summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38229-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:09:49 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:09:49 -0700
commitf2946bfc03fa1fbbada966b4035529be47520dc2 (patch)
tree1f65a114ff94f058ba2089b663b3d595848fd775 /38229-8.txt
initial commit of ebook 38229HEADmain
Diffstat (limited to '38229-8.txt')
-rw-r--r--38229-8.txt10053
1 files changed, 10053 insertions, 0 deletions
diff --git a/38229-8.txt b/38229-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..9345bb0
--- /dev/null
+++ b/38229-8.txt
@@ -0,0 +1,10053 @@
+The Project Gutenberg EBook of De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van Bernard Bandt
+
+Author: Herman Robbers
+
+Release Date: December 6, 2011 [EBook #38229]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ DE ROMAN VAN BERNARD BANDT.
+
+
+
+
+ Van denzelfden schrijver:
+
+ EEN KALVERLIEFDE, DE VERLOREN ZOON & DE VREEMDE PLANT.
+
+ DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH.
+
+ VAN STILTE EN STEMMING,
+ Een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht,
+ Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte).
+
+ DE ROMAN VAN EEN GEZIN. I
+ De gelukkige familie.
+
+ DE ROMAN VAN EEN GEZIN. II.
+ Eén voor één.
+
+ HELENE SERVAES
+
+
+
+
+ DE ROMAN VAN
+ BERNARD BANDT,
+
+ DOOR HERMAN ROBBERS
+
+ VIJFDE DRUK
+
+ [Illustration]
+
+ UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS
+ TE AMSTERDAM. MCMXV.
+
+
+
+
+ Lith. en Typ. van J. HOEKSTRA & Co., Den Haag.
+
+
+
+
+ AAN MIJN VRIEND
+
+ Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND.
+
+
+
+
+[Illustration]
+
+
+
+
+I.
+
+
+Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel vlak bij 't
+raam, zat hij te schrijven aan zijn vriend Edward, die in Batavia
+woonde. Zijn stijf, geglansd papier bolde op, glimmend in 't kil-wittige
+Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna niet zien kon.
+Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand op 't papier, dat 't niet
+kon verschuiven, nu en dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen
+zat te maken, bijtend met zijn voortanden op 't botte eind van zijn
+pennenhouder en kijkend, zonder te zien, door de beregende ruit tegen de
+huizen aan van den overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies
+luchtje.
+
+Verderop, aan weerszijden van 't lange lage vertrek, stonden een paar
+bedienden tegen hun hooge, gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen
+en een klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig opgevouwen.
+
+Dit schreef hij:
+
+Je weet niet wat dat is voor mij, zoo'n brief van jou. Je kunt 't niet
+weten, jij die er zooveel krijgt, met elke mail, niet waar? Van je vader
+en je moeder, van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten wat zoo'n
+brief is voor mij, die geen vader, geen moeder, geen broers en geen
+zusters, en geen vrienden heb -- dan jou alleen! Houd dit niet voor 'n
+klacht of voor bitterheid, want dat is 't juist niet, heelemaal niet, 't
+is een verhoovaardiging, 'n blij bluffen op iets wat ik heb en jij niet.
+Zoo'n brief is voor mij wat 'n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor
+iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar geen geweer heeft
+om er een te schieten en geen geld om er een te koopen. Nee! meer is
+zoo'n brief voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt 'm naar
+den poelier om 'm te laten villen en 't vel, daar bekommert hij zich
+niet verder over, en over 't beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er
+lekker aan gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als 'k den
+brief gelezen heb, stop 'm weer in z'n envelop, want daar hoort-ie in,
+daar heb ik 'm in zien komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als
+van den brief. En zoo, in z'n eigen envelop, steek ik 'm in me jaszak,
+in me rechterbinnenzak, en graag haal ik 'm daar nu en dan 's uit (onder
+een of ander voorwendsel voor me zelf) om 'm weer 's te zien. En lang
+duurt 't voor ik 'm opberg bij de andere....
+
+O! als ik 's morgens op kantoor kom, koud, huiverig door den slaap, die
+nog in me leden zit, wakker alleen in me hoofd door 'n fel-schroevend
+gevoel van "'t moet", en als ik dan de bus licht en 't heele zoodje van
+brieven en drukwerken meeneem naar me lessenaar waar ik 't ga zitten
+lezen en sorteeren, nuchter, leeg, in 'n minachtende onverschilligheid
+voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig gezeur en gezanik,
+hun aanstellerig gebeveel, hun peuterige aanmerkingen of hun kleverig
+geflikflooi, en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte grauwe
+dingen plotseling, heel leuk, met 'n rustig air van "o, wist-je niet,
+dat ik hier lag?", zoo'n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit,
+met me naam, me particulieren naam, me voornaam Bernard en me
+familienaam Bandt, en heelemaal niets van "Vermeet & Co.", en dat door
+jou geschreven, door jou, dat zie ik nog voor 'k iets lees; ik herken
+den brief; als ik den brief zie, zie ik dadelijk jou, zie ik je ouwe
+goeie vrindenfacie en hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in
+m'n herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige stem, die me
+doet voelen, dat ik niet ganschelijk alleen ben op de wereld.... Zoo'n
+brief dan leg ik apart en 'k ga haastig door met lezen en sorteeren van
+de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik op 'n stapeltje en de
+rest verdeel ik onder de bedienden, en -- zenuwachtig van verlangen --
+vergeet ik hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze
+schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te lezen, komen
+vragen: meneer dit en meneer dat, en dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik
+kom bij je, laat me nou toch even met rust. Want als ik dan eindelijk
+je brief heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan wil ik
+rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse teugjes, de intieme
+zinnen, die daar voor mij alleen staan opgeschreven door jou hand.
+
+Ik voel 't heel goed: de zeldzaamheid maakt 't genot van je
+vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als je hier was, als 'k je allen
+dag sprak, zou 'k niet zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet
+zie dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en die ik niet zoo
+doen en zeggen zou, nu ik alleen maar van tijd tot tijd krijg een stuk
+papier volgeschreven met eerlijke uitingen van je innigst voelen. Maar
+toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft dat je gauw doen zult, dan
+zal ik toch -- geloof ik -- meer van je houden dan vroeger, want ik weet
+nu zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die 'k vroeger niet
+begreep, en die me dus toen afstootten, nu aantrekken, en ik ben
+langzamerhand beginnen te merken, dat ik bepaald houd van manieren van
+je, die 'k vroeger dacht dat me heelemaal niet bevielen. Ik zie je beter
+nu. Je bent anders dan ik, maar daarom vooral niet minder.
+
+Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat je van me vraagt, voor ik
+je ga schrijven over me zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik
+dat doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent de eenige,
+die er recht op heeft. Jij doet 't voor mij ook, je schrijft over wat je
+innerlijk ik te lijden en te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen.
+Maar dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen ons. Jij
+doet 't graag, dat ontboezemen, ja 'k geloof dat je 'r behoefte aan
+hebt, en dat komt door je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je
+praat heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk, ik vind
+'t ook niet pedant of maar eenigszins afkeuringswaardig, maar ik heb 't
+niet, dat 's alles! Ik heb er juist 'n helsch plezier in me heel anders
+voor te doen dan ik ben -- of eigenlijk, nee!...... ik wil er tegen jou
+niet om liegen, ik geloof dat ik me dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig
+de kracht en den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal. Want
+soms, midden in me dagelijksche werk, in 't afdoen van me dagelijksch
+stapeltje, voel ik 't, met diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en
+dan slaat er in-eens 'n dolle drift over me, 'n felwassende woede, 'n
+hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde tralietjes van
+'t hok waar 'k in gevangen zit. O! wat 'n genot zou dat zijn, wat 'n
+heerlijk lichte dag, wat 'n dag van gouden zon en voorjaarsluwte! Ik zou
+'t netjes willen doen, met ingehouden kracht, kranig, als 'n heer, m'n
+eene been kalm buigend met spanning van al de beenspieren en dan --
+pang! vooruit! en aan splinters de heele mooie boel! En dan weggaan,
+kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend. En de menschen, die denken dat
+ze je wat te bevelen hebben, met de complimenten naar huis sturen: "en
+als dat meneer 't nou verder verdomde," en dan gaan leven, het gansche
+leven, vrij, ongebonden, wild, al de kracht van me lijf en van me ziel
+gebruikend, met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende liefde, en
+met driftig strijdenden, neerhouwenden haat. Want o 't leven, Edward,
+'t leven! Wat weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes
+gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel 's ziekjes geweest, we hebben
+wel 's pijntjes gehad, en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met
+drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd is er voor ons
+gezorgd; en de menschen zijn wel 's onvrindelijk tegen ons geweest, ze
+hebben ons wel 's gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld, maar
+niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten op leven en dood! Maar
+wat praten we dan toch over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat,
+genot, zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets van, niets,
+niets! geen flauw benul hebben we ervan! En kan jij daar dan bedaard bij
+blijven zitten en zeggen: ja, ja, zoo is 't, en niet opvliegen en je
+haren uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?! Huil jij
+nooit tot je oogkassen branden om je jeugdjaren die verloren gaan,
+die nooit weerkomen, nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet
+geschroeid van verlangen naar leven?.... Maar o! niet waar? dan
+komt sluiplangzaam, poeserig-zacht langs je schuiven je gemeene,
+beroerd-laffe houden van lekker eten en drinken en 'n zacht bed, dan
+komt je lafheid en houdt 't nuchter mombakkes van je verstand voor z'n
+apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk, klopt je op je rug
+en zegt: "Mooi zoo! je bent 'n goeje jongen, iemand met gevoel, heel
+interessant, heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld, niet waar?
+Maar je meent 't natuurlijk niet. Je kunt je immers niet eens 'n
+voorstelling maken van dat vrije leven. En daar ben je toch ook veel te
+goed voor, je zoo te vergooien, foei! daar ben je 'n veel te knappe,
+aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je werk en zet je die
+fantasieën uit je hoofd, en denk aan je toekomst." Ja!.... En dan
+gehoorzaam ik! Dan gehoorzaam ik, godbetere 't! Maar dan huil ik van
+pure woede, machtelooze woede en diep ga ik gebukt onder m'n gedweeë
+tamheid....
+
+Voel je nu hoe 't komt, dat ik niet graag schrijf over mezelf, dat ik
+opzie tegen ontboezemingen? Toch.... heb ik 't al gedaan en zal ik er
+mee doorgaan, omdat ik 't nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven hoe ik me
+dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe "'t me gaat...."
+
+Maar toe alsjeblieft, hoeft 't vandaag niet meer? Morgen! morgen! 'k
+beloof 't je. En hier heb je dus dit stuk papier vast, want anders zou
+ik 't morgen misschien overlezen en 't verscheuren -- of weer niet
+verder kunnen....
+
+En Bernard teekende den brief en adresseerde hem en gaf 'm aan zijn
+jongsten bediende, die 'm naar de post bracht. Zelf ging hij kort daarna
+uit om koffie te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat,
+en daarna liep hij gauw naar de Beurs; 't was al laat....
+
+Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij weer aan zijn schrijftafel
+zitten en begon een tweeden brief aan Edward:
+
+Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn, van katterigheid of
+koude voeten, scheelt me tegenwoordig nooit iets. Ik geloof bepaald dat
+ik 'n gezond en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig en
+bedaard en vreeselijk geregeld leef, -- zoodat ik misschien wel zeventig
+of tachtig jaar worden kan.
+
+Me zaken gaan goed. M'n oom trekt zich meer en meer terug. Hij is nu
+voor goed in Bussum gaan wonen. Hij heeft zich daar in 't voorjaar een
+villa laten bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn, hoor!
+prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt: lap grond) waar hij
+zelf nu in staat te spitten en te graven met z'n tuinman. Dat is zoo z'n
+liefhebberij. Beste man! Tante maakt 't ook heel goed en laat je, met
+'r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja, ja, beste menschen,
+o zulke goeie menschen! Denk niet dat ik met ze spot, hoor! 't Zou
+schande zijn. 'k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben (ik
+zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd heb, me dagelijksch
+brood, me klanten!.... Gaat 'r maar 's 'anstaan!....
+
+Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben dus 'n deftig, geposeerd
+man, 'n bourgeois-satisfait.
+
+Lach nu niet. 't Is niet om te lachen. Of.... waarom zouden we er ook
+niet 's om lachen, hè? Zeg, ouwe jongen, kijk me 's even aan, vind je 't
+eigenlijk niet om te gieren? Ik vind 't om te brullen, te schudden, te
+trappen van-de-lach, om je handen op je heupen te zetten en telkens weer
+te beginnen! Ik vind 't verregaand belachelijk, God! ik vind 't zoo gek!
+Ik vind 't om te gaan staan dansen en scheel te kijken en wa!- wa!- wa!-
+te roepen als 'n idioot, zoo vind ik 't!
+
+Stil! 'n vraag! 'n raadsel!.... Wat ontbreekt 'n jong man van
+vier-en-twintig jaar, gezond, met 'n nette beklante zaak, die op 't
+Rokin op kamers woont en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft
+wonen?.... 'n Meisje!.... Juist! precies! Kerel, wat kan jij toch goed
+raden! Natuurlijk! 'n meisje! 'n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben
+ik nog niet geëngageerd? Waarom in 's hemelsnaam ben ik toch nog niet
+geëngageerd?! Dat hoort 'r toch zoo bij! En als er nou geen lieve,
+aardige, mooie meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam? Wat zeg
+ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me aan Amsterdam?.... Maar,
+'t is waar, ik kom niet overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt
+onnoodig is, want, m'n hemel! er zijn hier meisjes "te over" en de eene
+is al mooier en liever en vriendelijker en zachter dan de andere! En
+jongen-jongen! wat zijn hier 'n boel vroolijke en geestige meisjes, nee
+maar kolossaal!
+
+Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op 't oogenblik toevallig niet,
+maar 't zal wel niet lang meer duren, want morgenavond ga 'k naar 'n
+bal. Nou, en als je zoo'n heelen avond letterlijk niets anders te doen
+heb dan je zoo'n beetje op te winden....
+
+Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams. Ook is 't 'n
+geoorloofde, onschuldige bezigheid, die je onder je werk door best er
+bij waarnemen kan. Je hebt 'n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs
+met 'r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu soes je -- zoo
+achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk om -- voortdurend aan dat
+meisje, met lekkere scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is
+als 't zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren
+rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende pa's. En al weet je best, al
+voel je blozend, dat je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden
+tegen 'r gezegd heb, je heb toch 'n stille hoop -- die je verbergt
+voor jezelf -- dat je misschien nog al 'n tamelijk goeden indruk hebt
+gemaakt, en je verlangt, niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo
+net even genoeg om er 'n straatje voor om te loopen, naar 'n nieuwe
+ontmoeting. En als je haar dan weer aan ziet komen, naar je toe, en ze
+lacht en ze geeft je 'n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, 'n
+zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid, je bent
+in eens in 'n soort van roes, 't suist in je hoofd als pas ingeschonken
+champagne, je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt 't niet, je
+bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt, je merkt in eens dat
+je in de zon staat, dat 't zomerachtig zoel en lekker om je is. Je bent
+gelukkig, je hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste, je
+nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je droomengebiedster even
+met 'r wijsvinger aan 'r neus komt of leelijk geeuwt of tersluiks
+glimlacht om 'n dubbelzinnigen mop of 'r moeder afsnauwt of -- weet ik
+wat nog meer! -- tot dat ze, bedoel ik, in één blik, 'n klank, in 'n
+tiende deel van 'n seconde, verandert in 'n doodgewone juffrouw, die
+natuurlijk d'r goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja,
+waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg, hè, dan ga je maar
+weg....
+
+O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof ik, wel
+vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam.
+
+Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig,
+kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu z'n ontboezemingen? Je leest
+'t met 'n medelijdend glimlachje, innerlijk 'n beetje geërgerd, maar
+je wilt je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat 'n man, -- 'n
+man nietwaar? -- dat 'n man, als hij 'n vrouw liefheeft, werkelijk
+liefheeft, nietwaar? dat hij dan blind is en doof en dol en niet +wil+,
+niet +wil+ zien de nuchtere dingen, niet +wil+ redeneeren, maar dat hij
+dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die vrouw te krijgen! Zeker,
+zeker, zoo is 't, je hebt gelijk. Ik had 't dan ook maar alleen, ik
+causeerde zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord niet goed,
+maar ik weet geen ander, en verder dan zoo'n kalverliefde heb ik 't nog
+niet gebracht. Van dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige
+echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende dagdroomen, daar verlang
+ik naar met 'n angstig-wachtend verlangen, en altijd glanst in de ramen
+van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop, maar soms, als ik 't
+zie, dat kasteel van mijn ziel, dan is 't 'n roode gloed, mooi donker
+bloedrood, weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon.
+
+Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen! Want o! als ik niet wist
+dat ééns mijn leven rijzen zal, recht, met verdoovende, verbijsterende
+snelheid, en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren
+zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste, dat
+eenig-hoogstbegeerlijke van 't leven kennen zal, dat dàn tenminste, dat
+dàn eindelijk, al is 't dan maar 'n maand, 'n dag, 'n uur, één oogenblik
+het leven door mij heen zal gaan, zoodat ik 't merk, zoodat ik 't
+sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid, als ik dat niet wist.... o,
+mijn goede vriend, als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me immers
+al verzopen.
+
+Maar ik weet 't, zij zal komen, ik zal haar zien. Dikwijls heeft God 't
+mij gezegd, sprekend met zijn machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben
+geduldig, ik zal wachten.
+
+Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit van tint,
+ik weet 't niet. Soms, in stille uren, hoor ik van verre haar zacht
+vertrouwelijke stem, maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens zal
+zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en ik zal haar liefhebben.
+
+Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik rein houden, want zij
+zal er in wonen, en ook mijn lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf,
+mijn warm lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren, want
+als zij komt, recht naar mij toe, en zich glimlachend neervlijt in mijn
+verlangende armen, als ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem
+gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend naar de stugge
+buiging mijner leden, dan zal ik 't plotseling heftig begeeren haar lijf
+en zij zal 't geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te weren,
+onbewust rekkende de zoete verrukking. En weten zullen wij dan dat
+niemand nog bezat wat wij bezitten. Ik zal 't haar zeggen. O hoe zalig
+zal 't dan zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen mijn
+borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang ontbeerde....
+
+Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven, zonder lijfsgenot tot
+haar komst, word ik dikwijls bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig
+verdacht en misschien ook wel 's belasterd, wie weet 't! Maar daardoor
+juist groeit 't in me als 'n boom in 't bosch, hoog, trotsch, altijd
+dieper en verder geworteld. Er zal wel 'n storm noodig zijn om 't neer
+te rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet vluchten,
+want ik zal houden van den storm omdat 't storm is, omdat 't geen
+Amsterdamsche winderigheid en motregen is, maar storm.
+
+Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen langzaam verrotten
+zal en doen bezwijken, wat de storm neer zou kunnen slaan met een
+ruk!....
+
+Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En hij las den heelen
+brief over en voelde zich vaag-verdrietig en leeg. 't Was 't niet! 't
+Was nog heel anders. Hij zou 't nooit kunnen zeggen zoo zuiver en
+eenvoudig als 't was.
+
+ * * * * *
+
+Hij schreef alleen nog: 't Is 'n kille dag vandaag, mijn vingers
+verkleumen, morgen verder.
+
+En den volgenden dag:
+
+O ja, nu zou ik je vertellen hoe 'k me dagen doorbreng. Zóó: Ik sta 's
+morgens om acht uur op. Dan brengt "de juffrouw" me 'n cadetje met thee
+op me kamer en dan loop ik op 'n kippendraf naar kantoor. Dan werken tot
+half één, koffiedrinken, ergens hier in de buurt, met Sam van 't Hout of
+André, of alleen, dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor en daar
+zitten tot zes uur. Dan 'n borrel, hier-en-daar-en-overal, met allerlei
+lui, en eten op 't Leidsche-plein, en 's avonds zitten lezen op me
+kamer of in 'n koffiehuis, of zitten kijken in 'n komedie -- of in 'n
+koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer -- of in 'n koffiehuis, of 'n
+partij meemaken, 'n soireetje of eterijtje bij vrinden of kennissen --
+of in 'n koffiehuis......
+
+Daar is ook 'n tijd van 't jaar, dat is juist altijd in 't begin van de
+lente, in dien tijd als je 's avonds je raam opengooit en dan in eens
+bevangen wordt door 'n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt met 'n
+niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer, en toch eigenlijk niet
+'n verlangen, als je 't goed nagaat, maar juist 'n vrees, 'n angst
+voor iets onbekends, iets geheimzinnigs, 'n gevoel van: o, nu zal 't
+komen!.... De menschen loopen je voorbij als schimmen en in de verte
+blaft 'n hond. En plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van
+slapte en loomen weemoed.
+
+Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in April soms ook nog en
+ook in Mei nog wel 's 'n poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik
+schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit om acht uur weer op
+kantoor en werk tot elf of tot twaalf of tot één uur.
+
+O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken, die harde werkweken,
+van je niet bemoeien met de lucht en de boomen en de menschen en de
+vreugde en de kalme genoegens, maar altijd maar werken, weg zijn in je
+werk, die weken van niet-leven, maar ook niet van dood, want er wordt
+veel afgedaan, een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden,
+nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden arbeid.
+
+Als ik dan 's avonds laat de deur van mijn zakenhuis achter me dicht
+getrokken heb, en ik loop naar me kamer, dan heb ik 'n rustgevend
+gevoel van te moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog aan
+kleinigheden van me zaken te denken en aan wat ik morgen weer doen moet.
+'t Is maar 'n slap en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom, maar
+zonder schaamte berust ik in mijn domheid; gelaten, stil-tevreden als 'n
+kind, eet ik nog 'n boterham en drink 'n glas gerste-bier en ga naar bed
+met klamme, koude voeten en 'n gloeiend hoofd. En den volgenden morgen
+hijsch ik in 'n werktuigelijk, heelemaal gewoonte geworden gevoel van
+plicht, me lamgeslagen lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant op me
+kleeren en op m'n ontbijt, draaf ik haastig naar kantoor, waar ik
+langzaam-aan opleef en me weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur.
+Maar soms......
+
+Neen, nu is 't genoeg, laat me je niet hoeven mee te nemen naar de
+diepe, kille donkergroene grotten van mijn innigste bitterheid. Scheld
+'t me kwijt, wat er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit
+vinger-vegend, voorzichtig betastend, maar toch aanraken, aanraken van
+mijn overgevoelig binnenste, van al die teer-opene, licht schrijnende
+plekken. En laat me tot slot van deze brieven, die je weg moet doen
+als je ze gelezen hebt, -- want ze zijn wel eigenlijk nog niets, neen,
+niets, als ik er aan denk; zij zijn maar heel grove benaderingen, ze
+tasten met dikke handen, ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet
+mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel en dan snijden en
+grijpen in 't bloedrig lillend vleesch, 't warme vleesch, en aanwijzen
+en uitleggen, maar toch, 't zou me hinderen te weten op den duur, dat ze
+daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als processen-verbaal
+van mijn getob en gepeuter en waar je me mee aan zoudt kunnen komen,
+zeggend: Kijk, dat heb je geschreven! -- O laat me tot slot nog 'n
+beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten, even maar, over
+luchtige, lichte dingen!....
+
+Want, waarachtig! 't Zou ten slotte ook wel gaan lijken of ik niet jong
+was en levenslustig! Zeg, kerel, je moet niet gaan denken dat ik somber
+ben of zwartgallig of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk
+en goedhartig. Ik ben 'n opgeruimd zakenheertje, ik ben 'n lustig
+beursmannetje. Ik ben blozend, ik ben flink, ze vinden me 'n energieken
+jongen koopman op de Beurs en me kennissen mogen me graag lijden, want
+ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen, dat ze lachen rondom de
+koffiehuistafel en weer gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel
+van fuiven en ik doe 't ook dikwijls, ik kan 't ook goed en ik kan er
+ook goed tegen. Nog pas hebben we 'n beestig dolle pan gehad op André's
+nieuwe kamer op 't Rembrandtsplein. We hebben 't ingewijd, dat nieuwe
+feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, 't was 'n avond van
+uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig dronken voelen worden. Na 't
+souper hebben we 'n allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo'n
+ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je 'n knip wegtrekt. Nou,
+je begrijpt 't natuurlijk al. Sam deed 't, 'n heidensch kabaal!...... en
+rrang!, neer lag de rommel, en 't licht was uit. André stak 'n lucifer
+aan; daar zaten we allemaal op den grond tusschen de scherven en plassen
+wijn en vla, stil, in-eens stil van den schrik. 't Flikkerlichtje van
+den lucifer glimmerde maar even om onze rooie koppen, maar dat eene
+oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z'n groteske onwezenlijke
+dwaasheid........
+
+Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward, houd je goed en
+schrijf gauw weer aan je vriend
+ Bernard Bandt.
+
+
+
+
+II.
+
+
+In den avond van dien dag dus zou Bernard naar dat bal gaan. Het was een
+groote soirée dansante, die de heer en mevrouw van den Bosch gaven,
+omdat een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk van
+Enkhuizen.
+
+Bernard had 's middags op de Beurs een onaangename kwestie te bepraten
+gehad en was wat opgewonden en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij
+'n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend werk bezorgden.
+Korzelig was hij geworden en nog even voor zessen had hij om 'n
+kleinigheid een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij daarop
+zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat ging naar Kras, waar
+hij eten wou, liep hij zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot
+gelijk had gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat 't ook
+zoo vervelend was, dat je nooit 's iets overlaten kon, dat je om alles
+denken moest en dat al die bedienden ook zulke stomme lummels waren, en
+zoo onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar 't ging niet,
+hij kon zich niet overtuigen, machteloos voelde hij zich wegzakken in
+een onbehagelijk zich-bewust-zijn iemand beroerd behandeld te hebben.
+En, eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich die onvoldaanheid
+tot een algemeene ergernis over zijn eigen doen en zeggen, over zijn
+zich-niet-beheerschen-kunnen, over dien brief ook al, dien brief aan
+Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al laffe klachten schenen.
+'t Ergerde hem dat 'n ander nu ook wat weten zou van het leed, dat
+hij altijd hoogmoedig verborgen gehouden had voor iedereen, waar hij
+tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten in één hok met dat
+smartbeest, er mee vechtend in trotsch-mannelijken tweekamp, in
+eerlijken strijd als van man tegen man, 't beneden zich achtend hulp te
+halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward zou hem willen troosten,
+bemoedigen, opwekken, en dat is immers helpen. En hij soesde over 't
+plan den eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden.
+
+Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer in de nauwe
+straatvallei. Hij liep in 't midden, over 't nat-gladde asphalt in 't
+schichtig schaduwende halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen
+kwam, hier en daar wat opgehaald door een straatlantaarn, en boven
+was de nacht, een raggende oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de
+schuw-armoedige flarden wuifden tusschen de spookgestalten van de
+donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden stap, zijn hals en
+kin weggestoken in 't intiem-warme van zijn jaskraag, zijn handen in
+zijn zijzakken. En in eens in 't volle licht bij Kras, de vestibule
+doorloopend, en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord,
+opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig, erg alleen, vervreemd
+van alle menschen. Hij groette met een zwijgenden hoofdknik een paar
+kennissen, die luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de
+zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet kenden. 't Galmend
+geroep en 't borden-en-lepelgekletter en de etenslucht vooral, de lauwe
+benauwende etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht te
+kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder eenige behoefte 't
+zich behagelijk te maken. Tegen den kelner, die bij hem kwam staan met
+een spijzenlijst en vroeg wat hij zou eten, zei hij dat 't hem niet
+schelen kon, als 't maar gauw kwam. Toen ried de kelner met een
+aanbevelend lekker-genotlachje een schotel aan, en hij knikte dat 't
+goed was en ging toen zitten wachten, trommelend met zijn mes op de
+tafel, voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen en etende
+menschenhoofden, suf door 't roezig geraas en dien zoetigen weeën walm,
+opnieuw dof doorsoezend, zich klein en min voelend zonder te weten
+waarom ook weer....
+
+Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde lachen, een vetten
+vleezigen lach, en daarop ook zag een dik, glimmerig-rood boerengezicht,
+dat een grooten viezen mond scheef openzette, dom lachend, met 'n lage
+platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn breed-witte servet,
+toen keerde hij zich met plotseling weer wakkeren wrevel snel om en
+riep den kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen tijd had.
+'t Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van waar en hoe laat ook weer,
+was nu scherp van uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar
+voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met onaangename
+bevreemding dat 't al half zeven was. En die partij begon om acht uur.
+Hij moest zich nog laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op
+zijn kamer. 't Was een bruiloftspartij, daar mocht je niet te laat
+komen. De haast verwarde zijn denken; hij kon niet, als anders, de
+anderhalf uur, die hij nog voor zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog
+hier bij Kras, zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen 't
+eten eindlijk kwam, at hij 't gejaagd en schrokkerig achter elkaar op,
+slokken bier verzwelgend met een half vollen mond, betaalde, liet den
+kelner zeven stuivers houden omdat hij niet wachten wou op 't wisselen
+en liep haastig de restauratie uit, de straat op en den kapperswinkel
+in, die een paar huizen verder was.
+
+Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden.
+
+In een opkomende verheuging daarover trok hij vlug zijn overjas uit en
+liet hij zich neerploffen in een van de ruime leeren leuningstoelen waar
+zijn tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen 't koele
+leer rusten, en de kapper knoopte hem handig den frisschen witten doek
+om zijn hals en zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige
+krassen, heen en terug op 't stijf-stroeve leer, wat een aangenaam
+rhytmisch geluid gaf.
+
+Kwart voor zeven op de groote houten hangklok; hij begon zich rustig te
+voelen, had eigenlijk nog al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis
+zijn en op zijn gemak zijn toilet maken. 't Rijtuig kwam om kwart voor
+achten.
+
+'t Was stil in 't barbierszaaltje, dat in 't achterhuis lag, door den
+winkel gescheiden van de straat. Gejoel van straatjongens was flauw in
+de verte, niet storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch
+licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel en daaronder 't
+zacht vonkelend geglans van gepolijst marmer met kristallen flaconnen en
+glimmende scharen en kammen er op. 't Was warm in 't zaaltje, maar 't
+leer van zijn stoel aldoor lekker koel. En van den helwitten handdoek op
+zijn borst steeg een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden,
+vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil beeld in 't wijde
+spiegelmeer. Hij vond zich niet leelijk zoo, hij zag plotseling iets
+innemends in zijn gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in
+zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en hij kreeg een
+overmoedig verlangen naar 't feest, naar de lichte zaal en den gladden
+vloer en 't gewoel van menschen in feestkleeren en naar de jonge
+meisjes in hun lichte japonnetjes en 't dansen en lachen en flirten.
+Terwijl de barbier hem voor de tweede maal inzeepte en schoor, deed
+hij zijn oogen dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er
+aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van 't mes langs zijn
+strak-harde onderkaak verhoogde nog die sensatie van zijn voorkomen, hij
+voelde zich nu correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn
+wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode.
+
+Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat op, zacht streelend de
+malsch opkrullende haren, en hij voelde met wellust het trekken van zijn
+gespannen vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de vraag van den
+kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand wou hebben, antwoordde hij met
+een deftig minachtend dankje. Hij vond 't 'n beetje ploertig van den
+man zoo iets te vragen. En hij liet zich zijn jas opgeven, stak op
+zijn gemak een sigaar aan, en minzaam 'n praatje makend liet hij zijn
+abonnementskaart knippen, schoof bedaard zijn handschoenen op en ging
+den winkel uit, vriendelijk groetend den barbier en zijn vrouw, die
+achter de toonbank stond.
+
+Op straat, in 't gaan door de krommende Warmoesstraat, deed hij zijn
+best dat gevoel vast te houden, rechtop in kranige, overmoedige houding
+doorstappend, maar op den Vijgendam al, in de drukke volte, was hij
+'t in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming; zijn gedachten schoven
+onrustig van dit op dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder den
+indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep in zijn daagsch pakje op
+de vieze straatsteenen in de donkere volte, en dat hij straks keurig
+gekleed aanlanden moest in die ruimte vol licht, in dien kring van
+zich correct bewegende heeren en dames. Hij liep dus haastig door, wat
+voorover als gewoonlijk. 't Rokin langs tot het huis waar zijn kamer
+was, 'n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had de voorkamer op de
+eerste verdieping; beneden was een handel in zakkengoed, gedreven door
+een oud heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken aandachtig, bij
+stil lamplicht, in 't kneuterig klein kantoortje, maar boven was 't huis
+heelemaal donker.
+
+Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam en dadelijk was hij
+binnen en liep de onbekleede houten trap op, een oud wrak van 'n trap,
+met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden in 't armoedig
+schemerlicht van een petroleumlampje, dat boven in de gang hing. Onder
+de tree-randen gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten.
+
+Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in.
+
+Daar was 't heel donker; alleen langs 't plafond trilde zwak-strepend
+wat licht van een lantaarn buiten. Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak
+en stak zijn gaslamp aan, die in 't midden hing, boven de tafel. En
+in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op zijn gewone plaats, de
+ronde tafel, waar 't donkere tafelkleed rondom afhing, de stoelen en
+kanapee van dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en de
+dingen aan de wanden en op den schoorsteen, allemaal waren ze weer
+in-eens om hem heen en keken naar hem toen hij naar de ramen ging om
+ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten, eerst met de gelige
+ophaalgordijnen, die zakten met lammerige schokken, en daaroverheen de
+zware donkerplooiende overgordijnen. En toen ook de ramen muur geworden
+waren, ging hij naar de tafel, voelend dat achter en voor, naast en
+onder en boven hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in de
+stilte. En hij draaide 't licht wat hooger op, en kuchte uit behoefte
+aan geluid. Toen zag hij al de dingen nog scherper in hun verstijfde
+onbewegelijkheid, en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde licht,
+maar dat was van de kou, dacht hij; want 't was heel kil op zijn kamer;
+de kachel stond nog niet.
+
+Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar boeken op, bladerde er
+in en gooide ze weer neer. Hij vond dat verkleeden altijd zoo
+vervelend......
+
+Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt klonk 't koperen
+geluid van de schel, al verder...... En 't was weer stil......
+
+Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open, die met behangsel beplakt
+waren, dat schuurde langs 't kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook
+wat licht in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan, zijn
+waschtafel en 't houten kastje waar zijn linnengoed in lag. Daar ging
+hij naar toe en haalde zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde
+langs 't hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat schoongestreken
+linnen uit en de lucht daarvan en 't betasten gaven hem een nieuwe
+droomenvolte, een nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger gaan
+naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden, plichtmatig ruilen
+van warm-intieme voor kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei 't
+linnengoed op de tafel en haalde uit een andere kast in de alkoof zijn
+rok, die over een stijven houten hanger hing met slappe mouwen als over
+de hoekige hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn zwarten
+rok en vest en broek over een stoel en haalde zijn schoone overhemd uit
+de vouwen en hing 't er overheen, een vreemd slap doekengedoe om de
+glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk ding, dat hoekig en
+plompverloren neerlag, als een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten
+janklaassen. Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit en
+gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk in slordige plooien
+wegzakten, tot een onherkenbaar hoopje goed.
+
+Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd naakt uit kwam
+steken, nu geen heerehals meer, maar een stuk bloot mannelijf, dat
+kalvrig-nuchter afstak bij 't hoofd, dat nog wel 'n heerehoofd was, met
+netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging hij zijn handen staan
+wasschen, ze in 't water stekend tot over de benig-magere polsen, wat
+hem weer deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig
+rillend, en op zijn borst en achter, tegen zijn rug, voelde hij de kille
+lucht als een tocht. Vlug droogde hij zich af en trok toen ook, met
+snelle handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte van zijn broek
+en schoot de stijve, scherpgevouwen pijpen van zijn kamgaren rokbroek
+aan. Daarop begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd te doen, nu
+en dan blazend tegen zijn vingers, die peuterend aan die knoopjes
+blauwden van kou. Toen 't af was trok hij 't gekke, eigenwijs
+armzwaaiende ding over zijn hoofd en 't flodderde en zwabberde om hem
+met een scheurend geluid en schokte en plooide en rondde zich om 't
+lijf, 't beheerschend nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de
+been-enden er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon hij 't wit te
+bedekken met stukken dofzwart, die er omvielen in keurig-kantige lijnen,
+zoodat 't witte geblink alleen van voren bleef, rustig nu liggend,
+stil-deftig als 'n bevroren stadsgracht, ingesloten in 't warme zwart.
+En met ieder stuk kleeren ontkilde en vervroolijkte zijn stemming en hij
+begon zich netjes te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer
+plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust kwam terug met
+frissche scheuten. Intusschen was zijn juffrouw komen kloppen en had
+geroepen dat de vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de
+voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou, zijn hoogen hoed
+opstrijkend, dien hij daarna -- als voorloopig -- schuin op zijn hoofd
+zette. Zijn handschoenen stak hij in zijn zak en bedacht zich toen even,
+stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten had. En terwijl
+hij zoo staande droomerig voor zich keek, zag hij zijn kamer in
+eens met een nieuwen blik, in een aardig-scherp licht, als door een
+stereoscoop, met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en intiem,
+en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten, met een boek, en dan
+de vreemde sensatie te hebben van daar op zijn eigen kamer te zitten in
+galakostuum, tot verbazing van de meubels en de dingen aan de muren.
+Maar hij deed 't natuurlijk niet, hij nam zijn overjas van den kapstok
+en draaide 't licht uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich
+afdraaiend, en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam voelend
+als een prins, die afklimt in een ellendige kelderwoning. En snel wipte
+hij over 't trottoir en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte,
+terwijl hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest, 'n bekend
+huis-voor-feesten op de Keizersgracht.
+
+In 't rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog kouder dan daarnet op
+zijn kamer (hij dacht er even aan terug met een gevoel van genegenheid)
+en de raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij 't schokkend rijden
+over de hobbelige straat. Hij zat te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed
+weer opstrijkend, en begon toen langzaam zijn handschoenen over zijn
+halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar was streek hij met een
+mouw van zijn overjas wat wasem van 't eene raampje en ging naar buiten
+zitten turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de menschen in 't
+rosse avondlicht, zacht sissend tusschen zijn tanden een wijsje, dat hij
+zelf niet hooren kon door 't geratel en de straatgeluiden.
+
+Met 'n schok stond 't rijtuig stil in de file. 't Stond wachtend stil,
+schokte rommelend 'n endje naar voren, stond weer stil en wachtte, en
+dat deed 't nog een paar maal. Tot hij, door 't opnieuw morsig bewasemde
+raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren in lichte sorties zag komen
+uit 't rijtuig dat voor 't zijne stond; en hortend en stootend schoot
+de doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die de breede stoep
+overkapte. Met een ruk werd zijn portier opengegooid en hij voelde zich
+er uitkomen in een golf van nattig-kille buitenlucht. "Niet terugkomen!"
+riep hij den dikgeduffelden koetsier toe, hem vlug 't fooitje
+toereikend, dat hij klaar gehouden had en meteen ging de deur
+open en verdween hij in den lichten buik van het groote donkere
+Keizersgrachthuis.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Eerst naar de garderobe om zijn hoed en overjas af te geven. Die was
+achterin de marmeren vestibule; 't was daar ook al kil, kelder-kil; de
+gekuitbroekte kelners, dikke bejaarde mannen, en de dienstmeisjes
+van mevrouw, opgeprikt, in 'r Zondagsche japonnen en witte garen
+handschoenen, en gestreken mutsen met stijve witte strikken onder
+de kinnen, deden strak-deftig en fluisterend hun werk. Een paar
+heeren-gasten, jonge menschen, trokken heel langzaam met quasi-luchtig
+glimlachende gezichten hun handschoenen aan en drie jonge meisjes
+stonden vluchtigjes te schikken en te plukken aan kapsels en japonnetjes
+en te ginnegappen, zacht, zenuwachtig fluisterend met kleine gilletjes,
+terwijl 'n statige grijze ma, wachtend, gereed om naar binnen te
+stappen, hen zwijgend opnam door haar hoornen lorgnon.
+
+Bernard kende ze niet. Hij bewoog zich met een onverschillige kalmte.
+Hij was dadelijk geholpen en klaar. Maar -- gaande, geluidloos, over den
+dikken looper naar de deur van de zaal rechts, de ontvangzaal -- hoorde
+hij 't gegons van het feestgezelschap en voelde hij zich wat beklemd
+worden, in-eens scherp wetend, dat hij daar dadelijk binnenkomen zou en
+dat veel menschen, die dat al achter den rug hadden, die al binnen
+waren, veel nare wereldwijze dames en heeren, naar hem kijken zouden,
+en misschien even lachen of een opmerking maken over niets, over een
+grooten of een kleinen stap, de houding van een arm, over een naar
+voren hangend vlokje haar........
+
+En toen de deur openging, en 't gegons snel opklaterde tot druk gepraat
+en gelach, en de lichte zaal in eens over en om hem was in helle
+schittering van spiegels en pracht van kleuren, en de feestmenschen
+daar stonden, rustig poseerend, lieverig glimlachend, in groepen, aan
+weerskanten van het pad dat naar de gastvrouw voerde, toen werd het
+erger en voelde hij iets van angst, iets belemmerends; 't duurde maar
+een oogenblik, want hij stapte met een erg ernstig gezicht vlug door,
+recht tusschen de menschen door, naar de vriendelijke oude dame, de
+gastvrouw, die hem allerhartelijkst verwelkomde. En hij gaf ook een
+hand aan den gastheer, een beursman, een vrind van zijn oom, een goeden
+bekende; en rondkijkende voelde hij zich toen dadelijk bedaard worden,
+want eigenlijk waren 't bijna allemaal goede vrinden en kennissen. Daar
+hadt-je Sam en André, Hendrik, en Hugo en Kees. En aan den anderen
+kant, bij de meisjes, daar stonden Betsy en Marie en Jo en Lize en
+Doortje......
+
+En 't dikke kleed was wollig en week, zoodat stappen geen geluid gaven,
+en overvloedig avondlicht lag wijduit van de zware kristallen kronen,
+die schitterden als reusachtige bouquetten van licht, warm wijduit over
+'t diep-donkerrood van wanden en sofa's en over de glanzende kapsels van
+meisjes en vrouwen en het dofdonzige, luchtig gepoederde vel van haar
+halsen en armen en over den kleurenrijkdom der lichtende zij-golven en
+de rustig-matte tinten van tulle en kant.
