken
+in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het
+land veroverde. Zijn zoon +Hannibal+ had hij reeds als knaap meêgenomen
+naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker
+is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze. Toen de
+zoon, eenigen tijd na 's vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij
+opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz. 32) aan, en
+gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het
+verloren.
+
+
+2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen
+hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en
+stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde
+den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de
+Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den
+Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet
+gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest
+was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij
+konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in
+Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter
+elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat
+Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar
+hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij
+Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal,
+laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van
+Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten.
+
+Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat
+was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten
+door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste
+krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zij Macedonië door
+de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in
+Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan
+3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de
+verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines
+vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en
+dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest
+zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de
+bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat,
+onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende
+figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch
+soldaat binnen, die den grooten man niet kende. "O, veeg mijne cirkels
+niet uit!" riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem.
+
+
+3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en
+konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren
+zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit door +Scipio+
+met zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche
+schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals
+jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn
+broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan
+bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger
+vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder
+aanschouwde, riep hij weenend uit: "Wee, nu zie ik het lot van Karthago
+naderen!"
+
+En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had
+Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul
+van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te
+voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen,
+en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen
+de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man
+niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding
+der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten
+af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij
+verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij
+Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De
+groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat
+hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de
+beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren
+van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio
+in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal
+reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried
+Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke
+wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede
+den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio
+echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke
+onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd
+begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en
+stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen
+buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven
+geen oorlog te voeren zonder toestemming der Romeinen, en eene groote
+som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even
+zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som
+in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want
+door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw
+werd Karthago als 't ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij
+in 't westen reeds nu gevestigd was. 200.
+
+
+4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij
+bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad
+en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen
+(blz. 65 en 66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand
+verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de
+Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan
+zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter
+ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar
+Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke
+vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam
+hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in
+den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste
+veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo
+straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag
+bij Cannae (blz. 74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder
+Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als
+wingewest ingelijfd.
+
+
+5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog
+aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn
+diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den
+senaat hield, met de woorden: "Overigens ben ik van meening, dat
+Karthago moet verwoest worden." Daar de wensch van Cato ook het
+verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog
+licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers
+moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300
+voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen,
+wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan,
+gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten
+en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende
+eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich
+liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen.
+Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. -- Een klein
+deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. -- Maar
+het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd
+hadden, verscheen de kleinzoon[4] van Scipio, die ruim een halve eeuw
+geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong
+met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het
+vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de
+brand, en toen er geen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking
+zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En
+ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor
+werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid,
+waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam
+Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de
+Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland,
+waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus
+vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot
+Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig
+naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche
+beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden
+der Romeinen.
+
+ [4] Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een
+ zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens
+ Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam
+ overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1.
+
+
+
+
+18. De Gracchen.
+
+
+1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en
+plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel
+gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen
+waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde
+landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk
+behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen
+waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere
+volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte
+de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste
+familiën behoorden. Het waren de beide broeders +Tiberius+ en +Cajus
+Gracchus+. Hunne moeder +Cornelia+, eene dochter van Scipio, den
+overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij
+liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde
+zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in
+een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond
+werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide
+zonen en zeide: "Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!"
+
+De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op
+ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in 't openbaar op. Hij werd
+tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz. 67)
+gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de
+groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan
+twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens
+welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en
+al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare
+volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook
+wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten
+en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder,
+Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in
+Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang.
+
+
+2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk
+zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had.
+De nood des volks, dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij
+sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde.
+Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet
+bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en
+voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen
+aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de
+arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl
+Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad,
+zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot
+tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle
+van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk
+betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks
+mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat
+zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een
+strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner
+vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem
+vielen nog meer dan 3000 burgers -- 121. -- Zoo waren de Gracchen,
+de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij
+bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk
+zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het
+richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij
+gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd,
+waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond: +Cornelia,
+moeder der Gracchen+.
+
+
+
+
+19. Marius en Sulla.
+
+
+1. +Marius+, een dagloonerszoon, was zonder eenig onderwijs opgegroeid,
+sterk gebouwd, forsch van aanzien en ruw van zeden. Door wilde koenheid
+en dapperheid had hij zich in den oorlog onderscheiden en eindelijk den
+veldheersrang verworven. Tot volkstribuun gekozen, wist hij zich de
+gunst der lagere klassen te winnen. Ook wierf hij voor het eerst een
+leger uit de armste burgers, waardoor de grond gelegd werd tot de
+heerschappij der soldaten. Nadat hij den Afrikaanschen koning Jugurtha
+overwonnen had, voerde hij een hevigen strijd tegen de Cimbren en
+Teutonen. De eerste, een der vorsten van Numidië, had zijne medekoningen
+laten vermoorden, bij 't veroveren van hun gebied de stad Cirta genomen
+en de geheele mannelijke bevolking er van omgebracht, waaronder een
+aantal Romeinen waren. Toen de regeering in Rome zich dit aantrok, wist
+Jugurtha gezantschappen, tribunen en veldheeren om te koopen, behalve
+Metellus, die hem versloeg. Maar de volkspartij, sedert der Gracchen
+dood de onderliggende, had het hoofd opgestoken, en benoemde uit haar
+midden Marius tot consul en opperbevelhebber tegen Jugurtha. Ook deze
+overwon (107) en Jugurtha werd gevangen genomen en stierf te Rome.
+
+Reeds even vóórdat de strijd met Jugurtha was begonnen, waren
+bovengenoemde Germaansche of Duitsche volksstammen uit het noorden in
+de Romeinsche provinciën gevallen. Zij waren van reusachtige grootte,
+in dierenvellen gehuld en vreeselijk om aan te zien. Hunne breede
+zwaarden en zware strijdkolven werkten inderdaad ontzettend; zelfs
+den ouden soldaten van Marius kwamen de Duitsche barbaren zoo
+schrikkelijk voor, dat hij ze eerst weken lang aan hun aanblik
+gewennen moest. Herhaaldelijk hadden zij de Romeinsche legers onder
+andere hoofden reeds geslagen, waarom de volksklasse de herbenoeming
+van Marius tot consul had doorgedreven, wat zij nog vier jaren
+achtereen herhaalde. Het was een geluk voor de Romeinen, dat de
+Teutonen zich van de Cimbren scheidden en alleen marcheerden. Zij
+werden geheel verslagen, in 't zuid-oosten van het tegenwoordige
+Frankrijk 102.
