summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38919-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '38919-0.txt')
-rw-r--r--38919-0.txt2350
1 files changed, 2350 insertions, 0 deletions
diff --git a/38919-0.txt b/38919-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ab4941b
--- /dev/null
+++ b/38919-0.txt
@@ -0,0 +1,2350 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een vriendelijke morgenstond, by
+F. Lohr and Karl Gustav Nieritz
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een vriendelijke morgenstond
+ De ganzenkoopman van Neurenberg
+
+Author: F. Lohr
+ Karl Gustav Nieritz
+
+Translator: J.H. Bok
+
+Release Date: February 18, 2012 [EBook #38919]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling (e/ê) zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND.
+
+
+
+
+ EEN VRIENDELIJKE
+ MORGENSTOND.
+
+ NAAR F. LOHR.
+
+
+ DE GANZENKOOPMAN VAN NEURENBERG.
+
+ NAAR GUSTAV NIERITZ.
+
+
+ _Door den Schrijver der „Lentejaren” enz._
+
+
+ HAARLEM,
+ I. DE HAAN.
+
+
+
+
+EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND.
+
+
+Meester Liebel stond aan het venster van zijn bovenkamertje, en was
+bezig zich voor een klein spiegeltje, dat tegen het venster hing, te
+scheren. Hiermede bezig zijnde, hield hij de volgende alleenspraak: „Als
+ik de laatste mode volgde, dan liet ik mijn baard ongehinderd groeien,
+totdat hij op mijn borst hing. Brrr! ik herinner mij nog zeer goed hoe
+bang ik in mijn jeugd voor de Poolsche Joden was, als zij, op weg naar
+de Leipziger mis, onze stad doortrokken. Er waren moeders, die, als haar
+kinderen niet gehoorzaam wilden wezen, dreigden: „als je niet zoet zijt,
+geef ik je aan een Poolsche Jood!” Nu is het reeds zoover gekomen, dat
+zelfs schoolmeesters knevels en lange baarden dragen, en het zal niet
+lang meer duren, of zelfs de geestelijken laten hun baarden groeien.
+Dat had de intendant Zittman eens moeten beleven! Bij hem durfde men
+niet anders verschijnen, dan gekleed in zwarten rok, korte broek met
+kuitgespen en zwarte zijden kousen, een driekanten steek op het hoofd,
+met een witgepoederde staartpruik en natuurlijk eerbiedig binnenkomende
+met den steek in de hand. Nu verschijnt men zelfs bij de hoogst
+geplaatste personen in rijgewaad, met hooge laarzen en sporen, en
+tooit zich zoo op, dat men geen deftig man van een hansworst kan
+onderscheiden..... Wie klopt daar?”
+
+De kamerdeur werd geopend en een paar kinderen traden binnen; een jongen
+van acht en een meisje van zeven jaren. De eerste had een blad in de
+handen, waarop een koffiekannetje, suikerpot en kopje stonden. Het
+schenkblad was met bloemen versierd. Het meisje torschte twee potten
+met bloemen: een Basilicum en een roode Balsemine.
+
+„Goeden morgen, meester!” riepen de kinderen tegelijk op vriendelijken
+toon, „wij wenschen u geluk.”
+
+„Wat beteekent dat?” vroeg de meester verrast, „wat bedoelt gij?”
+
+„Het is immers heden uw geboortedag,” antwoordde de knaap.
+
+„De zestigste,” viel het meisje in de reden.
+
+„Wij wenschen u geluk,” riep de knaap, „en hopen dat gij dezen dag nog
+veel gezond en opgeruimd beleven mag.”
+
+„Nog veel?” antwoordde Liebel lachende, „men kan zijn geboortedag toch
+slechts éénmaal in 't jaar vieren.”
+
+„Ik heb dat wel meer in het dagblad gelezen,” verontschuldigde zich de
+knaap.
+
+„Het is toch niet goed uitgedrukt, het is niet taalkundig,” vervolgde
+Liebel. „Het is beter als men zegt: dikwerf. Maar dat doet er niet toe!
+Kinderen, ik dank u en uwe lieve ouders hartelijk voor de betoonde
+liefde en belangstelling. Ik had wezenlijk nog niet om mijn verjaardag
+gedacht, die toch belangrijk genoeg is, omdat er weder een tiental jaren
+voorbij zijn. Wat ruiken die Basilicums lekker! Hoe is het mogelijk dat
+die groene blaadjes zoo'n aangename geur verspreiden kunnen? Er zijn
+juist nog twee ledige plaatsjes in mijn bloementuin, die nu door deze
+potten kunnen ingenomen worden.”
+
+„Wij hebben de planten zelf opgekweekt,” sprak de knaap op trotschen
+toon.
+
+„Dan hebt gij er goed slag van,” antwoordde Liebel, „en nu vind ik het
+geschenk nog veel aardiger. Nogmaals hartelijk dank en de groete aan uw
+brave ouders.”
+
+De kinderen vertrokken.
+
+De meester ging aan tafel zitten en gebruikte zijn eenvoudig ontbijt.
+„Die arme menschen,” prevelde hij, „zijn gewoonlijk dankbaarder dan de
+rijken en voornamen, die zich verbeelden hun plicht gedaan te hebben,
+als zij voor het onderwijs, dat hun kinderen genieten, den meester
+betaald hebben. Omdat ik de kinderen van mijn huisbaas kosteloos
+voorthelp met lezen en schrijven, geven zij mij dagelijks, zonder er
+iets voor te rekenen, mijn ontbijt en bewijzen mij allerlei lieve
+oplettendheden. Maar komaan, laat ik nu mijn geschenken een plaats
+geven.” Hij opende het venster, waarvoor reeds op een smal plankje,
+drie bloeiende planten stonden. „Welk een heerlijke morgenlucht,” riep
+Liebel, „wat schijnt die zon heerlijk aan den blauwen hemel; alles
+groeit en bloeit, de natuur is prachtig. O, de mensch, die opmerkzaam
+is, kan gelukkig zijn. Gevoel ik mij niet even gelukkig als wanneer de
+grootste tuin met lanen, bloembedden, rustbanken en tuinbeelden mijn
+eigendom waren? Ik heb nergens een cent voor uit te geven, en mij niet
+te beklagen over onwillige of luie daglooners. Er wordt alweder geklopt.
+Zou er weder iemand zijn om mij geluk te wenschen?—Binnen!”
+
+Het was een agent van politie, die op ruwen toon den meester aansprak:
+„Mijnheer, gij hebt daar voor uw venster bloempotten staan, die niet
+door een ijzeren hek beschut zijn. Dit is overtreding van de
+politieverordening en ze moeten dus verwijderd worden.”
+
+„Ziet eens hier, beste vriend,” antwoordde Liebel, „ik heb iederen pot
+met een sterk touw vastgebonden, waardoor het onmogelijk is dat er een
+vallen kan.”
+
+„IJzeren stangen, luidt de politiewet,” antwoordde de agent, „touw is
+breekbaar, en als gij niet zorgt dat de potten met een ijzeren stang
+omgeven worden, zijt gij strafbaar en het kost u vijf thaler boete; ik
+verleen geen gratie.”
+
+„Wat ziet die politie toch scherp,” antwoordde Liebel eenigzins
+toornig. „Zij bemoeien zich zelfs met mijn dakkamertje, dat vijf
+verdiepingen hoog is, maar daarentegen zien zij somwijlen niets van
+wat er op de straat voorvalt. Bij voorbeeld, gisteren avond, toen het
+duister was, ben ik over een steenen paal gevallen, die voor het huis
+van den geheimraad Hänel geplaatst is, en dat is toch ook iets dat door
+de politieverordening verboden is.”
+
+„Hoort eens,” viel de agent hem in de rede, „ik stoor mij niet aan
+praatjes; gij hebt recht om een aanklacht in te dienen tegen den steenen
+paal van den geheimraad, mogelijk wordt hij dan verwijderd. Als er niet
+geklaagd wordt, wordt er ook niet gehandeld.”
+
+„Dus, men heeft mijn bloempotten aangeklaagd?” vroeg Liebel, „wie heeft
+dat gedaan, vertel mij dat als het u belieft.”
+
+„Dat mag ik niet,” antwoordde de agent, „gij weet nu waar het op staat;
+goeden morgen.”
+
+„Arme kinderen van Flora,” sprak Liebel, terwijl hij de touwen lossneed
+en de planten in de kamer bracht. „Het is nog niet genoeg dat gij in
+nauwe potten gesloten zijt, maar nu ontneemt men u ook nog lucht, licht
+en zonneschijn. Waar moet ik nu met u henen? Het spijt mij dat ik geen
+bloementafel bezit. Mijn vreugde over mijn geboortedag is van korten
+duur geweest. Maar laat ik mij niet door wereldsche zaken uit mijn
+humeur laten brengen; alle lief heeft zijn leed, zegt de groote dichter.
+Ik ben toch nog rijker dan Diogenes.”
+
+Dit zeggende liep hij naar het geopende venster en zong:
+
+ Reeds zestig jaren zijt gij oud,
+ En hebt veel storm beleefd;
+
+en, zich zelven moed insprekende, liet hij er op volgen: „De boodschap
+van den agent is nog niet eens een storm, het is slechts een rukwindje.”
+
+Liebel gaf op twee scholen onderwijs in de latijnsche taal. Toen hij
+des middags te twaalf uur uit de scholen huiswaarts keerde, stond de
+huisknecht van den rijken bankier hem op te wachten.
+
+„Meester,” zeide hij, „mijnheer wenscht u te spreken.”
+
+Liebel begaf zich terstond naar den bankier, die in hetzelfde huis
+de benedenverdiepingen bewoonde. Het verschil tusschen de rijk
+gemeubeleerde vertrekken hier en het dakkamertje boven was groot.
+
+De bankier zat voor een prachtigen mahoniehouten schrijftafel, en stond
+niet op toen Liebel binnentrad, maar keerde het hoofd slechts even om,
+terwijl hij op onaangenamen toon hem aldus aansprak:
+
+„Mijnheer, ik ben over u zeer ontevreden, gij hebt mij beleedigd; ik zeg
+u de huur van uw woning op.”
+
+„Lieve hemel!” antwoordde de schoolmeester, „wat heb ik misdaan; ik
+heb u in geruimen tijd niet gezien of gesproken; waarmede heb ik u
+beleedigd?”
+
+„Toen ik heden morgen in den tuin liep,” vervolgde de bankier op
+brommenden toon, „hebt gij op spottenden toon mij toegezongen:
+
+ „Reeds dertig jaren zijt gij oud,
+ En hebt nog niets beleefd.””
+
+„Mijnheer!” antwoordde de meester, „ik verzeker u als eerlijk man,”
+dit zeggende sloeg hij met de hand op de borst, „dat ik niet dertig,
+maar zestig jaren gezongen heb, en daarmede mij zelven bedoelde, omdat
+ik heden zestig jaar oud geworden ben, en, zooals ik gezongen heb,
+menigen storm beleefd heb. Nu heb ik heden wel geen storm, maar toch
+een rukwindje doorleefd, omdat ik een ontmoeting met een politieagent
+gehad heb, die mij bedreigd heeft met vijf thaler boete, omdat mijn
+bloempotten met touwtjes zijn vastgebonden, terwijl zij door een ijzeren
+hek moeten afgesloten worden.”
+
+„Welnu, als dat het geval is,” zeide de bankier, die nu tevreden gesteld
+was, „dan neem ik mijn woord terug, maar raad u aan in het vervolg niet
+weer zoo luid voor het open raam te staan zingen. Ik zal onder mijn
+rommel nog wel een ijzeren hekje hebben; mijn smid zal dat voor het
+venster vastmaken.”
+
+„Gij maakt mij gelukkig, mijnheer Meier,” sprak de meester, „zoo wordt
+op mijn geboortedag mijn liefste wensch vervuld.”
+
+„Het is goed,” antwoordde de bankier. „Apropos! Ik heb gehoord dat gij
+de beide kinderen van den huisbewaarder les geeft in lezen en schrijven;
+zoudt gij lust en gelegenheid hebben om nog een kleine scholier onder
+uwe bescherming te nemen? Uit medelijden heb ik een ouderloos kind van
+een mijner bloedverwanten in huis genomen; het is zoo mismaakt, dat het
+de openbare school niet kan bezoeken. Ik verzwijg u niet, dat het kind
+zoo eigenzinnig en onhandelbaar is, dat het met de grootste strengheid
+behandeld moet worden. Als gij den moed hebt om dat karakter te buigen,
+wees dan zoo goed er dagelijks een uur aan te besteden.”
+
+„Ik zal trachten aan uw verlangen te voldoen,” antwoordde Liebel.
+
+De bankier schelde en gebood den binnentredenden bediende mijnheer de
+meester bij de kleine Theodoor te brengen.
+
+Liebel volgde den bediende, die eenige kamers voorbij liep, totdat zij
+eindelijk aan een klein vertrek kwamen, dat zeer eenvoudig gemeubeleerd
+was, en geen ander uitzicht had dan tegen een kalen muur.
+
+Er was hier geen toegang voor een enkelen zonnestraal, een benauwde
+lucht kwam de meester tegen.
+
+Voor een der twee vensters zat een bejaarde vrouw, de oppasseres en
+gezelschapsjuffrouw van het kind 't welk aan een tafel zat, die midden
+op den vloer stond, met looden soldaatjes te spelen. Het kind kon zes
+of zeven jaar oud zijn, zag er bleek en mager uit, had dunne armpjes en
+beentjes, daarentegen dikke knokkels en een opgezet lijf.
+
+„Dat is Theodoor,” zeide de bediende tot Liebel, „ziet dat gij iets
+van hem maken kan, maar gij zult er niet veel eer mede inleggen.” Dit
+zeggende verliet hij het vertrek.
+
+„Lieve jongen,” zoo sprak Liebel den knaap aan, „gij schijnt u te
+vervelen, mag ik met u spelen?” Theodoor gaf geen antwoord, maar keek
+onverschillig voor zich.
+
+„Kijk mij eens goed aan,” vervolgde Liebel, „en geef mij eens een hand,
+ik meen het goed met u.” Hij boog het hoofd nog lager, verborg de linker
+hand onder tafel en wierp met de rechter de soldaten om.
+
+„Mijnheer,” zeide de vrouw, die aan het venster zat, „vermoei u toch
+niet met dat onhandelbare stijfhoofd. Als hij niet goed wil, zijn geen
+tien menschen in staat hem tot reden te brengen.”
+
+Liebel wierp een medelijdenden blik op het geestige maar innig kranke
+kind. Hij zette een stoel bij de tafel, ging tegenover den knaap
+zitten, en begon van eenige speelkaarten, die op tafel lagen, een huis
+te bouwen. Hij deed alsof er niemand in de kamer was en sprak tegen zich
+zelven.
