summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39008-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:11:41 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:11:41 -0700
commitbe84c493d5a2a5898c4e4a49a27e2bfe39567d7b (patch)
tree123467ac154863c762b99057a9d6774dc2d12951 /39008-0.txt
initial commit of ebook 39008HEADmain
Diffstat (limited to '39008-0.txt')
-rw-r--r--39008-0.txt5963
1 files changed, 5963 insertions, 0 deletions
diff --git a/39008-0.txt b/39008-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2f5b148
--- /dev/null
+++ b/39008-0.txt
@@ -0,0 +1,5963 @@
+Project Gutenberg's De kleine vossen, by Harriet Elizabeth Beecher Stowe
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De kleine vossen
+
+Author: Harriet Elizabeth Beecher Stowe
+
+Release Date: February 28, 2012 [EBook #39008]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is |
+ | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
+ | circumflex, met/zonder eind-n, met/zonder koppelteken. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+DE KLEINE VOSSEN.
+
+
+
+
+ Mevr. H. BEECHER STOWE
+
+
+ DE KLEINE VOSSEN
+
+
+ ZEVENDE DRUK
+
+
+ [drukkersmerk]
+
+ ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+„Wel, papa! wat denkt u van den winter in onze avondvoorlezingen te
+behandelen?” vroeg Jenny mij.
+
+„Ik denk er half en half over,” gaf ik haar ten antwoord, „eene reeks
+van huiselijke preeken te houden over een heel zonderlingen tekst, dien
+ik op den zolder in de kist met oude boeken, boven een preek heb zien
+staan.”
+
+„Alsjeblieft geen preeken, papa!—dat klinkt zoo vervelend; en met de
+winteravonden hebben wij wel wat onderhoudends noodig.”
+
+„Welnu,” zeide ik, „noem ze dan maar redevoeringen of voorlezingen of
+verhandelingen of schetsen; ik zie zoo niet op de woorden.”
+
+„Maar wat is dan die wonderlijke tekst, dien u in de boekenkist gevonden
+hebt?”
+
+„Er werd eens over gepreekt door den bet-overgrootvader van je moeder,
+den welsprekenden en hooggeachten Simon Shutleworth, „bij de gelegenheid
+van de treurige verdeeldheden onder de vromen in de stad West Dofield.”
+De tekst staat in 't Hooglied, hoofdstuk II vers 15: „_Vangt gijlieden
+ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze
+wijngaarden hebben jonge druifjes._””
+
+„Dat is al een heel kluchtige tekst, en ik kan niet begrijpen, wat u
+daarvan zult maken.”
+
+„Eenvoudig eenige voorlezingen over Kleine Vossen,” zeide ik, „waarmeê
+ik die onbeduidende, weinig getelde, _kleine_ dingen bedoel, die aan ons
+huiselijk geluk knagen en de reden zijn dat onze huiselijke kring niet
+is wat hij wezen moet. Laat men mooie, goedingerichte prachtige huizen
+bouwen; laat men de muren met keurige schilderijen, met kunstjuweeltjes
+versieren; laten er tusschen die wanden menschen bij elkander wonen, die
+door banden des bloeds en der liefde verbonden zijn en dezelfde belangen
+hebben; stel u voor dat het allen goede en edele menschen zijn, en dat
+er liefde en godsvrucht onder hen heerschen;—toch maken enkele van die
+kleine vossen, waarover ik spreken wil, dat in zulk een veelbelovenden
+wijngaard de helft van de trossen (zooals ik 't huiselijk geluk zou
+noemen) niet rijp wordt. Wij zien dikwijls menschen samenwonen, die,
+ten volle bereid, indien 't noodig is, voor elkander te sterven, toch
+niet in staat zijn gelukkig met elkander te leven, althans die lang zoo
+gelukkig niet zijn, als men uit hunne gunstige omstandigheden opmaken en
+van hunne voortreffelijke karakters verwachten zou.
+
+„'t Komt in 't algemeen daar van daan, dat wij aan onzen huiselijken
+haard niet alleen het meest toegeven aan ons gevoel, maar ook in al
+ons doen geheel ongedwongen zijn; de huiselijke kring is het négligé
+des levens, onze achterkamer, ons kleedkabinetje, waar wij menig
+dagelijksch, halfsleten pakje achterlaten, als wij naar buiten gaan,
+om dáár vrij wat meer op ons doen en laten te letten. Vandaar is het
+bekende spreekwoord ontstaan: „Niemand is een held in de oogen van zijn
+kamerdienaar,” en van daar ook de gewone waarschuwing: „wenscht gij uw
+vriend te behouden, ga dan niet met hem onder één dak wonen.””
+
+„Dat is met andere woorden gezegd:” bracht mijne vrouw in het midden,
+„wij zijn allen gebrekkig en onvolmaakt: hoe meer wij met iemand
+in aanraking komen, des te meer gebreken merken wij in hem op. De
+karakters, die de proef van den dagelijkschen omgang kunnen doorstaan,
+zijn even zeldzaam als een klaveren-vier in een weide. Wie ons niet
+hinderen en kwellen door werkelijke gebreken, zijn doorgaans zoo flauw
+en zoo onbeduidend, dat ze ons vervelen. Iemand van een gelijkmatig,
+krachtig, scherpgeteekend karakter, die zich in alles meester is en
+niets overdrijft,—waarlijk, zóó iemand aan te treffen, is wel het
+laatste dat ge in de wereld vinden zult.”
+
+„Ik wilde maar zeggen,” hernam ik, „terwijl men zich in het huiselijk
+leven geheel zoo voordoet als men werkelijk is, terwijl daarin weinig
+van die slagboomen en sluiers zijn, waardoor de menschen in het openbare
+leven verhinderd worden, elkanders gebreken te zien en op elkander te
+hakken en te vitten—is het toch vreemd, dat men dit huiselijk leven
+doorgaans met minder nadenken en overleg begint en voortzet, dan ieder
+bij de meeste andere dingen, die hij ter hand neemt, noodig acht.
+Niemand zal een stoomwerktuig gaan maken, zonder vooraf nauwkeurig
+onderzocht te hebben, in welke verhouding de verschillende deelen tot
+elkander moeten staan, en zonder zich eerst eens af te vragen, of hij
+wel kennis en bekwaamheid en vermogen genoeg bezit, om het goed te doen.
+Niemand wordt violist, zonder eerst eens te zien, of zijne vingers wel
+lang en buigzaam genoeg zijn, om de accoorden te grijpen en mettertijd
+wat beters voort te brengen, dan een akelig gezaag en gekras. Wat zouden
+wij wel zeggen van iemand, die zonder zich in het minst om het stemmen
+van de instrumenten te bekommeren, een heel orchest samenbracht, en
+zich dan de haren uit het hoofd trok, om 't mislukken van zijn concert?
+Het is de schuld van de instrumenten niet dat zij met elkander zulk
+een schel geraas maken; zij kunnen ieder op zich zelf uitstekend en
+onberispelijk zijn; maar let men niet op den aard van elk instrument
+afzonderlijk, en voegt men ze dan toch bijeen, dan moet het concert wel
+in de war loopen. Nog erger zou het zijn, als iemand zoo dom was dat hij
+van een instrument iets verlangde, waarvoor het uit den aard der zaak
+niet berekend is,—als hij van de flageolet een solo voor den contre-bas
+verwachtte, en de bazuin hard viel, omdat zij niet zoo vlug en zoo rijk
+aan toonen is, als de viool.
+
+„En toch is menigeen niet dikwijls even dwaas bij 't opzetten van een
+huishouding? Een jongeling en een meisje verbinden zich met elkander,
+aangetrokken door zekere geestverwantschap, door eenige overeenstemming
+van karakters waaruit wederkeerige toegenegenheid ontstaan is. Men
+loopt er in den regel zeer los over heen om te onderzoeken, wie en
+wat zij zijn.—Men denkt niet aan den wederkeerigen invloed dien de
+beide karakters op elkander zullen oefenen—men beproeft en stemt
+de instrumenten niet vooraf, die eene levenslange harmonie of eene
+levenslange disharmonie zullen voortbrengen,—en na den korten tijd van
+het engagement, waarin hunne onderlinge betrekking zoo verschillend
+mogelijk gemaakt wordt van hetgeen zij later na hun huwelijk zal zijn,
+meubeleeren deze twee een huis en gaan ze te zamen wonen. Tien tegen
+een, dat de huiselijke haard terstond beschouwd wordt als een geschikt
+toevluchtsoord voor wederzijdsche betrekkingen en vrienden die ook
+al tot het huiselijk concert worden toegelaten, zonder eenigszins in
+aanmerking te nemen wat naar alle waarschijnlijkheid de invloed van
+het eene karakter op het andere zal zijn, en of al die instrumenten wel
+harmonieeren zullen. Dan komen er kinderen, waarvan ieder een wezen, een
+wil, een macht à-part in 't gezin is; en zoo ontstaat er, met de lagere
+machten van dienstboden en onderhoorigen, een huishouden. Waarlijk,
+'t is geen wonder, als al deze toevallig bijeengebrachte instrumenten
+tegelijk zich laten hooren, dat er nu en dan wel zoo veel disharmonie
+als harmonie ontstaat. Want al harmonieeren de man en de vrouw,
+misschien komen er wanklanken door schoonmoeder of schoonzuster, terwijl
+bovendien met ieder kind, dat een scherpgeteekend karakter heeft, het
+gevaar, dat het concert in de war loopt gedurig nog toeneemt. En toch,
+al geven wij dit alles toe, toch is er niets op de wereld, dat ons
+hooger en zuiverder geluk kan doen genieten, dan het huiselijk leven.
+Evenwel, door veredeling en zorg zou het nog veel gelukkiger kunnen
+worden. Wel kunt ge goede peren krijgen, eenvoudig door een pit in
+den grond te stekken, al laat ge den boom die er uit voorkomt jaren
+lang aan zijn lot over; maar fijner en lekkerder zijn ze toch, als de
+tuinman den boom zorgvuldig heeft gekweekt en bemest en gesnoeid. Wilde
+wijnstokken hebben wel eens overvloedig gedragen en heel lekkere druiven
+voortgebracht; maar toen onze vriend Dr. Grant zich met der woon te Iona
+neêrgezet had, wist hij door het bestudeeren van de wetten der natuur de
+oude soorten zóó te veredelen, dat hij er geheel nieuwe en veel geuriger
+uit trok. Zoo zou het ook ons gaan, wanneer al de kleine vossen, die
+den wijnstok en den vijgenboom van ons huiselijk leven verderven,
+verjaagd en gedood werden: wij zouden er veel heerlijker trossen en
+vruchten van inoogsten.”
+
+„Maar papa!” zei Jenny, „om tot de vossen te komen: zeg ons nu eens, wat
+zij zijn.”
+
+„Wel, zoo als de tekst zegt, het zijn _kleine_ vossen, de
+lievelingsbeestjes van sommige menschen, kleine diertjes, waarvan men
+geen kwaad vreest,—over het geheel beestjes, waarvan de menschen
+denken, dat zij wezenlijk wel wat goeds kunnen doen, maar in allen
+gevalle niet veel kwaads zullen uitrichten. En daar Noach de reine
+dieren bij zeven paren in de ark bracht, zal ik mij ook maar tot het
+heilige zevental bepalen. Ik noem mijn zeven kleine vossen:
+
+1. VITACHTIGHEID.
+
+2. PRIKKELBAARHEID.
+
+3. TERUGHOUDING.
+
+4. HOOFDIGHEID.
+
+5. ONVERDRAAGZAAMHEID.
+
+6. ONWELLEVENDHEID.
+
+7. ONVOLDAANHEID.
+
+„En hier hebt gij nu,” zeide ik, terwijl ik mijne preek in handen
+nam, „wat ik over den eersten kleinen vos te zeggen heb.”
+
+
+
+
+VITACHTIGHEID.
+
+
+
+
+I.
+
+VITACHTIGHEID.
+
+
+Een alleraardigst diertje, dat vele menschen onverhinderd in hunne
+huiselijke wijngaarden laten rondloopen, vast overtuigd, dat het den
+groei der druiven bevordert en een uitstekend middel is om ze in orde te
+houden.
+
+Nu mag men veilig als een regel stellen, dat niemand het pleizierig
+vindt, als een ander iets op hem te vitten heeft, maar dat iedereen zelf
+gaarne vit als iets hem niet bevalt.
+
+Lieve lezer of lezeres! is het niet een wezenlijk genot voor ons,
+wanneer wij wat kunnen aanmerken op iemand die ons niet aanstaat, of op
+iets, dat ons hindert?
+
+Dit schijnt bij den eersten opslag een afwijking van den gewonen regel.
+Over het algemeen gaat het zoo, dat hetgeen ons een genot is te doen,
+ook voor onzen buurman, wien wij het aandoen, een genot is. Het is een
+genot, te geven, en het is een genot, te ontvangen. Het is een genot, te
+beminnen, en een genot bemind te worden; een genot, te bewonderen, en
+een genot, bewonderd te worden. Het is evenzoo een genot, te hekelen,
+maar, 't is _geen_ genot, gehekeld te worden. Integendeel, juist zij,
+die door de prikkelbaarheid van hun humeur het meest tot hekelen geneigd
+zijn, kunnen 't minst van allen verdragen dat ze gehekeld worden: zij
+binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op
+de schouders der menschen, maar zij willen die met hunne vingeren niet
+verroeren.
+
+Nu bestaat er in dit opzicht eene groote moeilijkheid. Er komen in het
+leven dingen voor, die dringend verbetering noodig hebben; om ze te
+verbeteren, dient er toch wel over gesproken te worden met hen, die het
+aangaat. Dit opent een wijde deur tot vitterij voor anders welgezinde
+menschen, en doet hen met een ruim geweten de schuld van alles wat hen
+hindert op anderen verhalen. De vader en de moeder van een gezin zijn
+vitters _ex officio_ en moeten al de klachten van ieder, die tot het
+gezin behoort ontvangen; ja soms wordt de geheele huiselijke hemel door
+den kouden mist van die klaagzucht verdonkerd. Zulke misten brengen aan
+den wijngaard veel schade toe, en doen den honigdauw op menigen schoonen
+tros vallen.
+
+Orestes raakt verliefd op Hermione, omdat zij er zoo lief uitziet als
+een maneschijntje, zoo etherisch als een zomerwolk. Hij brengt terstond
+het gewone stelsel van aanbidding in praktijk, dat aan het huwelijk
+altijd vooraf gaat; hij verzekert haar, dat zij te goed voor deze
+wereld is, te teer en te schoon voor iets wat gewone menschenkinderen
+doen,—dat zij slechts op rozen moest treden, in de wolken zweven,—dat
+zij nooit een traan moest storten, nooit eenige vermoeienis kennen of
+zich moest inspannen, maar in een heldere, etherische sfeer leven, die
+harer alleen waardig is. Dat alles nu wordt haar in het oor gefluisterd
+bij wandelingen of spelevaarten in den maneschijn, en zoo dikwijls
+herhaald, dat men het haar niet kwalijk kan nemen, als zij eindelijk
+begint te gelooven, dat er toch wel iets van aan moet wezen.
+
+Nu volgt het huwelijk,—en het blijkt, dat Orestes 't heel precies met
+zijn koffie neemt, dat hij erg uit zijn humeur is, als het eten niet
+juist op het bepaalde uur klaar staat, en dat geen huiselijke schikking
+hem bevalt, als ze niet juist overeenkomt met de gewoonten zijner
+waardige moeder, die onlangs in den reuk van heiligheid stierf; ook hij
+verlangt, dat zijn huis op ieder uur van den dag in de volmaakste orde
+zal zijn. Toch stelt hij niet voor, een knappe huishoudster te nemen;
+alles moet gedaan worden door een paar onbehouwen meiden, onder het
+oppertoezicht van dat engelachtige wezen, dat slechts op rozen treden,
+in wolken zweven en nimmer aardsche zorgen kennen moest! Orestes heeft
+het dan ook nooit als een staaltje van den plicht eens echtgenoots
+beschouwd, een klein ongerief met stilzwijgen te verdragen. Hij zou
+gaarne zijn bloed voor Hermione vergieten,—ja hij heeft dit gedurende
+'t engagement, toen natuurlijk niemand dit van hem eischte en het ook
+nergens voor zou gediend hebben, meer dan eens in zijne opgewondenheid
+verzekerd! Maar op de idyllische kozerijen van toen, volgen er nu
+gesprekken, zoo als deze b. v.:
+
+„Lieve! die thee smaakt naar den rook; kan je Jansje dan niet leeren,
+daar beter op te passen?”