+
+Intusschen waren de Cimbren over de Tiroler Alpen in noord-Italië
+gevallen. Zij hadden zich op hunne groote schilden van de ijs- en
+sneeuwhellingen laten afglijden en toen groote rotsbrokken en
+boomstammen in de Etsch geworpen, om daarover den tegenovergestelden
+oever te bereiken. Toen ijlde Marius met zijne van roem dronken troepen
+daarheen. In de nabijheid van Verona kwam het tot een ontzettenden slag,
+waarin de Cimbren overwonnen werden 101.
+
+Marius werd als redder van den staat, als "den derden stichter der
+stad", "den tweeden Camillus", begroet.
+
+
+2. Niet lang daarna brak een inwendige oorlog uit, daar de Italiaansche
+bondgenooten van Rome zich gelijke rechten als de Romeinen wilden
+verwerven. In dezen strijd trad Sulla op den voorgrond, een man van
+zeldzame gaven en uit voornamen stand. Terwijl Marius de ziel der
+volkspartij was, was Sulla het hoofd van den adel. Toen om dezen tijd
+de koning +Mithradates+ van Pontus, aan de Zwarte zee, zich tegen de
+Romeinen verhief en een geweldig leger op de been bracht, koos de
+Romeinsche senaat Sulla tot opperbevelhebber. Maar het volk nam met die
+opdracht geen genoegen, het verlangde Marius als aanvoerder tegen den
+vijand. Zoo begon de eerste burgeroorlog; maar Sulla joeg Marius op de
+vlucht naar de puinhoopen van Karthago en ging nu den eersten strijd
+tegen Mithradates voeren. Terwijl hij (Sulla) dezen herhaaldelijk sloeg,
+werd Marius door zijn wapenbroeder Cinna teruggeroepen en ten zevenden
+male consul (86). De aanhangers van den senaat werden met ontzettende
+wreedheid vervolgd en gedood; Marius zelf stierf binnen weinige weken.
+Sulla liet in Rome zijne tegenpartij razen, en zette in 't oosten zijne
+taak voort. Toen hij echter deze glorierijk voltooid had, kwam hij naar
+Italië terug, vast besloten de volkspartij uit te roeien. Hij overwon
+zijne tegenstanders en woedde nu nog oneindig wreeder dan dezen gedaan
+hadden. Het aantal der gedooden wordt op 50000 geschat. Nadat hij geheel
+de macht van den senaat hersteld had, trad hij van het staats-, en
+weldra ook van het levenstooneel af. Evenals Marius, stierf hij aan de
+gevolgen van onmatigheid, vooral in het drinken. Eene geduchte ziekte
+vernietigde zijn leven op smartvolle wijze. Hij had zich gaarne den
+gelukkigen genoemd, en stierf toch als de ongelukkigste der menschen.
+
+
+
+
+20. Julius Caesar. -- 100-44.
+
+
+1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den
+verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in
+geest en kracht alle anderen overtrof. Het was +Julius Caesar+, de
+groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was
+vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem
+eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en
+liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had
+een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige
+verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne
+jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield
+zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich
+weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van
+den oorlog verdragen kon.
+
+Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch,
+de grooten niet tegen zich in 't harnas te jagen, vóór hij geheel de
+stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades,
+maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner
+medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het
+waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de
+eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder
+twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en
+keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te
+bewegen.
+
+
+2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie
+Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten
+trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijken
++Crassus+ voor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar
+Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoord vermogen verwierf.
+Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en
+de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk
+naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld was +Pompejus+, die tot op
+dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd
+gold.
+
+Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste
+overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte,
+had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op
+de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestane +slaven+
+en +zwaardvechters+ ten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken
+was. Daarna bedwong hij de +zeeroovers+, die in Cilicië en Creta
+woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere
+krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden
+oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus,
+de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar
+Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij
+den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome
+(64). -- Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus'
+beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter
+Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er
+een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk
+zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië,
+d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar
+bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië.
+
+In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer. Binnen 10 jaren
+heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle
+Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug,
+en de Germanen, onder +Ariovistus+ den Gallen te hulp gekomen,
+tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn
+teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den
+beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs
+gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland.
+Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven,
+gelijk ook den volgenden burgeroorlog.
+
+
+3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den
+dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met
+den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang
+voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het
+bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed
+hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van 't vaderland verklaard
+worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te
+verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië.
+Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen,
+zeide hij: "De teerling zij geworpen", en marcheerde naar Rome. Pompejus
+had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij
+vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar
+Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop
+sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar
+Griekenland, waar hij zijn tegenstander bij +Pharsalus+ in Thessalië
+overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naar Egypte, maar werd
+hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning
+vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart
+wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen
+tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan 's konings zuster
++Cleopatra+ ten deel.
+
+4. Na Pompejus' dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan,
+daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten
+en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten.
+Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de
+heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote
+feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei
+wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld
+stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maand +Julius+ genoemd;
+ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, den
++Juliaanschen+. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden
+zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de
+koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde
+anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der
+heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om
+Caesar te dooden. Aan het hoofd stonden +Brutus+ en +Cassius+. De 15de
+Maart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd,
+die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij
+door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken
+getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood
+ter aarde.
+
+Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consul
++Antonius+ bewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige
+begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die
+de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de
+verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat
+allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken
+doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven
+stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat
+alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en
+de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen
+der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe
+burgeroorlog was nabij.
+
+
+
+
+21. Octavianus Augustus.
+
+
+1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5], +Octavianus+, tot zijn
+hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar
+liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij
+in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg
+Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen trad +Cicero+
+op, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius,
+als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had
+hij den senaat de grootste diensten bewezen door 't verijdelen der
+samenzwering van +Catilina+, die de heerschappij der optimaten wilde
+breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit
+geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhanger
++Lepidus+ hem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop
+gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van 't
+Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar
+Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en
+Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen
+en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede
+driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen
+al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius
+en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord,
+op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten,
+als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze
+ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen,
+was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam
+"Vader des Vaderlands" gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem
+dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde.
+
+ [5] Genealogische tabellen no. 2.
+
+Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en
+Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers
+gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der
+senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De
+aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de
+overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een
+valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk
+ook Brutus en gaf zich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de
+laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van
+welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende
+Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus
+en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste
+de oostelijke landen.
+
+
+2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius
+spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het
+schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en
+hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en
+verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van
+Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze
+bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij
+bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid
+ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard
+werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken
+vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in
+den zeeslag bij kaap +Actium+ (west. van Hellas) de koningin Cleopatra
+vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo
+zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep.
+Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door
+Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was,
+en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven
+vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te
+winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nog vreesde in triomf
+naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door -- zoo
+verhaalt men -- eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte
+werd nu eene Romeinsche provincie.
+
+Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het
+monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste
+titels beschonken. Men gaf hem den bijnaam +Augustus+, d. i. de
+verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus
+liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich,
+door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij
+koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in 't
+Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad
+de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een
+keizerrijk veranderd.
+
+
+3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner
+macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het
+Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen
+uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn,
+den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische
+woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde,
+o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en
+Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze
+groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de
+helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren
+behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar pracht en rijkdom waren
+grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen,
+prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en
+dergelijke.
+
+De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder
+de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de
+wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en
+raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome
+samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige
+burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen
+aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der
+slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook
+eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan
+echte menschelijkheid.
+
+
+4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche
+stadhouders regeerden, +Jezus, de stichter van 't christendom+, geboren.
+Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder
+de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen.
+Met den opkomenden bloei van 't christendom valt het optreden der
++Duitschers+ of +Germanen+ samen, die van nu af met de Romeinen om de
+wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoon +Drusus+ met
+een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering
+den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was,
+volgde zijn broeder +Tiberius+ hem op, die meer door list dan door macht
+slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouder +Varus+, die
+zonder schroom de Duitsche instellingen veranderde en geheel naar
+willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had,
+verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van
+hen, +Armin+ of +Herman+, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus
+in het +Teutoburgerwoud+ -- 9 na Chr. -- en werd zoo de bevrijder van
+Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te
+weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: "Varus, Varus, geef mij mijne
+legioenen terug!" en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome
+verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee
+gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden,
+was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de
+grootste rust t'huis bleven.
+
+
+5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter
+Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel
+kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus' derde
+gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de
+bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus
+stierf in 't jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot
+de omstaande vrienden gezegd hebben: "Applaudisseert, want ik heb mijne
+rol goed gespeeld." Deze woorden geven juist het karakter van den koelen
+man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar
+steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden
+opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer
+bij den aanvang zijner regeering toe: "Regeer gelukkig als Augustus!"
+
+
+
+
+22. Verscheidene keizers van 't Romeinsche rijk.
+
+
+1. Tiberius, die Augustus opvolgde, was een somber, hardvochtig en wreed
+mensch. Hij zond +Germanicus+, Drusus' zoon, tot een krijg der wrake
+naar Duitschland, maar kon hier even weinig bereiken als Augustus.
+Wantrouwend over het aanzien van den dapperen Germanicus, riep hij dezen
+uit Duitschland terug en verplaatste hem naar Syrië, waar hij hem
+waarschijnlijk liet vergiftigen. De argwaan en de wreedheid van den
+tyran werden door zijne gemalin nog vermeerderd, zoodat hij ontzettend
+woedde, tot hij eindelijk door den overste zijner lijfwacht vermoord
+werd. Onder zijne regeering zijn de Friezen opgestaan, die eerst bijna
+20 jaar later onder die van +Claudius+ weêr onderdrukt zijn.
+
+Onder de slechte vorsten in de eerste eeuw is +Nero+ wel de
+vreeselijkste. Hij liet zijn stiefbroeder, zijne vrouw, ja zijne eigene
+moeder vermoorden. Zijn vroegere leermeester, de beroemde +Seneca+,
+werd gedwongen zich zelven te dooden. Met de schrikkelijkste wreedheid
+verbond Nero eene ijdelheid, die aan waanzin grensde. Hij hield
+zichzelven voor den eersten kunstenaar der wereld, en trok als
+harpspeler en wagenmenner geheel Italië en Griekenland door om zich te
+laten huldigen. Een groote brand in Rome zou hem aanleiding hebben
+gegeven om van de tinne van zijn paleis af den brand van Troje te
+bezingen. Toen zich daarop de haat van het volk ontwikkelde, schoof hij
+de schuld van den brand op de christenen, die in Rome slechts weinig in
+aanzien stonden, en begon de eerste christenvervolging. Vele aanhangers
+van Jezus werden gekruisigd, andere door dieren verscheurd, nog anderen
+verbrand. Toen eindelijk de eene stadhouder na den anderen oproerig
+werd, vluchtte de laffe tyran op een landgoed, waar hij zich, om zijne
+terechtstelling te ontgaan, door een vrijgelaten slaaf liet vermoorden.
+Zijne laatste woorden zouden geweest zijn: "Ach, welk een kunstenaar
+verliest de wereld in mij!"
+
+
+2. Na Nero volgden in zeer korten tijd drie keizers, waarvan er geen een
+natuurlijken dood stierf. De soldaten, die nu gewoonlijk den keizer
+aanwezen, kregen eerst in +Vespasianus+ een geduchten heerscher, onder
+wien weêr rust en orde heerschte. Van zijne oorlogen is ons met name die
+met de Joden opmerkenswaardig. Dit volk was reeds dikwijls tegen de
+Romeinen opgestaan, en was telkens eerst na veel bloedvergieten weêr
+onderworpen. In Nero's tijd was andermaal een oproer ontstaan, en
+Vespasianus, die toen nog generaal was, trok tegen Jeruzalem op, om de
+stad te belegeren. Toen hij intusschen tot keizer werd uitgeroepen,
+droeg hij de onderwerping der Joden aan zijn zoon +Titus+ op. Deze
+betoonde zich een menschenvriend, en beproefde lang de Joden door
+goedheid te winnen. Maar toen dat niets hielp, zette hij de belegering
+van Jeruzalem met grooten ijver voort en tastte het eene deel der stad
+na het andere aan. Daar zich hier wegens het paaschfeest eene groote
+menigte menschen bevond, brak er een ontzettende hongersnood uit,
+en daarop volgden verwoestende ziekten. Niettegenstaande dezen
+verschrikkelijken nood waagde niemand in de stad van overgave te
+spreken. Toen Titus het benedendeel van Jeruzalem stormenderhand genomen
+had, deed hij nogmaals eene goedwillige poging, die weêr afgewezen werd.
+Daarop veroverde hij den burg en den tempel, waar de Joden zich het
+hardnekkigst hadden gehandhaafd. Ofschoon Titus den tempel sparen wilde,
+werd dit prachtig gebouw toch in de woede van den strijd eene prooi der
+vlammen. Er bleef geen steen op den anderen. De groote stad Jerusalem
+zonk in asch. De inwoners werden gedood of tot gevangenen gemaakt. Men
+schat het aantal der omgekomen en weggesleepte Joden op meer dan een
+millioen. Het Israelietische volk verstrooide zich over den geheelen
+aardbodem. Zijne heilige stad bleef onder vreemde heerschers. 70.
