summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--38229-8.txt10053
-rw-r--r--38229-8.zipbin0 -> 217569 bytes
-rw-r--r--38229-h.zipbin0 -> 431378 bytes
-rw-r--r--38229-h/38229-h.htm12927
-rw-r--r--38229-h/images/achterkant.jpgbin0 -> 60901 bytes
-rw-r--r--38229-h/images/cover.jpgbin0 -> 102132 bytes
-rw-r--r--38229-h/images/opdracht.jpgbin0 -> 6689 bytes
-rw-r--r--38229-h/images/sierstrip.pngbin0 -> 9978 bytes
-rw-r--r--38229-h/images/titelpagina.pngbin0 -> 23910 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
12 files changed, 22996 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/38229-8.txt b/38229-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..9345bb0
--- /dev/null
+++ b/38229-8.txt
@@ -0,0 +1,10053 @@
+The Project Gutenberg EBook of De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van Bernard Bandt
+
+Author: Herman Robbers
+
+Release Date: December 6, 2011 [EBook #38229]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ DE ROMAN VAN BERNARD BANDT.
+
+
+
+
+ Van denzelfden schrijver:
+
+ EEN KALVERLIEFDE, DE VERLOREN ZOON & DE VREEMDE PLANT.
+
+ DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH.
+
+ VAN STILTE EN STEMMING,
+ Een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de gracht,
+ Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte).
+
+ DE ROMAN VAN EEN GEZIN. I
+ De gelukkige familie.
+
+ DE ROMAN VAN EEN GEZIN. II.
+ Eén voor één.
+
+ HELENE SERVAES
+
+
+
+
+ DE ROMAN VAN
+ BERNARD BANDT,
+
+ DOOR HERMAN ROBBERS
+
+ VIJFDE DRUK
+
+ [Illustration]
+
+ UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS
+ TE AMSTERDAM. MCMXV.
+
+
+
+
+ Lith. en Typ. van J. HOEKSTRA & Co., Den Haag.
+
+
+
+
+ AAN MIJN VRIEND
+
+ Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND.
+
+
+
+
+[Illustration]
+
+
+
+
+I.
+
+
+Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel vlak bij 't
+raam, zat hij te schrijven aan zijn vriend Edward, die in Batavia
+woonde. Zijn stijf, geglansd papier bolde op, glimmend in 't kil-wittige
+Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna niet zien kon.
+Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand op 't papier, dat 't niet
+kon verschuiven, nu en dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen
+zat te maken, bijtend met zijn voortanden op 't botte eind van zijn
+pennenhouder en kijkend, zonder te zien, door de beregende ruit tegen de
+huizen aan van den overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies
+luchtje.
+
+Verderop, aan weerszijden van 't lange lage vertrek, stonden een paar
+bedienden tegen hun hooge, gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen
+en een klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig opgevouwen.
+
+Dit schreef hij:
+
+Je weet niet wat dat is voor mij, zoo'n brief van jou. Je kunt 't niet
+weten, jij die er zooveel krijgt, met elke mail, niet waar? Van je vader
+en je moeder, van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten wat zoo'n
+brief is voor mij, die geen vader, geen moeder, geen broers en geen
+zusters, en geen vrienden heb -- dan jou alleen! Houd dit niet voor 'n
+klacht of voor bitterheid, want dat is 't juist niet, heelemaal niet, 't
+is een verhoovaardiging, 'n blij bluffen op iets wat ik heb en jij niet.
+Zoo'n brief is voor mij wat 'n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor
+iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar geen geweer heeft
+om er een te schieten en geen geld om er een te koopen. Nee! meer is
+zoo'n brief voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt 'm naar
+den poelier om 'm te laten villen en 't vel, daar bekommert hij zich
+niet verder over, en over 't beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er
+lekker aan gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als 'k den
+brief gelezen heb, stop 'm weer in z'n envelop, want daar hoort-ie in,
+daar heb ik 'm in zien komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als
+van den brief. En zoo, in z'n eigen envelop, steek ik 'm in me jaszak,
+in me rechterbinnenzak, en graag haal ik 'm daar nu en dan 's uit (onder
+een of ander voorwendsel voor me zelf) om 'm weer 's te zien. En lang
+duurt 't voor ik 'm opberg bij de andere....
+
+O! als ik 's morgens op kantoor kom, koud, huiverig door den slaap, die
+nog in me leden zit, wakker alleen in me hoofd door 'n fel-schroevend
+gevoel van "'t moet", en als ik dan de bus licht en 't heele zoodje van
+brieven en drukwerken meeneem naar me lessenaar waar ik 't ga zitten
+lezen en sorteeren, nuchter, leeg, in 'n minachtende onverschilligheid
+voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig gezeur en gezanik,
+hun aanstellerig gebeveel, hun peuterige aanmerkingen of hun kleverig
+geflikflooi, en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte grauwe
+dingen plotseling, heel leuk, met 'n rustig air van "o, wist-je niet,
+dat ik hier lag?", zoo'n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit,
+met me naam, me particulieren naam, me voornaam Bernard en me
+familienaam Bandt, en heelemaal niets van "Vermeet & Co.", en dat door
+jou geschreven, door jou, dat zie ik nog voor 'k iets lees; ik herken
+den brief; als ik den brief zie, zie ik dadelijk jou, zie ik je ouwe
+goeie vrindenfacie en hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in
+m'n herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige stem, die me
+doet voelen, dat ik niet ganschelijk alleen ben op de wereld.... Zoo'n
+brief dan leg ik apart en 'k ga haastig door met lezen en sorteeren van
+de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik op 'n stapeltje en de
+rest verdeel ik onder de bedienden, en -- zenuwachtig van verlangen --
+vergeet ik hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze
+schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te lezen, komen
+vragen: meneer dit en meneer dat, en dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik
+kom bij je, laat me nou toch even met rust. Want als ik dan eindelijk
+je brief heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan wil ik
+rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse teugjes, de intieme
+zinnen, die daar voor mij alleen staan opgeschreven door jou hand.
+
+Ik voel 't heel goed: de zeldzaamheid maakt 't genot van je
+vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als je hier was, als 'k je allen
+dag sprak, zou 'k niet zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet
+zie dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en die ik niet zoo
+doen en zeggen zou, nu ik alleen maar van tijd tot tijd krijg een stuk
+papier volgeschreven met eerlijke uitingen van je innigst voelen. Maar
+toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft dat je gauw doen zult, dan
+zal ik toch -- geloof ik -- meer van je houden dan vroeger, want ik weet
+nu zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die 'k vroeger niet
+begreep, en die me dus toen afstootten, nu aantrekken, en ik ben
+langzamerhand beginnen te merken, dat ik bepaald houd van manieren van
+je, die 'k vroeger dacht dat me heelemaal niet bevielen. Ik zie je beter
+nu. Je bent anders dan ik, maar daarom vooral niet minder.
+
+Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat je van me vraagt, voor ik
+je ga schrijven over me zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik
+dat doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent de eenige,
+die er recht op heeft. Jij doet 't voor mij ook, je schrijft over wat je
+innerlijk ik te lijden en te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen.
+Maar dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen ons. Jij
+doet 't graag, dat ontboezemen, ja 'k geloof dat je 'r behoefte aan
+hebt, en dat komt door je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je
+praat heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk, ik vind
+'t ook niet pedant of maar eenigszins afkeuringswaardig, maar ik heb 't
+niet, dat 's alles! Ik heb er juist 'n helsch plezier in me heel anders
+voor te doen dan ik ben -- of eigenlijk, nee!...... ik wil er tegen jou
+niet om liegen, ik geloof dat ik me dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig
+de kracht en den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal. Want
+soms, midden in me dagelijksche werk, in 't afdoen van me dagelijksch
+stapeltje, voel ik 't, met diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en
+dan slaat er in-eens 'n dolle drift over me, 'n felwassende woede, 'n
+hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde tralietjes van
+'t hok waar 'k in gevangen zit. O! wat 'n genot zou dat zijn, wat 'n
+heerlijk lichte dag, wat 'n dag van gouden zon en voorjaarsluwte! Ik zou
+'t netjes willen doen, met ingehouden kracht, kranig, als 'n heer, m'n
+eene been kalm buigend met spanning van al de beenspieren en dan --
+pang! vooruit! en aan splinters de heele mooie boel! En dan weggaan,
+kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend. En de menschen, die denken dat
+ze je wat te bevelen hebben, met de complimenten naar huis sturen: "en
+als dat meneer 't nou verder verdomde," en dan gaan leven, het gansche
+leven, vrij, ongebonden, wild, al de kracht van me lijf en van me ziel
+gebruikend, met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende liefde, en
+met driftig strijdenden, neerhouwenden haat. Want o 't leven, Edward,
+'t leven! Wat weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes
+gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel 's ziekjes geweest, we hebben
+wel 's pijntjes gehad, en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met
+drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd is er voor ons
+gezorgd; en de menschen zijn wel 's onvrindelijk tegen ons geweest, ze
+hebben ons wel 's gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld, maar
+niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten op leven en dood! Maar
+wat praten we dan toch over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat,
+genot, zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets van, niets,
+niets! geen flauw benul hebben we ervan! En kan jij daar dan bedaard bij
+blijven zitten en zeggen: ja, ja, zoo is 't, en niet opvliegen en je
+haren uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?! Huil jij
+nooit tot je oogkassen branden om je jeugdjaren die verloren gaan,
+die nooit weerkomen, nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet
+geschroeid van verlangen naar leven?.... Maar o! niet waar? dan
+komt sluiplangzaam, poeserig-zacht langs je schuiven je gemeene,
+beroerd-laffe houden van lekker eten en drinken en 'n zacht bed, dan
+komt je lafheid en houdt 't nuchter mombakkes van je verstand voor z'n
+apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk, klopt je op je rug
+en zegt: "Mooi zoo! je bent 'n goeje jongen, iemand met gevoel, heel
+interessant, heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld, niet waar?
+Maar je meent 't natuurlijk niet. Je kunt je immers niet eens 'n
+voorstelling maken van dat vrije leven. En daar ben je toch ook veel te
+goed voor, je zoo te vergooien, foei! daar ben je 'n veel te knappe,
+aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je werk en zet je die
+fantasieën uit je hoofd, en denk aan je toekomst." Ja!.... En dan
+gehoorzaam ik! Dan gehoorzaam ik, godbetere 't! Maar dan huil ik van
+pure woede, machtelooze woede en diep ga ik gebukt onder m'n gedweeë
+tamheid....
+
+Voel je nu hoe 't komt, dat ik niet graag schrijf over mezelf, dat ik
+opzie tegen ontboezemingen? Toch.... heb ik 't al gedaan en zal ik er
+mee doorgaan, omdat ik 't nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven hoe ik me
+dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe "'t me gaat...."
+
+Maar toe alsjeblieft, hoeft 't vandaag niet meer? Morgen! morgen! 'k
+beloof 't je. En hier heb je dus dit stuk papier vast, want anders zou
+ik 't morgen misschien overlezen en 't verscheuren -- of weer niet
+verder kunnen....
+
+En Bernard teekende den brief en adresseerde hem en gaf 'm aan zijn
+jongsten bediende, die 'm naar de post bracht. Zelf ging hij kort daarna
+uit om koffie te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat,
+en daarna liep hij gauw naar de Beurs; 't was al laat....
+
+Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij weer aan zijn schrijftafel
+zitten en begon een tweeden brief aan Edward:
+
+Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn, van katterigheid of
+koude voeten, scheelt me tegenwoordig nooit iets. Ik geloof bepaald dat
+ik 'n gezond en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig en
+bedaard en vreeselijk geregeld leef, -- zoodat ik misschien wel zeventig
+of tachtig jaar worden kan.
+
+Me zaken gaan goed. M'n oom trekt zich meer en meer terug. Hij is nu
+voor goed in Bussum gaan wonen. Hij heeft zich daar in 't voorjaar een
+villa laten bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn, hoor!
+prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt: lap grond) waar hij
+zelf nu in staat te spitten en te graven met z'n tuinman. Dat is zoo z'n
+liefhebberij. Beste man! Tante maakt 't ook heel goed en laat je, met
+'r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja, ja, beste menschen,
+o zulke goeie menschen! Denk niet dat ik met ze spot, hoor! 't Zou
+schande zijn. 'k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben (ik
+zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd heb, me dagelijksch
+brood, me klanten!.... Gaat 'r maar 's 'anstaan!....
+
+Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben dus 'n deftig, geposeerd
+man, 'n bourgeois-satisfait.
+
+Lach nu niet. 't Is niet om te lachen. Of.... waarom zouden we er ook
+niet 's om lachen, hè? Zeg, ouwe jongen, kijk me 's even aan, vind je 't
+eigenlijk niet om te gieren? Ik vind 't om te brullen, te schudden, te
+trappen van-de-lach, om je handen op je heupen te zetten en telkens weer
+te beginnen! Ik vind 't verregaand belachelijk, God! ik vind 't zoo gek!
+Ik vind 't om te gaan staan dansen en scheel te kijken en wa!- wa!- wa!-
+te roepen als 'n idioot, zoo vind ik 't!
+
+Stil! 'n vraag! 'n raadsel!.... Wat ontbreekt 'n jong man van
+vier-en-twintig jaar, gezond, met 'n nette beklante zaak, die op 't
+Rokin op kamers woont en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft
+wonen?.... 'n Meisje!.... Juist! precies! Kerel, wat kan jij toch goed
+raden! Natuurlijk! 'n meisje! 'n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben
+ik nog niet geëngageerd? Waarom in 's hemelsnaam ben ik toch nog niet
+geëngageerd?! Dat hoort 'r toch zoo bij! En als er nou geen lieve,
+aardige, mooie meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam? Wat zeg
+ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me aan Amsterdam?.... Maar,
+'t is waar, ik kom niet overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt
+onnoodig is, want, m'n hemel! er zijn hier meisjes "te over" en de eene
+is al mooier en liever en vriendelijker en zachter dan de andere! En
+jongen-jongen! wat zijn hier 'n boel vroolijke en geestige meisjes, nee
+maar kolossaal!
+
+Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op 't oogenblik toevallig niet,
+maar 't zal wel niet lang meer duren, want morgenavond ga 'k naar 'n
+bal. Nou, en als je zoo'n heelen avond letterlijk niets anders te doen
+heb dan je zoo'n beetje op te winden....
+
+Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams. Ook is 't 'n
+geoorloofde, onschuldige bezigheid, die je onder je werk door best er
+bij waarnemen kan. Je hebt 'n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs
+met 'r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu soes je -- zoo
+achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk om -- voortdurend aan dat
+meisje, met lekkere scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is
+als 't zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren
+rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende pa's. En al weet je best, al
+voel je blozend, dat je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden
+tegen 'r gezegd heb, je heb toch 'n stille hoop -- die je verbergt
+voor jezelf -- dat je misschien nog al 'n tamelijk goeden indruk hebt
+gemaakt, en je verlangt, niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo
+net even genoeg om er 'n straatje voor om te loopen, naar 'n nieuwe
+ontmoeting. En als je haar dan weer aan ziet komen, naar je toe, en ze
+lacht en ze geeft je 'n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, 'n
+zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid, je bent
+in eens in 'n soort van roes, 't suist in je hoofd als pas ingeschonken
+champagne, je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt 't niet, je
+bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt, je merkt in eens dat
+je in de zon staat, dat 't zomerachtig zoel en lekker om je is. Je bent
+gelukkig, je hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste, je
+nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je droomengebiedster even
+met 'r wijsvinger aan 'r neus komt of leelijk geeuwt of tersluiks
+glimlacht om 'n dubbelzinnigen mop of 'r moeder afsnauwt of -- weet ik
+wat nog meer! -- tot dat ze, bedoel ik, in één blik, 'n klank, in 'n
+tiende deel van 'n seconde, verandert in 'n doodgewone juffrouw, die
+natuurlijk d'r goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja,
+waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg, hè, dan ga je maar
+weg....
+
+O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof ik, wel
+vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam.
+
+Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig,
+kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu z'n ontboezemingen? Je leest
+'t met 'n medelijdend glimlachje, innerlijk 'n beetje geërgerd, maar
+je wilt je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat 'n man, -- 'n
+man nietwaar? -- dat 'n man, als hij 'n vrouw liefheeft, werkelijk
+liefheeft, nietwaar? dat hij dan blind is en doof en dol en niet +wil+,
+niet +wil+ zien de nuchtere dingen, niet +wil+ redeneeren, maar dat hij
+dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die vrouw te krijgen! Zeker,
+zeker, zoo is 't, je hebt gelijk. Ik had 't dan ook maar alleen, ik
+causeerde zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord niet goed,
+maar ik weet geen ander, en verder dan zoo'n kalverliefde heb ik 't nog
+niet gebracht. Van dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige
+echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende dagdroomen, daar verlang
+ik naar met 'n angstig-wachtend verlangen, en altijd glanst in de ramen
+van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop, maar soms, als ik 't
+zie, dat kasteel van mijn ziel, dan is 't 'n roode gloed, mooi donker
+bloedrood, weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon.
+
+Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen! Want o! als ik niet wist
+dat ééns mijn leven rijzen zal, recht, met verdoovende, verbijsterende
+snelheid, en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren
+zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste, dat
+eenig-hoogstbegeerlijke van 't leven kennen zal, dat dàn tenminste, dat
+dàn eindelijk, al is 't dan maar 'n maand, 'n dag, 'n uur, één oogenblik
+het leven door mij heen zal gaan, zoodat ik 't merk, zoodat ik 't
+sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid, als ik dat niet wist.... o,
+mijn goede vriend, als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me immers
+al verzopen.
+
+Maar ik weet 't, zij zal komen, ik zal haar zien. Dikwijls heeft God 't
+mij gezegd, sprekend met zijn machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben
+geduldig, ik zal wachten.
+
+Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit van tint,
+ik weet 't niet. Soms, in stille uren, hoor ik van verre haar zacht
+vertrouwelijke stem, maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens zal
+zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en ik zal haar liefhebben.
+
+Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik rein houden, want zij
+zal er in wonen, en ook mijn lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf,
+mijn warm lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren, want
+als zij komt, recht naar mij toe, en zich glimlachend neervlijt in mijn
+verlangende armen, als ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem
+gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend naar de stugge
+buiging mijner leden, dan zal ik 't plotseling heftig begeeren haar lijf
+en zij zal 't geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te weren,
+onbewust rekkende de zoete verrukking. En weten zullen wij dan dat
+niemand nog bezat wat wij bezitten. Ik zal 't haar zeggen. O hoe zalig
+zal 't dan zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen mijn
+borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang ontbeerde....
+
+Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven, zonder lijfsgenot tot
+haar komst, word ik dikwijls bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig
+verdacht en misschien ook wel 's belasterd, wie weet 't! Maar daardoor
+juist groeit 't in me als 'n boom in 't bosch, hoog, trotsch, altijd
+dieper en verder geworteld. Er zal wel 'n storm noodig zijn om 't neer
+te rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet vluchten,
+want ik zal houden van den storm omdat 't storm is, omdat 't geen
+Amsterdamsche winderigheid en motregen is, maar storm.
+
+Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen langzaam verrotten
+zal en doen bezwijken, wat de storm neer zou kunnen slaan met een
+ruk!....
+
+Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En hij las den heelen
+brief over en voelde zich vaag-verdrietig en leeg. 't Was 't niet! 't
+Was nog heel anders. Hij zou 't nooit kunnen zeggen zoo zuiver en
+eenvoudig als 't was.
+
+ * * * * *
+
+Hij schreef alleen nog: 't Is 'n kille dag vandaag, mijn vingers
+verkleumen, morgen verder.
+
+En den volgenden dag:
+
+O ja, nu zou ik je vertellen hoe 'k me dagen doorbreng. Zóó: Ik sta 's
+morgens om acht uur op. Dan brengt "de juffrouw" me 'n cadetje met thee
+op me kamer en dan loop ik op 'n kippendraf naar kantoor. Dan werken tot
+half één, koffiedrinken, ergens hier in de buurt, met Sam van 't Hout of
+André, of alleen, dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor en daar
+zitten tot zes uur. Dan 'n borrel, hier-en-daar-en-overal, met allerlei
+lui, en eten op 't Leidsche-plein, en 's avonds zitten lezen op me
+kamer of in 'n koffiehuis, of zitten kijken in 'n komedie -- of in 'n
+koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer -- of in 'n koffiehuis, of 'n
+partij meemaken, 'n soireetje of eterijtje bij vrinden of kennissen --
+of in 'n koffiehuis......
+
+Daar is ook 'n tijd van 't jaar, dat is juist altijd in 't begin van de
+lente, in dien tijd als je 's avonds je raam opengooit en dan in eens
+bevangen wordt door 'n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt met 'n
+niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer, en toch eigenlijk niet
+'n verlangen, als je 't goed nagaat, maar juist 'n vrees, 'n angst
+voor iets onbekends, iets geheimzinnigs, 'n gevoel van: o, nu zal 't
+komen!.... De menschen loopen je voorbij als schimmen en in de verte
+blaft 'n hond. En plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van
+slapte en loomen weemoed.
+
+Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in April soms ook nog en
+ook in Mei nog wel 's 'n poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik
+schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit om acht uur weer op
+kantoor en werk tot elf of tot twaalf of tot één uur.
+
+O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken, die harde werkweken,
+van je niet bemoeien met de lucht en de boomen en de menschen en de
+vreugde en de kalme genoegens, maar altijd maar werken, weg zijn in je
+werk, die weken van niet-leven, maar ook niet van dood, want er wordt
+veel afgedaan, een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden,
+nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden arbeid.
+
+Als ik dan 's avonds laat de deur van mijn zakenhuis achter me dicht
+getrokken heb, en ik loop naar me kamer, dan heb ik 'n rustgevend
+gevoel van te moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog aan
+kleinigheden van me zaken te denken en aan wat ik morgen weer doen moet.
+'t Is maar 'n slap en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom, maar
+zonder schaamte berust ik in mijn domheid; gelaten, stil-tevreden als 'n
+kind, eet ik nog 'n boterham en drink 'n glas gerste-bier en ga naar bed
+met klamme, koude voeten en 'n gloeiend hoofd. En den volgenden morgen
+hijsch ik in 'n werktuigelijk, heelemaal gewoonte geworden gevoel van
+plicht, me lamgeslagen lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant op me
+kleeren en op m'n ontbijt, draaf ik haastig naar kantoor, waar ik
+langzaam-aan opleef en me weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur.
+Maar soms......
+
+Neen, nu is 't genoeg, laat me je niet hoeven mee te nemen naar de
+diepe, kille donkergroene grotten van mijn innigste bitterheid. Scheld
+'t me kwijt, wat er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit
+vinger-vegend, voorzichtig betastend, maar toch aanraken, aanraken van
+mijn overgevoelig binnenste, van al die teer-opene, licht schrijnende
+plekken. En laat me tot slot van deze brieven, die je weg moet doen
+als je ze gelezen hebt, -- want ze zijn wel eigenlijk nog niets, neen,
+niets, als ik er aan denk; zij zijn maar heel grove benaderingen, ze
+tasten met dikke handen, ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet
+mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel en dan snijden en
+grijpen in 't bloedrig lillend vleesch, 't warme vleesch, en aanwijzen
+en uitleggen, maar toch, 't zou me hinderen te weten op den duur, dat ze
+daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als processen-verbaal
+van mijn getob en gepeuter en waar je me mee aan zoudt kunnen komen,
+zeggend: Kijk, dat heb je geschreven! -- O laat me tot slot nog 'n
+beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten, even maar, over
+luchtige, lichte dingen!....
+
+Want, waarachtig! 't Zou ten slotte ook wel gaan lijken of ik niet jong
+was en levenslustig! Zeg, kerel, je moet niet gaan denken dat ik somber
+ben of zwartgallig of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk
+en goedhartig. Ik ben 'n opgeruimd zakenheertje, ik ben 'n lustig
+beursmannetje. Ik ben blozend, ik ben flink, ze vinden me 'n energieken
+jongen koopman op de Beurs en me kennissen mogen me graag lijden, want
+ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen, dat ze lachen rondom de
+koffiehuistafel en weer gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel
+van fuiven en ik doe 't ook dikwijls, ik kan 't ook goed en ik kan er
+ook goed tegen. Nog pas hebben we 'n beestig dolle pan gehad op André's
+nieuwe kamer op 't Rembrandtsplein. We hebben 't ingewijd, dat nieuwe
+feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, 't was 'n avond van
+uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig dronken voelen worden. Na 't
+souper hebben we 'n allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo'n
+ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je 'n knip wegtrekt. Nou,
+je begrijpt 't natuurlijk al. Sam deed 't, 'n heidensch kabaal!...... en
+rrang!, neer lag de rommel, en 't licht was uit. André stak 'n lucifer
+aan; daar zaten we allemaal op den grond tusschen de scherven en plassen
+wijn en vla, stil, in-eens stil van den schrik. 't Flikkerlichtje van
+den lucifer glimmerde maar even om onze rooie koppen, maar dat eene
+oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z'n groteske onwezenlijke
+dwaasheid........
+
+Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward, houd je goed en
+schrijf gauw weer aan je vriend
+ Bernard Bandt.
+
+
+
+
+II.
+
+
+In den avond van dien dag dus zou Bernard naar dat bal gaan. Het was een
+groote soirée dansante, die de heer en mevrouw van den Bosch gaven,
+omdat een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk van
+Enkhuizen.
+
+Bernard had 's middags op de Beurs een onaangename kwestie te bepraten
+gehad en was wat opgewonden en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij
+'n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend werk bezorgden.
+Korzelig was hij geworden en nog even voor zessen had hij om 'n
+kleinigheid een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij daarop
+zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat ging naar Kras, waar
+hij eten wou, liep hij zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot
+gelijk had gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat 't ook
+zoo vervelend was, dat je nooit 's iets overlaten kon, dat je om alles
+denken moest en dat al die bedienden ook zulke stomme lummels waren, en
+zoo onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar 't ging niet,
+hij kon zich niet overtuigen, machteloos voelde hij zich wegzakken in
+een onbehagelijk zich-bewust-zijn iemand beroerd behandeld te hebben.
+En, eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich die onvoldaanheid
+tot een algemeene ergernis over zijn eigen doen en zeggen, over zijn
+zich-niet-beheerschen-kunnen, over dien brief ook al, dien brief aan
+Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al laffe klachten schenen.
+'t Ergerde hem dat 'n ander nu ook wat weten zou van het leed, dat
+hij altijd hoogmoedig verborgen gehouden had voor iedereen, waar hij
+tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten in één hok met dat
+smartbeest, er mee vechtend in trotsch-mannelijken tweekamp, in
+eerlijken strijd als van man tegen man, 't beneden zich achtend hulp te
+halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward zou hem willen troosten,
+bemoedigen, opwekken, en dat is immers helpen. En hij soesde over 't
+plan den eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden.
+
+Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer in de nauwe
+straatvallei. Hij liep in 't midden, over 't nat-gladde asphalt in 't
+schichtig schaduwende halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen
+kwam, hier en daar wat opgehaald door een straatlantaarn, en boven
+was de nacht, een raggende oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de
+schuw-armoedige flarden wuifden tusschen de spookgestalten van de
+donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden stap, zijn hals en
+kin weggestoken in 't intiem-warme van zijn jaskraag, zijn handen in
+zijn zijzakken. En in eens in 't volle licht bij Kras, de vestibule
+doorloopend, en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord,
+opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig, erg alleen, vervreemd
+van alle menschen. Hij groette met een zwijgenden hoofdknik een paar
+kennissen, die luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de
+zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet kenden. 't Galmend
+geroep en 't borden-en-lepelgekletter en de etenslucht vooral, de lauwe
+benauwende etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht te
+kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder eenige behoefte 't
+zich behagelijk te maken. Tegen den kelner, die bij hem kwam staan met
+een spijzenlijst en vroeg wat hij zou eten, zei hij dat 't hem niet
+schelen kon, als 't maar gauw kwam. Toen ried de kelner met een
+aanbevelend lekker-genotlachje een schotel aan, en hij knikte dat 't
+goed was en ging toen zitten wachten, trommelend met zijn mes op de
+tafel, voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen en etende
+menschenhoofden, suf door 't roezig geraas en dien zoetigen weeën walm,
+opnieuw dof doorsoezend, zich klein en min voelend zonder te weten
+waarom ook weer....
+
+Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde lachen, een vetten
+vleezigen lach, en daarop ook zag een dik, glimmerig-rood boerengezicht,
+dat een grooten viezen mond scheef openzette, dom lachend, met 'n lage
+platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn breed-witte servet,
+toen keerde hij zich met plotseling weer wakkeren wrevel snel om en
+riep den kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen tijd had.
+'t Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van waar en hoe laat ook weer,
+was nu scherp van uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar
+voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met onaangename
+bevreemding dat 't al half zeven was. En die partij begon om acht uur.
+Hij moest zich nog laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op
+zijn kamer. 't Was een bruiloftspartij, daar mocht je niet te laat
+komen. De haast verwarde zijn denken; hij kon niet, als anders, de
+anderhalf uur, die hij nog voor zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog
+hier bij Kras, zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen 't
+eten eindlijk kwam, at hij 't gejaagd en schrokkerig achter elkaar op,
+slokken bier verzwelgend met een half vollen mond, betaalde, liet den
+kelner zeven stuivers houden omdat hij niet wachten wou op 't wisselen
+en liep haastig de restauratie uit, de straat op en den kapperswinkel
+in, die een paar huizen verder was.
+
+Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden.
+
+In een opkomende verheuging daarover trok hij vlug zijn overjas uit en
+liet hij zich neerploffen in een van de ruime leeren leuningstoelen waar
+zijn tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen 't koele
+leer rusten, en de kapper knoopte hem handig den frisschen witten doek
+om zijn hals en zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige
+krassen, heen en terug op 't stijf-stroeve leer, wat een aangenaam
+rhytmisch geluid gaf.
+
+Kwart voor zeven op de groote houten hangklok; hij begon zich rustig te
+voelen, had eigenlijk nog al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis
+zijn en op zijn gemak zijn toilet maken. 't Rijtuig kwam om kwart voor
+achten.