+
+„Lieve! ik heb er mijn best al toe gedaan, maar zij verkiest niet te
+doen wat ik haar zeg.”
+
+„Nu, ik zeg maar, als andere menschen goede thee kunnen drinken, dat wij
+het ook wel kunnen.”
+
+En later aan tafel:
+
+„Beste! dat vleesch is weêr al te gaar; het is ook _altijd_ te gaar.”
+
+„Niet altijd, lieve! Denk maar eens aan Maandag. Toen heb je zelf
+gezegd, dat het net goed was.”
+
+„Nu dan, _bijna_ altijd.”
+
+„Och lieve! het kwam van daag, omdat ik vóór den middag visite gehad heb
+en niet naar achteren kon om Bregje een pen op den neus te zetten, zoo
+als ik gewoonlijk doe. Het is ook een geduchte last, met zoo'n meid te
+moeten sukkelen.”
+
+„Bij mijn moeder aan huis ging het toch altijd goed: 't kwam er niet op
+aan, wat voor een meid zij had.”
+
+En dan weêr:
+
+„Beste! je moet er de meiden eens wat van zeggen dat zij zoo schandelijk
+veel steenkolen verstoken. Ik heb er nooit van gehoord, dat er in zoo'n
+klein huishouden als wij hebben, zoo veel door den schoorsteen ging;”
+of: „Lieve! hoe is het in de wereld mogelijk, dat je Leentje de courant
+laat scheuren?” of: „Lieve! 't zal maar het beste zijn, dat ik niet
+meer t'huis kom eten, als er geen mogelijkheid op is, dat het eten op
+zijn tijd klaar komt;” of: „Beste! je mag wel eens maken, dat mijn
+halfhemdjes wat beter gestreken worden—ik kan ze zoo onmogelijk
+voordoen;” of: „Lieve! je moet den kleinen Jan den spiegel in de
+zijkamer niet zoo laten bevingeren;” „Lieve! je moet zorgen, dat de
+kinderen niet meer op den zolder spelen;” of: „Beste! je moet aan Bregje
+zeggen, dat zij de mat niet buiten laat hangen, als zij den voorgang
+veegt,” en zoo voort. In één woord, „lieve” moet er voor zorgen, dat
+alles boven en beneden, op zolder, in keuken en in kelder geregeld zijn
+gang gaat, en zoo niet—dan moet er behoorlijk op gevit worden.
+
+En toch, als Orestes haar, die hij eens zijn engel noemde in tranen
+badende vindt, en zij hem zegt, dat hij haar niet meer zoo lief heeft
+als vroeger—dan werpt hij die beschuldiging verre van zich af en
+verklaart haar, dat hij haar meer dan ooit bemint, en misschien is
+dit werkelijk het geval. Het eenige is, dat zij uit het rijk van
+rozengeur en maneschijn in het werkelijk leven is overgegaan. Zoolang
+zij beschouwd werd als een engel, als een ster, als een vogel, als
+een avondwolk, viel er natuurlijk niets op haar te vitten; maar nu
+die engel vennoot in de firma van een huishouden geworden is, zien de
+zaken er heel anders uit. Als zij beiden nog in dezelfde omstandigheden
+verkeerden, zou Orestes hetzelfde nog eens kunnen betuigen, maar
+ongelukkig verkeeren zij nu nooit meer in dezelfde omstandigheden.
+Orestes is zonder verder na te denken, gewoon al wat hem voor den
+mond komt te zeggen. Vóór het huwelijk vereerde en aanbad hij zijn
+toekomstige vrouw als een ideaal, dat in het land der droomen en der
+poëzie zweefde, en hij deed zijn uiterste best, om haar ongeschikt
+te maken voor het werkelijk leven, dat haar na het huwelijk wachtte.
+Nog altijd geeft hij nu in zijn trouwen gedachteloos toe aan allerlei
+indrukken, evenwel niet meer om te prijzen maar om te bedillen en te
+veroordeelen. Juist dat gevoel voor schoonheid en bevalligheid, waardoor
+hij haar vóór het huwelijk zoo zeer bewonderde, doet hem nu, als hij de
+inrichting van het huishouden nagaat, dagelijks honderd verkeerdheden
+zien en aan honderd gebreken ergernis nemen.
+
+Tot nog toe stelde ik mijn teekening eene lieve, meêgaande vrouw
+voor, die zich wel gegriefd gevoelt, maar niet boos wordt,—die,
+zonder te klagen over verongelijking, zich in haar treurig lot zoo
+goed mogelijk tracht te schikken. Ik heb dikwijls zulke ongelukkige,
+beklagenswaardige, kwijnende vrouwen ontmoet: ze zagen er uit als
+planten, die eerst in de drukkende warmte der broeikas opgekweekt en tot
+bloeien gedwongen, nu op eens in de kou van de droge, stoffige huiskamer
+overgebracht, verwelken en geel worden en het eene blad na het andere
+laten uitvallen.
+
+Maar deze schilderij heeft nog eene keerzijde:—als de vrouw beleedigd
+en vertoornd, op haar beurt ook aan 't vitten gaat en met de scherpe
+pijlen van haar vrouwelijk vernuft haren man in de voegen van zijn
+wapenrusting zoekt te treffen, en zich op die wijze even onrechtvaardig
+betoont en nog vrij wat schuldiger maakt.
+
+Wel is het treurig, als twee menschen die vroeger innig nauw met
+elkander verbonden waren en juist door hunne liefde, met elkanders
+karakter ten volle bekend zijn, deze kennis eenig en alleen gebruiken om
+elkander het leven te verbitteren,—wél is het treurig hen elkander het
+hart te zien doorboren met zoo veel juistheid, als waartoe ze alleen
+door vroegere vertrouwelijkheid en toegenegenheid in staat zijn, terwijl
+iedere doodelijke wonde, die zij elkander toebrengen, hun zelven door
+het hart gaat,—en dat alles om zulke ellendige beuzelingen, als
+doorgaans 't begin van dit ontzettende drama zijn.
+
+Wat zijn het toch meestal onbeduidende dingen, die aanleiding geven tot
+een gekibbel, dat de grondslagen zelven der liefde ondermijnt, en alle
+geluk verbant uit den huiselijken kring! Een stuk vleesch is niet gaar,
+er wordt te veel olie verbrand, er wordt een courant verscheurd, er
+worden te veel steenkolen of zeep gebruikt, er is een bord gebroken!...
+en voor deze nietswaardige kleinigheden werpen zeer brave, zeer edele,
+zeer godsdienstige menschen soms bij handen vol weg, wat de eenige
+reden is waarom heele huizen gebouwd zijn en vuur gebrand wordt en al de
+omslag is aangeschaft—_hun huiselijk geluk_. Neen! liever koude koffie,
+slappe thee, aangebrand vleesch; liever ieder ongerief, ieder verlies,
+dan een verlies van _liefde_; en niets doet de liefde zoo spoedig
+kwijnen als onophoudelijk vitten.
+
+Want wordt eens tusschen twee menschen, die innig met elkander verbonden
+zijn, vitterij tot gewoonte, dan ontaardt zij met der tijd in een
+slepende ziekte; zoodat de zachtste, de redelijkste terechtwijzing, ja
+elke berisping, hoe zacht ook gedaan, den heftigsten toorn verwekt; en
+wanneer deze ziekelijke toestand eens begonnen is, dan schijnt het bijna
+onmogelijk dat de liefde nog genezing kan aanbrengen.
+
+Een enkel voorbeeld. Orestes is op zekeren morgen best in zijn humeur en
+zegt tot Hermione, terwijl hij een brief van haar in de hand houdt, op
+een schertsenden toon, dat zij de staarten van haar _g_'s niet zoo lang
+moet maken, maar meteen stuift Hermione op en antwoordt:
+
+„Zeg mij maar eens wat je nog meer van mij verlangt. Misschien zou je
+wel zoo goed willen zijn, bij gelegenheid eens een alphabetische lijst
+te maken van alle dingen, die ik moet veranderen.”
+
+„Lieve! je bent onredelijk.”
+
+„Dat zie ik niet in. Ik woû wel dat er eens een einde kwam aan die
+onophoudelijke aanmerkingen van mijn heer en meester.”
+
+„Maar, beste! hoe kan je dat nu zoo erg opnemen?”
+
+„Och, zwijg er maar over, lieve! Ik heb dat nu zoo dikwijls gehoord, dat
+er 't bekoorlijke van de nieuwheid al lang af is.”
+
+„Kom, Hermione! laten we niet kibbelen.”
+
+„Maar, lieve! wie is er met kibbelen begonnen? Ik niet: ik vroeg je
+alleen om een lijstje van mijn gebreken. Ik vertrouw, dat ik, als ik
+negentig jaar oud word, nog wel eens aan je overdrevene eischen zal
+voldoen. Waarschijnlijk is alles van morgen precies in orde zoodat
+er niets op te zeggen valt, _en_ de koffie, _en_ het brood, _en_ het
+rookvleesch, _en_ de meiden, _en_ de mat in het voorhuis, _en_ de
+zolder, _en_ de benedenkamers; daarom moet ik nu zeker een lesje krijgen
+over mijn gebrekkige opvoeding. Ik zal de staarten van mijn _g_'s
+voortaan wat korter maken, maar dan verwacht ik ook, dat je een lijstje
+maakt van alle andere kleinigheden, die nog verbetering vereischen.”
+
+Orestes schuift zijn koffie weg en trommelt op de tafel.
+
+„Als het mij vergund is, één kleine opmerking te maken, beste! dan zou
+ik zeggen, dat het niet bijzonder fatsoenlijk is, op de tafel te
+trommelen,” zegt zijn schoone wederhelft.
+
+„Hermione! je bent in staat om iemand woedend te maken!” Met dat woord
+vliegt Orestes verbitterd de kamer uit, en is stellig voornemens, dien
+middag in een restauratie te gaan eten.
+
+Orestes beschouwt zich als een miskend echtgenoot, en houdt het er
+voor, dat er zoo'n tweede vrouw niet bestaat,—het onredelijkste
+kwaadaardigste schepsel, dat hij ooit ontmoet heeft. Maar hij denkt
+er niet aan, hoe alleen door zijn eigen onredelijke, onophoudelijke
+vitzucht zijne vrouw zoo lichtgeraakt en driftig geworden is, dat zij de
+zachtste berisping over de minst beduidende zaak niet kan verdragen. Wel
+heeft hij geen schuld gehad aan de onaangenaamheden van dien morgen; wel
+heeft hij niets onbehoorlijks gezegd, en is zij alleen onredelijk en
+knorrig geweest; maar eigenlijk ligt toch de schuld aan hem zelven.
+
+Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een
+vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom
+beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom
+herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd
+een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar
+dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een
+bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden
+ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding
+ontsluieren?
+
+Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval
+is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden
+teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar
+dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet
+hoe bewonderend hij vóór hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk
+hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig
+in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en poëzie,
+wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen.
+
+Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig
+van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen
+kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of
+complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon
+niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker,
+of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend
+woord bijvoegen. Toen Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit
+aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn
+woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek
+wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze
+aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins
+matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw,
+in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of
+verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich
+dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren
+geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien
+ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door
+twee personen als door één te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met
+vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man.
+
+Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een
+liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en
+bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen
+grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke
+zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen.
+
+De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die
+onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden.
+Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij
+geëindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden
+zij 't ooit weêr beproeven?
+
+Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad.
+Er was geen eind aan haar grillen, haar eischen, haar pruilen. Eindelijk
+had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het
+uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen
+met dezelfde onverschilligheid aan als haar klachten, en leefde voortaan
+zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in stilte wat
+hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, op haar
+verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren. Zijne vrouw
+werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een steen; er
+bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij stierf,
+en nu ademde hij weêr vrij en had een gevoel, alsof hem een pak van het
+hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar lief en
+goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan nog altijd
+met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een onverschillig
+echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare handen als de
+leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, die zij maakte,
+juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, had meer invloed
+op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is dezelfde mensch,
+al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld wordt!
+
+Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht
+tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze,
+als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van
+het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet
+kinderen zóó zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls
+is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen
+kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen.
+Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog
+zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen gerechtigd, rechts en
+links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets
+meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt.
+
+Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne
+moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat
+hij van zijn vader hoort, is:
+
+„Kijk, daar heb je de deur weêr open gelaten! Wanneer zal je dat toch
+eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls
+moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?”
+
+„Daar heb je nu waarlijk je pet weêr op de canapé gegooid! Wanneer zal
+je toch eens leeren, hem op te hangen?”
+
+„Leg je lei daar niet neêr; dat is er de plaats niet voor.”
+
+„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?”
+
+„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat
+wiebelen.”
+
+„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het
+eens uit.”
+
+„Heb je de knoopen weêr van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij
+ook een jongen!”
+
+„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.”
+
+„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?”
+
+„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes
+gemaakt hebt.”
+
+„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier
+beklad?”
+
+Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van 't gezin een
+dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de
+ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als
+Piet uit hun humeur zouden raken?
+
+Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men
+eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun
+doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven
+in huis zijn?
+
+Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en
+op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe,
+onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei
+dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding,
+overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden
+onmisbaar zijn, en waarmeê ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op,
+allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met
+een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het
+bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan
+er ééne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is
+dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in
+het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden
+voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen
+en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden;
+de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een
+drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden
+een courant te zetten, dan is het waarschijnlijk, dat zij even onnoozel
+en verlegen zou staan kijken als Kaatje in haar welingericht en prachtig
+gemeubileerd huis.
+
+Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het
+noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in
+beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val,
+en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur,
+hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe
+handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij
+dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun
+huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is.
+
+Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar
+wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij
+in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen
+tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn
+nauwelijks weêr te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden,
+moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig,
+zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn
+fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand
+er gedurig op krast.
+
+Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn
+waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen
+als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin
+verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde
+bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren.
+
+Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant
+om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen
+is, hoe zij doen moet): en de heele familie hoestende en proestende
+wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen,
+in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens weêr heeft gehoord,
+hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen
+er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de
+doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken
+en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze
+er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een
+paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis
+telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het oogenblik waarop
+zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes
+gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet
+te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die
+een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders
+en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen:
+„Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”
+
+De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen
+moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is.
+
+Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld,
+rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ééne
+gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht,
+toch een eereplaats verdient onder de Christelijke deugden:—DE GAVE VAN
+HET ZWIJGEN.
+
+Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de
+waarde van het NIET SPREKEN is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van
+goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo:
+„Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne
+lippen toesluit verstandig.”
+
+„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als
+wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en
+elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang
+laten gaan?”
+
+Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen,
+bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die
+de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden
+jegens elkander te vervullen hebben.
+
+Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't
+gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het
+vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het
+tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk
+eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?”
+
+„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die _zeldzame_
+dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat
+er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een
+godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken
+plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle
+warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is
+geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan,
+gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste
+gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door den atmospheer
+van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen,
+dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig.
+
+Wij hebben ons in den gebede neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis,
+dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt
+voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine
+bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de
+struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken,
+erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart
+vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders
+drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen
+onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos
+in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de
+gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld
+niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze
+woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid
+niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij
+noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk
+brengen, en dat het er niet meê gaat zoo als met de kachels, die ik
+straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel verloren
+gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest.
