diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 39008-0.txt | 5963 | ||||
| -rw-r--r-- | 39008-0.zip | bin | 0 -> 126032 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h.zip | bin | 0 -> 445082 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h/39008-h.htm | 6220 | ||||
| -rw-r--r-- | 39008-h/images/cover-th.jpg | bin | 0 -> 37106 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 217528 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h/images/drukkersmerk.jpg | bin | 0 -> 7604 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h/images/rug-th.jpg | bin | 0 -> 7463 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39008-h/images/rug.jpg | bin | 0 -> 42724 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
12 files changed, 12199 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/39008-0.txt b/39008-0.txt new file mode 100644 index 0000000..2f5b148 --- /dev/null +++ b/39008-0.txt @@ -0,0 +1,5963 @@ +Project Gutenberg's De kleine vossen, by Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De kleine vossen + +Author: Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +Release Date: February 28, 2012 [EBook #39008] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is | + | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | + | circumflex, met/zonder eind-n, met/zonder koppelteken. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + +DE KLEINE VOSSEN. + + + + + Mevr. H. BEECHER STOWE + + + DE KLEINE VOSSEN + + + ZEVENDE DRUK + + + [drukkersmerk] + + ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE. + + + + +INLEIDING. + + + + +INLEIDING. + + +„Wel, papa! wat denkt u van den winter in onze avondvoorlezingen te +behandelen?” vroeg Jenny mij. + +„Ik denk er half en half over,” gaf ik haar ten antwoord, „eene reeks +van huiselijke preeken te houden over een heel zonderlingen tekst, dien +ik op den zolder in de kist met oude boeken, boven een preek heb zien +staan.” + +„Alsjeblieft geen preeken, papa!—dat klinkt zoo vervelend; en met de +winteravonden hebben wij wel wat onderhoudends noodig.” + +„Welnu,” zeide ik, „noem ze dan maar redevoeringen of voorlezingen of +verhandelingen of schetsen; ik zie zoo niet op de woorden.” + +„Maar wat is dan die wonderlijke tekst, dien u in de boekenkist gevonden +hebt?” + +„Er werd eens over gepreekt door den bet-overgrootvader van je moeder, +den welsprekenden en hooggeachten Simon Shutleworth, „bij de gelegenheid +van de treurige verdeeldheden onder de vromen in de stad West Dofield.” +De tekst staat in 't Hooglied, hoofdstuk II vers 15: „_Vangt gijlieden +ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze +wijngaarden hebben jonge druifjes._”” + +„Dat is al een heel kluchtige tekst, en ik kan niet begrijpen, wat u +daarvan zult maken.” + +„Eenvoudig eenige voorlezingen over Kleine Vossen,” zeide ik, „waarmeê +ik die onbeduidende, weinig getelde, _kleine_ dingen bedoel, die aan ons +huiselijk geluk knagen en de reden zijn dat onze huiselijke kring niet +is wat hij wezen moet. Laat men mooie, goedingerichte prachtige huizen +bouwen; laat men de muren met keurige schilderijen, met kunstjuweeltjes +versieren; laten er tusschen die wanden menschen bij elkander wonen, die +door banden des bloeds en der liefde verbonden zijn en dezelfde belangen +hebben; stel u voor dat het allen goede en edele menschen zijn, en dat +er liefde en godsvrucht onder hen heerschen;—toch maken enkele van die +kleine vossen, waarover ik spreken wil, dat in zulk een veelbelovenden +wijngaard de helft van de trossen (zooals ik 't huiselijk geluk zou +noemen) niet rijp wordt. Wij zien dikwijls menschen samenwonen, die, +ten volle bereid, indien 't noodig is, voor elkander te sterven, toch +niet in staat zijn gelukkig met elkander te leven, althans die lang zoo +gelukkig niet zijn, als men uit hunne gunstige omstandigheden opmaken en +van hunne voortreffelijke karakters verwachten zou. + +„'t Komt in 't algemeen daar van daan, dat wij aan onzen huiselijken +haard niet alleen het meest toegeven aan ons gevoel, maar ook in al +ons doen geheel ongedwongen zijn; de huiselijke kring is het négligé +des levens, onze achterkamer, ons kleedkabinetje, waar wij menig +dagelijksch, halfsleten pakje achterlaten, als wij naar buiten gaan, +om dáár vrij wat meer op ons doen en laten te letten. Vandaar is het +bekende spreekwoord ontstaan: „Niemand is een held in de oogen van zijn +kamerdienaar,” en van daar ook de gewone waarschuwing: „wenscht gij uw +vriend te behouden, ga dan niet met hem onder één dak wonen.”” + +„Dat is met andere woorden gezegd:” bracht mijne vrouw in het midden, +„wij zijn allen gebrekkig en onvolmaakt: hoe meer wij met iemand +in aanraking komen, des te meer gebreken merken wij in hem op. De +karakters, die de proef van den dagelijkschen omgang kunnen doorstaan, +zijn even zeldzaam als een klaveren-vier in een weide. Wie ons niet +hinderen en kwellen door werkelijke gebreken, zijn doorgaans zoo flauw +en zoo onbeduidend, dat ze ons vervelen. Iemand van een gelijkmatig, +krachtig, scherpgeteekend karakter, die zich in alles meester is en +niets overdrijft,—waarlijk, zóó iemand aan te treffen, is wel het +laatste dat ge in de wereld vinden zult.” + +„Ik wilde maar zeggen,” hernam ik, „terwijl men zich in het huiselijk +leven geheel zoo voordoet als men werkelijk is, terwijl daarin weinig +van die slagboomen en sluiers zijn, waardoor de menschen in het openbare +leven verhinderd worden, elkanders gebreken te zien en op elkander te +hakken en te vitten—is het toch vreemd, dat men dit huiselijk leven +doorgaans met minder nadenken en overleg begint en voortzet, dan ieder +bij de meeste andere dingen, die hij ter hand neemt, noodig acht. +Niemand zal een stoomwerktuig gaan maken, zonder vooraf nauwkeurig +onderzocht te hebben, in welke verhouding de verschillende deelen tot +elkander moeten staan, en zonder zich eerst eens af te vragen, of hij +wel kennis en bekwaamheid en vermogen genoeg bezit, om het goed te doen. +Niemand wordt violist, zonder eerst eens te zien, of zijne vingers wel +lang en buigzaam genoeg zijn, om de accoorden te grijpen en mettertijd +wat beters voort te brengen, dan een akelig gezaag en gekras. Wat zouden +wij wel zeggen van iemand, die zonder zich in het minst om het stemmen +van de instrumenten te bekommeren, een heel orchest samenbracht, en +zich dan de haren uit het hoofd trok, om 't mislukken van zijn concert? +Het is de schuld van de instrumenten niet dat zij met elkander zulk +een schel geraas maken; zij kunnen ieder op zich zelf uitstekend en +onberispelijk zijn; maar let men niet op den aard van elk instrument +afzonderlijk, en voegt men ze dan toch bijeen, dan moet het concert wel +in de war loopen. Nog erger zou het zijn, als iemand zoo dom was dat hij +van een instrument iets verlangde, waarvoor het uit den aard der zaak +niet berekend is,—als hij van de flageolet een solo voor den contre-bas +verwachtte, en de bazuin hard viel, omdat zij niet zoo vlug en zoo rijk +aan toonen is, als de viool. + +„En toch is menigeen niet dikwijls even dwaas bij 't opzetten van een +huishouding? Een jongeling en een meisje verbinden zich met elkander, +aangetrokken door zekere geestverwantschap, door eenige overeenstemming +van karakters waaruit wederkeerige toegenegenheid ontstaan is. Men +loopt er in den regel zeer los over heen om te onderzoeken, wie en +wat zij zijn.—Men denkt niet aan den wederkeerigen invloed dien de +beide karakters op elkander zullen oefenen—men beproeft en stemt +de instrumenten niet vooraf, die eene levenslange harmonie of eene +levenslange disharmonie zullen voortbrengen,—en na den korten tijd van +het engagement, waarin hunne onderlinge betrekking zoo verschillend +mogelijk gemaakt wordt van hetgeen zij later na hun huwelijk zal zijn, +meubeleeren deze twee een huis en gaan ze te zamen wonen. Tien tegen +een, dat de huiselijke haard terstond beschouwd wordt als een geschikt +toevluchtsoord voor wederzijdsche betrekkingen en vrienden die ook +al tot het huiselijk concert worden toegelaten, zonder eenigszins in +aanmerking te nemen wat naar alle waarschijnlijkheid de invloed van +het eene karakter op het andere zal zijn, en of al die instrumenten wel +harmonieeren zullen. Dan komen er kinderen, waarvan ieder een wezen, een +wil, een macht à-part in 't gezin is; en zoo ontstaat er, met de lagere +machten van dienstboden en onderhoorigen, een huishouden. Waarlijk, +'t is geen wonder, als al deze toevallig bijeengebrachte instrumenten +tegelijk zich laten hooren, dat er nu en dan wel zoo veel disharmonie +als harmonie ontstaat. Want al harmonieeren de man en de vrouw, +misschien komen er wanklanken door schoonmoeder of schoonzuster, terwijl +bovendien met ieder kind, dat een scherpgeteekend karakter heeft, het +gevaar, dat het concert in de war loopt gedurig nog toeneemt. En toch, +al geven wij dit alles toe, toch is er niets op de wereld, dat ons +hooger en zuiverder geluk kan doen genieten, dan het huiselijk leven. +Evenwel, door veredeling en zorg zou het nog veel gelukkiger kunnen +worden. Wel kunt ge goede peren krijgen, eenvoudig door een pit in +den grond te stekken, al laat ge den boom die er uit voorkomt jaren +lang aan zijn lot over; maar fijner en lekkerder zijn ze toch, als de +tuinman den boom zorgvuldig heeft gekweekt en bemest en gesnoeid. Wilde +wijnstokken hebben wel eens overvloedig gedragen en heel lekkere druiven +voortgebracht; maar toen onze vriend Dr. Grant zich met der woon te Iona +neêrgezet had, wist hij door het bestudeeren van de wetten der natuur de +oude soorten zóó te veredelen, dat hij er geheel nieuwe en veel geuriger +uit trok. Zoo zou het ook ons gaan, wanneer al de kleine vossen, die +den wijnstok en den vijgenboom van ons huiselijk leven verderven, +verjaagd en gedood werden: wij zouden er veel heerlijker trossen en +vruchten van inoogsten.” + +„Maar papa!” zei Jenny, „om tot de vossen te komen: zeg ons nu eens, wat +zij zijn.” + +„Wel, zoo als de tekst zegt, het zijn _kleine_ vossen, de +lievelingsbeestjes van sommige menschen, kleine diertjes, waarvan men +geen kwaad vreest,—over het geheel beestjes, waarvan de menschen +denken, dat zij wezenlijk wel wat goeds kunnen doen, maar in allen +gevalle niet veel kwaads zullen uitrichten. En daar Noach de reine +dieren bij zeven paren in de ark bracht, zal ik mij ook maar tot het +heilige zevental bepalen. Ik noem mijn zeven kleine vossen: + +1. VITACHTIGHEID. + +2. PRIKKELBAARHEID. + +3. TERUGHOUDING. + +4. HOOFDIGHEID. + +5. ONVERDRAAGZAAMHEID. + +6. ONWELLEVENDHEID. + +7. ONVOLDAANHEID. + +„En hier hebt gij nu,” zeide ik, terwijl ik mijne preek in handen +nam, „wat ik over den eersten kleinen vos te zeggen heb.” + + + + +VITACHTIGHEID. + + + + +I. + +VITACHTIGHEID. + + +Een alleraardigst diertje, dat vele menschen onverhinderd in hunne +huiselijke wijngaarden laten rondloopen, vast overtuigd, dat het den +groei der druiven bevordert en een uitstekend middel is om ze in orde te +houden. + +Nu mag men veilig als een regel stellen, dat niemand het pleizierig +vindt, als een ander iets op hem te vitten heeft, maar dat iedereen zelf +gaarne vit als iets hem niet bevalt. + +Lieve lezer of lezeres! is het niet een wezenlijk genot voor ons, +wanneer wij wat kunnen aanmerken op iemand die ons niet aanstaat, of op +iets, dat ons hindert? + +Dit schijnt bij den eersten opslag een afwijking van den gewonen regel. +Over het algemeen gaat het zoo, dat hetgeen ons een genot is te doen, +ook voor onzen buurman, wien wij het aandoen, een genot is. Het is een +genot, te geven, en het is een genot, te ontvangen. Het is een genot, te +beminnen, en een genot bemind te worden; een genot, te bewonderen, en +een genot, bewonderd te worden. Het is evenzoo een genot, te hekelen, +maar, 't is _geen_ genot, gehekeld te worden. Integendeel, juist zij, +die door de prikkelbaarheid van hun humeur het meest tot hekelen geneigd +zijn, kunnen 't minst van allen verdragen dat ze gehekeld worden: zij +binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op +de schouders der menschen, maar zij willen die met hunne vingeren niet +verroeren. + +Nu bestaat er in dit opzicht eene groote moeilijkheid. Er komen in het +leven dingen voor, die dringend verbetering noodig hebben; om ze te +verbeteren, dient er toch wel over gesproken te worden met hen, die het +aangaat. Dit opent een wijde deur tot vitterij voor anders welgezinde +menschen, en doet hen met een ruim geweten de schuld van alles wat hen +hindert op anderen verhalen. De vader en de moeder van een gezin zijn +vitters _ex officio_ en moeten al de klachten van ieder, die tot het +gezin behoort ontvangen; ja soms wordt de geheele huiselijke hemel door +den kouden mist van die klaagzucht verdonkerd. Zulke misten brengen aan +den wijngaard veel schade toe, en doen den honigdauw op menigen schoonen +tros vallen. + +Orestes raakt verliefd op Hermione, omdat zij er zoo lief uitziet als +een maneschijntje, zoo etherisch als een zomerwolk. Hij brengt terstond +het gewone stelsel van aanbidding in praktijk, dat aan het huwelijk +altijd vooraf gaat; hij verzekert haar, dat zij te goed voor deze +wereld is, te teer en te schoon voor iets wat gewone menschenkinderen +doen,—dat zij slechts op rozen moest treden, in de wolken zweven,—dat +zij nooit een traan moest storten, nooit eenige vermoeienis kennen of +zich moest inspannen, maar in een heldere, etherische sfeer leven, die +harer alleen waardig is. Dat alles nu wordt haar in het oor gefluisterd +bij wandelingen of spelevaarten in den maneschijn, en zoo dikwijls +herhaald, dat men het haar niet kwalijk kan nemen, als zij eindelijk +begint te gelooven, dat er toch wel iets van aan moet wezen. + +Nu volgt het huwelijk,—en het blijkt, dat Orestes 't heel precies met +zijn koffie neemt, dat hij erg uit zijn humeur is, als het eten niet +juist op het bepaalde uur klaar staat, en dat geen huiselijke schikking +hem bevalt, als ze niet juist overeenkomt met de gewoonten zijner +waardige moeder, die onlangs in den reuk van heiligheid stierf; ook hij +verlangt, dat zijn huis op ieder uur van den dag in de volmaakste orde +zal zijn. Toch stelt hij niet voor, een knappe huishoudster te nemen; +alles moet gedaan worden door een paar onbehouwen meiden, onder het +oppertoezicht van dat engelachtige wezen, dat slechts op rozen treden, +in wolken zweven en nimmer aardsche zorgen kennen moest! Orestes heeft +het dan ook nooit als een staaltje van den plicht eens echtgenoots +beschouwd, een klein ongerief met stilzwijgen te verdragen. Hij zou +gaarne zijn bloed voor Hermione vergieten,—ja hij heeft dit gedurende +'t engagement, toen natuurlijk niemand dit van hem eischte en het ook +nergens voor zou gediend hebben, meer dan eens in zijne opgewondenheid +verzekerd! Maar op de idyllische kozerijen van toen, volgen er nu +gesprekken, zoo als deze b. v.: + +„Lieve! die thee smaakt naar den rook; kan je Jansje dan niet leeren, +daar beter op te passen?” + +„Lieve! ik heb er mijn best al toe gedaan, maar zij verkiest niet te +doen wat ik haar zeg.” + +„Nu, ik zeg maar, als andere menschen goede thee kunnen drinken, dat wij +het ook wel kunnen.” + +En later aan tafel: + +„Beste! dat vleesch is weêr al te gaar; het is ook _altijd_ te gaar.” + +„Niet altijd, lieve! Denk maar eens aan Maandag. Toen heb je zelf +gezegd, dat het net goed was.” + +„Nu dan, _bijna_ altijd.” + +„Och lieve! het kwam van daag, omdat ik vóór den middag visite gehad heb +en niet naar achteren kon om Bregje een pen op den neus te zetten, zoo +als ik gewoonlijk doe. Het is ook een geduchte last, met zoo'n meid te +moeten sukkelen.” + +„Bij mijn moeder aan huis ging het toch altijd goed: 't kwam er niet op +aan, wat voor een meid zij had.” + +En dan weêr: + +„Beste! je moet er de meiden eens wat van zeggen dat zij zoo schandelijk +veel steenkolen verstoken. Ik heb er nooit van gehoord, dat er in zoo'n +klein huishouden als wij hebben, zoo veel door den schoorsteen ging;” +of: „Lieve! hoe is het in de wereld mogelijk, dat je Leentje de courant +laat scheuren?” of: „Lieve! 't zal maar het beste zijn, dat ik niet +meer t'huis kom eten, als er geen mogelijkheid op is, dat het eten op +zijn tijd klaar komt;” of: „Beste! je mag wel eens maken, dat mijn +halfhemdjes wat beter gestreken worden—ik kan ze zoo onmogelijk +voordoen;” of: „Lieve! je moet den kleinen Jan den spiegel in de +zijkamer niet zoo laten bevingeren;” „Lieve! je moet zorgen, dat de +kinderen niet meer op den zolder spelen;” of: „Beste! je moet aan Bregje +zeggen, dat zij de mat niet buiten laat hangen, als zij den voorgang +veegt,” en zoo voort. In één woord, „lieve” moet er voor zorgen, dat +alles boven en beneden, op zolder, in keuken en in kelder geregeld zijn +gang gaat, en zoo niet—dan moet er behoorlijk op gevit worden. + +En toch, als Orestes haar, die hij eens zijn engel noemde in tranen +badende vindt, en zij hem zegt, dat hij haar niet meer zoo lief heeft +als vroeger—dan werpt hij die beschuldiging verre van zich af en +verklaart haar, dat hij haar meer dan ooit bemint, en misschien is +dit werkelijk het geval. Het eenige is, dat zij uit het rijk van +rozengeur en maneschijn in het werkelijk leven is overgegaan. Zoolang +zij beschouwd werd als een engel, als een ster, als een vogel, als +een avondwolk, viel er natuurlijk niets op haar te vitten; maar nu +die engel vennoot in de firma van een huishouden geworden is, zien de +zaken er heel anders uit. Als zij beiden nog in dezelfde omstandigheden +verkeerden, zou Orestes hetzelfde nog eens kunnen betuigen, maar +ongelukkig verkeeren zij nu nooit meer in dezelfde omstandigheden. +Orestes is zonder verder na te denken, gewoon al wat hem voor den +mond komt te zeggen. Vóór het huwelijk vereerde en aanbad hij zijn +toekomstige vrouw als een ideaal, dat in het land der droomen en der +poëzie zweefde, en hij deed zijn uiterste best, om haar ongeschikt +te maken voor het werkelijk leven, dat haar na het huwelijk wachtte. +Nog altijd geeft hij nu in zijn trouwen gedachteloos toe aan allerlei +indrukken, evenwel niet meer om te prijzen maar om te bedillen en te +veroordeelen. Juist dat gevoel voor schoonheid en bevalligheid, waardoor +hij haar vóór het huwelijk zoo zeer bewonderde, doet hem nu, als hij de +inrichting van het huishouden nagaat, dagelijks honderd verkeerdheden +zien en aan honderd gebreken ergernis nemen. + +Tot nog toe stelde ik mijn teekening eene lieve, meêgaande vrouw +voor, die zich wel gegriefd gevoelt, maar niet boos wordt,—die, +zonder te klagen over verongelijking, zich in haar treurig lot zoo +goed mogelijk tracht te schikken. Ik heb dikwijls zulke ongelukkige, +beklagenswaardige, kwijnende vrouwen ontmoet: ze zagen er uit als +planten, die eerst in de drukkende warmte der broeikas opgekweekt en tot +bloeien gedwongen, nu op eens in de kou van de droge, stoffige huiskamer +overgebracht, verwelken en geel worden en het eene blad na het andere +laten uitvallen. + +Maar deze schilderij heeft nog eene keerzijde:—als de vrouw beleedigd +en vertoornd, op haar beurt ook aan 't vitten gaat en met de scherpe +pijlen van haar vrouwelijk vernuft haren man in de voegen van zijn +wapenrusting zoekt te treffen, en zich op die wijze even onrechtvaardig +betoont en nog vrij wat schuldiger maakt. + +Wel is het treurig, als twee menschen die vroeger innig nauw met +elkander verbonden waren en juist door hunne liefde, met elkanders +karakter ten volle bekend zijn, deze kennis eenig en alleen gebruiken om +elkander het leven te verbitteren,—wél is het treurig hen elkander het +hart te zien doorboren met zoo veel juistheid, als waartoe ze alleen +door vroegere vertrouwelijkheid en toegenegenheid in staat zijn, terwijl +iedere doodelijke wonde, die zij elkander toebrengen, hun zelven door +het hart gaat,—en dat alles om zulke ellendige beuzelingen, als +doorgaans 't begin van dit ontzettende drama zijn. + +Wat zijn het toch meestal onbeduidende dingen, die aanleiding geven tot +een gekibbel, dat de grondslagen zelven der liefde ondermijnt, en alle +geluk verbant uit den huiselijken kring! Een stuk vleesch is niet gaar, +er wordt te veel olie verbrand, er wordt een courant verscheurd, er +worden te veel steenkolen of zeep gebruikt, er is een bord gebroken!... +en voor deze nietswaardige kleinigheden werpen zeer brave, zeer edele, +zeer godsdienstige menschen soms bij handen vol weg, wat de eenige +reden is waarom heele huizen gebouwd zijn en vuur gebrand wordt en al de +omslag is aangeschaft—_hun huiselijk geluk_. Neen! liever koude koffie, +slappe thee, aangebrand vleesch; liever ieder ongerief, ieder verlies, +dan een verlies van _liefde_; en niets doet de liefde zoo spoedig +kwijnen als onophoudelijk vitten. + +Want wordt eens tusschen twee menschen, die innig met elkander verbonden +zijn, vitterij tot gewoonte, dan ontaardt zij met der tijd in een +slepende ziekte; zoodat de zachtste, de redelijkste terechtwijzing, ja +elke berisping, hoe zacht ook gedaan, den heftigsten toorn verwekt; en +wanneer deze ziekelijke toestand eens begonnen is, dan schijnt het bijna +onmogelijk dat de liefde nog genezing kan aanbrengen. + +Een enkel voorbeeld. Orestes is op zekeren morgen best in zijn humeur en +zegt tot Hermione, terwijl hij een brief van haar in de hand houdt, op +een schertsenden toon, dat zij de staarten van haar _g_'s niet zoo lang +moet maken, maar meteen stuift Hermione op en antwoordt: + +„Zeg mij maar eens wat je nog meer van mij verlangt. Misschien zou je +wel zoo goed willen zijn, bij gelegenheid eens een alphabetische lijst +te maken van alle dingen, die ik moet veranderen.” + +„Lieve! je bent onredelijk.” + +„Dat zie ik niet in. Ik woû wel dat er eens een einde kwam aan die +onophoudelijke aanmerkingen van mijn heer en meester.” + +„Maar, beste! hoe kan je dat nu zoo erg opnemen?” + +„Och, zwijg er maar over, lieve! Ik heb dat nu zoo dikwijls gehoord, dat +er 't bekoorlijke van de nieuwheid al lang af is.” + +„Kom, Hermione! laten we niet kibbelen.” + +„Maar, lieve! wie is er met kibbelen begonnen? Ik niet: ik vroeg je +alleen om een lijstje van mijn gebreken. Ik vertrouw, dat ik, als ik +negentig jaar oud word, nog wel eens aan je overdrevene eischen zal +voldoen. Waarschijnlijk is alles van morgen precies in orde zoodat +er niets op te zeggen valt, _en_ de koffie, _en_ het brood, _en_ het +rookvleesch, _en_ de meiden, _en_ de mat in het voorhuis, _en_ de +zolder, _en_ de benedenkamers; daarom moet ik nu zeker een lesje krijgen +over mijn gebrekkige opvoeding. Ik zal de staarten van mijn _g_'s +voortaan wat korter maken, maar dan verwacht ik ook, dat je een lijstje +maakt van alle andere kleinigheden, die nog verbetering vereischen.” + +Orestes schuift zijn koffie weg en trommelt op de tafel. + +„Als het mij vergund is, één kleine opmerking te maken, beste! dan zou +ik zeggen, dat het niet bijzonder fatsoenlijk is, op de tafel te +trommelen,” zegt zijn schoone wederhelft. + +„Hermione! je bent in staat om iemand woedend te maken!” Met dat woord +vliegt Orestes verbitterd de kamer uit, en is stellig voornemens, dien +middag in een restauratie te gaan eten. + +Orestes beschouwt zich als een miskend echtgenoot, en houdt het er +voor, dat er zoo'n tweede vrouw niet bestaat,—het onredelijkste +kwaadaardigste schepsel, dat hij ooit ontmoet heeft. Maar hij denkt +er niet aan, hoe alleen door zijn eigen onredelijke, onophoudelijke +vitzucht zijne vrouw zoo lichtgeraakt en driftig geworden is, dat zij de +zachtste berisping over de minst beduidende zaak niet kan verdragen. Wel +heeft hij geen schuld gehad aan de onaangenaamheden van dien morgen; wel +heeft hij niets onbehoorlijks gezegd, en is zij alleen onredelijk en +knorrig geweest; maar eigenlijk ligt toch de schuld aan hem zelven. + +Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een +vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom +beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom +herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd +een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar +dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een +bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden +ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding +ontsluieren? + +Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval +is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden +teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar +dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet +hoe bewonderend hij vóór hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk +hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig +in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en poëzie, +wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen. + +Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig +van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen +kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of +complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon +niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker, +of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend +woord bijvoegen. Toen Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit +aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn +woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek +wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze +aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins +matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw, +in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of +verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich +dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren +geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien +ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door +twee personen als door één te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met +vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man. + +Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een +liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en +bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen +grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke +zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen. + +De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die +onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden. +Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij +geëindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden +zij 't ooit weêr beproeven? + +Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad. +Er was geen eind aan haar grillen, haar eischen, haar pruilen. Eindelijk +had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het +uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen +met dezelfde onverschilligheid aan als haar klachten, en leefde voortaan +zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in stilte wat +hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, op haar +verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren. Zijne vrouw +werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een steen; er +bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij stierf, +en nu ademde hij weêr vrij en had een gevoel, alsof hem een pak van het +hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar lief en +goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan nog altijd +met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een onverschillig +echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare handen als de +leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, die zij maakte, +juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, had meer invloed +op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is dezelfde mensch, +al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld wordt! + +Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht +tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze, +als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van +het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet +kinderen zóó zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls +is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen +kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen. +Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog +zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen gerechtigd, rechts en +links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets +meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt. + +Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne +moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat +hij van zijn vader hoort, is: + +„Kijk, daar heb je de deur weêr open gelaten! Wanneer zal je dat toch +eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls +moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?” + +„Daar heb je nu waarlijk je pet weêr op de canapé gegooid! Wanneer zal +je toch eens leeren, hem op te hangen?” + +„Leg je lei daar niet neêr; dat is er de plaats niet voor.” + +„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?” + +„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat +wiebelen.” + +„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het +eens uit.” + +„Heb je de knoopen weêr van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij +ook een jongen!” + +„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.” + +„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?” + +„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes +gemaakt hebt.” + +„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier +beklad?” + +Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van 't gezin een +dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de +ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als +Piet uit hun humeur zouden raken? + +Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men +eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun +doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven +in huis zijn? + +Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en +op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe, +onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei +dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding, +overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden +onmisbaar zijn, en waarmeê ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op, +allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met +een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het +bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan +er ééne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is +dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in +het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden +voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen +en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden; +de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een +drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden +een courant te zetten, dan is het waarschijnlijk, dat zij even onnoozel +en verlegen zou staan kijken als Kaatje in haar welingericht en prachtig +gemeubileerd huis. + +Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het +noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in +beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val, +en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur, +hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe +handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij +dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun +huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is. + +Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar +wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij +in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen +tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn +nauwelijks weêr te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden, +moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig, +zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn +fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand +er gedurig op krast. + +Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn +waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen +als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin +verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde +bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren. + +Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant +om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen +is, hoe zij doen moet): en de heele familie hoestende en proestende +wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen, +in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens weêr heeft gehoord, +hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen +er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de +doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken +en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze +er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een +paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis +telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het oogenblik waarop +zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes +gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet +te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die +een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders +en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen: +„Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” + +De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen +moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is. + +Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld, +rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ééne +gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht, +toch een eereplaats verdient onder de Christelijke deugden:—DE GAVE VAN +HET ZWIJGEN. + +Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de +waarde van het NIET SPREKEN is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van +goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo: +„Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne +lippen toesluit verstandig.” + +„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als +wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en +elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang +laten gaan?” + +Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen, +bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die +de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden +jegens elkander te vervullen hebben. + +Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't +gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het +vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het +tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk +eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?” + +„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die _zeldzame_ +dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat +er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een +godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken +plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle +warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is +geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan, +gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste +gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door den atmospheer +van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen, +dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig. + +Wij hebben ons in den gebede neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis, +dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt +voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine +bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de +struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken, +erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart +vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders +drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen +onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos +in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de +gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld +niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze +woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid +niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij +noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk +brengen, en dat het er niet meê gaat zoo als met de kachels, die ik +straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel verloren +gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest. + +Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons +treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen +aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn +vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij +eerst van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de +verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de +pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is +aangelegd, des te zekerder zijn doel. + +Doch één is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus, +die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige, +bevooroordeelde mannen, zóó weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op +zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens +had verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude +twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had, +bewees hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde +de geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester, +uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten +te wasschen.” + +Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest +berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan +nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte Fénelon den +hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van +Bourgondië tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor +anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk +gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.” + +Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe +dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan +onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met +beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er +toevallig bij zijn, krijgen de kolen en de gloeiende asch, die wij van +ons afslingeren. + +Zoo heeft men _nurkschheid_, een kouden motregen van hatelijke +opmerkingen; zoo heeft men _brommigheid_, een noord-westelijke storm, +die van geen bedaren weet; zoo heeft men _opvliegendheid_, een onweêr +met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke +_zonden_ voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar +als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst. + +Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort +uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte +spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een dominé gaat met een +overladen maag naar de avondkerk, waar hij preêken moet, maar vindt er +niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de +anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er +is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de +benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren. + +Wij doen in één week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij +overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken +van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te +gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig, +het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht +geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige +verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die +verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld +nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, _nu_ moesten +wij den duivel der vitterij weêrstaan en hem het stilzwijgen opleggen, +totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand +zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en +dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop +wij zóó heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het +te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat +nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't +gebed. + +Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij _nooit_ mogen brommen, +_nooit_ bedillen, _nooit_ opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen +hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, _hoe_ +dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een +paar dames mede te deelen. + +Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van +beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen +omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de +armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig. +Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij +onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als +het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met +alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok +kan stellen. + +Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke +hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken. +Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een +vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle +dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche gesprekken, als voor het +dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het +haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen. +Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt +haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere +verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen +verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles +volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en +met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt. + +Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig, +toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en +afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar +beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat +slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last +harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een +hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met +donkere oogen van die hoogte neêr ziet op alle ondeugende jongens en +meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een +brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best, +om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn. + +Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en +evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen, +maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens +haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te +genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het evenzeer haar plicht is te +prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden +aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te +bestraffen, als zij kwaad doen. + +Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart, +een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en +prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al +wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen. + +Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare +dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan +iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor +zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng, +als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor +den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet +gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou +mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel +zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij +eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant +en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van +iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen +gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede, +dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun, +dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk +aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat +hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting +staat aangeschreven, en hare kinderen houden 't er voor, dat zij heel +lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking +op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt. + +De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die +gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer +waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst +handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van +een hefboom, die er niet geschikt voor is. + +Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en +misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie +ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen +omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij +een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde, +zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde? + +Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als +wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige +dienstbode en aan ieder onachtzaam kind. + +Laten wij ons dan allen voornemen: + +vooreerst, de gave van het ZWIJGEN ons eigen te maken; + +ten tweede, alle VITTERIJ, die niet verbetert, ZONDE te noemen; en, als +wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door +telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen; + +ten derde, de gave en de deugd van den LOF aan te kweeken. Wij hebben +allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van +ons hebben er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is, +de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons +gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den +mensch te erkennen. + +Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't +naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten, +totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst +liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte +tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft. + +Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel +zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen +behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als +zij het verkeerde in hen laken. + +In de meeste gevallen—neem er de proef maar eens van,—komt men verder +met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets +goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur +in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn, +dat zij ten minste dit ééne goed zal doen. + +Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier +oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte, +kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet +te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit +voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal +aangenomen worden. + +Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht +eveneens, als of gij met volwassenen te doen hadt; zij zijn volwassenen +in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel +eerbiedigt, als ieder onzer. + +Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er +goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en +'t geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze +dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en +opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij één kleinen vos +gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven +heeft. + + + + +PRIKKELBAARHEID. + + + + +II. + +PRIKKELBAARHEID. + + +De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich +heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen. + +Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en +gedenkdagen altijd bij de familie Crowfield in eere gehouden is; maar +onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk +gevierd als kerstmis. + +Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons +vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van +het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden +vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op +den 25sten December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat +kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis +ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard. +'t Is de _gebeurtenis_, die wij vieren, niet den _tijd_, waarop zij +voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren, +terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden +hebben, dezen eenen 25sten December aan de verkondiging van Gods +welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik dan laten +varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen +missen? + +In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag, +die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield, +daar de kinderen, maar met één oog dicht, gingen slapen, om toch de +eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten +en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden. + +Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde broêrs en zusters, zoons en +dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom +een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt +en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden. +Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in één nacht en zonder +eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de +meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne +hoofdjes neêrdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat +vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die +vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen +zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan +de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen, +de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen, +op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die +werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet +over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid: +men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke +sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede plaats geven aan een +mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een +stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan +weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar +niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te +luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den +nacht op eens weêr uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken, +en was vóór dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen +bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een +veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er +niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien +van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen, +of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat +vader al hard op weg was om kindsch te worden. + +Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij, +ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van +den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het +niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze +schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en +groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden +vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen +uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te +overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had, +een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die +vleugel weêr uit het lid zou raken op het gewichtig en zalig oogenblik, +dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons +gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd +mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine +volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste +verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen +we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten +wij onze kerstmis door. + +Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen, +waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke +overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en +de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie, +zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen +dag bewaard gebleven is? + +De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik, +ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl +mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen +bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen +moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden. + +Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den +kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het +vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte +mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets +was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik +hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis +een groote zinkput was. Mijn kleinzoons en kleindochters kwamen bij ons +te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik +merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het +mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't +wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en +maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons +glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van +mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje, +dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te +worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld +zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven +had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in +plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig +had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles +verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag. + +Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere +gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine +vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren +toestand open gingen. + +'t Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd, +ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer +van een hatelijk tijdschrift open te snijden. + +Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje. + +„Engel!” zeide ik, „ik wou wel dat je met je handen van het vuur +afbleef,—je maakt het altijd uit.” + +„Ik woû het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw. + +„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.” + +Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen +de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk +geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken, +dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden. +Het is een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik stak mijne beenen knorrig +uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht begon te blaffen dat +mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf hem nu een duchtigen +schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen zou hebben, en wierp +bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver. + +„Och, papa!” + +„Ik woû, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er +hier zoo vol meê, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar +noodelooze dingen en duur ook.” + +„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als +er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid. + +„Ja,” zeg ik, „duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden +armen zijn, die kleêren noodig hebben, zitten de dames niets anders te +doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen +wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij één pot nat: +er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde +zelfzucht en zinnelijkheid.” + +„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er +nog niet zoo erg meê gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek +nog.” + +„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik, +nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan +moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er +moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid +doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar, +vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij +verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan +mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare +mandjes en kloentjes en voor al die rommel.” + +Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij +kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen; +zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel +zacht, maar toch heel verstaanbaar: + +„Als _ik_ zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik _knorrig_ was.” + +Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te +kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was +_dat_ het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en +haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het +eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik +Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een +schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een +complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het +wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne +papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd, +behalve alleen dat ik knorrig was. + +_Knorrig._ Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven +toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig +was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen, +waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al, +Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met +een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten +alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een +jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar +bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder +zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken +had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken, +Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet +vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je +nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er +niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te +veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je +kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan +kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, neêrkomt +op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van +venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een +duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.” + +„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel +uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek, +„kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten +vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” En Fidel verrekte zijn +rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk +kwispelstaarten. + +„En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel +dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn +scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in +zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.” + +In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en verontschuldigde +mij zelfs bij mijn vrouw, die, tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer +en zoo menigen winter met mij doorgebracht heeft, dat zij mij door en +door kent, en mijne knorrigheid dan ook even kalm had verdragen, alsof +ik een kind was geweest, dat een tand kreeg. + +„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je +maar niet,” zeide zij, toen ik eene verontschuldiging begon, „wij kennen +elkander wel. Maar er is één ding dat je eens moet herinneren: dat je +preek al klaar moest zijn.” + +„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van +mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos +spreken, die + + PRIKKELBAARHEID + +heet.” + +Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des +vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek, +dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen: +want inderdaad heeft niets meer van een _lichaams_kwaal dan dit. Er zijn +ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen zóó hevig, dat we niet kunnen +begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam +moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, meer zou vermogen te doen dan +geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen, +die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van +ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees. + +Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad +bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen +de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof +verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun +gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het +hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in +het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen +niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne +gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen +lichamelijke gezondheid. + +Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of +bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u +met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn +hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was +ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou +ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft +waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van +alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet +berusten. + +Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk +van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der +huisgenooten aan die prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal, +wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking +in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van +hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer +veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen +herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende +schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol +beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken +morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de +nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de +kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn +belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen. + +De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor: +vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid +komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer +wij dien niet kunnen afweren. + +Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van +allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften +voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een +modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin +karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij +gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij +nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een +onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke +voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen. + +Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten +aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is, +waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de +maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen +van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht, +zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet +nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de +menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen +haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar +voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er +weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of +gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke +gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne +zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week +hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag +te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor +'t geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel +geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo +gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt +voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking +noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding +der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel, +opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en +scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. Zoo +brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks +een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige +harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg +van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat. + +Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen, +in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter +wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen +ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat +zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen +telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo +gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de +plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor +zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden. + +Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn +krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te +besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring +dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij _op en af +zijn_. + +Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer, +en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle +krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat +en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan +verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer +uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is +knorrig.” + +Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in +een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig +dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen. + +Papa's, die dag op dag zóó hard werken, en mama's, die zóó avond op +avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op +te vroolijken en voor hunne kinderen te leven? + +Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch +voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te +stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd +besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut +van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan +wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets +anders gegeven dan den bitteren droesem? + +De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven +zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden +aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen, +en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan. +'t Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een +vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden. +Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met +kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen, +waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde. + +Maar als een dominé zei, dat alles zonde is, wat de kracht, voor de +vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons +uitput en ontstemt juist dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral +gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen +zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat +bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure +afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel +ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou +alweêr iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als +hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen +en de maag zóó met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen +achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't +midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen +voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven. + +Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet +geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het +daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur. + +Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds +aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons +lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke +opgewektheid geven, om het dagelijksch werk weêr op te vatten. + +Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig +of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze +gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de +opmerking, dat ze in één uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen +bestemd was. + +Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand +al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt +hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening +opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met +een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in één woord, hij handelt +juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft +verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze +wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een +onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij +voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden. + +Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal +de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die +koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig +van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn +of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te +schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin +vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich +Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur, +altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal +van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben +een onwaardige neiging te onderdrukken. + +'t Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan, +die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener +indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen +lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te gedragen; +maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden. +Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen +voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen +is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij +altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient. + +Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij +wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons +dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons +gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker +zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband +staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een +overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid +voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij +voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans, +die hem met vuisten sloeg. + +Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is +de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te +geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht +overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld +voor te gaan. + +Dominé X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich +in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders +hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den +overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat +geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, door niets op aarde te +verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen, +dat zij zich ook zoo konden verliezen! + +Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die +hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van +de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij +wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen +lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept, +waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze +geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn +toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden +getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan, +terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden, +omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met +zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet +hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken +uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme +vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als +moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast, +dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele +donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over +den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw +van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen +verdragen: hij, die zoo dierbaar preêkte van de volkomene overgave +des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening en +sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het +nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het +zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij +zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen. +De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't +geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als +de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel. + +Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken? + +Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste +plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven. +Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken, +zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant, +beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de +nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe +te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in +opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het +leven door te brengen. + +Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't +Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen +beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven. +Indien al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig +en knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel +uitspanning. + +Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar +stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden, +die 's morgens en 's avonds aller harten gedurende eenige plechtige +oogenblikken als tot één huisgezin vereenigden, en zonder opzien +te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te +voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche +bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van +Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben; +deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot +onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in +bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een +recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van +een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan +dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot +bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat +eerlang alle Christenen het daarmeê eens zullen zijn en dat alle buren +als één gezin zich rondom één altaar zullen vereenigen, om niet alleen +voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden? + +De slotsom van onze geheele redeneering is dan: + +Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar +dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel +bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door +u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke +plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te +verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te +verspreiden rondom den huiselijken haard. + +Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk van den voorlooper +van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel? +„Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart +der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban +sla!” + +Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke +prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele +slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen: + +Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke +prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het +hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk +niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een +zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te +verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door +onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid +kan bewaard blijven. + +Er is een temperament, dat men het MELANCHOLISCHE noemt, aan veel +menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een +stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens +hooge opgewektheid en dan weêr diepe neêrslachtigheid volgt,—eene +erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met +groote talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van +ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten +en kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten. + +Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van +neêrslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij +ze de gansche wereld met een somber waas overtogen zien en zich een +geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden, +van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt. + +Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste, +dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe +deze aanvallen van neêrslachtigheid en moedeloosheid even goed een +ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze +ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen, +waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn, +waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen +en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is +en op het ontzettendste verderf uitloopt. + +Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het +voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en +kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan +in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen, +alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien +deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de +wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen, +en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel +voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een +koortslijder. + +Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt, +zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem +pijnigen, niet onder woorden te brengen. + +Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen +leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den +duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te +spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich +om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij +een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende +gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had +uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen +even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en +zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven +en vroolijkheid wekt. + +Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen. + +Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de +verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen +prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze +soort van menschen, meer dan uit eenige andere, wordt het groote +heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De +Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner, +Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel _afschaffing_, maar nooit +_matigheid_ mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke +prikkel, waarmeê zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt +eene onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het +temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste, +zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de +juiste palen te houden; maar het gebruik van prikkelende middelen +verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt. + +Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of +zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen +zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en +moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van +neêrslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden. + +'t Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning, +studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige +opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen, +aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten. + +Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen +van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die +talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk +maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken +avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder +een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge +meêwarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die +moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met +een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die +met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur +kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun +kracht onder de lasten des levens gebogen gaan. + +Voor u heb ik maar tweeërlei raad, twee middelen om u van de +prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg van uw vermoeidheid is; leer +tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het hart +moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en +vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen +tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter, +geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en +zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die +door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een +hemelsche harmonie voort te brengen. + + + + +TERUGHOUDING. + + + + +III. + +TERUGHOUDING. + + (Het volgende is een getrouw afschrift + van 't geen ik in de huiskamer aan mijn + vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.) + + +Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk +geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide, +waarover ik reeds gesproken heb. + +In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij +twee dingen uit: „Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen +en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt +aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is. + +Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist +hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het +onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb. + +Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren +over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat +er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die +warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert +(gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch +op een thermometer eenigen invloed heeft en eerst dan, wanneer dit +beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't +Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over +het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op +deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme +huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl +er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur +was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij +aanraakten en betastten. + +In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarmeê geheel +overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde +genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen +werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar +buiten openbaart. + +Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vóór een sneeuwstorm, in een +kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige +thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw +vingers worden niet stijf van de koû, maar met dat al verlangt gij +toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel +werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer +in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou +ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen +reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist +zóó hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat, +de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde! +toch blijft gij huiveren en hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van +een brandenden haard u de hemel zou opengaan. + +Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande +huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels, +warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het +flikkeren van een brandenden haard. + +Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen +ondervinding meê te deelen. + +Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste +en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening +uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch +overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van +al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan. + +Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een +aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud +en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief +troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig +en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden +echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een +besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl +zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik, +niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen. + +Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van +witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van +koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van +mijn lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al +had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele +vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan +toe was. + +En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop +wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij +zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende +van dwaasheid en dolheid, en altijd weêr aan het slot: hoe volmaakt en +hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij +was, enz., enz. + +Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet +gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder, +die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die +ook „zulke lieve meisjes” waren. + +Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven. +Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in +plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld +met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring, +blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk +gelukkig was. + +Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had +zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij +doodmoê. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden +om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar +en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen +te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon +vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor haar doen” +schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat weêr uit en zette er boven: +„heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te +vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van +hen trachten te leeren. + +„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat +deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt +en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging +doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging +gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe +de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als +wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap +weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door +loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde, +er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden. + +Het kostte me weinig moeite, het huis van mijnheer Evans te vinden; 't +was _het_ huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant, +ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden +van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd +wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priëel stond op +een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen +en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak +tusschen de andere huizen uit als een echte Farizeër. 't Was een huis +om, bij wijze van model, met een étiquette er op, onder een stolp te +zetten, maar zooals meestal met die huizen bij ons het geval is, ge +zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel +in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van +leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er +menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den +keukenschoorsteen omhoog steeg. + +Maar nu, die menschen zelven. + +Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel +niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek +gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor logé's had +gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of +van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten +blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur +weet, dan van het ceremoniëele, dat even vóórdat gij te bed gaat, wordt +aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog, +hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan +te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en +koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam +alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet +uitstralen. + +Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er +valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar +koud zijn zij, zóó koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen +aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat +zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed +begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij +bemerkt in den loop van 't gesprek, dat gij wél zijt uitgenoodigd, dat +gij wél verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en +u behandelen, zooals zij meenen, dat een logé moet behandeld worden. + +Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw +gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den +huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te +denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan +op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u +graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen. +Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet, +alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine +plekje, dat gij ontdooid hadt, is weêr dichtgevroren: van voren af aan +moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo +ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk +gesprek. + +Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn +familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe +Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze +kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt, +in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn, +dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van +verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk +is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten +dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat +heel leerzaam en heel nuttig is. + +Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, zeer op beschaving +gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming +kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en +het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp. +Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en +eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het +hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond +ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter weêrszijde +van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard +tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen +kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare +woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en +fatsoenlijke formules, waarmeê men gewoon is, zooals 't heet, de +conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en +dan meê, maar nooit vóór haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de +regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was +hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij +dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van +benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand +versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie +bedekt werd. + +Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn +gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een +instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest +invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo +stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij zelven, of hij wel ooit een +jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit +met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan. + +Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van +Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om +die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens +had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische +plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en +ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten, +zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen. +Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen +zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze +eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig +gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was +het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren? + +Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven, +om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel +eind op weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een +twee-en-zestiger lijken kan: even statig en recht, even stil, even +ingetrokken. Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij, +die wilde, vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig +liefhadden—dat vrije stukje levenspoëzie, vol kleine excepties, aan +geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel +der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee +dames Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te +zien,—een gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn +op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik +uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om +te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij +een goed woord voor hen woû doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen +hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel +meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om +allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen +of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn +stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals +te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van +'t eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar +„de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet. + +Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze +geëngageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid, +half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan weêr de +wet stelde. _Nu_ noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een +deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en +vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu +reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden +veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier +heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen +hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken, +dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een +verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij wat aan veranderen, omdat +ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat +te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te +bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand, +zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg +een onweerstaanbaren lust, om iets zóó onfatsoenlijks of onzedelijks te +zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik +nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat +of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke +beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in één woord, ik +was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond +en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong +aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart +viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te +brengen. + +Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had, +scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker neêr, liep +naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst, +en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok +mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne +zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij +met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in één woord, de +jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar +te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam. + +„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij +nu net, of ik nog thuis ben. Hé, t'huis! dat was toch alles—en die +beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen +deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel +van elkaâr, niet waar?” + +„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet +gelukkig!” + +„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat? +Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou +heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je +dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo +als zij bij ons t'huis waren. _Dat_ kon ik niet verwachten,—alle +menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen +zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en +je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo +opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier +allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets +verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....” + +„En pleizierig ook?” vroeg ik. + +„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn +zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij +zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur; +en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te +zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't +niet zoo?” + +„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo +stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een +grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.” + +Haar gelaat betrok een beetje. + +„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis +was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als +hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats +bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer +op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet +op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten. +Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar +voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is, +van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het +groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort +nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt, +en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij +Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen +hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den +eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden, +onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten +en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed +haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk +uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of +liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze +zien zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik +denk nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar +haar toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn +voeten te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen +losgemaakt en gezegd had: „Johan! dit is niet de rechte manier, om te +toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad hebben, +dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, dan dat je +mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd heb.”” + +„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want +ik was toen nog maar drie-en-twintig. + +„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je +op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al +flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven, +dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik +zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe +hij opgevoed is.” + +„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar +en zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar +wegstopt in die vesting, met de valbrug hoog opgehaald en met diepe +grachten in de rondte.” + +„Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou je denken, dat zij +hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien nachten +achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij wou in +al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij verteld. +Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms vreeselijk, zoo +gedurig gespannen als ze is over 't een of ander, dat hem raakt: alleen +uit _beginsel_ is zij zoo koud en bedaard.” + +„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik. + +„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.” + +„Ik sprak zóó in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders dan de Vader des +kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken +tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons zóó achter slot en +grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets +aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand +verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door +de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt +op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven +hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van +elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden +waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder +haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.” + +„Ja,” hernam Emilie, „somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo wat +van één jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk, +of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo +betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet +wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak +aan en zei droog weg: + +„„Jansje! wat scheelt er aan?” + +„„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen mij +zeer.” + +„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij +bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden; +maar mama zei nog altijd even droog: + +„„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en +zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en +Jansje ging gedwee heen. + +„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te +maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor +een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een +veelbeteekenend knikje: + +„„Zoo leef _ik_ er altijd meê; als een van de kinderen ziek is, +vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet +veel beweging van te maken.”” + +„Verschrikkelijk!” zeide ik. + +„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het +haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig +om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander +houden, schoon ze onder één dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor +elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er +een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot +overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik +moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan +zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al +hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch +leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik +zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat, +die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal +een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal +vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken +en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens +gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor +hem over hebben; kwam er een te sterven, ze zouden radeloos wezen: maar +'t zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen, +kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden +elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor +elkander uit te storten: zij _kunnen_ dit letterlijk niet.” + +„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in +de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is; +net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken, +omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed +even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig +harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk +volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de +leden gegoten was. Wie zóó wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal +nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.” + +„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan, +hoe goed hij is.” + +„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er +ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het +teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor +vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch +doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet +ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener +vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt +iederen dag weer tot ijs te worden.” + +„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor +bestaat. Ik zal hem onder de menschen brengen. Ik zal ze wel weten te +veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel; +vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is, +volmaakt is; en vervolgens....” + +„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud +systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en +vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo +doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze +arme kleine eend: heugt je dat nog?” + +„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de +rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open +plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en +kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....” + +„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden, +en dat hij voor altijd mank was.” + +„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende. + +„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, meêgaande en niet sterk; 't +ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor +hen in te schikken. + +Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van +hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je +nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen +kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel +alleen voor je zelven bezit.” + +„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij +zullen gauw een eigen huishouden hebben.” + +„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je +heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een +inspectie bedreigd wordt.” + +„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet +het haar vragen.” + +„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt +toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder +den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer +begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht +zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren +en je kinderen opvoeden.” + +„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind +mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.” + +„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en +onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en +gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren +molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood +zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich +nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt +en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel +goeds en edels en verstandigs—hun doel is zóó heilig hun invloed zóó +krachtig, hun braafheid zóó groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil +geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet +beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te +onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij +hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen, +en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt: +'t zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.” + +„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?” + +„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk +bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen. +Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier +begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als _zij_ doen,—iederen +dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te +wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem +niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet +en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je +gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde +bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne +gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen +openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met +hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar +heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit +in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt. +Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans, +dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze +die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden +warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is, +een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet +voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet +krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en +grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te +versieren.” + +„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen zekerder middel +bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat +zij allerminst door verwijtingen te winnen is.” + +„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van +verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je +zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine +dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat +wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen +adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende, +onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel +vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan +wie ze betoond worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt +een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar +kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer +maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in +haar vlekkelooze reinheid neêrknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt, +met zijn adem den eersten smet op.” + +„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten +wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben, +koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig +lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld, +die iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er +is tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn +vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt, +en een kinderachtig pruilen, waarbij ze alleen om zichzelve denkt. +'t Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat je niet doet wat je +doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem +reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode, +dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als +Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te +strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt +hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk +er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke +teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was. +De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou +geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet +gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te +geven.” + +„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat +ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te +veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde +verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen. +Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.” + +En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om +zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van +haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke +vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is: +en zij zullen zich laten gelden. + +Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het +huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het +huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der olmen +van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had. +Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en +zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig, +dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama +en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen: +want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd +tusschen leven en dood zweeft? + +Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel +te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden; +eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf +gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui +altijd hadden tegengehouden. + +Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met +vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen +dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie +van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en +vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een +prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige +manier den baas over Johan, die zich weêr door haar leiden liet, evenals +in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en +Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als +Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom. + +En hier eindigt mijn verhaal. + +En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene +_uitdrukken_, het andere _onderdrukken_ moet. Liefde, vreugde, hoop, +geloof, medelijden, behooren tot de dingen, die wij moeten uitdrukken, +openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak, +liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen, +_terughouden_. + +Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die +_terughouding_ op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer +toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van +haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote +wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat +onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't +onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen +der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander +lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat +er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige +dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen +te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen +gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan +om de edelste gemoedsaandoeningen en de _liefde_ in een lijkkleed +wikkelen? + +Doch er zijn weêr anderen, en hun getal is legio—misschien behoort +gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige +gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in +hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt, +dat instinct volstrekt niet gevoelen. + +'t Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn +uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen +liefhebben, eeren en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf +wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt +schuchter het venster uit en draait aan de deurklink. + +Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn, +verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde! +„_Ik haat_” zegt men hardop en met kracht: „_Ik bemin_” niet dan met +eene weifelende stem en een blos op 't gelaat. + +In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door +gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven +in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te +bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw +verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons +het meeste benauwt en beklemt. + +Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en +geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die +zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen +maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en +beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid +maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen. +Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren, +bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met +elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie +hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding +dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu +knoppen noch bloesems kan voortbrengen. + +Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor hen over +hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal +voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen +ligt,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit ééne: dat +ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, beantwoorden? + +Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen +hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en +samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu +ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen. + +Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets +anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het +geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.” + +Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet +gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan +worden. + +„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit +geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog +meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik, +wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen, +die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet. + +Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze +vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en +vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen +liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook +niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en teêrgevoelige, +wekken ze allicht door overmaat een soort van tegenzin op. Maar dan +blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over, +waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood één +gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort +van attenties was. + +'t Is een dwaasheid te denken, dat wie familie van elkander zijn, +natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie +zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel +gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een +tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook +door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen, +in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, weêr tot enkele +verloopen. + +Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke +manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de +Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene +aangeboren bedeesdheid. + +„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te +zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo. + +„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?” + +„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.” + +Maar wat is vleierij? + +Vleierij is _onoprechte_ lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of +een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in +hen vinden, dat is geen vleien. + +Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen, +die zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze +wel denken moeten: we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn +zoo bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te +maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en +eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem +en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg +zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan +de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch +niet laten merken! + +De andere oorzaak onzer _terughouding_ noemde ik onze bedeesdheid. +Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been, +waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij +kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig +het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen +lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe +vrienden te _wezen_ maar 't ook te doen _blijken_, dat wij het zijn. +Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze +lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende +oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch +schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een +woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein +dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat +eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen +naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in +de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde +melodie van liefde zullen aanheffen. + + + + +HOOFDIGHEID. + + + + +IV. + +HOOFDIGHEID. + + +Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken +te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers +niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien. + +Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie +onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben. + +'t Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als +de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen, +die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove +zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing +noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend +beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó +beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die +kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog +gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van +het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen. + +Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt +tot het verwoesten der wijngaarden van huiselijk geluk,—ja, die meer +druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet +gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn +zevental gaf ik hem den naam van _hoofdigheid_; anders,—'t was +misschien beter geweest,—_doordrijverij_. + +Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit +overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is. +Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons +leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen +zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel +moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding +eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare +eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen +verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te +houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en +zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het +andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi, +de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en +slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die +eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde +eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste +lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche +en edele daden volbracht worden. + +Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze +eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij +instinct handelt, en niet luistert naar rede of geweten,—'t is wat +wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.” + +Dit _dierlijk_ instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met +hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des +te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand +bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden. + +In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel, +vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte +die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit +een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De +timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw +nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te +schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst +worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies +in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en +gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang +dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde +met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken +present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen; +uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken, +en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen, +zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige, +stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen +het geval is. + +Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen +overeenstemmen en harmonieeren in de dingen des geestes,—die van +dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen +voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het +eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan +het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er +voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën +en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te +maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden, +en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst +op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch +eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven. + +Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt +en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen +zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid +van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te +verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen +zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw +Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over +„zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen +boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat +zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven. +Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden +opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende +populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan +duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een +logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken! +_Zij_ weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit +aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom +op te sluiten; en _hij_ weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan +zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten +draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden +staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd +worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De +natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet +met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der +vogels. + +Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun +gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen +met elkander, en beginnen een nest te bouwen, _alias_ een huishouden op +te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de +partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en +van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom. + +Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen, +zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe +niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den +kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden +smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak +vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor +elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten +en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen +bestaat in de hoogste aangelegenheden. Beiden zijn edel van hart +en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van +smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat +het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen +naam verdient, dan: _een jaar van gevechten_. + +Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig +opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met +elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als +bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit +te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het +loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn. + +De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er +geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles +volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en zijn +zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een +_gevoelen_, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld +zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo +nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin +kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen! + +'t Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar +luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over +de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in +'t bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij +die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar +telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe +woning te voeren. + +De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden. + +„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw. + +„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer. + +„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet +komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit +anders dan voor de ramen zien staan.” + +„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet +wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in +den hoek. Probeer het maar eens!” + +„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de +heele kamer bederven.” + +„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de +piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje +het wezen zal, om dáár te zitten.” + +„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,” +brengt mevrouw in 't midden. + +„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je +meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei +hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!” + +„Maar ik kan er mij nooit meê vereenigen, dat de piano zoo in een hoek +gestopt wordt”, zegt Hero. „_Ik sta er op_, om haar voor het raam te +zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van +mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.” + +„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik +dat van mijn kant even goed doen.” + +„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van +de vrouw hoort.” + +„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de +huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er +een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.” + +„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat +het mij displezier doet,” zegt mevrouw. + +„En mij dunkt, dat _jij_ iets niet zoo moest doordrijven als je weet, +dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer. + +En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt +ze: + +„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden, +als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!” +Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter +ongelukkig met zijn overwinning is. + +Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op +een koffer zitten. + +„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel +geven.” + +„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten, +dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.” + +„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we +kinderen waren.” + +„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.” + +„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar +ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.” + +„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de +piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de +kamer binnen kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de +noten te zien.” + +„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak +niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet. +'t Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.” + +Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde +manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten +volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar +ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is, +zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig +meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien +woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en +hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij +zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden +van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige +schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles +de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht +den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst +door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer +geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet +je toch toestemmen, dat _ik_ gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein +is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen. + +Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte +kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van +hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd +overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking +veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den +bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het +genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te +boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre +niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander +gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden +hebben, ernstig kan bedreigd worden. + +Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte, +maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat +dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het +nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar +Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje +voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander +is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te +hebben, schuift hij zijn bord op zij. + +„Beste! smaakt de sla je niet?” + +„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.” + +„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.” +En mevrouw ziet er alles behalve lief uit. + +„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van +suiker en azijn over de sla.” + +„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren +immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,” +voegt ze er bij op een vleiende toon. + +„Lieve! ik probeer _nooit_, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd +heb. Ik houd me maar bij het oude.” + +„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.” + +„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar +ik niet van houd.” + +„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren. +'t Is er net mee als met olijven: ik heb wel eens gehoord, dat enkele +menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat +gegeten hebben, worden zij er dol op.” + +„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen, +daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.” + +„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij +dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden +te schikken.” + +„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met +suiker en azijn houdt.” + +„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord, +dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?” + +„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar +heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw +veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen +zeggen.” + +„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets +niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk. + +„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en +altijd mijn zin doen.” + +„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van +aan is.” + +„Dat zie ik nog niet in.” + +„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.” + +„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?” + +„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero. + +„Dat heb je toch glad mis.” + +Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk: + + Mogen we eindelijk daarin slagen— + Wie verlangt en bidt het niet?