+
+De mannen stonden bijeen in groepen als compagnieën feestsoldaten
+in hun zwart-en-wit uniform, verbroederd door die eenheid van kleedij,
+verschillend alleen in lengte en statuur, en in hoofden die ze droegen
+boven de glimmende witte halsboorden, intelligente en domme, nobele en
+ordinaire hoofden.
+
+Hier en daar ging zoo'n zwart-en-witte tusschen de veelkleurige
+japonnen en spraken de goedig grijnzende, wijsdoende mannenhoofden tegen
+de zelfbewuste, pretentieuse meisjeshoofdjes, en ook stonden kale en
+witte koppen kraaklachend gekheid te maken met de jonge meisjes, terwijl
+de oudere dames, met 'r dikke grijze haartoeten en stroef-lieverig
+geglimlach zich bijeengeplant hadden, rechtop, deftigdoend en neigend
+met waardigheid de gewichtige hoofden. Soms was er een geluid van
+gemaakte, onnatuurlijke stemmen, geaffecteerd welwillend, gewild
+voornaam, waarover dan weer frisch als 'n emmer water een prettige open
+schaterlach of luid gepraat op eenigen afstand tusschen een paar goede
+vrinden. En de avond-warme lucht, doorgeurd, doorzoeld van velerlei
+parfumerie, wekkend weeke gedachten aan vrouwen-intimiteit en, nauw
+merkbaar, van onderop, het zijïge ritselen van rokken als gefluisterde
+beloften van weelde en heimelijk genot.
+
+Bernard, nu heelemaal rustig en slagvaardig, ingeleefd in 't
+bal-bestaan, ging van den een naar den ander, vrinden en vrindinnen
+aansprekend, en liet zich voorstellen aan onbekenden, altijd gereede
+luchtige praatjes vindend in zijn bedaard hoofd, waarin het diepere
+gesoes nu als verdoofd, als sluimerend was, weg in de zware slagschaduw
+van het feestlicht.
+
+Zoo, al gaande tusschen de menschen, kwam hij ook tegenover Betsy Franck
+te staan en dat was een blijde ontmoeting, een hartelijk handengeven en
+vroolijk elkaar in de oogen kijken. Vroeger, vier, vijf jaar geleden was
+Bernard erg verliefd geweest op Betsy en zij had hem ook graag mogen
+lijden, maar ze was toen zeventien, hij amper twintig; 't was niets
+geweest, een onvolwassen, vluchtig gevoel, een kalverliefde. Zij was
+toen naar een Londensch kostschool gegaan, en hij had gereisd en 't
+altijd druk gehad, terwijl ze weg was, en toen ze terug was gekomen
+hadden ze allebei gemerkt dat 't uit was. Dat was in 't eerst een beetje
+pijnlijk geweest, ze waren een poos wat stuursch en kort tegen elkaar
+gebleven en de een was den ander liefst uit den weg geloopen in een
+niet-te-verdedigen gevoel, een mengsel van schaamte en rancune, maar 't
+was of ze gelijkertijd beiden 't onnoodige en onzinnige van zoo'n ietwat
+vijandige houding hadden gevoeld; -- 't was ook immers niets geweest,
+wat geflirt en gedweep op wandelingen in lichte lentedagen, wat gespeel
+en gestoei in zoele zomeravonden en toen een kort afscheid en één enkele
+blik van aarzelende teederheid; 't was niets geweest, niets! -- dat
+hadden ze in-ééns allebei begrepen en toen waren ze goede vrinden
+geworden, vertrouwelijk en hartelijk en prettig-gewoon met elkaar en
+over vroeger spraken ze nooit meer.
+
+Maar soms als hij bij haar was voelde Bernard nog wel wat 't was
+geweest, dat hem toen zoo bekoord had, dat zachte, goeddoend zachte, dat
+troostende, opwekkende zachte, in de oogen en de trekken van den mond en
+in de stem vooral, de hartelijke warme stem, en dan dat vroolijk-reine,
+hoog-onschuldige, wat je aandoet met een gevoel van ridder-zijn, van
+willen verdedigen 't teere goede tegen 't felrobuste booze, en hij
+voelde 't met weemoed, want de bekoring was nu niet sterk meer, en zeker
+lag dat aan hem, zeker was hij minder vatbaar voor indrukken van het
+goede, was hij zelf minder goed, onreiner geworden. Hoe kwam 't anders,
+dat hij haar zachtheid nu dikwijls zoetig, wee-lieverig, overdreven,
+sentimenteel vond, dat haar goedhartige belangstelling in alle menschen,
+in al wat er met hen gebeurde hem nu soms wat wrevelig maakte en geneigd
+tot ruw-cynisch plagen. Met weemoed herdacht hij in zoo'n oogenblik zijn
+geloof aan de echtheid van dat lieve doen en voelde hij zich ouder
+geworden en leelijker....
+
+Hij had haar gevraagd, met een plagenden glimlach, of ze André al wel
+gezien had, waarop ze, ook lachend, met een zoet-klagend stemmetje
+geantwoord had: "Ja, maar hij schijnt niet naar me om te kijken van
+avond", en nu stonden ze te praten, intiem, over de partij en de
+menschen, en waren nog samen toen een geritsel kwam en opgeschuif in de
+zaal, de menschen drongen op in veelhoofdige rijen aan weerszijden van
+de deur, zoodat er een breed pad open kwam naar 't partij-gevend paar
+bruidsouders. Er naderde geluid van korte bevelen uit de vestibule, en
+in de groote zaal, die aan de ontvangzaal grensde, was in-eens hoog
+opgegier van strijkmuziek; de menschen verstomden. En toen hoorden ze
+dat 't het bruidskoor uit Lohengrin was en keken ze allemaal naar de
+deur, die openging nu. Vier heel jonge bruidsmeisjes, die zongen met
+zenuwachtige zwakke stemmetjes, kwamen binnen en in hun midden het
+bruidspaar. De blonde bruigom, blij stappend, met een lachend gezicht,
+overmoedig en vierkantig doend om zich goed te houden, en de bruid, de
+witte bruid, wat bleek, wat schuchter, lachend met de oogen alleen tegen
+de menschen-gestalten waar ze ruischend langs ging. En 't glundere
+moedergezicht hun tegemoet en de vader ook, pogend zijn verlegenheid te
+verbergen met een joviaal air van zijn schuin-achterovergegooiden kop en
+een armgebaar van gulheid, en toen een gezoen en gelieflach en een
+algemeen luidruchtig gedrang om hen heen, een druk groeten en handen
+geven........
+
+In 't gedrang toen ze binnenkwamen was Betsy voor Bernard komen te
+staan. Ze was kleiner dan hij. Vlak voor zijn mond en neus waren haar
+dof-glanzende, bruine haren, haar zacht geurende haren, achterop het
+hoofd samengedraaid in een wrong, zooals de oud-Grieksche vrouwenbeelden
+'t hebben. En iets verder, schuin onder zijn kin, was 't poezelzachte,
+warm-fluweelige vel van haar hals, rustig liggend, als een zonnig
+blank meer, in de strakke spanning van de blauwzijden japon, die,
+rond-uitgesneden, opstreefde aan de schouders, de weeke, innige
+rondingen verbergend onder groote blauwe strikken. Fijntjes kroesden
+aan den week-bleeken bovenhals de lichte jonge haren, die te kort waren
+om meegenomen te worden in den wrong.
+
+Hij had er half-bewust van genoten; de geur van haar lijf had hem licht
+bedwelmd en even had een gevoel van onrust en nerveus verlangen hem
+doorhuiverd, toen ze, met 'n eenvoudig gebaar den ritselenden rok van
+den grond tillend, haar blooten bovenarm, den donzigen ronden arm tegen
+zijn mouw aangebracht had.
+
+Maar bij de begroeting van 't bruidspaar verloren ze elkaar en toen
+werden er dadelijk balboekjes uitgedeeld en begon ook Bernard zijn
+afspraken te maken, slank gaande door de menschengroepen, van Marie naar
+Jo, en van Jo naar Lize, en van Lize naar Ada, en hij werd voorgesteld
+aan een juffrouw van Keppel. Mimi heette ze. Die gaf hem de eerste
+lanciers en hij wist dadelijk dat hij dien heelen avond, en veel
+volgende dagen misschien, verliefd op haar zijn zou. Snel -- als in een
+stijf-deftig gezelschap een plotselinge lust tot dwaas doen -- was die
+aandoening in hem opgeschokt. Kwam 't door haar oogen, de wijd-open,
+brutale spot-oogen, van een vreemd groenachtig-blauw en helwit, oogen
+die altijd lachten, spotlachten, kwam 't door haar mond, den ferm
+geslotenen, pittig hoekenden mond, kwam 't door de rechte figuur, die
+elegant was zonder buigzaamheid, of door de stem, ja door de stem zou 't
+komen, dacht hij, want die was heel bizonder, zwaar, grof, vol harde
+rauwe klanken; ze sprak vlug, de woorden afkauwend met 'n energieke
+positiefheid, zonder slepen of hakkelen, ze liet de r schor uit haar
+keel komen en de s siste scherp tusschen de dan even glinsterende
+tanden. Er was niets melodieus in die stem en Bernard herinnerde zich nu
+ook hoe hij wel door andere meisjes over haar had hooren praten, met een
+zekere vrees, als van "dat meisje met die mannenstem". Maar hem had ze
+bekoord, dadelijk, en 't was ook haar stem niet alleen, en ook niet
+enkel de wellustig-benauwende odeur waarmee ze zich geparfumeerd had, 't
+was zij, zij heelemaal, zooals ze daar stond met het room-blanke hoofd
+boven 't dofgroen van haar mousselinen baljapon, het fiergedragen hoofd
+overhuifd met een glanzing van rosblonde haren. Ze had iets wilds, iets
+ongetemds, iets brutaals en kwajemeidachtigs, maar toch was ze 'n dame.
+Ofschoon niet mooi, had ze iets onbeschaamd-overmoedigs, als voelde ze
+zich koningin van 't bal. Hij vond haar ontzettend pikant.
+
+Ze scheen ook al gemerkt te hebben dat ze Bernard gecharmeerd had, want
+telkens als hij later naar haar omzag, keek ze hem aan, spotlachend
+en brutaal. Van haar was hij naar Doortje Post gegaan, die een
+vroolijk-open kindersnoetje had, ronde wangen en een opwippend
+bovenlipje. Hij vond Doortje anders altijd allerliefst, maar nu....
+ocho...... 'n goedig kindje, onbeduidend. En Betsy sprak hij weer aan en
+vroeg haar een polka-mazurka, want met zulke zware meisjes danste hij
+liefst een rustige polka-mazurka, en 't viel hem van avond al bizonder
+op, zoo zwaar als ze geworden was, Betsy; voor haar staande dacht hij
+oneerbiediglijk aan een van de weldoorvoede konijnen van zijn oom in
+Hilversum, dat eene, dat donzige witte, en zich in-eens herinnerend zijn
+vage emotie van zooeven toen hij bij haar gestaan had in 't gedrang,
+kon hij zich die niet begrijpen en lachte hij zich uit in zijn ziel. En
+omkijkend zag hij ook Mimi lachen met de houding van een prinses en de
+oogen van een fabrieksmeid.
+
+En onder 't buigend verder gaan van Betsy naar Frieda, die stijve
+strakke Frieda, dat mal-trotsche nest, en naar Anna van der Hoeven, zijn
+goede vrindin, was 't hem of er een nieuw leven in hem gevaren was,
+waarbij 't vorige enkel belachelijk goedig gedoe scheen, groen en
+schapig. Terwijl zijn mond gewoon-maatschappelijke dingen zei tegen
+Anna, stond hij zich te fantaseeren een vreemd-vrij bestaan, een
+zwerfleven, een rooversleven, een trotsch gaan door bosschen en
+gebergten, naast hem: zij, zijn maitresse, gewapend, als hij zelf, met
+dolken en pistolen. En terwijl zijn hand zijn naam opschreef in Anna's
+balboekje voelde hij de begeerte naar zoo'n wild bestaan met haar
+branden in zijn polsen. Met 'n overgegeven gemoed gaf hij toe aan den
+wellust van die fantasie.
+
+Maar toen nam Anna hem mee naar een meisje, dat, een beetje afgezonderd,
+bij den schoorsteen stond in de houding van iemand, die zich niet thuis
+voelt. Ze scheen 'n jaar of twintig te zijn. Ze zag wat bleek, haar
+oogen lagen diep in grijze schaduw. Haar japon was heel eenvoudig,
+van een roomkleurige stof met een breede ceintuur en een paar groote
+strikken van geel satijn. Anna sprak haar aan, op hartelijken toon met
+een zweem van medelijden. "Lucie, mag ik je 's even voorstellen: meneer
+Bandt,.... juffrouw Tadingh." Toen ging ze weg en Bernard maakte, met
+mondainen glimlach, zijn buiging, een overdreven-diepe buiging, maar
+toen hij Lucie aankeek, schaamde hij zich plotseling. Hij voelde zich
+gestoord, betrapt. Hij voelde dat zijn galanterig doen genegeerd
+werd; die zachte, klare oogen keken recht in zijn ziel, met iets van
+verwondering en stil-diepe aandacht. En 't was hem plotseling of hij
+droomde, of 't niet mogelijk was in die zaal die oogen, dat droge pure
+oogenlicht. Hij had een oogenblik van verlammende verwarring. 't Was
+als een visioen, een verschijning. Duidelijk voelde hij zich staan, in
+zijn balkostuum, gansch alleen op een stille eenzame weide, onder een
+doorschijnend wit-lichten avondhemel.... Er was vage benauwing in zijn
+droom....
+
+Maar met inspanning, terwijl hij even voor zich keek op den grond,
+herstelde hij zich, een muur van gewoon redeneerend gedenk optrekkend
+achter zijn oogen, en hij zag haar weer aan, voorbereid nu, zich veilig
+voelend, koel-bestand tegen den blik van haar blauw-grijze oogen, zoo
+zacht en goed en dof-weemoedig, zoo wondervreemd contrasteerend met de
+donkere wenkbrauwen en 't kroezige zwarte haar. Hij zag dat zij rood
+geworden was, egaal rood tot in den hals en over haar oogen kwam nu een
+vochtige glans, als was er een traan over gegleden. Nu schenen ze zacht
+te verwijten en te vergeven tegelijk, alsof ze zijn onrust begrepen had.
+
+Hij begon een gewoon balpraatje, over de zaal, over den avond, over
+het bruidspaar, vlug-sprekend maar telkens abstract, glimlachend, maar
+zich innerlijk aldoor 'n beetje ergerend over zich zelf, over de
+onbeduidendheid van zijn gepraat, en omdat hij zich niet heelemaal
+rustig en op zijn gemak voelde met zoo'n doodeenvoudig meisje. Zij
+was zich niet zoo gauw meester, ze moest zich blijkbaar inspannen om
+antwoorden te vinden, en die schenen dan niet uit haar te komen, die
+scheen ze voor te lezen uit een denkbeeldig boek. 't Was of ze 't praten
+niet gewoon was. Ze klaagde dat ze weinig menschen kende van die hier
+waren. Hij zei, dat 't altijd interessant was nieuwe menschen te leeren
+kennen, dat hij haar immers ook niet gekend had voor van avond, maar nu
+toch heel blij was dat ze was gekomen. Hij hoorde dat complimentje
+zelf pas toen hij 't al gezegd had, en hij keek haar aan en zag dat er
+in-eens blijheid in haar oogen was, ware blijheid. Hadden dat zijn
+woorden gedaan? Toen schaamde hij zich opnieuw, niet brutaal genoeg om
+dat onverdiend succes rustig te aanvaarden, en hij bloosde, vlug-vragend
+naar haar balboekje, en met een quasi-ernstig gezicht, fronsend zijn
+wenkbrauwen, vergeleek hij haar boekje met het zijne en besprak de
+tweede lanciers, ofschoon zij verlegen protesteerde, zeggend dat ze dien
+dans niet kende. Maar hij zei een paar maal dat 't wel gaan zou en boog
+haastig, 'n beetje schutterig en excuseerde zich, eigenlijk niet wetend
+waarvoor, en hij liep naar Marie van den Bosch, want hij hoorde de
+muziek van de polonaise.
+
+Hij voelde zich onbehagelijk gestoord in zijn lekkere stemming van
+verliefde fantasieën, hij vond dat hij toch ook belachelijk weinig
+optreden had, een kinderachtig totaal gebrek aan pose, en naar Mimi
+kijkend verbeeldde hij zich dat ze hem uitlachte. Hij begon zich
+vernederd en lam te voelen, een jongetje; hij moest al zijn best doen om
+niet stil te worden, want dat mocht natuurlijk niet, er moest gepraat
+worden, want Marie van den Bosch was een zusje van de bruid; er moest
+veel gepraat worden over het bruidspaar en het feest. En hij praatte
+zich dan ook langzamerhand weer in een dragelijke stemming, ofschoon
+maar matigjes geboeid door dat Marietje; zij was een aardige balpop,
+mooi, vroolijk en gedistingeerd; hij zou zich anders wel met haar
+geamuseerd hebben, maar nu had 't gedartel van haar blikjes en woordjes
+niet veel vat op hem. Maar het licht in de danszaal en het gaan op de
+maat van muziek, het gevoel van veerkracht in zijn leden, maakten weer
+een man van hem, maakte dat hij zich weer begon te voelen de sterke,
+die haar aan kon, haar, Mimi. Telkens keek hij om naar haar met
+steels-begeerende blikken.
+
+Een lange stoet van mooi-gemaakte menschenparen was uit de ontvangzaal
+in de danszaal komen stappen, rustig gaande in de langzame marschmaat,
+zich krommende in de hoeken en wijduitgeslingerd nu over den glasgladden
+dansvloer. De slanke stoet schreed voort met princelijke passen, blij
+omgolfd door diepten van licht, door 't alompralende feestlicht, dat
+zich verdubbelde in de spiegels en den glimmenden vloer. En de voorste
+twee reikten elkaar de hand en stilstaande hieven ze hun ineengeslagen
+handen op tot een poort, waar de volgenden bukkend onderdoor gaan
+moesten, om dan ook stil te staan en een poort van armen te maken, en
+zoo deden al de volgende paren, en er was vroolijk gegons van stemmen en
+gelach van menschen, blij zich ongestoord te mogen verlustigen, zonder
+dat het gek stond, want ze hadden nu immers niets anders te doen, al hun
+dagelijksche getob werd genegeerd door dit vrije, luchtige, kinderlijke
+spelegaan. De gewichtige gezichten van de oude deftige dames doken
+lachend en rood van 't bukken van onder de armenpoorten op; boven de
+handen lachten de hoofden elkaar toe, en, toen na 't spel de stoet weer
+voortging in wijde bochten slangend door de zaal, waren de bewegingen
+losser en vlugger geworden, was 't of de muziek in de leden getogen
+was, ze lichter makend en veerkrachtiger. En nog andere menuetachtige
+dansfiguren voerden de paren in optocht uit. Maar plotseling, met fel
+gekras der violen, daar ging de muziek in een polka over, en dat gaf
+rumoerige verwarring, de oude menschen vluchtten uit den stoet en
+zetten zich op de sofa's, die tegen de wanden stonden. Maar de jonge
+paren polkeerden op, aldoor draaiende om zich zelven als tollen
+die gelijkertijd opgezet zijn, als gezweept door de muziek en
+uiteen dwarrelend dan door de heele zaal. In grillige springpas,
+cholerisch-ongracelijk, hupten en zwierden ze elkander voorbij, een
+verbijstrend gewirwar van al maar verandrende kleurencontrasten. Vreemd
+als een plotselinge wilde bezetenheid, gevaren in menschen, die
+polkaroes......
+
+Bernard danste met Marie. Hij hield niet van die wilde
+polka-bokkesprongen, afmattend, échauffeerend zoo vroeg al in den avond.
+Gelukkig duurde 't niet lang. Met af en aan snerpende accoorden kwam de
+muziek tot zwijgen, het dansen verliep in een loomen gang; er viel rust
+in de zaal; de menschen vereenden zich tot groote groepen in de hoeken
+en langs de wanden.
+
+Marie viel quasi-afgemat op een sofa en Bernard ging pratend voor haar
+staan, haar warm gezichtje bewuivend met haar waaier van donzen witte
+veeren. Toen kwam van den overkant van de zaal Mimi kalm aanloopen en
+vlijde zich met gratie naast Marietje. Ze scheen niet te letten op
+Bernard, maar ging druk zitten praten met het zusje van de bruid, om die
+een compliment te maken over haar toilet en te zeggen hoe dolheerlijk ze
+'t feest vond. Ze bedekte haar gezicht, schijnbaar achteloos, half met
+een zwartkanten waaier, zoodat het roomblanke vel er verleidelijk
+bovenuit kwam, en alleen haar oogen dwaalden soms af, schuin naar boven,
+naar Bernard, die aldoor naar haar keek. Haar blik was dan koud,
+dof-abstract, om dadelijk weer vreugdevol te schitteren als ze
+doorpraatte tegen Marie.
+
+Toen sprak Bernard haar in-eens aan, luid en wat bruusk: "Hebt u altijd
+in Amsterdam gewoond, juffrouw van Keppel?"
+
+Ze keerde zich naar hem, dadelijk weer met dien spotlach, en haar blik
+recht in den zijnen antwoordde ze: "Ja meneer."
+
+"Hoe vreemd, dat ik u dan nooit vroeger heb gezien...."
+
+"Och!.... u zult niet op me gelet hebben!...."
+
+"Ik zou zeker wel op u gelet hebben, als ik u ontmoet had."
+
+"Heel beleefd van u, heel vleiend," zei ze met een leuk lachje. "Maar ik
+heb toch indertijd 's een partij bijgewoond waar u ook was.... U hebt
+toen heusch geen notitie van me genomen.... 't Is ook al weer 'n paar
+jaar geleden.... 'n Koperen bruiloft!.... Betsy Franck was er ook, weet
+u 't nog wel?.... In Odéon was 't...."
+
+En toen ze dat gezegd had met haar plagend glimlachje, keerde ze zich
+weer naar Marie en praatte dadelijk over heel wat anders, maar Bernard
+zei nog, langzaam 'n beetje blozend: "O ja!.... o ja!...." en kuchte om
+zich een air te geven, want hij herinnerde 't zich nu heel goed; dat was
+nog in dien tijd van Betsy geweest, wat 'n jongetje was hij toen nog,
+wat 'n goed-onschuldig ventje!....
+
+De violen begonnen een wals te spelen en er werd geroepen: Wals!....
+wals!.... En Bernard boog diep voor zijn dame en kreeg op zijn weg nog
+een blik vol overmoedigen spot van Mimi mee. Hij stak de zaal over naar
+Anna van der Hoeven, die dadelijk opstond, want ze hield dol van walsen
+en ze wist dat Bernard 't goed deed. Ze praatten niet veel en waren
+onder de eersten, die dansten. Bernard zag Mimi nog zitten op die sofa,
+kijkend over haar zwarten waaier, en zag André op haar afkomen, en zag
+hoe ze hem ontving, met dienzelfden blik, dien coquetten spotblik en hij
+voelde zich in-eens jaloersch worden op André. Maar ze stonden op en ze
+dansten ook en in de snelle draaiing van de wals verloor hij ze uit 't
+oog.
+
+En zich nu meer gevend aan den dans, met een wreveligen lust om dat
+meisje nu 's even uit zijn hoofd te zetten, sloeg hij zijn arm wat
+verder om Anna's middel en begon hij zijn passen met zorg te maken,
+netjes zijn voeten zettend, zooals 't hoort, om weer heelemaal dat
+gevoel te krijgen van correcten meneer, wat hij gehad had bij zijn
+barbier, en hij luisterde naar de slepende violentonen, en nu nam de
+dans hem mee en hij liet zich gaan, hij hoefde zijn voeten niet meer te
+zetten, ze gingen van zelf. Hij voelde zich wiegen op de walsmuziek,
+zoetjes deinend als op lange kalme golven, op zee bij zacht zomerweer,
+oprijzend en wegzinkend, aanglijdend en afzakkend. Anna vergat hij; hij
+voelde niet meer dat zijn arm om haar lijf lag, hij voelde haar één met
+hem in 't gelijke maat-gaan van hun lijven; even maar werd hij herinnerd
+aan haar toen ze, als in extase, met moeite fluisterend, zei: "'t Gaat
+heerlijk, hé?" De weelde van den dans bezat hem heelemaal, hij genoot.
+En zonder vermoeienis, van-zelf bewegend, walsten ze door, gedragen door
+de muziek, de weekslepende Myosotiswals; opgewonden, half-bedwelmd door
+den dans, zweefden ze, scheerden ze over den dansvloer, licht als een
+droog blad dat snel draaiende wegwaait over den harden bevroren grond.
+
+Maar eindelijk viel Anna met een schok terug in zijn arm. "Ik kan niet
+meer," zei ze, lachend, licht hijgend, en ze vielen neer op een paar
+stoelen in een hoek van de zaal. Anna wuifde hun beiden koelte toe met
+haar waaier. Daar kwamen Mimi en André aan. Ze dansten goed, ze dansten
+heel goed samen, alleen ze hield haar bovenlijf wat te veel voorover,
+bijna raakte haar wang André's schouder. Hun voorbij walsten ze,
+draaiend, ruischend. En onophoudelijk zwierden andere paren aan, de
+heele zaal was in walsgolving, de muziek walste door de zaal, 't was àl
+harmonie van klanken, licht en kleuren, de muziek scheen in de kleuren
+te zijn en de kleuren in de muziek. En wéér kwamen ze aan, André en
+Mimi; haar wangen gloeiden. Bernard zag even 't genietend glanzen van
+haar oogen. Mooi was haar rank lijf tippend vederlicht om de zwarte
+figuur van haar danser.
+
+"Ken je Mimi van Keppel?" vroeg Bernard aan Anna.
+
+"Of ik haar ken?.... Nou, 'k zou 't wel denken,.... maar al te goed...."
+
+"Hoe dat zoo?...."
+
+"We waren samen op kostschool in Bonn.... 't Is 'n lieverdje, hoor!....
+Heelemaal geen vrindin van me!........"
+
+"Wat heeft ze daar toch voor booze dingen uitgehaald op dat school? Ik
+hoorde er alwat van mompelen, hier en daar...."
+
+"Wèl!.... Nou, jou wil ik 't wel zeggen, maar je moet er nooit over
+spreken, hoor!.... 't Was eenvoudig verschrikkelijk! Ze stal allerlei
+dingen van ons, andere meisjes, en als je haar wat dorst te zeggen werd
+ze woedend en sloeg er royaal op...... Eén van de meisjes heeft ze een
+haarspeld in 't hoofd geslagen.... Dat had nog heel leelijk af kunnen
+loopen...."
+
+"Maar waarom werd ze dan niet weggejaagd?"
+
+"Och, je begrijpt toch, zoo'n directrice maakt niet graag standjes....
+Haar vader betaalde goed, denk ik.... En dan had ze altijd de leeraars
+op haar hand, want die wist ze wel in te pakken, coquet nest dat ze
+is!...."
+
+Bernard lachte. "Zoo?.... Is ze zoo'n Carmen?"
+
+"Nou!.... 'n Echte jongensgek, wat je noemt, hoor!.... Maar ik zou haar
+niet vertrouwen als ik 'n man was."
+
+Weer kwamen ze aan, wandelend nu. André wischte zich 't bezweete
+voorhoofd af. Ze fluisterde achter haar waaier en hij lachte hardop om
+wat ze zei. En in 't voorbijgaan keek ze Bernard aan, een blik gloeiend
+van triomf en overmoed.
+
+"Ik ga nu met 'r dansen," zei Bernard.
+
+"Zoo!.... Zeg, vooral niets laten blijken, hoor!.... Pas op, ik zou
+woedend zijn!"
+
+"Och wel nee! Natuurlijk niet. Waar denk je aan!"
+
+De muziek zweeg. Maar Bernard, gemakzuchtig, bleef nog zitten bij Anna.
+Hij zag er tegen op Mimi te gaan halen. Hij voelde zich wat beklemd
+worden; zou ze met André over hem gelachen hebben? Hij moest nog een
+houding zoeken tegenover haar en er was geen zier geest in zijn warm
+hoofd. Maar Sam kwam al naar Anna toe.
+
+"Heb je al 'n carré," vroeg Bernard.
+
+"Nee, willen we 'r een formeeren," vroeg Sam. "Wacht dan even nog, dan
+zal ik André ook vragen." En hij liep weer weg, Bernard kon nog even
+blijven zitten. Want hij kon immers Anna niet alleen laten.
+
+Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André en Hendrik Schot
+afgesproken. En hij nam Anna mee, Bernard aansporend met 'n: "kom, moet
+jij nu je dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je plezier,
+gauw 'n beetje!"
+
+Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar toen in-eens ernstig
+wenkbrauwfronsend, richtte hij zich op, heel recht, en liep zoo naar
+Mimi toe, statig en met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct
+en zwijgend.
+
+"Ik was al bang, dat u me vergeten zou," zei Mimi, hem aankijkend van
+terzij, en alvast spotlachend om 't complimentje dat ze verwachtte. Maar
+hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar, deftig stappend,
+naar de plaats waar de drie andere paren al wachtten.
+
+En de quadrille begon. 't Ging keurig in hun carré. Hendrik Schot
+alleen, die er niet veel van kon, vergiste zich dikwijls met zijn stijve
+stappen en de dwaze draaien van zijn houterig lichaam en deed de anderen
+lachen door 't gekke gezicht waarmee hij 't dan in zijn verlegenheid
+goed maken wou. "God, God! wat 'n hein! wat 'n hark!" hoorde Bernard
+Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste.
+
+Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar
+trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van
+opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar
+uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder
+haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem
+zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed
+zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem
+aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte
+lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard's
+blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes.
+Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand' chaine. Keurig, als paardjes in
+een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een
+stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen,
+elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de
+gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi's hand een
+oogenblik in Bernard's hand. Maar elken keer, even voordat die handen
+uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even
+maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond 't brutaal, maar 't
+streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze 't
+durfde doen, maar 't kostte hem inspanning koel en strak te blijven,
+zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog
+deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve
+plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht
+in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in 't voorbijgaan trof
+hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding.
+
+Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich
+zijn aandoening niet meer meester, bij 't "balancez à vos dames"
+vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging
+in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi's leest. Ze
+dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met
+haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans
+alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken
+van genot. 't Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was
+bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer
+last van had. "Nee, anders nooit," zei hij. En zij lachte weer, met
+oogen die 't begrepen.
+
+Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend,
+optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou
+worden ter eere van het bruidspaar.
+
+Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven,
+maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de
+zaal, beweeglijke zwarte groepen.
+
+Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze
+dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den
+oudsten zoon van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen
+figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas
+afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn
+rok zat hem slecht en hij was erg warm.
+
+De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op
+'t intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen
+opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en
+harkerig deden op 't kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en
+dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, 't vormelijk
+applaus ergerde hem 'n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal.
+Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van 't presenteerblad, dat
+werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon
+Kees, lachend: "Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven."
+
+O God! dacht Bernard, die ook nog! "Zoo!", zei hij, "zullen we 't
+genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux
+hoop ik."
+
+"Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, 't is een prachtig stuk,
+dat begrijp je; me zwager en ik hebben 't zelf gefabriceerd."
+
+"Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen," zei
+Bernard.
+
+"Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet 'n beetje weten te schikken!"
+En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. "Je hebt
+daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè," begon hij weer, na een paar
+teugjes, "hoe vind-je die?"
+
+"Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... 'n Aardig meisje,
+geloof ik!.... Is 't 'n vriendin van een van je zusters? 'k Heb haar
+nooit ontmoet bij jelie...."
+
+Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn
+lippen. "Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me
+getrouwde zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar
+'t is een kat!" zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling
+nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was.
+
+"Hm!.... zoo!...." zei Bernard.
+
+Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. "Pas op voor die
+meid, hoor!" fluisterde hij weer, snel en scherp. "Ze heeft 't hier!" en
+hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog
+van zijn linkerarm. "Hm!" zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van
+Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. 't Begon
+hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal
+jaloezie, bromde hij in zich zelf. 't Is een weergaasch aardige
+meid!.... 'n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat
+amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met 'r
+armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!....
+
+Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de
+donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond
+haar. 't Glansde als gepolijst rood-koper in 't helle licht. Mooi haar
+toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En
+hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet
+meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en
+haar handdrukjes. 't Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige
+hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer
+opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem
+begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij 's
+gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is 't, mompelde hij, haar
+temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....
+
+Maar in-eens hoorde hij 'n stem vlak bij zijn oor! "Zeg, wat doe je
+toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?"
+
+'t Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en
+glimlachte toen, licht blozend. "Ik stond maar wat met mezelf te praten
+bij gebrek aan beter," zei hij.
+
+"Vervelende vertooningen, hè?" zei André, zijn hand door zijne bruine
+haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen.
+
+"Nou!" zei Bernard.
+
+"Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?....
+Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?"
+
+"Kindje?.... zeg maar gerust kind!"
+
+"'k Geloof dat jij 't leelijk te pakken hebt, ouwe jongen," zei André,
+weer lachend.
+
+Bernard trok een minachtend gezicht. "Geen kwestie van, hoor!....
+Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof
+ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor
+haar, zei hij, ze had 't achter de mouw!"
+
+Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór
+hem even omkijken.
+
+"Sst?.... sst! kerel!" zei Bernard, zelf glimlachend.
+
+"Hij is patent!" zei André. "Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op
+aan te kijken!.... Zijn rok zit 'm of 't een gehuurde is!.... Hij is
+stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?"
+
+Bernard gaf geen antwoord, maar na 'n poosje begon hij weer: "Wat zie ik
+jou weinig met Betsy van avond."
+
+"Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga 'k 's met 'r dansen!.... kalm
+aan! kalm aan!...."
+
+"Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik."
+
+"O! Wat dat betreft, ze is charming!" zei André met een gebaar als wierp
+hij Betsy een kushand toe. "Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar
+niet om zoo 's een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit
+wandelen te gaan.... zooals die Mimi...."
+
+"Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je
+wandelingetjes!"
+
+"Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!"
+
+"Met jou?" vroeg Bernard, spottend.
+
+"Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?"
+
+"Misschien wel," zei Bernard.
+
+"Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent," plaagde André weer. "Maar je
+moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder 't dansen heel wat vriendelijke
+oogjes gegeven en bij de grand' chaine telkens een allerhartelijkst
+handdrukje...."
+
+"Dat lieg je lekker!" zei Bernard, geërgerd.
+
+"Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... 't Is
+waarachtig waar."
+
+"Opsnijderij," zei Bernard.
+
+"Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet
+zijn, hoor! Er zijn er genoeg die 's met 'r uit geweest zijn."
+
+"Verrek!" zei Bernard.
+
+En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist
+kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op.
+
+Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn
+handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen,
+leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige
+avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige
+pret.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de
+feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet
+waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf
+of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in
+rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had
+Lucie Tadingh aan zijn rechterhand en Lize Schot aan zijn linker. Mimi
+zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze
+zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd
+uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een
+kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten
+oude-vrijer, een cynischen aap van 'n vent, erg leelijk en coquetteerend
+met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy.
+
+'t Was Bernard gelukt aan 't slot der vertooningen Mimi te bereiken en
+hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met
+haar te kunnen soupeeren. En toen hij 't kaartje met zijn naam had
+zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg
+teleurgesteld geweest. Mimi had 't gezien aan zijn gezicht en ze had
+gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats
+opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen
+Lize en Lucie.
+
+Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in 't eerst, soezig luisterend
+naar 't stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te
+praten in zich zelf. 't Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu
+juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast
+niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze
+ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet
+hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed
+hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te
+spelen met zijn brood.
+
+Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens
+-- hij hoorde haar stem -- aan dat oogenblik van verwarring toen Anna
+hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die
+zachte oogen.... 'n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook
+weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was
+een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij moest haar
+toch 's aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-'t-behoort.
+
+Hij deed 't ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant
+wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een
+vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze
+zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord,
+ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond 't alleen maar
+niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk -- zeker
+wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde -- zei ze er bij
+dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde
+alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had
+nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel 's hier en daar aan huis, maar
+natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin
+was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg
+vertellen van zich zelf, en 't geluid van haar stem herkennend met
+onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had.
+Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien
+vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat
+vond ze erg treurig. Ze wist 't wel wat 't was zoo'n verlies, want ze
+had haar vader verloren twee jaar geleden. "Dat moet vreeselijk zijn,"
+zei Bernard,.... "ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem
+eigenlijk nooit gekend." Ze schrok weer. "Heelemaal niet gekend?.... En
+is uw mama al lang dood?"
+
+Haar stem veranderde bijna niet door 't spreken over die treurige
+dingen. Er was niets in van 't gewone teemend mede-lijden gehuichel,
+alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht.
+
+"Ja!.... al lang!" zei hij. "Ik heb maar een heel vage voorstelling van
+me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... 'k Ben toen door 'n
+oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen, en die
+hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was...."
+
+"Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?"
+
+Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij
+vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo'n gesprek
+gekomen aan 'n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze
+dat zoo.... Wat kon 't haar schelen....
+
+Maar hij vond 't niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van
+sympathie in zijn gemoed.
+
+"Wel!.... ik herinner me," zei hij nadenkend, "dat we in een breede
+vensterbank zaten, zoo'n vensterbank met kussens, geborduurde kussens,
+vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik
+in den anderen. Ze had 'n lichtgroene.... ja, 'n doffe grijzig-groene
+japon aan,.... ze had 'n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte
+oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht,
+zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei
+vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses
+met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik 't eenige wat ik me goed
+herinner...." Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend
+met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam
+een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich
+zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze
+allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong,
+heel vroolijk meisje, -- ze werd door de anderen geplaagd met haar
+opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield
+quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn.
+Ze riep Bernard te hulp.
+
+"Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?...." Bernard gaf haar volkomen
+gelijk en was dadelijk druk mee in 't gepraat over dat rolletje. Hij
+had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op 't tooneel, maar dat was
+natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan 't
+souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam
+erkende dat zijn "aantijgingen" monsterlijk waren en werd gestraft met
+een poenitet, en 't chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en
+zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel
+gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo
+Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om 't gepraat van
+André, wiens stem soms hoorbaar was als 't algemeen gonzende geroes wat
+daalde.
+
+"U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op 't tooneel, juffrouw
+Tadingh," begon hij toen weer.
+
+"Nee," zei ze, even lachend, "dat 's niets voor mij.... Comediespelen
+vind ik iets verschrikkelijks...."
+
+"Hoe dat zoo?.... Vindt u 't zoo lastig 'n rol te onthouden.... of?...."
+
+"Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen
+zeggen in 't publiek!.... ik vind 't altijd iets aanstellerigs, iets
+onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt 't....
+Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten...."
+
+"Alleen ongewoonte!" zei Bernard.
+
+"Mogelijk wèl, ja.... Maar 'k weet 't toch niet, 't zit geloof ik, ook
+in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen
+stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo
+als-'t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken....
+O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u 't kent, dat
+gevoel...."
+
+"Ja zeker," zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie
+weer merkte, "dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar
+ik heb me altijd verbeeld, dat 't eigenlijk niet mocht.... 't Is, geloof
+ik, ook wel 'n beetje egoïstisch."
+
+"Vindt u?" zei ze, droomerig, wat verwonderd naar 't scheen.
+
+"Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen
+recht op je, dan moet je je 'n beetje geven."
+
+"Heel goed," zei ze kalmpjes, "als ze dan tenminste wat aan je hebben,
+als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar...."
+
+"O!" zei Bernard, "en dat is u allemaal niet?" Hij zei 't 'n beetje
+ironisch, 't bedoelend als gewone galanterie.
+
+"Nee," zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, "nee, heelemaal niet!....
+dat zult u trouwens ook wel zien en merken...."
+
+Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel
+ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei 't alles zoo
+zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in
+hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist
+heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij,
+eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde:
+Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote
+begrippen alleen, minachtend 't kleine, maatschappelijke, en dat
+ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht:
+zoo'n zuster hebben, zoo'n zachte verstandige zuster om mee te praten
+over alles....
+
+Maar Lize klampte hem weer aan. "Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat
+nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft."
+
+"Wel nee!" zei Bernard, "'t is rossigblond, niet rood! Rood is heel
+anders."
+
+"Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u 't, meneer van der Hoeven!"
+
+En Bernard's gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten.
+Hij vond haar profiel heel mooi. 't Was misschien niet zuiver mooi,
+volgens de eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon
+stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in 't donkerrood zijn, in een
+granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo'n wijde, met soepele plooien.
+Wat had ze 't nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat
+monster....
+
+Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging
+toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en
+was er een poosje alleen 't deftig-langzame preek-gepraat, 't zeurige
+zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan
+de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen 't uit was een
+verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop
+naar 't bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep.
+
+Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze
+samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even
+brutaal teruggaf.
+
+"Bevalt de tafelschikking u nogal?" vroeg hij.
+
+"Ja zeker," zei ze, "u ook?" "Bizonder," zei Bernard. Maar haastig keek
+hij even om of Lucie 't gehoord kon hebben, want 't bewustzijn hinderde
+hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats
+voelde hij Mimi's blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de
+geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest.
+
+Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat
+met Lucie. Over boeken ging 't. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had,
+of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van
+vertellen, wat 't was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over
+een ander boek begon.
+
+En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei
+hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest
+hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in dat 't de
+plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde
+een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak 't Engelsch zuiver uit en hij
+vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht.
+
+Toen kreeg ze 'n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze
+sprak 't natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel......
+
+"Integendeel, ik verzeker u, u doet 't uitstekend!.... Ik weet 't wel
+zoo'n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest...."
+
+"Ja?" zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde
+kinderlijk-echte blijheid weer, "nou, dat doet me plezier!.... Ik houd
+ook veel van Engelsch...."
+
+Dat laatste had Lize Schot gehoord. "O! ik ook," zei ze dadelijk.
+"Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u 't land ook? Bent u er
+geweest?"
+
+"Nee," zei Lucie, "ik ben er nooit geweest."
+
+"O, ik wel!.... 'n heerlijk land!.... 't Eiland Wight, hè,
+verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene
+velden daar, tennis, crocket, football...."
+
+"Nou, nou," zei Bernard, "football zult u toch wel niet mee gedaan
+hebben!...."
+
+"Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. 't Is
+heerlijk!" En ze gingen in dien hoek zitten praten over football.
+
+Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk
+doorpratend: "Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?"
+
+"Nee, meneer, nooit!.... Maar 't moet heerlijk zijn, dat geloof ik
+wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die
+anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over 'n
+ander land beginnen.... Toch is 't onze ook mooi, vindt u niet?.... O,
+ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en 'n wandeling naar
+'t Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk...."