+
+Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons
+treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen
+aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn
+vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij
+eerst van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de
+verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de
+pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is
+aangelegd, des te zekerder zijn doel.
+
+Doch één is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus,
+die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige,
+bevooroordeelde mannen, zóó weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op
+zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens
+had verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude
+twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had,
+bewees hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde
+de geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester,
+uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten
+te wasschen.”
+
+Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest
+berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan
+nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte Fénelon den
+hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van
+Bourgondië tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor
+anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk
+gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.”
+
+Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe
+dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan
+onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met
+beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er
+toevallig bij zijn, krijgen de kolen en de gloeiende asch, die wij van
+ons afslingeren.
+
+Zoo heeft men _nurkschheid_, een kouden motregen van hatelijke
+opmerkingen; zoo heeft men _brommigheid_, een noord-westelijke storm,
+die van geen bedaren weet; zoo heeft men _opvliegendheid_, een onweêr
+met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke
+_zonden_ voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar
+als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst.
+
+Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort
+uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte
+spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een dominé gaat met een
+overladen maag naar de avondkerk, waar hij preêken moet, maar vindt er
+niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de
+anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er
+is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de
+benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren.
+
+Wij doen in één week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij
+overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken
+van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te
+gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig,
+het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht
+geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige
+verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die
+verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld
+nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, _nu_ moesten
+wij den duivel der vitterij weêrstaan en hem het stilzwijgen opleggen,
+totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand
+zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en
+dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop
+wij zóó heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het
+te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat
+nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't
+gebed.
+
+Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij _nooit_ mogen brommen,
+_nooit_ bedillen, _nooit_ opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen
+hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, _hoe_
+dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een
+paar dames mede te deelen.
+
+Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van
+beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen
+omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de
+armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig.
+Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij
+onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als
+het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met
+alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok
+kan stellen.
+
+Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke
+hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken.
+Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een
+vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle
+dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche gesprekken, als voor het
+dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het
+haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen.
+Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt
+haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere
+verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen
+verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles
+volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en
+met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt.
+
+Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig,
+toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en
+afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar
+beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat
+slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last
+harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een
+hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met
+donkere oogen van die hoogte neêr ziet op alle ondeugende jongens en
+meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een
+brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best,
+om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn.
+
+Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en
+evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen,
+maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens
+haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te
+genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het evenzeer haar plicht is te
+prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden
+aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te
+bestraffen, als zij kwaad doen.
+
+Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart,
+een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en
+prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al
+wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen.
+
+Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare
+dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan
+iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor
+zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng,
+als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor
+den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet
+gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou
+mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel
+zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij
+eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant
+en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van
+iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen
+gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede,
+dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun,
+dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk
+aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat
+hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting
+staat aangeschreven, en hare kinderen houden 't er voor, dat zij heel
+lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking
+op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt.
+
+De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die
+gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer
+waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst
+handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van
+een hefboom, die er niet geschikt voor is.
+
+Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en
+misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie
+ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen
+omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij
+een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde,
+zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde?
+
+Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als
+wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige
+dienstbode en aan ieder onachtzaam kind.
+
+Laten wij ons dan allen voornemen:
+
+vooreerst, de gave van het ZWIJGEN ons eigen te maken;
+
+ten tweede, alle VITTERIJ, die niet verbetert, ZONDE te noemen; en, als
+wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door
+telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen;
+
+ten derde, de gave en de deugd van den LOF aan te kweeken. Wij hebben
+allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van
+ons hebben er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is,
+de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons
+gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den
+mensch te erkennen.
+
+Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't
+naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten,
+totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst
+liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte
+tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft.
+
+Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel
+zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen
+behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als
+zij het verkeerde in hen laken.
+
+In de meeste gevallen—neem er de proef maar eens van,—komt men verder
+met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets
+goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur
+in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn,
+dat zij ten minste dit ééne goed zal doen.
+
+Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier
+oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte,
+kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet
+te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit
+voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal
+aangenomen worden.
+
+Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht
+eveneens, als of gij met volwassenen te doen hadt; zij zijn volwassenen
+in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel
+eerbiedigt, als ieder onzer.
+
+Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er
+goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en
+'t geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze
+dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en
+opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij één kleinen vos
+gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven
+heeft.
+
+
+
+
+PRIKKELBAARHEID.
+
+
+
+
+II.
+
+PRIKKELBAARHEID.
+
+
+De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich
+heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen.
+
+Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en
+gedenkdagen altijd bij de familie Crowfield in eere gehouden is; maar
+onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk
+gevierd als kerstmis.
+
+Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons
+vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van
+het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden
+vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op
+den 25sten December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat
+kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis
+ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard.
+'t Is de _gebeurtenis_, die wij vieren, niet den _tijd_, waarop zij
+voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren,
+terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden
+hebben, dezen eenen 25sten December aan de verkondiging van Gods
+welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik dan laten
+varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen
+missen?
+
+In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag,
+die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield,
+daar de kinderen, maar met één oog dicht, gingen slapen, om toch de
+eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten
+en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden.
+
+Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde broêrs en zusters, zoons en
+dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom
+een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt
+en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden.
+Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in één nacht en zonder
+eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de
+meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne
+hoofdjes neêrdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat
+vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die
+vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen
+zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan
+de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen,
+de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen,
+op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die
+werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet
+over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid:
+men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke
+sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede plaats geven aan een
+mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een
+stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan
+weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar
+niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te
+luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den
+nacht op eens weêr uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken,
+en was vóór dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen
+bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een
+veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er
+niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien
+van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen,
+of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat
+vader al hard op weg was om kindsch te worden.
+
+Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij,
+ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van
+den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het
+niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze
+schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en
+groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden
+vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen
+uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te
+overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had,
+een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die
+vleugel weêr uit het lid zou raken op het gewichtig en zalig oogenblik,
+dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons
+gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd
+mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine
+volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste
+verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen
+we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten
+wij onze kerstmis door.
+
+Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen,
+waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke
+overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en
+de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie,
+zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen
+dag bewaard gebleven is?
+
+De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik,
+ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl
+mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen
+bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen
+moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden.
+
+Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den
+kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het
+vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte
+mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets
+was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik
+hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis
+een groote zinkput was. Mijn kleinzoons en kleindochters kwamen bij ons
+te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik
+merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het
+mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't
+wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en
+maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons
+glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van
+mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje,
+dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te
+worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld
+zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven
+had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in
+plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig
+had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles
+verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag.
+
+Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere
+gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine
+vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren
+toestand open gingen.
+
+'t Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd,
+ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer
+van een hatelijk tijdschrift open te snijden.
+
+Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje.
+
+„Engel!” zeide ik, „ik wou wel dat je met je handen van het vuur
+afbleef,—je maakt het altijd uit.”
+
+„Ik woû het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw.
+
+„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.”
+
+Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen
+de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk
+geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken,
+dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden.
+Het is een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik stak mijne beenen knorrig
+uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht begon te blaffen dat
+mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf hem nu een duchtigen
+schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen zou hebben, en wierp
+bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver.
+
+„Och, papa!”
+
+„Ik woû, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er
+hier zoo vol meê, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar
+noodelooze dingen en duur ook.”
+
+„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als
+er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid.
+
+„Ja,” zeg ik, „duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden
+armen zijn, die kleêren noodig hebben, zitten de dames niets anders te
+doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen
+wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij één pot nat:
+er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde
+zelfzucht en zinnelijkheid.”
+
+„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er
+nog niet zoo erg meê gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek
+nog.”
+
+„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik,
+nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan
+moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er
+moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid
+doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar,
+vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij
+verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan
+mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare
+mandjes en kloentjes en voor al die rommel.”
+
+Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij
+kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen;
+zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel
+zacht, maar toch heel verstaanbaar:
+
+„Als _ik_ zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik _knorrig_ was.”
+
+Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te
+kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was
+_dat_ het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en
+haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het
+eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik
+Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een
+schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een
+complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het
+wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne
+papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd,
+behalve alleen dat ik knorrig was.
+
+_Knorrig._ Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven
+toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig
+was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen,
+waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al,
+Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met
+een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten
+alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een
+jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar
+bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder
+zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken
+had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken,
+Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet
+vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je
+nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er
+niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te
+veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je
+kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan
+kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, neêrkomt
+op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van
+venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een
+duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.”
+
+„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel
+uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek,
+„kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten
+vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” En Fidel verrekte zijn
+rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk
+kwispelstaarten.
+
+„En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel
+dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn
+scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in
+zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.”
+
+In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en verontschuldigde
+mij zelfs bij mijn vrouw, die, tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer
+en zoo menigen winter met mij doorgebracht heeft, dat zij mij door en
+door kent, en mijne knorrigheid dan ook even kalm had verdragen, alsof
+ik een kind was geweest, dat een tand kreeg.
+
+„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je
+maar niet,” zeide zij, toen ik eene verontschuldiging begon, „wij kennen
+elkander wel. Maar er is één ding dat je eens moet herinneren: dat je
+preek al klaar moest zijn.”
+
+„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van
+mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos
+spreken, die
+
+ PRIKKELBAARHEID
+
+heet.”
+
+Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des
+vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek,
+dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen:
+want inderdaad heeft niets meer van een _lichaams_kwaal dan dit. Er zijn
+ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen zóó hevig, dat we niet kunnen
+begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam
+moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, meer zou vermogen te doen dan
+geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen,
+die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van
+ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees.
+
+Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad
+bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen
+de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof
+verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun
+gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het
+hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in
+het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen
+niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne
+gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen
+lichamelijke gezondheid.
+
+Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of
+bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u
+met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn
+hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was
+ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou
+ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft
+waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van
+alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet
+berusten.
+
+Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk
+van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der
+huisgenooten aan die prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal,
+wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking
+in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van
+hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer
+veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen
+herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende
+schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol
+beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken
+morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de
+nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de
+kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn
+belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen.
+
+De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor:
+vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid
+komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer
+wij dien niet kunnen afweren.
+
+Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van
+allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften
+voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een
+modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin
+karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij
+gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij
+nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een
+onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke
+voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen.
+
+Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten
+aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is,
+waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de
+maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen
+van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht,
+zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet
+nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de
+menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen
+haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar
+voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er
+weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of
+gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke
+gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne
+zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week
+hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag
+te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor
+'t geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel
+geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo
+gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt
+voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking
+noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding
+der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel,
+opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en
+scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. Zoo
+brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks
+een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige
+harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg
+van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat.
+
+Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen,
+in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter
+wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen
+ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat
+zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen
+telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo
+gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de
+plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor
+zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden.
+
+Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn
+krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te
+besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring
+dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij _op en af
+zijn_.
+
+Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer,
+en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle
+krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat
+en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan
+verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer
+uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is
+knorrig.”
+
+Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in
+een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig
+dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen.
+
+Papa's, die dag op dag zóó hard werken, en mama's, die zóó avond op
+avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op
+te vroolijken en voor hunne kinderen te leven?
+
+Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch
+voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te
+stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd
+besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut
+van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan
+wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets
+anders gegeven dan den bitteren droesem?
+
+De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven
+zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden
+aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen,
+en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan.
+'t Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een
+vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden.
+Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met
+kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen,
+waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde.
+
+Maar als een dominé zei, dat alles zonde is, wat de kracht, voor de
+vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons
+uitput en ontstemt juist dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral
+gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen
+zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat
+bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure
+afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel
+ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou
+alweêr iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als
+hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen
+en de maag zóó met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen
+achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't
+midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen
+voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven.
+
+Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet
+geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het
+daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur.
+
+Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds
+aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons
+lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke
+opgewektheid geven, om het dagelijksch werk weêr op te vatten.
+
+Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig
+of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze
+gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de
+opmerking, dat ze in één uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen
+bestemd was.
+
+Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand
+al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt
+hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening
+opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met
+een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in één woord, hij handelt
+juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft
+verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze
+wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een
+onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij
+voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden.
+
+Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal
+de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die
+koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig
+van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn
+of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te
+schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin
+vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich
+Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur,
+altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal
+van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben
+een onwaardige neiging te onderdrukken.
+
+'t Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan,
+die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener
+indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen
+lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te gedragen;
+maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden.
+Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen
+voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen
+is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij
+altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient.
+
+Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij
+wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons
+dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons
+gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker
+zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband
+staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een
+overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid
+voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij
+voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans,
+die hem met vuisten sloeg.
+
+Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is
+de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te
+geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht
+overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld
+voor te gaan.
+
+Dominé X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich
+in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders
+hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den
+overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat
+geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, door niets op aarde te
+verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen,
+dat zij zich ook zoo konden verliezen!
+
+Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die
+hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van
+de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij
+wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen
+lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept,
+waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze
+geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn
+toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden
+getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan,
+terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden,
+omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met
+zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet
+hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken
+uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme
+vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als
+moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast,
+dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele
+donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over
+den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw
+van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen
+verdragen: hij, die zoo dierbaar preêkte van de volkomene overgave
+des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening en
+sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het
+nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het
+zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij
+zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen.
+De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't
+geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als
+de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel.
+
+Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken?
+
+Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste
+plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven.
+Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken,
+zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant,
+beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de
+nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe
+te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in
+opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het
+leven door te brengen.
+
+Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't
+Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen
+beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven.
+Indien al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig
+en knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel
+uitspanning.
+
+Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar
+stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden,
+die 's morgens en 's avonds aller harten gedurende eenige plechtige
+oogenblikken als tot één huisgezin vereenigden, en zonder opzien
+te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te
+voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche
+bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van
+Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben;
+deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot
+onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in
+bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een
+recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van
+een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan
+dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot
+bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat
+eerlang alle Christenen het daarmeê eens zullen zijn en dat alle buren
+als één gezin zich rondom één altaar zullen vereenigen, om niet alleen
+voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden?
+
+De slotsom van onze geheele redeneering is dan:
+
+Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar
+dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel
+bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door
+u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke
+plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te
+verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te
+verspreiden rondom den huiselijken haard.
+
+Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk van den voorlooper
+van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel?
+„Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart
+der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban
+sla!”
+
+Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke
+prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele
+slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen:
+
+Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke
+prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het
+hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk
+niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een
+zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te
+verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door
+onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid
+kan bewaard blijven.
+
+Er is een temperament, dat men het MELANCHOLISCHE noemt, aan veel
+menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een
+stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens
+hooge opgewektheid en dan weêr diepe neêrslachtigheid volgt,—eene
+erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met
+groote talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van
+ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten
+en kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten.
+
+Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van
+neêrslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij
+ze de gansche wereld met een somber waas overtogen zien en zich een
+geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden,
+van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt.
+
+Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste,
+dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe
+deze aanvallen van neêrslachtigheid en moedeloosheid even goed een
+ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze
+ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen,
+waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn,
+waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen
+en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is
+en op het ontzettendste verderf uitloopt.
+
+Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het
+voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en
+kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan
+in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen,
+alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien
+deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de
+wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen,
+en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel
+voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een
+koortslijder.
+
+Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt,
+zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem
+pijnigen, niet onder woorden te brengen.
+
+Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen
+leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den
+duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te
+spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich
+om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij
+een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende
+gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had
+uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen
+even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en
+zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven
+en vroolijkheid wekt.
+
+Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen.