+
+'t Was stil in 't barbierszaaltje, dat in 't achterhuis lag, door den
+winkel gescheiden van de straat. Gejoel van straatjongens was flauw in
+de verte, niet storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch
+licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel en daaronder 't
+zacht vonkelend geglans van gepolijst marmer met kristallen flaconnen en
+glimmende scharen en kammen er op. 't Was warm in 't zaaltje, maar 't
+leer van zijn stoel aldoor lekker koel. En van den helwitten handdoek op
+zijn borst steeg een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden,
+vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil beeld in 't wijde
+spiegelmeer. Hij vond zich niet leelijk zoo, hij zag plotseling iets
+innemends in zijn gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in
+zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en hij kreeg een
+overmoedig verlangen naar 't feest, naar de lichte zaal en den gladden
+vloer en 't gewoel van menschen in feestkleeren en naar de jonge
+meisjes in hun lichte japonnetjes en 't dansen en lachen en flirten.
+Terwijl de barbier hem voor de tweede maal inzeepte en schoor, deed
+hij zijn oogen dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er
+aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van 't mes langs zijn
+strak-harde onderkaak verhoogde nog die sensatie van zijn voorkomen, hij
+voelde zich nu correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn
+wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode.
+
+Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat op, zacht streelend de
+malsch opkrullende haren, en hij voelde met wellust het trekken van zijn
+gespannen vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de vraag van den
+kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand wou hebben, antwoordde hij met
+een deftig minachtend dankje. Hij vond 't 'n beetje ploertig van den
+man zoo iets te vragen. En hij liet zich zijn jas opgeven, stak op
+zijn gemak een sigaar aan, en minzaam 'n praatje makend liet hij zijn
+abonnementskaart knippen, schoof bedaard zijn handschoenen op en ging
+den winkel uit, vriendelijk groetend den barbier en zijn vrouw, die
+achter de toonbank stond.
+
+Op straat, in 't gaan door de krommende Warmoesstraat, deed hij zijn
+best dat gevoel vast te houden, rechtop in kranige, overmoedige houding
+doorstappend, maar op den Vijgendam al, in de drukke volte, was hij
+'t in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming; zijn gedachten schoven
+onrustig van dit op dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder den
+indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep in zijn daagsch pakje op
+de vieze straatsteenen in de donkere volte, en dat hij straks keurig
+gekleed aanlanden moest in die ruimte vol licht, in dien kring van
+zich correct bewegende heeren en dames. Hij liep dus haastig door, wat
+voorover als gewoonlijk. 't Rokin langs tot het huis waar zijn kamer
+was, 'n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had de voorkamer op de
+eerste verdieping; beneden was een handel in zakkengoed, gedreven door
+een oud heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken aandachtig, bij
+stil lamplicht, in 't kneuterig klein kantoortje, maar boven was 't huis
+heelemaal donker.
+
+Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam en dadelijk was hij
+binnen en liep de onbekleede houten trap op, een oud wrak van 'n trap,
+met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden in 't armoedig
+schemerlicht van een petroleumlampje, dat boven in de gang hing. Onder
+de tree-randen gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten.
+
+Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in.
+
+Daar was 't heel donker; alleen langs 't plafond trilde zwak-strepend
+wat licht van een lantaarn buiten. Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak
+en stak zijn gaslamp aan, die in 't midden hing, boven de tafel. En
+in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op zijn gewone plaats, de
+ronde tafel, waar 't donkere tafelkleed rondom afhing, de stoelen en
+kanapee van dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en de
+dingen aan de wanden en op den schoorsteen, allemaal waren ze weer
+in-eens om hem heen en keken naar hem toen hij naar de ramen ging om
+ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten, eerst met de gelige
+ophaalgordijnen, die zakten met lammerige schokken, en daaroverheen de
+zware donkerplooiende overgordijnen. En toen ook de ramen muur geworden
+waren, ging hij naar de tafel, voelend dat achter en voor, naast en
+onder en boven hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in de
+stilte. En hij draaide 't licht wat hooger op, en kuchte uit behoefte
+aan geluid. Toen zag hij al de dingen nog scherper in hun verstijfde
+onbewegelijkheid, en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde licht,
+maar dat was van de kou, dacht hij; want 't was heel kil op zijn kamer;
+de kachel stond nog niet.
+
+Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar boeken op, bladerde er
+in en gooide ze weer neer. Hij vond dat verkleeden altijd zoo
+vervelend......
+
+Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt klonk 't koperen
+geluid van de schel, al verder...... En 't was weer stil......
+
+Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open, die met behangsel beplakt
+waren, dat schuurde langs 't kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook
+wat licht in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan, zijn
+waschtafel en 't houten kastje waar zijn linnengoed in lag. Daar ging
+hij naar toe en haalde zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde
+langs 't hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat schoongestreken
+linnen uit en de lucht daarvan en 't betasten gaven hem een nieuwe
+droomenvolte, een nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger gaan
+naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden, plichtmatig ruilen
+van warm-intieme voor kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei 't
+linnengoed op de tafel en haalde uit een andere kast in de alkoof zijn
+rok, die over een stijven houten hanger hing met slappe mouwen als over
+de hoekige hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn zwarten
+rok en vest en broek over een stoel en haalde zijn schoone overhemd uit
+de vouwen en hing 't er overheen, een vreemd slap doekengedoe om de
+glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk ding, dat hoekig en
+plompverloren neerlag, als een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten
+janklaassen. Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit en
+gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk in slordige plooien
+wegzakten, tot een onherkenbaar hoopje goed.
+
+Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd naakt uit kwam
+steken, nu geen heerehals meer, maar een stuk bloot mannelijf, dat
+kalvrig-nuchter afstak bij 't hoofd, dat nog wel 'n heerehoofd was, met
+netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging hij zijn handen staan
+wasschen, ze in 't water stekend tot over de benig-magere polsen, wat
+hem weer deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig
+rillend, en op zijn borst en achter, tegen zijn rug, voelde hij de kille
+lucht als een tocht. Vlug droogde hij zich af en trok toen ook, met
+snelle handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte van zijn broek
+en schoot de stijve, scherpgevouwen pijpen van zijn kamgaren rokbroek
+aan. Daarop begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd te doen, nu
+en dan blazend tegen zijn vingers, die peuterend aan die knoopjes
+blauwden van kou. Toen 't af was trok hij 't gekke, eigenwijs
+armzwaaiende ding over zijn hoofd en 't flodderde en zwabberde om hem
+met een scheurend geluid en schokte en plooide en rondde zich om 't
+lijf, 't beheerschend nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de
+been-enden er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon hij 't wit te
+bedekken met stukken dofzwart, die er omvielen in keurig-kantige lijnen,
+zoodat 't witte geblink alleen van voren bleef, rustig nu liggend,
+stil-deftig als 'n bevroren stadsgracht, ingesloten in 't warme zwart.
+En met ieder stuk kleeren ontkilde en vervroolijkte zijn stemming en hij
+begon zich netjes te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer
+plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust kwam terug met
+frissche scheuten. Intusschen was zijn juffrouw komen kloppen en had
+geroepen dat de vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de
+voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou, zijn hoogen hoed
+opstrijkend, dien hij daarna -- als voorloopig -- schuin op zijn hoofd
+zette. Zijn handschoenen stak hij in zijn zak en bedacht zich toen even,
+stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten had. En terwijl
+hij zoo staande droomerig voor zich keek, zag hij zijn kamer in
+eens met een nieuwen blik, in een aardig-scherp licht, als door een
+stereoscoop, met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en intiem,
+en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten, met een boek, en dan
+de vreemde sensatie te hebben van daar op zijn eigen kamer te zitten in
+galakostuum, tot verbazing van de meubels en de dingen aan de muren.
+Maar hij deed 't natuurlijk niet, hij nam zijn overjas van den kapstok
+en draaide 't licht uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich
+afdraaiend, en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam voelend
+als een prins, die afklimt in een ellendige kelderwoning. En snel wipte
+hij over 't trottoir en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte,
+terwijl hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest, 'n bekend
+huis-voor-feesten op de Keizersgracht.
+
+In 't rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog kouder dan daarnet op
+zijn kamer (hij dacht er even aan terug met een gevoel van genegenheid)
+en de raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij 't schokkend rijden
+over de hobbelige straat. Hij zat te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed
+weer opstrijkend, en begon toen langzaam zijn handschoenen over zijn
+halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar was streek hij met een
+mouw van zijn overjas wat wasem van 't eene raampje en ging naar buiten
+zitten turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de menschen in 't
+rosse avondlicht, zacht sissend tusschen zijn tanden een wijsje, dat hij
+zelf niet hooren kon door 't geratel en de straatgeluiden.
+
+Met 'n schok stond 't rijtuig stil in de file. 't Stond wachtend stil,
+schokte rommelend 'n endje naar voren, stond weer stil en wachtte, en
+dat deed 't nog een paar maal. Tot hij, door 't opnieuw morsig bewasemde
+raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren in lichte sorties zag komen
+uit 't rijtuig dat voor 't zijne stond; en hortend en stootend schoot
+de doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die de breede stoep
+overkapte. Met een ruk werd zijn portier opengegooid en hij voelde zich
+er uitkomen in een golf van nattig-kille buitenlucht. "Niet terugkomen!"
+riep hij den dikgeduffelden koetsier toe, hem vlug 't fooitje
+toereikend, dat hij klaar gehouden had en meteen ging de deur
+open en verdween hij in den lichten buik van het groote donkere
+Keizersgrachthuis.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Eerst naar de garderobe om zijn hoed en overjas af te geven. Die was
+achterin de marmeren vestibule; 't was daar ook al kil, kelder-kil; de
+gekuitbroekte kelners, dikke bejaarde mannen, en de dienstmeisjes
+van mevrouw, opgeprikt, in 'r Zondagsche japonnen en witte garen
+handschoenen, en gestreken mutsen met stijve witte strikken onder
+de kinnen, deden strak-deftig en fluisterend hun werk. Een paar
+heeren-gasten, jonge menschen, trokken heel langzaam met quasi-luchtig
+glimlachende gezichten hun handschoenen aan en drie jonge meisjes
+stonden vluchtigjes te schikken en te plukken aan kapsels en japonnetjes
+en te ginnegappen, zacht, zenuwachtig fluisterend met kleine gilletjes,
+terwijl 'n statige grijze ma, wachtend, gereed om naar binnen te
+stappen, hen zwijgend opnam door haar hoornen lorgnon.
+
+Bernard kende ze niet. Hij bewoog zich met een onverschillige kalmte.
+Hij was dadelijk geholpen en klaar. Maar -- gaande, geluidloos, over den
+dikken looper naar de deur van de zaal rechts, de ontvangzaal -- hoorde
+hij 't gegons van het feestgezelschap en voelde hij zich wat beklemd
+worden, in-eens scherp wetend, dat hij daar dadelijk binnenkomen zou en
+dat veel menschen, die dat al achter den rug hadden, die al binnen
+waren, veel nare wereldwijze dames en heeren, naar hem kijken zouden,
+en misschien even lachen of een opmerking maken over niets, over een
+grooten of een kleinen stap, de houding van een arm, over een naar
+voren hangend vlokje haar........
+
+En toen de deur openging, en 't gegons snel opklaterde tot druk gepraat
+en gelach, en de lichte zaal in eens over en om hem was in helle
+schittering van spiegels en pracht van kleuren, en de feestmenschen
+daar stonden, rustig poseerend, lieverig glimlachend, in groepen, aan
+weerskanten van het pad dat naar de gastvrouw voerde, toen werd het
+erger en voelde hij iets van angst, iets belemmerends; 't duurde maar
+een oogenblik, want hij stapte met een erg ernstig gezicht vlug door,
+recht tusschen de menschen door, naar de vriendelijke oude dame, de
+gastvrouw, die hem allerhartelijkst verwelkomde. En hij gaf ook een
+hand aan den gastheer, een beursman, een vrind van zijn oom, een goeden
+bekende; en rondkijkende voelde hij zich toen dadelijk bedaard worden,
+want eigenlijk waren 't bijna allemaal goede vrinden en kennissen. Daar
+hadt-je Sam en André, Hendrik, en Hugo en Kees. En aan den anderen
+kant, bij de meisjes, daar stonden Betsy en Marie en Jo en Lize en
+Doortje......
+
+En 't dikke kleed was wollig en week, zoodat stappen geen geluid gaven,
+en overvloedig avondlicht lag wijduit van de zware kristallen kronen,
+die schitterden als reusachtige bouquetten van licht, warm wijduit over
+'t diep-donkerrood van wanden en sofa's en over de glanzende kapsels van
+meisjes en vrouwen en het dofdonzige, luchtig gepoederde vel van haar
+halsen en armen en over den kleurenrijkdom der lichtende zij-golven en
+de rustig-matte tinten van tulle en kant.
+
+De mannen stonden bijeen in groepen als compagnieën feestsoldaten
+in hun zwart-en-wit uniform, verbroederd door die eenheid van kleedij,
+verschillend alleen in lengte en statuur, en in hoofden die ze droegen
+boven de glimmende witte halsboorden, intelligente en domme, nobele en
+ordinaire hoofden.
+
+Hier en daar ging zoo'n zwart-en-witte tusschen de veelkleurige
+japonnen en spraken de goedig grijnzende, wijsdoende mannenhoofden tegen
+de zelfbewuste, pretentieuse meisjeshoofdjes, en ook stonden kale en
+witte koppen kraaklachend gekheid te maken met de jonge meisjes, terwijl
+de oudere dames, met 'r dikke grijze haartoeten en stroef-lieverig
+geglimlach zich bijeengeplant hadden, rechtop, deftigdoend en neigend
+met waardigheid de gewichtige hoofden. Soms was er een geluid van
+gemaakte, onnatuurlijke stemmen, geaffecteerd welwillend, gewild
+voornaam, waarover dan weer frisch als 'n emmer water een prettige open
+schaterlach of luid gepraat op eenigen afstand tusschen een paar goede
+vrinden. En de avond-warme lucht, doorgeurd, doorzoeld van velerlei
+parfumerie, wekkend weeke gedachten aan vrouwen-intimiteit en, nauw
+merkbaar, van onderop, het zijïge ritselen van rokken als gefluisterde
+beloften van weelde en heimelijk genot.
+
+Bernard, nu heelemaal rustig en slagvaardig, ingeleefd in 't
+bal-bestaan, ging van den een naar den ander, vrinden en vrindinnen
+aansprekend, en liet zich voorstellen aan onbekenden, altijd gereede
+luchtige praatjes vindend in zijn bedaard hoofd, waarin het diepere
+gesoes nu als verdoofd, als sluimerend was, weg in de zware slagschaduw
+van het feestlicht.
+
+Zoo, al gaande tusschen de menschen, kwam hij ook tegenover Betsy Franck
+te staan en dat was een blijde ontmoeting, een hartelijk handengeven en
+vroolijk elkaar in de oogen kijken. Vroeger, vier, vijf jaar geleden was
+Bernard erg verliefd geweest op Betsy en zij had hem ook graag mogen
+lijden, maar ze was toen zeventien, hij amper twintig; 't was niets
+geweest, een onvolwassen, vluchtig gevoel, een kalverliefde. Zij was
+toen naar een Londensch kostschool gegaan, en hij had gereisd en 't
+altijd druk gehad, terwijl ze weg was, en toen ze terug was gekomen
+hadden ze allebei gemerkt dat 't uit was. Dat was in 't eerst een beetje
+pijnlijk geweest, ze waren een poos wat stuursch en kort tegen elkaar
+gebleven en de een was den ander liefst uit den weg geloopen in een
+niet-te-verdedigen gevoel, een mengsel van schaamte en rancune, maar 't
+was of ze gelijkertijd beiden 't onnoodige en onzinnige van zoo'n ietwat
+vijandige houding hadden gevoeld; -- 't was ook immers niets geweest,
+wat geflirt en gedweep op wandelingen in lichte lentedagen, wat gespeel
+en gestoei in zoele zomeravonden en toen een kort afscheid en één enkele
+blik van aarzelende teederheid; 't was niets geweest, niets! -- dat
+hadden ze in-ééns allebei begrepen en toen waren ze goede vrinden
+geworden, vertrouwelijk en hartelijk en prettig-gewoon met elkaar en
+over vroeger spraken ze nooit meer.
+
+Maar soms als hij bij haar was voelde Bernard nog wel wat 't was
+geweest, dat hem toen zoo bekoord had, dat zachte, goeddoend zachte, dat
+troostende, opwekkende zachte, in de oogen en de trekken van den mond en
+in de stem vooral, de hartelijke warme stem, en dan dat vroolijk-reine,
+hoog-onschuldige, wat je aandoet met een gevoel van ridder-zijn, van
+willen verdedigen 't teere goede tegen 't felrobuste booze, en hij
+voelde 't met weemoed, want de bekoring was nu niet sterk meer, en zeker
+lag dat aan hem, zeker was hij minder vatbaar voor indrukken van het
+goede, was hij zelf minder goed, onreiner geworden. Hoe kwam 't anders,
+dat hij haar zachtheid nu dikwijls zoetig, wee-lieverig, overdreven,
+sentimenteel vond, dat haar goedhartige belangstelling in alle menschen,
+in al wat er met hen gebeurde hem nu soms wat wrevelig maakte en geneigd
+tot ruw-cynisch plagen. Met weemoed herdacht hij in zoo'n oogenblik zijn
+geloof aan de echtheid van dat lieve doen en voelde hij zich ouder
+geworden en leelijker....
+
+Hij had haar gevraagd, met een plagenden glimlach, of ze André al wel
+gezien had, waarop ze, ook lachend, met een zoet-klagend stemmetje
+geantwoord had: "Ja, maar hij schijnt niet naar me om te kijken van
+avond", en nu stonden ze te praten, intiem, over de partij en de
+menschen, en waren nog samen toen een geritsel kwam en opgeschuif in de
+zaal, de menschen drongen op in veelhoofdige rijen aan weerszijden van
+de deur, zoodat er een breed pad open kwam naar 't partij-gevend paar
+bruidsouders. Er naderde geluid van korte bevelen uit de vestibule, en
+in de groote zaal, die aan de ontvangzaal grensde, was in-eens hoog
+opgegier van strijkmuziek; de menschen verstomden. En toen hoorden ze
+dat 't het bruidskoor uit Lohengrin was en keken ze allemaal naar de
+deur, die openging nu. Vier heel jonge bruidsmeisjes, die zongen met
+zenuwachtige zwakke stemmetjes, kwamen binnen en in hun midden het
+bruidspaar. De blonde bruigom, blij stappend, met een lachend gezicht,
+overmoedig en vierkantig doend om zich goed te houden, en de bruid, de
+witte bruid, wat bleek, wat schuchter, lachend met de oogen alleen tegen
+de menschen-gestalten waar ze ruischend langs ging. En 't glundere
+moedergezicht hun tegemoet en de vader ook, pogend zijn verlegenheid te
+verbergen met een joviaal air van zijn schuin-achterovergegooiden kop en
+een armgebaar van gulheid, en toen een gezoen en gelieflach en een
+algemeen luidruchtig gedrang om hen heen, een druk groeten en handen
+geven........
+
+In 't gedrang toen ze binnenkwamen was Betsy voor Bernard komen te
+staan. Ze was kleiner dan hij. Vlak voor zijn mond en neus waren haar
+dof-glanzende, bruine haren, haar zacht geurende haren, achterop het
+hoofd samengedraaid in een wrong, zooals de oud-Grieksche vrouwenbeelden
+'t hebben. En iets verder, schuin onder zijn kin, was 't poezelzachte,
+warm-fluweelige vel van haar hals, rustig liggend, als een zonnig
+blank meer, in de strakke spanning van de blauwzijden japon, die,
+rond-uitgesneden, opstreefde aan de schouders, de weeke, innige
+rondingen verbergend onder groote blauwe strikken. Fijntjes kroesden
+aan den week-bleeken bovenhals de lichte jonge haren, die te kort waren
+om meegenomen te worden in den wrong.
+
+Hij had er half-bewust van genoten; de geur van haar lijf had hem licht
+bedwelmd en even had een gevoel van onrust en nerveus verlangen hem
+doorhuiverd, toen ze, met 'n eenvoudig gebaar den ritselenden rok van
+den grond tillend, haar blooten bovenarm, den donzigen ronden arm tegen
+zijn mouw aangebracht had.
+
+Maar bij de begroeting van 't bruidspaar verloren ze elkaar en toen
+werden er dadelijk balboekjes uitgedeeld en begon ook Bernard zijn
+afspraken te maken, slank gaande door de menschengroepen, van Marie naar
+Jo, en van Jo naar Lize, en van Lize naar Ada, en hij werd voorgesteld
+aan een juffrouw van Keppel. Mimi heette ze. Die gaf hem de eerste
+lanciers en hij wist dadelijk dat hij dien heelen avond, en veel
+volgende dagen misschien, verliefd op haar zijn zou. Snel -- als in een
+stijf-deftig gezelschap een plotselinge lust tot dwaas doen -- was die
+aandoening in hem opgeschokt. Kwam 't door haar oogen, de wijd-open,
+brutale spot-oogen, van een vreemd groenachtig-blauw en helwit, oogen
+die altijd lachten, spotlachten, kwam 't door haar mond, den ferm
+geslotenen, pittig hoekenden mond, kwam 't door de rechte figuur, die
+elegant was zonder buigzaamheid, of door de stem, ja door de stem zou 't
+komen, dacht hij, want die was heel bizonder, zwaar, grof, vol harde
+rauwe klanken; ze sprak vlug, de woorden afkauwend met 'n energieke
+positiefheid, zonder slepen of hakkelen, ze liet de r schor uit haar
+keel komen en de s siste scherp tusschen de dan even glinsterende
+tanden. Er was niets melodieus in die stem en Bernard herinnerde zich nu
+ook hoe hij wel door andere meisjes over haar had hooren praten, met een
+zekere vrees, als van "dat meisje met die mannenstem". Maar hem had ze
+bekoord, dadelijk, en 't was ook haar stem niet alleen, en ook niet
+enkel de wellustig-benauwende odeur waarmee ze zich geparfumeerd had, 't
+was zij, zij heelemaal, zooals ze daar stond met het room-blanke hoofd
+boven 't dofgroen van haar mousselinen baljapon, het fiergedragen hoofd
+overhuifd met een glanzing van rosblonde haren. Ze had iets wilds, iets
+ongetemds, iets brutaals en kwajemeidachtigs, maar toch was ze 'n dame.
+Ofschoon niet mooi, had ze iets onbeschaamd-overmoedigs, als voelde ze
+zich koningin van 't bal. Hij vond haar ontzettend pikant.
+
+Ze scheen ook al gemerkt te hebben dat ze Bernard gecharmeerd had, want
+telkens als hij later naar haar omzag, keek ze hem aan, spotlachend
+en brutaal. Van haar was hij naar Doortje Post gegaan, die een
+vroolijk-open kindersnoetje had, ronde wangen en een opwippend
+bovenlipje. Hij vond Doortje anders altijd allerliefst, maar nu....
+ocho...... 'n goedig kindje, onbeduidend. En Betsy sprak hij weer aan en
+vroeg haar een polka-mazurka, want met zulke zware meisjes danste hij
+liefst een rustige polka-mazurka, en 't viel hem van avond al bizonder
+op, zoo zwaar als ze geworden was, Betsy; voor haar staande dacht hij
+oneerbiediglijk aan een van de weldoorvoede konijnen van zijn oom in
+Hilversum, dat eene, dat donzige witte, en zich in-eens herinnerend zijn
+vage emotie van zooeven toen hij bij haar gestaan had in 't gedrang,
+kon hij zich die niet begrijpen en lachte hij zich uit in zijn ziel. En
+omkijkend zag hij ook Mimi lachen met de houding van een prinses en de
+oogen van een fabrieksmeid.
+
+En onder 't buigend verder gaan van Betsy naar Frieda, die stijve
+strakke Frieda, dat mal-trotsche nest, en naar Anna van der Hoeven, zijn
+goede vrindin, was 't hem of er een nieuw leven in hem gevaren was,
+waarbij 't vorige enkel belachelijk goedig gedoe scheen, groen en
+schapig. Terwijl zijn mond gewoon-maatschappelijke dingen zei tegen
+Anna, stond hij zich te fantaseeren een vreemd-vrij bestaan, een
+zwerfleven, een rooversleven, een trotsch gaan door bosschen en
+gebergten, naast hem: zij, zijn maitresse, gewapend, als hij zelf, met
+dolken en pistolen. En terwijl zijn hand zijn naam opschreef in Anna's
+balboekje voelde hij de begeerte naar zoo'n wild bestaan met haar
+branden in zijn polsen. Met 'n overgegeven gemoed gaf hij toe aan den
+wellust van die fantasie.
+
+Maar toen nam Anna hem mee naar een meisje, dat, een beetje afgezonderd,
+bij den schoorsteen stond in de houding van iemand, die zich niet thuis
+voelt. Ze scheen 'n jaar of twintig te zijn. Ze zag wat bleek, haar
+oogen lagen diep in grijze schaduw. Haar japon was heel eenvoudig,
+van een roomkleurige stof met een breede ceintuur en een paar groote
+strikken van geel satijn. Anna sprak haar aan, op hartelijken toon met
+een zweem van medelijden. "Lucie, mag ik je 's even voorstellen: meneer
+Bandt,.... juffrouw Tadingh." Toen ging ze weg en Bernard maakte, met
+mondainen glimlach, zijn buiging, een overdreven-diepe buiging, maar
+toen hij Lucie aankeek, schaamde hij zich plotseling. Hij voelde zich
+gestoord, betrapt. Hij voelde dat zijn galanterig doen genegeerd
+werd; die zachte, klare oogen keken recht in zijn ziel, met iets van
+verwondering en stil-diepe aandacht. En 't was hem plotseling of hij
+droomde, of 't niet mogelijk was in die zaal die oogen, dat droge pure
+oogenlicht. Hij had een oogenblik van verlammende verwarring. 't Was
+als een visioen, een verschijning. Duidelijk voelde hij zich staan, in
+zijn balkostuum, gansch alleen op een stille eenzame weide, onder een
+doorschijnend wit-lichten avondhemel.... Er was vage benauwing in zijn
+droom....
+
+Maar met inspanning, terwijl hij even voor zich keek op den grond,
+herstelde hij zich, een muur van gewoon redeneerend gedenk optrekkend
+achter zijn oogen, en hij zag haar weer aan, voorbereid nu, zich veilig
+voelend, koel-bestand tegen den blik van haar blauw-grijze oogen, zoo
+zacht en goed en dof-weemoedig, zoo wondervreemd contrasteerend met de
+donkere wenkbrauwen en 't kroezige zwarte haar. Hij zag dat zij rood
+geworden was, egaal rood tot in den hals en over haar oogen kwam nu een
+vochtige glans, als was er een traan over gegleden. Nu schenen ze zacht
+te verwijten en te vergeven tegelijk, alsof ze zijn onrust begrepen had.
+
+Hij begon een gewoon balpraatje, over de zaal, over den avond, over
+het bruidspaar, vlug-sprekend maar telkens abstract, glimlachend, maar
+zich innerlijk aldoor 'n beetje ergerend over zich zelf, over de
+onbeduidendheid van zijn gepraat, en omdat hij zich niet heelemaal
+rustig en op zijn gemak voelde met zoo'n doodeenvoudig meisje. Zij
+was zich niet zoo gauw meester, ze moest zich blijkbaar inspannen om
+antwoorden te vinden, en die schenen dan niet uit haar te komen, die
+scheen ze voor te lezen uit een denkbeeldig boek. 't Was of ze 't praten
+niet gewoon was. Ze klaagde dat ze weinig menschen kende van die hier
+waren. Hij zei, dat 't altijd interessant was nieuwe menschen te leeren
+kennen, dat hij haar immers ook niet gekend had voor van avond, maar nu
+toch heel blij was dat ze was gekomen. Hij hoorde dat complimentje
+zelf pas toen hij 't al gezegd had, en hij keek haar aan en zag dat er
+in-eens blijheid in haar oogen was, ware blijheid. Hadden dat zijn
+woorden gedaan? Toen schaamde hij zich opnieuw, niet brutaal genoeg om
+dat onverdiend succes rustig te aanvaarden, en hij bloosde, vlug-vragend
+naar haar balboekje, en met een quasi-ernstig gezicht, fronsend zijn
+wenkbrauwen, vergeleek hij haar boekje met het zijne en besprak de
+tweede lanciers, ofschoon zij verlegen protesteerde, zeggend dat ze dien
+dans niet kende. Maar hij zei een paar maal dat 't wel gaan zou en boog
+haastig, 'n beetje schutterig en excuseerde zich, eigenlijk niet wetend
+waarvoor, en hij liep naar Marie van den Bosch, want hij hoorde de
+muziek van de polonaise.
+
+Hij voelde zich onbehagelijk gestoord in zijn lekkere stemming van
+verliefde fantasieën, hij vond dat hij toch ook belachelijk weinig
+optreden had, een kinderachtig totaal gebrek aan pose, en naar Mimi
+kijkend verbeeldde hij zich dat ze hem uitlachte. Hij begon zich
+vernederd en lam te voelen, een jongetje; hij moest al zijn best doen om
+niet stil te worden, want dat mocht natuurlijk niet, er moest gepraat
+worden, want Marie van den Bosch was een zusje van de bruid; er moest
+veel gepraat worden over het bruidspaar en het feest. En hij praatte
+zich dan ook langzamerhand weer in een dragelijke stemming, ofschoon
+maar matigjes geboeid door dat Marietje; zij was een aardige balpop,
+mooi, vroolijk en gedistingeerd; hij zou zich anders wel met haar
+geamuseerd hebben, maar nu had 't gedartel van haar blikjes en woordjes
+niet veel vat op hem. Maar het licht in de danszaal en het gaan op de
+maat van muziek, het gevoel van veerkracht in zijn leden, maakten weer
+een man van hem, maakte dat hij zich weer begon te voelen de sterke,
+die haar aan kon, haar, Mimi. Telkens keek hij om naar haar met
+steels-begeerende blikken.
