diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:09:49 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:09:49 -0700 |
| commit | f2946bfc03fa1fbbada966b4035529be47520dc2 (patch) | |
| tree | 1f65a114ff94f058ba2089b663b3d595848fd775 /38229-8.txt | |
Diffstat (limited to '38229-8.txt')
| -rw-r--r-- | 38229-8.txt | 10053 |
1 files changed, 10053 insertions, 0 deletions
diff --git a/38229-8.txt b/38229-8.txt new file mode 100644 index 0000000..9345bb0 --- /dev/null +++ b/38229-8.txt @@ -0,0 +1,10053 @@ +The Project Gutenberg EBook of De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De roman van Bernard Bandt + +Author: Herman Robbers + +Release Date: December 6, 2011 [EBook #38229] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT *** + + + + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + DE ROMAN VAN BERNARD BANDT. + + + + + Van denzelfden schrijver: + + EEN KALVERLIEFDE, DE VERLOREN ZOON & DE VREEMDE PLANT. + + DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH. + + VAN STILTE EN STEMMING, + Een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht, + Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte). + + DE ROMAN VAN EEN GEZIN. I + De gelukkige familie. + + DE ROMAN VAN EEN GEZIN. II. + Eén voor één. + + HELENE SERVAES + + + + + DE ROMAN VAN + BERNARD BANDT, + + DOOR HERMAN ROBBERS + + VIJFDE DRUK + + [Illustration] + + UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS + TE AMSTERDAM. MCMXV. + + + + + Lith. en Typ. van J. HOEKSTRA & Co., Den Haag. + + + + + AAN MIJN VRIEND + + Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND. + + + + +[Illustration] + + + + +I. + + +Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel vlak bij 't +raam, zat hij te schrijven aan zijn vriend Edward, die in Batavia +woonde. Zijn stijf, geglansd papier bolde op, glimmend in 't kil-wittige +Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna niet zien kon. +Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand op 't papier, dat 't niet +kon verschuiven, nu en dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen +zat te maken, bijtend met zijn voortanden op 't botte eind van zijn +pennenhouder en kijkend, zonder te zien, door de beregende ruit tegen de +huizen aan van den overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies +luchtje. + +Verderop, aan weerszijden van 't lange lage vertrek, stonden een paar +bedienden tegen hun hooge, gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen +en een klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig opgevouwen. + +Dit schreef hij: + +Je weet niet wat dat is voor mij, zoo'n brief van jou. Je kunt 't niet +weten, jij die er zooveel krijgt, met elke mail, niet waar? Van je vader +en je moeder, van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten wat zoo'n +brief is voor mij, die geen vader, geen moeder, geen broers en geen +zusters, en geen vrienden heb -- dan jou alleen! Houd dit niet voor 'n +klacht of voor bitterheid, want dat is 't juist niet, heelemaal niet, 't +is een verhoovaardiging, 'n blij bluffen op iets wat ik heb en jij niet. +Zoo'n brief is voor mij wat 'n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor +iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar geen geweer heeft +om er een te schieten en geen geld om er een te koopen. Nee! meer is +zoo'n brief voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt 'm naar +den poelier om 'm te laten villen en 't vel, daar bekommert hij zich +niet verder over, en over 't beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er +lekker aan gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als 'k den +brief gelezen heb, stop 'm weer in z'n envelop, want daar hoort-ie in, +daar heb ik 'm in zien komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als +van den brief. En zoo, in z'n eigen envelop, steek ik 'm in me jaszak, +in me rechterbinnenzak, en graag haal ik 'm daar nu en dan 's uit (onder +een of ander voorwendsel voor me zelf) om 'm weer 's te zien. En lang +duurt 't voor ik 'm opberg bij de andere.... + +O! als ik 's morgens op kantoor kom, koud, huiverig door den slaap, die +nog in me leden zit, wakker alleen in me hoofd door 'n fel-schroevend +gevoel van "'t moet", en als ik dan de bus licht en 't heele zoodje van +brieven en drukwerken meeneem naar me lessenaar waar ik 't ga zitten +lezen en sorteeren, nuchter, leeg, in 'n minachtende onverschilligheid +voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig gezeur en gezanik, +hun aanstellerig gebeveel, hun peuterige aanmerkingen of hun kleverig +geflikflooi, en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte grauwe +dingen plotseling, heel leuk, met 'n rustig air van "o, wist-je niet, +dat ik hier lag?", zoo'n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit, +met me naam, me particulieren naam, me voornaam Bernard en me +familienaam Bandt, en heelemaal niets van "Vermeet & Co.", en dat door +jou geschreven, door jou, dat zie ik nog voor 'k iets lees; ik herken +den brief; als ik den brief zie, zie ik dadelijk jou, zie ik je ouwe +goeie vrindenfacie en hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in +m'n herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige stem, die me +doet voelen, dat ik niet ganschelijk alleen ben op de wereld.... Zoo'n +brief dan leg ik apart en 'k ga haastig door met lezen en sorteeren van +de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik op 'n stapeltje en de +rest verdeel ik onder de bedienden, en -- zenuwachtig van verlangen -- +vergeet ik hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze +schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te lezen, komen +vragen: meneer dit en meneer dat, en dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik +kom bij je, laat me nou toch even met rust. Want als ik dan eindelijk +je brief heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan wil ik +rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse teugjes, de intieme +zinnen, die daar voor mij alleen staan opgeschreven door jou hand. + +Ik voel 't heel goed: de zeldzaamheid maakt 't genot van je +vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als je hier was, als 'k je allen +dag sprak, zou 'k niet zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet +zie dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en die ik niet zoo +doen en zeggen zou, nu ik alleen maar van tijd tot tijd krijg een stuk +papier volgeschreven met eerlijke uitingen van je innigst voelen. Maar +toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft dat je gauw doen zult, dan +zal ik toch -- geloof ik -- meer van je houden dan vroeger, want ik weet +nu zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die 'k vroeger niet +begreep, en die me dus toen afstootten, nu aantrekken, en ik ben +langzamerhand beginnen te merken, dat ik bepaald houd van manieren van +je, die 'k vroeger dacht dat me heelemaal niet bevielen. Ik zie je beter +nu. Je bent anders dan ik, maar daarom vooral niet minder. + +Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat je van me vraagt, voor ik +je ga schrijven over me zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik +dat doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent de eenige, +die er recht op heeft. Jij doet 't voor mij ook, je schrijft over wat je +innerlijk ik te lijden en te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen. +Maar dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen ons. Jij +doet 't graag, dat ontboezemen, ja 'k geloof dat je 'r behoefte aan +hebt, en dat komt door je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je +praat heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk, ik vind +'t ook niet pedant of maar eenigszins afkeuringswaardig, maar ik heb 't +niet, dat 's alles! Ik heb er juist 'n helsch plezier in me heel anders +voor te doen dan ik ben -- of eigenlijk, nee!...... ik wil er tegen jou +niet om liegen, ik geloof dat ik me dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig +de kracht en den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal. Want +soms, midden in me dagelijksche werk, in 't afdoen van me dagelijksch +stapeltje, voel ik 't, met diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en +dan slaat er in-eens 'n dolle drift over me, 'n felwassende woede, 'n +hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde tralietjes van +'t hok waar 'k in gevangen zit. O! wat 'n genot zou dat zijn, wat 'n +heerlijk lichte dag, wat 'n dag van gouden zon en voorjaarsluwte! Ik zou +'t netjes willen doen, met ingehouden kracht, kranig, als 'n heer, m'n +eene been kalm buigend met spanning van al de beenspieren en dan -- +pang! vooruit! en aan splinters de heele mooie boel! En dan weggaan, +kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend. En de menschen, die denken dat +ze je wat te bevelen hebben, met de complimenten naar huis sturen: "en +als dat meneer 't nou verder verdomde," en dan gaan leven, het gansche +leven, vrij, ongebonden, wild, al de kracht van me lijf en van me ziel +gebruikend, met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende liefde, en +met driftig strijdenden, neerhouwenden haat. Want o 't leven, Edward, +'t leven! Wat weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes +gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel 's ziekjes geweest, we hebben +wel 's pijntjes gehad, en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met +drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd is er voor ons +gezorgd; en de menschen zijn wel 's onvrindelijk tegen ons geweest, ze +hebben ons wel 's gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld, maar +niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten op leven en dood! Maar +wat praten we dan toch over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat, +genot, zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets van, niets, +niets! geen flauw benul hebben we ervan! En kan jij daar dan bedaard bij +blijven zitten en zeggen: ja, ja, zoo is 't, en niet opvliegen en je +haren uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?! Huil jij +nooit tot je oogkassen branden om je jeugdjaren die verloren gaan, +die nooit weerkomen, nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet +geschroeid van verlangen naar leven?.... Maar o! niet waar? dan +komt sluiplangzaam, poeserig-zacht langs je schuiven je gemeene, +beroerd-laffe houden van lekker eten en drinken en 'n zacht bed, dan +komt je lafheid en houdt 't nuchter mombakkes van je verstand voor z'n +apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk, klopt je op je rug +en zegt: "Mooi zoo! je bent 'n goeje jongen, iemand met gevoel, heel +interessant, heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld, niet waar? +Maar je meent 't natuurlijk niet. Je kunt je immers niet eens 'n +voorstelling maken van dat vrije leven. En daar ben je toch ook veel te +goed voor, je zoo te vergooien, foei! daar ben je 'n veel te knappe, +aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je werk en zet je die +fantasieën uit je hoofd, en denk aan je toekomst." Ja!.... En dan +gehoorzaam ik! Dan gehoorzaam ik, godbetere 't! Maar dan huil ik van +pure woede, machtelooze woede en diep ga ik gebukt onder m'n gedweeë +tamheid.... + +Voel je nu hoe 't komt, dat ik niet graag schrijf over mezelf, dat ik +opzie tegen ontboezemingen? Toch.... heb ik 't al gedaan en zal ik er +mee doorgaan, omdat ik 't nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven hoe ik me +dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe "'t me gaat...." + +Maar toe alsjeblieft, hoeft 't vandaag niet meer? Morgen! morgen! 'k +beloof 't je. En hier heb je dus dit stuk papier vast, want anders zou +ik 't morgen misschien overlezen en 't verscheuren -- of weer niet +verder kunnen.... + +En Bernard teekende den brief en adresseerde hem en gaf 'm aan zijn +jongsten bediende, die 'm naar de post bracht. Zelf ging hij kort daarna +uit om koffie te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat, +en daarna liep hij gauw naar de Beurs; 't was al laat.... + +Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij weer aan zijn schrijftafel +zitten en begon een tweeden brief aan Edward: + +Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn, van katterigheid of +koude voeten, scheelt me tegenwoordig nooit iets. Ik geloof bepaald dat +ik 'n gezond en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig en +bedaard en vreeselijk geregeld leef, -- zoodat ik misschien wel zeventig +of tachtig jaar worden kan. + +Me zaken gaan goed. M'n oom trekt zich meer en meer terug. Hij is nu +voor goed in Bussum gaan wonen. Hij heeft zich daar in 't voorjaar een +villa laten bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn, hoor! +prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt: lap grond) waar hij +zelf nu in staat te spitten en te graven met z'n tuinman. Dat is zoo z'n +liefhebberij. Beste man! Tante maakt 't ook heel goed en laat je, met +'r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja, ja, beste menschen, +o zulke goeie menschen! Denk niet dat ik met ze spot, hoor! 't Zou +schande zijn. 'k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben (ik +zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd heb, me dagelijksch +brood, me klanten!.... Gaat 'r maar 's 'anstaan!.... + +Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben dus 'n deftig, geposeerd +man, 'n bourgeois-satisfait. + +Lach nu niet. 't Is niet om te lachen. Of.... waarom zouden we er ook +niet 's om lachen, hè? Zeg, ouwe jongen, kijk me 's even aan, vind je 't +eigenlijk niet om te gieren? Ik vind 't om te brullen, te schudden, te +trappen van-de-lach, om je handen op je heupen te zetten en telkens weer +te beginnen! Ik vind 't verregaand belachelijk, God! ik vind 't zoo gek! +Ik vind 't om te gaan staan dansen en scheel te kijken en wa!- wa!- wa!- +te roepen als 'n idioot, zoo vind ik 't! + +Stil! 'n vraag! 'n raadsel!.... Wat ontbreekt 'n jong man van +vier-en-twintig jaar, gezond, met 'n nette beklante zaak, die op 't +Rokin op kamers woont en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft +wonen?.... 'n Meisje!.... Juist! precies! Kerel, wat kan jij toch goed +raden! Natuurlijk! 'n meisje! 'n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben +ik nog niet geëngageerd? Waarom in 's hemelsnaam ben ik toch nog niet +geëngageerd?! Dat hoort 'r toch zoo bij! En als er nou geen lieve, +aardige, mooie meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam? Wat zeg +ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me aan Amsterdam?.... Maar, +'t is waar, ik kom niet overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt +onnoodig is, want, m'n hemel! er zijn hier meisjes "te over" en de eene +is al mooier en liever en vriendelijker en zachter dan de andere! En +jongen-jongen! wat zijn hier 'n boel vroolijke en geestige meisjes, nee +maar kolossaal! + +Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op 't oogenblik toevallig niet, +maar 't zal wel niet lang meer duren, want morgenavond ga 'k naar 'n +bal. Nou, en als je zoo'n heelen avond letterlijk niets anders te doen +heb dan je zoo'n beetje op te winden.... + +Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams. Ook is 't 'n +geoorloofde, onschuldige bezigheid, die je onder je werk door best er +bij waarnemen kan. Je hebt 'n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs +met 'r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu soes je -- zoo +achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk om -- voortdurend aan dat +meisje, met lekkere scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is +als 't zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren +rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende pa's. En al weet je best, al +voel je blozend, dat je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden +tegen 'r gezegd heb, je heb toch 'n stille hoop -- die je verbergt +voor jezelf -- dat je misschien nog al 'n tamelijk goeden indruk hebt +gemaakt, en je verlangt, niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo +net even genoeg om er 'n straatje voor om te loopen, naar 'n nieuwe +ontmoeting. En als je haar dan weer aan ziet komen, naar je toe, en ze +lacht en ze geeft je 'n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, 'n +zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid, je bent +in eens in 'n soort van roes, 't suist in je hoofd als pas ingeschonken +champagne, je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt 't niet, je +bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt, je merkt in eens dat +je in de zon staat, dat 't zomerachtig zoel en lekker om je is. Je bent +gelukkig, je hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste, je +nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je droomengebiedster even +met 'r wijsvinger aan 'r neus komt of leelijk geeuwt of tersluiks +glimlacht om 'n dubbelzinnigen mop of 'r moeder afsnauwt of -- weet ik +wat nog meer! -- tot dat ze, bedoel ik, in één blik, 'n klank, in 'n +tiende deel van 'n seconde, verandert in 'n doodgewone juffrouw, die +natuurlijk d'r goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja, +waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg, hè, dan ga je maar +weg.... + +O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof ik, wel +vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam. + +Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig, +kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu z'n ontboezemingen? Je leest +'t met 'n medelijdend glimlachje, innerlijk 'n beetje geërgerd, maar +je wilt je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat 'n man, -- 'n +man nietwaar? -- dat 'n man, als hij 'n vrouw liefheeft, werkelijk +liefheeft, nietwaar? dat hij dan blind is en doof en dol en niet +wil+, +niet +wil+ zien de nuchtere dingen, niet +wil+ redeneeren, maar dat hij +dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die vrouw te krijgen! Zeker, +zeker, zoo is 't, je hebt gelijk. Ik had 't dan ook maar alleen, ik +causeerde zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord niet goed, +maar ik weet geen ander, en verder dan zoo'n kalverliefde heb ik 't nog +niet gebracht. Van dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige +echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende dagdroomen, daar verlang +ik naar met 'n angstig-wachtend verlangen, en altijd glanst in de ramen +van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop, maar soms, als ik 't +zie, dat kasteel van mijn ziel, dan is 't 'n roode gloed, mooi donker +bloedrood, weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon. + +Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen! Want o! als ik niet wist +dat ééns mijn leven rijzen zal, recht, met verdoovende, verbijsterende +snelheid, en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren +zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste, dat +eenig-hoogstbegeerlijke van 't leven kennen zal, dat dàn tenminste, dat +dàn eindelijk, al is 't dan maar 'n maand, 'n dag, 'n uur, één oogenblik +het leven door mij heen zal gaan, zoodat ik 't merk, zoodat ik 't +sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid, als ik dat niet wist.... o, +mijn goede vriend, als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me immers +al verzopen. + +Maar ik weet 't, zij zal komen, ik zal haar zien. Dikwijls heeft God 't +mij gezegd, sprekend met zijn machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben +geduldig, ik zal wachten. + +Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit van tint, +ik weet 't niet. Soms, in stille uren, hoor ik van verre haar zacht +vertrouwelijke stem, maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens zal +zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en ik zal haar liefhebben. + +Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik rein houden, want zij +zal er in wonen, en ook mijn lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf, +mijn warm lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren, want +als zij komt, recht naar mij toe, en zich glimlachend neervlijt in mijn +verlangende armen, als ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem +gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend naar de stugge +buiging mijner leden, dan zal ik 't plotseling heftig begeeren haar lijf +en zij zal 't geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te weren, +onbewust rekkende de zoete verrukking. En weten zullen wij dan dat +niemand nog bezat wat wij bezitten. Ik zal 't haar zeggen. O hoe zalig +zal 't dan zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen mijn +borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang ontbeerde.... + +Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven, zonder lijfsgenot tot +haar komst, word ik dikwijls bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig +verdacht en misschien ook wel 's belasterd, wie weet 't! Maar daardoor +juist groeit 't in me als 'n boom in 't bosch, hoog, trotsch, altijd +dieper en verder geworteld. Er zal wel 'n storm noodig zijn om 't neer +te rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet vluchten, +want ik zal houden van den storm omdat 't storm is, omdat 't geen +Amsterdamsche winderigheid en motregen is, maar storm. + +Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen langzaam verrotten +zal en doen bezwijken, wat de storm neer zou kunnen slaan met een +ruk!.... + +Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En hij las den heelen +brief over en voelde zich vaag-verdrietig en leeg. 't Was 't niet! 't +Was nog heel anders. Hij zou 't nooit kunnen zeggen zoo zuiver en +eenvoudig als 't was. + + * * * * * + +Hij schreef alleen nog: 't Is 'n kille dag vandaag, mijn vingers +verkleumen, morgen verder. + +En den volgenden dag: + +O ja, nu zou ik je vertellen hoe 'k me dagen doorbreng. Zóó: Ik sta 's +morgens om acht uur op. Dan brengt "de juffrouw" me 'n cadetje met thee +op me kamer en dan loop ik op 'n kippendraf naar kantoor. Dan werken tot +half één, koffiedrinken, ergens hier in de buurt, met Sam van 't Hout of +André, of alleen, dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor en daar +zitten tot zes uur. Dan 'n borrel, hier-en-daar-en-overal, met allerlei +lui, en eten op 't Leidsche-plein, en 's avonds zitten lezen op me +kamer of in 'n koffiehuis, of zitten kijken in 'n komedie -- of in 'n +koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer -- of in 'n koffiehuis, of 'n +partij meemaken, 'n soireetje of eterijtje bij vrinden of kennissen -- +of in 'n koffiehuis...... + +Daar is ook 'n tijd van 't jaar, dat is juist altijd in 't begin van de +lente, in dien tijd als je 's avonds je raam opengooit en dan in eens +bevangen wordt door 'n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt met 'n +niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer, en toch eigenlijk niet +'n verlangen, als je 't goed nagaat, maar juist 'n vrees, 'n angst +voor iets onbekends, iets geheimzinnigs, 'n gevoel van: o, nu zal 't +komen!.... De menschen loopen je voorbij als schimmen en in de verte +blaft 'n hond. En plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van +slapte en loomen weemoed. + +Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in April soms ook nog en +ook in Mei nog wel 's 'n poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik +schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit om acht uur weer op +kantoor en werk tot elf of tot twaalf of tot één uur. + +O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken, die harde werkweken, +van je niet bemoeien met de lucht en de boomen en de menschen en de +vreugde en de kalme genoegens, maar altijd maar werken, weg zijn in je +werk, die weken van niet-leven, maar ook niet van dood, want er wordt +veel afgedaan, een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden, +nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden arbeid. + +Als ik dan 's avonds laat de deur van mijn zakenhuis achter me dicht +getrokken heb, en ik loop naar me kamer, dan heb ik 'n rustgevend +gevoel van te moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog aan +kleinigheden van me zaken te denken en aan wat ik morgen weer doen moet. +'t Is maar 'n slap en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom, maar +zonder schaamte berust ik in mijn domheid; gelaten, stil-tevreden als 'n +kind, eet ik nog 'n boterham en drink 'n glas gerste-bier en ga naar bed +met klamme, koude voeten en 'n gloeiend hoofd. En den volgenden morgen +hijsch ik in 'n werktuigelijk, heelemaal gewoonte geworden gevoel van +plicht, me lamgeslagen lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant op me +kleeren en op m'n ontbijt, draaf ik haastig naar kantoor, waar ik +langzaam-aan opleef en me weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur. +Maar soms...... + +Neen, nu is 't genoeg, laat me je niet hoeven mee te nemen naar de +diepe, kille donkergroene grotten van mijn innigste bitterheid. Scheld +'t me kwijt, wat er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit +vinger-vegend, voorzichtig betastend, maar toch aanraken, aanraken van +mijn overgevoelig binnenste, van al die teer-opene, licht schrijnende +plekken. En laat me tot slot van deze brieven, die je weg moet doen +als je ze gelezen hebt, -- want ze zijn wel eigenlijk nog niets, neen, +niets, als ik er aan denk; zij zijn maar heel grove benaderingen, ze +tasten met dikke handen, ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet +mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel en dan snijden en +grijpen in 't bloedrig lillend vleesch, 't warme vleesch, en aanwijzen +en uitleggen, maar toch, 't zou me hinderen te weten op den duur, dat ze +daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als processen-verbaal +van mijn getob en gepeuter en waar je me mee aan zoudt kunnen komen, +zeggend: Kijk, dat heb je geschreven! -- O laat me tot slot nog 'n +beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten, even maar, over +luchtige, lichte dingen!.... + +Want, waarachtig! 't Zou ten slotte ook wel gaan lijken of ik niet jong +was en levenslustig! Zeg, kerel, je moet niet gaan denken dat ik somber +ben of zwartgallig of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk +en goedhartig. Ik ben 'n opgeruimd zakenheertje, ik ben 'n lustig +beursmannetje. Ik ben blozend, ik ben flink, ze vinden me 'n energieken +jongen koopman op de Beurs en me kennissen mogen me graag lijden, want +ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen, dat ze lachen rondom de +koffiehuistafel en weer gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel +van fuiven en ik doe 't ook dikwijls, ik kan 't ook goed en ik kan er +ook goed tegen. Nog pas hebben we 'n beestig dolle pan gehad op André's +nieuwe kamer op 't Rembrandtsplein. We hebben 't ingewijd, dat nieuwe +feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, 't was 'n avond van +uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig dronken voelen worden. Na 't +souper hebben we 'n allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo'n +ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je 'n knip wegtrekt. Nou, +je begrijpt 't natuurlijk al. Sam deed 't, 'n heidensch kabaal!...... en +rrang!, neer lag de rommel, en 't licht was uit. André stak 'n lucifer +aan; daar zaten we allemaal op den grond tusschen de scherven en plassen +wijn en vla, stil, in-eens stil van den schrik. 't Flikkerlichtje van +den lucifer glimmerde maar even om onze rooie koppen, maar dat eene +oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z'n groteske onwezenlijke +dwaasheid........ + +Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward, houd je goed en +schrijf gauw weer aan je vriend + Bernard Bandt. + + + + +II. + + +In den avond van dien dag dus zou Bernard naar dat bal gaan. Het was een +groote soirée dansante, die de heer en mevrouw van den Bosch gaven, +omdat een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk van +Enkhuizen. + +Bernard had 's middags op de Beurs een onaangename kwestie te bepraten +gehad en was wat opgewonden en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij +'n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend werk bezorgden. +Korzelig was hij geworden en nog even voor zessen had hij om 'n +kleinigheid een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij daarop +zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat ging naar Kras, waar +hij eten wou, liep hij zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot +gelijk had gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat 't ook +zoo vervelend was, dat je nooit 's iets overlaten kon, dat je om alles +denken moest en dat al die bedienden ook zulke stomme lummels waren, en +zoo onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar 't ging niet, +hij kon zich niet overtuigen, machteloos voelde hij zich wegzakken in +een onbehagelijk zich-bewust-zijn iemand beroerd behandeld te hebben. +En, eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich die onvoldaanheid +tot een algemeene ergernis over zijn eigen doen en zeggen, over zijn +zich-niet-beheerschen-kunnen, over dien brief ook al, dien brief aan +Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al laffe klachten schenen. +'t Ergerde hem dat 'n ander nu ook wat weten zou van het leed, dat +hij altijd hoogmoedig verborgen gehouden had voor iedereen, waar hij +tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten in één hok met dat +smartbeest, er mee vechtend in trotsch-mannelijken tweekamp, in +eerlijken strijd als van man tegen man, 't beneden zich achtend hulp te +halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward zou hem willen troosten, +bemoedigen, opwekken, en dat is immers helpen. En hij soesde over 't +plan den eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden. + +Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer in de nauwe +straatvallei. Hij liep in 't midden, over 't nat-gladde asphalt in 't +schichtig schaduwende halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen +kwam, hier en daar wat opgehaald door een straatlantaarn, en boven +was de nacht, een raggende oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de +schuw-armoedige flarden wuifden tusschen de spookgestalten van de +donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden stap, zijn hals en +kin weggestoken in 't intiem-warme van zijn jaskraag, zijn handen in +zijn zijzakken. En in eens in 't volle licht bij Kras, de vestibule +doorloopend, en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord, +opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig, erg alleen, vervreemd +van alle menschen. Hij groette met een zwijgenden hoofdknik een paar +kennissen, die luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de +zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet kenden. 't Galmend +geroep en 't borden-en-lepelgekletter en de etenslucht vooral, de lauwe +benauwende etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht te +kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder eenige behoefte 't +zich behagelijk te maken. Tegen den kelner, die bij hem kwam staan met +een spijzenlijst en vroeg wat hij zou eten, zei hij dat 't hem niet +schelen kon, als 't maar gauw kwam. Toen ried de kelner met een +aanbevelend lekker-genotlachje een schotel aan, en hij knikte dat 't +goed was en ging toen zitten wachten, trommelend met zijn mes op de +tafel, voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen en etende +menschenhoofden, suf door 't roezig geraas en dien zoetigen weeën walm, +opnieuw dof doorsoezend, zich klein en min voelend zonder te weten +waarom ook weer.... + +Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde lachen, een vetten +vleezigen lach, en daarop ook zag een dik, glimmerig-rood boerengezicht, +dat een grooten viezen mond scheef openzette, dom lachend, met 'n lage +platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn breed-witte servet, +toen keerde hij zich met plotseling weer wakkeren wrevel snel om en +riep den kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen tijd had. +'t Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van waar en hoe laat ook weer, +was nu scherp van uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar +voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met onaangename +bevreemding dat 't al half zeven was. En die partij begon om acht uur. +Hij moest zich nog laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op +zijn kamer. 't Was een bruiloftspartij, daar mocht je niet te laat +komen. De haast verwarde zijn denken; hij kon niet, als anders, de +anderhalf uur, die hij nog voor zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog +hier bij Kras, zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen 't +eten eindlijk kwam, at hij 't gejaagd en schrokkerig achter elkaar op, +slokken bier verzwelgend met een half vollen mond, betaalde, liet den +kelner zeven stuivers houden omdat hij niet wachten wou op 't wisselen +en liep haastig de restauratie uit, de straat op en den kapperswinkel +in, die een paar huizen verder was. + +Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden. + +In een opkomende verheuging daarover trok hij vlug zijn overjas uit en +liet hij zich neerploffen in een van de ruime leeren leuningstoelen waar +zijn tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen 't koele +leer rusten, en de kapper knoopte hem handig den frisschen witten doek +om zijn hals en zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige +krassen, heen en terug op 't stijf-stroeve leer, wat een aangenaam +rhytmisch geluid gaf. + +Kwart voor zeven op de groote houten hangklok; hij begon zich rustig te +voelen, had eigenlijk nog al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis +zijn en op zijn gemak zijn toilet maken. 't Rijtuig kwam om kwart voor +achten. + +'t Was stil in 't barbierszaaltje, dat in 't achterhuis lag, door den +winkel gescheiden van de straat. Gejoel van straatjongens was flauw in +de verte, niet storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch +licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel en daaronder 't +zacht vonkelend geglans van gepolijst marmer met kristallen flaconnen en +glimmende scharen en kammen er op. 't Was warm in 't zaaltje, maar 't +leer van zijn stoel aldoor lekker koel. En van den helwitten handdoek op +zijn borst steeg een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden, +vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil beeld in 't wijde +spiegelmeer. Hij vond zich niet leelijk zoo, hij zag plotseling iets +innemends in zijn gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in +zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en hij kreeg een +overmoedig verlangen naar 't feest, naar de lichte zaal en den gladden +vloer en 't gewoel van menschen in feestkleeren en naar de jonge +meisjes in hun lichte japonnetjes en 't dansen en lachen en flirten. +Terwijl de barbier hem voor de tweede maal inzeepte en schoor, deed +hij zijn oogen dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er +aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van 't mes langs zijn +strak-harde onderkaak verhoogde nog die sensatie van zijn voorkomen, hij +voelde zich nu correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn +wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode. + +Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat op, zacht streelend de +malsch opkrullende haren, en hij voelde met wellust het trekken van zijn +gespannen vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de vraag van den +kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand wou hebben, antwoordde hij met +een deftig minachtend dankje. Hij vond 't 'n beetje ploertig van den +man zoo iets te vragen. En hij liet zich zijn jas opgeven, stak op +zijn gemak een sigaar aan, en minzaam 'n praatje makend liet hij zijn +abonnementskaart knippen, schoof bedaard zijn handschoenen op en ging +den winkel uit, vriendelijk groetend den barbier en zijn vrouw, die +achter de toonbank stond. + +Op straat, in 't gaan door de krommende Warmoesstraat, deed hij zijn +best dat gevoel vast te houden, rechtop in kranige, overmoedige houding +doorstappend, maar op den Vijgendam al, in de drukke volte, was hij +'t in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming; zijn gedachten schoven +onrustig van dit op dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder den +indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep in zijn daagsch pakje op +de vieze straatsteenen in de donkere volte, en dat hij straks keurig +gekleed aanlanden moest in die ruimte vol licht, in dien kring van +zich correct bewegende heeren en dames. Hij liep dus haastig door, wat +voorover als gewoonlijk. 't Rokin langs tot het huis waar zijn kamer +was, 'n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had de voorkamer op de +eerste verdieping; beneden was een handel in zakkengoed, gedreven door +een oud heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken aandachtig, bij +stil lamplicht, in 't kneuterig klein kantoortje, maar boven was 't huis +heelemaal donker. + +Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam en dadelijk was hij +binnen en liep de onbekleede houten trap op, een oud wrak van 'n trap, +met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden in 't armoedig +schemerlicht van een petroleumlampje, dat boven in de gang hing. Onder +de tree-randen gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten. + +Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in. + +Daar was 't heel donker; alleen langs 't plafond trilde zwak-strepend +wat licht van een lantaarn buiten. Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak +en stak zijn gaslamp aan, die in 't midden hing, boven de tafel. En +in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op zijn gewone plaats, de +ronde tafel, waar 't donkere tafelkleed rondom afhing, de stoelen en +kanapee van dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en de +dingen aan de wanden en op den schoorsteen, allemaal waren ze weer +in-eens om hem heen en keken naar hem toen hij naar de ramen ging om +ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten, eerst met de gelige +ophaalgordijnen, die zakten met lammerige schokken, en daaroverheen de +zware donkerplooiende overgordijnen. En toen ook de ramen muur geworden +waren, ging hij naar de tafel, voelend dat achter en voor, naast en +onder en boven hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in de +stilte. En hij draaide 't licht wat hooger op, en kuchte uit behoefte +aan geluid. Toen zag hij al de dingen nog scherper in hun verstijfde +onbewegelijkheid, en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde licht, +maar dat was van de kou, dacht hij; want 't was heel kil op zijn kamer; +de kachel stond nog niet. + +Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar boeken op, bladerde er +in en gooide ze weer neer. Hij vond dat verkleeden altijd zoo +vervelend...... + +Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt klonk 't koperen +geluid van de schel, al verder...... En 't was weer stil...... + +Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open, die met behangsel beplakt +waren, dat schuurde langs 't kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook +wat licht in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan, zijn +waschtafel en 't houten kastje waar zijn linnengoed in lag. Daar ging +hij naar toe en haalde zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde +langs 't hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat schoongestreken +linnen uit en de lucht daarvan en 't betasten gaven hem een nieuwe +droomenvolte, een nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger gaan +naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden, plichtmatig ruilen +van warm-intieme voor kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei 't +linnengoed op de tafel en haalde uit een andere kast in de alkoof zijn +rok, die over een stijven houten hanger hing met slappe mouwen als over +de hoekige hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn zwarten +rok en vest en broek over een stoel en haalde zijn schoone overhemd uit +de vouwen en hing 't er overheen, een vreemd slap doekengedoe om de +glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk ding, dat hoekig en +plompverloren neerlag, als een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten +janklaassen. Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit en +gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk in slordige plooien +wegzakten, tot een onherkenbaar hoopje goed. + +Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd naakt uit kwam +steken, nu geen heerehals meer, maar een stuk bloot mannelijf, dat +kalvrig-nuchter afstak bij 't hoofd, dat nog wel 'n heerehoofd was, met +netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging hij zijn handen staan +wasschen, ze in 't water stekend tot over de benig-magere polsen, wat +hem weer deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig +rillend, en op zijn borst en achter, tegen zijn rug, voelde hij de kille +lucht als een tocht. Vlug droogde hij zich af en trok toen ook, met +snelle handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte van zijn broek +en schoot de stijve, scherpgevouwen pijpen van zijn kamgaren rokbroek +aan. Daarop begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd te doen, nu +en dan blazend tegen zijn vingers, die peuterend aan die knoopjes +blauwden van kou. Toen 't af was trok hij 't gekke, eigenwijs +armzwaaiende ding over zijn hoofd en 't flodderde en zwabberde om hem +met een scheurend geluid en schokte en plooide en rondde zich om 't +lijf, 't beheerschend nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de +been-enden er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon hij 't wit te +bedekken met stukken dofzwart, die er omvielen in keurig-kantige lijnen, +zoodat 't witte geblink alleen van voren bleef, rustig nu liggend, +stil-deftig als 'n bevroren stadsgracht, ingesloten in 't warme zwart. +En met ieder stuk kleeren ontkilde en vervroolijkte zijn stemming en hij +begon zich netjes te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer +plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust kwam terug met +frissche scheuten. Intusschen was zijn juffrouw komen kloppen en had +geroepen dat de vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de +voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou, zijn hoogen hoed +opstrijkend, dien hij daarna -- als voorloopig -- schuin op zijn hoofd +zette. Zijn handschoenen stak hij in zijn zak en bedacht zich toen even, +stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten had. En terwijl +hij zoo staande droomerig voor zich keek, zag hij zijn kamer in +eens met een nieuwen blik, in een aardig-scherp licht, als door een +stereoscoop, met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en intiem, +en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten, met een boek, en dan +de vreemde sensatie te hebben van daar op zijn eigen kamer te zitten in +galakostuum, tot verbazing van de meubels en de dingen aan de muren. +Maar hij deed 't natuurlijk niet, hij nam zijn overjas van den kapstok +en draaide 't licht uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich +afdraaiend, en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam voelend +als een prins, die afklimt in een ellendige kelderwoning. En snel wipte +hij over 't trottoir en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte, +terwijl hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest, 'n bekend +huis-voor-feesten op de Keizersgracht. + +In 't rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog kouder dan daarnet op +zijn kamer (hij dacht er even aan terug met een gevoel van genegenheid) +en de raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij 't schokkend rijden +over de hobbelige straat. Hij zat te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed +weer opstrijkend, en begon toen langzaam zijn handschoenen over zijn +halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar was streek hij met een +mouw van zijn overjas wat wasem van 't eene raampje en ging naar buiten +zitten turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de menschen in 't +rosse avondlicht, zacht sissend tusschen zijn tanden een wijsje, dat hij +zelf niet hooren kon door 't geratel en de straatgeluiden. + +Met 'n schok stond 't rijtuig stil in de file. 't Stond wachtend stil, +schokte rommelend 'n endje naar voren, stond weer stil en wachtte, en +dat deed 't nog een paar maal. Tot hij, door 't opnieuw morsig bewasemde +raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren in lichte sorties zag komen +uit 't rijtuig dat voor 't zijne stond; en hortend en stootend schoot +de doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die de breede stoep +overkapte. Met een ruk werd zijn portier opengegooid en hij voelde zich +er uitkomen in een golf van nattig-kille buitenlucht. "Niet terugkomen!" +riep hij den dikgeduffelden koetsier toe, hem vlug 't fooitje +toereikend, dat hij klaar gehouden had en meteen ging de deur +open en verdween hij in den lichten buik van het groote donkere +Keizersgrachthuis. + + + + +III. + + +Eerst naar de garderobe om zijn hoed en overjas af te geven. Die was +achterin de marmeren vestibule; 't was daar ook al kil, kelder-kil; de +gekuitbroekte kelners, dikke bejaarde mannen, en de dienstmeisjes +van mevrouw, opgeprikt, in 'r Zondagsche japonnen en witte garen +handschoenen, en gestreken mutsen met stijve witte strikken onder +de kinnen, deden strak-deftig en fluisterend hun werk. Een paar +heeren-gasten, jonge menschen, trokken heel langzaam met quasi-luchtig +glimlachende gezichten hun handschoenen aan en drie jonge meisjes +stonden vluchtigjes te schikken en te plukken aan kapsels en japonnetjes +en te ginnegappen, zacht, zenuwachtig fluisterend met kleine gilletjes, +terwijl 'n statige grijze ma, wachtend, gereed om naar binnen te +stappen, hen zwijgend opnam door haar hoornen lorgnon. + +Bernard kende ze niet. Hij bewoog zich met een onverschillige kalmte. +Hij was dadelijk geholpen en klaar. Maar -- gaande, geluidloos, over den +dikken looper naar de deur van de zaal rechts, de ontvangzaal -- hoorde +hij 't gegons van het feestgezelschap en voelde hij zich wat beklemd +worden, in-eens scherp wetend, dat hij daar dadelijk binnenkomen zou en +dat veel menschen, die dat al achter den rug hadden, die al binnen +waren, veel nare wereldwijze dames en heeren, naar hem kijken zouden, +en misschien even lachen of een opmerking maken over niets, over een +grooten of een kleinen stap, de houding van een arm, over een naar +voren hangend vlokje haar........ + +En toen de deur openging, en 't gegons snel opklaterde tot druk gepraat +en gelach, en de lichte zaal in eens over en om hem was in helle +schittering van spiegels en pracht van kleuren, en de feestmenschen +daar stonden, rustig poseerend, lieverig glimlachend, in groepen, aan +weerskanten van het pad dat naar de gastvrouw voerde, toen werd het +erger en voelde hij iets van angst, iets belemmerends; 't duurde maar +een oogenblik, want hij stapte met een erg ernstig gezicht vlug door, +recht tusschen de menschen door, naar de vriendelijke oude dame, de +gastvrouw, die hem allerhartelijkst verwelkomde. En hij gaf ook een +hand aan den gastheer, een beursman, een vrind van zijn oom, een goeden +bekende; en rondkijkende voelde hij zich toen dadelijk bedaard worden, +want eigenlijk waren 't bijna allemaal goede vrinden en kennissen. Daar +hadt-je Sam en André, Hendrik, en Hugo en Kees. En aan den anderen +kant, bij de meisjes, daar stonden Betsy en Marie en Jo en Lize en +Doortje...... + +En 't dikke kleed was wollig en week, zoodat stappen geen geluid gaven, +en overvloedig avondlicht lag wijduit van de zware kristallen kronen, +die schitterden als reusachtige bouquetten van licht, warm wijduit over +'t diep-donkerrood van wanden en sofa's en over de glanzende kapsels van +meisjes en vrouwen en het dofdonzige, luchtig gepoederde vel van haar +halsen en armen en over den kleurenrijkdom der lichtende zij-golven en +de rustig-matte tinten van tulle en kant. + +De mannen stonden bijeen in groepen als compagnieën feestsoldaten +in hun zwart-en-wit uniform, verbroederd door die eenheid van kleedij, +verschillend alleen in lengte en statuur, en in hoofden die ze droegen +boven de glimmende witte halsboorden, intelligente en domme, nobele en +ordinaire hoofden. + +Hier en daar ging zoo'n zwart-en-witte tusschen de veelkleurige +japonnen en spraken de goedig grijnzende, wijsdoende mannenhoofden tegen +de zelfbewuste, pretentieuse meisjeshoofdjes, en ook stonden kale en +witte koppen kraaklachend gekheid te maken met de jonge meisjes, terwijl +de oudere dames, met 'r dikke grijze haartoeten en stroef-lieverig +geglimlach zich bijeengeplant hadden, rechtop, deftigdoend en neigend +met waardigheid de gewichtige hoofden. Soms was er een geluid van +gemaakte, onnatuurlijke stemmen, geaffecteerd welwillend, gewild +voornaam, waarover dan weer frisch als 'n emmer water een prettige open +schaterlach of luid gepraat op eenigen afstand tusschen een paar goede +vrinden. En de avond-warme lucht, doorgeurd, doorzoeld van velerlei +parfumerie, wekkend weeke gedachten aan vrouwen-intimiteit en, nauw +merkbaar, van onderop, het zijïge ritselen van rokken als gefluisterde +beloften van weelde en heimelijk genot. + +Bernard, nu heelemaal rustig en slagvaardig, ingeleefd in 't +bal-bestaan, ging van den een naar den ander, vrinden en vrindinnen +aansprekend, en liet zich voorstellen aan onbekenden, altijd gereede +luchtige praatjes vindend in zijn bedaard hoofd, waarin het diepere +gesoes nu als verdoofd, als sluimerend was, weg in de zware slagschaduw +van het feestlicht. + +Zoo, al gaande tusschen de menschen, kwam hij ook tegenover Betsy Franck +te staan en dat was een blijde ontmoeting, een hartelijk handengeven en +vroolijk elkaar in de oogen kijken. Vroeger, vier, vijf jaar geleden was +Bernard erg verliefd geweest op Betsy en zij had hem ook graag mogen +lijden, maar ze was toen zeventien, hij amper twintig; 't was niets +geweest, een onvolwassen, vluchtig gevoel, een kalverliefde. Zij was +toen naar een Londensch kostschool gegaan, en hij had gereisd en 't +altijd druk gehad, terwijl ze weg was, en toen ze terug was gekomen +hadden ze allebei gemerkt dat 't uit was. Dat was in 't eerst een beetje +pijnlijk geweest, ze waren een poos wat stuursch en kort tegen elkaar +gebleven en de een was den ander liefst uit den weg geloopen in een +niet-te-verdedigen gevoel, een mengsel van schaamte en rancune, maar 't +was of ze gelijkertijd beiden 't onnoodige en onzinnige van zoo'n ietwat +vijandige houding hadden gevoeld; -- 't was ook immers niets geweest, +wat geflirt en gedweep op wandelingen in lichte lentedagen, wat gespeel +en gestoei in zoele zomeravonden en toen een kort afscheid en één enkele +blik van aarzelende teederheid; 't was niets geweest, niets! -- dat +hadden ze in-ééns allebei begrepen en toen waren ze goede vrinden +geworden, vertrouwelijk en hartelijk en prettig-gewoon met elkaar en +over vroeger spraken ze nooit meer. + +Maar soms als hij bij haar was voelde Bernard nog wel wat 't was +geweest, dat hem toen zoo bekoord had, dat zachte, goeddoend zachte, dat +troostende, opwekkende zachte, in de oogen en de trekken van den mond en +in de stem vooral, de hartelijke warme stem, en dan dat vroolijk-reine, +hoog-onschuldige, wat je aandoet met een gevoel van ridder-zijn, van +willen verdedigen 't teere goede tegen 't felrobuste booze, en hij +voelde 't met weemoed, want de bekoring was nu niet sterk meer, en zeker +lag dat aan hem, zeker was hij minder vatbaar voor indrukken van het +goede, was hij zelf minder goed, onreiner geworden. Hoe kwam 't anders, +dat hij haar zachtheid nu dikwijls zoetig, wee-lieverig, overdreven, +sentimenteel vond, dat haar goedhartige belangstelling in alle menschen, +in al wat er met hen gebeurde hem nu soms wat wrevelig maakte en geneigd +tot ruw-cynisch plagen. Met weemoed herdacht hij in zoo'n oogenblik zijn +geloof aan de echtheid van dat lieve doen en voelde hij zich ouder +geworden en leelijker.... + +Hij had haar gevraagd, met een plagenden glimlach, of ze André al wel +gezien had, waarop ze, ook lachend, met een zoet-klagend stemmetje +geantwoord had: "Ja, maar hij schijnt niet naar me om te kijken van +avond", en nu stonden ze te praten, intiem, over de partij en de +menschen, en waren nog samen toen een geritsel kwam en opgeschuif in de +zaal, de menschen drongen op in veelhoofdige rijen aan weerszijden van +de deur, zoodat er een breed pad open kwam naar 't partij-gevend paar +bruidsouders. Er naderde geluid van korte bevelen uit de vestibule, en +in de groote zaal, die aan de ontvangzaal grensde, was in-eens hoog +opgegier van strijkmuziek; de menschen verstomden. En toen hoorden ze +dat 't het bruidskoor uit Lohengrin was en keken ze allemaal naar de +deur, die openging nu. Vier heel jonge bruidsmeisjes, die zongen met +zenuwachtige zwakke stemmetjes, kwamen binnen en in hun midden het +bruidspaar. De blonde bruigom, blij stappend, met een lachend gezicht, +overmoedig en vierkantig doend om zich goed te houden, en de bruid, de +witte bruid, wat bleek, wat schuchter, lachend met de oogen alleen tegen +de menschen-gestalten waar ze ruischend langs ging. En 't glundere +moedergezicht hun tegemoet en de vader ook, pogend zijn verlegenheid te +verbergen met een joviaal air van zijn schuin-achterovergegooiden kop en +een armgebaar van gulheid, en toen een gezoen en gelieflach en een +algemeen luidruchtig gedrang om hen heen, een druk groeten en handen +geven........ + +In 't gedrang toen ze binnenkwamen was Betsy voor Bernard komen te +staan. Ze was kleiner dan hij. Vlak voor zijn mond en neus waren haar +dof-glanzende, bruine haren, haar zacht geurende haren, achterop het +hoofd samengedraaid in een wrong, zooals de oud-Grieksche vrouwenbeelden +'t hebben. En iets verder, schuin onder zijn kin, was 't poezelzachte, +warm-fluweelige vel van haar hals, rustig liggend, als een zonnig +blank meer, in de strakke spanning van de blauwzijden japon, die, +rond-uitgesneden, opstreefde aan de schouders, de weeke, innige +rondingen verbergend onder groote blauwe strikken. Fijntjes kroesden +aan den week-bleeken bovenhals de lichte jonge haren, die te kort waren +om meegenomen te worden in den wrong. + +Hij had er half-bewust van genoten; de geur van haar lijf had hem licht +bedwelmd en even had een gevoel van onrust en nerveus verlangen hem +doorhuiverd, toen ze, met 'n eenvoudig gebaar den ritselenden rok van +den grond tillend, haar blooten bovenarm, den donzigen ronden arm tegen +zijn mouw aangebracht had. + +Maar bij de begroeting van 't bruidspaar verloren ze elkaar en toen +werden er dadelijk balboekjes uitgedeeld en begon ook Bernard zijn +afspraken te maken, slank gaande door de menschengroepen, van Marie naar +Jo, en van Jo naar Lize, en van Lize naar Ada, en hij werd voorgesteld +aan een juffrouw van Keppel. Mimi heette ze. Die gaf hem de eerste +lanciers en hij wist dadelijk dat hij dien heelen avond, en veel +volgende dagen misschien, verliefd op haar zijn zou. Snel -- als in een +stijf-deftig gezelschap een plotselinge lust tot dwaas doen -- was die +aandoening in hem opgeschokt. Kwam 't door haar oogen, de wijd-open, +brutale spot-oogen, van een vreemd groenachtig-blauw en helwit, oogen +die altijd lachten, spotlachten, kwam 't door haar mond, den ferm +geslotenen, pittig hoekenden mond, kwam 't door de rechte figuur, die +elegant was zonder buigzaamheid, of door de stem, ja door de stem zou 't +komen, dacht hij, want die was heel bizonder, zwaar, grof, vol harde +rauwe klanken; ze sprak vlug, de woorden afkauwend met 'n energieke +positiefheid, zonder slepen of hakkelen, ze liet de r schor uit haar +keel komen en de s siste scherp tusschen de dan even glinsterende +tanden. Er was niets melodieus in die stem en Bernard herinnerde zich nu +ook hoe hij wel door andere meisjes over haar had hooren praten, met een +zekere vrees, als van "dat meisje met die mannenstem". Maar hem had ze +bekoord, dadelijk, en 't was ook haar stem niet alleen, en ook niet +enkel de wellustig-benauwende odeur waarmee ze zich geparfumeerd had, 't +was zij, zij heelemaal, zooals ze daar stond met het room-blanke hoofd +boven 't dofgroen van haar mousselinen baljapon, het fiergedragen hoofd +overhuifd met een glanzing van rosblonde haren. Ze had iets wilds, iets +ongetemds, iets brutaals en kwajemeidachtigs, maar toch was ze 'n dame. +Ofschoon niet mooi, had ze iets onbeschaamd-overmoedigs, als voelde ze +zich koningin van 't bal. Hij vond haar ontzettend pikant. + +Ze scheen ook al gemerkt te hebben dat ze Bernard gecharmeerd had, want +telkens als hij later naar haar omzag, keek ze hem aan, spotlachend +en brutaal. Van haar was hij naar Doortje Post gegaan, die een +vroolijk-open kindersnoetje had, ronde wangen en een opwippend +bovenlipje. Hij vond Doortje anders altijd allerliefst, maar nu.... +ocho...... 'n goedig kindje, onbeduidend. En Betsy sprak hij weer aan en +vroeg haar een polka-mazurka, want met zulke zware meisjes danste hij +liefst een rustige polka-mazurka, en 't viel hem van avond al bizonder +op, zoo zwaar als ze geworden was, Betsy; voor haar staande dacht hij +oneerbiediglijk aan een van de weldoorvoede konijnen van zijn oom in +Hilversum, dat eene, dat donzige witte, en zich in-eens herinnerend zijn +vage emotie van zooeven toen hij bij haar gestaan had in 't gedrang, +kon hij zich die niet begrijpen en lachte hij zich uit in zijn ziel. En +omkijkend zag hij ook Mimi lachen met de houding van een prinses en de +oogen van een fabrieksmeid. + +En onder 't buigend verder gaan van Betsy naar Frieda, die stijve +strakke Frieda, dat mal-trotsche nest, en naar Anna van der Hoeven, zijn +goede vrindin, was 't hem of er een nieuw leven in hem gevaren was, +waarbij 't vorige enkel belachelijk goedig gedoe scheen, groen en +schapig. Terwijl zijn mond gewoon-maatschappelijke dingen zei tegen +Anna, stond hij zich te fantaseeren een vreemd-vrij bestaan, een +zwerfleven, een rooversleven, een trotsch gaan door bosschen en +gebergten, naast hem: zij, zijn maitresse, gewapend, als hij zelf, met +dolken en pistolen. En terwijl zijn hand zijn naam opschreef in Anna's +balboekje voelde hij de begeerte naar zoo'n wild bestaan met haar +branden in zijn polsen. Met 'n overgegeven gemoed gaf hij toe aan den +wellust van die fantasie. + +Maar toen nam Anna hem mee naar een meisje, dat, een beetje afgezonderd, +bij den schoorsteen stond in de houding van iemand, die zich niet thuis +voelt. Ze scheen 'n jaar of twintig te zijn. Ze zag wat bleek, haar +oogen lagen diep in grijze schaduw. Haar japon was heel eenvoudig, +van een roomkleurige stof met een breede ceintuur en een paar groote +strikken van geel satijn. Anna sprak haar aan, op hartelijken toon met +een zweem van medelijden. "Lucie, mag ik je 's even voorstellen: meneer +Bandt,.... juffrouw Tadingh." Toen ging ze weg en Bernard maakte, met +mondainen glimlach, zijn buiging, een overdreven-diepe buiging, maar +toen hij Lucie aankeek, schaamde hij zich plotseling. Hij voelde zich +gestoord, betrapt. Hij voelde dat zijn galanterig doen genegeerd +werd; die zachte, klare oogen keken recht in zijn ziel, met iets van +verwondering en stil-diepe aandacht. En 't was hem plotseling of hij +droomde, of 't niet mogelijk was in die zaal die oogen, dat droge pure +oogenlicht. Hij had een oogenblik van verlammende verwarring. 't Was +als een visioen, een verschijning. Duidelijk voelde hij zich staan, in +zijn balkostuum, gansch alleen op een stille eenzame weide, onder een +doorschijnend wit-lichten avondhemel.... Er was vage benauwing in zijn +droom.... + +Maar met inspanning, terwijl hij even voor zich keek op den grond, +herstelde hij zich, een muur van gewoon redeneerend gedenk optrekkend +achter zijn oogen, en hij zag haar weer aan, voorbereid nu, zich veilig +voelend, koel-bestand tegen den blik van haar blauw-grijze oogen, zoo +zacht en goed en dof-weemoedig, zoo wondervreemd contrasteerend met de +donkere wenkbrauwen en 't kroezige zwarte haar. Hij zag dat zij rood +geworden was, egaal rood tot in den hals en over haar oogen kwam nu een +vochtige glans, als was er een traan over gegleden. Nu schenen ze zacht +te verwijten en te vergeven tegelijk, alsof ze zijn onrust begrepen had. + +Hij begon een gewoon balpraatje, over de zaal, over den avond, over +het bruidspaar, vlug-sprekend maar telkens abstract, glimlachend, maar +zich innerlijk aldoor 'n beetje ergerend over zich zelf, over de +onbeduidendheid van zijn gepraat, en omdat hij zich niet heelemaal +rustig en op zijn gemak voelde met zoo'n doodeenvoudig meisje. Zij +was zich niet zoo gauw meester, ze moest zich blijkbaar inspannen om +antwoorden te vinden, en die schenen dan niet uit haar te komen, die +scheen ze voor te lezen uit een denkbeeldig boek. 't Was of ze 't praten +niet gewoon was. Ze klaagde dat ze weinig menschen kende van die hier +waren. Hij zei, dat 't altijd interessant was nieuwe menschen te leeren +kennen, dat hij haar immers ook niet gekend had voor van avond, maar nu +toch heel blij was dat ze was gekomen. Hij hoorde dat complimentje +zelf pas toen hij 't al gezegd had, en hij keek haar aan en zag dat er +in-eens blijheid in haar oogen was, ware blijheid. Hadden dat zijn +woorden gedaan? Toen schaamde hij zich opnieuw, niet brutaal genoeg om +dat onverdiend succes rustig te aanvaarden, en hij bloosde, vlug-vragend +naar haar balboekje, en met een quasi-ernstig gezicht, fronsend zijn +wenkbrauwen, vergeleek hij haar boekje met het zijne en besprak de +tweede lanciers, ofschoon zij verlegen protesteerde, zeggend dat ze dien +dans niet kende. Maar hij zei een paar maal dat 't wel gaan zou en boog +haastig, 'n beetje schutterig en excuseerde zich, eigenlijk niet wetend +waarvoor, en hij liep naar Marie van den Bosch, want hij hoorde de +muziek van de polonaise. + +Hij voelde zich onbehagelijk gestoord in zijn lekkere stemming van +verliefde fantasieën, hij vond dat hij toch ook belachelijk weinig +optreden had, een kinderachtig totaal gebrek aan pose, en naar Mimi +kijkend verbeeldde hij zich dat ze hem uitlachte. Hij begon zich +vernederd en lam te voelen, een jongetje; hij moest al zijn best doen om +niet stil te worden, want dat mocht natuurlijk niet, er moest gepraat +worden, want Marie van den Bosch was een zusje van de bruid; er moest +veel gepraat worden over het bruidspaar en het feest. En hij praatte +zich dan ook langzamerhand weer in een dragelijke stemming, ofschoon +maar matigjes geboeid door dat Marietje; zij was een aardige balpop, +mooi, vroolijk en gedistingeerd; hij zou zich anders wel met haar +geamuseerd hebben, maar nu had 't gedartel van haar blikjes en woordjes +niet veel vat op hem. Maar het licht in de danszaal en het gaan op de +maat van muziek, het gevoel van veerkracht in zijn leden, maakten weer +een man van hem, maakte dat hij zich weer begon te voelen de sterke, +die haar aan kon, haar, Mimi. Telkens keek hij om naar haar met +steels-begeerende blikken. + +Een lange stoet van mooi-gemaakte menschenparen was uit de ontvangzaal +in de danszaal komen stappen, rustig gaande in de langzame marschmaat, +zich krommende in de hoeken en wijduitgeslingerd nu over den glasgladden +dansvloer. De slanke stoet schreed voort met princelijke passen, blij +omgolfd door diepten van licht, door 't alompralende feestlicht, dat +zich verdubbelde in de spiegels en den glimmenden vloer. En de voorste +twee reikten elkaar de hand en stilstaande hieven ze hun ineengeslagen +handen op tot een poort, waar de volgenden bukkend onderdoor gaan +moesten, om dan ook stil te staan en een poort van armen te maken, en +zoo deden al de volgende paren, en er was vroolijk gegons van stemmen en +gelach van menschen, blij zich ongestoord te mogen verlustigen, zonder +dat het gek stond, want ze hadden nu immers niets anders te doen, al hun +dagelijksche getob werd genegeerd door dit vrije, luchtige, kinderlijke +spelegaan. De gewichtige gezichten van de oude deftige dames doken +lachend en rood van 't bukken van onder de armenpoorten op; boven de +handen lachten de hoofden elkaar toe, en, toen na 't spel de stoet weer +voortging in wijde bochten slangend door de zaal, waren de bewegingen +losser en vlugger geworden, was 't of de muziek in de leden getogen +was, ze lichter makend en veerkrachtiger. En nog andere menuetachtige +dansfiguren voerden de paren in optocht uit. Maar plotseling, met fel +gekras der violen, daar ging de muziek in een polka over, en dat gaf +rumoerige verwarring, de oude menschen vluchtten uit den stoet en +zetten zich op de sofa's, die tegen de wanden stonden. Maar de jonge +paren polkeerden op, aldoor draaiende om zich zelven als tollen +die gelijkertijd opgezet zijn, als gezweept door de muziek en +uiteen dwarrelend dan door de heele zaal. In grillige springpas, +cholerisch-ongracelijk, hupten en zwierden ze elkander voorbij, een +verbijstrend gewirwar van al maar verandrende kleurencontrasten. Vreemd +als een plotselinge wilde bezetenheid, gevaren in menschen, die +polkaroes...... + +Bernard danste met Marie. Hij hield niet van die wilde +polka-bokkesprongen, afmattend, échauffeerend zoo vroeg al in den avond. +Gelukkig duurde 't niet lang. Met af en aan snerpende accoorden kwam de +muziek tot zwijgen, het dansen verliep in een loomen gang; er viel rust +in de zaal; de menschen vereenden zich tot groote groepen in de hoeken +en langs de wanden. + +Marie viel quasi-afgemat op een sofa en Bernard ging pratend voor haar +staan, haar warm gezichtje bewuivend met haar waaier van donzen witte +veeren. Toen kwam van den overkant van de zaal Mimi kalm aanloopen en +vlijde zich met gratie naast Marietje. Ze scheen niet te letten op +Bernard, maar ging druk zitten praten met het zusje van de bruid, om die +een compliment te maken over haar toilet en te zeggen hoe dolheerlijk ze +'t feest vond. Ze bedekte haar gezicht, schijnbaar achteloos, half met +een zwartkanten waaier, zoodat het roomblanke vel er verleidelijk +bovenuit kwam, en alleen haar oogen dwaalden soms af, schuin naar boven, +naar Bernard, die aldoor naar haar keek. Haar blik was dan koud, +dof-abstract, om dadelijk weer vreugdevol te schitteren als ze +doorpraatte tegen Marie. + +Toen sprak Bernard haar in-eens aan, luid en wat bruusk: "Hebt u altijd +in Amsterdam gewoond, juffrouw van Keppel?" + +Ze keerde zich naar hem, dadelijk weer met dien spotlach, en haar blik +recht in den zijnen antwoordde ze: "Ja meneer." + +"Hoe vreemd, dat ik u dan nooit vroeger heb gezien...." + +"Och!.... u zult niet op me gelet hebben!...." + +"Ik zou zeker wel op u gelet hebben, als ik u ontmoet had." + +"Heel beleefd van u, heel vleiend," zei ze met een leuk lachje. "Maar ik +heb toch indertijd 's een partij bijgewoond waar u ook was.... U hebt +toen heusch geen notitie van me genomen.... 