+
+„Dat is mijn huis,” zei Liebel, „nu nog een benedenverdieping,—nu maak
+ik er een hek om heen,—nu nog een verdieping er boven op,—nog een.....
+o jé!”
+
+Met opzet liet de meester het geheele gebouw instorten, waarbij hij
+opmerkte, dat Theodoor eerst nieuwsgierig het spel had gade geslagen en
+bij het omvallen zelfs gelachen had.
+
+„Nu zal ik voor den koning een prachtig slot bouwen,” vervolgde de
+meester. „Zie zoo, daar staat het,—daar moeten nu schildwachten voor
+staan.”
+
+Theodoor verzette er zich niet tegen, dat Liebel eenige soldaten voor
+hem weg nam en die voor het koninklijk slot plaatste.
+
+„De koning komt uit het slot,” vervolgde de meester, terwijl hij een
+looden generaal voor het kaartenhuis plaatste, „nu moet de wacht voor
+hem difileeren.” Hij plaatste eenige soldaten in gelederen, de muziek en
+de tamboers voorop; met den mond bootste hij het geluid van muziek en
+trom na, terwijl hij tegelijk kommandeerde.
+
+Theodoor was oplettender geworden en nu en dan zweefde er een lachje om
+zijn lippen. Van tijd tot tijd staakte de meester het spel, en eindelijk
+stond hij op, reikte het kind een hand en vroeg: „mag ik nog eens terug
+komen?”
+
+Theodoor zweeg, keek den meester aan, greep zijn rechter hand en drukte
+die vast in de zijne en bleef zoo eenigen tijd zitten. Liebel bleef een
+poosje sprakeloos voor hem staan; eindelijk herhaalde hij zijne vraag,
+terwijl zijn hand nog in die van den knaap rustte, „mag ik nog eens
+terug komen?”
+
+Theodoor knikte eenigzins met het hoofd, terwijl hij zijn hand uit die
+van den meester verwijderde. Liebel vertrok en werd door de vrouw
+uitgeleid.
+
+„Gij zijt een duivelskunstenaar,” zeide zij, „gij kunt meer dan eten;
+als gij den jongen tot spreken krijgt, verricht gij een wonder.”
+
+Liebel verliet de woning van den bankier. De goede man liep in gepeins
+verzonken over de straat. „Arme jongen,” prevelde hij, „men heeft u
+altijd verkeerd begrepen; ach, wat hebt gij veel verzorging noodig, en
+wat wordt er weinig gedaan tot heil van uw ziel en lichaam. De bankier
+is een onhandelbaar man, hij wil altijd zijn eigen zin volgen, met
+hem kan ik dus niet over de opvoeding van Theodoor spreken. Ik zal
+zelfstandig handelen en zijn toestemming niet vragen. Tot levensdoel
+stel ik mij voor, den knaap uit zijn ziekelijken toestand en uit zijn
+staat van verdooving te redden; met Gods hulp zal ik mijn doel
+bereiken.”
+
+Den volgenden dag herhaalde Liebel zijn bezoek en het spel. Ook had
+hij drie groote witte dobbelsteenen medegebracht; deze liet hij over de
+tafel rollen en telde overluid de oogen. Hij deed dit alles zonder zich
+met den knaap te bemoeien. Eindelijk deed Theodoor uit eigen beweging
+hetzelfde wat Liebel deed; zijn ijver ontwaakte, hij speelde lustig mede
+en lachte somwijlen hartelijk. Eindelijk leerde hij de achttien oogen
+van de dobbelsteenen tellen, kreeg lust om nu te tellen hoeveel soldaten
+hij bezat, wilde weten hoe de kleedingstukken en de wapenen der soldaten
+genoemd werden, enz. Later werden de dobbelsteenen en soldaten vervangen
+door een groote verscheidenheid van bont gekleurde boonen, waardoor hij
+al spelende de beginselen der rekenkunde leerde. Toen kwam het lezen aan
+de beurt. Hiertoe bezigde Liebel eenige groote letters, die op strookjes
+bordpapier geplakt waren, en vertelde hem bij iedere letter een klein
+sprookje, waardoor hij Theodoor onderhoudend wist bezig te houden. Nadat
+de eerste moeielijkheden overwonnen waren, werd Theodoor hoe langer hoe
+bevattelijker en Liebel zag zijn moeite rijkelijk beloond.
+
+De bankier bemoeide zich volstrekt niet met hem, en vroeg nooit aan den
+meester of Theodoor al of niet leerde.
+
+Op zekeren dag ontmoette Liebel, toen hij het huis van den bankier wilde
+verlaten, mevrouw Meier in den gang. Na haar vriendelijk goeden dag
+gezegd te hebben, vroeg hij haar wat de reden was dat Theodoor nimmer
+van de buitenlucht mocht genieten, daar dit zoo wenschelijk zou zijn
+voor het herstel van zijn gezondheid.
+
+Mevrouw scheen met deze vraag verlegen te zijn. Eindelijk antwoordde
+zij: „Mijnheer Liebel, ik weet niet of gij met het karakter van mijn
+man bekend zijt; zoo niet, dan zal ik beginnen met u te zeggen, dat
+hij over eenige zaken vreemde denkbeelden heeft; gij weet, wij zijn
+kinderloos, en het blijkt uit deze zaak, dat de bankier volstrekt geen
+slag heeft van kinderen op te voeden. Toen wij Theodoor in huis namen,
+was hij ziekelijk en nog is hij gebrekkig; hij kon bijna niet loopen, en
+daarom heeft mijn man een gezelschapsjuffrouw genomen om Theodoor bezig
+te houden, maar heeft haar bepaald verboden het kind buiten de kamer te
+laten. Het zou verkeerd zijn, hem het vreemde van deze opvoeding aan het
+verstand te brengen; heeft hij eenmaal een plan gevormd, dan moet het
+uitgevoerd worden; ik zou u daarom bepaald ontraden ooit over deze zaak
+met mijn man te spreken.”
+
+Liebel was een te verstandig man, om niet de gegrondheid van deze
+bewering in te zien. Nu hij op de hoogte der zaak stond, groette hij
+mevrouw en verliet de woning van den dommen rijken bankier.
+
+„Dat arme kind,” prevelde Liebel, toen hij op straat was. „Gelukkig dat
+ik nimmer over hem tegen den bankier gesproken heb; nu is mij niets
+verboden en ik kan dus doen wat ik wil. Ik weet een plekje, waar hij
+ongestoord in het groen, in de vrije lucht en in de heldere zonneschijn
+zich vrij en onbedwongen kan bewegen. Ik bedoel den hoek grond
+achter den moestuin bij de tuinmanswoning, waar nooit iemand van de
+huisgenooten komt; niemand bemoeit zich met het kind, maar ik zal wel
+zorgen dat hij dagelijks ongemerkt komt waar hij zijn gezondheid kan
+herkrijgen. Ik houd mij overtuigd, dat geen der knechts of der meiden
+mij verraden zullen.”
+
+De bankier zat dagelijks op zijn kantoor, mevrouw had hare huiselijke
+bezigheden en dacht niet meer om het onderhoud, dat zij met Liebel had
+gehad. Deze ontvouwde zijn plan aan de gezelschapsjuffrouw. „Als gij het
+op u durft nemen,” zeide zij, „mij is het wel, ik heb er niet op tegen;
+ook zie ik zeer goed in, dat, nu gij hem zoover ontwikkeld hebt, de
+vrije lucht noodig voor hem is.”
+
+Theodoor herleefde, toen hij dagelijks een groot uur in den tuin
+doorbracht en naar hartelust in het zand speelde. Het maken van
+zandhoopen, het zandkruien en dergelijke bezigheden meer, oefenden een
+wonderdadigen invloed op zijn gestel en humeur uit.
+
+Het duurde niet lang of de kinderen van den huisbewaarder voegden zich
+bij hem, en gaarne hield hij zich met hen bezig. Terwijl het kind zich
+alzoo vermaakte, studeerde Liebel in een boek, waarin vele platen waren.
+„Men is nooit te oud om te leeren,” zeide hij tot zich zelven, „tot
+nu toe heb ik het steekspel als een schadelijke nieuwigheid, als een
+halsbrekende kunst beschouwd, ja, het voor een schadelijke zaak gehouden
+voor ondeugende jongens, en nu zit ik vlijtig in deze handleiding voor
+het steekspel te studeeren, omdat ik het op Theodoor wil toepassen.”
+
+Liebel begon natuurlijk zijn oefeningen met de lichtste en eenvoudigste
+bewegingen, waaraan Liesbet en Gotthelff, de kinderen van den
+huisbewaarder, insgelijks deelnamen.
+
+Het is een algemeene waarheid, dat men die kinderen, welke veel te
+kort komen, de meeste liefde en zorg toedraagt. Zoo'n kind gelijkt
+veel op het verloren schaap, waarover de herder zoo innig gelukkig was,
+en waarover hij meer vreugde betoonde, dan over de negen en negentig
+schapen, die hij altijd bij zich had. Zoo'n vreugde beleefde Liebel aan
+Theodoor, toen deze dagelijks naar lichaam en ziel krachtiger werd.
+Zelfs zijn kromme beenen stonden veel beter dan vroeger.
+
+Er verliepen achttien maanden, waarin de trouwe meester alle zorg aan
+zijn leerling besteedde, en met opzet het bijzijn van den bankier
+vermeed.
+
+De tweede winter liep reeds ten einde, toen op zekeren avond, in de
+maand Februari, meester Liebel in een draagkorf te huis werd gebracht:
+hij had een been gebroken.
+
+„Lieve hemel,” riep de huisbewaarder Golberg, toen hij zijn vriend zag,
+„hoe is u dat overkomen?”
+
+„Het is eensdeels mijn eigen schuld,” antwoordde Liebel met zwakke stem,
+„en voor het overige de schuld van den steenen paal die voor het huis
+van den geheimraad Hänel staat. Ik had oplettender moeten zijn, omdat ik
+reeds vroeger over dien paal gestruikeld ben, en had het trottoir moeten
+houden. Maar ik liep in gedachten verzonken, en dacht aan onze kleine
+Theodoor, voor wie ik een gekleurden bal in den zak heb. Eensklaps
+struikel ik over den bewusten paal en val op den grond. Terstond
+bemerkte ik dat ik mijn been gebroken had, want ik kon niet opstaan.
+Beste Golberg, doe mij het genoegen en roep een heelmeester; in dien
+tijd zullen de dragers mij wel naar mijn kamertje willen brengen.”
+
+Golberg voldeed aan dit verlangen en zijn vrouw bleef bij den meester.
+
+„Verschrikkelijk,” riep zij, „arme man, waarom moest nu juist u zoo'n
+ongeluk overkomen!”
+
+„Waarom? Dat weet onze lieve Heer,” antwoordde Liebel. „Maar, in ieder
+geval, een beenbreuk is een ongeluk. Het zal mij veel pijn veroorzaken;
+bijna zes weken het bed moeten houden; in al dien tijd kan ik geen
+lessen geven en dientengevolge geen geld verdienen en mogelijk nog met
+een stijf been mijn verdere dagen moeten voortleven. Maar ik vertrouw
+op God, die meermalen uit het kwade nog iets goeds geboren doet worden;
+dat is mijn grootste troost. Als alle menschen bij de ongelukken die
+hen treffen maar het vertrouwen op God behielden, dan zouden zij minder
+troosteloos zijn. Herinnert gij u nog, vrouw Golberg, den tijd toen de
+politieagent mij met boete bedreigde als ik mijn bloempotten niet met
+een ijzeren hek afsloot? Ik maakte mij daarover volstrekt niet boos,
+maar zong lustig mijn liedje; daarover werd ik bij den bankier geroepen
+en gedreigd mijn woning te moeten verlaten. En wat was van dit alles het
+gevolg? Ik kreeg voor het raam het vereischte ijzeren hek, bovendien
+het misdeelde kind Theodoor tot leerling, die nu mijn grootste geluk
+uitmaakt. Welnu, uit deze beenbreuk zal ook wel weêr iets goeds geboren
+worden; ik zal mijn lot geduldig dragen, en op mijn ziekbed heb ik tijd
+om over gewichtige zaken na te denken.”
+
+Blijmoedig en zonder klagen verdroeg Liebel de hevigste pijn bij het
+zetten van het been en de daaropvolgende koortsen. Golberg en zijn vrouw
+waakten om beurt bij het ziekbed, terwijl hunne kinderen steeds bereid
+waren om voor het noodige te zorgen. Het was voor den werkzamen man een
+vreeselijke zaak zoo langen tijd, zonder iets uit te voeren op bed te
+liggen; zelfs het lezen werd hem in de eerste dagen door den arts
+verboden.
+
+Toen Theodoor voor het eerst, zonder dat de bankier er iets van wist,
+zijn goede leermeester bezocht, vloden de tranen hem langs de wangen.
+Deze deelneming van den wees troffen den meester zeer, zoodat hij, om
+den goeden jongen te troosten, begon te schertsen. „Welnu,” zeide hij
+lachend, „nu zijn wij elkander gelijk. Voortaan zal ik hinken even als
+gij, alleen met dat onderscheid, dat uw hinken hoe langer hoe minder en
+het mijne met den tijd erger worden zal; het is toch altijd beter dat ik
+mijn been gebroken heb, dan dat ik mijn hersens verloren had.”
+
+„De geheimraad Hänel laat dikwerf naar uw toestand vragen,” zeide op
+zekeren dag Gotthelff.
+
+„Hij zal den geneesheer betalen,” vervolgde Liesbet.
+
+„De vrouw van den geheimraad,” liet Gotthelff er op volgen, „zal, zoodra
+de geneesheer het toestaat, voor u versterkende middelen gereed maken.”
+
+„De geheimraad heeft het goed met u voor,” zeide Liesbet lachende.
+
+„De lastige steenen paal is nu voor de deur weggenomen,” hernam
+Gotthelff.
+
+„Waarlijk?” riep Liebel op opgeruimden toon. „Daarin ziet gij al weêr,
+dat uit het kwade iets goeds geboren wordt. Nu kan er niemand meer op
+die plaats struikelen of het moet glad op straat zijn.”
+
+Drie weken later was Liebel zoover hersteld, dat hij, ofschoon te bed
+liggende, de drie kinderen kon onderwijzen, kleine geschiedenissen
+vertellen of met hen spelen. Weder drie weken later kon hij het bed
+verlaten en, met behulp van een stok, zijn kamertje op en neder loopen.
+Tot zijn groote vreugde kwam hij tot de ontdekking, dat zijn been niet
+verzwakt of te kort geworden was, zoodat hij volstrekt niet mank liep.