+
+Een lange stoet van mooi-gemaakte menschenparen was uit de ontvangzaal
+in de danszaal komen stappen, rustig gaande in de langzame marschmaat,
+zich krommende in de hoeken en wijduitgeslingerd nu over den glasgladden
+dansvloer. De slanke stoet schreed voort met princelijke passen, blij
+omgolfd door diepten van licht, door 't alompralende feestlicht, dat
+zich verdubbelde in de spiegels en den glimmenden vloer. En de voorste
+twee reikten elkaar de hand en stilstaande hieven ze hun ineengeslagen
+handen op tot een poort, waar de volgenden bukkend onderdoor gaan
+moesten, om dan ook stil te staan en een poort van armen te maken, en
+zoo deden al de volgende paren, en er was vroolijk gegons van stemmen en
+gelach van menschen, blij zich ongestoord te mogen verlustigen, zonder
+dat het gek stond, want ze hadden nu immers niets anders te doen, al hun
+dagelijksche getob werd genegeerd door dit vrije, luchtige, kinderlijke
+spelegaan. De gewichtige gezichten van de oude deftige dames doken
+lachend en rood van 't bukken van onder de armenpoorten op; boven de
+handen lachten de hoofden elkaar toe, en, toen na 't spel de stoet weer
+voortging in wijde bochten slangend door de zaal, waren de bewegingen
+losser en vlugger geworden, was 't of de muziek in de leden getogen
+was, ze lichter makend en veerkrachtiger. En nog andere menuetachtige
+dansfiguren voerden de paren in optocht uit. Maar plotseling, met fel
+gekras der violen, daar ging de muziek in een polka over, en dat gaf
+rumoerige verwarring, de oude menschen vluchtten uit den stoet en
+zetten zich op de sofa's, die tegen de wanden stonden. Maar de jonge
+paren polkeerden op, aldoor draaiende om zich zelven als tollen
+die gelijkertijd opgezet zijn, als gezweept door de muziek en
+uiteen dwarrelend dan door de heele zaal. In grillige springpas,
+cholerisch-ongracelijk, hupten en zwierden ze elkander voorbij, een
+verbijstrend gewirwar van al maar verandrende kleurencontrasten. Vreemd
+als een plotselinge wilde bezetenheid, gevaren in menschen, die
+polkaroes......
+
+Bernard danste met Marie. Hij hield niet van die wilde
+polka-bokkesprongen, afmattend, échauffeerend zoo vroeg al in den avond.
+Gelukkig duurde 't niet lang. Met af en aan snerpende accoorden kwam de
+muziek tot zwijgen, het dansen verliep in een loomen gang; er viel rust
+in de zaal; de menschen vereenden zich tot groote groepen in de hoeken
+en langs de wanden.
+
+Marie viel quasi-afgemat op een sofa en Bernard ging pratend voor haar
+staan, haar warm gezichtje bewuivend met haar waaier van donzen witte
+veeren. Toen kwam van den overkant van de zaal Mimi kalm aanloopen en
+vlijde zich met gratie naast Marietje. Ze scheen niet te letten op
+Bernard, maar ging druk zitten praten met het zusje van de bruid, om die
+een compliment te maken over haar toilet en te zeggen hoe dolheerlijk ze
+'t feest vond. Ze bedekte haar gezicht, schijnbaar achteloos, half met
+een zwartkanten waaier, zoodat het roomblanke vel er verleidelijk
+bovenuit kwam, en alleen haar oogen dwaalden soms af, schuin naar boven,
+naar Bernard, die aldoor naar haar keek. Haar blik was dan koud,
+dof-abstract, om dadelijk weer vreugdevol te schitteren als ze
+doorpraatte tegen Marie.
+
+Toen sprak Bernard haar in-eens aan, luid en wat bruusk: "Hebt u altijd
+in Amsterdam gewoond, juffrouw van Keppel?"
+
+Ze keerde zich naar hem, dadelijk weer met dien spotlach, en haar blik
+recht in den zijnen antwoordde ze: "Ja meneer."
+
+"Hoe vreemd, dat ik u dan nooit vroeger heb gezien...."
+
+"Och!.... u zult niet op me gelet hebben!...."
+
+"Ik zou zeker wel op u gelet hebben, als ik u ontmoet had."
+
+"Heel beleefd van u, heel vleiend," zei ze met een leuk lachje. "Maar ik
+heb toch indertijd 's een partij bijgewoond waar u ook was.... U hebt
+toen heusch geen notitie van me genomen.... 't Is ook al weer 'n paar
+jaar geleden.... 'n Koperen bruiloft!.... Betsy Franck was er ook, weet
+u 't nog wel?.... In Odéon was 't...."
+
+En toen ze dat gezegd had met haar plagend glimlachje, keerde ze zich
+weer naar Marie en praatte dadelijk over heel wat anders, maar Bernard
+zei nog, langzaam 'n beetje blozend: "O ja!.... o ja!...." en kuchte om
+zich een air te geven, want hij herinnerde 't zich nu heel goed; dat was
+nog in dien tijd van Betsy geweest, wat 'n jongetje was hij toen nog,
+wat 'n goed-onschuldig ventje!....
+
+De violen begonnen een wals te spelen en er werd geroepen: Wals!....
+wals!.... En Bernard boog diep voor zijn dame en kreeg op zijn weg nog
+een blik vol overmoedigen spot van Mimi mee. Hij stak de zaal over naar
+Anna van der Hoeven, die dadelijk opstond, want ze hield dol van walsen
+en ze wist dat Bernard 't goed deed. Ze praatten niet veel en waren
+onder de eersten, die dansten. Bernard zag Mimi nog zitten op die sofa,
+kijkend over haar zwarten waaier, en zag André op haar afkomen, en zag
+hoe ze hem ontving, met dienzelfden blik, dien coquetten spotblik en hij
+voelde zich in-eens jaloersch worden op André. Maar ze stonden op en ze
+dansten ook en in de snelle draaiing van de wals verloor hij ze uit 't
+oog.
+
+En zich nu meer gevend aan den dans, met een wreveligen lust om dat
+meisje nu 's even uit zijn hoofd te zetten, sloeg hij zijn arm wat
+verder om Anna's middel en begon hij zijn passen met zorg te maken,
+netjes zijn voeten zettend, zooals 't hoort, om weer heelemaal dat
+gevoel te krijgen van correcten meneer, wat hij gehad had bij zijn
+barbier, en hij luisterde naar de slepende violentonen, en nu nam de
+dans hem mee en hij liet zich gaan, hij hoefde zijn voeten niet meer te
+zetten, ze gingen van zelf. Hij voelde zich wiegen op de walsmuziek,
+zoetjes deinend als op lange kalme golven, op zee bij zacht zomerweer,
+oprijzend en wegzinkend, aanglijdend en afzakkend. Anna vergat hij; hij
+voelde niet meer dat zijn arm om haar lijf lag, hij voelde haar één met
+hem in 't gelijke maat-gaan van hun lijven; even maar werd hij herinnerd
+aan haar toen ze, als in extase, met moeite fluisterend, zei: "'t Gaat
+heerlijk, hé?" De weelde van den dans bezat hem heelemaal, hij genoot.
+En zonder vermoeienis, van-zelf bewegend, walsten ze door, gedragen door
+de muziek, de weekslepende Myosotiswals; opgewonden, half-bedwelmd door
+den dans, zweefden ze, scheerden ze over den dansvloer, licht als een
+droog blad dat snel draaiende wegwaait over den harden bevroren grond.
+
+Maar eindelijk viel Anna met een schok terug in zijn arm. "Ik kan niet
+meer," zei ze, lachend, licht hijgend, en ze vielen neer op een paar
+stoelen in een hoek van de zaal. Anna wuifde hun beiden koelte toe met
+haar waaier. Daar kwamen Mimi en André aan. Ze dansten goed, ze dansten
+heel goed samen, alleen ze hield haar bovenlijf wat te veel voorover,
+bijna raakte haar wang André's schouder. Hun voorbij walsten ze,
+draaiend, ruischend. En onophoudelijk zwierden andere paren aan, de
+heele zaal was in walsgolving, de muziek walste door de zaal, 't was àl
+harmonie van klanken, licht en kleuren, de muziek scheen in de kleuren
+te zijn en de kleuren in de muziek. En wéér kwamen ze aan, André en
+Mimi; haar wangen gloeiden. Bernard zag even 't genietend glanzen van
+haar oogen. Mooi was haar rank lijf tippend vederlicht om de zwarte
+figuur van haar danser.
+
+"Ken je Mimi van Keppel?" vroeg Bernard aan Anna.
+
+"Of ik haar ken?.... Nou, 'k zou 't wel denken,.... maar al te goed...."
+
+"Hoe dat zoo?...."
+
+"We waren samen op kostschool in Bonn.... 't Is 'n lieverdje, hoor!....
+Heelemaal geen vrindin van me!........"
+
+"Wat heeft ze daar toch voor booze dingen uitgehaald op dat school? Ik
+hoorde er alwat van mompelen, hier en daar...."
+
+"Wèl!.... Nou, jou wil ik 't wel zeggen, maar je moet er nooit over
+spreken, hoor!.... 't Was eenvoudig verschrikkelijk! Ze stal allerlei
+dingen van ons, andere meisjes, en als je haar wat dorst te zeggen werd
+ze woedend en sloeg er royaal op...... Eén van de meisjes heeft ze een
+haarspeld in 't hoofd geslagen.... Dat had nog heel leelijk af kunnen
+loopen...."
+
+"Maar waarom werd ze dan niet weggejaagd?"
+
+"Och, je begrijpt toch, zoo'n directrice maakt niet graag standjes....
+Haar vader betaalde goed, denk ik.... En dan had ze altijd de leeraars
+op haar hand, want die wist ze wel in te pakken, coquet nest dat ze
+is!...."
+
+Bernard lachte. "Zoo?.... Is ze zoo'n Carmen?"
+
+"Nou!.... 'n Echte jongensgek, wat je noemt, hoor!.... Maar ik zou haar
+niet vertrouwen als ik 'n man was."
+
+Weer kwamen ze aan, wandelend nu. André wischte zich 't bezweete
+voorhoofd af. Ze fluisterde achter haar waaier en hij lachte hardop om
+wat ze zei. En in 't voorbijgaan keek ze Bernard aan, een blik gloeiend
+van triomf en overmoed.
+
+"Ik ga nu met 'r dansen," zei Bernard.
+
+"Zoo!.... Zeg, vooral niets laten blijken, hoor!.... Pas op, ik zou
+woedend zijn!"
+
+"Och wel nee! Natuurlijk niet. Waar denk je aan!"
+
+De muziek zweeg. Maar Bernard, gemakzuchtig, bleef nog zitten bij Anna.
+Hij zag er tegen op Mimi te gaan halen. Hij voelde zich wat beklemd
+worden; zou ze met André over hem gelachen hebben? Hij moest nog een
+houding zoeken tegenover haar en er was geen zier geest in zijn warm
+hoofd. Maar Sam kwam al naar Anna toe.
+
+"Heb je al 'n carré," vroeg Bernard.
+
+"Nee, willen we 'r een formeeren," vroeg Sam. "Wacht dan even nog, dan
+zal ik André ook vragen." En hij liep weer weg, Bernard kon nog even
+blijven zitten. Want hij kon immers Anna niet alleen laten.
+
+Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André en Hendrik Schot
+afgesproken. En hij nam Anna mee, Bernard aansporend met 'n: "kom, moet
+jij nu je dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je plezier,
+gauw 'n beetje!"
+
+Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar toen in-eens ernstig
+wenkbrauwfronsend, richtte hij zich op, heel recht, en liep zoo naar
+Mimi toe, statig en met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct
+en zwijgend.
+
+"Ik was al bang, dat u me vergeten zou," zei Mimi, hem aankijkend van
+terzij, en alvast spotlachend om 't complimentje dat ze verwachtte. Maar
+hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar, deftig stappend,
+naar de plaats waar de drie andere paren al wachtten.
+
+En de quadrille begon. 't Ging keurig in hun carré. Hendrik Schot
+alleen, die er niet veel van kon, vergiste zich dikwijls met zijn stijve
+stappen en de dwaze draaien van zijn houterig lichaam en deed de anderen
+lachen door 't gekke gezicht waarmee hij 't dan in zijn verlegenheid
+goed maken wou. "God, God! wat 'n hein! wat 'n hark!" hoorde Bernard
+Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste.
+
+Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar
+trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van
+opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar
+uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder
+haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem
+zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed
+zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem
+aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte
+lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard's
+blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes.
+Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand' chaine. Keurig, als paardjes in
+een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een
+stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen,
+elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de
+gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi's hand een
+oogenblik in Bernard's hand. Maar elken keer, even voordat die handen
+uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even
+maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond 't brutaal, maar 't
+streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze 't
+durfde doen, maar 't kostte hem inspanning koel en strak te blijven,
+zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog
+deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve
+plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht
+in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in 't voorbijgaan trof
+hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding.
+
+Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich
+zijn aandoening niet meer meester, bij 't "balancez à vos dames"
+vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging
+in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi's leest. Ze
+dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met
+haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans
+alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken
+van genot. 't Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was
+bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer
+last van had. "Nee, anders nooit," zei hij. En zij lachte weer, met
+oogen die 't begrepen.
+
+Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend,
+optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou
+worden ter eere van het bruidspaar.
+
+Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven,
+maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de
+zaal, beweeglijke zwarte groepen.
+
+Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze
+dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den
+oudsten zoon van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen
+figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas
+afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn
+rok zat hem slecht en hij was erg warm.
+
+De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op
+'t intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen
+opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en
+harkerig deden op 't kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en
+dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, 't vormelijk
+applaus ergerde hem 'n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal.
+Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van 't presenteerblad, dat
+werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon
+Kees, lachend: "Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven."
+
+O God! dacht Bernard, die ook nog! "Zoo!", zei hij, "zullen we 't
+genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux
+hoop ik."
+
+"Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, 't is een prachtig stuk,
+dat begrijp je; me zwager en ik hebben 't zelf gefabriceerd."
+
+"Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen," zei
+Bernard.
+
+"Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet 'n beetje weten te schikken!"
+En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. "Je hebt
+daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè," begon hij weer, na een paar
+teugjes, "hoe vind-je die?"
+
+"Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... 'n Aardig meisje,
+geloof ik!.... Is 't 'n vriendin van een van je zusters? 'k Heb haar
+nooit ontmoet bij jelie...."
+
+Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn
+lippen. "Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me
+getrouwde zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar
+'t is een kat!" zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling
+nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was.
+
+"Hm!.... zoo!...." zei Bernard.
+
+Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. "Pas op voor die
+meid, hoor!" fluisterde hij weer, snel en scherp. "Ze heeft 't hier!" en
+hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog
+van zijn linkerarm. "Hm!" zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van
+Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. 't Begon
+hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal
+jaloezie, bromde hij in zich zelf. 't Is een weergaasch aardige
+meid!.... 'n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat
+amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met 'r
+armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!....
+
+Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de
+donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond
+haar. 't Glansde als gepolijst rood-koper in 't helle licht. Mooi haar
+toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En
+hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet
+meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en
+haar handdrukjes. 't Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige
+hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer
+opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem
+begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij 's
+gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is 't, mompelde hij, haar
+temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....
+
+Maar in-eens hoorde hij 'n stem vlak bij zijn oor! "Zeg, wat doe je
+toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?"
+
+'t Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en
+glimlachte toen, licht blozend. "Ik stond maar wat met mezelf te praten
+bij gebrek aan beter," zei hij.
+
+"Vervelende vertooningen, hè?" zei André, zijn hand door zijne bruine
+haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen.
+
+"Nou!" zei Bernard.
+
+"Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?....
+Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?"
+
+"Kindje?.... zeg maar gerust kind!"
+
+"'k Geloof dat jij 't leelijk te pakken hebt, ouwe jongen," zei André,
+weer lachend.
+
+Bernard trok een minachtend gezicht. "Geen kwestie van, hoor!....
+Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof
+ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor
+haar, zei hij, ze had 't achter de mouw!"
+
+Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór
+hem even omkijken.
+
+"Sst?.... sst! kerel!" zei Bernard, zelf glimlachend.
+
+"Hij is patent!" zei André. "Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op
+aan te kijken!.... Zijn rok zit 'm of 't een gehuurde is!.... Hij is
+stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?"
+
+Bernard gaf geen antwoord, maar na 'n poosje begon hij weer: "Wat zie ik
+jou weinig met Betsy van avond."
+
+"Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga 'k 's met 'r dansen!.... kalm
+aan! kalm aan!...."
+
+"Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik."
+
+"O! Wat dat betreft, ze is charming!" zei André met een gebaar als wierp
+hij Betsy een kushand toe. "Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar
+niet om zoo 's een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit
+wandelen te gaan.... zooals die Mimi...."
+
+"Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je
+wandelingetjes!"
+
+"Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!"
+
+"Met jou?" vroeg Bernard, spottend.
+
+"Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?"
+
+"Misschien wel," zei Bernard.
+
+"Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent," plaagde André weer. "Maar je
+moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder 't dansen heel wat vriendelijke
+oogjes gegeven en bij de grand' chaine telkens een allerhartelijkst
+handdrukje...."
+
+"Dat lieg je lekker!" zei Bernard, geërgerd.
+
+"Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... 't Is
+waarachtig waar."
+
+"Opsnijderij," zei Bernard.
+
+"Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet
+zijn, hoor! Er zijn er genoeg die 's met 'r uit geweest zijn."
+
+"Verrek!" zei Bernard.
+
+En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist
+kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op.
+
+Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn
+handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen,
+leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige
+avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige
+pret.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de
+feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet
+waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf
+of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in
+rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had
+Lucie Tadingh aan zijn rechterhand en Lize Schot aan zijn linker. Mimi
+zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze
+zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd
+uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een
+kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten
+oude-vrijer, een cynischen aap van 'n vent, erg leelijk en coquetteerend
+met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy.
+
+'t Was Bernard gelukt aan 't slot der vertooningen Mimi te bereiken en
+hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met
+haar te kunnen soupeeren. En toen hij 't kaartje met zijn naam had
+zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg
+teleurgesteld geweest. Mimi had 't gezien aan zijn gezicht en ze had
+gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats
+opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen
+Lize en Lucie.
+
+Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in 't eerst, soezig luisterend
+naar 't stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te
+praten in zich zelf. 't Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu
+juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast
+niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze
+ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet
+hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed
+hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te
+spelen met zijn brood.
+
+Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens
+-- hij hoorde haar stem -- aan dat oogenblik van verwarring toen Anna
+hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die
+zachte oogen.... 'n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook
+weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was
+een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij moest haar
+toch 's aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-'t-behoort.
+
+Hij deed 't ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant
+wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een
+vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze
+zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord,
+ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond 't alleen maar
+niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk -- zeker
+wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde -- zei ze er bij
+dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde
+alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had
+nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel 's hier en daar aan huis, maar
+natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin
+was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg
+vertellen van zich zelf, en 't geluid van haar stem herkennend met
+onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had.
+Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien
+vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat
+vond ze erg treurig. Ze wist 't wel wat 't was zoo'n verlies, want ze
+had haar vader verloren twee jaar geleden. "Dat moet vreeselijk zijn,"
+zei Bernard,.... "ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem
+eigenlijk nooit gekend." Ze schrok weer. "Heelemaal niet gekend?.... En
+is uw mama al lang dood?"
+
+Haar stem veranderde bijna niet door 't spreken over die treurige
+dingen. Er was niets in van 't gewone teemend mede-lijden gehuichel,
+alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht.
+
+"Ja!.... al lang!" zei hij. "Ik heb maar een heel vage voorstelling van
+me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... 'k Ben toen door 'n
+oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen, en die
+hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was...."
+
+"Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?"
+
+Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij
+vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo'n gesprek
+gekomen aan 'n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze
+dat zoo.... Wat kon 't haar schelen....
+
+Maar hij vond 't niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van
+sympathie in zijn gemoed.
+
+"Wel!.... ik herinner me," zei hij nadenkend, "dat we in een breede
+vensterbank zaten, zoo'n vensterbank met kussens, geborduurde kussens,
+vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik
+in den anderen. Ze had 'n lichtgroene.... ja, 'n doffe grijzig-groene
+japon aan,.... ze had 'n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte
+oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht,
+zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei
+vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses
+met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik 't eenige wat ik me goed
+herinner...." Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend
+met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam
+een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich
+zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze
+allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong,
+heel vroolijk meisje, -- ze werd door de anderen geplaagd met haar
+opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield
+quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn.
+Ze riep Bernard te hulp.
+
+"Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?...." Bernard gaf haar volkomen
+gelijk en was dadelijk druk mee in 't gepraat over dat rolletje. Hij
+had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op 't tooneel, maar dat was
+natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan 't
+souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam
+erkende dat zijn "aantijgingen" monsterlijk waren en werd gestraft met
+een poenitet, en 't chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en
+zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel
+gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo
+Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om 't gepraat van
+André, wiens stem soms hoorbaar was als 't algemeen gonzende geroes wat
+daalde.
+
+"U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op 't tooneel, juffrouw
+Tadingh," begon hij toen weer.
+
+"Nee," zei ze, even lachend, "dat 's niets voor mij.... Comediespelen
+vind ik iets verschrikkelijks...."
+
+"Hoe dat zoo?.... Vindt u 't zoo lastig 'n rol te onthouden.... of?...."
+
+"Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen
+zeggen in 't publiek!.... ik vind 't altijd iets aanstellerigs, iets
+onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt 't....
+Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten...."
+
+"Alleen ongewoonte!" zei Bernard.
+
+"Mogelijk wèl, ja.... Maar 'k weet 't toch niet, 't zit geloof ik, ook
+in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen
+stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo
+als-'t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken....
+O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u 't kent, dat
+gevoel...."
+
+"Ja zeker," zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie
+weer merkte, "dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar
+ik heb me altijd verbeeld, dat 't eigenlijk niet mocht.... 't Is, geloof
+ik, ook wel 'n beetje egoïstisch."
+
+"Vindt u?" zei ze, droomerig, wat verwonderd naar 't scheen.
+
+"Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen
+recht op je, dan moet je je 'n beetje geven."
+
+"Heel goed," zei ze kalmpjes, "als ze dan tenminste wat aan je hebben,
+als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar...."
+
+"O!" zei Bernard, "en dat is u allemaal niet?" Hij zei 't 'n beetje
+ironisch, 't bedoelend als gewone galanterie.
+
+"Nee," zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, "nee, heelemaal niet!....
+dat zult u trouwens ook wel zien en merken...."
+
+Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel
+ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei 't alles zoo
+zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in
+hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist
+heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij,
+eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde:
+Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote
+begrippen alleen, minachtend 't kleine, maatschappelijke, en dat
+ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht:
+zoo'n zuster hebben, zoo'n zachte verstandige zuster om mee te praten
+over alles....
+
+Maar Lize klampte hem weer aan. "Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat
+nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft."
+
+"Wel nee!" zei Bernard, "'t is rossigblond, niet rood! Rood is heel
+anders."
+
+"Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u 't, meneer van der Hoeven!"
+
+En Bernard's gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten.
+Hij vond haar profiel heel mooi. 't Was misschien niet zuiver mooi,
+volgens de eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon
+stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in 't donkerrood zijn, in een
+granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo'n wijde, met soepele plooien.
+Wat had ze 't nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat
+monster....
+
+Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging
+toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en
+was er een poosje alleen 't deftig-langzame preek-gepraat, 't zeurige
+zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan
+de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen 't uit was een
+verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop
+naar 't bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep.
+
+Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze
+samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even
+brutaal teruggaf.
+
+"Bevalt de tafelschikking u nogal?" vroeg hij.
+
+"Ja zeker," zei ze, "u ook?" "Bizonder," zei Bernard. Maar haastig keek
+hij even om of Lucie 't gehoord kon hebben, want 't bewustzijn hinderde
+hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats
+voelde hij Mimi's blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de
+geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest.
+
+Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat
+met Lucie. Over boeken ging 't. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had,
+of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van
+vertellen, wat 't was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over
+een ander boek begon.
+
+En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei
+hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest
+hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in dat 't de
+plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde
+een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak 't Engelsch zuiver uit en hij
+vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht.
+
+Toen kreeg ze 'n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze
+sprak 't natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel......
+
+"Integendeel, ik verzeker u, u doet 't uitstekend!.... Ik weet 't wel
+zoo'n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest...."
+
+"Ja?" zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde
+kinderlijk-echte blijheid weer, "nou, dat doet me plezier!.... Ik houd
+ook veel van Engelsch...."
+
+Dat laatste had Lize Schot gehoord. "O! ik ook," zei ze dadelijk.
+"Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u 't land ook? Bent u er
+geweest?"
+
+"Nee," zei Lucie, "ik ben er nooit geweest."
+
+"O, ik wel!.... 'n heerlijk land!.... 't Eiland Wight, hè,
+verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene
+velden daar, tennis, crocket, football...."
+
+"Nou, nou," zei Bernard, "football zult u toch wel niet mee gedaan
+hebben!...."
+
+"Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. 't Is
+heerlijk!" En ze gingen in dien hoek zitten praten over football.
+
+Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk
+doorpratend: "Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?"
+
+"Nee, meneer, nooit!.... Maar 't moet heerlijk zijn, dat geloof ik
+wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die
+anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over 'n
+ander land beginnen.... Toch is 't onze ook mooi, vindt u niet?.... O,
+ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en 'n wandeling naar
+'t Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk...."
+
+Bernard zei, dat hij 't zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig
+tijd....
+
+"Dat 's jammer," zei ze, "'t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan
+'s middags om 'n uur of vijf, zes, als 't wat koeler wordt en rustiger,
+als 't water niet meer zoo in 't volle zonlicht is, maar alleen van die
+smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek
+'n groote wemelende schittering.... O, dan is 't licht zoo mooi
+om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo
+verrukkelijk, vooral in 't oosten, waar de lucht dan al grijzer en
+koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de
+boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht...."
+
+Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase
+in haar zachte, bijna fluisterende stem.
+
+Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich
+half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en
+Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam
+gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. 't
+Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon 't maar
+even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend
+met een air van onverschillige meerderheid.
+
+Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last
+van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er
+werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.
+
+Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman
+te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij
+kreeg meer en meer 't land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam
+zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden
+op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe
+bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Een
+ander zou haar 't hof gemaakt hebben -- hij kon niet anders dan
+fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig,
+onzinplannen, romantisch a la opéra-comique -- en ze lachte hem uit,
+natuurlijk!
+
+Na 't souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de
+tooneelzaal -- er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach
+onder de heerengroepen -- en toen gingen ze weer aan 't dansen; de
+tafels waren weggenomen in dien tijd.
+
+'t Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt.
+Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met
+prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda
+ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde
+zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe -- en zoo warm.
+
+Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en
+prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een
+praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner,
+bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog
+hij.
+
+Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; 't was
+'t genot van den dans, 't lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf
+niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon
+weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke
+kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar
+levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een
+paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij
+Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht
+haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie
+was weggegaan. "Och! weetje," fluisterde de goedig-praatzieke oude dame
+hem in, "ze werd door een kruier gehaald, 'n beetje vroeger dan de
+rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat 's net iets
+voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet
+over praten, hoor!.... 't Is anders 'n lief meisje, vindt-je niet?"
+
+"Zeker," zei Bernard, "zeker!.... Ze schijnt wat stil...."
+
+"Ze is erg stil," zei mevrouw van den Bosch, "ze is erg stil,.... maar
+heel lief.... en voor haar moeder moet ze 'n engel zijn...."
+
+Bernard zag Samson zitten, in-z'n-eentje, lui-achterover op een sofa, en
+hij ging naast hem zitten.
+
+"Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder," zei Samson.
+
+"Mijn dame is er van door," antwoordde Bernard.
+
+"Daar zijn er anders nog wel 'n paar disponibel," zei de ander weer, met
+zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te
+bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.
+
+"Après vous," zei Bernard.
+
+"Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik
+houd van me gemak, weetje...."
+
+"Ik mag 't wel", zei Bernard.
+
+"Mág 't wel! Mág 't wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken
+dat je 't voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... 't Is
+natuurlijk alleen om 's 'n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik
+zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me
+gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel...."
+
+Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer
+aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen 't gewild lijmige,
+vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat
+vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en
+de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te
+voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen
+kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan
+altijd en hij ried, hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen
+oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn
+fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij
+macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch
+ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast
+Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.
+
+Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. "Kijk die
+vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou,
+die zal 'n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z'n vrouw 's
+zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!...." Maar Bernard
+bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken.
+
+Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret,
+een mooi, 'n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote
+donkerbruine oogen en 'n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar
+heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een
+pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post.
+
+Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen;
+het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes
+zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels
+afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun
+manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om 't geeuwen te
+bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind.
+
+En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen
+bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig
+geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de
+gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend.
+
+Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door
+'t dansen en door 't slagen van 't feest, niet wetend van uitscheiden,
+riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige
+gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek
+weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk
+speet 't toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn
+landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep
+hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met
+haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar
+mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag
+komen.
+
+"Mag ik 't genoegen hebben, juffrouw van Keppel."
+
+"'t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met
+André.... met meneer ten Deen afgesproken...."
+
+Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en
+fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met
+André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit
+moest hij er om lachen. Zoo'n handige bliksem, zei hij zacht in
+zichzelf, ze noemt 'm waarachtig al bij zijn voornaam.
+
+Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de
+bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe
+door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was
+hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen
+tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer
+loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen
+en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen.
+
+En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de
+wijde nachtstilte, opnieuw alleen. 't Was nog altijd datzelfde weer, dat
+drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen
+van de leege, grijze gracht, en door een paar uitgestorven zijstraten,
+waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar 't stille huis op 't
+Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte
+stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.
+
+Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij 't er gelaten had. 't Was er
+rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar
+neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu
+had hij er niets geen lust meer in.
+
+Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren......
+
+Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde 't nog niet. 't
+Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok,
+loom en rukkerig.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag
+vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren 't twee kamers geweest,
+maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat 't nu één langwerpige
+ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot
+vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In
+de achterkamer was de ingang voor 't publiek.
+
+Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen
+van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export.
+
+Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het
+was een oud, degelijk, soliede huis.
+
+Het was ook nog zoo'n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo'n
+huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op
+'t kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel
+teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet
+soliede geweest. De patroons hadden nooit een privé-kantoor gehad,
+hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de
+bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel
+vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime
+kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die
+kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had,
+bewoonde nu in Hilversum een pracht van 'n villa.