't Is ook al weer 'n paar +jaar geleden.... 'n Koperen bruiloft!.... Betsy Franck was er ook, weet +u 't nog wel?.... In Odéon was 't...." + +En toen ze dat gezegd had met haar plagend glimlachje, keerde ze zich +weer naar Marie en praatte dadelijk over heel wat anders, maar Bernard +zei nog, langzaam 'n beetje blozend: "O ja!.... o ja!...." en kuchte om +zich een air te geven, want hij herinnerde 't zich nu heel goed; dat was +nog in dien tijd van Betsy geweest, wat 'n jongetje was hij toen nog, +wat 'n goed-onschuldig ventje!.... + +De violen begonnen een wals te spelen en er werd geroepen: Wals!.... +wals!.... En Bernard boog diep voor zijn dame en kreeg op zijn weg nog +een blik vol overmoedigen spot van Mimi mee. Hij stak de zaal over naar +Anna van der Hoeven, die dadelijk opstond, want ze hield dol van walsen +en ze wist dat Bernard 't goed deed. Ze praatten niet veel en waren +onder de eersten, die dansten. Bernard zag Mimi nog zitten op die sofa, +kijkend over haar zwarten waaier, en zag André op haar afkomen, en zag +hoe ze hem ontving, met dienzelfden blik, dien coquetten spotblik en hij +voelde zich in-eens jaloersch worden op André. Maar ze stonden op en ze +dansten ook en in de snelle draaiing van de wals verloor hij ze uit 't +oog. + +En zich nu meer gevend aan den dans, met een wreveligen lust om dat +meisje nu 's even uit zijn hoofd te zetten, sloeg hij zijn arm wat +verder om Anna's middel en begon hij zijn passen met zorg te maken, +netjes zijn voeten zettend, zooals 't hoort, om weer heelemaal dat +gevoel te krijgen van correcten meneer, wat hij gehad had bij zijn +barbier, en hij luisterde naar de slepende violentonen, en nu nam de +dans hem mee en hij liet zich gaan, hij hoefde zijn voeten niet meer te +zetten, ze gingen van zelf. Hij voelde zich wiegen op de walsmuziek, +zoetjes deinend als op lange kalme golven, op zee bij zacht zomerweer, +oprijzend en wegzinkend, aanglijdend en afzakkend. Anna vergat hij; hij +voelde niet meer dat zijn arm om haar lijf lag, hij voelde haar één met +hem in 't gelijke maat-gaan van hun lijven; even maar werd hij herinnerd +aan haar toen ze, als in extase, met moeite fluisterend, zei: "'t Gaat +heerlijk, hé?" De weelde van den dans bezat hem heelemaal, hij genoot. +En zonder vermoeienis, van-zelf bewegend, walsten ze door, gedragen door +de muziek, de weekslepende Myosotiswals; opgewonden, half-bedwelmd door +den dans, zweefden ze, scheerden ze over den dansvloer, licht als een +droog blad dat snel draaiende wegwaait over den harden bevroren grond. + +Maar eindelijk viel Anna met een schok terug in zijn arm. "Ik kan niet +meer," zei ze, lachend, licht hijgend, en ze vielen neer op een paar +stoelen in een hoek van de zaal. Anna wuifde hun beiden koelte toe met +haar waaier. Daar kwamen Mimi en André aan. Ze dansten goed, ze dansten +heel goed samen, alleen ze hield haar bovenlijf wat te veel voorover, +bijna raakte haar wang André's schouder. Hun voorbij walsten ze, +draaiend, ruischend. En onophoudelijk zwierden andere paren aan, de +heele zaal was in walsgolving, de muziek walste door de zaal, 't was àl +harmonie van klanken, licht en kleuren, de muziek scheen in de kleuren +te zijn en de kleuren in de muziek. En wéér kwamen ze aan, André en +Mimi; haar wangen gloeiden. Bernard zag even 't genietend glanzen van +haar oogen. Mooi was haar rank lijf tippend vederlicht om de zwarte +figuur van haar danser. + +"Ken je Mimi van Keppel?" vroeg Bernard aan Anna. + +"Of ik haar ken?.... Nou, 'k zou 't wel denken,.... maar al te goed...." + +"Hoe dat zoo?...." + +"We waren samen op kostschool in Bonn.... 't Is 'n lieverdje, hoor!.... +Heelemaal geen vrindin van me!........" + +"Wat heeft ze daar toch voor booze dingen uitgehaald op dat school? Ik +hoorde er alwat van mompelen, hier en daar...." + +"Wèl!.... Nou, jou wil ik 't wel zeggen, maar je moet er nooit over +spreken, hoor!.... 't Was eenvoudig verschrikkelijk! Ze stal allerlei +dingen van ons, andere meisjes, en als je haar wat dorst te zeggen werd +ze woedend en sloeg er royaal op...... Eén van de meisjes heeft ze een +haarspeld in 't hoofd geslagen.... Dat had nog heel leelijk af kunnen +loopen...." + +"Maar waarom werd ze dan niet weggejaagd?" + +"Och, je begrijpt toch, zoo'n directrice maakt niet graag standjes.... +Haar vader betaalde goed, denk ik.... En dan had ze altijd de leeraars +op haar hand, want die wist ze wel in te pakken, coquet nest dat ze +is!...." + +Bernard lachte. "Zoo?.... Is ze zoo'n Carmen?" + +"Nou!.... 'n Echte jongensgek, wat je noemt, hoor!.... Maar ik zou haar +niet vertrouwen als ik 'n man was." + +Weer kwamen ze aan, wandelend nu. André wischte zich 't bezweete +voorhoofd af. Ze fluisterde achter haar waaier en hij lachte hardop om +wat ze zei. En in 't voorbijgaan keek ze Bernard aan, een blik gloeiend +van triomf en overmoed. + +"Ik ga nu met 'r dansen," zei Bernard. + +"Zoo!.... Zeg, vooral niets laten blijken, hoor!.... Pas op, ik zou +woedend zijn!" + +"Och wel nee! Natuurlijk niet. Waar denk je aan!" + +De muziek zweeg. Maar Bernard, gemakzuchtig, bleef nog zitten bij Anna. +Hij zag er tegen op Mimi te gaan halen. Hij voelde zich wat beklemd +worden; zou ze met André over hem gelachen hebben? Hij moest nog een +houding zoeken tegenover haar en er was geen zier geest in zijn warm +hoofd. Maar Sam kwam al naar Anna toe. + +"Heb je al 'n carré," vroeg Bernard. + +"Nee, willen we 'r een formeeren," vroeg Sam. "Wacht dan even nog, dan +zal ik André ook vragen." En hij liep weer weg, Bernard kon nog even +blijven zitten. Want hij kon immers Anna niet alleen laten. + +Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André en Hendrik Schot +afgesproken. En hij nam Anna mee, Bernard aansporend met 'n: "kom, moet +jij nu je dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je plezier, +gauw 'n beetje!" + +Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar toen in-eens ernstig +wenkbrauwfronsend, richtte hij zich op, heel recht, en liep zoo naar +Mimi toe, statig en met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct +en zwijgend. + +"Ik was al bang, dat u me vergeten zou," zei Mimi, hem aankijkend van +terzij, en alvast spotlachend om 't complimentje dat ze verwachtte. Maar +hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar, deftig stappend, +naar de plaats waar de drie andere paren al wachtten. + +En de quadrille begon. 't Ging keurig in hun carré. Hendrik Schot +alleen, die er niet veel van kon, vergiste zich dikwijls met zijn stijve +stappen en de dwaze draaien van zijn houterig lichaam en deed de anderen +lachen door 't gekke gezicht waarmee hij 't dan in zijn verlegenheid +goed maken wou. "God, God! wat 'n hein! wat 'n hark!" hoorde Bernard +Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste. + +Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar +trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van +opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar +uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder +haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem +zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed +zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem +aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte +lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard's +blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes. +Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand' chaine. Keurig, als paardjes in +een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een +stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen, +elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de +gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi's hand een +oogenblik in Bernard's hand. Maar elken keer, even voordat die handen +uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even +maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond 't brutaal, maar 't +streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze 't +durfde doen, maar 't kostte hem inspanning koel en strak te blijven, +zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog +deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve +plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht +in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in 't voorbijgaan trof +hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding. + +Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich +zijn aandoening niet meer meester, bij 't "balancez à vos dames" +vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging +in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi's leest. Ze +dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met +haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans +alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken +van genot. 't Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was +bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer +last van had. "Nee, anders nooit," zei hij. En zij lachte weer, met +oogen die 't begrepen. + +Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend, +optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou +worden ter eere van het bruidspaar. + +Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven, +maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de +zaal, beweeglijke zwarte groepen. + +Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze +dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den +oudsten zoon van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen +figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas +afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn +rok zat hem slecht en hij was erg warm. + +De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op +'t intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen +opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en +harkerig deden op 't kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en +dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, 't vormelijk +applaus ergerde hem 'n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal. +Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van 't presenteerblad, dat +werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon +Kees, lachend: "Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven." + +O God! dacht Bernard, die ook nog! "Zoo!", zei hij, "zullen we 't +genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux +hoop ik." + +"Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, 't is een prachtig stuk, +dat begrijp je; me zwager en ik hebben 't zelf gefabriceerd." + +"Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen," zei +Bernard. + +"Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet 'n beetje weten te schikken!" +En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. "Je hebt +daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè," begon hij weer, na een paar +teugjes, "hoe vind-je die?" + +"Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... 'n Aardig meisje, +geloof ik!.... Is 't 'n vriendin van een van je zusters? 'k Heb haar +nooit ontmoet bij jelie...." + +Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn +lippen. "Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me +getrouwde zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar +'t is een kat!" zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling +nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was. + +"Hm!.... zoo!...." zei Bernard. + +Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. "Pas op voor die +meid, hoor!" fluisterde hij weer, snel en scherp. "Ze heeft 't hier!" en +hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog +van zijn linkerarm. "Hm!" zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van +Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. 't Begon +hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal +jaloezie, bromde hij in zich zelf. 't Is een weergaasch aardige +meid!.... 'n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat +amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met 'r +armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!.... + +Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de +donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond +haar. 't Glansde als gepolijst rood-koper in 't helle licht. Mooi haar +toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En +hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet +meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en +haar handdrukjes. 't Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige +hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer +opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem +begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij 's +gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is 't, mompelde hij, haar +temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje.... + +Maar in-eens hoorde hij 'n stem vlak bij zijn oor! "Zeg, wat doe je +toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?" + +'t Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en +glimlachte toen, licht blozend. "Ik stond maar wat met mezelf te praten +bij gebrek aan beter," zei hij. + +"Vervelende vertooningen, hè?" zei André, zijn hand door zijne bruine +haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen. + +"Nou!" zei Bernard. + +"Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?.... +Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?" + +"Kindje?.... zeg maar gerust kind!" + +"'k Geloof dat jij 't leelijk te pakken hebt, ouwe jongen," zei André, +weer lachend. + +Bernard trok een minachtend gezicht. "Geen kwestie van, hoor!.... +Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof +ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor +haar, zei hij, ze had 't achter de mouw!" + +Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór +hem even omkijken. + +"Sst?.... sst! kerel!" zei Bernard, zelf glimlachend. + +"Hij is patent!" zei André. "Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op +aan te kijken!.... Zijn rok zit 'm of 't een gehuurde is!.... Hij is +stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?" + +Bernard gaf geen antwoord, maar na 'n poosje begon hij weer: "Wat zie ik +jou weinig met Betsy van avond." + +"Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga 'k 's met 'r dansen!.... kalm +aan! kalm aan!...." + +"Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik." + +"O! Wat dat betreft, ze is charming!" zei André met een gebaar als wierp +hij Betsy een kushand toe. "Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar +niet om zoo 's een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit +wandelen te gaan.... zooals die Mimi...." + +"Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je +wandelingetjes!" + +"Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!" + +"Met jou?" vroeg Bernard, spottend. + +"Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?" + +"Misschien wel," zei Bernard. + +"Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent," plaagde André weer. "Maar je +moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder 't dansen heel wat vriendelijke +oogjes gegeven en bij de grand' chaine telkens een allerhartelijkst +handdrukje...." + +"Dat lieg je lekker!" zei Bernard, geërgerd. + +"Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... 't Is +waarachtig waar." + +"Opsnijderij," zei Bernard. + +"Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet +zijn, hoor! Er zijn er genoeg die 's met 'r uit geweest zijn." + +"Verrek!" zei Bernard. + +En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist +kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op. + +Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn +handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen, +leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige +avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige +pret. + + + + +IV. + + +Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de +feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet +waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf +of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in +rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had +Lucie Tadingh aan zijn rechterhand en Lize Schot aan zijn linker. Mimi +zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze +zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd +uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een +kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten +oude-vrijer, een cynischen aap van 'n vent, erg leelijk en coquetteerend +met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy. + +'t Was Bernard gelukt aan 't slot der vertooningen Mimi te bereiken en +hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met +haar te kunnen soupeeren. En toen hij 't kaartje met zijn naam had +zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg +teleurgesteld geweest. Mimi had 't gezien aan zijn gezicht en ze had +gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats +opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen +Lize en Lucie. + +Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in 't eerst, soezig luisterend +naar 't stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te +praten in zich zelf. 't Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu +juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast +niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze +ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet +hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed +hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te +spelen met zijn brood. + +Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens +-- hij hoorde haar stem -- aan dat oogenblik van verwarring toen Anna +hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die +zachte oogen.... 'n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook +weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was +een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij moest haar +toch 's aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-'t-behoort. + +Hij deed 't ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant +wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een +vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze +zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord, +ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond 't alleen maar +niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk -- zeker +wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde -- zei ze er bij +dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde +alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had +nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel 's hier en daar aan huis, maar +natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin +was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg +vertellen van zich zelf, en 't geluid van haar stem herkennend met +onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had. +Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien +vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat +vond ze erg treurig. Ze wist 't wel wat 't was zoo'n verlies, want ze +had haar vader verloren twee jaar geleden. "Dat moet vreeselijk zijn," +zei Bernard,.... "ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem +eigenlijk nooit gekend." Ze schrok weer. "Heelemaal niet gekend?.... En +is uw mama al lang dood?" + +Haar stem veranderde bijna niet door 't spreken over die treurige +dingen. Er was niets in van 't gewone teemend mede-lijden gehuichel, +alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht. + +"Ja!.... al lang!" zei hij. "Ik heb maar een heel vage voorstelling van +me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... 'k Ben toen door 'n +oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen, en die +hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was...." + +"Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?" + +Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij +vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo'n gesprek +gekomen aan 'n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze +dat zoo.... Wat kon 't haar schelen.... + +Maar hij vond 't niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van +sympathie in zijn gemoed. + +"Wel!.... ik herinner me," zei hij nadenkend, "dat we in een breede +vensterbank zaten, zoo'n vensterbank met kussens, geborduurde kussens, +vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik +in den anderen. Ze had 'n lichtgroene.... ja, 'n doffe grijzig-groene +japon aan,.... ze had 'n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte +oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht, +zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei +vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses +met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik 't eenige wat ik me goed +herinner...." Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend +met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam +een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich +zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze +allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong, +heel vroolijk meisje, -- ze werd door de anderen geplaagd met haar +opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield +quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn. +Ze riep Bernard te hulp. + +"Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?...." Bernard gaf haar volkomen +gelijk en was dadelijk druk mee in 't gepraat over dat rolletje. Hij +had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op 't tooneel, maar dat was +natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan 't +souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam +erkende dat zijn "aantijgingen" monsterlijk waren en werd gestraft met +een poenitet, en 't chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en +zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel +gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo +Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om 't gepraat van +André, wiens stem soms hoorbaar was als 't algemeen gonzende geroes wat +daalde. + +"U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op 't tooneel, juffrouw +Tadingh," begon hij toen weer. + +"Nee," zei ze, even lachend, "dat 's niets voor mij.... Comediespelen +vind ik iets verschrikkelijks...." + +"Hoe dat zoo?.... Vindt u 't zoo lastig 'n rol te onthouden.... of?...." + +"Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen +zeggen in 't publiek!.... ik vind 't altijd iets aanstellerigs, iets +onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt 't.... +Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten...." + +"Alleen ongewoonte!" zei Bernard. + +"Mogelijk wèl, ja.... Maar 'k weet 't toch niet, 't zit geloof ik, ook +in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen +stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo +als-'t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken.... +O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u 't kent, dat +gevoel...." + +"Ja zeker," zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie +weer merkte, "dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar +ik heb me altijd verbeeld, dat 't eigenlijk niet mocht.... 't Is, geloof +ik, ook wel 'n beetje egoïstisch." + +"Vindt u?" zei ze, droomerig, wat verwonderd naar 't scheen. + +"Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen +recht op je, dan moet je je 'n beetje geven." + +"Heel goed," zei ze kalmpjes, "als ze dan tenminste wat aan je hebben, +als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar...." + +"O!" zei Bernard, "en dat is u allemaal niet?" Hij zei 't 'n beetje +ironisch, 't bedoelend als gewone galanterie. + +"Nee," zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, "nee, heelemaal niet!.... +dat zult u trouwens ook wel zien en merken...." + +Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel +ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei 't alles zoo +zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in +hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist +heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij, +eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde: +Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote +begrippen alleen, minachtend 't kleine, maatschappelijke, en dat +ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht: +zoo'n zuster hebben, zoo'n zachte verstandige zuster om mee te praten +over alles.... + +Maar Lize klampte hem weer aan. "Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat +nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft." + +"Wel nee!" zei Bernard, "'t is rossigblond, niet rood! Rood is heel +anders." + +"Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u 't, meneer van der Hoeven!" + +En Bernard's gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten. +Hij vond haar profiel heel mooi. 't Was misschien niet zuiver mooi, +volgens de eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon +stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in 't donkerrood zijn, in een +granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo'n wijde, met soepele plooien. +Wat had ze 't nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat +monster.... + +Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging +toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en +was er een poosje alleen 't deftig-langzame preek-gepraat, 't zeurige +zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan +de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen 't uit was een +verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop +naar 't bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep. + +Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze +samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even +brutaal teruggaf. + +"Bevalt de tafelschikking u nogal?" vroeg hij. + +"Ja zeker," zei ze, "u ook?" "Bizonder," zei Bernard. Maar haastig keek +hij even om of Lucie 't gehoord kon hebben, want 't bewustzijn hinderde +hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats +voelde hij Mimi's blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de +geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest. + +Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat +met Lucie. Over boeken ging 't. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had, +of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van +vertellen, wat 't was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over +een ander boek begon. + +En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei +hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest +hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in dat 't de +plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde +een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak 't Engelsch zuiver uit en hij +vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht. + +Toen kreeg ze 'n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze +sprak 't natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel...... + +"Integendeel, ik verzeker u, u doet 't uitstekend!.... Ik weet 't wel +zoo'n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest...." + +"Ja?" zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde +kinderlijk-echte blijheid weer, "nou, dat doet me plezier!.... Ik houd +ook veel van Engelsch...." + +Dat laatste had Lize Schot gehoord. "O! ik ook," zei ze dadelijk. +"Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u 't land ook? Bent u er +geweest?" + +"Nee," zei Lucie, "ik ben er nooit geweest." + +"O, ik wel!.... 'n heerlijk land!.... 't Eiland Wight, hè, +verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene +velden daar, tennis, crocket, football...." + +"Nou, nou," zei Bernard, "football zult u toch wel niet mee gedaan +hebben!...." + +"Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. 't Is +heerlijk!" En ze gingen in dien hoek zitten praten over football. + +Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk +doorpratend: "Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?" + +"Nee, meneer, nooit!.... Maar 't moet heerlijk zijn, dat geloof ik +wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die +anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over 'n +ander land beginnen.... Toch is 't onze ook mooi, vindt u niet?.... O, +ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en 'n wandeling naar +'t Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk...." + +Bernard zei, dat hij 't zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig +tijd.... + +"Dat 's jammer," zei ze, "'t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan +'s middags om 'n uur of vijf, zes, als 't wat koeler wordt en rustiger, +als 't water niet meer zoo in 't volle zonlicht is, maar alleen van die +smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek +'n groote wemelende schittering.... O, dan is 't licht zoo mooi +om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo +verrukkelijk, vooral in 't oosten, waar de lucht dan al grijzer en +koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de +boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht...." + +Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase +in haar zachte, bijna fluisterende stem. + +Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich +half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en +Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam +gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. 't +Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon 't maar +even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend +met een air van onverschillige meerderheid. + +Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last +van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er +werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn. + +Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman +te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij +kreeg meer en meer 't land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam +zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden +op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe +bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Een +ander zou haar 't hof gemaakt hebben -- hij kon niet anders dan +fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig, +onzinplannen, romantisch a la opéra-comique -- en ze lachte hem uit, +natuurlijk! + +Na 't souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de +tooneelzaal -- er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach +onder de heerengroepen -- en toen gingen ze weer aan 't dansen; de +tafels waren weggenomen in dien tijd. + +'t Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt. +Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met +prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda +ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde +zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe -- en zoo warm. + +Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en +prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een +praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner, +bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog +hij. + +Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; 't was +'t genot van den dans, 't lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf +niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon +weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke +kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar +levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een +paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij +Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht +haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie +was weggegaan. "Och! weetje," fluisterde de goedig-praatzieke oude dame +hem in, "ze werd door een kruier gehaald, 'n beetje vroeger dan de +rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat 's net iets +voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet +over praten, hoor!.... 't Is anders 'n lief meisje, vindt-je niet?" + +"Zeker," zei Bernard, "zeker!.... Ze schijnt wat stil...." + +"Ze is erg stil," zei mevrouw van den Bosch, "ze is erg stil,.... maar +heel lief.... en voor haar moeder moet ze 'n engel zijn...." + +Bernard zag Samson zitten, in-z'n-eentje, lui-achterover op een sofa, en +hij ging naast hem zitten. + +"Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder," zei Samson. + +"Mijn dame is er van door," antwoordde Bernard. + +"Daar zijn er anders nog wel 'n paar disponibel," zei de ander weer, met +zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te +bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap. + +"Après vous," zei Bernard. + +"Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik +houd van me gemak, weetje...." + +"Ik mag 't wel", zei Bernard. + +"Mág 't wel! Mág 't wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken +dat je 't voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... 't Is +natuurlijk alleen om 's 'n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik +zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me +gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel...." + +Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer +aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen 't gewild lijmige, +vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat +vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en +de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te +voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen +kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan +altijd en hij ried, hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen +oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn +fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij +macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch +ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast +Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig. + +Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. "Kijk die +vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou, +die zal 'n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z'n vrouw 's +zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!...." Maar Bernard +bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken. + +Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret, +een mooi, 'n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote +donkerbruine oogen en 'n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar +heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een +pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post. + +Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen; +het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes +zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels +afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun +manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om 't geeuwen te +bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind. + +En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen +bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig +geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de +gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend. + +Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door +'t dansen en door 't slagen van 't feest, niet wetend van uitscheiden, +riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige +gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek +weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk +speet 't toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn +landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep +hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met +haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar +mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag +komen. + +"Mag ik 't genoegen hebben, juffrouw van Keppel." + +"'t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met +André.... met meneer ten Deen afgesproken...." + +Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en +fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met +André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit +moest hij er om lachen. Zoo'n handige bliksem, zei hij zacht in +zichzelf, ze noemt 'm waarachtig al bij zijn voornaam. + +Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de +bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe +door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was +hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen +tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer +loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen +en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen. + +En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de +wijde nachtstilte, opnieuw alleen. 't Was nog altijd datzelfde weer, dat +drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen +van de leege, grijze gracht, en door een paar uitgestorven zijstraten, +waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar 't stille huis op 't +Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte +stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor. + +Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij 't er gelaten had. 't Was er +rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar +neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu +had hij er niets geen lust meer in. + +Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren...... + +Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde 't nog niet. 't +Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok, +loom en rukkerig. + + + + +V. + + +Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag +vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren 't twee kamers geweest, +maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat 't nu één langwerpige +ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot +vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In +de achterkamer was de ingang voor 't publiek. + +Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen +van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export. + +Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het +was een oud, degelijk, soliede huis. + +Het was ook nog zoo'n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo'n +huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op +'t kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel +teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet +soliede geweest. De patroons hadden nooit een privé-kantoor gehad, +hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de +bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel +vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime +kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die +kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had, +bewoonde nu in Hilversum een pracht van 'n villa. + +Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in +jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde, +grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van +inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen +vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de +krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote +bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder +en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen, +kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen +slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische +voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius +en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten +en masten en zeilen, en in 't midden met van die mooie krulletters +[waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de +documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen.... +Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij +van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met +drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten +prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van +'t vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen +zakenrommel. + +In een hoek stond een groote potkachel met een rossigen ronden buik en +een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep. + +Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder, +de eenige, die 't weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en +daar tusschen de lessenaars en 't plafond en achter de kachel, was +benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten +bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met +frisschere stukken, die niet patroonden. + +Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de +heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden +er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal. + +Dien morgen na 't feest was "de jonge meneer" laat. 't Was negen uur +en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die +dikwijls op zijn horloge keek en 't aan zijn oor hield, twijfelend of 't +soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat. +De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend +op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan +dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar +den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch +niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens. + +Een van de "aankomende bedienden", een jongmensch met dom-dik gezicht en +blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op +zijn katterigheid, op te snijden van 't aantal glazen bier, dat hij den +vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem +voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede +jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om +te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere +beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De "jongste bediende", een +klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil, +angstvallig loerend, gebogen over 't copieboek dat hij registreeren +moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik +van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal. + +In 't schemerlicht van 't achtervertrek -- 't was een donkere morgen -- +zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en +zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig, +verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: "De Groote Iza" van Bouvier, gehuurd +à één cent per dag. + +"De baas is laat van morgen!" zei die met 't blauwe hemd na een langen +geeuw. "Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal 't er nou zeker 's +van nemen!... Ja! dat kan _hij_ doen!...." + +Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. "Daar heb je +'m?" riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken +werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze +allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te +schrijven aan hun lessenaars. + +"Goeiemorgen," zei Bernard vrindelijk. "Morgen, meneer!" zeiden de +bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden. + +Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan +zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje +achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag +nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in +zijn ooren, 't was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen. +Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en +liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij +wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die +kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat +komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting, de plichten, +wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de +wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden +in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over +condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een +zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich +aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de +quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik +dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit. +Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen +de kantoorstemming, 't bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij +kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te +krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem +toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las +en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te +nemen, want 't was al laat.... God! 't was eigenlijk veel te laat, hij +wist niet hoe hij nog klaar zou komen.... + +Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van +zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf +beklagend, had hij zich langzaam 't bed uitgeheschen. Maar toen hij een +paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn +handen in 't koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche +rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige, +behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met +dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje, +een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam, +niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand. +Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn +schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde zich wel even met een +gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij +begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te +schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was +toch maar niet zoo'n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en +in 't koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel +met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch +maar aardig!...... + +Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar +zijn kantoor. Op straat, in 't nuchter-heldere morgenlicht en de +onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van +vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die +naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan +lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf, +waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben, +en een twijfel of 't wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet +liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met +'m geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want +natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En +dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar +gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar +o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof +'t niets was geweest, een grap voor 'n avond.... En dat was 't dan toch +ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog 's te +ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog 's met 'r dansen!.... God! +wat 'n genot was dat!.... + +Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die +kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer +terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor +de deur van zijn kantoor. Hij had 't wel voorbij willen loopen. Dat +kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar +boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje. + +Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit +en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van +de post en besprak 't werk met den correspondent en den boekhouder. +Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar +reizigers en liep rond en keek 't werk na van de aankomende bedienden +en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit. +Hij was zelfs een tijd lang met zoo'n animo bezig, dat hij aan niets +anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen +hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat +soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig +verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn +handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een +plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een +dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur +geslagen had naast André, die zoo'n handige drommel was, zoo'n +leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van 'n jongen met zijn +losse manieren, vrij, op 't brutale af, waar sommige meisjes zoo +dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te +gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan +een avond.... + +Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje, +een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij +misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of +althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!.... + +Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep +hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde +in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot +er niet mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien +hij kende, behalve de van den Bosch'en. En daar was ze nog niet +eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen.... +Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast +nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs +kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend..... + +Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in 't Concertgebouw te komen. + +Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje +ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou +'t misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich +nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd +in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof +gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een +afspraak met haar te maken of tenminste 's gevraagd waar hij haar weer +zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee! +hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug +uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk +altijd de kaas van 't brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam +altijd te laat!.... + +En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer.... + +Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar 't stond hem vandaag +al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten +over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van +maak-dat-je-'r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij +elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van +mannen in 't zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen, +die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om +bofferij, dat zuur-zoete lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij +kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij +zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig, +dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn +schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu +en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam +weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van +vage treurigheid en onbestemd verlangen. + +Na vier uur werd 't heel stil op 't kantoor. Allen zaten ze aan hun +lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder +uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door 't lange zwijgen. +Alleen 't jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met +een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard's stem de stilte met +een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd 't van tijd tot tijd +wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en +ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer +weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer +hoe stil 't om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet +meer indenken, hij begreep 't niet meer, dat hij nog zoo kort geleden +uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van +licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken, +soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de +wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden +middag. Zoo'n bal was als een betoovering, hij zou 't misschien voor een +droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware +in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal. +Daardoor wist hij dat 't alles werkelijkheid was, Mimi en die +handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in 't adresboek, en +zat er over te soezen waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen +misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend +aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!.... + +En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang +en vervelend! + +Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde +hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om +over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok, +bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met +een gevoel alsof hij op 't punt gestaan had iets te verliezen. + +En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde +weer naar alleen te zijn. + +Ze zaten in 't café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam, +Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij +zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te +luisteren naar de anderen, die 't druk hadden over een kwestie, den +vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna +schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond. +Hij had 't tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met "Och, +wel nee!.... dan heb je 't niet begrepen!.... dat was heelemaal de +kwestie niet!" En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar +André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat +te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie, +Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn +jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken +had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk +schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij +voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren.... + +Toch hield hij van die vier menschen, wel 't meest van Sam, den +beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen +scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn +oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht +hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder +vertooning. En zoo ook, schoon wel 't minst, Gerrit Volle. Want al was +die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij +was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou +je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook 's gelijk gaf, +wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van +nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in +koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was +vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want -- hij +voelde 't nu weer -- hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O, +als hij Edward maar hier had.... + +Ofschoon die kwestie, waar André 't met Sam over had, nog niet opgelost +was -- of juist daarom misschien -- keerde André zich in-eens naar +Bernard met 'n luidruchtig, uitdagend vragen: "Zoo, jongeneer! heb-je +goed geslapen na dien avond vol dansgenot?" + +"Dankje," zei Bernard koeltjes, "best, jij ook?...." + +"Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die +Mimi!...." + +Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak +gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe, +en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos +worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe 't hem bevallen was +gisterenavond. + +"Zoo.... zoo...., matig!" zei Sam, "'t souper was nogal gezellig, vond +ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed...." + +"Nee! zoo'n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt," viel +Hendrik in, zijn glas neerzettend, "dat begrijp ik waarachtig niet! Dan +zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, 'n potje te whisten of te +domineeren, wàt jij, Gerrit?" + +"Ik ga er nooit heen -- ik bedank altijd voor zulke invitaties," bromde +Volle. "Je hebt er niets aan en 't kost-je nog geld ook; 'n rijtuig, 'n +paar handschoenen, 'n fooi, 't komt je al gauw op 'n tientje, zoo'n +avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!...." + +"Betrekkelijk," zei Sam, "als je nou houdt van dansen.... en je hebt +niets beters te doen zoo'n avond...." + +"Heb-jij soms weer niet d'een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke +Sam," vroeg Bernard. + +Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn +gesoigneerden knevel -- een eenvoudig gebaar zonder fattigheid -- en +zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: "Ik?.... welnee!.... +iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?...." + +"Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?...." + +"O, 'k dacht dat je dat bedoelde!.... 'k heb bij vergissing een +verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer +Van Daalen was, 't stond er in,.... 't was ook een hooge zijden en ik +bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in +den zak van me jas...." + +Hendrik barstte in schaterlachen uit. "God ja!.... dat 's waar ook!.... +Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw +uitgeknepen?.... Je hadt 'm moeten zien met dien hoed,.... hij was 'm +een half hoofd te groot!...." + +Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht +opmerkte: "O maar,.... dat was niets!.... 'k Heb 'm netjes aangevuld met +couranten!.... 'k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de +Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of +hij soms bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde +of ik de mijne wel had......" + +"En wat zei-die," vroeg Gerrit. + +"Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer.... +En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb +'t ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de +boodschap, dat hier meneer z'n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel +kwam...." + +"Poeh!.... dat ouwe nijdasje!" lachte Hendrik nog. + +Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal, +waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie +en over de menschen van de partij, en over 't nieuwe boek van Couperus, +en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en +over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te +langzaam was en volgens André's dictatoriaal decreet geen fooi zou +hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit, +en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met +warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor +den gek te houden en schuine moppen te tappen. + +Sam ging 't eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een +soirée te gaan. + +En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat +hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en +Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer. +Hij stak er 't licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend, +met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al +begonnen aan een interessant artikel in de "Nineteenth Century," een +artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen. +Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in +zijn zakken soezend voor zich zitten kijken. + +Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe, +warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij +voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos.... + +Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de +partij en van de Beurs en van André's druk gepraat dof, als op een +afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in +verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... 't Was hem +of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had.... + +Op zijn kamer was 't stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze +rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls +zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die +stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun +onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins.... +wachtend.... wachtend.... + +Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen +was drukte 't hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde 't hem +bizonder, werd 't als een last op zijn borst. + +Ook buiten was 't stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De +sombere nagalm hing laag boven de huizen.... + +Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had 't immers dien middag +opgezocht in 't adresboek.... + +Och nee, lezen! Hij kon 't niet van avond.... + +Maar...., hij wou toch wel 's zien dat huis waar ze woonde...... + +En hij stond op -- licht schrikkend van zijn eigen gestommel -- en trok +zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend +ging hij de trap weer af en naar buiten. + +'t Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn +zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, 't gerinkel van de +trambel, 't eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen, +voelde hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen +niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week +gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen +dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan +naar haar.... Hij wist wel, dat 't kinderachtig was en belachelijk, +goed, 't ging immers geen mensch aan, hij was alleen.... + +Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond +'t hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd, +en zonder hooge-stoep. De naam "van Keppel" stond met krulletters op den +post van de deur geschilderd. 't Was een deur met traliewerk, waarachter +matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er +lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen +voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een +vroolijke melodie was 't. + +Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende +door 't zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje +staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn +hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden +in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep 't +zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want +ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan +nog!.... 't Was of hij de vrijer van de meid was!.... + +En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van +zijn jas. + +Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten +af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden +van den avond. + +En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en +verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en +met een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die +als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren +uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond +wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding +van alleen-zijn, naar 't samen-zijn, 't intiemste, met een vrouw, een +vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het +werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de +onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden, +toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de +aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele +lieve lijf, 't tengere, 't slanke, 't gladde, 't dofglanzende, 't +week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. 