+
+Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de
+verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen
+prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze
+soort van menschen, meer dan uit eenige andere, wordt het groote
+heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De
+Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner,
+Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel _afschaffing_, maar nooit
+_matigheid_ mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke
+prikkel, waarmeê zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt
+eene onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het
+temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste,
+zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de
+juiste palen te houden; maar het gebruik van prikkelende middelen
+verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt.
+
+Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of
+zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen
+zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en
+moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van
+neêrslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden.
+
+'t Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning,
+studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige
+opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen,
+aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten.
+
+Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen
+van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die
+talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk
+maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken
+avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder
+een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge
+meêwarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die
+moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met
+een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die
+met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur
+kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun
+kracht onder de lasten des levens gebogen gaan.
+
+Voor u heb ik maar tweeërlei raad, twee middelen om u van de
+prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg van uw vermoeidheid is; leer
+tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het hart
+moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en
+vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen
+tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter,
+geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en
+zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die
+door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een
+hemelsche harmonie voort te brengen.
+
+
+
+
+TERUGHOUDING.
+
+
+
+
+III.
+
+TERUGHOUDING.
+
+ (Het volgende is een getrouw afschrift
+ van 't geen ik in de huiskamer aan mijn
+ vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.)
+
+
+Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk
+geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide,
+waarover ik reeds gesproken heb.
+
+In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij
+twee dingen uit: „Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen
+en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt
+aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is.
+
+Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist
+hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het
+onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb.
+
+Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren
+over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat
+er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die
+warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert
+(gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch
+op een thermometer eenigen invloed heeft en eerst dan, wanneer dit
+beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't
+Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over
+het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op
+deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme
+huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl
+er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur
+was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij
+aanraakten en betastten.
+
+In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarmeê geheel
+overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde
+genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen
+werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar
+buiten openbaart.
+
+Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vóór een sneeuwstorm, in een
+kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige
+thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw
+vingers worden niet stijf van de koû, maar met dat al verlangt gij
+toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel
+werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer
+in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou
+ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen
+reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist
+zóó hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat,
+de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde!
+toch blijft gij huiveren en hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van
+een brandenden haard u de hemel zou opengaan.
+
+Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande
+huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels,
+warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het
+flikkeren van een brandenden haard.
+
+Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen
+ondervinding meê te deelen.
+
+Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste
+en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening
+uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch
+overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van
+al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan.
+
+Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een
+aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud
+en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief
+troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig
+en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden
+echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een
+besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl
+zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik,
+niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen.
+
+Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van
+witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van
+koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van
+mijn lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al
+had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele
+vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan
+toe was.
+
+En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop
+wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij
+zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende
+van dwaasheid en dolheid, en altijd weêr aan het slot: hoe volmaakt en
+hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij
+was, enz., enz.
+
+Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet
+gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder,
+die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die
+ook „zulke lieve meisjes” waren.
+
+Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven.
+Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in
+plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld
+met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring,
+blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk
+gelukkig was.
+
+Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had
+zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij
+doodmoê. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden
+om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar
+en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen
+te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon
+vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor haar doen”
+schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat weêr uit en zette er boven:
+„heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te
+vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van
+hen trachten te leeren.
+
+„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat
+deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt
+en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging
+doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging
+gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe
+de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als
+wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap
+weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door
+loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde,
+er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden.
+
+Het kostte me weinig moeite, het huis van mijnheer Evans te vinden; 't
+was _het_ huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant,
+ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden
+van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd
+wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priëel stond op
+een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen
+en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak
+tusschen de andere huizen uit als een echte Farizeër. 't Was een huis
+om, bij wijze van model, met een étiquette er op, onder een stolp te
+zetten, maar zooals meestal met die huizen bij ons het geval is, ge
+zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel
+in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van
+leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er
+menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den
+keukenschoorsteen omhoog steeg.
+
+Maar nu, die menschen zelven.
+
+Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel
+niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek
+gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor logé's had
+gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of
+van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten
+blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur
+weet, dan van het ceremoniëele, dat even vóórdat gij te bed gaat, wordt
+aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog,
+hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan
+te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en
+koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam
+alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet
+uitstralen.
+
+Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er
+valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar
+koud zijn zij, zóó koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen
+aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat
+zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed
+begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij
+bemerkt in den loop van 't gesprek, dat gij wél zijt uitgenoodigd, dat
+gij wél verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en
+u behandelen, zooals zij meenen, dat een logé moet behandeld worden.
+
+Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw
+gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den
+huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te
+denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan
+op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u
+graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen.
+Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet,
+alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine
+plekje, dat gij ontdooid hadt, is weêr dichtgevroren: van voren af aan
+moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo
+ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk
+gesprek.
+
+Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn
+familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe
+Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze
+kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt,
+in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn,
+dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van
+verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk
+is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten
+dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat
+heel leerzaam en heel nuttig is.
+
+Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, zeer op beschaving
+gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming
+kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en
+het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp.
+Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en
+eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het
+hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond
+ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter weêrszijde
+van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard
+tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen
+kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare
+woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en
+fatsoenlijke formules, waarmeê men gewoon is, zooals 't heet, de
+conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en
+dan meê, maar nooit vóór haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de
+regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was
+hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij
+dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van
+benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand
+versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie
+bedekt werd.
+
+Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn
+gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een
+instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest
+invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo
+stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij zelven, of hij wel ooit een
+jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit
+met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan.
+
+Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van
+Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om
+die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens
+had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische
+plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en
+ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten,
+zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen.
+Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen
+zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze
+eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig
+gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was
+het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren?
+
+Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven,
+om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel
+eind op weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een
+twee-en-zestiger lijken kan: even statig en recht, even stil, even
+ingetrokken. Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij,
+die wilde, vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig
+liefhadden—dat vrije stukje levenspoëzie, vol kleine excepties, aan
+geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel
+der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee
+dames Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te
+zien,—een gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn
+op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik
+uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om
+te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij
+een goed woord voor hen woû doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen
+hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel
+meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om
+allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen
+of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn
+stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals
+te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van
+'t eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar
+„de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet.
+
+Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze
+geëngageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid,
+half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan weêr de
+wet stelde. _Nu_ noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een
+deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en
+vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu
+reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden
+veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier
+heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen
+hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken,
+dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een
+verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij wat aan veranderen, omdat
+ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat
+te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te
+bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand,
+zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg
+een onweerstaanbaren lust, om iets zóó onfatsoenlijks of onzedelijks te
+zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik
+nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat
+of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke
+beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in één woord, ik
+was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond
+en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong
+aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart
+viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te
+brengen.
+
+Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had,
+scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker neêr, liep
+naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst,
+en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok
+mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne
+zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij
+met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in één woord, de
+jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar
+te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam.
+
+„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij
+nu net, of ik nog thuis ben. Hé, t'huis! dat was toch alles—en die
+beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen
+deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel
+van elkaâr, niet waar?”
+
+„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet
+gelukkig!”
+
+„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat?
+Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou
+heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je
+dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo
+als zij bij ons t'huis waren. _Dat_ kon ik niet verwachten,—alle
+menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen
+zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en
+je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo
+opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier
+allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets
+verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....”
+
+„En pleizierig ook?” vroeg ik.
+
+„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn
+zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij
+zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur;
+en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te
+zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't
+niet zoo?”
+
+„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo
+stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een
+grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.”
+
+Haar gelaat betrok een beetje.
+
+„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis
+was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als
+hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats
+bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer
+op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet
+op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten.
+Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar
+voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is,
+van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het
+groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort
+nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt,
+en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij
+Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen
+hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den
+eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden,
+onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten
+en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed
+haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk
+uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of
+liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze
+zien zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik
+denk nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar
+haar toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn
+voeten te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen
+losgemaakt en gezegd had: „Johan! dit is niet de rechte manier, om te
+toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad hebben,
+dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, dan dat je
+mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd heb.””
+
+„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want
+ik was toen nog maar drie-en-twintig.
+
+„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je
+op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al
+flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven,
+dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik
+zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe
+hij opgevoed is.”
+
+„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar
+en zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar
+wegstopt in die vesting, met de valbrug hoog opgehaald en met diepe
+grachten in de rondte.”
+
+„Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou je denken, dat zij
+hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien nachten
+achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij wou in
+al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij verteld.
+Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms vreeselijk, zoo
+gedurig gespannen als ze is over 't een of ander, dat hem raakt: alleen
+uit _beginsel_ is zij zoo koud en bedaard.”
+
+„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik.
+
+„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.”
+
+„Ik sprak zóó in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders dan de Vader des
+kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken
+tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons zóó achter slot en
+grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets
+aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand
+verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door
+de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt
+op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven
+hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van
+elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden
+waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder
+haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.”
+
+„Ja,” hernam Emilie, „somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo wat
+van één jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk,
+of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo
+betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet
+wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak
+aan en zei droog weg:
+
+„„Jansje! wat scheelt er aan?”
+
+„„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen mij
+zeer.”
+
+„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij
+bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden;
+maar mama zei nog altijd even droog:
+
+„„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en
+zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en
+Jansje ging gedwee heen.
+
+„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te
+maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor
+een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een
+veelbeteekenend knikje:
+
+„„Zoo leef _ik_ er altijd meê; als een van de kinderen ziek is,
+vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet
+veel beweging van te maken.””
+
+„Verschrikkelijk!” zeide ik.
+
+„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het
+haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig
+om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander
+houden, schoon ze onder één dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor
+elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er
+een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot
+overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik
+moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan
+zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al
+hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch
+leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik
+zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat,
+die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal
+een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal
+vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken
+en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens
+gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor
+hem over hebben; kwam er een te sterven, ze zouden radeloos wezen: maar
+'t zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen,
+kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden
+elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor
+elkander uit te storten: zij _kunnen_ dit letterlijk niet.”
+
+„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in
+de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is;
+net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken,
+omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed
+even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig
+harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk
+volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de
+leden gegoten was. Wie zóó wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal
+nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.”
+
+„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan,
+hoe goed hij is.”
+
+„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er
+ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het
+teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor
+vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch
+doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet
+ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener
+vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt
+iederen dag weer tot ijs te worden.”
+
+„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor
+bestaat. Ik zal hem onder de menschen brengen. Ik zal ze wel weten te
+veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel;
+vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is,
+volmaakt is; en vervolgens....”
+
+„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud
+systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en
+vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo
+doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze
+arme kleine eend: heugt je dat nog?”
+
+„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de
+rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open
+plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en
+kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....”
+
+„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden,
+en dat hij voor altijd mank was.”
+
+„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende.
+
+„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, meêgaande en niet sterk; 't
+ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor
+hen in te schikken.
+
+Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van
+hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je
+nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen
+kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel
+alleen voor je zelven bezit.”
+
+„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij
+zullen gauw een eigen huishouden hebben.”
+
+„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je
+heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een
+inspectie bedreigd wordt.”
+
+„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet
+het haar vragen.”
+
+„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt
+toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder
+den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer
+begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht
+zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren
+en je kinderen opvoeden.”
+
+„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind
+mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.”
+
+„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en
+onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en
+gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren
+molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood
+zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich
+nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt
+en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel
+goeds en edels en verstandigs—hun doel is zóó heilig hun invloed zóó
+krachtig, hun braafheid zóó groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil
+geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet
+beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te
+onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij
+hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen,
+en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt:
+'t zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.”
+
+„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?”
+
+„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk
+bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen.
+Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier
+begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als _zij_ doen,—iederen
+dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te
+wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem
+niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet
+en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je
+gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde
+bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne
+gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen
+openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met
+hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar
+heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit
+in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt.
+Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans,
+dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze
+die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden
+warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is,
+een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet
+voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet
+krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en
+grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te
+versieren.”
+
+„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen zekerder middel
+bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat
+zij allerminst door verwijtingen te winnen is.”
+
+„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van
+verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je
+zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine
+dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat
+wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen
+adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende,
+onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel
+vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan
+wie ze betoond worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt
+een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar
+kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer
+maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in
+haar vlekkelooze reinheid neêrknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt,
+met zijn adem den eersten smet op.”
+
+„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten
+wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben,
+koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig
+lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld,
+die iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er
+is tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn
+vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt,
+en een kinderachtig pruilen, waarbij ze alleen om zichzelve denkt.
+'t Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat je niet doet wat je
+doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem
+reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode,
+dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als
+Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te
+strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt
+hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk
+er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke
+teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was.
+De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou
+geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet
+gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te
+geven.”
+
+„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat
+ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te
+veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde
+verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen.
+Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.”
+
+En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om
+zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van
+haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke
+vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is:
+en zij zullen zich laten gelden.
+
+Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het
+huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het
+huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der olmen
+van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had.
+Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en
+zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig,
+dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama
+en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen:
+want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd
+tusschen leven en dood zweeft?
+
+Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel
+te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden;
+eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf
+gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui
+altijd hadden tegengehouden.
+
+Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met
+vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen
+dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie
+van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en
+vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een
+prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige
+manier den baas over Johan, die zich weêr door haar leiden liet, evenals
+in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en
+Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als
+Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom.
+
+En hier eindigt mijn verhaal.
+
+En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene
+_uitdrukken_, het andere _onderdrukken_ moet. Liefde, vreugde, hoop,
+geloof, medelijden, behooren tot de dingen, die wij moeten uitdrukken,
+openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak,
+liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen,
+_terughouden_.
+
+Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die
+_terughouding_ op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer
+toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van
+haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote
+wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat
+onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't
+onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen
+der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander
+lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat
+er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige
+dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen
+te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen
+gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan
+om de edelste gemoedsaandoeningen en de _liefde_ in een lijkkleed
+wikkelen?
+
+Doch er zijn weêr anderen, en hun getal is legio—misschien behoort
+gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige
+gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in
+hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt,
+dat instinct volstrekt niet gevoelen.
+
+'t Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn
+uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen
+liefhebben, eeren en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf
+wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt
+schuchter het venster uit en draait aan de deurklink.
+
+Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn,
+verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde!
+„_Ik haat_” zegt men hardop en met kracht: „_Ik bemin_” niet dan met
+eene weifelende stem en een blos op 't gelaat.
+
+In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door
+gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven
+in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te
+bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw
+verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons
+het meeste benauwt en beklemt.
+
+Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en
+geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die
+zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen
+maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en
+beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid
+maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen.
+Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren,
+bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met
+elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie
+hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding
+dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu
+knoppen noch bloesems kan voortbrengen.
+
+Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor hen over
+hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal
+voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen
+ligt,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit ééne: dat
+ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, beantwoorden?
+
+Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen
+hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en
+samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu
+ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen.
+
+Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets
+anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het
+geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.”
+
+Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet
+gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan
+worden.
+
+„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit
+geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog
+meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik,
+wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen,
+die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet.
+
+Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze
+vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en
+vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen
+liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook
+niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en teêrgevoelige,
+wekken ze allicht door overmaat een soort van tegenzin op. Maar dan
+blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over,
+waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood één
+gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort
+van attenties was.
+
+'t Is een dwaasheid te denken, dat wie familie van elkander zijn,
+natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie
+zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel
+gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een
+tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook
+door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen,
+in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, weêr tot enkele
+verloopen.
+
+Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke
+manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de
+Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene
+aangeboren bedeesdheid.
+
+„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te
+zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo.
+
+„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?”
+
+„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.”
+
+Maar wat is vleierij?
+
+Vleierij is _onoprechte_ lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of
+een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in
+hen vinden, dat is geen vleien.
+
+Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen,
+die zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze
+wel denken moeten: we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn
+zoo bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te
+maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en
+eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem
+en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg
+zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan
+de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch
+niet laten merken!
+
+De andere oorzaak onzer _terughouding_ noemde ik onze bedeesdheid.
+Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been,
+waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij
+kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig
+het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen
+lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe
+vrienden te _wezen_ maar 't ook te doen _blijken_, dat wij het zijn.
+Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze
+lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende
+oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch
+schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een
+woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein
+dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat
+eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen
+naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in
+de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde
+melodie van liefde zullen aanheffen.
+
+
+
+
+HOOFDIGHEID.
+
+
+
+
+IV.
+
+HOOFDIGHEID.
+
+
+Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken
+te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers
+niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.
+
+Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie
+onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.
+
+'t Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als
+de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen,
+die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove
+zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing
+noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend
+beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó
+beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die
+kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog
+gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van
+het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.
+
+Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt
+tot het verwoesten der wijngaarden van huiselijk geluk,—ja, die meer
+druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet
+gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn
+zevental gaf ik hem den naam van _hoofdigheid_; anders,—'t was
+misschien beter geweest,—_doordrijverij_.
+
+Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit
+overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is.
+Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons
+leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen
+zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel
+moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding
+eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare
+eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen
+verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te
+houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en
+zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het
+andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi,
+de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en
+slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die
+eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde
+eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste
+lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche
+en edele daden volbracht worden.
+
+Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze
+eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij
+instinct handelt, en niet luistert naar rede of geweten,—'t is wat
+wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”
+
+Dit _dierlijk_ instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met
+hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des
+te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand
+bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.
+
+In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel,
+vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte
+die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit
+een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De
+timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw
+nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te
+schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst
+worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies
+in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en
+gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang
+dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde
+met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken
+present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen;
+uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken,
+en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen,
+zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige,
+stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen
+het geval is.
+
+Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen
+overeenstemmen en harmonieeren in de dingen des geestes,—die van
+dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen
+voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het
+eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan
+het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er
+voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën
+en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te
+maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden,
+en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst
+op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch
+eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.
+
+Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt
+en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen
+zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid
+van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te
+verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen
+zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw
+Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over
+„zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen
+boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat
+zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven.
+Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden
+opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende
+populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan
+duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een
+logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken!
+_Zij_ weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit
+aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom
+op te sluiten; en _hij_ weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan
+zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten
+draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden
+staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd
+worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De
+natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet
+met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der
+vogels.
+
+Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun
+gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen
+met elkander, en beginnen een nest te bouwen, _alias_ een huishouden op
+te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de
+partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en
+van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.
+
+Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen,
+zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe
+niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den
+kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden
+smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak
+vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor
+elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten
+en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen
+bestaat in de hoogste aangelegenheden. Beiden zijn edel van hart
+en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van
+smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat
+het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen
+naam verdient, dan: _een jaar van gevechten_.
+
+Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig
+opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met
+elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als
+bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit
+te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het
+loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.
+
+De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er
+geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles
+volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en zijn
+zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een
+_gevoelen_, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld
+zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo
+nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin
+kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!
+
+'t Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar
+luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over
+de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in
+'t bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij
+die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar
+telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe
+woning te voeren.
+
+De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.
+
+„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.
+
+„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.
+
+„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet
+komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit
+anders dan voor de ramen zien staan.”
+
+„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet
+wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in
+den hoek. Probeer het maar eens!”
+
+„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de
+heele kamer bederven.”
+
+„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de
+piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje
+het wezen zal, om dáár te zitten.”
+
+„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,”
+brengt mevrouw in 't midden.
+
+„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je
+meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei
+hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”
+
+„Maar ik kan er mij nooit meê vereenigen, dat de piano zoo in een hoek
+gestopt wordt”, zegt Hero. „_Ik sta er op_, om haar voor het raam te
+zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van
+mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”
+
+„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik
+dat van mijn kant even goed doen.”
+
+„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van
+de vrouw hoort.”
+
+„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de
+huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er
+een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”
+
+„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat
+het mij displezier doet,” zegt mevrouw.
+
+„En mij dunkt, dat _jij_ iets niet zoo moest doordrijven als je weet,
+dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.
+
+En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt
+ze:
+
+„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden,
+als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!”
+Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter
+ongelukkig met zijn overwinning is.
+
+Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op
+een koffer zitten.
+
+„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel
+geven.”
+
+„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten,
+dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”
+
+„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we
+kinderen waren.”
+
+„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”
+
+„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar
+ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”
+
+„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de
+piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de
+kamer binnen kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de
+noten te zien.”
+
+„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak
+niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet.
+'t Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”
+
+Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde
+manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten
+volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar
+ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is,
+zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig
+meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien
+woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en
+hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij
+zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden
+van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige
+schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles
+de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht
+den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst
+door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer
+geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet
+je toch toestemmen, dat _ik_ gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein
+is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.
+
+Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte
+kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van
+hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd
+overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking
+veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den
+bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het
+genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te
+boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre
+niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander
+gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden
+hebben, ernstig kan bedreigd worden.
+
+Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte,
+maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat
+dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het
+nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar
+Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje
+voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander
+is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te
+hebben, schuift hij zijn bord op zij.
+
+„Beste! smaakt de sla je niet?”
+
+„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”
+
+„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.”
+En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.
+
+„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van
+suiker en azijn over de sla.”
+
+„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren
+immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,”
+voegt ze er bij op een vleiende toon.
+
+„Lieve! ik probeer _nooit_, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd
+heb. Ik houd me maar bij het oude.”
+
+„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”
+
+„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar
+ik niet van houd.”
+
+„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren.
+'t Is er net mee als met olijven: ik heb wel eens gehoord, dat enkele
+menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat
+gegeten hebben, worden zij er dol op.”
+
+„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen,
+daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”
+
+„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij
+dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden
+te schikken.”
+
+„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met
+suiker en azijn houdt.”
+
+„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord,
+dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”
+
+„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar
+heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw
+veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen
+zeggen.”
+
+„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets
+niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.
+
+„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en
+altijd mijn zin doen.”
+
+„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van
+aan is.”
+
+„Dat zie ik nog niet in.”
+
+„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”
+
+„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”
+
+„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.
+
+„Dat heb je toch glad mis.”
+
+Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:
+
+ Mogen we eindelijk daarin slagen—
+ Wie verlangt en bidt het niet?—
+ Dat wij zóó ons zelven zagen,
+ Als ons ieder ander ziet.
+
+„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke
+verhooring mag vinden, lieve!”
+
+„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero.
+
+„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr.
+„Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?”
+
+„Jij bent begonnen.”
+
+„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, _jij_.”
+
+„Stellig niet. Leander! jij begon.”
+
+Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de
+respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en
+stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al
+is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden
+maken.
+
+_Zij_ zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd zóó
+hebben, als je ze 't liefst hebt,” en _hij_ zou kunnen zeggen: „Lieve!
+als je 't graag hebt zal ik eens probeeren of ik van de sla, zooals jij
+ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede,
+dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander
+het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan
+een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens
+vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of
+achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig
+volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel
+heeft het niets uit te staan.
+
+De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar
+getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie
+gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer
+hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den
+ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de
+vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de
+boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden,
+zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken,
+als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar
+eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen.
+Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der
+schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er
+bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en
+godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op
+de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.
+
+Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er duizende kleine
+geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties,
+waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin
+iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”
+
+Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat
+hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de
+eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer
+hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't
+Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen
+als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet
+worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten
+en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk
+ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige
+overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich
+met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig
+als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze
+somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van
+huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en
+voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel
+uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven
+als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet
+te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard
+verderft.
+
+Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht
+dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en
+anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het
+is, maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere
+door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten
+omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de
+behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen
+in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't
+karakter hunner vrienden geldt.
+
+„Maar _ik_ zou zulke tooneelen niet met _mijn_ vrouw willen hebben,”
+zegt Don Positivo. „_Ik_ zou zoo'n verstandige vrouw niet willen
+trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig. _Ik_ zoek een vrouw, die
+zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel
+naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad
+gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op
+aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn
+hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.
+
+Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen
+zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een
+domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog
+niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.
+
+Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan
+hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van
+hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen,
+en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert
+schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman
+gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en
+precies op dezelfde manier.
+
+Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de
+meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen
+wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal:
+vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan
+zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een
+onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en
+eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij
+hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die
+dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school
+genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze
+heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in
+één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare
+wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van
+haar kunne.
+
+Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen
+eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede
+kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te
+gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard
+was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is
+ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar
+eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar
+ongelukkig de man, die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct
+van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul
+is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw
+overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw,
+waarop hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet....
+dat wordt op den duur onuitstaanbaar.
+
+Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen,
+door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen,
+waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die
+gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd
+worden?
+
+Lees het werk van Mevrouw Ellis, getiteld: _De engelsche vrouwen_
+en gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen
+leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden
+overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw
+maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden,
+altijd juist te weten, wat hij wil. „_L'état, c'est moi_,” is de les,
+die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw Ellis leert, en uit de
+voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken,
+dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het
+huwelijksleven toegepast wordt.
+
+Miss Edgeworth laat haren generaal Clarendon tegen zijn begaafde en
+bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een
+deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de
+sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo
+vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de
+arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot,
+zich aan een leugen schuldig maakt.
+
+In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar
+moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die
+vroeger een ander bemind had, tot _zijne_ vrouw te nemen; en daarom
+verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat tot de
+ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester
+aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar
+ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag,
+die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is
+dit _uw_ schrift?”
+
+De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig
+voor, hoe vast ze aan het goddelijk recht van den man gelooven. B. v. ga
+eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: _Agatha's
+echtgenoot_ genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel
+fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die
+voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze
+bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste
+zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame
+strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een
+plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand
+anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is.
+
+Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar
+man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en
+genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar
+eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van
+met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien
+zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen
+zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid in, hem te
+houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert
+deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht
+behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het
+dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man
+de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door
+'t heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de
+waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon
+bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met
+de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen
+verdenken.
+
+De schrijfster van _Jane Eijre_ beschrijft de verhouding tusschen More
+en Shirley gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof
+er over het dresseeren van een paard wordt gesproken. Shirley is wat
+lastig en stijfhoofdig, en More, haar minnaar en leermeester, geeft haar
+_Le cheval dompté_ ten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier
+om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze
+dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft,
+spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.
+
+„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”
+
+En zij antwoordt:
+
+„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn
+stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn
+voet zal ik rusten.”
+
+De begaafde schrijfster van „_Nathalie_” schildert den strijd van
+een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan
+zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een
+allerzonderlingst gedrag, maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op
+een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert:
+zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer
+twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was
+het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!
+
+Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd
+lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid
+en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn
+geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er
+bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen,
+of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter
+gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken
+over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt,
+vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te
+verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen
+zijn.
+
+Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te
+strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en
+hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de
+schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie;
+die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot
+maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt
+haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans
+bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer,
+vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, voor
+hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één
+verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook
+beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij
+hem wil blijven, _mag_ blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van
+den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar
+een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar
+lieven man.
+
+Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de
+oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof
+mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.
+
+Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken
+haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn
+handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies
+te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté
+zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't
+grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano
+juist zóó te zetten, als hij het graag heeft.
+
+Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met
+een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich
+evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij
+ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte
+opperheerschappij in huis.
+
+De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk
+vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't
+bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.
+
+Onze president[1] is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn
+persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem,
+omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er
+in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende
+stem is.
+
+[1] Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika
+ woonde.
+ Vert.
+
+De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het
+huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen,
+de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand
+van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting
+heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht
+eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den
+president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan
+de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking
+de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen
+moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen,
+alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen.
+Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders
+persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die
+op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet
+in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?
+
+Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook
+Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende
+punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man
+bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit
+almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat
+hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de
+Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan
+wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle
+geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar
+menschen wonen.
+
+Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en
+kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de
+dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over
+'t woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor
+een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor
+een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te
+weigeren.
+
+Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als
+vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant
+wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij
+aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de
+overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer
+het geen dienstzaken geldt.
+
+Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee
+rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze
+negentiende eeuw even dwaas.
+
+Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun
+goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man
+een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht,
+om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en
+liefhebberijen der zijnen heerschappij te voeren. Even weinig als hij
+'t zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even
+weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar
+zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn
+vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't
+fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer
+nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van
+zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn
+beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw
+volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan
+onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat _zonde_.
+
+'t Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een
+enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar
+zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven
+en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles
+maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.
+
+Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne
+eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is
+'t gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn
+gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring
+aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een
+rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker,
+dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte
+Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.
+
+De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn,
+moeten natuurlijk geregeld worden, maar niets dwazer, niets verkeerder
+voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het
+romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't
+huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te
+strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien
+aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen,
+zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.
+
+Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het
+toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven
+kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.
+
+Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs
+stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe
+men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in
+hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de
+gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen
+overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat.
+
+In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles
+heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende,
+kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen,
+naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het
+bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het
+bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen
+mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt
+en krachtig beheerscht.
+
+Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder strijd te voeren
+dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste
+gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking
+van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.
+
+Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk
+een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een
+geheel tegenstrijdig karakter.
+
+De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich
+geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum
+weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en
+papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier
+zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf,
+schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige
+laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit
+jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om
+wordt.
+
+Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van
+de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als
+ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke
+hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?
+
+Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat
+de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te
+kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten
+wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te
+richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe
+redelijk 't een of ander ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan
+ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te
+geven tot huiselijke oneenigheid.
+
+Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die
+hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem
+gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te
+verdedigen.
+
+Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat
+met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.
+
+„Kijk dan maar op mijn horloge.”
+
+„Je horloge loopt niet goed.”
+
+„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”
+
+„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.”
+
+„Neen, beste! dat heb je mis.”
+
+„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren
+zeggen?”
+
+„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten
+maken.”
+
+„Hoe kan je _dat_ nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”
+
+„Lieve! je hebt het mis.”
+
+En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord
+wil hebben.
+
+Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de
+huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de
+heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf
+doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn,
+dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar
+is,—laat er grond wezen of niet voor honderd kleine aanmerkingen, die
+wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie
+over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit
+die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door
+verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde
+overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs
+geven?
+
+Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u
+er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan
+redeneeren.
+
+Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te
+gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder
+na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt
+middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking
+heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan
+vroeger.
+
+Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde
+opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig
+wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk
+te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en
+welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.
+
+ * * * * *
+
+Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een
+oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een
+vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had
+werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met
+die verzen zijn lezing eindigde:
+
+ Helaas! hoe nietig klein een reden
+ Verwijderd soms een huwlijkspaar,
+ Dat onder 's werelds tegenheden
+ Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar;
+ Wier liefde stormen en gevaren
+ Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,
+ Gelijk een schip in 't hart der baren
+ Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.
+
+ Een enkel woord, een enkel teeken;
+ Een enkle blik verkeerd verstaan:
+ Een ademtocht—en 't is bezweken
+ Wat door geen stormen kon vergaan.
+ Na 't eerste woord volgt ras een tweede,
+ Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:
+ Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,
+ Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—
+ Klonk toovrend toen in al hun spreken
+ De zachte toon der teerheid door,—
+ Voor altijd is die straal geweken,
+ En ging die liefdeklank te loor.
+
+ Een wolk, door storm uiteengereten,
+ Is beider hart gelijk,—een vliet,
+ Die boven langs de heuvelketen
+ In dartel spel haar watren schiet,
+ Alsof ze nimmer zouden scheiden;
+ Maar, eer zij neêrstort in de beemd,
+ Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,
+ Voor eeuwig van elkaar vervreemd.
+
+
+
+
+ONVERDRAAGZAAMHEID.
+
+
+
+
+V.
+
+ONVERDRAAGZAAMHEID.