+
+Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in
+jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde,
+grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van
+inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen
+vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de
+krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote
+bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder
+en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen,
+kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen
+slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische
+voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius
+en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten
+en masten en zeilen, en in 't midden met van die mooie krulletters
+[waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de
+documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen....
+Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij
+van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met
+drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten
+prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van
+'t vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen
+zakenrommel.
+
+In een hoek stond een groote potkachel met een rossigen ronden buik en
+een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep.
+
+Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder,
+de eenige, die 't weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en
+daar tusschen de lessenaars en 't plafond en achter de kachel, was
+benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten
+bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met
+frisschere stukken, die niet patroonden.
+
+Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de
+heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden
+er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.
+
+Dien morgen na 't feest was "de jonge meneer" laat. 't Was negen uur
+en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die
+dikwijls op zijn horloge keek en 't aan zijn oor hield, twijfelend of 't
+soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat.
+De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend
+op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan
+dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar
+den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch
+niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens.
+
+Een van de "aankomende bedienden", een jongmensch met dom-dik gezicht en
+blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op
+zijn katterigheid, op te snijden van 't aantal glazen bier, dat hij den
+vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem
+voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede
+jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om
+te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere
+beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De "jongste bediende", een
+klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil,
+angstvallig loerend, gebogen over 't copieboek dat hij registreeren
+moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik
+van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal.
+
+In 't schemerlicht van 't achtervertrek -- 't was een donkere morgen --
+zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en
+zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig,
+verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: "De Groote Iza" van Bouvier, gehuurd
+à één cent per dag.
+
+"De baas is laat van morgen!" zei die met 't blauwe hemd na een langen
+geeuw. "Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal 't er nou zeker 's
+van nemen!... Ja! dat kan _hij_ doen!...."
+
+Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. "Daar heb je
+'m?" riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken
+werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze
+allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te
+schrijven aan hun lessenaars.
+
+"Goeiemorgen," zei Bernard vrindelijk. "Morgen, meneer!" zeiden de
+bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden.
+
+Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan
+zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje
+achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag
+nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in
+zijn ooren, 't was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen.
+Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en
+liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij
+wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die
+kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat
+komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting, de plichten,
+wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de
+wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden
+in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over
+condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een
+zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich
+aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de
+quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik
+dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit.
+Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen
+de kantoorstemming, 't bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij
+kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te
+krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem
+toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las
+en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te
+nemen, want 't was al laat.... God! 't was eigenlijk veel te laat, hij
+wist niet hoe hij nog klaar zou komen....
+
+Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van
+zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf
+beklagend, had hij zich langzaam 't bed uitgeheschen. Maar toen hij een
+paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn
+handen in 't koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche
+rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige,
+behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met
+dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje,
+een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam,
+niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand.
+Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn
+schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde zich wel even met een
+gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij
+begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te
+schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was
+toch maar niet zoo'n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en
+in 't koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel
+met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch
+maar aardig!......
+
+Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar
+zijn kantoor. Op straat, in 't nuchter-heldere morgenlicht en de
+onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van
+vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die
+naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan
+lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf,
+waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben,
+en een twijfel of 't wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet
+liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met
+'m geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want
+natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En
+dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar
+gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar
+o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof
+'t niets was geweest, een grap voor 'n avond.... En dat was 't dan toch
+ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog 's te
+ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog 's met 'r dansen!.... God!
+wat 'n genot was dat!....
+
+Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die
+kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer
+terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor
+de deur van zijn kantoor. Hij had 't wel voorbij willen loopen. Dat
+kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar
+boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje.
+
+Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit
+en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van
+de post en besprak 't werk met den correspondent en den boekhouder.
+Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar
+reizigers en liep rond en keek 't werk na van de aankomende bedienden
+en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit.
+Hij was zelfs een tijd lang met zoo'n animo bezig, dat hij aan niets
+anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen
+hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat
+soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig
+verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn
+handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een
+plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een
+dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur
+geslagen had naast André, die zoo'n handige drommel was, zoo'n
+leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van 'n jongen met zijn
+losse manieren, vrij, op 't brutale af, waar sommige meisjes zoo
+dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te
+gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan
+een avond....
+
+Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje,
+een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij
+misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of
+althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!....
+
+Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep
+hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde
+in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot
+er niet mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien
+hij kende, behalve de van den Bosch'en. En daar was ze nog niet
+eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen....
+Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast
+nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs
+kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend.....
+
+Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in 't Concertgebouw te komen.
+
+Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje
+ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou
+'t misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich
+nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd
+in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof
+gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een
+afspraak met haar te maken of tenminste 's gevraagd waar hij haar weer
+zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee!
+hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug
+uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk
+altijd de kaas van 't brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam
+altijd te laat!....
+
+En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer....
+
+Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar 't stond hem vandaag
+al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten
+over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van
+maak-dat-je-'r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij
+elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van
+mannen in 't zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen,
+die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om
+bofferij, dat zuur-zoete lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij
+kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij
+zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig,
+dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn
+schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu
+en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam
+weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van
+vage treurigheid en onbestemd verlangen.
+
+Na vier uur werd 't heel stil op 't kantoor. Allen zaten ze aan hun
+lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder
+uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door 't lange zwijgen.
+Alleen 't jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met
+een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard's stem de stilte met
+een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd 't van tijd tot tijd
+wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en
+ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer
+weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer
+hoe stil 't om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet
+meer indenken, hij begreep 't niet meer, dat hij nog zoo kort geleden
+uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van
+licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken,
+soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de
+wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden
+middag. Zoo'n bal was als een betoovering, hij zou 't misschien voor een
+droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware
+in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal.
+Daardoor wist hij dat 't alles werkelijkheid was, Mimi en die
+handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in 't adresboek, en
+zat er over te soezen waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen
+misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend
+aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!....
+
+En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang
+en vervelend!
+
+Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde
+hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om
+over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok,
+bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met
+een gevoel alsof hij op 't punt gestaan had iets te verliezen.
+
+En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde
+weer naar alleen te zijn.
+
+Ze zaten in 't café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam,
+Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij
+zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te
+luisteren naar de anderen, die 't druk hadden over een kwestie, den
+vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna
+schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond.
+Hij had 't tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met "Och,
+wel nee!.... dan heb je 't niet begrepen!.... dat was heelemaal de
+kwestie niet!" En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar
+André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat
+te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie,
+Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn
+jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken
+had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk
+schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij
+voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren....
+
+Toch hield hij van die vier menschen, wel 't meest van Sam, den
+beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen
+scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn
+oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht
+hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder
+vertooning. En zoo ook, schoon wel 't minst, Gerrit Volle. Want al was
+die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij
+was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou
+je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook 's gelijk gaf,
+wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van
+nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in
+koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was
+vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want -- hij
+voelde 't nu weer -- hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O,
+als hij Edward maar hier had....
+
+Ofschoon die kwestie, waar André 't met Sam over had, nog niet opgelost
+was -- of juist daarom misschien -- keerde André zich in-eens naar
+Bernard met 'n luidruchtig, uitdagend vragen: "Zoo, jongeneer! heb-je
+goed geslapen na dien avond vol dansgenot?"
+
+"Dankje," zei Bernard koeltjes, "best, jij ook?...."
+
+"Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die
+Mimi!...."
+
+Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak
+gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe,
+en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos
+worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe 't hem bevallen was
+gisterenavond.
+
+"Zoo.... zoo...., matig!" zei Sam, "'t souper was nogal gezellig, vond
+ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed...."
+
+"Nee! zoo'n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt," viel
+Hendrik in, zijn glas neerzettend, "dat begrijp ik waarachtig niet! Dan
+zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, 'n potje te whisten of te
+domineeren, wàt jij, Gerrit?"
+
+"Ik ga er nooit heen -- ik bedank altijd voor zulke invitaties," bromde
+Volle. "Je hebt er niets aan en 't kost-je nog geld ook; 'n rijtuig, 'n
+paar handschoenen, 'n fooi, 't komt je al gauw op 'n tientje, zoo'n
+avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!...."
+
+"Betrekkelijk," zei Sam, "als je nou houdt van dansen.... en je hebt
+niets beters te doen zoo'n avond...."
+
+"Heb-jij soms weer niet d'een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke
+Sam," vroeg Bernard.
+
+Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn
+gesoigneerden knevel -- een eenvoudig gebaar zonder fattigheid -- en
+zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: "Ik?.... welnee!....
+iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?...."
+
+"Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?...."
+
+"O, 'k dacht dat je dat bedoelde!.... 'k heb bij vergissing een
+verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer
+Van Daalen was, 't stond er in,.... 't was ook een hooge zijden en ik
+bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in
+den zak van me jas...."
+
+Hendrik barstte in schaterlachen uit. "God ja!.... dat 's waar ook!....
+Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw
+uitgeknepen?.... Je hadt 'm moeten zien met dien hoed,.... hij was 'm
+een half hoofd te groot!...."
+
+Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht
+opmerkte: "O maar,.... dat was niets!.... 'k Heb 'm netjes aangevuld met
+couranten!.... 'k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de
+Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of
+hij soms bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde
+of ik de mijne wel had......"
+
+"En wat zei-die," vroeg Gerrit.
+
+"Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer....
+En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb
+'t ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de
+boodschap, dat hier meneer z'n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel
+kwam...."
+
+"Poeh!.... dat ouwe nijdasje!" lachte Hendrik nog.
+
+Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal,
+waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie
+en over de menschen van de partij, en over 't nieuwe boek van Couperus,
+en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en
+over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te
+langzaam was en volgens André's dictatoriaal decreet geen fooi zou
+hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit,
+en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met
+warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor
+den gek te houden en schuine moppen te tappen.
+
+Sam ging 't eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een
+soirée te gaan.
+
+En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat
+hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en
+Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer.
+Hij stak er 't licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend,
+met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al
+begonnen aan een interessant artikel in de "Nineteenth Century," een
+artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen.
+Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in
+zijn zakken soezend voor zich zitten kijken.
+
+Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe,
+warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij
+voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos....
+
+Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de
+partij en van de Beurs en van André's druk gepraat dof, als op een
+afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in
+verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... 't Was hem
+of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had....
+
+Op zijn kamer was 't stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze
+rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls
+zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die
+stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun
+onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins....
+wachtend.... wachtend....
+
+Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen
+was drukte 't hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde 't hem
+bizonder, werd 't als een last op zijn borst.
+
+Ook buiten was 't stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De
+sombere nagalm hing laag boven de huizen....
+
+Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had 't immers dien middag
+opgezocht in 't adresboek....
+
+Och nee, lezen! Hij kon 't niet van avond....
+
+Maar...., hij wou toch wel 's zien dat huis waar ze woonde......
+
+En hij stond op -- licht schrikkend van zijn eigen gestommel -- en trok
+zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend
+ging hij de trap weer af en naar buiten.
+
+'t Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn
+zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, 't gerinkel van de
+trambel, 't eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen,
+voelde hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen
+niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week
+gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen
+dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan
+naar haar.... Hij wist wel, dat 't kinderachtig was en belachelijk,
+goed, 't ging immers geen mensch aan, hij was alleen....
+
+Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond
+'t hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd,
+en zonder hooge-stoep. De naam "van Keppel" stond met krulletters op den
+post van de deur geschilderd. 't Was een deur met traliewerk, waarachter
+matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er
+lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen
+voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een
+vroolijke melodie was 't.
+
+Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende
+door 't zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje
+staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn
+hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden
+in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep 't
+zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want
+ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan
+nog!.... 't Was of hij de vrijer van de meid was!....
+
+En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van
+zijn jas.
+
+Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten
+af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden
+van den avond.
+
+En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en
+verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en
+met een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die
+als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren
+uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond
+wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding
+van alleen-zijn, naar 't samen-zijn, 't intiemste, met een vrouw, een
+vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het
+werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de
+onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden,
+toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de
+aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele
+lieve lijf, 't tengere, 't slanke, 't gladde, 't dofglanzende, 't
+week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. 't Was er weer,
+droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen
+naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één
+supreem moment. Maar telkens vlamde 't zinnelijk begeeren boven zijn
+ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge
+lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en
+tastten naar verruiming....
+
+En 't verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in
+de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte....
+
+En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de
+verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen
+voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de
+levensgeluiden doofde....
+
+Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing.
+
+Hij kwam weer op 't Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens
+een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op
+hem aanloopen en hoorde hij 't geschuif van rokken vlak bij zich en
+kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche liefkoozingsnaampjes.
+Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en 't deed hem aan met afschuw,
+dat dat kon, dat zoo'n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te
+lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken
+mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen
+hem!.... O 't platte, o 't leelijke, gemeene, dat gniepig uit de
+schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst....
+en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd
+en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de
+zwijgende dingen in 't stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en
+'t vijandige platte....
+
+Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe....
+
+Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich
+een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn
+jongensachtig verliefd gesoes. 't Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk
+zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo'n boel anders,
+zoo'n boel wat je lezen moest, wat je weten moest......
+
+Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij
+voelde 't nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap
+en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep
+dadelijk.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De volgende dag was een Zaterdag. Op 't kantoor van Vermeet & Co. was
+dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in
+roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap,
+veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven
+van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor
+morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder denkleven, bij
+de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als 't even in je
+opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht
+even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om
+te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan
+ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den
+tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.
+
+Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich
+zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe
+uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen,
+werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken
+dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij
+herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan
+in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar
+was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt
+tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies
+zooals hij haar voor 't eerst had gezien, met dat pikante, dat
+verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen,
+dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar
+morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten....
+haar te vragen....
+
+Maar 't was ook maar een oogenblik.
+
+Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat
+hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit
+kunnen, onmogelijk!.... En 't zou ook immers allerdwaast zijn en
+trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet
+lief,.... och, wel neen, daar had 't niets van....
+
+Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een
+drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou
+bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht
+te stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning --
+maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen,
+als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden
+angst voor 't ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis
+uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar 't avontuur en een
+minachting voor zijn angst.
+
+Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....
+
+'t Werd hem niet helder. En 't was hem een welkome afleiding, toen hij
+in 't koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond,
+een schoolkameraad, nu medisch student, al van 't zesde jaar, in Leiden.
+Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken,
+had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde.
+De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet
+gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over
+zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops,
+zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen
+van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo
+niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan
+feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense
+emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven.
+Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar
+door het leven. 't Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had
+daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom
+had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij
+was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet 't hem niet merken,
+luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en
+opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander,
+daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat 't toch zoo jammer
+was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan studeeren, waarop Bernard,
+licht blozend, glimlachte en zei: "Ja!.... ja!.... och, maar dat ging
+nou niet!.... En misschien zou 'k er toch ook niet voor gedeugd
+hebben.... Ik weet niet of 'k wel een studiekop heb,.... 'k geloof 't
+eigenlijk niet...." Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij
+zei dat 't er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op
+aan dat zijn vrind, die plan had 's middags naar Leiden terug te gaan,
+aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou
+doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel
+geschikte kanapee.
+
+De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te
+zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en
+Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars
+teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep
+haastig naar de Beurs, want 't was weer laat geworden.
+
+Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij
+schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde
+vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen 't al
+zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en
+vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen,
+en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student
+daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende
+wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich
+dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel
+gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en
+gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op 't Leidscheplein.
+
+Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog
+een broer van André, zijn broer die aan 't Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot Maandag om, zooals hij
+zei, de peentjes 's op te scheppen in Amsterdam, om 's los te zijn, vrij
+en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó
+oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet
+je dan geen goed in je carrière.
+
+Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De
+Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of
+eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den
+Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad.
+'t Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-'t-gesprek,
+maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door
+correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de
+Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij 't
+modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok
+laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven
+zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op.
+Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker
+dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De
+ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van
+wantrouwende rancune tegen Sam.
+
+Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere van de gasten. En zij
+gingen ergens anders hun koffie en cognac drinken, ergens waar je in
+gemakkelijke lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. 't Was een
+niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken, met donker behang
+en een hooge donkere lambriseering en halfsleetsch bruin leer op de
+stoelen en kanapeetjes. Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met
+wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht geglans, rustig op de
+halfliggende lijven van heeren die hun koffie dronken. 't Was er vol.
+Overal van die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofden er om
+heen en een gegons van mannestemmen en nu en dan zwaar mannengelach. En
+in die zwoele atmosfeer, vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat
+Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig van uur tot uur
+leven, zonder zorgen en zonder diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij
+voelde zich behagelijk. Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende
+vergeten, hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om niet van
+op te staan en van de gezelligheid en de lekkere koffie en de goed
+voorgedragen studentenmoppen. Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche
+schandaal-verhaaltjes, de pikante portretjes van een gansch andere
+wereld dan de zijne, van een wereld waar hij zich ver van voelde, die
+hij minachtte, maar toch wel curieus vond om de ambitie en de eerzucht,
+die 't leven daar nog scheen te geven aan sommige menschen.
+
+Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal pratend, twee
+aan twee, soms luisterend naar een, die een verhaal deed of een ui
+debiteerde. André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen, in
+onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die hem met koddige
+quasi-afschuw terecht wees. Hendrik blies genoegelijk kringetjes voor
+zich uit, ze naoogend met een leuk air van zich kalm door de anderen
+te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder was, die al een lang
+jonge-heerenleven achter den rug had, was haast altijd klaar om velerlei
+inlichtingen te verschaffen omtrent de menschen, die in 't gesprek
+werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig omgaand met
+iedereen, zonder ooit ruzie te maken, grinnekend om ieders aardigheden,
+waardeerend ieders levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje
+een vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou met een
+langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid.
+
+De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend hoe gezellig hij
+'t vond in Amsterdam, en dat 't "bij ons" zoo'n stijve boel was. Hij
+gaf voor, zijn stadgenooten en vooral zijn collega's, de ambtenaars te
+haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van nabootsing en
+schoot nu en dan op uit zijn vadsige houding om zijn chef na te
+doen, die een typische oude bureaucraat scheen te zijn. En dat die
+ambtenaars-vrouwen, en -dochters zulke mooie kleeren dragen, wat ze
+uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij bespottelijk! Dat den
+fijnen meneer uithangen en thuis hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in
+vage termen, op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je eenige
+amusement als jongmensch in den Haag, zie je, maar wat je een leelijken
+bom duiten kost, en als dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek 't
+altijd weer 't zelfde aardige snoetje te zijn, waar hij 't over had, en
+dat hij met kinderlijke trouw en goedkoope broches en armbandjes scheen
+na te loopen.
+
+Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom op en liepen de
+Kalverstraat in, slenterend langs de lichte winkels, telkens van elkaar
+afrakend in de volte, in de nimmer-eindende optochten van donkere
+mensch-figuren, die in de straat-engte elkaar voorbij togen. Woelige
+Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen de huizen-muren. Het gieren van
+meiden en straatjongens, 't eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend
+gekrijsch van venters, 't ergerlijk aanmatigend hei-geroep en brutale
+lachen van troepen opgeschoten jonge-kerels, die, aaneengesloten tot
+dichte drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge gapingen
+stootend in de lam-meegevende volte, wijde gapingen van naakt asphalt,
+die dadelijk weer volliepen als de geul die een schip maakt in 't water.
+En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich mengend met de warme
+walmen die uit de lage winkels sloegen, waar de gasvlammen stonden te
+gloeien, fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen, waar
+de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrook en de dampen van allerlei
+drank, met golven naar buiten drong, telkens als de deur openging.
+
+Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere, soezige stemming van
+zorgeloos voortleven. Drukke volte in een nauwe straat benauwde hem
+altijd, maar vooral 's avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en laag
+hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets geheimzinnig-dreigends in
+dat nachtelijk gekrioel van wildbewegende menschenlijven, in die brutale
+luidruchtigheid, zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze
+zwart. 't Gaf hem een voorgevoel van naderend onheil. Het drukte hem,
+maakte hem stil.... En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale
+straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot koffiehuis voor
+in de straat te gaan, hij verlangde naar een wijde ruimte vol licht,
+naar overvloed van warm avondlicht om zich heen.
+
+Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar 't donker was, zoodat
+de menschen, die daar zaten zich konden amuseeren met kijken naar de
+bewegende volte in de schemerig verlichte straat, gingen ze door; ze
+gingen achter het groote, zware gordijn in 't eigenlijke van 't
+koffiehuis, in de hooge lichte hal tusschen de wijde wanden, hel
+gekleurd, blinkerend en schitterend door 't buffet vol glaswerk
+en veel spiegels overal; maar in 't midden lag als een stralend
+centrum van warme gezelligheid de groote groene leestafel met de
+rustig-groen-gekapte lampen er op en de stapels kranten en tijdschriften
+in donkere porte-feuilles met koperen knoppen, en er om heen de lezende
+en pratende mannenhoofden, rossig verlicht. 't Was vol aan de leestafel
+en vol aan bijna al de andere tafeltjes, die stonden door de zaal
+verspreid en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten
+van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten ging prettig
+praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder rumoer.
+
+Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltje vrij was. Gerrit werd
+in 't voorbijgaan door een kennis aangeklampt, een luidruchtig man met
+een ruwe stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij gebruiken
+zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging met den Hagenaar een partij
+biljarten, achter, in de biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan
+dat tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe sigaren op, en
+Hendrik en André, die in dezelfde branche van handel waren, begonnen
+samen over zaken te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee
+ambassade-attaché's, waarbij veel werd gefluisterd en geknipoogd
+en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl zaten Bernard en zijn
+oude vriend, zich terugdenkend in hun samen-zijn op het gymnasium,
+herinneringen op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden of
+gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten en waar die nu allemaal
+gebleven zouden zijn. Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar
+verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of weg.... of dood....
+
+Bernard kwam niet meer terug in die stemming van zorgeloos,
+gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich toch weer op zijn gemak.
+Hij was wat soezig; hij dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand
+de aangename indrukken van 't weelderige avondlicht en de gezelligheid
+in de zaal en om hun tafeltje en van den hartelijken vrindentoon en de
+opgewektheid van den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op
+zijn tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn schoolmakkers....
+Toch was er ook iets, dat hem drukte, heel licht en onbestemd, maar hij
+had geen tijd om zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor
+moest hij praten of luisteren. Maar dat was 't juist, voelde hij later;
+hij had wel graag na die oude herinneringen even gezwegen in stil
+gemijmer, en dat ging niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn
+vriend den student.
+
+Toen 't zakengesprek hem begon te vervelen stelde André voor, een
+partijtje te whisten en de anderen vonden 't goed. En een tijdlang waren
+ze nu verdiept in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende
+denkgezichten, in stille houdingen, dan weer loskomend in druk gepraat
+en gelach over een vergooide kaart of een mislukte invite, over snijden
+of renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers, de Leidenaar
+vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard had er gauw genoeg van. Hij
+werd warm en suffig, 't spel vorderde te veel inspanning van hem, hij
+voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen wegzakken uit zijn
+warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd van de indrukken van licht en
+gezelligheid, hij kon ze niet meer opnemen; 't geroes om hen heen, 't
+lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden hem hinderlijk. Hij
+voelde zich lam-loom worden, warm, vol en overvoldaan, en nu en
+dan kwam even een vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht
+en 't melancholisch-rustige half-duister van een leege straat met
+lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet in-eens opstaan en
+wegloopen kon. Dus trachtte hij zich maar weer te dwingen tot beter
+opletten en speelden ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij toen
+Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en de kaarten weer weggedaan
+werden.
+
+Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar voor den gek met zijn
+"beroerde manier van trekken" en de ander had zijn eigenwijze
+bemerkingen op 't Amsterdamsche biljarten.
+
+Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht zijn kennis mee, dien hij
+voorstelde. 't Was een schilder. Een boom van een kerel, met een
+rood-robust openluchtsuiterlijk.
+
+Dus zaten ze er nu met z'n achten.
+
+Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld en 't losse gepraat
+begon weer, 't levendige gooien met woorden door de lauwe wolk van
+sigarenrook, heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffe
+tafel-met-glazen, 't gebabbel en gelach om allerlei voorvallen en
+allerlei menschen, en de verhalen van vroegere fuiven en van slimme
+zetten en bofferij en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels
+en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een zekere distinctie door
+zijn beschaafde uitspraak, door de détails van zijn verhalen bedaard en
+geduldig te verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met allerlei
+koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een kinderlijk dol-plezier in
+had. Maar André, die altijd alleen maar wachtte op de pikante pointe van
+de mop, vond dat flauw. Hij had 't hoogste woord met zijn luidruchtige
+uitroepen van overdreven ingenomenheid of walging en met zijn
+aanstellerige breede gebaren van onafhankelijk, ongegeneerd man.
+
+De meeste schuine moppen waren van den schilder. Die lei dan zijn
+ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen satyrkop met den
+kroesenden puntbaard naar voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden
+zijn verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend met zijn
+zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen lekkerbek. Hij gebruikte
+platte termen, ruwe volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem
+of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij niet, dat er zoo
+iets als heerentaal bestond, onverschilligweg, even soms met iets
+leuk-spottends in zijn oogen kijkend naar den student en den Hagenaar,
+zich kennelijk stil-verlustigend in hun verblufte verbazing.
+
+André schoof een poos op zijn stoel heen en weer van plezier en ging
+eindelijk zoo ver mogelijk achteruit zitten om lekker te kunnen lachen,
+wat den schilder deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een
+leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms even aan en begonnen
+dan te lachen, onder elkaar pret hebbend om "dien lolligen vent", dien
+Gerrit meegebracht had. "Vind-je 'm niet typisch", fluisterde Gerrit
+Bernard toe, met kleingetrokken oogen van heimelijk, inwendig genot.
+
+Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke pret in hun
+oogen, hij hoorde 't verborgen heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde
+de atmosfeer van stilletjes-genieten-'t-lekkere-verbodene hangen om
+hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde den band, die daardoor was
+ontstaan tusschen hen, als waren ze samenzweerders tegen 't kuische.
+En dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend, aanvullend,
+paraphraseerend de schouwheden, die dweilden over de vuile tafel. Dat
+hij wel moest meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap,
+want dan zou zijn ziel naar boven komen, en op zijn zwijgend gezicht
+zouden zij zien wat niemand zien mocht. Zoo was 't, maar hij schaamde
+zich omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen kon zat
+hij die weg te redeneeren, zich beduidend dat hij er wèl aan deed mee
+te doen. Dat dit zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat hij
+gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken dat ze wat aan hem
+hadden. Dat hij zich niet moest verbeelden dat hij er niet bijhoorde.
+Wat een nonsens!.... Waarom zou hij er niet bijhooren?.... Was hij soms
+een dichter, een genie?.... Die schilder daar was veel meer dan hij!....
+Hij was immers maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje net als al
+die anderen, André en Sam en Hendrik!.... Niets beters!.... Zich
+dat te verbeelden was malle aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke
+overgevoeligheid, kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie was
+de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan toch ook in een koffiehuis
+niet praten over philosophische kwesties.... of over de liefde.... of
+over 't leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel van een pikante
+mop!.... wel waarachtig!....
+
+Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor mee, zoo natuurlijk
+dat de anderen niet beter wisten of 't ging van harte; hij lachte hardop
+en dronk achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep:
+
+"Kijk, Bert heeft lol!" Hij debiteerde zelf ook nu en dan een mop, maar
+hij droeg ze slecht voor, de helft vergetend, zich telkens in de rede
+vallend en verwarrend 't eene verhaal met 't andere.
+
+Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend aankeek en hem
+toeriep; "Zoo.... zit je weer te vuilbekken?" En toen tegen
+Gerrit, vertrouwelijk: "Luister toch niet naar dat varken, Volle, je
+compromitteert je!...."
+
+Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen antwoord, vertelde
+rustig door, met tintelende oogjes.
+
+Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en ze aten ook wat, een
+slaadje of brood met spiegeleieren, en ze kregen allemaal warme, roode
+hoofden, en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden en begon bij
+wat hij zei met zijn vlakke hand op tafel te slaan, zoodat de kelners en
+de menschen aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk ging 't
+ook André, die nu alle houdingen op zijn stoel geprobeerd had, vervelen
+in 't groote, fatsoenlijke koffiehuis. "Kom jongens," zei hij, na een
+schaterlach, "nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben vreemdelingen
+over!...."
+
+"Goddome ja!" zei de Hagenaar, "daar moeten we nog naar toe!"
+
+"Ik ben er ook in geen jaren geweest," zei de student.
+
+En dus begonnen ze, de een na den ander, af te rekenen met den kelner en
+lieten zich hun jassen opgeven en liepen zwaar-loom 't koffiehuis uit.
+En langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig troepje, luid
+pratend en lachend, trokken ze de nu leeger en donkerder geworden
+Kalverstraat uit en den Dam over.
+
+Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar ze heengingen. Toch, op
+dat plein, terwijl hij de wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde,
+en den grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hij zich, 'n
+beetje soezerig van drinken, voelde loopen in den nacht, den grooten
+geheimzinnigen nacht, en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en
+de nacht -- als hij zoo even naar boven keek en de kille, ijle lucht
+opsnoof -- al wijder en stiller en geheimzinniger, toen vond hij er iets
+onwezenlijks, iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze nu
+naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol van zatheid en gemeene
+brooddronkenheid en liederlijke pan. En -- weer met onvolkomen succes --
+beduidde hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze in de Kalverstraat
+gezeten hadden en nu naar de Nes gingen, wat een climax was van
+mannenplezier in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral als
+je menschen uit de provincie over hadt.
+
+Op den Vijgendam was 't nog vrij druk. Er was een standje met de
+politie er bij, voor een koffiehuis. En hier en daar stonden, wachtend,
+loerend, armoedige sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje,
+bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan met hoonende
+liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon te schelden in plat-jordaansch,
+vermakelijk vond Gerrit.
+
+En toen sloegen ze den hoek om en trokken de nauwe Nes in.