+
+
+3. Titus regeerde maar twee jaren als keizer, en toonde zich gedurende
+dien tijd zoo edel en wijs, dat men zijne vroegere gewelddadigheden en
+buitensporigheden geheel vergat. Het Romeinsche volk noemde hem "de
+vreugd en wellust van het menschelijk geslacht." -- Gedurende de
+regeering van Titus, in 't jaar 79, had eene groote aardbeving plaats
+met een hevige uitbraak van den vuurspuwenden berg Vesuvius (bij
+Napels). Daardoor werden de steden Pompeji, Herculanum en Stabiae
+bedolven, zoodat men haar spoor niet meer zag. Eerst voor 100 jaren
+ontdekte men Herculanum en Pompeji weêr en begon men langzamerhand de
+oude steden weêr op te graven. Toen vond men alles nog zoo als het
+eenmaal begraven was, slechts was het door de heete asch verdroogd of
+tot stof geworden. In de goed gebleven woningen vond men het huisraad,
+de boeken, de spijzen op de tafel. Geraamten van menschen stonden en
+zaten in de houding, waarin de dood hen overvallen had.
+
+Na de aardbeving ontstond een hongersnood, die van ziekten vergezeld
+was. Een groot gedeelte van Rome werd door een brand verwoest. Bij
+deze ongelukken toonde Titus zich van de welwillendste zijde. Den dag,
+waarop hij niets goeds gedaan had, hield hij voor verloren. Hij wilde
+ook, dat niemand treurig van zijn troon wegging. Hoe jammer toch, dat
+zulk eene goede regeering slechts twee jaar duurde! +Domitianus+, de
+broeder van Titus, heerschte als een monster in alle ondeugden omtrent
+15 jaar. Maar op hem volgden gelukkig verscheidene goede keizers.
+
+
+4. +Trajanus+, een Spanjaard van geboorte, verwierf zich de liefde der
+Romeinen in zoo groote mate, dat men hem den "besten" noemde, en dat men
+nog 250 jaar na zijn' dood den nieuwgekozen keizer toeriep: "Heersch
+gelukkig als Augustus, mild als Trajanus!" Overigens mag niet
+onopgemerkt blijven, dat ook Trajanus de Christenen vervolgde. Zijn
+opvolger +Hadrianus+ beminde den vrede, en bevorderde kunsten en
+wetenschappen, maar toonde bij groote ijdelheid ook wreeden zin. Hij
+bouwde de stad Hadrianopel (in het tegenwoordige Turkijë) en liet ook
+Jerusalem weêr verrijzen. Toen hij echter hier aan den Romeinschen god
+Jupiter liet offeren, werden de Joden oproerig, en er ontstond een
+driejarige strijd, waarin ongeveer 500,000 man gedood werden. Daarbij
+werd Jerusalem nogmaals de vernieling ten prooi, werd toen opnieuw
+opgebouwd en voor elk Israëliet gesloten.
+
++Antoninus+, genaamd Pius d. i. de vrome, toonde zich gedurende zijne
+lange regeering (138-161) een der beste keizers. Hij vermeed den oorlog,
+terwijl hij den schoonen grondregel volgde: "Ik wil liever één burger
+het leven behouden, dan duizend vijanden dooden." Hij verbreidde overal
+geluk en zegen, en was zoo geacht, dat de verwijderdste volken hem als
+hun scheidsrechter kozen. Eeuwen lang bleef zijn aandenken bij het volk
+in gedachtenis. Verscheidene latere keizers voegden zich zijn naam toe,
+om zich bemind te maken. Zijn pleegzoon +Marcus Aurelius+, ook Antoninus
+genaamd, regeerde in denzelfden geest (161-180). Hij kreeg den bijnaam
+"philosoof" d. i. wijsgeer[6], daar hij door eigene beschouwingen het
+rechte inzicht over het leven in zijne menigvuldige betrekkingen zocht
+te verkrijgen en te verbreiden. Ook onder dezen edelen keizer ontstond
+echter helaas eene christenvervolging. Daarenboven werd de regeering van
+Marcus Aurelius door den grooten krijg tegen de +Markomannen+, een
+Duitschen volkenbond in het tegenwoordige Bohemen, zeer verontrust.
+Veertien jaar lang streden de Romeinen tegen de geduchte vijanden, en
+aan het einde daarvan zag men den vrede nog niet verzekerd. Marcus
+Aurelius stierf te Vindobona, het tegenwoordige Weenen.
+
+ [6] Na de zeven wijzen van Griekenland (blz. 36), die allen
+ gelijktijdig leefden, 600 v. C., was dit woord ontstaan,
+ beteekenende vriend van, zoeker of strever naar wijsheid.
+ Pythagoras te Croton had het woord _philosophos_ in plaats van
+ _sophos_ (wijze) gesteld.
+
+Op de glorierijke regeering der beide edele Antonijnen, volgde een tijd
+van verval. +Commodus+, de dwaze zoon van den wijzen Marcus Aurelius,
+regeerde zoo slecht, dat hij vermoord werd. De meeste Romeinsche keizers
+van 't jaar 180 af waren boosaardige lieden, die oneindig veel jammer
+over de menschheid brachten. Van hen heerschten er tot het jaar 300 niet
+minder dan 36, van welken er 27 vermoord werden en drie in den krijg
+vielen. Het leger stelde naar welgevallen keizers aan en af en doodde
+de weinige beteren, die de poging waagden, de vervallen discipline te
+herstellen. Bij deze soldatenheerschappij ging het rijk met snelle
+schreden zijn ondergang te gemoet, te meer daar behalve bovengenoemden
+zich nog verschillende andere bonden onder de Germaansche stammen
+gevormd hadden ter verdediging tegen en ter bestoking van het Romeinsche
+rijk. Zoo moest keizer +Aurelianus+ het door Trajanus veroverde Dacië
+(275) aan de West-Gothen afstaan, een der weinige onder de Germaansche
+stammen, die toen reeds het christendom aangenomen hadden. Hunne
+voorouders hadden reeds eeuwen vóór onze jaartelling benoorden de Zwarte
+zee gewoond en hadden daar een belangrijken stoot van de Grieksche (blz.