+
+Met ongeduld verwachtte hij de dagelijksche komst der drie kinderen,
+om hen voor den eersten keer loopende tegemoet te komen en hen
+deelgenoot te zien van zijn vreugde. Er kwam echter niemand. Er was iets
+voorgevallen dat, zoo het zich eerst liet aanzien, noodlottig voor vele
+menschen zou afloopen. De bankier Meier had zich naar de tuinmanswoning
+begeven, omdat daar in de nabijheid een voorraad brandhout lag, die door
+den aanhoudenden winter zeer verminderd was; nu wilde hij zijn voorraad
+eens overzien. Terwijl hij hiermede bezig was, vernam hij in zijn
+onmiddelijke nabijheid het lachen en tieren van eenige kinderstemmen,
+die achter het gebouw speelden. Op het geluid af loopende, zag Meier
+twee jongens en een meisje, die zich bezig hielden met sneeuwballen
+gooien, en in het vuur van hun spel de komst van den gevreesden huisheer
+niet bemerkten. Hij zag spoedig, dat een der knapen en het meisje
+kinderen waren van den huisbewaarder; de tweede knaap met roode wangen,
+die lustig bezig was zich tegen de twee andere kinderen te verdedigen,
+herkende hij niet.
+
+Meier had zijn pleegkind slechts zelden en dan nog altijd in de benauwde
+kamer gezien, waar hij wezenloos en stil op een stoel zat; daarom dacht
+hij in den beginne een vreemd kind voor zich te zien.
+
+Toen de kinderen eindelijk de tegenwoordigheid van den gevreesden
+huisheer bemerkten, staakten zij eensklaps hun spel.
+
+Verschrikt lieten zij de sneeuwballen uit de handen vallen en stonden
+onbewegelijk als zoutpilaren. Theodoor liet het hoofd op de borst
+zinken; het rood van zijn wangen verdween en werd vervangen door
+doodelijk wit, angstig keek hij naar den grond.
+
+„Is het mogelijk!” riep Meier verrast uit, „gij, Theodoor, hier?”
+
+Men kon het den bankier aanzien, dat hij verrast was over de
+verandering, die er met den knaap had plaats gehad. Eerst straalde hem
+de vreugde uit de oogen, doch op hetzelfde oogenblik beheerschte hem
+zijn kwade luim. Hij herinnerde zich de bevelen die hij vroeger gegeven
+had, en op den hem eigen onaangenamen toon vervolgde hij: „Gij hier op
+dezen natten grond, met kleeren die nat van de sneeuw zijn; wie heeft u
+toestemming gegeven om de kamer te verlaten, en zonder mijne toestemming
+hier te spelen? Spreek, jongen.”
+
+„Ik ben uit eigen beweging hier heen gegaan,” sprak Theodoor op
+vrijmoedigen toon.
+
+„En waar is vrouw Wimner?” vervolgde Meier.
+
+„Toen zij even de kamer verlaten had, ben ik haar gevolgd.”
+
+„Het is niet waar,” viel Gotthelff in de rede; „wij hebben Theodoor
+afgehaald om hier te turnen, en daarop is dit spelletje gevolgd.”
+
+„Te turnen,” riep Meier op spottenden toon. „Allerliefst! wat weten
+zulke domme kinderen van turnen!”
+
+„Heel veel,” antwoordde Liesbet op beslisten toon, „meester Liebel
+heeft...”
+
+„Stil!” riep Gotthelff gebiedend.
+
+„Wat is er met den ouden schoolmeester?” vroeg Meier.
+
+„Hij kan ons geen les geven, omdat hij met een gebroken been te bed
+ligt,” zeide Liesbet, „en daarom...”
+
+„Hebben wij vrije tijd,” vervolgde Gotthelff, „en daarom hebben wij met
+elkander geturnd.”
+
+„Ik zal die zaak ernstig onderzoeken,” sprak Meier, „maar wee degeen,
+die van dit alles de schuld heeft.”
+
+„Wij alleen hebben schuld,” riep Gotthelff.
+
+„Dat zullen wij zien,”—hernam Meier. „Marsch, jongen, vooruit naar je
+kamer, en wee u, als gij buiten mijn toestemming er weêr uitkomt.”
+
+Theodoor gehoorzaamde zonder een woord tegen te spreken. Gotthelff en
+Liesbet daarentegen vertelden alles wat er voorgevallen was aan hunne
+ouders.
+
+Liebel wachtte nog altijd op de kinderen. Eindelijk ging hij weder
+liggen en verdiepte zich in gissingen over het onverwachte wegblijven.
+Eindelijk kwam Golberg, die er buitengewoon ernstig uitzag.
+
+„Waarom zijn de kinderen niet gekomen?” vroeg Liebel.
+
+„Ik weet niet of ik u de oorzaak zeggen wil,” antwoordde Golberg, „er is
+iets onaangenaams voorgevallen, en ik vrees, dat als ik u het vertel,
+deze geschiedenis nadeelig op uw herstel zal werken.”
+
+„Vooruit er mede,” zeide Liebel, „de onzekerheid pijnigt meer dan de
+wetenschap.”
+
+Golberg vertelde alles wat er voorgevallen was. „De bankier heeft alle
+knechts en meiden streng ondervraagd, en de uitslag hiervan is geweest,
+dat wij drieën, gij, vrouw Wimner en ik, de hoofdoorzaak van alles zijn.
+Vrouw Wimner moet terstond het huis uit; ik met het einde der maand, en
+wat mijnheer Meier met u doen zal weet ik niet.”
+
+Liebel schrikte geweldig. „Wij hebben,” zeide hij, „eerder een belooning
+dan straf verdiend, maar we hebben niet gedacht aan het booze humeur
+van een tiran. Ik ben de oorzaak van het leed, dat vrouw Wimner en u
+aangedaan wordt. Wat nu te doen, om dat kwaad goed te maken?”
+
+„Heb voor mij en de mijnen geen zorg, meester,” vervolgde Golberg.
+„Reeds lang heb ik plan gehad om iets anders te zoeken en dan voor
+de betrekking van huisbewaarder te bedanken. Mijn vrouw en ik zijn
+voornemens een kruidenierswinkel op te richten; het noodige geld
+daarvoor ontbreekt ons echter. Ik heb al eenige keeren moeite gedaan
+om geld te krijgen, maar er is niemand te vinden, die zonder een goed
+onderpand geld geven wil. Maar nu de zaken zoo staan, zal er mogelijk
+wel een menschenvriend zijn die ons helpen wil. Vrouw Wimner beklaag ik
+volstrekt niet; zij mag blijde zijn uit een dienst ontslagen te worden,
+die waarlijk niet veel beter dan een gevangenis is. Alleen beklaag ik
+Theodoor; op dien kan de wreede bankier zich wreken.”
+
+Toen Golberg vertrokken was, raadpleegde Liebel met zichzelven.
+„Golberg,” zeide hij, „heeft zich als een echte Samaritaan voor mij
+gedragen, bij mijn ziekbed gewaakt en mij trouw verpleegd. Het is door
+mijn toedoen dat zij hunne betrekking verliezen. Evenzoo vrouw Wimner.
+Het is dus niet meer dan plicht dat ik zooveel mogelijk hulp verleen.
+Ach, als ik nu maar kon of durfde uit gaan!”
+
+Zes dagen later gaf de heelmeester hiertoe zijn toestemming. Liebel
+strompelde het huis uit, nadat hij uit een gesloten lade een klein
+voorwerp, dat in papier gewikkeld was, had gehaald en in zijn jaszak
+gestoken.
+
+Het werd avond, maar de meester kwam niet te huis. Daarentegen liep
+door de stad het praatje, dat de oude meester Liebel door de politie
+gearresteerd was, omdat hij bij een der juweliers een gouden snuifdoos,
+met brillanten omzet, had te koop aangeboden, en dat dit voorwerp
+reeds lang als gestolen bij de politie was aangegeven. Het gerucht was
+waarheid. Liebel zat tusschen vier muren, in een somber hok, dat slechts
+enkele stralen daglicht toeliet en waarin zich niets dan een stroozak,
+om op te leggen, bevond. Hij trok zich zijn lot echter niet aan;
+integendeel, hij was vroolijk en tevreden. „Er hebben,” prevelde hij,
+„vóór mij meer menschen onschuldig gezeten.” Hij ging in gedachten na,
+hoeveel personen uit de geschiedenis onschuldig gevangen waren geweest,
+en eindigde zijn overdenking met het bekende lied:
+
+ Wees trouw en eerelijk tot aan uw laatsten dag,
+
+en toen hij aan den volzin kwam:
+
+ Dat zingt gij bij de waterkruik, alsof het nektar was,
+
+staakte hij zijn gezang, terwijl hij lachend uitriep: „Daar staat
+werkelijk een waterkruik. Kom, ik wil eens proeven of de inhoud naar
+wijn smaakt. Ik hoop maar dat men mij tegen den avond wat eten brengt.”
+
+Toen Golberg het vreeselijke nieuws vernomen had, vloog hij naar den
+geheimraad Hänel, en vroeg of deze de voorspraak zijn wilde voor den
+meester. De heer Hänel was hiertoe terstond bereid.
+
+Toen Liebel den volgenden morgen in 't verhoor genomen werd, verklaarde
+hij, dat hij, nu ruim vijf-en-twintig jaar geleden, den tegenwoordigen
+vorst les gegeven had in de latijnsche en de grieksche taal, en dat
+hij toen, tot belooning daarvoor, de gouden doos met brillanten omzet,
+waarop het jaartal gegraveerd was, van den vorst ontvangen had. Hij had
+de doos nooit gebruikt, omdat hij niet snoof, en haar bewaard, totdat
+hij de geldswaarde noodig had, en daar zich dit geval nu voordeed, had
+hij besloten de doos te verkoopen.
+
+Toen Liebel dat verhaal gedaan had, werd het verslag daarover den
+geheimraad Hänel ter hand gesteld. Deze was een vertrouwde van den
+vorst, en deelde hem het gebeurde mede.
+
+„O ja,” zeide de vorst, „ik herinner mij nog zeer goed mijn leermeester
+in de doode talen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik de lessen van
+hem kreeg, die mij toegang tot de universiteit gaven. Het was een best
+mensch, die meester Liebel; en dat ik hem, bij de vele staatszorgen,
+geheel vergeten heb, is zijn eigen schuld, daar hij nooit weder iets
+van zich heeft laten hooren. Ik herinner mij ook zeer goed, dat mijn
+overleden vader hem een gouden doos ten geschenke gegeven heeft. De
+hofjuwelier Schrödel zal daarover wel nadere inlichtingen kunnen geven,
+want bij hem werden alle dergelijke geschenken gekocht.”
+
+Toen de doos den juwelier werd voorgelegd, bekeek hij haar nauwkeurig,
+want hij had de gewoonte om ieder stuk, dat bij hem vervaardigd was, een
+geheim teeken te geven—dit vond hij ook op deze doos. Daarna sloeg hij
+zijn boek op, waarin vermeld stond den tijd van aflevering, den naam aan
+wien zij gezonden was, als ook den prijs wat zij gekost had. Alles sloot
+met hetgeen door den meester gezegd was.
+
+„Ik heb,” zeide de juwelier, „veel dusdanige doozen aan ons hof
+geleverd; dus, als al de eigenaars als dieven worden opgepakt, dan kan
+de gevangenis spoedig goed bevolkt zijn.”
+
+Liebel was weder naar zijn cel gebracht, doch spoedig vernam hij eenige
+naderende voetstappen. De grendels werden van de deur weggeschoven, en,
+gelijk met den gevangenbewaarder, stormde de huisbewaarder Golberg met
+vrouw en kinderen binnen. Allen drukten en kusten de handen van den
+meester.
+
+Golberg riep: „beste mijnheer Liebel, uw onschuld is erkend, de
+geheimraad, die mij deze heuchelijke tijding heeft medegedeeld, zal op
+het oogenblik hier zijn, om u met eer uit dit ellendige hol te voeren.”
+
+„Hoe is het mogelijk,” vroeg vrouw Golberg, „dat men u voor een dief
+heeft kunnen houden? Het is verschrikkelijk!”
+
+„Och,” antwoordde Liebel op zachten toon, „deze nieuwe beproeving zal
+ook alweer noodig geweest zijn. Van heden af zal ik ten minste de
+vrijheid nog meer waardeeren dan vroeger. Drie zaken heb ik zeer
+ontbeerd: de vriendelijke zonnestralen, mijn boeken en uw lekkere
+koffie, vrouw Golberg. Dezen morgen werd ik onthaald op een watersoepje.
+Die wilde er niet best in; wel zong ik met heldere stem: „Dan zingt gij
+bij de waterkruik alsof het nektar was,”—maar ik meende het toch niet.
+Dat water heeft mijn maag bedorven.”
+
+„Als gij bij ons komt,” zeide vrouw Golberg, „dan zal ik u een kop
+koffie gereed maken, zooals gij nog nooit gedronken hebt. Een lood
+koffie voor twee kopjes en daarbij een lekker broodje uit de koninklijke
+bakkerij. Wat zou Theodoor gaarne met ons hier heen gegaan zijn, maar de
+arme jongen zit insgelijks gevangen.”
+
+„Dat arme kind,” zuchtte Liebel, „God zegene hem.”
+
+Het binnenkomen van den geheimraad brak het gesprek af.
+
+„Zwaar beproefde man,” zoo ving deze aan, „verlaat met mij deze
+verschrikkelijke plaats. De vorst wacht u; hij is bereid u een
+schitterende voldoening te geven.”
+
+„Wie?... ik? ik zou met deze slechte kleêren, die nog naar de gevangenis
+ruiken, voor den vorst verschijnen? Neen, dat gaat niet.”
+
+„Kom, volg mij,” riep de geheimraad, terwijl hij den tegenstrevenden
+meester met zich trok, „het rijtuig staat op u te wachten.”
+
+Het was een rijk vergulde hof koets, waaromheen zich een nieuwsgierige
+volksmenigte geschaard had. Toen de meester, door twee hoflakeien
+gevolgd, het rijtuig instapte, zag hij niets dan vroolijke en opgeruimde
+gezichten. Toen de vurige paarden het rijtuig in beweging brachten,
+hoorde hij achter zich het volk aanheffen: „hoera, hoera! leve meester
+Liebel—hoera!”
+
+„Droom of waak ik?” vroeg Liebel, terwijl hij zich op het zachte kussen
+heen en weder liet schommelen, „ben ik eensklaps zoo'n belangrijk
+persoon geworden?”
+
+De vorst ontving lachende zijn vroegeren leermeester. „Beste Liebel,”
+zoo sprak deze hem aan, „ik moet beginnen met u te beknorren, omdat gij
+nooit weer zijt komen omkijken naar uw ouden leerling. Waarom zijt gij
+nooit bij mij geweest? Waarom hebt gij niet gedongen naar den titel van
+professor? Mijn invloed zou u ten dienste gestaan hebben.”
+
+„Genadige vorst,” antwoordde Liebel, „ik weet dat uwe doorluchtigheid
+dagelijks met verzoekschriften overstelpt wordt, en aangezien ik door
+het geven van lessen in mijn onderhoud heb kunnen voorzien, zoo vond ik
+geen vrijheid het aantal verzoekschriften met nog een te vermeerderen.”