+
+Bernard zei, dat hij 't zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig
+tijd....
+
+"Dat 's jammer," zei ze, "'t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan
+'s middags om 'n uur of vijf, zes, als 't wat koeler wordt en rustiger,
+als 't water niet meer zoo in 't volle zonlicht is, maar alleen van die
+smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek
+'n groote wemelende schittering.... O, dan is 't licht zoo mooi
+om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo
+verrukkelijk, vooral in 't oosten, waar de lucht dan al grijzer en
+koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de
+boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht...."
+
+Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase
+in haar zachte, bijna fluisterende stem.
+
+Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich
+half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en
+Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam
+gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. 't
+Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon 't maar
+even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend
+met een air van onverschillige meerderheid.
+
+Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last
+van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er
+werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.
+
+Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman
+te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij
+kreeg meer en meer 't land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam
+zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden
+op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe
+bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Een
+ander zou haar 't hof gemaakt hebben -- hij kon niet anders dan
+fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig,
+onzinplannen, romantisch a la opéra-comique -- en ze lachte hem uit,
+natuurlijk!
+
+Na 't souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de
+tooneelzaal -- er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach
+onder de heerengroepen -- en toen gingen ze weer aan 't dansen; de
+tafels waren weggenomen in dien tijd.
+
+'t Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt.
+Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met
+prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda
+ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde
+zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe -- en zoo warm.
+
+Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en
+prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een
+praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner,
+bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog
+hij.
+
+Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; 't was
+'t genot van den dans, 't lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf
+niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon
+weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke
+kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar
+levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een
+paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij
+Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht
+haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie
+was weggegaan. "Och! weetje," fluisterde de goedig-praatzieke oude dame
+hem in, "ze werd door een kruier gehaald, 'n beetje vroeger dan de
+rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat 's net iets
+voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet
+over praten, hoor!.... 't Is anders 'n lief meisje, vindt-je niet?"
+
+"Zeker," zei Bernard, "zeker!.... Ze schijnt wat stil...."
+
+"Ze is erg stil," zei mevrouw van den Bosch, "ze is erg stil,.... maar
+heel lief.... en voor haar moeder moet ze 'n engel zijn...."
+
+Bernard zag Samson zitten, in-z'n-eentje, lui-achterover op een sofa, en
+hij ging naast hem zitten.
+
+"Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder," zei Samson.
+
+"Mijn dame is er van door," antwoordde Bernard.
+
+"Daar zijn er anders nog wel 'n paar disponibel," zei de ander weer, met
+zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te
+bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.
+
+"Après vous," zei Bernard.
+
+"Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik
+houd van me gemak, weetje...."
+
+"Ik mag 't wel", zei Bernard.
+
+"Mág 't wel! Mág 't wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken
+dat je 't voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... 't Is
+natuurlijk alleen om 's 'n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik
+zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me
+gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel...."
+
+Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer
+aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen 't gewild lijmige,
+vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat
+vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en
+de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te
+voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen
+kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan
+altijd en hij ried, hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen
+oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn
+fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij
+macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch
+ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast
+Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.
+
+Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. "Kijk die
+vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou,
+die zal 'n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z'n vrouw 's
+zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!...." Maar Bernard
+bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken.
+
+Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret,
+een mooi, 'n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote
+donkerbruine oogen en 'n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar
+heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een
+pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post.
+
+Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen;
+het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes
+zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels
+afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun
+manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om 't geeuwen te
+bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind.
+
+En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen
+bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig
+geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de
+gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend.
+
+Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door
+'t dansen en door 't slagen van 't feest, niet wetend van uitscheiden,
+riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige
+gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek
+weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk
+speet 't toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn
+landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep
+hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met
+haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar
+mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag
+komen.
+
+"Mag ik 't genoegen hebben, juffrouw van Keppel."
+
+"'t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met
+André.... met meneer ten Deen afgesproken...."
+
+Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en
+fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met
+André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit
+moest hij er om lachen. Zoo'n handige bliksem, zei hij zacht in
+zichzelf, ze noemt 'm waarachtig al bij zijn voornaam.
+
+Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de
+bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe
+door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was
+hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen
+tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer
+loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen
+en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen.
+
+En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de
+wijde nachtstilte, opnieuw alleen. 't Was nog altijd datzelfde weer, dat
+drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen
+van de leege, grijze gracht, en door een paar uitgestorven zijstraten,
+waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar 't stille huis op 't
+Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte
+stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.
+
+Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij 't er gelaten had. 't Was er
+rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar
+neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu
+had hij er niets geen lust meer in.
+
+Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren......
+
+Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde 't nog niet. 't
+Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok,
+loom en rukkerig.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag
+vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren 't twee kamers geweest,
+maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat 't nu één langwerpige
+ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot
+vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In
+de achterkamer was de ingang voor 't publiek.
+
+Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen
+van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export.
+
+Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het
+was een oud, degelijk, soliede huis.
+
+Het was ook nog zoo'n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo'n
+huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op
+'t kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel
+teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet
+soliede geweest. De patroons hadden nooit een privé-kantoor gehad,
+hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de
+bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel
+vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime
+kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die
+kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had,
+bewoonde nu in Hilversum een pracht van 'n villa.
+
+Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in
+jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde,
+grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van
+inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen
+vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de
+krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote
+bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder
+en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen,
+kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen
+slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische
+voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius
+en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten
+en masten en zeilen, en in 't midden met van die mooie krulletters
+[waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de
+documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen....
+Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij
+van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met
+drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten
+prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van
+'t vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen
+zakenrommel.
+
+In een hoek stond een groote potkachel met een rossigen ronden buik en
+een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep.
+
+Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder,
+de eenige, die 't weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en
+daar tusschen de lessenaars en 't plafond en achter de kachel, was
+benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten
+bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met
+frisschere stukken, die niet patroonden.
+
+Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de
+heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden
+er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.
+
+Dien morgen na 't feest was "de jonge meneer" laat. 't Was negen uur
+en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die
+dikwijls op zijn horloge keek en 't aan zijn oor hield, twijfelend of 't
+soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat.
+De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend
+op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan
+dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar
+den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch
+niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens.
+
+Een van de "aankomende bedienden", een jongmensch met dom-dik gezicht en
+blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op
+zijn katterigheid, op te snijden van 't aantal glazen bier, dat hij den
+vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem
+voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede
+jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om
+te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere
+beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De "jongste bediende", een
+klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil,
+angstvallig loerend, gebogen over 't copieboek dat hij registreeren
+moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik
+van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal.
+
+In 't schemerlicht van 't achtervertrek -- 't was een donkere morgen --
+zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en
+zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig,
+verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: "De Groote Iza" van Bouvier, gehuurd
+à één cent per dag.
+
+"De baas is laat van morgen!" zei die met 't blauwe hemd na een langen
+geeuw. "Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal 't er nou zeker 's
+van nemen!... Ja! dat kan _hij_ doen!...."
+
+Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. "Daar heb je
+'m?" riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken
+werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze
+allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te
+schrijven aan hun lessenaars.
+
+"Goeiemorgen," zei Bernard vrindelijk. "Morgen, meneer!" zeiden de
+bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden.
+
+Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan
+zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje
+achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag
+nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in
+zijn ooren, 't was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen.
+Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en
+liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij
+wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die
+kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat
+komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting, de plichten,
+wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de
+wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden
+in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over
+condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een
+zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich
+aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de
+quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik
+dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit.
+Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen
+de kantoorstemming, 't bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij
+kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te
+krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem
+toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las
+en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te
+nemen, want 't was al laat.... God! 't was eigenlijk veel te laat, hij
+wist niet hoe hij nog klaar zou komen....
+
+Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van
+zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf
+beklagend, had hij zich langzaam 't bed uitgeheschen. Maar toen hij een
+paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn
+handen in 't koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche
+rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige,
+behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met
+dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje,
+een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam,
+niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand.
+Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn
+schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde zich wel even met een
+gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij
+begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te
+schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was
+toch maar niet zoo'n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en
+in 't koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel
+met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch
+maar aardig!......
+
+Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar
+zijn kantoor. Op straat, in 't nuchter-heldere morgenlicht en de
+onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van
+vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die
+naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan
+lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf,
+waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben,
+en een twijfel of 't wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet
+liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met
+'m geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want
+natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En
+dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar
+gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar
+o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof
+'t niets was geweest, een grap voor 'n avond.... En dat was 't dan toch
+ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog 's te
+ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog 's met 'r dansen!.... God!
+wat 'n genot was dat!....
+
+Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die
+kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer
+terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor
+de deur van zijn kantoor. Hij had 't wel voorbij willen loopen. Dat
+kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar
+boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje.
+
+Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit
+en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van
+de post en besprak 't werk met den correspondent en den boekhouder.
+Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar
+reizigers en liep rond en keek 't werk na van de aankomende bedienden
+en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit.
+Hij was zelfs een tijd lang met zoo'n animo bezig, dat hij aan niets
+anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen
+hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat
+soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig
+verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn
+handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een
+plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een
+dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur
+geslagen had naast André, die zoo'n handige drommel was, zoo'n
+leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van 'n jongen met zijn
+losse manieren, vrij, op 't brutale af, waar sommige meisjes zoo
+dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te
+gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan
+een avond....
+
+Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje,
+een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij
+misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of
+althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!....
+
+Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep
+hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde
+in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot
+er niet mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien
+hij kende, behalve de van den Bosch'en. En daar was ze nog niet
+eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen....
+Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast
+nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs
+kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend.....
+
+Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in 't Concertgebouw te komen.
+
+Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje
+ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou
+'t misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich
+nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd
+in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof
+gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een
+afspraak met haar te maken of tenminste 's gevraagd waar hij haar weer
+zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee!
+hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug
+uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk
+altijd de kaas van 't brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam
+altijd te laat!....
+
+En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer....
+
+Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar 't stond hem vandaag
+al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten
+over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van
+maak-dat-je-'r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij
+elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van
+mannen in 't zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen,
+die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om
+bofferij, dat zuur-zoete lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij
+kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij
+zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig,
+dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn
+schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu
+en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam
+weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van
+vage treurigheid en onbestemd verlangen.
+
+Na vier uur werd 't heel stil op 't kantoor. Allen zaten ze aan hun
+lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder
+uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door 't lange zwijgen.
+Alleen 't jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met
+een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard's stem de stilte met
+een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd 't van tijd tot tijd
+wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en
+ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer
+weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer
+hoe stil 't om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet
+meer indenken, hij begreep 't niet meer, dat hij nog zoo kort geleden
+uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van
+licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken,
+soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de
+wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden
+middag. Zoo'n bal was als een betoovering, hij zou 't misschien voor een
+droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware
+in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal.
+Daardoor wist hij dat 't alles werkelijkheid was, Mimi en die
+handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in 't adresboek, en
+zat er over te soezen waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen
+misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend
+aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!....
+
+En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang
+en vervelend!
+
+Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde
+hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om
+over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok,
+bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met
+een gevoel alsof hij op 't punt gestaan had iets te verliezen.
+
+En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde
+weer naar alleen te zijn.
+
+Ze zaten in 't café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam,
+Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij
+zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te
+luisteren naar de anderen, die 't druk hadden over een kwestie, den
+vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna
+schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond.
+Hij had 't tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met "Och,
+wel nee!.... dan heb je 't niet begrepen!.... dat was heelemaal de
+kwestie niet!" En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar
+André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat
+te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie,
+Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn
+jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken
+had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk
+schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij
+voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren....
+
+Toch hield hij van die vier menschen, wel 't meest van Sam, den
+beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen
+scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn
+oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht
+hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder
+vertooning. En zoo ook, schoon wel 't minst, Gerrit Volle. Want al was
+die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij
+was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou
+je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook 's gelijk gaf,
+wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van
+nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in
+koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was
+vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want -- hij
+voelde 't nu weer -- hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O,
+als hij Edward maar hier had....
+
+Ofschoon die kwestie, waar André 't met Sam over had, nog niet opgelost
+was -- of juist daarom misschien -- keerde André zich in-eens naar
+Bernard met 'n luidruchtig, uitdagend vragen: "Zoo, jongeneer! heb-je
+goed geslapen na dien avond vol dansgenot?"
+
+"Dankje," zei Bernard koeltjes, "best, jij ook?...."
+
+"Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die
+Mimi!...."
+
+Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak
+gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe,
+en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos
+worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe 't hem bevallen was
+gisterenavond.
+
+"Zoo.... zoo...., matig!" zei Sam, "'t souper was nogal gezellig, vond
+ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed...."
+
+"Nee! zoo'n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt," viel
+Hendrik in, zijn glas neerzettend, "dat begrijp ik waarachtig niet! Dan
+zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, 'n potje te whisten of te
+domineeren, wàt jij, Gerrit?"
+
+"Ik ga er nooit heen -- ik bedank altijd voor zulke invitaties," bromde
+Volle. "Je hebt er niets aan en 't kost-je nog geld ook; 'n rijtuig, 'n
+paar handschoenen, 'n fooi, 't komt je al gauw op 'n tientje, zoo'n
+avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!...."
+
+"Betrekkelijk," zei Sam, "als je nou houdt van dansen.... en je hebt
+niets beters te doen zoo'n avond...."
+
+"Heb-jij soms weer niet d'een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke
+Sam," vroeg Bernard.
+
+Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn
+gesoigneerden knevel -- een eenvoudig gebaar zonder fattigheid -- en
+zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: "Ik?.... welnee!....
+iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?...."
+
+"Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?...."
+
+"O, 'k dacht dat je dat bedoelde!.... 'k heb bij vergissing een
+verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer
+Van Daalen was, 't stond er in,.... 't was ook een hooge zijden en ik
+bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in
+den zak van me jas...."
+
+Hendrik barstte in schaterlachen uit. "God ja!.... dat 's waar ook!....
+Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw
+uitgeknepen?.... Je hadt 'm moeten zien met dien hoed,.... hij was 'm
+een half hoofd te groot!...."
+
+Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht
+opmerkte: "O maar,.... dat was niets!.... 'k Heb 'm netjes aangevuld met
+couranten!.... 'k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de
+Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of
+hij soms bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde
+of ik de mijne wel had......"
+
+"En wat zei-die," vroeg Gerrit.
+
+"Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer....
+En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb
+'t ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de
+boodschap, dat hier meneer z'n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel
+kwam...."
+
+"Poeh!.... dat ouwe nijdasje!" lachte Hendrik nog.
+
+Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal,
+waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie
+en over de menschen van de partij, en over 't nieuwe boek van Couperus,
+en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en
+over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te
+langzaam was en volgens André's dictatoriaal decreet geen fooi zou
+hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit,
+en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met
+warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor
+den gek te houden en schuine moppen te tappen.
+
+Sam ging 't eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een
+soirée te gaan.
+
+En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat
+hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en
+Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer.
+Hij stak er 't licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend,
+met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al
+begonnen aan een interessant artikel in de "Nineteenth Century," een
+artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen.
+Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in
+zijn zakken soezend voor zich zitten kijken.
+
+Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe,
+warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij
+voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos....
+
+Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de
+partij en van de Beurs en van André's druk gepraat dof, als op een
+afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in
+verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... 't Was hem
+of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had....
+
+Op zijn kamer was 't stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze
+rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls
+zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die
+stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun
+onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins....
+wachtend.... wachtend....
+
+Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen
+was drukte 't hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde 't hem
+bizonder, werd 't als een last op zijn borst.
+
+Ook buiten was 't stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De
+sombere nagalm hing laag boven de huizen....
+
+Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had 't immers dien middag
+opgezocht in 't adresboek....
+
+Och nee, lezen! Hij kon 't niet van avond....
+
+Maar...., hij wou toch wel 's zien dat huis waar ze woonde......
+
+En hij stond op -- licht schrikkend van zijn eigen gestommel -- en trok
+zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend
+ging hij de trap weer af en naar buiten.
+
+'t Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn
+zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, 't gerinkel van de
+trambel, 't eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen,
+voelde hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen
+niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week
+gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen
+dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan
+naar haar.... Hij wist wel, dat 't kinderachtig was en belachelijk,
+goed, 't ging immers geen mensch aan, hij was alleen....
+
+Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond
+'t hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd,
+en zonder hooge-stoep. De naam "van Keppel" stond met krulletters op den
+post van de deur geschilderd. 't Was een deur met traliewerk, waarachter
+matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er
+lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen
+voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een
+vroolijke melodie was 't.
+
+Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende
+door 't zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje
+staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn
+hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden
+in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep 't
+zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want
+ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan
+nog!.... 't Was of hij de vrijer van de meid was!....
+
+En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van
+zijn jas.
+
+Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten
+af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden
+van den avond.
+
+En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en
+verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en
+met een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die
+als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren
+uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond
+wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding
+van alleen-zijn, naar 't samen-zijn, 't intiemste, met een vrouw, een
+vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het
+werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de
+onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden,
+toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de
+aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele
+lieve lijf, 't tengere, 't slanke, 't gladde, 't dofglanzende, 't
+week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. 't Was er weer,
+droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen
+naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één
+supreem moment. Maar telkens vlamde 't zinnelijk begeeren boven zijn
+ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge
+lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en
+tastten naar verruiming....
+
+En 't verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in
+de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte....
+
+En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de
+verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen
+voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de
+levensgeluiden doofde....
+
+Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing.
+
+Hij kwam weer op 't Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens
+een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op
+hem aanloopen en hoorde hij 't geschuif van rokken vlak bij zich en
+kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche liefkoozingsnaampjes.
+Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en 't deed hem aan met afschuw,
+dat dat kon, dat zoo'n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te
+lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken
+mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen
+hem!.... O 't platte, o 't leelijke, gemeene, dat gniepig uit de
+schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst....
+en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd
+en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de
+zwijgende dingen in 't stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en
+'t vijandige platte....
+
+Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe....
+
+Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich
+een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn
+jongensachtig verliefd gesoes. 't Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk
+zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo'n boel anders,
+zoo'n boel wat je lezen moest, wat je weten moest......
+
+Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij
+voelde 't nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap
+en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep
+dadelijk.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De volgende dag was een Zaterdag. Op 't kantoor van Vermeet & Co. was
+dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in
+roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap,
+veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven
+van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor
+morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder denkleven, bij
+de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als 't even in je
+opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht
+even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om
+te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan
+ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den
+tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.
+
+Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich
+zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe
+uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen,
+werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken
+dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij
+herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan
+in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar
+was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt
+tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies
+zooals hij haar voor 't eerst had gezien, met dat pikante, dat
+verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen,
+dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar
+morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten....
+haar te vragen....
+
+Maar 't was ook maar een oogenblik.
+
+Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat
+hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit
+kunnen, onmogelijk!.... En 't zou ook immers allerdwaast zijn en
+trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet
+lief,.... och, wel neen, daar had 't niets van....
+
+Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een
+drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou
+bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht
+te stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning --
+maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen,
+als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden
+angst voor 't ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis
+uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar 't avontuur en een
+minachting voor zijn angst.
+
+Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....
+
+'t Werd hem niet helder. En 't was hem een welkome afleiding, toen hij
+in 't koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond,
+een schoolkameraad, nu medisch student, al van 't zesde jaar, in Leiden.
+Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken,
+had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde.
+De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet
+gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over
+zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops,
+zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen
+van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo
+niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan
+feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense
+emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven.
+Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar
+door het leven. 't Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had
+daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom
+had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij
+was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet 't hem niet merken,
+luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en
+opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander,
+daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat 't toch zoo jammer
+was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan studeeren, waarop Bernard,
+licht blozend, glimlachte en zei: "Ja!.... ja!.... och, maar dat ging
+nou niet!.... En misschien zou 'k er toch ook niet voor gedeugd
+hebben.... Ik weet niet of 'k wel een studiekop heb,.... 'k geloof 't
+eigenlijk niet...." Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij
+zei dat 't er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op
+aan dat zijn vrind, die plan had 's middags naar Leiden terug te gaan,
+aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou
+doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel
+geschikte kanapee.
+
+De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te
+zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en
+Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars
+teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep
+haastig naar de Beurs, want 't was weer laat geworden.
+
+Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij
+schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde
+vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen 't al
+zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en
+vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen,
+en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student
+daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende
+wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich
+dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel
+gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en
+gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op 't Leidscheplein.
+
+Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog
+een broer van André, zijn broer die aan 't Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot Maandag om, zooals hij
+zei, de peentjes 's op te scheppen in Amsterdam, om 's los te zijn, vrij
+en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó
+oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet
+je dan geen goed in je carrière.
+
+Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De
+Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of
+eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den
+Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad.
+'t Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-'t-gesprek,
+maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door
+correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de
+Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij 't
+modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok
+laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven
+zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op.
+Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker
+dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De
+ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van
+wantrouwende rancune tegen Sam.
+
+Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere van de gasten. En zij
+gingen ergens anders hun koffie en cognac drinken, ergens waar je in
+gemakkelijke lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. 't Was een
+niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken, met donker behang
+en een hooge donkere lambriseering en halfsleetsch bruin leer op de
+stoelen en kanapeetjes. Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met
+wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht geglans, rustig op de
+halfliggende lijven van heeren die hun koffie dronken. 't Was er vol.
+Overal van die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofden er om
+heen en een gegons van mannestemmen en nu en dan zwaar mannengelach. En
+in die zwoele atmosfeer, vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat
+Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig van uur tot uur
+leven, zonder zorgen en zonder diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij
+voelde zich behagelijk. Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende
+vergeten, hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om niet van
+op te staan en van de gezelligheid en de lekkere koffie en de goed
+voorgedragen studentenmoppen. Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche
+schandaal-verhaaltjes, de pikante portretjes van een gansch andere
+wereld dan de zijne, van een wereld waar hij zich ver van voelde, die
+hij minachtte, maar toch wel curieus vond om de ambitie en de eerzucht,
+die 't leven daar nog scheen te geven aan sommige menschen.
+
+Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal pratend, twee
+aan twee, soms luisterend naar een, die een verhaal deed of een ui
+debiteerde. André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen, in
+onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die hem met koddige
+quasi-afschuw terecht wees. Hendrik blies genoegelijk kringetjes voor
+zich uit, ze naoogend met een leuk air van zich kalm door de anderen
+te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder was, die al een lang
+jonge-heerenleven achter den rug had, was haast altijd klaar om velerlei
+inlichtingen te verschaffen omtrent de menschen, die in 't gesprek
+werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig omgaand met
+iedereen, zonder ooit ruzie te maken, grinnekend om ieders aardigheden,
+waardeerend ieders levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje
+een vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou met een
+langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid.
+
+De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend hoe gezellig hij
+'t vond in Amsterdam, en dat 't "bij ons" zoo'n stijve boel was. Hij
+gaf voor, zijn stadgenooten en vooral zijn collega's, de ambtenaars te
+haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van nabootsing en
+schoot nu en dan op uit zijn vadsige houding om zijn chef na te
+doen, die een typische oude bureaucraat scheen te zijn. En dat die
+ambtenaars-vrouwen, en -dochters zulke mooie kleeren dragen, wat ze
+uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij bespottelijk! Dat den
+fijnen meneer uithangen en thuis hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in
+vage termen, op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je eenige
+amusement als jongmensch in den Haag, zie je, maar wat je een leelijken
+bom duiten kost, en als dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek 't
+altijd weer 't zelfde aardige snoetje te zijn, waar hij 't over had, en
+dat hij met kinderlijke trouw en goedkoope broches en armbandjes scheen
+na te loopen.
+
+Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom op en liepen de
+Kalverstraat in, slenterend langs de lichte winkels, telkens van elkaar
+afrakend in de volte, in de nimmer-eindende optochten van donkere
+mensch-figuren, die in de straat-engte elkaar voorbij togen. Woelige
+Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen de huizen-muren. Het gieren van
+meiden en straatjongens, 't eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend
+gekrijsch van venters, 't ergerlijk aanmatigend hei-geroep en brutale
+lachen van troepen opgeschoten jonge-kerels, die, aaneengesloten tot
+dichte drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge gapingen
+stootend in de lam-meegevende volte, wijde gapingen van naakt asphalt,
+die dadelijk weer volliepen als de geul die een schip maakt in 't water.
+En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich mengend met de warme
+walmen die uit de lage winkels sloegen, waar de gasvlammen stonden te
+gloeien, fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen, waar
+de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrook en de dampen van allerlei
+drank, met golven naar buiten drong, telkens als de deur openging.
+
+Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere, soezige stemming van
+zorgeloos voortleven. Drukke volte in een nauwe straat benauwde hem
+altijd, maar vooral 's avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en laag
+hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets geheimzinnig-dreigends in
+dat nachtelijk gekrioel van wildbewegende menschenlijven, in die brutale
+luidruchtigheid, zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze
+zwart. 't Gaf hem een voorgevoel van naderend onheil. Het drukte hem,
+maakte hem stil.... En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale
+straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot koffiehuis voor
+in de straat te gaan, hij verlangde naar een wijde ruimte vol licht,
+naar overvloed van warm avondlicht om zich heen.
+
+Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar 't donker was, zoodat
+de menschen, die daar zaten zich konden amuseeren met kijken naar de
+bewegende volte in de schemerig verlichte straat, gingen ze door; ze
+gingen achter het groote, zware gordijn in 't eigenlijke van 't
+koffiehuis, in de hooge lichte hal tusschen de wijde wanden, hel
+gekleurd, blinkerend en schitterend door 't buffet vol glaswerk
+en veel spiegels overal; maar in 't midden lag als een stralend
+centrum van warme gezelligheid de groote groene leestafel met de
+rustig-groen-gekapte lampen er op en de stapels kranten en tijdschriften
+in donkere porte-feuilles met koperen knoppen, en er om heen de lezende
+en pratende mannenhoofden, rossig verlicht. 't Was vol aan de leestafel
+en vol aan bijna al de andere tafeltjes, die stonden door de zaal
+verspreid en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten
+van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten ging prettig
+praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder rumoer.
+
+Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltje vrij was. Gerrit werd
+in 't voorbijgaan door een kennis aangeklampt, een luidruchtig man met
+een ruwe stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij gebruiken
+zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging met den Hagenaar een partij
+biljarten, achter, in de biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan
+dat tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe sigaren op, en
+Hendrik en André, die in dezelfde branche van handel waren, begonnen
+samen over zaken te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee
+ambassade-attaché's, waarbij veel werd gefluisterd en geknipoogd
+en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl zaten Bernard en zijn
+oude vriend, zich terugdenkend in hun samen-zijn op het gymnasium,
+herinneringen op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden of
+gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten en waar die nu allemaal
+gebleven zouden zijn. Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar
+verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of weg.... of dood....
+
+Bernard kwam niet meer terug in die stemming van zorgeloos,
+gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich toch weer op zijn gemak.
+Hij was wat soezig; hij dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand
+de aangename indrukken van 't weelderige avondlicht en de gezelligheid
+in de zaal en om hun tafeltje en van den hartelijken vrindentoon en de
+opgewektheid van den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op
+zijn tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn schoolmakkers....
+Toch was er ook iets, dat hem drukte, heel licht en onbestemd, maar hij
+had geen tijd om zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor
+moest hij praten of luisteren. Maar dat was 't juist, voelde hij later;
+hij had wel graag na die oude herinneringen even gezwegen in stil
+gemijmer, en dat ging niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn
+vriend den student.
+
+Toen 't zakengesprek hem begon te vervelen stelde André voor, een
+partijtje te whisten en de anderen vonden 't goed. En een tijdlang waren
+ze nu verdiept in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende
+denkgezichten, in stille houdingen, dan weer loskomend in druk gepraat
+en gelach over een vergooide kaart of een mislukte invite, over snijden
+of renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers, de Leidenaar
+vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard had er gauw genoeg van. Hij
+werd warm en suffig, 't spel vorderde te veel inspanning van hem, hij
+voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen wegzakken uit zijn
+warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd van de indrukken van licht en
+gezelligheid, hij kon ze niet meer opnemen; 't geroes om hen heen, 't
+lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden hem hinderlijk. Hij
+voelde zich lam-loom worden, warm, vol en overvoldaan, en nu en
+dan kwam even een vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht
+en 't melancholisch-rustige half-duister van een leege straat met
+lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet in-eens opstaan en
+wegloopen kon. Dus trachtte hij zich maar weer te dwingen tot beter
+opletten en speelden ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij toen
+Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en de kaarten weer weggedaan
+werden.
+
+Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar voor den gek met zijn
+"beroerde manier van trekken" en de ander had zijn eigenwijze
+bemerkingen op 't Amsterdamsche biljarten.
+
+Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht zijn kennis mee, dien hij
+voorstelde. 't Was een schilder. Een boom van een kerel, met een
+rood-robust openluchtsuiterlijk.
+
+Dus zaten ze er nu met z'n achten.
+
+Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld en 't losse gepraat
+begon weer, 't levendige gooien met woorden door de lauwe wolk van
+sigarenrook, heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffe
+tafel-met-glazen, 't gebabbel en gelach om allerlei voorvallen en
+allerlei menschen, en de verhalen van vroegere fuiven en van slimme
+zetten en bofferij en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels
+en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een zekere distinctie door
+zijn beschaafde uitspraak, door de détails van zijn verhalen bedaard en
+geduldig te verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met allerlei
+koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een kinderlijk dol-plezier in
+had. Maar André, die altijd alleen maar wachtte op de pikante pointe van
+de mop, vond dat flauw. Hij had 't hoogste woord met zijn luidruchtige
+uitroepen van overdreven ingenomenheid of walging en met zijn
+aanstellerige breede gebaren van onafhankelijk, ongegeneerd man.
+
+De meeste schuine moppen waren van den schilder. Die lei dan zijn
+ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen satyrkop met den
+kroesenden puntbaard naar voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden
+zijn verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend met zijn
+zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen lekkerbek. Hij gebruikte
+platte termen, ruwe volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem
+of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij niet, dat er zoo
+iets als heerentaal bestond, onverschilligweg, even soms met iets
+leuk-spottends in zijn oogen kijkend naar den student en den Hagenaar,
+zich kennelijk stil-verlustigend in hun verblufte verbazing.
+
+André schoof een poos op zijn stoel heen en weer van plezier en ging
+eindelijk zoo ver mogelijk achteruit zitten om lekker te kunnen lachen,
+wat den schilder deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een
+leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms even aan en begonnen
+dan te lachen, onder elkaar pret hebbend om "dien lolligen vent", dien
+Gerrit meegebracht had. "Vind-je 'm niet typisch", fluisterde Gerrit
+Bernard toe, met kleingetrokken oogen van heimelijk, inwendig genot.
+
+Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke pret in hun
+oogen, hij hoorde 't verborgen heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde
+de atmosfeer van stilletjes-genieten-'t-lekkere-verbodene hangen om
+hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde den band, die daardoor was
+ontstaan tusschen hen, als waren ze samenzweerders tegen 't kuische.
+En dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend, aanvullend,
+paraphraseerend de schouwheden, die dweilden over de vuile tafel. Dat
+hij wel moest meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap,
+want dan zou zijn ziel naar boven komen, en op zijn zwijgend gezicht
+zouden zij zien wat niemand zien mocht. Zoo was 't, maar hij schaamde
+zich omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen kon zat
+hij die weg te redeneeren, zich beduidend dat hij er wèl aan deed mee
+te doen. Dat dit zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat hij
+gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken dat ze wat aan hem
+hadden. Dat hij zich niet moest verbeelden dat hij er niet bijhoorde.
+Wat een nonsens!.... Waarom zou hij er niet bijhooren?.... Was hij soms
+een dichter, een genie?.... Die schilder daar was veel meer dan hij!....
+Hij was immers maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje net als al
+die anderen, André en Sam en Hendrik!.... Niets beters!.... Zich
+dat te verbeelden was malle aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke
+overgevoeligheid, kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie was
+de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan toch ook in een koffiehuis
+niet praten over philosophische kwesties.... of over de liefde.... of
+over 't leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel van een pikante
+mop!.... wel waarachtig!....
+
+Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor mee, zoo natuurlijk
+dat de anderen niet beter wisten of 't ging van harte; hij lachte hardop
+en dronk achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep:
+
+"Kijk, Bert heeft lol!" Hij debiteerde zelf ook nu en dan een mop, maar
+hij droeg ze slecht voor, de helft vergetend, zich telkens in de rede
+vallend en verwarrend 't eene verhaal met 't andere.
+
+Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend aankeek en hem
+toeriep; "Zoo.... zit je weer te vuilbekken?" En toen tegen
+Gerrit, vertrouwelijk: "Luister toch niet naar dat varken, Volle, je
+compromitteert je!...."
+
+Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen antwoord, vertelde
+rustig door, met tintelende oogjes.
+
+Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en ze aten ook wat, een
+slaadje of brood met spiegeleieren, en ze kregen allemaal warme, roode
+hoofden, en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden en begon bij
+wat hij zei met zijn vlakke hand op tafel te slaan, zoodat de kelners en
+de menschen aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk ging 't
+ook André, die nu alle houdingen op zijn stoel geprobeerd had, vervelen
+in 't groote, fatsoenlijke koffiehuis. "Kom jongens," zei hij, na een
+schaterlach, "nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben vreemdelingen
+over!...."
+
+"Goddome ja!" zei de Hagenaar, "daar moeten we nog naar toe!"
+
+"Ik ben er ook in geen jaren geweest," zei de student.
+
+En dus begonnen ze, de een na den ander, af te rekenen met den kelner en
+lieten zich hun jassen opgeven en liepen zwaar-loom 't koffiehuis uit.
+En langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig troepje, luid
+pratend en lachend, trokken ze de nu leeger en donkerder geworden
+Kalverstraat uit en den Dam over.
+
+Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar ze heengingen. Toch, op
+dat plein, terwijl hij de wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde,
+en den grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hij zich, 'n
+beetje soezerig van drinken, voelde loopen in den nacht, den grooten
+geheimzinnigen nacht, en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en
+de nacht -- als hij zoo even naar boven keek en de kille, ijle lucht
+opsnoof -- al wijder en stiller en geheimzinniger, toen vond hij er iets
+onwezenlijks, iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze nu
+naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol van zatheid en gemeene
+brooddronkenheid en liederlijke pan. En -- weer met onvolkomen succes --
+beduidde hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze in de Kalverstraat
+gezeten hadden en nu naar de Nes gingen, wat een climax was van
+mannenplezier in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral als
+je menschen uit de provincie over hadt.
+
+Op den Vijgendam was 't nog vrij druk. Er was een standje met de
+politie er bij, voor een koffiehuis. En hier en daar stonden, wachtend,
+loerend, armoedige sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje,
+bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan met hoonende
+liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon te schelden in plat-jordaansch,
+vermakelijk vond Gerrit.
+
+En toen sloegen ze den hoek om en trokken de nauwe Nes in.
+
+Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die uit waren, een relletje
+in de Nes. Vooraan waren al de winkeltjes nog open en straalden schel
+licht uit over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar en veel
+bewegelijke groepen meiden met verloopen kerels en poenige slungels. En
+dáár waren ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants. Maar
+verderop werd 't donkerder. Daar waren geen winkels meer, maar tusschen
+de rossig-grauwe, gesloten huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar
+wijven in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan de deur
+stonden, die de heeren fleemend inviteerden om binnen te komen, met
+lijmerige uithalen uit 'r vette speekselmonden, en hen najouwden als ze
+lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en lawaai uit als een
+tjingeltjangel-portier in zijn versleten livrei een deur opensmeet en
+uitschreeuwde met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten was. Ze
+liepen door tot in het heel stille, donkere gedeelte en keerden toen
+weer om en gingen een van de onaanzienlijkste café-chantants in, een
+vunzige, lage pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis.
+
+Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend met den pianist. Op 't
+kleine, bontbelapte tooneeltje, in een halve cirkel, zes meiden, erg
+gedecolteerd, beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en te
+kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke tricot-beenen hangen tegen
+'t planken-vloertje.
+
+Maar 't binnenkomen van de heeren bracht er wat leven in. De pianist --
+een bleeke lummel met een pervers-poenig gezicht -- begon op de oude
+piano te hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch versleten
+geluid. En van 't stinkende buffet achterin kwam een magere, viezige
+kelner mee naar voren sloffen, luiig, vooroverloopend. "Acht spuit!"
+kommandeerde André. En de meiden op 't tooneel zetten zich in
+opgewekter houdingen, als karikaturen van elegance, op hun matten
+koffiehuisstoelen, en één kwam naar voren, en ging een duitsch liedje
+aframmelen, accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene gebaren. De
+anderen begonnen te lonken en kinderlijk naïef te doen en te gichelen en
+met oogen en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet op voordat
+ze allemaal wat hadden, glaasjes stout of ander bocht, en André
+tracteerde er een op champagne, waarvoor ze van 't tooneeltje kwam en
+naast hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar grinnikte van
+innig plezier. André deed beschermend tegen haar, vaderlijk bijna.
+
+De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes af, duitsche en
+engelsche.
+
+En toen moest die van André de danse du ventre voor hem dansen, hij wist
+dat ze die kende. André gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld
+moest worden. En de oude, verloopen kerel, die met den pianist had
+zitten fluisteren, begon te schreeuwen en te kwijlen van genot toen hij
+die dans zag. Strak-idiotig tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen,
+rood-ontstoken. Hij bleek dronken te zijn, dronken van glaasjes gemeene,
+heete pons, die hij 't een na 't ander naar binnen lebberde. En na de
+danse du ventre klommen André en de schilder op 't tooneel, en André
+beval den pianist een polka te spelen, en toen begonnen ze, ieder met
+een meid, -- terwijl de andere vier met elkaar dansten, -- te polkeeren
+dat 't houten vloertje kraakte en de vette, puisterige kastelein naar
+voren kwam om te zeggen dat 't uit moest zijn.
+
+Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken, soms een beetje pratend
+met Sam, die ook kalm was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee
+alleen van al 't miserabele om hem heen. Hij voelde wel iets van
+medelijden met die 'r vleesch-uitstallende jonge vrouwen op 't tooneel,
+met den kelner en den pianist. Maar 't was ook maar een klein beetje en
+zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in een hem vreemd
+gedenk, in trotsch-onverschillige, koel-cynische overpeinzingen. Hij
+dacht met hardheid, met steenen minachting over zich zelf en zijn
+omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming gevonden, waarin
+hij zwijgen kon zonder angst. Hij had een glimlach, een rustige
+glimlachsplooi gezet op zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat
+hij zich ook amuseerde en de minachting niet merken. Hij was zich bewust
+dat hij hen bedroog. Hij wist dat hij alleen was en sterk.
+
+Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op dat alleen-zijn,
+werd hij bevangen door zoo'n wee-golvende walging, dat hij onwillekeurig
+opstond en zei: "Kom, gaan jelie mee?" En hij liep 't lage zaaltje uit,
+en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend: "Nou!.... hé! Wacht
+even.... Blijf nou nog even!..." stonden nu toch ook op en kwamen bij
+hem.
+
+"Waar gaan we nou naar toe," vroeg de Hagenaar, opgewonden.
+
+"Ik ga naar huis -- 'k ga naar bed," zei Bernard, stroef.
+
+"Jasses!" riep André, "wordt jij weer vervelend?"
+
+Maar Bernard gaf 'm geen antwoord. "Ga je mee," vroeg hij aan zijn
+Leidschen vrind, "of willen we nog ergens anders gaan zitten?"
+
+De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich en antwoordde niet
+dadelijk. En de schilder schaterde 't luid uit en riep: "Hij wil, geloof
+ik, nog wel 's naar de meisjes, wat?.... Hahaha...."
+
+"God ja!" zei André, "dat 's een idée!" En hij noemde den naam van een
+van de bekendste bordeelen. "Laat we daar 's naar toe gaan!"
+
+En alsof 't van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen werd, liep hij
+door, zonder verder te luisteren naar de anderen, die slenterend
+volgden.
+
+Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard opnieuw aan den student:
+"Nou? hoe is 't?.... Wou je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel
+geven, want dan ga ik naar huis."
+
+De anderen bleven staan.
+
+"Nee...." zei de Leidenaar, "dan ga ik natuurlijk met jou mee!"
+
+"Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op," zei de schilder met een vloek en
+lachend liepen de anderen door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn
+vrind den kant van 't Rokin opgingen.
+
+Zwijgend liepen ze 'n poosje naast elkaar.
+
+Toen begon de Leidenaar met een stem en een glimlach waarin
+teleurstelling en een minachtend wantrouwen: "Doe jij er niet 'an?"
+
+"Wat meen je?" vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen, zonder hem aan
+te kijken.
+
+"Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat 'k bedoel!...."
+
+"O!.... dat!.... nee!.... daar doe 'k niet an!"
+
+"Kom!" zei weer de student met dienzelfden glimlach van geërgerd
+ongeloof.
+
+"Verdomd!" riep Bernard, met een driftigen stamp op den grond, "wil-je
+me nijdig maken?"
+
+"Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!.... ik wist niet dat je
+'t zoo ernstig meende.... Maar waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen:
+'t is niet goed!.... 't is niet gezond, geloof me!"
+
+En toen begon hij een ernstig betoog, met veel geleerde termen, over de
+ongezondheid van Bernard's onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en
+met overtuiging, autoriteiten aanhalend.
+
+En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten op- en afgaan naast
+zijn hoofd en slikte 't zwijgend, ernstig kijkend voor zich uit.
+
+"Je zoudt ten slotte gek worden!" besloot zijn vrind.
+
+Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!....
+Dat woord schoot hem als een visioen door 't hoofd, gek worden, sterven
+misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw....
+"Goed," zei hij dof, "'k zal 't afwachten...."
+
+De ander haalde zijn schouders op. "Je moet 't zelf weten," zei hij.
+
+En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille
+gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard's hoofd 't somber-cynisch
+gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder,
+blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal.
+
+En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op
+zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En
+zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als 's morgens aan de
+koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er wat tusschen hen was, maar
+ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem
+pratend over kleinigheden, en toen werd 't bed van den student opgemaakt
+op Bernard's kanapee.
+
+Onder 't uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. 't Was laat, ze
+waren moe.
+
+Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht
+was uit.
+
+Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.
+
+"Nou.... wel te rusten," zei toen Bernard, om er 'n eind aan te maken.
+
+"Slaap wel," zei zijn vrind.
+
+En de stilte groeide......