+32) beschaving ondervonden. Zoo waren zij andere verwante stammen in
+ontwikkeling ver vooruit, blijkbaar o. a. uit hunne taal, die ons bekend
+is uit eene bijbeloverzetting van hun bisschop Ulfilas.
+
+
+
+
+23. Constantijn, de eerste Christenkeizer.
+
+
+1. Door keizer Diocletianus (300), die een energiek man was, had het
+Romeinsche rijk eene nieuwe inrichting van 't bestuur gekregen. Daar hij
+inzag, dat één enkel vorst het zoo uitgebreide landgebied niet goed
+beheerschen kon, benoemde hij mederegenten, van welken er een in Trier
+woonde en Constantius heette. Deze man was wijs en toonde zich den
+christenen genegen. Zijn zoon +Constantijn+ was zulks nog meer. Even na
+den dood van Diocletianus in 't Oosten, volgde Constantijn zijn vader
+op in Trier, en binnen eenige jaren had deze al zijne mederegenten
+overwonnen en zich dus tot alleenheerscher in het geheele groote rijk
+opgewerkt (323). Hij begunstigde het christendom op in 't oog loopende
+wijze. Inderdaad dacht hij in 't begin slechts daaraan, dat de
+christenen hem in den strijd tegen de medekeizers krachtig konden
+ondersteunen. Ook bleef hij nog heiden en was zelf heidensch
+opperpriester. Daarentegen spreidde zijne moeder Helena een grooten
+ijver voor de nieuwe leer ten toon. Zij liet in Palestina de plaatsen,
+die den christenen heilig waren, weêr opzoeken en met prachtige tempels
+tooien. Het christendom was van een vervolgden godsdienst tot een
+heerschenden geworden. Hoewel altijd nog heiden, beheerschte Constantijn
+toch de kerkelijke aangelegenheden der christenen, en schreef ook
+de eerste algemeene kerkvergadering voor, die in 325 te Nicaea in
+Klein-Azië plaats vond en aan vele twisten een einde maakte. Eene
+belangrijke daad van Constantijn was de stichting eener nieuwe
+hoofdstad. Hij verplaatste zijne residentie naar Byzantium (blz. 32),
+dat hij Nieuw-Rome noemde, maar later den naam Constantinopolis of
++Constantinopel+, d. i. Constantijnsstad, kreeg. De uitstekende ligging
+dezer nieuwe hoofdstad lokte eene groote bevolking. Toen ook de
+kunstschatten van Azië, Griekenland en Italië aan Konstantinopel
+toevloeiden, zonk het oude Rome altijd meer in vergelijking met het
+nieuwe.
+
+Constantijn had zijn' doop uitgesteld tot tegen zijn naderend
+levenseinde, daar hij meende, dat deze alle vooraf begane zonden
+afwiesch. Toen hij, 65 jaren oud, in eene zware ziekte verviel, liet
+hij zich eindelijk doopen, en stierf toen weinige dagen daarna (337).
+
+
+2. De wreedheid, die Constantijn tegen zijne naaste verwanten geoefend
+had, had zich op zijn zoon +Constantius+ overgedragen. Deze liet zijne
+medeërvende broeders en neven met andere bloedverwanten uit den weg
+ruimen en wierp zich op als alleenheerscher. Dat hij, de eerste keizer,
+die christelijk opgevoed was, eene vervolging der heidenen verordende,
+mag niet onvermeld blijven. Toen hij zich in zijne slechte regeering
+niet meer alleen handhaven kon, riep hij zijn neef +Julianus+, die in
+Athene was, tot zich en droeg hem weldra de heerschappij in Gallië over.
+
+Julianus, een beschaafd en dapper man, werkte in Gallië gelijk eenmaal
+Caesar, herstelde overal rust en orde en verwierf zich de liefde van
+leger en volk. Daarop ijverzuchtig, verlangde Constantius, dat Julianus
+hem de beste troepen zou uitleveren. Toen begreep deze, wat hem te
+wachten stond, en ras besloten, rukte hij met zijne soldaten, die hem in
+Parijs tot keizer kozen, tegen Constantius op, die echter reeds vóór den
+strijd stierf. Nu was Julianus alleen keizer en toonde zich gedurende
+zijne korte regeering, die slechts 20 maanden duurde, zeer werkzaam,
+spaarzaam en rein van zeden. Daar hij van christelijke leeraars veel
+geleden en in 't algemeen geen goed begrip van den nieuwen godsdienst
+gekregen had, keerde hij zich tot het heidendom, tengevolge waarvan hij
+"de afvallige" genoemd werd. Toch moet opgemerkt worden, dat Julianus
+geen vervolging der christenen duldde, en dat hij steeds met goedheid en
+verschooning te werk ging. In een oorlog tegen de Perzen viel hij, door
+een pijl getroffen, 32 jaar oud. -- 363.
+
+
+
+
+24. De volksverhuizing. -- 375.
+
+
+1. Onder de opvolgers van keizer Julianus ontstond de groote
+volksverhuizing, die haar uitgangspunt in 't binnenste van Azië had en
+zich door Europa, ja zelfs tot Afrika uitstrekte. Reeds sedert langen
+tijd waren de volken aan de grenzen van het Chineesche rijk in beweging
+geraakt. De Chineezen zelf hadden zich van de oudheid af zeer afgesloten
+gehouden, weshalve zij ook tegen hunne noordelijke naburen een
+monsterachtigen muur oprichtten. Daardoor bleven zij, ofschoon zij in
+nijverheid en kunsten zeer bekwaam zijn, altijd op een eenzijdig en
+beperkt standpunt, tot zij eindelijk het verkeer met vreemde volken niet
+meer uitsluiten konden en zoo voor den algemeenen voortgang der
+beschaving gewonnen werden.
+
+In het noorden van China leefden de +Hunnen+, een barbaarsch
+herdersvolk, dat overal vrees teweegbracht. De lieden waren klein en
+dik, met breede schouders en groot hoofd. Zij kleedden zich in
+dierenvellen en leefden geheel in de vrije natuur. Huizen meden zij als
+graven. Dag en nacht zaten zij op hunne leelijke paarden, die echter
+het loopen zeer lang volhielden. Zij leefden van de wortels van wilde
+kruiden, of van rauw vleesch, dat zij door rijden zacht maakten. Oorlog
+was hun grootste lust.