+
+„Als alle menschen zoo bescheiden waren,” antwoordde de vorst. „Maar
+nu, wat wilt gij? Een hoogere betrekking bij het onderwijs, of de
+betrekking van bibliothecaris aan de hoogeschool? Of wilt gij liever in
+de residentie blijven? In dat geval heb ik ook nog wel een betrekking
+voor u. De custos van onze bibliotheek heeft zijn ontslag aangevraagd
+en deze post is nog niet begeven. Er is aan verbonden een jaarwedde van
+500 thaler en geeft u bovendien nog veel vrije tijd. Wat wilt gij?”
+
+„Ach, uwe doorluchtigheid, welk onverwacht geluk! Ja, de boeken, de
+boeken, dat is mijn element. Hoe gelukkig zal ik mij gevoelen als...”
+
+„Goed,” zeide de vorst, „bij deze benoem ik u tot mijn
+hofbibliothecaris, en tevens ontvangt gij hier ten tweede maal uit mijn
+hand de snuifdoos. Gebruik haar minstens nog een vijfentwintigtal
+jaren.”
+
+De vorst vermaakte zich met den hoogst gelukkigen Liebel. Eindelijk trad
+de geheimraad naar hem toe, en voerde hem weder naar het rijtuig, dat
+hem naar zijn woning bracht.
+
+„Wat heb ik gehoord,” zeide de geheimraad, „snuift gij niet? Ik
+daarentegen ben een hartstochtelijk snuiver, wees zoo goed en laat mij
+het eerste snuifje uit de koninklijke doos hebben.”
+
+Liebel haalde de doos uit den zak, die veel zwaarder was dan vroeger.
+Toen hij het deksel oplichtte, glinsterden hem, tot den rand der doos
+toe, nieuwe dukaten tegen.
+
+„Dat is sterke snuif,” riep de geheimraad op lachenden toon. „Zult gij
+die ook zonder te gebruiken laten beschimmelen, zooals gij vroeger de
+doos gedaan hebt?”
+
+„Neen,” antwoordde Liebel, terwijl tranen van aandoening over zijn
+wangen biggelden, „met dat geld zal ik een goede zaak tot stand brengen
+en veel nut stichten. Dat geld zal het geluk bevorderen van mijn
+vrienden, die mij in den nood trouw ter zijde gestaan hebben. Om hen
+te redden had ik deze doos willen verkoopen, die ik van nu af als een
+kostbaar kleinood in eere houden zal. Hoe wonderbaar zijn de wegen des
+Heeren, die dikwerf uit het slechte het goede doet geboren worden.”
+
+Het gebeurde zooals Liebel gezegd had. De kruidenierswinkel van Golberg
+was spoedig gereed. Dat Liebel vrouw Wimner tot zijn huishoudster
+benoemde, zoodra hij zijn dakkamertje verwisseld had voor eene nette
+woning, was een zaak, die, zoo hij zeide, van zelve sprak.
+
+Door deze handelwijze waren alle verdrukte en slecht behandelde personen
+gered. Eén echter verkeerde nog in een ongelukkigen toestand. De arme
+Theodoor zat nog eenzaam in zijn sombere achterkamer. Dit hinderde den
+hofbibliothecaris, en hij rustte niet vóór hij een middel gevonden had,
+waardoor ook deze ongelukkige een beter lot deelachtig werd.
+
+Op zekeren dag kwam het Liebel ter ooren, dat de zaken van den bankier
+niet in orde waren. De onaangename man had zich in speculatiën gestoken
+die verkeerd afgeloopen waren, en het was vrij algemeen bekend, dat hij
+daarmede zijn vermogen verspeeld had. Nauwelijks was Liebel met deze
+zaak bekend of hij vervoegde zich bij den bankier.
+
+De ontvangst was niet vriendelijk; trouwens, Liebel had zich daarop
+voorbereid; hij had nog nooit een vriendelijk woord van mijnheer Meier
+ontvangen.
+
+Eerlijk en openhartig kwam Liebel voor zijn zaak uit. Hij verbloemde
+niets wat hij van den toestand van den bankier vernomen had en eindigde
+met de vraag: „En nu, mijnheer Meier, kom ik met een vriendelijk verzoek
+tot u: sta mij den verlaten wees af, ik zal, zoo lang ik leef, voor hem
+zorgen, en tevens maken dat hij, indien ik kom te sterven, niet zonder
+hulp achterblijft.”
+
+Men kon zien, dat de trotsche bankier een inwendigen strijd voerde. Het
+aanbod was echter te verleidelijk, en hij wilde ook wel van Theodoor
+ontslagen zijn. Op den hem eigen stroeven toon gaf hij zijn toestemming
+en deed afstand van den knaap.
+
+Liebel was overgelukkig. Geen minuut wilde hij zijn leerling meer in de
+achterkamer laten. Hij verzocht en kreeg toestemming om den knaap
+terstond uit zijn gevangenis te bevrijden en met zich te nemen.
+
+Nog nooit had Liebel zoo gelukkig langs de straat geloopen, dan deze
+keer, nu hij Theodoor naar zijn woning bracht. Met medelijden zag hij
+den knaap aan. „Ach,” dacht hij, „wat heeft dat kind veel ontbeerd. Het
+zal voortaan mijn levensdoel zijn hem te vergoeden al wat hij tot nu toe
+te kort gekomen is.”
+
+Veertien jaren waren vervlogen. De bankier was overleden zonder
+eenig fortuin na te laten. Theodoor was een jonge krachtige man van
+drie-en-twintig jaren geworden. Na den dood van zijn oom werd het huis,
+waarin hij eenige jaren in ellendigen toestand geleefd had, door aankoop
+zijn eigendom.
+
+Op een schoonen zomermiddag zat in de schaduw der tuinmanswoning, de
+plek, waar het spel met de sneeuwballen had plaats gehad, de eerwaarde
+leermeester Liebel op de eereplaats aan den maaltijd. Zijn hoofd was
+bedekt met een zwart fluweelen mutsje, waaronder zilverwitte haren te
+voorschijn kwamen; diepe rimpels lagen hem op het voorhoofd. Vóór hem
+op de tafel stonden twee potten met bloemen, de eene was een donkere
+Basilicum, de andere een vuurroode Balsamine, geschenken van Gotthelff
+en Liesbet. Liebel vierde heden zijn vier-en-zeventigste verjaardag. De
+kinderen zaten naast hunne ouders, daarnevens Theodoor Meier en vrouw
+Wimner, die af en aan liep om de verschillende gerechten op te brengen.
+
+Bovendien zat er nog aan tafel de echtgenoot van Liesbet, een welvarend
+drogist, die, als deelgenoot, met Gotthelff flinke zaken deed. De
+welbereide spijzen en de edele wijn werden met gretigheid genuttigd,
+terwijl er menige heildronk op het welzijn van den grijsaard, aller
+vriend, werd uitgebracht.
+
+Deze wierp een blik op zijn dakvenstertje en zeide met bevende stem:
+„Het is heden juist veertien jaren geleden, dat ik daar voor dat
+geopende dakvenster stond en zong:
+
+ Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.
+
+Er hebben na dien tijd nog heel wat stormen over mijn hoofd gewaaid,
+doch allen zijn door Gods goedheid opgevolgd geworden door zonneschijn
+en kalm weder. Hem daarvoor de dank, Hem alleen de eer!”
+
+
+
+
+DE GANZENKOOPMAN VAN NEURENBERG.
+
+
+„O, ganzendief! ganzendief!” werd in het dorp geroepen. „Ganzendief!
+ganzendief!” weerklonk het in de verte. Waar men liep of stond, ieder
+oogenblik hoorde men de jeugd die leelijke woorden herhalen. Het gold
+een kleinen, armen knaap, die er niet ouder uitzag dan tien of elf
+jaren, maar die reeds dertien jaren achter den rug had.
+
+Het is een bizondere liefhebberij, hoofdzakelijk voor de jeugd op het
+platte land, om haar gelijken, en voornamelijk het arme deel der
+gemeente, te bespotten en bijnamen te geven, te meer, wanneer eenig
+lichaamsgebrek hiertoe aanleiding geeft.
+
+Men deed echter een groot onrecht met Balthasar Teppel, want dien gold
+het scheldwoord, „ganzendief” te noemen. Men had hem liever den naam
+van ganzenvriend moeten geven.
+
+Ieder mensch moet op aarde iets hebben waarmede hij ingenomen is, en
+Balthasar bezat op aarde niets dan twee kleine jonge ganzen, die nog
+niet eens vederen, maar goudgeele haren bezaten. Hij had noch vader noch
+moeder, noch broeders, noch zusters, zelfs geen naaste bloedverwant—hij
+was een verlaten wees. Hij bezat niets dan het vertrouwen op God en de
+twee jonge ganzen, die hij van den watermolenaar gekregen had. Balthasar
+wist niet dat ganzen eenmaal het Kapitool van Rome gered hadden, evenmin
+wist hij hoe lekker een boterham, met ganzenlever besmeerd, smaakte.
+Niettegenstaande dat, hield hij veel van de ganzen en benijdde hen
+dikwerf, omdat zij volstrekt geen last van de bittere kou hadden, en
+zelfs, al liepen zij in den regen, niet nat werden, daar zij het water
+van hun vederen afschudden. Ook van koud noch van warm weder hadden zij
+eenige last. Hij hoorde veel liever het geschater van een gans dan het
+kakelen van een haan of het koeren van een duif, of het blaffen van een
+hond. Zoo heeft ieder zijn smaak.
+
+Op zekeren dag had een dozijn jonge ganzen, die eenige dagen
+geleden uit den dop gekropen waren, zich van de moederlijke zorg
+onttrokken en in de nabij zijnde molenvliet begeven, waar zij, door den
+stroom voortgedreven, hunne zwakke zwemvliezen nauwelijks behoefden
+te gebruiken. Zoo naderden zij, dicht aaneengesloten, het snel
+ronddraaiende rad van den watermolen, dat, als het hun in zijn vaart
+medesleurde, allen in één oogwenk uit het water zoude opbeuren en
+tusschen de kamraderen vermorselen. Nog één oogenblik en het zou met het
+leven der jeugdige waaghalzen gedaan zijn, doch juist op dit oogenblik
+naderde hun redder de plaats des onheils. Balthasar, die het ongeluk zag
+aankomen, snelde, zonder aan eigen levensgevaar te denken, te hulp. De
+moedige knaap sprong op een balk, die dwars in het water over een beek
+lag, plaatste zich daarop in liggende houding en zwaaide met handen en
+voeten. De ganzen, hierdoor verschrikt, vlogen links en rechts en
+trachtten hun verschrikker te ontvlieden.
+
+De molenaar en zijn vrouw kwamen op het geschreeuw van Balthasar buiten,
+en, het gevaar ziende, brachten zij eerst hunne ganzen in veiligheid,
+en hielpen daarna Balthasar uit zijn benauwden toestand, aan wie twee
+der geredde gansjes als loon voor zijn edelmoedigheid ten geschenke
+gegeven werd.
+
+Er is voor hem, die niet veel gewoon is, weinig noodig om zich gelukkig
+te gevoelen. Menig vorst is niet zoo gelukkig met het overwinnen van
+twee koningrijken als onze Balthasar was met zijn twee ganzen. Hij
+vergat zijn toestand en voelde niet eens dat zijn armen en beenen nat
+waren, veel minder hinderde hem de koude, ofschoon hij liep te sidderen.
+Hij hield de ganzen in beide handen en drukte ze tegen zijn borst.
+Opgeruimd van vreugde vervolgde hij zijn weg en zocht de eenzaamheid op,
+om daar zijn schatten goed te kunnen bekijken en de jeugdige vogeltjes
+in het gras te laten loopen. Even als een goede huismoeder, die alle
+zorgen aan haar lievelingen besteed, zoo ook was Balthasar, of liever
+Balzer, want zoo werd hij algemeen genoemd, vol zorg voor zijn
+lievelingen, en voorzag ze van goed voedsel en drinken.
+
+Balzer woonde, even als andere arme weezen, in het dorpsarmhuis; hij had
+op den zolder een klein kamertje, dat hij zijn eigendom kon noemen; dat
+vertrek had de eigenschap van in den winter verschrikkelijk koud en in
+den zomer brandend heet te zijn; dit hinderde hem echter volstrekt niet.
+Van jongs af aan ontbeeringen gewend, was hij niet beter gewoon. Balzer
+maakte in een hoek van het dakkamertje een stal voor zijn lievelingen.
+
+Des morgens werd hij door hun gesnater gewekt, en dan was zijn eerste
+bezigheid hen te voederen. Hij deelde met hen zijn grof roggebrood,
+ofschoon de portie, die hij dagelijks van het armenhuis kreeg, niet
+groot was.
+
+Het ging echter in het armenhuis, waar Balzer verpleegd werd, juist
+zooals het overal gaat: men duldde niet dat iemand, die door de gemeente
+onderhouden werd, iets voor zijn liefhebberij er op nahield, en zoo werd
+het Balzer ook verboden twee ganzen te onderhouden. De goede jongen kon
+echter niet scheiden van de beesten, die hij innig lief gekregen had.
+
+Door het dorp, waar onze Balzer woonde, stroomde een tamelijk breed
+water, dat in de naaste rivier uitliep. Het was dus natuurlijk, dat de
+bewoners van Dortingen, zoo heette het dorp, daarin hunne ganzen lieten
+zwemmen; het kweeken van deze vogels verschafte aan menigeen een groot
+deel van hun bestaan.
+
+Nu wilde het toeval dat de persoon, die door het dorpsbestuur aangesteld
+was om toezicht over de ganzen te houden, een betere betrekking kon
+krijgen, en alzoo voor den post van ganzenbewaker bedankte.
+
+De molenaarsvrouw, die de edelmoedige daad van Balzer nog niet vergeten
+was, sprak met de invloedrijke personen van het dorp en maakte dat
+Balzer benoemd werd tot waker over de ganzen.
+
+Hierdoor raakte het gemeentebestuur uit het armenhuis een wees kwijt,
+want nu kon Balzer zijn eigen brood verdienen. Het gemeentebestuur
+ondersteunde gaarne deze zaak, daar het in zijn voordeel was, en tevens
+maakte het Balzer meer dan gelukkig.
+
+Nu was er niemand die hem beletten kon, om zijn twee ganzen tegelijk met
+de anderen, zoowel in het water als op de weide te verzorgen.
+
+Hij bond, om alle verwarring te voorkomen, om de nekken en linker
+pooten van zijn ganzen een rood bandje. Deze voorzorgsmaatregel, door
+Balzer genomen, was zeer verstandig en bleek spoedig niet overbodig te
+zijn geweest.