+
+Al gauw hoorde Bernard 't snurken, 't goedig-onbewuste geknor van
+zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de
+duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als
+"zij" niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan
+doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil.
+
+Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen
+een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in
+slaap.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich
+met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag
+was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen
+slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen
+half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit,
+zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn
+onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in
+de ongewone omgeving.
+
+"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."
+
+"Morgen!...."
+
+"Goed geslapen?"
+
+"Best.... jij ook?"
+
+"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"
+
+"Nou, 'n klein beetje!...."
+
+Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had
+een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets
+opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in
+zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest.
+Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest
+brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn
+dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat
+was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te
+letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen
+waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over
+gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.
+
+De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen
+thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad,
+dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had
+bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den
+student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht
+schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig,
+half-klagend, of meneer nog iets noodig had.
+
+"Nee.... dank u!" zei Bernard.
+
+En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend,
+maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna
+staken ze sigaren op en gingen uit.
+
+'t Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen
+van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens
+als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met
+vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend
+zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd
+vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei
+herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de
+Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo
+hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een
+kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die
+menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje
+om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun
+lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat
+langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de
+lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan
+weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan
+de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter
+en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van
+dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote
+tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van
+ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't
+komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan
+te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel
+vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte
+dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.
+
+Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar
+Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar
+eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak
+langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van
+de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.
+Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard
+genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den
+blijen alom tintelenden zonneschijn.
+
+Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was
+toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te
+gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op
+kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door.
+Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook
+van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den
+houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets
+onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege
+kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude
+knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en
+dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging
+van geuren, muffig, bedompt.
+
+Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die
+atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde
+hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn
+vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf
+er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn
+hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was
+bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was
+een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit
+winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat
+succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook
+zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu
+ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou,
+laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje
+restaureeren!...."
+
+En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals
+ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu.
+In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren,
+die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid.
+Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn
+jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal.
+In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die
+vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren
+nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten
+worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging,
+dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was
+geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem
+af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat
+er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen
+beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven
+omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor
+elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei
+verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen
+zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij
+dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat
+ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een
+paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was
+daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun
+beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd
+kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich
+tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer
+doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch
+altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of
+niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel
+vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap
+die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan
+misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar
+scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd....
+Wel triestig was 't!....
+
+Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij
+kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't
+koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't
+ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde
+dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt
+doorpraatten.
+
+Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te
+vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een
+beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij
+toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen
+en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen
+de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de
+trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een
+goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder.
+'t Was niet druk.
+
+In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn
+horloge.
+
+Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de
+student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze
+keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den
+weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.
+
+"Adieu!.... 't ga je goed!"
+
+"Adieu!.... zien we je weer 's?...."
+
+"Ja.... ja!"
+
+En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart
+voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station
+uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,
+alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij
+toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij
+niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte
+aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde
+naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij
+gezelschap had!
+
+Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot
+meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem
+meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid,
+die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige,
+smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,
+leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo
+harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders
+in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde
+stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende
+groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette
+haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair,
+grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend,
+sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop.
+En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog
+aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en
+ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies
+en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte
+dameskleeren.
+
+In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den
+Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging
+om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat
+op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't
+fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat
+was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de
+Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de
+koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden
+gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover
+de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit
+'t gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de
+hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om
+tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en
+nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was
+het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad"
+zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen
+zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's
+wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol,
+zweeterig, klef, kleverig café.
+
+Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was
+netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu
+van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar
+hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie
+zich tot geregeld lezen te zetten.
+
+O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam
+misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in:
+"Juffrouw!.... juffrouw!"
+
+Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de
+trambel en menschenstemmen buiten.
+
+Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met
+haar man.
+
+Nog eens: "juffrouw!"
+
+Maar 't bleef stil.
+
+Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't
+raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel,
+achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel
+hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen
+bij den lichtenden zonovervloed.....
+
+Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag,
+als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens
+willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de
+bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun
+verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat
+plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat,
+maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had
+geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden
+te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn
+spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog
+halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas
+en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn
+stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den
+trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn
+hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde
+ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte,
+met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend
+zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid,
+teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis,
+zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de
+namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder
+dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee
+en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.
+
+En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat
+hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog
+verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen
+als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten
+zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre
+krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde
+kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt.
+Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist
+omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij
+'t niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar
+hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op
+plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet
+mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.
+
+Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje
+naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets
+gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag
+teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?....
+neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand
+tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten,
+wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n
+rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de
+souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en
+gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had
+wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi,
+zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon
+in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen
+kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt
+met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver
+onbereikbaar verlangen was die rij boomen......
+
+Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan,
+zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn....
+
+In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de
+trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er
+geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder
+en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en
+krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van
+zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood,
+met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige
+piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en
+jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig,
+alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij
+deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over,
+zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een
+wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig
+hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't
+verzamelen van zijn gedachten.
+
+Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't
+geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn
+oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en
+met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje,
+levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!....
+Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe
+gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is
+mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...."
+
+Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus
+gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed,
+zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....
+
+"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een
+gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij
+gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan
+zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...."
+
+En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat
+achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van
+zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar,
+dat zwart geweest was.
+
+"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n
+zoen!.... hoe gaat 't?"
+
+Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd,
+de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig
+en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't
+ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa,
+die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen
+last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige
+lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar,
+o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar
+waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren
+kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!....
+
+"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas
+port?...."
+
+Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een
+glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn
+oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem
+verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de
+laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden,
+koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig
+naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij
+zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te
+draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst
+blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een
+beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt....
+Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de
+bewoordingen?"
+
+En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem
+alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje
+weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje,
+en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige
+meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.
+
+Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar
+woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van
+de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn
+sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te
+deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar
+meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al
+open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon
+oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond
+weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef
+was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten,
+was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende
+stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te
+praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook
+anders nooit 's iets!...."
+
+"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!....
+De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend
+verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en
+troonde Bernard mee.
+
+Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo,
+door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den
+terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille
+genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de
+avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den
+hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den
+rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te
+genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...."
+"Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en
+rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar
+over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat
+uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht,
+hoor!...."
+
+Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer --
+zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond
+-- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een
+statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt
+kwam.
+
+En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat
+Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde
+ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't,
+geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest
+waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken.
+Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van
+die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een
+groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen
+begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke
+uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer
+geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet
+met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet
+allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.
+
+Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten
+aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn
+antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes
+koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke
+ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over
+Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief
+meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan
+en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht
+te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?"
+
+"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee!
+'t is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt."
+
+Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen.
+Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje;
+daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat
+had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't
+geheime moest blijven bestaan.
+
+Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna
+heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd
+rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten
+wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen
+en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de
+lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom
+en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.
+
+'t Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen
+van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't
+heelemaal nacht en 't werd koeler.
+
+"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee
+drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag,
+morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we
+midden in 't najaar!"
+
+Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer
+bewegend onder zijn neus.
+
+"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet,"
+vroeg tante.
+
+"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...."
+
+En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf
+toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich
+behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom:
+"Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?"
+
+"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,....
+gemakkelijk overal dichtbij...."
+
+"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?"
+
+"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...."
+
+"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?"
+
+"Ja oom!"
+
+En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig
+gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't
+haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet
+geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder
+opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat
+moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat
+eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen,
+Bertje!"
+
+Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn
+behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet
+dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een
+rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om
+zijn hoofd bleef hangen.
+
+"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een
+poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij
+hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug.
+
+"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan
+Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!....
+Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou
+me schamen!"
+
+Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den
+schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes.
+"Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend,
+"Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor!
+We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang
+jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen....
+maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...."
+
+Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn
+behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte
+verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen,
+zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende,
+dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen
+in zijn ziele-omgeving van allen dag.
+
+"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer.
+
+"En je goede moeder ook," zei tante.
+
+"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!"
+
+"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk
+weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En
+dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags
+werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd."
+
+Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning
+van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend
+als hij zijn sigaar uit den mond nam.
+
+Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en
+moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij
+blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie
+zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken,
+allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die
+'t geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets
+beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die
+hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest
+lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend
+hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen,
+dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie
+volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer
+ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is
+'t eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar
+als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna
+tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare
+dingen verteert.
+
+Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn
+ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort
+hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een
+menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was!
+Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was
+gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend
+achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd,
+doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd,
+zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't
+kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan,
+wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....
+
+Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van
+zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer
+uitstellen.
+
+"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk,
+"spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet
+trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen
+zijn."
+
+Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat
+driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat
+had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.
+
+'t Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't
+licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't
+gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren
+verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't
+ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande
+zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich
+een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante
+deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat
+aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's
+te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens
+verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met
+zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet
+storen.
+
+De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg.
+'t Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen;
+liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de
+week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't
+gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor!
+
+Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den
+donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap
+en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo
+onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar
+och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes
+geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met
+kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch,
+zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen....
+
+Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in
+de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig
+flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de
+villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde
+nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar
+hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van
+menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden
+negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en
+geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel,
+bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren,
+die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den
+nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat
+nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van.
+Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal --
+bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den
+nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich
+lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel
+gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken
+indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige
+grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als
+voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat
+hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een
+week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een
+wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon
+om hen te vinden....
+
+Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande
+zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n
+onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was
+'t al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard
+voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van
+heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't
+plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een
+afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet
+wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en
+de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die
+heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?
+
+Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het
+open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en
+kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een
+niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan;
+in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden
+te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de
+gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem
+toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol.
+Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil
+en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.
+
+Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend
+en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een
+hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn
+oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten
+schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend
+over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot
+stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs,
+der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete
+haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die
+fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes
+op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't
+intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in
+de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard
+dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't
+gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van
+zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille
+donkere veldenland.
+
+Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met
+knikkend hoofd in lichten slaap.
+
+Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker
+en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad
+hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't
+groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast.
+Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer
+zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van
+allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen,
+tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis,
+straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en
+vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag
+Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar,
+die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet
+willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel
+zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei
+zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te
+piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in
+even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in 't
+bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de
+vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige
+duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien
+vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet
+'s een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, 's middags bijvoorbeeld,
+in 't Concertgebouw of ergens anders, en al was 't maar één blik op te
+vangen, één zoo'n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo'n blik
+van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één
+zoo'n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de
+hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O!
+zoo was 't nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel
+te akelig laksch in zulke omstandigheden! Daardoor kwam 't, dat hij
+nooit 's -- zooals anderen zoo dikwijls -- een pikant avontuurtje had,
+een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.
+
+Maar hoe kwam 't dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die
+aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo'n wachtende houding aannam
+in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos,
+lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had 't
+land aan zichzelf -- maar hij vergat 't in zijn werk. Want hij had 't
+druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem
+dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de
+staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak
+gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen
+van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke
+bevrediging van zijn hersenbehoeften.
+
+Toen hij 's middags naar 't Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht
+hij weer aan Zaterdagavond en hij zag 'n beetje op tegen 't ontmoeten
+van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo
+plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich
+zelf te redeneeren dat 't nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze
+toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht.
+Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd --
+tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel
+gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog
+over gisteren, ze hadden elkaar 's middags weer getroffen en hadden
+een roezig-dollen dag gehad met André's broer; en de schilder was ook
+weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt
+vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij
+ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er
+zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke kerels. 't Was
+toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem.
+
+De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en
+eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even
+lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller
+dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd
+waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar
+verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder
+door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar
+woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine
+teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van 't
+werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen
+en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een
+beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere
+emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in
+den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen
+van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring;
+altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of
+licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet.
+
+Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem een drukkende,
+verslappende tegenzin in zijn werk, een gevoel van weeë moeheid, en
+dan ging hij traag en weifelend aan den gang en deed 't ook lang zoo
+goed niet als anders -- nog wel niet slordig of onnauwkeurig, maar
+onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend, en niet er van
+makend wat er van te maken was. Dan kon 't hem ook niet schelen hoe 't
+er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, -- of soms wel andere uren van
+denzelfden dag -- dan maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van.
+Dan had hij daar plezier in, 't niet alleen goed te doen, maar ook zoo
+dat 't zien er van aangenaam was, dan voelde hij wat van 't genot dat
+z'n werk moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan merkte hij in
+zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren van sommige prettige
+werkjes, dan voelde hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden
+strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of taai-vervelend, een
+lust er gauw mee te beginnen, zich er dapper en handig doorheen te
+slaan. Soms verweet hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn
+bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren kennen, en dan lette
+hij meer op hen en ontdekte nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat
+ook en prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag ergerde hij zich
+weer aan hun kortzichtigheid, aan hun kleinzielig alleen-maar-doen wat
+hoog noodig was, aan hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo
+gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet en klein genot.
+En dat waren wel triestige uren, als hij voelde hoe klein dat allemaal
+was.
+
+Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn avonden was. Als 't
+werk dat af moest af, en 't eten dat op moest op was, en de uren kwamen
+van doen wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook al noodig
+is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam 't op aan in dat soort van
+leven van hem, dat wist hij wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten
+hem vooruit of zetten hem terug. Soms voelde hij 't gehalte van die uren
+een tijdje lang stijgen en dan weer afnemen, minderen. Daar was aldoor
+actie en reactie in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel min
+geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes, en spelletjes,
+in een halven roes soms en quasi-gewichtig geklets, dan volgde
+er geregeld een periode van stomme moedeloosheid, landerigheid,
+katterigheid. 't Duurde meestal niet lang. Eén avond van stille lectuur,
+of een concert, of 't zien van mooie dingen, of alleen maar een half uur
+droomend niets-doen bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten, waar
+hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf 't allemaal niets; lectuur,
+muziek, tooneel, niets was er dan dat hem kon boeien. Dan was hij
+nurksch op kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd,
+onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij zich verward,
+ontmoedigd, zonder plan en met een vaag verlangen om meegenomen te
+worden door sterkeren; dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg
+alleen. Dan voelde hij 't een beetje hoe ver hij leefde van zijn ziel,
+van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein, en tastend naar den
+weg daarheen vond hij dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte
+grepen zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende
+leegte. Hoe meer hij er over dacht, hoe verder 't van hem wegging, als
+iets wat hij ééns had geweten en wat hij zich nu niet meer te binnen
+brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk. Ja, dat was 't, er moest
+een tooverspreuk zijn, waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten
+kristallen berg, die ligt in 't diepst van je ziel. En als die openging,
+dan kon je recht in den hemel kijken. Maar hij was zijn spreuk
+kwijt..... heelemaal vergeten.... En hij kon er niemand naar vragen....
+Want er waren nog maar twee andere menschen geweest, die 't wisten, en
+die waren dood....
+
+Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen, soms heel snel
+opeenvolgend. 't Gebeurde, dat hij uren achtereen met vrinden en
+allerlei kennissen in een café zat of in een duitsche bierkneip, waar
+kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd doen en klagen, dat ze niet
+met heeren mee mochten, 's avonds, sentimenteel-huilerig als oude
+juffrouwen, die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan uren
+achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes en grogjes drinkend,
+en dat hij 't gezellig vond dat geklets, en dat hij ze lekker vond,
+zijn biertjes en grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en
+halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had in zijn jongeheerenleven
+en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen -- want er was geld
+genoeg en hij was jong en gezond en sterk -- en dat hij dan toch in 't
+naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren met een gevoel van
+sterke walging, als van veel warm vet, met een gevoel soms ook van
+fel-bittere zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk in zijn
+blanke borst. En dat hij dan toch den volgenden morgen die nachtelijke
+zelfkwelling toeschreef aan een sentimenteelen dronk en zich weer een
+heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald ietwat ingenomen met
+zich zelf, vond hij zich lang niet de minste van zijn clubje, een kranig
+jong koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper uit om die
+verbeelding en bespotte zijn eigen figuur en zijn manier van doen, tot
+in kleinigheden, als gold 't een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel
+over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig maken en woorden doen
+zeggen van nurksche nuchterheid, zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk
+vond hij dat dan, -- en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar een
+ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken draak hij toch dooden moest
+om daar te komen.
+
+ * * * * *
+
+In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal Mimi. 't Was op
+een middag, heel onverwacht. Na beurstijd was hij even geloopen naar een
+kantoor op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest. En op zijn
+weg terug, terwijl hij nog strak liep te denken aan de met dien man
+besproken zaken -- daar kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar
+zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig, maar van schrik
+plotseling een steen in zijn borst voelend en zijn leden zwaar en loom.
+Zij groette ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar
+herinneringslachje in de hoeken van haar mond, maar in haar oogen geen
+gloed van spot, geen lach, geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was
+bleef hij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm stappend, een
+lieve, deftige dame in een stadsstraat, in een elegant wandelcostuum,
+met een dun parapluietje en een visiteboekje. Ze groette met zoo'n
+zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam. Er was geen
+reden, geen aanleiding om haar na te loopen, haar aan te spreken. Dat
+doen dames en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen. Een eindje
+verder ging ze een winkel in. Hij keerde om; langzaam, weifelend liep
+hij terug. Eigenlijk had hij hoegenaamd geen lust om haar aan te
+spreken, maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou 's uit je slof!
+doe nou 's wat! profiteer nou 's van de gelegenheid. Hij liep den winkel
+voorbij. Zij stond te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich
+haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij weer staan, wachtend,
+kijkend naar de deur van den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een
+paar zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou. Maar 't duurde
+zoo lang. Hij had geen tijd meer. Nog eens liep hij den winkel voorbij;
+zij zat er nog, rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst
+langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer gewoon en zelfs
+sneller om den verbeuzelden tijd in te halen; hij had 't plannetje nu
+in-eens heelemaal uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte,
+opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende verplichting.
+Gebrek aan tijd was een heel soliede motief tegenover zijn plagende
+zelf. En toen hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was van de
+emotie en naging in zich zelf wat er was gebeurd, toen merkte hij hoe ze
+hem tegengevallen was bij die tweede ontmoeting. 't Was heelemaal
+niet zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was als een
+slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest; op dit meisje zou hij
+nooit verliefd zijn geworden.
+
+Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit zag zooals hij haar op
+straat was tegengekomen, maar zooals ze was geweest op dien bal-avond,
+zoo dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden. En hij had weer
+datzelfde gevoel van gecharmeerd zijn, en een paar dagen later was hij
+ook die leegheid van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten,
+maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend op straat,
+en opnieuw mopperde hij tegen zich zelf over zijn gebrek aan actief
+optreden en tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als 't weer
+gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders doen. Hij zou haar dadelijk
+aanspreken, haar zeggen dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht.
+
+Maar 't gebeurde niet meer. En ook minder dan vroeger zon hij op plannen
+om haar te ontmoeten. Dat was nu al 's gebeurd, de aantrekking van 't
+ongekende bestond er niet meer voor. 't Was al 's gebeurd, en wat had 't
+hem toen gegeven? Niets. Door zijn eigen schuld, door zijn aard, door
+zijn nu-een-maal-zoo-zijn. En zoo ging langzamerhand die hopelooze
+verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven tegen zich
+zelf, en vervaagde meer en meer in zijn algemeen gevoel van gemis en
+eenzaamheid. Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting,
+er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon geraakt aan haar staan in zijn
+gedachten, zooals dat nu eenmaal was, zooals 't een deel van hem zelf
+was geworden.
+
+ * * * * *
+
+Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik uitgenoodigd, een
+Zondag met hem te gaan doorbrengen in Haarlem bij zijn familie. Hij nam
+'t aan omdat hij 't moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap. Hij was er
+nooit geweest, hij kende alleen Hendrik en zijn zuster Lize, die aan 't
+souper op die trouwpartij naast hem gezeten had. En 't was een groote
+familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu kwam hij niet graag in
+groote families. Hij hield er niet van de eenige "vreemde" te zijn aan
+zoo'n intiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes te zien
+op de gezichten van menschen aan hun eigen tafel; door de ouderen,
+ieder op zijn beurt beleefd-opgewekt aangesproken te worden en
+aldoor aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite bedwongen
+familietwistjes bij te wonen en te doen alsof je 't niet merkte; galant
+te moeten zijn met de gallige oude tante, die geregeld 's Zondags komt
+eten en erg gesteld is op haar "partijtje"; en in den loop van den avond
+al de stokpaardjes van den gastheer te moeten afrijden.
+
+Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht. En dus ging hij dien
+Zondagmorgen met Hendrik mee. 't Was een koude grijze Novemberdag zonder
+regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer en ze kwamen tegen
+twaalf uur in Haarlem aan. De familie woonde op een van de Singels,
+in een groot heerenhuis met een hooge stoep, een ouderwetsch huis,
+suffisant-breed, van donkere baksteen, eenvoudig en pretensieloos
+van bouw. Er was iets goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in 't
+uiterlijk van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank van de
+schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling. Even schoot de sensatie
+in Bernard op, maar hij kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk
+werd er open gedaan.
+
+'t Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een meisje van vijftien of
+zestien jaar, een aardig donker kind, met losse krullen en lachende,
+klare oogen. Zij groette haar broer 't eerst en gaf hem een zoen,
+waarvoor hij zich -- wat houterig en licht verlegen -- tintel-blikkend
+vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging staan. En toen gaf ze ook
+Bernard een hand, bedaard-vroolijk groetend, luchtig en kort, als was
+hij een goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak, gaande door
+de rustige gang, langs de hooge donker-houten lambriseering, naar den
+kapstok, waar Hendrik hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijl hij
+met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn zusje, vragend naar
+allerlei dingen. En zij nam heelemaal geen notitie meer van Bernard,
+maar keek aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend op zijn
+vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig en opgewekt.
+
+"Ga binnen, ga binnen!" zei Hendrik en duwde een deur open, waardoor
+ze kwamen in een ruime hooge kamer, achter in 't huis. Er was niemand.
+Maar er was vuur in den haard, en op de groote vierkante tafel stond de
+koffie klaar, op een groot blad met koppen, eigen koppen in allerlei
+vormen en kleuren, en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw
+porselein. De koffiekan stond te dampen uit z'n tuit, en er was een rood
+Edammer kaasje op tafel en een aangesneden ossenhaas en twee lange
+brooden. Naast de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht
+te razen. Als een beeld van 't familieleven was die tafel, intiem,
+huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons. En rondkijkend vond Bernard
+dat de heele kamer daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over heen
+gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten boekenkast, met
+glazen deuren van boven alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude
+banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een beetje rommelig,
+en de groote bloemenmand, waar veel in geplant en gekweekt scheen te
+worden, en de stapel stoven in een hoek, en de tegen 't behangsel
+geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van vrij en onbeklemd
+leven en bewegen, en veilig thuis zijn. Bernard was de stemming van dat
+soort van kamers een beetje vergeten; 't was nu iets nieuws voor hem,
+iets bizonders, iets heel goeds en prettigs, en wat hij zoo zien kon,
+omdat hij er buiten stond, omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend
+was. 't Was dus weer zoo'n speciaal heimelijk genotje voor hem
+alleen. Want de menschen die daar thuis hoorden konden natuurlijk die
+stemming niet meer merken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan
+alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de muren van die kamer
+zeker geworden een aangenaam-rustig, stil-geliefd levensomhulsel, als
+een oude, makkelijke jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent.
+Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom in Bussum en voelde nu
+veel scherper, dan toen hij er was, de onhuiselijkheid, de koude
+prachtigheid daar.
+
+"Waar is moeder?" vroeg Hendrik.
+
+"Ze komt dadelijk," zei 't meisje, "ze is zich nog aan 't kleeden, maar
+'t is haast koffietijd, dus zullen ze allemaal wel gauw verschijnen."
+
+"Ga zitten, Bert," zei Hendrik, een leuningstoel aan een van de twee
+breede ramen schuivend, "kijk, zoo ziet onze tuin er nou uit in
+November."
+
+En Bernard zat aan 't raam en zag een zwartigen lap grond tusschen
+houten leuningen, een paar dikke gebogen boomen, die hier en daar
+nog vol groen-gele blaren zaten, en tusschen de oude grijzige
+kiezelweggetjes de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend nu als
+neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en vuil geworden door den
+regen. Het stille, leege tuintje had iets droef-verlorens, iets
+triestig-doodsch onder de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich
+voelde hij de warme familiekamer en hoorde hij 't kokende water razen,
+en de stem van 't meisje, die praatte tegen haar grooten broer,
+vertellend van wat er gebeurd was in de afgeloopen week, van de poes die
+vier muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises waar ze aan
+bezig was, en waar eigenlijk niemand iets van weten mocht, maar Henk
+wel, want die zou 't wel niet verraden....
+
+Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand en zich omkeerend zag hij
+een gezette oude dame naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht
+van nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet groot, maar ferm
+recht-op-loopend, zooals ze daar opgewekt-parmantig aan kwam stappen
+scheen ze niet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje, en
+dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal grijs haar en kleine,
+ronde oogen, die Bernard recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig
+en vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was en hem een hand
+gaf, was 't of haar oogen vochtig werden van blije aandoening. "Dag
+meneer Bandt," zei ze, "'k ben blij dat ik u 's zie." Toen gaf ze
+Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in haar stem: "Hoe gaat 't
+jou, Henk? Goed?" en daarop praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard
+en zei veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een prettig-positieve,
+gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk brommend, en dan weer
+melodieus-zangerig opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al
+pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de koffie opgeschonken
+en begon nu de boterhammen te snijden, wat een aardig gezicht was, zoo
+pittig-vlug ging 't mes er door met een lekker-droog gespat en geknap
+van kruimels.
+
+En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel vroolijk groette en
+dadelijk over de trouwpartij begon, waar ze beiden geweest waren. Of
+Bernard zich ook zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke zaal
+om te dansen! En ook zus Betsy, die achter haar de kamer inkwam, deed
+dadelijk vroolijk mee met uitroepen van verrukking over dat eenige bal!
+Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet ze hem nu, had niets
+geen notitie van haar genomen, wat erg onvrindelijk van hem geweest was.
+Hendrik plaagde haar en Lize 'n beetje met leuk-nuchtere opmerkingen
+over 't feest, en onder hun gepraat door hoorde Bernard telkens de stem
+van de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met gemoedelijk-tevreden,
+bescheiden-vroolijke zinnetjes, als bruine moschjes tippend op een
+vensterbank: "Ik ben 'n beetje in den late van morgen!.... Dat moet je
+me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags.... dat is zoo de eenige
+dag in de week.... zie je, meneer Bandt, dat ik m' ook maar de weelde
+gun van 'n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje) te
+slapen, weetje.... Dat moet een mensch dan toch ook ééns in de week er
+'s van hebben, wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles zoo graag
+voor d'r oude moeder, niet waar?.... hier Bets, pak 's an!.... geef 's
+even aan Jansje en zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,.... en
+jij Hans (tegen 't jongste meisje) roep pa en de jongens 's even, maar
+schreeuw niet zoo hard hoor! Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!....
+'t Was nog al d'r uitgaansdag vandaag!.... Ja, 'k heb er mee te doen,
+hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu maar omruilen heb ik al
+gezegd.... Maar, je begrijpt, hij komt 'r halen!.... En ze gaat voor 't
+eerst met 'r nieuwen winterhoed.... 'n aardig hoedje is 't geworden ....
+ik heb 't voor haar opgemaakt!.... ze was er zóó blij mee!.... O die
+meid!.... Och ja, wat wil je, in de winkels worden die meiden dikwijls
+zoo bedot......"
+
+Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op zijn pantoffels en met
+de krant onder zijn arm. Hendrik stelde zijn vrind voor. "Aha! meneer
+Bandt!" zei de oude heer, "aangenaam, meneer, aangenaam! Wacht 's
+even!.... 'k zal me fok opzetten dan kan ik je beter zien!.... zóó....
+zóó.... kom je 's kijken hier?.... Wel dat 's best hoor!.... Gaat 't
+goed?.... in de zaken.... tevreden?"
+
+Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil leed om 't banale van
+die uitdrukking.
+
+"Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?.... Ja, ja! ik weet er alles
+van.... 'k heb zoo lang in Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat 't met
+den ouden heer? Och nee, dat 's waar ook!.... je bent met je oom in
+zaken...., ja, ja, nu herinner ik me weer.... precies.... zoo'n kleine
+dikke man, hè.... ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!...."
+
+Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd aan zijn snor. Hij
+was een zestiger met een goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat
+doorvoed-gezette, dat breed-gewichtige, wat Bernard soms zoo hinderde in
+de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde Bernard, die veel gehoord had
+van 't werken van dien man zijn heele leven door, zonder rust, en nu had
+verwacht te zien een ernstig grijsaard, een beetje gebogen, een beetje
+moe. Maar o neen! dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna
+jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier waarop hij zijn
+baard en snorren droeg, met een frisch-driesten oogopslag, met vrij wat
+zelfingenomenheid, met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een gezicht
+van wacht 's even, ik ben er ook nog! Zijn zakdoek stak met een keurig
+puntje uit den borstzak van zijn donkerblauw colbert en hij had
+welverzorgde witte handen met lange bolle nagels.
+
+Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen ook Hendriks beide
+broers hem een hand geven, twee lange jongens van twintig en één of
+twee-en-twintig jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid van Hendrik
+te hebben, maar de andere leek meer op zijn vader, had iets bewegelijks
+opgewondens, en was ook keuriger gekleed dan zijn broers.
+
+Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee oudste meisjes met hun
+aardig-gelijke gezichtjes. En 't was heel vroolijk en gezellig; er was
+aldoor een algemeen over en weer gepraat, ook van de broers en zusjes
+met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet gefêteerd of bizonder beleefd
+toegesproken. Hij voelde zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot
+zich zelf dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was zoolang
+er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij voor niemand een vreemde
+scheen; hij voelde zich dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis
+voelde hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van hoe Hendrik
+zich hier voelen moest, Hendrik dien hij zoo dikwijls over zich had
+zien zitten in een koffiehuis, en ook zijn eigen stemming was hem niet
+klaar. Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te gaan, zijn
+stemming te benaderen en te betasten met in zich zelf gesproken woorden.
+Dus trachtte hij zijn gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en 't
+gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan, wat hem haast altijd
+gelukte. Dit voelde hij heel goed, dat hij niet ten volle genoot, dat er
+iets ontbrak. Even probeerde hij 't begrip jaloerschheid, maar dat was
+'t niet.
+
+Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk weg, ieder had zijn
+plannen, zijn afspraken. De oude heer ook; hij kwam nog even binnen met
+fijne sigaren en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik en
+Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun stoelen, stil rookend en
+overwegend nu en dan de wenschelijkheid van een wandeling, en na lang
+luiig praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten ze 't
+toch maar wèl te doen, vooral op aanraden van Hendriks moeder, die zei
+dat de frissche lucht altijd goed was voor menschen, die er niet veel
+uitkomen. Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo gauw moe, door de
+dikte, weet-je:.... O! 'n last, als je zoo dik bent!.... en ze moest den
+podding ook nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed ze altijd
+zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker werd;.... 't ligt soms aan
+zoo'n kleinigheid!....
+
+Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen
+middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo
+lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap
+van anderen. En 't was Bernard of hij zijn vrind nu voor 't eerst goed
+zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een
+leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat
+een kracht, wat een solide bezit moest 't zijn zoo'n gestel. Bernard
+voelde zich eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende
+gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde
+zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te
+boven en begon 't hem te vervelen, maakte 't hem een beetje kriebelig,
+dat Hendrik nooit 's overdreef, nooit 's schold op iemand of bizonder
+ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te
+lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en
+vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat 's dat voor 'n vent? Maar
+Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes
+aan zijn sigaar, nam 'm uit zijn mond, keek er 's naar, klopte de
+asch er af en zei dan: "Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met 'm
+opschieten;" of: "Ik vind 'm altijd nog al geschikt als je 'm zoo 's
+spreekt!...." Maar Bernard gaf 't niet op -- hij voelde zich geërgerd,
+maar bleef heel amicaal praten -- hij begon over hun toekomst, over
+trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit 's
+verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:
+
+"Nou!.... nooit!.... dat 's een beetje sterk,.... ik heb wel 's zoo'n
+bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo'n verliefde
+constitutie ben als jij!"
+
+"Nee, dat geloof ik ook niet," zei Bernard. "God, kerel, ik ben
+eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?" En Bernard begon zich een
+beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder
+innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje
+in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar
+sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou
+worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg,
+luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards
+opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te
+wijzen op merkwaardigheden aan den weg.
+
+Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat,
+hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde;
+dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen
+stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was
+geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! "Zeg Hendrik," zei hij
+in-eens met een ernstige stem, "ik moet je toch 's wat vragen: Ga jij
+dikwijls naar de meisjes?"
+
+Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch
+van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon
+toen hij antwoordde: "Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je
+dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m'n agenda?"
+
+"Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel," zei Bernard, "dus.... zoo nu en
+dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld...."
+
+"Ja, dat kan wel!" zei de ander, nu heel koel, 'n beetje boos blijkbaar,
+"wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... 'n mensch is
+geen stokvisch!...."
+
+"En is 't al lang geleden, dat je voor 't eerst...."
+
+"Verrek toch met al je vragen," viel Hendrik nu uit, voor 't eerst dien
+middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, "wat kan 't je schelen?"
+
+"Och!" zei Bernard, dreinerig, "pure belangstelling!.... Maar je hoeft
+'t natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt."
+
+Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: "Ik weet wel,
+jij doet 't niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht
+maar!.... Ik heb 't ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet
+maar 's goed baloorig zijn!...."
+
+Bernard keek hem aan. Voor 't eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik
+aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en
+zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij onbescheiden en
+onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van
+Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij
+geleken had. "Ja!.... nee!.... waarachtig!" zei hij, 'n beetje verward
+en heel ernstig, "daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk
+nog niet over meepraten!...."
+
+"O zoo!" zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich
+over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, "jij
+bent nog zoo'n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk
+dáárom!"
+
+En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten,
+over een huis aan den weg. Hij had 't land, hij vond zich zelf
+jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich
+erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij
+toen ze thuis waren.
+
+Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een
+uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar
+'t liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch,
+maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur
+doordravend.
+
+De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en
+eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard
+bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. "Wel ja," zei
+ze, "laten we 's deftig doen!" En lachende, gekheid makend, gingen ze nu
+allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet
+vroolijk pratende menschen.
+
+Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem
+en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk
+hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door
+allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. 't Viel
+Bernard op, dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en
+elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel
+veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld
+blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij
+praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze
+bijna altijd allemaal.
+
+En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die
+hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel
+even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence
+van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij
+voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde
+de opoffering der enkelen en de glorie van 't geheel. En nu wist hij
+'t ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in
+dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar
+buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de
+broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek,
+hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel
+anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was 't gezin. En
+dat was zoo'n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou
+die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging
+spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij
+hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat
+hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige
+menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou
+komen. 't Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest;
+ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En -- in-eens
+besloten -- nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring,
+zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar 't Siberië van zijn
+eenzaamheid.
+
+Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was 't hem of hij daardoor
+zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot
+rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en
+gezelschapsspelletjes en veel gelach.
+
+Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij 't afscheid nemen
+zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij
+schaamde zich weer wat, omdat 't toch niet warm genoeg klonk, wat hij
+zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en
+schijnbaar slaperig.
+
+En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen
+huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij
+kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop
+door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle
+kanten. "Je zult nog gek worden," zei hij in-eens, hardop in de stille
+kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand 't angstzweet
+van 't voorhoofd.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische
+stemming van alleen-zijn en 't innerlijk koud hebben, en die bleef
+zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook
+eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber
+dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op
+zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige
+paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden
+plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij 't
+weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan 't familieleven, aan
+'t gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, 't heerlijk veilige van
+zoo'n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om
+de familietafel.
+
+En 's avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok,
+ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte,
+toen voelde hij 't erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn
+hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was 't alleen de
+menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of
+was 't ook -- ja hij geloofde dat 't vooral was 't gevoel, dat hij niet
+kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde,
+ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en
+natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn
+triestige stemming.
+
+Maar den dag daarop dacht hij, dat 't juist dat praten over zich zelf
+weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich -- hoe onvolledig
+dan ook -- geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan
+ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later 't
+land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig
+spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. 't Leek,
+als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in
+den maneschijn, op hard praten naast 't bed waar een doode op ligt, --
+een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos,
+zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te
+spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half
+god. -- Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich
+wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik
+leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk,
+goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar
+voor allen een onvermoed geheim.
+
+ * * * * *
+
+De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard
+stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms
+was 't nog zoo donker, dat hij 't gaslicht aan moest steken, de
+schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem
+altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij
+moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar
+kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van
+de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door 't harde, wit-grijze
+ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige
+schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan
+in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten
+hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen,
+dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en "lemoen", en
+soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de
+stille grijsheid van zijn kantoorramen.
+
+En op de Beurs was 't voller en somberder dan ooit, door 't armoedige
+licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd,
+gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg
+naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er
+hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen,
+nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.
+
+'t Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende
+dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en
+besneeuwde daken van huizen en kerken -- mooi waren dan de boomen op de
+grachten, 't wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, --
+maar meestal was 't een bruinige slobberboel overal in de donkere
+straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als
+zand.
+
+Maar 't weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich
+bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij 't merkte; hij lette er
+doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de straten te gaan
+en weinig te wandelen voor zijn genoegen.
+
+Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als
+de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en
+Februari. De comedie en de café's, zitten op zijn kamer met een boek of
+zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden
+een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard.
+Hendrik speelde 't beste, André met veel animo, met zekere genialiteit,
+wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard
+eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer
+met zijn hoofd er bij.
+
+Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig
+brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten,
+dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar 't naakt van vrouwen, moest hij
+loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze
+wandelingen, want 't was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten,
+en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van
+praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als 't
+maatschappelijk gepraat, 't vluchtige bête gepraat tusschen
+kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit,
+afschuwelijk-noodzakelijk....
+
+Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als
+hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo'n
+kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan 't café en soms
+veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo'n
+gelegenheid 't onbeduidendst, 't minst, 't prulligst. Die onbenullige
+avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug,
+ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke
+gehechtheid aan één, niet in 't oog vallend plaatsje in een groot café,
+een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet
+hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil
+hoekje, waar hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over
+zijn krant.
+
+Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan
+schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in.
+Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan
+tafel dat hij 's middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt,
+een uur misschien, niet langer.
+
+Liever, liefst van al nog, zat hij 's avonds op zijn kamer te lezen in
+'t dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp,
+waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd
+door 't warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van 't Leesmuseum,
+maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken
+die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn
+troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar
+dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef
+hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend,
+levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp
+van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend
+die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van
+doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich
+voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar
+sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling
+zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden,
+welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen
+bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde,
+beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat,
+zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in
+diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij
+gaf er zich heelemaal aan over. Hij deed de deur van zijn kamer op
+slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo'n
+Zondagmiddag, na veel lectuur, als 't ging schemeren, zoodat hij de
+letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen
+door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in
+zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd 't doorwaaid van frisschen
+najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens
+tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de
+kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in 't
+slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de
+stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen
+tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en
+te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te
+denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een
+stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken,
+zich langzaam, slangig voorttrekkend over 't donkere kleed, en dan
+in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met
+een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die
+suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als
+een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude
+lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger
+heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als
+een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur
+binnendoor in den neus komt.
+
+O! van die stemmingen op zoo'n leesdag, daar had hij een nooit aan zich
+zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend
+als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet
+vallen. Hij geloofde, dat 't was de hoop, dat hem iets bizonders
+gebeuren zou in zoo'n stemming, een openbaring, iets van de eigenlijke
+dingen van 't leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste
+spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten
+afgrond: waanzin.
+
+ * * * * *
+
+Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de
+schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de
+fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij
+kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi
+vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er
+niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen
+dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk
+makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht
+tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles
+wat fransch was. Zoo'n geel boek in 't van-ouds bekende formaat --
+de afwijkingen mishaagden hem -- gedrukt met een echte fransche
+lettersoort, zoo'n boek met den spitter van Lemerre er op, of den
+Hermeshoed van den "Mercure," hij vond 't op zich zelf een genot 't in
+zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid
+in zich zelf, soms vond hij 't kinderachtig, maar hij sprak zich nooit
+tegen dat 't bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe 't
+kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders
+dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders
+dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een
+ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar 't
+verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf
+noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist
+al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een
+verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als
+de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat
+hij vroeger in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij
+had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of
+eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat,
+passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen
+door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met
+zijn gevoel, -- de tinten van zelfvoldoening in een melancholische
+stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling
+in een stap, het dwalen van een blik, -- een begeeren om zich te weten
+een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat
+was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar
+verfijning, dat zoeken van 't preciese en 't exquise. Ook hij hield
+van 't verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot
+zwevende engelachtigheid verragde reinheid.
+
+Ja, dat was wel 't mooiste van de verzameling! -- Want dit gevoel
+leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en
+precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties
+en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn
+eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich
+een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn
+vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en
+zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan
+een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den
+schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang,
+tot hij zag dat 't was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit
+stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En
+dan was hij weer voldaan en trotsch.
+
+Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem,
+omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders
+worden kon.
+
+Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel vaag vermoede, maar
+toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende
+sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met
+André, Sam en Gerrit. Hendrik was al 's middags naar Haarlem gegaan om
+'t intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel
+gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te
+komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen,
+die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En
+Bernard bleef met André alleen. 't Was of ze dat eerst allebei 'n beetje
+pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch
+wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een
+beetje gezelligheid te hebben zoo'n avond, als het weten van de
+stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een
+tooverglans, als al die grijze huizen, -- waarvan 't binnenlicht
+zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je 't alleen hier
+en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, -- als
+zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende
+vreugde zijn.
+
+Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet
+gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite
+om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende
+kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets,
+die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. 't Was er hem ook te vol van
+fraaiigheden. 't Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als
+van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; 't kwam
+misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een
+watergeleiding.
+
+Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld
+en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van
+'t Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de groote
+winkelruiten de drukke Leidschestraat door. 't Was er heel vol. Er waren
+veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel
+jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren "onder mekaar." En
+André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de
+meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in 't voorbijgaan
+toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een
+poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om 't middel van een
+ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij
+voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op
+zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. "God, dat
+'s waar ook," zei hij, "goed, dat 'k er aan denk; 'k heb Anna wat
+beloofd voor d'r Sinterklaas, en 'k heb nog niks; 't arme kind rekent er
+vast op!"