— + Dat wij zóó ons zelven zagen, + Als ons ieder ander ziet. + +„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke +verhooring mag vinden, lieve!” + +„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero. + +„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr. +„Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?” + +„Jij bent begonnen.” + +„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, _jij_.” + +„Stellig niet. Leander! jij begon.” + +Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de +respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en +stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al +is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden +maken. + +_Zij_ zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd zóó +hebben, als je ze 't liefst hebt,” en _hij_ zou kunnen zeggen: „Lieve! +als je 't graag hebt zal ik eens probeeren of ik van de sla, zooals jij +ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede, +dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander +het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan +een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens +vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of +achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig +volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel +heeft het niets uit te staan. + +De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar +getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie +gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer +hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den +ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de +vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de +boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden, +zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken, +als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar +eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen. +Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der +schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er +bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en +godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op +de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat. + +Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er duizende kleine +geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties, +waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin +iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.” + +Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat +hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de +eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer +hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't +Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen +als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet +worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten +en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk +ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige +overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich +met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig +als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze +somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van +huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en +voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel +uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven +als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet +te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard +verderft. + +Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht +dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en +anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het +is, maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere +door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten +omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de +behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen +in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't +karakter hunner vrienden geldt. + +„Maar _ik_ zou zulke tooneelen niet met _mijn_ vrouw willen hebben,” +zegt Don Positivo. „_Ik_ zou zoo'n verstandige vrouw niet willen +trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig. _Ik_ zoek een vrouw, die +zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel +naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad +gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op +aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn +hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen. + +Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen +zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een +domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog +niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd. + +Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan +hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van +hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen, +en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert +schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman +gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en +precies op dezelfde manier. + +Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de +meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen +wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal: +vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan +zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een +onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en +eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij +hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die +dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school +genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze +heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in +één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare +wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van +haar kunne. + +Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen +eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede +kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te +gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard +was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is +ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar +eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar +ongelukkig de man, die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct +van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul +is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw +overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw, +waarop hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet.... +dat wordt op den duur onuitstaanbaar. + +Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen, +door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen, +waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die +gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd +worden? + +Lees het werk van Mevrouw Ellis, getiteld: _De engelsche vrouwen_ +en gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen +leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden +overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw +maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden, +altijd juist te weten, wat hij wil. „_L'état, c'est moi_,” is de les, +die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw Ellis leert, en uit de +voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken, +dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het +huwelijksleven toegepast wordt. + +Miss Edgeworth laat haren generaal Clarendon tegen zijn begaafde en +bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een +deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de +sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo +vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de +arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot, +zich aan een leugen schuldig maakt. + +In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar +moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die +vroeger een ander bemind had, tot _zijne_ vrouw te nemen; en daarom +verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat tot de +ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester +aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar +ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag, +die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is +dit _uw_ schrift?” + +De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig +voor, hoe vast ze aan het goddelijk recht van den man gelooven. B. v. ga +eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: _Agatha's +echtgenoot_ genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel +fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die +voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze +bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste +zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame +strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een +plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand +anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is. + +Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar +man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en +genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar +eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van +met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien +zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen +zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid in, hem te +houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert +deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht +behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het +dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man +de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door +'t heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de +waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon +bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met +de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen +verdenken. + +De schrijfster van _Jane Eijre_ beschrijft de verhouding tusschen More +en Shirley gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof +er over het dresseeren van een paard wordt gesproken. Shirley is wat +lastig en stijfhoofdig, en More, haar minnaar en leermeester, geeft haar +_Le cheval dompté_ ten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier +om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze +dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft, +spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was. + +„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!” + +En zij antwoordt: + +„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn +stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn +voet zal ik rusten.” + +De begaafde schrijfster van „_Nathalie_” schildert den strijd van +een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan +zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een +allerzonderlingst gedrag, maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op +een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert: +zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer +twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was +het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan! + +Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd +lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid +en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn +geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er +bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen, +of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter +gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken +over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt, +vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te +verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen +zijn. + +Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te +strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en +hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de +schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie; +die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot +maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt +haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans +bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer, +vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, voor +hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één +verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook +beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij +hem wil blijven, _mag_ blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van +den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar +een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar +lieven man. + +Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de +oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof +mogen slaan aan de dames romanschrijfsters. + +Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken +haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn +handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies +te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté +zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't +grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano +juist zóó te zetten, als hij het graag heeft. + +Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met +een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich +evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij +ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte +opperheerschappij in huis. + +De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk +vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't +bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten. + +Onze president[1] is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn +persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem, +omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er +in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende +stem is. + +[1] Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika + woonde. + Vert. + +De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het +huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen, +de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand +van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting +heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht +eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den +president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan +de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking +de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen +moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen, +alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen. +Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders +persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die +op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet +in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen? + +Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook +Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende +punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man +bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit +almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat +hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de +Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan +wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle +geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar +menschen wonen. + +Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en +kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de +dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over +'t woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor +een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor +een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te +weigeren. + +Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als +vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant +wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij +aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de +overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer +het geen dienstzaken geldt. + +Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee +rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze +negentiende eeuw even dwaas. + +Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun +goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man +een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht, +om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en +liefhebberijen der zijnen heerschappij te voeren. Even weinig als hij +'t zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even +weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar +zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn +vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't +fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer +nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van +zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn +beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw +volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan +onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat _zonde_. + +'t Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een +enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar +zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven +en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles +maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn. + +Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne +eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is +'t gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn +gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring +aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een +rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker, +dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte +Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben. + +De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn, +moeten natuurlijk geregeld worden, maar niets dwazer, niets verkeerder +voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het +romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't +huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te +strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien +aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen, +zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven. + +Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het +toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven +kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden. + +Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs +stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe +men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in +hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de +gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen +overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat. + +In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles +heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende, +kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen, +naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het +bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het +bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen +mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt +en krachtig beheerscht. + +Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder strijd te voeren +dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste +gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking +van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen. + +Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk +een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een +geheel tegenstrijdig karakter. + +De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich +geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum +weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en +papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier +zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf, +schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige +laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit +jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om +wordt. + +Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van +de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als +ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke +hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft? + +Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat +de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te +kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten +wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te +richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe +redelijk 't een of ander ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan +ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te +geven tot huiselijke oneenigheid. + +Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die +hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem +gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te +verdedigen. + +Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat +met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak. + +„Kijk dan maar op mijn horloge.” + +„Je horloge loopt niet goed.” + +„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.” + +„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.” + +„Neen, beste! dat heb je mis.” + +„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren +zeggen?” + +„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten +maken.” + +„Hoe kan je _dat_ nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!” + +„Lieve! je hebt het mis.” + +En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord +wil hebben. + +Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de +huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de +heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf +doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn, +dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar +is,—laat er grond wezen of niet voor honderd kleine aanmerkingen, die +wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie +over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit +die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door +verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde +overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs +geven? + +Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u +er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan +redeneeren. + +Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te +gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder +na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt +middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking +heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan +vroeger. + +Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde +opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig +wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk +te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en +welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten. + + * * * * * + +Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een +oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een +vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had +werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met +die verzen zijn lezing eindigde: + + Helaas! hoe nietig klein een reden + Verwijderd soms een huwlijkspaar, + Dat onder 's werelds tegenheden + Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar; + Wier liefde stormen en gevaren + Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt, + Gelijk een schip in 't hart der baren + Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt. + + Een enkel woord, een enkel teeken; + Een enkle blik verkeerd verstaan: + Een ademtocht—en 't is bezweken + Wat door geen stormen kon vergaan. + Na 't eerste woord volgt ras een tweede, + Dat d' eens gemaakte bres verwijdt: + Ach, straalde 't oog van liefde en vrede, + Bij 't mingekoos van vroeger tijd,— + Klonk toovrend toen in al hun spreken + De zachte toon der teerheid door,— + Voor altijd is die straal geweken, + En ging die liefdeklank te loor. + + Een wolk, door storm uiteengereten, + Is beider hart gelijk,—een vliet, + Die boven langs de heuvelketen + In dartel spel haar watren schiet, + Alsof ze nimmer zouden scheiden; + Maar, eer zij neêrstort in de beemd, + Ze heinde en ver uiteen zal spreiden, + Voor eeuwig van elkaar vervreemd. + + + + +ONVERDRAAGZAAMHEID. + + + + +V. + +ONVERDRAAGZAAMHEID. + + +„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?” + +„Ik zal een preek houden over _onverdraagzaamheid_,” gaf ik mijn vrouw +ten antwoord. + +„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?” + +„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer +kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb +gepreêkt—een van „de kleine vossen””. + +Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven +bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl +toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel +is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid +onzer menschelijke natuur. + +Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben +nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens +op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil +niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn +onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige +gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn +onverdraagzaam. En huisvaders en huismoeders zijn onverdraagzaam, +hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus, +dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen. + +Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de +tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé +Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart. + +„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,” +zegt Mevrouw Perfect; „het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n +kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.” + +„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen +met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge +niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche +gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te +maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en +vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal +niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een +huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar +heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes +wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en +wat beweging in de open lucht neemt?” + +„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel, +zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste +stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van +den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde +schepsels.” + +„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, hier over de deur, +met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.” + +„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als +ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg +vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.” + +„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.” + +„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig +zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij +zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is. +Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo +vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't +ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom, +ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen +stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid +is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen, +en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch +weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en +boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.” + +„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt +afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?” + +„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór +Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en +tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe. +Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als wij een ritje +naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou +gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang +vertroeteld.” + +„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan +doen van de schreeuwende kinderen...” + +„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen +schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik +zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even +als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om +tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren +ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een +slapeloozen nacht bezorgd.” + +„En als zij tanden kregen?” + +„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door, +net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles +maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben +met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.” + +„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch +onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.” + +„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men +wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.” + +„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht +samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de +kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw +zelve wordt er ziek van.” + +„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een +verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts +over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad +hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil +zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik +nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen +notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken +gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen +schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier +tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo +merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.” + +„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw +kinderen waren het ook.” + +„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook +niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik +ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat +het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.” + +Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het +model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd +vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft +niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken +nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze +nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft +mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er is een knoop van +mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep +nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd +gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan +huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste +puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet, +altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en +nooit vermoeid. + +Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is +zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes +voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is +altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij +heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is. + +Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur +Torquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het +afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de +maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld en +met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch +jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de +mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare +zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen +hebben. + +Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld +voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant, +die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd +zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en over dag +sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder +de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde +manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij +zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen +of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig, +als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan +wezenlijk _haar_ schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en +aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden +volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden +over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is +voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen +heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij. + +Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en +krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen +van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit +in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige +juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip +over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke +colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet +voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een +evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander? + +Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig +heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste +huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen, +dat allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder +op anderen inbreuk te maken. + +Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te +begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid +en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en +ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de +gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan +hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been +voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of +tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een +vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor +grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens +baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de +kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond +geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den +ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in +breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit. + +Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het +huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij +zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in +dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende +daaruit voorkomt? + +Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel +verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee +sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van +verschil over. 't Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn +elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken, +omdat het zoo wezen _moet_; maar in plaats daarvan brengen de meesten +hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat +van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't +zich nu maar niet naar hen schikken. + +Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht +is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken +waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen +afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij +nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man +van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader +en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden +gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al +denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn _fort_ +niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap: +ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang +gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen +kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er +raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!” + +Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is, +een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen +schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij +getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden +of haar kunde en bedrevenheid in de dingen van het dagelijksche leven, +en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn +en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met +huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig +maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon +was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje +bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze +nooit van regel en gewoonte afweek? + +'t Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster +verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch +overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken, +van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter +dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar +veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en +haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen +heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het +verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo +iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij +ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het +eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw +verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en +teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar +eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om +dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden. + +Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een +begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende +gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met +elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn +onderling, in geaardheid. + +De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel +toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het +wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien +eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders +bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop +aangewezen, dien het te volgen heeft. + +Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins +gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen +van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo +keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en +volmaakt. + +Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest +haar een bloemlezing uit Milton voor, als zij nog pas acht jaar oud is, +en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de +eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het +nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig, +huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg +heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij +teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig +gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet +kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan 't +geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard +onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig +leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den +uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te +promoveeren. + +Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't +koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een +dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder +haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome, +Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft, +zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te +onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende, +flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die +onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild! + +Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe +gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren +huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar +huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis +toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om +uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij +het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet +geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot +ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan +later de gebreken, die het heeft, te verhelpen. + +Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kan met allerlei +gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen +hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de +spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij +ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden, +al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen +werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te +worden als 't er niet al te best meê gaat. Maar laat ze dan ook even +veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar +flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't +maar goed doet, te vatten. + +Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand +bestemt. Hij moet de Daniël Webster van de familie worden. De jongen +is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder +van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op +abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt, +hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel +paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of +heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten; +met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de +buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is +hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en +verdient wat hij zegt, wèl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid +tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't +onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk +voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord, tusschen den volmaakt- +en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk +stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een +gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels +door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studiën, +van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en +tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde +wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den +ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter +van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman +kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust +in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt +voor dat ééne, waartoe zijn ouders hem reeds vóór zijn geboorte blindweg +bestemd hebben. + +Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond +hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en +nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn +katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan +heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar +doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij +verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en +verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan, +hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en +de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en +die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en +proparoxytona, paroxytona worden, als de laatste lettergreep lang wordt +terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep +kort is. Daar elk van deze regelen wel weêr zestien uitzonderingen +heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele +gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het +mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en +haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder +er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der +klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen. + +Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat +zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht +tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds meêbrengt en derhalve ter +nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een +andere, niet minder goede soort van jongens zóó veel bezwaren heeft, dat +deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de +tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of +domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen +bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen zóó te overspannen, dat zij +nergens meer geschikt voor waren. + +Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en +werktuigkunde had, was altijd nommer één op de middelbare school. Hij +behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij meê en zoo trotsch op, +als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug +van bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van +woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamen +hem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe +minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te +vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al +van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven van +Grieksche accenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn best,—die +jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd achteruit gezet, +altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, kon niet opwerken +tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem stonden. Hij begon +te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige knappe jongen is door +zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en voor de maatschappij +verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals een groote kolenzeef; +elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, moet er doorheen vallen. +Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu juist niet veel op aan; +maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens gebruikt werd, om +steenkolen van diamanten te ziften? + +„Die arme jongen!” zeide Ole Bull medelijdend toen iemand van de treê +van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht meê +te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel +verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!” + +De geestige Heinrich Heine zegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn +jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als +zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor, +omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in +den accusativus op _im_ uitgaan.” + +Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche en Latijnsche +schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode +talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met +de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest +daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar +langs dat ééne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien éénen +hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk +land van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie +van het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen, +die niet in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in +geregelde volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige +naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op +te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken +oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel +kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er +van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen +gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der +Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille +met aanhalingen uit de „Aeneïs” volschreef en bloemlezingen uit zijn +Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn +taalregels op de pijnbank zette. + +Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die +de lijst van zelfstandige naamwoorden op _y_ met het meervoud in _ies_ +en de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen onder +ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend +spreker iets baten, of hij Murray's Grammar van A tot Z kan opzeggen? +Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend? + +Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo +afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes. +Er is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er +inkomen. Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat te +hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om met +de rijstebrij te beginnen. + +Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is +uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens +en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken, +en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe +letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger, +natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen +bestaat. + +Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig +huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder +jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op de +Latijnsche school gaan, of anders gooit hij zijn naam en eer te +grabbelen. + +„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste. +„Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn +overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult +er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.” + +„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer +Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd +krijgen. Ik heb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon, +wat ik gevoel, terwijl ik daarmeê bezig ben. En ik zou niet altijd de +laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen +worden.” + +Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt +om iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een +manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem +onthield,—wat gebeurt er dan? + +Hij loopt den cursus door, _of_ als een huichelaar, zijn meester en zijn +ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—_of_ hij +doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met +dat al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn +geheele leven. + +Als men eens in de geleerde opvoeding die ééne methode niet zoo +uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het +groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten, +zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs +was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke +en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel +vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te +zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in +zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid. + +„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t +is een goede oefening voor den geest.” + +Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting. + +Als een jongen geleerd heeft, dat in den genitivus pluralis van de +eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep +een circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen +zijn: 1. Dat de feminina der adjectiva en participia op—ος,—η—ον in den +genitivus pluralis hetzelfde accent hebben als de masculina, maar dat +andere adjectiva en participia feminina, in den genitivus pluralis +perispomena zijn; 2. Dat de substantiva χρῄστης, ἀφύη, ἐτησίαι en +χλούνης in den genitivus pluralis paroxytona blijven,—ik zeg, wanneer +een jongen dit en twintig van die dingen uit zijn hoofd geleerd heeft, +dan is zijn geest geen zier meer ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst +memoriseert van de oudste dertien Staten van Noord-Amerika, het getal en +de namen der later bijgekomene, den tijd van hunne aanneming en hun +bevolking, hun handel, hun bedrijf, enz. Dat zijn ook niets meer dan +geheugenoefeningen, maar 't zijn dan ten minste nog oefeningen in dingen +die van eenig belang zijn, en waar men iets aan heeft. + +Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig +om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf +zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de +meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen, +en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal +vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen, +die met een barren Rector achter zich door de origineelen is +voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche +grammatica. + +Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls +ik een taal leer, zoo dikwijls word ik een man,” zei Karel V,—en hij +had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door +de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de +uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme +jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien +van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor +dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen +zijn. + +„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland. +Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als +onze jongens leeren.” + +Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan +Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil +van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland +sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen +invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten, +wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen +hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze +Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft. + +In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften +zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond, +dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is, +moeten meêgedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden, +waarmeê anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en +geschiktheid voor hebben. + +Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheid en van +uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende, +dan op het veel betwiste gebied van opvoeding. + +Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de +ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn, +met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle +kracht verlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders zóó voor, alsof +ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar hartelust +kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun een goed +model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan 't werk te +gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk mensch van het +kind te maken. + +'t Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan zóó +iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij +herhaling betuigt, dat _Hij_ kinderen opgevoed en groot gemaakt heeft, +maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht: +„Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan +heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en +hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer, +beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in +dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen +menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter +hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt? + +De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven +verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders +geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menig moeder +werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had, +belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij +evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen. + +Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt +een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als +zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de +eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met +een reus moest vechten. + +Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet +vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar +handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot +overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken, +maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij +overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger +aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar +invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen +wel klaar krijgen. + +Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de +wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar: + +„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den +wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef +hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan +koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.” + +Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenmin kan opvolgen, als een +koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens kan +zogen. + +Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in +staat zijn over den wil van anderen te heerschen. _Zij_ kunnen op die +manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het +in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink +afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom +nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond +hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen +drijven. + +Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het +beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden +niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij +missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van +die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen +slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en +niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen. + +_Invloed_ is een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar +zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren +weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld, +waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken. + +Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij +nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig +wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig haar +gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip heerscht, niet +bij haar woelig troepje invoeren, of ze allen even zoet houden, zooals +enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven heeft; en laat +ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel weinig schijnt +wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van menschelijke +karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, volgens het +bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt. + +De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de +onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke +ontwikkeling der kinderen. + +De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt +bij den mensch, even als de doorgang der zon door de evennachtslijn, +dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen +wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war; +somtijds verandert daarbij 't karakter zóó geheel en al, dat het kind +voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand +van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke +wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit +overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over +te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven +verwoesten. + +Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet +getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om +den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen, +als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en +dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en +allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles +in de war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft +een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het +liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb +maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na +verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift +zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit +groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet +veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleêren scheurt, en +vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop +niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen, +kleêren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en +inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op +dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed. + +Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van +overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt +gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het +meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de +kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien +te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school +vorderen. + +Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft +handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen +wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen +haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze +aangemaand voor stelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur +slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en +'t resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long. + +Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist +in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling. +Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht +recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen +van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't +Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er +zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De +schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van +hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren +cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn +gegaan. + +Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ééne +opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarmeê we hem aan den gang +kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze +groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder +bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn +eigen werk te doen. + + + + +ONWELLEVENDHEID. + + + + +VI. + +ONWELLEVENDHEID. + + +„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, dat +_onwellevendheid_ almeê de ergste verstoorster is van den huiselijken +vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en +beleefdheden, waarmeê men voor vreemden zoo gul is.” + +„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde Robbert Stevenis. „'t Is +al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen +en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men +zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en +zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn +hoofd meê te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die +elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat +moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij, +zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig +of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het +crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat +wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar +zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons +toeleggen, evenmin noodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen +dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.” + +„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame +het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo +netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt; +maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of +houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te +komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt, +dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ook +_haar_ japon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel +niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk +vreemd zijn.” + +„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd +of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste +wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd, +dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan +mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het +vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei +Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang +mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt, +een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en +attenties bewijzen, dan er mij met één te moeten behelpen, die altijd +maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt +geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't +ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant +leest, en den heelen avond sigaren rookt of stil met een boek voor +zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in één woord, omdat hij +nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en +aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij +een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan +wil ik graag tot de dames behooren, waar hij meê omgaat, maar ik zal wel +oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om +met hem te trouwen.” + +„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de +mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder +innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig +en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk +zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de +courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er +een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat +voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook +wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die +'t vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te +kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de +„godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar +niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel +en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als +toeschouwers.” + +„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei +Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar +wij, zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of +vervelend of onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, hebben de dames +vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren, +daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar +departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't +schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig +toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar +meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van +een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet +omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even +onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis +nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren +geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden +na te laten, die ze vóór hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en +gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat +hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend +in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen +waren. Zóó moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man +hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny. + +„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik Karel Sedley bij tijds +waarschuw.” + +„Karel Sedley, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van +verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie +telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe +onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....” + +„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft +niets meer te zeggen.” + +„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide +Jenny. + +„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten +kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een +andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar +met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen +juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds +zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en +elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten +te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden +onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter +wereld.” + +„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls +aangehaalde woorden van Cowper: + + Eenstemmigheid in een of ander + Brengt eerst de harten tot elkander,— + Maar zelden houdt die neiging aan. + Tenzij innemendheid van zeden, + Beschaafde en kiesche oplettendheden, + Haar achteruitgang tegengaan.” + +„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen +man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in +ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar +zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter +liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht. +De manier, waarop hij met haar omging, was een volmaakt model van +allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht +het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de +boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging +alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame +bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, er wezenlijk +schik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur +had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met +zijn financiën wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen +verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn +zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had +alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn +aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken +behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg! +Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen, +alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken, +dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij +zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral +was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van +haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem +niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich +met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een +voortreffelijk man?” + +„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt +meêgedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als +een man zonder eer, zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap, +het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij +er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer +invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van +beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een +vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde +behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en +attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat +beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.” + +„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert. + +„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een +voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik +ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier, +zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij +op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te +presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat +ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij +behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter +dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers +hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief +mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en +schoppen op den koop toe te krijgen.” + +„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo +als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk, +die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt +eens een schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden +lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk +waard zijn. + +„'t Is een vaste regel, dat die natiën die voor wellevendheid en +hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen +in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche +Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte +Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe +is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en +eerlijkheid te houden. + +„Niemand kan een Fransch werk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep een +zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk +doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een +ander onaangenaam kan zijn. Als wij op de Fransche comedies mogen +afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd +en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk, +de ruwe en ronde woorden, waarmeê wij iemand een brutaliteit aandoen, in +het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat ons +onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat +het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid +geeft. + +„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn +dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel +het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit meê te deelen, en rondweg +voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en +bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken, +geen bediende nu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename +gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz. + +„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madame +George Sand in haar levensbeschrijving bericht over de verhouding +tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk. +Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere +bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon, +en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd +alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen +stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij +begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde +met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij +het hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid +te zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er +in haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch +om de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou +gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt +zich tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden +van 't huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele +zaak bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar +brieven, of op de hartelijkheid, waarmeê zij, even als altijd, haar zoon +ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem +toelaat, bij haar komt doorbrengen. + +„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een +onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder +zetten jaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt, +alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij +door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart. + +„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft +bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander +uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze +noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al +geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt +goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch +leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom +nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen, +huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw +en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn, +zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.” + +„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo +ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in +een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant +zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan +verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander +ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel +van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn +stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje +en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't +zelfde in anderen verdragen. + +„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen +Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets zeî +tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het +daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven +aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen +te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets +veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om +zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten +koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met +zooveel omhaal als toen wij nog geëngageerd waren,—'t is immers omdat +zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat +het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knieën +viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon +zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed +begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is. + +„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin +nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch +waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid +hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak +verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid +ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in +een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.” + +„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat +bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten +oprechtheid is beter dan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle +liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met +wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of +andere reden, (al is 't ook nog zóó fijn, zóó kiesch) zullen bedrogen +worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel. +Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen +mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was +ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch +moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk +leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der +oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten. + +„Wil iemand weten, wat ik hiermeê bedoel, dan verwijs ik hem naar de +gedenkschriften van De Tocqueville dien ik voor een ideaal van een +Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn +brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat +daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt. + +„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een +individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden, +waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd +maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt +geen verleiding bestaat. + +„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat +wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in +onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig +gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouwen instinct van +oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk +te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de +beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons +huiselijk leven zou kunnen ingeënt worden. + +„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als +wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij +kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen, +wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk +in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een +gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te +rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor +menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze +eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude, +halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de +courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun één van al die +attenties aan te doen. + +„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig +aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting +van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan, +en een smerig en slordig pak voor t'huis. + +„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op +partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is. +Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar +bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij +in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er +werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon in huis te dragen; zij +zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat +al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een +net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak +was: t'huis moet een vrouw er altijd lief uitzien. + +„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel, +dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij +denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder +ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en +merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het +ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en +dochters keurig en met smaak gekleed gaan.” + +„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de +vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden. +Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed +verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien +worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.” + +„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature +Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat +wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden +Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel, +en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie. + +„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best +moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje +behaagziek te wezen,—of beter gezegd, om ons aangenaam te maken in de +oogen onzer naaste betrekkingen. + +„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld +zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig +maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een +degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk +te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen +om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit +of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug +en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleêren veel van +een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen +van de gratiën uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen +is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het +noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die +degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar +eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig +om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar +eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een +talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die +den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en +modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny +over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als dominé's voor een +geestelijke rechtbank moeten verhoord worden. + +„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde +gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg +moet zijn, om er niet te spreken over 't geen voor een ander +onaangenaam is. + +„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van +oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen, +om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename +dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie +je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje +op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er +toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een +tooverheks meê! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke +oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je +lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen +man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs +van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus +spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste +Française die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt, +wat u hinderen kan. + +„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van +vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkaêr in 't vaarwater kan +zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden +en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om +wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar +ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat +het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke +vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de +vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maar de vrijheden zelven +maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger. + +„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte +om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst zeî, +verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die +de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig +kwetsen. + +„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en +gegriefd, die te bloô of te bang is, om er over te klagen. En wat voor +nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor +zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een +heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring +alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan, +dan menig kleine vos in staat is te doen. + +„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang +van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het +eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden, +als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de +gewoonte van sommige mannen, om altijd weêr plompweg te vitten op 't +geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk. +Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit +des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een +gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht +voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden +al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en +voor haar fatsoen, hij moest die soort van zaken geheel in privé +behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een +kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst +en gesmeerd wordt. + +„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet, +maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een +verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het +aanbieden van goeden raad. + +„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in +gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou +verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten +der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden +dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle +idées en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen +sympathiseeren. + +„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard, +stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't +niet mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met +vrede gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er +een vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen +en aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens +zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft _hij_ je? Dat wist ik +niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen geweest? Wat heb je +gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er meê doen?”—„Dat is, +dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets te doen. Ik zou het +heel anders doen.”—„Begrijp eens, Marie! Saartje wil van den zomer een +zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te duur is—jij ook niet?” + +„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot +de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig +of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons +huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer +door worden. + +„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons +wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door +ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is, +waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven, +mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen +vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die +er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene +of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het +stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste +dingen, die ik ken. + +„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van +raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen. + +„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en +uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene +niet? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet gedaan?”—„_Ik_ +zou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen en al dat vitten +en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, dat het dikwijls +moeielijk valt, er geen acht op te geven. + +„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief en nog zoo +goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden +leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het +daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel +zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen +zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen +kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere +bescheidenheid weêrhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te +vragen en te vitten en raad te geven. + +„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee +zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te +matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn +opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven +zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze +eigenaardigheden opdringen. + +„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een +vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp +geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste +waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander +zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en +laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een +ander meê te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit +in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt +gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en +zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede +laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant, +waar een geest van gezelligheid en eenigheid heerscht, die ons in alles +bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wél gezind ze +zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken. + +„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van +onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit +zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik +zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en +gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het +oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk +beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog +wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik +weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar +overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't +geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het +hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten +geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig +hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.” + + + + +ONVOLDAANHEID. + + + + +VII. + +ONVOLDAANHEID. + + +Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat +zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen +jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hem + + ONVOLDAANHEID. + +En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit +vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever +begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde +gebrek. + +Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld +heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te +bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en +ziekelijke voorstelling van het doel zelf. + +Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste +stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem +voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu +geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano +overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd +moet worden, van zoo iemand zult ge zeggen, dat hij aan volslagen +monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan +dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt. + +Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer +levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid +onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt. + +Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ééne, die de +geleerden _idealiteit_ noemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen +ik _onvoldaanheid_ genoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat +er iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre +dan ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt +ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat, +waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren +van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of +iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun +levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit +gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit +kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat. +Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt +hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en +beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en +denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij +zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de +wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te +jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij +het naderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het +Christendom en de taak van den Christen. + +Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de +gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol +onkruid. + +„Wraak,” zegt Lord Bacon, „is een soort van woeste rechtvaardigheid, +koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid +overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in +'t huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar +overdrijving. + +Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets +beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een +ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en +ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif. + +Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar +maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen +idealiteit en 't gemis daarvan. + +'t Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, die Daytons: +gastvrij, welwillend en vriendelijk. + +Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk +gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden zóó tamelijk, en—op +dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft. + +Mevrouw Dayton is een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar +niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies +gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop +een keurige huisvrouw gesteld is. + +Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature; zij tracht alleen +goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij +ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of +buitengewoons, maar is er altijd tevreden meê, zoo als 't met hen +uitvalt. + +Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van +zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't +huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen +zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit +genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk, +dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat +de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt, +en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de +wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo +onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn. + +Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn +zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt +nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit +gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij +halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor +een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De +dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk +onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en +bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele +familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingen met +elkaêr een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch +of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als +menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste +stukken. + +Zoo zijn de Daytons; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al +dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te +verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme +tevredenheid, die u daar omgeeft. + +Vlak tegenover de Daytons wonen de Mores, en de Mores zijn juist het +tegenovergestelde van de Daytons. + +Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier +met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen +sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd +vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als +'t volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin +iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel +is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort +voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze +ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk +geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de +wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets +gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de +uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen +inderdaad verwonderlijk. + +Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun +geen tiende van de voldoening, die de Daytons van hun halfbakken werk en +hun knoeisels hebben. + +De beide dochters, Jeanne en Maria, hadden een lieve stem, en, toen +zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de +beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten +gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en +ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen, +dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden +smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in één woord, nadat deze +familie Jenny Lind, Grisi, Alboni, Mario en anderen gehoord heeft, is er +tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, die _zij_ kan maken, is toch +niet de moeite waard. + +Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang +bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt +voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren +in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden +teekenen zoo als Signor Pottilodini, als er kans voor haar was, 't ooit +tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet meê +zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten, +dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar +zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets +meer aan te doen. + +Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op. +Indien zij zoo'n mooie hand hadden als Charlotte Cushman,—indien er +niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en +vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen +schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort +van dingen vinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of +overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten. +Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met +een beetje oefening er nog verder in brengen. + +Mevrouw More vergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar +keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met +verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk +verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu, +dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte +dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser +kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet +kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en +zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar +maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij +vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en +zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar +ge moest de soep eens in zeker hôtel te Parijs geproefd hebben, en de +puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als +ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik +heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame +vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar +in haar gansche, schijnbaar zóó goed geordende huishouding, genoeg +naar haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen: „'t Moet +er nu maar meê door!” „Och, laat maar staan!” lispelt ze met bitteren +weemoed, als een ongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om +'t een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo +blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.” + +De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer +overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en +vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare +eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen +ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van +onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend, +want ieder heeft zijn snaren zóó hoog gespannen, dat de een voor den +ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn +altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander +zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander +spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe +geoefend van oordeel ze zijn. + +Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun +overburen behooren neêr te zien, daar deze in een heidenschen toestand +van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk +dat de elegante zoon des huizes Johan zeer dikwijls ter sluiks naar de +Daytons overwipt, om er een avondje door te brengen en bij die oude +rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met hen te zingen, +waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis. Lize Dayton heeft +een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is een aardige +meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar zoo aan de +piano zit en allen dapper meê aanheffen, dan begint Johan te denken, +dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een aria +voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven raadsels +op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en pleizierig +toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en plaats en +omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar onwetendheid +zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig te zijn”. + +Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met de Daytons op +heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij de Daytons aan +huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo +beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden +ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met +hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine +attenties van Willem Dayton, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar +aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag +lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg +is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem +komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden, +waarmeê mevrouw More en de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog +verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt +nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond +verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van +menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde +en geleerdheid, er nog altijd vóór ligt en nog altijd philosopheert over +de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige, +alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een +strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappe Mores zich om +den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo +als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de +droomerijen der idealiteit. + +Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen +kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we +vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan de Daytons verre boven de +Mores. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen de Mores het van +de Daytons. Een deel van de overdreven zucht naar het ideëele, die wij +bij de Mores aantreffen, zou de Daytons aansporen, veel te verbeteren en +te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar +toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid der Daytons, +zou de begaafdheden der Mores vruchtbaarder voor de practijk maken en +hun eigen geluk bevorderen. + +Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in, +evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar +wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't +vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste +idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen +als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals +'t gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan +dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van +menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand +als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare en het +onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen. + +'t Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst +of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een +kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ééne soort van +zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven +en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of +in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de +tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen +is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij +weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen +zeggen: nu kan het niet beter! + +Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere +volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden +belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en +dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en +den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe +'t een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden +dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare, +terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden. + +Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een +compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en +velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen, +tevreden te zijn, als de dingen maar _half_ zoo goed gedaan worden als +ik het zou wenschen,” luidde zijn antwoord, en hetzelfde zou men met +vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den +huiselijken kring. + +'t Is een gewone manier van zeggen, dat _die_ en _die_ menschen zijn, +die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes” +was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte. + +Zijn het nu _vrouwen_ en aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden, +dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken; +want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles +en alles „in de puntjes” kán wezen. + +Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan +daarover voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken +alleraardigste tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden, +waar boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid +precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en +elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij +benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't +ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld. + +Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er +zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal +overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theoriën omtrent +levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te +zitten en al die theoriën en idealen te zien verdwijnen voor den drang +der omstandigheden. + +Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij +bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten +en bemesten. Wij lezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat +het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en +perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de +keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een +herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de +kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en +hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel. + +De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er +mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid +en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo +duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er +zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten +altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter. + +'t Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de +spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te +hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die +het minst eischen en verwachten. + +De zucht naar het ideële ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte +van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij +in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is. +Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons +tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is +er natuurlijk maar één antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die +zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in +de war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig. + +Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan +'t hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van +aard en moeielijk van humeur zijn, geen vrede en harmonie stichten. Dat +is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in +den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen, +overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd +ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij +staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan +zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en +hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten +beoordeelen zij zich volgens een ideëelen maatstaf en bemerken, dat zij +ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt +ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor +hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt +houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden +over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben +zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich +zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen +ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen +onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van +anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarmeê het Christendom +verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er +zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door +de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel +tegenzin hebben. + +Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen +karakter en een groote zucht naar het ideëele hebben, deze +eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch, +zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar +deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo +ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is +de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige +geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideëele. De christelijke +godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend +ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave van _rust_ heeft +willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die +alle wantrouwen buiten sluit, _rust_ aan allen zonder onderscheid, onder +alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften +en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht: +„Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal U +RUST geven.” + +'t Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke +belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken +anderen verre te boven gaat, en in dat ééne woord het doel van ons leven +voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.” + +Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan +eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet +jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een +hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld +niet in staat is dit raadsel op te lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn +juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der +eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken. + +Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet +tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn +onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid +kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar +behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een +weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die +zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit +met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en +de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden, +met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan +pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog +altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene +toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan. + +Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat +God in den mensch niet een éénige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in +die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dàt geeft rust aan 't +gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling +afwachten, die eindelijk zeker zal komen. + +Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond +verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen +tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen. + +Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in den weelderigsten overvloed +op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar +prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor +anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die +er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen, +en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning +betrekken. Daar zat ze in dat ééne vertrek, dat voor huiskamer, +slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den +vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor +zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en +toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een +aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier +te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning +opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of +drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren +van haar man en de kleêren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo +netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren +kring bewogen had. + +Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te +schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en +opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den +godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig +slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van +werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar +rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft +zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leeren wennen, even als +een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te +dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag +onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het +eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent. + +Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft +potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen +van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen +japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had +het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het +verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine +in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarmeê zij +eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij +gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren, +terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister +doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht +aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven, +die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen +en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven +beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't +verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede +met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt +haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar. + +Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter +leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten +wij ook op dit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen. + +Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben: +dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn +opgestaan, is Fénelon de eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij +zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb +geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften +herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons +zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben. +Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen, +'t opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het +niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven +staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te +streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen +met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van +honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven +hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen +een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op +den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij +zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet +verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je +moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg +dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te +bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te +falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan; erkent dan ook, dat het +dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doet ons vaak +meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek. + +Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op +een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden +waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is +en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te +zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar +in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft +en niet meer dan één meid kan houden, waardeer ik het als een soort van +zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te +beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een +deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te +gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij +haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig, +als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker +zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat +al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit +de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort +te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig +en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en +gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar +een éénig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een +zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is +zóó iets te zien. + +Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet +sparen kan, door nauwkeurig te berekenen, hoeveel er onder zekere +omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht +genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd +worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust +achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen +verrichten. + +Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor +goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet +beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen, +als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet? +Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht +geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en +stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven +waarlijk niet beter of gezonder maakten. + +De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld +van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen, +zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men +zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven +van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee +en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en +dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als +voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en +nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw +nooit afgedaan is. + +Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet +besparen, als wij er nooit een kant meê opgingen, die meer van ons +vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat. + +Er is één vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen +tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woord +_garneersel_. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende, +tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste +jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet +gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er +in vergelijking niets bij is. Een japon kan in één dag gemaakt worden, +maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een +knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al +dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer +vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te +komen, is—ze links te laten liggen. + +Mrs Kirkland vertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij +een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze +haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes +veel te groot was. Na lang probeeren en weêr probeeren en na er veel +verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een +bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige meubel +meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er nergens +plaats voor is, dan is er geen plaats voor.” + +De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou +menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt, +om gemak en gerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten +de deur had moeten zetten. + +Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder +de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur +kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en +zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met +dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij +verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak +door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte +genoeg in het blokhuis. + +Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar +tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder +die dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander zóó +slecht doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij +tot het ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner +kinderen is het eenige, wat ik goed _kan_ doen en daarop _alleen_ zal +ik mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een +sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een +werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij +kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen. + +Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger +gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat +God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht +was. + +Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit +te staren. Men zou denken, dat het gezond verstand ons zou leeren, dat +gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat +achter hem ligt niet vergeten. + +„Was dàt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of +zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt, +ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te +denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van +geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te +zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind. + +'t Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel: +„vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vóór is.” De +idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een +afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt +dan deze: „Deed ik niet, wat ik _toen_ voor het beste hield?” + +De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets +gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar +Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht +hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem, +moeten wij ons tevreden stellen. + + * * * * * + +Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te +voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor +te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde +zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn +vrouw aan 't breien van een rok met keurige schulpjes en figuren,—een +van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw +haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog +vóór October klaar te krijgen. + +Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan +den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen: + + De preek was gedaan en de preêker zei: Amen! + Maar net als voorheen ging de snoek weêr op buit. + Kroop de aal weêr in 't slijk en de kreeft achteruit: + Ze vonden 't verrukkelijk en riepen te zamen: + Hoe mooi was de preek en hoe keurig van pas! + Maar——lieten de zaak net precies als ze was. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + Inleiding 1 + + I. Vitachtigheid 9 + + II. Prikkelbaarheid 37 + + III. Terughouding 65 + + IV. Hoofdigheid 95 + + V. Onverdraagzaamheid 127 + + VI. Onwellevendheid 157 + + VII. Onvoldaanheid 181 + + + + + +----------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) — Correctie (C:) | + | | + | B: wel wat onderhoudend's noodig.” | + | C: wel wat onderhoudends noodig.” | + | B: hebben jonge druifjes._” | + | C: hebben jonge druifjes._”” | + | B: hem onder één dak wonen.” | + | C: hem onder één dak wonen.”” | + | B: Nu dan, _bijna_ altijd.” | + | C: „Nu dan, _bijna_ altijd.” | + | B: of: „Lieve 't zal maar | + | C: of: „Lieve! 't zal maar | + | B: zoo laten bevingeren; „Lieve! | + | C: zoo laten bevingeren;” „Lieve! | + | B: huiselijk geluk_ Neen! liever | + | C: huiselijk geluk_. Neen! liever | + | B: jaar oud wordt, nog wel eens | + | C: jaar oud word, nog wel eens | + | B: grillen haar eischen, haar pruilen, | + | C: grillen, haar eischen, haar pruilen. | + | B: onverschilligheid aan, als haar klachten | + | C: onverschilligheid aan als haar klachten, | + | B: grieven te luisteren Zijne vrouw | + | C: grieven te luisteren. Zijne vrouw | + | B: courant te zetten dan is het | + | C: courant te zetten, dan is het | + | B: juist op het oogenblk waarop | + | C: juist op het oogenblik waarop | + | B: neêrgebogen met de ootmoedigde belijdenis, | + | C: neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis, | + | B: er niet mêe gaat zoo als | + | C: er niet meê gaat zoo als | + | B: dien geest maakte Fénélon den | + | C: dien geest maakte Fénelon den | + | B: zeide ik, ik wou wel dat je | + | C: zeide ik, „ik wou wel dat je | + | B: een ondragelijke ombeschaamdheid. Ik | + | C: een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik | + | B: „Ja, zeg ik, duur,—want zij | + | C: „Ja,” zeg ik, „duur,—want zij | + | B: En wat jou betreft, poesje!” | + | C: „En wat jou betreft, poesje!” | + | B: in orde—en veronschuldigde | + | C: in orde—en verontschuldigde | + | B: maar niet, „zeide zij, toen | + | C: maar niet,” zeide zij, toen | + | B: heet. | + | C: heet.” | + | B: menschen, meer den uit eenige andere, | + | C: menschen, meer dan uit eenige andere, | + | B: tegen God te spreken. Het hard | + | C: tegen God te spreken. Het hart | + | B: dingen uit: Wij hebben nagelaten, | + | C: dingen uit: „Wij hebben nagelaten, | + | B: twee-en zestiger lijken kan: | + | C: twee-en-zestiger lijken kan: | + | B: en gezegd had. „Johan! dit is | + | C: en gezegd had: „Johan! dit is | + | B: doen wat ik gezegd heb.” | + | C: doen wat ik gezegd heb.”” | + | B: met de valburg hoog opgehaald | + | C: met de valbrug hoog opgehaald | + | B: Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. Zou | + | C: „Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou | + | B: ze is over t' een of ander, | + | C: ze is over 't een of ander, | + | B: hernam Emilie, somtijds kan ik | + | C: hernam Emilie, „somtijds kan ik | + | B: „Jansje! wat scheelt er aan?” | + | C: „„Jansje! wat scheelt er aan?” | + | B: „Och, Ma! ik heb een vreeselijke | + | C: „„Och, Ma! ik heb een vreeselijke | + | B: „Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk | + | C: „„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk | + | B: „Zoo leef _ik_ er altijd | + | C: „„Zoo leef _ik_ er altijd | + | B: veel beweging van te maken.” | + | C: veel beweging van te maken.”” | + | B: wie ze betoont worden, | + | C: wie ze betoond worden, | + | B: een kinderachtig prnilen, waarbij ze | + | C: een kinderachtig pruilen, waarbij ze | + | B: licht,—die zich voor alles | + | C: ligt,—die zich voor alles | + | B: een dwaasheid. te denken, dat | + | C: een dwaasheid te denken, dat | + | B: bepaalden smaak en en zijn | + | C: bepaalden smaak en zijn | + | B: voor de ramen zien staan. | + | C: voor de ramen zien staan.” | + | B: er mij nooit mêê vereenigen, | + | C: er mij nooit meê vereenigen, | + | B: olijven: ik heb wel wel eens gehoord, dat | + | C: olijven: ik heb wel eens gehoord, dat | + | B: altijd mijn zin doen,” | + | C: altijd mijn zin doen.” | + | B: mij boos te maken.” zegt Hero. | + | C: mij boos te maken,” zegt Hero. | + | B: „Nu kan een gesprek van dien | + | C: Nu kan een gesprek van dien | + | B: je zult de sla altijd zóo | + | C: je zult de sla altijd zóó | + | B: ongelukkig de man. die een vrouw heeft, | + | C: ongelukkig de man, die een vrouw heeft, | + | B: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje, dat | + | C: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat | + | B: aan het goddelijk echt van den man | + | C: aan het goddelijk recht van den man | + | B: van een paard word gesproken. Shirley | + | C: van een paard wordt gesproken. Shirley | + | B: En zij antwoord; | + | C: En zij antwoordt: | + | B: als hij zich besturen laat, | + | C: als hij zich besturen laat. | + | B: onzer menschelijke natuur | + | C: onzer menschelijke natuur. | + | B: Mevrouw Perfect; het staat leelijk | + | C: Mevrouw Perfect; „het staat leelijk | + | B: het geweld van haar voorbeeld em | + | C: het geweld van haar voorbeeld en | + | B: grieksche accenten en verbuigingen. | + | C: Grieksche accenten en verbuigingen. | + | B: Laat hem daar staan, Wie weet, hoeveel | + | C: Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel | + | B: inkomen Maar geen wonder dan | + | C: inkomen. Maar geen wonder dan | + | B: latijnsche school gaan, of | + | C: Latijnsche school gaan, of | + | B: ἀφύη, ὲτησίαι en | + | C: ἀφύη, ἐτησίαι en | + | B: χλουνης in den genitivus | + | C: χλούνης in den genitivus | + | B: kracht. verlamt. De schrijvers | + | C: kracht verlamt. De schrijvers | + | B: evenmin kan opvolgen. als een | + | C: evenmin kan opvolgen, als een | + | B: der zon door de evenachtslijn, | + | C: der zon door de evennachtslijn, | + | B: onplezierig kunnen zijn. dan, dunkt mij, | + | C: onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, | + | B: Haar achteruitgang tegengaan. | + | C: Haar achteruitgang tegengaan.” | + | B: waarop 't gebeurde, er wezeniijk | + | C: waarop 't gebeurde, er wezenlijk | + | B: kan een fransch werk lezen, | + | C: kan een Fransch werk lezen, | + | B: wij op de fransche comedies mogen | + | C: wij op de Fransche comedies mogen | + | B: ronde woorden, waarmêe wij iemand | + | C: ronde woorden, waarmeê wij iemand | + | B: was: 't huis moet een vrouw | + | C: was: t'huis moet een vrouw | + | B: zien?—mijn brief is van Die-en-Die.—Schrijft | + | C: zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft | + | B: heel anders doen,”—„Begrijp eens, | + | C: heel anders doen.”—„Begrijp eens, | + | B: niet?” Waarom heb je dat | + | C: niet? Waarom heb je dat | + | B: zegt Lord Bacon, is een soort van | + | C: zegt Lord Bacon, „is een soort van | + | B: behalve een volmaakte keukenmeid. „Gij | + | C: behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij | + | B: zucht van te zeggen: 't Moet er nu | + | C: zucht van te zeggen: „'t Moet er nu | + | B: laat maar staan! lispelt ze met | + | C: laat maar staan!” lispelt ze met | + | B: Johan zeer dilwijls ter sluiks | + | C: Johan zeer dikwijls ter sluiks | + | B: moeielijk van humeur zijn. geen vrede en | + | C: moeielijk van humeur zijn, geen vrede en | + | B: opgestaan, is Fenelon de eenige, die de | + | C: opgestaan, is Fénelon de eenige, die de | + | B: van ons bestaan; enkent dan ook, dat | + | C: van ons bestaan; erkent dan ook, dat | + | B: IV. Hoofdigheid 93 | + | C: IV. Hoofdigheid 95 | + | | + +----------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De kleine vossen, by +Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN *** + +***** This file should be named 39008-0.txt or 39008-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/0/39008/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/39008-0.zip b/39008-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1872575 --- /dev/null +++ b/39008-0.zip diff --git a/39008-h.zip b/39008-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..558a210 --- /dev/null +++ b/39008-h.zip diff --git a/39008-h/39008-h.htm b/39008-h/39008-h.htm new file mode 100644 index 0000000..77300c7 --- /dev/null +++ b/39008-h/39008-h.htm @@ -0,0 +1,6220 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + + <title> + De kleine vossen, by Harriet Beecher Stowe—A Project Gutenberg eBook. + </title> + <style type="text/css"> + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; + font-size: 115%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 2em; + font-weight: normal; font-size: 115%;} +h2.h2inh {text-align: center; text-indent: 0em; font-weight: normal; + letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 115%;} + +p {text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 0.5em; margin-bottom: 0.5em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.intro {margin-top: 5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; text-indent: 0em; + letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-size: 115%;} +p.vosnr {margin-top: 5em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em; + font-weight: normal; font-size: 115%;} +p.voskop {margin-top: 1em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; text-indent: 0em; + letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; + font-weight: normal; font-size: 115%;} +span.vos {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + display: block; text-align: center; font-size: 75%;} +p.afschrift {margin-left: 40%; font-size: 67%; text-indent: 0;} + +div.title {margin-top: 5em; margin-bottom: 1em; text-align: center;} +div.lijntjes {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; margin-left: auto; margin-right: auto; + border-top: 1px solid black; border-bottom: 1px solid black; + width: 10em;} +div.inhoud {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} + +/* TB */ +hr {width: 20%; clear: both; border: 1px solid black; + margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.tb {border-style: none;} +hr.hrtp {width: 20%; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +hr.fnsep {width: 15%; text-align: left; + margin-top: 0.5em; margin-bottom: 1em; margin-left: 0; margin-right: 0;} +hr.chend {width: 20%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} +hr.chbegin {width: 15%; margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em;} +td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} +td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + +/* ALIGN */ +.right {text-align: right;} +.ri1 {padding-right: 1em;} +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.smcap {font-size: 75%;} +.mixcap {font-variant: small-caps;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + +/* LISTS */ +ol {margin-left: 6em; text-indent: 0em; text-align: left; font-size: 75%;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +.figcenter {margin-top: 5em; margin-bottom: 5em; margin-left: auto; margin-right: auto; + text-align: center;} + +/* FOOTNOTES */ +.footnote {margin-left: 0; margin-right: 0; font-size: 85%; text-align: justify; } +.footnote .label {padding-right: 1.5em; text-decoration: none;} +.fnanchor {text-decoration: none; margin-left: 0.1em;} + +/* POETRY */ +.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 85%; text-align: left;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} +.poem div.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;} +.poem div.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;} + +.size67 {font-size: 67%;} +.size90 {font-size: 90%;} +.size115 {font-size: 115%;} +.size133 {font-size: 133%;} +.size275 {font-size: 275%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {border: 1px solid; padding: 1em; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + +@media screen +{ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em;} + .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; background-color: #dddddd;} + img.cap {float: left; margin: -1em 0.5em 0 0; position: relative;} + p.drop {text-indent: 0em;} + p.drop:first-letter {color: Window; visibility: hidden; margin-left: -1em;} + ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +} + +@media print +{ p {margin: 0;} + .pagenum {display: none;} + ins {border: none;} + img.cap {float: left; margin: -1em 0.5em 0 0; position: relative;} + p.drop {text-indent: 0em;} + p.drop:first-letter {color: Window; visibility: hidden; margin-left: -1em;} + ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +} + +@media handheld +{ body {margin-left: 2%; margin-right: 2%;} + p {margin-top: .2em; margin-bottom: .2em;} + .pagenum {display: none;} + img.cap {display: none;} + p.drop {text-indent: 1em;} + p.drop:first-letter {color: WindowText; visibility: visible; margin-left: 0;} + ins.corr2 {border: none; text-decoration: none;} +} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's De kleine vossen, by Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De kleine vossen + +Author: Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +Release Date: February 28, 2012 [EBook #39008] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. + De voetnoot is naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br /> + Variaties in spelling (met/zonder circumflex, met/zonder eind-<i>n</i>, met/zonder koppelteken) zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 380px;"> +<a href="images/rug.jpg"><img src="images/rug-th.jpg" width="60" height="473" + title="Klik voor vergroting (1441134px, 41Kb)" alt="" /></a><a + href="images/cover.jpg"><img src="images/cover-th.jpg" width="320" height="473" + title="Klik voor vergroting (7681134px, 212Kb)" alt="" /></a> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"> </span><a id="p_i"></a></p> + +<h1>DE KLEINE VOSSEN.</h1> + +<p><span class="pagenum" title="ii"> </span><a id="p_ii"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="iii"><br /> </span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <p class="tp mixcap size133">Mevr. H. BEECHER STOWE</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp size275">DE KLEINE VOSSEN</p> + + <div class="lijntjes"> + <p class="tp size90">ZEVENDE DRUK</p> + </div> + + <div class="figcenter" style="width: 130px;"> + <img src="images/drukkersmerk.jpg" width="130" height="139" + title="ANNO 1863 Waeksaem In Thyme's Eedel Cruyt" + alt="drukkersmerk W.J. Thieme & Cie, Zutphen" /> + </div> + + <p class="tp size115">ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.</p> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iv"> </span><a id="p_iv"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="1"><br /> </span><a id="p_1"></a></p> + +<h2><a id="INLEIDING"></a>INLEIDING.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="2"> </span><a id="p_2"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="3"><br /> </span><a id="p_3"></a></p> + +<p class="intro">INLEIDING.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>„Wel, papa! wat denkt u van den winter in onze avondvoorlezingen te +behandelen?” vroeg Jenny mij.</p> + +<p>„Ik denk er half en half over,” gaf ik haar ten antwoord, „eene reeks +van huiselijke preeken te houden over een heel zonderlingen tekst, dien +ik op den zolder in de kist met oude boeken, boven een preek heb zien +staan.”</p> + +<p>„Alsjeblieft geen preeken, papa!—dat klinkt zoo vervelend; +en met de winteravonden hebben wij wel wat +<ins class="corr" id="corr1" title="Bron: onderhoudend's">onderhoudends</ins> noodig.”</p> + +<p>„Welnu,” zeide ik, „noem ze dan maar redevoeringen of voorlezingen of +verhandelingen of schetsen; ik zie zoo niet op de woorden.”</p> + +<p>„Maar wat is dan die wonderlijke tekst, dien u in de boekenkist gevonden +hebt?”</p> + +<p>„Er werd eens over gepreekt door den bet-overgrootvader van je moeder, +den welsprekenden en hooggeachten <span xml:lang="en">Simon Shutleworth</span>, „bij de gelegenheid +van de treurige verdeeldheden onder de vromen in de stad <span xml:lang="en">West Dofield</span>.” +De tekst staat in 't Hooglied, hoofdstuk II vers 15: „<i>Vangt gijlieden +ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze +wijngaarden hebben jonge druifjes.</i>”<ins class="corr" id="corr2" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Dat is al een heel kluchtige tekst, en ik kan niet begrijpen, wat u +daarvan zult maken.”</p> + +<p>„Eenvoudig eenige voorlezingen over Kleine Vossen,” <span class="pagenum" title="4"> </span><a id="p_4"></a>zeide ik, „waarme +ik die onbeduidende, weinig getelde, <i>kleine</i> dingen bedoel, die aan ons +huiselijk geluk knagen en de reden zijn dat onze huiselijke kring niet +is wat hij wezen moet. Laat men mooie, goedingerichte prachtige huizen +bouwen; laat men de muren met keurige schilderijen, met kunstjuweeltjes +versieren; laten er tusschen die wanden menschen bij elkander wonen, die +door banden des bloeds en der liefde verbonden zijn en dezelfde belangen +hebben; stel u voor dat het allen goede en edele menschen zijn, en dat +er liefde en godsvrucht onder hen heerschen;—toch maken enkele van die +kleine vossen, waarover ik spreken wil, dat in zulk een veelbelovenden +wijngaard de helft van de trossen (zooals ik 't huiselijk geluk zou +noemen) niet rijp wordt. Wij zien dikwijls menschen samenwonen, die, +ten volle bereid, indien 't noodig is, voor elkander te sterven, toch +niet in staat zijn gelukkig met elkander te leven, althans die lang zoo +gelukkig niet zijn, als men uit hunne gunstige omstandigheden opmaken en +van hunne voortreffelijke karakters verwachten zou.</p> + +<p>„'t Komt in 't algemeen daar van daan, dat wij aan onzen huiselijken +haard niet alleen het meest toegeven aan ons gevoel, maar ook in al +ons doen geheel ongedwongen zijn; de huiselijke kring is het nglig +des levens, onze achterkamer, ons kleedkabinetje, waar wij menig +dagelijksch, halfsleten pakje achterlaten, als wij naar buiten gaan, +om dr vrij wat meer op ons doen en laten te letten. Vandaar is het +bekende spreekwoord ontstaan: „Niemand is een held in de oogen van zijn +kamerdienaar,” en van daar ook de gewone waarschuwing: „wenscht gij uw +vriend te behouden, ga dan niet met hem onder n dak wonen.”<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p><span class="pagenum" title="5"> </span><a id="p_5"></a></p> + +<p>„Dat is met andere woorden gezegd:” bracht mijne vrouw in het midden, +„wij zijn allen gebrekkig en onvolmaakt: hoe meer wij met iemand +in aanraking komen, des te meer gebreken merken wij in hem op. De +karakters, die de proef van den dagelijkschen omgang kunnen doorstaan, +zijn even zeldzaam als een klaveren-vier in een weide. Wie ons niet +hinderen en kwellen door werkelijke gebreken, zijn doorgaans zoo flauw +en zoo onbeduidend, dat ze ons vervelen. Iemand van een gelijkmatig, +krachtig, scherpgeteekend karakter, die zich in alles meester is en +niets overdrijft,—waarlijk, z iemand aan te treffen, is wel het +laatste dat ge in de wereld vinden zult.”</p> + +<p>„Ik wilde maar zeggen,” hernam ik, „terwijl men zich in het huiselijk +leven geheel zoo voordoet als men werkelijk is, terwijl daarin weinig +van die slagboomen en sluiers zijn, waardoor de menschen in het openbare +leven verhinderd worden, elkanders gebreken te zien en op elkander te +hakken en te vitten—is het toch vreemd, dat men dit huiselijk leven +doorgaans met minder nadenken en overleg begint en voortzet, dan ieder +bij de meeste andere dingen, die hij ter hand neemt, noodig acht. +Niemand zal een stoomwerktuig gaan maken, zonder vooraf nauwkeurig +onderzocht te hebben, in welke verhouding de verschillende deelen tot +elkander moeten staan, en zonder zich eerst eens af te vragen, of hij +wel kennis en bekwaamheid en vermogen genoeg bezit, om het goed te doen. +Niemand wordt violist, zonder eerst eens te zien, of zijne vingers wel +lang en buigzaam genoeg zijn, om de accoorden te grijpen en mettertijd +wat beters voort te brengen, dan een akelig gezaag en gekras. Wat zouden +wij wel zeggen van iemand, die <span class="pagenum" title="6"> </span><a id="p_6"></a>zonder zich in het minst om het stemmen +van de instrumenten te bekommeren, een heel orchest samenbracht, en +zich dan de haren uit het hoofd trok, om 't mislukken van zijn concert? +Het is de schuld van de instrumenten niet dat zij met elkander zulk +een schel geraas maken; zij kunnen ieder op zich zelf uitstekend en +onberispelijk zijn; maar let men niet op den aard van elk instrument +afzonderlijk, en voegt men ze dan toch bijeen, dan moet het concert wel +in de war loopen. Nog erger zou het zijn, als iemand zoo dom was dat hij +van een instrument iets verlangde, waarvoor het uit den aard der zaak +niet berekend is,—als hij van de flageolet een solo voor den contre-bas +verwachtte, en de bazuin hard viel, omdat zij niet zoo vlug en zoo rijk +aan toonen is, als de viool.</p> + +<p>„En toch is menigeen niet dikwijls even dwaas bij 't opzetten van een +huishouding? Een jongeling en een meisje verbinden zich met elkander, +aangetrokken door zekere geestverwantschap, door eenige overeenstemming +van karakters waaruit wederkeerige toegenegenheid ontstaan is. Men +loopt er in den regel zeer los over heen om te onderzoeken, wie en +wat zij zijn.—Men denkt niet aan den wederkeerigen invloed dien de +beide karakters op elkander zullen oefenen—men beproeft en stemt +de instrumenten niet vooraf, die eene levenslange harmonie of eene +levenslange disharmonie zullen voortbrengen,—en na den korten tijd van +het engagement, waarin hunne onderlinge betrekking zoo verschillend +mogelijk gemaakt wordt van hetgeen zij later na hun huwelijk zal zijn, +meubeleeren deze twee een huis en gaan ze te zamen wonen. Tien tegen +een, dat de huiselijke haard terstond beschouwd wordt als een geschikt +toevluchtsoord voor <span class="pagenum" title="7"> </span><a id="p_7"></a>wederzijdsche betrekkingen en vrienden die ook +al tot het huiselijk concert worden toegelaten, zonder eenigszins in +aanmerking te nemen wat naar alle waarschijnlijkheid de invloed van +het eene karakter op het andere zal zijn, en of al die instrumenten wel +harmonieeren zullen. Dan komen er kinderen, waarvan ieder een wezen, een +wil, een macht -part in 't gezin is; en zoo ontstaat er, met de lagere +machten van dienstboden en onderhoorigen, een huishouden. Waarlijk, +'t is geen wonder, als al deze toevallig bijeengebrachte instrumenten +tegelijk zich laten hooren, dat er nu en dan wel zoo veel disharmonie +als harmonie ontstaat. Want al harmonieeren de man en de vrouw, +misschien komen er wanklanken door schoonmoeder of schoonzuster, terwijl +bovendien met ieder kind, dat een scherpgeteekend karakter heeft, het +gevaar, dat het concert in de war loopt gedurig nog toeneemt. En toch, +al geven wij dit alles toe, toch is er niets op de wereld, dat ons +hooger en zuiverder geluk kan doen genieten, dan het huiselijk leven. +Evenwel, door veredeling en zorg zou het nog veel gelukkiger kunnen +worden. Wel kunt ge goede peren krijgen, eenvoudig door een pit in +den grond te stekken, al laat ge den boom die er uit voorkomt jaren +lang aan zijn lot over; maar fijner en lekkerder zijn ze toch, als de +tuinman den boom zorgvuldig heeft gekweekt en bemest en gesnoeid. Wilde +wijnstokken hebben wel eens overvloedig gedragen en heel lekkere druiven +voortgebracht; maar toen onze vriend Dr. <span xml:lang="en">Grant</span> zich met der woon te Iona +nergezet had, wist hij door het bestudeeren van de wetten der natuur de +oude soorten z te veredelen, dat hij er geheel nieuwe en veel geuriger +uit trok. Zoo zou het ook ons gaan, wanneer <span class="pagenum" title="8"> </span><a id="p_8"></a>al de kleine vossen, die +den wijnstok en den vijgenboom van ons huiselijk leven verderven, +verjaagd en gedood werden: wij zouden er veel heerlijker trossen en +vruchten van inoogsten.”</p> + +<p>„Maar papa!” zei Jenny, „om tot de vossen te komen: zeg ons nu eens, wat +zij zijn.”</p> + +<p>„Wel, zoo als de tekst zegt, het zijn <i>kleine</i> vossen, de +lievelingsbeestjes van sommige menschen, kleine diertjes, waarvan men +geen kwaad vreest,—over het geheel beestjes, waarvan de menschen +denken, dat zij wezenlijk wel wat goeds kunnen doen, maar in allen +gevalle niet veel kwaads zullen uitrichten. En daar Noach de reine +dieren bij zeven paren in de ark bracht, zal ik mij ook maar tot het +heilige zevental bepalen. Ik noem mijn zeven kleine vossen:</p> + +<ol> + <li><a href="#VITACHTIGHEID">VITACHTIGHEID.</a></li> + + <li><a href="#PRIKKELBAARHEID">PRIKKELBAARHEID.</a></li> + + <li><a href="#TERUGHOUDING">TERUGHOUDING.</a></li> + + <li><a href="#HOOFDIGHEID">HOOFDIGHEID.</a></li> + + <li><a href="#ONVERDRAAGZAAMHEID">ONVERDRAAGZAAMHEID.</a></li> + + <li><a href="#ONWELLEVENDHEID">ONWELLEVENDHEID.</a></li> + + <li><a href="#ONVOLDAANHEID">ONVOLDAANHEID.</a></li> +</ol> + +<p>„En hier hebt gij nu,” zeide ik, terwijl ik mijne preek in handen +nam, „wat ik over den eersten kleinen vos te zeggen heb.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="9"> </span><a id="p_9"></a></p> + +<h2><a id="VITACHTIGHEID"></a>VITACHTIGHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="10"> </span><a id="p_10"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="11"><br /> </span><a id="p_11"></a></p> + +<p class="vosnr">I.</p> + +<p class="voskop">VITACHTIGHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>Een alleraardigst diertje, dat vele menschen onverhinderd in hunne +huiselijke wijngaarden laten rondloopen, vast overtuigd, dat het den +groei der druiven bevordert en een uitstekend middel is om ze in orde te +houden.</p> + +<p>Nu mag men veilig als een regel stellen, dat niemand het pleizierig +vindt, als een ander iets op hem te vitten heeft, maar dat iedereen zelf +gaarne vit als iets hem niet bevalt.</p> + +<p>Lieve lezer of lezeres! is het niet een wezenlijk genot voor ons, +wanneer wij wat kunnen aanmerken op iemand die ons niet aanstaat, of op +iets, dat ons hindert?</p> + +<p>Dit schijnt bij den eersten opslag een afwijking van den gewonen regel. +Over het algemeen gaat het zoo, dat hetgeen ons een genot is te doen, +ook voor onzen buurman, wien wij het aandoen, een genot is. Het is een +genot, te geven, en het is een genot, te ontvangen. Het is een genot, te +beminnen, en een genot bemind te worden; een genot, te bewonderen, en +een genot, bewonderd te worden. Het is evenzoo een genot, te hekelen, +maar, 't is <i>geen</i> genot, gehekeld te worden. Integendeel, juist zij, +die door de prikkelbaarheid van hun humeur het meest tot hekelen geneigd +zijn, kunnen 't minst van allen verdragen dat ze gehekeld worden:<span class="pagenum" title="12"> </span><a id="p_12"></a> zij +binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op +de schouders der menschen, maar zij willen die met hunne vingeren niet +verroeren.