't Was er weer, +droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen +naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één +supreem moment. Maar telkens vlamde 't zinnelijk begeeren boven zijn +ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge +lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en +tastten naar verruiming.... + +En 't verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in +de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte.... + +En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de +verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen +voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de +levensgeluiden doofde.... + +Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing. + +Hij kwam weer op 't Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens +een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op +hem aanloopen en hoorde hij 't geschuif van rokken vlak bij zich en +kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche liefkoozingsnaampjes. +Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en 't deed hem aan met afschuw, +dat dat kon, dat zoo'n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te +lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken +mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen +hem!.... O 't platte, o 't leelijke, gemeene, dat gniepig uit de +schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst.... +en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd +en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de +zwijgende dingen in 't stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en +'t vijandige platte.... + +Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe.... + +Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich +een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn +jongensachtig verliefd gesoes. 't Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk +zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo'n boel anders, +zoo'n boel wat je lezen moest, wat je weten moest...... + +Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij +voelde 't nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap +en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep +dadelijk. + + + + +VI. + + +De volgende dag was een Zaterdag. Op 't kantoor van Vermeet & Co. was +dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in +roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap, +veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven +van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor +morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder denkleven, bij +de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als 't even in je +opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht +even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om +te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan +ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den +tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard. + +Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich +zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe +uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen, +werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken +dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij +herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan +in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar +was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt +tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies +zooals hij haar voor 't eerst had gezien, met dat pikante, dat +verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen, +dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar +morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten.... +haar te vragen.... + +Maar 't was ook maar een oogenblik. + +Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat +hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit +kunnen, onmogelijk!.... En 't zou ook immers allerdwaast zijn en +trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet +lief,.... och, wel neen, daar had 't niets van.... + +Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een +drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou +bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht +te stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning -- +maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen, +als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden +angst voor 't ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis +uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar 't avontuur en een +minachting voor zijn angst. + +Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?.... + +'t Werd hem niet helder. En 't was hem een welkome afleiding, toen hij +in 't koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond, +een schoolkameraad, nu medisch student, al van 't zesde jaar, in Leiden. +Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken, +had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde. +De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet +gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over +zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops, +zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen +van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo +niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan +feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense +emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven. +Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar +door het leven. 't Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had +daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom +had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij +was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet 't hem niet merken, +luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en +opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander, +daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat 't toch zoo jammer +was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan studeeren, waarop Bernard, +licht blozend, glimlachte en zei: "Ja!.... ja!.... och, maar dat ging +nou niet!.... En misschien zou 'k er toch ook niet voor gedeugd +hebben.... Ik weet niet of 'k wel een studiekop heb,.... 'k geloof 't +eigenlijk niet...." Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij +zei dat 't er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op +aan dat zijn vrind, die plan had 's middags naar Leiden terug te gaan, +aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou +doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel +geschikte kanapee. + +De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te +zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en +Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars +teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep +haastig naar de Beurs, want 't was weer laat geworden. + +Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij +schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde +vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen 't al +zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en +vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen, +en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student +daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende +wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich +dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel +gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en +gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op 't Leidscheplein. + +Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog +een broer van André, zijn broer die aan 't Ministerie van Binnenlandsche +Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot Maandag om, zooals hij +zei, de peentjes 's op te scheppen in Amsterdam, om 's los te zijn, vrij +en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó +oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet +je dan geen goed in je carrière. + +Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De +Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of +eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den +Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad. +'t Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-'t-gesprek, +maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door +correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de +Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij 't +modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok +laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven +zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op. +Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker +dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De +ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van +wantrouwende rancune tegen Sam. + +Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere van de gasten. En zij +gingen ergens anders hun koffie en cognac drinken, ergens waar je in +gemakkelijke lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. 't Was een +niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken, met donker behang +en een hooge donkere lambriseering en halfsleetsch bruin leer op de +stoelen en kanapeetjes. Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met +wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht geglans, rustig op de +halfliggende lijven van heeren die hun koffie dronken. 't Was er vol. +Overal van die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofden er om +heen en een gegons van mannestemmen en nu en dan zwaar mannengelach. En +in die zwoele atmosfeer, vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat +Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig van uur tot uur +leven, zonder zorgen en zonder diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij +voelde zich behagelijk. Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende +vergeten, hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om niet van +op te staan en van de gezelligheid en de lekkere koffie en de goed +voorgedragen studentenmoppen. Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche +schandaal-verhaaltjes, de pikante portretjes van een gansch andere +wereld dan de zijne, van een wereld waar hij zich ver van voelde, die +hij minachtte, maar toch wel curieus vond om de ambitie en de eerzucht, +die 't leven daar nog scheen te geven aan sommige menschen. + +Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal pratend, twee +aan twee, soms luisterend naar een, die een verhaal deed of een ui +debiteerde. André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen, in +onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die hem met koddige +quasi-afschuw terecht wees. Hendrik blies genoegelijk kringetjes voor +zich uit, ze naoogend met een leuk air van zich kalm door de anderen +te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder was, die al een lang +jonge-heerenleven achter den rug had, was haast altijd klaar om velerlei +inlichtingen te verschaffen omtrent de menschen, die in 't gesprek +werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig omgaand met +iedereen, zonder ooit ruzie te maken, grinnekend om ieders aardigheden, +waardeerend ieders levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje +een vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou met een +langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid. + +De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend hoe gezellig hij +'t vond in Amsterdam, en dat 't "bij ons" zoo'n stijve boel was. Hij +gaf voor, zijn stadgenooten en vooral zijn collega's, de ambtenaars te +haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van nabootsing en +schoot nu en dan op uit zijn vadsige houding om zijn chef na te +doen, die een typische oude bureaucraat scheen te zijn. En dat die +ambtenaars-vrouwen, en -dochters zulke mooie kleeren dragen, wat ze +uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij bespottelijk! Dat den +fijnen meneer uithangen en thuis hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in +vage termen, op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je eenige +amusement als jongmensch in den Haag, zie je, maar wat je een leelijken +bom duiten kost, en als dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek 't +altijd weer 't zelfde aardige snoetje te zijn, waar hij 't over had, en +dat hij met kinderlijke trouw en goedkoope broches en armbandjes scheen +na te loopen. + +Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom op en liepen de +Kalverstraat in, slenterend langs de lichte winkels, telkens van elkaar +afrakend in de volte, in de nimmer-eindende optochten van donkere +mensch-figuren, die in de straat-engte elkaar voorbij togen. Woelige +Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen de huizen-muren. Het gieren van +meiden en straatjongens, 't eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend +gekrijsch van venters, 't ergerlijk aanmatigend hei-geroep en brutale +lachen van troepen opgeschoten jonge-kerels, die, aaneengesloten tot +dichte drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge gapingen +stootend in de lam-meegevende volte, wijde gapingen van naakt asphalt, +die dadelijk weer volliepen als de geul die een schip maakt in 't water. +En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich mengend met de warme +walmen die uit de lage winkels sloegen, waar de gasvlammen stonden te +gloeien, fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen, waar +de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrook en de dampen van allerlei +drank, met golven naar buiten drong, telkens als de deur openging. + +Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere, soezige stemming van +zorgeloos voortleven. Drukke volte in een nauwe straat benauwde hem +altijd, maar vooral 's avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en laag +hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets geheimzinnig-dreigends in +dat nachtelijk gekrioel van wildbewegende menschenlijven, in die brutale +luidruchtigheid, zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze +zwart. 't Gaf hem een voorgevoel van naderend onheil. Het drukte hem, +maakte hem stil.... En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale +straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot koffiehuis voor +in de straat te gaan, hij verlangde naar een wijde ruimte vol licht, +naar overvloed van warm avondlicht om zich heen. + +Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar 't donker was, zoodat +de menschen, die daar zaten zich konden amuseeren met kijken naar de +bewegende volte in de schemerig verlichte straat, gingen ze door; ze +gingen achter het groote, zware gordijn in 't eigenlijke van 't +koffiehuis, in de hooge lichte hal tusschen de wijde wanden, hel +gekleurd, blinkerend en schitterend door 't buffet vol glaswerk +en veel spiegels overal; maar in 't midden lag als een stralend +centrum van warme gezelligheid de groote groene leestafel met de +rustig-groen-gekapte lampen er op en de stapels kranten en tijdschriften +in donkere porte-feuilles met koperen knoppen, en er om heen de lezende +en pratende mannenhoofden, rossig verlicht. 't Was vol aan de leestafel +en vol aan bijna al de andere tafeltjes, die stonden door de zaal +verspreid en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten +van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten ging prettig +praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder rumoer. + +Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltje vrij was. Gerrit werd +in 't voorbijgaan door een kennis aangeklampt, een luidruchtig man met +een ruwe stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij gebruiken +zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging met den Hagenaar een partij +biljarten, achter, in de biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan +dat tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe sigaren op, en +Hendrik en André, die in dezelfde branche van handel waren, begonnen +samen over zaken te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee +ambassade-attaché's, waarbij veel werd gefluisterd en geknipoogd +en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl zaten Bernard en zijn +oude vriend, zich terugdenkend in hun samen-zijn op het gymnasium, +herinneringen op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden of +gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten en waar die nu allemaal +gebleven zouden zijn. Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar +verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of weg.... of dood.... + +Bernard kwam niet meer terug in die stemming van zorgeloos, +gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich toch weer op zijn gemak. +Hij was wat soezig; hij dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand +de aangename indrukken van 't weelderige avondlicht en de gezelligheid +in de zaal en om hun tafeltje en van den hartelijken vrindentoon en de +opgewektheid van den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op +zijn tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn schoolmakkers.... +Toch was er ook iets, dat hem drukte, heel licht en onbestemd, maar hij +had geen tijd om zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor +moest hij praten of luisteren. Maar dat was 't juist, voelde hij later; +hij had wel graag na die oude herinneringen even gezwegen in stil +gemijmer, en dat ging niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn +vriend den student. + +Toen 't zakengesprek hem begon te vervelen stelde André voor, een +partijtje te whisten en de anderen vonden 't goed. En een tijdlang waren +ze nu verdiept in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende +denkgezichten, in stille houdingen, dan weer loskomend in druk gepraat +en gelach over een vergooide kaart of een mislukte invite, over snijden +of renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers, de Leidenaar +vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard had er gauw genoeg van. Hij +werd warm en suffig, 't spel vorderde te veel inspanning van hem, hij +voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen wegzakken uit zijn +warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd van de indrukken van licht en +gezelligheid, hij kon ze niet meer opnemen; 't geroes om hen heen, 't +lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden hem hinderlijk. Hij +voelde zich lam-loom worden, warm, vol en overvoldaan, en nu en +dan kwam even een vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht +en 't melancholisch-rustige half-duister van een leege straat met +lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet in-eens opstaan en +wegloopen kon. Dus trachtte hij zich maar weer te dwingen tot beter +opletten en speelden ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij toen +Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en de kaarten weer weggedaan +werden. + +Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar voor den gek met zijn +"beroerde manier van trekken" en de ander had zijn eigenwijze +bemerkingen op 't Amsterdamsche biljarten. + +Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht zijn kennis mee, dien hij +voorstelde. 't Was een schilder. Een boom van een kerel, met een +rood-robust openluchtsuiterlijk. + +Dus zaten ze er nu met z'n achten. + +Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld en 't losse gepraat +begon weer, 't levendige gooien met woorden door de lauwe wolk van +sigarenrook, heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffe +tafel-met-glazen, 't gebabbel en gelach om allerlei voorvallen en +allerlei menschen, en de verhalen van vroegere fuiven en van slimme +zetten en bofferij en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels +en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een zekere distinctie door +zijn beschaafde uitspraak, door de détails van zijn verhalen bedaard en +geduldig te verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met allerlei +koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een kinderlijk dol-plezier in +had. Maar André, die altijd alleen maar wachtte op de pikante pointe van +de mop, vond dat flauw. Hij had 't hoogste woord met zijn luidruchtige +uitroepen van overdreven ingenomenheid of walging en met zijn +aanstellerige breede gebaren van onafhankelijk, ongegeneerd man. + +De meeste schuine moppen waren van den schilder. Die lei dan zijn +ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen satyrkop met den +kroesenden puntbaard naar voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden +zijn verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend met zijn +zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen lekkerbek. Hij gebruikte +platte termen, ruwe volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem +of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij niet, dat er zoo +iets als heerentaal bestond, onverschilligweg, even soms met iets +leuk-spottends in zijn oogen kijkend naar den student en den Hagenaar, +zich kennelijk stil-verlustigend in hun verblufte verbazing. + +André schoof een poos op zijn stoel heen en weer van plezier en ging +eindelijk zoo ver mogelijk achteruit zitten om lekker te kunnen lachen, +wat den schilder deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een +leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms even aan en begonnen +dan te lachen, onder elkaar pret hebbend om "dien lolligen vent", dien +Gerrit meegebracht had. "Vind-je 'm niet typisch", fluisterde Gerrit +Bernard toe, met kleingetrokken oogen van heimelijk, inwendig genot. + +Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke pret in hun +oogen, hij hoorde 't verborgen heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde +de atmosfeer van stilletjes-genieten-'t-lekkere-verbodene hangen om +hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde den band, die daardoor was +ontstaan tusschen hen, als waren ze samenzweerders tegen 't kuische. +En dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend, aanvullend, +paraphraseerend de schouwheden, die dweilden over de vuile tafel. Dat +hij wel moest meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap, +want dan zou zijn ziel naar boven komen, en op zijn zwijgend gezicht +zouden zij zien wat niemand zien mocht. Zoo was 't, maar hij schaamde +zich omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen kon zat +hij die weg te redeneeren, zich beduidend dat hij er wèl aan deed mee +te doen. Dat dit zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat hij +gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken dat ze wat aan hem +hadden. Dat hij zich niet moest verbeelden dat hij er niet bijhoorde. +Wat een nonsens!.... Waarom zou hij er niet bijhooren?.... Was hij soms +een dichter, een genie?.... Die schilder daar was veel meer dan hij!.... +Hij was immers maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje net als al +die anderen, André en Sam en Hendrik!.... Niets beters!.... Zich +dat te verbeelden was malle aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke +overgevoeligheid, kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie was +de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan toch ook in een koffiehuis +niet praten over philosophische kwesties.... of over de liefde.... of +over 't leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel van een pikante +mop!.... wel waarachtig!.... + +Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor mee, zoo natuurlijk +dat de anderen niet beter wisten of 't ging van harte; hij lachte hardop +en dronk achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep: + +"Kijk, Bert heeft lol!" Hij debiteerde zelf ook nu en dan een mop, maar +hij droeg ze slecht voor, de helft vergetend, zich telkens in de rede +vallend en verwarrend 't eene verhaal met 't andere. + +Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend aankeek en hem +toeriep; "Zoo.... zit je weer te vuilbekken?" En toen tegen +Gerrit, vertrouwelijk: "Luister toch niet naar dat varken, Volle, je +compromitteert je!...." + +Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen antwoord, vertelde +rustig door, met tintelende oogjes. + +Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en ze aten ook wat, een +slaadje of brood met spiegeleieren, en ze kregen allemaal warme, roode +hoofden, en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden en begon bij +wat hij zei met zijn vlakke hand op tafel te slaan, zoodat de kelners en +de menschen aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk ging 't +ook André, die nu alle houdingen op zijn stoel geprobeerd had, vervelen +in 't groote, fatsoenlijke koffiehuis. "Kom jongens," zei hij, na een +schaterlach, "nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben vreemdelingen +over!...." + +"Goddome ja!" zei de Hagenaar, "daar moeten we nog naar toe!" + +"Ik ben er ook in geen jaren geweest," zei de student. + +En dus begonnen ze, de een na den ander, af te rekenen met den kelner en +lieten zich hun jassen opgeven en liepen zwaar-loom 't koffiehuis uit. +En langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig troepje, luid +pratend en lachend, trokken ze de nu leeger en donkerder geworden +Kalverstraat uit en den Dam over. + +Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar ze heengingen. Toch, op +dat plein, terwijl hij de wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde, +en den grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hij zich, 'n +beetje soezerig van drinken, voelde loopen in den nacht, den grooten +geheimzinnigen nacht, en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en +de nacht -- als hij zoo even naar boven keek en de kille, ijle lucht +opsnoof -- al wijder en stiller en geheimzinniger, toen vond hij er iets +onwezenlijks, iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze nu +naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol van zatheid en gemeene +brooddronkenheid en liederlijke pan. En -- weer met onvolkomen succes -- +beduidde hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze in de Kalverstraat +gezeten hadden en nu naar de Nes gingen, wat een climax was van +mannenplezier in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral als +je menschen uit de provincie over hadt. + +Op den Vijgendam was 't nog vrij druk. Er was een standje met de +politie er bij, voor een koffiehuis. En hier en daar stonden, wachtend, +loerend, armoedige sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje, +bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan met hoonende +liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon te schelden in plat-jordaansch, +vermakelijk vond Gerrit. + +En toen sloegen ze den hoek om en trokken de nauwe Nes in. + +Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die uit waren, een relletje +in de Nes. Vooraan waren al de winkeltjes nog open en straalden schel +licht uit over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar en veel +bewegelijke groepen meiden met verloopen kerels en poenige slungels. En +dáár waren ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants. Maar +verderop werd 't donkerder. Daar waren geen winkels meer, maar tusschen +de rossig-grauwe, gesloten huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar +wijven in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan de deur +stonden, die de heeren fleemend inviteerden om binnen te komen, met +lijmerige uithalen uit 'r vette speekselmonden, en hen najouwden als ze +lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en lawaai uit als een +tjingeltjangel-portier in zijn versleten livrei een deur opensmeet en +uitschreeuwde met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten was. Ze +liepen door tot in het heel stille, donkere gedeelte en keerden toen +weer om en gingen een van de onaanzienlijkste café-chantants in, een +vunzige, lage pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis. + +Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend met den pianist. Op 't +kleine, bontbelapte tooneeltje, in een halve cirkel, zes meiden, erg +gedecolteerd, beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en te +kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke tricot-beenen hangen tegen +'t planken-vloertje. + +Maar 't binnenkomen van de heeren bracht er wat leven in. De pianist -- +een bleeke lummel met een pervers-poenig gezicht -- begon op de oude +piano te hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch versleten +geluid. En van 't stinkende buffet achterin kwam een magere, viezige +kelner mee naar voren sloffen, luiig, vooroverloopend. "Acht spuit!" +kommandeerde André. En de meiden op 't tooneel zetten zich in +opgewekter houdingen, als karikaturen van elegance, op hun matten +koffiehuisstoelen, en één kwam naar voren, en ging een duitsch liedje +aframmelen, accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene gebaren. De +anderen begonnen te lonken en kinderlijk naïef te doen en te gichelen en +met oogen en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet op voordat +ze allemaal wat hadden, glaasjes stout of ander bocht, en André +tracteerde er een op champagne, waarvoor ze van 't tooneeltje kwam en +naast hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar grinnikte van +innig plezier. André deed beschermend tegen haar, vaderlijk bijna. + +De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes af, duitsche en +engelsche. + +En toen moest die van André de danse du ventre voor hem dansen, hij wist +dat ze die kende. André gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld +moest worden. En de oude, verloopen kerel, die met den pianist had +zitten fluisteren, begon te schreeuwen en te kwijlen van genot toen hij +die dans zag. Strak-idiotig tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen, +rood-ontstoken. Hij bleek dronken te zijn, dronken van glaasjes gemeene, +heete pons, die hij 't een na 't ander naar binnen lebberde. En na de +danse du ventre klommen André en de schilder op 't tooneel, en André +beval den pianist een polka te spelen, en toen begonnen ze, ieder met +een meid, -- terwijl de andere vier met elkaar dansten, -- te polkeeren +dat 't houten vloertje kraakte en de vette, puisterige kastelein naar +voren kwam om te zeggen dat 't uit moest zijn. + +Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken, soms een beetje pratend +met Sam, die ook kalm was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee +alleen van al 't miserabele om hem heen. Hij voelde wel iets van +medelijden met die 'r vleesch-uitstallende jonge vrouwen op 't tooneel, +met den kelner en den pianist. Maar 't was ook maar een klein beetje en +zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in een hem vreemd +gedenk, in trotsch-onverschillige, koel-cynische overpeinzingen. Hij +dacht met hardheid, met steenen minachting over zich zelf en zijn +omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming gevonden, waarin +hij zwijgen kon zonder angst. Hij had een glimlach, een rustige +glimlachsplooi gezet op zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat +hij zich ook amuseerde en de minachting niet merken. Hij was zich bewust +dat hij hen bedroog. Hij wist dat hij alleen was en sterk. + +Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op dat alleen-zijn, +werd hij bevangen door zoo'n wee-golvende walging, dat hij onwillekeurig +opstond en zei: "Kom, gaan jelie mee?" En hij liep 't lage zaaltje uit, +en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend: "Nou!.... hé! Wacht +even.... Blijf nou nog even!..." stonden nu toch ook op en kwamen bij +hem. + +"Waar gaan we nou naar toe," vroeg de Hagenaar, opgewonden. + +"Ik ga naar huis -- 'k ga naar bed," zei Bernard, stroef. + +"Jasses!" riep André, "wordt jij weer vervelend?" + +Maar Bernard gaf 'm geen antwoord. "Ga je mee," vroeg hij aan zijn +Leidschen vrind, "of willen we nog ergens anders gaan zitten?" + +De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich en antwoordde niet +dadelijk. En de schilder schaterde 't luid uit en riep: "Hij wil, geloof +ik, nog wel 's naar de meisjes, wat?.... Hahaha...." + +"God ja!" zei André, "dat 's een idée!" En hij noemde den naam van een +van de bekendste bordeelen. "Laat we daar 's naar toe gaan!" + +En alsof 't van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen werd, liep hij +door, zonder verder te luisteren naar de anderen, die slenterend +volgden. + +Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard opnieuw aan den student: +"Nou? hoe is 't?.... Wou je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel +geven, want dan ga ik naar huis." + +De anderen bleven staan. + +"Nee...." zei de Leidenaar, "dan ga ik natuurlijk met jou mee!" + +"Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op," zei de schilder met een vloek en +lachend liepen de anderen door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn +vrind den kant van 't Rokin opgingen. + +Zwijgend liepen ze 'n poosje naast elkaar. + +Toen begon de Leidenaar met een stem en een glimlach waarin +teleurstelling en een minachtend wantrouwen: "Doe jij er niet 'an?" + +"Wat meen je?" vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen, zonder hem aan +te kijken. + +"Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat 'k bedoel!...." + +"O!.... dat!.... nee!.... daar doe 'k niet an!" + +"Kom!" zei weer de student met dienzelfden glimlach van geërgerd +ongeloof. + +"Verdomd!" riep Bernard, met een driftigen stamp op den grond, "wil-je +me nijdig maken?" + +"Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!.... ik wist niet dat je +'t zoo ernstig meende.... Maar waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen: +'t is niet goed!.... 't is niet gezond, geloof me!" + +En toen begon hij een ernstig betoog, met veel geleerde termen, over de +ongezondheid van Bernard's onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en +met overtuiging, autoriteiten aanhalend. + +En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten op- en afgaan naast +zijn hoofd en slikte 't zwijgend, ernstig kijkend voor zich uit. + +"Je zoudt ten slotte gek worden!" besloot zijn vrind. + +Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!.... +Dat woord schoot hem als een visioen door 't hoofd, gek worden, sterven +misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw.... +"Goed," zei hij dof, "'k zal 't afwachten...." + +De ander haalde zijn schouders op. "Je moet 't zelf weten," zei hij. + +En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille +gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard's hoofd 't somber-cynisch +gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder, +blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal. + +En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op +zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En +zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als 's morgens aan de +koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er wat tusschen hen was, maar +ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem +pratend over kleinigheden, en toen werd 't bed van den student opgemaakt +op Bernard's kanapee. + +Onder 't uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. 't Was laat, ze +waren moe. + +Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht +was uit. + +Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen. + +"Nou.... wel te rusten," zei toen Bernard, om er 'n eind aan te maken. + +"Slaap wel," zei zijn vrind. + +En de stilte groeide...... + +Al gauw hoorde Bernard 't snurken, 't goedig-onbewuste geknor van +zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de +duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als +"zij" niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan +doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil. + +Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen +een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in +slaap. + + + + +VII. + + +Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich +met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag +was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen +slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen +half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit, +zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn +onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in +de ongewone omgeving. + +"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...." + +"Morgen!...." + +"Goed geslapen?" + +"Best.... jij ook?" + +"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?" + +"Nou, 'n klein beetje!...." + +Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had +een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets +opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in +zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest. +Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest +brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn +dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat +was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te +letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen +waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over +gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep. + +De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen +thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad, +dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had +bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den +student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht +schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig, +half-klagend, of meneer nog iets noodig had. + +"Nee.... dank u!" zei Bernard. + +En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend, +maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna +staken ze sigaren op en gingen uit. + +'t Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen +van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens +als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met +vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend +zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd +vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei +herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de +Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo +hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een +kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die +menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje +om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun +lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat +langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de +lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan +weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan +de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter +en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van +dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote +tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van +ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't +komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan +te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel +vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte +dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven. + +Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar +Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar +eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak +langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van +de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels. +Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard +genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den +blijen alom tintelenden zonneschijn. + +Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was +toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te +gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op +kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door. +Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook +van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den +houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets +onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege +kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude +knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en +dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging +van geuren, muffig, bedompt. + +Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die +atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde +hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn +vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf +er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn +hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was +bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was +een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit +winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat +succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook +zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu +ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou, +laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje +restaureeren!...." + +En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals +ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu. +In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren, +die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid. +Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn +jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal. +In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die +vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren +nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten +worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging, +dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was +geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem +af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat +er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen +beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven +omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor +elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei +verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen +zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij +dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat +ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een +paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was +daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun +beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd +kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich +tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer +doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch +altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of +niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel +vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap +die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan +misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar +scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd.... +Wel triestig was 't!.... + +Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij +kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't +koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't +ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde +dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt +doorpraatten. + +Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te +vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een +beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij +toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen +en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen +de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de +trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een +goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder. +'t Was niet druk. + +In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn +horloge. + +Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de +student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze +keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den +weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie. + +"Adieu!.... 't ga je goed!" + +"Adieu!.... zien we je weer 's?...." + +"Ja.... ja!" + +En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart +voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station +uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel, +alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij +toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij +niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte +aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde +naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij +gezelschap had! + +Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot +meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem +meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid, +die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige, +smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk, +leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo +harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders +in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde +stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende +groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette +haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair, +grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend, +sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop. +En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog +aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en +ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies +en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte +dameskleeren. + +In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den +Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging +om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat +op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't +fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat +was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de +Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de +koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden +gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover +de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit +'t gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de +hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om +tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en +nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was +het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad" +zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen +zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's +wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol, +zweeterig, klef, kleverig café. + +Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was +netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu +van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar +hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie +zich tot geregeld lezen te zetten. + +O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam +misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in: +"Juffrouw!.... juffrouw!" + +Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de +trambel en menschenstemmen buiten. + +Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met +haar man. + +Nog eens: "juffrouw!" + +Maar 't bleef stil. + +Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't +raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel, +achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel +hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen +bij den lichtenden zonovervloed..... + +Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag, +als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens +willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de +bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun +verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat +plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat, +maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had +geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden +te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn +spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog +halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas +en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn +stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den +trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn +hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde +ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte, +met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend +zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid, +teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis, +zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de +namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder +dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee +en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes. + +En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat +hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog +verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen +als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten +zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre +krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde +kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt. +Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist +omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij +'t niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar +hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op +plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet +mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig. + +Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje +naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets +gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag +teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?.... +neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand +tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten, +wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n +rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de +souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en +gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had +wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi, +zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon +in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen +kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt +met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver +onbereikbaar verlangen was die rij boomen...... + +Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan, +zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn.... + +In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de +trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er +geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder +en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en +krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van +zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood, +met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige +piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en +jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig, +alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij +deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over, +zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een +wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig +hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't +verzamelen van zijn gedachten. + +Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't +geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn +oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en +met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje, +levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!.... +Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe +gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is +mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...." + +Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus +gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed, +zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!.... + +"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een +gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij +gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan +zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...." + +En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat +achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van +zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar, +dat zwart geweest was. + +"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n +zoen!.... hoe gaat 't?" + +Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd, +de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig +en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't +ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa, +die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen +last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige +lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar, +o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar +waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren +kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!.... + +"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas +port?...." + +Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een +glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn +oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem +verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de +laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden, +koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig +naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij +zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te +draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst +blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een +beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt.... +Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de +bewoordingen?" + +En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem +alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje +weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje, +en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige +meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen. + +Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar +woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van +de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn +sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te +deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar +meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al +open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon +oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond +weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef +was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten, +was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende +stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te +praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook +anders nooit 's iets!...." + +"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!.... +De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend +verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en +troonde Bernard mee. + +Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo, +door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den +terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille +genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de +avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den +hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den +rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te +genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...." +"Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en +rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar +over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat +uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht, +hoor!...." + +Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer -- +zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond +-- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een +statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt +kwam. + +En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat +Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde +ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't, +geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest +waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken. +Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van +die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een +groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen +begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke +uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer +geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet +met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet +allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld. + +Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten +aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn +antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes +koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke +ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over +Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief +meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan +en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht +te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?" + +"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee! +'t is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt." + +Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen. +Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje; +daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat +had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't +geheime moest blijven bestaan. + +Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna +heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd +rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten +wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen +en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de +lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom +en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen. + +'t Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen +van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't +heelemaal nacht en 't werd koeler. + +"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee +drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag, +morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we +midden in 't najaar!" + +Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer +bewegend onder zijn neus. + +"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet," +vroeg tante. + +"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...." + +En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf +toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich +behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom: +"Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?" + +"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,.... +gemakkelijk overal dichtbij...." + +"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?" + +"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...." + +"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?" + +"Ja oom!" + +En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig +gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't +haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet +geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder +opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat +moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat +eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen, +Bertje!" + +Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn +behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet +dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een +rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om +zijn hoofd bleef hangen. + +"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een +poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij +hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug. + +"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan +Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!.... +Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou +me schamen!" + +Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den +schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes. +"Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend, +"Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor! +We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang +jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen.... +maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...." + +Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn +behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte +verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen, +zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende, +dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen +in zijn ziele-omgeving van allen dag. + +"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer. + +"En je goede moeder ook," zei tante. + +"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!" + +"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk +weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En +dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags +werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd." + +Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning +van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend +als hij zijn sigaar uit den mond nam. + +Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en +moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij +blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie +zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken, +allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die +'t geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets +beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die +hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest +lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend +hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen, +dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie +volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer +ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is +'t eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar +als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna +tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare +dingen verteert. + +Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn +ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort +hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een +menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was! +Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was +gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend +achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd, +doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd, +zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't +kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan, +wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren.... + +Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van +zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer +uitstellen. + +"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk, +"spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet +trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen +zijn." + +Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat +driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat +had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen. + +'t Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't +licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't +gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren +verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't +ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande +zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich +een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante +deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat +aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's +te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens +verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met +zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet +storen. + +De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg. +'t Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen; +liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de +week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't +gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor! + +Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den +donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap +en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo +onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar +och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes +geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met +kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch, +zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen.... + +Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in +de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig +flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de +villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde +nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar +hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van +menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden +negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en +geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel, +bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren, +die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den +nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat +nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van. +Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal -- +bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den +nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich +lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel +gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken +indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige +grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als +voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat +hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een +week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een +wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon +om hen te vinden.... + +Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande +zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n +onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was +'t al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard +voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van +heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't +plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een +afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet +wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en +de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die +heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht? + +Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het +open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en +kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een +niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan; +in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden +te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de +gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem +toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol. +Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil +en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen. + +Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend +en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een +hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn +oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten +schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend +over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot +stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs, +der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete +haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die +fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes +op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't +intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in +de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard +dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't +gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van +zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille +donkere veldenland. + +Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met +knikkend hoofd in lichten slaap. + +Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker +en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad +hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't +groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast. +Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer +zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van +allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen, +tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis, +straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en +vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag +Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar, +die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet +willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid. + + + + +VIII. + + +Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel +zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei +zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te +piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in +even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in 't +bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de +vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige +duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien +vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet +'s een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, 's middags bijvoorbeeld, +in 't Concertgebouw of ergens anders, en al was 't maar één blik op te +vangen, één zoo'n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo'n blik +van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één +zoo'n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de +hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O! +zoo was 't nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel +te akelig laksch in zulke omstandigheden! Daardoor kwam 't, dat hij +nooit 's -- zooals anderen zoo dikwijls -- een pikant avontuurtje had, +een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje. + +Maar hoe kwam 't dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die +aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo'n wachtende houding aannam +in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos, +lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had 't +land aan zichzelf -- maar hij vergat 't in zijn werk. Want hij had 't +druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem +dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de +staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak +gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen +van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke +bevrediging van zijn hersenbehoeften. + +Toen hij 's middags naar 't Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht +hij weer aan Zaterdagavond en hij zag 'n beetje op tegen 't ontmoeten +van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo +plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich +zelf te redeneeren dat 't nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze +toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht. +Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd -- +tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel +gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog +over gisteren, ze hadden elkaar 's middags weer getroffen en hadden +een roezig-dollen dag gehad met André's broer; en de schilder was ook +weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt +vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij +ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er +zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke kerels. 