+
+Nu had de knaap gelegenheid en tijd om de natuur, de levenswijs, den
+aard, de ziekten en kwalen der ganzen te leeren kennen, alsook om te
+bestudeeren welk voedsel goed of schadelijk voor hen was. Hij was geen
+luie, gedachtelooze ganzenhoeder; den geheelen dag hield hij zich met de
+vogels, die aan zijn zorg toevertrouwd waren, bezig, en zeer terecht
+verwierf hij spoedig algemeen den bijnaam van Ganzenvriend. De vogels
+betoonden zich dankbaar voor de liefderijke zorg en verpleging, die
+dagelijks aan hen besteed werd; zij volgden Balzer waar hij ging en
+bleven altijd in zijn onmiddelijke nabijheid.
+
+Toen de ganzen van Balzer volwassen waren en er gezond en prachtig
+uitzagen, trachtte een boosaardige dorpsjongen hem zijn eigendom
+afhandig te maken. Met dit doel had hij de roode bandjes van de halzen
+losgemaakt en deze om de halzen gebonden van twee magere ganzen, die hem
+toebehoorden en die hij aldus wilde laten doorgaan voor ganzen van
+Balzer.
+
+Deze, die door zijn dagelijkschen omgang met de vogels, allen aan hun
+vederen kende, bemerkte spoedig het bedrog; hij riep de ganzen die hem
+toebehoorden; deze naderden hem en hadden de lintjes nog om de pooten;
+hierop had de dief niet gelet en daardoor kwam het bedrog spoedig uit.
+
+Een wreed gevaar bedreigde op nieuw de ganzen van Balzer, en ditmaal was
+het veel erger.
+
+Onzen ganzenhoeder had dit gemeen met alle jongens van zijn jaren, dat
+hij des nachts zeer vast sliep, en dat zelfs het gebulder van een
+kanonschot niet in staat was hem wakker te maken.
+
+Maar, even als een zorgvuldige moeder terstond ontwaakt als haar
+jeugdige lieveling schreeuwt of als het iets overkomt, zoo ook was het
+met Balzer; er kon des nachts niets met de ganzen gebeuren of hij
+ontwaakte; het minste vreemde geluid of de minste onrust onder hen deden
+hem terstond ontwaken en in de duisternis van zijn legerstede opstaan.
+Spoedig begaf hij zich dan bij de vogels, verzorgde hen en wist
+menigmaal door spoedige hulp groote ongelukken te voorkomen.
+
+Op zekeren nacht vernam hij, nadat hij eenigen tijd geslapen had, een
+onrustige beweging onder zijn kudde; het bed uit te springen was voor
+hem het werk van een seconde; hij greep in het duister rond, en kwam
+spoedig tot de ervaring dat er een dief in den stal was; het gelukte
+hem een vrouw bij de kleeren te pakken, en, wat hij eenmaal vast had,
+liet hij niet gemakkelijk los. Er ontstond tusschen hem en de diefegge
+een vreeselijke worsteling; de vrouw sprak geen woord, maar deed alle
+mogelijke moeite om zich uit de handen van Balzer te bevrijden.
+Eindelijk gelukte het haar; de rok, waaraan Balzer haar vast hield,
+scheurde; zij ontvluchtte en de ganzenhoeder bleef met een lap in de
+handen staan.
+
+Balzer, die gedurende de worsteling om hulp geroepen had, werd spoedig
+door de buren bijgestaan; zelfs de nachtwacht kwam op het hulpgeschreeuw
+toeloopen, en had het geluk de diefegge te grijpen, juist op het
+oogenblik dat zij den stal wilde ontvluchten; de vrouw werd in arrest
+gebracht en met veertien dagen gevangenis gestraft.
+
+Het werd herfst, de lucht werd dagelijks bewolkt, het gras op de weide
+groeide niet meer, en alzoo moest er een einde gemaakt worden aan het
+ganzenhoeden.
+
+De volwassen en vette ganzen gingen den weg op van het vleesch, dat wil
+zeggen: zij werden gedeeltelijk levend, gedeeltelijk dood verkocht,
+terwijl slechts een klein gedeelte voor de fokkerij behouden bleef.
+Balzer moest ook van het geliefd tweetal scheiden; vooreerst omdat hij
+in de eerste maanden buiten betrekking gesteld werd, en ten tweede omdat
+er nu geen groen voedsel meer te vinden was.
+
+Op een guren dag in de maand November toog Balzer met zijn twee ganzen
+naar de stad Neurenberg, die twee uren van het dorp verwijderd lag. In
+zijn zakken had hij een paar stukken roggebrood en de ganzen droeg hij
+onder zijn armen. Al wat hij bezat droeg hij bij zich.
+
+Terwijl de ganzen, die volstrekt geen begrip hadden van het treurige lot
+dat hen te wachten stond, vroolijk heen en weder keken, was het hart
+van hem die hen droeg, o zoo gedrukt. Hij moest van datgene wat hem het
+liefst was voor altijd scheiden, en eenzaam den langen somberen winter
+doorleven. Eerst liep hij langs den weg te weenen, doch eindelijk
+bemoeide hij zich meer met zijn vogels en sprak hen op troostenden toon
+toe; hij scheen behoefte te gevoelen hen nogmaals vriendelijk toe te
+spreken, ofschoon hij zeer goed wist dat zij hem toch niet begrepen.
+
+„Och,” zuchtte hij eindelijk, „sterven moeten wij allen—allen zonder
+onderscheid. Eerst heb ik mijn beste vader en vier weken daarna mijn
+onvergetelijke moeder zien sterven! Oude menschen _moeten_ sterven, doch
+somwijlen sterven jonge menschen ook. Niemand wil een oude gans koopen,
+dus het lot van die arme beesten is, om jong te sterven, daarom moet ik
+van u scheiden, want nu is uw vleesch nog jong en zacht. Het verdriet om
+u te zien sterven, zal mij bespaard worden, en als ik veel geld voor u
+weet te krijgen, dan zal ik in 't voorjaar in staat zijn weder eenige
+jonge ganzen te koopen.”
+
+Zoo denkende en pratende, naderde Balzer eindelijk den Vrouwentoren te
+Neurenberg. Hij liep de brug, die over de stadsgracht voerde, over, en
+naderde de hoog gewelfde poort, die hij spoedig achter den rug had.
+Eensklaps hoorde hij achter zich geweldig luid roepen: „Hé, knaap! Wilt
+gij eensklaps uw ganzen zien verbeurd verklaard, of wilt gij eerst
+marktgeld betalen?”
+
+„Marktgeld!” antwoordde Balzer, die niets van deze woorden begreep en
+den stadsportier, die tevens het ambt van commies vervulde,
+verwonderlijk aanstaarde.
+
+„Ja, marktgeld,” antwoordde de commies, terwijl hij de open hand naar
+hem uitstrekte. „Een kreutzer voor iedere gans.”
+
+„Ik heb geen geld,” antwoordde Balzer met bevende stem.
+
+„Maak dan maar spoedig dat gij weêr buiten de stad komt,” hernam de
+commies, „en gaat van waar gij gekomen zijt.”
+
+„Niet zoo driftig, mijnheer,” antwoordde Balzer op smeekenden toon. „Ik
+ben een arme wees, en bezit niets dan deze twee ganzen, die ik gaarne in
+de stad zou willen verkoopen.”
+
+„Dat gaat mij allemaal niet aan,” grauwde de man hem toe. „Al waart
+gij de eigen zoon van den keizer, dan zoudt gij toch moeten betalen.
+Daarvoor is Neurenberg een vrije rijksstad en stelt zich tevreden met
+een onnoozelen kreutzer van iederen gulden die het landvolk hier in de
+stad draagt.”
+
+„Ik wil u die twee kreutzers gaarne betalen,” antwoordde Balzer, „als ik
+weder de stad verlaat en mijn ganzen verkocht heb.”
+
+„Ja, dan moest ik wel een ezel zijn,” hernam de commies op lachenden
+toon, „als ik mij met zulke praatjes liet afschepen. Dus komaan, betaal
+wat gij schuldig zijt, of...”
+
+„Ik heb ze niet,” antwoordde Balzer, „maar zijt gij tevreden als ik u
+mijn buis als pand achterlaat?”
+
+„Dat buis?” antwoordde de man, terwijl hij het kleedingstuk met een
+verachtelijken blik aanzag. „Wel, het ziet er kakelbont genoeg uit;
+allerlei lappen, het heeft wel iets van de landkaart van het Duitsche
+rijk. Ik zal het wel laten om dat oude ding in mijn handen te nemen.
+Voort, jongen, maak dat je weg komt.”
+
+Balzer stond bitter te weenen. Een fruithandelaar, die oor- en
+ooggetuige geweest was van hetgeen er tusschen Balzer en den commies
+had plaats gehad, riep den knaap bij zich in den winkel. „Hier hebt gij
+twee kreutzer,” zeide hij op deelnemenden toon tot den knaap. „Maar gij
+moet mij uw buis tot pand achterlaten; er wordt tegenwoordig zooveel
+bedrog gepleegd, dat men niemand meer kan vertrouwen, en ik kan de twee
+kreutzer ook niet missen.”
+
+Balzer zette de twee ganzen op den grond, trok zijn buis uit en
+overhandigde het onder dankbetuiging aan den fruithandelaar. Hij
+betaalde de twee kreutzer aan den commies, die, zonder verder een woord
+te spreken, weder op zijn stoeltje in de poort ging zitten. Daarna nam
+Balzer de ganzen onder den arm en ging met een beklemd hart naar de
+markt.
+
+Veel nieuws was hier voor onzen jeugdigen koopman te zien. Niet ver van
+een prachtige kerk verwijderd, zag hij een sierlijk bewerkte pomp, die
+haar heldere waterstralen uit gebeeldhouwde koppen te voorschijn bracht.
+
+Onze voorvaderen rekenden onder de heerlijkste voortbrengselen der
+natuur het water als een reine stof, en bouwden daarom rijk versierde
+gedenkzuilen, waaruit zij het volk van water voorzagen. Dit is de reden
+dat men nog in vele oude steden zulke prachtige fonteinen en pompen op
+de markten ziet.
+
+Ofschoon Balzer geen kunstkenner was, voelde hij zich toch bizonder
+aangetrokken tot dat gedenkstuk. Eerst liet hij zijn ganzen drinken,
+laafde toen zich zelf en deelde daarna zijn brood met zijn twee
+lievelingen. Toen zocht hij een plaats dicht bij de pomp op en bleef
+daar staan met onder iederen arm een gans; zijn aandacht was onverdeeld
+gevestigd op de heldere waterstralen der pomp en op de steeds
+aangroeiende menigte op de markt.
+
+Geruimen tijd stond Balzer op zijn plaats, steeds te wachten of er een
+kooper voor zijn ganzen zou komen opdagen. Het scheen alsof niemand
+eenige attentie had voor den ongeoefenden koopman, die zijn ganzen al
+vaster en vaster tegen zich aandrukte om ze te verwarmen. Eindelijk liep
+een welgekleede burgervrouw met een mand aan den arm op hem toe.
+
+„Wat kost zoo'n gans?” vroeg zij, terwijl zij de vogels bevoelde.
+
+„Vijf en twintig kreutzer!” antwoordde Balzer, terwijl hij alle moeite
+deed om zijn waar aan te prijzen. De vrouw antwoordde niet, nam dan de
+eene en dan de andere gans in de hand, woog en bevoelde ze, en zeide
+eindelijk: „Ik houd niet van loven, dus kort en goed, ik geef u een
+blanken gulden.”
+
+Zij haalde het groote geldstuk uit haar beugeltas en hield dat den knaap
+voor de oogen.
+
+„Doe er nog twee kreutzer bij,” antwoordde hij met bevende stem, „die
+zijn voor het marktgeld dat ik heb moeten betalen.”
+
+De vrouw keek met doordringende blikken den knaap aan en haalde nog twee
+kreutzer uit haar tas. „Ziedaar,” antwoordde zij, „maar dan moet gij de
+ganzen te huis brengen, ik woon hier niet ver van daan.”
+
+„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde Balzer.
+
+Onder het loopen vroeg de vrouw, waarom hij in November zoo ligt gekleed
+was. De knaap vertelde haar zijn wedervaren en tevens eenige van zijn
+verdere lotgevallen. De vrouw had medelijden met den armen knaap en gaf
+hem, toen zij te huis gekomen was, een buis, dat er veel beter uitzag
+dan dat hetwelk hij verpand had. Daarna zette zij hem een kom warme
+soep voor, die hem zoo lekker smaakte als hij ooit iets geproefd had.
+Eindelijk kwam de heer des huizes uit zijn winkel, waar hij
+verschillende koopwaren verkocht, in de kamer.
+
+„Gij hebt ganzen gekocht, Barbaratje,” zeide hij, „gij weet toch, dat er
+zijn die slechte schachten in de vleugelen hebben.” Dit zeggende, trok
+hij een paar veeren uit de vleugelen en vergeleek deze met de veeren
+pen, welke hij achter het oor had. „Ziet gij,” vervolgde hij, terwijl
+hij minachtend de schachten op den grond wierp, „zij zijn veel te zwak
+en te week, ik heb veel liever bereide Hamburger pennen.”
+
+„Bereide?” vroeg Balzer verwonderd, „kan men ganzenpennen bereiden? Hoe
+gaat dat?”
+
+„Alles wordt bereid wil het goed bruikbaar worden,” antwoordde de
+koopman, „leder, hout, ja, mensch en dier, tot zelfs de geweren voor
+de soldaten.” Daarna vertelde hij den knaap, op welke wijze versche
+ganzenvederen tot bruikbare schrijfpennen gemaakt worden. Toen hij van
+Balzer vernam, dat deze het geld, dat hij voor de ganzen ontvangen had,
+tot het voorjaar wilde bewaren om er dan weder jonge voor te koopen,
+vond hij dit voornemen zeer goed. „Maar,” zeide hij, „als ik in uw
+plaats was, zou ik dat geld niet zoolang doelloos laten liggen, maar ik
+kocht daarvoor eenige kleine koopwaren, voorwerpen, die het boerenvolk
+altijd gebruiken kunnen en die zij altijd uit de stad moeten halen;
+bijvoorbeeld: garen, band, naai- en breinaalden, leien en griffels,
+vragenboeken en dergelijke zaken. Ik handel in die artikelen en wil ze u
+voor billijken prijs verkoopen. Gij moet met een kleine winst tevreden
+zijn, dan hebt gij kans, dat gij uw gulden, vóór den winter verstreken
+is, tot drie of vier gulden vermeerderd ziet.”
+
+Dit voorstel stond Balzer Tippel bijzonder goed aan en hij nam het
+voorstel gretig aan. Beladen met zijn nieuwe koopwaren, nam hij den
+terugtocht aan; eerst loste hij zijn buis, dat hij verpand had, weder
+in, en had de zelfvoldoening door den koopman een eerlijken jongen
+genoemd te worden. In plaats van nu den geheelen dag in ledigheid
+door te brengen, (scholen bestonden er toen op de dorpen nog niet,
+ons voorval heeft plaats gehad in het jaar 1548) liep Balzer met
+zijn koopwaar van het eene dorp naar het andere. Daar zijn waar
+uit benoodigdheden bestond en niet te hoog in prijs waren, was hij
+spoedig uitverkocht en moest hij op nieuw naar den koopman Wormser,
+in Neurenberg, om nieuwe voorraad op te doen.