+
+
+„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”
+
+„Ik zal een preek houden over _onverdraagzaamheid_,” gaf ik mijn vrouw
+ten antwoord.
+
+„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”
+
+„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer
+kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb
+gepreêkt—een van „de kleine vossen””.
+
+Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven
+bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl
+toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel
+is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid
+onzer menschelijke natuur.
+
+Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben
+nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens
+op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil
+niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn
+onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige
+gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn
+onverdraagzaam. En huisvaders en huismoeders zijn onverdraagzaam,
+hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus,
+dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.
+
+Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de
+tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé
+Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.
+
+„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,”
+zegt Mevrouw Perfect; „het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n
+kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”
+
+„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen
+met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge
+niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche
+gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te
+maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en
+vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal
+niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een
+huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar
+heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes
+wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en
+wat beweging in de open lucht neemt?”
+
+„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel,
+zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste
+stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van
+den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde
+schepsels.”
+
+„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, hier over de deur,
+met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”
+
+„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als
+ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg
+vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”
+
+„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”
+
+„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig
+zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij
+zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is.
+Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo
+vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't
+ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom,
+ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen
+stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid
+is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen,
+en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch
+weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en
+boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”
+
+„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt
+afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?”
+
+„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór
+Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en
+tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe.
+Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als wij een ritje
+naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou
+gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang
+vertroeteld.”
+
+„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan
+doen van de schreeuwende kinderen...”
+
+„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen
+schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik
+zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even
+als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om
+tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren
+ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een
+slapeloozen nacht bezorgd.”
+
+„En als zij tanden kregen?”
+
+„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door,
+net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles
+maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben
+met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”
+
+„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch
+onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”
+
+„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men
+wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”
+
+„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht
+samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de
+kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw
+zelve wordt er ziek van.”
+
+„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een
+verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts
+over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad
+hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil
+zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik
+nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen
+notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken
+gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen
+schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier
+tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo
+merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”
+
+„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw
+kinderen waren het ook.”
+
+„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook
+niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik
+ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat
+het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”
+
+Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het
+model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd
+vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft
+niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken
+nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze
+nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft
+mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er is een knoop van
+mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep
+nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd
+gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan
+huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste
+puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet,
+altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en
+nooit vermoeid.
+
+Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is
+zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes
+voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is
+altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij
+heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.
+
+Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur
+Torquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het
+afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de
+maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld en
+met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch
+jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de
+mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare
+zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen
+hebben.
+
+Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld
+voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant,
+die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd
+zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en over dag
+sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder
+de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde
+manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij
+zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen
+of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig,
+als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan
+wezenlijk _haar_ schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en
+aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden
+volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden
+over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is
+voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen
+heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.
+
+Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en
+krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen
+van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit
+in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige
+juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip
+over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke
+colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet
+voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een
+evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?
+
+Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig
+heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste
+huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen,
+dat allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder
+op anderen inbreuk te maken.
+
+Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te
+begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid
+en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en
+ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de
+gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan
+hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been
+voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of
+tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een
+vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor
+grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens
+baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de
+kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond
+geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den
+ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in
+breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.
+
+Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het
+huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij
+zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in
+dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende
+daaruit voorkomt?
+
+Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel
+verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee
+sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van
+verschil over. 't Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn
+elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken,
+omdat het zoo wezen _moet_; maar in plaats daarvan brengen de meesten
+hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat
+van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't
+zich nu maar niet naar hen schikken.
+
+Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht
+is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken
+waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen
+afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij
+nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man
+van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader
+en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden
+gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al
+denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn _fort_
+niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap:
+ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang
+gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen
+kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er
+raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”
+
+Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is,
+een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen
+schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij
+getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden
+of haar kunde en bedrevenheid in de dingen van het dagelijksche leven,
+en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn
+en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met
+huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig
+maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon
+was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje
+bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze
+nooit van regel en gewoonte afweek?
+
+'t Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster
+verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch
+overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken,
+van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter
+dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar
+veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en
+haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen
+heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het
+verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo
+iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij
+ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het
+eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw
+verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en
+teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar
+eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om
+dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.
+
+Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een
+begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende
+gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met
+elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn
+onderling, in geaardheid.
+
+De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel
+toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het
+wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien
+eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders
+bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop
+aangewezen, dien het te volgen heeft.
+
+Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins
+gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen
+van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo
+keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en
+volmaakt.
+
+Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest
+haar een bloemlezing uit Milton voor, als zij nog pas acht jaar oud is,
+en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de
+eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het
+nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig,
+huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg
+heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij
+teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig
+gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet
+kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan 't
+geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard
+onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig
+leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den
+uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te
+promoveeren.
+
+Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't
+koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een
+dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder
+haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome,
+Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft,
+zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te
+onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende,
+flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die
+onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild!
+
+Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe
+gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren
+huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar
+huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis
+toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om
+uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij
+het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet
+geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot
+ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan
+later de gebreken, die het heeft, te verhelpen.
+
+Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kan met allerlei
+gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen
+hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de
+spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij
+ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden,
+al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen
+werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te
+worden als 't er niet al te best meê gaat. Maar laat ze dan ook even
+veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar
+flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't
+maar goed doet, te vatten.
+
+Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand
+bestemt. Hij moet de Daniël Webster van de familie worden. De jongen
+is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder
+van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op
+abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt,
+hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel
+paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of
+heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten;
+met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de
+buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is
+hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en
+verdient wat hij zegt, wèl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid
+tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't
+onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk
+voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord, tusschen den volmaakt-
+en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk
+stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een
+gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels
+door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studiën,
+van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en
+tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde
+wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den
+ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter
+van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman
+kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust
+in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt
+voor dat ééne, waartoe zijn ouders hem reeds vóór zijn geboorte blindweg
+bestemd hebben.
+
+Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond
+hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en
+nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn
+katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan
+heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar
+doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij
+verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en
+verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan,
+hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en
+de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en
+die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en
+proparoxytona, paroxytona worden, als de laatste lettergreep lang wordt
+terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep
+kort is. Daar elk van deze regelen wel weêr zestien uitzonderingen
+heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele
+gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het
+mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en
+haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder
+er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der
+klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen.
+
+Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat
+zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht
+tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds meêbrengt en derhalve ter
+nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een
+andere, niet minder goede soort van jongens zóó veel bezwaren heeft, dat
+deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de
+tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of
+domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen
+bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen zóó te overspannen, dat zij
+nergens meer geschikt voor waren.
+
+Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en
+werktuigkunde had, was altijd nommer één op de middelbare school. Hij
+behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij meê en zoo trotsch op,
+als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug
+van bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van
+woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamen
+hem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe
+minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te
+vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al
+van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven van
+Grieksche accenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn best,—die
+jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd achteruit gezet,
+altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, kon niet opwerken
+tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem stonden. Hij begon
+te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige knappe jongen is door
+zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en voor de maatschappij
+verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals een groote kolenzeef;
+elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, moet er doorheen vallen.
+Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu juist niet veel op aan;
+maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens gebruikt werd, om
+steenkolen van diamanten te ziften?
+
+„Die arme jongen!” zeide Ole Bull medelijdend toen iemand van de treê
+van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht meê
+te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel
+verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!”
+
+De geestige Heinrich Heine zegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn
+jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als
+zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor,
+omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in
+den accusativus op _im_ uitgaan.”
+
+Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche en Latijnsche
+schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode
+talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met
+de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest
+daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar
+langs dat ééne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien éénen
+hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk
+land van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie
+van het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen,
+die niet in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in
+geregelde volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige
+naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op
+te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken
+oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel
+kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er
+van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen
+gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der
+Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille
+met aanhalingen uit de „Aeneïs” volschreef en bloemlezingen uit zijn
+Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn
+taalregels op de pijnbank zette.
+
+Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die
+de lijst van zelfstandige naamwoorden op _y_ met het meervoud in _ies_
+en de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen onder
+ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend
+spreker iets baten, of hij Murray's Grammar van A tot Z kan opzeggen?
+Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend?
+
+Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo
+afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes.
+Er is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er
+inkomen. Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat te
+hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om met
+de rijstebrij te beginnen.
+
+Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is
+uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens
+en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken,
+en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe
+letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger,
+natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen
+bestaat.
+
+Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig
+huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder
+jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op de
+Latijnsche school gaan, of anders gooit hij zijn naam en eer te
+grabbelen.
+
+„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste.
+„Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn
+overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult
+er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.”
+
+„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer
+Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd
+krijgen. Ik heb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon,
+wat ik gevoel, terwijl ik daarmeê bezig ben. En ik zou niet altijd de
+laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen
+worden.”
+
+Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt
+om iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een
+manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem
+onthield,—wat gebeurt er dan?
+
+Hij loopt den cursus door, _of_ als een huichelaar, zijn meester en zijn
+ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—_of_ hij
+doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met
+dat al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn
+geheele leven.
+
+Als men eens in de geleerde opvoeding die ééne methode niet zoo
+uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het
+groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten,
+zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs
+was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke
+en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel
+vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te
+zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in
+zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid.
+
+„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t
+is een goede oefening voor den geest.”
+
+Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting.
+
+Als een jongen geleerd heeft, dat in den genitivus pluralis van de
+eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep
+een circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen
+zijn: 1. Dat de feminina der adjectiva en participia op—ος,—η—ον in den
+genitivus pluralis hetzelfde accent hebben als de masculina, maar dat
+andere adjectiva en participia feminina, in den genitivus pluralis
+perispomena zijn; 2. Dat de substantiva χρῄστης, ἀφύη, ἐτησίαι en
+χλούνης in den genitivus pluralis paroxytona blijven,—ik zeg, wanneer
+een jongen dit en twintig van die dingen uit zijn hoofd geleerd heeft,
+dan is zijn geest geen zier meer ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst
+memoriseert van de oudste dertien Staten van Noord-Amerika, het getal en
+de namen der later bijgekomene, den tijd van hunne aanneming en hun
+bevolking, hun handel, hun bedrijf, enz. Dat zijn ook niets meer dan
+geheugenoefeningen, maar 't zijn dan ten minste nog oefeningen in dingen
+die van eenig belang zijn, en waar men iets aan heeft.
+
+Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig
+om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf
+zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de
+meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen,
+en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal
+vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen,
+die met een barren Rector achter zich door de origineelen is
+voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche
+grammatica.
+
+Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls
+ik een taal leer, zoo dikwijls word ik een man,” zei Karel V,—en hij
+had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door
+de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de
+uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme
+jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien
+van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor
+dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen
+zijn.
+
+„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland.
+Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als
+onze jongens leeren.”
+
+Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan
+Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil
+van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland
+sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen
+invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten,
+wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen
+hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze
+Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft.
+
+In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften
+zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond,
+dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is,
+moeten meêgedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden,
+waarmeê anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en
+geschiktheid voor hebben.
+
+Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheid en van
+uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende,
+dan op het veel betwiste gebied van opvoeding.
+
+Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de
+ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn,
+met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle
+kracht verlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders zóó voor, alsof
+ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar hartelust
+kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun een goed
+model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan 't werk te
+gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk mensch van het
+kind te maken.
+
+'t Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan zóó
+iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij
+herhaling betuigt, dat _Hij_ kinderen opgevoed en groot gemaakt heeft,
+maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht:
+„Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan
+heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en
+hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer,
+beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in
+dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen
+menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter
+hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt?
+
+De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven
+verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders
+geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menig moeder
+werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had,
+belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij
+evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen.
+
+Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt
+een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als
+zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de
+eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met
+een reus moest vechten.
+
+Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet
+vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar
+handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot
+overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken,
+maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij
+overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger
+aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar
+invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen
+wel klaar krijgen.
+
+Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de
+wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar:
+
+„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den
+wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef
+hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan
+koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.”
+
+Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenmin kan opvolgen, als een
+koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens kan
+zogen.
+
+Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in
+staat zijn over den wil van anderen te heerschen. _Zij_ kunnen op die
+manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het
+in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink
+afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom
+nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond
+hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen
+drijven.
+
+Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het
+beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden
+niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij
+missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van
+die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen
+slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en
+niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen.
+
+_Invloed_ is een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar
+zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren
+weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld,
+waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken.
+
+Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij
+nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig
+wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig haar
+gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip heerscht, niet
+bij haar woelig troepje invoeren, of ze allen even zoet houden, zooals
+enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven heeft; en laat
+ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel weinig schijnt
+wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van menschelijke
+karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, volgens het
+bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt.
+
+De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de
+onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke
+ontwikkeling der kinderen.
+
+De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt
+bij den mensch, even als de doorgang der zon door de evennachtslijn,
+dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen
+wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war;
+somtijds verandert daarbij 't karakter zóó geheel en al, dat het kind
+voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand
+van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke
+wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit
+overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over
+te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven
+verwoesten.
+
+Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet
+getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om
+den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen,
+als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en
+dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en
+allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles
+in de war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft
+een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het
+liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb
+maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na
+verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift
+zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit
+groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet
+veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleêren scheurt, en
+vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop
+niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen,
+kleêren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en
+inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op
+dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed.
+
+Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van
+overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt
+gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het
+meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de
+kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien
+te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school
+vorderen.
+
+Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft
+handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen
+wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen
+haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze
+aangemaand voor stelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur
+slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en
+'t resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long.
+
+Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist
+in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling.
+Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht
+recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen
+van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't
+Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er
+zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De
+schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van
+hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren
+cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn
+gegaan.
+
+Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ééne
+opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarmeê we hem aan den gang
+kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze
+groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder
+bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn
+eigen werk te doen.
+
+
+
+
+ONWELLEVENDHEID.
+
+
+
+
+VI.
+
+ONWELLEVENDHEID.
+
+
+„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, dat
+_onwellevendheid_ almeê de ergste verstoorster is van den huiselijken
+vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en
+beleefdheden, waarmeê men voor vreemden zoo gul is.”
+
+„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde Robbert Stevenis. „'t Is
+al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen
+en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men
+zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en
+zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn
+hoofd meê te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die
+elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat
+moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij,
+zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig
+of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het
+crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat
+wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar
+zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons
+toeleggen, evenmin noodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen
+dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.”
+
+„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame
+het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo
+netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt;
+maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of
+houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te
+komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt,
+dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ook
+_haar_ japon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel
+niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk
+vreemd zijn.”
+
+„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd
+of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste
+wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd,
+dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan
+mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het
+vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei
+Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang
+mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt,
+een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en
+attenties bewijzen, dan er mij met één te moeten behelpen, die altijd
+maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt
+geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't
+ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant
+leest, en den heelen avond sigaren rookt of stil met een boek voor
+zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in één woord, omdat hij
+nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en
+aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij
+een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan
+wil ik graag tot de dames behooren, waar hij meê omgaat, maar ik zal wel
+oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om
+met hem te trouwen.”
+
+„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de
+mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder
+innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig
+en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk
+zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de
+courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er
+een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat
+voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook
+wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die
+'t vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te
+kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de
+„godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar
+niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel
+en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als
+toeschouwers.”
+
+„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei
+Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar
+wij, zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of
+vervelend of onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, hebben de dames
+vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren,
+daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar
+departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't
+schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig
+toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar
+meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van
+een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet
+omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even
+onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis
+nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren
+geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden
+na te laten, die ze vóór hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en
+gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat
+hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend
+in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen
+waren. Zóó moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man
+hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny.
+
+„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik Karel Sedley bij tijds
+waarschuw.”
+
+„Karel Sedley, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van
+verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie
+telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe
+onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....”