't Was +toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem. + +De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en +eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even +lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller +dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd +waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar +verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder +door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar +woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine +teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van 't +werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen +en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een +beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere +emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in +den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen +van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring; +altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of +licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet. + +Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem een drukkende, +verslappende tegenzin in zijn werk, een gevoel van weeë moeheid, en +dan ging hij traag en weifelend aan den gang en deed 't ook lang zoo +goed niet als anders -- nog wel niet slordig of onnauwkeurig, maar +onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend, en niet er van +makend wat er van te maken was. Dan kon 't hem ook niet schelen hoe 't +er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, -- of soms wel andere uren van +denzelfden dag -- dan maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van. +Dan had hij daar plezier in, 't niet alleen goed te doen, maar ook zoo +dat 't zien er van aangenaam was, dan voelde hij wat van 't genot dat +z'n werk moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan merkte hij in +zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren van sommige prettige +werkjes, dan voelde hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden +strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of taai-vervelend, een +lust er gauw mee te beginnen, zich er dapper en handig doorheen te +slaan. Soms verweet hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn +bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren kennen, en dan lette +hij meer op hen en ontdekte nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat +ook en prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag ergerde hij zich +weer aan hun kortzichtigheid, aan hun kleinzielig alleen-maar-doen wat +hoog noodig was, aan hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo +gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet en klein genot. +En dat waren wel triestige uren, als hij voelde hoe klein dat allemaal +was. + +Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn avonden was. Als 't +werk dat af moest af, en 't eten dat op moest op was, en de uren kwamen +van doen wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook al noodig +is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam 't op aan in dat soort van +leven van hem, dat wist hij wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten +hem vooruit of zetten hem terug. Soms voelde hij 't gehalte van die uren +een tijdje lang stijgen en dan weer afnemen, minderen. Daar was aldoor +actie en reactie in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel min +geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes, en spelletjes, +in een halven roes soms en quasi-gewichtig geklets, dan volgde +er geregeld een periode van stomme moedeloosheid, landerigheid, +katterigheid. 't Duurde meestal niet lang. Eén avond van stille lectuur, +of een concert, of 't zien van mooie dingen, of alleen maar een half uur +droomend niets-doen bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten, waar +hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf 't allemaal niets; lectuur, +muziek, tooneel, niets was er dan dat hem kon boeien. Dan was hij +nurksch op kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd, +onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij zich verward, +ontmoedigd, zonder plan en met een vaag verlangen om meegenomen te +worden door sterkeren; dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg +alleen. Dan voelde hij 't een beetje hoe ver hij leefde van zijn ziel, +van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein, en tastend naar den +weg daarheen vond hij dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte +grepen zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende +leegte. Hoe meer hij er over dacht, hoe verder 't van hem wegging, als +iets wat hij ééns had geweten en wat hij zich nu niet meer te binnen +brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk. Ja, dat was 't, er moest +een tooverspreuk zijn, waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten +kristallen berg, die ligt in 't diepst van je ziel. En als die openging, +dan kon je recht in den hemel kijken. Maar hij was zijn spreuk +kwijt..... heelemaal vergeten.... En hij kon er niemand naar vragen.... +Want er waren nog maar twee andere menschen geweest, die 't wisten, en +die waren dood.... + +Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen, soms heel snel +opeenvolgend. 't Gebeurde, dat hij uren achtereen met vrinden en +allerlei kennissen in een café zat of in een duitsche bierkneip, waar +kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd doen en klagen, dat ze niet +met heeren mee mochten, 's avonds, sentimenteel-huilerig als oude +juffrouwen, die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan uren +achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes en grogjes drinkend, +en dat hij 't gezellig vond dat geklets, en dat hij ze lekker vond, +zijn biertjes en grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en +halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had in zijn jongeheerenleven +en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen -- want er was geld +genoeg en hij was jong en gezond en sterk -- en dat hij dan toch in 't +naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren met een gevoel van +sterke walging, als van veel warm vet, met een gevoel soms ook van +fel-bittere zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk in zijn +blanke borst. En dat hij dan toch den volgenden morgen die nachtelijke +zelfkwelling toeschreef aan een sentimenteelen dronk en zich weer een +heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald ietwat ingenomen met +zich zelf, vond hij zich lang niet de minste van zijn clubje, een kranig +jong koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper uit om die +verbeelding en bespotte zijn eigen figuur en zijn manier van doen, tot +in kleinigheden, als gold 't een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel +over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig maken en woorden doen +zeggen van nurksche nuchterheid, zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk +vond hij dat dan, -- en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar een +ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken draak hij toch dooden moest +om daar te komen. + + * * * * * + +In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal Mimi. 't Was op +een middag, heel onverwacht. Na beurstijd was hij even geloopen naar een +kantoor op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest. En op zijn +weg terug, terwijl hij nog strak liep te denken aan de met dien man +besproken zaken -- daar kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar +zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig, maar van schrik +plotseling een steen in zijn borst voelend en zijn leden zwaar en loom. +Zij groette ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar +herinneringslachje in de hoeken van haar mond, maar in haar oogen geen +gloed van spot, geen lach, geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was +bleef hij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm stappend, een +lieve, deftige dame in een stadsstraat, in een elegant wandelcostuum, +met een dun parapluietje en een visiteboekje. Ze groette met zoo'n +zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam. Er was geen +reden, geen aanleiding om haar na te loopen, haar aan te spreken. Dat +doen dames en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen. Een eindje +verder ging ze een winkel in. Hij keerde om; langzaam, weifelend liep +hij terug. Eigenlijk had hij hoegenaamd geen lust om haar aan te +spreken, maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou 's uit je slof! +doe nou 's wat! profiteer nou 's van de gelegenheid. Hij liep den winkel +voorbij. Zij stond te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich +haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij weer staan, wachtend, +kijkend naar de deur van den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een +paar zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou. Maar 't duurde +zoo lang. Hij had geen tijd meer. Nog eens liep hij den winkel voorbij; +zij zat er nog, rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst +langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer gewoon en zelfs +sneller om den verbeuzelden tijd in te halen; hij had 't plannetje nu +in-eens heelemaal uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte, +opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende verplichting. +Gebrek aan tijd was een heel soliede motief tegenover zijn plagende +zelf. En toen hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was van de +emotie en naging in zich zelf wat er was gebeurd, toen merkte hij hoe ze +hem tegengevallen was bij die tweede ontmoeting. 't Was heelemaal +niet zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was als een +slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest; op dit meisje zou hij +nooit verliefd zijn geworden. + +Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit zag zooals hij haar op +straat was tegengekomen, maar zooals ze was geweest op dien bal-avond, +zoo dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden. En hij had weer +datzelfde gevoel van gecharmeerd zijn, en een paar dagen later was hij +ook die leegheid van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten, +maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend op straat, +en opnieuw mopperde hij tegen zich zelf over zijn gebrek aan actief +optreden en tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als 't weer +gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders doen. Hij zou haar dadelijk +aanspreken, haar zeggen dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht. + +Maar 't gebeurde niet meer. En ook minder dan vroeger zon hij op plannen +om haar te ontmoeten. Dat was nu al 's gebeurd, de aantrekking van 't +ongekende bestond er niet meer voor. 't Was al 's gebeurd, en wat had 't +hem toen gegeven? Niets. Door zijn eigen schuld, door zijn aard, door +zijn nu-een-maal-zoo-zijn. En zoo ging langzamerhand die hopelooze +verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven tegen zich +zelf, en vervaagde meer en meer in zijn algemeen gevoel van gemis en +eenzaamheid. Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting, +er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon geraakt aan haar staan in zijn +gedachten, zooals dat nu eenmaal was, zooals 't een deel van hem zelf +was geworden. + + * * * * * + +Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik uitgenoodigd, een +Zondag met hem te gaan doorbrengen in Haarlem bij zijn familie. Hij nam +'t aan omdat hij 't moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap. Hij was er +nooit geweest, hij kende alleen Hendrik en zijn zuster Lize, die aan 't +souper op die trouwpartij naast hem gezeten had. En 't was een groote +familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu kwam hij niet graag in +groote families. Hij hield er niet van de eenige "vreemde" te zijn aan +zoo'n intiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes te zien +op de gezichten van menschen aan hun eigen tafel; door de ouderen, +ieder op zijn beurt beleefd-opgewekt aangesproken te worden en +aldoor aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite bedwongen +familietwistjes bij te wonen en te doen alsof je 't niet merkte; galant +te moeten zijn met de gallige oude tante, die geregeld 's Zondags komt +eten en erg gesteld is op haar "partijtje"; en in den loop van den avond +al de stokpaardjes van den gastheer te moeten afrijden. + +Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht. En dus ging hij dien +Zondagmorgen met Hendrik mee. 't Was een koude grijze Novemberdag zonder +regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer en ze kwamen tegen +twaalf uur in Haarlem aan. De familie woonde op een van de Singels, +in een groot heerenhuis met een hooge stoep, een ouderwetsch huis, +suffisant-breed, van donkere baksteen, eenvoudig en pretensieloos +van bouw. Er was iets goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in 't +uiterlijk van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank van de +schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling. Even schoot de sensatie +in Bernard op, maar hij kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk +werd er open gedaan. + +'t Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een meisje van vijftien of +zestien jaar, een aardig donker kind, met losse krullen en lachende, +klare oogen. Zij groette haar broer 't eerst en gaf hem een zoen, +waarvoor hij zich -- wat houterig en licht verlegen -- tintel-blikkend +vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging staan. En toen gaf ze ook +Bernard een hand, bedaard-vroolijk groetend, luchtig en kort, als was +hij een goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak, gaande door +de rustige gang, langs de hooge donker-houten lambriseering, naar den +kapstok, waar Hendrik hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijl hij +met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn zusje, vragend naar +allerlei dingen. En zij nam heelemaal geen notitie meer van Bernard, +maar keek aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend op zijn +vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig en opgewekt. + +"Ga binnen, ga binnen!" zei Hendrik en duwde een deur open, waardoor +ze kwamen in een ruime hooge kamer, achter in 't huis. Er was niemand. +Maar er was vuur in den haard, en op de groote vierkante tafel stond de +koffie klaar, op een groot blad met koppen, eigen koppen in allerlei +vormen en kleuren, en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw +porselein. De koffiekan stond te dampen uit z'n tuit, en er was een rood +Edammer kaasje op tafel en een aangesneden ossenhaas en twee lange +brooden. Naast de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht +te razen. Als een beeld van 't familieleven was die tafel, intiem, +huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons. En rondkijkend vond Bernard +dat de heele kamer daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over heen +gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten boekenkast, met +glazen deuren van boven alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude +banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een beetje rommelig, +en de groote bloemenmand, waar veel in geplant en gekweekt scheen te +worden, en de stapel stoven in een hoek, en de tegen 't behangsel +geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van vrij en onbeklemd +leven en bewegen, en veilig thuis zijn. Bernard was de stemming van dat +soort van kamers een beetje vergeten; 't was nu iets nieuws voor hem, +iets bizonders, iets heel goeds en prettigs, en wat hij zoo zien kon, +omdat hij er buiten stond, omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend +was. 't Was dus weer zoo'n speciaal heimelijk genotje voor hem +alleen. Want de menschen die daar thuis hoorden konden natuurlijk die +stemming niet meer merken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan +alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de muren van die kamer +zeker geworden een aangenaam-rustig, stil-geliefd levensomhulsel, als +een oude, makkelijke jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent. +Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom in Bussum en voelde nu +veel scherper, dan toen hij er was, de onhuiselijkheid, de koude +prachtigheid daar. + +"Waar is moeder?" vroeg Hendrik. + +"Ze komt dadelijk," zei 't meisje, "ze is zich nog aan 't kleeden, maar +'t is haast koffietijd, dus zullen ze allemaal wel gauw verschijnen." + +"Ga zitten, Bert," zei Hendrik, een leuningstoel aan een van de twee +breede ramen schuivend, "kijk, zoo ziet onze tuin er nou uit in +November." + +En Bernard zat aan 't raam en zag een zwartigen lap grond tusschen +houten leuningen, een paar dikke gebogen boomen, die hier en daar +nog vol groen-gele blaren zaten, en tusschen de oude grijzige +kiezelweggetjes de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend nu als +neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en vuil geworden door den +regen. Het stille, leege tuintje had iets droef-verlorens, iets +triestig-doodsch onder de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich +voelde hij de warme familiekamer en hoorde hij 't kokende water razen, +en de stem van 't meisje, die praatte tegen haar grooten broer, +vertellend van wat er gebeurd was in de afgeloopen week, van de poes die +vier muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises waar ze aan +bezig was, en waar eigenlijk niemand iets van weten mocht, maar Henk +wel, want die zou 't wel niet verraden.... + +Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand en zich omkeerend zag hij +een gezette oude dame naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht +van nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet groot, maar ferm +recht-op-loopend, zooals ze daar opgewekt-parmantig aan kwam stappen +scheen ze niet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje, en +dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal grijs haar en kleine, +ronde oogen, die Bernard recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig +en vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was en hem een hand +gaf, was 't of haar oogen vochtig werden van blije aandoening. "Dag +meneer Bandt," zei ze, "'k ben blij dat ik u 's zie." Toen gaf ze +Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in haar stem: "Hoe gaat 't +jou, Henk? Goed?" en daarop praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard +en zei veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een prettig-positieve, +gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk brommend, en dan weer +melodieus-zangerig opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al +pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de koffie opgeschonken +en begon nu de boterhammen te snijden, wat een aardig gezicht was, zoo +pittig-vlug ging 't mes er door met een lekker-droog gespat en geknap +van kruimels. + +En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel vroolijk groette en +dadelijk over de trouwpartij begon, waar ze beiden geweest waren. Of +Bernard zich ook zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke zaal +om te dansen! En ook zus Betsy, die achter haar de kamer inkwam, deed +dadelijk vroolijk mee met uitroepen van verrukking over dat eenige bal! +Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet ze hem nu, had niets +geen notitie van haar genomen, wat erg onvrindelijk van hem geweest was. +Hendrik plaagde haar en Lize 'n beetje met leuk-nuchtere opmerkingen +over 't feest, en onder hun gepraat door hoorde Bernard telkens de stem +van de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met gemoedelijk-tevreden, +bescheiden-vroolijke zinnetjes, als bruine moschjes tippend op een +vensterbank: "Ik ben 'n beetje in den late van morgen!.... Dat moet je +me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags.... dat is zoo de eenige +dag in de week.... zie je, meneer Bandt, dat ik m' ook maar de weelde +gun van 'n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje) te +slapen, weetje.... Dat moet een mensch dan toch ook ééns in de week er +'s van hebben, wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles zoo graag +voor d'r oude moeder, niet waar?.... hier Bets, pak 's an!.... geef 's +even aan Jansje en zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,.... en +jij Hans (tegen 't jongste meisje) roep pa en de jongens 's even, maar +schreeuw niet zoo hard hoor! Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!.... +'t Was nog al d'r uitgaansdag vandaag!.... Ja, 'k heb er mee te doen, +hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu maar omruilen heb ik al +gezegd.... Maar, je begrijpt, hij komt 'r halen!.... En ze gaat voor 't +eerst met 'r nieuwen winterhoed.... 'n aardig hoedje is 't geworden .... +ik heb 't voor haar opgemaakt!.... ze was er zóó blij mee!.... O die +meid!.... Och ja, wat wil je, in de winkels worden die meiden dikwijls +zoo bedot......" + +Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op zijn pantoffels en met +de krant onder zijn arm. Hendrik stelde zijn vrind voor. "Aha! meneer +Bandt!" zei de oude heer, "aangenaam, meneer, aangenaam! Wacht 's +even!.... 'k zal me fok opzetten dan kan ik je beter zien!.... zóó.... +zóó.... kom je 's kijken hier?.... Wel dat 's best hoor!.... Gaat 't +goed?.... in de zaken.... tevreden?" + +Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil leed om 't banale van +die uitdrukking. + +"Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?.... Ja, ja! ik weet er alles +van.... 'k heb zoo lang in Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat 't met +den ouden heer? Och nee, dat 's waar ook!.... je bent met je oom in +zaken...., ja, ja, nu herinner ik me weer.... precies.... zoo'n kleine +dikke man, hè.... ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!...." + +Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd aan zijn snor. Hij +was een zestiger met een goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat +doorvoed-gezette, dat breed-gewichtige, wat Bernard soms zoo hinderde in +de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde Bernard, die veel gehoord had +van 't werken van dien man zijn heele leven door, zonder rust, en nu had +verwacht te zien een ernstig grijsaard, een beetje gebogen, een beetje +moe. Maar o neen! dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna +jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier waarop hij zijn +baard en snorren droeg, met een frisch-driesten oogopslag, met vrij wat +zelfingenomenheid, met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een gezicht +van wacht 's even, ik ben er ook nog! Zijn zakdoek stak met een keurig +puntje uit den borstzak van zijn donkerblauw colbert en hij had +welverzorgde witte handen met lange bolle nagels. + +Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen ook Hendriks beide +broers hem een hand geven, twee lange jongens van twintig en één of +twee-en-twintig jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid van Hendrik +te hebben, maar de andere leek meer op zijn vader, had iets bewegelijks +opgewondens, en was ook keuriger gekleed dan zijn broers. + +Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee oudste meisjes met hun +aardig-gelijke gezichtjes. En 't was heel vroolijk en gezellig; er was +aldoor een algemeen over en weer gepraat, ook van de broers en zusjes +met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet gefêteerd of bizonder beleefd +toegesproken. Hij voelde zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot +zich zelf dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was zoolang +er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij voor niemand een vreemde +scheen; hij voelde zich dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis +voelde hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van hoe Hendrik +zich hier voelen moest, Hendrik dien hij zoo dikwijls over zich had +zien zitten in een koffiehuis, en ook zijn eigen stemming was hem niet +klaar. Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te gaan, zijn +stemming te benaderen en te betasten met in zich zelf gesproken woorden. +Dus trachtte hij zijn gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en 't +gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan, wat hem haast altijd +gelukte. Dit voelde hij heel goed, dat hij niet ten volle genoot, dat er +iets ontbrak. Even probeerde hij 't begrip jaloerschheid, maar dat was +'t niet. + +Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk weg, ieder had zijn +plannen, zijn afspraken. De oude heer ook; hij kwam nog even binnen met +fijne sigaren en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik en +Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun stoelen, stil rookend en +overwegend nu en dan de wenschelijkheid van een wandeling, en na lang +luiig praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten ze 't +toch maar wèl te doen, vooral op aanraden van Hendriks moeder, die zei +dat de frissche lucht altijd goed was voor menschen, die er niet veel +uitkomen. Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo gauw moe, door de +dikte, weet-je:.... O! 'n last, als je zoo dik bent!.... en ze moest den +podding ook nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed ze altijd +zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker werd;.... 't ligt soms aan +zoo'n kleinigheid!.... + +Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen +middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo +lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap +van anderen. En 't was Bernard of hij zijn vrind nu voor 't eerst goed +zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een +leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat +een kracht, wat een solide bezit moest 't zijn zoo'n gestel. Bernard +voelde zich eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende +gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde +zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te +boven en begon 't hem te vervelen, maakte 't hem een beetje kriebelig, +dat Hendrik nooit 's overdreef, nooit 's schold op iemand of bizonder +ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te +lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en +vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat 's dat voor 'n vent? Maar +Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes +aan zijn sigaar, nam 'm uit zijn mond, keek er 's naar, klopte de +asch er af en zei dan: "Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met 'm +opschieten;" of: "Ik vind 'm altijd nog al geschikt als je 'm zoo 's +spreekt!...." Maar Bernard gaf 't niet op -- hij voelde zich geërgerd, +maar bleef heel amicaal praten -- hij begon over hun toekomst, over +trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit 's +verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei: + +"Nou!.... nooit!.... dat 's een beetje sterk,.... ik heb wel 's zoo'n +bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo'n verliefde +constitutie ben als jij!" + +"Nee, dat geloof ik ook niet," zei Bernard. "God, kerel, ik ben +eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?" En Bernard begon zich een +beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder +innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje +in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar +sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou +worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg, +luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards +opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te +wijzen op merkwaardigheden aan den weg. + +Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat, +hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde; +dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen +stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was +geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! "Zeg Hendrik," zei hij +in-eens met een ernstige stem, "ik moet je toch 's wat vragen: Ga jij +dikwijls naar de meisjes?" + +Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch +van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon +toen hij antwoordde: "Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je +dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m'n agenda?" + +"Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel," zei Bernard, "dus.... zoo nu en +dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld...." + +"Ja, dat kan wel!" zei de ander, nu heel koel, 'n beetje boos blijkbaar, +"wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... 'n mensch is +geen stokvisch!...." + +"En is 't al lang geleden, dat je voor 't eerst...." + +"Verrek toch met al je vragen," viel Hendrik nu uit, voor 't eerst dien +middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, "wat kan 't je schelen?" + +"Och!" zei Bernard, dreinerig, "pure belangstelling!.... Maar je hoeft +'t natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt." + +Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: "Ik weet wel, +jij doet 't niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht +maar!.... Ik heb 't ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet +maar 's goed baloorig zijn!...." + +Bernard keek hem aan. Voor 't eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik +aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en +zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij onbescheiden en +onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van +Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij +geleken had. "Ja!.... nee!.... waarachtig!" zei hij, 'n beetje verward +en heel ernstig, "daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk +nog niet over meepraten!...." + +"O zoo!" zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich +over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, "jij +bent nog zoo'n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk +dáárom!" + +En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten, +over een huis aan den weg. Hij had 't land, hij vond zich zelf +jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich +erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij +toen ze thuis waren. + +Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een +uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar +'t liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch, +maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur +doordravend. + +De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en +eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard +bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. "Wel ja," zei +ze, "laten we 's deftig doen!" En lachende, gekheid makend, gingen ze nu +allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet +vroolijk pratende menschen. + +Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem +en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk +hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door +allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. 't Viel +Bernard op, dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en +elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel +veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld +blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij +praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze +bijna altijd allemaal. + +En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die +hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel +even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence +van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij +voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde +de opoffering der enkelen en de glorie van 't geheel. En nu wist hij +'t ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in +dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar +buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de +broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek, +hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel +anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was 't gezin. En +dat was zoo'n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou +die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging +spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij +hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat +hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige +menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou +komen. 't Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest; +ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En -- in-eens +besloten -- nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring, +zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar 't Siberië van zijn +eenzaamheid. + +Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was 't hem of hij daardoor +zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot +rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en +gezelschapsspelletjes en veel gelach. + +Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij 't afscheid nemen +zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij +schaamde zich weer wat, omdat 't toch niet warm genoeg klonk, wat hij +zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en +schijnbaar slaperig. + +En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen +huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij +kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop +door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle +kanten. "Je zult nog gek worden," zei hij in-eens, hardop in de stille +kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand 't angstzweet +van 't voorhoofd. + + + + +IX. + + +Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische +stemming van alleen-zijn en 't innerlijk koud hebben, en die bleef +zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook +eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber +dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op +zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige +paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden +plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij 't +weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan 't familieleven, aan +'t gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, 't heerlijk veilige van +zoo'n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om +de familietafel. + +En 's avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok, +ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte, +toen voelde hij 't erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn +hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was 't alleen de +menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of +was 't ook -- ja hij geloofde dat 't vooral was 't gevoel, dat hij niet +kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde, +ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en +natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn +triestige stemming. + +Maar den dag daarop dacht hij, dat 't juist dat praten over zich zelf +weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich -- hoe onvolledig +dan ook -- geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan +ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later 't +land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig +spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. 't Leek, +als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in +den maneschijn, op hard praten naast 't bed waar een doode op ligt, -- +een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos, +zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te +spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half +god. -- Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich +wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik +leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk, +goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar +voor allen een onvermoed geheim. + + * * * * * + +De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard +stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms +was 't nog zoo donker, dat hij 't gaslicht aan moest steken, de +schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem +altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij +moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar +kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van +de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door 't harde, wit-grijze +ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige +schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan +in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten +hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen, +dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en "lemoen", en +soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de +stille grijsheid van zijn kantoorramen. + +En op de Beurs was 't voller en somberder dan ooit, door 't armoedige +licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd, +gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg +naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er +hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen, +nu en dan weggetocht door de gniepige kilte. + +'t Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende +dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en +besneeuwde daken van huizen en kerken -- mooi waren dan de boomen op de +grachten, 't wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, -- +maar meestal was 't een bruinige slobberboel overal in de donkere +straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als +zand. + +Maar 't weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich +bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij 't merkte; hij lette er +doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de straten te gaan +en weinig te wandelen voor zijn genoegen. + +Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als +de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en +Februari. De comedie en de café's, zitten op zijn kamer met een boek of +zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden +een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard. +Hendrik speelde 't beste, André met veel animo, met zekere genialiteit, +wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard +eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer +met zijn hoofd er bij. + +Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig +brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten, +dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar 't naakt van vrouwen, moest hij +loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze +wandelingen, want 't was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten, +en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van +praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als 't +maatschappelijk gepraat, 't vluchtige bête gepraat tusschen +kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit, +afschuwelijk-noodzakelijk.... + +Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als +hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo'n +kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan 't café en soms +veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo'n +gelegenheid 't onbeduidendst, 't minst, 't prulligst. Die onbenullige +avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug, +ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke +gehechtheid aan één, niet in 't oog vallend plaatsje in een groot café, +een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet +hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil +hoekje, waar hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over +zijn krant. + +Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan +schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in. +Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan +tafel dat hij 's middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt, +een uur misschien, niet langer. + +Liever, liefst van al nog, zat hij 's avonds op zijn kamer te lezen in +'t dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp, +waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd +door 't warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van 't Leesmuseum, +maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken +die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn +troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar +dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef +hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend, +levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp +van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend +die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van +doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich +voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar +sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling +zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden, +welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen +bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde, +beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat, +zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in +diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij +gaf er zich heelemaal aan over. Hij deed de deur van zijn kamer op +slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo'n +Zondagmiddag, na veel lectuur, als 't ging schemeren, zoodat hij de +letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen +door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in +zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd 't doorwaaid van frisschen +najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens +tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de +kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in 't +slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de +stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen +tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en +te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te +denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een +stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken, +zich langzaam, slangig voorttrekkend over 't donkere kleed, en dan +in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met +een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die +suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als +een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude +lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger +heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als +een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur +binnendoor in den neus komt. + +O! van die stemmingen op zoo'n leesdag, daar had hij een nooit aan zich +zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend +als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet +vallen. Hij geloofde, dat 't was de hoop, dat hem iets bizonders +gebeuren zou in zoo'n stemming, een openbaring, iets van de eigenlijke +dingen van 't leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste +spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten +afgrond: waanzin. + + * * * * * + +Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de +schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de +fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij +kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi +vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er +niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen +dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk +makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht +tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles +wat fransch was. Zoo'n geel boek in 't van-ouds bekende formaat -- +de afwijkingen mishaagden hem -- gedrukt met een echte fransche +lettersoort, zoo'n boek met den spitter van Lemerre er op, of den +Hermeshoed van den "Mercure," hij vond 't op zich zelf een genot 't in +zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid +in zich zelf, soms vond hij 't kinderachtig, maar hij sprak zich nooit +tegen dat 't bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe 't +kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders +dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders +dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een +ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar 't +verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf +noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist +al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een +verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als +de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat +hij vroeger in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij +had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of +eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat, +passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen +door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met +zijn gevoel, -- de tinten van zelfvoldoening in een melancholische +stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling +in een stap, het dwalen van een blik, -- een begeeren om zich te weten +een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat +was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar +verfijning, dat zoeken van 't preciese en 't exquise. Ook hij hield +van 't verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot +zwevende engelachtigheid verragde reinheid. + +Ja, dat was wel 't mooiste van de verzameling! -- Want dit gevoel +leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en +precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties +en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn +eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich +een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn +vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en +zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan +een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den +schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang, +tot hij zag dat 't was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit +stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En +dan was hij weer voldaan en trotsch. + +Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem, +omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders +worden kon. + +Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel vaag vermoede, maar +toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende +sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met +André, Sam en Gerrit. Hendrik was al 's middags naar Haarlem gegaan om +'t intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel +gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te +komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen, +die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En +Bernard bleef met André alleen. 't Was of ze dat eerst allebei 'n beetje +pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch +wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een +beetje gezelligheid te hebben zoo'n avond, als het weten van de +stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een +tooverglans, als al die grijze huizen, -- waarvan 't binnenlicht +zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je 't alleen hier +en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, -- als +zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende +vreugde zijn. + +Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet +gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite +om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende +kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets, +die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. 't Was er hem ook te vol van +fraaiigheden. 't Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als +van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; 't kwam +misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een +watergeleiding. + +Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld +en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van +'t Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de groote +winkelruiten de drukke Leidschestraat door. 't Was er heel vol. Er waren +veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel +jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren "onder mekaar." En +André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de +meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in 't voorbijgaan +toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een +poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om 't middel van een +ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij +voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op +zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. "God, dat +'s waar ook," zei hij, "goed, dat 'k er aan denk; 'k heb Anna wat +beloofd voor d'r Sinterklaas, en 'k heb nog niks; 't arme kind rekent er +vast op!" + +Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip. +Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten +vervelen voor 't raam van 't bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij +voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij +was er trouwens ook wel 's geweest met hen, 's avonds. Bij daglicht, +zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege +kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig +uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met +blinkende armbanden, die over 't breede voorschoot bengelden, maar 's +avonds, als ze in functie was, in 't avond-lichte bierlokaal, slank en +licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met 't witte voorschoot stijf +gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van +bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de +warmte van 't werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt +bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van +allerlei slag, die daar samenzaten in plompe houdingen, met hun +zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten, +die schaftuur houden. + +"Wat wou je koopen?" vroeg Bernard. + +"Wèl, ik weet het waarachtig niet! 'n Ringetje of 'n speldje, 'n +goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we +wel wat vinden en dan gaan we 't 'r brengen!" + +En nu meer in 't besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden, +begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was +'t, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half +gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid, +ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele +vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof +er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu, +dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet +dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij +hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn +vrind. Hij vond 't goedig en gul van André om iets voor dat meisje te +gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond 't in zich zelf +weer burgerlijk-benepen dat hij nooit 's op zulke ideeën kwam. Dat kon +nu immers juist 's een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid +te zien in de oogen van zoo'n arm kind, als ze 's werkelijk verrast +werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van +een broer. + +Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna +vlug stapten 't Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip +waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid +door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook +André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over 't kelnerinnetje -- +waar hij wel 's mee uit geweest was -- trachtte blijkbaar een +jongensachtig plezier in 't plannetje te verbergen. En ze werden zoo +vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend +liepen te lachen. + +Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze +gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. 't Was leeg in 't lage +lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste 's thuis te +blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een +hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig +heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend +aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een +pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met +een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn +dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat +ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar +handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot. + +Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden +niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en +Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard +tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en +glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich +dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een +schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had. + +"Stik!" bromde André. + +En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een +vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij +twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd, +en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze +intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. "Donder +op, jij, als de bliksem!" snauwde André weer met een kwaad gebaar, en +opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden +prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar +den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek +begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze +'t even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus +stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens, +die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg +vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen +gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer +kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen +over 't houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten +praten. 't Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op +Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij +praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg, +zooals hij 't noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn +werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij 't leven soms wel amusant +vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich +soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn +eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met +kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van +aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter. +Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want +ze zou wel weten dat hij zoo'n lief heer was, en haar ouders wisten 't +zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo'n pa uitgefoeterd te +worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald +heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet +veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed +misschien.... + +Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna +teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen +zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, -- zooals een +kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader, +maar inwendig is 't alleen kwaad op zich-zelf. -- "Jij kunt lezen," zei +hij tegen Bernard, "dat 's ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al +niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar +dat 's heelemaal uit.... 'n Boek verveelt me nu dadelijk...." + +"Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen," zei Bernard. + +"Ik kan er me kop niet meer bijhouden," zei André weer. "Muziek, dat +gaat nog wel 's.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan +gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar.... +Ja ik voel 't wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan 't +koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat +was!.... Maar 't zijn, godbeter 't, niets dan lellebellen hier!...." + +Bernard glimlachte even. + +"Nee!.... nee!...." zei André, "dat zeg ik nou niet om dat kindje +daar.... och god nee! dát 's wel een aardig kind, maar ook al niks.... +niks!.... Och, laten we 'r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je, +ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in +Parijs, dat dat hier bestond, dat je 'r een maîtresje op na kon +houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag +aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch +maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en +niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis +sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal +maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een +kennis! Zoo'n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje +smaak heeft, zoo'n beetje.... ik weet 't niet!.... ik weet 't niet!.... +daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en +die 'n traan inslikken kan als 't noodig is.... Want die meisjes hier! +Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze...." + +Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en +kalm rookend. "'t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen," zei +hij enkel. + +"Dat kan wel!.... 't Is maar zoo'n idee van me!.... Alles lijkt me daar +lichter, dragelijker!.... Pf! 