+
+Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip.
+Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten
+vervelen voor 't raam van 't bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij
+voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij
+was er trouwens ook wel 's geweest met hen, 's avonds. Bij daglicht,
+zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege
+kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig
+uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met
+blinkende armbanden, die over 't breede voorschoot bengelden, maar 's
+avonds, als ze in functie was, in 't avond-lichte bierlokaal, slank en
+licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met 't witte voorschoot stijf
+gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van
+bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de
+warmte van 't werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt
+bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van
+allerlei slag, die daar samenzaten in plompe houdingen, met hun
+zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten,
+die schaftuur houden.
+
+"Wat wou je koopen?" vroeg Bernard.
+
+"Wèl, ik weet het waarachtig niet! 'n Ringetje of 'n speldje, 'n
+goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we
+wel wat vinden en dan gaan we 't 'r brengen!"
+
+En nu meer in 't besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden,
+begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was
+'t, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half
+gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid,
+ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele
+vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof
+er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu,
+dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet
+dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij
+hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn
+vrind. Hij vond 't goedig en gul van André om iets voor dat meisje te
+gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond 't in zich zelf
+weer burgerlijk-benepen dat hij nooit 's op zulke ideeën kwam. Dat kon
+nu immers juist 's een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid
+te zien in de oogen van zoo'n arm kind, als ze 's werkelijk verrast
+werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van
+een broer.
+
+Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna
+vlug stapten 't Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip
+waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid
+door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook
+André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over 't kelnerinnetje --
+waar hij wel 's mee uit geweest was -- trachtte blijkbaar een
+jongensachtig plezier in 't plannetje te verbergen. En ze werden zoo
+vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend
+liepen te lachen.
+
+Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze
+gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. 't Was leeg in 't lage
+lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste 's thuis te
+blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een
+hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig
+heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend
+aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een
+pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met
+een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn
+dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat
+ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar
+handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot.
+
+Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden
+niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en
+Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard
+tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en
+glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich
+dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een
+schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had.
+
+"Stik!" bromde André.
+
+En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een
+vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij
+twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd,
+en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze
+intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. "Donder
+op, jij, als de bliksem!" snauwde André weer met een kwaad gebaar, en
+opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden
+prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar
+den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek
+begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze
+'t even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus
+stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens,
+die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg
+vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen
+gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer
+kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen
+over 't houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten
+praten. 't Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op
+Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij
+praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg,
+zooals hij 't noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn
+werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij 't leven soms wel amusant
+vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich
+soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn
+eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met
+kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van
+aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter.
+Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want
+ze zou wel weten dat hij zoo'n lief heer was, en haar ouders wisten 't
+zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo'n pa uitgefoeterd te
+worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald
+heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet
+veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed
+misschien....
+
+Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna
+teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen
+zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, -- zooals een
+kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader,
+maar inwendig is 't alleen kwaad op zich-zelf. -- "Jij kunt lezen," zei
+hij tegen Bernard, "dat 's ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al
+niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar
+dat 's heelemaal uit.... 'n Boek verveelt me nu dadelijk...."
+
+"Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen," zei Bernard.
+
+"Ik kan er me kop niet meer bijhouden," zei André weer. "Muziek, dat
+gaat nog wel 's.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan
+gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar....
+Ja ik voel 't wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan 't
+koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat
+was!.... Maar 't zijn, godbeter 't, niets dan lellebellen hier!...."
+
+Bernard glimlachte even.
+
+"Nee!.... nee!...." zei André, "dat zeg ik nou niet om dat kindje
+daar.... och god nee! dát 's wel een aardig kind, maar ook al niks....
+niks!.... Och, laten we 'r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je,
+ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in
+Parijs, dat dat hier bestond, dat je 'r een maîtresje op na kon
+houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag
+aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch
+maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en
+niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis
+sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal
+maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een
+kennis! Zoo'n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje
+smaak heeft, zoo'n beetje.... ik weet 't niet!.... ik weet 't niet!....
+daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en
+die 'n traan inslikken kan als 't noodig is.... Want die meisjes hier!
+Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze...."
+
+Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en
+kalm rookend. "'t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen," zei
+hij enkel.
+
+"Dat kan wel!.... 't Is maar zoo'n idee van me!.... Alles lijkt me daar
+lichter, dragelijker!.... Pf! 't leven is hier zoo zwaar!.... Nou is 't
+tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd....
+Ik verbeeld me altijd, dat 'k al 's meer op de wereld geweest ben....
+Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener
+ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook
+een andere tijd, hè!...."
+
+Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. "God! heb jij dat
+ook?" vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij
+wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit
+om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een
+beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn
+sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den
+lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André
+keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil....
+En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen
+figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige
+middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij
+was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een
+hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden
+helm op 't fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof te
+voelen, aan 't hooge, 't heilige van een taak, een strijd!....
+
+Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André
+keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die
+nu aan 't buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht
+naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze
+schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende
+dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om
+zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven.
+
+Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens
+anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op
+straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. "Wat of dat malle
+kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik
+zal dat dingetje maar voor haar bewaren," zei hij goedig.
+
+Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten
+domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard
+naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van
+avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef
+plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer
+verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een
+geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver.
+Er was iets angstigs in, 't had wat van een nachtmerrie. En hij stond
+plotseling op en zei: "Nou, ruk nou maar uit -- ik heb slaap -- ik
+verlang naar me bed, hoor!"
+
+"Ik niet," zei André, opstaand, "maar ik ben waarachtig stijf van 't
+zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap
+lekker!...."
+
+Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht.
+
+En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde
+gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen
+keer vooral trof 't hem, 't was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille
+kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij
+gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer
+zitten wachten tot 't weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn
+zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. 'k Geloof, dat ik de koorts heb,
+mompelde hij, terwijl hij opstond om 't raam weer dicht te doen. En
+daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit
+op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb
+bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch
+wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!....
+Toen hij in bed lag voelde hij 't heelemaal dat hij onwel was, koortsig,
+onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn
+hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar 't was een slaap zonder rust, en
+tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij
+duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei:
+Wat zoek je toch?.... Er is niets!....
+
+Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van
+moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog
+hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg
+naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen.
+
+ * * * * *
+
+December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste
+week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op
+kantoor, daar lag in-eens weer zoo'n vierkante, roomkleurige brief van
+Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten
+lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en
+stond op, en ging aan 't raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en
+een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat
+eerst even verwerken....
+
+Edward was al op weg naar Holland.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij schreef, dat hij 'n dag of
+wat in Italië zou blijven, maar dan zonder verder oponthoud naar Holland
+doorsporen. Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn woonde, zou hij
+reizen over Amsterdam, en daar overstappen. Dat kwam zoo 't beste uit.
+Dus zou Bernard wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien....
+
+Vroeger hadden de Van Laeken's, Edward's familie, in Amsterdam gewoond,
+waar zijn vader een rijksbetrekking had, en toen waren ze alleen 's
+zomers geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar jaar bleven ze
+'r winter en zomer en verhuurden 't huis op de Keizersgracht aan een
+modenaaister. Ze waren een deftige, oude familie. In 't huis waar nu
+japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken's overgrootvader al
+gewoond en diens vader misschien ook al.
+
+Edward had met Bernard school gegaan, eerst op een dure lagere-school
+voor jongens, waar ze tot hun twaalfde jaar gebleven waren, en toen op
+'t gymnasium. Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden altijd in
+dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde waren ze vrinden geweest;
+onafscheidelijk werden ze genoemd op school. Bernard had een herinnering
+-- maar hij wist niet of 't geen fantasie was -- dat hij als kleine
+jongen zich omgedraaid had in de bank om Eddy te vragen of hij zijn
+vrind wou zijn, en dat de ander toen ernstig op zijn knoopen had
+afgeteld, ja, nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert ook,
+zonder daar ooit meer over te praten, vrinden waren gebleven. Dikwijls
+hadden ze samen gevochten in dien tijd -- o! heel dikwijls en verwoed!
+-- maar altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan om ieder
+ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen van zijn vrind. En toen ze
+in hun vlegeljaren kwamen -- zestien, zeventien, achttien jaar, -- toen
+ze begonnen te merken, met schokken van onbegrepen ontroering, de
+verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling van hun gemoedsleven,
+'t wilde opwassen van hun begeerten, de wording van hun wil, in dien
+tijd toen ze 't erg druk hadden over principes, maar dikwijls vol
+verwondering merkten dat ze over toch zeer belangrijke abstracties heel
+anders dachten dan de vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden
+ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien tijd en wat later
+nog, toen was 't een maar half-bewuste, nooit gekweekte heerlijkheid
+voor hen geworden, dat hun vrindschap onveranderd, of althans
+onverminderd bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na de
+schooljaren, dat de oogen van den een altijd even graag keken in die van
+den ander. Dikwijls had er een vage angst in hen getrild, een vrees
+plotseling te zullen merken, dat ook dat was veranderd -- want zooveel
+dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd hadden, waren ze vaal en
+valsch en leelijk gaan vinden, -- maar dat gevoel, wat ze voor elkander
+hadden, was altijd nog waar en echt gebleven, in hun zielen iets
+hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als barnsteen.
+
+'t Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren in de rechten, maar
+door toevallige omstandigheden, relaties van zijn vader, was hij aan een
+bank gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië. Hij had goede kans
+later directeur te worden van die bank.
+
+Voor Bernard was 't een groote gerustheid geweest toen 't bepaald was
+dat zijn vrind niet zou gaan studeeren. Hij had daar tegen op gezien:
+Edward student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld van, een
+student en een niet-student, die intieme vrinden waren. Gelukkig. Edward
+was ook kantoorman geworden, elken werkdag 's morgens en 's middags aan
+zijn lessenaar, 's avonds oplevend en 's Zondags vrij.
+
+O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien en twintig waren,
+wat hadden ze toen samen 'n wandelingen gemaakt, soezerig zwijgend soms
+een uur achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap,
+soms ook pratende, luid bewerende, hardop dwepende en droomende,
+schetterend over alles wat ze bevatten en niet bevatten konden. En die
+avonden, die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe dikwijls hadden
+ze samen genoten, bij avondlicht in een stille kamer, verdiept in
+diepzinnig-philosophische gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en
+tranen gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de fuif geweest,
+met anderen, maar toch altijd samen, en waren ze samen boven hun bier
+geraakt, en hadden ze samen in hoog-vreugdevolle stemming "bruderschaft"
+gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die supreme momenten in hun
+leven waren, die ze nooit vergeten zouden.
+
+En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was gegaan, toen zou Bernard
+'t liefst meegegaan zijn, maar dat kon niet en dus was hij alleen maar
+een klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam naar Leiden, want hij
+wou absoluut de laatste zijn, die hem de hand drukken zou, de laatste
+die hem zien zou in de grijze atmosfeer van 't oud-schijnende land, en
+toen hij hem dan ook eindelijk voor het laatst in de oogen gekeken had,
+toen 't portier dicht geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en
+al sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver weg.... en dan een
+hoek om en heelemaal weg.... toen was 't wel de eerste keer geweest dat
+Bernard die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld had. Hij
+had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel verbijsterd en als verhard
+door die maanden vooruit geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en
+maanden ook had 't geduurd voor 't bewustzijn heelemaal in hem gedrongen
+was, ook in zijn halve-gedachten, zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn
+vrind, ver-weg was.
+
+Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven....
+
+En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan hij gedacht had. Hij zou
+een half jaar blijven in Holland. Hij kwam deels voor zaken, deels omdat
+hij 't laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat opfrissching
+noodig had.
+
+En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde zuster van zijn
+vrind aan, om te vragen of zij den datum en 't uur van Edwards aankomst
+al wist, en toen hij 't had gehoord begon hij de uren op te rekenen, die
+hem nog afhielden van dat oogenblik, waar hij zich nog maar een vage
+voorstelling van maken kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn
+hoofd warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende voorvreugde.
+
+Dikwijls onder zijn werk en 's avonds dacht hij aan dien vroegeren tijd,
+en veel momenten van hun samenzijn kwamen met de omgeving en allerlei
+kleinigheden wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde
+zich precies den klank van Edwards stem bij een ruzie die ze gehad
+hadden en hoe hij gekeken en gelachen had andere keeren. En God ja! dat
+was me 'n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op dat meisje in
+Baarn, die niets van hem wou weten!.... Toen had hij hem heel wat zorg
+en tobberij gegeven.... Want 't was heel ernstig geweest, Bernard had 't
+net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen had en hardop tegen
+zichzelf redeneerde, alles wat hij zei tot zijn vrind.
+
+Hij wist 't nu: Maandag den zeventienden Maart, 's morgens om drie
+minuten over half twaalf zou Edward aankomen. 't Was ellendig jammer
+dat 't juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week bijna geen
+tijd hebben om aan Edward te geven. Maar 's Zondags! Ja, de Zondagen
+zouden weer ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze maken,
+heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei, tegen zonsondergang....
+
+De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om, ze waren ten slotte
+verduwd, de taaie dagen. En dien Zondag, den dag vóór Edwards aankomst
+ging Bernard naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen tijd weg kon
+blijven, zonder dat ze 't onhartelijk gingen vinden, en ook omdat hij
+niet geweten zou hebben wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou
+niet kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden bij 't gepraat
+van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij was een en al zenuwachtige
+ongedurigheid. In Bussum ging hij wandelen, in zijn eentje, in 't gure
+regenweer en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn gejaagde
+opgewondenheid.
+
+Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat de jongen zich
+overwerkte, en nu weer die vrind, juist in den drukken tijd, hij had
+daar geen tijd voor nu; hij was op 't oogenblik overspannen-opgewekt,
+maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en zoo.... Maar tante
+zei, met een breeden glimlach, dat zij er 't hare van dacht, en toen oom
+dom-verbaasd opkeek: "Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets, hoor!....
+we zullen zien!...." En oom, haalde zijn schouders op en zei met wat
+ongeduldige ergernis: "Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge
+menschen eeuwig en altijd verkikkerd zijn!...." "Nou, en is dat dan niet
+waar," vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog wat pruttelend alleen van: man
+van zaken.... andere dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes.
+
+En den anderen morgen al om kwart over elven was Bernard op 't perron.
+Ziende de drukte daar, 't haastige bewegen van menschen, die weggingen
+en menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders in uniform,
+schaamde hij er zich even over, dat hij zoo vroeg was, weer scherp
+voelend zijn gebrek aan, "altijd man van zaken zijn," businesslike,
+clever, up to the market.... ja, die Engelschen weten 't. Even bleef hij
+staan, vaag hopend Edward zoo te zullen zien komen, alleen naar hem
+die alleen was. Maar zoo ging 't natuurlijk niet. Even later kwam de
+getrouwde zuster met haar man en daarna ook Edwards vader uit Baarn
+en nog later een van zijn broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven
+Bernard en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig te
+praten met kleine uitroepjes, intusschen allemaal telkens kijkend naar
+den kant van waar de trein moest komen, allemaal in de spanning van de
+laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis. 't Werd half twaalf,
+'t werd drie, 't werd vier en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen
+op hun horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel minuten de
+trein al over zijn tijd was. 't Duurde lang. En eindelijk wist geen van
+de wachtenden iets meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf
+gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling angstig-nabij
+voelen van 't in de dagelijksche soesa bijna vergeten noodlot, 't wreede
+toeval, verlamde hun praatvermogen, maakte hun 't wachten tot een
+tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en dan was er een
+gefluit in de verte en rekten ze hun halzen uit, maar ze zagen niets.
+'t Duurde lang.
+
+"Daar-is-t-ie!" riep Bernard eindelijk. Werkelijk was een trein, een
+ronden hoek makend, in-eens in 't gezicht gekomen. De zwarte machine,
+als een laagvliegend monster, kwam snel-groeiend, recht op hen af; de
+grond onder hen begon te dreunen en in de lucht daverde een schurend
+gestamp. En, nu zelfs voor ze 't zich nog heelemaal bewust waren, stond
+de trein stil met heesch gehijg. Toen 't ongeregelde openstooten van
+de portieren en in-eens begon 't perron te wemelen van menschen, een
+beweeglijke grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie. Juist werd
+een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden sloegen tegen elkaar met
+een verbijsterend kabaal....
+
+Maar daar! daar was hij, Edward; 't was Bernard, die hem 't eerste zag,
+maar hij liet de familie voorgaan om hem te begroeten, zich met moeite
+op zij houdend. Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad van
+zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe dreunen op naar zijn keel.
+'t Waren de oude oogen. En daar hoorde hij ook de stem, klein onder 't
+gedaver van den vertrekkenden trein, zeggend: "Dag vader!" 't Was de
+oude stem. En, een paar seconden later, daar keek hij recht in die
+oogen, en daar voelde hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en
+daar stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen, en met
+vertrokken monden woorden van groet en hartelijkheid uit te hijgen. "Ben
+jij daar ook weer?" hoorde Bernard, "kerel!...... hoe gaat 't?....
+hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat 't!"
+
+'t Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger, zijn vrind. Maar ouder,
+angstig ouder, veel ouder dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was
+mager geworden, 't kon zijn dat 't daaraan lag. Zijn trekken waren veel
+scherper geworden, zijn oogen lagen dieper en vooral zijn voorhoofd was
+veel ouder. Bernard had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan
+hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van rechtop loopen, die hij
+niet kende, bewegingen van bereisd man, van iemand van ondervinding.
+Alle slapheid van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard nu
+in-eens met een loom-landerige schaamte, nog heelemaal de oude
+jongensachtigheid.
+
+Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward zou kunnen praten.
+Maar daar was geen gelegenheid voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk
+zijn vader, zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar allerlei
+en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag en zoo meer. En ze hadden
+heelemaal maar zeven minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam
+doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was. En daarbij moest er
+nog gezorgd worden voor zijn bagage. Dat nam Bernard toen maar op
+zich, want hij kon toch niet praten met zijn vrind. Hij deed 't vlug,
+oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te geven in die zorg.
+Want achter zijn koortsig-tintelende blijdschap kwam nu al somberen een
+gelig-grijs verschiet van teleurstelling, en toen de familie haastig
+in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, -- de student en de
+getrouwde zuster gingen mee, -- toen hij daar stond, los en koud naast
+dien bijna onbekenden man van Edwards zuster, den vertrekkende nog even
+nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide en dien vreemden man
+een hand gaf en goeden-dag-zei, en langzaam 't station afliep, de
+onverschillige straat op, terug naar zijn kantoor, toen was er in plaats
+van den verwachten gloed van vreugde een weeë leegte in hem, waarvan
+hij wel had kunnen huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat; de
+menschen liepen en praatten en lachten alsof er niets was gebeurd. En op
+kantoor zat een duitsche reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde
+met veel strijkages en luidruchtige complimenten. Hij was onaangenaam
+kort, een beetje onhebbelijk tegen dien man. Hij stuurde hem gauw
+weg, liefst had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige
+onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen gekomen was,
+en gaf een paar korte standjes aan bedienden en ging toen weer weg,
+koffiedrinken, niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders,
+alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien.
+
+En daar zittend, tot rust komend onder 't wachten op 't bestelde
+dejeuner, begon hij zich te troosten, en kreeg langzaam aan de
+blijdschap weer de overhand. Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen
+fontein van lichtgedachten, zooals hij 't zich had voorgesteld.... Dat
+hij nu ook juist zoo weinig tijd had dezer dagen!.... Edward had in de
+haast nog beloofd dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?.... Was
+dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?.... Hij had geen
+tijd van de week naar Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer,
+dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer voor een half jaar,
+hij bleef den heelen zomer over, en dan althans zou hij 't niet zoo
+overkropt druk hebben.... O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet
+meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien tijd in Amsterdam te
+komen logeeren, bij zijn getrouwde zuster bijvoorbeeld.
+
+Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs kwam er een sinds
+lang niet gekende, rustige vroolijkheid in hem, terwijl hij -- lezend,
+onder zijn dejeuneeren door, de woorden van een krant die naast zijn
+bord lag -- zat te droomen van de komende middagen en avonden met
+Edward. Telkens dacht hij even terug aan die aankomst in die haastige
+herrie op 't perron, en dan kwam ook weer die schimmige leegheid van
+teleurstelling als een vlaag van killen tocht, maar daarom drong hij dat
+aldoor weg uit zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën
+om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming van aangename
+vooruitzichten. En zoo liep hij ook naar de Beurs en vertelde daar 't
+nieuwtje van Edwards aankomst aan dezen en genen die hem kenden, met een
+glans van vroolijkheid in zijn oogen.
+
+Maar 's middags op kantoor, terwijl hij weer net als altijd moest zitten
+werken, en denken over zijn zaken, en zorgen voor zijn zaken, toen
+voelde hij met machtelooze ergernis zijn stemming weer zakken. Er was
+niets aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, 't altijd noodige
+ploeteren van 's morgens vroeg tot 's avonds laat drukte hem. Hij maakte
+er zich verwijten van. 'n Ander, dacht hij, zou niet weten wat hij deed
+van halfdronken blijdschap, als zijn beste vrind terug was gekomen, na
+jaren van ver-weg zijn, maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige,
+ontevreden egoïst!.... Maar toch was er niets aan te doen, zijn stemming
+werd ál triestiger; zittend aan zijn schrijftafel bij 't raam van zijn
+kantoor voelde hij de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende
+massa's opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden vielen
+loom-somber in zijn zwaar-zorgend hoofd.
+
+'s Avonds weer op kantoor -- zoo ging 't nu dikwijls! -- werd 't hem
+helder hoe 't kwam. Hij had er zich veel te veel van voorgesteld, hij
+had nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment van weerzien
+heen kunnen kijken. In zijn droomerige verstrooidheid had hij iets
+bizonders, een anderen levenstoestand verwacht na dat moment, maar dat
+was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als vroeger. Alleen woonde nu
+een goede vrind van hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er
+kans dat hij hem in de komende maanden eenige malen zou zien. Anders was
+er niet. Hij voelde 't nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger
+en zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk weer
+leegloopend Danaïdenvat van zaken, van inkoopen en verkoopen, van
+omzet-vergrooten, relatiën uitbreiden, oppassen voor de concurrentie,
+een altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren en papiertjes.
+Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen....
+
+En ook de avonden waren net als vroeger; hij was er niet minder alleen
+om of Edward nu al in Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem
+was.
+
+Hij wende daar weer aan in een paar dagen.
+
+Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van ruwe steen langs de
+huid, en dadelijk daarna met de benauwing van een nieuwen berg
+levensondervinding, onverwacht opdoemend uit den mist, en waar hij nog
+doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een vraag, los-weg gedaan door
+André, een dag of wat later. Of Edward niet bij hem geweest was dien
+dag, want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat, alleen. Neen,
+Edward was niet bij hem geweest. Hij zei 't onverschillig, mat, zonder
+opkijken.... Maar waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet
+gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten slotte 't oude gevoel
+bij hem verminderd, weggeslonken of verdord en weggekild misschien
+binnen de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd, de als
+roestig ijzer ruig-kille muren van een cijfer-en-paperassen-bergplaats?
+Neen, neen, zoo was Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien
+te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter kameraden gevonden
+om zijn vacantie mee te passeeren, vroolijke vrinden, die 't leven
+begrepen?.... Er was innige bitterheid in Bernards overdenkingen terwijl
+'t gewone gepraat ging aan hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij
+zorgde er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat ze zijn stilheid
+niet merkten.
+
+Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten. En toen zijn bedienden
+al een heelen tijd weg waren zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp,
+allerlei dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn werk te
+denken, maar hij werd moe; de dag was lang geweest, hij raakte op. En
+in-eens overmand door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed en
+zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen op 't papier en
+snikte even achter de andere, waarmee hij zijn hoofd steunde. Hij kon
+veel verdragen, maar dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had
+hij verlangd naar 't weerzien van Edward, zijn eenigen vrind -- dat
+had hij hem toch zoo dikwijls geschreven en altijd had de toon van 't
+antwoord zuiver teruggeklonken! -- hoe had hij naar hem verlangd en wat
+'n teleurstelling was 't voor hem geweest, dat hij hem maar zoo'n paar
+enkele minuten had kunnen zien aan 't station!.... Was er dan niets
+in Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch van die
+teleurstelling?!....
+
+'t Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en weer doorging aan
+zijn werk, met wat schaamte, 'n beetje ergernis over dat kinderachtig
+verdriet, werd hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men immers
+wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid, maar niet meer week.
+Wijs zijn zij die geen illusiën meer hebben. Dat alleen zijn de wijze,
+de welbewapende en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even
+zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel.
+
+En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje op, en sloot zijn
+kantoor en ging naar huis, eenzaam door de stille nachtstraten, met een
+hoog-rustige, streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn
+gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele overdenking
+van zijn verhouding tot de menschen. Hij was alleen, goed, hij zou
+alleen zijn. Dat was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen,
+die alleen zijn, zonder dat je 't ze aan kunt zien. Hij zou 't leven wel
+doorkomen alleen. Niemand zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij
+zou minder lijden, want er was veel stil genot in 't alleen-zijn, alleen
+met jezelf, met de wereld binnen in je. Hoe zuiver vormden zich je
+voorstellingen in de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden je
+ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen, zooals een rotsblok
+wordt tot schoonheid, met stille aandacht bebeiteld door den
+eenzaam-werkenden kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen
+zijn -- hij had 't goddank geleerd.... En in een met fijn gedenk,
+kunstmatig mooi bewaarde rust legde hij zich dien nacht te bed, en hij
+sliep vast en zonder droomen.
+
+ * * * * *
+
+Maar den anderen dag -- och! daar was zijn gevoel weer en bezat zijn
+arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk verdriet weer om dat
+niet-komen van Edward. En nu -- als een moeder die haar kind sust -- zat
+hij zich te beduiden dat 't immers best kon zijn, dat Edward geen tijd
+gehad had. Dat hij op een bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij
+zijn zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen, of.... ja,
+honderd andere gewone toevalligheden die hem belet hadden naar Bernard
+te gaan! Anders zou hij 't stellig wel gedaan hebben!.... Ofschoon,....
+eigenlijk wist hij wel, dat Bernard feitelijk geen tijd zou gehad hebben
+om hem te ontvangen. Want zoo was 't immers! Als hij bij hem op kantoor
+was komen oploopen, wat zou hij er aan gehad hebben?.... De bedienden om
+hen heen zouden alle intimiteit weggenomen hebben en na een kwartier of
+een half uur zou Bernard dat gevoel hebben gekregen van: ik moet werken,
+er is werk dat baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen gepraat
+met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij Edward het gevoel dat hij
+hem van zijn werk hield, dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling
+zou er geweest zijn bij hun scheiding.
+
+'t Zou immers veel beter -- o natuurlijk veel beter en aangenamer zijn
+dat Edward 's bij hem kwam als hij tijd had, als 't er niet op aankwam
+hoe laat 't werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en praten,
+zonder aan tijd te denken.
+
+Ook 's Zondags daarop kwam Edward niet.
+
+Bernard had 't hem kunnen vragen met een briefje. Hij had 't niet willen
+doen. Hij had ook naar Baarn kunnen gaan, maar wie weet of hij soms
+stoorde 'n familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef dus in
+Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag, wachtend, lezend, met
+lange tusschenpoozen van droomerig denken.
+
+Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde. Er kwamen nu telkens
+van die dagen waarvan Bernard toen geschreven had aan zijn vrind. Er
+zat lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht omwaaid van
+een zoetige-zoele koelte, licht van jonge frischheid en zwaar van
+zomergeuren; er zat iets nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker
+aandoend en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna,
+niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen, en dan weer
+in-eens weg. Een hoopvolle verwachting van zomersche malschheid, die
+lang strijkt en streelt langs 't gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens
+door 't willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar bevrediging
+van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn. En in de lichter wordende
+avonden, de dampige, vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge
+kilheid verraderlijk aanstrijkend over 't water, als de hoonende
+aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter, die nooit weggaat, die
+alleen maar wacht, met cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen
+weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld....
+
+Bernard ging door de straten van zijn kamer naar zijn kantoor en van
+daar naar zijn restauratie en naar de Beurs; ergens anders kwam hij
+haast niet. Maar toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide
+langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten naar lust
+van liefde los liet over zijn gedachten, waar ze dan even mee speelden
+als naakte nimfjes met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling
+korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien en kloppen, en soms
+in-eens zijn voor hem liggend werk verhulde in een trillenden nevel, een
+rossig gewirwar, zoodat hij moeite had 't aldoor te blijven zien en er
+aan door te gaan met ijver en aandacht. En soms als hij buiten was,
+midden op den dag, kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn
+lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige verwachting,
+als zou er iets bizonders met hem gebeuren.
+
+Maar er gebeurde niets.
+
+Alleen, 's Zaterdags van die week, kreeg hij een briefje van Edward:
+"Waarom kom je toch niet 's naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te
+zien, je bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den afgeloopen
+Zondag, en reken nu op je voor morgen."
+
+En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar zijn hoofd, om al
+zijn harde gedachten over zijn verhouding tot zijn vrind. Wat een
+ongemotiveerd wantrouwen was dat geweest, niets dan gekrenkte trots en
+ijdelheid. 't Was 'n schande.... Eigenlijk moest hij zich zelf verbieden
+te gaan morgen.... Maar hij zou 't toch maar doen.
+
+ * * * * *
+
+Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte dag van zon en
+wind en aldoor wisselende luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten,
+waar je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden en stralende
+tronen omkranst van engelen. Bernard zat in den trein aldoor stil naar
+buiten te turen. Snel zeilden de scherpe schaduwen over 't zwarte
+voorjaarsland, dat fel opkwam in 't harde licht, snel als groote
+vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over de vlakte. Er was onrust,
+er was actie in de buiten-dingen. En Bernard voelde zich meelevend in
+die actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt, bijna vroolijk en
+met verlangen naar veel beweging. Toen hij aankwam in Baarn zag hij
+dadelijk Edward staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand de
+hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke hartelijkheid.
+En, dadelijk druk pratend, liepen ze samen naar de villa van de familie,
+die midden in 't dorp lag.
+
+'t Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard aan 't station te
+Amsterdam maar even had kunnen zien. Ja, dat kwam ook door dat late
+aankomen van dien beroerden trein! Maar 't was jammer; en nu was hij
+waarachtig al veertien dagen in 't land en had hem eigenlijk nog niet
+eens gesproken. Maar waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen?
+"Och-god ja! geen tijd, dat's waar, dit is juist je drukste tijd,
+hè?.... Kerel, wat een brief was dat, die laatste van je, die van
+October.... neen, maar kolossaal, je was op dreef, hoor!.... 't was
+geloof ik wel 'n twintig zijdjes...."
+
+Bernard lachte 'n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering aan dat
+moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam aan. "Ik dacht.... dat je....
+dat je zoo iets ook van me hebben wou," zei hij, even blozend.
+
+"Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven heb ik zoo graag!....
+Je hebt er mij erg veel genoegen mee gedaan...." Edward lachte even,
+zenuwachtig. "Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!.... nee-maar,
+waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch op dat je mij je eenigen vrind
+noemde...."
+
+"Maar," vervolgde hij na even zwijgen, met een licht, heel
+licht-ironisch glimlachje, "je zult me wel toegeven, dat je stemming nu
+niet van de allervroolijkste was toen je dien brief schreeft, hè!....
+Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!.... Zóó beroerd heb je
+'t ook niet, is 't wel?.... En je eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld
+trotsch op, maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je rondom dik
+in de vrinden zat!.... En ik geloof ook eigenlijk-gezegd niet, dat je je
+daarover zoo te beklagen hebt.... Ik geloof om je de waarheid te zeggen,
+dat je wel een beetje erg ondankbaar bent, zoo nu en dan, hè?.... Nou
+ja! ik weet wel wat je zeggen wilt!...."
+
+"'k Geloof 't niet, dat je weet wat ik zeggen wil," begon Bernard, "je
+kunt er wel gelijk in hebben dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar
+ik weet toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige dingen...."
+
+"Als bijvoorbeeld een brief van mij!" vulde Edward weer aan op luchtigen
+toon, "ja zeker! dat weet ik ook wel, hoor!.... Maar kom!" zei hij weer
+met dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, "laten we daar van middag nog
+maar 's over praten.... Want van middag moeten we weer 's een echte
+ouwerwetsche lange kuiering maken, hè, ouwejongen?"
+
+En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van terzij aan, zoo heelemaal
+met de oude, lang-gekende vrindenoogen, dat hij met dien blik 't
+opgekomen gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards gemoed,
+achter warme emotie van zich geliefd voelen.
+
+"Dat is best!" zei Bernard met een glimlach van innige vreugde. "Ja,
+want nou," ging zijn vrind door, "moet ik je eerst nog een heelen boel
+vertellen van mijn reis hierheen." En hij begon een opgewekt relaas van
+allerlei wat hij gezien en doorleefd had op reis, telkens afdwalend,
+maar ook telkens weer terugkomend op zijn verhaal met een groote
+inwendige rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid.
+
+En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind nu langzamerhand
+heelemaal te zien en te herkennen. 't Was toch wel zoo: Edward was
+ouder geworden. Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat
+bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger; hij had een paar
+dwarse plooien in zijn voorhoofd en in het trekken van zijn mond had hij
+iets eigenwijs-deftigdoends, iets ouweheerigs gekregen. Maar zijn oogen,
+die waren nog net als vroeger, mooie, donkerbruine, fluweel-zachte
+oogen. Zijn oogen maakten zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten
+dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van zijn blik ging
+van droog-eerlijke goedhartigheid tot een diep-vonkelende zieleweelde.
+En Bernard voelde misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een
+goed man was.
+
+Even voor ze er waren zei Edward: "Je bent in die drie jaar niet
+dikwijls bij ons geweest, hè!...." En Bernard, licht blozend weer,
+bekende: "Nee, heel weinig!.... Ik heb wel 's een visite gemaakt,....
+maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je weet, ik heb
+nooit veel tijd!" "Ja, ja! altijd die drukte van jou!" zei Edward,
+vroolijk-plagend, maar Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep
+de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de familie van zijn
+vrind. En dat was, dat hij niet veel hield van de familie, vooral
+niet van Edwards moeder, een statig-deftige, trotsch-vrindelijke,
+voorname dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde op een
+onuitstaanbaren toon van gezag.
+
+Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen waren in de villa --
+een leelijk-vierkanten massief-degelijken bouw, zonder zwier of
+statigheid, in een onevenredig-kleinen tuin --; ze vonden haar zitten
+in de zijkamer links, met een lorgnet op en een borduurwerk in de hand.
+Ze stond op om Bernard met beleefde vriendelijkheid te begroeten.
+Glimlachend vroeg ze hoe 't hem ging en hoe zijn oom en tante 't
+maakten, en schoof hem een stoel toe. Maar toen hij even zat begon ze:
+"Wat hebben we jou in geen tijd gezien! -- Wel, laat 's kijken.... dat
+is, geloof ik, wel een heel jaar!" "'k Geloof 't ook, mevrouw," zei
+Bernard en hij praatte weer zoowat over zijn drukte altijd.
+
+"Och, maar je moest je toch niet zoo door je zaken laten ringelooren,
+jongelief, wat een dwaasheid!.... Zaken zijn om te leven!.... Niet
+andersom!.... En dan, kijk 's even aan: wij kennen je nu wel, maar
+heusch.... héél.... véél.... ándere menschen zullen je heel onbeleefd
+vinden,.... zullen je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost...."
+
+"Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!.... Ik geloof niet, dat
+er veel menschen zijn, die over me denken, als ze me niet zien."
+
+"Dát zeg ik ook niet!.... dát 's wel mogelijk!.... dát weet ik
+natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je denken, dan zeggen ze: wel foei,
+wat 'n onbeleefd heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe 't
+hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg 't altijd maar net zooals ik
+er over denk. Ik heb me altijd zoo'n beetje beschouwd als een tante van
+je, die je wel zoo er 's à faire mocht nemen!...."
+
+"Maar mama," viel Edward in, "neem me niet kwalijk, hoor! maar nou vind
+ik toch wezenlijk, dat u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door
+hem dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!.... De arme
+jongen is er beduusd van!.... Trek jij je 'r maar niks van aan, hoor
+Bert!...."
+
+"Nota bene," antwoordde ze langzaam, "zeg 's, jij hebt daar uit Indië
+ook fijne manieren meegebracht!.... Maar al spreken die liplappen daar
+zoo tegen hun mama's, dat is nog geen reden om 't hier in te voeren."
+
+Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende stem was aldoor
+damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk, maar Bernard voelde toch dat 't maar
+veiliger was gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij schielijk:
+"En hoe maakt meneer 't, en Truida en Frits?" "O, dank je! heel goed,"
+zei mevrouw, "Frits zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in
+Utrecht." "En hebt u goede berichten van Herman uit Hannover?" "Zóó....
+zóó!" zei ze, "de jongen verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt
+nogal met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over zoo'n
+bierkommers -- of hoe heet zoo'n ding, -- dat bevalt me niet erg. Die
+duitsche distinctie, dat is ook al niet dàt! -- net zoo min als de
+indische...."
+
+Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond naar voren zettend om
+kinderlijk-deemoedige verlegenheid na te bootsen, en gaf hem toen een
+vroolijk knipoogje.
+
+In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende menschen en
+even later kwamen Edwards vader en zijn zuster Truida, een meisje
+van zeventien of achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken
+groette Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde
+vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en 't meisje zei hem heel
+stijfjes goeden-dag.
+
+En ze gingen even zitten praten in een vormelijk half-kringetje.
+
+"Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet," vroeg meneer. "Nee,"
+antwoordde Bernard. Hij vond 't niet, integendeel, hij vond dat Edward
+veel ouder was geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag.
+
+"Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan ook wel!" zei de vader,
+zijn sigaret aanstekend, die bij 't binnenkomen uitgegaan was. "Hij
+heeft nogal besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!.... je
+moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!.... Maar hij heeft dan ook
+aardig promotie gemaakt, vindt je niet?.... Heeft hij 't je al
+verteld?...."
+
+"Nee," zei Edward, "we hebben 't nog niet over de zaken gehad."
+
+"O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!.... hij moet 't je maar
+'s precies vertellen.... Dat wordt een persoon van gewicht in Indië,
+hoor! Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje, pas op!"
+
+Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting, maar ook met
+iets van verlegenheid tegenover Bernard. "Ja, ja!.... Ik denk 't ook,"
+zei hij, "maar, 't is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er wel komen
+daar.... En ik heb er ook veel plezier in," voegde hij er bij, na even
+zwijgen, op verhoogden toon, als wou hij die verlegenheid weggooien.
+
+"Daar heb-je 't, zie je," zei zijn vader, "dat is 't voornaamste, dat
+vind ik ook!.... Waar je plezier in hebt, dat doe je goed. Als je geen
+plezier hebt in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen," zei
+hij, zich naar Bernard draaiend met 't glimlachend gezicht en de gebaren
+van een goochelaar, die een schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak
+haalt.
+
+"Die bankzaken lijken me toch anders niet erg verkwikkelijk," zei
+mevrouw, langzaam en vrindelijk, doorbordurend met een kalm-gracelijke
+armbeweging. Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat gekuch.
+Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen 't raam uit.
+
+Bernard vond dat 't gezin er niet amusanter op was geworden in dat jaar
+van zijn verwaarloozing. Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat
+de koffie klaar was. Aan zoo'n koffietafel, dacht hij, daar heb-je
+tenminste wat te doen. Maar 't viel ook niet mee. De stemming bleef
+koud. Er werd gepraat maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de
+stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen, en de ouders van
+Edward schenen elkaar ook niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat
+veel meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan iets over 't weer,
+met een vadsig-lijmige stem, alsof 't haar eigenlijk te veel was om
+haar mond open te doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen 't
+afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam naar zijn kamer, om hem
+allerlei dingen te laten zien, die hij meegebracht had. Ook voor hem had
+hij wat, een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard was er
+heel blij mee; hij bekeek 't mooie ding met eerbied, met iets van stille
+aanbidding, hij vond 't mysterieus als een lang van binnen bekeken
+bloem, een heerlijk bezit. Hij vond 't een genot het fijn-glooiende,
+scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn hand en het snijwerk gaf hem
+een gevoel van jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat daar
+zitten te maken in stille aandacht, zooals hij 't wel 's gezien had op
+een tentoonstelling, die menschen die niets doen dan mooie dingen maken
+en zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn....
+
+"Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór 't weer verandert," zei Edward,
+en haastig trokken ze hun jassen aan en gingen op weg.
+
+En ze maakten een mooie wandeling samen, breede lanen door, langs
+uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan de huizen, als wijkplaatsen van
+intiem genot, rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre,
+bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over wegen, half
+verwoest door 't winterweer, en ook over de eenzame, wijd-naakte
+heigronden. En ze praatten veel, vooral in 't begin. Edward had nog te
+vertellen van zijn leven in Indië en van de terugreis en later begon
+hij te vragen naar een heelen boel menschen, die hij gekend had in
+Amsterdam.
+
+Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend wat hij gehoord
+had over een ouden kennis, zei Bernard: "Hé, je bent verleden week nog
+in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien loopen in de
+Kalverstraat."
+
+Edward keek op. "O ja," zei hij, met een zweem van verlegenheid. "Ja....
+ik moest er even zijn,.... 'n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden
+me op de koffie gevraagd.... 'k Had graag nog even bij jou aangeloopen,
+maar.... eigenlijk hebben ze me aan de praat gehouden,.... ik kon 't
+niet meer halen.... Wie zag me, zeg je? André?"
+
+"Ja," zei Bernard kort.
+
+"Hoe gaat 't dien?" vroeg Edward.
+
+"O, best.... 'k zie 'm zooals je weet haast allen dag!.... We eten samen
+met Sam van 't Hout en nog een paar lui...."
+
+"Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... 'k Mocht 'm altijd
+graag!.... 'n Beetje druk...."
+
+"En een beetje oppervlakkig," zei Bernard.
+
+"Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat 's wel waar, maar.... heeft
+hij dan toch ook ten slotte geen gelijk met zich de dingen niet te veel
+aan te trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook _te_ veel doen,.... je
+kunt ook _al te_ -- hoe zal ik zeggen? .... degelijk is 't woord
+niet,.... te diep.... te zwaar zijn!...."
+
+"Zóó? Heb jij dat ook ingezien," vroeg Bernard, licht spottend.