+
+Balzer leefde zoo zuinig mogelijk, en daar hij in de wintermaanden nog
+eenige ondersteuning uit de gemeentekas ontving, had hij bijna niets
+van zijn verdiensten uit te geven. In dien tijd bestond er nog wat meer
+gastvrijheid dan tegenwoordig, zoodat het menigmaal gebeurde, dat Balzer
+bij een boer ten eten gevraagd werd of een nachtverblijf bekwam, zonder
+dat hij er iets voor behoefde te betalen. Toen het voorjaar aangebroken
+was, nam hij weder het ambt van ganzenhoeder bij de hand, en toen het
+weder herfst was voerde Balzer vier paar vette ganzen, die onbezwaard
+en zijn eigendom waren, naar de markt te Neurenberg. Zoo verliepen er
+eenige jaren, waarin Balzer door vlijt, spaarzaamheid en overleg, zijn
+inkomen zag vergrooten.
+
+Eindelijk had hij zijn post van ganzenhoeder neergelegd en een
+onbewoonde hut met den daaraan grenzenden tuin gehuurd, waarin hij
+woonde en zijn koopwaar borg. Hij was nu niet meer de arme ganzenhoeder,
+die bij de vogels in den stal sliep, maar een knappe, flinke jongeling,
+die door rijken en armen gaarne werd ontmoet.
+
+Op zekeren dag in de maand Augustus dreef Balzer Tippel een kudde vette
+ganzen voor zich op den landweg, die naar Neurenberg leidde, uit. Onder
+luid gesnater dreef hij een honderdtal vogels voort, terwijl zij, die
+aan den buitenkant liepen, zich te goed deden aan het gras dat langs den
+weg groeide.
+
+Vier jonge heeren uit den deftigen stand reden op prachtige paarden de
+poort van Neurenberg uit den troep tegemoet. Toen de voorste den troep
+ganzen gewaar werd, gaf hij zijn paard de sporen, zoodat dit begon te
+steigeren, waarna het in wilden draf door de ganzen heen reed.
+
+Dit heldenstuk kostte aan drie ganzen het leven en aan eenige anderen
+gebroken pooten of vleugels, terwijl zij, die ongedeerd bleven, angstig
+heen en weder vlogen.
+
+Toornig over deze behandeling, liep Balzer naar hem toe, die aanleiding
+gegeven had tot dit ongeval, om hem zijn misdrijf onder het oog te
+brengen en schadevergoeding te vragen.
+
+In plaats van antwoord ontving hij een slag met de zweep over zijn
+aangezicht, terwijl de ruiter hem toeriep: „Uit den weg, ganzenlummel!”
+
+Terwijl Balzer bedremmeld en weenende van pijn daar stond, vervolgden de
+ruiters, voldaan over hunnen wreedaard, in vliegenden galop hun weg.
+
+Eindelijk verzamelde Balzer de doode en gewonde vogels, terwijl hij
+de verstrooide weder tot rust trachtte te brengen; gelukkig voor hem
+ondervond hij hierbij de hulp van een paar jongens, die ooggetuigen
+geweest waren van het wreede schouwspel. Daarna ging hij naar een
+fontein en verkoelde zijn aangezicht, dat brandend heet was van de
+bekomen slagen.
+
+Hierna begaf hij zich naar een stalhouder, waar hij zijn vogels in
+verzekerde bewaring gaf en liep toen de stad in, om te weten te komen
+waar de wreede ruiters te huis behoorden en hoe hunne namen waren. Om
+hierin te slagen liep hij naar den fruithandelaar, die hem de twee
+kreutzers geleend had en met wien hij na dien tijd altijd kennis
+gehouden had.
+
+„Vrouw Mertens,” vroeg Balzer, nadat hij de vrouw vriendelijk goeden
+morgen gewenscht had, „hebt gij hier ook vier ruiters voorbij zien
+rijden?”
+
+„Ja zeker,” antwoordde zij, „het waren allen vier zonen van
+groothandelaars uit de stad, jongens, die alles verzwelgen wat hunne
+vaders verdiend hebben. De ergste van allen is de jonge Siebold, die nu
+vier weken geleden zijn vader heeft helpen begraven. In plaats van de
+voetsporen van zijn vader te volgen, mishandelt hij zijn onderhoorigen
+en leidt een verkeerd leven; zijn moeder, die alle mogelijke zorg aan
+zijn opvoeding heeft besteed, heeft niets over hem te zeggen en moet
+zich naar zijn grillen schikken. Nu, het gevolg is dat hij niets doet
+dan geld verteeren en uitgaan.”
+
+Nadat Balzer uitgelegd had hoe de wreedaard er uitzag en gekleed was,
+moest dat Siebold geweest zijn. Balzer begaf zich naar diens woning.
+
+Hier moest hij over balen en kisten springen om aan den ingang te
+komen, die hem toegang tot een trap gaf, welke hem den weg naar de
+keuken deed vinden, waarin zich twee meiden en een net gekleede
+jongejuffrouw bevonden. Balzer was in bijna alle groote huizen bekend
+als de ganzenhoeder; het was dus niets vreemds, dat de jongejuffrouw,
+die een arme verre bloedverwant van het huis Siebold was, naar hem
+toeliep met de woorden: „wij hebben heden niets noodig, want, zooals gij
+ziet, wij zijn reeds voorzien.”
+
+Dit zeggende, wees de jongejuffrouw met haar vingers op een blank
+geschuurden schotel, waarop vier prachtige vette ganzen gereed lagen om
+te worden gebraden.
+
+Voor een oogenblik vergat Balzer zijn leed; als een echte liefhebber
+en met het oog van een kenner liep hij naar de ganzen; hij onderzocht
+den ouderdom, de hoeveelheid vet, de dikte der lever, en kwam tot het
+besluit, dat de laatste vogel het beste was. Nog zelden had hij zulke
+mooie en prachtig schoongemaakte ganzen gezien.
+
+„Hebt gij deze ganzen zelf gefokt en geslacht?” vroeg hij op
+vriendelijken toon aan de jongejuffrouw.
+
+„Wel zeker,” antwoordde zij.
+
+„Geslacht ook?” herhaalde Balzer.
+
+„Ja,” antwoordde het meisje, „het is geen prachtig werk om een gans den
+hals om te draaien, maar ik doe het liever zelf, dan het aan anderen
+over te laten, die de arme dieren somwijlen noodeloos martelen.”
+
+Eindelijk vertelde Balzer zijn wedervaren en toonde, als bewijs van
+de waarheid, de striemen op zijn gezicht. Het meisje had hem met
+belangstelling aangehoord; zuchtend antwoordde zij: „dat is een slechte
+streek.” Daarna keerde zij zich om en kwam spoedig terug met een potje
+zalf. „Daar,” zeide zij, „smeer uw wonden met deze zalf in, in dien tijd
+zal ik naar mijn tante gaan, haar het gebeurde vertellen en
+schadevergoeding voor u vragen.”
+
+Toen zij weg was, wilde Balzer weten wie deze jongejuffer was. De beide
+dienstmeiden prezen haar zeer en verafschuwden den jongenheer.
+
+„Mijn tante,” luidde het antwoord van de jongejuffer, toen deze weder in
+de keuken verscheen, „kan het verhaal, zooals gij het vertelt, nog niet
+geheel gelooven; zij wil er eerst met den jongenheer over spreken, en
+vraagt of gij na den middag zoudt willen terugkomen?”
+
+Toen Balzer eenige uren later weder in de keuken verscheen, zag hij het
+jonge meisje met de handen onder het hoofd aan een tafel zitten. Het
+meisje schrikte geweldig, toen zij eenige oogenblikken later het hoofd
+ophief en Balzer zag staan wachten. Met tranen in de oogen zag zij hem
+aan en zeide: „Ganzenvriend, (onder een anderen naam was Balzer in
+Neurenberg niet bekend) gij komt in vele huizen en bij vele familien,
+weet gij niet een dienst voor mij? Ik zie niet tegen werken op, maar
+nooit wil ik weer in een dienst zijn, waar een jongenheer in huis is.
+Loon heb ik niet noodig.”
+
+„Op het oogenblik weet ik geen betrekking voor u,” antwoordde Balzer,
+„maar ik wil wel eens voor u uitkijken, misschien weet ik binnen eenige
+dagen wel iets voor u.”
+
+„Hier is,” vervolgde Marianne, terwijl zij den ganzenkoopman een zakje
+met geld ter hand stelde, „het geld voor de ganzen, die gedood en
+beschadigd zijn.”
+
+Na zich eenigen tijd bedacht te hebben, nam Balzer het geld aan. „Het
+was mij,” zeide hij, „minder om het geld te doen, dan wel, dat ik wilde
+dat de jongeheer voor zijn baldadigheid gestraft werd. Mijn plan was,
+hem voor het gerecht te laten komen, maar om u geen verder verdriet te
+doen, zal ik het er nu bij laten.”
+
+Een week later verscheen Balzer weder in de keuken van mevrouw Siebold.
+„Ik heb,” zeide hij, na Marianne vriendelijk gegroet te hebben, „een
+dienst voor u, maar zij is op het platteland, twee uren van hier.”
+
+„Dat is mij onverschillig,” viel Marianne hem in de rede.
+
+„Men biedt u twintig gulden loon per jaar, benevens kost en inwoning,”
+vervolgde hij.
+
+„Te veel, dat is veel te veel,” riep het meisje. „Ik heb om geen loon
+gevraagd. Waar woont die milde heerschap?”
+
+„Het is geen heerschap,” antwoordde Balzer, „maar slechts een landman.
+En dat moet ik er u bijzeggen: er moet flink gewerkt worden; voor
+twintig gulden loon kan men ook iets vorderen.”
+
+„Ik werk gaarne,” antwoordde Marianne, „deze beide dienstmeiden en
+zelfs mijn tante Siebold zullen moeten erkennen dat ik nooit met de
+handen in mijn boezelaar gezeten heb.”
+
+„Dat hoor ik gaarne,” zeide Balzer, „want ik zou gaarne met mijn
+aanbeveling eer in leggen.”
+
+„Welnu, zeg mij dan,” vervolgde Marianne, „waar het is en hoe de naam
+van den boer is, opdat ik een en ander aan tante vertellen kan.”
+
+„Het dorp heet Dortingen,” antwoordde Balzer kalm, „en de naam van hem,
+die u huren wil, is Balthasar Tippel, hier in Neurenberg bekend onder
+den naam van Ganzenvriend.”
+
+„Lieve Hemel! Gij?” riep Marianne, door deze inlichting getroffen. „Spot
+gij nu met een arme wees?”
+
+„Volstrekt niet,” antwoordde Balzer op ernstigen toon, „het is zooals ik
+u gezegd heb.”
+
+„Maar gij zijt,” vervolgde het meisje, terwijl een roode kleur haar
+wangen verfden, „nog een jongmensch, en ik heb u toch vooruit mijne
+bedenkingen gemaakt.”
+
+„Ik ben dertig jaren oud,” vervolgde Balzer lachende, „daarbij ben
+ik geen jongenheer en ook weinig te huis. Bovendien, ik schenk u niet
+weinig vertrouwen, iets dat ik hoop dat door u gewaardeerd zal worden.
+Ik oefen in Dortingen een winkel uit in kramerijen, die door u gedreven
+moet worden. Zijt gij oneerlijk—iets dat ik niet geloof—dan kunt gij
+mij langen tijd benadeelen zonder dat ik er iets van bemerk. Denk over
+mijn voorstel na, totdat ik over drie dagen terugkom. In dien tijd kunt
+gij naar mij onderzoeken; verneemt gij iets in mijn nadeel, dan moet gij
+het mij openhartig zeggen, en kan ik het niet met grond tegenspreken,
+welnu, dan hebt gij verder niets met mij te maken.”
+
+„Houd mij niet voor ondankbaar,” antwoordde Marianne, „dat ik uw aanbod
+niet terstond aanneem, maar er eerst rijpelijk over wil nadenken. Het
+zou zeer lichtzinnig van mij zijn en gij zoudt mij terecht voor
+onbezonnen houden als ik uw voorstel terstond aannam.”
+
+„Dat antwoord had ik van u verwacht,” zeide Balzer, „uw besluit doet mij
+veel genoegen. Het blijft dus bij onze afspraak. Tot wederziens.”
+
+Marianne besteedde de drie dagen, die zij had om te bedenken, met
+overal naar den handel, wandel en huiselijken toestand van Balzer te
+onderzoeken. Overal zwaaide men Ganzenvriend de grootste lof toe; bij
+ieder stond hij bekend als een eerlijk en vlijtig koopman en als een
+rechtschapen jongmensch.
+
+Toen Balzer op den bestemden dag terugkwam, verklaarde Marianne zich
+bereid om de aangeboden betrekking te aanvaarden, en daar zij geen vaste
+verbindtenis met het huis Siebold aangegaan had, kon zij vertrekken zoo
+spoedig als zij wilde; iets, dat Balzer zeer aangenaam was.
+
+Eenige dagen later kwam Balzer met zijn wagen, bespannen met twee
+paarden, voor de deur, waarop de bezittingen van Marianne geladen
+werden.
+
+De jonge Siebold vond het allerprettigst dat Marianne dienstmeid werd
+bij Ganzenvriend. Hij kon het dan ook niet nalaten haar bij het vertrek
+hartelijk te bespotten.
+
+Hij ging in zijn pakhuis en keerde met een gevulden grof linnen zak
+terug, die hij bij den inboedel van Marianne wierp. „Daar,” riep hij,
+tot een van zijn pakhuisknechten, „daar, gooi dien zak bij den boedel
+van Marianne, dan kan zij haar pleegkinderen, de ganzen, daarmede
+voeden. Als zij die noten opeten, zullen zij dorst krijgen, en zich vet
+drinken. Marianne, als gij dezen zak ziet, denk dan aan mij; gij ziet,
+ik wil geen kwaad met kwaad vergelden.”
+
+Marianne antwoordde geen woord op deze reden. Zij liet het zonder
+iets te zeggen toe, dat de knecht den zak op den wagen wierp. Het zou
+werkelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen als het muskaatnoten
+waren; zij rekende daarop echter niet, want zij verbeelde zich, dat de
+zak, onder het op den wagen gooien, een zonderling geluid gaf.
+
+Marianne ging naar haar tante, nam hartelijk afscheid, dankte voor alles
+wat zij bij haar genoten had, waarna de beide vrouwen als vriendinnen
+van elkander gingen.