't leven is hier zoo zwaar!.... Nou is 't +tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd.... +Ik verbeeld me altijd, dat 'k al 's meer op de wereld geweest ben.... +Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener +ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook +een andere tijd, hè!...." + +Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. "God! heb jij dat +ook?" vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij +wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit +om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een +beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn +sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den +lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André +keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil.... +En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen +figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige +middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij +was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een +hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden +helm op 't fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof te +voelen, aan 't hooge, 't heilige van een taak, een strijd!.... + +Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André +keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die +nu aan 't buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht +naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze +schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende +dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om +zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven. + +Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens +anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op +straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. "Wat of dat malle +kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik +zal dat dingetje maar voor haar bewaren," zei hij goedig. + +Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten +domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard +naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van +avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef +plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer +verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een +geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver. +Er was iets angstigs in, 't had wat van een nachtmerrie. En hij stond +plotseling op en zei: "Nou, ruk nou maar uit -- ik heb slaap -- ik +verlang naar me bed, hoor!" + +"Ik niet," zei André, opstaand, "maar ik ben waarachtig stijf van 't +zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap +lekker!...." + +Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht. + +En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde +gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen +keer vooral trof 't hem, 't was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille +kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij +gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer +zitten wachten tot 't weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn +zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. 'k Geloof, dat ik de koorts heb, +mompelde hij, terwijl hij opstond om 't raam weer dicht te doen. En +daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit +op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb +bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch +wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!.... +Toen hij in bed lag voelde hij 't heelemaal dat hij onwel was, koortsig, +onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn +hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar 't was een slaap zonder rust, en +tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij +duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei: +Wat zoek je toch?.... Er is niets!.... + +Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van +moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog +hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg +naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen. + + * * * * * + +December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste +week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op +kantoor, daar lag in-eens weer zoo'n vierkante, roomkleurige brief van +Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten +lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en +stond op, en ging aan 't raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en +een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat +eerst even verwerken.... + +Edward was al op weg naar Holland. + + + + +X. + + +Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij schreef, dat hij 'n dag of +wat in Italië zou blijven, maar dan zonder verder oponthoud naar Holland +doorsporen. Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn woonde, zou hij +reizen over Amsterdam, en daar overstappen. Dat kwam zoo 't beste uit. +Dus zou Bernard wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien.... + +Vroeger hadden de Van Laeken's, Edward's familie, in Amsterdam gewoond, +waar zijn vader een rijksbetrekking had, en toen waren ze alleen 's +zomers geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar jaar bleven ze +'r winter en zomer en verhuurden 't huis op de Keizersgracht aan een +modenaaister. Ze waren een deftige, oude familie. In 't huis waar nu +japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken's overgrootvader al +gewoond en diens vader misschien ook al. + +Edward had met Bernard school gegaan, eerst op een dure lagere-school +voor jongens, waar ze tot hun twaalfde jaar gebleven waren, en toen op +'t gymnasium. Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden altijd in +dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde waren ze vrinden geweest; +onafscheidelijk werden ze genoemd op school. Bernard had een herinnering +-- maar hij wist niet of 't geen fantasie was -- dat hij als kleine +jongen zich omgedraaid had in de bank om Eddy te vragen of hij zijn +vrind wou zijn, en dat de ander toen ernstig op zijn knoopen had +afgeteld, ja, nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert ook, +zonder daar ooit meer over te praten, vrinden waren gebleven. Dikwijls +hadden ze samen gevochten in dien tijd -- o! heel dikwijls en verwoed! +-- maar altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan om ieder +ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen van zijn vrind. En toen ze +in hun vlegeljaren kwamen -- zestien, zeventien, achttien jaar, -- toen +ze begonnen te merken, met schokken van onbegrepen ontroering, de +verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling van hun gemoedsleven, +'t wilde opwassen van hun begeerten, de wording van hun wil, in dien +tijd toen ze 't erg druk hadden over principes, maar dikwijls vol +verwondering merkten dat ze over toch zeer belangrijke abstracties heel +anders dachten dan de vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden +ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien tijd en wat later +nog, toen was 't een maar half-bewuste, nooit gekweekte heerlijkheid +voor hen geworden, dat hun vrindschap onveranderd, of althans +onverminderd bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na de +schooljaren, dat de oogen van den een altijd even graag keken in die van +den ander. Dikwijls had er een vage angst in hen getrild, een vrees +plotseling te zullen merken, dat ook dat was veranderd -- want zooveel +dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd hadden, waren ze vaal en +valsch en leelijk gaan vinden, -- maar dat gevoel, wat ze voor elkander +hadden, was altijd nog waar en echt gebleven, in hun zielen iets +hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als barnsteen. + +'t Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren in de rechten, maar +door toevallige omstandigheden, relaties van zijn vader, was hij aan een +bank gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië. Hij had goede kans +later directeur te worden van die bank. + +Voor Bernard was 't een groote gerustheid geweest toen 't bepaald was +dat zijn vrind niet zou gaan studeeren. Hij had daar tegen op gezien: +Edward student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld van, een +student en een niet-student, die intieme vrinden waren. Gelukkig. Edward +was ook kantoorman geworden, elken werkdag 's morgens en 's middags aan +zijn lessenaar, 's avonds oplevend en 's Zondags vrij. + +O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien en twintig waren, +wat hadden ze toen samen 'n wandelingen gemaakt, soezerig zwijgend soms +een uur achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap, +soms ook pratende, luid bewerende, hardop dwepende en droomende, +schetterend over alles wat ze bevatten en niet bevatten konden. En die +avonden, die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe dikwijls hadden +ze samen genoten, bij avondlicht in een stille kamer, verdiept in +diepzinnig-philosophische gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en +tranen gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de fuif geweest, +met anderen, maar toch altijd samen, en waren ze samen boven hun bier +geraakt, en hadden ze samen in hoog-vreugdevolle stemming "bruderschaft" +gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die supreme momenten in hun +leven waren, die ze nooit vergeten zouden. + +En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was gegaan, toen zou Bernard +'t liefst meegegaan zijn, maar dat kon niet en dus was hij alleen maar +een klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam naar Leiden, want hij +wou absoluut de laatste zijn, die hem de hand drukken zou, de laatste +die hem zien zou in de grijze atmosfeer van 't oud-schijnende land, en +toen hij hem dan ook eindelijk voor het laatst in de oogen gekeken had, +toen 't portier dicht geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en +al sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver weg.... en dan een +hoek om en heelemaal weg.... toen was 't wel de eerste keer geweest dat +Bernard die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld had. Hij +had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel verbijsterd en als verhard +door die maanden vooruit geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en +maanden ook had 't geduurd voor 't bewustzijn heelemaal in hem gedrongen +was, ook in zijn halve-gedachten, zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn +vrind, ver-weg was. + +Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven.... + +En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan hij gedacht had. Hij zou +een half jaar blijven in Holland. Hij kwam deels voor zaken, deels omdat +hij 't laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat opfrissching +noodig had. + +En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde zuster van zijn +vrind aan, om te vragen of zij den datum en 't uur van Edwards aankomst +al wist, en toen hij 't had gehoord begon hij de uren op te rekenen, die +hem nog afhielden van dat oogenblik, waar hij zich nog maar een vage +voorstelling van maken kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn +hoofd warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende voorvreugde. + +Dikwijls onder zijn werk en 's avonds dacht hij aan dien vroegeren tijd, +en veel momenten van hun samenzijn kwamen met de omgeving en allerlei +kleinigheden wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde +zich precies den klank van Edwards stem bij een ruzie die ze gehad +hadden en hoe hij gekeken en gelachen had andere keeren. En God ja! dat +was me 'n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op dat meisje in +Baarn, die niets van hem wou weten!.... Toen had hij hem heel wat zorg +en tobberij gegeven.... Want 't was heel ernstig geweest, Bernard had 't +net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen had en hardop tegen +zichzelf redeneerde, alles wat hij zei tot zijn vrind. + +Hij wist 't nu: Maandag den zeventienden Maart, 's morgens om drie +minuten over half twaalf zou Edward aankomen. 't Was ellendig jammer +dat 't juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week bijna geen +tijd hebben om aan Edward te geven. Maar 's Zondags! Ja, de Zondagen +zouden weer ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze maken, +heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei, tegen zonsondergang.... + +De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om, ze waren ten slotte +verduwd, de taaie dagen. En dien Zondag, den dag vóór Edwards aankomst +ging Bernard naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen tijd weg kon +blijven, zonder dat ze 't onhartelijk gingen vinden, en ook omdat hij +niet geweten zou hebben wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou +niet kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden bij 't gepraat +van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij was een en al zenuwachtige +ongedurigheid. In Bussum ging hij wandelen, in zijn eentje, in 't gure +regenweer en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn gejaagde +opgewondenheid. + +Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat de jongen zich +overwerkte, en nu weer die vrind, juist in den drukken tijd, hij had +daar geen tijd voor nu; hij was op 't oogenblik overspannen-opgewekt, +maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en zoo.... Maar tante +zei, met een breeden glimlach, dat zij er 't hare van dacht, en toen oom +dom-verbaasd opkeek: "Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets, hoor!.... +we zullen zien!...." En oom, haalde zijn schouders op en zei met wat +ongeduldige ergernis: "Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge +menschen eeuwig en altijd verkikkerd zijn!...." "Nou, en is dat dan niet +waar," vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog wat pruttelend alleen van: man +van zaken.... andere dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes. + +En den anderen morgen al om kwart over elven was Bernard op 't perron. +Ziende de drukte daar, 't haastige bewegen van menschen, die weggingen +en menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders in uniform, +schaamde hij er zich even over, dat hij zoo vroeg was, weer scherp +voelend zijn gebrek aan, "altijd man van zaken zijn," businesslike, +clever, up to the market.... ja, die Engelschen weten 't. Even bleef hij +staan, vaag hopend Edward zoo te zullen zien komen, alleen naar hem +die alleen was. Maar zoo ging 't natuurlijk niet. Even later kwam de +getrouwde zuster met haar man en daarna ook Edwards vader uit Baarn +en nog later een van zijn broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven +Bernard en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig te +praten met kleine uitroepjes, intusschen allemaal telkens kijkend naar +den kant van waar de trein moest komen, allemaal in de spanning van de +laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis. 't Werd half twaalf, +'t werd drie, 't werd vier en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen +op hun horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel minuten de +trein al over zijn tijd was. 't Duurde lang. En eindelijk wist geen van +de wachtenden iets meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf +gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling angstig-nabij +voelen van 't in de dagelijksche soesa bijna vergeten noodlot, 't wreede +toeval, verlamde hun praatvermogen, maakte hun 't wachten tot een +tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en dan was er een +gefluit in de verte en rekten ze hun halzen uit, maar ze zagen niets. +'t Duurde lang. + +"Daar-is-t-ie!" riep Bernard eindelijk. Werkelijk was een trein, een +ronden hoek makend, in-eens in 't gezicht gekomen. De zwarte machine, +als een laagvliegend monster, kwam snel-groeiend, recht op hen af; de +grond onder hen begon te dreunen en in de lucht daverde een schurend +gestamp. En, nu zelfs voor ze 't zich nog heelemaal bewust waren, stond +de trein stil met heesch gehijg. Toen 't ongeregelde openstooten van +de portieren en in-eens begon 't perron te wemelen van menschen, een +beweeglijke grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie. Juist werd +een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden sloegen tegen elkaar met +een verbijsterend kabaal.... + +Maar daar! daar was hij, Edward; 't was Bernard, die hem 't eerste zag, +maar hij liet de familie voorgaan om hem te begroeten, zich met moeite +op zij houdend. Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad van +zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe dreunen op naar zijn keel. +'t Waren de oude oogen. En daar hoorde hij ook de stem, klein onder 't +gedaver van den vertrekkenden trein, zeggend: "Dag vader!" 't Was de +oude stem. En, een paar seconden later, daar keek hij recht in die +oogen, en daar voelde hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en +daar stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen, en met +vertrokken monden woorden van groet en hartelijkheid uit te hijgen. "Ben +jij daar ook weer?" hoorde Bernard, "kerel!...... hoe gaat 't?.... +hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat 't!" + +'t Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger, zijn vrind. Maar ouder, +angstig ouder, veel ouder dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was +mager geworden, 't kon zijn dat 't daaraan lag. Zijn trekken waren veel +scherper geworden, zijn oogen lagen dieper en vooral zijn voorhoofd was +veel ouder. Bernard had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan +hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van rechtop loopen, die hij +niet kende, bewegingen van bereisd man, van iemand van ondervinding. +Alle slapheid van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard nu +in-eens met een loom-landerige schaamte, nog heelemaal de oude +jongensachtigheid. + +Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward zou kunnen praten. +Maar daar was geen gelegenheid voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk +zijn vader, zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar allerlei +en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag en zoo meer. En ze hadden +heelemaal maar zeven minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam +doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was. En daarbij moest er +nog gezorgd worden voor zijn bagage. Dat nam Bernard toen maar op +zich, want hij kon toch niet praten met zijn vrind. Hij deed 't vlug, +oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te geven in die zorg. +Want achter zijn koortsig-tintelende blijdschap kwam nu al somberen een +gelig-grijs verschiet van teleurstelling, en toen de familie haastig +in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, -- de student en de +getrouwde zuster gingen mee, -- toen hij daar stond, los en koud naast +dien bijna onbekenden man van Edwards zuster, den vertrekkende nog even +nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide en dien vreemden man +een hand gaf en goeden-dag-zei, en langzaam 't station afliep, de +onverschillige straat op, terug naar zijn kantoor, toen was er in plaats +van den verwachten gloed van vreugde een weeë leegte in hem, waarvan +hij wel had kunnen huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat; de +menschen liepen en praatten en lachten alsof er niets was gebeurd. En op +kantoor zat een duitsche reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde +met veel strijkages en luidruchtige complimenten. Hij was onaangenaam +kort, een beetje onhebbelijk tegen dien man. Hij stuurde hem gauw +weg, liefst had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige +onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen gekomen was, +en gaf een paar korte standjes aan bedienden en ging toen weer weg, +koffiedrinken, niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders, +alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien. + +En daar zittend, tot rust komend onder 't wachten op 't bestelde +dejeuner, begon hij zich te troosten, en kreeg langzaam aan de +blijdschap weer de overhand. Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen +fontein van lichtgedachten, zooals hij 't zich had voorgesteld.... Dat +hij nu ook juist zoo weinig tijd had dezer dagen!.... Edward had in de +haast nog beloofd dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?.... Was +dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?.... Hij had geen +tijd van de week naar Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer, +dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer voor een half jaar, +hij bleef den heelen zomer over, en dan althans zou hij 't niet zoo +overkropt druk hebben.... O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet +meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien tijd in Amsterdam te +komen logeeren, bij zijn getrouwde zuster bijvoorbeeld. + +Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs kwam er een sinds +lang niet gekende, rustige vroolijkheid in hem, terwijl hij -- lezend, +onder zijn dejeuneeren door, de woorden van een krant die naast zijn +bord lag -- zat te droomen van de komende middagen en avonden met +Edward. Telkens dacht hij even terug aan die aankomst in die haastige +herrie op 't perron, en dan kwam ook weer die schimmige leegheid van +teleurstelling als een vlaag van killen tocht, maar daarom drong hij dat +aldoor weg uit zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën +om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming van aangename +vooruitzichten. En zoo liep hij ook naar de Beurs en vertelde daar 't +nieuwtje van Edwards aankomst aan dezen en genen die hem kenden, met een +glans van vroolijkheid in zijn oogen. + +Maar 's middags op kantoor, terwijl hij weer net als altijd moest zitten +werken, en denken over zijn zaken, en zorgen voor zijn zaken, toen +voelde hij met machtelooze ergernis zijn stemming weer zakken. Er was +niets aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, 't altijd noodige +ploeteren van 's morgens vroeg tot 's avonds laat drukte hem. Hij maakte +er zich verwijten van. 'n Ander, dacht hij, zou niet weten wat hij deed +van halfdronken blijdschap, als zijn beste vrind terug was gekomen, na +jaren van ver-weg zijn, maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige, +ontevreden egoïst!.... Maar toch was er niets aan te doen, zijn stemming +werd ál triestiger; zittend aan zijn schrijftafel bij 't raam van zijn +kantoor voelde hij de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende +massa's opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden vielen +loom-somber in zijn zwaar-zorgend hoofd. + +'s Avonds weer op kantoor -- zoo ging 't nu dikwijls! -- werd 't hem +helder hoe 't kwam. Hij had er zich veel te veel van voorgesteld, hij +had nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment van weerzien +heen kunnen kijken. In zijn droomerige verstrooidheid had hij iets +bizonders, een anderen levenstoestand verwacht na dat moment, maar dat +was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als vroeger. Alleen woonde nu +een goede vrind van hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er +kans dat hij hem in de komende maanden eenige malen zou zien. Anders was +er niet. Hij voelde 't nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger +en zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk weer +leegloopend Danaïdenvat van zaken, van inkoopen en verkoopen, van +omzet-vergrooten, relatiën uitbreiden, oppassen voor de concurrentie, +een altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren en papiertjes. +Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen.... + +En ook de avonden waren net als vroeger; hij was er niet minder alleen +om of Edward nu al in Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem +was. + +Hij wende daar weer aan in een paar dagen. + +Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van ruwe steen langs de +huid, en dadelijk daarna met de benauwing van een nieuwen berg +levensondervinding, onverwacht opdoemend uit den mist, en waar hij nog +doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een vraag, los-weg gedaan door +André, een dag of wat later. Of Edward niet bij hem geweest was dien +dag, want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat, alleen. Neen, +Edward was niet bij hem geweest. Hij zei 't onverschillig, mat, zonder +opkijken.... Maar waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet +gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten slotte 't oude gevoel +bij hem verminderd, weggeslonken of verdord en weggekild misschien +binnen de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd, de als +roestig ijzer ruig-kille muren van een cijfer-en-paperassen-bergplaats? +Neen, neen, zoo was Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien +te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter kameraden gevonden +om zijn vacantie mee te passeeren, vroolijke vrinden, die 't leven +begrepen?.... Er was innige bitterheid in Bernards overdenkingen terwijl +'t gewone gepraat ging aan hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij +zorgde er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat ze zijn stilheid +niet merkten. + +Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten. En toen zijn bedienden +al een heelen tijd weg waren zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp, +allerlei dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn werk te +denken, maar hij werd moe; de dag was lang geweest, hij raakte op. En +in-eens overmand door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed en +zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen op 't papier en +snikte even achter de andere, waarmee hij zijn hoofd steunde. Hij kon +veel verdragen, maar dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had +hij verlangd naar 't weerzien van Edward, zijn eenigen vrind -- dat +had hij hem toch zoo dikwijls geschreven en altijd had de toon van 't +antwoord zuiver teruggeklonken! -- hoe had hij naar hem verlangd en wat +'n teleurstelling was 't voor hem geweest, dat hij hem maar zoo'n paar +enkele minuten had kunnen zien aan 't station!.... Was er dan niets +in Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch van die +teleurstelling?!.... + +'t Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en weer doorging aan +zijn werk, met wat schaamte, 'n beetje ergernis over dat kinderachtig +verdriet, werd hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men immers +wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid, maar niet meer week. +Wijs zijn zij die geen illusiën meer hebben. Dat alleen zijn de wijze, +de welbewapende en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even +zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel. + +En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje op, en sloot zijn +kantoor en ging naar huis, eenzaam door de stille nachtstraten, met een +hoog-rustige, streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn +gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele overdenking +van zijn verhouding tot de menschen. Hij was alleen, goed, hij zou +alleen zijn. Dat was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen, +die alleen zijn, zonder dat je 't ze aan kunt zien. Hij zou 't leven wel +doorkomen alleen. Niemand zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij +zou minder lijden, want er was veel stil genot in 't alleen-zijn, alleen +met jezelf, met de wereld binnen in je. Hoe zuiver vormden zich je +voorstellingen in de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden je +ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen, zooals een rotsblok +wordt tot schoonheid, met stille aandacht bebeiteld door den +eenzaam-werkenden kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen +zijn -- hij had 't goddank geleerd.... En in een met fijn gedenk, +kunstmatig mooi bewaarde rust legde hij zich dien nacht te bed, en hij +sliep vast en zonder droomen. + + * * * * * + +Maar den anderen dag -- och! daar was zijn gevoel weer en bezat zijn +arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk verdriet weer om dat +niet-komen van Edward. En nu -- als een moeder die haar kind sust -- zat +hij zich te beduiden dat 't immers best kon zijn, dat Edward geen tijd +gehad had. Dat hij op een bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij +zijn zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen, of.... ja, +honderd andere gewone toevalligheden die hem belet hadden naar Bernard +te gaan! Anders zou hij 't stellig wel gedaan hebben!.... Ofschoon,.... +eigenlijk wist hij wel, dat Bernard feitelijk geen tijd zou gehad hebben +om hem te ontvangen. Want zoo was 't immers! Als hij bij hem op kantoor +was komen oploopen, wat zou hij er aan gehad hebben?.... De bedienden om +hen heen zouden alle intimiteit weggenomen hebben en na een kwartier of +een half uur zou Bernard dat gevoel hebben gekregen van: ik moet werken, +er is werk dat baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen gepraat +met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij Edward het gevoel dat hij +hem van zijn werk hield, dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling +zou er geweest zijn bij hun scheiding. + +'t Zou immers veel beter -- o natuurlijk veel beter en aangenamer zijn +dat Edward 's bij hem kwam als hij tijd had, als 't er niet op aankwam +hoe laat 't werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en praten, +zonder aan tijd te denken. + +Ook 's Zondags daarop kwam Edward niet. + +Bernard had 't hem kunnen vragen met een briefje. Hij had 't niet willen +doen. Hij had ook naar Baarn kunnen gaan, maar wie weet of hij soms +stoorde 'n familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef dus in +Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag, wachtend, lezend, met +lange tusschenpoozen van droomerig denken. + +Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde. Er kwamen nu telkens +van die dagen waarvan Bernard toen geschreven had aan zijn vrind. Er +zat lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht omwaaid van +een zoetige-zoele koelte, licht van jonge frischheid en zwaar van +zomergeuren; er zat iets nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker +aandoend en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna, +niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen, en dan weer +in-eens weg. Een hoopvolle verwachting van zomersche malschheid, die +lang strijkt en streelt langs 't gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens +door 't willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar bevrediging +van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn. En in de lichter wordende +avonden, de dampige, vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge +kilheid verraderlijk aanstrijkend over 't water, als de hoonende +aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter, die nooit weggaat, die +alleen maar wacht, met cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen +weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld.... + +Bernard ging door de straten van zijn kamer naar zijn kantoor en van +daar naar zijn restauratie en naar de Beurs; ergens anders kwam hij +haast niet. Maar toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide +langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten naar lust +van liefde los liet over zijn gedachten, waar ze dan even mee speelden +als naakte nimfjes met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling +korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien en kloppen, en soms +in-eens zijn voor hem liggend werk verhulde in een trillenden nevel, een +rossig gewirwar, zoodat hij moeite had 't aldoor te blijven zien en er +aan door te gaan met ijver en aandacht. En soms als hij buiten was, +midden op den dag, kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn +lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige verwachting, +als zou er iets bizonders met hem gebeuren. + +Maar er gebeurde niets. + +Alleen, 's Zaterdags van die week, kreeg hij een briefje van Edward: +"Waarom kom je toch niet 's naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te +zien, je bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den afgeloopen +Zondag, en reken nu op je voor morgen." + +En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar zijn hoofd, om al +zijn harde gedachten over zijn verhouding tot zijn vrind. Wat een +ongemotiveerd wantrouwen was dat geweest, niets dan gekrenkte trots en +ijdelheid. 't Was 'n schande.... Eigenlijk moest hij zich zelf verbieden +te gaan morgen.... Maar hij zou 't toch maar doen. + + * * * * * + +Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte dag van zon en +wind en aldoor wisselende luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten, +waar je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden en stralende +tronen omkranst van engelen. Bernard zat in den trein aldoor stil naar +buiten te turen. Snel zeilden de scherpe schaduwen over 't zwarte +voorjaarsland, dat fel opkwam in 't harde licht, snel als groote +vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over de vlakte. Er was onrust, +er was actie in de buiten-dingen. En Bernard voelde zich meelevend in +die actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt, bijna vroolijk en +met verlangen naar veel beweging. Toen hij aankwam in Baarn zag hij +dadelijk Edward staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand de +hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke hartelijkheid. +En, dadelijk druk pratend, liepen ze samen naar de villa van de familie, +die midden in 't dorp lag. + +'t Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard aan 't station te +Amsterdam maar even had kunnen zien. Ja, dat kwam ook door dat late +aankomen van dien beroerden trein! Maar 't was jammer; en nu was hij +waarachtig al veertien dagen in 't land en had hem eigenlijk nog niet +eens gesproken. Maar waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen? +"Och-god ja! geen tijd, dat's waar, dit is juist je drukste tijd, +hè?.... Kerel, wat een brief was dat, die laatste van je, die van +October.... neen, maar kolossaal, je was op dreef, hoor!.... 't was +geloof ik wel 'n twintig zijdjes...." + +Bernard lachte 'n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering aan dat +moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam aan. "Ik dacht.... dat je.... +dat je zoo iets ook van me hebben wou," zei hij, even blozend. + +"Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven heb ik zoo graag!.... +Je hebt er mij erg veel genoegen mee gedaan...." Edward lachte even, +zenuwachtig. "Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!.... nee-maar, +waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch op dat je mij je eenigen vrind +noemde...." + +"Maar," vervolgde hij na even zwijgen, met een licht, heel +licht-ironisch glimlachje, "je zult me wel toegeven, dat je stemming nu +niet van de allervroolijkste was toen je dien brief schreeft, hè!.... +Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!.... Zóó beroerd heb je +'t ook niet, is 't wel?.... En je eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld +trotsch op, maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je rondom dik +in de vrinden zat!.... En ik geloof ook eigenlijk-gezegd niet, dat je je +daarover zoo te beklagen hebt.... Ik geloof om je de waarheid te zeggen, +dat je wel een beetje erg ondankbaar bent, zoo nu en dan, hè?.... Nou +ja! ik weet wel wat je zeggen wilt!...." + +"'k Geloof 't niet, dat je weet wat ik zeggen wil," begon Bernard, "je +kunt er wel gelijk in hebben dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar +ik weet toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige dingen...." + +"Als bijvoorbeeld een brief van mij!" vulde Edward weer aan op luchtigen +toon, "ja zeker! dat weet ik ook wel, hoor!.... Maar kom!" zei hij weer +met dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, "laten we daar van middag nog +maar 's over praten.... Want van middag moeten we weer 's een echte +ouwerwetsche lange kuiering maken, hè, ouwejongen?" + +En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van terzij aan, zoo heelemaal +met de oude, lang-gekende vrindenoogen, dat hij met dien blik 't +opgekomen gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards gemoed, +achter warme emotie van zich geliefd voelen. + +"Dat is best!" zei Bernard met een glimlach van innige vreugde. "Ja, +want nou," ging zijn vrind door, "moet ik je eerst nog een heelen boel +vertellen van mijn reis hierheen." En hij begon een opgewekt relaas van +allerlei wat hij gezien en doorleefd had op reis, telkens afdwalend, +maar ook telkens weer terugkomend op zijn verhaal met een groote +inwendige rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid. + +En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind nu langzamerhand +heelemaal te zien en te herkennen. 't Was toch wel zoo: Edward was +ouder geworden. Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat +bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger; hij had een paar +dwarse plooien in zijn voorhoofd en in het trekken van zijn mond had hij +iets eigenwijs-deftigdoends, iets ouweheerigs gekregen. Maar zijn oogen, +die waren nog net als vroeger, mooie, donkerbruine, fluweel-zachte +oogen. Zijn oogen maakten zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten +dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van zijn blik ging +van droog-eerlijke goedhartigheid tot een diep-vonkelende zieleweelde. +En Bernard voelde misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een +goed man was. + +Even voor ze er waren zei Edward: "Je bent in die drie jaar niet +dikwijls bij ons geweest, hè!...." En Bernard, licht blozend weer, +bekende: "Nee, heel weinig!.... Ik heb wel 's een visite gemaakt,.... +maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je weet, ik heb +nooit veel tijd!" "Ja, ja! altijd die drukte van jou!" zei Edward, +vroolijk-plagend, maar Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep +de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de familie van zijn +vrind. En dat was, dat hij niet veel hield van de familie, vooral +niet van Edwards moeder, een statig-deftige, trotsch-vrindelijke, +voorname dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde op een +onuitstaanbaren toon van gezag. + +Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen waren in de villa -- +een leelijk-vierkanten massief-degelijken bouw, zonder zwier of +statigheid, in een onevenredig-kleinen tuin --; ze vonden haar zitten +in de zijkamer links, met een lorgnet op en een borduurwerk in de hand. +Ze stond op om Bernard met beleefde vriendelijkheid te begroeten. +Glimlachend vroeg ze hoe 't hem ging en hoe zijn oom en tante 't +maakten, en schoof hem een stoel toe. Maar toen hij even zat begon ze: +"Wat hebben we jou in geen tijd gezien! -- Wel, laat 's kijken.... dat +is, geloof ik, wel een heel jaar!" "'k Geloof 't ook, mevrouw," zei +Bernard en hij praatte weer zoowat over zijn drukte altijd. + +"Och, maar je moest je toch niet zoo door je zaken laten ringelooren, +jongelief, wat een dwaasheid!.... Zaken zijn om te leven!.... Niet +andersom!.... En dan, kijk 's even aan: wij kennen je nu wel, maar +heusch.... héél.... véél.... ándere menschen zullen je heel onbeleefd +vinden,.... zullen je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost...." + +"Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!.... Ik geloof niet, dat +er veel menschen zijn, die over me denken, als ze me niet zien." + +"Dát zeg ik ook niet!.... dát 's wel mogelijk!.... dát weet ik +natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je denken, dan zeggen ze: wel foei, +wat 'n onbeleefd heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe 't +hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg 't altijd maar net zooals ik +er over denk. Ik heb me altijd zoo'n beetje beschouwd als een tante van +je, die je wel zoo er 's à faire mocht nemen!...." + +"Maar mama," viel Edward in, "neem me niet kwalijk, hoor! maar nou vind +ik toch wezenlijk, dat u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door +hem dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!.... De arme +jongen is er beduusd van!.... Trek jij je 'r maar niks van aan, hoor +Bert!...." + +"Nota bene," antwoordde ze langzaam, "zeg 's, jij hebt daar uit Indië +ook fijne manieren meegebracht!.... Maar al spreken die liplappen daar +zoo tegen hun mama's, dat is nog geen reden om 't hier in te voeren." + +Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende stem was aldoor +damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk, maar Bernard voelde toch dat 't maar +veiliger was gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij schielijk: +"En hoe maakt meneer 't, en Truida en Frits?" "O, dank je! heel goed," +zei mevrouw, "Frits zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in +Utrecht." "En hebt u goede berichten van Herman uit Hannover?" "Zóó.... +zóó!" zei ze, "de jongen verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt +nogal met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over zoo'n +bierkommers -- of hoe heet zoo'n ding, -- dat bevalt me niet erg. Die +duitsche distinctie, dat is ook al niet dàt! -- net zoo min als de +indische...." + +Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond naar voren zettend om +kinderlijk-deemoedige verlegenheid na te bootsen, en gaf hem toen een +vroolijk knipoogje. + +In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende menschen en +even later kwamen Edwards vader en zijn zuster Truida, een meisje +van zeventien of achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken +groette Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde +vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en 't meisje zei hem heel +stijfjes goeden-dag. + +En ze gingen even zitten praten in een vormelijk half-kringetje. + +"Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet," vroeg meneer. "Nee," +antwoordde Bernard. Hij vond 't niet, integendeel, hij vond dat Edward +veel ouder was geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag. + +"Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan ook wel!" zei de vader, +zijn sigaret aanstekend, die bij 't binnenkomen uitgegaan was. "Hij +heeft nogal besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!.... je +moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!.... Maar hij heeft dan ook +aardig promotie gemaakt, vindt je niet?.... Heeft hij 't je al +verteld?...." + +"Nee," zei Edward, "we hebben 't nog niet over de zaken gehad." + +"O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!.... hij moet 't je maar +'s precies vertellen.... Dat wordt een persoon van gewicht in Indië, +hoor! Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje, pas op!" + +Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting, maar ook met +iets van verlegenheid tegenover Bernard. "Ja, ja!.... Ik denk 't ook," +zei hij, "maar, 't is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er wel komen +daar.... En ik heb er ook veel plezier in," voegde hij er bij, na even +zwijgen, op verhoogden toon, als wou hij die verlegenheid weggooien. + +"Daar heb-je 't, zie je," zei zijn vader, "dat is 't voornaamste, dat +vind ik ook!.... Waar je plezier in hebt, dat doe je goed. Als je geen +plezier hebt in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen," zei +hij, zich naar Bernard draaiend met 't glimlachend gezicht en de gebaren +van een goochelaar, die een schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak +haalt. + +"Die bankzaken lijken me toch anders niet erg verkwikkelijk," zei +mevrouw, langzaam en vrindelijk, doorbordurend met een kalm-gracelijke +armbeweging. Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat gekuch. +Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen 't raam uit. + +Bernard vond dat 't gezin er niet amusanter op was geworden in dat jaar +van zijn verwaarloozing. Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat +de koffie klaar was. Aan zoo'n koffietafel, dacht hij, daar heb-je +tenminste wat te doen. Maar 't viel ook niet mee. De stemming bleef +koud. Er werd gepraat maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de +stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen, en de ouders van +Edward schenen elkaar ook niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat +veel meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan iets over 't weer, +met een vadsig-lijmige stem, alsof 't haar eigenlijk te veel was om +haar mond open te doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen 't +afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam naar zijn kamer, om hem +allerlei dingen te laten zien, die hij meegebracht had. Ook voor hem had +hij wat, een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard was er +heel blij mee; hij bekeek 't mooie ding met eerbied, met iets van stille +aanbidding, hij vond 't mysterieus als een lang van binnen bekeken +bloem, een heerlijk bezit. Hij vond 't een genot het fijn-glooiende, +scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn hand en het snijwerk gaf hem +een gevoel van jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat daar +zitten te maken in stille aandacht, zooals hij 't wel 's gezien had op +een tentoonstelling, die menschen die niets doen dan mooie dingen maken +en zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn.... + +"Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór 't weer verandert," zei Edward, +en haastig trokken ze hun jassen aan en gingen op weg. + +En ze maakten een mooie wandeling samen, breede lanen door, langs +uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan de huizen, als wijkplaatsen van +intiem genot, rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre, +bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over wegen, half +verwoest door 't winterweer, en ook over de eenzame, wijd-naakte +heigronden. En ze praatten veel, vooral in 't begin. Edward had nog te +vertellen van zijn leven in Indië en van de terugreis en later begon +hij te vragen naar een heelen boel menschen, die hij gekend had in +Amsterdam. + +Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend wat hij gehoord +had over een ouden kennis, zei Bernard: "Hé, je bent verleden week nog +in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien loopen in de +Kalverstraat." + +Edward keek op. "O ja," zei hij, met een zweem van verlegenheid. "Ja.... +ik moest er even zijn,.... 'n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden +me op de koffie gevraagd.... 'k Had graag nog even bij jou aangeloopen, +maar.... eigenlijk hebben ze me aan de praat gehouden,.... ik kon 't +niet meer halen.... Wie zag me, zeg je? André?" + +"Ja," zei Bernard kort. + +"Hoe gaat 't dien?" vroeg Edward. + +"O, best.... 'k zie 'm zooals je weet haast allen dag!.... We eten samen +met Sam van 't Hout en nog een paar lui...." + +"Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... 'k Mocht 'm altijd +graag!.... 'n Beetje druk...." + +"En een beetje oppervlakkig," zei Bernard. + +"Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat 's wel waar, maar.... heeft +hij dan toch ook ten slotte geen gelijk met zich de dingen niet te veel +aan te trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook _te_ veel doen,.... je +kunt ook _al te_ -- hoe zal ik zeggen? .... degelijk is 't woord +niet,.... te diep.... te zwaar zijn!...." + +"Zóó? Heb jij dat ook ingezien," vroeg Bernard, licht spottend. + +"Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel wat luchtiger +geworden!.... Misschien kwam 't wel omdat ik jou ernst niet meer +om me heen voelde!.... Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig +tegenwoordig en erg optimistisch!.... Misschien ook is 't klimaat daar +in Indië bizonder geschikt voor me!.... 't Is een feit dat ik er me +lekker voel, ik kan best tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een +koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel een beetje meer practisch +filosoof geworden!.... De ondervinding in 't zakenleven en zoo'n heel +nieuwe omgeving met zooveel verschillende menschen,.... dat doet ook +wat!.... Ik voel dat een heele boel dingen, waar ik vroeger wel mee +dweepte, me nu niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!.... ik weet +'t wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch vinden!.... 't Valt je +tegen van me, maar.... ik moet 't toch wel zeggen, want 't is nu eenmaal +zoo!...." + +"Ja, natuurlijk," zei Bernard op matten toon. "En je zult ook wel gelijk +hebben...." Maar hij wist eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet +eens precies wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn stem gehoord, +die klonk als van iemand die iets zwaars op zij duwt. En hij had in-eens +begrepen, dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had in-eens +heel duidelijk gevoeld, dat 't ook wel niet anders kon, want dat hij +zwaar was, te zwaar voor anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn +opvattingen van alles, waren zwaar. O, 't drukte hem zelf zoo, altijd +overal dat zware. + +Ze zwegen een poos en Bernard voelde 'n grijze triestigheid trekken over +alles wat hij zag en over hem zelf. 't Was of er een nevel kwam voor +zijn starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig en eenzaam +als een landlooper voelde hij zich gaan over den weg. Al dat opgewekte +van den morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was weer weg. + +Maar plotseling -- 't bloed sloeg hem naar 't hoofd met een schok als +van schrik -- neen, neen! hij wilde die stemming niet! Hij wilde zijn +besten vrind niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem was. Hij +moest zich overwinnen, hij moest dat van zich gooien. Want anders -- die +gedachte was 't die als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en +hij had dat voor zich gezien als een visioen -- anders zou Edward hem +uit den weg gaan loopen, dan zouden Edward en zijn andere vrinden, die +vroolijk waren en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en hij, +Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal, heelemaal alleen +zijn. Neen,.... neen,.... dat nog niet!.... hij zou 't toch nog niet +kunnen,.... en hij wou 't ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem +afstaan aan anderen.... + +En hij was 't die nu weer begon te praten, -- met een opgeruimde, +toonige, ietwat te hooge stem, -- te vragen naar 't leven in Indië, hoe +dit daar ging en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem wel even +schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk op denzelfden toon antwoord, +en een heelen tijd praatten ze weer door op die manier. + +Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning waren gekomen en daar +een borrel zaten te drinken, begon Edward in-eens: "Zeg 's, je moet +nou niet denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt dan je +eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je, en dat vind ik toch ook +niet prettig. Zoo zijn wij nooit samen geweest! Praat met mij ronduit +over alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je.... te raden,.... +te helpen...." + +Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde 't. En toch deed 't hem +pijnlijk aan, met naar-weeë schrijning. Hij wist zelf niet hoe 't kwam. +Was 't Edwards stem, die 'n beetje aarzelend, zijn toon die ietwat +meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!.... Hij wist 't +niet.... Edward had gelijk, 't was niet prettig voor hem, bij God neen, +niet prettig, prettig, prettig.... + +"Dank je!...." zei hij, hem even aankijkend met een matten, droomerigen +blik, "je bent heel hartelijk voor me.... Je bent trouwens altijd zoo +voor me geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we toch maar liever +gewoon doorkletsen! Nee, zie je!.... laat ik maar niet te veel gaan +praten over me zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet +prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!...." + +"Nou, zooals je wilt," zei Edward, toonloos. + +"Kom! ga je mee," vroeg hij even later. En hij betaalde. Ze stonden op +en liepen verder, op weg naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend +naast elkaar gaand tot Bernard weer begon. "Kom, kerel, ben je nou gek! +Trek-je je dat nou wezenlijk aan?.... Wat een nonsens!.... Mijn God! ik +heb toch immers niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet hopeloos +verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan ligt dat aan mezelf en aan +mezelf alleen. Waarom zou ik daar nou over loopen zeuren?...." + +En Edward draaide zich half om naar hem en zei heftig, blijkbaar wat +opgewonden: "Juist! Daar wou ik je hebben! Nu sla je den spijker op +zijn kop! 't Doet me verdomd veel plezier, dat je 't nou zelf zegt, dat +'t alleen aan je zelf ligt. Zoo is 't ook. Je bent wat melancholisch +aangelegd en je geeft daar te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet +flink! Je moet je daartegen verzetten met al de kracht die in je is. Je +bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog haast je heele leven voor je, +bedenk dat toch, en houdt je zelf frisch en moedig!...." + +"Zeker!" zei Bernard, -- die maar blij was dat zijn vrind 't zich +blijkbaar toch niet zoo aantrok en weer gewoon praatte. -- "Zeker, zoo +is 't ook!.... Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt.... Denk-je +dat ik 't allemaal niet weet wat je daar zegt?.... Ik beloof je; ik zal +mijn best doen. Kom jij, in den tijd dat je nog hier in 't land bent, +maar veel bij me. Dat zal me wel goed doen...." + +"Goed!.... graag! 'k beloof 't je," zei Edward. "Maar zeg me nu nog één +ding: ben je werkelijk niet verliefd?" + +"Nee!" zei Bernard. + +"Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat 's wel een wonder voor +jou!" + +"Dat zou 't ook zijn," zei Bernard glimlachend. En hij vertelde met +een kalme vertel-stem van de trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde +aldoor aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand die innig +plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer heelemaal over zijn +ergernis heen.... "En hoe komt 't dat dat nu zoo heelemaal bij je weg +is," vroeg hij ten slotte. + +"Wel, ik weet 't waarachtig niet," zei Bernard. "'t Was toch zeker niet +dat!.... Ik denk haast nooit meer aan haar tegenwoordig.... Als ik +morgen haar verlovingskaart kreeg, zou 't misschien even...... Nee! ik +geloof eigenlijk dat 't me onverschillig zou laten. Ik zou haar een +kaartje sturen, en wat bloemen.... of ook niet...." + +"Je moet me haar toch 's laten kijken," zei Edward, aldoor glimlachend, +"ik ken haar, geloof ik, nog wel van vroeger.... Wel ja, ik geloof +haast, dat ik 'r wel 's ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan +huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je je wel?.... 't Zijn +familievrinden van ons.... Ik zal er weer 's gauw een visite gaan +maken...." + +"Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer 's," zei Bernard met een +stem alsof hij over wat anders dacht. + +"Ik hoop 't," zei Edward. "Want zie je ik ben net in een stemming dezer +dagen om gecharmeerd te worden op zoo'n soort meisje.... En als ik jou +dan toch niet in de wielen rijd...." Hij keek Bernard even spottend aan, +maar die zei eenvoudigweg en met een strak gezicht: "Ga jij je gang, +hoor!" + +Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen tot ze thuis waren. + +Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. "Ben je niet doodmoe?" vroeg ze +aan Bernard. + +Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen kwamen voor Edward. +'t Was wel jammer dat hij nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er +dezer dagen, en vooral 's Zondags, kennissen kwamen om hem te +verwelkomen! + +"We hebben een goddelijke wandeling gemaakt, mama," zei Edward. + +"Dat kan ik me denken," zei ze, "'t is nu nog al een seizoen voor zulke +tochten!.... Waarom heb je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie +dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me, jongelief, je zult je +nog ziek maken...." + +Aan tafel was weer dezelfde stemming als 's morgens. Alleen was papa wat +spraakzamer en zijn vroolijkheid wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed +verhalen uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen blik naar zijn +vrouw, die intusschen, als hoorde ze 't niet, zacht met Truida zat te +praten, nu en dan over haar heen den tuin inkijkend, met een air van +licht-gemelijk, maar berustend dédain. + +Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu. + +En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne sigaren, koffie en +pousjes. En meneer raakte erg op dreef. Hij vertelde een paar dingen +waaruit bleek dat hij 's middags op de societeit was geweest. Hij vroeg +herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat Bernard wel zei van +Edward, of hij ook niet dacht dat hij een piet zou worden daar in Indië. +Ja zeker, dat dacht Bernard ook. + +Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames en net nog wat zouden +gaan whisten, merkte Bernard op dat 't zijn tijd was. Och, maar dat was +jammer, vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral 's gauw +terugkomen. + +Edward bracht hem naar den trein. Onderweg maakten ze nog een afspraak +voor de volgende week. Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen +doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren. + +En Bernard was weer alleen in den trein. Maar hij voelde 't nog niet +dadelijk, 't alleen-zijn. In zijn warm hoofd roesde en soesde nog al +'t gepraat van den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward en zijn +vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat roezige in hem, dommelend in +een hoek van de coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken en +aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid komen in zijn +geest. Hij wou den algemeenen indruk van dien dag, van den eersten dag +met Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij wou eerst slapen. +Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst slapen. Toen hij weer in de open +lucht kwam, loopend van 't station naar zijn kamer, wou 't telkens boven +komen, 't denken over dien indruk. Maar met een vagen angst herhaalde +hij in zich zelf: eerst slapen. + +En 't lukte. Hij was moe van den ongewonen dag-in-de-lucht en die lange +wandeling. + + + + +XI. + + +Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen 't opstaan. 't Was +of de slaap hem geen rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den +rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een onbestemd gevoel van +bange benauwing -- zonder zich er in te denken -- zag hij op tegen den +dag. Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen, liggen in +zijn bed. 't Was of de tijd hem niet aanging. Maar met een druk-dringend +geklop op zijn deur kwam zijn juffrouw hem weer roepen, met een +hoog-schelle stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone +luiheid: "Meneer!.... weet u wel dat 't bij half-negen is?.... +meneer!.... meneer!" + +"Ja, ja!" riep hij nijdig terug en bromde: "stik toch!" en in-eens trok +hij zich de dekens tot om 't hoofd en kwam 't in hem op 't nu eens niet +te doen, 't te verdommen, gladweg.... Maar -- beter wakker nu -- schoten +hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid allerlei dingen in, +waar hij bepaald voor zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet +opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast in zijn zak, en er +kwam hem iemand spreken, tegen tien uur.... En even later trapte hij met +driftigen wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit zijn bed +zakken. + +Er was aldoor nog iets anders dan 't gewone alledag-kantoorleven, waar +hij tegen op zag, maar hij liet 't niet nader komen, -- vaag voelde hij +'t dreigen als wanhoopsstemmen in de verte. + +En toen hij de frischheid van 't water gevoeld had en, zich afdrogend, +naar een raam van zijn kamer liep om even te zien wat voor weer 't was, +herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om nu, van morgen, -- +in den kil-nuchteren stadsmorgen -- in zich na te gaan den indruk van +dien eersten dag met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit zijn +gedachten, 't uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf, dat hij geen +tijd had, dat hij denken moest aan zijn zaken. + +Maar 't werk viel mee dien morgen, en tegen elf uur, terwijl hij aan +zijn lessenaar zat te schrijven een paar brieven, kwam 't nader, àl +nader, 't dreigende in zijn ziel, en 't hielp niet meer of hij al zijn +best deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf, in-eens bonkte +'t op hem neer en wrong 't zich in hem, met onwrikbare stevigheid -- +als een schroef die met een domme-kracht gedraaid wordt in 't wijkende +hout: -- Dat is uit, je hebt geen vrind meer!.... Er was lijdelijk, +lijdend verzet in hem, hij wilde niet, maar hij moest; onmachtig +onderging hij zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een zacht, +onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed: Er is geen vrindschap.... +Er is geen vrindschap.... + +Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen, over provisiën en +termijnen van betaling. Het was zijn gewone, regelmatige handschrift, +groot-open, zonder krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal +aan-zaken-gedenk van die zware gedachten, die als van-zelf ontstonden, +zich verdrongen en ophoopten in zijn achterhoofd. 't Was of een +diep-sombere stem daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn +gansche zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er is geen +vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel is niet te deelen. +Niemand kan een ander geven wat hij heeft zonder 't zelf te +verliezen.... En telkens terugkeerend, allengs vergrijzend, +weg-somberend in de doffe melancolie: De mensch is alleen.... + +In 't koffie-uur, terwijl hij liep op straat en terwijl hij zat te +dejeuneeren, met Sam, -- ze lazen allebei de krant, -- en daarna, +terwijl hij slenterend opliep naar de Beurs, deed hij zijn best in zich +op te diepen en dan te bekijken zijn aparte indrukken van gisteren -- nu +niet bang meer voor teleurstelling, want in zijn somberheid van nu was +alles egaal grijs, zonder tinting van bizondere stemmingen, en alle +gedachten gelijkwaardig als de steenen van de straat. En 't was +onmogelijk over te voelen de sensaties van gisteren, want er hing een +nevel van melancolie overheen en er was een minachting in hem voor al +die sentimenten, die de moeite niet waard waren, die, als ze even +opkwamen, zwak en schraal, dadelijk werden weggeslorpt in zijn +somberheid, als in een moeras dat treurig-onvruchtbaar zich uitstrekt +tot den horizon. + +Zoo leefde hij ook dien middag door. En aan tafel, met zijn +tafelvrinden, zijn kameraden van allen dag, vonden ze hem stil en in +zich zelf gekeerd, maar dat was hij wel 's meer, ze namen er niet veel +notitie van. André vroeg naar Edward, en hij vertelde kalmpjes en droog +de feiten van gisteren, met een blanke conversatiestem, en hij zei dat +Edward den volgenden Zondag in Amsterdam komen zou. "Zoo!.... komt-ie 's +fuiven hier?...." vroeg André. "Mooi!.... dan zullen we 'm 's fijn +ontvangen, hè?.... Wat doen we met 'm?" + +"'k Weet nog niet!.... 'k Zal nog 's zien!...." zei Bernard. 's Avonds, +alleen in zijn kamer zittend, nu en dan wat lezend en dan weer soezend, +starend in de stille vlam van zijn lamp, werd zijn stemming draaglijker, +niet meer zoo drukkend, en rustiger. Dat bedaarde, van verstandig en +resoluut alleen-leven keerde terug. Vooral ook als hij zich bewoog, als +hij liep door zijn kamer, met kalme, stil-aandachtige bereddering, +voelde hij dat in zijn bewegingen. + +En dat hield hij ook den volgenden en daarop volgenden dag. Hij bewaakte +die stemming zorgvuldig. 's Middags aan tafel zat hij bedaard te praten +over alles wat toevallig ter sprake kwam, met een niet-opvallende +gelijkmatigheid. 's Woensdags ging hij naar de comedie, in 't rustig +gezelschap van Hendrik, en liet zich bezighouden met een aangenaam +gevoel van niets beters te doen te hebben. Verder dan ooit van den +levenslust, kwam hij in een soort van goede-verstandhouding met het +leven, iets dat leek op vrede, op te-vreden-zijn. + +Donderdagsavonds bleef hij weer laat op kantoor allerlei dingen afdoen, +waar hij een oogenblik kalm voor zitten moest, zonder storing. En +tusschen de dingen door soms even stil peinzend dacht hij zonder +verdriet aan Edward. Zeker, hij hield nog veel van zijn ouden vrind. En +Edward van hem ook, o! zonder twijfel! Beiden hadden ze den wil in zich, +den goeden wil, elkaar zooveel mogelijk te helpen en genoegen te doen, +en misschien begrepen ze elkander nu en dan ook wel even.... Zeker! o +ja! daar was veel goeds in. Edward was hem trouw en hij was Edward +trouw. Zeker voelde ook zijn vrind die trouw als een soort van heilige +afspraak, een verbond zooals in vroegere eeuwen zwervende ridders samen +sloten, broederlijke vrinden blijvend al zagen ze elkaars gelaat in +lange jaren niet. Zij waren immers van de ridders van deze tijden, ze +waren gentlemen. En zij hielden van elkaar. Er was geen twijfel aan; hun +vrindschap stond hoog, was misschien wel 't hoogst-bereikbare tusschen +twee menschen, twee van die werelden die mensch heeten.... wie weet +'t?.... Maar vrindschap?.... Bernards gedachten van dien avond +losten zich op in een glimlach, een koel-hoogen, ster-hoog +ironisch-minachtenden ziele-glimlach. + +Maar Vrijdag -- zooals een stormige morgen komt na een stil-helderen +nacht -- was weer onrustig, oproerig, mokkend. Hij voelde zich als +weggeduwd, met hoongelach, in een put van gewoonheid en minne +beslommering, als opgesloten, terwijl anderen samen-leefden. En +plotseling in den namiddag schrok hij van een nieuw gevoel, dat +vreemd-licht opsloeg naar zijn hoofd, hij wist niet waar vandaan. Hij +was bang dat 't wanhoop was, hij was bang, bang voor zich zelf. Hij +dorst -- nog nooit had hij dat gehad -- 's avonds niet op zijn kamer te +blijven, alleen; hij ging uit, met André en een paar andere kennissen en +dronk veel, zoodat hij zich den volgenden dag physiek-ellendig voelde, +dien dag doorzeurend, verlangend naar zijn bed, en zich heel vroeg te +slapen lei, met een wil -- een soort plichtsbesef -- om frisch en helder +te zijn dien Zondag als Edward kwam. + +Hij was dan ook weer beter, weer gewoon dien Zondag. Hij was ook weer +bedaard, kalm-somber. 