+
+"Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel wat luchtiger
+geworden!.... Misschien kwam 't wel omdat ik jou ernst niet meer
+om me heen voelde!.... Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig
+tegenwoordig en erg optimistisch!.... Misschien ook is 't klimaat daar
+in Indië bizonder geschikt voor me!.... 't Is een feit dat ik er me
+lekker voel, ik kan best tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een
+koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel een beetje meer practisch
+filosoof geworden!.... De ondervinding in 't zakenleven en zoo'n heel
+nieuwe omgeving met zooveel verschillende menschen,.... dat doet ook
+wat!.... Ik voel dat een heele boel dingen, waar ik vroeger wel mee
+dweepte, me nu niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!.... ik weet
+'t wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch vinden!.... 't Valt je
+tegen van me, maar.... ik moet 't toch wel zeggen, want 't is nu eenmaal
+zoo!...."
+
+"Ja, natuurlijk," zei Bernard op matten toon. "En je zult ook wel gelijk
+hebben...." Maar hij wist eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet
+eens precies wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn stem gehoord,
+die klonk als van iemand die iets zwaars op zij duwt. En hij had in-eens
+begrepen, dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had in-eens
+heel duidelijk gevoeld, dat 't ook wel niet anders kon, want dat hij
+zwaar was, te zwaar voor anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn
+opvattingen van alles, waren zwaar. O, 't drukte hem zelf zoo, altijd
+overal dat zware.
+
+Ze zwegen een poos en Bernard voelde 'n grijze triestigheid trekken over
+alles wat hij zag en over hem zelf. 't Was of er een nevel kwam voor
+zijn starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig en eenzaam
+als een landlooper voelde hij zich gaan over den weg. Al dat opgewekte
+van den morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was weer weg.
+
+Maar plotseling -- 't bloed sloeg hem naar 't hoofd met een schok als
+van schrik -- neen, neen! hij wilde die stemming niet! Hij wilde zijn
+besten vrind niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem was. Hij
+moest zich overwinnen, hij moest dat van zich gooien. Want anders -- die
+gedachte was 't die als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en
+hij had dat voor zich gezien als een visioen -- anders zou Edward hem
+uit den weg gaan loopen, dan zouden Edward en zijn andere vrinden, die
+vroolijk waren en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en hij,
+Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal, heelemaal alleen
+zijn. Neen,.... neen,.... dat nog niet!.... hij zou 't toch nog niet
+kunnen,.... en hij wou 't ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem
+afstaan aan anderen....
+
+En hij was 't die nu weer begon te praten, -- met een opgeruimde,
+toonige, ietwat te hooge stem, -- te vragen naar 't leven in Indië, hoe
+dit daar ging en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem wel even
+schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk op denzelfden toon antwoord,
+en een heelen tijd praatten ze weer door op die manier.
+
+Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning waren gekomen en daar
+een borrel zaten te drinken, begon Edward in-eens: "Zeg 's, je moet
+nou niet denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt dan je
+eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je, en dat vind ik toch ook
+niet prettig. Zoo zijn wij nooit samen geweest! Praat met mij ronduit
+over alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je.... te raden,....
+te helpen...."
+
+Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde 't. En toch deed 't hem
+pijnlijk aan, met naar-weeë schrijning. Hij wist zelf niet hoe 't kwam.
+Was 't Edwards stem, die 'n beetje aarzelend, zijn toon die ietwat
+meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!.... Hij wist 't
+niet.... Edward had gelijk, 't was niet prettig voor hem, bij God neen,
+niet prettig, prettig, prettig....
+
+"Dank je!...." zei hij, hem even aankijkend met een matten, droomerigen
+blik, "je bent heel hartelijk voor me.... Je bent trouwens altijd zoo
+voor me geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we toch maar liever
+gewoon doorkletsen! Nee, zie je!.... laat ik maar niet te veel gaan
+praten over me zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet
+prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!...."
+
+"Nou, zooals je wilt," zei Edward, toonloos.
+
+"Kom! ga je mee," vroeg hij even later. En hij betaalde. Ze stonden op
+en liepen verder, op weg naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend
+naast elkaar gaand tot Bernard weer begon. "Kom, kerel, ben je nou gek!
+Trek-je je dat nou wezenlijk aan?.... Wat een nonsens!.... Mijn God! ik
+heb toch immers niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet hopeloos
+verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan ligt dat aan mezelf en aan
+mezelf alleen. Waarom zou ik daar nou over loopen zeuren?...."
+
+En Edward draaide zich half om naar hem en zei heftig, blijkbaar wat
+opgewonden: "Juist! Daar wou ik je hebben! Nu sla je den spijker op
+zijn kop! 't Doet me verdomd veel plezier, dat je 't nou zelf zegt, dat
+'t alleen aan je zelf ligt. Zoo is 't ook. Je bent wat melancholisch
+aangelegd en je geeft daar te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet
+flink! Je moet je daartegen verzetten met al de kracht die in je is. Je
+bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog haast je heele leven voor je,
+bedenk dat toch, en houdt je zelf frisch en moedig!...."
+
+"Zeker!" zei Bernard, -- die maar blij was dat zijn vrind 't zich
+blijkbaar toch niet zoo aantrok en weer gewoon praatte. -- "Zeker, zoo
+is 't ook!.... Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt.... Denk-je
+dat ik 't allemaal niet weet wat je daar zegt?.... Ik beloof je; ik zal
+mijn best doen. Kom jij, in den tijd dat je nog hier in 't land bent,
+maar veel bij me. Dat zal me wel goed doen...."
+
+"Goed!.... graag! 'k beloof 't je," zei Edward. "Maar zeg me nu nog één
+ding: ben je werkelijk niet verliefd?"
+
+"Nee!" zei Bernard.
+
+"Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat 's wel een wonder voor
+jou!"
+
+"Dat zou 't ook zijn," zei Bernard glimlachend. En hij vertelde met
+een kalme vertel-stem van de trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde
+aldoor aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand die innig
+plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer heelemaal over zijn
+ergernis heen.... "En hoe komt 't dat dat nu zoo heelemaal bij je weg
+is," vroeg hij ten slotte.
+
+"Wel, ik weet 't waarachtig niet," zei Bernard. "'t Was toch zeker niet
+dat!.... Ik denk haast nooit meer aan haar tegenwoordig.... Als ik
+morgen haar verlovingskaart kreeg, zou 't misschien even...... Nee! ik
+geloof eigenlijk dat 't me onverschillig zou laten. Ik zou haar een
+kaartje sturen, en wat bloemen.... of ook niet...."
+
+"Je moet me haar toch 's laten kijken," zei Edward, aldoor glimlachend,
+"ik ken haar, geloof ik, nog wel van vroeger.... Wel ja, ik geloof
+haast, dat ik 'r wel 's ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan
+huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je je wel?.... 't Zijn
+familievrinden van ons.... Ik zal er weer 's gauw een visite gaan
+maken...."
+
+"Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer 's," zei Bernard met een
+stem alsof hij over wat anders dacht.
+
+"Ik hoop 't," zei Edward. "Want zie je ik ben net in een stemming dezer
+dagen om gecharmeerd te worden op zoo'n soort meisje.... En als ik jou
+dan toch niet in de wielen rijd...." Hij keek Bernard even spottend aan,
+maar die zei eenvoudigweg en met een strak gezicht: "Ga jij je gang,
+hoor!"
+
+Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen tot ze thuis waren.
+
+Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. "Ben je niet doodmoe?" vroeg ze
+aan Bernard.
+
+Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen kwamen voor Edward.
+'t Was wel jammer dat hij nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er
+dezer dagen, en vooral 's Zondags, kennissen kwamen om hem te
+verwelkomen!
+
+"We hebben een goddelijke wandeling gemaakt, mama," zei Edward.
+
+"Dat kan ik me denken," zei ze, "'t is nu nog al een seizoen voor zulke
+tochten!.... Waarom heb je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie
+dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me, jongelief, je zult je
+nog ziek maken...."
+
+Aan tafel was weer dezelfde stemming als 's morgens. Alleen was papa wat
+spraakzamer en zijn vroolijkheid wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed
+verhalen uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen blik naar zijn
+vrouw, die intusschen, als hoorde ze 't niet, zacht met Truida zat te
+praten, nu en dan over haar heen den tuin inkijkend, met een air van
+licht-gemelijk, maar berustend dédain.
+
+Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu.
+
+En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne sigaren, koffie en
+pousjes. En meneer raakte erg op dreef. Hij vertelde een paar dingen
+waaruit bleek dat hij 's middags op de societeit was geweest. Hij vroeg
+herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat Bernard wel zei van
+Edward, of hij ook niet dacht dat hij een piet zou worden daar in Indië.
+Ja zeker, dat dacht Bernard ook.
+
+Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames en net nog wat zouden
+gaan whisten, merkte Bernard op dat 't zijn tijd was. Och, maar dat was
+jammer, vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral 's gauw
+terugkomen.
+
+Edward bracht hem naar den trein. Onderweg maakten ze nog een afspraak
+voor de volgende week. Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen
+doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren.
+
+En Bernard was weer alleen in den trein. Maar hij voelde 't nog niet
+dadelijk, 't alleen-zijn. In zijn warm hoofd roesde en soesde nog al
+'t gepraat van den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward en zijn
+vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat roezige in hem, dommelend in
+een hoek van de coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken en
+aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid komen in zijn
+geest. Hij wou den algemeenen indruk van dien dag, van den eersten dag
+met Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij wou eerst slapen.
+Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst slapen. Toen hij weer in de open
+lucht kwam, loopend van 't station naar zijn kamer, wou 't telkens boven
+komen, 't denken over dien indruk. Maar met een vagen angst herhaalde
+hij in zich zelf: eerst slapen.
+
+En 't lukte. Hij was moe van den ongewonen dag-in-de-lucht en die lange
+wandeling.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen 't opstaan. 't Was
+of de slaap hem geen rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den
+rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een onbestemd gevoel van
+bange benauwing -- zonder zich er in te denken -- zag hij op tegen den
+dag. Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen, liggen in
+zijn bed. 't Was of de tijd hem niet aanging. Maar met een druk-dringend
+geklop op zijn deur kwam zijn juffrouw hem weer roepen, met een
+hoog-schelle stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone
+luiheid: "Meneer!.... weet u wel dat 't bij half-negen is?....
+meneer!.... meneer!"
+
+"Ja, ja!" riep hij nijdig terug en bromde: "stik toch!" en in-eens trok
+hij zich de dekens tot om 't hoofd en kwam 't in hem op 't nu eens niet
+te doen, 't te verdommen, gladweg.... Maar -- beter wakker nu -- schoten
+hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid allerlei dingen in,
+waar hij bepaald voor zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet
+opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast in zijn zak, en er
+kwam hem iemand spreken, tegen tien uur.... En even later trapte hij met
+driftigen wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit zijn bed
+zakken.
+
+Er was aldoor nog iets anders dan 't gewone alledag-kantoorleven, waar
+hij tegen op zag, maar hij liet 't niet nader komen, -- vaag voelde hij
+'t dreigen als wanhoopsstemmen in de verte.
+
+En toen hij de frischheid van 't water gevoeld had en, zich afdrogend,
+naar een raam van zijn kamer liep om even te zien wat voor weer 't was,
+herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om nu, van morgen, --
+in den kil-nuchteren stadsmorgen -- in zich na te gaan den indruk van
+dien eersten dag met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit zijn
+gedachten, 't uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf, dat hij geen
+tijd had, dat hij denken moest aan zijn zaken.
+
+Maar 't werk viel mee dien morgen, en tegen elf uur, terwijl hij aan
+zijn lessenaar zat te schrijven een paar brieven, kwam 't nader, àl
+nader, 't dreigende in zijn ziel, en 't hielp niet meer of hij al zijn
+best deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf, in-eens bonkte
+'t op hem neer en wrong 't zich in hem, met onwrikbare stevigheid --
+als een schroef die met een domme-kracht gedraaid wordt in 't wijkende
+hout: -- Dat is uit, je hebt geen vrind meer!.... Er was lijdelijk,
+lijdend verzet in hem, hij wilde niet, maar hij moest; onmachtig
+onderging hij zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een zacht,
+onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed: Er is geen vrindschap....
+Er is geen vrindschap....
+
+Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen, over provisiën en
+termijnen van betaling. Het was zijn gewone, regelmatige handschrift,
+groot-open, zonder krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal
+aan-zaken-gedenk van die zware gedachten, die als van-zelf ontstonden,
+zich verdrongen en ophoopten in zijn achterhoofd. 't Was of een
+diep-sombere stem daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn
+gansche zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er is geen
+vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel is niet te deelen.
+Niemand kan een ander geven wat hij heeft zonder 't zelf te
+verliezen.... En telkens terugkeerend, allengs vergrijzend,
+weg-somberend in de doffe melancolie: De mensch is alleen....
+
+In 't koffie-uur, terwijl hij liep op straat en terwijl hij zat te
+dejeuneeren, met Sam, -- ze lazen allebei de krant, -- en daarna,
+terwijl hij slenterend opliep naar de Beurs, deed hij zijn best in zich
+op te diepen en dan te bekijken zijn aparte indrukken van gisteren -- nu
+niet bang meer voor teleurstelling, want in zijn somberheid van nu was
+alles egaal grijs, zonder tinting van bizondere stemmingen, en alle
+gedachten gelijkwaardig als de steenen van de straat. En 't was
+onmogelijk over te voelen de sensaties van gisteren, want er hing een
+nevel van melancolie overheen en er was een minachting in hem voor al
+die sentimenten, die de moeite niet waard waren, die, als ze even
+opkwamen, zwak en schraal, dadelijk werden weggeslorpt in zijn
+somberheid, als in een moeras dat treurig-onvruchtbaar zich uitstrekt
+tot den horizon.
+
+Zoo leefde hij ook dien middag door. En aan tafel, met zijn
+tafelvrinden, zijn kameraden van allen dag, vonden ze hem stil en in
+zich zelf gekeerd, maar dat was hij wel 's meer, ze namen er niet veel
+notitie van. André vroeg naar Edward, en hij vertelde kalmpjes en droog
+de feiten van gisteren, met een blanke conversatiestem, en hij zei dat
+Edward den volgenden Zondag in Amsterdam komen zou. "Zoo!.... komt-ie 's
+fuiven hier?...." vroeg André. "Mooi!.... dan zullen we 'm 's fijn
+ontvangen, hè?.... Wat doen we met 'm?"
+
+"'k Weet nog niet!.... 'k Zal nog 's zien!...." zei Bernard. 's Avonds,
+alleen in zijn kamer zittend, nu en dan wat lezend en dan weer soezend,
+starend in de stille vlam van zijn lamp, werd zijn stemming draaglijker,
+niet meer zoo drukkend, en rustiger. Dat bedaarde, van verstandig en
+resoluut alleen-leven keerde terug. Vooral ook als hij zich bewoog, als
+hij liep door zijn kamer, met kalme, stil-aandachtige bereddering,
+voelde hij dat in zijn bewegingen.
+
+En dat hield hij ook den volgenden en daarop volgenden dag. Hij bewaakte
+die stemming zorgvuldig. 's Middags aan tafel zat hij bedaard te praten
+over alles wat toevallig ter sprake kwam, met een niet-opvallende
+gelijkmatigheid. 's Woensdags ging hij naar de comedie, in 't rustig
+gezelschap van Hendrik, en liet zich bezighouden met een aangenaam
+gevoel van niets beters te doen te hebben. Verder dan ooit van den
+levenslust, kwam hij in een soort van goede-verstandhouding met het
+leven, iets dat leek op vrede, op te-vreden-zijn.
+
+Donderdagsavonds bleef hij weer laat op kantoor allerlei dingen afdoen,
+waar hij een oogenblik kalm voor zitten moest, zonder storing. En
+tusschen de dingen door soms even stil peinzend dacht hij zonder
+verdriet aan Edward. Zeker, hij hield nog veel van zijn ouden vrind. En
+Edward van hem ook, o! zonder twijfel! Beiden hadden ze den wil in zich,
+den goeden wil, elkaar zooveel mogelijk te helpen en genoegen te doen,
+en misschien begrepen ze elkander nu en dan ook wel even.... Zeker! o
+ja! daar was veel goeds in. Edward was hem trouw en hij was Edward
+trouw. Zeker voelde ook zijn vrind die trouw als een soort van heilige
+afspraak, een verbond zooals in vroegere eeuwen zwervende ridders samen
+sloten, broederlijke vrinden blijvend al zagen ze elkaars gelaat in
+lange jaren niet. Zij waren immers van de ridders van deze tijden, ze
+waren gentlemen. En zij hielden van elkaar. Er was geen twijfel aan; hun
+vrindschap stond hoog, was misschien wel 't hoogst-bereikbare tusschen
+twee menschen, twee van die werelden die mensch heeten.... wie weet
+'t?.... Maar vrindschap?.... Bernards gedachten van dien avond
+losten zich op in een glimlach, een koel-hoogen, ster-hoog
+ironisch-minachtenden ziele-glimlach.
+
+Maar Vrijdag -- zooals een stormige morgen komt na een stil-helderen
+nacht -- was weer onrustig, oproerig, mokkend. Hij voelde zich als
+weggeduwd, met hoongelach, in een put van gewoonheid en minne
+beslommering, als opgesloten, terwijl anderen samen-leefden. En
+plotseling in den namiddag schrok hij van een nieuw gevoel, dat
+vreemd-licht opsloeg naar zijn hoofd, hij wist niet waar vandaan. Hij
+was bang dat 't wanhoop was, hij was bang, bang voor zich zelf. Hij
+dorst -- nog nooit had hij dat gehad -- 's avonds niet op zijn kamer te
+blijven, alleen; hij ging uit, met André en een paar andere kennissen en
+dronk veel, zoodat hij zich den volgenden dag physiek-ellendig voelde,
+dien dag doorzeurend, verlangend naar zijn bed, en zich heel vroeg te
+slapen lei, met een wil -- een soort plichtsbesef -- om frisch en helder
+te zijn dien Zondag als Edward kwam.
+
+Hij was dan ook weer beter, weer gewoon dien Zondag. Hij was ook weer
+bedaard, kalm-somber. 't Speet hem dat 't regende. Dat was lastig, hij
+had willen wandelen met Edward. Niet omdat zoo'n lange wandeling hem
+nog aanlokte -- dat was voorbij -- maar omdat die 't best den middag
+vulde. Nu zou 't wel weer worden een blijven hangen in kamers en
+koffiehuizen. Hij kende dat, hij proefde 't al.
+
+Toen hij, achter op de tram, naar 't station reed om Edward af te
+halen, keek hij telkens naar de lucht, hopend dat 't wat lichter worden
+zou. Maar 't werd niet lichter, en 't regende door, 't was een echte
+regendag. Hij zette zich er dus over heen. Wat kon 't hem eigenlijk ook
+schelen. De dag kwam wel weer om, wel zeker, 't zou zelfs wel gezellig
+zijn met Edward en André en Sam, vroolijke lui. Bedaard wachtend liep
+hij op 't perron heen en weer, nauwelijks merkend dat de trein weer
+wat te laat kwam. En hij ontving zijn vrind met gul-lachende
+vrindschappelijkheid.
+
+Edward was vroolijk en spraakzaam. Hij was blij dat hij weer 's in
+Amsterdam was. 't Begon hem eigenlijk al erg te vervelen in Baarn. Hij
+was al 's naar Utrecht geweest, naar zijn broer, en hij dacht van den
+zomer naar Hannover te gaan en met Herman een reisje te maken in den
+Harz of zoo. Hij zou hem er over schrijven. Maar eerst, ja, ja.... eerst
+kwam hij in Amsterdam logeeren, waarschijnlijk al gauw, in April nog,
+bij zijn zuster. Hij had ook nog heel wat zaken af te doen in Amsterdam,
+van de week was hij daarvoor ook nog 's een dag in de stad geweest;
+helaas had hij weer geen tijd gehad bij Bernard aan te loopen.
+
+Bernard luisterde rustig naar zijn ijverig pratenden vrind en zei
+nu-en-dan ook een paar woorden met een opgeruimde, kalm-blanke stem,
+aldoor in die stemming van stil-wijs evenwicht, berustend in zijn
+alleen-zijn, zonder behoefte aan uiting en bijval, koel versmadend de
+soort van troost die komen kon van wat men vrienden noemde. Hij was ook
+vast besloten in die gemoedshouding te blijven dien dag, zich niet te
+laten storen.
+
+Maar 't mislukte weer volkomen.
+
+Ze zouden koffiedrinken in "de Poort." Daar zat André hen al op
+te wachten. Hij en Edward begroetten elkaar met joviaal-lustige
+hartelijkheid en een zekere heimelijke verstandhouding. Tenminste
+Bernard voelde 't zoo terwijl hij er bij stond. 't Was hem dadelijk of
+die twee elkaar lachend deden opmerken zijn figuur van dooien-diender.
+Een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam snel in hem op.
+
+Ze zouden voorloopig met-z'n-drieën blijven. Hendrik was naar Haarlem,
+Gerrit was ook uit de stad en Sam zou hen komen treffen tegen vijf uur
+in een café. Met-z'n-drieën gingen ze dus zitten dejeuneeren, en bijna
+voortdurend praatten Edward en André samen, wat heel natuurlijk was,
+redeneerde Bernard tegen zich zelf, want ze hadden elkaar nog niet
+weergezien.
+
+Maar 't hinderde hem toch.
+
+Daar was weer niets aan te doen.
+
+Hij hoorde hoe heel anders, hoe veel opgewekter, jonger, joliger, dat
+praten van Edward met André was dan zijn eigen gesprekken met zijn
+vrind, daar net nog op straat en den vorigen Zondag. Hij voelde dat die
+twee elkaar bevielen, dat ze iets zonnigs, iets prettigs waren voor
+elkaar, Edward voor André en André voor Edward. En hij was jaloersch op
+André en 't ergerde hem dat hij jaloersch was. Hoe kinderachtig was dat
+nu weer, hoe beroerd dat hij zijn stemming van bedaard en verstandig
+alleen-zijn niet wist te bewaren!.... Waar was die stemming nu?....
+weg.... totaal weg!.... Hij was wee-leeg van stemming nu, wrevelig; hij
+voelde zich als zonder doel neergegooid in een warboel van antipathieke
+gedachte-scheuten en sentiment-vleugjes, hij voelde een vijandige
+onverschilligheid om zich heen in 't drukke lawaaiige café.
+
+Rondom hun tafeltje stonden andere tafeltjes, naakt-houten
+koffiehuistafeltjes, en daaraan zaten allerlei mannen, heer-menschen,
+met oplettendheid lekker te eten en te praten met gezichten die wat
+uitdrukten: genot, genoegelijkheid, blijdschap, belangstelling, -- er
+was er een die keek met een siekeneurige bezorgdheid; -- en hij voelde
+dat zijn eigen gezicht niets uitdrukte dan -- misschien -- verveling en
+gemelijkheid. Overal in 't café, tusschen de kil-naakte caféwanden, was
+geroes van hard praten, en de kelners liepen en riepen door de zaal met
+een zjeuïge haast, met famieljare aanmatiging en harde, mislukkende
+affectatie-geluiden, quasi-grappige dreunen: As-je-blief!.... Aánnemen,
+meneer!.... kóm bij u!.... hàlve biefstuk met twéé spiegeleieren
+bovenóp.... koffie!.... 't Was een naar schreeuwerig lawaai. Er was een
+ploertig-luidruchtige, commis-voyageursachtige soort gezelligheid in de
+zaal. En aldoor kwamen en gingen de menschen hard over den houten
+vloer en krasten de stoelen naar achteren en naar voren en, telkens
+onverwachts, gaapte wijd de bekleede deur open en liet menschen binnen
+in een kilte van vochtigen tocht en zoog dan weer dicht, lamlendig
+terugvallend met een dof-stille bons.
+
+En Edward zat te luisteren naar André, die ophaalde van vroeger, en
+allerlei dingen vertelde van menschen die ze kenden, en telkens zei
+Edward tegen Bernard half-verwijtend: "God! dat heb-je me nog heelemaal
+niet verteld!" en luisterde dan weer naar André of sloeg zelf aan 't
+vertellen van beleefde gekke voorvallen en van pikante bizonderheden in
+'t indische leven en de menschen daar.
+
+Toen ze gedejeuneerd hadden, staken ze sigaren op. 't Regende altijd nog
+door, fijntjes, dampig; de lucht was egaal grijs.
+
+Stil somber in hun Zondagsche geslotenheid stonden de donkerrosse
+huizenrijen, droevig gelaten neerdruipend vunzige regenstrepen.
+
+Bernard was stil.
+
+Maar André sloeg hem op zijn schouder, luid zeggend: "Cheer up, old
+man!.... 't Valt je tegen die regendag, hè.... Ja, daar is nu niets aan
+te doen!.... Als we 's naar mijn kamer gingen?...."
+
+Dat zijn stil-zijn opvallend was geworden ergerde Bernard opnieuw. Hij
+keek even Edward aan, die glimlachte, zwijgend. En hij kreeg een kleur
+van ergernis. Hij werd verward, suffig, en zei dat 't hem niet schelen
+kon, waar ze heen gingen, dat Edward 't maar weten moest, wat hij 't
+liefst deed.
+
+Naar een museum?
+
+Neen, een museum op zoo'n regenachtigen Zondagnamiddag was de
+geïncarneerde verveling, vond Edward.
+
+André's kamer?.... Dat was te ver.
+
+Dus zouden ze nog maar even blijven zitten om te zien of 't ook wat
+opklaren zou, dan konden ze misschien nog wat omwandelen.
+
+Maar 't bleef regenen.
+
+Om half drie zaten ze er nog. 't Was Bernard met inspanning gelukt
+weer een toon van opgewektheid in zijn stem te brengen, en hij praatte
+nu, kalm rookend! Maar meer en meer werd hem de koffiehuisdrukte,
+benauwd-besloten tusschen de zwaar-dichte muren en zoldering en de
+groote, vaal-grijs beslagen en beregende ramen, een kwelling, een
+obsessie. Aldoor ging die deur, met een lichtkreunend geluid, en viel
+weer dicht, dof-stil. En nu waren veel burgermenschen binnengekomen,
+winkeliers, kantoorbedienden, diamantslijpers met hun vrouwen, dochters,
+tantes, ellejongens met scharrel-meisjes en winkeljuffies met galanten.
+Er werden al borreltjes gedronken en de rook van de goedkoope sigaren
+grauwde blauwig om de met Zondagsche zorg gekamde, vet-glimmende
+haarkoppen van de mannen en idiotig opgeflodderde vrouwenhoeden.
+
+En door de dikke rook-en-borrel-atmosfeer dreunde zwaar 't
+ploertig-bevelend geroep van de kelners: 'n gláásje Catz en 'n glás
+advokaat!.... kóffie!....
+
+Ook Edward begon 't nu blijkbaar te voelen. Hij keek verveeld rond en
+stelde voor nu in ieder geval maar 's weg te gaan. "All right, let's
+have a move," zei André, die vroolijk beweerde dat hij zijn engelschen
+dag had.
+
+Op straat, in de regenkilte, die van den natten steenen-grond ophuiverde
+langs zijn beenen en koelde zijn soezerig hoofd, hoopte Bernard zijn
+klaar-bewuste, kalm-rustige stemming van 's morgens terug te vinden.
+Hij deed er zijn best voor, maar 't lukte niet. Aldoor dreinde die
+jaloerschheid op André. En een oogenblik zijn ergernis daarover op zij
+duwend zei hij driftig in zich zelf, dat hij 't ook niet wou dat Edward
+meer bevrind zou worden met een ander dan met hem. Hij begreep zelf
+niet, wat 't hem eigenlijk schelen kon, daar toch vriendschap niet
+bestond, maar hij wou 't toch niet, hij wou 't tóch niet!.... En hij
+dwong zich weer vroolijk te zijn. Hij stelde voor even naar zijn kamer
+te gaan, een glas Vermouth drinken, en dat deden ze. Edward kwam er voor
+'t eerst. Hij vond de trap allermiserabelst, maar de kamer zelf
+heel aardig, heel gezellig. Hij liep er in rond met nieuwsgierige
+belangstelling, kijkend naar al de dingen aan den muur; hij snuffelde in
+de boeken die op de tafel lagen en begon te praten over sommige daarvan,
+die hij toevallig ook gelezen had. Dat was voor Bernard even een
+onverwachte aanwaaiing van sympathie, even maar, want toen hij dadelijk,
+met den hartstochtelijken ijver van een echten lezer, over die boeken
+begon te beweren, gaf Edward op onverschilligen toon, verstrooide,
+vluchtige antwoorden: Zoo!.... ja!.... hij wist 't zoo precies niet
+meer.... 't Kon wel zijn!.... Ja, ja, hij herinnerde 't zich ook wel
+zoowat....
+
+"Jelie doet daar niet veel aan lezen, hè?" vroeg André.
+
+"Och ja!.... als we den tijd hebben," zei Edward. "We hebben een
+leesgezelschap natuurlijk.... zoo'n echt indisch leesgezelschap,....
+veel illustraties,.... veel tijdschriften over 't algemeen,.... en
+dan romans,.... maar dat 's een zoodje!.... Dat is natuurlijk wat de
+boekverkooper, die ons bedient, graag kwijt wil zijn, wat hij goedkoop
+kan krijgen, begrijp je wel?...."
+
+En hij greep weer naar een ander boek en las den titel halfluid en
+bladerde er weer in en gooide 't opzij. En Bernard zweeg en keek er naar
+met ergernis; iets dat hem lief was werd nonchalant behandeld.
+
+Van Bernards kamer gingen ze naar 't koffiehuis in de Kalverstraat
+waar zij gewoon waren te komen, en waar ook Sam hen zou komen treffen
+tegen vijf uur. 't Was donker en vol in de nauwe straat onder den
+laaghangenden regenhemel en nog donkerder en voller in 't bekende,
+drukbezochte café. Ze gingen zitten aan een tafeltje aan 't raam, dat
+toevallig vrij kwam. De stoelen waren nog warm en de kelner haalde de
+vuile glazen weg en veegde met een viezen doek haastig en onvoldoende de
+tafel af, roepend terwijl naar een ander tafeltje: kóm bij u!
+
+Een uitgaand endje sigaar bleef liggen stinken op den looden aschbak.
+Bernard smeet 't op den grond met een gebaar van walging, waar André om
+lachte.
+
+Zij gingen zitten domineeren. Bernard deed dat slecht, hij kreeg
+herhaaldelijk standjes van André, die zei dat hij speelde als een
+jongejuffrouw, dat hij bang was om te koopen. "Wees blij, dat ik mee wil
+doen, jij die 't zoo graag speelt," zei Bernard. "Waarom," vroeg André,
+"als je 't liever niet doet, kijk dan toe, dan speel ik alleen met
+Edward; die houd er ook wel van,.... hè?.... zeg?...."
+
+"Jawel," zei Edward kalmpjes, "ik mag 't wel."
+
+"Och zanik niet," bromde Bernard, "je zult zien, dat ik 't nog win ten
+slotte."
+
+Toevallig was 't zoo, hij won 't eerste rondje. Dat ergerde André een
+beetje, die zei, dat 't meer geluk dan wijsheid was.
+
+"Ja, dat heb ik altijd gehad," zei Bernard bedaard, starend in zijn
+steenen, "dubbele zes!.... dubbele vijf!...."
+
+Even over vijven kwam Sam 't café binnen. Toen werden de dominosteenen
+opzij geschoven en bleven ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en
+kijkend naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde ramen, naar
+de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa, het leger van
+Zondagsmenschen in saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren,
+onder 't wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in loome groepen,
+waar nu en dan, slank en haastig een heer doorstapte, met een strak
+gezicht, wendend zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er
+door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw, en tusschen
+de donkere huizengevels, boven de menschen, hing laag de schemer van den
+motregen.
+
+De ontmoeting van Sam en Edward was heel bedaard geweest. Ook hadden
+ze elkaar vroeger maar weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met
+nieuwe menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en bleef toen,
+zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal gezicht dan den een
+dan den ander aan, rustig zitten luisteren naar wat zij zeiden,
+gezellig-tevreden, bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een
+man, schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf, toch
+gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard altijd om de volkomen
+geslotenheid van zijn ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den
+blik van zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van zijn
+prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen, beminnelijk-opwekkenden
+omgang.
+
+Ook thans peinsde Bernard -- naar hem kijkend nu en dan, al pratend
+intusschen met de anderen -- over die altijd zoo door hem gewenschte,
+nooit heelemaal bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam er ook
+wel 's moeite mee had, hij vermoedde dat hij, onbewust van zijn eigen
+zielsvermogen, daar eigenlijk nooit over nadacht, dat hij nooit lust
+voelde zich te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke
+teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was de schijn. Maar was
+'t wel zoo? Bernard nam zich voor te trachten dat te doorgronden.
+
+De neerschemerende namiddag vulde de hoeken van 't café met een lugubere
+duisternis, waar de donkere manfiguren met brommende drankstemmen
+pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen en de
+laag-hangende, vaal-grijze rookwolken sloegen lauw-warm om de ros-heete,
+van binnenuit-verhitte hoofden, die samenkoppelden boven de glimmende
+tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde een schamplichtje op een
+borrelglaasje of op een bril. Bernard voelde zijn oogen steken en een
+doffe drukking van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor nu maar
+'s te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden gaan in een duur restaurant
+daar ergens in de buurt, ter eere van Edward, en tot luidruchtige
+blijdschap van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze stonden
+dus op en gingen met moeite tusschen de donker-gejaste mannenkringen
+door naar de deur, en kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun
+stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en glad, waar hun groep
+uiteen viel, in de onmogelijkheid van naast elkaar te blijven loopen.
+Ze liepen -- ieder alleen -- zoo snel als 't ging door de traag gaande
+menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend, behendig manoeuvreerend met
+hun parapluies.
+
+Want 't regende al maar door, de lucht werd valer, donkerder, zich
+hullend in regendampen als in sluiers van stillen en onbegrepen rouw. Er
+was nu geen geschreeuw van straatventers, er was een roezig geploeter
+van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen, soms overtoond door
+een schel ruzie-geluid van een burgervrouw, die nijdig was omdat 't
+droop van een passeerende parapluie op haar goeie-goed.
+
+Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime vestibule in het
+rijke, rustige restaurant, van uit de kilmistige regenschemering
+in-eens in de zachte warmte, in 't al vermooiende avondlicht, dat de
+dof-flonkerende, overdadige pracht van de zaal zich opdringen deed
+aan den klein-turenden, half-verblinden blik, stil-precies met een
+oneigenlijke duidelijkheid. Ze gingen zitten, zoo ver mogelijk van
+de schel-schitterende lichtkroon, in een hoek van warm-donkere
+gordijnen en behang, en ze aten veel en duur, bizondere schotels, met
+gedrild-strakken eerbied aangedragen door de deftig-arrogante kelners,
+en wisselden telkens van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk
+kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste, zacht glanzende
+damast van hun tafel. Ze praatten eerst zacht, bijna fluisterend,
+evenals de andere menschen die hier en daar door de niet heel groote
+zaal zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon het eerst
+met hardop te praten, en al gauw bekommerden ze zich niet meer om die
+andere menschen -- die naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en
+ergernis -- en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk en opgewonden
+door den wijn en de weelde van de tafel.
+
+Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke rijkheid groeien in zijn
+warm hoofd en loome leden. Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens,
+met onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van allen dag, zijn
+zorgen, zijn stervende illusies. Dan dronk hij schielijk zijn glas uit
+en schonk zich opnieuw in en animeerde de anderen om toch uit te drinken
+en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat, vol onzinnige
+dwaasheden, met Sam, zoodat de anderen 't uitschaterden, en hij toostte
+op Edward, joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar zonder
+aandoening in zijn stem, en toen dronken ze ad fundum, en Edward toostte
+op hem, en 't hinderde Bernard een beetje dat in Edwards stem wel even
+emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit van 't drinken
+kwam -- een sentimenteele dronk! -- maar in zijn gemoed dreinde toch
+wat zelfverwijt, dat hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals
+aanstootend met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar daarbij even,
+vast, recht in de oogen keken, voelde Bernard ondanks zijn opwinding
+opnieuw met wreede duidelijkheid dat 't niet meer dàt was tusschen hen
+beiden en dat 't ook nooit meer dàt zou worden. Hun oogen hadden in dat
+moment met koele terughouding gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden.
+
+Ook Sam dronk -- een koddig-onsamenhangenden toost -- op de vrindschap,
+en André begon, een beetje dronken, op Edward te toosten die zoo'n
+fideele, joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel, waar
+hij nog wel 's meer mee uit wou, waarachtig!.... "en dan naar de
+meisjes ook, wat jij, zeg! Edward?" En zijn toost eindigde in een
+dol-uitgeschaterd: "Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!"
+
+En Edward lachte ook en antwoordde met een schielijk vertelden, schuinen
+ui, waar André om proestte tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn
+stemming weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig te kijken
+naar de anderen, die nu, over de tafel gebogen, half-fluisterend, meer
+van die moppen gingen vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid
+kwam en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer doen kon; hij
+bestelde koffie en cognac en rekende af met den beleefd-serieuzen ober.
+Zoo merkte niemand dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk
+stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep en gepraat van André
+in de nu leege zaal, en trokken in den stil-lichten, keurigen corridor
+hun klamme, van vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners,
+en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen, wachtend op de tram om
+naar 't circus te rijden. Want daar wou Edward 't liefste heen, hij was
+er nog niet geweest na zijn terugkomst.
+
+Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de
+drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, 'n beetje
+stil te houden, en ze kwamen aan 't circus, en gingen op den eersten
+rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw
+afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg,
+kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende
+oogen en opgewonden gebaren: "Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe
+de kerel dat doet?...." zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken
+met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig,
+maar na een poosje -- terwijl er geen notitie van hem genomen werd --
+viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar
+toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de
+koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een
+paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard -- die een
+beetje boos werd -- om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de
+voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen
+vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn
+kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist
+lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden.
+
+En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal
+dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl
+Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette,
+en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen.
+Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was 't ergst
+dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar
+Bernard, jaloersch, dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en
+zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis,
+naar de stille kamer op 't Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden
+en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed
+ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door
+elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal
+met zijn hoofd in 't kussen lag, sliep hij, met een open mond
+achteroverliggend, bijna dadelijk in.
+
+Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als
+'t noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden
+vrind.
+
+De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd
+bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een
+gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein
+en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en
+zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep 't niet, hij
+vond alles vreemd, 't was of 't niet werkelijk was, die roezige nacht,
+dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen
+hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... "Ik ben
+toch ook dronken," zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij
+gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed.
+
+ * * * * *
+
+Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en
+moe, -- Edward sliep nog, -- en 't was een morgen, dof-smartelijk van
+landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van
+denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist
+dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat
+vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.
+
+Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was
+keurig-netjes afgeborsteld en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was
+heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek.
+Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over
+gisteren-avond. Bernard begreep 't niet.
+
+Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden
+juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend
+gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om
+behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn
+groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was
+in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar 't was een meisje, o!....
+
+Bernard streek zich met de hand over 't voorhoofd. Hij feliciteerde
+Hendrik, maar 't feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij
+glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij
+moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!....
+Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....
+
+Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met
+den trein van één uur veertig.
+
+Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem
+naar 't station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram
+achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor
+sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de
+werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't
+opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende,
+schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel
+gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.
+Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met
+ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin
+alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde,
+gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke
+vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken.
+
+Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig,
+'t gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je
+plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van
+Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot
+weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven
+voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet
+merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen,
+misschien.... En zij.... zij!....
+
+Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar
+de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste
+momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld
+van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en
+liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs
+naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en
+eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke,
+bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn
+bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje,
+zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing
+glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door
+haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in
+Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend
+naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in
+zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk,
+overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte
+over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij
+'t was die haar man zou worden.
+
+En Bernard benijdde hem niet.
+
+Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat
+hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge
+menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom,
+jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze
+van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en
+pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een
+beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de
+maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.
+
+Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in
+Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag
+aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat
+hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was
+niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond
+van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn
+geest in klankenweelde.
+
+Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die
+stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan
+mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk
+met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige
+verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde
+hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen,
+zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel
+om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.
+
+ * * * * *
+
+Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den
+heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich
+voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn
+vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de
+stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den
+Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk.
+Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast
+altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen.
+
+'s Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en
+gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op
+een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van
+muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had
+dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.
+
+En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een
+drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten.
+Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de
+stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in
+'t rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de
+stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij
+menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In
+'t midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem
+breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn
+handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met
+jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van
+zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend
+in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt
+had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem
+luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en
+ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de
+hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en
+Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel.
+Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte
+fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf.
+En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige
+benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte
+groetend en glimlachte officieel.
+
+Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een
+vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven,
+koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en
+voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn
+wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te
+stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm
+op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij
+was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich
+meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten,
+een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van
+tijd tot tijd een teugje thee.
+
+En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en
+Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette,
+zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo
+trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij,
+langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook
+blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.
+
+De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook
+niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard
+verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog
+een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu
+blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een
+luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat
+te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en
+ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument,
+dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast
+haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen,
+korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de
+bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en
+lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven
+'t gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve
+luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar
+André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik
+naar de zoldering.
+
+Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een
+beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide
+uit op een muziekavondje.
+
+Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer,
+daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd
+hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt
+alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te
+zeggen, dat 't mooi was geweest.
+
+Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een
+gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat
+zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje
+recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende
+gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte
+hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten
+kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken
+gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten
+vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte
+van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met
+hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd
+naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige
+energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om
+nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar
+hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde
+verdraagzaamheid en rust.
+
+Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw,
+die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een
+meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano
+speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn
+verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet
+ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer
+en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn
+rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig
+balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de
+gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door
+afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij
+genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te
+kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan
+zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en
+de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die
+gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken
+waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij
+ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de
+menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen
+hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij
+alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel
+interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen,
+lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen
+waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige
+menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn
+lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken,
+en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de
+Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan
+koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was
+nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep,
+daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets
+hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die
+gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in
+zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die
+menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één
+handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel,
+die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn
+torenwoning, dan zwijgen?....
+
+Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in
+zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden,
+witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken
+onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn
+trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet
+duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten
+morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat
+hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu
+toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook
+zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige
+mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de
+wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam
+bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht
+op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn
+hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde,
+diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een
+gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap
+waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles
+maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren
+ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee
+en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit
+weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen
+ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere
+licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij
+ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig
+waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit
+genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet
+of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies
+wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen
+die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de
+sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze
+waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles
+flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar
+prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden
+en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te
+zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder
+lijden.