</p> + +<p>Nu bestaat er in dit opzicht eene groote moeilijkheid. Er komen in het +leven dingen voor, die dringend verbetering noodig hebben; om ze te +verbeteren, dient er toch wel over gesproken te worden met hen, die het +aangaat. Dit opent een wijde deur tot vitterij voor anders welgezinde +menschen, en doet hen met een ruim geweten de schuld van alles wat hen +hindert op anderen verhalen. De vader en de moeder van een gezin zijn +vitters <i xml:lang="la">ex officio</i> en moeten al de klachten van ieder, die tot het +gezin behoort ontvangen; ja soms wordt de geheele huiselijke hemel door +den kouden mist van die klaagzucht verdonkerd. Zulke misten brengen aan +den wijngaard veel schade toe, en doen den honigdauw op menigen schoonen +tros vallen.</p> + +<p>Orestes raakt verliefd op Hermione, omdat zij er zoo lief uitziet als +een maneschijntje, zoo etherisch als een zomerwolk. Hij brengt terstond +het gewone stelsel van aanbidding in praktijk, dat aan het huwelijk +altijd vooraf gaat; hij verzekert haar, dat zij te goed voor deze +wereld is, te teer en te schoon voor iets wat gewone menschenkinderen +doen,—dat zij slechts op rozen moest treden, in de wolken zweven,—dat +zij nooit een traan moest storten, nooit eenige vermoeienis kennen of +zich moest inspannen, maar in een heldere, etherische sfeer leven, die +harer alleen waardig is. Dat alles nu wordt haar in het oor gefluisterd +bij wandelingen of spelevaarten in den maneschijn, en zoo dikwijls +herhaald, dat men het haar niet kwalijk kan nemen, als zij eindelijk +begint te gelooven, dat er toch wel iets van aan moet wezen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="13"> </span><a id="p_13"></a></p> + +<p>Nu volgt het huwelijk,—en het blijkt, dat Orestes 't heel precies met +zijn koffie neemt, dat hij erg uit zijn humeur is, als het eten niet +juist op het bepaalde uur klaar staat, en dat geen huiselijke schikking +hem bevalt, als ze niet juist overeenkomt met de gewoonten zijner +waardige moeder, die onlangs in den reuk van heiligheid stierf; ook hij +verlangt, dat zijn huis op ieder uur van den dag in de volmaakste orde +zal zijn. Toch stelt hij niet voor, een knappe huishoudster te nemen; +alles moet gedaan worden door een paar onbehouwen meiden, onder het +oppertoezicht van dat engelachtige wezen, dat slechts op rozen treden, +in wolken zweven en nimmer aardsche zorgen kennen moest! Orestes heeft +het dan ook nooit als een staaltje van den plicht eens echtgenoots +beschouwd, een klein ongerief met stilzwijgen te verdragen. Hij zou +gaarne zijn bloed voor Hermione vergieten,—ja hij heeft dit gedurende +'t engagement, toen natuurlijk niemand dit van hem eischte en het ook +nergens voor zou gediend hebben, meer dan eens in zijne opgewondenheid +verzekerd! Maar op de idyllische kozerijen van toen, volgen er nu +gesprekken, zoo als deze b. v.:</p> + +<p>„Lieve! die thee smaakt naar den rook; kan je Jansje dan niet leeren, +daar beter op te passen?”</p> + +<p>„Lieve! ik heb er mijn best al toe gedaan, maar zij verkiest niet te +doen wat ik haar zeg.”</p> + +<p>„Nu, ik zeg maar, als andere menschen goede thee kunnen drinken, dat wij +het ook wel kunnen.”</p> + +<p>En later aan tafel:</p> + +<p>„Beste! dat vleesch is wer al te gaar; het is ook <i>altijd</i> te gaar.”</p> + +<p>„Niet altijd, lieve! Denk maar eens aan Maandag. Toen heb je zelf +gezegd, dat het net goed was.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="14"> </span><a id="p_14"></a></p> + +<p><ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">„</ins>Nu dan, <i>bijna</i> altijd.”</p> + +<p>„Och lieve! het kwam van daag, omdat ik vr den middag visite gehad heb +en niet naar achteren kon om Bregje een pen op den neus te zetten, zoo +als ik gewoonlijk doe. Het is ook een geduchte last, met zoo'n meid te +moeten sukkelen.”</p> + +<p>„Bij mijn moeder aan huis ging het toch altijd goed: 't kwam er niet op +aan, wat voor een meid zij had.”</p> + +<p>En dan wer:</p> + +<p>„Beste! je moet er de meiden eens wat van zeggen dat zij zoo schandelijk +veel steenkolen verstoken. Ik heb er nooit van gehoord, dat er in zoo'n +klein huishouden als wij hebben, zoo veel door den schoorsteen ging;” +of: „Lieve! hoe is het in de wereld mogelijk, dat je Leentje de courant +laat scheuren?” of: „Lieve<ins class="corr" id="corr5" title="Niet in Bron.">!</ins> 't zal maar het beste zijn, dat ik niet +meer t'huis kom eten, als er geen mogelijkheid op is, dat het eten op +zijn tijd klaar komt;” of: „Beste! je mag wel eens maken, dat mijn +halfhemdjes wat beter gestreken worden—ik kan ze zoo onmogelijk +voordoen;” of: „Lieve! je moet den kleinen Jan den spiegel in de +zijkamer niet zoo laten bevingeren;<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">”</ins> „Lieve! je moet zorgen, dat de +kinderen niet meer op den zolder spelen;” of: „Beste! je moet aan Bregje +zeggen, dat zij de mat niet buiten laat hangen, als zij den voorgang +veegt,” en zoo voort. In n woord, „lieve” moet er voor zorgen, dat +alles boven en beneden, op zolder, in keuken en in kelder geregeld zijn +gang gaat, en zoo niet—dan moet er behoorlijk op gevit worden.</p> + +<p>En toch, als Orestes haar, die hij eens zijn engel noemde in tranen +badende vindt, en zij hem zegt, dat hij haar niet meer zoo lief heeft +als vroeger—dan <span class="pagenum" title="15"> </span><a id="p_15"></a>werpt hij die beschuldiging verre van zich af en +verklaart haar, dat hij haar meer dan ooit bemint, en misschien is +dit werkelijk het geval. Het eenige is, dat zij uit het rijk van +rozengeur en maneschijn in het werkelijk leven is overgegaan. Zoolang +zij beschouwd werd als een engel, als een ster, als een vogel, als +een avondwolk, viel er natuurlijk niets op haar te vitten; maar nu +die engel vennoot in de firma van een huishouden geworden is, zien de +zaken er heel anders uit. Als zij beiden nog in dezelfde omstandigheden +verkeerden, zou Orestes hetzelfde nog eens kunnen betuigen, maar +ongelukkig verkeeren zij nu nooit meer in dezelfde omstandigheden. +Orestes is zonder verder na te denken, gewoon al wat hem voor den +mond komt te zeggen. Vr het huwelijk vereerde en aanbad hij zijn +toekomstige vrouw als een ideaal, dat in het land der droomen en der +pozie zweefde, en hij deed zijn uiterste best, om haar ongeschikt te +maken voor het werkelijk leven, dat haar na het huwelijk wachtte. Nog +altijd geeft hij nu in zijn trouwen gedachteloos toe aan allerlei +indrukken, evenwel niet meer om te prijzen maar om te bedillen en te +veroordeelen. Juist dat gevoel voor schoonheid en bevalligheid, waardoor +hij haar vr het huwelijk zoo zeer bewonderde, doet hem nu, als hij de +inrichting van het huishouden nagaat, dagelijks honderd verkeerdheden +zien en aan honderd gebreken ergernis nemen.</p> + +<p>Tot nog toe stelde ik mijn teekening eene lieve, megaande vrouw +voor, die zich wel gegriefd gevoelt, maar niet boos wordt,—die, +zonder te klagen over verongelijking, zich in haar treurig lot zoo +goed mogelijk tracht te schikken. Ik heb dikwijls zulke ongelukkige, +beklagenswaardige, kwijnende vrouwen ontmoet: ze <span class="pagenum" title="16"> </span><a id="p_16"></a>zagen er uit als +planten, die eerst in de drukkende warmte der broeikas opgekweekt en tot +bloeien gedwongen, nu op eens in de kou van de droge, stoffige huiskamer +overgebracht, verwelken en geel worden en het eene blad na het andere +laten uitvallen.</p> + +<p>Maar deze schilderij heeft nog eene keerzijde:—als de vrouw beleedigd +en vertoornd, op haar beurt ook aan 't vitten gaat en met de scherpe +pijlen van haar vrouwelijk vernuft haren man in de voegen van zijn +wapenrusting zoekt te treffen, en zich op die wijze even onrechtvaardig +betoont en nog vrij wat schuldiger maakt.</p> + +<p>Wel is het treurig, als twee menschen die vroeger innig nauw met +elkander verbonden waren en juist door hunne liefde, met elkanders +karakter ten volle bekend zijn, deze kennis eenig en alleen gebruiken om +elkander het leven te verbitteren,—wl is het treurig hen elkander het +hart te zien doorboren met zoo veel juistheid, als waartoe ze alleen +door vroegere vertrouwelijkheid en toegenegenheid in staat zijn, terwijl +iedere doodelijke wonde, die zij elkander toebrengen, hun zelven door +het hart gaat,—en dat alles om zulke ellendige beuzelingen, als +doorgaans 't begin van dit ontzettende drama zijn.</p> + +<p>Wat zijn het toch meestal onbeduidende dingen, die aanleiding geven tot +een gekibbel, dat de grondslagen zelven der liefde ondermijnt, en alle +geluk verbant uit den huiselijken kring! Een stuk vleesch is niet gaar, +er wordt te veel olie verbrand, er wordt een courant verscheurd, er +worden te veel steenkolen of zeep gebruikt, er is een bord gebroken!... +en voor deze nietswaardige kleinigheden werpen zeer brave, zeer edele, +zeer godsdienstige menschen soms bij handen vol weg, <span class="pagenum" title="17"> </span><a id="p_17"></a>wat de eenige +reden is waarom heele huizen gebouwd zijn en vuur gebrand wordt en al de +omslag is aangeschaft—<i>hun huiselijk geluk</i><ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">.</ins> Neen! liever koude +koffie, slappe thee, aangebrand vleesch; liever ieder ongerief, ieder +verlies, dan een verlies van <i>liefde</i>; en niets doet de liefde zoo +spoedig kwijnen als onophoudelijk vitten.</p> + +<p>Want wordt eens tusschen twee menschen, die innig met elkander verbonden +zijn, vitterij tot gewoonte, dan ontaardt zij met der tijd in een +slepende ziekte; zoodat de zachtste, de redelijkste terechtwijzing, ja +elke berisping, hoe zacht ook gedaan, den heftigsten toorn verwekt; en +wanneer deze ziekelijke toestand eens begonnen is, dan schijnt het bijna +onmogelijk dat de liefde nog genezing kan aanbrengen.</p> + +<p>Een enkel voorbeeld. Orestes is op zekeren morgen best in zijn humeur en +zegt tot Hermione, terwijl hij een brief van haar in de hand houdt, op +een schertsenden toon, dat zij de staarten van haar <i>g</i>'s niet zoo lang +moet maken, maar meteen stuift Hermione op en antwoordt:</p> + +<p>„Zeg mij maar eens wat je nog meer van mij verlangt. Misschien zou je +wel zoo goed willen zijn, bij gelegenheid eens een alphabetische lijst +te maken van alle dingen, die ik moet veranderen.”</p> + +<p>„Lieve! je bent onredelijk.”</p> + +<p>„Dat zie ik niet in. Ik wo wel dat er eens een einde kwam aan die +onophoudelijke aanmerkingen van mijn heer en meester.”</p> + +<p>„Maar, beste! hoe kan je dat nu zoo erg opnemen?”</p> + +<p>„Och, zwijg er maar over, lieve! Ik heb dat nu zoo dikwijls gehoord, dat +er 't bekoorlijke van de nieuwheid al lang af is.”</p> + +<p>„Kom, Hermione! laten we niet kibbelen.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="18"> </span><a id="p_18"></a></p> + +<p>„Maar, lieve! wie is er met kibbelen begonnen? Ik niet: ik vroeg je +alleen om een lijstje van mijn gebreken. Ik vertrouw, dat ik, als ik +negentig jaar oud <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: wordt">word</ins>, nog wel eens aan je overdrevene eischen zal +voldoen. Waarschijnlijk is alles van morgen precies in orde zoodat er +niets op te zeggen valt, <i>en</i> de koffie, <i>en</i> het brood, <i>en</i> het +rookvleesch, <i>en</i> de meiden, <i>en</i> de mat in het voorhuis, <i>en</i> de +zolder, <i>en</i> de benedenkamers; daarom moet ik nu zeker een lesje krijgen +over mijn gebrekkige opvoeding. Ik zal de staarten van mijn <i>g</i>'s +voortaan wat korter maken, maar dan verwacht ik ook, dat je een lijstje +maakt van alle andere kleinigheden, die nog verbetering vereischen.”</p> + +<p>Orestes schuift zijn koffie weg en trommelt op de tafel.</p> + +<p>„Als het mij vergund is, n kleine opmerking te maken, beste! dan zou +ik zeggen, dat het niet bijzonder fatsoenlijk is, op de tafel te +trommelen,” zegt zijn schoone wederhelft.</p> + +<p>„Hermione! je bent in staat om iemand woedend te maken!” Met dat woord +vliegt Orestes verbitterd de kamer uit, en is stellig voornemens, dien +middag in een restauratie te gaan eten.</p> + +<p>Orestes beschouwt zich als een miskend echtgenoot, en houdt het er +voor, dat er zoo'n tweede vrouw niet bestaat,—het onredelijkste +kwaadaardigste schepsel, dat hij ooit ontmoet heeft. Maar hij denkt +er niet aan, hoe alleen door zijn eigen onredelijke, onophoudelijke +vitzucht zijne vrouw zoo lichtgeraakt en driftig geworden is, dat zij de +zachtste berisping over de minst beduidende zaak niet kan verdragen. Wel +heeft hij geen schuld gehad aan de onaangenaamheden van dien morgen; wel +heeft hij niets onbehoorlijks gezegd, en is zij alleen <span class="pagenum" title="19"> </span><a id="p_19"></a>onredelijk en +knorrig geweest; maar eigenlijk ligt toch de schuld aan hem zelven.</p> + +<p>Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een +vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom +beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom +herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd +een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar +dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een +bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden +ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding +ontsluieren?</p> + +<p>Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval +is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden +teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar +dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet +hoe bewonderend hij vr hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk +hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig +in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en pozie, +wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen.</p> + +<p>Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig +van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen +kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of +complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon +niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker, +of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend +woord bijvoegen. Toen <span class="pagenum" title="20"> </span><a id="p_20"></a>Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit +aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn +woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek +wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze +aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins +matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw, +in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of +verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich +dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren +geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien +ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door +twee personen als door n te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met +vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man.</p> + +<p>Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een +liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en +bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen +grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke +zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen.</p> + +<p>De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die +onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden. +Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij +geindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden +zij 't ooit wer beproeven?</p> + +<p>Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad. +Er was geen eind aan haar grillen<ins class="corr" id="corr9" title="Niet in Bron.">,</ins> haar eischen, haar +pruilen<ins class="corr" id="corr10" title="Bron: ,">.</ins> Eindelijk +had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het +<span class="pagenum" title="21"> </span><a id="p_21"></a>uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen +met dezelfde onverschilligheid aan<ins class="corr2" id="corr11" title="Bron: ,"></ins> +als haar klachten<ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">,</ins> en leefde +voortaan zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in +stilte wat hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, +op haar verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">.</ins> Zijne +vrouw werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een +steen; er bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij +stierf, en nu ademde hij wer vrij en had een gevoel, alsof hem een pak +van het hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar +lief en goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan +nog altijd met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een +onverschillig echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare +handen als de leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, +die zij maakte, juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, +had meer invloed op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is +dezelfde mensch, al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld +wordt!</p> + +<p>Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht +tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze, +als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van +het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet +kinderen z zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls +is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen +kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen. +Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog +zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen <span class="pagenum" title="22"> </span><a id="p_22"></a>gerechtigd, rechts en +links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets +meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt.</p> + +<p>Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne +moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat +hij van zijn vader hoort, is:</p> + +<p>„Kijk, daar heb je de deur wer open gelaten! Wanneer zal je dat toch +eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls +moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?”</p> + +<p>„Daar heb je nu waarlijk je pet wer op de canap gegooid! Wanneer zal +je toch eens leeren, hem op te hangen?”</p> + +<p>„Leg je lei daar niet ner; dat is er de plaats niet voor.”</p> + +<p>„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?”</p> + +<p>„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat +wiebelen.”</p> + +<p>„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het +eens uit.”</p> + +<p>„Heb je de knoopen wer van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij +ook een jongen!”</p> + +<p>„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.”</p> + +<p>„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?”</p> + +<p>„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes +gemaakt hebt.”</p> + +<p>„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier +beklad?”</p> + +<p>Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van <span class="pagenum" title="23"> </span><a id="p_23"></a>'t gezin een +dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de +ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als +Piet uit hun humeur zouden raken?</p> + +<p>Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men +eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun +doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven +in huis zijn?</p> + +<p>Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en +op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe, +onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei +dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding, +overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden +onmisbaar zijn, en waarme ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op, +allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met +een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het +bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan +er ne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is +dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in +het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden +voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen +en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden; +de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een +drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden +een courant te zetten<ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">,</ins> dan is het waarschijnlijk, dat zij even +onnoozel en verlegen zou staan kijken als <span class="pagenum" title="24"> </span><a id="p_24"></a>Kaatje in haar welingericht +en prachtig gemeubileerd huis.</p> + +<p>Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het +noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in +beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val, +en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur, +hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe +handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij +dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun +huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is.</p> + +<p>Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar +wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij +in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen +tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn +nauwelijks wer te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden, +moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig, +zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn +fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand +er gedurig op krast.</p> + +<p>Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn +waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen +als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin +verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde +bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren.</p> + +<p>Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant +om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen +is, hoe zij doen <span class="pagenum" title="25"> </span><a id="p_25"></a>moet): en de heele familie hoestende en proestende +wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen, +in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens wer heeft gehoord, +hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen +er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de +doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken +en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze +er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een +paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis +telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het <ins class="corr" id="corr15" title="Bron: oogenblk">oogenblik</ins> waarop +zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes +gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet +te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die +een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders +en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen: +„Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”</p> + +<p>De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen +moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is.</p> + +<p>Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld, +rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ne +gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht, +toch een eereplaats verdient onder de Christelijke +deugden:—<span class="smcap">DE GAVE VAN HET ZWIJGEN</span>.</p> + +<p>Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de +waarde van het <span class="smcap">NIET SPREKEN</span> <span class="pagenum" title="26"> </span><a id="p_26"></a>is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van +goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo: +„Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne +lippen toesluit verstandig.”</p> + +<p>„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als +wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en +elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang +laten gaan?”</p> + +<p>Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen, +bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die +de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden +jegens elkander te vervullen hebben.</p> + +<p>Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't +gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het +vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het +tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk +eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?”</p> + +<p>„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die <i>zeldzame</i> +dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat +er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een +godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken +plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle +warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is +geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan, +gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste +gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door <span class="pagenum" title="27"> </span><a id="p_27"></a>den atmospheer +van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen, +dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig.</p> + +<p>Wij hebben ons in den gebede nergebogen met de <ins class="corr" id="corr16" title="Bron: ootmoedigde">ootmoedige</ins> belijdenis, +dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt +voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine +bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de +struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken, +erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart +vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders +drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen +onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos +in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de +gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld +niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze +woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid +niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij +noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk +brengen, en dat het er niet <ins class="corr" id="corr17" title="Bron: me">me</ins> gaat zoo als met de kachels, +die ik straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel +verloren gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest.</p> + +<p>Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons +treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen +aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn +vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij +eerst <span class="pagenum" title="28"> </span><a id="p_28"></a>van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de +verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de +pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is +aangelegd, des te zekerder zijn doel.</p> + +<p>Doch n is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus, +die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige, +bevooroordeelde mannen, z weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op +zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens had +verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude +twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had, bewees +hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde de +geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester, uwe +voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te +wasschen.”</p> + +<p>Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest +berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan +nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte <ins class="corr" id="corr18" title="Bron: Fnlon" xml:lang="fr">Fnelon</ins> den +hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van +Bourgondi tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor +anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk +gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.”</p> + +<p>Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe +dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan +onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met +beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er +toevallig bij zijn, krijgen de <span class="pagenum" title="29"> </span><a id="p_29"></a>kolen en de gloeiende asch, die wij van +ons afslingeren.</p> + +<p>Zoo heeft men <i>nurkschheid</i>, een kouden motregen van hatelijke +opmerkingen; zoo heeft men <i>brommigheid</i>, een noord-westelijke storm, +die van geen bedaren weet; zoo heeft men <i>opvliegendheid</i>, een onwer +met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke +<i>zonden</i> voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar +als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst.</p> + +<p>Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort +uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte +spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een domin gaat met een +overladen maag naar de avondkerk, waar hij preken moet, maar vindt er +niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de +anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er +is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de +benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren.</p> + +<p>Wij doen in n week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij +overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken +van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te +gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig, +het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht +geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige +verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die +verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld +nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, <i>nu</i> moesten +wij den duivel der <span class="pagenum" title="30"> </span><a id="p_30"></a>vitterij werstaan en hem het stilzwijgen opleggen, +totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand +zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en +dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop +wij z heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het +te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat +nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't +gebed.</p> + +<p>Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij <i>nooit</i> mogen brommen, +<i>nooit</i> bedillen, <i>nooit</i> opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen +hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, <i>hoe</i> +dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een +paar dames mede te deelen.</p> + +<p>Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van +beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen +omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de +armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig. +Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij +onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als +het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met +alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok +kan stellen.</p> + +<p>Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke +hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken. +Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een +vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle +dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche <span class="pagenum" title="31"> </span><a id="p_31"></a>gesprekken, als voor het +dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het +haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen. +Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt +haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere +verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen +verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles +volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en +met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt.</p> + +<p>Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig, +toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en +afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar +beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat +slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last +harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een +hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met +donkere oogen van die hoogte ner ziet op alle ondeugende jongens en +meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een +brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best, +om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn.</p> + +<p>Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en +evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen, +maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens +haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te +genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het <span class="pagenum" title="32"> </span><a id="p_32"></a>evenzeer haar plicht is te +prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden +aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te +bestraffen, als zij kwaad doen.</p> + +<p>Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart, +een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en +prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al +wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen.</p> + +<p>Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare +dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan +iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor +zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng, +als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor +den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet +gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou +mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel +zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij +eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant +en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van +iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen +gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede, +dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun, +dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk +aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat +hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting +staat aangeschreven, en hare <span class="pagenum" title="33"> </span><a id="p_33"></a>kinderen houden 't er voor, dat zij heel +lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking +op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt.</p> + +<p>De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die +gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer +waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst +handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van +een hefboom, die er niet geschikt voor is.</p> + +<p>Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en +misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie +ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen +omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij +een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde, +zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde?</p> + +<p>Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als +wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige +dienstbode en aan ieder onachtzaam kind.</p> + +<p>Laten wij ons dan allen voornemen:</p> + +<p>vooreerst, de gave van het <span class="smcap">ZWIJGEN</span> ons eigen te maken;</p> + +<p>ten tweede, alle <span class="smcap">VITTERIJ</span>, die niet verbetert, <span class="smcap">ZONDE</span> te noemen; en, als +wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door +telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen;</p> + +<p>ten derde, de gave en de deugd van den <span class="smcap">LOF</span> aan te kweeken. Wij hebben +allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van +ons hebben <span class="pagenum" title="34"> </span><a id="p_34"></a>er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is, +de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons +gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den +mensch te erkennen.</p> + +<p>Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't +naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten, +totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst +liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte +tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft.</p> + +<p>Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel +zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen +behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als +zij het verkeerde in hen laken.</p> + +<p>In de meeste gevallen—neem er de proef maar eens van,—komt men verder +met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets +goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur +in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn, +dat zij ten minste dit ne goed zal doen.</p> + +<p>Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier +oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte, +kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet +te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit +voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal +aangenomen worden.</p> + +<p>Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht +eveneens, als of gij met volwassenen te <span class="pagenum" title="35"> </span><a id="p_35"></a>doen hadt; zij zijn volwassenen +in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel +eerbiedigt, als ieder onzer.</p> + +<p>Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er +goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en +'t geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze +dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en +opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij n kleinen vos +gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven +heeft.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="36"> </span><a id="p_36"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="37"><br /> </span><a id="p_37"></a></p> + +<h2><a id="PRIKKELBAARHEID"></a>PRIKKELBAARHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="38"> </span><a id="p_38"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="39"><br /> </span><a id="p_39"></a></p> + +<p class="vosnr">II.</p> + +<p class="voskop">PRIKKELBAARHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich +heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen.</p> + +<p>Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en +gedenkdagen altijd bij de familie <span xml:lang="en">Crowfield</span> in eere gehouden is; maar +onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk +gevierd als kerstmis.</p> + +<p>Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons +vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van +het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden +vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op +den 25<sup>sten</sup> December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat +kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis +ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard. +'t Is de <i>gebeurtenis</i>, die wij vieren, niet den <i>tijd</i>, waarop zij +voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren, +terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden +hebben, dezen eenen 25<sup>sten</sup> December aan de verkondiging van Gods +welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik <span class="pagenum" title="40"> </span><a id="p_40"></a>dan laten +varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen +missen?</p> + +<p>In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag, +die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield, +daar de kinderen, maar met n oog dicht, gingen slapen, om toch de +eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten +en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden.</p> + +<p>Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde brors en zusters, zoons en +dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom +een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt +en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden. +Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in n nacht en zonder +eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de +meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne +hoofdjes nerdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat +vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die +vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen +zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan +de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen, +de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen, +op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die +werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet +over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid: +men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke +sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede <span class="pagenum" title="41"> </span><a id="p_41"></a>plaats geven aan een +mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een +stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan +weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar +niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te +luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den +nacht op eens wer uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken, +en was vr dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen +bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een +veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er +niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien +van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen, +of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat +vader al hard op weg was om kindsch te worden.</p> + +<p>Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij, +ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van +den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het +niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze +schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en +groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden +vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen +uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te +overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had, +een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die +vleugel wer uit het lid zou raken op het gewichtig en <span class="pagenum" title="42"> </span><a id="p_42"></a>zalig oogenblik, +dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons +gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd +mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine +volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste +verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen +we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten +wij onze kerstmis door.</p> + +<p>Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen, +waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke +overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en +de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie, +zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen +dag bewaard gebleven is?</p> + +<p>De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik, +ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl +mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen +bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen +moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden.</p> + +<p>Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den +kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het +vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte +mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets +was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik +hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis +een groote zinkput was. Mijn kleinzoons <span class="pagenum" title="43"> </span><a id="p_43"></a>en kleindochters kwamen bij ons +te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik +merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het +mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't +wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en +maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons +glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van +mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje, +dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te +worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld +zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven +had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in +plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig +had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles +verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag.</p> + +<p>Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere +gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine +vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren +toestand open gingen.</p> + +<p>'t Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd, +ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer +van een hatelijk tijdschrift open te snijden.</p> + +<p>Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje.</p> + +<p>„Engel!” zeide ik, <ins class="corr" id="corr19" title="Niet in Bron.">„</ins>ik wou wel dat je met je handen van het vuur +afbleef,—je maakt het altijd uit.”</p> + +<p>„Ik wo het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw.</p> + +<p><span class="pagenum" title="44"> </span><a id="p_44"></a></p> + +<p>„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.”</p> + +<p>Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen +de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk +geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken, +dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden. +Het is een ondragelijke <ins class="corr" id="corr20" title="Bron: ombeschaamdheid">onbeschaamdheid</ins>. Ik stak +mijne beenen knorrig uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht +begon te blaffen dat mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf +hem nu een duchtigen schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen +zou hebben, en wierp bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver.</p> + +<p>„Och, papa!”</p> + +<p>„Ik wo, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er +hier zoo vol me, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar +noodelooze dingen en duur ook.”</p> + +<p>„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als +er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid.</p> + +<p>„Ja,<ins class="corr" id="corr21" title="Niet in Bron.">”</ins> zeg ik, +<ins class="corr" id="corr22" title="Niet in Bron.">„</ins>duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden +armen zijn, die kleren noodig hebben, zitten de dames niets anders te +doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen +wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij n pot nat: +er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde +zelfzucht en zinnelijkheid.”</p> + +<p>„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er +nog niet zoo erg me gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek +nog.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="45"> </span><a id="p_45"></a></p> + +<p>„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik, +nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan +moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er +moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid +doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar, +vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij +verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan +mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare +mandjes en kloentjes en voor al die rommel.”</p> + +<p>Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij +kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen; +zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel +zacht, maar toch heel verstaanbaar:</p> + +<p>„Als <i>ik</i> zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik <i>knorrig</i> was.”</p> + +<p>Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te +kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was +<i>dat</i> het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en +haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het +eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik +Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een +schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een +complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het +wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne +papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd, +behalve alleen dat ik knorrig was.</p> + +<p><span class="pagenum" title="46"> </span><a id="p_46"></a></p> + +<p><i>Knorrig.</i> Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven +toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig +was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen, +waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al, +Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met +een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten +alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een +jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar +bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder +zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken +had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken, +Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet +vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je +nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er +niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te +veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je +kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan +kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, nerkomt +op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van +venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een +duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.”</p> + +<p>„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel +uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek, +„kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten +vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” <span class="pagenum" title="47"> </span><a id="p_47"></a>En Fidel verrekte zijn +rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk +kwispelstaarten.</p> + +<p><ins class="corr" id="corr23" title="Niet in Bron.">„</ins>En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel +dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn +scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in +zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.”</p> + +<p>In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en +<ins class="corr" id="corr24" title="Bron: veronschuldigde">verontschuldigde</ins> mij zelfs bij mijn vrouw, die, +tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer en zoo menigen winter met mij +doorgebracht heeft, dat zij mij door en door kent, en mijne knorrigheid +dan ook even kalm had verdragen, alsof ik een kind was geweest, dat een +tand kreeg.</p> + +<p>„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je +maar niet,<ins class="corr" id="corr25" title="Bron: „">” </ins>zeide zij, toen ik eene verontschuldiging +begon, „wij kennen elkander wel. Maar er is n ding dat je eens moet +herinneren: dat je preek al klaar moest zijn.”</p> + +<p>„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van +mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos +spreken, die +<span class="vos">PRIKKELBAARHEID</span> +heet.<ins class="corr" id="corr26" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des +vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek, +dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen: +want inderdaad heeft niets meer van een <i>lichaams</i>kwaal dan dit. Er zijn +ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen z hevig, dat we niet kunnen +begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam +moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, <span class="pagenum" title="48"> </span><a id="p_48"></a>meer zou vermogen te doen dan +geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen, +die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van +ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees.</p> + +<p>Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad +bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen +de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof +verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun +gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het +hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in +het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen +niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne +gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen +lichamelijke gezondheid.</p> + +<p>Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of +bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u +met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn +hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was +ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou +ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft +waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van +alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet +berusten.</p> + +<p>Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk +van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der +huisgenooten aan die <span class="pagenum" title="49"> </span><a id="p_49"></a>prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal, +wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking +in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van +hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer +veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen +herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende +schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol +beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken +morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de +nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de +kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn +belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen.</p> + +<p>De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor: +vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid +komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer +wij dien niet kunnen afweren.</p> + +<p>Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van +allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften +voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een +modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin +karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij +gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij +nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een +onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke +voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="50"> </span><a id="p_50"></a></p> + +<p>Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten +aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is, +waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de +maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen +van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht, +zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet +nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de +menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen +haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar +voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er +weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of +gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke +gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne +zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week +hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag +te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor +'t geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel +geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo +gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt +voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking +noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding +der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel, +opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en +scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. <span class="pagenum" title="51"> </span><a id="p_51"></a>Zoo +brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks +een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige +harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg +van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat.</p> + +<p>Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen, +in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter +wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen +ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat +zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen +telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo +gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de +plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor +zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden.</p> + +<p>Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn +krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te +besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring +dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij <i>op en af +zijn</i>.</p> + +<p>Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer, +en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle +krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat +en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan +verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer +uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is +knorrig.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="52"> </span><a id="p_52"></a></p> + +<p>Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in +een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig +dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen.</p> + +<p>Papa's, die dag op dag z hard werken, en mama's, die z avond op +avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op +te vroolijken en voor hunne kinderen te leven?</p> + +<p>Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch +voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te +stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd +besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut +van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan +wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets +anders gegeven dan den bitteren droesem?</p> + +<p>De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven +zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden +aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen, +en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan. +'t Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een +vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden. +Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met +kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen, +waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde.</p> + +<p>Maar als een domin zei, dat alles zonde is, wat de kracht, voor de +vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons +uitput en ontstemt juist <span class="pagenum" title="53"> </span><a id="p_53"></a>dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral +gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen +zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat +bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure +afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel +ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou +alwer iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als +hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen +en de maag z met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen +achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't +midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen +voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven.</p> + +<p>Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet +geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het +daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur.</p> + +<p>Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds +aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons +lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke +opgewektheid geven, om het dagelijksch werk wer op te vatten.</p> + +<p>Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig +of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze +gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de +opmerking, dat ze in n uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen +bestemd was.</p> + +<p><span class="pagenum" title="54"> </span><a id="p_54"></a></p> + +<p>Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand +al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt +hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening +opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met +een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in n woord, hij handelt +juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft +verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze +wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een +onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij +voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden.</p> + +<p>Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal +de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die +koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig +van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn +of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te +schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin +vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich +Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur, +altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal +van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben +een onwaardige neiging te onderdrukken.</p> + +<p>'t Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan, +die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener +indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen +lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te <span class="pagenum" title="55"> </span><a id="p_55"></a>gedragen; +maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden. +Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen +voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen +is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij +altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient.</p> + +<p>Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij +wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons +dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons +gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker +zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband +staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een +overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid +voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij +voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans, +die hem met vuisten sloeg.</p> + +<p>Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is +de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te +geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht +overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld +voor te gaan.</p> + +<p>Domin X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich +in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders +hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den +overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat +geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, <span class="pagenum" title="56"> </span><a id="p_56"></a>door niets op aarde te +verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen, +dat zij zich ook zoo konden verliezen!</p> + +<p>Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die +hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van +de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij +wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen +lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept, +waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze +geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn +toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden +getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan, +terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden, +omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met +zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet +hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken +uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme +vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als +moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast, +dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele +donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over +den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw +van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen +verdragen: hij, die zoo dierbaar prekte van de volkomene overgave +des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening <span class="pagenum" title="57"> </span><a id="p_57"></a>en +sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het +nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het +zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij +zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen. +De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't +geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als +de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel.</p> + +<p>Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken?</p> + +<p>Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste +plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven. +Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken, +zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant, +beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de +nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe +te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in +opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het +leven door te brengen.</p> + +<p>Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't +Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen +beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven. Indien +al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig en +knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel +uitspanning.</p> + +<p>Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar +stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden, +die 's morgens en <span class="pagenum" title="58"> </span><a id="p_58"></a>'s avonds aller harten gedurende eenige plechtige +oogenblikken als tot n huisgezin vereenigden, en zonder opzien +te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te +voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche +bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van +Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben; +deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot +onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in +bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een +recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van +een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan +dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot +bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat +eerlang alle Christenen het daarme eens zullen zijn en dat alle buren +als n gezin zich rondom n altaar zullen vereenigen, om niet alleen +voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden?</p> + +<p>De slotsom van onze geheele redeneering is dan:</p> + +<p>Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar +dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel +bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door +u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke +plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te +verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te +verspreiden rondom den huiselijken haard.</p> + +<p>Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk <span class="pagenum" title="59"> </span><a id="p_59"></a>van den voorlooper +van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel? +„Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart +der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban +sla!”</p> + +<p>Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke +prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele +slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen:</p> + +<p>Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke +prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het +hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk +niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een +zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te +verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door +onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid +kan bewaard blijven.</p> + +<p>Er is een temperament, dat men het <span class="smcap">MELANCHOLISCHE</span> noemt, aan veel +menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een +stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens +hooge opgewektheid en dan wer diepe nerslachtigheid volgt,—eene +erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met groote +talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van +ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten en +kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten.</p> + +<p>Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van +nerslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij +ze de gansche <span class="pagenum" title="60"> </span><a id="p_60"></a>wereld met een somber waas overtogen zien en zich een +geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden, +van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt.</p> + +<p>Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste, +dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe +deze aanvallen van nerslachtigheid en moedeloosheid even goed een +ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze +ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen, +waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn, +waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen +en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is +en op het ontzettendste verderf uitloopt.</p> + +<p>Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het +voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en +kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan +in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen, +alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien +deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de +wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen, +en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel +voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een +koortslijder.</p> + +<p>Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt, +zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem +pijnigen, niet onder woorden te brengen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="61"> </span><a id="p_61"></a></p> + +<p>Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen +leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den +duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te +spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich +om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij +een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende +gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had +uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen +even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en +zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven +en vroolijkheid wekt.