+
+„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft
+niets meer te zeggen.”
+
+„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide
+Jenny.
+
+„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten
+kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een
+andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar
+met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen
+juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds
+zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en
+elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten
+te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden
+onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter
+wereld.”
+
+„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls
+aangehaalde woorden van Cowper:
+
+ Eenstemmigheid in een of ander
+ Brengt eerst de harten tot elkander,—
+ Maar zelden houdt die neiging aan.
+ Tenzij innemendheid van zeden,
+ Beschaafde en kiesche oplettendheden,
+ Haar achteruitgang tegengaan.”
+
+„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen
+man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in
+ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar
+zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter
+liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht.
+De manier, waarop hij met haar omging, was een volmaakt model van
+allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht
+het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de
+boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging
+alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame
+bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, er wezenlijk
+schik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur
+had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met
+zijn financiën wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen
+verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn
+zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had
+alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn
+aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken
+behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg!
+Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen,
+alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken,
+dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij
+zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral
+was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van
+haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem
+niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich
+met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een
+voortreffelijk man?”
+
+„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt
+meêgedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als
+een man zonder eer, zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap,
+het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij
+er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer
+invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van
+beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een
+vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde
+behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en
+attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat
+beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.”
+
+„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert.
+
+„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een
+voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik
+ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier,
+zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij
+op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te
+presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat
+ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij
+behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter
+dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers
+hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief
+mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en
+schoppen op den koop toe te krijgen.”
+
+„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo
+als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk,
+die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt
+eens een schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden
+lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk
+waard zijn.
+
+„'t Is een vaste regel, dat die natiën die voor wellevendheid en
+hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen
+in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche
+Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte
+Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe
+is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en
+eerlijkheid te houden.
+
+„Niemand kan een Fransch werk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep een
+zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk
+doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een
+ander onaangenaam kan zijn. Als wij op de Fransche comedies mogen
+afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd
+en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk,
+de ruwe en ronde woorden, waarmeê wij iemand een brutaliteit aandoen, in
+het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat ons
+onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat
+het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid
+geeft.
+
+„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn
+dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel
+het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit meê te deelen, en rondweg
+voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en
+bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken,
+geen bediende nu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename
+gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz.
+
+„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madame
+George Sand in haar levensbeschrijving bericht over de verhouding
+tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk.
+Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere
+bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon,
+en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd
+alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen
+stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij
+begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde
+met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij
+het hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid
+te zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er
+in haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch
+om de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou
+gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt
+zich tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden
+van 't huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele
+zaak bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar
+brieven, of op de hartelijkheid, waarmeê zij, even als altijd, haar zoon
+ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem
+toelaat, bij haar komt doorbrengen.
+
+„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een
+onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder
+zetten jaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt,
+alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij
+door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart.
+
+„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft
+bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander
+uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze
+noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al
+geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt
+goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch
+leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom
+nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen,
+huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw
+en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn,
+zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.”
+
+„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo
+ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in
+een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant
+zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan
+verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander
+ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel
+van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn
+stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje
+en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't
+zelfde in anderen verdragen.
+
+„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen
+Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets zeî
+tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het
+daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven
+aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen
+te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets
+veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om
+zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten
+koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met
+zooveel omhaal als toen wij nog geëngageerd waren,—'t is immers omdat
+zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat
+het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knieën
+viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon
+zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed
+begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is.
+
+„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin
+nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch
+waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid
+hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak
+verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid
+ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in
+een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.”
+
+„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat
+bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten
+oprechtheid is beter dan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle
+liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met
+wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of
+andere reden, (al is 't ook nog zóó fijn, zóó kiesch) zullen bedrogen
+worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel.
+Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen
+mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was
+ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch
+moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk
+leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der
+oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten.
+
+„Wil iemand weten, wat ik hiermeê bedoel, dan verwijs ik hem naar de
+gedenkschriften van De Tocqueville dien ik voor een ideaal van een
+Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn
+brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat
+daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt.
+
+„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een
+individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden,
+waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd
+maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt
+geen verleiding bestaat.
+
+„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat
+wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in
+onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig
+gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouwen instinct van
+oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk
+te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de
+beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons
+huiselijk leven zou kunnen ingeënt worden.
+
+„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als
+wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij
+kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen,
+wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk
+in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een
+gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te
+rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor
+menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze
+eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude,
+halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de
+courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun één van al die
+attenties aan te doen.
+
+„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig
+aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting
+van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan,
+en een smerig en slordig pak voor t'huis.
+
+„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op
+partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is.
+Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar
+bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij
+in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er
+werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon in huis te dragen; zij
+zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat
+al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een
+net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak
+was: t'huis moet een vrouw er altijd lief uitzien.
+
+„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel,
+dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij
+denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder
+ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en
+merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het
+ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en
+dochters keurig en met smaak gekleed gaan.”
+
+„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de
+vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden.
+Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed
+verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien
+worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.”
+
+„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature
+Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat
+wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden
+Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel,
+en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie.
+
+„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best
+moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje
+behaagziek te wezen,—of beter gezegd, om ons aangenaam te maken in de
+oogen onzer naaste betrekkingen.
+
+„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld
+zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig
+maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een
+degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk
+te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen
+om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit
+of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug
+en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleêren veel van
+een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen
+van de gratiën uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen
+is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het
+noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die
+degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar
+eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig
+om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar
+eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een
+talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die
+den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en
+modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny
+over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als dominé's voor een
+geestelijke rechtbank moeten verhoord worden.
+
+„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde
+gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg
+moet zijn, om er niet te spreken over 't geen voor een ander
+onaangenaam is.
+
+„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van
+oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen,
+om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename
+dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie
+je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje
+op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er
+toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een
+tooverheks meê! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke
+oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je
+lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen
+man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs
+van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus
+spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste
+Française die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt,
+wat u hinderen kan.
+
+„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van
+vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkaêr in 't vaarwater kan
+zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden
+en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om
+wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar
+ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat
+het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke
+vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de
+vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maar de vrijheden zelven
+maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger.
+
+„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte
+om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst zeî,
+verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die
+de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig
+kwetsen.
+
+„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en
+gegriefd, die te bloô of te bang is, om er over te klagen. En wat voor
+nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor
+zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een
+heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring
+alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan,
+dan menig kleine vos in staat is te doen.
+
+„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang
+van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het
+eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden,
+als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de
+gewoonte van sommige mannen, om altijd weêr plompweg te vitten op 't
+geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk.
+Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit
+des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een
+gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht
+voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden
+al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en
+voor haar fatsoen, hij moest die soort van zaken geheel in privé
+behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een
+kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst
+en gesmeerd wordt.
+
+„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet,
+maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een
+verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het
+aanbieden van goeden raad.
+
+„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in
+gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou
+verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten
+der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden
+dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle
+idées en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen
+sympathiseeren.
+
+„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard,
+stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't
+niet mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met
+vrede gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er
+een vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen
+en aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens
+zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft _hij_ je? Dat wist ik
+niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen geweest? Wat heb je
+gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er meê doen?”—„Dat is,
+dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets te doen. Ik zou het
+heel anders doen.”—„Begrijp eens, Marie! Saartje wil van den zomer een
+zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te duur is—jij ook niet?”
+
+„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot
+de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig
+of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons
+huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer
+door worden.
+
+„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons
+wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door
+ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is,
+waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven,
+mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen
+vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die
+er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene
+of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het
+stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste
+dingen, die ik ken.
+
+„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van
+raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen.
+
+„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en
+uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene
+niet? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet gedaan?”—„_Ik_
+zou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen en al dat vitten
+en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, dat het dikwijls
+moeielijk valt, er geen acht op te geven.
+
+„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief en nog zoo
+goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden
+leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het
+daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel
+zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen
+zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen
+kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere
+bescheidenheid weêrhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te
+vragen en te vitten en raad te geven.
+
+„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee
+zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te
+matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn
+opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven
+zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze
+eigenaardigheden opdringen.
+
+„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een
+vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp
+geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste
+waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander
+zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en
+laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een
+ander meê te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit
+in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt
+gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en
+zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede
+laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant,
+waar een geest van gezelligheid en eenigheid heerscht, die ons in alles
+bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wél gezind ze
+zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken.
+
+„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van
+onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit
+zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik
+zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en
+gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het
+oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk
+beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog
+wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik
+weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar
+overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't
+geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het
+hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten
+geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig
+hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.”
+
+
+
+
+ONVOLDAANHEID.
+
+
+
+
+VII.
+
+ONVOLDAANHEID.
+
+
+Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat
+zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen
+jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hem
+
+ ONVOLDAANHEID.
+
+En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit
+vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever
+begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde
+gebrek.
+
+Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld
+heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te
+bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en
+ziekelijke voorstelling van het doel zelf.
+
+Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste
+stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem
+voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu
+geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano
+overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd
+moet worden, van zoo iemand zult ge zeggen, dat hij aan volslagen
+monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan
+dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt.
+
+Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer
+levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid
+onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt.
+
+Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ééne, die de
+geleerden _idealiteit_ noemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen
+ik _onvoldaanheid_ genoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat
+er iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre
+dan ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt
+ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat,
+waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren
+van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of
+iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun
+levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit
+gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit
+kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat.
+Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt
+hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en
+beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en
+denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij
+zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de
+wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te
+jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij
+het naderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het
+Christendom en de taak van den Christen.
+
+Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de
+gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol
+onkruid.
+
+„Wraak,” zegt Lord Bacon, „is een soort van woeste rechtvaardigheid,
+koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid
+overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in
+'t huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar
+overdrijving.
+
+Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets
+beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een
+ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en
+ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif.
+
+Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar
+maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen
+idealiteit en 't gemis daarvan.
+
+'t Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, die Daytons:
+gastvrij, welwillend en vriendelijk.
+
+Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk
+gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden zóó tamelijk, en—op
+dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft.
+
+Mevrouw Dayton is een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar
+niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies
+gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop
+een keurige huisvrouw gesteld is.
+
+Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature; zij tracht alleen
+goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij
+ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of
+buitengewoons, maar is er altijd tevreden meê, zoo als 't met hen
+uitvalt.
+
+Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van
+zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't
+huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen
+zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit
+genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk,
+dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat
+de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt,
+en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de
+wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo
+onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn.
+
+Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn
+zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt
+nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit
+gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij
+halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor
+een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De
+dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk
+onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en
+bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele
+familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingen met
+elkaêr een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch
+of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als
+menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste
+stukken.
+
+Zoo zijn de Daytons; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al
+dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te
+verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme
+tevredenheid, die u daar omgeeft.
+
+Vlak tegenover de Daytons wonen de Mores, en de Mores zijn juist het
+tegenovergestelde van de Daytons.
+
+Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier
+met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen
+sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd
+vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als
+'t volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin
+iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel
+is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort
+voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze
+ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk
+geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de
+wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets
+gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de
+uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen
+inderdaad verwonderlijk.
+
+Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun
+geen tiende van de voldoening, die de Daytons van hun halfbakken werk en
+hun knoeisels hebben.
+
+De beide dochters, Jeanne en Maria, hadden een lieve stem, en, toen
+zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de
+beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten
+gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en
+ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen,
+dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden
+smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in één woord, nadat deze
+familie Jenny Lind, Grisi, Alboni, Mario en anderen gehoord heeft, is er
+tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, die _zij_ kan maken, is toch
+niet de moeite waard.
+
+Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang
+bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt
+voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren
+in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden
+teekenen zoo als Signor Pottilodini, als er kans voor haar was, 't ooit
+tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet meê
+zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten,
+dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar
+zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets
+meer aan te doen.
+
+Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op.
+Indien zij zoo'n mooie hand hadden als Charlotte Cushman,—indien er
+niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en
+vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen
+schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort
+van dingen vinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of
+overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten.
+Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met
+een beetje oefening er nog verder in brengen.
+
+Mevrouw More vergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar
+keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met
+verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk
+verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu,
+dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte
+dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser
+kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet
+kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en
+zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar
+maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij
+vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en
+zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar
+ge moest de soep eens in zeker hôtel te Parijs geproefd hebben, en de
+puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als
+ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik
+heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame
+vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar
+in haar gansche, schijnbaar zóó goed geordende huishouding, genoeg
+naar haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen: „'t Moet
+er nu maar meê door!” „Och, laat maar staan!” lispelt ze met bitteren
+weemoed, als een ongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om
+'t een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo
+blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.”
+
+De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer
+overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en
+vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare
+eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen
+ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van
+onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend,
+want ieder heeft zijn snaren zóó hoog gespannen, dat de een voor den
+ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn
+altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander
+zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander
+spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe
+geoefend van oordeel ze zijn.
+
+Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun
+overburen behooren neêr te zien, daar deze in een heidenschen toestand
+van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk
+dat de elegante zoon des huizes Johan zeer dikwijls ter sluiks naar de
+Daytons overwipt, om er een avondje door te brengen en bij die oude
+rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met hen te zingen,
+waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis. Lize Dayton heeft
+een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is een aardige
+meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar zoo aan de
+piano zit en allen dapper meê aanheffen, dan begint Johan te denken,
+dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een aria
+voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven raadsels
+op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en pleizierig
+toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en plaats en
+omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar onwetendheid
+zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig te zijn”.
+
+Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met de Daytons op
+heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij de Daytons aan
+huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo
+beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden
+ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met
+hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine
+attenties van Willem Dayton, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar
+aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag
+lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg
+is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem
+komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden,
+waarmeê mevrouw More en de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog
+verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt
+nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond
+verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van
+menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde
+en geleerdheid, er nog altijd vóór ligt en nog altijd philosopheert over
+de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige,
+alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een
+strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappe Mores zich om
+den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo
+als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de
+droomerijen der idealiteit.
+
+Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen
+kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we
+vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan de Daytons verre boven de
+Mores. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen de Mores het van
+de Daytons. Een deel van de overdreven zucht naar het ideëele, die wij
+bij de Mores aantreffen, zou de Daytons aansporen, veel te verbeteren en
+te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar
+toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid der Daytons,
+zou de begaafdheden der Mores vruchtbaarder voor de practijk maken en
+hun eigen geluk bevorderen.
+
+Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in,
+evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar
+wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't
+vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste
+idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen
+als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals
+'t gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan
+dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van
+menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand
+als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare en het
+onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen.
+
+'t Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst
+of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een
+kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ééne soort van
+zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven
+en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of
+in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de
+tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen
+is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij
+weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen
+zeggen: nu kan het niet beter!
+
+Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere
+volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden
+belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en
+dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en
+den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe
+'t een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden
+dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare,
+terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden.
+
+Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een
+compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en
+velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen,
+tevreden te zijn, als de dingen maar _half_ zoo goed gedaan worden als
+ik het zou wenschen,” luidde zijn antwoord, en hetzelfde zou men met
+vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den
+huiselijken kring.
+
+'t Is een gewone manier van zeggen, dat _die_ en _die_ menschen zijn,
+die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes”
+was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte.
+
+Zijn het nu _vrouwen_ en aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden,
+dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken;
+want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles
+en alles „in de puntjes” kán wezen.
+
+Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan
+daarover voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken
+alleraardigste tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden,
+waar boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid
+precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en
+elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij
+benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't
+ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld.
+
+Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er
+zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal
+overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theoriën omtrent
+levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te
+zitten en al die theoriën en idealen te zien verdwijnen voor den drang
+der omstandigheden.
+
+Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij
+bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten
+en bemesten. Wij lezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat
+het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en
+perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de
+keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een
+herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de
+kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en
+hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel.