+
+Toen zij in 375 hunne steppenlanden verlieten en in Europa verschenen,
+stieten zij op Germaansche volken, eerst op de +Alanen+, die tusschen de
+Wolga en den Don woonden. Daar dezen zich tegen de wilde horden niet
+verdedigen konden, sloten zij zich bij hen aan en trokken meê tegen de
++Gothen+, die de landen tusschen de Zwarte zee en de oevers van den
+Weichsel tot aan de Oostzee bezaten, en zich in Oost- en West-Gothen
+onderscheidden. De Oostgothen, eerst opgejaagd, wierpen zich op de
+Westgothen, en dezen wendden zich tot +Valens+, den bestuurder der
+oostelijke provinciën van 't Romeinsche rijk, die hun woonplaatsen
+binnen den Donau toestond. Toen zij echter tijdens een hongersnood door
+de keizerlijke beambten slecht behandeld werden, verhieven zij zich tot
+een vreeselijken kamp, waarin ook Valens viel, bij Hadrianopel 378.
+Reeds stonden de zegevierende Westgothen onder de muren van
+Constantinopel en dreigden met schrikkelijke verwoesting. Toen kwam de
+nieuw gekozen keizer +Theodosius+ ijlings aanzetten en bemiddelde den
+vrede. De Gothen kregen Thracië, in 't oosten van Turkije, en verbonden
+zich daarvoor, den keizer 40.000 man hulptroepen te leveren. Van nu af
+dienden altijd Gothen, grootendeels onder eigene bevelhebbers, in het
+Romeinsche leger, en kregen zelfs de aanzienlijkste plaatsen.
+
+Kort vóór zijn dood, in het jaar 395, deelde Theodosius het Romeinsche
+rijk tusschen zijne beide zonen +Honorius+ en +Arcadius+, zoodat de
+eerste de westelijke provinciën met de hoofdstad Rome, de ander
+de oostelijke met Constantinopel kreeg. Van nu aan was er een
++West-Romeinsch+ of +Latijnsch+ en een +Oost-Romeinsch+ of +Grieksch+ of
++Byzantijnsch+ keizerrijk. Daar de beide keizers nog zeer jong waren,
+heerschten in hunne plaats ministers, die elkander echter wederkeerig
+haatten en bestreden. Daardoor werd de wanorde in het rijk nog grooter.
+Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hof te Constantinopel den
+krijgshaftigen koning der Westgothen, +Alarik+, tot een inval in Italië
+aanspoorde. Dat was het begin van het einde der Romeinsche heerlijkheid.
+
+
+2. Alarik trok -- omstreeks 400 -- aan het hoofd zijner Gothen
+verwoestend door Griekenland en van daar naar Italië. In dezen
+algemeenen nood vermanden zich de Romeinen onder leiding van +Stilico+
+tot een ernstigen tegenstand. Alarik trok zich naar Illyrië terug. Zijn
+inval in 't Romeinsche rijk had echter in geheel Europa het grootste
+opzien gebaard en andere volken tot dergelijke tochten aangemoedigd.
+De dappere Stilico beschermde nog het rijk. Maar toen hij door zijn
+wantrouwenden keizer, met wiens dochter hij gehuwd was, ter dood
+gebracht werd, verscheen Alarik weêr en sloeg zijne legerplaats op in
+'t gezicht van Rome. De groote stad, die sedert Hannibals tijden geen
+vijand voor hare poorten gezien had, sidderde voor de Duitsche
+legerscharen en vroeg om vredesonderhandelingen. Alarik eischte eerst al
+het goud en zilver der stad; maar later liet hij zich met 5000 pond goud
+en 30000 pond zilver tevreden stellen.
+
+Keizer Honorius, die gevlucht was, wilde het verdrag, dat de Romeinen
+met Alarik gesloten hadden, niet laten gelden. Toen keerde deze naar
+Rome terug en stelde een anderen keizer aan. Maar later onderhandelde
+Alarik weêr met Honorius, en eischte bijzonder, dat zijn volk vaste
+woonplaatsen zouden worden ingeruimd. Toen dit vergeefsch was, trok
+Alarik ten derden male tegen Rome op. Hij nam de stad stormenderhand en
+liet haar zijn volk ter plundering over. Het was in het jaar 410,
+ongeveer 800 jaar na de eerste verwoesting van Rome door de Galliërs,
+en de trotsche stad, waar sedert 1000 jaar ongehoorde schatten
+samengebracht waren, viel nu als buit in de macht van een "barbaarsch"
+volk. Maar gedurende hunne driedaagsche plundering gingen de Gothen zeer
+verschoonend te werk, zoodat zij zich zeer gunstig onderscheidden van de
+Romeinen, die eenmaal in Karthago zoo vreeselijk huisgehouden hadden.
+
+Alarik bleef maar weinige dagen in Rome. Zijn plan was, eerst Sicilië te
+veroveren en dan naar Afrika te gaan. Toen overviel hem plotseling de
+dood te Cosenza in beneden-Italië. De treurende Gothen hielden een zeer
+plechtige begrafenis. Zij leidden de rivier Busento af, begroeven in
+haar bedding Alarik met groote eerbewijzen, en lieten toen het water
+zijn vorigen loop weêr, opdat niemand de plaats zou vinden, waar de
+groote held der Gothen zijne rust gevonden had.
+
+
+3. Tot opvolger van Alarik werd zijn zwager, +Athaulf+ of +Adolf+,
+gekozen. Deze verzoende zich met keizer Honorius, huwde diens zuster en
+verliet met de Gothen het verwoeste Italië, om naar Frankrijk en Spanje
+te trekken. In beide landen aan deze en gene zijde der Pyrenaeën
+ontstond een west-Gothisch rijk, dat tot groote macht geraakte.
+
+De oorlogen in Italië hadden de Romeinen gedwongen, hunne troepen uit de
+provinciën terug te roepen. Daardoor ging het eene land na het andere
+verloren en wel meestal aan Duitsche volkeren. De +Vandalen+ trokken van
+het Reuzengebergte door Duitschland en Gallië naar Spanje, en eindelijk
+onder hun koning Geiserik naar Afrika, waar zij een groot rijk met
+de hoofdstad Karthago stichtten, 429. De Bourgondiërs hadden zich
+intusschen aan den boven-Rijn neêrgezet en bezaten een tijd lang de stad
+Worms. Het noordwestelijk Gallië werd door de +Franken+ ingenomen en
+naar hen +Frankrijk+ genoemd. Reeds ten tijde van Julianus den afvallige
+hadden zij zich aan den beneden-Rijn gevestigd, nu breidden zij zich van
+daar uit tot aan de Loire en vestigden een aantal kleine rijken. Doornik
+was een hunner hoofdzetels, later ook Soissons. Ook +Brittannië+ werd
+door Duitsche volken, de +Angelen+, +Saksen+, en +Jutten+, in bezit
+genomen. Het veroverde land kreeg den naam +Angelland+ of +Engeland+.