+
+Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze
+wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard
+werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren,
+zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk
+en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar
+in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de
+stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te
+kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En
+als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de
+rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen
+aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn
+dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook
+naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met
+Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten
+blijkbaar niet op hem.
+
+In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid,
+zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de
+klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen
+door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en
+hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal
+belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn
+soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant.
+Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't
+figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem
+gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein
+kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde
+zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En
+hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en
+heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan
+zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze
+uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap
+overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan,
+alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te
+stampen op den grond en te krijschen van drift.
+
+Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er
+werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met
+voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes
+rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.
+
+Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen,
+gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een
+praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet
+veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem
+nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor
+hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van
+zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven
+zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij
+deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen
+naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of
+ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met
+haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even
+aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want
+hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk
+kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij
+wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó,
+glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte
+hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......
+
+Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde
+hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --,
+dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij
+eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen
+dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met
+haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste.
+"Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen
+Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel
+gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op
+smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de
+rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met
+glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom
+weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich
+opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's
+met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze
+zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een
+dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias,
+een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten
+met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna
+niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om
+zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de
+kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond
+te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks
+nog maar 's laten dansen?"
+
+"Wel jà, wel jà...." zei Bernard.
+
+Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar
+vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou
+bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een
+indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te
+vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens
+kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur
+slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond.
+Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch
+wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en
+die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en
+grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen
+zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat
+zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!
+
+Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit.
+Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen,
+zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren
+met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan.
+Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer
+naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij
+en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met
+hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf
+liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten
+heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den
+Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en
+hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze
+ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter
+zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.
+
+Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer
+uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk
+al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij
+elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om
+verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel
+had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den
+onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet
+van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van
+burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken.
+Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is
+één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog
+dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten
+loopen met de oogen toe.
+
+Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou
+kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen
+loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en
+gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë
+ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval
+meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en
+Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen
+met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En
+goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en
+Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef
+eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen
+gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te
+doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en
+walste met haar.
+
+En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal
+overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek
+was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest
+doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig.
+En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een
+heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.
+
+Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen,
+en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot
+worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed,
+heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende
+gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms
+gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding,
+en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste,
+moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en
+weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen
+verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij
+niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien,
+en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den
+wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend
+verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg,
+in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden,
+liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk
+hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en
+hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!"
+
+André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die
+naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil
+leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets
+bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn
+mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André,
+"gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna
+roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een
+hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander
+meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat
+gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei
+hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze
+elkaar niet aankeken.
+
+Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar
+in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.
+
+Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd
+en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij
+ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op
+een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes
+nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje
+pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas
+wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel
+van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om
+een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij
+zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar
+hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde
+ouwelijkheid in zijn stappen.
+
+En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar
+hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was
+datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....
+
+ * * * * *
+
+De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes
+gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen.
+Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden
+glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van
+Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden,
+zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen
+of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier
+bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen
+weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in
+een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen
+gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone
+vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.
+
+Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat
+altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard
+liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op
+zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig.
+Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets
+van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen
+over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak
+met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder
+zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André.
+Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk
+gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die
+bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.
+
+Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van
+Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen
+mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En
+hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij
+'t omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard
+glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met
+extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind
+'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde
+zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een
+zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r
+maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch
+raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen
+voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward.
+"Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...."
+
+Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich
+zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in
+Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje
+zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat
+ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam
+gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik
+dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke
+hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent
+dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!"
+
+Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem
+op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch,
+heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...."
+
+"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...."
+
+"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat
+dat maar aan mij over, hoor!...."
+
+Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde,
+had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo
+ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch
+was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen
+en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de
+straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat
+gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.
+
+Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet
+hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij
+dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van
+iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een
+gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't
+merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende
+verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon
+verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen
+en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.
+
+Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen
+kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij
+'t zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet,
+'t leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich
+zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte.
+Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met
+minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen,
+dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat
+hij was!
+
+Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker
+steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in
+half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig,
+laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen.
+'t Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende
+mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen
+zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en
+gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen
+nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen
+die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen
+verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel.
+
+Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was
+koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend
+was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere
+sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen
+opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die
+negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden,
+los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij
+herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't
+overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan
+gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam
+begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze
+dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André
+proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde
+luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.
+
+Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten
+niet van weggaan.
+
+Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo,
+terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren
+tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je
+laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel
+sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop.
+Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis,
+en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn
+rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu
+eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan.
+Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n
+gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat
+nou nog?....
+
+Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's
+even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl,
+dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar
+aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek
+voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo
+gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't
+niet te doen.
+
+En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een
+breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje
+lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten
+en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat
+meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam
+er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar
+André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen:
+"Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding
+in zijn zak en schelde aan.
+
+Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door
+en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig
+verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed
+en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend
+de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds
+schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen,
+kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal
+zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er
+een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't
+heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van
+netwerk, zwart.
+
+De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep,
+sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om
+zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend.
+Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten,
+grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning
+van zijn stoel. Hij huiverde even.
+
+Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was
+verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met
+zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij
+zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met
+een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind
+was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd,
+te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast
+hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij
+telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.
+
+André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar
+flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig
+flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof;
+veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan
+ergens ver-weg, op een tafeltje.
+
+Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om
+naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even
+later ging André diezelfde deur door met een andere.
+
+Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat
+kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa,
+vreemd-rustig en op zijn gemak.
+
+Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en
+drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren.
+Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er
+een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant
+van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend
+naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.
+
+En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn
+lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar
+was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn
+lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging
+van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een
+dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre
+doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd,
+om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die
+hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind
+aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te
+worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende
+warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van
+genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die
+achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit
+haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak,
+was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even
+zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden
+glimlach.
+
+Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van,
+alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was
+een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met
+een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en
+laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje
+stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden
+verdoovend: Ik ben er van af....
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+'t Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde,
+dat 't zoowat half zeven was, hij wist 't niet precies. Met onbestemde
+verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten,
+kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen,
+die in de strakke puurheid van 't eerste licht onwezenlijk-duidelijk
+waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in
+zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp
+van vogeltjes, en nu en dan 't dofdreigend gebrom van groepen gebogen
+ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week
+wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. 't Was hem of ze
+'t wisten allemaal en hem verachtten.
+
+Want 't was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde 't zich precies
+met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks
+staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. 't Was geen droom. 't Was
+gebeurd.
+
+Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang
+wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het
+scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door 't
+onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van 't eenmaal
+gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne,
+doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat 't niet zoo
+was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was
+onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen.
+Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat
+moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende,
+onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig
+naargeestig, van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij 't opstaan,
+aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven
+seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van 't betalen,
+'t neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende
+tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar,
+plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn
+klamme hand.
+
+Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in
+zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, 't hoofd laag, schichtig
+stappend. Hij wist niet of 't physieke pijn was die bonsde in zijn
+hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen,
+van binnen.
+
+Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw,
+schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in 't slot, en
+vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een
+onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met
+ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in,
+waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot.
+
+Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de
+gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën
+boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij
+begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen,
+die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn
+vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen
+aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok
+van 't schuurgeluid dat 't ding op de tafel maakte en liet 't vallen op
+den grond, waar 't dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden
+open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn
+over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede,
+en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte
+als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam
+van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den
+sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in 't park, waar hij wist 't diepe
+water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn
+kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen
+te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem
+neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd
+als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een
+stormvlaag....
+
+En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden
+donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende
+stof-lucht van 't kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn
+hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter
+de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van
+hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in
+zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn
+plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging
+zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met
+zijn intieme dingen. En toen, in 't vreemd gelende, zwart-schaduwende
+licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond.
+Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand
+scheppend 't koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel,
+begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als 't
+water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te
+klappertanden van de kou.
+
+Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid,
+bedelend verlangen naar warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven.
+Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig
+mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon
+linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop
+van 't uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin 't lag.
+
+Toen hij bijna klaar was zag hij dat 't over half acht was. Zijn
+juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem
+thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze 't nu, zij ook
+al....
+
+Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om
+naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog
+weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.
+
+En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan -- dat waren
+nog twee dingen die mee geweest waren, die 't gezien hadden, zwijgende
+medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas -- sloop hij
+voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in
+'t slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij
+licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw,
+die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en
+wrevelig, valsch-lieverig: "Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet
+ontbijten?.... 't Is klaar!...."
+
+Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij
+praatte nooit met haar als 't niet hoog noodig was. Ze was een beetje
+schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord.
+"Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!" Goed zoo!
+zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een
+beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te
+houden.
+
+'t Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te gaan; de werkvrouw zou
+er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en 's
+morgens altijd 't eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij
+naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden
+hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien.
+
+Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig
+gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten,
+zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te
+doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post
+uit de bus halen, zei dankje, en liet 't stapeltje naast zich liggen,
+quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde
+hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend
+aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen,
+nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een
+gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, "Hier Bram,"
+zei hij, "dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!" "Ja, meneer," zei
+Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich
+weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. "Wat is er, wat is er?"
+vroeg hij ruw-driftig. "Niks, meneer," antwoordde Bram verbaasd,
+"hoofdpost, meneer?" "Nee,.... breng 'm maar liever naar 't station,
+maar loop vooral hard!" "Ja, meneer!" En Bram ging weg.
+
+Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren.
+Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd
+kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er
+waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in
+'t gezicht had willen smijten.
+
+Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem
+heen; ze was niet gewoon dat meneer er bij was; ze mocht nu alles wel
+in de puntjes doen; 't kon niet maar-zoo'n-beetje, zooals anders, onder
+een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte.
+
+En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en
+schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte
+stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken.
+
+Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen,
+zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij
+dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om
+de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met
+den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine
+tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den
+patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat 't gebeuren moest
+zooals hij zei.
+
+En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn
+bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door
+schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet
+meer. Maar hij was de patroon en hij zou er 't respect in weten te
+houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend.
+
+Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel
+aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken,
+stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen 's een standje
+te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat,
+die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien
+had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot
+klagen over hem gehad, en 't was een beetje een protégé van zijn oom,
+omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hem wel blijven
+dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel,
+óf....
+
+Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn
+gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een
+doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn?
+Dat overkwam iederen patroon wel 's!
+
+Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen
+enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte
+gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn
+werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine
+kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur,
+en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf....
+En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat
+weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend
+hoofd.
+
+Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging
+natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende.
+Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote
+brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk
+wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er,
+abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte
+bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de
+gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en
+liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in 't roezig geraas, werd zijn
+hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar
+moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of
+hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep
+hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en
+keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude boekhouder tuurde
+onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de
+dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef
+hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn
+werk.
+
+Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf.
+
+Hij ging weer zitten werken. En 't slechte humeur en de ruzielust
+waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden
+en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig
+wenkbrauwfronsen. Plotseling -- 't was om half vier zoowat -- hoorde hij
+duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar
+maken naar den jongsten-bediende, die in 't voorkantoor zat.
+
+Hij stond op en vroeg hard-luid: "Wat is er, Bekker?" "Niets meneer,"
+zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. "Niets
+meneer!.... niets meneer!" herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en
+klimmende drift. "Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan
+Willemse hier?.... Kom hier!...."
+
+Bekker kwam loom aanloopen. "Gauw wat! Kom hier!" riep Bernard. "Wat heb
+je te lachen, vlegel!" En hij gaf hem een harden klap in 't gezicht.
+
+"Au!" huilde Bekker, achteruit stuivend. "Verdomme!.... U hoeft me niet
+te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te
+werken, hier, aan de facturen!"
+
+"Je liegt, vlerk!" schreeuwde Bernard, "je liegt, beroerde lummel!" En
+hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer.
+
+Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood
+hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. "Werken jelie maar
+door!" snauwde Bernard, "'t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier,
+vlegel!" En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam
+wat geld uit een laadje. "Hier is je salaris.... voor de heele maand,
+maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je
+hoed!.... Gauw dan, zeg ik!" Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte
+van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen 't
+geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af.
+
+Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij -- zijn bonzend hoofd
+steunend met zijn hand -- terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om
+niet te wankelen.
+
+Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste
+uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante
+papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld
+en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige
+bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht.
+
+'t Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met
+ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de
+anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan -- van
+tijd tot tijd -- een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd.
+Buiten versomberde 't straatrumoer in 't vergrijzen van den dag; met
+klamme melancolie sloeg 't geroep van een lorrenjood in de schimmige
+leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand
+verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder
+vorm.
+
+Voor 't eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn
+schrijftafel stond, en liet 't rolgordijntje naar beneden rommelen. En
+met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in 't
+nieuwe, heldere licht weer flink aan 't werk zetten. "Ik zou daar ook 't
+licht maar aansteken," beval hij zijn bedienden, "'t is vroeg donker van
+daag." Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen
+op.
+
+Maar ondanks 't helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille
+krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het
+geroep en kargerommel versomberen, al dieper.
+
+En nu kwam ook 't strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift
+een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht
+even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, ....
+misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op
+hem, den slechten patroon, den gemeenen man....
+
+Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op 't hel-lichte,
+koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet.
+Hij was de patroon. Hij moest 't gezag handhaven in 't belang van de
+zaken.
+
+Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf.
+'t Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn
+wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te
+hebben zich zelf te beklagen.
+
+Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom
+vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet.
+Bernard voelde 't.
+
+Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde,
+sloot, en wegging. 't Is nu eenmaal gebeurd.... 't Kan toch niet meer
+ongedaan gemaakt worden.... En al kon 't ook, al kon 't ook!.... Wat
+bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld....
+
+Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de
+Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan
+eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat
+terugzien en weer omgaan met hen. Of 't nu vandaag of morgen gebeurde
+wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....
+
+Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan
+ooit hun makker, een van hun slag. Dat zich heimelijk eenigszins
+boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een
+gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze
+zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou
+vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles
+doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer
+aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier
+van kunnen hebben....
+
+Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar,
+aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe 't werkte van binnen,
+verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn
+suffe hoofd in.
+
+En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun
+gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk
+dat die twee 't ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was
+aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in 't
+geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden
+er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan
+dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk,
+leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer.
+
+Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over
+beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward
+en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend
+was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken
+gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één
+van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden
+zou.
+
+En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij
+naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer.
+
+Hij stak er 't licht niet aan, hij bleef in 't donker liggen op zijn
+kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen
+den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de
+hardheid van 't hout, die pijn gaf aan 't beenige achterhoofd. Maar gauw
+werd 't te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen 't broeiige trijp. En
+willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf,
+was hij gauw in een doffen slaap.... weg....
+
+Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met
+een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat 't bij tienen was.
+Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de
+stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in
+zijn hals.
+
+Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige
+duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven;
+mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in 't water weerkaatste
+flikkering langs 't plafond, en in den eenen hoek streepte zwak 't
+armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij
+hoorde 't gebel van de tram die de flikkering wierp in 't water. Maar in
+zijn kamer was 't stil.
+
+En nu steeg in-eens in zijn hoofd, -- dof-treurend als uit de verte
+gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, -- het volle
+bewustzijn van wat er in hem was vernield.
+
+En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in
+zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was 't mogelijk!.... Hoe
+was 't mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder
+gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het
+zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen
+lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen
+verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En uit zijn wijd-openstaande
+oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang
+voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te
+snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme
+handen van eenzaamheid.
+
+Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij
+fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me
+gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind....
+
+En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er
+niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet
+in de kille duisternis, ze waren in 't licht, in 't diepe-stralende
+licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan
+denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood,
+in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen
+door 't leven.
+
+Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit.
+'t Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij
+begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij
+voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang,
+langs 't koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde
+stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. 't Ging niet. Dan zou
+hij 't doen, 't lafste, 't laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen
+stijgen tot hen in 't licht, in 't pure licht, maar hij zou daar blijven
+liggen, rottend in 't zwarte slijk, als een verdoemeling.
+
+Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij 't wist was hij weer
+op zijn kamer.
+
+En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in 't alkoof, met
+moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen,
+de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij
+die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar 't deed hem toch goed.
+Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken
+bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage
+behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat
+God hem hooren kon.
+
+De rust na 't uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk
+met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een
+plan voor de toekomst. 't Was een lange, kale weg, dien hij voor zich
+zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan 't eenige. Werken van 't
+opstaan tot 't naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen,
+waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als 't
+zwakke schijnsel van 't groote licht dat hij niet meer hopen dorst te
+zullen zien.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu tot zijn levensdoel te
+maken ging hij den volgenden morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij
+zich voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen als waren ze nieuw
+voor hem en ten hoogste belangwekkend, met volle aandacht, de zaken
+breed overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de voltooiende
+finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang alle storende gedachten,
+aldoor krachtig in zich opstuwend dien wil om zich van nu af heelemaal
+te wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen, correcten
+stijl in zijn brieven -- zich juist en duidelijk uit te drukken in
+weinig woorden -- en naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven
+gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij kweekte 't stil.
+
+Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden,
+eenvoudig-kameraadschappelijk. Die vrees van gisteren dat ze wat weten
+konden was weg. Dat was natuurlijk onzin geweest, een hersenschim.
+Zulke toevalligheden, dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor. Ze
+wisten niets van zijn leven buiten 't kantoor, ze letten er niet op, 't
+kon hun niet schelen. Ze kenden hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een
+doorgaans nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer niets.
+
+Hij werkte 's morgens, 's middags en dikwijls 's avonds ook nog. De
+drukke tijd duurde lang dit jaar. April uit en bijna de heele maand Mei
+was er veel te doen. En meer en meer boeide 't hem en merkte hij den
+bedarenden zegen van 't werken.
+
+Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel, was dan
+bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over zijn drukte, over de bergen
+werk die hem wachtten, om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen.
+Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn zuster, zag hij een
+paar maal. Eens ging hij er eten en een anderen keer kwam zijn vrind 's
+avonds op zijn kamer om 's ouderwets te praten. En beide ontmoetingen
+stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw dat hij nog altijd hield van
+Edward en graag alles voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige
+intimiteit tusschen hen kon zijn.
+
+Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging veel uit, maakte nieuwe
+kennissen, kwam van den een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer
+was hij bijna voortdurend aan 't woord. Hij had 't over Mimi en over
+andere meisjes, die hij ontmoet had in de laatste weken. Ze hielden hem
+erg bezig, al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven, maar hij
+kon ze toch allemaal niet vragen en de eene was zoo mooi, en de andere
+zoo geestig en een derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden
+ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen nemen om 't geld!....
+Maar och, er was toch ook wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral
+in Indië, daar hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruit
+wou komen, carrière maken.... En dan, 't was ook een allerliefst
+meisje, bepaald een +goed+ meisje,.... en ze had ook wel een aardig
+gezichtje....
+
+Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en sprak wat tegen, en werd
+niet gestoord. Hij zat met kalm genoegen naar Edward te kijken, te
+luisteren naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk allemaal
+zat te vertellen, dat wist hij niet precies.
+
+Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat was een vreugde voor oom
+en tante. Ze begrepen eigenlijk niet goed hoe 't kwam, dat Bernard nu
+wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens een of andere
+verhindering had. Maar ze wilden er niet over spreken, want ze vonden
+'t veel te prettig zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo
+opgeruimd. Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn en voor zich
+uit staren, en dat kregele, licht geraakte en scherpe. Hij was veel
+zachter. Wel scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd ouder
+geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak dat tante nooit dorst
+vragen hoe 't nu eigenlijk zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op
+'t punt gestaan van hem daar 's over aan te spreken, maar ze was altijd
+een beetje bang dat hij haar dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en
+toch niets loslaten. "De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs
+geworden," zei ze eens tegen oom, maar toen die leuk-weg antwoordde, dat
+hij daar nog niets van had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen:
+"Nou ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies heeft.... Dat
+heelemaal niet!.... hij is bescheiden genoeg.... Alleen, hij kan soms
+net kijken of hij 't eigenlijk allemaal al lang weet, wat je 'm zit te
+vertellen...."
+
+Oom haalde zijn schouders op, "'k Begrijp niet, wat je bedoelt," zei
+hij.
+
+Bernard wandelde veel 's Zondags in Bussum. Liefst alleen, maar ook
+dikwijls met oom, die dan liep te praten uit zijn ondervinding van
+zaken en menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen en de lucht en de
+huisjes aan den weg. En hij genoot stil van het mooie, het teere, het
+fijne. Maar vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan 't genot
+van 't zien, 't bespieden van de dingen buiten, dan was hij stil-blij en
+bijna gelukkig. Als hij liep in 't bosch en zag de zwartige takken en
+takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid, en hij zag
+het teer-reine lichtgroen van de eerste blaadjes, en hier en daar een
+kastanjeboom, die al verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes
+stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de hooge lucht, die
+al dieper begon te blauwen en de blank-glanzende witte wolken, die
+geluidloos dreven in de zoete koelte, en als hij hoorde 't zuiver
+gefluit, de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene vogels --
+als waren er nimfen in 't woud, die lachten en kusten elkaar op de koele
+ruggetjes -- en dan daaronder 't intiem-dichtbije gekrak van zijn stap
+op 't droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend kwamen rijzen
+in zijn hooggedragen hoofd, dan werd 't lichter, zijn hoofd, en als
+doorruischt van zuivere liefelijkheid, was 't zorgen-leeg en vrij van
+lijden, van menschelijk getob.
+
+Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg, op den bruin-zwarten
+grond, zoodat de vochtige koelte van de aarde begon te huiveren in
+zijn lijf, en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren van
+voorjaarswind en vocht van weeke aarde. Hij genoot meer van de natuur
+dan ooit vroeger in zijn leven; veel was er wat hij nu voor 't eerst pas
+merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording van hooger leven in
+hem, een plotseling heel diepe, suizende stilte van denken aan 't leven.
+En met lange teugen ademde hij de lucht van 't vrije buiten.
+
+En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld, uit de ongekende
+diepten van zijn gemoed -- die waren als stille grotten, waarin de
+boschklanken echo riepen -- een heimelijk sidderen van hoop en blijde
+verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten in zich zelf, als hij
+terug wandelde naar 't druk-modieuse villa-gebouw, waar ze hem wachtten
+met een chic-gedekte koffietafel, opziend tegen 't moeten scheiden van
+zijn stil zijn in 't plechtige buiten, en hij zei: laat ik daar nu toch
+niet aan toegeven, dat is toch allemaal bedrog! laat ik nu blijven
+leven, stil, met 't genot van de dagelijksche dingen, met me werk en 't
+goed zien van alles om me heen, laat ik nu tevreden zijn, leven in me
+zelf zonder hoop op geluk van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens,
+altijd even onverwacht, en maar half bewust was ze er weer, die
+kloppende ontroering, van iets groots, moois, eindeloos begeerlijks, dat
+glansde, even boven zijn blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er
+naar kijken wou, er denkend naar zocht.
+
+Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn eenzame wandelingen door
+de Mei-natuur, en maakten hem soms weer triestiger, week neerslachtig en
+moe, met lust lang uit-te-huilen.
+
+In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor weekheid, met enkel
+frissche verliefdheid op natuur, zocht hij daar de boomen, en als hij
+de boomen niet zag keek hij naar 't water en naar de lucht, naar de
+heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs in de Warmoesstraat zien
+kon. Hij stond meestal vroeg op 's morgens en liep een eindje om
+voor hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen en zag de
+malsch-buigende twijgjes, waar 't jonge groen uitschiet en vrij zich
+ontplooit en naar de zuivere zon richt 't ongerepte glanzen van zijn
+blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en bloeien, kort boven de
+bevuilde klinkertjes en de bonkige keien, die daar lagen in eindelooze
+regelmaat samengestampt, de vale vloer van de stad.
+
+Maar ook van de met handen gebouwde stad, van de gevelrijen, van de
+hoogtorenende kerken en laagwelvende bruggen wilde hij 't mooie zien en
+hij zag 't ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er van genoot,
+iedren morgen en ook 's avonds, als hij lui-langzaam liep te dwalen
+langs de grachten, in de schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had
+het sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd, had hij altijd
+verlangd naar 't volkomen-donker, als de lantaarns werden aangestoken,
+op de stille grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die wazig
+streep-straalden voor de klein getrokken oogen, wiegend heen en weer
+met 't wiegende hoofd, en als in de wijde winkelstraten een intieme
+huiselijkheid kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om de
+haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij van de schemering en rekte
+met loom bewegen van zijn lijf 't genot er van in zijn wijd kijkende
+oogen en luisterende ooren. 't Wegkrimpen van 't daglicht tusschen de
+breed-gekruinde grachtboomen en de hellende gevels van de oude huizen
+gaf hem een eigen en innig genot van weemoed, vredigende melancolie,
+waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren naar 't stille klagen
+van den avondwind, hoog in de toppen van de drukke straten in 't hart
+van de stad, de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten.
+
+Want op de grachten was 't stil, de enkele voorbijgaande menschen
+spraken met gedempte stemmen, zonder luidruchtigheid of harden lach....
+
+Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde wegen van de stad, tot de
+hemel al lang zwart was en de maan opkwam, heilig mysterie van koel
+groen licht in den diepen nacht....
+
+Als hij dan -- nu en dan huiverig, rillend -- aankwam op zijn kantoor,
+ging hij zitten lezen onder zijn lamp, mijmerend boven de stille
+glanzing van de bladen van zijn boek.
+
+Hij was stil en rustig....
+
+En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd bevangen door hittige
+prikkeling van zinnelijke begeerten, die brandden in zijn droge keel en
+klopten in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen, zich moe
+loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten tegen de straatsteenen,
+net zoo lang tot hij bezweet en door de inspanning half versuft alleen
+nog naar rust verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij dikwijls
+week en slap van vermoeienis, maar de kwelling was weg.
+
+Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de eenige manier was om
+zoo'n verlangen weg te krijgen, als je er niet aan voldoen wou.
+
+En dat wou hij nu eenmaal niet.
+
+Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht in zijn
+vredigend-melancholische stemming. Hij vond op-zich-zelf niets slechts
+of leelijks in zulke begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of
+leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend, plat, banaal en
+wee waren de eenige middelen waarmee hij ze bevredigen kon. Eens had hij
+dat platte aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan, die er
+op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste gebracht. Hij verweet zich
+dat nu niet meer. 't Was noodig geweest, dat begreep hij nu. 't Was
+helaas noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem 't belachelijke van
+zijn vroegeren hoogmoed, van zijn malle, verwaande illusies te doen
+voelen. 't Was noodig geweest om hem te brengen in 't leven van
+tegenwoordig, 't bescheiden, stille leven van dag op dag, 't eenige op
+den duur mogelijke.
+
+Maar die eene avond beteekende verder heel weinig in zijn lange leven.
+Dikwijls, als hij er nu aan dacht, scheen hem die avond een droom of
+iets ergens gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen dat hij
+al niet lang wist, dat alleen een leven zooals hij nu leidde, zonder
+illusies, maar ook zonder zorgen -- want waarom zorgen? -- de wanhoop
+weren kon. Hoe was 't mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan verontrust
+had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende begeerten en
+mensch-verachtende gedachten. Alsof hij-zelf een gigant was en niet een
+menschje, even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren ook niet de
+giganten teruggeslingerd, in de diepte, te pletter?
+
+Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje, uit de
+Warmoesstraat, zoo'n gewoon beurslummeltje, paste de hubris, de hooge
+over-moed.
+
+En wat er overbleef van 't bestaan, als je 't opvatte gelijk hij nu
+deed, was toch nog wel de moeite waard. Als je maar wat zorgde voor
+afwisseling in de kleine vreugden en stille genietingen van allen dag,
+dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet voordat je oud bent
+en weet dat je dood moet. En zelfs dan bleef toch nog altijd 't
+in-zich-zelf-schoone, dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van mooie
+dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken om te lezen, om in weg
+te zijn, weg van je zelf en het leven. Zulke genietingen maar stil
+aankweeken in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig aangelegden
+tuin vol vreemde heesters en bloemen in tallooze variëteiten -- wel
+nergens wild, nergens grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite
+van 't bewandelen waard. En de hof van je buurman is allicht weer
+een beetje anders, en als hij er geen heining omzet dan kun-je er 's
+inkijken, dan heb-je ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel
+een klein-burgerlijk genot, je kunt 't af op je pantoffels, maar als je
+nu eenmaal geen gigant bent.... en geen reus met zevenmijlslaarzen....
+
+Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl hij stil zat te
+werken, en hij herinnerde zich dat hij als kind veel meer hield van dien
+vliegenden reus dan van 't listige klein-duimpje....
+
+O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder over hem zat en
+vertelde.... Even dwaalde zijn blik over zijn werk heen, kijkend zonder
+te zien.... Toen ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn hoofd
+bijhouden, 't was de balans van 't afgeloopen jaar, waar hij mee bezig
+was.
+
+ * * * * *
+
+Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen langs 't
+diep-liggende water van een breed-gewalde gracht, kwam hij Sam tegen,
+die daar in de buurt woonde, op een bovenhuis.
+
+"Waar ga jij naar toe," vroeg Sam.
+
+"Zoo langzamerhand naar huis," antwoordde Bernard, "ik heb maar een
+endje omgekuierd."
+
+"Ga met mij mee," zei Sam, "laten we bij mij een kalm glaasje wijn gaan
+drinken."
+
+"Dat's goed," zei Bernard.
+
+En ze liepen samen op.
+
+Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk voor hem geweest,
+niet met daden of woorden, maar met blikken en houdingen en een stem van
+natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan samen alleen geweest,
+lang zwijgend beiden zonder hinder van de stilte, als goede, oude
+vrinden.
+
+Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van den dag, stil-rustig
+en vertrouwelijk, en waren gauw in de mooie, groote zitkamer van Sam,
+die met veel luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed.
+Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid, te vermijden dat er fuiven,
+drukke drinkgelagen gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk
+genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden, die dan in ruime,
+gemakkelijke stoelen kwamen te zitten, de voeten op een dik perzisch
+kleed van verwonderlijk mooie kleurschakeering. Ook nu weer was Sam
+bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was; hij schoof lage leunstoelen
+aan, en niet zijn licht cadanzenden stap vlug door de kamer gaande,
+bracht hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van den
+voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoo bizonder op verlekkerd
+was, en die alleen met kalm-proevende aandacht, in stil-rustig samenzijn
+gedronken mocht worden.
+
+Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen, lagen stoel;
+allengs vervuld van stille bewondering, zacht-innige vreugde in mooie
+dingen -- alleen niet volkomen vrij van jaloezie -- keek hij rond in de
+kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch opentrok en de glazen
+inschonk. De met veel zorg-volle vinding en een sterk-persoonlijken
+smaak geornamenteerde kamerwanden, vol schilderijtjes en slank-omlijste
+etsjes, in den avond meer vermoed dan gezien, en de eenvoud van 't
+plafond en de gordijnen, die in rechte plooien neerhingen, innig
+schaduwend in 't getemperde avondlicht, gaven een geheel van rustige
+harmonie, dat hem aandeed met een gevoel van weelde-genieten en stil
+benijden van den man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol de
+koele wijn in 't glinster-heldere kristal van de glazen, geschonken met
+vaste hand, en werd de bestofte, zwarte flesch, nog rijk van edelen
+drank, terzij gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende weelde
+van 't fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam zich, met een ernstige
+tevredenheid, in den anderen armstoel zakken en namen ze beiden hun
+glazen op, mompelden "prosit" en dronken, en Bernard roemde even den
+wijn, wat een glans van genoegen gaf in Sams goedhartige, blauw-groene
+oogen. Een poosje zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten.
+
+"Weet je wel, waar André tegenwoordig 's avonds zit," vroeg toen Sam.
+
+"Nee....," zei Bernard vragend.
+
+"Hij gaat minstens tweemaal in de week naar Frank,.... zoogenaamd om
+Hugo,.... maar je begrijpt dat 't om 't zusje te doen is.... Dat zaakje
+zal wel in orde komen, vermoed ik...."
+
+"Zou je denken," vroeg Bernard, "hij spreekt er nooit over, hè!"
+
+"Daarom juist!.... Als 't 'm geen ernst was, zou hij er wel over
+praten!...."
+
+Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid op Betsy....
+vier, vijf jaar geleden nu,.... die jonge tijd van lachen en stoeien en
+van zingen, uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door zijn
+hersenen varen als een van ver aanstrijkende lenteluwte. "Hij heeft
+gelijk," zei hij ernstig, "'t is een goed meisje...."
+
+Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht mompelen: "Gelijk!....
+Hm!.... Betrekkelijk!...."
+
+"Vindt-je 't niet," vroeg hij, een beetje verbaasd.
+
+"Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat 't voor hem maar 't beste is
+dat hij trouwt...."
+
+"Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van elkaar houden," zei
+Bernard.
+
+Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen naar voren stekend. Er
+was een uitdrukking van goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn
+gezicht, een uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij liet zijn
+hoofd naar achter zakken op de rugleuning van zijn stoel en sloot zijn
+oogen even, koeltjes vragend: "Ben je 't er niet mee eens, jij,....
+verstokte celibatair?"
+
+Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch van zijn sigaar, en
+zei, zijn wenkbrauwen optrekkend, met quasi-deftige kraakstem: "Je weet,
+het celibaat is bij mij een tweede natuur."
+
+Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei: "Wees nou's even
+niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk niet willen trouwen, al was je
+nog zoo verliefd?"
+
+"Maar daar is immers geen gevaar voor," zei Sam, "ik ben nooit zoo
+verliefd."
+
+"En kan dat dan ook niet komen?"
+
+"Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... ik +laat+ 't nooit zoo ver komen....
+Ik wil eenvoudig geen vrouw."
+
+"Als ik 't niet beter wist, zou ik denken dat je er al een hadt, dat je
+'t niet weten wou...."
+
+Sam lachte even: "Stel-je voor!.... We zijn hier niet in Parijs!.... We
+zijn gezeten Amsterdamsche burgers,.... deftighedentjes...."
+
+"Maar wáárom wil je dan niet," vroeg Bernard een beetje dringend.
+
+"Wèl!.... Mijn God, kerel! 't zou me eenvoudig veel te lastig zijn,....
+al die soesa!.... 't zou me heelemaal uit me gewone doen brengen,
+natuurlijk.... Zoo'n vrouw, die overal aanzit met 'r vingers!....
+nee!.... dat 's niets voor mij!...."
+
+En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst, langzaam terugzakkend
+in zijn stoel.
+
+Bernard lachte even, een beetje stroef.
+
+"Ben jij soms ook weer 's verliefd," vroeg Sam.
+
+"Ik?.... wel neen!...." zei Bernard.
+
+"Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel van terugkomen op den
+duur, van dat kinderachtige verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed
+op weg.... je kunt dat immers heel goed vermijden als je wilt!.... M'n
+hemel, je kunt net zoo goed op 't eerste 't beste meisje verlieven als
+heelemaal nooit!.... Dat hangt er maar van af, of je er aan toe wilt
+geven of niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik heb niets
+tegen die lieve kinderen,.... integendeel!.... ze zijn altijd allemaal
+even lief en aardig voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,.... ik
+heb 't altijd best overal waar meisjes zijn...."
+
+Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid in Sams stem en
+zijn dom-weg voor-zich-uit zeggen van die korte zinnetjes hadden iets
+clownachtig-komieks. En ook voelde Bernard dat er een ongevaarlijke
+aard, een onverstoorbaar goed humeur voor noodig waren om dat zoo te
+zeggen.
+
+"Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van 'n ouden vrijer, een goeien
+oom,...." zei hij lachend.
+
+"Dat ben ik," zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw komiek was. "Maar
+ik vind 't heusch niets moeilijk!.... De verleiding is niet groot
+voor me.... Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten zijn
+teleurgesteld.... Och, weet je waar 't ze allemaal om te doen is? Ze
+willen gekoesterd worden, lekkertjes verwend, aldoor-maar-door.... Ze
+doen net als kindertjes die huilen om een koekje, en als de trommel leeg
+is zijn ze boos.... Mijn huishoudster zorgt heel voldoende voor me...."
+
+Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams stuursche oude
+huishoudster. "Dus," zei hij even later, "jij zult je geluk nooit zoeken
+in de liefde."
+
+Hij werd een beetje wee van de banaliteit van zijn eigen woorden; 't
+gesprek begon hem tegen te staan.
+
+"Geluk zoeken?" bromde Sam nog. "Ik weet niet waar je 't over hebt!....
+Ik ben zoo gelukkig als ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen
+af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn zoo overdreven
+niet...."
+
+Hij trok 't zich volstrekt niet aan, dat hij geen antwoord meer kreeg,
+maar dronk langzaam zijn glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw
+in. En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend. Bernard voelde 't
+wufte van zulk hol gepraat nadreinen in zijn ziel en hij merkte weer een
+kregele kriebeligheid van ergernis, als hij keek naar 't kalm plooilooze
+hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust: Sam was hem tegengevallen,
+had hem teleurgesteld; hij had veel meer diepte vermoed achter die koele
+leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te rekenen op zoo wat
+los geklets onder een glaasje wijn. Dienden al die nuchtere frasen zijn
+vrind niet om gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?.... En
+scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd naar Sam, die over hem
+lag, bespiedde hij de uitdrukking van zijn starende oogen. Maar die
+waren dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd.
+
+"Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht," begon Sam weer.
+"Daar, in 't midden!.... Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets
+van zien.... je moet maar 's komen kijken overdag.... 't Is verrukkelijk
+mooi!.... Dat 's nou mijn lust en mijn leven!...."
+
+Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig aan. Zoo'n enthousiaste
+uitdrukking had hij nog nooit van hem gehoord.... En hij zag de
+dof-glanzende staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje....
+Er was passie in dien blik.... En nu werd 't Bernard helder.... Dat was
+'t weer, altijd 't zelfde!.... alleen verschil van hartstocht verdeelde
+de menschen.
+
+Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er
+van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat 's ging ontwikkelen, zou 't
+hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien 't middel zijn
+om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd,
+zoo dat 't eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming,
+waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen
+kunt, als je er 's uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of
+'t lijden van anderen.
+
+Hij gaf toe aan dat plan, 't rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag
+zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw
+kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch
+maken, zoodat niets meer stoorde....
+
+Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik
+zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar
+blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en
+machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf....
+
+En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis....
+
+Maar Sam blies kringetjes en zei: "Kom, drink toch 's uit en beweer 's
+wat.... Hoe gaat 't in de zaken?"
+
+Bernard zette zich recht. "Sam," zei hij, "al wat je daar net gezegd
+hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!...."
+
+"God, kerel!" zei Sam, glimlachend, "denk je daar nog over?.... 't Is de
+moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet
+dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik,
+niemand met m'n egoïsme!...."
+
+Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna
+onverstaanbaar, bromde hij nog: "Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd
+hebben...."
+
+"Maar ik vroeg," zei hij dadelijk hard-op, "hoe 't in je zaken gaat."
+
+En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis
+ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan.
+
+En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van
+weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken
+en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor 't geluk van een
+ander, of voor een idee.
+
+
+
+
+XV.
+
+
+'t Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten
+zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en
+'t riet. 't Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars
+beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met
+villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte
+bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend
+in de zon, en liet zich lekker omgolven door 't tintelende licht, en
+de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen, dartelend 't
+zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes
+tegen, mompelend in 't vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen,
+maar hij lette niet op hen....
+
+Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude
+dame in 't zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur,
+recht-op, in teere slankheid.
+
+Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een
+half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook
+aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat 't Lucie Tadingh was. Hij groette
+met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met
+zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en
+helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde
+strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en
+zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig
+van ja.
+
+Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat
+was 't nu ook weer?.... 't Was iets aangenaams, iets rustigends, maar
+wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij
+eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo'n kleur? En ze groette
+bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze
+misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij
+misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en
+beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit.
+
+Een vreemdsoortige ontmoeting....
+
+Hoe was 't toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te
+binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan 't souper....
+o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was
+voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van
+den Bosch hem nog over haar gesproken.... Dat ze zoo'n lief, zacht meisje
+was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame....
+haar moeder....
+
+Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar
+nooit meer 's tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg
+afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had....
+
+Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....
+
+En neen, 't was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende
+verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was
+dat hij haar herkende.... Ja, zoo was 't, dat drukte 't best uit de
+herinnering, die hij er van gehouden had. 't Was vreemd. Een meisje dat
+hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op
+een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....
+
+Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later.
+
+Hij vond 't al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van.
+
+'t Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat
+zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem
+om op te verlieven!.... Wat had hij in 's hemelsnaam dat een vrouw kon
+bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij
+was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets
+interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon....
+
+Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een
+knappe jongen was en dat in dien tijd -- wat was dat lang geleden --
+bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy.
+Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op 't gymnasium was.
+Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later
+Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens zeker geweten. Had ze
+van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn
+vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en 't nichtje dat
+logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge
+meisjes!....
+
+Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan
+denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel
+vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij
+misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs,
+onbevangens, een dichter in den dop....
+
+Maar nu?.... Hij begreep 't niet.
+
+Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn
+tante: "Kent u hier een weduwe Tadingh?"
+
+"Tadingh," herhaalde ze, verwonderd, "Tadingh?.... Nee.... 'k Heb den
+naam wel 's hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee...."
+
+"Jawèl," zei oom, "dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die
+een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en
+een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op
+de Prinsengracht."
+
+"Hoe dat zoo, Bert," vroeg tante.
+
+"Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den
+Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben
+ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende...."
+
+"Nee," zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond 't blijkbaar gewichtig
+en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard
+interesseerde, en die zij niet kende. "Nee!.... wonen die hier?...."
+
+"Ik weet 't heusch niet," zei hij, "'t is best mogelijk dat ze maar voor
+een enkelen dag zijn gekomen."
+
+'s Middags wandelde hij met oom. Maar hij was lang niet zoo rustig als
+anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte,
+wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij
+voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend.
+Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij
+had 't land aan zijn uiterlijk. 't Was te vol en te blozend, het had
+iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde 't heelemaal niet
+in harmonie met zijn innerlijk....
+
+En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee....
+onmogelijk....
+
+Maar hij was aldoor onrustig. Na 't eten liep hij al weer uit, tot
+teleurstelling van oom en tante. "Ik kom gauw terug," zei hij, "nog even
+een luchtje scheppen!"
+
+Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek
+ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan.
+
+Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou
+gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want 't was natuurlijk
+een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van
+terzij glurend in de tuintjes en waranda's. Vruchteloos natuurlijk.