</p> + +<p>Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen.</p> + +<p>Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de +verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen +prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze +soort van menschen, meer <ins class="corr" id="corr27" title="Bron: den">dan</ins> uit eenige andere, wordt het groote +heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De +Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner, +Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel <i>afschaffing</i>, maar nooit +<i>matigheid</i> mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke +prikkel, waarme zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt eene +onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het +temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste, +zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de +juiste palen te houden; maar het gebruik <span class="pagenum" title="62"> </span><a id="p_62"></a>van prikkelende middelen +verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt.</p> + +<p>Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of +zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen +zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en +moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van +nerslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden.</p> + +<p>'t Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning, +studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige +opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen, +aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten.</p> + +<p>Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen +van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die +talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk +maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken +avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder +een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge +mewarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die +moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met +een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die +met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur +kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun +kracht onder de lasten des levens gebogen gaan.</p> + +<p>Voor u heb ik maar tweerlei raad, twee middelen om u van de +prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg <span class="pagenum" title="63"> </span><a id="p_63"></a>van uw vermoeidheid is; leer +tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het +<ins class="corr" id="corr28" title="Bron: hard">hart</ins> +moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en +vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen +tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter, +geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en +zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die +door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een +hemelsche harmonie voort te brengen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="64"> </span><a id="p_64"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="65"><br /> </span><a id="p_65"></a></p> + +<h2><a id="TERUGHOUDING"></a>TERUGHOUDING.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="66"> </span><a id="p_66"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="67"><br /> </span><a id="p_67"></a></p> + +<p class="vosnr">III.</p> + +<p class="voskop">TERUGHOUDING.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p class="afschrift">(Het volgende is een getrouw afschrift van 't geen ik in de +huiskamer aan mijn vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.)</p> + +<p>Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk +geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide, +waarover ik reeds gesproken heb.</p> + +<p>In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij +twee dingen uit: <ins class="corr" id="corr29" title="Niet in Bron.">„</ins>Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen +en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt +aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is.</p> + +<p>Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist +hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het +onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb.</p> + +<p>Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren +over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat +er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die +warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert +(gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch +op een thermometer eenigen invloed <span class="pagenum" title="68"> </span><a id="p_68"></a>heeft en eerst dan, wanneer dit +beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't +Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over +het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op +deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme +huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl +er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur +was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij +aanraakten en betastten.</p> + +<p>In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarme geheel +overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde +genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen +werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar +buiten openbaart.</p> + +<p>Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vr een sneeuwstorm, in een +kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige +thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw +vingers worden niet stijf van de ko, maar met dat al verlangt gij +toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel +werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer +in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou +ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen +reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist +z hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat, +de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde! +toch blijft gij huiveren en <span class="pagenum" title="69"> </span><a id="p_69"></a>hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van +een brandenden haard u de hemel zou opengaan.</p> + +<p>Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande +huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels, +warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het +flikkeren van een brandenden haard.</p> + +<p>Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen +ondervinding me te deelen.</p> + +<p>Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste +en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening +uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch +overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van +al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan.</p> + +<p>Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een +aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud +en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief +troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig +en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden +echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een +besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl +zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik, +niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen.</p> + +<p>Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van +witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van +koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van +mijn <span class="pagenum" title="70"> </span><a id="p_70"></a>lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al +had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele +vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan +toe was.</p> + +<p>En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop +wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij +zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende +van dwaasheid en dolheid, en altijd wer aan het slot: hoe volmaakt en +hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij +was, enz., enz.</p> + +<p>Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet +gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder, +die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die +ook „zulke lieve meisjes” waren.</p> + +<p>Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven. +Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in +plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld +met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring, +blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk +gelukkig was.</p> + +<p>Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had +zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij +doodmo. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden +om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar +en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen +te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon +vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor <span class="pagenum" title="71"> </span><a id="p_71"></a>haar doen” +schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat wer uit en zette er boven: +„heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te +vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van +hen trachten te leeren.</p> + +<p>„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat +deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt +en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging +doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging +gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe +de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als +wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap +weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door +loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde, +er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden.</p> + +<p>Het kostte me weinig moeite, het huis van mijnheer Evans te vinden; 't +was <i>het</i> huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant, +ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden +van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd +wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priel stond op +een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen +en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak +tusschen de andere huizen uit als een echte Farizer. 't Was een huis +om, bij wijze van model, met een tiquette er op, onder een stolp te +zetten, maar zooals meestal met die huizen <span class="pagenum" title="72"> </span><a id="p_72"></a>bij ons het geval is, ge +zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel +in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van +leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er +menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den +keukenschoorsteen omhoog steeg.</p> + +<p>Maar nu, die menschen zelven.</p> + +<p>Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel +niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek +gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor log's had +gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of +van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten +blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur +weet, dan van het ceremoniele, dat even vrdat gij te bed gaat, wordt +aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog, +hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan +te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en +koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam +alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet +uitstralen.</p> + +<p>Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er +valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar +koud zijn zij, z koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen +aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat +zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed +begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij +bemerkt <span class="pagenum" title="73"> </span><a id="p_73"></a>in den loop van 't gesprek, dat gij wl zijt uitgenoodigd, dat +gij wl verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en +u behandelen, zooals zij meenen, dat een log moet behandeld worden.</p> + +<p>Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw +gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den +huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te +denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan +op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u +graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen. +Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet, +alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine +plekje, dat gij ontdooid hadt, is wer dichtgevroren: van voren af aan +moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo +ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk +gesprek.</p> + +<p>Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn +familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe +Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze +kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt, +in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn, +dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van +verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk +is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten +dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat +heel leerzaam en heel nuttig is.</p> + +<p>Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, <span class="pagenum" title="74"> </span><a id="p_74"></a>zeer op beschaving +gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming +kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en +het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp. +Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en +eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het +hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond +ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter werszijde +van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard +tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen +kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare +woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en +fatsoenlijke formules, waarme men gewoon is, zooals 't heet, de +conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en +dan me, maar nooit vr haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de +regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was +hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij +dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van +benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand +versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie +bedekt werd.</p> + +<p>Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn +gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een +instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest +invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo +stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij <span class="pagenum" title="75"> </span><a id="p_75"></a>zelven, of hij wel ooit een +jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit +met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan.</p> + +<p>Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van +Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om +die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens +had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische +plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en +ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten, +zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen. +Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen +zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze +eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig +gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was +het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren?</p> + +<p>Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven, +om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel eind op +weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een +<ins class="corr" id="corr30" title="Bron: twee-en zestiger">twee-en-zestiger</ins> lijken +kan: even statig en recht, even stil, even ingetrokken. +Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij, die wilde, +vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig +liefhadden—dat vrije stukje levenspozie, vol kleine excepties, aan +geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel +der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee dames +Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te +zien,—een <span class="pagenum" title="76"> </span><a id="p_76"></a>gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn +op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik +uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om +te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij +een goed woord voor hen wo doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen +hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel +meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om +allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen +of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn +stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals +te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van +'t eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar +„de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet.</p> + +<p>Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze +gengageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid, +half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan wer de +wet stelde. <i>Nu</i> noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een +deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en +vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu +reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden +veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier +heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen +hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken, +dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een +verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij <span class="pagenum" title="77"> </span><a id="p_77"></a>wat aan veranderen, omdat +ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat +te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te +bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand, +zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg +een onweerstaanbaren lust, om iets z onfatsoenlijks of onzedelijks te +zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik +nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat +of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke +beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in n woord, ik +was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond +en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong +aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart +viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te +brengen.</p> + +<p>Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had, +scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker ner, liep +naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst, +en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok +mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne +zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij +met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in n woord, de +jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar +te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam.</p> + +<p>„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij +nu net, of ik nog thuis ben. H, <span class="pagenum" title="78"> </span><a id="p_78"></a>t'huis! dat was toch alles—en die +beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen +deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel +van elkar, niet waar?”</p> + +<p>„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet +gelukkig!”</p> + +<p>„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat? +Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou +heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je +dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo +als zij bij ons t'huis waren. <i>Dat</i> kon ik niet verwachten,—alle +menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen +zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en +je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo +opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier +allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets +verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....”</p> + +<p>„En pleizierig ook?” vroeg ik.</p> + +<p>„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn +zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij +zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur; +en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te +zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't +niet zoo?”</p> + +<p>„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo +stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een +grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="79"> </span><a id="p_79"></a></p> + +<p>Haar gelaat betrok een beetje.</p> + +<p>„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis +was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als +hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats +bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer +op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet +op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten. +Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar +voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is, +van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het +groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort +nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt, +en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij +Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen +hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den +eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden, +onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten +en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed +haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk +uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of +liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze zien +zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik denk +nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar haar +toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn voeten +te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen +<span class="pagenum" title="80"> </span><a id="p_80"></a>losgemaakt en +gezegd had<ins class="corr" id="corr31" title="Bron: .">:</ins> „Johan! dit is niet de rechte manier, om +te toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad +hebben, dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, +dan dat je mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd +heb.”<ins class="corr" id="corr32" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want +ik was toen nog maar drie-en-twintig.</p> + +<p>„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je +op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al +flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven, +dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik +zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe +hij opgevoed is.”</p> + +<p>„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar en +zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar +wegstopt in die vesting, met de <ins class="corr" id="corr33" title="Bron: valburg">valbrug</ins> hoog opgehaald en +met diepe grachten in de rondte.”</p> + +<p><ins class="corr" id="corr34" title="Niet in Bron.">„</ins>Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. +<ins class="corr" id="corr35" title="Niet in Bron.">„</ins>Zou je denken, dat +zij hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien +nachten achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij +wou in al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij +verteld. Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms +vreeselijk, zoo gedurig gespannen als ze is over <ins class="corr" id="corr36" title="Bron: t'">'t</ins> een of ander, +dat hem raakt: alleen uit <i>beginsel</i> is zij zoo koud en bedaard.”</p> + +<p>„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik.</p> + +<p>„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.”</p> + +<p>„Ik sprak z in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders <span class="pagenum" title="81"> </span><a id="p_81"></a>dan de Vader des +kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken +tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons z achter slot en +grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets +aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand +verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door +de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt +op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven +hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van +elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden +waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder +haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.”</p> + +<p>„Ja,” hernam Emilie, <ins class="corr" id="corr37" title="Niet in Bron.">„</ins>somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo +wat van n jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk, +of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo +betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet +wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak +aan en zei droog weg:</p> + +<p><ins class="corr" id="corr38" title="Niet in Bron.">„</ins>„Jansje! wat scheelt er aan?”</p> + +<p><ins class="corr" id="corr39" title="Niet in Bron.">„</ins>„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen +mij zeer.”</p> + +<p>„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij +bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden; +maar mama zei nog altijd even droog:</p> + +<p><ins class="corr" id="corr40" title="Niet in Bron.">„</ins>„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en +zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en +Jansje ging gedwee heen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="82"> </span><a id="p_82"></a></p> + +<p>„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te +maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor +een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een +veelbeteekenend knikje:</p> + +<p><ins class="corr" id="corr41" title="Niet in Bron.">„</ins>„Zoo leef <i>ik</i> er altijd me; als een van de kinderen ziek is, +vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet +veel beweging van te maken.”<ins class="corr" id="corr42" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Verschrikkelijk!” zeide ik.</p> + +<p>„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het +haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig +om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander +houden, schoon ze onder n dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor +elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er +een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot +overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik +moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan +zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al +hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch +leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik +zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat, +die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal +een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal +vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken +en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens +gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor +hem over hebben; kwam er een te sterven, <span class="pagenum" title="83"> </span><a id="p_83"></a>ze zouden radeloos wezen: maar +'t zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen, +kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden +elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor +elkander uit te storten: zij <i>kunnen</i> dit letterlijk niet.”</p> + +<p>„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in +de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is; +net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken, +omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed +even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig +harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk +volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de +leden gegoten was. Wie z wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal +nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.”</p> + +<p>„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan, +hoe goed hij is.”</p> + +<p>„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er +ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het +teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor +vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch +doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet +ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener +vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt +iederen dag weer tot ijs te worden.”</p> + +<p>„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor +bestaat. Ik zal hem onder de menschen <span class="pagenum" title="84"> </span><a id="p_84"></a>brengen. Ik zal ze wel weten te +veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel; +vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is, +volmaakt is; en vervolgens....”</p> + +<p>„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud +systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en +vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo +doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze +arme kleine eend: heugt je dat nog?”</p> + +<p>„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de +rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open +plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en +kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....”</p> + +<p>„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden, +en dat hij voor altijd mank was.”</p> + +<p>„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende.</p> + +<p>„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, megaande en niet sterk; 't +ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor +hen in te schikken.</p> + +<p>Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van +hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je +nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen +kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel +alleen voor je zelven bezit.”</p> + +<p>„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij +zullen gauw een eigen huishouden hebben.”</p> + +<p>„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je +heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een +inspectie bedreigd wordt.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="85"> </span><a id="p_85"></a></p> + +<p>„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet +het haar vragen.”</p> + +<p>„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt +toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder +den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer +begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht +zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren +en je kinderen opvoeden.”</p> + +<p>„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind +mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.”</p> + +<p>„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en +onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en +gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren +molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood +zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich +nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt +en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel +goeds en edels en verstandigs—hun doel is z heilig hun invloed z +krachtig, hun braafheid z groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil +geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet +beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te +onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij +hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen, +en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt: +'t zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="86"> </span><a id="p_86"></a></p> + +<p>„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?”</p> + +<p>„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk +bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen. +Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier +begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als <i>zij</i> doen,—iederen +dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te +wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem +niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet +en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je +gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde +bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne +gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen +openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met +hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar +heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit +in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt. +Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans, +dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze +die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden +warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is, +een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet +voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet +krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en +grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te +versieren.”</p> + +<p>„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen <span class="pagenum" title="87"> </span><a id="p_87"></a>zekerder middel +bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat +zij allerminst door verwijtingen te winnen is.”</p> + +<p>„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van +verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je +zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine +dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat +wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen +adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende, +onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel +vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan +wie ze <ins class="corr" id="corr43" title="Bron: betoont">betoond</ins> worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt +een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar +kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer +maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in +haar vlekkelooze reinheid nerknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt, +met zijn adem den eersten smet op.”</p> + +<p>„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten +wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben, +koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig +lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld, die +iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er is +tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn +vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt, +en een kinderachtig <ins class="corr" id="corr44" title="Bron: prnilen">pruilen</ins>, waarbij ze alleen om zichzelve denkt. +'t Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat <span class="pagenum" title="88"> </span><a id="p_88"></a>je niet doet wat je +doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem +reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode, +dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als +Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te +strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt +hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk +er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke +teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was. +De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou +geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet +gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te +geven.”</p> + +<p>„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat +ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te +veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde +verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen. +Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.”</p> + +<p>En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om +zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van +haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke +vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is: +en zij zullen zich laten gelden.</p> + +<p>Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het +huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het +huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der <span class="pagenum" title="89"> </span><a id="p_89"></a>olmen +van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had. +Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en +zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig, +dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama +en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen: +want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd +tusschen leven en dood zweeft?</p> + +<p>Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel +te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden; +eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf +gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui +altijd hadden tegengehouden.</p> + +<p>Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met +vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen +dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie +van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en +vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een +prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige +manier den baas over Johan, die zich wer door haar leiden liet, evenals +in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en +Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als +Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom.</p> + +<p>En hier eindigt mijn verhaal.</p> + +<p>En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene +<i>uitdrukken</i>, het andere <i>onderdrukken</i> moet. Liefde, vreugde, hoop, +geloof, medelijden, behooren <span class="pagenum" title="90"> </span><a id="p_90"></a>tot de dingen, die wij moeten uitdrukken, +openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak, +liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen, +<i>terughouden</i>.</p> + +<p>Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die +<i>terughouding</i> op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer +toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van +haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote +wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat +onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't +onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen +der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander +lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat +er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige +dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen +te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen +gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan +om de edelste gemoedsaandoeningen en de <i>liefde</i> in een lijkkleed +wikkelen?</p> + +<p>Doch er zijn wer anderen, en hun getal is legio—misschien behoort +gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige +gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in +hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt, +dat instinct volstrekt niet gevoelen.</p> + +<p>'t Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn +uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen +liefhebben, eeren <span class="pagenum" title="91"> </span><a id="p_91"></a>en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf +wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt +schuchter het venster uit en draait aan de deurklink.</p> + +<p>Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn, +verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde! +„<i>Ik haat</i>” zegt men hardop en met kracht: „<i>Ik bemin</i>” niet dan met +eene weifelende stem en een blos op 't gelaat.</p> + +<p>In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door +gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven +in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te +bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw +verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons +het meeste benauwt en beklemt.</p> + +<p>Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en +geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die +zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen +maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en +beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid +maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen. +Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren, +bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met +elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie +hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding +dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu +knoppen noch bloesems kan voortbrengen.</p> + +<p>Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor <span class="pagenum" title="92"> </span><a id="p_92"></a>hen over +hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal +voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen +<ins class="corr" id="corr45" title="Bron: licht">ligt</ins>,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit +ne: dat ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, +beantwoorden?</p> + +<p>Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen +hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en +samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu +ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen.</p> + +<p>Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets +anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het +geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.”</p> + +<p>Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet +gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan +worden.</p> + +<p>„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit +geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog +meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik, +wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen, +die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet.</p> + +<p>Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze +vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en +vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen +liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook +niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en tergevoelige, +wekken ze allicht door overmaat een <span class="pagenum" title="93"> </span><a id="p_93"></a>soort van tegenzin op. Maar dan +blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over, +waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood n +gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort +van attenties was.</p> + +<p>'t Is een dwaasheid<ins class="corr2" id="corr46" title="Bron: ."></ins> te denken, dat wie familie van elkander zijn, +natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie +zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel +gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een +tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook +door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen, +in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, wer tot enkele +verloopen.</p> + +<p>Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke +manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de +Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene +aangeboren bedeesdheid.</p> + +<p>„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te +zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo.</p> + +<p>„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?”</p> + +<p>„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.”</p> + +<p>Maar wat is vleierij?</p> + +<p>Vleierij is <i>onoprechte</i> lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of +een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in +hen vinden, dat is geen vleien.</p> + +<p>Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen, die +zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze wel +denken moeten: <span class="pagenum" title="94"> </span><a id="p_94"></a>we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn zoo +bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te +maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en +eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem +en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg +zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan +de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch +niet laten merken!</p> + +<p>De andere oorzaak onzer <i>terughouding</i> noemde ik onze bedeesdheid. Er +zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been, +waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij +kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig +het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen +lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe +vrienden te <i>wezen</i> maar 't ook te doen <i>blijken</i>, dat wij het zijn. Wij +kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze lippen +zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende +oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch +schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een +woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein +dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat +eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen +naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in +de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde +melodie van liefde zullen aanheffen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="95"> </span><a id="p_95"></a></p> + +<h2><a id="HOOFDIGHEID"></a>HOOFDIGHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="96"> </span><a id="p_96"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="97"><br /> </span><a id="p_97"></a></p> + +<p class="vosnr">IV.</p> + +<p class="voskop">HOOFDIGHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken +te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers +niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.</p> + +<p>Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie +onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.</p> + +<p>'t Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als +de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen, +die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove +zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing +noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend +beschouwd, om er van den prekstoel tegen te ijveren; zij schijnen z +beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die +kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog +gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van +het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.</p> + +<p>Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt +tot het verwoesten der wijngaarden <span class="pagenum" title="98"> </span><a id="p_98"></a>van huiselijk geluk,—ja, die meer +druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet +gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn +zevental gaf ik hem den naam van <i>hoofdigheid</i>; anders,—'t was +misschien beter geweest,—<i>doordrijverij</i>.</p> + +<p>Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit +overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is. +Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons +leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen +zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel +moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding +eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare +eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen +verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te +houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en +zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het +andere. De taaiheid waarme zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi, +de koppigheid, waarme een muilezel zijn vier pooten schrap zet en +slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die +eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde +eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste +lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche en +edele daden volbracht worden.</p> + +<p>Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze +eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij +instinct handelt, en niet luistert <span class="pagenum" title="99"> </span><a id="p_99"></a>naar rede of geweten,—'t is wat wij +in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”</p> + +<p>Dit <i>dierlijk</i> instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met +hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des +te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand +bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.</p> + +<p>In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel, +vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte die +aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit een +ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De +timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw +nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te +schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst +worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze z maar noemen—zijn precies +in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en +gebruiken gengageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang +dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde +met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken +present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen; +uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken, +en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen, +zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige, +stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen +het geval is.</p> + +<p>Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen +overeenstemmen en harmonieeren in de <span class="pagenum" title="100"> </span><a id="p_100"></a>dingen des geestes,—die van +dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen +voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het +eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan +het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er +voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathin +en antipathin duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te +maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden, +en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst +op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch +eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.</p> + +<p>Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt en +'t jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen zij +zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid van +een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te +verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen +zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw +Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over +„zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen boom +de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat zij +daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven. Zij +heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden +opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende +populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan +duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een +<span class="pagenum" title="101"> </span><a id="p_101"></a>logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken! +<i>Zij</i> weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit +aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom +op te sluiten; en <i>hij</i> weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan +zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten +draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden +staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd +worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De +natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet +met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der +vogels.</p> + +<p>Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun +gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen +met elkander, en beginnen een nest te bouwen, <i>alias</i> een huishouden op +te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de +partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en +van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.</p> + +<p>Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen, +zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe +niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den +kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden +smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak +vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor +elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten +en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen +bestaat in de hoogste aangelegenheden. <span class="pagenum" title="102"> </span><a id="p_102"></a>Beiden zijn edel van hart +en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van +smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat +het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen +naam verdient, dan: <i>een jaar van gevechten</i>.</p> + +<p>Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig +opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met +elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als +bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit +te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het +loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.</p> + +<p>De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er +geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles +volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en<ins class="corr2" id="corr47" title="Bron: en"></ins> zijn +zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een +<i>gevoelen</i>, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld +zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo +nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin +kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!</p> + +<p>'t Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar +luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over +de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in +'t bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij +die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar +telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe +woning te voeren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="103"> </span><a id="p_103"></a></p> + +<p>De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.</p> + +<p>„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.</p> + +<p>„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.</p> + +<p>„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet +komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit +anders dan voor de ramen zien staan.<ins class="corr" id="corr48" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet +wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dr, in +den hoek. Probeer het maar eens!”</p> + +<p>„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de +heele kamer bederven.”</p> + +<p>„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de +piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje +het wezen zal, om dr te zitten.”</p> + +<p>„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,” +brengt mevrouw in 't midden.</p> + +<p>„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je +meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei +hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”</p> + +<p>„Maar ik kan er mij nooit <ins class="corr" id="corr49" title="Bron: m">me</ins> vereenigen, dat de piano zoo in +een hoek gestopt wordt”, zegt Hero. „<i>Ik sta er op</i>, om haar voor het +raam te zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en +van mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”</p> + +<p>„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik +dat van mijn kant even goed doen.”</p> + +<p>„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van +de vrouw hoort.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="104"> </span><a id="p_104"></a></p> + +<p>„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de +huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er +een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”</p> + +<p>„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat +het mij displezier doet,” zegt mevrouw.</p> + +<p>„En mij dunkt, dat <i>jij</i> iets niet zoo moest doordrijven als je weet, +dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.</p> + +<p>En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt +ze:</p> + +<p>„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden, +als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!” +Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter +ongelukkig met zijn overwinning is.</p> + +<p>Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op +een koffer zitten.</p> + +<p>„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel +geven.”</p> + +<p>„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten, +dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”</p> + +<p>„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we +kinderen waren.”</p> + +<p>„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”</p> + +<p>„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar +ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”</p> + +<p>„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de +piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de +kamer binnen <span class="pagenum" title="105"> </span><a id="p_105"></a>kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de +noten te zien.”</p> + +<p>„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak +niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet. +'t Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”</p> + +<p>Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde +manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten +volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar +ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is, +zoodat aan werskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig +meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien +woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en +hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij +zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden +van de groote wereld houdt, zonder eenig ide van orde en bevallige +schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles +de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht +den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst +door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer +geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet +je toch toestemmen, dat <i>ik</i> gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein +is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.</p> + +<p>Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte +kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van +hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd +overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking +<span class="pagenum" title="106"> </span><a id="p_106"></a>veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den +bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het +genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen z veel te +boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre +niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander +gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden +hebben, ernstig kan bedreigd worden.</p> + +<p>Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte, +maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat +dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het +nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar +Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slatje +voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander +is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te +hebben, schuift hij zijn bord op zij.</p> + +<p>„Beste! smaakt de sla je niet?”</p> + +<p>„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”</p> + +<p>„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.” +En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.</p> + +<p>„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van +suiker en azijn over de sla.”</p> + +<p>„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren +immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,” +voegt ze er bij op een vleiende toon.</p> + +<p>„Lieve! ik probeer <i>nooit</i>, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd +heb. Ik houd me maar bij het oude.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="107"> </span><a id="p_107"></a></p> + +<p>„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”</p> + +<p>„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar +ik niet van houd.”</p> + +<p>„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren. +'t Is er net mee als met olijven: ik heb wel<ins class="corr2" id="corr50" title="Bron: wel"></ins> eens gehoord, dat +enkele menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of +wat gegeten hebben, worden zij er dol op.”</p> + +<p>„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen, +daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”</p> + +<p>„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij +dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden +te schikken.”</p> + +<p>„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met +suiker en azijn houdt.”</p> + +<p>„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord, +dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”</p> + +<p>„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar +heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw +veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen +zeggen.”</p> + +<p>„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets +niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.</p> + +<p>„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en +altijd mijn zin doen<ins class="corr" id="corr51" title="Bron: ,">.</ins>”</p> + +<p>„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van +aan is.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="108"> </span><a id="p_108"></a></p> + +<p>„Dat zie ik nog niet in.”</p> + +<p>„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”</p> + +<p>„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”</p> + +<p>„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.</p> + +<p>„Dat heb je toch glad mis.”</p> + +<p>Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Mogen we eindelijk daarin slagen—<br /></div> + <div class="i1">Wie verlangt en bidt het niet?—<br /></div> + <div class="i0">Dat wij z ons zelven zagen,<br /></div> + <div class="i1">Als ons ieder ander ziet.<br /></div> +</div> +</div> + +<p>„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke +verhooring mag vinden, lieve!”</p> + +<p>„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken<ins class="corr" id="corr52" title="Bron: .">,</ins>” zegt Hero.</p> + +<p>„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij wer. +„Waarom kunnen wij elkar toch niet met vrede laten?”</p> + +<p>„Jij bent begonnen.”</p> + +<p>„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, <i>jij</i>.”</p> + +<p>„Stellig niet. Leander! jij begon.”</p> + +<p><ins class="corr2" id="corr53" title="Bron: „"></ins>Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de +respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en +stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al +is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden +maken.</p> + +<p><i>Zij</i> zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd <ins class="corr" id="corr54" title="Bron: zo">z</ins> +hebben, als je ze 't liefst hebt,” en <i>hij</i> zou kunnen zeggen: „Lieve! als +je 't graag hebt zal ik <span class="pagenum" title="109"> </span><a id="p_109"></a>eens probeeren of ik van de sla, zooals jij ze +klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede, dan +zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander het +maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan een +paar koeien, die ik eens in een we heb zien staan met de horens vlak +tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of +achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig +volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel +heeft het niets uit te staan.</p> + +<p>De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar +getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie +gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer +hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den +ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de +vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de +boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden, +zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken, +als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar +eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen. +Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der +schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er +bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en +godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op +de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.</p> + +<p>Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er <span class="pagenum" title="110"> </span><a id="p_110"></a>duizende kleine +geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties, +waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin +iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”</p> + +<p>Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat +hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de +eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer +hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't +Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen +als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet +worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten +en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk +ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige +overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich +met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig +als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze +somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van +huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en +voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel +uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven +als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tween weet +te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard +verderft.</p> + +<p>Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht +dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en +anderen spreken, en zich verwonderen, dat het z met hen is, als het +is, <span class="pagenum" title="111"> </span><a id="p_111"></a>maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere +door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten +omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de +behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen +in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't +karakter hunner vrienden geldt.</p> + +<p>„Maar <i>ik</i> zou zulke tooneelen niet met <i>mijn</i> vrouw willen hebben,” +zegt Don Positivo. „<i>Ik</i> zou zoo'n verstandige vrouw niet willen trouwen; +zoo een is altijd eigenwijs en lastig. <i>Ik</i> zoek een vrouw, die zacht en +gedwee is, die al mijn ideen van mij overneemt en zich geheel naar mijn +smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad gezichtje, +zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op aan kan, dat +zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn hemel, die +nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.</p> + +<p>Als ik nu n raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen +zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een +domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog +niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.</p> + +<p>Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan +hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van +hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen, +en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert +schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman +gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en +precies op dezelfde manier.</p> + +<p><span class="pagenum" title="112"> </span><a id="p_112"></a></p> + +<p>Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de +meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen +wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal: +vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan +zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een +onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en +eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij +hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die +dingen heb ik geen verstand; ik wo alleen maar, dat Jantje van school +genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze +heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in +n woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare +wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van +haar kunne.</p> + +<p>Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen +eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede +kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te +gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard +was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is +ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar +eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar +ongelukkig de man<ins class="corr" id="corr55" title="Bron: .">,</ins> die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk +instinct van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand +gelijk nul is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een +vrouw overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw, +waarop <span class="pagenum" title="113"> </span><a id="p_113"></a>hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet.... dat +wordt op den duur onuitstaanbaar.</p> + +<p>Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen, +door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen, +waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die +gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd +worden?</p> + +<p>Lees het werk van Mevrouw <span xml:lang="en">Ellis</span>, getiteld: <i>De engelsche vrouwen</i> en gij +zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen leeren +daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden +overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw +maar n ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden, +altijd juist te weten, wat hij wil. „<i xml:lang="fr">L'tat, c'est moi</i>,” is de +les, die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw <span xml:lang="en">Ellis</span> leert, en uit de +voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken, dat +dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het +huwelijksleven toegepast wordt.