+
+Terwijl zoo het eene deel na het andere van het Romeinsche rijk
+afgescheurd werd, kwamen de Hunnen, die middelerwijl tusschen Wolga en
+Donau gehuisd hadden, met de oude en nieuwe bewoners der Romeinsche
+provinciën in altijd nadere beroering en brachten een groot gevaar voor
+allen.
+
+
+4. De Hunnen waren omstreeks het jaar 450 door hun stouten aanvoerder
++Attila+ of Etzel tot een groot geheel vereenigd en daardoor tot een
+machtig krijgsvolk verheven. Attila was klein van gestalte, maar
+ijzervast in lichaams- en wilskracht. Als hij de kleine fonkelende oogen
+rolde, overviel ook den dappersten een siddering. Zijn hoofdlegerplaats
+was in Hongarijë, waar hij in een houten tent de vreemde gezanten
+ontving.
+
+Hij werd niet anders genoemd dan +Godegisel+, d. i. geesel Gods tot
+tuchtiging der wereld. Voor dezen geesel beefden de volkeren allerwege.
+Eerst keerde Attila zijn zwaard tegen de oostelijke provinciën en
+plunderde ze op schrikkelijke wijze. De keizer te Constantinopel
+sidderde en verbond zich, hem eene jaarlijksche schatting van 2000 pond
+goud te betalen. Nu keerde Attila zijn zwaard tegen het westen. In den
+winter van het jaar 450 brak de Hunnenheld aan het hoofd van een half
+millioen strijders uit zijne legerplaats in Hongarije op en trok, alles
+verwoestend, naar den Rijn. Hier traden hem de Bourgondiërs te gemoet;
+zij bezweken echter voor de talrijke horden. Even weinig vermochten de
+Franken en andere Duitsche volken een grooten tegenstand te bieden.
+De schoonste steden, die reeds door de Romeinen gesticht waren, als
+Spiers, Worms, Mainz, Straatsburg, werden met den grond gelijk gemaakt.
+Het sterke Metz viel na een korten tegenstand in handen der ruwe
+overwinnaars. Trier werd voor de vijfde maal verwoest. Reeds stonden
+de Hunnen voor Orleans. Toen kwam er hulp.
+
+De Romeinsche veldheer +Aëtius+ had zich met +Theodorik+, koning der
+Westgothen, verbonden en verscheidene Duitsche volkeren te hulp
+geroepen. Dit vereenigde leger trad Attila stout te gemoet. Op de
++Catalaunische velden+ aan de Marne, bij het tegenwoordige +Chalons+,
+begon de volkenslag, waarin Attila voor het eerst geslagen werd. Omtrent
+200000 menschen waren gevallen. De vorst der Hunnen trok naar Hongarijë
+terug.
+
+Reeds in het volgende jaar had Attila evenwel een nieuw leger bijeen.
+Daardoor stout gemaakt, eischte hij herhaaldelijk de hand van Honoria,
+de zuster van keizer Valentinianus III. Toen deze hem geweigerd werd,
+viel hij in Italië. Hij veroverde en verwoestte de belangrijke
+handelsstad Aquileja aan de Adriatische golf. Hare bewoners vluchtten,
+gelijk de Tyriërs, op de vele kleine eilanden der zee en stichtten daar
+het later zoo beroemde +Venetië+. Intusschen verwoestte Attila de steden
+Verona, Milaan en vele andere, en trok naar Rome. De beangste hoofdstad
+vroeg een wapenstilstand, terwijl zij een gezantschap met den bisschop
++Leo+ aan het hoofd naar Attila zond. Deze liet zich door de betaling
+eener geldsom tot den aftocht bewegen, en keerde met zijne horden naar
+Hongarijë terug. Het was zijn laatste legertocht, want hij stierf reeds
+in 't jaar 453.
+
+De dood van Attila bevrijdde de wereld van een vreeselijken geesel. De
+zonen van den stouten hoofdman konden de macht der Hunnen niet staande
+houden. De onderworpene volken maakten zich onafhankelijk en tastten
+ook hunne oude onderdrukkers aan, die zich eindelijk aan de Wolga
+terugtrokken en onder andere volken verloren. In hunne plaats zetten
+zich in Hongarijë de Oostgothen en Langobarden neêr, die echter spoedig
+naar Italië opbraken en hier nieuwe rijken stichtten. Daarmeê had de
+volksverhuizing haar einde bereikt.
+
+
+
+
+25. Ondergang van het West-Romeinsche rijk. -- 476.
+
+
+1. Het West-Romeinsche rijk bestond bijna slechts nog uit Italië, en
+ook dit land ijlde met snelle schreden zijn ondergang te gemoet. De
+wantrouwende keizer Valentinianus vermoordde den overwinnaar der Hunnen
+Aëtius, den laatsten steun van 't keizerrijk. Daarop werd Valentinianus
+op aansporing van den bevelhebber Maximus vermoord, die nu zelf den
+troon besteeg en de keizerin-weduwe Eudoxia dwong, zijne gemalin te
+worden. Deze wreekte zich, zoo het heet, daardoor, dat zij heimelijk
+den Vandalenkoning +Geiserik+ uit Afrika riep. In allerijl verscheen
+de Karthager met zijne vloot en trok met het gelande leger naar Rome.
+De vluchtende Maximus werd door het volk gesteenigd en in den Tiber
+geworpen. Niemand waagde tegen de Vandalen te strijden. Toen deed de
+bisschop +Leo+ eene bedevaart tot Geiserik en verzocht, de ongelukkige
+stad voor vuur en zwaard te sparen. De Vandaal beloofde het en hield
+woord zoo goed hij kon.
+
+Het was op den 25sten Juni 455, dat Geiserik zijn intocht in Rome
+hield. Hij duldde brand noch moord; maar veertien dagen lang duurde
+de plundering. Alle kunstschatten en kostbaarheden, die sedert de
+vernieling door Alarik nog voorhanden waren, werden een buit der ruwe
+Vandalen. Zij sleepten bovendien nog verscheidene duizenden ongelukkige
+Romeinen, o. a. de keizerin en hare beide dochters, als gevangenen weg.
+Karthago had na zes eeuwen zijne wrekers naar de Tiberstad gezonden.
+Maar zelfs de Vandalen gingen hier minder wreed te werk, dan eens de
+Romeinen in Karthago.