't Speet hem dat 't regende. Dat was lastig, hij +had willen wandelen met Edward. Niet omdat zoo'n lange wandeling hem +nog aanlokte -- dat was voorbij -- maar omdat die 't best den middag +vulde. Nu zou 't wel weer worden een blijven hangen in kamers en +koffiehuizen. Hij kende dat, hij proefde 't al. + +Toen hij, achter op de tram, naar 't station reed om Edward af te +halen, keek hij telkens naar de lucht, hopend dat 't wat lichter worden +zou. Maar 't werd niet lichter, en 't regende door, 't was een echte +regendag. Hij zette zich er dus over heen. Wat kon 't hem eigenlijk ook +schelen. De dag kwam wel weer om, wel zeker, 't zou zelfs wel gezellig +zijn met Edward en André en Sam, vroolijke lui. Bedaard wachtend liep +hij op 't perron heen en weer, nauwelijks merkend dat de trein weer +wat te laat kwam. En hij ontving zijn vrind met gul-lachende +vrindschappelijkheid. + +Edward was vroolijk en spraakzaam. Hij was blij dat hij weer 's in +Amsterdam was. 't Begon hem eigenlijk al erg te vervelen in Baarn. Hij +was al 's naar Utrecht geweest, naar zijn broer, en hij dacht van den +zomer naar Hannover te gaan en met Herman een reisje te maken in den +Harz of zoo. Hij zou hem er over schrijven. Maar eerst, ja, ja.... eerst +kwam hij in Amsterdam logeeren, waarschijnlijk al gauw, in April nog, +bij zijn zuster. Hij had ook nog heel wat zaken af te doen in Amsterdam, +van de week was hij daarvoor ook nog 's een dag in de stad geweest; +helaas had hij weer geen tijd gehad bij Bernard aan te loopen. + +Bernard luisterde rustig naar zijn ijverig pratenden vrind en zei +nu-en-dan ook een paar woorden met een opgeruimde, kalm-blanke stem, +aldoor in die stemming van stil-wijs evenwicht, berustend in zijn +alleen-zijn, zonder behoefte aan uiting en bijval, koel versmadend de +soort van troost die komen kon van wat men vrienden noemde. Hij was ook +vast besloten in die gemoedshouding te blijven dien dag, zich niet te +laten storen. + +Maar 't mislukte weer volkomen. + +Ze zouden koffiedrinken in "de Poort." Daar zat André hen al op +te wachten. Hij en Edward begroetten elkaar met joviaal-lustige +hartelijkheid en een zekere heimelijke verstandhouding. Tenminste +Bernard voelde 't zoo terwijl hij er bij stond. 't Was hem dadelijk of +die twee elkaar lachend deden opmerken zijn figuur van dooien-diender. +Een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam snel in hem op. + +Ze zouden voorloopig met-z'n-drieën blijven. Hendrik was naar Haarlem, +Gerrit was ook uit de stad en Sam zou hen komen treffen tegen vijf uur +in een café. Met-z'n-drieën gingen ze dus zitten dejeuneeren, en bijna +voortdurend praatten Edward en André samen, wat heel natuurlijk was, +redeneerde Bernard tegen zich zelf, want ze hadden elkaar nog niet +weergezien. + +Maar 't hinderde hem toch. + +Daar was weer niets aan te doen. + +Hij hoorde hoe heel anders, hoe veel opgewekter, jonger, joliger, dat +praten van Edward met André was dan zijn eigen gesprekken met zijn +vrind, daar net nog op straat en den vorigen Zondag. Hij voelde dat die +twee elkaar bevielen, dat ze iets zonnigs, iets prettigs waren voor +elkaar, Edward voor André en André voor Edward. En hij was jaloersch op +André en 't ergerde hem dat hij jaloersch was. Hoe kinderachtig was dat +nu weer, hoe beroerd dat hij zijn stemming van bedaard en verstandig +alleen-zijn niet wist te bewaren!.... Waar was die stemming nu?.... +weg.... totaal weg!.... Hij was wee-leeg van stemming nu, wrevelig; hij +voelde zich als zonder doel neergegooid in een warboel van antipathieke +gedachte-scheuten en sentiment-vleugjes, hij voelde een vijandige +onverschilligheid om zich heen in 't drukke lawaaiige café. + +Rondom hun tafeltje stonden andere tafeltjes, naakt-houten +koffiehuistafeltjes, en daaraan zaten allerlei mannen, heer-menschen, +met oplettendheid lekker te eten en te praten met gezichten die wat +uitdrukten: genot, genoegelijkheid, blijdschap, belangstelling, -- er +was er een die keek met een siekeneurige bezorgdheid; -- en hij voelde +dat zijn eigen gezicht niets uitdrukte dan -- misschien -- verveling en +gemelijkheid. Overal in 't café, tusschen de kil-naakte caféwanden, was +geroes van hard praten, en de kelners liepen en riepen door de zaal met +een zjeuïge haast, met famieljare aanmatiging en harde, mislukkende +affectatie-geluiden, quasi-grappige dreunen: As-je-blief!.... Aánnemen, +meneer!.... kóm bij u!.... hàlve biefstuk met twéé spiegeleieren +bovenóp.... koffie!.... 't Was een naar schreeuwerig lawaai. Er was een +ploertig-luidruchtige, commis-voyageursachtige soort gezelligheid in de +zaal. En aldoor kwamen en gingen de menschen hard over den houten +vloer en krasten de stoelen naar achteren en naar voren en, telkens +onverwachts, gaapte wijd de bekleede deur open en liet menschen binnen +in een kilte van vochtigen tocht en zoog dan weer dicht, lamlendig +terugvallend met een dof-stille bons. + +En Edward zat te luisteren naar André, die ophaalde van vroeger, en +allerlei dingen vertelde van menschen die ze kenden, en telkens zei +Edward tegen Bernard half-verwijtend: "God! dat heb-je me nog heelemaal +niet verteld!" en luisterde dan weer naar André of sloeg zelf aan 't +vertellen van beleefde gekke voorvallen en van pikante bizonderheden in +'t indische leven en de menschen daar. + +Toen ze gedejeuneerd hadden, staken ze sigaren op. 't Regende altijd nog +door, fijntjes, dampig; de lucht was egaal grijs. + +Stil somber in hun Zondagsche geslotenheid stonden de donkerrosse +huizenrijen, droevig gelaten neerdruipend vunzige regenstrepen. + +Bernard was stil. + +Maar André sloeg hem op zijn schouder, luid zeggend: "Cheer up, old +man!.... 't Valt je tegen die regendag, hè.... Ja, daar is nu niets aan +te doen!.... Als we 's naar mijn kamer gingen?...." + +Dat zijn stil-zijn opvallend was geworden ergerde Bernard opnieuw. Hij +keek even Edward aan, die glimlachte, zwijgend. En hij kreeg een kleur +van ergernis. Hij werd verward, suffig, en zei dat 't hem niet schelen +kon, waar ze heen gingen, dat Edward 't maar weten moest, wat hij 't +liefst deed. + +Naar een museum? + +Neen, een museum op zoo'n regenachtigen Zondagnamiddag was de +geïncarneerde verveling, vond Edward. + +André's kamer?.... Dat was te ver. + +Dus zouden ze nog maar even blijven zitten om te zien of 't ook wat +opklaren zou, dan konden ze misschien nog wat omwandelen. + +Maar 't bleef regenen. + +Om half drie zaten ze er nog. 't Was Bernard met inspanning gelukt +weer een toon van opgewektheid in zijn stem te brengen, en hij praatte +nu, kalm rookend! Maar meer en meer werd hem de koffiehuisdrukte, +benauwd-besloten tusschen de zwaar-dichte muren en zoldering en de +groote, vaal-grijs beslagen en beregende ramen, een kwelling, een +obsessie. Aldoor ging die deur, met een lichtkreunend geluid, en viel +weer dicht, dof-stil. En nu waren veel burgermenschen binnengekomen, +winkeliers, kantoorbedienden, diamantslijpers met hun vrouwen, dochters, +tantes, ellejongens met scharrel-meisjes en winkeljuffies met galanten. +Er werden al borreltjes gedronken en de rook van de goedkoope sigaren +grauwde blauwig om de met Zondagsche zorg gekamde, vet-glimmende +haarkoppen van de mannen en idiotig opgeflodderde vrouwenhoeden. + +En door de dikke rook-en-borrel-atmosfeer dreunde zwaar 't +ploertig-bevelend geroep van de kelners: 'n gláásje Catz en 'n glás +advokaat!.... kóffie!.... + +Ook Edward begon 't nu blijkbaar te voelen. Hij keek verveeld rond en +stelde voor nu in ieder geval maar 's weg te gaan. "All right, let's +have a move," zei André, die vroolijk beweerde dat hij zijn engelschen +dag had. + +Op straat, in de regenkilte, die van den natten steenen-grond ophuiverde +langs zijn beenen en koelde zijn soezerig hoofd, hoopte Bernard zijn +klaar-bewuste, kalm-rustige stemming van 's morgens terug te vinden. +Hij deed er zijn best voor, maar 't lukte niet. Aldoor dreinde die +jaloerschheid op André. En een oogenblik zijn ergernis daarover op zij +duwend zei hij driftig in zich zelf, dat hij 't ook niet wou dat Edward +meer bevrind zou worden met een ander dan met hem. Hij begreep zelf +niet, wat 't hem eigenlijk schelen kon, daar toch vriendschap niet +bestond, maar hij wou 't toch niet, hij wou 't tóch niet!.... En hij +dwong zich weer vroolijk te zijn. Hij stelde voor even naar zijn kamer +te gaan, een glas Vermouth drinken, en dat deden ze. Edward kwam er voor +'t eerst. Hij vond de trap allermiserabelst, maar de kamer zelf +heel aardig, heel gezellig. Hij liep er in rond met nieuwsgierige +belangstelling, kijkend naar al de dingen aan den muur; hij snuffelde in +de boeken die op de tafel lagen en begon te praten over sommige daarvan, +die hij toevallig ook gelezen had. Dat was voor Bernard even een +onverwachte aanwaaiing van sympathie, even maar, want toen hij dadelijk, +met den hartstochtelijken ijver van een echten lezer, over die boeken +begon te beweren, gaf Edward op onverschilligen toon, verstrooide, +vluchtige antwoorden: Zoo!.... ja!.... hij wist 't zoo precies niet +meer.... 't Kon wel zijn!.... Ja, ja, hij herinnerde 't zich ook wel +zoowat.... + +"Jelie doet daar niet veel aan lezen, hè?" vroeg André. + +"Och ja!.... als we den tijd hebben," zei Edward. "We hebben een +leesgezelschap natuurlijk.... zoo'n echt indisch leesgezelschap,.... +veel illustraties,.... veel tijdschriften over 't algemeen,.... en +dan romans,.... maar dat 's een zoodje!.... Dat is natuurlijk wat de +boekverkooper, die ons bedient, graag kwijt wil zijn, wat hij goedkoop +kan krijgen, begrijp je wel?...." + +En hij greep weer naar een ander boek en las den titel halfluid en +bladerde er weer in en gooide 't opzij. En Bernard zweeg en keek er naar +met ergernis; iets dat hem lief was werd nonchalant behandeld. + +Van Bernards kamer gingen ze naar 't koffiehuis in de Kalverstraat +waar zij gewoon waren te komen, en waar ook Sam hen zou komen treffen +tegen vijf uur. 't Was donker en vol in de nauwe straat onder den +laaghangenden regenhemel en nog donkerder en voller in 't bekende, +drukbezochte café. Ze gingen zitten aan een tafeltje aan 't raam, dat +toevallig vrij kwam. De stoelen waren nog warm en de kelner haalde de +vuile glazen weg en veegde met een viezen doek haastig en onvoldoende de +tafel af, roepend terwijl naar een ander tafeltje: kóm bij u! + +Een uitgaand endje sigaar bleef liggen stinken op den looden aschbak. +Bernard smeet 't op den grond met een gebaar van walging, waar André om +lachte. + +Zij gingen zitten domineeren. Bernard deed dat slecht, hij kreeg +herhaaldelijk standjes van André, die zei dat hij speelde als een +jongejuffrouw, dat hij bang was om te koopen. "Wees blij, dat ik mee wil +doen, jij die 't zoo graag speelt," zei Bernard. "Waarom," vroeg André, +"als je 't liever niet doet, kijk dan toe, dan speel ik alleen met +Edward; die houd er ook wel van,.... hè?.... zeg?...." + +"Jawel," zei Edward kalmpjes, "ik mag 't wel." + +"Och zanik niet," bromde Bernard, "je zult zien, dat ik 't nog win ten +slotte." + +Toevallig was 't zoo, hij won 't eerste rondje. Dat ergerde André een +beetje, die zei, dat 't meer geluk dan wijsheid was. + +"Ja, dat heb ik altijd gehad," zei Bernard bedaard, starend in zijn +steenen, "dubbele zes!.... dubbele vijf!...." + +Even over vijven kwam Sam 't café binnen. Toen werden de dominosteenen +opzij geschoven en bleven ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en +kijkend naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde ramen, naar +de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa, het leger van +Zondagsmenschen in saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren, +onder 't wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in loome groepen, +waar nu en dan, slank en haastig een heer doorstapte, met een strak +gezicht, wendend zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er +door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw, en tusschen +de donkere huizengevels, boven de menschen, hing laag de schemer van den +motregen. + +De ontmoeting van Sam en Edward was heel bedaard geweest. Ook hadden +ze elkaar vroeger maar weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met +nieuwe menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en bleef toen, +zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal gezicht dan den een +dan den ander aan, rustig zitten luisteren naar wat zij zeiden, +gezellig-tevreden, bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een +man, schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf, toch +gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard altijd om de volkomen +geslotenheid van zijn ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den +blik van zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van zijn +prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen, beminnelijk-opwekkenden +omgang. + +Ook thans peinsde Bernard -- naar hem kijkend nu en dan, al pratend +intusschen met de anderen -- over die altijd zoo door hem gewenschte, +nooit heelemaal bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam er ook +wel 's moeite mee had, hij vermoedde dat hij, onbewust van zijn eigen +zielsvermogen, daar eigenlijk nooit over nadacht, dat hij nooit lust +voelde zich te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke +teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was de schijn. Maar was +'t wel zoo? Bernard nam zich voor te trachten dat te doorgronden. + +De neerschemerende namiddag vulde de hoeken van 't café met een lugubere +duisternis, waar de donkere manfiguren met brommende drankstemmen +pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen en de +laag-hangende, vaal-grijze rookwolken sloegen lauw-warm om de ros-heete, +van binnenuit-verhitte hoofden, die samenkoppelden boven de glimmende +tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde een schamplichtje op een +borrelglaasje of op een bril. Bernard voelde zijn oogen steken en een +doffe drukking van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor nu maar +'s te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden gaan in een duur restaurant +daar ergens in de buurt, ter eere van Edward, en tot luidruchtige +blijdschap van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze stonden +dus op en gingen met moeite tusschen de donker-gejaste mannenkringen +door naar de deur, en kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun +stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en glad, waar hun groep +uiteen viel, in de onmogelijkheid van naast elkaar te blijven loopen. +Ze liepen -- ieder alleen -- zoo snel als 't ging door de traag gaande +menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend, behendig manoeuvreerend met +hun parapluies. + +Want 't regende al maar door, de lucht werd valer, donkerder, zich +hullend in regendampen als in sluiers van stillen en onbegrepen rouw. Er +was nu geen geschreeuw van straatventers, er was een roezig geploeter +van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen, soms overtoond door +een schel ruzie-geluid van een burgervrouw, die nijdig was omdat 't +droop van een passeerende parapluie op haar goeie-goed. + +Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime vestibule in het +rijke, rustige restaurant, van uit de kilmistige regenschemering +in-eens in de zachte warmte, in 't al vermooiende avondlicht, dat de +dof-flonkerende, overdadige pracht van de zaal zich opdringen deed +aan den klein-turenden, half-verblinden blik, stil-precies met een +oneigenlijke duidelijkheid. Ze gingen zitten, zoo ver mogelijk van +de schel-schitterende lichtkroon, in een hoek van warm-donkere +gordijnen en behang, en ze aten veel en duur, bizondere schotels, met +gedrild-strakken eerbied aangedragen door de deftig-arrogante kelners, +en wisselden telkens van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk +kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste, zacht glanzende +damast van hun tafel. Ze praatten eerst zacht, bijna fluisterend, +evenals de andere menschen die hier en daar door de niet heel groote +zaal zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon het eerst +met hardop te praten, en al gauw bekommerden ze zich niet meer om die +andere menschen -- die naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en +ergernis -- en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk en opgewonden +door den wijn en de weelde van de tafel. + +Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke rijkheid groeien in zijn +warm hoofd en loome leden. Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens, +met onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van allen dag, zijn +zorgen, zijn stervende illusies. Dan dronk hij schielijk zijn glas uit +en schonk zich opnieuw in en animeerde de anderen om toch uit te drinken +en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat, vol onzinnige +dwaasheden, met Sam, zoodat de anderen 't uitschaterden, en hij toostte +op Edward, joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar zonder +aandoening in zijn stem, en toen dronken ze ad fundum, en Edward toostte +op hem, en 't hinderde Bernard een beetje dat in Edwards stem wel even +emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit van 't drinken +kwam -- een sentimenteele dronk! -- maar in zijn gemoed dreinde toch +wat zelfverwijt, dat hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals +aanstootend met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar daarbij even, +vast, recht in de oogen keken, voelde Bernard ondanks zijn opwinding +opnieuw met wreede duidelijkheid dat 't niet meer dàt was tusschen hen +beiden en dat 't ook nooit meer dàt zou worden. Hun oogen hadden in dat +moment met koele terughouding gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden. + +Ook Sam dronk -- een koddig-onsamenhangenden toost -- op de vrindschap, +en André begon, een beetje dronken, op Edward te toosten die zoo'n +fideele, joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel, waar +hij nog wel 's meer mee uit wou, waarachtig!.... "en dan naar de +meisjes ook, wat jij, zeg! Edward?" En zijn toost eindigde in een +dol-uitgeschaterd: "Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!" + +En Edward lachte ook en antwoordde met een schielijk vertelden, schuinen +ui, waar André om proestte tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn +stemming weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig te kijken +naar de anderen, die nu, over de tafel gebogen, half-fluisterend, meer +van die moppen gingen vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid +kwam en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer doen kon; hij +bestelde koffie en cognac en rekende af met den beleefd-serieuzen ober. +Zoo merkte niemand dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk +stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep en gepraat van André +in de nu leege zaal, en trokken in den stil-lichten, keurigen corridor +hun klamme, van vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners, +en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen, wachtend op de tram om +naar 't circus te rijden. Want daar wou Edward 't liefste heen, hij was +er nog niet geweest na zijn terugkomst. + +Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de +drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, 'n beetje +stil te houden, en ze kwamen aan 't circus, en gingen op den eersten +rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw +afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg, +kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende +oogen en opgewonden gebaren: "Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe +de kerel dat doet?...." zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken +met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig, +maar na een poosje -- terwijl er geen notitie van hem genomen werd -- +viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar +toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de +koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een +paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard -- die een +beetje boos werd -- om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de +voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen +vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn +kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist +lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden. + +En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal +dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl +Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette, +en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen. +Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was 't ergst +dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar +Bernard, jaloersch, dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en +zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis, +naar de stille kamer op 't Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden +en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed +ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door +elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal +met zijn hoofd in 't kussen lag, sliep hij, met een open mond +achteroverliggend, bijna dadelijk in. + +Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als +'t noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden +vrind. + +De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd +bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een +gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein +en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en +zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep 't niet, hij +vond alles vreemd, 't was of 't niet werkelijk was, die roezige nacht, +dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen +hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... "Ik ben +toch ook dronken," zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij +gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed. + + * * * * * + +Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en +moe, -- Edward sliep nog, -- en 't was een morgen, dof-smartelijk van +landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van +denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist +dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat +vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom. + +Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was +keurig-netjes afgeborsteld en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was +heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek. +Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over +gisteren-avond. Bernard begreep 't niet. + +Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden +juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend +gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om +behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn +groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was +in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar 't was een meisje, o!.... + +Bernard streek zich met de hand over 't voorhoofd. Hij feliciteerde +Hendrik, maar 't feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij +glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij +moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!.... +Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen.... + +Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met +den trein van één uur veertig. + +Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem +naar 't station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram +achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor +sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk. + + + + +XII. + + +Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de +werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't +opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende, +schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel +gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert. +Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met +ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin +alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde, +gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke +vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken. + +Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig, +'t gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je +plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van +Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot +weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven +voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet +merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen, +misschien.... En zij.... zij!.... + +Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar +de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste +momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld +van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en +liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs +naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en +eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke, +bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn +bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje, +zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing +glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door +haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in +Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend +naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in +zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk, +overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte +over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij +'t was die haar man zou worden. + +En Bernard benijdde hem niet. + +Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat +hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge +menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom, +jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze +van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en +pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een +beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de +maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had. + +Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in +Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag +aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat +hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was +niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond +van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn +geest in klankenweelde. + +Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die +stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan +mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk +met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige +verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde +hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen, +zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel +om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht. + + * * * * * + +Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den +heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich +voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn +vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de +stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den +Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk. +Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast +altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen. + +'s Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en +gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op +een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van +muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had +dat Betsy komen zou, sprak er met animo over. + +En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een +drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten. +Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de +stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in +'t rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de +stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij +menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In +'t midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem +breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn +handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met +jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van +zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend +in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt +had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem +luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en +ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de +hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en +Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel. +Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte +fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf. +En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige +benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte +groetend en glimlachte officieel. + +Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een +vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven, +koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en +voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn +wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te +stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm +op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij +was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich +meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten, +een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van +tijd tot tijd een teugje thee. + +En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en +Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette, +zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo +trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij, +langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook +blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden. + +De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook +niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard +verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog +een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu +blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een +luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat +te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en +ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument, +dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast +haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen, +korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de +bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en +lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven +'t gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve +luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar +André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik +naar de zoldering. + +Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een +beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide +uit op een muziekavondje. + +Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer, +daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd +hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt +alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te +zeggen, dat 't mooi was geweest. + +Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een +gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat +zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje +recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende +gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte +hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten +kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken +gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten +vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte +van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met +hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd +naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige +energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om +nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar +hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde +verdraagzaamheid en rust. + +Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw, +die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een +meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano +speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn +verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet +ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer +en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn +rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig +balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de +gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door +afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij +genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te +kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan +zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en +de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die +gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken +waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij +ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de +menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen +hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij +alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel +interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen, +lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen +waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige +menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn +lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken, +en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de +Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan +koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was +nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep, +daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets +hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die +gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in +zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die +menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één +handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel, +die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn +torenwoning, dan zwijgen?.... + +Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in +zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden, +witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken +onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn +trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet +duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten +morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat +hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu +toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook +zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige +mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de +wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam +bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht +op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn +hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde, +diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een +gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap +waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles +maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren +ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee +en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit +weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen +ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere +licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij +ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig +waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit +genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet +of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies +wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen +die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de +sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze +waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles +flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar +prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden +en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te +zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder +lijden. + +Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze +wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard +werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren, +zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk +en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar +in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de +stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te +kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En +als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de +rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen +aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn +dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook +naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met +Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten +blijkbaar niet op hem. + +In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid, +zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de +klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen +door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en +hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal +belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn +soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant. +Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't +figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem +gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein +kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde +zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En +hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en +heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan +zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze +uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap +overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan, +alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te +stampen op den grond en te krijschen van drift. + +Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er +werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met +voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes +rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde. + +Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen, +gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een +praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet +veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem +nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor +hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van +zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven +zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij +deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen +naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of +ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met +haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even +aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want +hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk +kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij +wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó, +glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte +hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak...... + +Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde +hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --, +dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij +eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen +dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met +haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste. +"Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen +Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel +gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op +smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de +rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met +glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom +weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich +opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's +met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze +zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een +dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias, +een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten +met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna +niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om +zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de +kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond +te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks +nog maar 's laten dansen?" + +"Wel jà, wel jà...." zei Bernard. + +Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar +vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou +bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een +indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te +vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens +kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur +slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond. +Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch +wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en +die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en +grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen +zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat +zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft! + +Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit. +Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen, +zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren +met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan. +Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer +naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij +en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met +hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf +liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten +heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den +Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en +hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze +ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter +zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee. + +Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer +uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk +al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij +elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om +verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel +had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den +onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet +van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van +burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken. +Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is +één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog +dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten +loopen met de oogen toe. + +Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou +kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen +loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en +gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë +ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval +meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en +Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen +met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En +goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en +Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef +eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen +gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te +doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en +walste met haar. + +En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal +overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek +was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest +doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig. +En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een +heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering. + +Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen, +en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot +worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed, +heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende +gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms +gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding, +en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste, +moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en +weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen +verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij +niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien, +en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den +wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend +verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg, +in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden, +liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk +hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en +hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!" + +André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die +naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil +leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets +bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn +mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André, +"gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna +roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een +hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander +meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat +gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei +hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze +elkaar niet aankeken. + +Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar +in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt. + +Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd +en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij +ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op +een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes +nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje +pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas +wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel +van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om +een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij +zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar +hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde +ouwelijkheid in zijn stappen. + +En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar +hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was +datzelfde, een verborgen geblaseerdheid.... + + * * * * * + +De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes +gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen. +Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden +glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van +Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden, +zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen +of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier +bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen +weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in +een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen +gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone +vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard. + +Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat +altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard +liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op +zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig. +Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets +van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen +over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak +met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder +zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André. +Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk +gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die +bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied. + +Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van +Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen +mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En +hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij +'t omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard +glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met +extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind +'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde +zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een +zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r +maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch +raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen +voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward. +"Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...." + +Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich +zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in +Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje +zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat +ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam +gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik +dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke +hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent +dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!" + +Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem +op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch, +heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...." + +"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...." + +"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat +dat maar aan mij over, hoor!...." + +Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde, +had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo +ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch +was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen +en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de +straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat +gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht. + +Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet +hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij +dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van +iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een +gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't +merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende +verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon +verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen +en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed. + +Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen +kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij +'t zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet, +'t leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich +zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte. +Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met +minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen, +dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat +hij was! + +Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker +steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in +half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig, +laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen. +'t Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende +mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen +zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en +gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen +nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen +die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen +verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel. + +Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was +koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend +was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere +sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen +opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die +negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden, +los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij +herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't +overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan +gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam +begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze +dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André +proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde +luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken. + +Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten +niet van weggaan. + +Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo, +terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren +tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je +laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel +sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop. +Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis, +en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn +rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu +eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan. +Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n +gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat +nou nog?.... + +Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's +even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl, +dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar +aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek +voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo +gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't +niet te doen. + +En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een +breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje +lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten +en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat +meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam +er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar +André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen: +"Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding +in zijn zak en schelde aan. + +Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door +en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig +verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed +en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend +de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds +schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen, +kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal +zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er +een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't +heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van +netwerk, zwart. + +De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep, +sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om +zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend. +Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten, +grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning +van zijn stoel. Hij huiverde even. + +Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was +verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met +zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij +zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met +een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind +was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd, +te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast +hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij +telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen. + +André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar +flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig +flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof; +veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan +ergens ver-weg, op een tafeltje. + +Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om +naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even +later ging André diezelfde deur door met een andere. + +Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat +kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa, +vreemd-rustig en op zijn gemak. + +Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en +drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren. +Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er +een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant +van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend +naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg. + +En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn +lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar +was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn +lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging +van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een +dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre +doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd, +om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die +hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind +aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te +worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende +warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van +genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die +achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit +haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak, +was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even +zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden +glimlach. + +Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van, +alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was +een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met +een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en +laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje +stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden +verdoovend: Ik ben er van af.... + + + + +XIII. + + +'t Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde, +dat 't zoowat half zeven was, hij wist 't niet precies. Met onbestemde +verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten, +kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen, +die in de strakke puurheid van 't eerste licht onwezenlijk-duidelijk +waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in +zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp +van vogeltjes, en nu en dan 't dofdreigend gebrom van groepen gebogen +ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week +wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. 't Was hem of ze +'t wisten allemaal en hem verachtten. + +Want 't was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde 't zich precies +met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks +staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. 't Was geen droom. 't Was +gebeurd. + +Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang +wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het +scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door 't +onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van 't eenmaal +gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne, +doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat 't niet zoo +was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was +onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen. +Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat +moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende, +onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig +naargeestig, van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij 't opstaan, +aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven +seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van 't betalen, +'t neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende +tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar, +plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn +klamme hand. + +Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in +zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, 't hoofd laag, schichtig +stappend. Hij wist niet of 't physieke pijn was die bonsde in zijn +hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen, +van binnen. + +Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw, +schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in 't slot, en +vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een +onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met +ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in, +waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot. + +Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de +gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën +boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij +begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen, +die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn +vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen +aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok +van 't schuurgeluid dat 't ding op de tafel maakte en liet 't vallen op +den grond, waar 't dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden +open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn +over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede, +en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte +als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam +van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den +sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in 't park, waar hij wist 't diepe +water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn +kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen +te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem +neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd +als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een +stormvlaag.... + +En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden +donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende +stof-lucht van 't kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn +hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter +de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van +hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in +zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn +plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging +zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met +zijn intieme dingen. En toen, in 't vreemd gelende, zwart-schaduwende +licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond. +Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand +scheppend 't koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel, +begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als 't +water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te +klappertanden van de kou. + +Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid, +bedelend verlangen naar warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven. +Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig +mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon +linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop +van 't uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin 't lag. + +Toen hij bijna klaar was zag hij dat 't over half acht was. Zijn +juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem +thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze 't nu, zij ook +al.... + +Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om +naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog +weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor. + +En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan -- dat waren +nog twee dingen die mee geweest waren, die 't gezien hadden, zwijgende +medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas -- sloop hij +voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in +'t slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij +licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw, +die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en +wrevelig, valsch-lieverig: "Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet +ontbijten?.... 