</p> + +<p><span xml:lang="en">Miss Edgeworth</span> laat haren generaal <span xml:lang="en">Clarendon</span> tegen zijn begaafde en +bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een +deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de +sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo +vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de +arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot, +zich aan een leugen schuldig maakt.</p> + +<p>In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar +moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die +vroeger een <span class="pagenum" title="114"> </span><a id="p_114"></a>ander bemind had, tot <i>zijne</i> vrouw te nemen; en daarom +verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,<ins class="corr" id="corr56" title="Niet in Bron.">”</ins> dat +tot de ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en +meester aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen +van haar ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met +de vraag, die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: +„Cecilia! is dit <i>uw</i> schrift?”</p> + +<p>De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig +voor, hoe vast ze aan het goddelijk <ins class="corr" id="corr57" title="Bron: echt">recht</ins> van den man gelooven. B. v. +ga eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: +<i>Agatha's echtgenoot</i> genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon +meisje, dat veel fortuin heeft. Vr het huwelijk ontdekt hij, dat +haar broeder, die voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een +schandelijke wijze bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen +door de grootste zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de +leerzame strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar +held een plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch +aan iemand anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden +is.</p> + +<p>Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar +man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en +genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar +eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van +met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien +zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen +zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid <span class="pagenum" title="115"> </span><a id="p_115"></a>in, hem te +houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert +deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht +behandeld wordt, ja, ze is nu en dan z bedorven, dat ze (al is het +dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man +de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door +'t heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de +waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon +bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met +de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen +verdenken.</p> + +<p>De schrijfster van <i xml:lang="en">Jane Eijre</i> beschrijft de verhouding tusschen <span xml:lang="en">More</span> +en <span xml:lang="en">Shirley</span> gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof +er over het dresseeren van een paard <ins class="corr" id="corr58" title="Bron: word">wordt</ins> gesproken. <span xml:lang="en">Shirley</span> +is wat lastig en stijfhoofdig, en <span xml:lang="en">More</span>, haar minnaar en leermeester, +geeft haar <i xml:lang="fr">Le cheval dompt</i> ten gebruike bij de Fransche les: een +kiesche manier om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te +werken. Als ze dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk +toegeeft, spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.</p> + +<p>„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”</p> + +<p>En zij <ins class="corr" id="corr59" title="Bron: antwoord;">antwoordt:</ins></p> + +<p>„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn +stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn +voet zal ik rusten.”</p> + +<p>De begaafde schrijfster van „<i>Nathalie</i>” schildert den strijd van +een jong meisje, dat gengageerd is met een man, die veel ouder dan +zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een +allerzonderlingst gedrag, <span class="pagenum" title="116"> </span><a id="p_116"></a>maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op +een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert: +zoo een van zijn beste vrienden ook maar n oogenblik aan zijn eer +twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was +het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!</p> + +<p>Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd +lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid +en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn +geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er +bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen, +of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter +gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken +over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt, +vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te +verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen +zijn.</p> + +<p>Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te +strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en +hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de +schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie; +die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot +maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt +haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans +bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer, +vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, <span class="pagenum" title="117"> </span><a id="p_117"></a>voor +hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar n +verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook +beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij +hem wil blijven, <i>mag</i> blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van +den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar +een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar +lieven man.</p> + +<p>Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de +oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof +mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.</p> + +<p>Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken +haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn +handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies +te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bront +zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't +grootste geluk houdt, een schilderij juist z te hangen en een piano +juist z te zetten, als hij het graag heeft.</p> + +<p>Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met +een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich +evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij ten +minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte +opperheerschappij in huis.</p> + +<p>De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk +vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't +bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="118"> </span><a id="p_118"></a></p> + +<p>Onze president<a id="FNa_1" href="#FN_1" class="fnanchor"><sup>1</sup>)</a> is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn +persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem, +omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er +in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende +stem is.</p> + +<p>De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het +huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen, +de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand +van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting +heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht +eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den +president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan +de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking +de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen +moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen, +alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen. +Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders +persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die +op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet +in, dat hij, door z iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?</p> + +<p>Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook +Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende +punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man +<span class="pagenum" title="119"> </span><a id="p_119"></a>bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit +almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat +hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de +Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan +wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle +geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar +menschen wonen.</p> + +<p>Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en +kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de +dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over +'t woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor +een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor +een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te +weigeren.</p> + +<p>Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als +vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant +wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij +aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de +overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer +het geen dienstzaken geldt.</p> + +<p>Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee +rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze +negentiende eeuw even dwaas.</p> + +<p>Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun +goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man +een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht, om +in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en +liefhebberijen der zijnen <span class="pagenum" title="120"> </span><a id="p_120"></a>heerschappij te voeren. Even weinig als hij +'t zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even +weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar +zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn +vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't +fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer +nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van +zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn +beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw +volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan +onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat <i>zonde</i>.</p> + +<p>'t Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een +enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar +zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven +en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles +maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.</p> + +<p>Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne +eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is +'t gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn +gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring +aanbiddend nerknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een +rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker, +dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte +Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.</p> + +<p>De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn, +moeten natuurlijk geregeld worden, <span class="pagenum" title="121"> </span><a id="p_121"></a>maar niets dwazer, niets verkeerder +voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het +romantische, al het potische, al het schoone is voor altijd uit 't +huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te +strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien +aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen, +zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.</p> + +<p>Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het +toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven +kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.</p> + +<p>Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs +stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe +men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in +hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de +gemakkelijkheid, waarme de een zich voegt naar den ander, diens vormen +overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen +laat<ins class="corr" id="corr60" title="Bron: ,">.</ins></p> + +<p>In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles +heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende, +kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen, +naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het mebrengt. Wat het +bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het +bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen +mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt +en krachtig beheerscht.</p> + +<p>Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder <span class="pagenum" title="122"> </span><a id="p_122"></a>strijd te voeren +dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste +gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking +van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.</p> + +<p>Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen n, gebeuren, dat zulk +een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een +geheel tegenstrijdig karakter.</p> + +<p>De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich +geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum +weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en +papillotten van quitantin maakt;—of ook een keurig net meisje, wier +zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf, +schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige +laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit +jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om +wordt.</p> + +<p>Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van +de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als +ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke +hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?</p> + +<p>Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat +de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te +kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten +wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te +richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe +redelijk 't een of ander <span class="pagenum" title="123"> </span><a id="p_123"></a>ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan +ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te +geven tot huiselijke oneenigheid.</p> + +<p>Vooral n manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die +hoofdigheid, waarme iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem +gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te +verdedigen.</p> + +<p>Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat +met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.</p> + +<p>„Kijk dan maar op mijn horloge.”</p> + +<p>„Je horloge loopt niet goed.”</p> + +<p>„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”</p> + +<p>„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vr.”</p> + +<p>„Neen, beste! dat heb je mis.”</p> + +<p>„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren +zeggen?”</p> + +<p>„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten +maken.”</p> + +<p>„Hoe kan je <i>dat</i> nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”</p> + +<p>„Lieve! je hebt het mis.”</p> + +<p>En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord +wil hebben.</p> + +<p>Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de +huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de +heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf +doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn, +dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar +is,—laat er grond wezen of niet <span class="pagenum" title="124"> </span><a id="p_124"></a>voor honderd kleine aanmerkingen, die +wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie +over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit +die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door +verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde +overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs +geven?</p> + +<p>Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u +er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan +redeneeren.</p> + +<p>Zulk een woordenstrijd, vr en tegen, waarbij elke partij maar al te +gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder +na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt +middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking +heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan +vroeger.</p> + +<p>Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde +opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig +wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk +te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en +welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.</p> + +<hr /> + +<p>Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een +oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een +vers of wat viel hem daarbij in, waarin z juist al wat hij gezegd had +werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met +die verzen zijn lezing eindigde:</p> + +<p><span class="pagenum" title="125"> </span><a id="p_125"></a></p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> + <div class="i0">Helaas! hoe nietig klein een reden<br /></div> + <div class="i1">Verwijderd soms een huwlijkspaar,<br /></div> + <div class="i0">Dat onder 's werelds tegenheden<br /></div> + <div class="i1">Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar;<br /></div> + <div class="i0">Wier liefde stormen en gevaren<br /></div> + <div class="i1">Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,<br /></div> + <div class="i0">Gelijk een schip in 't hart der baren<br /></div> + <div class="i1">Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Een enkel woord, een enkel teeken;<br /></div> + <div class="i1">Een enkle blik verkeerd verstaan:<br /></div> + <div class="i0">Een ademtocht—en 't is bezweken<br /></div> + <div class="i1">Wat door geen stormen kon vergaan.<br /></div> + <div class="i0">Na 't eerste woord volgt ras een tweede,<br /></div> + <div class="i1">Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:<br /></div> + <div class="i0">Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,<br /></div> + <div class="i1">Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—<br /></div> + <div class="i0">Klonk toovrend toen in al hun spreken<br /></div> + <div class="i1">De zachte toon der teerheid door,—<br /></div> + <div class="i0">Voor altijd is die straal geweken,<br /></div> + <div class="i1">En ging die liefdeklank te loor.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Een wolk, door storm uiteengereten,<br /></div> + <div class="i1">Is beider hart gelijk,—een vliet,<br /></div> + <div class="i0">Die boven langs de heuvelketen<br /></div> + <div class="i1">In dartel spel haar watren schiet,<br /></div> + <div class="i0">Alsof ze nimmer zouden scheiden;<br /></div> + <div class="i1">Maar, eer zij nerstort in de beemd,<br /></div> + <div class="i0">Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,<br /></div> + <div class="i1">Voor eeuwig van elkaar vervreemd.<br /></div> +</div> +</div> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"><p><a id="FN_1" href="#FNa_1" class="label"><sup>1</sup>)</a> Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van +Amerika woonde.</p> + +<p class="mixcap right ri1">Vert.</p></div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="126"> </span><a id="p_126"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="127"><br /> </span><a id="p_127"></a></p> + +<h2><a id="ONVERDRAAGZAAMHEID"></a>ONVERDRAAGZAAMHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="128"> </span><a id="p_128"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="129"><br /> </span><a id="p_129"></a></p> + +<p class="vosnr">V.</p> + +<p class="voskop">ONVERDRAAGZAAMHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”</p> + +<p>„Ik zal een preek houden over <i>onverdraagzaamheid</i>,” gaf ik mijn vrouw +ten antwoord.</p> + +<p>„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”</p> + +<p>„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer +kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb +geprekt—een van „de kleine vossen””.</p> + +<p>Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven +bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl +toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel +is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid +onzer menschelijke natuur<ins class="corr" id="corr61" title="Niet in Bron.">.</ins></p> + +<p>Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben +nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens +op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil +niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn +onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige +gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn +onverdraagzaam. En huisvaders <span class="pagenum" title="130"> </span><a id="p_130"></a>en huismoeders zijn onverdraagzaam, +hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus, +dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.</p> + +<p>Mevrouw Perfect prekt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de +tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Domin +Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.</p> + +<p>„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,” zegt +Mevrouw Perfect; <ins class="corr" id="corr62" title="Niet in Bron.">„</ins>het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n +kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”</p> + +<p>„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen +met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge +niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche +gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te +maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en +vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal +niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een +huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar +heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles z in de puntjes +wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en +wat beweging in de open lucht neemt?”</p> + +<p>„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel, +zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste +stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van +den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde +schepsels.”</p> + +<p>„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, <span class="pagenum" title="131"> </span><a id="p_131"></a>hier over de deur, +met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”</p> + +<p>„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als +ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg +vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”</p> + +<p>„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”</p> + +<p>„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig +zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij +zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is. +Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo +vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vr 't +ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom, +ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen +stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid +is. Ik maak altijd de onderkleren van mijn man en van mijn kinderen, +en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch +weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en +boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”</p> + +<p>„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt +afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmo?”</p> + +<p>„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vr +Kersttijd wezenlijk mo was, nadat ik op n dag achttien taarten en +tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe. +Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als <span class="pagenum" title="132"> </span><a id="p_132"></a>wij een ritje +naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou +gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang +vertroeteld.”</p> + +<p>„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan +doen van de schreeuwende kinderen...”</p> + +<p>„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen +schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik +zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even +als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om +tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren +ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een +slapeloozen nacht bezorgd.”</p> + +<p>„En als zij tanden kregen?”</p> + +<p>„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door, +net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite me; 't hangt alles +maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben +met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”</p> + +<p>„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch +onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”</p> + +<p>„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men +wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”</p> + +<p>„Maar dat ne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht +samen. Het schreeuwt z geweldig dat er alle nachten iemand me over de +kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw +zelve wordt er ziek van.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="133"> </span><a id="p_133"></a></p> + +<p>„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een +verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts +over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad +hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil +zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik +nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen +notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken +gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen +schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier +tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo +merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”</p> + +<p>„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw +kinderen waren het ook.”</p> + +<p>„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook +niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik +ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat +het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”</p> + +<p>Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het +model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd +vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft +niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken +nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze +nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft +mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er <span class="pagenum" title="134"> </span><a id="p_134"></a>is een knoop van +mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep +nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd +gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan +huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste +puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet, +altijd in de wer, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en +nooit vermoeid.</p> + +<p>Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is +zij bovendien lid van allerlei liefdadige comit's, maakt handwerkjes +voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is +altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij +heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.</p> + +<p>Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur +<span xml:lang="es">Torquemada</span>. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het +afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de +maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld +<ins class="corr" id="corr63" title="Bron: em">en</ins> met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden +noch jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de +mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare +zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen +hebben.</p> + +<p>Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld +voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant, +die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd +zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en <span class="pagenum" title="135"> </span><a id="p_135"></a>over dag +sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder +de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde +manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij +zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen +of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig, +als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan +wezenlijk <i>haar</i> schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en +aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden +volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden +over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is +voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen +heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.</p> + +<p>Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en +krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen +van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit +in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige +juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip +over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke +colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diet +voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een +evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?</p> + +<p>Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig +heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste +huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen, +dat <span class="pagenum" title="136"> </span><a id="p_136"></a>allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder +op anderen inbreuk te maken.</p> + +<p>Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te +begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid +en ongedwongenheid me; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en +ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de +gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan +hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been +voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of +tijdschrift voor een geleerden log, die zich anders vervelen zou; een +vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor +grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens +baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de +kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond +geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den +ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in +breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.</p> + +<p>Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het +huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij +zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in +dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende +daaruit voorkomt?</p> + +<p>Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel +verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee +sympathien, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van +verschil over. <span class="pagenum" title="137"> </span><a id="p_137"></a>'t Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn +elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken, +omdat het zoo wezen <i>moet</i>; maar in plaats daarvan brengen de meesten +hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat +van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't +zich nu maar niet naar hen schikken.</p> + +<p>Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht +is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken +waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen +afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij +nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man +van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader +en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden +gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al +denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn <i>fort</i> +niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap: +ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang +gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen +kan: en raken we soms ergens me verlegen, omdat wij geen van beiden er +raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”</p> + +<p>Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek me is, +een van die tere vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen +schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij +getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden +of haar kunde en bedrevenheid <span class="pagenum" title="138"> </span><a id="p_138"></a>in de dingen van het dagelijksche leven, +en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn +en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met +huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig +maken door ieder oogenblik wer te zeggen, hoe zijn moeder gewoon +was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje +bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze +nooit van regel en gewoonte afweek?</p> + +<p>'t Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster +verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch +overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken, +van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter +dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar +veren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en +haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen +heeft, moet hij het ook als iets ters en kostbaars beschouwen, het +verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo +iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij +ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het +eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw +verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en +teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar +eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om +dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="139"> </span><a id="p_139"></a></p> + +<p>Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een +begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende +gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met +elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, n met hen n +onderling, in geaardheid.</p> + +<p>De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel +toebehoort en waarme zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het +wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien +eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders +bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop +aangewezen, dien het te volgen heeft.</p> + +<p>Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins +gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen +van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo +keurig als madame de Stal zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en +volmaakt.</p> + +<p>Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest +haar een bloemlezing uit <span xml:lang="en">Milton</span> voor, als zij nog pas acht jaar oud is, +en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de +eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het +nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig, +huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg +heeft voor koken en strijken dan voor pozie en geleerdheid, dan is hij +teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig +gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet +kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan <span class="pagenum" title="140"> </span><a id="p_140"></a>'t +geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard +onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig +leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den +uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te +promoveeren.</p> + +<p>Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't +koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een +dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder +haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome, +Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft, +zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te +onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende, +flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die +onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild!</p> + +<p>Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe +gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren +huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar +huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis +toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om +uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij +het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet +geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot +ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan +later de gebreken, die het heeft, te verhelpen.</p> + +<p>Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kan <span class="pagenum" title="141"> </span><a id="p_141"></a>met allerlei +gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen +hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de +spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij +ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden, +al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen +werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te +worden als 't er niet al te best me gaat. Maar laat ze dan ook even +veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar +flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't +maar goed doet, te vatten.</p> + +<p>Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand +bestemt. Hij moet de <span xml:lang="en">Danil Webster</span> van de familie worden. De jongen +is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder +van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op +abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt, +hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel +paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of +heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten; +met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de +buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is +hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en +verdient wat hij zegt, wl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid +tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't +onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk +voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord, <span class="pagenum" title="142"> </span><a id="p_142"></a>tusschen den volmaakt- +en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk +stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een +gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels +door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studin, +van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en +tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde +wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den +ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter +van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman +kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust +in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt +voor dat ne, waartoe zijn ouders hem reeds vr zijn geboorte blindweg +bestemd hebben.</p> + +<p>Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond +hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en +nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn +katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan +heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar +doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij +verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en +verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan, +hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en +de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en +die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en +proparoxytona, paroxytona worden, <span class="pagenum" title="143"> </span><a id="p_143"></a>als de laatste lettergreep lang wordt +terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep +kort is. Daar elk van deze regelen wel wer zestien uitzonderingen +heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele +gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het +mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en +haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder +er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der +klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen.</p> + +<p>Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat +zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht +tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds mebrengt en derhalve ter +nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een +andere, niet minder goede soort van jongens z veel bezwaren heeft, dat +deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de +tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of +domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen +bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen z te overspannen, dat zij +nergens meer geschikt voor waren.</p> + +<p>Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en +werktuigkunde had, was altijd nommer n op de middelbare school. Hij +behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij me en zoo trotsch op, +als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug van +bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van +woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamen +<span class="pagenum" title="144"> </span><a id="p_144"></a>hem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe +minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te +vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al +van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven van +<ins class="corr" id="corr64" title="Bron: grieksche">Grieksche</ins> accenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn +best,—die jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd +achteruit gezet, altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, +kon niet opwerken tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem +stonden. Hij begon te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige +knappe jongen is door zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en +voor de maatschappij verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals +een groote kolenzeef; elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, +moet er doorheen vallen. Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu +juist niet veel op aan; maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens +gebruikt werd, om steenkolen van diamanten te ziften?</p> + +<p>„Die arme jongen!” zeide <span xml:lang="no">Ole Bull</span> medelijdend toen iemand van de tre +van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht me +te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan<ins class="corr" id="corr65" title="Bron: ,">.</ins> Wie weet, hoeveel +verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!”</p> + +<p>De geestige <span xml:lang="de">Heinrich Heine</span> zegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn +jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als +zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor, +omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in +den accusativus op <i xml:lang="la">im</i> uitgaan.”</p> + +<p>Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche en <span class="pagenum" title="145"> </span><a id="p_145"></a>Latijnsche +schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode +talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met +de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest +daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar +langs dat ne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien nen +hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk land +van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie van +het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen, die niet +in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in geregelde +volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige +naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op +te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken +oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel +kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er +van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen +gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der +Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille +met aanhalingen uit de „Aenes” volschreef en bloemlezingen uit zijn +Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn +taalregels op de pijnbank zette.</p> + +<p>Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die +de lijst van zelfstandige naamwoorden op <i xml:lang="en">y</i> met het meervoud in +<i xml:lang="en">ies</i> en de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen +onder ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend +spreker iets baten, of hij <span xml:lang="en">Murray's Grammar</span> <span class="pagenum" title="146"> </span><a id="p_146"></a>van A tot Z kan opzeggen? +Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend?</p> + +<p>Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo +afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes. Er +is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er +inkomen<ins class="corr" id="corr66" title="Niet in Bron.">.</ins> Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat +te hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om +met de rijstebrij te beginnen.</p> + +<p>Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is +uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens +en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken, +en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe +letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger, +natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen +bestaat.</p> + +<p>Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig +huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder +jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op de +<ins class="corr" id="corr67" title="Bron: latijnsche">Latijnsche</ins> school gaan, of anders gooit hij zijn naam en +eer te grabbelen.</p> + +<p>„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste. +„Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn +overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult +er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.”</p> + +<p>„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer +Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd +krijgen. Ik <span class="pagenum" title="147"> </span><a id="p_147"></a>heb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon, +wat ik gevoel, terwijl ik daarme bezig ben. En ik zou niet altijd de +laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen +worden.”</p> + +<p>Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt om +iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een +manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem +onthield,—wat gebeurt er dan?</p> + +<p>Hij loopt den cursus door, <i>of</i> als een huichelaar, zijn meester en zijn +ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—<i>of</i> hij +doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met dat +al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn +geheele leven.</p> + +<p>Als men eens in de geleerde opvoeding die ne methode niet zoo +uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het +groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten, +zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs +was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke +en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel +vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te +zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in +zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid.</p> + +<p>„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t +is een goede oefening voor den geest.”</p> + +<p>Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting.</p> + +<p>Als een jongen geleerd heeft, dat in den <span xml:lang="la">genitivus</span> <span class="pagenum" title="148"> </span><a id="p_148"></a><span xml:lang="la">pluralis</span> van de +eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep een +circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen zijn: 1. +Dat de <span xml:lang="la">feminina</span> der <span xml:lang="la">adjectiva</span> en <span xml:lang="la">participia</span> +op—ος,—η—ον +in den <span xml:lang="la">genitivus pluralis</span> hetzelfde accent hebben als de +<span xml:lang="la">masculina</span>, maar dat andere <span xml:lang="la">adjectiva</span> en <span xml:lang="la">participia feminina</span>, in den +<span xml:lang="la">genitivus pluralis perispomena</span> zijn; 2. Dat de <span xml:lang="la">substantiva</span> +<span xml:lang="el">χρῄστης, +ἀφύη, +<ins class="corr" id="corr68" title="Bron: ὲτησίαι">ἐτησίαι</ins></span> +en +<ins class="corr" id="corr69" title="Bron: χλουνης" xml:lang="el">χλούνης</ins> +in den <span xml:lang="la">genitivus pluralis +paroxytona</span> blijven,—ik zeg, wanneer een jongen dit en twintig van die +dingen uit zijn hoofd geleerd heeft, dan is zijn geest geen zier meer +ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst memoriseert van de oudste dertien +Staten van Noord-Amerika, het getal en de namen der later bijgekomene, +den tijd van hunne aanneming en hun bevolking, hun handel, hun bedrijf, +enz. Dat zijn ook niets meer dan geheugenoefeningen, maar 't zijn dan +ten minste nog oefeningen in dingen die van eenig belang zijn, en waar +men iets aan heeft.</p> + +<p>Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig +om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf +zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de +meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen, +en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal +vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen, +die met een barren Rector achter zich door de origineelen is +voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche +grammatica.</p> + +<p>Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls +ik een taal leer, zoo dikwijls <span class="pagenum" title="149"> </span><a id="p_149"></a>word ik een man,” zei Karel V,—en hij +had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door +de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de +uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme +jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien +van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor +dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen +zijn.</p> + +<p>„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland. +Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als +onze jongens leeren.”</p> + +<p>Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan +Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil +van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland +sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen +invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten, +wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen +hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze +Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft.</p> + +<p>In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften +zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond, +dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is, +moeten megedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden, +waarme anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en +geschiktheid voor hebben.</p> + +<p>Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheid <span class="pagenum" title="150"> </span><a id="p_150"></a>en van +uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende, +dan op het veel betwiste gebied van opvoeding.</p> + +<p>Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de +ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn, +met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle +kracht<ins class="corr2" id="corr70" title="Bron: ."></ins> verlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders z voor, +alsof ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar +hartelust kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun +een goed model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan +'t werk te gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk +mensch van het kind te maken.</p> + +<p>'t Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan z +iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij +herhaling betuigt, dat <i>Hij</i> kinderen opgevoed en groot gemaakt heeft, +maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht: +„Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan +heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en +hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer, +beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in +dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen +menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter +hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt?</p> + +<p>De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven +verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders +geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menig <span class="pagenum" title="151"> </span><a id="p_151"></a>moeder +werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had, +belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij +evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen.</p> + +<p>Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt +een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als +zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de +eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met +een reus moest vechten.</p> + +<p>Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet +vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar +handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot +overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken, +maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij +overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger +aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar +invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen +wel klaar krijgen.</p> + +<p>Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de +wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar:</p> + +<p>„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den +wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef +hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan +koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.”</p> + +<p>Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenmin <span class="pagenum" title="152"> </span><a id="p_152"></a>kan +opvolgen<ins class="corr" id="corr71" title="Bron: .">,</ins> +als een koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens +kan zogen.</p> + +<p>Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in +staat zijn over den wil van anderen te heerschen. <i>Zij</i> kunnen op die +manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het +in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink +afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom +nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond +hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen +drijven.</p> + +<p>Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het +beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden +niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij +missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van +die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen +slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en +niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen.</p> + +<p><i>Invloed</i> is een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar +zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren +weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld, +waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken.</p> + +<p>Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij +nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig +wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig +haar gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip +heerscht, niet bij haar woelig troepje invoeren, of ze <span class="pagenum" title="153"> </span><a id="p_153"></a>allen even zoet +houden, zooals enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven +heeft; en laat ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel +weinig schijnt wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van +menschelijke karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, +volgens het bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt.</p> + +<p>De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de +onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke +ontwikkeling der kinderen.</p> + +<p>De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt +bij den mensch, even als de doorgang der zon door de <ins class="corr" id="corr72" title="Bron: evenachtslijn">evennachtslijn</ins>, +dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen +wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war; +somtijds verandert daarbij 't karakter z geheel en al, dat het kind +voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand +van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke +wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit +overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over +te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven +verwoesten.</p> + +<p>Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet +getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om +den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen, +als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en +dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en +allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles +in <span class="pagenum" title="154"> </span><a id="p_154"></a>de war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft +een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het +liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb +maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na +verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift +zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit +groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet +veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleren scheurt, en +vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop +niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen, +kleren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en +inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op +dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed.</p> + +<p>Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van +overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt +gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het +meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de +kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien +te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school +vorderen.</p> + +<p>Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft +handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen +wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen +haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze +aangemaand voor <span class="pagenum" title="155"> </span><a id="p_155"></a>stelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur +slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en +'t resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long.</p> + +<p>Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist +in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling. +Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht +recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen +van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't +Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er +zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De +schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van +hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren +cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn +gegaan.</p> + +<p>Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ne +opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarme we hem aan den gang +kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze +groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder +bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn +eigen werk te doen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="156"> </span><a id="p_156"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="157"><br /> </span><a id="p_157"></a></p> + +<h2><a id="ONWELLEVENDHEID"></a>ONWELLEVENDHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="158"> </span><a id="p_158"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="159"><br /> </span><a id="p_159"></a></p> + +<p class="vosnr">VI.</p> + +<p class="voskop">ONWELLEVENDHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, dat +<i>onwellevendheid</i> alme de ergste verstoorster is van den huiselijken +vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en +beleefdheden, waarme men voor vreemden zoo gul is.”</p> + +<p>„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde Robbert <span xml:lang="en">Stevenis</span>. „'t Is +al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen +en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men +zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en +zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn +hoofd me te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die +elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat +moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij, +zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig +of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het +crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat +wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar +zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons +toeleggen, evenmin <span class="pagenum" title="160"> </span><a id="p_160"></a>noodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen +dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.”</p> + +<p>„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame +het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo +netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt; +maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of +houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te +komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt, +dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ook +<i>haar</i> japon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel +niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk +vreemd zijn.”</p> + +<p>„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd +of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste +wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd, +dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan +mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het +vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei +Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang +mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt, +een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en +attenties bewijzen, dan er mij met n te moeten behelpen, die altijd +maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt +geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't +ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant +leest, en den heelen avond sigaren rookt <span class="pagenum" title="161"> </span><a id="p_161"></a>of stil met een boek voor +zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in n woord, omdat hij +nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en +aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij +een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan +wil ik graag tot de dames behooren, waar hij me omgaat, maar ik zal wel +oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om +met hem te trouwen.”</p> + +<p>„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de +mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder +innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig +en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk +zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de +courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er +een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat +voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook +wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die +'t vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te +kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de +„godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar +niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel +en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als +toeschouwers.”</p> + +<p>„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei +Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar wij, +zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust <span class="pagenum" title="162"> </span><a id="p_162"></a>slaperig of +vervelend of onplezierig kunnen zijn<ins class="corr" id="corr73" title="Bron: .">,</ins> dan, dunkt mij, hebben de dames +vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren, +daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar +departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't +schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig +toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar +meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van +een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet +omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even +onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis +nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren +geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden +na te laten, die ze vr hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en +gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat +hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend +in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen +waren. Z moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man +hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny.</p> + +<p>„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik Karel <span xml:lang="en">Sedley</span> bij tijds +waarschuw.”</p> + +<p>„Karel <span xml:lang="en">Sedley</span>, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van +verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie +telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe +onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....”</p> + +<p><span class="pagenum" title="163"> </span><a id="p_163"></a></p> + +<p>„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft +niets meer te zeggen.”</p> + +<p>„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide +Jenny.</p> + +<p>„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten +kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een +andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar +met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen +juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds +zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en +elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten +te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden +onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter +wereld.”</p> + +<p>„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls +aangehaalde woorden van <span xml:lang="en">Cowper</span>:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Eenstemmigheid in een of ander<br /></div> + <div class="i0">Brengt eerst de harten tot elkander,—<br /></div> + <div class="i1">Maar zelden houdt die neiging aan.<br /></div> + <div class="i0">Tenzij innemendheid van zeden,<br /></div> + <div class="i0">Beschaafde en kiesche oplettendheden,<br /></div> + <div class="i1">Haar achteruitgang tegengaan.<ins class="corr" id="corr74" title="Niet in Bron.">”</ins><br /></div> +</div> +</div> + +<p>„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen +man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in +ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar +zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter +liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht. +De manier, waarop hij <span class="pagenum" title="164"> </span><a id="p_164"></a>met haar omging, was een volmaakt model van +allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht +het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de +boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging +alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame +bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, er <ins class="corr" id="corr75" title="Bron: wezeniijk">wezenlijk</ins> +schik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur +had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met +zijn financin wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen +verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn +zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had +alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn +aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken +behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg! +Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen, +alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken, +dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij +zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral +was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van +haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem +niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich +met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een +voortreffelijk man?”</p> + +<p>„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt +megedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als +een man zonder eer, <span class="pagenum" title="165"> </span><a id="p_165"></a>zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap, +het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij +er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer +invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van +beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een +vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde +behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en +attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat +beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.”