+
+Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die uit waren, een relletje
+in de Nes. Vooraan waren al de winkeltjes nog open en straalden schel
+licht uit over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar en veel
+bewegelijke groepen meiden met verloopen kerels en poenige slungels. En
+dáár waren ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants. Maar
+verderop werd 't donkerder. Daar waren geen winkels meer, maar tusschen
+de rossig-grauwe, gesloten huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar
+wijven in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan de deur
+stonden, die de heeren fleemend inviteerden om binnen te komen, met
+lijmerige uithalen uit 'r vette speekselmonden, en hen najouwden als ze
+lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en lawaai uit als een
+tjingeltjangel-portier in zijn versleten livrei een deur opensmeet en
+uitschreeuwde met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten was. Ze
+liepen door tot in het heel stille, donkere gedeelte en keerden toen
+weer om en gingen een van de onaanzienlijkste café-chantants in, een
+vunzige, lage pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis.
+
+Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend met den pianist. Op 't
+kleine, bontbelapte tooneeltje, in een halve cirkel, zes meiden, erg
+gedecolteerd, beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en te
+kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke tricot-beenen hangen tegen
+'t planken-vloertje.
+
+Maar 't binnenkomen van de heeren bracht er wat leven in. De pianist --
+een bleeke lummel met een pervers-poenig gezicht -- begon op de oude
+piano te hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch versleten
+geluid. En van 't stinkende buffet achterin kwam een magere, viezige
+kelner mee naar voren sloffen, luiig, vooroverloopend. "Acht spuit!"
+kommandeerde André. En de meiden op 't tooneel zetten zich in
+opgewekter houdingen, als karikaturen van elegance, op hun matten
+koffiehuisstoelen, en één kwam naar voren, en ging een duitsch liedje
+aframmelen, accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene gebaren. De
+anderen begonnen te lonken en kinderlijk naïef te doen en te gichelen en
+met oogen en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet op voordat
+ze allemaal wat hadden, glaasjes stout of ander bocht, en André
+tracteerde er een op champagne, waarvoor ze van 't tooneeltje kwam en
+naast hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar grinnikte van
+innig plezier. André deed beschermend tegen haar, vaderlijk bijna.
+
+De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes af, duitsche en
+engelsche.
+
+En toen moest die van André de danse du ventre voor hem dansen, hij wist
+dat ze die kende. André gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld
+moest worden. En de oude, verloopen kerel, die met den pianist had
+zitten fluisteren, begon te schreeuwen en te kwijlen van genot toen hij
+die dans zag. Strak-idiotig tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen,
+rood-ontstoken. Hij bleek dronken te zijn, dronken van glaasjes gemeene,
+heete pons, die hij 't een na 't ander naar binnen lebberde. En na de
+danse du ventre klommen André en de schilder op 't tooneel, en André
+beval den pianist een polka te spelen, en toen begonnen ze, ieder met
+een meid, -- terwijl de andere vier met elkaar dansten, -- te polkeeren
+dat 't houten vloertje kraakte en de vette, puisterige kastelein naar
+voren kwam om te zeggen dat 't uit moest zijn.
+
+Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken, soms een beetje pratend
+met Sam, die ook kalm was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee
+alleen van al 't miserabele om hem heen. Hij voelde wel iets van
+medelijden met die 'r vleesch-uitstallende jonge vrouwen op 't tooneel,
+met den kelner en den pianist. Maar 't was ook maar een klein beetje en
+zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in een hem vreemd
+gedenk, in trotsch-onverschillige, koel-cynische overpeinzingen. Hij
+dacht met hardheid, met steenen minachting over zich zelf en zijn
+omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming gevonden, waarin
+hij zwijgen kon zonder angst. Hij had een glimlach, een rustige
+glimlachsplooi gezet op zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat
+hij zich ook amuseerde en de minachting niet merken. Hij was zich bewust
+dat hij hen bedroog. Hij wist dat hij alleen was en sterk.
+
+Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op dat alleen-zijn,
+werd hij bevangen door zoo'n wee-golvende walging, dat hij onwillekeurig
+opstond en zei: "Kom, gaan jelie mee?" En hij liep 't lage zaaltje uit,
+en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend: "Nou!.... hé! Wacht
+even.... Blijf nou nog even!..." stonden nu toch ook op en kwamen bij
+hem.
+
+"Waar gaan we nou naar toe," vroeg de Hagenaar, opgewonden.
+
+"Ik ga naar huis -- 'k ga naar bed," zei Bernard, stroef.
+
+"Jasses!" riep André, "wordt jij weer vervelend?"
+
+Maar Bernard gaf 'm geen antwoord. "Ga je mee," vroeg hij aan zijn
+Leidschen vrind, "of willen we nog ergens anders gaan zitten?"
+
+De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich en antwoordde niet
+dadelijk. En de schilder schaterde 't luid uit en riep: "Hij wil, geloof
+ik, nog wel 's naar de meisjes, wat?.... Hahaha...."
+
+"God ja!" zei André, "dat 's een idée!" En hij noemde den naam van een
+van de bekendste bordeelen. "Laat we daar 's naar toe gaan!"
+
+En alsof 't van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen werd, liep hij
+door, zonder verder te luisteren naar de anderen, die slenterend
+volgden.
+
+Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard opnieuw aan den student:
+"Nou? hoe is 't?.... Wou je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel
+geven, want dan ga ik naar huis."
+
+De anderen bleven staan.
+
+"Nee...." zei de Leidenaar, "dan ga ik natuurlijk met jou mee!"
+
+"Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op," zei de schilder met een vloek en
+lachend liepen de anderen door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn
+vrind den kant van 't Rokin opgingen.
+
+Zwijgend liepen ze 'n poosje naast elkaar.
+
+Toen begon de Leidenaar met een stem en een glimlach waarin
+teleurstelling en een minachtend wantrouwen: "Doe jij er niet 'an?"
+
+"Wat meen je?" vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen, zonder hem aan
+te kijken.
+
+"Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat 'k bedoel!...."
+
+"O!.... dat!.... nee!.... daar doe 'k niet an!"
+
+"Kom!" zei weer de student met dienzelfden glimlach van geërgerd
+ongeloof.
+
+"Verdomd!" riep Bernard, met een driftigen stamp op den grond, "wil-je
+me nijdig maken?"
+
+"Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!.... ik wist niet dat je
+'t zoo ernstig meende.... Maar waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen:
+'t is niet goed!.... 't is niet gezond, geloof me!"
+
+En toen begon hij een ernstig betoog, met veel geleerde termen, over de
+ongezondheid van Bernard's onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en
+met overtuiging, autoriteiten aanhalend.
+
+En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten op- en afgaan naast
+zijn hoofd en slikte 't zwijgend, ernstig kijkend voor zich uit.
+
+"Je zoudt ten slotte gek worden!" besloot zijn vrind.
+
+Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!....
+Dat woord schoot hem als een visioen door 't hoofd, gek worden, sterven
+misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw....
+"Goed," zei hij dof, "'k zal 't afwachten...."
+
+De ander haalde zijn schouders op. "Je moet 't zelf weten," zei hij.
+
+En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille
+gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard's hoofd 't somber-cynisch
+gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder,
+blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal.
+
+En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op
+zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En
+zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als 's morgens aan de
+koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er wat tusschen hen was, maar
+ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem
+pratend over kleinigheden, en toen werd 't bed van den student opgemaakt
+op Bernard's kanapee.
+
+Onder 't uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. 't Was laat, ze
+waren moe.
+
+Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht
+was uit.
+
+Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.
+
+"Nou.... wel te rusten," zei toen Bernard, om er 'n eind aan te maken.
+
+"Slaap wel," zei zijn vrind.
+
+En de stilte groeide......
+
+Al gauw hoorde Bernard 't snurken, 't goedig-onbewuste geknor van
+zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de
+duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als
+"zij" niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan
+doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil.
+
+Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen
+een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in
+slaap.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich
+met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag
+was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen
+slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen
+half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit,
+zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn
+onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in
+de ongewone omgeving.
+
+"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."
+
+"Morgen!...."
+
+"Goed geslapen?"
+
+"Best.... jij ook?"
+
+"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"
+
+"Nou, 'n klein beetje!...."
+
+Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had
+een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets
+opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in
+zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest.
+Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest
+brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn
+dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat
+was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te
+letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen
+waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over
+gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.
+
+De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen
+thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad,
+dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had
+bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den
+student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht
+schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig,
+half-klagend, of meneer nog iets noodig had.
+
+"Nee.... dank u!" zei Bernard.
+
+En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend,
+maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna
+staken ze sigaren op en gingen uit.
+
+'t Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen
+van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens
+als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met
+vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend
+zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd
+vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei
+herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de
+Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo
+hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een
+kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die
+menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje
+om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun
+lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat
+langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de
+lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan
+weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan
+de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter
+en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van
+dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote
+tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van
+ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't
+komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan
+te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel
+vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte
+dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.
+
+Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar
+Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar
+eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak
+langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van
+de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.
+Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard
+genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den
+blijen alom tintelenden zonneschijn.
+
+Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was
+toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te
+gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op
+kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door.
+Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook
+van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den
+houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets
+onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege
+kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude
+knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en
+dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging
+van geuren, muffig, bedompt.
+
+Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die
+atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde
+hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn
+vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf
+er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn
+hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was
+bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was
+een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit
+winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat
+succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook
+zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu
+ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou,
+laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje
+restaureeren!...."
+
+En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals
+ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu.
+In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren,
+die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid.
+Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn
+jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal.
+In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die
+vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren
+nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten
+worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging,
+dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was
+geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem
+af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat
+er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen
+beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven
+omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor
+elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei
+verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen
+zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij
+dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat
+ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een
+paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was
+daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun
+beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd
+kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich
+tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer
+doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch
+altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of
+niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel
+vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap
+die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan
+misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar
+scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd....
+Wel triestig was 't!....
+
+Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij
+kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't
+koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't
+ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde
+dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt
+doorpraatten.
+
+Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te
+vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een
+beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij
+toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen
+en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen
+de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de
+trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een
+goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder.
+'t Was niet druk.
+
+In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn
+horloge.
+
+Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de
+student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze
+keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den
+weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.
+
+"Adieu!.... 't ga je goed!"
+
+"Adieu!.... zien we je weer 's?...."
+
+"Ja.... ja!"
+
+En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart
+voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station
+uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,
+alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij
+toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij
+niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte
+aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde
+naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij
+gezelschap had!
+
+Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot
+meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem
+meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid,
+die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige,
+smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,
+leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo
+harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders
+in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde
+stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende
+groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette
+haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair,
+grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend,
+sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop.
+En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog
+aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en
+ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies
+en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte
+dameskleeren.
+
+In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den
+Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging
+om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat
+op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't
+fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat
+was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de
+Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de
+koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden
+gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover
+de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit
+'t gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de
+hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om
+tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en
+nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was
+het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad"
+zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen
+zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's
+wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol,
+zweeterig, klef, kleverig café.
+
+Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was
+netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu
+van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar
+hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie
+zich tot geregeld lezen te zetten.
+
+O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam
+misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in:
+"Juffrouw!.... juffrouw!"
+
+Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de
+trambel en menschenstemmen buiten.
+
+Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met
+haar man.
+
+Nog eens: "juffrouw!"
+
+Maar 't bleef stil.
+
+Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't
+raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel,
+achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel
+hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen
+bij den lichtenden zonovervloed.....
+
+Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag,
+als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens
+willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de
+bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun
+verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat
+plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat,
+maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had
+geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden
+te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn
+spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog
+halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas
+en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn
+stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den
+trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn
+hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde
+ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte,
+met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend
+zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid,
+teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis,
+zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de
+namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder
+dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee
+en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.
+
+En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat
+hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog
+verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen
+als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten
+zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre
+krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde
+kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt.
+Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist
+omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij
+'t niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar
+hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op
+plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet
+mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.
+
+Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje
+naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets
+gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag
+teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?....
+neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand
+tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten,
+wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n
+rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de
+souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en
+gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had
+wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi,
+zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon
+in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen
+kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt
+met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver
+onbereikbaar verlangen was die rij boomen......
+
+Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan,
+zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn....
+
+In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de
+trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er
+geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder
+en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en
+krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van
+zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood,
+met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige
+piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en
+jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig,
+alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij
+deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over,
+zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een
+wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig
+hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't
+verzamelen van zijn gedachten.
+
+Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't
+geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn
+oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en
+met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje,
+levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!....
+Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe
+gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is
+mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...."
+
+Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus
+gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed,
+zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....
+
+"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een
+gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij
+gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan
+zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...."
+
+En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat
+achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van
+zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar,
+dat zwart geweest was.
+
+"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n
+zoen!.... hoe gaat 't?"
+
+Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd,
+de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig
+en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't
+ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa,
+die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen
+last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige
+lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar,
+o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar
+waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren
+kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!....
+
+"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas
+port?...."
+
+Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een
+glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn
+oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem
+verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de
+laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden,
+koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig
+naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij
+zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te
+draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst
+blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een
+beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt....
+Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de
+bewoordingen?"
+
+En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem
+alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje
+weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje,
+en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige
+meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.
+
+Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar
+woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van
+de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn
+sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te
+deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar
+meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al
+open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon
+oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond
+weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef
+was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten,
+was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende
+stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te
+praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook
+anders nooit 's iets!...."
+
+"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!....
+De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend
+verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en
+troonde Bernard mee.
+
+Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo,
+door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den
+terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille
+genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de
+avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den
+hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den
+rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te
+genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...."
+"Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en
+rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar
+over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat
+uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht,
+hoor!...."
+
+Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer --
+zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond
+-- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een
+statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt
+kwam.
+
+En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat
+Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde
+ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't,
+geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest
+waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken.
+Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van
+die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een
+groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen
+begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke
+uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer
+geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet
+met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet
+allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.
+
+Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten
+aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn
+antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes
+koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke
+ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over
+Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief
+meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan
+en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht
+te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?"
+
+"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee!
+'t is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt."
+
+Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen.
+Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje;
+daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat
+had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't
+geheime moest blijven bestaan.
+
+Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna
+heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd
+rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten
+wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen
+en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de
+lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom
+en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.
+
+'t Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen
+van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't
+heelemaal nacht en 't werd koeler.
+
+"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee
+drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag,
+morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we
+midden in 't najaar!"
+
+Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer
+bewegend onder zijn neus.
+
+"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet,"
+vroeg tante.
+
+"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...."
+
+En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf
+toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich
+behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom:
+"Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?"
+
+"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,....
+gemakkelijk overal dichtbij...."
+
+"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?"
+
+"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...."
+
+"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?"
+
+"Ja oom!"
+
+En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig
+gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't
+haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet
+geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder
+opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat
+moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat
+eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen,
+Bertje!"
+
+Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn
+behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet
+dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een
+rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om
+zijn hoofd bleef hangen.
+
+"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een
+poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij
+hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug.
+
+"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan
+Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!....
+Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou
+me schamen!"
+
+Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den
+schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes.
+"Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend,
+"Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor!
+We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang
+jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen....
+maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...."
+
+Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn
+behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte
+verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen,
+zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende,
+dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen
+in zijn ziele-omgeving van allen dag.
+
+"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer.
+
+"En je goede moeder ook," zei tante.
+
+"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!"
+
+"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk
+weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En
+dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags
+werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd."
+
+Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning
+van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend
+als hij zijn sigaar uit den mond nam.
+
+Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en
+moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij
+blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie
+zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken,
+allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die
+'t geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets
+beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die
+hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest
+lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend
+hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen,
+dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie
+volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer
+ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is
+'t eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar
+als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna
+tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare
+dingen verteert.
+
+Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn
+ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort
+hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een
+menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was!
+Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was
+gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend
+achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd,
+doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd,
+zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't
+kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan,
+wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....
+
+Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van
+zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer
+uitstellen.
+
+"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk,
+"spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet
+trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen
+zijn."
+
+Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat
+driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat
+had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.
+
+'t Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't
+licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't
+gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren
+verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't
+ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande
+zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich
+een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante
+deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat
+aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's
+te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens
+verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met
+zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet
+storen.
+
+De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg.
+'t Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen;
+liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de
+week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't
+gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor!
+
+Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den
+donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap
+en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo
+onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar
+och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes
+geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met
+kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch,
+zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen....
+
+Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in
+de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig
+flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de
+villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde
+nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar
+hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van
+menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden
+negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en
+geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel,
+bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren,
+die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den
+nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat
+nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van.
+Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal --
+bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den
+nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich
+lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel
+gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken
+indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige
+grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als
+voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat
+hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een
+week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een
+wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon
+om hen te vinden....
+
+Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande
+zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n
+onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was
+'t al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard
+voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van
+heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't
+plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een
+afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet
+wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en
+de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die
+heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?
+
+Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het
+open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en
+kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een
+niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan;
+in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden
+te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de
+gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem
+toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol.
+Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil
+en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.
+
+Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend
+en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een
+hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn
+oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten
+schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend
+over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot
+stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs,
+der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete
+haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die
+fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes
+op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't
+intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in
+de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard
+dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't
+gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van
+zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille
+donkere veldenland.
+
+Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met
+knikkend hoofd in lichten slaap.
+
+Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker
+en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad
+hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't
+groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast.
+Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer
+zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van
+allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen,
+tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis,
+straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en
+vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag
+Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar,
+die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet
+willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel
+zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei
+zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te
+piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in
+even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in 't
+bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de
+vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige
+duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien
+vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet
+'s een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, 's middags bijvoorbeeld,
+in 't Concertgebouw of ergens anders, en al was 't maar één blik op te
+vangen, één zoo'n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo'n blik
+van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één
+zoo'n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de
+hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O!
+zoo was 't nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel
+te akelig laksch in zulke omstandigheden! Daardoor kwam 't, dat hij
+nooit 's -- zooals anderen zoo dikwijls -- een pikant avontuurtje had,
+een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.
+
+Maar hoe kwam 't dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die
+aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo'n wachtende houding aannam
+in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos,
+lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had 't
+land aan zichzelf -- maar hij vergat 't in zijn werk. Want hij had 't
+druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem
+dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de
+staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak
+gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen
+van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke
+bevrediging van zijn hersenbehoeften.
+
+Toen hij 's middags naar 't Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht
+hij weer aan Zaterdagavond en hij zag 'n beetje op tegen 't ontmoeten
+van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo
+plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich
+zelf te redeneeren dat 't nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze
+toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht.
+Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd --
+tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel
+gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog
+over gisteren, ze hadden elkaar 's middags weer getroffen en hadden
+een roezig-dollen dag gehad met André's broer; en de schilder was ook
+weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt
+vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij
+ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er
+zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke kerels. 't Was
+toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem.
+
+De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en
+eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even
+lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller
+dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd
+waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar
+verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder
+door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar
+woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine
+teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van 't
+werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen
+en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een
+beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere
+emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in
+den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen
+van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring;
+altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of
+licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet.
+
+Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem een drukkende,
+verslappende tegenzin in zijn werk, een gevoel van weeë moeheid, en
+dan ging hij traag en weifelend aan den gang en deed 't ook lang zoo
+goed niet als anders -- nog wel niet slordig of onnauwkeurig, maar
+onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend, en niet er van
+makend wat er van te maken was. Dan kon 't hem ook niet schelen hoe 't
+er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, -- of soms wel andere uren van
+denzelfden dag -- dan maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van.
+Dan had hij daar plezier in, 't niet alleen goed te doen, maar ook zoo
+dat 't zien er van aangenaam was, dan voelde hij wat van 't genot dat
+z'n werk moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan merkte hij in
+zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren van sommige prettige
+werkjes, dan voelde hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden
+strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of taai-vervelend, een
+lust er gauw mee te beginnen, zich er dapper en handig doorheen te
+slaan. Soms verweet hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn
+bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren kennen, en dan lette
+hij meer op hen en ontdekte nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat
+ook en prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag ergerde hij zich
+weer aan hun kortzichtigheid, aan hun kleinzielig alleen-maar-doen wat
+hoog noodig was, aan hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo
+gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet en klein genot.
+En dat waren wel triestige uren, als hij voelde hoe klein dat allemaal
+was.
+
+Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn avonden was. Als 't
+werk dat af moest af, en 't eten dat op moest op was, en de uren kwamen
+van doen wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook al noodig
+is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam 't op aan in dat soort van
+leven van hem, dat wist hij wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten
+hem vooruit of zetten hem terug. Soms voelde hij 't gehalte van die uren
+een tijdje lang stijgen en dan weer afnemen, minderen. Daar was aldoor
+actie en reactie in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel min
+geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes, en spelletjes,
+in een halven roes soms en quasi-gewichtig geklets, dan volgde
+er geregeld een periode van stomme moedeloosheid, landerigheid,
+katterigheid. 't Duurde meestal niet lang. Eén avond van stille lectuur,
+of een concert, of 't zien van mooie dingen, of alleen maar een half uur
+droomend niets-doen bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten, waar
+hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf 't allemaal niets; lectuur,
+muziek, tooneel, niets was er dan dat hem kon boeien. Dan was hij
+nurksch op kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd,
+onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij zich verward,
+ontmoedigd, zonder plan en met een vaag verlangen om meegenomen te
+worden door sterkeren; dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg
+alleen. Dan voelde hij 't een beetje hoe ver hij leefde van zijn ziel,
+van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein, en tastend naar den
+weg daarheen vond hij dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte
+grepen zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende
+leegte. Hoe meer hij er over dacht, hoe verder 't van hem wegging, als
+iets wat hij ééns had geweten en wat hij zich nu niet meer te binnen
+brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk. Ja, dat was 't, er moest
+een tooverspreuk zijn, waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten
+kristallen berg, die ligt in 't diepst van je ziel. En als die openging,
+dan kon je recht in den hemel kijken. Maar hij was zijn spreuk
+kwijt..... heelemaal vergeten.... En hij kon er niemand naar vragen....
+Want er waren nog maar twee andere menschen geweest, die 't wisten, en
+die waren dood....
+
+Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen, soms heel snel
+opeenvolgend. 't Gebeurde, dat hij uren achtereen met vrinden en
+allerlei kennissen in een café zat of in een duitsche bierkneip, waar
+kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd doen en klagen, dat ze niet
+met heeren mee mochten, 's avonds, sentimenteel-huilerig als oude
+juffrouwen, die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan uren
+achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes en grogjes drinkend,
+en dat hij 't gezellig vond dat geklets, en dat hij ze lekker vond,
+zijn biertjes en grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en
+halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had in zijn jongeheerenleven
+en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen -- want er was geld
+genoeg en hij was jong en gezond en sterk -- en dat hij dan toch in 't
+naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren met een gevoel van
+sterke walging, als van veel warm vet, met een gevoel soms ook van
+fel-bittere zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk in zijn
+blanke borst. En dat hij dan toch den volgenden morgen die nachtelijke
+zelfkwelling toeschreef aan een sentimenteelen dronk en zich weer een
+heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald ietwat ingenomen met
+zich zelf, vond hij zich lang niet de minste van zijn clubje, een kranig
+jong koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper uit om die
+verbeelding en bespotte zijn eigen figuur en zijn manier van doen, tot
+in kleinigheden, als gold 't een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel
+over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig maken en woorden doen
+zeggen van nurksche nuchterheid, zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk
+vond hij dat dan, -- en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar een
+ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken draak hij toch dooden moest
+om daar te komen.
+
+ * * * * *
+
+In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal Mimi. 't Was op
+een middag, heel onverwacht. Na beurstijd was hij even geloopen naar een
+kantoor op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest. En op zijn
+weg terug, terwijl hij nog strak liep te denken aan de met dien man
+besproken zaken -- daar kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar
+zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig, maar van schrik
+plotseling een steen in zijn borst voelend en zijn leden zwaar en loom.
+Zij groette ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar
+herinneringslachje in de hoeken van haar mond, maar in haar oogen geen
+gloed van spot, geen lach, geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was
+bleef hij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm stappend, een
+lieve, deftige dame in een stadsstraat, in een elegant wandelcostuum,
+met een dun parapluietje en een visiteboekje. Ze groette met zoo'n
+zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam. Er was geen
+reden, geen aanleiding om haar na te loopen, haar aan te spreken. Dat
+doen dames en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen. Een eindje
+verder ging ze een winkel in. Hij keerde om; langzaam, weifelend liep
+hij terug. Eigenlijk had hij hoegenaamd geen lust om haar aan te
+spreken, maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou 's uit je slof!
+doe nou 's wat! profiteer nou 's van de gelegenheid. Hij liep den winkel
+voorbij. Zij stond te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich
+haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij weer staan, wachtend,
+kijkend naar de deur van den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een
+paar zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou. Maar 't duurde
+zoo lang. Hij had geen tijd meer. Nog eens liep hij den winkel voorbij;
+zij zat er nog, rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst
+langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer gewoon en zelfs
+sneller om den verbeuzelden tijd in te halen; hij had 't plannetje nu
+in-eens heelemaal uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte,
+opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende verplichting.
+Gebrek aan tijd was een heel soliede motief tegenover zijn plagende
+zelf. En toen hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was van de
+emotie en naging in zich zelf wat er was gebeurd, toen merkte hij hoe ze
+hem tegengevallen was bij die tweede ontmoeting. 't Was heelemaal
+niet zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was als een
+slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest; op dit meisje zou hij
+nooit verliefd zijn geworden.
+
+Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit zag zooals hij haar op
+straat was tegengekomen, maar zooals ze was geweest op dien bal-avond,
+zoo dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden. En hij had weer
+datzelfde gevoel van gecharmeerd zijn, en een paar dagen later was hij
+ook die leegheid van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten,
+maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend op straat,
+en opnieuw mopperde hij tegen zich zelf over zijn gebrek aan actief
+optreden en tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als 't weer
+gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders doen. Hij zou haar dadelijk
+aanspreken, haar zeggen dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht.
+
+Maar 't gebeurde niet meer. En ook minder dan vroeger zon hij op plannen
+om haar te ontmoeten. Dat was nu al 's gebeurd, de aantrekking van 't
+ongekende bestond er niet meer voor. 't Was al 's gebeurd, en wat had 't
+hem toen gegeven? Niets. Door zijn eigen schuld, door zijn aard, door
+zijn nu-een-maal-zoo-zijn. En zoo ging langzamerhand die hopelooze
+verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven tegen zich
+zelf, en vervaagde meer en meer in zijn algemeen gevoel van gemis en
+eenzaamheid. Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting,
+er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon geraakt aan haar staan in zijn
+gedachten, zooals dat nu eenmaal was, zooals 't een deel van hem zelf
+was geworden.
+
+ * * * * *
+
+Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik uitgenoodigd, een
+Zondag met hem te gaan doorbrengen in Haarlem bij zijn familie. Hij nam
+'t aan omdat hij 't moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap. Hij was er
+nooit geweest, hij kende alleen Hendrik en zijn zuster Lize, die aan 't
+souper op die trouwpartij naast hem gezeten had. En 't was een groote
+familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu kwam hij niet graag in
+groote families. Hij hield er niet van de eenige "vreemde" te zijn aan
+zoo'n intiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes te zien
+op de gezichten van menschen aan hun eigen tafel; door de ouderen,
+ieder op zijn beurt beleefd-opgewekt aangesproken te worden en
+aldoor aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite bedwongen
+familietwistjes bij te wonen en te doen alsof je 't niet merkte; galant
+te moeten zijn met de gallige oude tante, die geregeld 's Zondags komt
+eten en erg gesteld is op haar "partijtje"; en in den loop van den avond
+al de stokpaardjes van den gastheer te moeten afrijden.
+
+Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht. En dus ging hij dien
+Zondagmorgen met Hendrik mee. 't Was een koude grijze Novemberdag zonder
+regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer en ze kwamen tegen
+twaalf uur in Haarlem aan. De familie woonde op een van de Singels,
+in een groot heerenhuis met een hooge stoep, een ouderwetsch huis,
+suffisant-breed, van donkere baksteen, eenvoudig en pretensieloos
+van bouw. Er was iets goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in 't
+uiterlijk van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank van de
+schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling. Even schoot de sensatie
+in Bernard op, maar hij kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk
+werd er open gedaan.
+
+'t Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een meisje van vijftien of
+zestien jaar, een aardig donker kind, met losse krullen en lachende,
+klare oogen. Zij groette haar broer 't eerst en gaf hem een zoen,
+waarvoor hij zich -- wat houterig en licht verlegen -- tintel-blikkend
+vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging staan. En toen gaf ze ook
+Bernard een hand, bedaard-vroolijk groetend, luchtig en kort, als was
+hij een goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak, gaande door
+de rustige gang, langs de hooge donker-houten lambriseering, naar den
+kapstok, waar Hendrik hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijl hij
+met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn zusje, vragend naar
+allerlei dingen. En zij nam heelemaal geen notitie meer van Bernard,
+maar keek aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend op zijn
+vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig en opgewekt.
+
+"Ga binnen, ga binnen!" zei Hendrik en duwde een deur open, waardoor
+ze kwamen in een ruime hooge kamer, achter in 't huis. Er was niemand.
+Maar er was vuur in den haard, en op de groote vierkante tafel stond de
+koffie klaar, op een groot blad met koppen, eigen koppen in allerlei
+vormen en kleuren, en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw
+porselein. De koffiekan stond te dampen uit z'n tuit, en er was een rood
+Edammer kaasje op tafel en een aangesneden ossenhaas en twee lange
+brooden. Naast de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht
+te razen. Als een beeld van 't familieleven was die tafel, intiem,
+huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons. En rondkijkend vond Bernard
+dat de heele kamer daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over heen
+gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten boekenkast, met
+glazen deuren van boven alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude
+banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een beetje rommelig,
+en de groote bloemenmand, waar veel in geplant en gekweekt scheen te
+worden, en de stapel stoven in een hoek, en de tegen 't behangsel
+geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van vrij en onbeklemd
+leven en bewegen, en veilig thuis zijn. Bernard was de stemming van dat
+soort van kamers een beetje vergeten; 't was nu iets nieuws voor hem,
+iets bizonders, iets heel goeds en prettigs, en wat hij zoo zien kon,
+omdat hij er buiten stond, omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend
+was. 't Was dus weer zoo'n speciaal heimelijk genotje voor hem
+alleen. Want de menschen die daar thuis hoorden konden natuurlijk die
+stemming niet meer merken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan
+alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de muren van die kamer
+zeker geworden een aangenaam-rustig, stil-geliefd levensomhulsel, als
+een oude, makkelijke jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent.
+Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom in Bussum en voelde nu
+veel scherper, dan toen hij er was, de onhuiselijkheid, de koude
+prachtigheid daar.
+
+"Waar is moeder?" vroeg Hendrik.
+
+"Ze komt dadelijk," zei 't meisje, "ze is zich nog aan 't kleeden, maar
+'t is haast koffietijd, dus zullen ze allemaal wel gauw verschijnen."
+
+"Ga zitten, Bert," zei Hendrik, een leuningstoel aan een van de twee
+breede ramen schuivend, "kijk, zoo ziet onze tuin er nou uit in
+November."
+
+En Bernard zat aan 't raam en zag een zwartigen lap grond tusschen
+houten leuningen, een paar dikke gebogen boomen, die hier en daar
+nog vol groen-gele blaren zaten, en tusschen de oude grijzige
+kiezelweggetjes de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend nu als
+neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en vuil geworden door den
+regen. Het stille, leege tuintje had iets droef-verlorens, iets
+triestig-doodsch onder de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich
+voelde hij de warme familiekamer en hoorde hij 't kokende water razen,
+en de stem van 't meisje, die praatte tegen haar grooten broer,
+vertellend van wat er gebeurd was in de afgeloopen week, van de poes die
+vier muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises waar ze aan
+bezig was, en waar eigenlijk niemand iets van weten mocht, maar Henk
+wel, want die zou 't wel niet verraden....
+
+Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand en zich omkeerend zag hij
+een gezette oude dame naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht
+van nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet groot, maar ferm
+recht-op-loopend, zooals ze daar opgewekt-parmantig aan kwam stappen
+scheen ze niet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje, en
+dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal grijs haar en kleine,
+ronde oogen, die Bernard recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig
+en vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was en hem een hand
+gaf, was 't of haar oogen vochtig werden van blije aandoening. "Dag
+meneer Bandt," zei ze, "'k ben blij dat ik u 's zie." Toen gaf ze
+Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in haar stem: "Hoe gaat 't
+jou, Henk? Goed?" en daarop praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard
+en zei veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een prettig-positieve,
+gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk brommend, en dan weer
+melodieus-zangerig opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al
+pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de koffie opgeschonken
+en begon nu de boterhammen te snijden, wat een aardig gezicht was, zoo
+pittig-vlug ging 't mes er door met een lekker-droog gespat en geknap
+van kruimels.
+
+En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel vroolijk groette en
+dadelijk over de trouwpartij begon, waar ze beiden geweest waren. Of
+Bernard zich ook zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke zaal
+om te dansen! En ook zus Betsy, die achter haar de kamer inkwam, deed
+dadelijk vroolijk mee met uitroepen van verrukking over dat eenige bal!
+Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet ze hem nu, had niets
+geen notitie van haar genomen, wat erg onvrindelijk van hem geweest was.
+Hendrik plaagde haar en Lize 'n beetje met leuk-nuchtere opmerkingen
+over 't feest, en onder hun gepraat door hoorde Bernard telkens de stem
+van de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met gemoedelijk-tevreden,
+bescheiden-vroolijke zinnetjes, als bruine moschjes tippend op een
+vensterbank: "Ik ben 'n beetje in den late van morgen!.... Dat moet je
+me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags.... dat is zoo de eenige
+dag in de week.... zie je, meneer Bandt, dat ik m' ook maar de weelde
+gun van 'n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje) te
+slapen, weetje.... Dat moet een mensch dan toch ook ééns in de week er
+'s van hebben, wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles zoo graag
+voor d'r oude moeder, niet waar?.... hier Bets, pak 's an!.... geef 's
+even aan Jansje en zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,.... en
+jij Hans (tegen 't jongste meisje) roep pa en de jongens 's even, maar
+schreeuw niet zoo hard hoor! Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!....
+'t Was nog al d'r uitgaansdag vandaag!.... Ja, 'k heb er mee te doen,
+hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu maar omruilen heb ik al
+gezegd.... Maar, je begrijpt, hij komt 'r halen!.... En ze gaat voor 't
+eerst met 'r nieuwen winterhoed.... 'n aardig hoedje is 't geworden ....
+ik heb 't voor haar opgemaakt!.... ze was er zóó blij mee!.... O die
+meid!.... Och ja, wat wil je, in de winkels worden die meiden dikwijls
+zoo bedot......"
+
+Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op zijn pantoffels en met
+de krant onder zijn arm. Hendrik stelde zijn vrind voor. "Aha! meneer
+Bandt!" zei de oude heer, "aangenaam, meneer, aangenaam! Wacht 's
+even!.... 'k zal me fok opzetten dan kan ik je beter zien!.... zóó....
+zóó.... kom je 's kijken hier?.... Wel dat 's best hoor!.... Gaat 't
+goed?.... in de zaken.... tevreden?"
+
+Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil leed om 't banale van
+die uitdrukking.
+
+"Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?.... Ja, ja! ik weet er alles
+van.... 'k heb zoo lang in Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat 't met
+den ouden heer? Och nee, dat 's waar ook!.... je bent met je oom in
+zaken...., ja, ja, nu herinner ik me weer.... precies.... zoo'n kleine
+dikke man, hè.... ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!...."
+
+Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd aan zijn snor. Hij
+was een zestiger met een goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat
+doorvoed-gezette, dat breed-gewichtige, wat Bernard soms zoo hinderde in
+de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde Bernard, die veel gehoord had
+van 't werken van dien man zijn heele leven door, zonder rust, en nu had
+verwacht te zien een ernstig grijsaard, een beetje gebogen, een beetje
+moe. Maar o neen! dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna
+jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier waarop hij zijn
+baard en snorren droeg, met een frisch-driesten oogopslag, met vrij wat
+zelfingenomenheid, met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een gezicht
+van wacht 's even, ik ben er ook nog! Zijn zakdoek stak met een keurig
+puntje uit den borstzak van zijn donkerblauw colbert en hij had
+welverzorgde witte handen met lange bolle nagels.
+
+Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen ook Hendriks beide
+broers hem een hand geven, twee lange jongens van twintig en één of
+twee-en-twintig jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid van Hendrik
+te hebben, maar de andere leek meer op zijn vader, had iets bewegelijks
+opgewondens, en was ook keuriger gekleed dan zijn broers.
+
+Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee oudste meisjes met hun
+aardig-gelijke gezichtjes. En 't was heel vroolijk en gezellig; er was
+aldoor een algemeen over en weer gepraat, ook van de broers en zusjes
+met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet gefêteerd of bizonder beleefd
+toegesproken. Hij voelde zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot
+zich zelf dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was zoolang
+er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij voor niemand een vreemde
+scheen; hij voelde zich dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis
+voelde hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van hoe Hendrik
+zich hier voelen moest, Hendrik dien hij zoo dikwijls over zich had
+zien zitten in een koffiehuis, en ook zijn eigen stemming was hem niet
+klaar. Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te gaan, zijn
+stemming te benaderen en te betasten met in zich zelf gesproken woorden.
+Dus trachtte hij zijn gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en 't
+gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan, wat hem haast altijd
+gelukte. Dit voelde hij heel goed, dat hij niet ten volle genoot, dat er
+iets ontbrak. Even probeerde hij 't begrip jaloerschheid, maar dat was
+'t niet.
+
+Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk weg, ieder had zijn
+plannen, zijn afspraken. De oude heer ook; hij kwam nog even binnen met
+fijne sigaren en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik en
+Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun stoelen, stil rookend en
+overwegend nu en dan de wenschelijkheid van een wandeling, en na lang
+luiig praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten ze 't
+toch maar wèl te doen, vooral op aanraden van Hendriks moeder, die zei
+dat de frissche lucht altijd goed was voor menschen, die er niet veel
+uitkomen. Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo gauw moe, door de
+dikte, weet-je:.... O! 'n last, als je zoo dik bent!.... en ze moest den
+podding ook nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed ze altijd
+zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker werd;.... 't ligt soms aan
+zoo'n kleinigheid!....
+
+Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen
+middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo
+lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap
+van anderen. En 't was Bernard of hij zijn vrind nu voor 't eerst goed
+zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een
+leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat
+een kracht, wat een solide bezit moest 't zijn zoo'n gestel. Bernard
+voelde zich eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende
+gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde
+zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te
+boven en begon 't hem te vervelen, maakte 't hem een beetje kriebelig,
+dat Hendrik nooit 's overdreef, nooit 's schold op iemand of bizonder
+ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te
+lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en
+vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat 's dat voor 'n vent? Maar
+Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes
+aan zijn sigaar, nam 'm uit zijn mond, keek er 's naar, klopte de
+asch er af en zei dan: "Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met 'm
+opschieten;" of: "Ik vind 'm altijd nog al geschikt als je 'm zoo 's
+spreekt!...." Maar Bernard gaf 't niet op -- hij voelde zich geërgerd,
+maar bleef heel amicaal praten -- hij begon over hun toekomst, over
+trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit 's
+verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:
+
+"Nou!.... nooit!.... dat 's een beetje sterk,.... ik heb wel 's zoo'n
+bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo'n verliefde
+constitutie ben als jij!"
+
+"Nee, dat geloof ik ook niet," zei Bernard. "God, kerel, ik ben
+eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?" En Bernard begon zich een
+beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder
+innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje
+in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar
+sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou
+worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg,
+luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards
+opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te
+wijzen op merkwaardigheden aan den weg.
+
+Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat,
+hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde;
+dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen
+stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was
+geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! "Zeg Hendrik," zei hij
+in-eens met een ernstige stem, "ik moet je toch 's wat vragen: Ga jij
+dikwijls naar de meisjes?"
+
+Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch
+van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon
+toen hij antwoordde: "Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je
+dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m'n agenda?"
+
+"Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel," zei Bernard, "dus.... zoo nu en
+dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld...."
+
+"Ja, dat kan wel!" zei de ander, nu heel koel, 'n beetje boos blijkbaar,
+"wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... 'n mensch is
+geen stokvisch!...."
+
+"En is 't al lang geleden, dat je voor 't eerst...."
+
+"Verrek toch met al je vragen," viel Hendrik nu uit, voor 't eerst dien
+middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, "wat kan 't je schelen?"
+
+"Och!" zei Bernard, dreinerig, "pure belangstelling!.... Maar je hoeft
+'t natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt."
+
+Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: "Ik weet wel,
+jij doet 't niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht
+maar!.... Ik heb 't ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet
+maar 's goed baloorig zijn!...."
+
+Bernard keek hem aan. Voor 't eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik
+aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en
+zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij onbescheiden en
+onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van
+Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij
+geleken had. "Ja!.... nee!.... waarachtig!" zei hij, 'n beetje verward
+en heel ernstig, "daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk
+nog niet over meepraten!...."
+
+"O zoo!" zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich
+over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, "jij
+bent nog zoo'n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk
+dáárom!"
+
+En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten,
+over een huis aan den weg. Hij had 't land, hij vond zich zelf
+jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich
+erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij
+toen ze thuis waren.
+
+Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een
+uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar
+'t liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch,
+maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur
+doordravend.
+
+De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en
+eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard
+bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. "Wel ja," zei
+ze, "laten we 's deftig doen!" En lachende, gekheid makend, gingen ze nu
+allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet
+vroolijk pratende menschen.
+
+Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem
+en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk
+hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door
+allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. 't Viel
+Bernard op, dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en
+elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel
+veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld
+blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij
+praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze
+bijna altijd allemaal.
+
+En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die
+hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel
+even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence
+van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij
+voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde
+de opoffering der enkelen en de glorie van 't geheel. En nu wist hij
+'t ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in
+dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar
+buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de
+broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek,
+hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel
+anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was 't gezin. En
+dat was zoo'n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou
+die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging
+spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij
+hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat
+hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige
+menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou
+komen. 't Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest;
+ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En -- in-eens
+besloten -- nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring,
+zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar 't Siberië van zijn
+eenzaamheid.
+
+Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was 't hem of hij daardoor
+zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot
+rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en
+gezelschapsspelletjes en veel gelach.
+
+Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij 't afscheid nemen
+zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij
+schaamde zich weer wat, omdat 't toch niet warm genoeg klonk, wat hij
+zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en
+schijnbaar slaperig.
+
+En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen
+huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij
+kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop
+door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle
+kanten. "Je zult nog gek worden," zei hij in-eens, hardop in de stille
+kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand 't angstzweet
+van 't voorhoofd.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische
+stemming van alleen-zijn en 't innerlijk koud hebben, en die bleef
+zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook
+eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber
+dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op
+zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige
+paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden
+plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij 't
+weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan 't familieleven, aan
+'t gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, 't heerlijk veilige van
+zoo'n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om
+de familietafel.
+
+En 's avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok,
+ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte,
+toen voelde hij 't erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn
+hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was 't alleen de
+menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of
+was 't ook -- ja hij geloofde dat 't vooral was 't gevoel, dat hij niet
+kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde,
+ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en
+natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn
+triestige stemming.
+
+Maar den dag daarop dacht hij, dat 't juist dat praten over zich zelf
+weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich -- hoe onvolledig
+dan ook -- geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan
+ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later 't
+land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig
+spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. 't Leek,
+als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in
+den maneschijn, op hard praten naast 't bed waar een doode op ligt, --
+een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos,
+zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te
+spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half
+god. -- Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich
+wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik
+leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk,
+goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar
+voor allen een onvermoed geheim.
+
+ * * * * *
+
+De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard
+stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms
+was 't nog zoo donker, dat hij 't gaslicht aan moest steken, de
+schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem
+altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij
+moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar
+kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van
+de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door 't harde, wit-grijze
+ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige
+schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan
+in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten
+hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen,
+dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en "lemoen", en
+soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de
+stille grijsheid van zijn kantoorramen.
+
+En op de Beurs was 't voller en somberder dan ooit, door 't armoedige
+licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd,
+gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg
+naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er
+hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen,
+nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.
+
+'t Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende
+dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en
+besneeuwde daken van huizen en kerken -- mooi waren dan de boomen op de
+grachten, 't wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, --
+maar meestal was 't een bruinige slobberboel overal in de donkere
+straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als
+zand.
+
+Maar 't weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich
+bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij 't merkte; hij lette er
+doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de straten te gaan
+en weinig te wandelen voor zijn genoegen.
+
+Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als
+de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en
+Februari. De comedie en de café's, zitten op zijn kamer met een boek of
+zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden
+een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard.
+Hendrik speelde 't beste, André met veel animo, met zekere genialiteit,
+wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard
+eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer
+met zijn hoofd er bij.
+
+Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig
+brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten,
+dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar 't naakt van vrouwen, moest hij
+loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze
+wandelingen, want 't was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten,
+en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van
+praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als 't
+maatschappelijk gepraat, 't vluchtige bête gepraat tusschen
+kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit,
+afschuwelijk-noodzakelijk....
+
+Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als
+hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo'n
+kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan 't café en soms
+veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo'n
+gelegenheid 't onbeduidendst, 't minst, 't prulligst. Die onbenullige
+avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug,
+ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke
+gehechtheid aan één, niet in 't oog vallend plaatsje in een groot café,
+een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet
+hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil
+hoekje, waar hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over
+zijn krant.
+
+Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan
+schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in.
+Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan
+tafel dat hij 's middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt,
+een uur misschien, niet langer.
+
+Liever, liefst van al nog, zat hij 's avonds op zijn kamer te lezen in
+'t dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp,
+waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd
+door 't warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van 't Leesmuseum,
+maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken
+die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn
+troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar
+dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef
+hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend,
+levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp
+van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend
+die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van
+doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich
+voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar
+sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling
+zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden,
+welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen
+bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde,
+beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat,
+zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in
+diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij
+gaf er zich heelemaal aan over. Hij deed de deur van zijn kamer op
+slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo'n
+Zondagmiddag, na veel lectuur, als 't ging schemeren, zoodat hij de
+letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen
+door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in
+zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd 't doorwaaid van frisschen
+najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens
+tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de
+kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in 't
+slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de
+stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen
+tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en
+te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te
+denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een
+stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken,
+zich langzaam, slangig voorttrekkend over 't donkere kleed, en dan
+in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met
+een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die
+suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als
+een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude
+lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger
+heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als
+een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur
+binnendoor in den neus komt.
+
+O! van die stemmingen op zoo'n leesdag, daar had hij een nooit aan zich
+zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend
+als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet
+vallen. Hij geloofde, dat 't was de hoop, dat hem iets bizonders
+gebeuren zou in zoo'n stemming, een openbaring, iets van de eigenlijke
+dingen van 't leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste
+spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten
+afgrond: waanzin.
+
+ * * * * *
+
+Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de
+schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de
+fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij
+kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi
+vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er
+niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen
+dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk
+makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht
+tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles
+wat fransch was. Zoo'n geel boek in 't van-ouds bekende formaat --
+de afwijkingen mishaagden hem -- gedrukt met een echte fransche
+lettersoort, zoo'n boek met den spitter van Lemerre er op, of den
+Hermeshoed van den "Mercure," hij vond 't op zich zelf een genot 't in
+zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid
+in zich zelf, soms vond hij 't kinderachtig, maar hij sprak zich nooit
+tegen dat 't bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe 't
+kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders
+dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders
+dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een
+ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar 't
+verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf
+noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist
+al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een
+verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als
+de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat
+hij vroeger in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij
+had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of
+eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat,
+passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen
+door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met
+zijn gevoel, -- de tinten van zelfvoldoening in een melancholische
+stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling
+in een stap, het dwalen van een blik, -- een begeeren om zich te weten
+een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat
+was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar
+verfijning, dat zoeken van 't preciese en 't exquise. Ook hij hield
+van 't verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot
+zwevende engelachtigheid verragde reinheid.
+
+Ja, dat was wel 't mooiste van de verzameling! -- Want dit gevoel
+leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en
+precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties
+en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn
+eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich
+een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn
+vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en
+zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan
+een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den
+schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang,
+tot hij zag dat 't was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit
+stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En
+dan was hij weer voldaan en trotsch.
+
+Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem,
+omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders
+worden kon.
+
+Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel vaag vermoede, maar
+toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende
+sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met
+André, Sam en Gerrit. Hendrik was al 's middags naar Haarlem gegaan om
+'t intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel
+gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te
+komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen,
+die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En
+Bernard bleef met André alleen. 't Was of ze dat eerst allebei 'n beetje
+pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch
+wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een
+beetje gezelligheid te hebben zoo'n avond, als het weten van de
+stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een
+tooverglans, als al die grijze huizen, -- waarvan 't binnenlicht
+zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je 't alleen hier
+en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, -- als
+zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende
+vreugde zijn.
+
+Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet
+gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite
+om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende
+kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets,
+die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. 't Was er hem ook te vol van
+fraaiigheden. 't Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als
+van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; 't kwam
+misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een
+watergeleiding.
+
+Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld
+en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van
+'t Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de groote
+winkelruiten de drukke Leidschestraat door. 't Was er heel vol. Er waren
+veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel
+jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren "onder mekaar." En
+André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de
+meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in 't voorbijgaan
+toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een
+poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om 't middel van een
+ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij
+voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op
+zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. "God, dat
+'s waar ook," zei hij, "goed, dat 'k er aan denk; 'k heb Anna wat
+beloofd voor d'r Sinterklaas, en 'k heb nog niks; 't arme kind rekent er
+vast op!"
+
+Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip.
+Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten
+vervelen voor 't raam van 't bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij
+voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij
+was er trouwens ook wel 's geweest met hen, 's avonds. Bij daglicht,
+zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege
+kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig
+uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met
+blinkende armbanden, die over 't breede voorschoot bengelden, maar 's
+avonds, als ze in functie was, in 't avond-lichte bierlokaal, slank en
+licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met 't witte voorschoot stijf
+gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van
+bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de
+warmte van 't werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt
+bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van
+allerlei slag, die daar samenzaten in plompe houdingen, met hun
+zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten,
+die schaftuur houden.
+
+"Wat wou je koopen?" vroeg Bernard.
+
+"Wèl, ik weet het waarachtig niet! 'n Ringetje of 'n speldje, 'n
+goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we
+wel wat vinden en dan gaan we 't 'r brengen!"
+
+En nu meer in 't besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden,
+begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was
+'t, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half
+gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid,
+ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele
+vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof
+er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu,
+dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet
+dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij
+hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn
+vrind. Hij vond 't goedig en gul van André om iets voor dat meisje te
+gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond 't in zich zelf
+weer burgerlijk-benepen dat hij nooit 's op zulke ideeën kwam. Dat kon
+nu immers juist 's een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid
+te zien in de oogen van zoo'n arm kind, als ze 's werkelijk verrast
+werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van
+een broer.
+
+Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna
+vlug stapten 't Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip
+waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid
+door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook
+André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over 't kelnerinnetje --
+waar hij wel 's mee uit geweest was -- trachtte blijkbaar een
+jongensachtig plezier in 't plannetje te verbergen. En ze werden zoo
+vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend
+liepen te lachen.
+
+Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze
+gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. 't Was leeg in 't lage
+lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste 's thuis te
+blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een
+hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig
+heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend
+aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een
+pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met
+een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn
+dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat
+ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar
+handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot.
+
+Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden
+niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en
+Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard
+tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en
+glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich
+dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een
+schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had.
+
+"Stik!" bromde André.
+
+En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een
+vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij
+twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd,
+en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze
+intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. "Donder
+op, jij, als de bliksem!" snauwde André weer met een kwaad gebaar, en
+opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden
+prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar
+den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek
+begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze
+'t even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus
+stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens,
+die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg
+vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen
+gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer
+kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen
+over 't houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten
+praten. 't Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op
+Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij
+praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg,
+zooals hij 't noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn
+werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij 't leven soms wel amusant
+vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich
+soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn
+eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met
+kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van
+aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter.
+Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want
+ze zou wel weten dat hij zoo'n lief heer was, en haar ouders wisten 't
+zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo'n pa uitgefoeterd te
+worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald
+heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet
+veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed
+misschien....
+
+Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna
+teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen
+zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, -- zooals een
+kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader,
+maar inwendig is 't alleen kwaad op zich-zelf. -- "Jij kunt lezen," zei
+hij tegen Bernard, "dat 's ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al
+niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar
+dat 's heelemaal uit.... 'n Boek verveelt me nu dadelijk...."
+
+"Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen," zei Bernard.
+
+"Ik kan er me kop niet meer bijhouden," zei André weer. "Muziek, dat
+gaat nog wel 's.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan
+gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar....
+Ja ik voel 't wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan 't
+koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat
+was!.... Maar 't zijn, godbeter 't, niets dan lellebellen hier!...."
+
+Bernard glimlachte even.
+
+"Nee!.... nee!...." zei André, "dat zeg ik nou niet om dat kindje
+daar.... och god nee! dát 's wel een aardig kind, maar ook al niks....
+niks!.... Och, laten we 'r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je,
+ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in
+Parijs, dat dat hier bestond, dat je 'r een maîtresje op na kon
+houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag
+aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch
+maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en
+niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis
+sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal
+maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een
+kennis! Zoo'n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje
+smaak heeft, zoo'n beetje.... ik weet 't niet!.... ik weet 't niet!....
+daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en
+die 'n traan inslikken kan als 't noodig is.... Want die meisjes hier!
+Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze...."
+
+Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en
+kalm rookend. "'t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen," zei
+hij enkel.
+
+"Dat kan wel!.... 't Is maar zoo'n idee van me!.... Alles lijkt me daar
+lichter, dragelijker!.... Pf! 't leven is hier zoo zwaar!.... Nou is 't
+tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd....
+Ik verbeeld me altijd, dat 'k al 's meer op de wereld geweest ben....
+Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener
+ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook
+een andere tijd, hè!...."
+
+Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. "God! heb jij dat
+ook?" vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij
+wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit
+om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een
+beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn
+sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den
+lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André
+keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil....
+En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen
+figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige
+middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij
+was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een
+hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden
+helm op 't fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof te
+voelen, aan 't hooge, 't heilige van een taak, een strijd!....
+
+Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André
+keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die
+nu aan 't buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht
+naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze
+schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende
+dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om
+zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven.
+
+Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens
+anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op
+straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. "Wat of dat malle
+kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik
+zal dat dingetje maar voor haar bewaren," zei hij goedig.
+
+Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten
+domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard
+naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van
+avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef
+plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer
+verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een
+geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver.
+Er was iets angstigs in, 't had wat van een nachtmerrie. En hij stond
+plotseling op en zei: "Nou, ruk nou maar uit -- ik heb slaap -- ik
+verlang naar me bed, hoor!"
+
+"Ik niet," zei André, opstaand, "maar ik ben waarachtig stijf van 't
+zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap
+lekker!...."
+
+Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht.
+
+En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde
+gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen
+keer vooral trof 't hem, 't was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille
+kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij
+gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer
+zitten wachten tot 't weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn
+zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. 'k Geloof, dat ik de koorts heb,
+mompelde hij, terwijl hij opstond om 't raam weer dicht te doen. En
+daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit
+op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb
+bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch
+wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!....
+Toen hij in bed lag voelde hij 't heelemaal dat hij onwel was, koortsig,
+onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn
+hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar 't was een slaap zonder rust, en
+tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij
+duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei:
+Wat zoek je toch?.... Er is niets!....
+
+Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van
+moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog
+hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg
+naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen.
+
+ * * * * *
+
+December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste
+week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op
+kantoor, daar lag in-eens weer zoo'n vierkante, roomkleurige brief van
+Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten
+lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en
+stond op, en ging aan 't raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en
+een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat
+eerst even verwerken....
+
+Edward was al op weg naar Holland.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij schreef, dat hij 'n dag of
+wat in Italië zou blijven, maar dan zonder verder oponthoud naar Holland
+doorsporen. Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn woonde, zou hij
+reizen over Amsterdam, en daar overstappen. Dat kwam zoo 't beste uit.
+Dus zou Bernard wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien....
+
+Vroeger hadden de Van Laeken's, Edward's familie, in Amsterdam gewoond,
+waar zijn vader een rijksbetrekking had, en toen waren ze alleen 's
+zomers geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar jaar bleven ze
+'r winter en zomer en verhuurden 't huis op de Keizersgracht aan een
+modenaaister. Ze waren een deftige, oude familie. In 't huis waar nu
+japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken's overgrootvader al
+gewoond en diens vader misschien ook al.
+
+Edward had met Bernard school gegaan, eerst op een dure lagere-school
+voor jongens, waar ze tot hun twaalfde jaar gebleven waren, en toen op
+'t gymnasium. Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden altijd in
+dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde waren ze vrinden geweest;
+onafscheidelijk werden ze genoemd op school. Bernard had een herinnering
+-- maar hij wist niet of 't geen fantasie was -- dat hij als kleine
+jongen zich omgedraaid had in de bank om Eddy te vragen of hij zijn
+vrind wou zijn, en dat de ander toen ernstig op zijn knoopen had
+afgeteld, ja, nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert ook,
+zonder daar ooit meer over te praten, vrinden waren gebleven. Dikwijls
+hadden ze samen gevochten in dien tijd -- o! heel dikwijls en verwoed!
+-- maar altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan om ieder
+ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen van zijn vrind. En toen ze
+in hun vlegeljaren kwamen -- zestien, zeventien, achttien jaar, -- toen
+ze begonnen te merken, met schokken van onbegrepen ontroering, de
+verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling van hun gemoedsleven,
+'t wilde opwassen van hun begeerten, de wording van hun wil, in dien
+tijd toen ze 't erg druk hadden over principes, maar dikwijls vol
+verwondering merkten dat ze over toch zeer belangrijke abstracties heel
+anders dachten dan de vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden
+ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien tijd en wat later
+nog, toen was 't een maar half-bewuste, nooit gekweekte heerlijkheid
+voor hen geworden, dat hun vrindschap onveranderd, of althans
+onverminderd bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na de
+schooljaren, dat de oogen van den een altijd even graag keken in die van
+den ander. Dikwijls had er een vage angst in hen getrild, een vrees
+plotseling te zullen merken, dat ook dat was veranderd -- want zooveel
+dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd hadden, waren ze vaal en
+valsch en leelijk gaan vinden, -- maar dat gevoel, wat ze voor elkander
+hadden, was altijd nog waar en echt gebleven, in hun zielen iets
+hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als barnsteen.
+
+'t Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren in de rechten, maar
+door toevallige omstandigheden, relaties van zijn vader, was hij aan een
+bank gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië. Hij had goede kans
+later directeur te worden van die bank.
+
+Voor Bernard was 't een groote gerustheid geweest toen 't bepaald was
+dat zijn vrind niet zou gaan studeeren. Hij had daar tegen op gezien:
+Edward student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld van, een
+student en een niet-student, die intieme vrinden waren. Gelukkig. Edward
+was ook kantoorman geworden, elken werkdag 's morgens en 's middags aan
+zijn lessenaar, 's avonds oplevend en 's Zondags vrij.
+
+O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien en twintig waren,
+wat hadden ze toen samen 'n wandelingen gemaakt, soezerig zwijgend soms
+een uur achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap,
+soms ook pratende, luid bewerende, hardop dwepende en droomende,
+schetterend over alles wat ze bevatten en niet bevatten konden. En die
+avonden, die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe dikwijls hadden
+ze samen genoten, bij avondlicht in een stille kamer, verdiept in
+diepzinnig-philosophische gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en
+tranen gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de fuif geweest,
+met anderen, maar toch altijd samen, en waren ze samen boven hun bier
+geraakt, en hadden ze samen in hoog-vreugdevolle stemming "bruderschaft"
+gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die supreme momenten in hun
+leven waren, die ze nooit vergeten zouden.