't Is klaar!...." + +Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij +praatte nooit met haar als 't niet hoog noodig was. Ze was een beetje +schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord. +"Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!" Goed zoo! +zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een +beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te +houden. + +'t Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te gaan; de werkvrouw zou +er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en 's +morgens altijd 't eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij +naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden +hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien. + +Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig +gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten, +zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te +doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post +uit de bus halen, zei dankje, en liet 't stapeltje naast zich liggen, +quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde +hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend +aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen, +nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een +gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, "Hier Bram," +zei hij, "dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!" "Ja, meneer," zei +Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich +weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. "Wat is er, wat is er?" +vroeg hij ruw-driftig. "Niks, meneer," antwoordde Bram verbaasd, +"hoofdpost, meneer?" "Nee,.... breng 'm maar liever naar 't station, +maar loop vooral hard!" "Ja, meneer!" En Bram ging weg. + +Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren. +Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd +kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er +waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in +'t gezicht had willen smijten. + +Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem +heen; ze was niet gewoon dat meneer er bij was; ze mocht nu alles wel +in de puntjes doen; 't kon niet maar-zoo'n-beetje, zooals anders, onder +een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte. + +En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en +schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte +stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken. + +Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen, +zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij +dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om +de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met +den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine +tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den +patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat 't gebeuren moest +zooals hij zei. + +En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn +bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door +schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet +meer. Maar hij was de patroon en hij zou er 't respect in weten te +houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend. + +Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel +aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken, +stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen 's een standje +te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat, +die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien +had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot +klagen over hem gehad, en 't was een beetje een protégé van zijn oom, +omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hem wel blijven +dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel, +óf.... + +Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn +gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een +doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn? +Dat overkwam iederen patroon wel 's! + +Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen +enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte +gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn +werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine +kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur, +en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf.... +En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat +weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend +hoofd. + +Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging +natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende. +Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote +brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk +wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er, +abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte +bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de +gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en +liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in 't roezig geraas, werd zijn +hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar +moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of +hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep +hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en +keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude boekhouder tuurde +onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de +dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef +hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn +werk. + +Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf. + +Hij ging weer zitten werken. En 't slechte humeur en de ruzielust +waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden +en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig +wenkbrauwfronsen. Plotseling -- 't was om half vier zoowat -- hoorde hij +duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar +maken naar den jongsten-bediende, die in 't voorkantoor zat. + +Hij stond op en vroeg hard-luid: "Wat is er, Bekker?" "Niets meneer," +zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. "Niets +meneer!.... niets meneer!" herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en +klimmende drift. "Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan +Willemse hier?.... Kom hier!...." + +Bekker kwam loom aanloopen. "Gauw wat! Kom hier!" riep Bernard. "Wat heb +je te lachen, vlegel!" En hij gaf hem een harden klap in 't gezicht. + +"Au!" huilde Bekker, achteruit stuivend. "Verdomme!.... U hoeft me niet +te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te +werken, hier, aan de facturen!" + +"Je liegt, vlerk!" schreeuwde Bernard, "je liegt, beroerde lummel!" En +hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer. + +Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood +hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. "Werken jelie maar +door!" snauwde Bernard, "'t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier, +vlegel!" En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam +wat geld uit een laadje. "Hier is je salaris.... voor de heele maand, +maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je +hoed!.... Gauw dan, zeg ik!" Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte +van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen 't +geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af. + +Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij -- zijn bonzend hoofd +steunend met zijn hand -- terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om +niet te wankelen. + +Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste +uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante +papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld +en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige +bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht. + +'t Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met +ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de +anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan -- van +tijd tot tijd -- een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd. +Buiten versomberde 't straatrumoer in 't vergrijzen van den dag; met +klamme melancolie sloeg 't geroep van een lorrenjood in de schimmige +leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand +verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder +vorm. + +Voor 't eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn +schrijftafel stond, en liet 't rolgordijntje naar beneden rommelen. En +met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in 't +nieuwe, heldere licht weer flink aan 't werk zetten. "Ik zou daar ook 't +licht maar aansteken," beval hij zijn bedienden, "'t is vroeg donker van +daag." Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen +op. + +Maar ondanks 't helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille +krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het +geroep en kargerommel versomberen, al dieper. + +En nu kwam ook 't strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift +een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht +even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, .... +misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op +hem, den slechten patroon, den gemeenen man.... + +Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op 't hel-lichte, +koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet. +Hij was de patroon. Hij moest 't gezag handhaven in 't belang van de +zaken. + +Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf. +'t Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn +wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te +hebben zich zelf te beklagen. + +Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom +vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet. +Bernard voelde 't. + +Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde, +sloot, en wegging. 't Is nu eenmaal gebeurd.... 't Kan toch niet meer +ongedaan gemaakt worden.... En al kon 't ook, al kon 't ook!.... Wat +bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld.... + +Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de +Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan +eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat +terugzien en weer omgaan met hen. Of 't nu vandaag of morgen gebeurde +wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger.... + +Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan +ooit hun makker, een van hun slag. Dat zich heimelijk eenigszins +boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een +gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze +zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou +vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles +doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer +aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier +van kunnen hebben.... + +Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar, +aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe 't werkte van binnen, +verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn +suffe hoofd in. + +En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun +gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk +dat die twee 't ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was +aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in 't +geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden +er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan +dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk, +leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer. + +Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over +beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward +en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend +was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken +gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één +van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden +zou. + +En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij +naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer. + +Hij stak er 't licht niet aan, hij bleef in 't donker liggen op zijn +kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen +den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de +hardheid van 't hout, die pijn gaf aan 't beenige achterhoofd. Maar gauw +werd 't te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen 't broeiige trijp. En +willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf, +was hij gauw in een doffen slaap.... weg.... + +Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met +een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat 't bij tienen was. +Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de +stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in +zijn hals. + +Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige +duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven; +mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in 't water weerkaatste +flikkering langs 't plafond, en in den eenen hoek streepte zwak 't +armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij +hoorde 't gebel van de tram die de flikkering wierp in 't water. Maar in +zijn kamer was 't stil. + +En nu steeg in-eens in zijn hoofd, -- dof-treurend als uit de verte +gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, -- het volle +bewustzijn van wat er in hem was vernield. + +En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in +zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was 't mogelijk!.... Hoe +was 't mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder +gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het +zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen +lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen +verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En uit zijn wijd-openstaande +oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang +voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te +snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme +handen van eenzaamheid. + +Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij +fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me +gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind.... + +En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er +niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet +in de kille duisternis, ze waren in 't licht, in 't diepe-stralende +licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan +denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood, +in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen +door 't leven. + +Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit. +'t Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij +begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij +voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang, +langs 't koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde +stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. 't Ging niet. Dan zou +hij 't doen, 't lafste, 't laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen +stijgen tot hen in 't licht, in 't pure licht, maar hij zou daar blijven +liggen, rottend in 't zwarte slijk, als een verdoemeling. + +Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij 't wist was hij weer +op zijn kamer. + +En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in 't alkoof, met +moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen, +de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij +die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar 't deed hem toch goed. +Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken +bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage +behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat +God hem hooren kon. + +De rust na 't uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk +met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een +plan voor de toekomst. 't Was een lange, kale weg, dien hij voor zich +zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan 't eenige. Werken van 't +opstaan tot 't naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen, +waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als 't +zwakke schijnsel van 't groote licht dat hij niet meer hopen dorst te +zullen zien. + + + + +XIV. + + +Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu tot zijn levensdoel te +maken ging hij den volgenden morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij +zich voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen als waren ze nieuw +voor hem en ten hoogste belangwekkend, met volle aandacht, de zaken +breed overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de voltooiende +finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang alle storende gedachten, +aldoor krachtig in zich opstuwend dien wil om zich van nu af heelemaal +te wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen, correcten +stijl in zijn brieven -- zich juist en duidelijk uit te drukken in +weinig woorden -- en naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven +gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij kweekte 't stil. + +Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden, +eenvoudig-kameraadschappelijk. Die vrees van gisteren dat ze wat weten +konden was weg. Dat was natuurlijk onzin geweest, een hersenschim. +Zulke toevalligheden, dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor. Ze +wisten niets van zijn leven buiten 't kantoor, ze letten er niet op, 't +kon hun niet schelen. Ze kenden hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een +doorgaans nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer niets. + +Hij werkte 's morgens, 's middags en dikwijls 's avonds ook nog. De +drukke tijd duurde lang dit jaar. April uit en bijna de heele maand Mei +was er veel te doen. En meer en meer boeide 't hem en merkte hij den +bedarenden zegen van 't werken. + +Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel, was dan +bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over zijn drukte, over de bergen +werk die hem wachtten, om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen. +Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn zuster, zag hij een +paar maal. Eens ging hij er eten en een anderen keer kwam zijn vrind 's +avonds op zijn kamer om 's ouderwets te praten. En beide ontmoetingen +stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw dat hij nog altijd hield van +Edward en graag alles voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige +intimiteit tusschen hen kon zijn. + +Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging veel uit, maakte nieuwe +kennissen, kwam van den een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer +was hij bijna voortdurend aan 't woord. Hij had 't over Mimi en over +andere meisjes, die hij ontmoet had in de laatste weken. Ze hielden hem +erg bezig, al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven, maar hij +kon ze toch allemaal niet vragen en de eene was zoo mooi, en de andere +zoo geestig en een derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden +ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen nemen om 't geld!.... +Maar och, er was toch ook wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral +in Indië, daar hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruit +wou komen, carrière maken.... En dan, 't was ook een allerliefst +meisje, bepaald een +goed+ meisje,.... en ze had ook wel een aardig +gezichtje.... + +Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en sprak wat tegen, en werd +niet gestoord. Hij zat met kalm genoegen naar Edward te kijken, te +luisteren naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk allemaal +zat te vertellen, dat wist hij niet precies. + +Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat was een vreugde voor oom +en tante. Ze begrepen eigenlijk niet goed hoe 't kwam, dat Bernard nu +wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens een of andere +verhindering had. Maar ze wilden er niet over spreken, want ze vonden +'t veel te prettig zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo +opgeruimd. Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn en voor zich +uit staren, en dat kregele, licht geraakte en scherpe. Hij was veel +zachter. Wel scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd ouder +geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak dat tante nooit dorst +vragen hoe 't nu eigenlijk zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op +'t punt gestaan van hem daar 's over aan te spreken, maar ze was altijd +een beetje bang dat hij haar dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en +toch niets loslaten. "De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs +geworden," zei ze eens tegen oom, maar toen die leuk-weg antwoordde, dat +hij daar nog niets van had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen: +"Nou ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies heeft.... Dat +heelemaal niet!.... hij is bescheiden genoeg.... Alleen, hij kan soms +net kijken of hij 't eigenlijk allemaal al lang weet, wat je 'm zit te +vertellen...." + +Oom haalde zijn schouders op, "'k Begrijp niet, wat je bedoelt," zei +hij. + +Bernard wandelde veel 's Zondags in Bussum. Liefst alleen, maar ook +dikwijls met oom, die dan liep te praten uit zijn ondervinding van +zaken en menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen en de lucht en de +huisjes aan den weg. En hij genoot stil van het mooie, het teere, het +fijne. Maar vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan 't genot +van 't zien, 't bespieden van de dingen buiten, dan was hij stil-blij en +bijna gelukkig. Als hij liep in 't bosch en zag de zwartige takken en +takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid, en hij zag +het teer-reine lichtgroen van de eerste blaadjes, en hier en daar een +kastanjeboom, die al verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes +stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de hooge lucht, die +al dieper begon te blauwen en de blank-glanzende witte wolken, die +geluidloos dreven in de zoete koelte, en als hij hoorde 't zuiver +gefluit, de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene vogels -- +als waren er nimfen in 't woud, die lachten en kusten elkaar op de koele +ruggetjes -- en dan daaronder 't intiem-dichtbije gekrak van zijn stap +op 't droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend kwamen rijzen +in zijn hooggedragen hoofd, dan werd 't lichter, zijn hoofd, en als +doorruischt van zuivere liefelijkheid, was 't zorgen-leeg en vrij van +lijden, van menschelijk getob. + +Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg, op den bruin-zwarten +grond, zoodat de vochtige koelte van de aarde begon te huiveren in +zijn lijf, en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren van +voorjaarswind en vocht van weeke aarde. Hij genoot meer van de natuur +dan ooit vroeger in zijn leven; veel was er wat hij nu voor 't eerst pas +merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording van hooger leven in +hem, een plotseling heel diepe, suizende stilte van denken aan 't leven. +En met lange teugen ademde hij de lucht van 't vrije buiten. + +En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld, uit de ongekende +diepten van zijn gemoed -- die waren als stille grotten, waarin de +boschklanken echo riepen -- een heimelijk sidderen van hoop en blijde +verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten in zich zelf, als hij +terug wandelde naar 't druk-modieuse villa-gebouw, waar ze hem wachtten +met een chic-gedekte koffietafel, opziend tegen 't moeten scheiden van +zijn stil zijn in 't plechtige buiten, en hij zei: laat ik daar nu toch +niet aan toegeven, dat is toch allemaal bedrog! laat ik nu blijven +leven, stil, met 't genot van de dagelijksche dingen, met me werk en 't +goed zien van alles om me heen, laat ik nu tevreden zijn, leven in me +zelf zonder hoop op geluk van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens, +altijd even onverwacht, en maar half bewust was ze er weer, die +kloppende ontroering, van iets groots, moois, eindeloos begeerlijks, dat +glansde, even boven zijn blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er +naar kijken wou, er denkend naar zocht. + +Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn eenzame wandelingen door +de Mei-natuur, en maakten hem soms weer triestiger, week neerslachtig en +moe, met lust lang uit-te-huilen. + +In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor weekheid, met enkel +frissche verliefdheid op natuur, zocht hij daar de boomen, en als hij +de boomen niet zag keek hij naar 't water en naar de lucht, naar de +heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs in de Warmoesstraat zien +kon. Hij stond meestal vroeg op 's morgens en liep een eindje om +voor hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen en zag de +malsch-buigende twijgjes, waar 't jonge groen uitschiet en vrij zich +ontplooit en naar de zuivere zon richt 't ongerepte glanzen van zijn +blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en bloeien, kort boven de +bevuilde klinkertjes en de bonkige keien, die daar lagen in eindelooze +regelmaat samengestampt, de vale vloer van de stad. + +Maar ook van de met handen gebouwde stad, van de gevelrijen, van de +hoogtorenende kerken en laagwelvende bruggen wilde hij 't mooie zien en +hij zag 't ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er van genoot, +iedren morgen en ook 's avonds, als hij lui-langzaam liep te dwalen +langs de grachten, in de schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had +het sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd, had hij altijd +verlangd naar 't volkomen-donker, als de lantaarns werden aangestoken, +op de stille grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die wazig +streep-straalden voor de klein getrokken oogen, wiegend heen en weer +met 't wiegende hoofd, en als in de wijde winkelstraten een intieme +huiselijkheid kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om de +haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij van de schemering en rekte +met loom bewegen van zijn lijf 't genot er van in zijn wijd kijkende +oogen en luisterende ooren. 't Wegkrimpen van 't daglicht tusschen de +breed-gekruinde grachtboomen en de hellende gevels van de oude huizen +gaf hem een eigen en innig genot van weemoed, vredigende melancolie, +waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren naar 't stille klagen +van den avondwind, hoog in de toppen van de drukke straten in 't hart +van de stad, de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten. + +Want op de grachten was 't stil, de enkele voorbijgaande menschen +spraken met gedempte stemmen, zonder luidruchtigheid of harden lach.... + +Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde wegen van de stad, tot de +hemel al lang zwart was en de maan opkwam, heilig mysterie van koel +groen licht in den diepen nacht.... + +Als hij dan -- nu en dan huiverig, rillend -- aankwam op zijn kantoor, +ging hij zitten lezen onder zijn lamp, mijmerend boven de stille +glanzing van de bladen van zijn boek. + +Hij was stil en rustig.... + +En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd bevangen door hittige +prikkeling van zinnelijke begeerten, die brandden in zijn droge keel en +klopten in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen, zich moe +loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten tegen de straatsteenen, +net zoo lang tot hij bezweet en door de inspanning half versuft alleen +nog naar rust verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij dikwijls +week en slap van vermoeienis, maar de kwelling was weg. + +Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de eenige manier was om +zoo'n verlangen weg te krijgen, als je er niet aan voldoen wou. + +En dat wou hij nu eenmaal niet. + +Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht in zijn +vredigend-melancholische stemming. Hij vond op-zich-zelf niets slechts +of leelijks in zulke begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of +leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend, plat, banaal en +wee waren de eenige middelen waarmee hij ze bevredigen kon. Eens had hij +dat platte aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan, die er +op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste gebracht. Hij verweet zich +dat nu niet meer. 't Was noodig geweest, dat begreep hij nu. 't Was +helaas noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem 't belachelijke van +zijn vroegeren hoogmoed, van zijn malle, verwaande illusies te doen +voelen. 't Was noodig geweest om hem te brengen in 't leven van +tegenwoordig, 't bescheiden, stille leven van dag op dag, 't eenige op +den duur mogelijke. + +Maar die eene avond beteekende verder heel weinig in zijn lange leven. +Dikwijls, als hij er nu aan dacht, scheen hem die avond een droom of +iets ergens gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen dat hij +al niet lang wist, dat alleen een leven zooals hij nu leidde, zonder +illusies, maar ook zonder zorgen -- want waarom zorgen? -- de wanhoop +weren kon. Hoe was 't mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan verontrust +had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende begeerten en +mensch-verachtende gedachten. Alsof hij-zelf een gigant was en niet een +menschje, even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren ook niet de +giganten teruggeslingerd, in de diepte, te pletter? + +Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje, uit de +Warmoesstraat, zoo'n gewoon beurslummeltje, paste de hubris, de hooge +over-moed. + +En wat er overbleef van 't bestaan, als je 't opvatte gelijk hij nu +deed, was toch nog wel de moeite waard. Als je maar wat zorgde voor +afwisseling in de kleine vreugden en stille genietingen van allen dag, +dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet voordat je oud bent +en weet dat je dood moet. En zelfs dan bleef toch nog altijd 't +in-zich-zelf-schoone, dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van mooie +dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken om te lezen, om in weg +te zijn, weg van je zelf en het leven. Zulke genietingen maar stil +aankweeken in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig aangelegden +tuin vol vreemde heesters en bloemen in tallooze variëteiten -- wel +nergens wild, nergens grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite +van 't bewandelen waard. En de hof van je buurman is allicht weer +een beetje anders, en als hij er geen heining omzet dan kun-je er 's +inkijken, dan heb-je ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel +een klein-burgerlijk genot, je kunt 't af op je pantoffels, maar als je +nu eenmaal geen gigant bent.... en geen reus met zevenmijlslaarzen.... + +Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl hij stil zat te +werken, en hij herinnerde zich dat hij als kind veel meer hield van dien +vliegenden reus dan van 't listige klein-duimpje.... + +O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder over hem zat en +vertelde.... Even dwaalde zijn blik over zijn werk heen, kijkend zonder +te zien.... Toen ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn hoofd +bijhouden, 't was de balans van 't afgeloopen jaar, waar hij mee bezig +was. + + * * * * * + +Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen langs 't +diep-liggende water van een breed-gewalde gracht, kwam hij Sam tegen, +die daar in de buurt woonde, op een bovenhuis. + +"Waar ga jij naar toe," vroeg Sam. + +"Zoo langzamerhand naar huis," antwoordde Bernard, "ik heb maar een +endje omgekuierd." + +"Ga met mij mee," zei Sam, "laten we bij mij een kalm glaasje wijn gaan +drinken." + +"Dat's goed," zei Bernard. + +En ze liepen samen op. + +Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk voor hem geweest, +niet met daden of woorden, maar met blikken en houdingen en een stem van +natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan samen alleen geweest, +lang zwijgend beiden zonder hinder van de stilte, als goede, oude +vrinden. + +Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van den dag, stil-rustig +en vertrouwelijk, en waren gauw in de mooie, groote zitkamer van Sam, +die met veel luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed. +Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid, te vermijden dat er fuiven, +drukke drinkgelagen gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk +genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden, die dan in ruime, +gemakkelijke stoelen kwamen te zitten, de voeten op een dik perzisch +kleed van verwonderlijk mooie kleurschakeering. Ook nu weer was Sam +bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was; hij schoof lage leunstoelen +aan, en niet zijn licht cadanzenden stap vlug door de kamer gaande, +bracht hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van den +voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoo bizonder op verlekkerd +was, en die alleen met kalm-proevende aandacht, in stil-rustig samenzijn +gedronken mocht worden. + +Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen, lagen stoel; +allengs vervuld van stille bewondering, zacht-innige vreugde in mooie +dingen -- alleen niet volkomen vrij van jaloezie -- keek hij rond in de +kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch opentrok en de glazen +inschonk. De met veel zorg-volle vinding en een sterk-persoonlijken +smaak geornamenteerde kamerwanden, vol schilderijtjes en slank-omlijste +etsjes, in den avond meer vermoed dan gezien, en de eenvoud van 't +plafond en de gordijnen, die in rechte plooien neerhingen, innig +schaduwend in 't getemperde avondlicht, gaven een geheel van rustige +harmonie, dat hem aandeed met een gevoel van weelde-genieten en stil +benijden van den man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol de +koele wijn in 't glinster-heldere kristal van de glazen, geschonken met +vaste hand, en werd de bestofte, zwarte flesch, nog rijk van edelen +drank, terzij gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende weelde +van 't fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam zich, met een ernstige +tevredenheid, in den anderen armstoel zakken en namen ze beiden hun +glazen op, mompelden "prosit" en dronken, en Bernard roemde even den +wijn, wat een glans van genoegen gaf in Sams goedhartige, blauw-groene +oogen. Een poosje zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten. + +"Weet je wel, waar André tegenwoordig 's avonds zit," vroeg toen Sam. + +"Nee....," zei Bernard vragend. + +"Hij gaat minstens tweemaal in de week naar Frank,.... zoogenaamd om +Hugo,.... maar je begrijpt dat 't om 't zusje te doen is.... Dat zaakje +zal wel in orde komen, vermoed ik...." + +"Zou je denken," vroeg Bernard, "hij spreekt er nooit over, hè!" + +"Daarom juist!.... Als 't 'm geen ernst was, zou hij er wel over +praten!...." + +Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid op Betsy.... +vier, vijf jaar geleden nu,.... die jonge tijd van lachen en stoeien en +van zingen, uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door zijn +hersenen varen als een van ver aanstrijkende lenteluwte. "Hij heeft +gelijk," zei hij ernstig, "'t is een goed meisje...." + +Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht mompelen: "Gelijk!.... +Hm!.... Betrekkelijk!...." + +"Vindt-je 't niet," vroeg hij, een beetje verbaasd. + +"Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat 't voor hem maar 't beste is +dat hij trouwt...." + +"Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van elkaar houden," zei +Bernard. + +Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen naar voren stekend. Er +was een uitdrukking van goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn +gezicht, een uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij liet zijn +hoofd naar achter zakken op de rugleuning van zijn stoel en sloot zijn +oogen even, koeltjes vragend: "Ben je 't er niet mee eens, jij,.... +verstokte celibatair?" + +Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch van zijn sigaar, en +zei, zijn wenkbrauwen optrekkend, met quasi-deftige kraakstem: "Je weet, +het celibaat is bij mij een tweede natuur." + +Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei: "Wees nou's even +niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk niet willen trouwen, al was je +nog zoo verliefd?" + +"Maar daar is immers geen gevaar voor," zei Sam, "ik ben nooit zoo +verliefd." + +"En kan dat dan ook niet komen?" + +"Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... ik +laat+ 't nooit zoo ver komen.... +Ik wil eenvoudig geen vrouw." + +"Als ik 't niet beter wist, zou ik denken dat je er al een hadt, dat je +'t niet weten wou...." + +Sam lachte even: "Stel-je voor!.... We zijn hier niet in Parijs!.... We +zijn gezeten Amsterdamsche burgers,.... deftighedentjes...." + +"Maar wáárom wil je dan niet," vroeg Bernard een beetje dringend. + +"Wèl!.... Mijn God, kerel! 't zou me eenvoudig veel te lastig zijn,.... +al die soesa!.... 't zou me heelemaal uit me gewone doen brengen, +natuurlijk.... Zoo'n vrouw, die overal aanzit met 'r vingers!.... +nee!.... dat 's niets voor mij!...." + +En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst, langzaam terugzakkend +in zijn stoel. + +Bernard lachte even, een beetje stroef. + +"Ben jij soms ook weer 's verliefd," vroeg Sam. + +"Ik?.... wel neen!...." zei Bernard. + +"Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel van terugkomen op den +duur, van dat kinderachtige verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed +op weg.... je kunt dat immers heel goed vermijden als je wilt!.... M'n +hemel, je kunt net zoo goed op 't eerste 't beste meisje verlieven als +heelemaal nooit!.... Dat hangt er maar van af, of je er aan toe wilt +geven of niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik heb niets +tegen die lieve kinderen,.... integendeel!.... ze zijn altijd allemaal +even lief en aardig voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,.... ik +heb 't altijd best overal waar meisjes zijn...." + +Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid in Sams stem en +zijn dom-weg voor-zich-uit zeggen van die korte zinnetjes hadden iets +clownachtig-komieks. En ook voelde Bernard dat er een ongevaarlijke +aard, een onverstoorbaar goed humeur voor noodig waren om dat zoo te +zeggen. + +"Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van 'n ouden vrijer, een goeien +oom,...." zei hij lachend. + +"Dat ben ik," zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw komiek was. "Maar +ik vind 't heusch niets moeilijk!.... De verleiding is niet groot +voor me.... Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten zijn +teleurgesteld.... Och, weet je waar 't ze allemaal om te doen is? Ze +willen gekoesterd worden, lekkertjes verwend, aldoor-maar-door.... Ze +doen net als kindertjes die huilen om een koekje, en als de trommel leeg +is zijn ze boos.... Mijn huishoudster zorgt heel voldoende voor me...." + +Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams stuursche oude +huishoudster. "Dus," zei hij even later, "jij zult je geluk nooit zoeken +in de liefde." + +Hij werd een beetje wee van de banaliteit van zijn eigen woorden; 't +gesprek begon hem tegen te staan. + +"Geluk zoeken?" bromde Sam nog. "Ik weet niet waar je 't over hebt!.... +Ik ben zoo gelukkig als ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen +af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn zoo overdreven +niet...." + +Hij trok 't zich volstrekt niet aan, dat hij geen antwoord meer kreeg, +maar dronk langzaam zijn glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw +in. En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend. Bernard voelde 't +wufte van zulk hol gepraat nadreinen in zijn ziel en hij merkte weer een +kregele kriebeligheid van ergernis, als hij keek naar 't kalm plooilooze +hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust: Sam was hem tegengevallen, +had hem teleurgesteld; hij had veel meer diepte vermoed achter die koele +leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te rekenen op zoo wat +los geklets onder een glaasje wijn. Dienden al die nuchtere frasen zijn +vrind niet om gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?.... En +scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd naar Sam, die over hem +lag, bespiedde hij de uitdrukking van zijn starende oogen. Maar die +waren dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd. + +"Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht," begon Sam weer. +"Daar, in 't midden!.... Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets +van zien.... je moet maar 's komen kijken overdag.... 't Is verrukkelijk +mooi!.... Dat 's nou mijn lust en mijn leven!...." + +Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig aan. Zoo'n enthousiaste +uitdrukking had hij nog nooit van hem gehoord.... En hij zag de +dof-glanzende staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje.... +Er was passie in dien blik.... En nu werd 't Bernard helder.... Dat was +'t weer, altijd 't zelfde!.... alleen verschil van hartstocht verdeelde +de menschen. + +Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er +van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat 's ging ontwikkelen, zou 't +hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien 't middel zijn +om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd, +zoo dat 't eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming, +waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen +kunt, als je er 's uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of +'t lijden van anderen. + +Hij gaf toe aan dat plan, 't rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag +zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw +kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch +maken, zoodat niets meer stoorde.... + +Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik +zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar +blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en +machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf.... + +En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis.... + +Maar Sam blies kringetjes en zei: "Kom, drink toch 's uit en beweer 's +wat.... Hoe gaat 't in de zaken?" + +Bernard zette zich recht. "Sam," zei hij, "al wat je daar net gezegd +hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!...." + +"God, kerel!" zei Sam, glimlachend, "denk je daar nog over?.... 't Is de +moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet +dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik, +niemand met m'n egoïsme!...." + +Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna +onverstaanbaar, bromde hij nog: "Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd +hebben...." + +"Maar ik vroeg," zei hij dadelijk hard-op, "hoe 't in je zaken gaat." + +En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis +ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan. + +En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van +weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken +en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor 't geluk van een +ander, of voor een idee. + + + + +XV. + + +'t Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten +zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en +'t riet. 't Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars +beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met +villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte +bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend +in de zon, en liet zich lekker omgolven door 't tintelende licht, en +de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen, dartelend 't +zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes +tegen, mompelend in 't vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen, +maar hij lette niet op hen.... + +Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude +dame in 't zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur, +recht-op, in teere slankheid. + +Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een +half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook +aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat 't Lucie Tadingh was. Hij groette +met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met +zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en +helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde +strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en +zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig +van ja. + +Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat +was 't nu ook weer?.... 't Was iets aangenaams, iets rustigends, maar +wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij +eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo'n kleur? En ze groette +bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze +misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij +misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en +beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit. + +Een vreemdsoortige ontmoeting.... + +Hoe was 't toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te +binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan 't souper.... +o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was +voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van +den Bosch hem nog over haar gesproken.... Dat ze zoo'n lief, zacht meisje +was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame.... +haar moeder.... + +Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar +nooit meer 's tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg +afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had.... + +Maar waarom of ze nu zoo bloosde?.... + +En neen, 't was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende +verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was +dat hij haar herkende.... Ja, zoo was 't, dat drukte 't best uit de +herinnering, die hij er van gehouden had. 't Was vreemd. Een meisje dat +hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op +een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!.... + +Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later. + +Hij vond 't al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van. + +'t Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat +zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem +om op te verlieven!.... Wat had hij in 's hemelsnaam dat een vrouw kon +bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij +was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets +interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon.... + +Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een +knappe jongen was en dat in dien tijd -- wat was dat lang geleden -- +bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy. +Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op 't gymnasium was. +Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later +Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens zeker geweten. Had ze +van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn +vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en 't nichtje dat +logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge +meisjes!.... + +Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan +denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel +vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij +misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs, +onbevangens, een dichter in den dop.... + +Maar nu?.... Hij begreep 't niet. + +Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn +tante: "Kent u hier een weduwe Tadingh?" + +"Tadingh," herhaalde ze, verwonderd, "Tadingh?.... Nee.... 'k Heb den +naam wel 's hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee...." + +"Jawèl," zei oom, "dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die +een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en +een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op +de Prinsengracht." + +"Hoe dat zoo, Bert," vroeg tante. + +"Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den +Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben +ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende...." + +"Nee," zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond 't blijkbaar gewichtig +en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard +interesseerde, en die zij niet kende. "Nee!.... wonen die hier?...." + +"Ik weet 't heusch niet," zei hij, "'t is best mogelijk dat ze maar voor +een enkelen dag zijn gekomen." + +'s Middags wandelde hij met oom. Maar hij was lang niet zoo rustig als +anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte, +wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij +voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend. +Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij +had 't land aan zijn uiterlijk. 't Was te vol en te blozend, het had +iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde 't heelemaal niet +in harmonie met zijn innerlijk.... + +En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee.... +onmogelijk.... + +Maar hij was aldoor onrustig. Na 't eten liep hij al weer uit, tot +teleurstelling van oom en tante. "Ik kom gauw terug," zei hij, "nog even +een luchtje scheppen!" + +Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek +ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan. + +Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou +gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want 't was natuurlijk +een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van +terzij glurend in de tuintjes en waranda's. Vruchteloos natuurlijk. +'t Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen +loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang +rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En +droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje +triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een +heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van 't tuintje +waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed +denken. Was ze 't? Hij luisterde even. Blijkbaar was 't een meisje, dat +met een hond speelde. + +Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was 't; +ze zag hem ook en bloosde weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij +voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette. + +Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op +'t hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan, +een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: "Dag, +juffrouw Tadingh, hoe gaat 't u?" + +"Dag, meneer Bandt," zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een +hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje. + +"Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk," zei hij. + +"Jawèl," zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, "u groette toch?" + +"O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al +even aangekeken voor ik groette...." + +"Ik vond 't juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende," zei ze, "we +hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en 't is al zoo'n tijd +geleden." + +"Ja...." zei Bernard, aarzelend, "ja.... dat 's wel waar." En er was een +oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op 't +punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij +had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich +in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende +emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had +hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend +lichten, vreemd-witlichten droomhemel..... + +"Gaat u dien kant op," vroeg hij, om wat te zeggen. + +"Och," zei ze, "'t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op +met Hek,.... hier Hek!...." + +En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij +zei, 't had hem verwonderd, dat hij haar nooit 's was tegengekomen. Zij +zei -- even blozend -- op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze +hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en +eens op de tram. Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in +comedies of zoo. 's Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en 's +avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap +houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was +heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat +villatje, waar ze daar juist uit gekomen was. + +Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was. + +"Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was +nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek 't veel erger geworden. +Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden. + +"Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet +waar?" vroeg Bernard met stillen eerbied. + +"Ja," zei ze dof, "twee-en-een-half jaar is 't nu." En even liepen ze +zwijgend verder, met gebogen hoofden. "Kom!" zei ze toen in-eens, "ik +moet naar huis." En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand +al uitstekend. "Mag ik u nog even terugbrengen," vroeg hij. + +"O!.... zeker!" zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen +lachend, maar onmiskenbaar blij. + +En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote, +eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor 't ranke +meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een +bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook +bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn +moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond 't offeren +van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te +gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch +scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem +te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch +vreemd, bizonder.... + +Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik +begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar +zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen +aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij +er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was +volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze +wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen +leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar +dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over 't Gooi,.... ze hield +dol van wandelen,.... 't was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe +was.... + +Bij 't hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden +elkaar goeden dag. "Tot weerziens, juffrouw Tadingh," zei hij op +vroolijk-hartelijken toon, "'k ben blij dat ik u weer 's ontmoet heb." +En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem +weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging 't krakende +schelpenpad naar de waranda van 't huisje op, terwijl hij langzaam, +omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was 't, haar +slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij 't +huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag 't. + +En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker +al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een +gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger, +in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van +dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu +geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe 't kwam, wat haar in +hem zoo beviel, begreep hij niet, maar 't was duidelijk, dat ze hem +heel graag zag, dat ze 'n beetje verliefd op hem was.... Wat een +aangenaam-verwonderend, vreemd zacht-streelend idee was dat!.... + +Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden +en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou +ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een +vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker +al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon +daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een +goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend +al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze +werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo'n +houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg +vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. 't Zou nu veel te jammer +zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar +vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een +lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer +opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar +een beetje helpen in 't opbeuren en steunen van die arme zwakke.... +Zoo'n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster, +dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel +sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele +kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil, +gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren +als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid. + +O! 't Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn +overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem +van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn +gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu.... + +Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar +zei dat 't lekker weer was, dat 't hem altijd goed deed zoo'n +avondwandeling. + +En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en +uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. 't Vulde +de avonden zoo. + + * * * * * + +In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie. +Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar +gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid, +reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de +essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in 't +stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door 't somber mooi van +de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in 't +onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek +zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige +genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend +bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep, +starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel 's even of 't toch niet +verliefdheid was, of 't niet passie zou kunnen worden wat hij voelde +voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte +die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit +zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach +weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook +herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd +onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met +gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen. +Maar nu was 't of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter, +wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door 't licht van haar +oogen. Zij was nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want +dood was zijn hoog begeeren. + +Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een +donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur. +'t Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te +glimmen in 't bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de +dampen brak. + +Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht +de rhumatiekige armen en beenen te wrijven. + +Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij -- alsof dat heel +natuurlijk was -- regelrecht naar 't zwarte weggetje waar Lucie woonde. +Hij had zich zoo vereenzelvigd met 't idee haar weer te zullen zien dien +Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij 't villatje stond, begon te +begrijpen hoe vreemd 't eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en +zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom +vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad +was 't nog wat anders, maar buiten kon dat best, want 't samenzijn +ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser, +natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken. + +Dus liep hij -- licht schrikkend van 't kraken van zijn stappen -- 't +schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar +moeder, stil oud-vrouwtje, 't bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf +was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend. +Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen +bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen. + +Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei +op vroolijken toon: "Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even +voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... 'k Heb 't genoegen gehad kennis +te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar 's opzoeken.... en ook +'s kennis maken met u!...." + +Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder +glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem: +"O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week +tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even...." En ze liep naar +binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere, +bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: "Lucie!.... +Lucie!...." + +Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. "Maar, +mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers +wel komen.... Blijft u rustig zitten....," zei hij luid en dringend. Hij +begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. 't Was weer +echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!.... + +'t Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al +doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan, +haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen +terug. Hij zag zich alleen staan in 't intieme warandatje. 't Breiwerk +lag neergegooid op 't houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten +leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was 't +eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en +dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat +hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met +ingehouden adem naar 't fluister-gepraat binnen, maar hij verstond +niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: "Mevrouw," +begon hij, "u is wel vriendelijk, maar...." Ze glimlachte nu bedaard. +"Ze zal wel dadelijk komen," zei ze, en ging weer zitten en nam 't +breiwerk weer op, den bril naar voren halend. "'t Is heel aardig van u, +dat u ons 's op komt zoeken, meneer Bandt...." + +"Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en 't niet brutaal van me +vindt," zei hij. "Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier +op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde...." + +"Ja, ja!" knikte ze vriendelijk, "dat heeft ze me verteld." + +"En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u 's een visite te komen +maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld 's Zondags in Bussum.... En ik +heb niet veel kennissen...." + +"Wij ook niet," zei ze. + +"Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?" + +Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht +in de oogen en 't viel hem op, 't deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo +in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende, +'t was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam 't doordat Lucie +op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen, +maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en 't hooge, +blanke voorhoofd.... + +Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij 's Zondags +altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig, +want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend, +alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie.... + +Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en +in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. "Dag meneer Bandt," +zei ze, "hoe gaat het?...." Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze +elkaar de hand. + +Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een +rustige, heldere blijdschap. Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt; +een vroolijk-wit lintje was strak om 't halsboordje gehaald en het +zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong +op 't achterhoofd. Ze zag er frisch uit, 't was of ze wat voller was +geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren. +Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een +houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan.... + +"Die Bussumsche lucht doet u goed," zei Bernard, "u ziet er uitstekend +uit...." Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde +blijdschap, en over 't oude gezicht met den stalen bril gleed een teere +glans van innige, weemoedsvolle vreugde. "Ja, ja," zei Lucie, "we +knappen hier op, niet waar, moesje?" Die knikte weer. "Ja, ja, +zeker!.... zeker!...." Maar daarna zuchtte ze. "'t Doet mama ook zoo +goed, die lekkere lucht hier," voegde ze er bij, zich weer naar Bernard +keerend. "'t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht." + +En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en +allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat 't er +eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; 't samen-zijn, 't +elkaar zien en hooren, dat was 't enkel. De moeder ging, met stillen +ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend +bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard. + +Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan, +als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en +recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich +groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer +klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of +stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte +huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk was en trotsch +zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en +dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid +steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar +werk. + +Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde +teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem +en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,.... +ontroerde.... En plotseling werd 't hem te machtig, kon hij 't niet meer +verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn.... +Midden in 't gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest, +dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten, +en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer +zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag, +verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie, +blozend nu voor 't eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot +aan 't hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen +de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende +teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde +staan, en zijn oogen werden vochtig. "Ik kom gauw terug," zei hij met +een doffe, licht trillende stem, "adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie +zeggen, nietwaar?...." "Graag!" zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar +dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, "doe +je 't heusch?.... 't Zal mama ook zoo'n plezier doen!.... Dag Bernard!" + +Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat +een mooi woord maakte zij er van.... + +Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de +waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, 't zwarte weggetje +af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want 't was +heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? 't Was +daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was 't eenige +waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet +verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare +gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld, +dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij +op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens +met een weerzin aan 't terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op +en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen +weg, in stil gesoes.... + +En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze +zich weer samen te voegen tot 't gewone, lang gekende complex. + +En toen merkte hij 't in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor +had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, -- was 't zijn naam wel +geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? -- neen, dat had niets +van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid, +vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij +hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en +nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer +van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat +was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande, +trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. 't Was meer dan gewone +vriendschap nu tusschen hen, 't was zuivere, lichtende sympathie, 't was +een verliefdheid van zielen.... Maar, -- of hij de gedachte al ontweek, +'t gaf niet, hij wist 't toch, 't was als 't hoonend gegrijns van een +duivel achter de rozenhaag van zijn geluk -- hij kon haar aanzien zonder +begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van +zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend zag +hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk +was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien +was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan 't nobel welven van haar +mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de +begeerte in heete kussen wellust te drinken van 't meegevende +lippen-vleesch. + +Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man, +die koel, vast-emotie-loos zei: "Dit wordt uw vrouw." Zou 't zoo zijn? +Moest dat zoo? Waarom? En wat dan? + +En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet +denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en +begon opnieuw. + +Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was +verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was +op haar. Als ze 't gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar +oogen. Neen, ze had 't zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat +hij weer kwam, 't had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel! +Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en +ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd. +Maar hoe kwam 't dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden +in haar, wier zieleleven van zoo'n stil-pralende pracht, van zoo'n +weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem, +bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep +'t niet, maar 't was zoo en 't streelde hem als zacht fluweel, 't +doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, 't doorgloeide hem als +zuivere zonnestralen, 't bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in +zoo'n vrouwenziel, en 't hief hem op, 't droeg hem door de lichte lucht, +hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid +te zullen zijn, zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend +bewegen scheen en 't leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat +bewustzijn. + +Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn +linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat +hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat +zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig +begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde +geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij 't noodig had, nu dat +het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet, +nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood, +verstikt, verdroogd?.... hij wist 't niet, maar 't was niet om uit te +staan! 't Was om dol te worden, om te gaan razen!.... + +Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos +te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel +van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond 't zoo heerlijk, +zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast +niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, 't zou gemakkelijk +genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook +weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet +meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen +weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij +al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend. + +Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze +toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef +op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot +voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan 't recht hebben +hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze 't hem niet, +hij voelde dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de +teleurstelling zien in haar oogen, 't verdriet, de wanhoop misschien, +en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!.... + +Maar wat dan? + +Hij wist 't niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een +oogenblik speet 't hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef +hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten, +dat hij zoo'n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou +toch voortaan zijn z'n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend +alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken +weg. 't Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij +schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij +voelde 't kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn +schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme +vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos +van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen. +Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein +medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot +Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder 't zich te verwijten. Hij +moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk +dan doen; hoe zou 't moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan 't +werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg +geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus +liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij +doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij 's ziek werd, als hij +niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar +waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd +had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen.... + +Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor 't raam. Ze waren +boos, ze bromden erg. Ze vonden 't bespottelijk en heel verkeerd je zoo +moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op +buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze +bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond +dat ze groot gelijk had. + +Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En 's avonds in den trein +kwamen al die gedachten van 's middags terug en schenen hem nog +ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens +een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij +stond er den volgenden morgen mee op. + +Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt +niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten +alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en +haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer +over te tobben en 's avonds kon hij nergens anders aan denken, was 't +een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen +plan van handelen.... + +En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor +zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen 't plotseling in +hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige +tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God +gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte +kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde +eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had +begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de +durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als +een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan, +dat was de hooge taak hem opgelegd. 't Was of een witte duif zacht +klapwiekend neergestreken op zijn schouder, 't hem had ingefluisterd. +In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn +leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde +hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat +levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar, +met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde +stilte als in een hooge kathedraal. + + + + +XVI. + + +Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo +vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van +blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze +natuurlijk nooit. Ze hadden 't over de nieuwe Beurs. + +Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn +groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van 't eerste succes. Zóó, +verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw +werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft -- als wijn in den +mond -- de stemmingen die 't maken hem geven zal. + +Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken +moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur +wou komen in een zeker laantje -- hij duidde 't haar nauwkeurig uit -- +een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom. + +En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den +sleutel van "de zaak" aan den boekhouder en verzocht hem voor 't sluiten +te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs +naar 't station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen. + +Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak en helder als de +blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling. + +'t Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in 't laantje. +'t Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den +eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen +'t plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer +dan mans-hoog. + +Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en +soms even, tusschen de boomen, 't weiland over, dat frisch-wijd-uit in +'t helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar +in 't rustige wachten -- hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou -- +ging dat over. + +'t Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder +ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder +geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider +voorbij en mompelde 'n groet. Anders was 't stil. Wat gonzen van +insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof, +gedempt.... + +'t Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als 't was.... Hij dacht +even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte +stil-weemoedig, soezerig starend langs 't laantje. + +Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan +kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen +gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó +zou hij 't juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat +was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; 't +zeggen, zooals 't in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon.... + +En toen hij haar in-eens -- 't was nog vóór vieren -- den hoek omkomen +zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu +eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom, +abstract en dof.... + +Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds -- den grooten stroohoed +in de hand -- zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op 't strakke +zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen, +geluk-glanzenden blos hem aankijken.... + +Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer +en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. "Hier ben ik, Bernard," +hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen +zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam +de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar +in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij +begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt, +beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend, +zoekend naar zijn woorden: "Heel lief van je om hier te komen,.... ik +dank je wel,.... vond-je 't niet gek, dat briefje?...." + +"Gek.... Nee!.... Maar wat is er?" vroeg ze. En ook in haar stem +hoorde hij de onrust, den angst dat 't niet dàt zou zijn, maar.... +iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even +half-bewust van genoot en 't plan in hem opkwam er nog geen eind aan te +maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of +zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij 't weer, dat wufte spelletje; +'t gaf hem wat nieuwen wrevel.... + +Even was er stilte.... + +Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten +wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast +zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij +zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en +helder-rustigen glimlach, zei hij: "Je weet best, wat er is,.... je +begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!...." + +Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde +langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: "Lucie,.... mijn +lieve Lucie,.... mijn vrouw!...." + +En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte +achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem. +"Wil je me?" vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. "Ja," +fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om +haar heen. Toen lei ze 't warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn +schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op 't +strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn +goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag, +beschermend tegen zijn borst. + +Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan +hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij 't niet goed +aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe +te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te +zien. Maar ze schudde 't hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg +fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor +zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep 't niet, +dat lange snikken. + +Maar in-eens hief ze 't hoofd op, veegde met de linkerhand een paar +tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van 't +huilen, lag nu zoo'n wijd-zachte zaligheid, zoo'n groot en innig geluk, +dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl +hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht, +op 't voorhoofd. "Je zult 't wel vreeselijk gek van me vinden, die +huilbui, hè," zei ze met een zenuwachtig lachje, "ja, ik vind 't +eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe 't kwam +in-eens.... Maar 't is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo +overweldigend.... En 'k heb zóó lang naar je verlangd...." Langzaam, +fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van +innigheid. + +"Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden," vroeg hij met +hoog-blijde verbazing. + +"O! dadelijk! dol!" zei ze met extase. "Ik weet 't nog precies. Ik had +je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna +van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist 't dadelijk, +toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb 't vroeger zelf nooit willen +gelooven, dat 't mogelijk was, en als ik 't las in boeken heb ik er wel +'s om gelachen, en toch was 't zoo, toch is 't zoo!.... Van 't eerste +oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel, +zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!...." + +"Lieveling!" zei hij, "vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht +tot-ie kwam?...." En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid, +zacht-voorzichtigjes op 't voorhoofd, en drukte haar hand. + +"Ja.... natuurlijk....," fluisterde ze. + +En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. "En jij," vroeg ze toen, +zalig glimlachend, "wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je +houdt toch van me, hè?.... Je hebt 't me nog niet eens gezegd!...." + +"Hoeft dat dan wel," vroeg hij. + +"'k Zou 't je zoo graag hooren zeggen," zei ze, en ze leunde weer tegen +hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: "Zeg 't 's!.... +Bernard!.... Heb je me lief?...." + +"Ja,.... ik heb je lief....," fluisterde hij toen, zijn oogen even +sluitend. Weer waren ze een poosje stil. + +"Hoe komt 't toch dat je nu in eens van me bent gaan houden," vroeg ze +weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. "Op die partij +toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen +voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag 't wel!.... Heb je haar later niet +meer ontmoet?" + +"Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch...." + +"En was je toen weer niet verliefd op haar?" + +"Nee, o! heelemaal niet!", zei hij lachend. + +"Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je +hield?" + +"Een beetje...." + +"Ja, ik dacht 't wel," zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor +zacht stralenden blik, "'t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat +ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me +opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!.... +En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet +op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog +veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je +te bespreken!...." + +"Maar als we nu 's naar je moeder gingen," opperde hij. + +"Hè?.... Nu al?...." zei ze, met een vleiende stem, "toe, laten we nog +wat hier blijven!.... 't Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?...." + +"Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze 't dadelijk goed vinden?" + +"Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt 't zeker bijna net +zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je +denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou.... +O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin, +altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een +heerlijk laantje, zeg! Ik kende 't heelemaal niet!.... Toe, laten we nog +even blijven!...." + +Ze vroeg 't met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem +opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk +aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij +zei 't haar. Hij moest nu in ieder geval naar haar moeder gaan en haar +vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook +wel even naar oom en tante gaan en 't die zeggen.... + +"O! weten die er nog niets van," vroeg ze. + +"Wel nee! niets!" zei hij. "En 't zou toch te gek zijn als ze later +hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en +weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch +niet!" + +"Wèl nou maar, ik weet goed raad," zei ze, "je blijft natuurlijk +bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar +Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante.... +Nee, nee, dat 's waar, dat gaat ook niet," viel ze zich zelf +teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, "je dient ze daar wel +even op voor te bereiden, hè?" + +"Ja, natuurlijk!" zei hij, "dus moet dat allemaal een beetje gauw +gebeuren.... Maar 't kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je +moeder gaan, en dan loop ik nog even voor 't eten naar oom...." + +"Ja," zei ze, "goed!...." En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm, +waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje +stil, blijkbaar vond ze 't niet prettig dat alles nu zoo haastig moest +gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal +meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken +zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden +maken, en de kleine uitstapjes 's Zondags, en dat wond haar op tot een +stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes +doorging, zei ze even met een bezorgde stem: "Ja!.... 't is natuurlijk +altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we +zullen wel zien!" + +"Wel ja," zei hij, zonder daarover na te denken, "dat zal wel terecht +komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar 's met je +heen te vliegen...." + +Toen ze dicht bij 't villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een +beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover +zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in +zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover +die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die +wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel +waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste +stem en blik? + + * * * * * + +Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met +een boek voor zich. Lucie ging vooruit. "Ma-tje, hier is meneer Bernard +Bandt, die komt u wat vragen," zei ze met een opgewonden-hooge, +zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf +haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van +geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward +weer. + +"Wat is dat?.... Wat is dat?...." zei de moeder, quasi-niet-begrijpend, +met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. "Dag, meneer +Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie! +kindje! wat is er nu in-eens?...." + +Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden +en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem: +"Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu +hopen we maar dat u 't ook goed vindt,.... dat we trouwen...." + +Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de +lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker +hand streelde ze Lucie's hoofd, dat in haar schoot lag, terwijl ze de +rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige +goedhartigheid. + +"Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt," zei ze eindelijk +met een piepende, gebroken stem, "maar ik weet hoe m'n kind van je +houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel +goeds van je verteld...." + +En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard, +en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te +sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening. + +Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte. +"O! Bernard," zei ze glimlachend, "als je wist hoe dat kind van den +winter...." "Sst, sst! stil toch ma," viel Lucie haar blij-blozend in de +rede, "ik moet 'm dat nog allemaal vertellen...." + +Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, 't Was al laat genoeg! +Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op +een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op +stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter +voor zijn neef en pupil. + +"Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!...." zei de moeder, "'t zal me +aangenaam zijn." Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch +wel tegen op te zien. + +"Dan komt je tante zeker mee," vroeg Lucie. + +"Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien...." + +Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer +opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie; +zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg. + +Ze waren op 't punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn +bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde 't werk op waar ze aan +bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze Bernard zagen, +zoo onverwacht, midden in de week. + +"Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?" + +Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. "Ja," zei hij, driftig +zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel. +"Gaat u 's even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt +niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met +juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel, +waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En +met de moeder is 't ook al in orde!" + +Met open monden en groote oogen hoorden ze 't aan. + +"Hè?.... wàt?...." vroeg tante. "Wat 's dat nou in-eens?" vroeg oom. + +Toen zei hij 't nog 's heelemaal, wat langzamer, wat kalmer. + +En tante, 't eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen +geven, en feliciteeren met tranen in de oogen. + +Oom pruttelde. "Nou ja.... hoor 's even!.... dat kan je nou wel zoo +'s effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan +ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet 's eerder over +gesproken!...." + +"Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent 't meisje immers toch niet!.... En +als 't anders geloopen was dan had ik 't heele zaakje maar kalm voor me +gehouden." + +"Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een +ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou +je trouwen, heertje?...." + +"Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet 's feliciteeren?" +verweet tante. "Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig +natuurlijk!.... Breng je ze 's gauw hier?" + +"Hé!.... wacht nou 's even!" zei oom, "feliciteeren wil ik je wel, +jongen, -- ofschoon ik 't meisje nog niet eens ken --, hier! geef me 'n +hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar +niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès +bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!...." + +"Wel ja, oom," zei Bernard, "dat moet u nou natuurlijk maar net doen, +zooals u 't goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel +'s een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel +geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast 's kennis. + +"Hm!.... Nou.... dat 's goed,.... dat 's goed!" + +"Afgesproken," zei Bernard, "dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu +maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan +kunt u beiden er intusschen nog 's over denken.... en over praten!.... +Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!...." + +En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog +vragend of 't een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die +dingen. + +Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. "Nou?.... wie heeft er nu +gelijk gehad," vroeg ze. "Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!.... +Ik merk zulke dingen altijd dadelijk...." + +Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad +dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van +zijn andere handelsvrienden. Zoo'n juffertje Tadingh!.... Dat zou +natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in +zulke dingen.... + +"Ik vind je niets aardig," zei tante. "Daar net ook al! Waarom +feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met +je berekeningen!...." + +Maar 's avonds kwamen ze, en Lucie, met haar groote, eenvoudige +goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om +te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in. +Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn +visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou +komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken. +Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem +trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een +goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch +zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer 't een beetje te +kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij +wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en +liet "de kinderen" zelf uit en kwam neuriënd weer binnen. + +Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten +kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw +zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of +fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!.... + +Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich +toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van +overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als +een drukke droom.... + +Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens +ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn +visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze +kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen +te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor +heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust. + +Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest 's middags in Amsterdam +zijn, menschen spreken, en 's avonds werk inhalen wat al was blijven +liggen. 't Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij 't natuurlijk +aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam +vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem +hartelijk de hand. "In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet +'t zelf maar weten," zei hij. + +André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar +hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen +kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig. +Hendrik stootte Bernard aan: "Die denkt: 'k wou dat ik al zoo ver was," +fluisterde hij. Maar André, die 't gehoord had, bromde "verrek!" en +dronk zijn borrel uit in één teug. + +Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest +natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had, +kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang +in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de +aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij 't erg druk om al dien +verloren tijd weer in te halen. En 's Zondags werd er visite gewacht, +buren en familie en de beste vrinden. + +Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij 't liefst dat +ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van +haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde +aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld +had 't zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige +omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit +starend. Hij zag haar nog niet, hij "lette niet op haar." En langzaam, +met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem 't begrijpen +van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden blik in één +handbewegen, geschapen had. + +Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. "Wat ben je ernstig, +is er wat?" vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: "Wel nee, lieveling, +niets," en kuste haar op 't voorhoofd of op 't haar. En hij ging +vroolijk met haar praten. Maar 't medelijden in hem werd grooter, met +scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen +zich aantrok, of 't hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen +geslagen.... + +Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd. +Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er +uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje +voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond +haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo 'n echt simpel buitenmeisje, +'n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat +neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten +en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was +een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te +houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen. + +Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren. +Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was 't den +heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh's eenvoudig +buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die +gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de +menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar +slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis. + +'s Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie +over haar moeder. "Ze schijnt wel héél zwak te zijn," zei hij. "Dat is +'t," antwoordde Lucie, "de minste inspanning pakt haar zoo aan. En ik +weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige +slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar +op te beuren.... Je kunt 't zoo goed....", zei ze, met een lief lachje. +Maar even daarna, angstig weer: "Hoe zullen we toch later met haar +doen,.... als we trouwen?...." + +"Ja," zei hij, "daar heb ik ook al over gedacht.... 't Best zal zijn +haar maar bij ons in huis te nemen, hè...." + +"Ja," zei ze,.... "zou je dat willen?...." + +Ze zei 't op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou +toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze 't toch zeker wel 't +liefste zoo hebben zou.... + +"Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?" vroeg hij. + +"Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof +ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen...." "Ja! och," zei +hij, "dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?.... +Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo +gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van +haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen." + +"Ja!...." zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar +ze richtte zich op, met een schokje. "Je bent mijn goeie vent, hoor!" +zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem. + + + + +XVII. + + +Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van +roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer. +Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden +in Utrecht en in den Haag, en "'t jonge paar" werd uitgevraagd op +dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden +ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en +nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag +aan de oogen wat ze er van dachten, 't was heel ergerlijk en vervelend, +vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een +heelen avond zoo 'n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van +weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar +liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf +een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos. +En dan in-eens zoo'n kriebelige lust, een vloed van vloeken en +kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring, +dat was een temptatie. + +Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden, +alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van 't succes van +zijn plannen, van die stichtende voldoening.... + +Maar Lucie scheen 't niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd +werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij +me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek +maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch +op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de +meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als +een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde 't niet. Want dat was +immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag 't immers +aan hem, zooals zij 't gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond +'t een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem +bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij +zag 't zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten. +Lucie scheen 't nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden +blik.... + +Misschien kon 't haar ook niet schelen!.... + +Dikwijls als hij met haar praatte had hij 't met stugge minachting +over "de menschen." De menschen geloofden dit, de menschen deden dat +altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo +triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging 't haar +blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze 't in-eens ronduit, +dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met "de +menschen." Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren +toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk, +zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!.... + +Ze vond 't wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel +dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond +hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk? + +Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend -- en schaamde zich een +beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot +klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan +in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend, +om 't haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken +over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen. + +Dat gebeurde meest op wandelingen, in 't maklijk voortgaan, naast +elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd +dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de +preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten +eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde +en gevoeld had. Heel bescheiden -- als een vluchtig liedje in hooge +eenzaamheid gezongen -- klankten haar weinige woorden, en toch waren ze +voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of +diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een licht ontroerde stem +van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen +lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een +dom schaap was, niet waard zoo'n knappen man. Wat zou hij van haar +kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was +'t omdat 't hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles, +alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit 't hoofd te praten!.... +Maar hij beproefde 't toch, sprekend over de oneindigheid van dingen, +die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme +gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie.... +'t Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en +gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in.... + +Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op +kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in, +behalve 's Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan, +ofschoon 't moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij +dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg +genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor 't eten. Ze was +altijd aan 't station. + +Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes +eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in +jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge +opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher, +zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met +kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat 't gelukt was +tot nog toe en dat 't ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk +was dan, vaag-zweverig -- iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was +hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders +op als hij 't merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was +gelukkig, zijn Lucie, zijn meisje. Hij voelde 't telkens als hij haar +zag staan, onder de wachtende menschen aan 't station, hem dadelijk +en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar +vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher, +gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig +waar te nemen, hij begon eindelijk "op haar te letten...." + +En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden. + +Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. "'t Komt alleen omdat jij van +me houdt," zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even +stilstaan om hem een zoen te geven. + +Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn +hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd +tegen haar aanleggen zou, "om uit te rusten." En dan keek hij naar haar, +dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan +zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de +verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van +nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in 't +lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen. +Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit 't kapsel +gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen +zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar +gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, 't kleine +moedervlekje aan de kin. En hij keek naar 't stille bewegen van haar +gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij 't zijne. Hij zag +dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook +in die mysterieus onbewuste plooiingen waren. + +En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar +rank-soepel vrouwelijf warm tegen zijn oude beenige borst, knakkend de +strakke hardheid van 't heerige overhemd, dan kwam, -- als lekkere lucht +van zomer in April -- malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn +gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust. +En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte +haar vaster tegen zich aan. + +En dikwijls als hij op kantoor zat, of 's avonds op zijn kamer, +verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten, +zóó, met haar.... + +Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken +over haar en over hun verhouding. 't Stond nu eenmaal vast, hij was niet +verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken +negeerde hij nog die koortsige aandoeningen. + + * * * * * + +Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange +wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw +Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo'n Zondag +te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan +'t zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke, +deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een +goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met +die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig +waren begaan. De moeder had 't goedgevonden, ze mocht die meelijdende +dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de +juffrouwen, die dol op "'t aardige jonge paar" waren, wisten niet wat +ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met +'t vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar 't +beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw +Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer. + +Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard. Ze vond 't heerlijk, +dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan, +zoo'n heelen dag, zoo'n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want +in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar +dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat +ze weer te tobben had gehad met haar moeder. + +Als ze van haar sprak was 't altijd met hetzelfde teere medelijden, +en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig +gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg +lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar +hij zag 't en hij ging 't begrijpen door goed te letten op de moeder +zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de +houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze +was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening +die 't gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes +gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van "haar kind", en zei dat ook +ontelbare malen, maar dat was vooral -- leek 't wel -- om nog meer recht +te hebben op liefde en vertroeteling, en "'t kind" zorgde dan ook +voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen +zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze +ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht +en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar 't +maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En +hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg +opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den +rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen +te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte +teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel +en deed 't er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig opgebeurd te +worden, daar was 't haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij +de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar +goedig beklagend nu en dan, met stille vereering. + +Die Zondagmorgens dan, als 't mooi weer was, dan kwam Bernard met een +heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan 't station. En +dan dat wegwandelen, Bussum uit, 't Gooi in: naar Hilversum, of 's +Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren, +met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste +vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn; +Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen, +frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was 't +heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, 't hoofd ietwat naar achteren, met +een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje +dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze 't zoo +verrukkelijk vond. + +Soms scheen 't haar bijna te machtig te worden, 't alleen zijn met haar +liefde in de bloeiende zonnelanden, en 't vrij zijn, 't mogen doen wat +ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht, +en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit, +dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of +haar hoed afwoei, verfomfaaiend 't thuis zoo netjes strak getrokken +kapsel. En hij holde haar achterna. 't Was hem vreemd, hij had 't sinds +zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond 't eigenlijk een +beetje bespottelijk, en hij zei dat hij 't niet graag deed, dat hij er +zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze 'n beetje en keek +hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige +meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen +lach, en op een afstand riep ze: "Kom 's hier, kom 's kijken! Gauw! +gauw dan, anders is 't weg!" Dan draafde hij er heen en dan was 't +niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad, +glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En +dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar +in te halen en af te straffen.... + +Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar +een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen. +Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij 't +eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange +wandeling in de morgenlucht. + +En 's middags gingen ze lui-soezerig ergens in 't bosch liggen, of ze +liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen. + +Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt +wat rond te zwerven, had ze weer zoo'n echte, dol-uitgelaten bui. Ze +kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze +liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze +waren in 't bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel +om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou 's zien of hij dat +nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo +goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens +weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer +terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken +aan dat fluitje en 't was af -- toen riep hij: "Ben je daar?.... +Lucie!...." Maar er kwam geen antwoord, 't geluid van zijn stem stierf +kort in 't dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij +liep en hoorde 't kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep +krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen. +En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in +zijn keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half +verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen +brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij +had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze +gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend, +soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak +antwoorden; "Bernard!" hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar +hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde +nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. "Ik kom!" +riep hij. Hij struikelde telkens, in 't driftige loopen, viel op een +knie maar was dadelijk weer op. En op 't punt een weg over te steken zag +hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze +keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een +beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en +zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de +neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend, +overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig +verlangen in haar stem: "Bernard!" Toen liep hij haastig naar haar toe, +en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig +sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had +ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen, +telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij +dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer +aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen, +en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had. + +En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van +zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist +den weg terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk +gedacht, dat hij haar wel vinden zou. + +Zóó -- stil gaande -- kwamen ze in een mooie laan van gelijke +laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En +fluisterend genoten ze. + + * * * * * + +Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht, +aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn +hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een +zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou 't toch nog komen?.... Werd hij +nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou 't zalig +zijn!.... + +Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat +te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens. +En dat ergerde hem volstrekt niet, maar 't maakte hem vroolijk, +onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar 's +avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil +dwepen.... + +Den daarop volgenden dag, 's morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er +in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig, +dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen.... +'t Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al +verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok +hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te +letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken. +En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend, +sniklachend. Maar eindelijk kwam 't: "Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil +me toch hebben!.... Hoe vindt je 't, vindt je 't niet bespottelijk?.... +Zoo'n vent als ik!.... Zeg!... Zoo'n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk +ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je 't?" + +Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem +mee, zenuwachtig, en zei dat hij 't ook eigenlijk bespottelijk vond, en +ze proestten 't allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn +vrind, 't was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit +te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden +konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en +André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe 't +gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was +dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens +alle menschen. + +En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in +zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te +luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach +van intieme verstandhouding, alsof hij 't kende, dat allemaal.... Dat +hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel 's, als hij +dacht aan liefde tusschen Betsy en André. + +Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover +zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn +ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig +maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk, +hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar +zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar +hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar 't haar te +vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was, +want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want +ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had 't niet aardig +gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar +nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en +die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn +alles.... + +En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm. +Hij dacht aan haar, aan hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich +diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht, +zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde 't koortsig +verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze +daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik +even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi +was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie +rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij +voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar +verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door +'t met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde 't nu, in zijn overspanning: +zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment +naderde; straks zou hij 't grijpen en zalig zijn.... + +Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering +recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in +lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag +warm-soezerig tegen de nare weekheid van 't fluweelige trijp. Want als +een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk, +had hij 't visioen weer gezien van dien nacht in 't bordeel, van dat +week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al +zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon +hij 't nu niet vergeten! 't Was nog alleen in zijn herinnering, waarom +kon hij 't niet daaruit weg doen nu, zoodat 't heelemaal niet meer +bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort +voordat zij kwam! + +Maar toen, langzaam -- hij voelde 't al, vaag, voor hij 't dorst te +aanvaarden -- kwam 't verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te +rukken, 't los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij 't eenmaal +had aanvaard, groeide 't, als een volksopstand tegen lange verdrukking, +en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, 't had uitgediend, hij +wilde 't niet langer, hij verachtte 't nu, hij trapte en spuwde er op. +Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde +naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door +kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten, +ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou +hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen +spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot +een hooger, wijder, lichter leven!.... + + * * * * * + +Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen, +stil; hij zag voor 't eerst haar fijn profiel in 't maanlicht, op een +eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en +oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij +alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde +haar warmen adem. En fluisterend had hij 't over later, over de +zaligheid van 't altijd-samen zijn, 't zich heelemaal geven de een aan +den ander. Hij hoorde 't rythmisch opgolven van haar gelukkigen +lach. "En kwam mama dan bij ons inwonen," vroeg ze in-eens, zacht, +leuk-guitig.... "Waarachtig niet!" zei hij, en ze lachten beiden met +stille schokjes en intiem gefluister. "Nou ja!" zei hij, "ik dacht toen +nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders +voor haar vinden, wàt?...." En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde +liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde +en geluk. + + + + +XVIII. + + +'t Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze +waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie +gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee. + +Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was +er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn +meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo +zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om +beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de +juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat +hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen. + +Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de +liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij +had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten. +Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw +leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer +ergerlijk.... + +Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als +dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden +verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en +de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen +hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van +wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten +vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde +verwachting, vage begeerte.... + +Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in +de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en +zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te +drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat +gedurig vulde de hooge lichte lucht. + +Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met +vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de +koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer +bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch. + +En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't +hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien +van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de +naakt-zandige toppen, waar de wind over streek. + +Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle +helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat +glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie +op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt, +over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een +blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid. + +En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij +haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!.... +O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare +werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief +had en van hem was.... + +En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't +strakke blauw.... + +Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden +geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende +droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo +dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering +zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in +'t bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach. +Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen +aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog +wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat +liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral +na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij +zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord, +verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster, +had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had +begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde.... + +Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en +langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't +eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven.... + +Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van +'t teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend +den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte +haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met +vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij +vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de +oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond, +haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem +liefkoosden. + +Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind +suizend over de toppen streek. + +Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige +wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de +wereld, wijd-rondom. + +Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar +de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze +langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat +aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand +af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t +water. + +Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in +hand.... + +Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd. + +En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan +'t sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog +dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje +was.... zóó stond in hem de hooge vreugde. + + + +Amsterdam+, 1895-'97. + + + + +Opmerkingen van de bewerker + + +In dit boek komen twee vormen van nadruk voor: _cursief_ en ++gespatieerd+. + +De volgende veranderingen zijn aangebracht: op pagina + +24 "intelgente" in "intelligente" (witte halsboorden, intelligente en +domme) + +60 "frische" in "frissche" (veerkracht met frissche rillingen) + +63 "ombarmhartig" in "onbarmhartig" (onbarmhartig-koude bij elkaar +komen) + +85 "ververlopen" in "verlopen" (bewegelijke groepen meiden met +verlopen kerels) + +93 "Warmoestraat" in "Warmoesstraat" (terug en de Warmoesstraat door.) + +114 "oogenbik" in "oogenblik" (laat mij ook geen oogenblik om 's met +Bernard) + +129 "zal" in "zat" (Bernard zat nu rechts van de gastvrouw) + +182 "gememelijkheid" in "gemelijkheid" (verveling en gemelijkheid.) + +220 "mer" in "met" (sprak met ernstig-doffe stem over) + +231 "al" in "als" (vooral als hij alleen was) + +242 "eigoïstisch" in "egoïstisch" (eigenlijk vervloekt egoïstisch) + +251 "avondden" in "avonden" ('t Vulde de avonden zoo.) + +278 "eindedelijk" in "eindelijk" (hinderen, en eindelijk zei ze) + +290 "uitwuivan" in "uitwuiven" (een juichend uitwuiven van wijde). + +Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd. + +Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen. + + + + + +End of Project Gutenberg's De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT *** + +***** This file should be named 38229-8.txt or 38229-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/2/2/38229/ + +Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