</p> + +<p>„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert.</p> + +<p>„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een +voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik +ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier, +zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij +op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te +presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat +ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij +behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter +dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers +hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief +mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en +schoppen op den koop toe te krijgen.”</p> + +<p>„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo +als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk, +die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt +eens <span class="pagenum" title="166"> </span><a id="p_166"></a>een schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden +lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk +waard zijn.</p> + +<p>„'t Is een vaste regel, dat die natin die voor wellevendheid en +hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen +in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche +Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte +Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe +is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en +eerlijkheid te houden.</p> + +<p>„Niemand kan een <ins class="corr" id="corr76" title="Bron: fransch">Fransch</ins> werk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep +een zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk +doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een +ander onaangenaam kan zijn. Als wij op de <ins class="corr" id="corr77" title="Bron: fransche">Fransche</ins> comedies mogen +afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd +en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk, +de ruwe en ronde woorden, <ins class="corr" id="corr78" title="Bron: waarme">waarme</ins> wij iemand een brutaliteit aandoen, +in het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat +ons onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat +het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid +geeft.</p> + +<p>„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn +dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel +het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit me te deelen, en rondweg +voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en +bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken, +geen bediende <span class="pagenum" title="167"> </span><a id="p_167"></a>nu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename +gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz.</p> + +<p>„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madame +<span xml:lang="en">George Sand</span> in haar levensbeschrijving bericht over de verhouding +tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk. +Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere +bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon, +en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd +alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen +stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij +begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde +met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij het +hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid te +zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er in +haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch om +de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou +gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt zich +tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden van +'t huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele zaak +bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar +brieven, of op de hartelijkheid, waarme zij, even als altijd, haar zoon +ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem +toelaat, bij haar komt doorbrengen.</p> + +<p>„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een +onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder +zetten <span class="pagenum" title="168"> </span><a id="p_168"></a>jaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt, +alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij +door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart.</p> + +<p>„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft +bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander +uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze +noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al +geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt +goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch +leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom +nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen, +huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw +en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn, +zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.”</p> + +<p>„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo +ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in +een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant +zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan +verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander +ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel +van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn +stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje +en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't +zelfde in anderen verdragen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="169"> </span><a id="p_169"></a></p> + +<p>„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen +Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets ze +tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het +daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven +aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen +te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets +veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om +zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten +koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met +zooveel omhaal als toen wij nog gengageerd waren,—'t is immers omdat +zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat +het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knien +viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon +zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed +begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is.</p> + +<p>„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin +nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch +waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid +hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak +verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid +ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in +een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.”</p> + +<p>„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat +bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten +oprechtheid is beter <span class="pagenum" title="170"> </span><a id="p_170"></a>dan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle +liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met +wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of +andere reden, (al is 't ook nog z fijn, z kiesch) zullen bedrogen +worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel. +Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen +mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was +ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch +moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk +leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der +oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten.</p> + +<p>„Wil iemand weten, wat ik hierme bedoel, dan verwijs ik hem naar de +gedenkschriften van <span xml:lang="en">De Tocqueville</span> dien ik voor een ideaal van een +Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn +brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat +daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt.</p> + +<p>„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een +individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden, +waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd +maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt +geen verleiding bestaat.</p> + +<p>„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat +wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in +onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig +gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouwen <span class="pagenum" title="171"> </span><a id="p_171"></a>instinct van +oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk +te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de +beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons +huiselijk leven zou kunnen ingent worden.</p> + +<p>„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als +wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij +kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen, +wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk +in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een +gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te +rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor +menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze +eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude, +halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de +courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun n van al die +attenties aan te doen.</p> + +<p>„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig +aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting +van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan, +en een smerig en slordig pak voor t'huis.</p> + +<p>„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op +partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is. +Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar +bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij +in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er +werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon in <span class="pagenum" title="172"> </span><a id="p_172"></a>huis te dragen; zij +zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat +al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een +net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak +was: <ins class="corr" id="corr79" title="Bron: 't huis">t'huis</ins> moet een vrouw er altijd lief uitzien.</p> + +<p>„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel, +dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij +denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder +ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en +merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het +ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en +dochters keurig en met smaak gekleed gaan.”</p> + +<p>„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de +vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden. +Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed +verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien +worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.”</p> + +<p>„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature +Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat +wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden +Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel, +en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie.</p> + +<p>„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best +moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje +behaagziek te wezen,—of <span class="pagenum" title="173"> </span><a id="p_173"></a>beter gezegd, om ons aangenaam te maken in de +oogen onzer naaste betrekkingen.</p> + +<p>„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld +zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig +maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een +degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk +te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen +om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit +of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug +en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleren veel van +een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen +van de gratin uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen +is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het +noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die +degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar +eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig +om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar +eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een +talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die +den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en +modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny +over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als domin's voor een +geestelijke rechtbank moeten verhoord worden.</p> + +<p>„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde +gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg +moet zijn, <span class="pagenum" title="174"> </span><a id="p_174"></a>om er niet te spreken over 't geen voor een ander +onaangenaam is.</p> + +<p>„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van +oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen, +om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename +dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie +je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje +op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er +toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een +tooverheks me! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke +oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je +lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen +man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs +van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus +spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste +Franaise die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt, +wat u hinderen kan.</p> + +<p>„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van +vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkar in 't vaarwater kan +zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden +en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om +wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar +ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat +het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke +vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de +vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maar <span class="pagenum" title="175"> </span><a id="p_175"></a>de vrijheden zelven +maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger.</p> + +<p>„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte +om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst ze, +verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die +de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig +kwetsen.</p> + +<p>„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en +gegriefd, die te blo of te bang is, om er over te klagen. En wat voor +nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor +zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een +heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring +alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan, +dan menig kleine vos in staat is te doen.</p> + +<p>„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang +van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het +eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden, +als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de +gewoonte van sommige mannen, om altijd wer plompweg te vitten op 't +geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk. +Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit +des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een +gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht +voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden +al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en +voor haar fatsoen, hij <span class="pagenum" title="176"> </span><a id="p_176"></a>moest die soort van zaken geheel in priv +behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een +kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst +en gesmeerd wordt.</p> + +<p>„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet, +maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een +verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het +aanbieden van goeden raad.</p> + +<p>„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in +gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou +verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten +der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden +dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle +ides en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen +sympathiseeren.</p> + +<p>„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard, +stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't niet +mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met vrede +gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er een +vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen en +aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens +zien?<ins class="corr" id="corr80" title="Niet in Bron.">”</ins>—<ins class="corr" id="corr81" title="Bron: mijn">„Mijn</ins> brief +is van Die-en-Die.<ins class="corr" id="corr82" title="Niet in Bron.">”</ins>—<ins class="corr" id="corr83" title="Niet in Bron.">„</ins>Schrijft +<i>hij</i> je? Dat wist ik niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen +geweest? Wat heb je gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er +me doen?”—„Dat is, dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets +te doen. Ik zou het heel anders doen<ins class="corr" id="corr84" title="Bron: ,">.</ins>”—„Begrijp +<span class="pagenum" title="177"> </span><a id="p_177"></a>eens, Marie! +Saartje wil van den zomer een zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te +duur is—jij ook niet?”</p> + +<p>„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot +de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig +of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons +huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer +door worden.</p> + +<p>„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons +wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door +ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is, +waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven, +mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen +vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die +er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene +of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het +stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste +dingen, die ik ken.</p> + +<p>„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van +raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen.</p> + +<p>„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en +uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene +niet?<ins class="corr2" id="corr85" title="Bron: ”"></ins> Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet +gedaan?”—„<i>Ik</i> zou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen +en al dat vitten en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, +dat het dikwijls moeielijk valt, er geen acht op te geven.</p> + +<p>„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief en <span class="pagenum" title="178"> </span><a id="p_178"></a>nog zoo +goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden +leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het +daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel +zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen +zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen +kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere +bescheidenheid werhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te +vragen en te vitten en raad te geven.</p> + +<p>„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee +zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te +matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn +opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven +zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze +eigenaardigheden opdringen.</p> + +<p>„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een +vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp +geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste +waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander +zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en +laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een +ander me te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit +in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt +gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en +zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede +laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant, +waar een geest van gezelligheid en eenigheid <span class="pagenum" title="179"> </span><a id="p_179"></a>heerscht, die ons in alles +bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wl gezind ze +zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken.</p> + +<p>„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van +onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit +zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik +zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en +gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het +oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk +beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog +wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik +weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar +overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't +geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het +hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten +geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig +hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="180"> </span><a id="p_180"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="181"><br /> </span><a id="p_181"></a></p> + +<h2><a id="ONVOLDAANHEID"></a>ONVOLDAANHEID.</h2> + +<p><span class="pagenum" title="182"> </span><a id="p_182"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="183"><br /> </span><a id="p_183"></a></p> + +<p class="vosnr">VII.</p> + +<p class="voskop">ONVOLDAANHEID.</p> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat +zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen +jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hem +<span class="vos">ONVOLDAANHEID.</span></p> + +<p>En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit +vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever +begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde +gebrek.</p> + +<p>Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld +heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te +bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en +ziekelijke voorstelling van het doel zelf.</p> + +<p>Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste +stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem +voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu +geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano +overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd +moet worden, van zoo iemand <span class="pagenum" title="184"> </span><a id="p_184"></a>zult ge zeggen, dat hij aan volslagen +monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan +dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt.</p> + +<p>Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer +levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid +onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt.</p> + +<p>Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ne, die de +geleerden <i>idealiteit</i> noemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen ik +<i>onvoldaanheid</i> genoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat er +iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre dan +ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt +ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat, +waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren +van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of +iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun +levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit +gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit +kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat. +Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt +hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en +beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en +denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij +zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de +wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te +jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij +het <span class="pagenum" title="185"> </span><a id="p_185"></a>naderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het +Christendom en de taak van den Christen.</p> + +<p>Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de +gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol +onkruid.</p> + +<p>„Wraak,” zegt <span xml:lang="en">Lord Bacon</span>, <ins class="corr" id="corr86" title="Niet in Bron.">„</ins>is een soort van woeste rechtvaardigheid, +koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid +overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in +'t huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar +overdrijving.</p> + +<p>Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets +beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een +ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en +ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif.</p> + +<p>Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar +maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen +idealiteit en 't gemis daarvan.</p> + +<p>'t Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, die <span xml:lang="en">Daytons</span>: +gastvrij, welwillend en vriendelijk.</p> + +<p>Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk +gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden z tamelijk, en—op +dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft.</p> + +<p>Mevrouw <span xml:lang="en">Dayton</span> is een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar +niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies +gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop +een keurige huisvrouw gesteld is.</p> + +<p>Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature; <span class="pagenum" title="186"> </span><a id="p_186"></a>zij tracht alleen +goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij +ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of +buitengewoons, maar is er altijd tevreden me, zoo als 't met hen +uitvalt.</p> + +<p>Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van +zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't +huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen +zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit +genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk, +dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat +de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt, +en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de +wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo +onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn.</p> + +<p>Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn +zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt +nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit +gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij +halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor +een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De +dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk +onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en +bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele +familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingen <span class="pagenum" title="187"> </span><a id="p_187"></a>met +elkar een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch +of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als +menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste +stukken.</p> + +<p>Zoo zijn de <span xml:lang="en">Daytons</span>; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al +dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te +verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme +tevredenheid, die u daar omgeeft.</p> + +<p>Vlak tegenover de <span xml:lang="en">Daytons</span> wonen de <span xml:lang="en">Mores</span>, en de <span xml:lang="en">Mores</span> zijn juist het +tegenovergestelde van de <span xml:lang="en">Daytons</span>.</p> + +<p>Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier +met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen +sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd +vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als +'t volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin +iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel +is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort +voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze +ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk +geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de +wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets +gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de +uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen +inderdaad verwonderlijk.</p> + +<p>Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun +geen tiende van de voldoening, die de <span xml:lang="en">Daytons</span> van hun halfbakken werk en +hun knoeisels hebben.</p> + +<p><span class="pagenum" title="188"> </span><a id="p_188"></a></p> + +<p>De beide dochters, Jeanne en Maria, hadden een lieve stem, en, toen +zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de +beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten +gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en +ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen, +dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden +smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in n woord, nadat deze +familie <span xml:lang="sv">Jenny Lind</span>, <span xml:lang="it">Grisi, Alboni, Mario</span> en anderen gehoord heeft, is er +tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, die <i>zij</i> kan maken, is toch +niet de moeite waard.</p> + +<p>Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang +bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt +voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren +in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden +teekenen zoo als <span xml:lang="it">Signor Pottilodini</span>, als er kans voor haar was, 't ooit +tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet me +zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten, +dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar +zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets +meer aan te doen.</p> + +<p>Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op. +Indien zij zoo'n mooie hand hadden als <span xml:lang="en">Charlotte Cushman</span>,—indien er +niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en +vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen +schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort +van dingen <span class="pagenum" title="189"> </span><a id="p_189"></a>vinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of +overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten. +Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met +een beetje oefening er nog verder in brengen.</p> + +<p>Mevrouw <span xml:lang="en">More</span> vergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar +keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met +verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk +verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu, +dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte +dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser +kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet +kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en +zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar +maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte +keukenmeid.<ins class="corr" id="corr87" title="Bron: „">” </ins>Gij +vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en +zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar +ge moest de soep eens in zeker htel te Parijs geproefd hebben, en de +puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als +ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik +heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame +vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar in +haar gansche, schijnbaar z goed geordende huishouding, genoeg naar +haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen: <ins class="corr" id="corr88" title="Niet in Bron.">„</ins>'t Moet er nu +maar me door!” „Och, laat maar staan!<ins class="corr" id="corr89" title="Niet in Bron.">”</ins> lispelt ze met bitteren +weemoed, als een <span class="pagenum" title="190"> </span><a id="p_190"></a>ongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om +'t een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo +blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.”</p> + +<p>De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer +overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en +vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare +eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen +ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van +onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend, +want ieder heeft zijn snaren z hoog gespannen, dat de een voor den +ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn +altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander +zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander +spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe +geoefend van oordeel ze zijn.</p> + +<p>Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun +overburen behooren ner te zien, daar deze in een heidenschen toestand +van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk +dat de elegante zoon des huizes Johan zeer <ins class="corr" id="corr90" title="Bron: dilwijls">dikwijls</ins> ter +sluiks naar de <span xml:lang="en">Daytons</span> overwipt, om er een avondje door te brengen en +bij die oude rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met +hen te zingen, waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis. <span xml:lang="en">Lize +Dayton</span> heeft een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is +een aardige meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar +zoo aan de piano zit en allen dapper me aanheffen, dan begint Johan te +denken, <span class="pagenum" title="191"> </span><a id="p_191"></a>dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een +aria voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven +raadsels op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en +pleizierig toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en +plaats en omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar +onwetendheid zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig +te zijn”.</p> + +<p>Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met de <span xml:lang="en">Daytons</span> op +heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij de <span xml:lang="en">Daytons</span> aan +huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo +beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden +ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met +hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine +attenties van Willem <span xml:lang="en">Dayton</span>, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar +aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag +lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg +is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem +komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden, +waarme mevrouw <span xml:lang="en">More</span> en de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog +verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt +nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond +verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van +menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde +en geleerdheid, er nog altijd vr ligt en nog altijd philosopheert over +de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige, +<span class="pagenum" title="192"> </span><a id="p_192"></a>alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een +strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappe <span xml:lang="en">Mores</span> zich om +den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo +als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de +droomerijen der idealiteit.</p> + +<p>Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen +kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we +vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan de <span xml:lang="en">Daytons</span> verre boven de +<span xml:lang="en">Mores</span>. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen de <span xml:lang="en">Mores</span> het van +de <span xml:lang="en">Daytons</span>. Een deel van de overdreven zucht naar het ideele, die wij +bij de <span xml:lang="en">Mores</span> aantreffen, zou de <span xml:lang="en">Daytons</span> aansporen, veel te verbeteren en +te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar +toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid der <span xml:lang="en">Daytons</span>, +zou de begaafdheden der <span xml:lang="en">Mores</span> vruchtbaarder voor de practijk maken en +hun eigen geluk bevorderen.</p> + +<p>Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in, +evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar +wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't +vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste +idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen +als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals +'t gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan +dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van +menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand +als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare en <span class="pagenum" title="193"> </span><a id="p_193"></a>het +onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen.</p> + +<p>'t Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst +of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een +kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ne soort van +zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven +en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of +in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de +tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen +is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij +weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen +zeggen: nu kan het niet beter!</p> + +<p>Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere +volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden +belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en +dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en +den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe +'t een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden +dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare, +terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden.</p> + +<p>Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een +compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en +velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen, +tevreden te zijn, als de dingen maar <i>half</i> zoo goed gedaan worden als +ik het zou wenschen,” luidde <span class="pagenum" title="194"> </span><a id="p_194"></a>zijn antwoord, en hetzelfde zou men met +vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den +huiselijken kring.</p> + +<p>'t Is een gewone manier van zeggen, dat <i>die</i> en <i>die</i> menschen zijn, +die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes” +was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte.</p> + +<p>Zijn het nu <i>vrouwen</i> en aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden, +dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken; +want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles +en alles „in de puntjes” kn wezen.</p> + +<p>Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan daarover +voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken alleraardigste +tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden, waar +boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid +precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en +elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij +benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't +ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld.</p> + +<p>Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er +zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal +overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theorin omtrent +levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te +zitten en al die theorin en idealen te zien verdwijnen voor den drang +der omstandigheden.</p> + +<p>Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij +bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten +en bemesten. Wij <span class="pagenum" title="195"> </span><a id="p_195"></a>lezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat +het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en +perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de +keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een +herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de +kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en +hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel.</p> + +<p>De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er +mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid +en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo +duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er +zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten +altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter.</p> + +<p>'t Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de +spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te +hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die +het minst eischen en verwachten.</p> + +<p>De zucht naar het idele ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte +van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij +in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is. +Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons +tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is +er natuurlijk maar n antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die +zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in de +war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig.</p> + +<p><span class="pagenum" title="196"> </span><a id="p_196"></a></p> + +<p>Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan +'t hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van +aard en moeielijk van humeur zijn<ins class="corr" id="corr91" title="Bron: .">,</ins> geen vrede en harmonie stichten. Dat +is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in +den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen, +overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd +ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij +staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan +zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en +hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten +beoordeelen zij zich volgens een ideelen maatstaf en bemerken, dat zij +ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt +ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor +hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt +houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden +over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben +zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich +zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen +ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen +onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van +anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarme het Christendom +verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er +zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door +de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel +tegenzin hebben.</p> + +<p><span class="pagenum" title="197"> </span><a id="p_197"></a></p> + +<p>Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen +karakter en een groote zucht naar het ideele hebben, deze +eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch, +zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar +deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo +ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is +de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige +geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideele. De christelijke +godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend +ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave van <i>rust</i> heeft +willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die +alle wantrouwen buiten sluit, <i>rust</i> aan allen zonder onderscheid, onder +alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften +en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht: +„Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal +<span class="smcap">U RUST</span> geven.”</p> + +<p>'t Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke +belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken +anderen verre te boven gaat, en in dat ne woord het doel van ons leven +voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”</p> + +<p>Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan +eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet +jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een +hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld +niet in staat is dit raadsel op <span class="pagenum" title="198"> </span><a id="p_198"></a>te lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn +juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der +eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken.</p> + +<p>Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet +tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn +onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid +kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar +behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een +weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die +zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit +met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en +de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden, +met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan +pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog +altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene +toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan.</p> + +<p>Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat +God in den mensch niet een nige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in +die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dt geeft rust aan 't +gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling +afwachten, die eindelijk zeker zal komen.</p> + +<p>Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond +verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen +tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen.</p> + +<p>Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in den <span class="pagenum" title="199"> </span><a id="p_199"></a>weelderigsten overvloed +op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar +prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor +anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die +er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen, +en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning +betrekken. Daar zat ze in dat ne vertrek, dat voor huiskamer, +slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den +vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor +zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en +toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een +aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier +te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning +opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of +drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren +van haar man en de kleren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo +netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren +kring bewogen had.</p> + +<p>Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te +schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en +opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den +godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig +slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van +werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar +rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft +zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leeren <span class="pagenum" title="200"> </span><a id="p_200"></a>wennen, even als +een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te +dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag +onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het +eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent.</p> + +<p>Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft +potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen +van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen +japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had +het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het +verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine +in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarme zij +eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij +gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren, +terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister +doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht +aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven, +die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen +en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven +beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't +verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede +met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt +haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar.</p> + +<p>Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter +leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten +wij ook op <span class="pagenum" title="201"> </span><a id="p_201"></a>dit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen.</p> + +<p>Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben: +dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn +opgestaan, is <ins class="corr" id="corr92" title="Bron: Fenelon" xml:lang="fr">Fnelon</ins> de eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij +zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb +geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften +herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons +zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben. +Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen, +'t opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het +niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven +staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te +streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen +met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van +honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven +hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen +een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op +den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij +zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet +verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je +moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg +dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te +bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te +falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan; <ins class="corr" id="corr93" title="Bron: enkent">erkent</ins> dan ook, dat +het dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doet <span class="pagenum" title="202"> </span><a id="p_202"></a>ons +vaak meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek.</p> + +<p>Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op +een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden +waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is +en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te +zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar +in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft +en niet meer dan n meid kan houden, waardeer ik het als een soort van +zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te +beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een +deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te +gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij +haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig, +als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker +zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat +al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit +de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort +te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig +en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en +gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar +een nig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een +zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is +z iets te zien.</p> + +<p>Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet +sparen kan, door nauwkeurig te berekenen, <span class="pagenum" title="203"> </span><a id="p_203"></a>hoeveel er onder zekere +omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht +genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd +worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust +achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen +verrichten.</p> + +<p>Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor +goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet +beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen, +als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet? +Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht +geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en +stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven +waarlijk niet beter of gezonder maakten.</p> + +<p>De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld +van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen, +zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men +zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven +van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee +en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en +dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als +voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en +nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw +nooit afgedaan is.</p> + +<p>Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet +besparen, als wij er nooit een kant me <span class="pagenum" title="204"> </span><a id="p_204"></a>opgingen, die meer van ons +vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat.</p> + +<p>Er is n vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen +tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woord +<i>garneersel</i>. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende, +tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste +jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet +gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er +in vergelijking niets bij is. Een japon kan in n dag gemaakt worden, +maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een +knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al +dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer +vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te +komen, is—ze links te laten liggen.</p> + +<p><span xml:lang="en">Mrs Kirkland</span> vertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij +een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze +haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes +veel te groot was. Na lang probeeren en wer probeeren en na er veel +verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een +bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige +meubel meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er +nergens plaats voor is, dan is er geen plaats voor.”</p> + +<p>De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou +menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt, +om gemak en <span class="pagenum" title="205"> </span><a id="p_205"></a>gerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten +de deur had moeten zetten.</p> + +<p>Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder +de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur +kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en +zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met +dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij +verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak +door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte +genoeg in het blokhuis.</p> + +<p>Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar +tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder die +dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander z slecht +doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij tot het +ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner kinderen +is het eenige, wat ik goed <i>kan</i> doen en daarop <i>alleen</i> zal ik +mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een +sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een +werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij +kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen.</p> + +<p>Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger +gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat +God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht +was.</p> + +<p>Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit +te staren. Men zou denken, dat het gezond <span class="pagenum" title="206"> </span><a id="p_206"></a>verstand ons zou leeren, dat +gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat +achter hem ligt niet vergeten.</p> + +<p>„Was dt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of +zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt, +ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te +denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van +geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te +zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind.</p> + +<p>'t Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel: +„vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vr is.” De +idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een +afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt +dan deze: „Deed ik niet, wat ik <i>toen</i> voor het beste hield?”</p> + +<p>De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets +gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar +Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht +hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem, +moeten wij ons tevreden stellen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te +voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor +te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde +zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn +vrouw aan 't breien van een rok <span class="pagenum" title="207"> </span><a id="p_207"></a>met keurige schulpjes en figuren,—een +van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw +haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog +vr October klaar te krijgen.</p> + +<p>Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan +den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <div class="i0">De preek was gedaan en de preker zei: Amen!<br /></div> + <div class="i1">Maar net als voorheen ging de snoek wer op buit.<br /></div> + <div class="i1">Kroop de aal wer in 't slijk en de kreeft achteruit:<br /></div> + <div class="i0">Ze vonden 't verrukkelijk en riepen te zamen:<br /></div> + <div class="i1">Hoe mooi was de preek en hoe keurig van pas!<br /></div> + <div class="i1">Maar——lieten de zaak net precies als ze was.<br /></div> +</div> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="208"> </span><a id="p_208"></a></p> + +<div class="inhoud"> + + <h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2> + + <hr class="chbegin" /> + + <table class="toc" summary="inhoudsopgave"> + <tbody> + <tr> + <td class="tdl" colspan="2"></td> + <td class="tdr size67">Bladz.</td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#INLEIDING">Inleiding</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">I.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#VITACHTIGHEID">Vitachtigheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_9">9</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">II.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#PRIKKELBAARHEID">Prikkelbaarheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_37">37</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">III.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#TERUGHOUDING">Terughouding</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_65">65</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">IV.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#HOOFDIGHEID">Hoofdigheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_95"><ins class="corr" id="corr94" title="Bron: 93">95</ins></a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">V.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#ONVERDRAAGZAAMHEID">Onverdraagzaamheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_127">127</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">VI.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#ONWELLEVENDHEID">Onwellevendheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_157">157</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr">VII.</td> + <td class="tdl mixcap"><a href="#ONVOLDAANHEID">Onvoldaanheid</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_181">181</a></td> + </tr> + </tbody> + </table> + + <hr class="chend" /> + +</div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 3</a></td><td class="td4">onderhoudend's</td><td class="td4">onderhoudends</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 3</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 4</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">!</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 17</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 18</a></td><td class="td4">wordt</td><td class="td4">word</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 20</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 21</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 21</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 21</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 23</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 25</a></td><td class="td4">oogenblk</td><td class="td4">oogenblik</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 27</a></td><td class="td4">ootmoedigde</td><td class="td4">ootmoedige</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 27</a></td><td class="td4">me</td><td class="td4">me</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 28</a></td><td class="td4" xml:lang="fr">Fnlon</td><td class="td4" xml:lang="fr">Fnelon</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 43</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 44</a></td><td class="td4">ombeschaamdheid</td><td class="td4">onbeschaamdheid</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 44</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 44</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 47</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 47</a></td><td class="td4">veronschuldigde</td><td class="td4">verontschuldigde</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 47</a></td><td class="td4"> „</td><td class="td4">” </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 47</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 61</a></td><td class="td4">den</td><td class="td4">dan</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 63</a></td><td class="td4">hard</td><td class="td4">hart</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 67</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 75</a></td><td class="td4">twee-en zestiger</td><td class="td4">twee-en-zestiger</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 80</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">:</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 80</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr33">Blz. 80</a></td><td class="td4">valburg</td><td class="td4">valbrug</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr34">Blz. 80</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr35">Blz. 80</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr36">Blz. 80</a></td><td class="td4">t'</td><td class="td4">'t</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr37">Blz. 81</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr38">Blz. 81</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr39">Blz. 81</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr40">Blz. 81</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr41">Blz. 82</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr42">Blz. 82</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr43">Blz. 87</a></td><td class="td4">betoont</td><td class="td4">betoond</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr44">Blz. 87</a></td><td class="td4">prnilen</td><td class="td4">pruilen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr45">Blz. 92</a></td><td class="td4">licht</td><td class="td4">ligt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr46">Blz. 93</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr47">Blz. 102</a></td><td class="td4"> en</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr48">Blz. 103</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr49">Blz. 103</a></td><td class="td4">m</td><td class="td4">me</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr50">Blz. 107</a></td><td class="td4"> wel</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr51">Blz. 107</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr52">Blz. 108</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr53">Blz. 108</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr54">Blz. 108</a></td><td class="td4">zo</td><td class="td4">z</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr55">Blz. 112</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr56">Blz. 114</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr57">Blz. 114</a></td><td class="td4">echt</td><td class="td4">recht</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr58">Blz. 115</a></td><td class="td4">word</td><td class="td4">wordt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr59">Blz. 115</a></td><td class="td4">antwoord;</td><td class="td4">antwoordt:</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr60">Blz. 121</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr61">Blz. 128</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr62">Blz. 130</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr63">Blz. 134</a></td><td class="td4">em</td><td class="td4">en</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr64">Blz. 144</a></td><td class="td4">grieksche</td><td class="td4">Grieksche</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr65">Blz. 144</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr66">Blz. 146</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr67">Blz. 146</a></td><td class="td4">latijnsche</td><td class="td4">Latijnsche</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr68">Blz. 148</a></td><td class="td4" xml:lang="el">ὲτησίαι</td><td class="td4" xml:lang="el">ἐτησίαι</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr69">Blz. 148</a></td><td class="td4" xml:lang="el">χλουνης</td><td class="td4" xml:lang="el">χλούνης</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr70">Blz. 150</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr71">Blz. 152</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr72">Blz. 153</a></td><td class="td4">evenachtslijn</td><td class="td4">evennachtslijn</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr73">Blz. 162</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr74">Blz. 163</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr75">Blz. 164</a></td><td class="td4">wezeniijk</td><td class="td4">wezenlijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr76">Blz. 166</a></td><td class="td4">fransch</td><td class="td4">Fransch</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr77">Blz. 166</a></td><td class="td4">fransche</td><td class="td4">Fransche</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr78">Blz. 166</a></td><td class="td4">waarme</td><td class="td4">waarme</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr79">Blz. 172</a></td><td class="td4">'t huis</td><td class="td4">t'huis</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr80">Blz. 176</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr81">Blz. 176</a></td><td class="td4">mijn</td><td class="td4">„Mijn</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr82">Blz. 176</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr83">Blz. 176</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr84">Blz. 176</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr85">Blz. 177</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr86">Blz. 185</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr87">Blz. 185</a></td><td class="td4"> „</td><td class="td4">” </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr88">Blz. 189</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr89">Blz. 189</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr90">Blz. 190</a></td><td class="td4">dilwijls</td><td class="td4">dikwijls</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr91">Blz. 196</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr92">Blz. 201</a></td><td class="td4" xml:lang="fr">Fenelon</td><td class="td4" xml:lang="fr">Fnelon</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr93">Blz. 201</a></td><td class="td4">enkent</td><td class="td4">erkent</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr94">Blz. 208</a></td><td class="td4">93</td><td class="td4">95</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De kleine vossen, by +Harriet Elizabeth Beecher Stowe + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE VOSSEN *** + +***** This file should be named 39008-h.htm or 39008-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/0/39008/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/39008-h/images/cover-th.jpg b/39008-h/images/cover-th.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8dc9b9d --- /dev/null +++ b/39008-h/images/cover-th.jpg diff --git a/39008-h/images/cover.jpg b/39008-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9dec11 --- /dev/null +++ b/39008-h/images/cover.jpg diff --git a/39008-h/images/drukkersmerk.jpg b/39008-h/images/drukkersmerk.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7c15a7b --- /dev/null +++ b/39008-h/images/drukkersmerk.jpg diff --git a/39008-h/images/rug-th.jpg b/39008-h/images/rug-th.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f3e1d84 --- /dev/null +++ b/39008-h/images/rug-th.jpg diff --git a/39008-h/images/rug.jpg b/39008-h/images/rug.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ac13ec4 --- /dev/null +++ b/39008-h/images/rug.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..ee52a02 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #39008 (https://www.gutenberg.org/ebooks/39008) |