+
+En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was gegaan, toen zou Bernard
+'t liefst meegegaan zijn, maar dat kon niet en dus was hij alleen maar
+een klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam naar Leiden, want hij
+wou absoluut de laatste zijn, die hem de hand drukken zou, de laatste
+die hem zien zou in de grijze atmosfeer van 't oud-schijnende land, en
+toen hij hem dan ook eindelijk voor het laatst in de oogen gekeken had,
+toen 't portier dicht geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en
+al sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver weg.... en dan een
+hoek om en heelemaal weg.... toen was 't wel de eerste keer geweest dat
+Bernard die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld had. Hij
+had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel verbijsterd en als verhard
+door die maanden vooruit geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en
+maanden ook had 't geduurd voor 't bewustzijn heelemaal in hem gedrongen
+was, ook in zijn halve-gedachten, zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn
+vrind, ver-weg was.
+
+Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven....
+
+En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan hij gedacht had. Hij zou
+een half jaar blijven in Holland. Hij kwam deels voor zaken, deels omdat
+hij 't laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat opfrissching
+noodig had.
+
+En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde zuster van zijn
+vrind aan, om te vragen of zij den datum en 't uur van Edwards aankomst
+al wist, en toen hij 't had gehoord begon hij de uren op te rekenen, die
+hem nog afhielden van dat oogenblik, waar hij zich nog maar een vage
+voorstelling van maken kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn
+hoofd warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende voorvreugde.
+
+Dikwijls onder zijn werk en 's avonds dacht hij aan dien vroegeren tijd,
+en veel momenten van hun samenzijn kwamen met de omgeving en allerlei
+kleinigheden wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde
+zich precies den klank van Edwards stem bij een ruzie die ze gehad
+hadden en hoe hij gekeken en gelachen had andere keeren. En God ja! dat
+was me 'n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op dat meisje in
+Baarn, die niets van hem wou weten!.... Toen had hij hem heel wat zorg
+en tobberij gegeven.... Want 't was heel ernstig geweest, Bernard had 't
+net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen had en hardop tegen
+zichzelf redeneerde, alles wat hij zei tot zijn vrind.
+
+Hij wist 't nu: Maandag den zeventienden Maart, 's morgens om drie
+minuten over half twaalf zou Edward aankomen. 't Was ellendig jammer
+dat 't juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week bijna geen
+tijd hebben om aan Edward te geven. Maar 's Zondags! Ja, de Zondagen
+zouden weer ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze maken,
+heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei, tegen zonsondergang....
+
+De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om, ze waren ten slotte
+verduwd, de taaie dagen. En dien Zondag, den dag vóór Edwards aankomst
+ging Bernard naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen tijd weg kon
+blijven, zonder dat ze 't onhartelijk gingen vinden, en ook omdat hij
+niet geweten zou hebben wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou
+niet kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden bij 't gepraat
+van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij was een en al zenuwachtige
+ongedurigheid. In Bussum ging hij wandelen, in zijn eentje, in 't gure
+regenweer en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn gejaagde
+opgewondenheid.
+
+Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat de jongen zich
+overwerkte, en nu weer die vrind, juist in den drukken tijd, hij had
+daar geen tijd voor nu; hij was op 't oogenblik overspannen-opgewekt,
+maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en zoo.... Maar tante
+zei, met een breeden glimlach, dat zij er 't hare van dacht, en toen oom
+dom-verbaasd opkeek: "Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets, hoor!....
+we zullen zien!...." En oom, haalde zijn schouders op en zei met wat
+ongeduldige ergernis: "Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge
+menschen eeuwig en altijd verkikkerd zijn!...." "Nou, en is dat dan niet
+waar," vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog wat pruttelend alleen van: man
+van zaken.... andere dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes.
+
+En den anderen morgen al om kwart over elven was Bernard op 't perron.
+Ziende de drukte daar, 't haastige bewegen van menschen, die weggingen
+en menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders in uniform,
+schaamde hij er zich even over, dat hij zoo vroeg was, weer scherp
+voelend zijn gebrek aan, "altijd man van zaken zijn," businesslike,
+clever, up to the market.... ja, die Engelschen weten 't. Even bleef hij
+staan, vaag hopend Edward zoo te zullen zien komen, alleen naar hem
+die alleen was. Maar zoo ging 't natuurlijk niet. Even later kwam de
+getrouwde zuster met haar man en daarna ook Edwards vader uit Baarn
+en nog later een van zijn broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven
+Bernard en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig te
+praten met kleine uitroepjes, intusschen allemaal telkens kijkend naar
+den kant van waar de trein moest komen, allemaal in de spanning van de
+laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis. 't Werd half twaalf,
+'t werd drie, 't werd vier en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen
+op hun horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel minuten de
+trein al over zijn tijd was. 't Duurde lang. En eindelijk wist geen van
+de wachtenden iets meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf
+gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling angstig-nabij
+voelen van 't in de dagelijksche soesa bijna vergeten noodlot, 't wreede
+toeval, verlamde hun praatvermogen, maakte hun 't wachten tot een
+tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en dan was er een
+gefluit in de verte en rekten ze hun halzen uit, maar ze zagen niets.
+'t Duurde lang.
+
+"Daar-is-t-ie!" riep Bernard eindelijk. Werkelijk was een trein, een
+ronden hoek makend, in-eens in 't gezicht gekomen. De zwarte machine,
+als een laagvliegend monster, kwam snel-groeiend, recht op hen af; de
+grond onder hen begon te dreunen en in de lucht daverde een schurend
+gestamp. En, nu zelfs voor ze 't zich nog heelemaal bewust waren, stond
+de trein stil met heesch gehijg. Toen 't ongeregelde openstooten van
+de portieren en in-eens begon 't perron te wemelen van menschen, een
+beweeglijke grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie. Juist werd
+een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden sloegen tegen elkaar met
+een verbijsterend kabaal....
+
+Maar daar! daar was hij, Edward; 't was Bernard, die hem 't eerste zag,
+maar hij liet de familie voorgaan om hem te begroeten, zich met moeite
+op zij houdend. Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad van
+zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe dreunen op naar zijn keel.
+'t Waren de oude oogen. En daar hoorde hij ook de stem, klein onder 't
+gedaver van den vertrekkenden trein, zeggend: "Dag vader!" 't Was de
+oude stem. En, een paar seconden later, daar keek hij recht in die
+oogen, en daar voelde hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en
+daar stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen, en met
+vertrokken monden woorden van groet en hartelijkheid uit te hijgen. "Ben
+jij daar ook weer?" hoorde Bernard, "kerel!...... hoe gaat 't?....
+hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat 't!"
+
+'t Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger, zijn vrind. Maar ouder,
+angstig ouder, veel ouder dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was
+mager geworden, 't kon zijn dat 't daaraan lag. Zijn trekken waren veel
+scherper geworden, zijn oogen lagen dieper en vooral zijn voorhoofd was
+veel ouder. Bernard had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan
+hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van rechtop loopen, die hij
+niet kende, bewegingen van bereisd man, van iemand van ondervinding.
+Alle slapheid van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard nu
+in-eens met een loom-landerige schaamte, nog heelemaal de oude
+jongensachtigheid.
+
+Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward zou kunnen praten.
+Maar daar was geen gelegenheid voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk
+zijn vader, zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar allerlei
+en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag en zoo meer. En ze hadden
+heelemaal maar zeven minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam
+doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was. En daarbij moest er
+nog gezorgd worden voor zijn bagage. Dat nam Bernard toen maar op
+zich, want hij kon toch niet praten met zijn vrind. Hij deed 't vlug,
+oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te geven in die zorg.
+Want achter zijn koortsig-tintelende blijdschap kwam nu al somberen een
+gelig-grijs verschiet van teleurstelling, en toen de familie haastig
+in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, -- de student en de
+getrouwde zuster gingen mee, -- toen hij daar stond, los en koud naast
+dien bijna onbekenden man van Edwards zuster, den vertrekkende nog even
+nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide en dien vreemden man
+een hand gaf en goeden-dag-zei, en langzaam 't station afliep, de
+onverschillige straat op, terug naar zijn kantoor, toen was er in plaats
+van den verwachten gloed van vreugde een weeë leegte in hem, waarvan
+hij wel had kunnen huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat; de
+menschen liepen en praatten en lachten alsof er niets was gebeurd. En op
+kantoor zat een duitsche reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde
+met veel strijkages en luidruchtige complimenten. Hij was onaangenaam
+kort, een beetje onhebbelijk tegen dien man. Hij stuurde hem gauw
+weg, liefst had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige
+onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen gekomen was,
+en gaf een paar korte standjes aan bedienden en ging toen weer weg,
+koffiedrinken, niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders,
+alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien.
+
+En daar zittend, tot rust komend onder 't wachten op 't bestelde
+dejeuner, begon hij zich te troosten, en kreeg langzaam aan de
+blijdschap weer de overhand. Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen
+fontein van lichtgedachten, zooals hij 't zich had voorgesteld.... Dat
+hij nu ook juist zoo weinig tijd had dezer dagen!.... Edward had in de
+haast nog beloofd dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?.... Was
+dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?.... Hij had geen
+tijd van de week naar Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer,
+dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer voor een half jaar,
+hij bleef den heelen zomer over, en dan althans zou hij 't niet zoo
+overkropt druk hebben.... O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet
+meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien tijd in Amsterdam te
+komen logeeren, bij zijn getrouwde zuster bijvoorbeeld.
+
+Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs kwam er een sinds
+lang niet gekende, rustige vroolijkheid in hem, terwijl hij -- lezend,
+onder zijn dejeuneeren door, de woorden van een krant die naast zijn
+bord lag -- zat te droomen van de komende middagen en avonden met
+Edward. Telkens dacht hij even terug aan die aankomst in die haastige
+herrie op 't perron, en dan kwam ook weer die schimmige leegheid van
+teleurstelling als een vlaag van killen tocht, maar daarom drong hij dat
+aldoor weg uit zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën
+om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming van aangename
+vooruitzichten. En zoo liep hij ook naar de Beurs en vertelde daar 't
+nieuwtje van Edwards aankomst aan dezen en genen die hem kenden, met een
+glans van vroolijkheid in zijn oogen.
+
+Maar 's middags op kantoor, terwijl hij weer net als altijd moest zitten
+werken, en denken over zijn zaken, en zorgen voor zijn zaken, toen
+voelde hij met machtelooze ergernis zijn stemming weer zakken. Er was
+niets aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, 't altijd noodige
+ploeteren van 's morgens vroeg tot 's avonds laat drukte hem. Hij maakte
+er zich verwijten van. 'n Ander, dacht hij, zou niet weten wat hij deed
+van halfdronken blijdschap, als zijn beste vrind terug was gekomen, na
+jaren van ver-weg zijn, maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige,
+ontevreden egoïst!.... Maar toch was er niets aan te doen, zijn stemming
+werd ál triestiger; zittend aan zijn schrijftafel bij 't raam van zijn
+kantoor voelde hij de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende
+massa's opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden vielen
+loom-somber in zijn zwaar-zorgend hoofd.
+
+'s Avonds weer op kantoor -- zoo ging 't nu dikwijls! -- werd 't hem
+helder hoe 't kwam. Hij had er zich veel te veel van voorgesteld, hij
+had nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment van weerzien
+heen kunnen kijken. In zijn droomerige verstrooidheid had hij iets
+bizonders, een anderen levenstoestand verwacht na dat moment, maar dat
+was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als vroeger. Alleen woonde nu
+een goede vrind van hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er
+kans dat hij hem in de komende maanden eenige malen zou zien. Anders was
+er niet. Hij voelde 't nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger
+en zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk weer
+leegloopend Danaïdenvat van zaken, van inkoopen en verkoopen, van
+omzet-vergrooten, relatiën uitbreiden, oppassen voor de concurrentie,
+een altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren en papiertjes.
+Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen....
+
+En ook de avonden waren net als vroeger; hij was er niet minder alleen
+om of Edward nu al in Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem
+was.
+
+Hij wende daar weer aan in een paar dagen.
+
+Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van ruwe steen langs de
+huid, en dadelijk daarna met de benauwing van een nieuwen berg
+levensondervinding, onverwacht opdoemend uit den mist, en waar hij nog
+doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een vraag, los-weg gedaan door
+André, een dag of wat later. Of Edward niet bij hem geweest was dien
+dag, want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat, alleen. Neen,
+Edward was niet bij hem geweest. Hij zei 't onverschillig, mat, zonder
+opkijken.... Maar waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet
+gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten slotte 't oude gevoel
+bij hem verminderd, weggeslonken of verdord en weggekild misschien
+binnen de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd, de als
+roestig ijzer ruig-kille muren van een cijfer-en-paperassen-bergplaats?
+Neen, neen, zoo was Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien
+te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter kameraden gevonden
+om zijn vacantie mee te passeeren, vroolijke vrinden, die 't leven
+begrepen?.... Er was innige bitterheid in Bernards overdenkingen terwijl
+'t gewone gepraat ging aan hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij
+zorgde er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat ze zijn stilheid
+niet merkten.
+
+Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten. En toen zijn bedienden
+al een heelen tijd weg waren zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp,
+allerlei dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn werk te
+denken, maar hij werd moe; de dag was lang geweest, hij raakte op. En
+in-eens overmand door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed en
+zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen op 't papier en
+snikte even achter de andere, waarmee hij zijn hoofd steunde. Hij kon
+veel verdragen, maar dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had
+hij verlangd naar 't weerzien van Edward, zijn eenigen vrind -- dat
+had hij hem toch zoo dikwijls geschreven en altijd had de toon van 't
+antwoord zuiver teruggeklonken! -- hoe had hij naar hem verlangd en wat
+'n teleurstelling was 't voor hem geweest, dat hij hem maar zoo'n paar
+enkele minuten had kunnen zien aan 't station!.... Was er dan niets
+in Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch van die
+teleurstelling?!....
+
+'t Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en weer doorging aan
+zijn werk, met wat schaamte, 'n beetje ergernis over dat kinderachtig
+verdriet, werd hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men immers
+wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid, maar niet meer week.
+Wijs zijn zij die geen illusiën meer hebben. Dat alleen zijn de wijze,
+de welbewapende en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even
+zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel.
+
+En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje op, en sloot zijn
+kantoor en ging naar huis, eenzaam door de stille nachtstraten, met een
+hoog-rustige, streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn
+gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele overdenking
+van zijn verhouding tot de menschen. Hij was alleen, goed, hij zou
+alleen zijn. Dat was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen,
+die alleen zijn, zonder dat je 't ze aan kunt zien. Hij zou 't leven wel
+doorkomen alleen. Niemand zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij
+zou minder lijden, want er was veel stil genot in 't alleen-zijn, alleen
+met jezelf, met de wereld binnen in je. Hoe zuiver vormden zich je
+voorstellingen in de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden je
+ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen, zooals een rotsblok
+wordt tot schoonheid, met stille aandacht bebeiteld door den
+eenzaam-werkenden kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen
+zijn -- hij had 't goddank geleerd.... En in een met fijn gedenk,
+kunstmatig mooi bewaarde rust legde hij zich dien nacht te bed, en hij
+sliep vast en zonder droomen.
+
+ * * * * *
+
+Maar den anderen dag -- och! daar was zijn gevoel weer en bezat zijn
+arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk verdriet weer om dat
+niet-komen van Edward. En nu -- als een moeder die haar kind sust -- zat
+hij zich te beduiden dat 't immers best kon zijn, dat Edward geen tijd
+gehad had. Dat hij op een bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij
+zijn zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen, of.... ja,
+honderd andere gewone toevalligheden die hem belet hadden naar Bernard
+te gaan! Anders zou hij 't stellig wel gedaan hebben!.... Ofschoon,....
+eigenlijk wist hij wel, dat Bernard feitelijk geen tijd zou gehad hebben
+om hem te ontvangen. Want zoo was 't immers! Als hij bij hem op kantoor
+was komen oploopen, wat zou hij er aan gehad hebben?.... De bedienden om
+hen heen zouden alle intimiteit weggenomen hebben en na een kwartier of
+een half uur zou Bernard dat gevoel hebben gekregen van: ik moet werken,
+er is werk dat baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen gepraat
+met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij Edward het gevoel dat hij
+hem van zijn werk hield, dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling
+zou er geweest zijn bij hun scheiding.
+
+'t Zou immers veel beter -- o natuurlijk veel beter en aangenamer zijn
+dat Edward 's bij hem kwam als hij tijd had, als 't er niet op aankwam
+hoe laat 't werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en praten,
+zonder aan tijd te denken.
+
+Ook 's Zondags daarop kwam Edward niet.
+
+Bernard had 't hem kunnen vragen met een briefje. Hij had 't niet willen
+doen. Hij had ook naar Baarn kunnen gaan, maar wie weet of hij soms
+stoorde 'n familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef dus in
+Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag, wachtend, lezend, met
+lange tusschenpoozen van droomerig denken.
+
+Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde. Er kwamen nu telkens
+van die dagen waarvan Bernard toen geschreven had aan zijn vrind. Er
+zat lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht omwaaid van
+een zoetige-zoele koelte, licht van jonge frischheid en zwaar van
+zomergeuren; er zat iets nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker
+aandoend en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna,
+niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen, en dan weer
+in-eens weg. Een hoopvolle verwachting van zomersche malschheid, die
+lang strijkt en streelt langs 't gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens
+door 't willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar bevrediging
+van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn. En in de lichter wordende
+avonden, de dampige, vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge
+kilheid verraderlijk aanstrijkend over 't water, als de hoonende
+aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter, die nooit weggaat, die
+alleen maar wacht, met cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen
+weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld....
+
+Bernard ging door de straten van zijn kamer naar zijn kantoor en van
+daar naar zijn restauratie en naar de Beurs; ergens anders kwam hij
+haast niet. Maar toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide
+langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten naar lust
+van liefde los liet over zijn gedachten, waar ze dan even mee speelden
+als naakte nimfjes met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling
+korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien en kloppen, en soms
+in-eens zijn voor hem liggend werk verhulde in een trillenden nevel, een
+rossig gewirwar, zoodat hij moeite had 't aldoor te blijven zien en er
+aan door te gaan met ijver en aandacht. En soms als hij buiten was,
+midden op den dag, kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn
+lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige verwachting,
+als zou er iets bizonders met hem gebeuren.
+
+Maar er gebeurde niets.
+
+Alleen, 's Zaterdags van die week, kreeg hij een briefje van Edward:
+"Waarom kom je toch niet 's naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te
+zien, je bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den afgeloopen
+Zondag, en reken nu op je voor morgen."
+
+En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar zijn hoofd, om al
+zijn harde gedachten over zijn verhouding tot zijn vrind. Wat een
+ongemotiveerd wantrouwen was dat geweest, niets dan gekrenkte trots en
+ijdelheid. 't Was 'n schande.... Eigenlijk moest hij zich zelf verbieden
+te gaan morgen.... Maar hij zou 't toch maar doen.
+
+ * * * * *
+
+Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte dag van zon en
+wind en aldoor wisselende luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten,
+waar je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden en stralende
+tronen omkranst van engelen. Bernard zat in den trein aldoor stil naar
+buiten te turen. Snel zeilden de scherpe schaduwen over 't zwarte
+voorjaarsland, dat fel opkwam in 't harde licht, snel als groote
+vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over de vlakte. Er was onrust,
+er was actie in de buiten-dingen. En Bernard voelde zich meelevend in
+die actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt, bijna vroolijk en
+met verlangen naar veel beweging. Toen hij aankwam in Baarn zag hij
+dadelijk Edward staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand de
+hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke hartelijkheid.
+En, dadelijk druk pratend, liepen ze samen naar de villa van de familie,
+die midden in 't dorp lag.
+
+'t Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard aan 't station te
+Amsterdam maar even had kunnen zien. Ja, dat kwam ook door dat late
+aankomen van dien beroerden trein! Maar 't was jammer; en nu was hij
+waarachtig al veertien dagen in 't land en had hem eigenlijk nog niet
+eens gesproken. Maar waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen?
+"Och-god ja! geen tijd, dat's waar, dit is juist je drukste tijd,
+hè?.... Kerel, wat een brief was dat, die laatste van je, die van
+October.... neen, maar kolossaal, je was op dreef, hoor!.... 't was
+geloof ik wel 'n twintig zijdjes...."
+
+Bernard lachte 'n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering aan dat
+moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam aan. "Ik dacht.... dat je....
+dat je zoo iets ook van me hebben wou," zei hij, even blozend.
+
+"Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven heb ik zoo graag!....
+Je hebt er mij erg veel genoegen mee gedaan...." Edward lachte even,
+zenuwachtig. "Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!.... nee-maar,
+waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch op dat je mij je eenigen vrind
+noemde...."
+
+"Maar," vervolgde hij na even zwijgen, met een licht, heel
+licht-ironisch glimlachje, "je zult me wel toegeven, dat je stemming nu
+niet van de allervroolijkste was toen je dien brief schreeft, hè!....
+Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!.... Zóó beroerd heb je
+'t ook niet, is 't wel?.... En je eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld
+trotsch op, maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je rondom dik
+in de vrinden zat!.... En ik geloof ook eigenlijk-gezegd niet, dat je je
+daarover zoo te beklagen hebt.... Ik geloof om je de waarheid te zeggen,
+dat je wel een beetje erg ondankbaar bent, zoo nu en dan, hè?.... Nou
+ja! ik weet wel wat je zeggen wilt!...."
+
+"'k Geloof 't niet, dat je weet wat ik zeggen wil," begon Bernard, "je
+kunt er wel gelijk in hebben dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar
+ik weet toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige dingen...."
+
+"Als bijvoorbeeld een brief van mij!" vulde Edward weer aan op luchtigen
+toon, "ja zeker! dat weet ik ook wel, hoor!.... Maar kom!" zei hij weer
+met dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, "laten we daar van middag nog
+maar 's over praten.... Want van middag moeten we weer 's een echte
+ouwerwetsche lange kuiering maken, hè, ouwejongen?"
+
+En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van terzij aan, zoo heelemaal
+met de oude, lang-gekende vrindenoogen, dat hij met dien blik 't
+opgekomen gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards gemoed,
+achter warme emotie van zich geliefd voelen.
+
+"Dat is best!" zei Bernard met een glimlach van innige vreugde. "Ja,
+want nou," ging zijn vrind door, "moet ik je eerst nog een heelen boel
+vertellen van mijn reis hierheen." En hij begon een opgewekt relaas van
+allerlei wat hij gezien en doorleefd had op reis, telkens afdwalend,
+maar ook telkens weer terugkomend op zijn verhaal met een groote
+inwendige rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid.
+
+En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind nu langzamerhand
+heelemaal te zien en te herkennen. 't Was toch wel zoo: Edward was
+ouder geworden. Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat
+bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger; hij had een paar
+dwarse plooien in zijn voorhoofd en in het trekken van zijn mond had hij
+iets eigenwijs-deftigdoends, iets ouweheerigs gekregen. Maar zijn oogen,
+die waren nog net als vroeger, mooie, donkerbruine, fluweel-zachte
+oogen. Zijn oogen maakten zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten
+dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van zijn blik ging
+van droog-eerlijke goedhartigheid tot een diep-vonkelende zieleweelde.
+En Bernard voelde misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een
+goed man was.
+
+Even voor ze er waren zei Edward: "Je bent in die drie jaar niet
+dikwijls bij ons geweest, hè!...." En Bernard, licht blozend weer,
+bekende: "Nee, heel weinig!.... Ik heb wel 's een visite gemaakt,....
+maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je weet, ik heb
+nooit veel tijd!" "Ja, ja! altijd die drukte van jou!" zei Edward,
+vroolijk-plagend, maar Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep
+de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de familie van zijn
+vrind. En dat was, dat hij niet veel hield van de familie, vooral
+niet van Edwards moeder, een statig-deftige, trotsch-vrindelijke,
+voorname dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde op een
+onuitstaanbaren toon van gezag.
+
+Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen waren in de villa --
+een leelijk-vierkanten massief-degelijken bouw, zonder zwier of
+statigheid, in een onevenredig-kleinen tuin --; ze vonden haar zitten
+in de zijkamer links, met een lorgnet op en een borduurwerk in de hand.
+Ze stond op om Bernard met beleefde vriendelijkheid te begroeten.
+Glimlachend vroeg ze hoe 't hem ging en hoe zijn oom en tante 't
+maakten, en schoof hem een stoel toe. Maar toen hij even zat begon ze:
+"Wat hebben we jou in geen tijd gezien! -- Wel, laat 's kijken.... dat
+is, geloof ik, wel een heel jaar!" "'k Geloof 't ook, mevrouw," zei
+Bernard en hij praatte weer zoowat over zijn drukte altijd.
+
+"Och, maar je moest je toch niet zoo door je zaken laten ringelooren,
+jongelief, wat een dwaasheid!.... Zaken zijn om te leven!.... Niet
+andersom!.... En dan, kijk 's even aan: wij kennen je nu wel, maar
+heusch.... héél.... véél.... ándere menschen zullen je heel onbeleefd
+vinden,.... zullen je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost...."
+
+"Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!.... Ik geloof niet, dat
+er veel menschen zijn, die over me denken, als ze me niet zien."
+
+"Dát zeg ik ook niet!.... dát 's wel mogelijk!.... dát weet ik
+natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je denken, dan zeggen ze: wel foei,
+wat 'n onbeleefd heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe 't
+hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg 't altijd maar net zooals ik
+er over denk. Ik heb me altijd zoo'n beetje beschouwd als een tante van
+je, die je wel zoo er 's à faire mocht nemen!...."
+
+"Maar mama," viel Edward in, "neem me niet kwalijk, hoor! maar nou vind
+ik toch wezenlijk, dat u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door
+hem dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!.... De arme
+jongen is er beduusd van!.... Trek jij je 'r maar niks van aan, hoor
+Bert!...."
+
+"Nota bene," antwoordde ze langzaam, "zeg 's, jij hebt daar uit Indië
+ook fijne manieren meegebracht!.... Maar al spreken die liplappen daar
+zoo tegen hun mama's, dat is nog geen reden om 't hier in te voeren."
+
+Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende stem was aldoor
+damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk, maar Bernard voelde toch dat 't maar
+veiliger was gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij schielijk:
+"En hoe maakt meneer 't, en Truida en Frits?" "O, dank je! heel goed,"
+zei mevrouw, "Frits zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in
+Utrecht." "En hebt u goede berichten van Herman uit Hannover?" "Zóó....
+zóó!" zei ze, "de jongen verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt
+nogal met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over zoo'n
+bierkommers -- of hoe heet zoo'n ding, -- dat bevalt me niet erg. Die
+duitsche distinctie, dat is ook al niet dàt! -- net zoo min als de
+indische...."
+
+Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond naar voren zettend om
+kinderlijk-deemoedige verlegenheid na te bootsen, en gaf hem toen een
+vroolijk knipoogje.
+
+In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende menschen en
+even later kwamen Edwards vader en zijn zuster Truida, een meisje
+van zeventien of achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken
+groette Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde
+vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en 't meisje zei hem heel
+stijfjes goeden-dag.
+
+En ze gingen even zitten praten in een vormelijk half-kringetje.
+
+"Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet," vroeg meneer. "Nee,"
+antwoordde Bernard. Hij vond 't niet, integendeel, hij vond dat Edward
+veel ouder was geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag.
+
+"Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan ook wel!" zei de vader,
+zijn sigaret aanstekend, die bij 't binnenkomen uitgegaan was. "Hij
+heeft nogal besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!.... je
+moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!.... Maar hij heeft dan ook
+aardig promotie gemaakt, vindt je niet?.... Heeft hij 't je al
+verteld?...."
+
+"Nee," zei Edward, "we hebben 't nog niet over de zaken gehad."
+
+"O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!.... hij moet 't je maar
+'s precies vertellen.... Dat wordt een persoon van gewicht in Indië,
+hoor! Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje, pas op!"
+
+Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting, maar ook met
+iets van verlegenheid tegenover Bernard. "Ja, ja!.... Ik denk 't ook,"
+zei hij, "maar, 't is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er wel komen
+daar.... En ik heb er ook veel plezier in," voegde hij er bij, na even
+zwijgen, op verhoogden toon, als wou hij die verlegenheid weggooien.
+
+"Daar heb-je 't, zie je," zei zijn vader, "dat is 't voornaamste, dat
+vind ik ook!.... Waar je plezier in hebt, dat doe je goed. Als je geen
+plezier hebt in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen," zei
+hij, zich naar Bernard draaiend met 't glimlachend gezicht en de gebaren
+van een goochelaar, die een schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak
+haalt.
+
+"Die bankzaken lijken me toch anders niet erg verkwikkelijk," zei
+mevrouw, langzaam en vrindelijk, doorbordurend met een kalm-gracelijke
+armbeweging. Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat gekuch.
+Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen 't raam uit.
+
+Bernard vond dat 't gezin er niet amusanter op was geworden in dat jaar
+van zijn verwaarloozing. Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat
+de koffie klaar was. Aan zoo'n koffietafel, dacht hij, daar heb-je
+tenminste wat te doen. Maar 't viel ook niet mee. De stemming bleef
+koud. Er werd gepraat maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de
+stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen, en de ouders van
+Edward schenen elkaar ook niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat
+veel meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan iets over 't weer,
+met een vadsig-lijmige stem, alsof 't haar eigenlijk te veel was om
+haar mond open te doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen 't
+afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam naar zijn kamer, om hem
+allerlei dingen te laten zien, die hij meegebracht had. Ook voor hem had
+hij wat, een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard was er
+heel blij mee; hij bekeek 't mooie ding met eerbied, met iets van stille
+aanbidding, hij vond 't mysterieus als een lang van binnen bekeken
+bloem, een heerlijk bezit. Hij vond 't een genot het fijn-glooiende,
+scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn hand en het snijwerk gaf hem
+een gevoel van jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat daar
+zitten te maken in stille aandacht, zooals hij 't wel 's gezien had op
+een tentoonstelling, die menschen die niets doen dan mooie dingen maken
+en zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn....
+
+"Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór 't weer verandert," zei Edward,
+en haastig trokken ze hun jassen aan en gingen op weg.