+
+De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er
+mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid
+en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo
+duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er
+zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten
+altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter.
+
+'t Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de
+spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te
+hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die
+het minst eischen en verwachten.
+
+De zucht naar het ideële ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte
+van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij
+in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is.
+Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons
+tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is
+er natuurlijk maar één antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die
+zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in
+de war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig.
+
+Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan
+'t hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van
+aard en moeielijk van humeur zijn, geen vrede en harmonie stichten. Dat
+is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in
+den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen,
+overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd
+ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij
+staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan
+zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en
+hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten
+beoordeelen zij zich volgens een ideëelen maatstaf en bemerken, dat zij
+ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt
+ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor
+hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt
+houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden
+over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben
+zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich
+zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen
+ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen
+onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van
+anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarmeê het Christendom
+verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er
+zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door
+de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel
+tegenzin hebben.
+
+Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen
+karakter en een groote zucht naar het ideëele hebben, deze
+eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch,
+zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar
+deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo
+ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is
+de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige
+geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideëele. De christelijke
+godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend
+ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave van _rust_ heeft
+willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die
+alle wantrouwen buiten sluit, _rust_ aan allen zonder onderscheid, onder
+alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften
+en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht:
+„Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal U
+RUST geven.”
+
+'t Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke
+belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken
+anderen verre te boven gaat, en in dat ééne woord het doel van ons leven
+voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”
+
+Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan
+eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet
+jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een
+hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld
+niet in staat is dit raadsel op te lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn
+juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der
+eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken.
+
+Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet
+tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn
+onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid
+kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar
+behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een
+weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die
+zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit
+met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en
+de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden,
+met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan
+pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog
+altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene
+toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan.
+
+Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat
+God in den mensch niet een éénige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in
+die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dàt geeft rust aan 't
+gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling
+afwachten, die eindelijk zeker zal komen.
+
+Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond
+verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen
+tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen.
+
+Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in den weelderigsten overvloed
+op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar
+prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor
+anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die
+er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen,
+en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning
+betrekken. Daar zat ze in dat ééne vertrek, dat voor huiskamer,
+slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den
+vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor
+zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en
+toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een
+aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier
+te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning
+opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of
+drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren
+van haar man en de kleêren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo
+netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren
+kring bewogen had.
+
+Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te
+schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en
+opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den
+godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig
+slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van
+werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar
+rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft
+zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leeren wennen, even als
+een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te
+dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag
+onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het
+eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent.
+
+Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft
+potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen
+van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen
+japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had
+het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het
+verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine
+in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarmeê zij
+eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij
+gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren,
+terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister
+doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht
+aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven,
+die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen
+en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven
+beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't
+verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede
+met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt
+haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar.
+
+Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter
+leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten
+wij ook op dit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen.
+
+Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben:
+dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn
+opgestaan, is Fénelon de eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij
+zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb
+geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften
+herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons
+zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben.
+Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen,
+'t opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het
+niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven
+staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te
+streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen
+met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van
+honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven
+hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen
+een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op
+den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij
+zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet
+verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je
+moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg
+dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te
+bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te
+falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan; erkent dan ook, dat het
+dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doet ons vaak
+meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek.
+
+Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op
+een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden
+waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is
+en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te
+zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar
+in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft
+en niet meer dan één meid kan houden, waardeer ik het als een soort van
+zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te
+beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een
+deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te
+gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij
+haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig,
+als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker
+zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat
+al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit
+de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort
+te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig
+en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en
+gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar
+een éénig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een
+zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is
+zóó iets te zien.
+
+Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet
+sparen kan, door nauwkeurig te berekenen, hoeveel er onder zekere
+omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht
+genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd
+worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust
+achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen
+verrichten.
+
+Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor
+goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet
+beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen,
+als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet?
+Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht
+geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en
+stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven
+waarlijk niet beter of gezonder maakten.
+
+De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld
+van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen,
+zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men
+zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven
+van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee
+en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en
+dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als
+voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en
+nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw
+nooit afgedaan is.
+
+Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet
+besparen, als wij er nooit een kant meê opgingen, die meer van ons
+vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat.
+
+Er is één vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen
+tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woord
+_garneersel_. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende,
+tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste
+jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet
+gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er
+in vergelijking niets bij is. Een japon kan in één dag gemaakt worden,
+maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een
+knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al
+dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer
+vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te
+komen, is—ze links te laten liggen.
+
+Mrs Kirkland vertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij
+een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze
+haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes
+veel te groot was. Na lang probeeren en weêr probeeren en na er veel
+verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een
+bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige meubel
+meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er nergens
+plaats voor is, dan is er geen plaats voor.”
+
+De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou
+menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt,
+om gemak en gerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten
+de deur had moeten zetten.
+
+Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder
+de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur
+kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en
+zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met
+dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij
+verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak
+door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte
+genoeg in het blokhuis.
+
+Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar
+tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder
+die dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander zóó
+slecht doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij
+tot het ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner
+kinderen is het eenige, wat ik goed _kan_ doen en daarop _alleen_ zal
+ik mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een
+sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een
+werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij
+kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen.
+
+Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger
+gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat
+God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht
+was.
+
+Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit
+te staren. Men zou denken, dat het gezond verstand ons zou leeren, dat
+gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat
+achter hem ligt niet vergeten.
+
+„Was dàt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of
+zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt,
+ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te
+denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van
+geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te
+zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind.
+
+'t Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel:
+„vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vóór is.” De
+idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een
+afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt
+dan deze: „Deed ik niet, wat ik _toen_ voor het beste hield?”
+
+De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets
+gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar
+Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht
+hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem,
+moeten wij ons tevreden stellen.
+
+ * * * * *
+
+Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te
+voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor
+te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde
+zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn
+vrouw aan 't breien van een rok met keurige schulpjes en figuren,—een
+van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw
+haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog
+vóór October klaar te krijgen.
+
+Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan
+den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen:
+
+ De preek was gedaan en de preêker zei: Amen!
+ Maar net als voorheen ging de snoek weêr op buit.
+ Kroop de aal weêr in 't slijk en de kreeft achteruit:
+ Ze vonden 't verrukkelijk en riepen te zamen:
+ Hoe mooi was de preek en hoe keurig van pas!
+ Maar——lieten de zaak net precies als ze was.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ Inleiding 1
+
+ I. Vitachtigheid 9
+
+ II. Prikkelbaarheid 37
+
+ III. Terughouding 65
+
+ IV. Hoofdigheid 95
+
+ V. Onverdraagzaamheid 127
+
+ VI. Onwellevendheid 157
+
+ VII. Onvoldaanheid 181
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) — Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: wel wat onderhoudend's noodig.” |
+ | C: wel wat onderhoudends noodig.” |
+ | B: hebben jonge druifjes._” |
+ | C: hebben jonge druifjes._”” |
+ | B: hem onder één dak wonen.” |
+ | C: hem onder één dak wonen.”” |
+ | B: Nu dan, _bijna_ altijd.” |
+ | C: „Nu dan, _bijna_ altijd.” |
+ | B: of: „Lieve 't zal maar |
+ | C: of: „Lieve! 't zal maar |
+ | B: zoo laten bevingeren; „Lieve! |
+ | C: zoo laten bevingeren;” „Lieve! |
+ | B: huiselijk geluk_ Neen! liever |
+ | C: huiselijk geluk_. Neen! liever |
+ | B: jaar oud wordt, nog wel eens |
+ | C: jaar oud word, nog wel eens |
+ | B: grillen haar eischen, haar pruilen, |
+ | C: grillen, haar eischen, haar pruilen. |
+ | B: onverschilligheid aan, als haar klachten |
+ | C: onverschilligheid aan als haar klachten, |
+ | B: grieven te luisteren Zijne vrouw |
+ | C: grieven te luisteren. Zijne vrouw |
+ | B: courant te zetten dan is het |
+ | C: courant te zetten, dan is het |
+ | B: juist op het oogenblk waarop |
+ | C: juist op het oogenblik waarop |
+ | B: neêrgebogen met de ootmoedigde belijdenis, |
+ | C: neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis, |
+ | B: er niet mêe gaat zoo als |
+ | C: er niet meê gaat zoo als |
+ | B: dien geest maakte Fénélon den |
+ | C: dien geest maakte Fénelon den |
+ | B: zeide ik, ik wou wel dat je |
+ | C: zeide ik, „ik wou wel dat je |
+ | B: een ondragelijke ombeschaamdheid. Ik |
+ | C: een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik |
+ | B: „Ja, zeg ik, duur,—want zij |
+ | C: „Ja,” zeg ik, „duur,—want zij |
+ | B: En wat jou betreft, poesje!” |
+ | C: „En wat jou betreft, poesje!” |
+ | B: in orde—en veronschuldigde |
+ | C: in orde—en verontschuldigde |
+ | B: maar niet, „zeide zij, toen |
+ | C: maar niet,” zeide zij, toen |
+ | B: heet. |
+ | C: heet.” |
+ | B: menschen, meer den uit eenige andere, |
+ | C: menschen, meer dan uit eenige andere, |
+ | B: tegen God te spreken. Het hard |
+ | C: tegen God te spreken. Het hart |
+ | B: dingen uit: Wij hebben nagelaten, |
+ | C: dingen uit: „Wij hebben nagelaten, |
+ | B: twee-en zestiger lijken kan: |
+ | C: twee-en-zestiger lijken kan: |
+ | B: en gezegd had. „Johan! dit is |
+ | C: en gezegd had: „Johan! dit is |
+ | B: doen wat ik gezegd heb.” |
+ | C: doen wat ik gezegd heb.”” |
+ | B: met de valburg hoog opgehaald |
+ | C: met de valbrug hoog opgehaald |
+ | B: Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. Zou |
+ | C: „Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou |
+ | B: ze is over t' een of ander, |
+ | C: ze is over 't een of ander, |
+ | B: hernam Emilie, somtijds kan ik |
+ | C: hernam Emilie, „somtijds kan ik |
+ | B: „Jansje! wat scheelt er aan?” |
+ | C: „„Jansje! wat scheelt er aan?” |
+ | B: „Och, Ma! ik heb een vreeselijke |
+ | C: „„Och, Ma! ik heb een vreeselijke |
+ | B: „Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk |
+ | C: „„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk |
+ | B: „Zoo leef _ik_ er altijd |
+ | C: „„Zoo leef _ik_ er altijd |
+ | B: veel beweging van te maken.” |
+ | C: veel beweging van te maken.”” |
+ | B: wie ze betoont worden, |
+ | C: wie ze betoond worden, |
+ | B: een kinderachtig prnilen, waarbij ze |
+ | C: een kinderachtig pruilen, waarbij ze |
+ | B: licht,—die zich voor alles |
+ | C: ligt,—die zich voor alles |
+ | B: een dwaasheid. te denken, dat |
+ | C: een dwaasheid te denken, dat |
+ | B: bepaalden smaak en en zijn |
+ | C: bepaalden smaak en zijn |
+ | B: voor de ramen zien staan. |
+ | C: voor de ramen zien staan.” |
+ | B: er mij nooit mêê vereenigen, |
+ | C: er mij nooit meê vereenigen, |
+ | B: olijven: ik heb wel wel eens gehoord, dat |
+ | C: olijven: ik heb wel eens gehoord, dat |
+ | B: altijd mijn zin doen,” |
+ | C: altijd mijn zin doen.” |
+ | B: mij boos te maken.” zegt Hero. |
+ | C: mij boos te maken,” zegt Hero. |
+ | B: „Nu kan een gesprek van dien |
+ | C: Nu kan een gesprek van dien |
+ | B: je zult de sla altijd zóo |
+ | C: je zult de sla altijd zóó |
+ | B: ongelukkig de man. die een vrouw heeft, |
+ | C: ongelukkig de man, die een vrouw heeft, |
+ | B: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje, dat |
+ | C: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat |
+ | B: aan het goddelijk echt van den man |
+ | C: aan het goddelijk recht van den man |
+ | B: van een paard word gesproken. Shirley |
+ | C: van een paard wordt gesproken. Shirley |
+ | B: En zij antwoord; |
+ | C: En zij antwoordt: |
+ | B: als hij zich besturen laat, |
+ | C: als hij zich besturen laat. |
+ | B: onzer menschelijke natuur |
+ | C: onzer menschelijke natuur. |
+ | B: Mevrouw Perfect; het staat leelijk |
+ | C: Mevrouw Perfect; „het staat leelijk |
+ | B: het geweld van haar voorbeeld em |
+ | C: het geweld van haar voorbeeld en |
+ | B: grieksche accenten en verbuigingen. |
+ | C: Grieksche accenten en verbuigingen. |
+ | B: Laat hem daar staan, Wie weet, hoeveel |
+ | C: Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel |
+ | B: inkomen Maar geen wonder dan |
+ | C: inkomen. Maar geen wonder dan |
+ | B: latijnsche school gaan, of |
+ | C: Latijnsche school gaan, of |
+ | B: ἀφύη, ὲτησίαι en |
+ | C: ἀφύη, ἐτησίαι en |
+ | B: χλουνης in den genitivus |
+ | C: χλούνης in den genitivus |
+ | B: kracht. verlamt. De schrijvers |
+ | C: kracht verlamt. De schrijvers |
+ | B: evenmin kan opvolgen. als een |
+ | C: evenmin kan opvolgen, als een |
+ | B: der zon door de evenachtslijn, |
+ | C: der zon door de evennachtslijn, |
+ | B: onplezierig kunnen zijn. dan, dunkt mij, |
+ | C: onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, |
+ | B: Haar achteruitgang tegengaan. |
+ | C: Haar achteruitgang tegengaan.” |
+ | B: waarop 't gebeurde, er wezeniijk |
+ | C: waarop 't gebeurde, er wezenlijk |
+ | B: kan een fransch werk lezen, |
+ | C: kan een Fransch werk lezen, |
+ | B: wij op de fransche comedies mogen |
+ | C: wij op de Fransche comedies mogen |
+ | B: ronde woorden, waarmêe wij iemand |
+ | C: ronde woorden, waarmeê wij iemand |
+ | B: was: 't huis moet een vrouw |
+ | C: was: t'huis moet een vrouw |
+ | B: zien?—mijn brief is van Die-en-Die.—Schrijft |
+ | C: zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft |
+ | B: heel anders doen,”—„Begrijp eens, |
+ | C: heel anders doen.”—„Begrijp eens, |
+ | B: niet?” Waarom heb je dat |
+ | C: niet? Waarom heb je dat |
+ | B: zegt Lord Bacon, is een soort van |
+ | C: zegt Lord Bacon, „is een soort van |
+ | B: behalve een volmaakte keukenmeid. „Gij |
+ | C: behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij |
+ | B: zucht van te zeggen: 't Moet er nu |
+ | C: zucht van te zeggen: „'t Moet er nu |
+ | B: laat maar staan! lispelt ze met |
+ | C: laat maar staan!” lispelt ze met |
+ | B: Johan zeer dilwijls ter sluiks |
+ | C: Johan zeer dikwijls ter sluiks |
+ | B: moeielijk van humeur zijn. geen vrede en |
+ | C: moeielijk van humeur zijn, geen vrede en |
+ | B: opgestaan, is Fenelon de eenige, die de |
+ | C: opgestaan, is Fénelon de eenige, die de |
+ | B: van ons bestaan; enkent dan ook, dat |
+ | C: van ons bestaan; erkent dan ook, dat |
+ | B: IV. Hoofdigheid 93 |
+ | C: IV. Hoofdigheid 95 |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De kleine vossen, by
+Harriet Elizabeth Beecher Stowe
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN ***
+
+***** This file should be named 39008-0.txt or 39008-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/9/0/0/39008/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.