+
+„Zij schijnt niet nieuwsgierig te zijn,” dacht Balzer onder het
+huiswaarts rijden, „want zij onderzoekt niet eens wat er zich in den zak
+bevindt; als het muskaatnoten zijn, kan er wel vijf en twintig pond in
+zitten.”
+
+Toen zij Dortingen binnen gereden waren, hield de wagen voor een eenzaam
+huisje stil, dat er uitzag als een dorpshuisje, met stroodak overdekt,
+en slechts één verdieping hoog.
+
+Balzer en Marianne stegen af en begonnen de pakken en kisten in huis
+te dragen. Een vrouw, die uit den winkel te voorschijn kwam, liep de
+nieuwe juffrouw tegemoet, en, na haar van boven tot onder waargenomen te
+hebben, bood zij haar hulp bij het werk aan. Balzer wees deze dienst van
+de hand, waarna zij zich weder in den winkel begaf.
+
+Nadat de goederen op de slaapkamer van Marianne gebracht waren, leidde
+Balzer de nieuwe huishoudster het geheele huis door. Het gevolg hiervan
+was, dat Marianne een geheel ander en hooger denkbeeld van haar nieuwen
+heer en meester kreeg. Eerst kwam zij in een vertrek, dat rondom met
+kasten betimmerd was, waarin de bossen pennen, allen in verschillende
+soorten, geborgen waren. Daarna in een vertrek, waar de zakken veeren
+hemelhoog opgestapeld lagen; een derde vertrek werd gebruikt om alles,
+wat er verder van de gans bruikbaar gemaakt werd, te bewaren. In een
+vierde vertrek zag Marianne eenige vrouwen en meisjes, die zich bezig
+hielden met het zuiveren van dons en bereiden der pennen; overal
+heerschte bedrijvigheid, en men kon hieruit opmaken, dat in deze woning
+uitgebreide zaken gedreven werden. Het woonvertrek was eenvoudig, maar
+goed ingericht. Marianne merkte op, dat overal een onverbeterlijke orde
+heerschte, ofschoon men aan alles kon zien, dat er in de huishouding een
+goede vrouwenhand ontbrak, die, zonder zich weelde te veroorloven, alles
+tot een aangenaam geheel kon maken. Zij zag al spoedig, dat er met een
+weinig smaak veel, dat niet mooi was, opgeknapt kon worden; andere
+kleine snuisterijen opgepoetst of verwijderd moesten worden, in één
+woord, zij gevoelde dat zij in dat huis een dankbare rol spelen kon.
+
+Balzer liet de oudste huishoudster niet vertrekken, vóór zij Marianne
+geheel op de hoogte van alles gebracht had, iets dat met een week
+afgeloopen was. Het was voor Marianne alsof haar een zwaar pak van het
+hart genomen werd, toen haar voorgangster vertrokken was, want zij was
+gedurende deze dagen niet lief voor Marianne geweest, en had duidelijk
+laten blijken dat zij haar de betrekking niet gunde. Nu eerst begon
+Marianne haar nieuwe taak. Het allereerst nam zij den winkel tot taak;
+het koperwerk werd geschuurd, de laden en kasten schoon gemaakt, de
+toonbank gewreven, in één woord, de winkel was in een paar dagen zoo
+veranderd, dat ieder die er in kwam verbaasd stond te kijken, en nu nog
+veel meer dan vroeger kwamen om het een of ander te koopen.
+
+Nu was de keuken aan de beurt om opgeknapt te worden. Het hout-, koper-
+en ijzerwerk werd van de wanden afgenomen, en toen het er weder tegen
+aan gehangen werd, glom alles als een spiegel. Daarna de woon- en
+slaapkamer, en zoo eindelijk alle vertrekken. Balzer gevoelde zich nu in
+huis nog gelukkiger dan vroeger. Ongemerkt werd hij bij alles wat hij
+deed nog ordelijker en zindelijker, en zorgde wel dat er geen vlekje
+op het heldere witte tafelkleed kwam, en liep niet meer op klompen
+het woonvertrek in, en nooit zag men hem van nu af meer buiten zijn
+werkplaats met een broek vol vlekken en modderspatten. Het was alsof hem
+het eten lekkerder smaakte, nu het door Marianne in zindelijke schotels
+op tafel gebracht werd, en ook de messen, lepels en vorken glommen
+helderder dan vroeger. Hij genoot in stilte en sprak tegen Marianne
+nergens over; zij kon echter aan zijn gedrag zeer goed bemerken dat
+hetgeen zij deed niet onopgemerkt bleef.
+
+Hij was, zooals Balzer gezegd had toen hij Marianne gehuurd had,
+dikwijls van huis; zijn uitgebreide zaken vorderden, dat hij veel reizen
+moest. Al spoedig bekorte hij zijn tochten en kwam vroeger te huis dan
+gewoonlijk. Eindelijk scheen hij minder lust in reizen te krijgen, en
+dikwerf liet hij zich woorden ontglippen, waaruit men kon opmaken, dat
+hij liever te huis bleef.
+
+Balzer droeg Marianne de grootste achting toe, erkende het goede dat zij
+hem bewees, en ofschoon dit maakte, dat hij haar als zijn zuster
+behandelde, wist hij toch dien ernst te paren aan wat de afstand
+tusschen heer en dienstbode niet beletten.
+
+Balzer bezat, buiten zijn woonhuis, nog een schoone boerderij, die door
+een zetbaas met zijn vrouw onder zijn beheer gedreven werd. Toen Balzer
+Marianne deze bezitting liet zien, zeide hij met eenigzins bevende stem:
+„Toen ik nog een arme ganzenjongen was, en niets bezat dan twee jonge
+ganzen, die ik van de molenaarsvrouw present gekregen had, toen wilde de
+eigenaar van deze boerderij mij mijne bezitting ontstelen, iets, dat hem
+echter niet gelukt is. Later werd hij door eigen schuld arm, doordat hij
+zich in luiheid, dobbelen en drinken te buiten ging. Mijn pogingen om
+vooruit te komen, werden gezegend, zoodat ik, toen deze bezitting aan
+den meest biedende verkocht werd, eigenaar ben geworden van een
+landgoed, waaraan voor mij zulke merkwaardige herinneringen verbonden
+waren.”
+
+Toen de drie eerste maanden verstreken waren, waarin Marianne de post
+van huishoudster vervuld had, betaalde Balzer haar, in plaats van vijf,
+tien gulden loon. Toen het meisje hierover zeer verwonderd was, zeide
+hij: „Neem dit geld, Marianne, gij hebt in deze drie maanden door uw
+vlijt en zindelijkheid meer dan het dubbele uitgewonnen, en mij het
+leven aangenaam gemaakt.”
+
+Dit was de eerste keer dat Balzer zijn tevredenheid openlijk kenbaar
+maakte. Deze betuiging deed Marianne meer genoegen dan het verdubbelde
+loon. Toen het tweede kwartaal verstreken was en Balzer haar weder
+het loon gaf, zeide hij met bevende stem: „Marianne, ik moet u iets
+gewichtigs mededeelen, ik ben namelijk tot de overtuiging gekomen, dat
+ik een huisvrouw noodig heb.”
+
+Toen Marianne dit vernam, werd zij bleek van schrik en keek Balzer met
+verbaasde oogen aan. Toen Balzer verder geen woord sprak, antwoordde het
+meisje op vragenden toon:
+
+„Zijt gij dan niet meer met mijn werk tevreden?”
+
+„Dat zeg ik niet,” antwoordde Balzer, „integendeel, ik heb alle reden om
+over uw werk meer dan tevreden te zijn. Maar laat mij openhartig zijn.
+Zooals gij weet, Marianne, mijn inboedel, voorraadschuren en huisraad
+zijn goed voorzien, en toch ontbreekt mij iets. Voor wie werk ik? Ik heb
+op de wereld geen sterveling, die deel in mijn geluk of ongeluk neemt,
+die mij in mijn ziekte zou willen oppassen, of bij sterven de oogen zou
+willen sluiten. Tot nu toe hebben de aardsche zorgen mij geen tijd
+gelaten hierover na te denken. Maar nadat het huiselijke leven zooveel
+aangenamer geworden is, gevoel ik inniger behoefte een deelgenoote
+in mijn geluk te hebben. Marianne, gij hebt een half jaar mij kunnen
+gadeslaan, zeg mij openhartig: zou een vrouw met mij gelukkig kunnen
+zijn? Gij weet, ik heb, evenals alle menschen, mijn gebreken.”
+
+„Wel, baas,” antwoordde Marianne, „gij schat u zelve te gering, welke
+vrouw zou met u niet gelukkig kunnen zijn?”
+
+„O,” antwoordde Balzer, „het zou mijn levensgeluk volmaken als ik een
+degelijke, vlijtige, deugdzame levensgezellin bezat. Marianne, zoudt
+_gij_ met mij lief en leed willen deelen?”
+
+Deze laatste woorden maakten een diepen indruk op het meisje. Balzer,
+die nooit een overhaast besluit nam, wilde dit ook niet van Marianne;
+hij gaf haar daarom tijd om over zijn voorstel na te denken.
+
+ * * * * *
+
+Marianne werd de vrouw van Balzer. Beiden deden wat in hun vermogen
+was om elkander het leven gelukkig te maken. Het huis Balthasar Tippel
+nam in welvaart toe, terwijl het huis Siebold in Hamburg jaarlijks
+achteruit ging. De jonge Siebold was door eigen schuld arm geworden;
+zijn moeder was van verdriet overleden; de zaak was te niet gegaan, en
+het huis stond ledig. Eerstdaags zouden de laatste goederen publiek
+verkocht worden.
+
+In dezen tijd—het was jaarmarkt te Neurenberg—reed Balzer met zijn
+vrouw en drie gezonde kinderen in een net wagentje, met twee flinke
+paarden bespannen, naar de stad. Juist in dezelfde straat, waarin hij
+eenmaal met zijn ganzen geloopen, en de striemen over het gezicht
+gekregen had van den jongen Siebold, kwam hem een man in gebogen houding
+met versleten kleederen en ingevallen oogen tegen. Het was Siebold, die
+vroeger door zijn baldadigheid en geschreeuw diezelfde straat zooveel
+keeren in beweging gebracht had. Marianne herkende hem terstond en
+Siebold dook in elkander, toen hij zijn vroegere dienstbode gewaar werd.
+Sluw als een dief ontweek hij haar aanblik; Marianne weende bij dit
+gezicht en deelde haar man deze ontmoeting mede.
+
+„Lieve hemel,” zeide zij, „wie had dat ooit gedacht, toen hij mij de
+baal galnoten, die hij voor muskaatnoten hield, toewierp. Nog maak ik
+van deze noten de prachtige zwarte schrijfinkt, waarmede gij schrijft,
+en die wij nu nog aan de eerste kantoren verkoopen.”
+
+„Die ongelukkige,” antwoordde Balzer op deelnemenden toon. „Zonder zijn
+toedoen is hij ons geluk bevorderlijk geweest, want had het voorval met
+de zweep niet plaats gehad, dan had ik u nimmer leeren kennen. Daarom
+zullen wij ons over hem ontfermen en zien of wij hem uit zijn ellendigen
+toestand redden kunnen. Willen wij het huis koopen en in de stad gaan
+wonen?” vroeg Balzer aan zijn vrouw, toen zij met het rijtuig voor het
+koopmanshuis stonden.
+
+„Neen, o neen,” viel Marianne hem in de reden. „Waar zouden wij ons
+gelukkiger kunnen gevoelen dan in ons lief Dortingen. Neen, neen, en
+bovendien, het huis van Siebold heeft voor mij geen aangename
+herinneringen.”
+
+„Ik meende het ook niet,” antwoordde Balzer op lachenden toon, „ofschoon
+Neurenberg voor mij altijd iets aantrekkelijks heeft.”
+
+Terwijl Marianne met haar kinderen de markt overliepen en verschillende
+inkoopen in de stad deden, vervoegde Balzer zich bij een beroemd
+steenhouwer, Pankras Labenwolf genaamd, een leerling van den
+alombekenden Peter Besiler. Hij vond hem in gepeins verzonken in een
+leunstoel zitten, terwijl er een voltooide grafzerk, met zinnebeelden
+van den koophandel versierd, voor hem stond.
+
+„Meester Labenwolf,” zoo begon Balzer, na eerst vriendelijk gegroet te
+hebben. „Ik kom bij u een monumentaal stuk bestellen.”
+
+„Hebt gij geld?” vroeg de kunstenaar op niet zeer vriendelijken toon.
+
+„Kent gij mij niet?” vroeg Balzer. „Ik ben Ganzenvriend.”
+
+„Al waart gij onze burgemeester in eigen persoon,” schreeuwde de
+kunstenaar, „dan deed ik nog niets voor u zonder eerst geld te zien.
+Hebt gij den rijken koopman Siebold gekend? Die bestelde mij, eenige
+jaren geleden, dit gedenkteeken; het moest dienen om op het graf van
+zijn vader te prijken. Toen het stuk gereed en goed uitgevoerd was, was
+de rijke Siebold bankroet, en daar staat nu de gedenkzuil renteloos. Als
+gij wilt kunt gij haar voor den halven prijs koopen.”
+
+„Ik dank u,” antwoordde Balzer hoofdschuddend. „Ik geloof gaarne, dat
+het een kunststuk is, maar ik moet geen gedenkstuk hebben voor een
+begraafplaats, ik wil iets hebben dat vrij en frank op de markt van
+Neurenberg prijken kan. Het moet tot nut zijn voor menschen en dieren.
+Maakt uw berekening en ik zal u vooruit betalen.”
+
+De beide mannen spraken geruimen tijd met elkander, en nadat zij het
+over den koop eens geworden waren, voegde Balzer zich weder bij de
+zijnen, dien hij echter niets van zijn plan mededeelde.
+
+Er verliepen twee jaren. In dien tijd had Balzer gezorgd, dat de jonge
+Siebold als klerk op een der eerste kantoren te Neurenberg geplaatst
+was.
+
+Het was weder jaarmarkt en Balzer ging met vrouw en kinderen naar
+Neurenberg. Hij stalde in de eerste herberg binnen de poort en ging met
+de zijnen te voet de stad in. Spoedig waren zij op de markt bij de Lieve
+Vrouwenkerk. Hier stonden een menigte menschen belangstellend te kijken
+en met elkander te praten. Wat was het, dat daar boven al die hoofden
+zoo prachtig blonk? Balzer en de zijnen naderden den volksdrom.
+
+„Dat heeft Ganzenvriend laten maken. Ja, het is Ganzenvriend,” hoorde
+men hier en daar roepen.
+
+Met moeite drong Balzer met de zijnen door de menigte. Toen men hem
+echter herkende, gingen eenige lieden ter zijde om hem vrijen doortocht
+te verleenen. Marianne en de kinderen begrepen niets van alles wat zij
+rondom zich zagen. Eindelijk stonden zij voor het meesterstuk.