+
+
+2. Na deze geduchte nederlaag van Rome heerschten hier in de korte
+tijdruimte van 20 jaren nog 9 keizers, die door de bevelhebbers der
+Duitsche troepen aangesteld en afgezet werden. De schepter ging van hand
+tot hand, tot eindelijk +Odoaker+, een Duitsch legeraanvoerder, aan het
+oude rijk een einde maakte. Hij voerde de +Herulers+ en +Rugiërs+ aan,
+die eertijds in Pommeren woonden, en eischte voor de veeljarige diensten
+zijner troepen een gedeelte van den grondeigendom. Toen dat geweigerd
+werd, verdreef hij den laatsten Romeinschen keizer +Romulus+ (Augustulus
+of de kleine Augustus bijgenaamd, omdat hij pas 15 jaar oud was) en
+noemde zich zelven +koning van Italië+. Den jongen Romulus werd het
+leven geschonken en een slot met een jaarlijksch inkomen bewilligd.
+Daarentegen moest de vader van den laatsten keizer, de eergierige
+veldheer Orestes, het leven laten.
+
+Zoo werd in het jaar 476 na Chr. het Romeinsche rijk vernietigd, dat
+volgens zijne eigene tijdrekening meer dan 12 eeuwen bestaan had. Het
+Oost-Romeinsche of Grieksche rijk bestond na den ondergang van het
+West-Romeinsche nog ongeveer 1000 jaren, tot 1453. In dat jaar werd het,
+na vele voorafgegane verwarringen inwendig en aanvallen van buiten, door
+de Turken onderworpen.
+
+Met den val van Rome in het jaar 476 sluit de +oude geschiedenis+. In
+de plaats der ontaarde Romeinen traden nu de ruwe, maar onbedorvene
+volksstammen der Germanen of Duitschers, en stichtten op de puinhoopen
+van 't Romeinsche rijk nieuwe zelfstandige staten met eigene wetten,
+gebruiken en talen.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdst. Bladz.
+ 1. Inleiding 3.
+ 2. De Egyptenaren 6.
+ 3. Kores en de Perzen 13.
+ 4. De Phoeniciërs 21.
+ 5. De Grieken 26.
+ 6. De tocht naar Troje -- 1200 v. C. 28.
+ 7. Lycurgus en de Spartanen -- 888 32.
+ 8. Solon en de Atheners 34.
+ 9. De Perzische oorlogen 37.
+ 10. Pericles -- 444 45.
+ 11. Alcibiades 50.
+ 12. Socrates -- 400 52.
+ 13. Epaminondas en Pelopidas 57.
+ 14. Alexander van Macedonië 59.
+ 15. De oude Romeinen 66.
+ 16. Pyrrhus en Fabricius 70.
+ 17. De Punische oorlogen -- 264-146 73.
+ 18. De Gracchen 79.
+ 19. Marius en Sulla 82.
+ 20. Julius Caesar -- 44 84.
+ 21. Octavianus Augustus 89.
+ 22. Verscheidene Keizers van 't Romeinsche rijk 95.
+ 23. Constantijn de Groote -- 323 n. C. 100.
+ 24. De volksverhuizing -- 375 102.
+ 25. Ondergang van 't West-Romeinsche rijk 109.
+
+
+
+
+INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.
+
+=Middeleeuwen.=
+
+
+De oude Duitschers of Germanen. Herman -- 9. Theoderik -- 500. De
+Nevelingen. Mohammed -- 622. Bonifacius -- 755. Karel van Franken of de
+Groote -- 800. Alfred van Engeland -- 900. De eerste Duitsche koningen.
+Otto I, 936-973. Hendrik IV en Gregorius VII -- 1077. De eerste
+kruistocht -- 1099. Frederik I Barbarossa -- 1190. Frederik II -- 1250.
+De ridderstand. De burgerstand. Rudolf van Habsburg -- 1273. Het
+Zwitsersch bondgenootschap -- 1300. Verscheidene keizers van het
+Duitsche rijk. Huss -- 1415. De maagd van Orleans -- 1429. Ondergang
+v. h. Oost-Romeinsche rijk -- 1453. Gutenberg -- 1456. Columbus -- 1492.
+Einde der middeleeuwen.
+
+
+[Hand Symbool] Deze Algemeene Geschiedenis zal in 4 deeltjes compleet
+zijn, +Oudheid+, +Middeleeuwen+, +Nieuwe Tijd+, De jongste Eeuw.
+
+=Prijs f 2,20 voor het geheel.=
+
+
+
+
+Opmerkingen van de bewerker
+
+
+Voor de txt-versie van dit boek is cursief aangegeven met _cursief_, vet
+met _vet_ en gespatieerd met +gespatieerd+. Klein kapitaal is veranderd
+in hoofdletters. De voetnoten zijn verplaatst naar tussen de alinea's.
+
+Op de kaft aan de voorzijde was een woord onleesbaar, hier is
+"keer"zijde ingevuld (de inhoud van het 2e deeltje (+Middeleeuwen+) op
+de keerzijde).
+
+Leestekens zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Verder zijn de volgende
+correcties aangebracht, op bladzij
+
+ 17 "antwoorde" in "antwoordde" (Solon antwoordde)
+ 19 "3." toegevoegd. (3. Kores' veroveringstochten)
+ 30 "verwonderderden" in "verwonderden" (en verwonderden zich niet
+ weinig)
+ 31 "overgebleven" in "overgeblevenen" (dwaalden de overgeblevenen in
+ verwarring)
+ 43 "vehaalt" in "verhaalt" (zoo verhaalt men, gelukte)
+ 47 "meersterwerk" in "meesterwerk" (een uitgelezen meesterwerk der oude
+ bouwkunst)
+ 60 "menscheid" in "menschheid" (is voor de menschheid een groote zegen)
+ 71 "det" in "dat" (en zorgde, dat Fabricius vlak)
+ 75 "3." toegevoegd (3. Na den val der stad)
+ 78 "5." toegevoegd (5. Even vóórdat dit)
+ 88 "met" toegevoegd (den machtigen heerser met een gouden zetel)
+ 97 "onstond" in "ontstond" (Na de aardbeving ontstond een hongersnood)
+ 99 "onstond" in "ontstond" (dezen edelen keizer ontstond echter)
+ 108 "stichten" in "stichtten" (en stichtten daar het latere)
+ achterkant: "Gesehiedenis" in "Geschiedenis" (Deze Algemeene
+ Geschiedenis zal).
+
+Overigens is de originele tekst onveranderd overgenomen, met inbegrip van
+inconsequente spelling.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Algemeene Geschiedenis in Verhalen, by H. Solger
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 40351 ***