+'t Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen
+loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang
+rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En
+droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje
+triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een
+heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van 't tuintje
+waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed
+denken. Was ze 't? Hij luisterde even. Blijkbaar was 't een meisje, dat
+met een hond speelde.
+
+Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was 't;
+ze zag hem ook en bloosde weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij
+voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.
+
+Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op
+'t hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan,
+een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: "Dag,
+juffrouw Tadingh, hoe gaat 't u?"
+
+"Dag, meneer Bandt," zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een
+hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje.
+
+"Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk," zei hij.
+
+"Jawèl," zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, "u groette toch?"
+
+"O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al
+even aangekeken voor ik groette...."
+
+"Ik vond 't juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende," zei ze, "we
+hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en 't is al zoo'n tijd
+geleden."
+
+"Ja...." zei Bernard, aarzelend, "ja.... dat 's wel waar." En er was een
+oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op 't
+punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij
+had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich
+in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende
+emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had
+hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend
+lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....
+
+"Gaat u dien kant op," vroeg hij, om wat te zeggen.
+
+"Och," zei ze, "'t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op
+met Hek,.... hier Hek!...."
+
+En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij
+zei, 't had hem verwonderd, dat hij haar nooit 's was tegengekomen. Zij
+zei -- even blozend -- op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze
+hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en
+eens op de tram. Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in
+comedies of zoo. 's Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en 's
+avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap
+houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was
+heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat
+villatje, waar ze daar juist uit gekomen was.
+
+Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.
+
+"Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was
+nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek 't veel erger geworden.
+Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.
+
+"Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet
+waar?" vroeg Bernard met stillen eerbied.
+
+"Ja," zei ze dof, "twee-en-een-half jaar is 't nu." En even liepen ze
+zwijgend verder, met gebogen hoofden. "Kom!" zei ze toen in-eens, "ik
+moet naar huis." En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand
+al uitstekend. "Mag ik u nog even terugbrengen," vroeg hij.
+
+"O!.... zeker!" zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen
+lachend, maar onmiskenbaar blij.
+
+En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote,
+eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor 't ranke
+meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een
+bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook
+bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn
+moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond 't offeren
+van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te
+gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch
+scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem
+te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch
+vreemd, bizonder....
+
+Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik
+begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar
+zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen
+aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij
+er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was
+volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze
+wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen
+leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar
+dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over 't Gooi,.... ze hield
+dol van wandelen,.... 't was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe
+was....
+
+Bij 't hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden
+elkaar goeden dag. "Tot weerziens, juffrouw Tadingh," zei hij op
+vroolijk-hartelijken toon, "'k ben blij dat ik u weer 's ontmoet heb."
+En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem
+weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging 't krakende
+schelpenpad naar de waranda van 't huisje op, terwijl hij langzaam,
+omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was 't, haar
+slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij 't
+huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag 't.
+
+En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker
+al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een
+gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger,
+in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van
+dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu
+geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe 't kwam, wat haar in
+hem zoo beviel, begreep hij niet, maar 't was duidelijk, dat ze hem
+heel graag zag, dat ze 'n beetje verliefd op hem was.... Wat een
+aangenaam-verwonderend, vreemd zacht-streelend idee was dat!....
+
+Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden
+en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou
+ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een
+vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker
+al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon
+daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een
+goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend
+al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze
+werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo'n
+houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg
+vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. 't Zou nu veel te jammer
+zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar
+vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een
+lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer
+opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar
+een beetje helpen in 't opbeuren en steunen van die arme zwakke....
+Zoo'n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster,
+dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel
+sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele
+kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil,
+gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren
+als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid.
+
+O! 't Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn
+overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem
+van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn
+gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....
+
+Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar
+zei dat 't lekker weer was, dat 't hem altijd goed deed zoo'n
+avondwandeling.
+
+En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en
+uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. 't Vulde
+de avonden zoo.
+
+ * * * * *
+
+In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie.
+Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar
+gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid,
+reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de
+essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in 't
+stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door 't somber mooi van
+de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in 't
+onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek
+zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige
+genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend
+bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep,
+starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel 's even of 't toch niet
+verliefdheid was, of 't niet passie zou kunnen worden wat hij voelde
+voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte
+die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit
+zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach
+weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook
+herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd
+onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met
+gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen.
+Maar nu was 't of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter,
+wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door 't licht van haar
+oogen. Zij was nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want
+dood was zijn hoog begeeren.
+
+Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een
+donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur.
+'t Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te
+glimmen in 't bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de
+dampen brak.
+
+Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht
+de rhumatiekige armen en beenen te wrijven.
+
+Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij -- alsof dat heel
+natuurlijk was -- regelrecht naar 't zwarte weggetje waar Lucie woonde.
+Hij had zich zoo vereenzelvigd met 't idee haar weer te zullen zien dien
+Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij 't villatje stond, begon te
+begrijpen hoe vreemd 't eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en
+zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom
+vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad
+was 't nog wat anders, maar buiten kon dat best, want 't samenzijn
+ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser,
+natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken.
+
+Dus liep hij -- licht schrikkend van 't kraken van zijn stappen -- 't
+schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar
+moeder, stil oud-vrouwtje, 't bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf
+was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend.
+Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen
+bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen.
+
+Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei
+op vroolijken toon: "Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even
+voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... 'k Heb 't genoegen gehad kennis
+te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar 's opzoeken.... en ook
+'s kennis maken met u!...."
+
+Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder
+glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem:
+"O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week
+tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even...." En ze liep naar
+binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere,
+bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: "Lucie!....
+Lucie!...."
+
+Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. "Maar,
+mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers
+wel komen.... Blijft u rustig zitten....," zei hij luid en dringend. Hij
+begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. 't Was weer
+echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!....
+
+'t Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al
+doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan,
+haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen
+terug. Hij zag zich alleen staan in 't intieme warandatje. 't Breiwerk
+lag neergegooid op 't houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten
+leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was 't
+eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en
+dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat
+hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met
+ingehouden adem naar 't fluister-gepraat binnen, maar hij verstond
+niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: "Mevrouw,"
+begon hij, "u is wel vriendelijk, maar...." Ze glimlachte nu bedaard.
+"Ze zal wel dadelijk komen," zei ze, en ging weer zitten en nam 't
+breiwerk weer op, den bril naar voren halend. "'t Is heel aardig van u,
+dat u ons 's op komt zoeken, meneer Bandt...."
+
+"Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en 't niet brutaal van me
+vindt," zei hij. "Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier
+op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde...."
+
+"Ja, ja!" knikte ze vriendelijk, "dat heeft ze me verteld."
+
+"En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u 's een visite te komen
+maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld 's Zondags in Bussum.... En ik
+heb niet veel kennissen...."
+
+"Wij ook niet," zei ze.
+
+"Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?"
+
+Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht
+in de oogen en 't viel hem op, 't deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo
+in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende,
+'t was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam 't doordat Lucie
+op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen,
+maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en 't hooge,
+blanke voorhoofd....
+
+Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij 's Zondags
+altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig,
+want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend,
+alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie....
+
+Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en
+in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. "Dag meneer Bandt,"
+zei ze, "hoe gaat het?...." Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze
+elkaar de hand.
+
+Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een
+rustige, heldere blijdschap. Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt;
+een vroolijk-wit lintje was strak om 't halsboordje gehaald en het
+zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong
+op 't achterhoofd. Ze zag er frisch uit, 't was of ze wat voller was
+geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren.
+Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een
+houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan....
+
+"Die Bussumsche lucht doet u goed," zei Bernard, "u ziet er uitstekend
+uit...." Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde
+blijdschap, en over 't oude gezicht met den stalen bril gleed een teere
+glans van innige, weemoedsvolle vreugde. "Ja, ja," zei Lucie, "we
+knappen hier op, niet waar, moesje?" Die knikte weer. "Ja, ja,
+zeker!.... zeker!...." Maar daarna zuchtte ze. "'t Doet mama ook zoo
+goed, die lekkere lucht hier," voegde ze er bij, zich weer naar Bernard
+keerend. "'t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht."
+
+En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en
+allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat 't er
+eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; 't samen-zijn, 't
+elkaar zien en hooren, dat was 't enkel. De moeder ging, met stillen
+ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend
+bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard.
+
+Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan,
+als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en
+recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich
+groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer
+klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of
+stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte
+huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk was en trotsch
+zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en
+dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid
+steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar
+werk.
+
+Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde
+teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem
+en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,....
+ontroerde.... En plotseling werd 't hem te machtig, kon hij 't niet meer
+verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn....
+Midden in 't gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest,
+dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten,
+en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer
+zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag,
+verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie,
+blozend nu voor 't eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot
+aan 't hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen
+de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende
+teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde
+staan, en zijn oogen werden vochtig. "Ik kom gauw terug," zei hij met
+een doffe, licht trillende stem, "adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie
+zeggen, nietwaar?...." "Graag!" zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar
+dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, "doe
+je 't heusch?.... 't Zal mama ook zoo'n plezier doen!.... Dag Bernard!"
+
+Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat
+een mooi woord maakte zij er van....
+
+Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de
+waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, 't zwarte weggetje
+af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want 't was
+heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? 't Was
+daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was 't eenige
+waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet
+verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare
+gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld,
+dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij
+op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens
+met een weerzin aan 't terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op
+en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen
+weg, in stil gesoes....
+
+En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze
+zich weer samen te voegen tot 't gewone, lang gekende complex.
+
+En toen merkte hij 't in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor
+had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, -- was 't zijn naam wel
+geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? -- neen, dat had niets
+van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid,
+vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij
+hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en
+nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer
+van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat
+was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande,
+trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. 't Was meer dan gewone
+vriendschap nu tusschen hen, 't was zuivere, lichtende sympathie, 't was
+een verliefdheid van zielen.... Maar, -- of hij de gedachte al ontweek,
+'t gaf niet, hij wist 't toch, 't was als 't hoonend gegrijns van een
+duivel achter de rozenhaag van zijn geluk -- hij kon haar aanzien zonder
+begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van
+zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend zag
+hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk
+was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien
+was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan 't nobel welven van haar
+mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de
+begeerte in heete kussen wellust te drinken van 't meegevende
+lippen-vleesch.
+
+Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man,
+die koel, vast-emotie-loos zei: "Dit wordt uw vrouw." Zou 't zoo zijn?
+Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?
+
+En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet
+denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en
+begon opnieuw.
+
+Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was
+verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was
+op haar. Als ze 't gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar
+oogen. Neen, ze had 't zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat
+hij weer kwam, 't had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel!
+Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en
+ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd.
+Maar hoe kwam 't dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden
+in haar, wier zieleleven van zoo'n stil-pralende pracht, van zoo'n
+weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem,
+bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep
+'t niet, maar 't was zoo en 't streelde hem als zacht fluweel, 't
+doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, 't doorgloeide hem als
+zuivere zonnestralen, 't bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in
+zoo'n vrouwenziel, en 't hief hem op, 't droeg hem door de lichte lucht,
+hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid
+te zullen zijn, zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend
+bewegen scheen en 't leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat
+bewustzijn.
+
+Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn
+linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat
+hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat
+zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig
+begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde
+geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij 't noodig had, nu dat
+het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet,
+nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood,
+verstikt, verdroogd?.... hij wist 't niet, maar 't was niet om uit te
+staan! 't Was om dol te worden, om te gaan razen!....
+
+Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos
+te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel
+van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond 't zoo heerlijk,
+zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast
+niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, 't zou gemakkelijk
+genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook
+weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet
+meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen
+weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij
+al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend.
+
+Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze
+toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef
+op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot
+voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan 't recht hebben
+hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze 't hem niet,
+hij voelde dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de
+teleurstelling zien in haar oogen, 't verdriet, de wanhoop misschien,
+en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!....
+
+Maar wat dan?
+
+Hij wist 't niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een
+oogenblik speet 't hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef
+hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten,
+dat hij zoo'n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou
+toch voortaan zijn z'n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend
+alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken
+weg. 't Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij
+schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij
+voelde 't kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn
+schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme
+vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos
+van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen.
+Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein
+medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot
+Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder 't zich te verwijten. Hij
+moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk
+dan doen; hoe zou 't moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan 't
+werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg
+geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus
+liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij
+doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij 's ziek werd, als hij
+niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar
+waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd
+had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen....
+
+Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor 't raam. Ze waren
+boos, ze bromden erg. Ze vonden 't bespottelijk en heel verkeerd je zoo
+moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op
+buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze
+bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond
+dat ze groot gelijk had.
+
+Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En 's avonds in den trein
+kwamen al die gedachten van 's middags terug en schenen hem nog
+ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens
+een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij
+stond er den volgenden morgen mee op.
+
+Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt
+niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten
+alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en
+haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer
+over te tobben en 's avonds kon hij nergens anders aan denken, was 't
+een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen
+plan van handelen....
+
+En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor
+zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen 't plotseling in
+hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige
+tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God
+gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte
+kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde
+eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had
+begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de
+durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als
+een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan,
+dat was de hooge taak hem opgelegd. 't Was of een witte duif zacht
+klapwiekend neergestreken op zijn schouder, 't hem had ingefluisterd.
+In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn
+leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde
+hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat
+levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar,
+met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde
+stilte als in een hooge kathedraal.
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo
+vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van
+blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze
+natuurlijk nooit. Ze hadden 't over de nieuwe Beurs.
+
+Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn
+groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van 't eerste succes. Zóó,
+verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw
+werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft -- als wijn in den
+mond -- de stemmingen die 't maken hem geven zal.
+
+Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken
+moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur
+wou komen in een zeker laantje -- hij duidde 't haar nauwkeurig uit --
+een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom.
+
+En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den
+sleutel van "de zaak" aan den boekhouder en verzocht hem voor 't sluiten
+te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs
+naar 't station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen.
+
+Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak en helder als de
+blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling.
+
+'t Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in 't laantje.
+'t Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den
+eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen
+'t plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer
+dan mans-hoog.
+
+Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en
+soms even, tusschen de boomen, 't weiland over, dat frisch-wijd-uit in
+'t helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar
+in 't rustige wachten -- hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou --
+ging dat over.
+
+'t Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder
+ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder
+geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider
+voorbij en mompelde 'n groet. Anders was 't stil. Wat gonzen van
+insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof,
+gedempt....
+
+'t Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als 't was.... Hij dacht
+even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte
+stil-weemoedig, soezerig starend langs 't laantje.
+
+Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan
+kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen
+gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó
+zou hij 't juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat
+was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; 't
+zeggen, zooals 't in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....
+
+En toen hij haar in-eens -- 't was nog vóór vieren -- den hoek omkomen
+zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu
+eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom,
+abstract en dof....
+
+Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds -- den grooten stroohoed
+in de hand -- zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op 't strakke
+zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen,
+geluk-glanzenden blos hem aankijken....
+
+Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer
+en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. "Hier ben ik, Bernard,"
+hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen
+zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam
+de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar
+in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij
+begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt,
+beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend,
+zoekend naar zijn woorden: "Heel lief van je om hier te komen,.... ik
+dank je wel,.... vond-je 't niet gek, dat briefje?...."
+
+"Gek.... Nee!.... Maar wat is er?" vroeg ze. En ook in haar stem
+hoorde hij de onrust, den angst dat 't niet dàt zou zijn, maar....
+iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even
+half-bewust van genoot en 't plan in hem opkwam er nog geen eind aan te
+maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of
+zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij 't weer, dat wufte spelletje;
+'t gaf hem wat nieuwen wrevel....
+
+Even was er stilte....
+
+Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten
+wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast
+zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij
+zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en
+helder-rustigen glimlach, zei hij: "Je weet best, wat er is,.... je
+begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!...."
+
+Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde
+langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: "Lucie,.... mijn
+lieve Lucie,.... mijn vrouw!...."
+
+En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte
+achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem.
+"Wil je me?" vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. "Ja,"
+fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om
+haar heen. Toen lei ze 't warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn
+schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op 't
+strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn
+goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag,
+beschermend tegen zijn borst.
+
+Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan
+hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij 't niet goed
+aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe
+te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te
+zien. Maar ze schudde 't hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg
+fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor
+zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep 't niet,
+dat lange snikken.
+
+Maar in-eens hief ze 't hoofd op, veegde met de linkerhand een paar
+tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van 't
+huilen, lag nu zoo'n wijd-zachte zaligheid, zoo'n groot en innig geluk,
+dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl
+hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht,
+op 't voorhoofd. "Je zult 't wel vreeselijk gek van me vinden, die
+huilbui, hè," zei ze met een zenuwachtig lachje, "ja, ik vind 't
+eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe 't kwam
+in-eens.... Maar 't is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo
+overweldigend.... En 'k heb zóó lang naar je verlangd...." Langzaam,
+fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van
+innigheid.
+
+"Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden," vroeg hij met
+hoog-blijde verbazing.
+
+"O! dadelijk! dol!" zei ze met extase. "Ik weet 't nog precies. Ik had
+je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna
+van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist 't dadelijk,
+toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb 't vroeger zelf nooit willen
+gelooven, dat 't mogelijk was, en als ik 't las in boeken heb ik er wel
+'s om gelachen, en toch was 't zoo, toch is 't zoo!.... Van 't eerste
+oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel,
+zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!...."
+
+"Lieveling!" zei hij, "vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht
+tot-ie kwam?...." En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid,
+zacht-voorzichtigjes op 't voorhoofd, en drukte haar hand.
+
+"Ja.... natuurlijk....," fluisterde ze.
+
+En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. "En jij," vroeg ze toen,
+zalig glimlachend, "wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je
+houdt toch van me, hè?.... Je hebt 't me nog niet eens gezegd!...."
+
+"Hoeft dat dan wel," vroeg hij.
+
+"'k Zou 't je zoo graag hooren zeggen," zei ze, en ze leunde weer tegen
+hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: "Zeg 't 's!....
+Bernard!.... Heb je me lief?...."
+
+"Ja,.... ik heb je lief....," fluisterde hij toen, zijn oogen even
+sluitend. Weer waren ze een poosje stil.
+
+"Hoe komt 't toch dat je nu in eens van me bent gaan houden," vroeg ze
+weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. "Op die partij
+toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen
+voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag 't wel!.... Heb je haar later niet
+meer ontmoet?"
+
+"Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch...."
+
+"En was je toen weer niet verliefd op haar?"
+
+"Nee, o! heelemaal niet!", zei hij lachend.
+
+"Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je
+hield?"
+
+"Een beetje...."
+
+"Ja, ik dacht 't wel," zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor
+zacht stralenden blik, "'t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat
+ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me
+opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!....
+En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet
+op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog
+veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je
+te bespreken!...."
+
+"Maar als we nu 's naar je moeder gingen," opperde hij.
+
+"Hè?.... Nu al?...." zei ze, met een vleiende stem, "toe, laten we nog
+wat hier blijven!.... 't Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?...."
+
+"Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze 't dadelijk goed vinden?"
+
+"Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt 't zeker bijna net
+zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je
+denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou....
+O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin,
+altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een
+heerlijk laantje, zeg! Ik kende 't heelemaal niet!.... Toe, laten we nog
+even blijven!...."
+
+Ze vroeg 't met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem
+opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk
+aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij
+zei 't haar. Hij moest nu in ieder geval naar haar moeder gaan en haar
+vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook
+wel even naar oom en tante gaan en 't die zeggen....
+
+"O! weten die er nog niets van," vroeg ze.
+
+"Wel nee! niets!" zei hij. "En 't zou toch te gek zijn als ze later
+hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en
+weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch
+niet!"
+
+"Wèl nou maar, ik weet goed raad," zei ze, "je blijft natuurlijk
+bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar
+Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante....
+Nee, nee, dat 's waar, dat gaat ook niet," viel ze zich zelf
+teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, "je dient ze daar wel
+even op voor te bereiden, hè?"
+
+"Ja, natuurlijk!" zei hij, "dus moet dat allemaal een beetje gauw
+gebeuren.... Maar 't kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je
+moeder gaan, en dan loop ik nog even voor 't eten naar oom...."
+
+"Ja," zei ze, "goed!...." En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm,
+waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje
+stil, blijkbaar vond ze 't niet prettig dat alles nu zoo haastig moest
+gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal
+meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken
+zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden
+maken, en de kleine uitstapjes 's Zondags, en dat wond haar op tot een
+stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes
+doorging, zei ze even met een bezorgde stem: "Ja!.... 't is natuurlijk
+altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we
+zullen wel zien!"
+
+"Wel ja," zei hij, zonder daarover na te denken, "dat zal wel terecht
+komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar 's met je
+heen te vliegen...."
+
+Toen ze dicht bij 't villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een
+beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover
+zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in
+zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover
+die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die
+wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel
+waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste
+stem en blik?
+
+ * * * * *
+
+Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met
+een boek voor zich. Lucie ging vooruit. "Ma-tje, hier is meneer Bernard
+Bandt, die komt u wat vragen," zei ze met een opgewonden-hooge,
+zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf
+haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van
+geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward
+weer.
+
+"Wat is dat?.... Wat is dat?...." zei de moeder, quasi-niet-begrijpend,
+met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. "Dag, meneer
+Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie!
+kindje! wat is er nu in-eens?...."
+
+Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden
+en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem:
+"Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu
+hopen we maar dat u 't ook goed vindt,.... dat we trouwen...."
+
+Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de
+lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker
+hand streelde ze Lucie's hoofd, dat in haar schoot lag, terwijl ze de
+rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige
+goedhartigheid.
+
+"Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt," zei ze eindelijk
+met een piepende, gebroken stem, "maar ik weet hoe m'n kind van je
+houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel
+goeds van je verteld...."
+
+En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard,
+en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te
+sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening.
+
+Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte.
+"O! Bernard," zei ze glimlachend, "als je wist hoe dat kind van den
+winter...." "Sst, sst! stil toch ma," viel Lucie haar blij-blozend in de
+rede, "ik moet 'm dat nog allemaal vertellen...."
+
+Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, 't Was al laat genoeg!
+Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op
+een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op
+stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter
+voor zijn neef en pupil.
+
+"Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!...." zei de moeder, "'t zal me
+aangenaam zijn." Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch
+wel tegen op te zien.
+
+"Dan komt je tante zeker mee," vroeg Lucie.
+
+"Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien...."
+
+Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer
+opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie;
+zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.
+
+Ze waren op 't punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn
+bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde 't werk op waar ze aan
+bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze Bernard zagen,
+zoo onverwacht, midden in de week.
+
+"Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?"
+
+Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. "Ja," zei hij, driftig
+zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel.
+"Gaat u 's even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt
+niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met
+juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel,
+waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En
+met de moeder is 't ook al in orde!"
+
+Met open monden en groote oogen hoorden ze 't aan.
+
+"Hè?.... wàt?...." vroeg tante. "Wat 's dat nou in-eens?" vroeg oom.
+
+Toen zei hij 't nog 's heelemaal, wat langzamer, wat kalmer.
+
+En tante, 't eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen
+geven, en feliciteeren met tranen in de oogen.
+
+Oom pruttelde. "Nou ja.... hoor 's even!.... dat kan je nou wel zoo
+'s effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan
+ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet 's eerder over
+gesproken!...."
+
+"Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent 't meisje immers toch niet!.... En
+als 't anders geloopen was dan had ik 't heele zaakje maar kalm voor me
+gehouden."
+
+"Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een
+ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou
+je trouwen, heertje?...."
+
+"Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet 's feliciteeren?"
+verweet tante. "Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig
+natuurlijk!.... Breng je ze 's gauw hier?"
+
+"Hé!.... wacht nou 's even!" zei oom, "feliciteeren wil ik je wel,
+jongen, -- ofschoon ik 't meisje nog niet eens ken --, hier! geef me 'n
+hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar
+niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès
+bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!...."
+
+"Wel ja, oom," zei Bernard, "dat moet u nou natuurlijk maar net doen,
+zooals u 't goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel
+'s een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel
+geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast 's kennis.
+
+"Hm!.... Nou.... dat 's goed,.... dat 's goed!"
+
+"Afgesproken," zei Bernard, "dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu
+maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan
+kunt u beiden er intusschen nog 's over denken.... en over praten!....
+Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!...."
+
+En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog
+vragend of 't een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die
+dingen.
+
+Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. "Nou?.... wie heeft er nu
+gelijk gehad," vroeg ze. "Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!....
+Ik merk zulke dingen altijd dadelijk...."
+
+Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad
+dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van
+zijn andere handelsvrienden. Zoo'n juffertje Tadingh!.... Dat zou
+natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in
+zulke dingen....
+
+"Ik vind je niets aardig," zei tante. "Daar net ook al! Waarom
+feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met
+je berekeningen!...."
+
+Maar 's avonds kwamen ze, en Lucie, met haar groote, eenvoudige
+goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om
+te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in.
+Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn
+visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou
+komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken.
+Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem
+trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een
+goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch
+zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer 't een beetje te
+kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij
+wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en
+liet "de kinderen" zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.
+
+Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten
+kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw
+zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of
+fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!....
+
+Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich
+toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van
+overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als
+een drukke droom....
+
+Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens
+ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn
+visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze
+kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen
+te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor
+heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust.
+
+Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest 's middags in Amsterdam
+zijn, menschen spreken, en 's avonds werk inhalen wat al was blijven
+liggen. 't Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij 't natuurlijk
+aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam
+vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem
+hartelijk de hand. "In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet
+'t zelf maar weten," zei hij.
+
+André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar
+hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen
+kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig.
+Hendrik stootte Bernard aan: "Die denkt: 'k wou dat ik al zoo ver was,"
+fluisterde hij. Maar André, die 't gehoord had, bromde "verrek!" en
+dronk zijn borrel uit in één teug.
+
+Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest
+natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had,
+kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang
+in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de
+aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij 't erg druk om al dien
+verloren tijd weer in te halen. En 's Zondags werd er visite gewacht,
+buren en familie en de beste vrinden.
+
+Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij 't liefst dat
+ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van
+haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde
+aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld
+had 't zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige
+omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit
+starend. Hij zag haar nog niet, hij "lette niet op haar." En langzaam,
+met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem 't begrijpen
+van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden blik in één
+handbewegen, geschapen had.
+
+Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. "Wat ben je ernstig,
+is er wat?" vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: "Wel nee, lieveling,
+niets," en kuste haar op 't voorhoofd of op 't haar. En hij ging
+vroolijk met haar praten. Maar 't medelijden in hem werd grooter, met
+scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen
+zich aantrok, of 't hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen
+geslagen....
+
+Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd.
+Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er
+uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje
+voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond
+haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo 'n echt simpel buitenmeisje,
+'n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat
+neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten
+en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was
+een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te
+houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.
+
+Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren.
+Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was 't den
+heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh's eenvoudig
+buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die
+gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de
+menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar
+slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.
+
+'s Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie
+over haar moeder. "Ze schijnt wel héél zwak te zijn," zei hij. "Dat is
+'t," antwoordde Lucie, "de minste inspanning pakt haar zoo aan. En ik
+weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige
+slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar
+op te beuren.... Je kunt 't zoo goed....", zei ze, met een lief lachje.
+Maar even daarna, angstig weer: "Hoe zullen we toch later met haar
+doen,.... als we trouwen?...."
+
+"Ja," zei hij, "daar heb ik ook al over gedacht.... 't Best zal zijn
+haar maar bij ons in huis te nemen, hè...."
+
+"Ja," zei ze,.... "zou je dat willen?...."
+
+Ze zei 't op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou
+toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze 't toch zeker wel 't
+liefste zoo hebben zou....
+
+"Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?" vroeg hij.
+
+"Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof
+ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen...." "Ja! och," zei
+hij, "dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?....
+Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo
+gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van
+haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen."
+
+"Ja!...." zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar
+ze richtte zich op, met een schokje. "Je bent mijn goeie vent, hoor!"
+zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van
+roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer.
+Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden
+in Utrecht en in den Haag, en "'t jonge paar" werd uitgevraagd op
+dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden
+ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en
+nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag
+aan de oogen wat ze er van dachten, 't was heel ergerlijk en vervelend,
+vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een
+heelen avond zoo 'n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van
+weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar
+liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf
+een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos.
+En dan in-eens zoo'n kriebelige lust, een vloed van vloeken en
+kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring,
+dat was een temptatie.
+
+Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden,
+alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van 't succes van
+zijn plannen, van die stichtende voldoening....
+
+Maar Lucie scheen 't niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd
+werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij
+me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek
+maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch
+op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de
+meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als
+een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde 't niet. Want dat was
+immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag 't immers
+aan hem, zooals zij 't gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond
+'t een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem
+bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij
+zag 't zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten.
+Lucie scheen 't nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden
+blik....
+
+Misschien kon 't haar ook niet schelen!....
+
+Dikwijls als hij met haar praatte had hij 't met stugge minachting
+over "de menschen." De menschen geloofden dit, de menschen deden dat
+altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo
+triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging 't haar
+blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze 't in-eens ronduit,
+dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met "de
+menschen." Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren
+toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk,
+zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!....
+
+Ze vond 't wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel
+dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond
+hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?
+
+Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend -- en schaamde zich een
+beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot
+klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan
+in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend,
+om 't haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken
+over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.
+
+Dat gebeurde meest op wandelingen, in 't maklijk voortgaan, naast
+elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd
+dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de
+preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten
+eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde
+en gevoeld had. Heel bescheiden -- als een vluchtig liedje in hooge
+eenzaamheid gezongen -- klankten haar weinige woorden, en toch waren ze
+voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of
+diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een licht ontroerde stem
+van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen
+lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een
+dom schaap was, niet waard zoo'n knappen man. Wat zou hij van haar
+kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was
+'t omdat 't hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles,
+alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit 't hoofd te praten!....
+Maar hij beproefde 't toch, sprekend over de oneindigheid van dingen,
+die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme
+gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie....
+'t Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en
+gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....
+
+Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op
+kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in,
+behalve 's Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan,
+ofschoon 't moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij
+dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg
+genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor 't eten. Ze was
+altijd aan 't station.
+
+Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes
+eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in
+jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge
+opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher,
+zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met
+kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat 't gelukt was
+tot nog toe en dat 't ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk
+was dan, vaag-zweverig -- iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was
+hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders
+op als hij 't merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was
+gelukkig, zijn Lucie, zijn meisje. Hij voelde 't telkens als hij haar
+zag staan, onder de wachtende menschen aan 't station, hem dadelijk
+en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar
+vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher,
+gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig
+waar te nemen, hij begon eindelijk "op haar te letten...."
+
+En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden.
+
+Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. "'t Komt alleen omdat jij van
+me houdt," zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even
+stilstaan om hem een zoen te geven.
+
+Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn
+hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd
+tegen haar aanleggen zou, "om uit te rusten." En dan keek hij naar haar,
+dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan
+zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de
+verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van
+nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in 't
+lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen.
+Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit 't kapsel
+gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen
+zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar
+gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, 't kleine
+moedervlekje aan de kin. En hij keek naar 't stille bewegen van haar
+gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij 't zijne. Hij zag
+dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook
+in die mysterieus onbewuste plooiingen waren.
+
+En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar
+rank-soepel vrouwelijf warm tegen zijn oude beenige borst, knakkend de
+strakke hardheid van 't heerige overhemd, dan kwam, -- als lekkere lucht
+van zomer in April -- malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn
+gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust.
+En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte
+haar vaster tegen zich aan.
+
+En dikwijls als hij op kantoor zat, of 's avonds op zijn kamer,
+verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten,
+zóó, met haar....
+
+Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken
+over haar en over hun verhouding. 't Stond nu eenmaal vast, hij was niet
+verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken
+negeerde hij nog die koortsige aandoeningen.
+
+ * * * * *
+
+Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange
+wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw
+Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo'n Zondag
+te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan
+'t zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke,
+deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een
+goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met
+die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig
+waren begaan. De moeder had 't goedgevonden, ze mocht die meelijdende
+dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de
+juffrouwen, die dol op "'t aardige jonge paar" waren, wisten niet wat
+ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met
+'t vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar 't
+beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw
+Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.
+
+Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard. Ze vond 't heerlijk,
+dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan,
+zoo'n heelen dag, zoo'n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want
+in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar
+dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat
+ze weer te tobben had gehad met haar moeder.
+
+Als ze van haar sprak was 't altijd met hetzelfde teere medelijden,
+en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig
+gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg
+lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar
+hij zag 't en hij ging 't begrijpen door goed te letten op de moeder
+zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de
+houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze
+was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening
+die 't gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes
+gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van "haar kind", en zei dat ook
+ontelbare malen, maar dat was vooral -- leek 't wel -- om nog meer recht
+te hebben op liefde en vertroeteling, en "'t kind" zorgde dan ook
+voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen
+zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze
+ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht
+en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar 't
+maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En
+hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg
+opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den
+rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen
+te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte
+teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel
+en deed 't er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig opgebeurd te
+worden, daar was 't haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij
+de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar
+goedig beklagend nu en dan, met stille vereering.
+
+Die Zondagmorgens dan, als 't mooi weer was, dan kwam Bernard met een
+heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan 't station. En
+dan dat wegwandelen, Bussum uit, 't Gooi in: naar Hilversum, of 's
+Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren,
+met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste
+vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn;
+Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen,
+frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was 't
+heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, 't hoofd ietwat naar achteren, met
+een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje
+dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze 't zoo
+verrukkelijk vond.
+
+Soms scheen 't haar bijna te machtig te worden, 't alleen zijn met haar
+liefde in de bloeiende zonnelanden, en 't vrij zijn, 't mogen doen wat
+ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht,
+en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit,
+dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of
+haar hoed afwoei, verfomfaaiend 't thuis zoo netjes strak getrokken
+kapsel. En hij holde haar achterna. 't Was hem vreemd, hij had 't sinds
+zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond 't eigenlijk een
+beetje bespottelijk, en hij zei dat hij 't niet graag deed, dat hij er
+zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze 'n beetje en keek
+hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige
+meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen
+lach, en op een afstand riep ze: "Kom 's hier, kom 's kijken! Gauw!
+gauw dan, anders is 't weg!" Dan draafde hij er heen en dan was 't
+niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad,
+glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En
+dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar
+in te halen en af te straffen....
+
+Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar
+een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen.
+Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij 't
+eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange
+wandeling in de morgenlucht.
+
+En 's middags gingen ze lui-soezerig ergens in 't bosch liggen, of ze
+liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen.
+
+Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt
+wat rond te zwerven, had ze weer zoo'n echte, dol-uitgelaten bui. Ze
+kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze
+liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze
+waren in 't bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel
+om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou 's zien of hij dat
+nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo
+goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens
+weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer
+terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken
+aan dat fluitje en 't was af -- toen riep hij: "Ben je daar?....
+Lucie!...." Maar er kwam geen antwoord, 't geluid van zijn stem stierf
+kort in 't dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij
+liep en hoorde 't kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep
+krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen.
+En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in
+zijn keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half
+verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen
+brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij
+had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze
+gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend,
+soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak
+antwoorden; "Bernard!" hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar
+hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde
+nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. "Ik kom!"
+riep hij. Hij struikelde telkens, in 't driftige loopen, viel op een
+knie maar was dadelijk weer op. En op 't punt een weg over te steken zag
+hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze
+keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een
+beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en
+zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de
+neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend,
+overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig
+verlangen in haar stem: "Bernard!" Toen liep hij haastig naar haar toe,
+en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig
+sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had
+ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen,
+telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij
+dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer
+aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen,
+en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had.
+
+En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van
+zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist
+den weg terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk
+gedacht, dat hij haar wel vinden zou.
+
+Zóó -- stil gaande -- kwamen ze in een mooie laan van gelijke
+laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En
+fluisterend genoten ze.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht,
+aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn
+hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een
+zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou 't toch nog komen?.... Werd hij
+nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou 't zalig
+zijn!....
+
+Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat
+te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens.
+En dat ergerde hem volstrekt niet, maar 't maakte hem vroolijk,
+onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar 's
+avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil
+dwepen....
+
+Den daarop volgenden dag, 's morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er
+in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig,
+dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen....
+'t Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al
+verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok
+hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te
+letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken.
+En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend,
+sniklachend. Maar eindelijk kwam 't: "Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil
+me toch hebben!.... Hoe vindt je 't, vindt je 't niet bespottelijk?....
+Zoo'n vent als ik!.... Zeg!... Zoo'n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk
+ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je 't?"
+
+Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem
+mee, zenuwachtig, en zei dat hij 't ook eigenlijk bespottelijk vond, en
+ze proestten 't allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn
+vrind, 't was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit
+te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden
+konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en
+André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe 't
+gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was
+dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens
+alle menschen.
+
+En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in
+zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te
+luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach
+van intieme verstandhouding, alsof hij 't kende, dat allemaal.... Dat
+hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel 's, als hij
+dacht aan liefde tusschen Betsy en André.
+
+Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover
+zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn
+ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig
+maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk,
+hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar
+zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar
+hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar 't haar te
+vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was,
+want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want
+ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had 't niet aardig
+gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar
+nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en
+die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn
+alles....
+
+En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm.
+Hij dacht aan haar, aan hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich
+diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht,
+zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde 't koortsig
+verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze
+daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik
+even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi
+was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie
+rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij
+voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar
+verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door
+'t met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde 't nu, in zijn overspanning:
+zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment
+naderde; straks zou hij 't grijpen en zalig zijn....
+
+Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering
+recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in
+lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag
+warm-soezerig tegen de nare weekheid van 't fluweelige trijp. Want als
+een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk,
+had hij 't visioen weer gezien van dien nacht in 't bordeel, van dat
+week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al
+zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon
+hij 't nu niet vergeten! 't Was nog alleen in zijn herinnering, waarom
+kon hij 't niet daaruit weg doen nu, zoodat 't heelemaal niet meer
+bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort
+voordat zij kwam!
+
+Maar toen, langzaam -- hij voelde 't al, vaag, voor hij 't dorst te
+aanvaarden -- kwam 't verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te
+rukken, 't los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij 't eenmaal
+had aanvaard, groeide 't, als een volksopstand tegen lange verdrukking,
+en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, 't had uitgediend, hij
+wilde 't niet langer, hij verachtte 't nu, hij trapte en spuwde er op.
+Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde
+naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door
+kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten,
+ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou
+hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen
+spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot
+een hooger, wijder, lichter leven!....
+
+ * * * * *
+
+Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen,
+stil; hij zag voor 't eerst haar fijn profiel in 't maanlicht, op een
+eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en
+oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij
+alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde
+haar warmen adem. En fluisterend had hij 't over later, over de
+zaligheid van 't altijd-samen zijn, 't zich heelemaal geven de een aan
+den ander. Hij hoorde 't rythmisch opgolven van haar gelukkigen
+lach. "En kwam mama dan bij ons inwonen," vroeg ze in-eens, zacht,
+leuk-guitig.... "Waarachtig niet!" zei hij, en ze lachten beiden met
+stille schokjes en intiem gefluister. "Nou ja!" zei hij, "ik dacht toen
+nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders
+voor haar vinden, wàt?...." En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde
+liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde
+en geluk.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+'t Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze
+waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie
+gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
+
+Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was
+er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn
+meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo
+zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om
+beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de
+juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat
+hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.
+
+Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de
+liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij
+had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten.
+Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw
+leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer
+ergerlijk....
+
+Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als
+dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden
+verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en
+de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen
+hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van
+wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten
+vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde
+verwachting, vage begeerte....
+
+Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in
+de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en
+zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te
+drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat
+gedurig vulde de hooge lichte lucht.
+
+Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met
+vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de
+koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer
+bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.
+
+En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't
+hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien
+van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de
+naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.
+
+Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle
+helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat
+glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie
+op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt,
+over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een
+blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.
+
+En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij
+haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!....
+O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare
+werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief
+had en van hem was....
+
+En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't
+strakke blauw....
+
+Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden
+geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende
+droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo
+dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering
+zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in
+'t bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach.
+Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen
+aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog
+wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat
+liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral
+na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij
+zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord,
+verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster,
+had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had
+begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....
+
+Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en
+langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't
+eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....
+
+Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van
+'t teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend
+den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte
+haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met
+vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij
+vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de
+oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond,
+haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem
+liefkoosden.
+
+Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind
+suizend over de toppen streek.
+
+Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige
+wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de
+wereld, wijd-rondom.
+
+Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar
+de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze
+langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat
+aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand
+af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t
+water.
+
+Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in
+hand....
+
+Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.
+
+En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan
+'t sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog
+dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje
+was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.
+
+
+ +Amsterdam+, 1895-'97.
+
+
+
+
+Opmerkingen van de bewerker
+
+
+In dit boek komen twee vormen van nadruk voor: _cursief_ en
++gespatieerd+.
+
+De volgende veranderingen zijn aangebracht: op pagina
+
+24 "intelgente" in "intelligente" (witte halsboorden, intelligente en
+domme)
+
+60 "frische" in "frissche" (veerkracht met frissche rillingen)
+
+63 "ombarmhartig" in "onbarmhartig" (onbarmhartig-koude bij elkaar
+komen)
+
+85 "ververlopen" in "verlopen" (bewegelijke groepen meiden met
+verlopen kerels)
+
+93 "Warmoestraat" in "Warmoesstraat" (terug en de Warmoesstraat door.)
+
+114 "oogenbik" in "oogenblik" (laat mij ook geen oogenblik om 's met
+Bernard)
+
+129 "zal" in "zat" (Bernard zat nu rechts van de gastvrouw)
+
+182 "gememelijkheid" in "gemelijkheid" (verveling en gemelijkheid.)
+
+220 "mer" in "met" (sprak met ernstig-doffe stem over)
+
+231 "al" in "als" (vooral als hij alleen was)
+
+242 "eigoïstisch" in "egoïstisch" (eigenlijk vervloekt egoïstisch)
+
+251 "avondden" in "avonden" ('t Vulde de avonden zoo.)
+
+278 "eindedelijk" in "eindelijk" (hinderen, en eindelijk zei ze)
+
+290 "uitwuivan" in "uitwuiven" (een juichend uitwuiven van wijde).
+
+Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd.
+
+Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+***** This file should be named 38229-8.txt or 38229-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/2/2/38229/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.