+
+„Hoe vindt gij dit, Marianne?” vroeg Balzer, terwijl hij haar wees naar
+een prachtige fontein, die heldere waterstralen om zich heen wierp. Het
+was een meesterstuk van beeldhouwwerk; boven de fontein stond een jongen
+met twee ganzen onder de armen. Zoo kwam het, dat iedereen begreep dat
+Ganzenvriend de gever zijn moest van dit kunststuk.
+
+Diep geroerd sprak Ganzenvriend tot zijn, vrouw en kinderen: „Hier
+op deze plaats stond ik eens met twee ganzen onder de armen, het was
+alles wat ik bezat; hier op deze plaats leerde ik vrouw Wimner kennen,
+die met Gods hulp den grondsteen gelegd heeft, waarop mijn geluk werd
+voortgebouwd. Uit erkentelijkheid voor al het goede, dat mij in deze
+stad is te beurt gevallen, heb ik haar dit blijvend gedenkteeken willen
+stichten. God zij gedankt voor zijn rijke weldaden.”
+
+„Leve Ganzenvriend!” klonk het uit duizend monden.
+
+Sedert zijn er driehonderd jaren verloopen. De tijd heeft alle daar
+aanwezenden naar het graf gevoerd. Hunne graven zijn reeds vervallen,
+met slijk en modder overdekt en onkenbaar geworden. Maar nog staat de
+fontein met den ganzenjongen op haar oude plaats; onvermoeid draagt hij
+zijne ganzen onder de armen, en stralen de heldere waterstroomen, die
+menschen en dieren verkwikken, over de markt. Er zijn op het gedenkstuk
+geen lofspreuken of zelfverheffende woorden gebeiteld; dat heeft
+Balthasar nimmer willen hebben.
+
+De levensgeschiedenis van Ganzenvriend gaat over van geslacht tot
+geslacht, en nog wordt hij door de ouders den kinderen voorgespiegeld
+als een toonbeeld van vlijt en spaarzaamheid.
+
+
+
+
+DE HERSTELDE ZIEKE.
+
+
+Rijke menschen hebben dikwerf, niettegenstaande zij veel geld bezitten,
+met vele kwalen te doen, waarvan de arme menschen geen begrip hebben.
+Want het zijn kwalen, die niet in de lucht zitten, maar in de vette
+schotels en gevulde glazen, in de zachte bedden en in de gemakkelijke
+stoelen. Zeker Amsterdammer wist daar alles van; den ganschen voormiddag
+zat hij gemakkelijk in zijn leuningstoel en rookte zijn pijp, als hij er
+niet te lui toe was, of zat door de glazen naar buiten te staren; des
+middags at hij zooveel als twee gewone menschen. Den geheelen namiddag
+besteedde hij met eten; nu koude, dan warme spijzen, niet omdat hij
+honger had, maar alleen uit tijdverdrijf. Dit hield hij vol tot des
+avonds, zoodat men eigenlijk niet bepalen kon wanneer zijn middagmaal
+afgeloopen of zijn avondmaal begonnen was. Als het laatste eindelijk
+afgeloopen was, vleidde hij zich ter ruste en was zoo vermoeid, alsof
+hij geheele dagen steenen gestapeld of hout gedragen had. Door deze
+levenswijze kreeg hij zoo'n dik lichaam, dat hij zich niet bewegen
+kon. Eindelijk had hij geen lust meer in eten en kon niet slapen; hij
+gevoelde zich niet goed en was wel niet ziek, maar ook niet gezond. Als
+men hem sprak, dan had hij 365 kwalen; iederen dag had hij iets anders
+dat hem kwelde. Hij riep den raad in van alle doktoren, die in Amsterdam
+waren. Hij slikte alle drankjes, poeders en pillen, waardoor hij den
+bijnaam kreeg van de wandelende apotheek. Het baatte hem echter niets,
+want hij volgde den raad niet op, die de geneesheeren hem gaven.
+
+„Wat baat mij al mijn rijkdom,” klaagde hij, „als ik een leven slijten
+moet als een hond; de geneesheeren willen mij voor geld niet beter
+maken.”
+
+Eindelijk hoorde hij, dat er, honderd uren van Amsterdam verwijderd,
+een geneesheer woonde, die dusdanige kranken volmaakt genezen kon.
+In dezen man stelde hij vertrouwen en beschreef hem zijn toestand.
+De geneesheer begreep terstond aan welke kwaal hij lijdende was, en
+dat geen geneesmiddelen, maar matigheid en beweging hem herstellen
+moesten. Hij schreef hem daarom een brief van den volgenden inhoud:
+
+ _Beste vriend!_
+
+ Gij verkeert in een gevaarlijken toestand, maar als gij mijn raad
+ wilt opvolgen, zult gij herstellen. Gij hebt in uw ingewanden een
+ gevaarlijk dier, een lintworm met zeven bekken; dit beest moet ik
+ zelf in bedwang brengen en daarom moet gij bij mij komen.
+
+ Maar in de eerste plaats moet ik uw melden: gij moogt niet rijden
+ of varen, maar moet loopende hier heen komen, want anders zou het
+ dier met zijn zeven bekken, even zoo vele darmen beschadigen.
+
+ Ten tweede moet gij niet meer eten dan tweemaal daags een bordje
+ groenten, des middags met een stukje vleesch en des avonds met
+ een ei; verder, als gij opstaat, moogt ge een kop bouillon
+ drinken. Eet gij meer, dan wordt de lintworm dagelijks grooter en
+ drukt u de lever in.
+
+ Ziehier mijn raad, en als gij dien niet opvolgt, zult gij het
+ volgende jaar de koekoek niet meer hooren. Doet nu wat gij wilt.
+
+Toen de zieke dit vonnis gelezen had, liet hij den volgenden morgen zijn
+schoenen poetsen en begaf zich volgens het voorschrift van den dokter op
+weg.
+
+Den eersten dag kroop hij zoo langzaam over den weg, dat een slak hem
+wel had kunnen bijhouden. Hij was niet in staat de voorbijgangers te
+groeten of voor een worm te wijken.
+
+Den tweeden en derden dag kwam het hem voor dat de vogels liefelijker
+zongen dan vroeger, de dauw vond hij zoo aangenaam, de koornbloemen zoo
+prachtig rood, de menschen, die hem tegen kwamen, waren vroolijker en
+zelf gevoelde hij zich opgewekter.
+
+Iederen morgen, als hij zijn logement verliet, vond hij de natuur
+schooner, en ging het wandelen gemakkelijker. En toen hij den
+achttienden dag ontwaakte in de stad waar de geneesheer woonde, was hij
+zoo volmaakt gezond, dat hij tegen zich zelve zeide: „Nu had ik toch
+nooit op ongelegener tijd zoo gezond kunnen zijn, als op het oogenblik
+dat ik bij den geneesheer zal komen. Als er nu maar iets was dat niet
+goed was; had ik nu maar pijn in het lijf of in het hoofd, maar ik ben
+volmaakt gezond.”
+
+Toen hij bij den geneesheer kwam, nam deze hem bij de hand en zeide:
+„Vertel mij nu eens breedvoerig wat u scheelt.”
+
+De zieke antwoordde: „Mijnheer de dokter, mij mankeert niets; als gij
+zoo gezond zijt als ik dan hebt gij redenen om tevreden te zijn.”
+
+De geneesheer antwoordde: „Gij hebt wijs gehandeld met mijn raad op
+te volgen. De lintworm bestaat niet meer, maar zij heeft haar eieren
+nog achtergelaten; daarom moet gij weder te voet naar huis gaan, en
+dagelijks een uur lang hout zagen, zonder dat iemand het ziet en niet
+meer eten dan hoog noodig is, want anders ontwikkelen de eieren zich.
+Als gij op die manier leeft, kunt gij oud worden.”
+
+De rijke vreemdeling antwoordde: „Ik begrijp u, dokter, gij hebt mij een
+goede les gegeven.”
+
+Hij volgde den raad en stierf op 87jarigen leeftijd.
+
+
+
+
+LEVE DE KONINGIN.
+
+
+Een Engelschman zat reeds een half uur in een hoek van een koffiehuis
+in een Duitsch dorpje op een tandmeester te wachten; hij beet zich
+de tanden op elkander van ongeduld, want een dezer veroorzaakte hem
+geweldige pijn. Eensklaps trad er een pruikenmaker binnen en zette
+zich bij hem aan tafel neder. Het duurde niet lang of deze wilde een
+aardigheid hebben. Hij verbeeldde zich, dat de Engelschman niet heel
+vernuftig en daarbij een vreemdeling in het land was. Hij begon met
+hem een lang gesprek, waarop de Engelschman niet veel antwoord gaf.
+Hij hemelde Frankrijk hoog op, vertelde, dat het een buitengewoon rijk
+land was, en dat men een best paard hebben moest, wilde men het in drie
+en een half jaar doorrijden. Hij prees den koning en de koningin en
+riep: „Op hun gezondheid wil ik met u drinken!” Toen zij met elkander
+geklonken hadden, verscheurde de pruikenmaker de manchetten van zijn
+overhemd en zeide: „Leve de koningin! Gentleman, gij moet ook uw
+manchetten verscheuren op het welzijn van de koningin; ik heb ze ook
+verscheurd.”
+
+„Loop heen,” riep de Engelschman, „gij hebt zeker een papieren overhemd.
+Het mijne is nieuw en komt pas van de naaister.”
+
+De pruikenmaker herhaalde: „Mijnheer, ik versta geen tegenspraak,
+nogmaals verzoek ik u: verscheur uwe manchetten, of wij zullen vechten
+op leven of dood!” Wilde de Engelschman onaangenaamheden voorkomen,
+dan was hij genoodzaakt zijn manchetten te verscheuren. Hij voldeed
+aan het verlangen van den pruikenmaker en werd daarna zeer spraakzaam.
+Hij vertelde veel over Engeland en Londen, over den grooten kerktoren,
+en dat men buitengewoon goede oogen hebben moest, wilde men op de klok
+van den toren zien hoe laat het was. Hij vertelde altijd door, totdat
+eindelijk de tandmeester kwam. Toen de tandmeester binnen trad, en
+vroeg wat de vreemdeling van hem wilde, zeide de Engelschman: „Haal mij
+dien tand uit den mond, de derde, op het welzijn van de koningin van
+Engeland! Mijnheer,” zeide hij tot den pruikenmaker, „gij blijft daar
+zitten en verroer u niet.”—Toen de tand getrokken was, zeide hij tegen
+den tandmeester: „Wees nu zoo goed en trek dezen heer ook den derden
+tand uit, op het welzijn van de koningin. Goede vriend,” vervolgde hij
+tot den pruikenmaker, „ik heb er mij een laten uittrekken, dus, gij moet
+dit insgelijks laten doen.”—Nu maakte de pruikenmaker geen gekheid,
+hij kreeg een kleur tot achter de ooren en riep: „Die zaak staat niet
+gelijk. Ziedaar, uw tand is hol, er kan wel een konijn door; de mijne
+zijn alle gaaf en ik kan er wel een breinaald mede doorbijten, ja, als
+gij wilt, zult gij zien dat ik er een geldstuk mede doorbijt,” doch de
+Engelschman luisterde niet naar deze redeneering. „Mijnheer,” antwoordde
+hij, „ik versta geen tegenspraak. Nogmaals: gij laat u de derde tand
+uittrekken, of wij vechten op leven of dood en ik doorboor u met dezen
+degen, totdat de punt in de deur steekt!” Toen dacht de pruikenmaker:
+„een tand—een leven—ik heb te huis negen kinderen, dus liever een tand
+missen.” Hij ging hierop bedaard zitten en liet zich een tand trekken.
+
+De pruikenmaker en de Engelschman verlieten als goede vrienden het
+koffiehuis.
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: „Nog veel?” antwoorde Liebel |
+ | C: „Nog veel?” antwoordde Liebel |
+ | B: schoolmeester, wat heb ik misdaan; |
+ | C: schoolmeester, „wat heb ik misdaan; |
+ | B: hebt nog niets beleefd.” |
+ | C: hebt nog niets beleefd.”” |
+ | B: uit, „gij, Theodoor, hier? |
+ | C: uit, „gij, Theodoor, hier?” |
+ | B: daarop is dit spelletje gevolgd. |
+ | C: daarop is dit spelletje gevolgd.” |
+ | B: „Stil!” riep Gottholff gebiedend. |
+ | C: „Stil!” riep Gotthelff gebiedend. |
+ | B: over het onverwachtte wegblijven |
+ | C: over het onverwachte wegblijven |
+ | B: er buitengewoon ernstig uitzag.” |
+ | C: er buitengewoon ernstig uitzag. |
+ | B: maar kon of durfde uit gaan! |
+ | C: maar kon of durfde uit gaan!” |
+ | B: „Wees trouw en eerelijk tot aan uw |
+ | C: Wees trouw en eerelijk tot aan uw |
+ | B: nooit gebruikt, omdat, hij niet |
+ | C: nooit gebruikt, omdat hij niet |
+ | B: alle dergelijke geschenken gekocht. |
+ | C: alle dergelijke geschenken gekocht.” |
+ | B: jaren. |
+ | C: jaren.” |
+ | B: doos gedaan hebt? |
+ | C: doos gedaan hebt?” |
+ | B: veel nut stichten? Dat geld zal het |
+ | C: veel nut stichten. Dat geld zal het |
+ | B: zijn vier-en-zevenstigste verjaardag. |
+ | C: zijn vier-en-zeventigste verjaardag. |
+ | B: en, het vaar ziende, brachten |
+ | C: en, het gevaar ziende, brachten |
+ | B: overal gaat: men dulde niet dat |
+ | C: overal gaat: men duldde niet dat |
+ | B: „Och, zuchtte hij eindelijk, |
+ | C: „Och,” zuchtte hij eindelijk, |
+ | B: ooggetuigge geweest was van hetgeen |
+ | C: ooggetuige geweest was van hetgeen |
+ | B: aan; eerst lostte hij zijn buis, |
+ | C: aan; eerst loste hij zijn buis, |
+ | B: rijden? |
+ | C: rijden?” |
+ | B: mij onverschillig, viel Marianne |
+ | C: mij onverschillig,” viel Marianne |
+ | B: dorp heet Dortingen, antwoordde Balzer |
+ | C: dorp heet Dortingen,” antwoordde Balzer |
+ | B: schijnt niet nieuwgierig te zijn,” |
+ | C: schijnt niet nieuwsgierig te zijn,” |
+ | B: leeft, kunt gij oud worden. |
+ | C: leeft, kunt gij oud worden.” |
+ | B: de koningin!” Gentleman, gij |
+ | C: de koningin! Gentleman, gij |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een vriendelijke morgenstond, by
+F. Lohr and Karl Gustav Nieritz
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN VRIENDELIJKE MORGENSTOND ***
+
+***** This file should be named 38919-0.txt or 38919-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/9/1/38919/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.