+
+En ze maakten een mooie wandeling samen, breede lanen door, langs
+uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan de huizen, als wijkplaatsen van
+intiem genot, rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre,
+bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over wegen, half
+verwoest door 't winterweer, en ook over de eenzame, wijd-naakte
+heigronden. En ze praatten veel, vooral in 't begin. Edward had nog te
+vertellen van zijn leven in Indië en van de terugreis en later begon
+hij te vragen naar een heelen boel menschen, die hij gekend had in
+Amsterdam.
+
+Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend wat hij gehoord
+had over een ouden kennis, zei Bernard: "Hé, je bent verleden week nog
+in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien loopen in de
+Kalverstraat."
+
+Edward keek op. "O ja," zei hij, met een zweem van verlegenheid. "Ja....
+ik moest er even zijn,.... 'n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden
+me op de koffie gevraagd.... 'k Had graag nog even bij jou aangeloopen,
+maar.... eigenlijk hebben ze me aan de praat gehouden,.... ik kon 't
+niet meer halen.... Wie zag me, zeg je? André?"
+
+"Ja," zei Bernard kort.
+
+"Hoe gaat 't dien?" vroeg Edward.
+
+"O, best.... 'k zie 'm zooals je weet haast allen dag!.... We eten samen
+met Sam van 't Hout en nog een paar lui...."
+
+"Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... 'k Mocht 'm altijd
+graag!.... 'n Beetje druk...."
+
+"En een beetje oppervlakkig," zei Bernard.
+
+"Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat 's wel waar, maar.... heeft
+hij dan toch ook ten slotte geen gelijk met zich de dingen niet te veel
+aan te trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook _te_ veel doen,.... je
+kunt ook _al te_ -- hoe zal ik zeggen? .... degelijk is 't woord
+niet,.... te diep.... te zwaar zijn!...."
+
+"Zóó? Heb jij dat ook ingezien," vroeg Bernard, licht spottend.
+
+"Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel wat luchtiger
+geworden!.... Misschien kwam 't wel omdat ik jou ernst niet meer
+om me heen voelde!.... Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig
+tegenwoordig en erg optimistisch!.... Misschien ook is 't klimaat daar
+in Indië bizonder geschikt voor me!.... 't Is een feit dat ik er me
+lekker voel, ik kan best tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een
+koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel een beetje meer practisch
+filosoof geworden!.... De ondervinding in 't zakenleven en zoo'n heel
+nieuwe omgeving met zooveel verschillende menschen,.... dat doet ook
+wat!.... Ik voel dat een heele boel dingen, waar ik vroeger wel mee
+dweepte, me nu niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!.... ik weet
+'t wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch vinden!.... 't Valt je
+tegen van me, maar.... ik moet 't toch wel zeggen, want 't is nu eenmaal
+zoo!...."
+
+"Ja, natuurlijk," zei Bernard op matten toon. "En je zult ook wel gelijk
+hebben...." Maar hij wist eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet
+eens precies wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn stem gehoord,
+die klonk als van iemand die iets zwaars op zij duwt. En hij had in-eens
+begrepen, dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had in-eens
+heel duidelijk gevoeld, dat 't ook wel niet anders kon, want dat hij
+zwaar was, te zwaar voor anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn
+opvattingen van alles, waren zwaar. O, 't drukte hem zelf zoo, altijd
+overal dat zware.
+
+Ze zwegen een poos en Bernard voelde 'n grijze triestigheid trekken over
+alles wat hij zag en over hem zelf. 't Was of er een nevel kwam voor
+zijn starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig en eenzaam
+als een landlooper voelde hij zich gaan over den weg. Al dat opgewekte
+van den morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was weer weg.
+
+Maar plotseling -- 't bloed sloeg hem naar 't hoofd met een schok als
+van schrik -- neen, neen! hij wilde die stemming niet! Hij wilde zijn
+besten vrind niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem was. Hij
+moest zich overwinnen, hij moest dat van zich gooien. Want anders -- die
+gedachte was 't die als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en
+hij had dat voor zich gezien als een visioen -- anders zou Edward hem
+uit den weg gaan loopen, dan zouden Edward en zijn andere vrinden, die
+vroolijk waren en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en hij,
+Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal, heelemaal alleen
+zijn. Neen,.... neen,.... dat nog niet!.... hij zou 't toch nog niet
+kunnen,.... en hij wou 't ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem
+afstaan aan anderen....
+
+En hij was 't die nu weer begon te praten, -- met een opgeruimde,
+toonige, ietwat te hooge stem, -- te vragen naar 't leven in Indië, hoe
+dit daar ging en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem wel even
+schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk op denzelfden toon antwoord,
+en een heelen tijd praatten ze weer door op die manier.
+
+Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning waren gekomen en daar
+een borrel zaten te drinken, begon Edward in-eens: "Zeg 's, je moet
+nou niet denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt dan je
+eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je, en dat vind ik toch ook
+niet prettig. Zoo zijn wij nooit samen geweest! Praat met mij ronduit
+over alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je.... te raden,....
+te helpen...."
+
+Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde 't. En toch deed 't hem
+pijnlijk aan, met naar-weeë schrijning. Hij wist zelf niet hoe 't kwam.
+Was 't Edwards stem, die 'n beetje aarzelend, zijn toon die ietwat
+meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!.... Hij wist 't
+niet.... Edward had gelijk, 't was niet prettig voor hem, bij God neen,
+niet prettig, prettig, prettig....
+
+"Dank je!...." zei hij, hem even aankijkend met een matten, droomerigen
+blik, "je bent heel hartelijk voor me.... Je bent trouwens altijd zoo
+voor me geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we toch maar liever
+gewoon doorkletsen! Nee, zie je!.... laat ik maar niet te veel gaan
+praten over me zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet
+prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!...."
+
+"Nou, zooals je wilt," zei Edward, toonloos.
+
+"Kom! ga je mee," vroeg hij even later. En hij betaalde. Ze stonden op
+en liepen verder, op weg naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend
+naast elkaar gaand tot Bernard weer begon. "Kom, kerel, ben je nou gek!
+Trek-je je dat nou wezenlijk aan?.... Wat een nonsens!.... Mijn God! ik
+heb toch immers niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet hopeloos
+verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan ligt dat aan mezelf en aan
+mezelf alleen. Waarom zou ik daar nou over loopen zeuren?...."
+
+En Edward draaide zich half om naar hem en zei heftig, blijkbaar wat
+opgewonden: "Juist! Daar wou ik je hebben! Nu sla je den spijker op
+zijn kop! 't Doet me verdomd veel plezier, dat je 't nou zelf zegt, dat
+'t alleen aan je zelf ligt. Zoo is 't ook. Je bent wat melancholisch
+aangelegd en je geeft daar te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet
+flink! Je moet je daartegen verzetten met al de kracht die in je is. Je
+bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog haast je heele leven voor je,
+bedenk dat toch, en houdt je zelf frisch en moedig!...."
+
+"Zeker!" zei Bernard, -- die maar blij was dat zijn vrind 't zich
+blijkbaar toch niet zoo aantrok en weer gewoon praatte. -- "Zeker, zoo
+is 't ook!.... Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt.... Denk-je
+dat ik 't allemaal niet weet wat je daar zegt?.... Ik beloof je; ik zal
+mijn best doen. Kom jij, in den tijd dat je nog hier in 't land bent,
+maar veel bij me. Dat zal me wel goed doen...."
+
+"Goed!.... graag! 'k beloof 't je," zei Edward. "Maar zeg me nu nog één
+ding: ben je werkelijk niet verliefd?"
+
+"Nee!" zei Bernard.
+
+"Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat 's wel een wonder voor
+jou!"
+
+"Dat zou 't ook zijn," zei Bernard glimlachend. En hij vertelde met
+een kalme vertel-stem van de trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde
+aldoor aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand die innig
+plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer heelemaal over zijn
+ergernis heen.... "En hoe komt 't dat dat nu zoo heelemaal bij je weg
+is," vroeg hij ten slotte.
+
+"Wel, ik weet 't waarachtig niet," zei Bernard. "'t Was toch zeker niet
+dat!.... Ik denk haast nooit meer aan haar tegenwoordig.... Als ik
+morgen haar verlovingskaart kreeg, zou 't misschien even...... Nee! ik
+geloof eigenlijk dat 't me onverschillig zou laten. Ik zou haar een
+kaartje sturen, en wat bloemen.... of ook niet...."
+
+"Je moet me haar toch 's laten kijken," zei Edward, aldoor glimlachend,
+"ik ken haar, geloof ik, nog wel van vroeger.... Wel ja, ik geloof
+haast, dat ik 'r wel 's ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan
+huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je je wel?.... 't Zijn
+familievrinden van ons.... Ik zal er weer 's gauw een visite gaan
+maken...."
+
+"Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer 's," zei Bernard met een
+stem alsof hij over wat anders dacht.
+
+"Ik hoop 't," zei Edward. "Want zie je ik ben net in een stemming dezer
+dagen om gecharmeerd te worden op zoo'n soort meisje.... En als ik jou
+dan toch niet in de wielen rijd...." Hij keek Bernard even spottend aan,
+maar die zei eenvoudigweg en met een strak gezicht: "Ga jij je gang,
+hoor!"
+
+Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen tot ze thuis waren.
+
+Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. "Ben je niet doodmoe?" vroeg ze
+aan Bernard.
+
+Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen kwamen voor Edward.
+'t Was wel jammer dat hij nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er
+dezer dagen, en vooral 's Zondags, kennissen kwamen om hem te
+verwelkomen!
+
+"We hebben een goddelijke wandeling gemaakt, mama," zei Edward.
+
+"Dat kan ik me denken," zei ze, "'t is nu nog al een seizoen voor zulke
+tochten!.... Waarom heb je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie
+dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me, jongelief, je zult je
+nog ziek maken...."
+
+Aan tafel was weer dezelfde stemming als 's morgens. Alleen was papa wat
+spraakzamer en zijn vroolijkheid wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed
+verhalen uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen blik naar zijn
+vrouw, die intusschen, als hoorde ze 't niet, zacht met Truida zat te
+praten, nu en dan over haar heen den tuin inkijkend, met een air van
+licht-gemelijk, maar berustend dédain.
+
+Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu.
+
+En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne sigaren, koffie en
+pousjes. En meneer raakte erg op dreef. Hij vertelde een paar dingen
+waaruit bleek dat hij 's middags op de societeit was geweest. Hij vroeg
+herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat Bernard wel zei van
+Edward, of hij ook niet dacht dat hij een piet zou worden daar in Indië.
+Ja zeker, dat dacht Bernard ook.
+
+Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames en net nog wat zouden
+gaan whisten, merkte Bernard op dat 't zijn tijd was. Och, maar dat was
+jammer, vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral 's gauw
+terugkomen.
+
+Edward bracht hem naar den trein. Onderweg maakten ze nog een afspraak
+voor de volgende week. Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen
+doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren.
+
+En Bernard was weer alleen in den trein. Maar hij voelde 't nog niet
+dadelijk, 't alleen-zijn. In zijn warm hoofd roesde en soesde nog al
+'t gepraat van den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward en zijn
+vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat roezige in hem, dommelend in
+een hoek van de coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken en
+aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid komen in zijn
+geest. Hij wou den algemeenen indruk van dien dag, van den eersten dag
+met Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij wou eerst slapen.
+Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst slapen. Toen hij weer in de open
+lucht kwam, loopend van 't station naar zijn kamer, wou 't telkens boven
+komen, 't denken over dien indruk. Maar met een vagen angst herhaalde
+hij in zich zelf: eerst slapen.
+
+En 't lukte. Hij was moe van den ongewonen dag-in-de-lucht en die lange
+wandeling.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen 't opstaan. 't Was
+of de slaap hem geen rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den
+rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een onbestemd gevoel van
+bange benauwing -- zonder zich er in te denken -- zag hij op tegen den
+dag. Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen, liggen in
+zijn bed. 't Was of de tijd hem niet aanging. Maar met een druk-dringend
+geklop op zijn deur kwam zijn juffrouw hem weer roepen, met een
+hoog-schelle stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone
+luiheid: "Meneer!.... weet u wel dat 't bij half-negen is?....
+meneer!.... meneer!"
+
+"Ja, ja!" riep hij nijdig terug en bromde: "stik toch!" en in-eens trok
+hij zich de dekens tot om 't hoofd en kwam 't in hem op 't nu eens niet
+te doen, 't te verdommen, gladweg.... Maar -- beter wakker nu -- schoten
+hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid allerlei dingen in,
+waar hij bepaald voor zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet
+opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast in zijn zak, en er
+kwam hem iemand spreken, tegen tien uur.... En even later trapte hij met
+driftigen wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit zijn bed
+zakken.
+
+Er was aldoor nog iets anders dan 't gewone alledag-kantoorleven, waar
+hij tegen op zag, maar hij liet 't niet nader komen, -- vaag voelde hij
+'t dreigen als wanhoopsstemmen in de verte.
+
+En toen hij de frischheid van 't water gevoeld had en, zich afdrogend,
+naar een raam van zijn kamer liep om even te zien wat voor weer 't was,
+herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om nu, van morgen, --
+in den kil-nuchteren stadsmorgen -- in zich na te gaan den indruk van
+dien eersten dag met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit zijn
+gedachten, 't uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf, dat hij geen
+tijd had, dat hij denken moest aan zijn zaken.
+
+Maar 't werk viel mee dien morgen, en tegen elf uur, terwijl hij aan
+zijn lessenaar zat te schrijven een paar brieven, kwam 't nader, àl
+nader, 't dreigende in zijn ziel, en 't hielp niet meer of hij al zijn
+best deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf, in-eens bonkte
+'t op hem neer en wrong 't zich in hem, met onwrikbare stevigheid --
+als een schroef die met een domme-kracht gedraaid wordt in 't wijkende
+hout: -- Dat is uit, je hebt geen vrind meer!.... Er was lijdelijk,
+lijdend verzet in hem, hij wilde niet, maar hij moest; onmachtig
+onderging hij zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een zacht,
+onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed: Er is geen vrindschap....
+Er is geen vrindschap....
+
+Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen, over provisiën en
+termijnen van betaling. Het was zijn gewone, regelmatige handschrift,
+groot-open, zonder krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal
+aan-zaken-gedenk van die zware gedachten, die als van-zelf ontstonden,
+zich verdrongen en ophoopten in zijn achterhoofd. 't Was of een
+diep-sombere stem daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn
+gansche zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er is geen
+vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel is niet te deelen.
+Niemand kan een ander geven wat hij heeft zonder 't zelf te
+verliezen.... En telkens terugkeerend, allengs vergrijzend,
+weg-somberend in de doffe melancolie: De mensch is alleen....
+
+In 't koffie-uur, terwijl hij liep op straat en terwijl hij zat te
+dejeuneeren, met Sam, -- ze lazen allebei de krant, -- en daarna,
+terwijl hij slenterend opliep naar de Beurs, deed hij zijn best in zich
+op te diepen en dan te bekijken zijn aparte indrukken van gisteren -- nu
+niet bang meer voor teleurstelling, want in zijn somberheid van nu was
+alles egaal grijs, zonder tinting van bizondere stemmingen, en alle
+gedachten gelijkwaardig als de steenen van de straat. En 't was
+onmogelijk over te voelen de sensaties van gisteren, want er hing een
+nevel van melancolie overheen en er was een minachting in hem voor al
+die sentimenten, die de moeite niet waard waren, die, als ze even
+opkwamen, zwak en schraal, dadelijk werden weggeslorpt in zijn
+somberheid, als in een moeras dat treurig-onvruchtbaar zich uitstrekt
+tot den horizon.
+
+Zoo leefde hij ook dien middag door. En aan tafel, met zijn
+tafelvrinden, zijn kameraden van allen dag, vonden ze hem stil en in
+zich zelf gekeerd, maar dat was hij wel 's meer, ze namen er niet veel
+notitie van. André vroeg naar Edward, en hij vertelde kalmpjes en droog
+de feiten van gisteren, met een blanke conversatiestem, en hij zei dat
+Edward den volgenden Zondag in Amsterdam komen zou. "Zoo!.... komt-ie 's
+fuiven hier?...." vroeg André. "Mooi!.... dan zullen we 'm 's fijn
+ontvangen, hè?.... Wat doen we met 'm?"
+
+"'k Weet nog niet!.... 'k Zal nog 's zien!...." zei Bernard. 's Avonds,
+alleen in zijn kamer zittend, nu en dan wat lezend en dan weer soezend,
+starend in de stille vlam van zijn lamp, werd zijn stemming draaglijker,
+niet meer zoo drukkend, en rustiger. Dat bedaarde, van verstandig en
+resoluut alleen-leven keerde terug. Vooral ook als hij zich bewoog, als
+hij liep door zijn kamer, met kalme, stil-aandachtige bereddering,
+voelde hij dat in zijn bewegingen.
+
+En dat hield hij ook den volgenden en daarop volgenden dag. Hij bewaakte
+die stemming zorgvuldig. 's Middags aan tafel zat hij bedaard te praten
+over alles wat toevallig ter sprake kwam, met een niet-opvallende
+gelijkmatigheid. 's Woensdags ging hij naar de comedie, in 't rustig
+gezelschap van Hendrik, en liet zich bezighouden met een aangenaam
+gevoel van niets beters te doen te hebben. Verder dan ooit van den
+levenslust, kwam hij in een soort van goede-verstandhouding met het
+leven, iets dat leek op vrede, op te-vreden-zijn.
+
+Donderdagsavonds bleef hij weer laat op kantoor allerlei dingen afdoen,
+waar hij een oogenblik kalm voor zitten moest, zonder storing. En
+tusschen de dingen door soms even stil peinzend dacht hij zonder
+verdriet aan Edward. Zeker, hij hield nog veel van zijn ouden vrind. En
+Edward van hem ook, o! zonder twijfel! Beiden hadden ze den wil in zich,
+den goeden wil, elkaar zooveel mogelijk te helpen en genoegen te doen,
+en misschien begrepen ze elkander nu en dan ook wel even.... Zeker! o
+ja! daar was veel goeds in. Edward was hem trouw en hij was Edward
+trouw. Zeker voelde ook zijn vrind die trouw als een soort van heilige
+afspraak, een verbond zooals in vroegere eeuwen zwervende ridders samen
+sloten, broederlijke vrinden blijvend al zagen ze elkaars gelaat in
+lange jaren niet. Zij waren immers van de ridders van deze tijden, ze
+waren gentlemen. En zij hielden van elkaar. Er was geen twijfel aan; hun
+vrindschap stond hoog, was misschien wel 't hoogst-bereikbare tusschen
+twee menschen, twee van die werelden die mensch heeten.... wie weet
+'t?.... Maar vrindschap?.... Bernards gedachten van dien avond
+losten zich op in een glimlach, een koel-hoogen, ster-hoog
+ironisch-minachtenden ziele-glimlach.
+
+Maar Vrijdag -- zooals een stormige morgen komt na een stil-helderen
+nacht -- was weer onrustig, oproerig, mokkend. Hij voelde zich als
+weggeduwd, met hoongelach, in een put van gewoonheid en minne
+beslommering, als opgesloten, terwijl anderen samen-leefden. En
+plotseling in den namiddag schrok hij van een nieuw gevoel, dat
+vreemd-licht opsloeg naar zijn hoofd, hij wist niet waar vandaan. Hij
+was bang dat 't wanhoop was, hij was bang, bang voor zich zelf. Hij
+dorst -- nog nooit had hij dat gehad -- 's avonds niet op zijn kamer te
+blijven, alleen; hij ging uit, met André en een paar andere kennissen en
+dronk veel, zoodat hij zich den volgenden dag physiek-ellendig voelde,
+dien dag doorzeurend, verlangend naar zijn bed, en zich heel vroeg te
+slapen lei, met een wil -- een soort plichtsbesef -- om frisch en helder
+te zijn dien Zondag als Edward kwam.
+
+Hij was dan ook weer beter, weer gewoon dien Zondag. Hij was ook weer
+bedaard, kalm-somber. 't Speet hem dat 't regende. Dat was lastig, hij
+had willen wandelen met Edward. Niet omdat zoo'n lange wandeling hem
+nog aanlokte -- dat was voorbij -- maar omdat die 't best den middag
+vulde. Nu zou 't wel weer worden een blijven hangen in kamers en
+koffiehuizen. Hij kende dat, hij proefde 't al.
+
+Toen hij, achter op de tram, naar 't station reed om Edward af te
+halen, keek hij telkens naar de lucht, hopend dat 't wat lichter worden
+zou. Maar 't werd niet lichter, en 't regende door, 't was een echte
+regendag. Hij zette zich er dus over heen. Wat kon 't hem eigenlijk ook
+schelen. De dag kwam wel weer om, wel zeker, 't zou zelfs wel gezellig
+zijn met Edward en André en Sam, vroolijke lui. Bedaard wachtend liep
+hij op 't perron heen en weer, nauwelijks merkend dat de trein weer
+wat te laat kwam. En hij ontving zijn vrind met gul-lachende
+vrindschappelijkheid.
+
+Edward was vroolijk en spraakzaam. Hij was blij dat hij weer 's in
+Amsterdam was. 't Begon hem eigenlijk al erg te vervelen in Baarn. Hij
+was al 's naar Utrecht geweest, naar zijn broer, en hij dacht van den
+zomer naar Hannover te gaan en met Herman een reisje te maken in den
+Harz of zoo. Hij zou hem er over schrijven. Maar eerst, ja, ja.... eerst
+kwam hij in Amsterdam logeeren, waarschijnlijk al gauw, in April nog,
+bij zijn zuster. Hij had ook nog heel wat zaken af te doen in Amsterdam,
+van de week was hij daarvoor ook nog 's een dag in de stad geweest;
+helaas had hij weer geen tijd gehad bij Bernard aan te loopen.
+
+Bernard luisterde rustig naar zijn ijverig pratenden vrind en zei
+nu-en-dan ook een paar woorden met een opgeruimde, kalm-blanke stem,
+aldoor in die stemming van stil-wijs evenwicht, berustend in zijn
+alleen-zijn, zonder behoefte aan uiting en bijval, koel versmadend de
+soort van troost die komen kon van wat men vrienden noemde. Hij was ook
+vast besloten in die gemoedshouding te blijven dien dag, zich niet te
+laten storen.
+
+Maar 't mislukte weer volkomen.
+
+Ze zouden koffiedrinken in "de Poort." Daar zat André hen al op
+te wachten. Hij en Edward begroetten elkaar met joviaal-lustige
+hartelijkheid en een zekere heimelijke verstandhouding. Tenminste
+Bernard voelde 't zoo terwijl hij er bij stond. 't Was hem dadelijk of
+die twee elkaar lachend deden opmerken zijn figuur van dooien-diender.
+Een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam snel in hem op.
+
+Ze zouden voorloopig met-z'n-drieën blijven. Hendrik was naar Haarlem,
+Gerrit was ook uit de stad en Sam zou hen komen treffen tegen vijf uur
+in een café. Met-z'n-drieën gingen ze dus zitten dejeuneeren, en bijna
+voortdurend praatten Edward en André samen, wat heel natuurlijk was,
+redeneerde Bernard tegen zich zelf, want ze hadden elkaar nog niet
+weergezien.
+
+Maar 't hinderde hem toch.
+
+Daar was weer niets aan te doen.
+
+Hij hoorde hoe heel anders, hoe veel opgewekter, jonger, joliger, dat
+praten van Edward met André was dan zijn eigen gesprekken met zijn
+vrind, daar net nog op straat en den vorigen Zondag. Hij voelde dat die
+twee elkaar bevielen, dat ze iets zonnigs, iets prettigs waren voor
+elkaar, Edward voor André en André voor Edward. En hij was jaloersch op
+André en 't ergerde hem dat hij jaloersch was. Hoe kinderachtig was dat
+nu weer, hoe beroerd dat hij zijn stemming van bedaard en verstandig
+alleen-zijn niet wist te bewaren!.... Waar was die stemming nu?....
+weg.... totaal weg!.... Hij was wee-leeg van stemming nu, wrevelig; hij
+voelde zich als zonder doel neergegooid in een warboel van antipathieke
+gedachte-scheuten en sentiment-vleugjes, hij voelde een vijandige
+onverschilligheid om zich heen in 't drukke lawaaiige café.
+
+Rondom hun tafeltje stonden andere tafeltjes, naakt-houten
+koffiehuistafeltjes, en daaraan zaten allerlei mannen, heer-menschen,
+met oplettendheid lekker te eten en te praten met gezichten die wat
+uitdrukten: genot, genoegelijkheid, blijdschap, belangstelling, -- er
+was er een die keek met een siekeneurige bezorgdheid; -- en hij voelde
+dat zijn eigen gezicht niets uitdrukte dan -- misschien -- verveling en
+gemelijkheid. Overal in 't café, tusschen de kil-naakte caféwanden, was
+geroes van hard praten, en de kelners liepen en riepen door de zaal met
+een zjeuïge haast, met famieljare aanmatiging en harde, mislukkende
+affectatie-geluiden, quasi-grappige dreunen: As-je-blief!.... Aánnemen,
+meneer!.... kóm bij u!.... hàlve biefstuk met twéé spiegeleieren
+bovenóp.... koffie!.... 't Was een naar schreeuwerig lawaai. Er was een
+ploertig-luidruchtige, commis-voyageursachtige soort gezelligheid in de
+zaal. En aldoor kwamen en gingen de menschen hard over den houten
+vloer en krasten de stoelen naar achteren en naar voren en, telkens
+onverwachts, gaapte wijd de bekleede deur open en liet menschen binnen
+in een kilte van vochtigen tocht en zoog dan weer dicht, lamlendig
+terugvallend met een dof-stille bons.
+
+En Edward zat te luisteren naar André, die ophaalde van vroeger, en
+allerlei dingen vertelde van menschen die ze kenden, en telkens zei
+Edward tegen Bernard half-verwijtend: "God! dat heb-je me nog heelemaal
+niet verteld!" en luisterde dan weer naar André of sloeg zelf aan 't
+vertellen van beleefde gekke voorvallen en van pikante bizonderheden in
+'t indische leven en de menschen daar.
+
+Toen ze gedejeuneerd hadden, staken ze sigaren op. 't Regende altijd nog
+door, fijntjes, dampig; de lucht was egaal grijs.
+
+Stil somber in hun Zondagsche geslotenheid stonden de donkerrosse
+huizenrijen, droevig gelaten neerdruipend vunzige regenstrepen.
+
+Bernard was stil.
+
+Maar André sloeg hem op zijn schouder, luid zeggend: "Cheer up, old
+man!.... 't Valt je tegen die regendag, hè.... Ja, daar is nu niets aan
+te doen!.... Als we 's naar mijn kamer gingen?...."
+
+Dat zijn stil-zijn opvallend was geworden ergerde Bernard opnieuw. Hij
+keek even Edward aan, die glimlachte, zwijgend. En hij kreeg een kleur
+van ergernis. Hij werd verward, suffig, en zei dat 't hem niet schelen
+kon, waar ze heen gingen, dat Edward 't maar weten moest, wat hij 't
+liefst deed.
+
+Naar een museum?
+
+Neen, een museum op zoo'n regenachtigen Zondagnamiddag was de
+geïncarneerde verveling, vond Edward.
+
+André's kamer?.... Dat was te ver.
+
+Dus zouden ze nog maar even blijven zitten om te zien of 't ook wat
+opklaren zou, dan konden ze misschien nog wat omwandelen.
+
+Maar 't bleef regenen.
+
+Om half drie zaten ze er nog. 't Was Bernard met inspanning gelukt
+weer een toon van opgewektheid in zijn stem te brengen, en hij praatte
+nu, kalm rookend! Maar meer en meer werd hem de koffiehuisdrukte,
+benauwd-besloten tusschen de zwaar-dichte muren en zoldering en de
+groote, vaal-grijs beslagen en beregende ramen, een kwelling, een
+obsessie. Aldoor ging die deur, met een lichtkreunend geluid, en viel
+weer dicht, dof-stil. En nu waren veel burgermenschen binnengekomen,
+winkeliers, kantoorbedienden, diamantslijpers met hun vrouwen, dochters,
+tantes, ellejongens met scharrel-meisjes en winkeljuffies met galanten.
+Er werden al borreltjes gedronken en de rook van de goedkoope sigaren
+grauwde blauwig om de met Zondagsche zorg gekamde, vet-glimmende
+haarkoppen van de mannen en idiotig opgeflodderde vrouwenhoeden.
+
+En door de dikke rook-en-borrel-atmosfeer dreunde zwaar 't
+ploertig-bevelend geroep van de kelners: 'n gláásje Catz en 'n glás
+advokaat!.... kóffie!....
+
+Ook Edward begon 't nu blijkbaar te voelen. Hij keek verveeld rond en
+stelde voor nu in ieder geval maar 's weg te gaan. "All right, let's
+have a move," zei André, die vroolijk beweerde dat hij zijn engelschen
+dag had.
+
+Op straat, in de regenkilte, die van den natten steenen-grond ophuiverde
+langs zijn beenen en koelde zijn soezerig hoofd, hoopte Bernard zijn
+klaar-bewuste, kalm-rustige stemming van 's morgens terug te vinden.
+Hij deed er zijn best voor, maar 't lukte niet. Aldoor dreinde die
+jaloerschheid op André. En een oogenblik zijn ergernis daarover op zij
+duwend zei hij driftig in zich zelf, dat hij 't ook niet wou dat Edward
+meer bevrind zou worden met een ander dan met hem. Hij begreep zelf
+niet, wat 't hem eigenlijk schelen kon, daar toch vriendschap niet
+bestond, maar hij wou 't toch niet, hij wou 't tóch niet!.... En hij
+dwong zich weer vroolijk te zijn. Hij stelde voor even naar zijn kamer
+te gaan, een glas Vermouth drinken, en dat deden ze. Edward kwam er voor
+'t eerst. Hij vond de trap allermiserabelst, maar de kamer zelf
+heel aardig, heel gezellig. Hij liep er in rond met nieuwsgierige
+belangstelling, kijkend naar al de dingen aan den muur; hij snuffelde in
+de boeken die op de tafel lagen en begon te praten over sommige daarvan,
+die hij toevallig ook gelezen had. Dat was voor Bernard even een
+onverwachte aanwaaiing van sympathie, even maar, want toen hij dadelijk,
+met den hartstochtelijken ijver van een echten lezer, over die boeken
+begon te beweren, gaf Edward op onverschilligen toon, verstrooide,
+vluchtige antwoorden: Zoo!.... ja!.... hij wist 't zoo precies niet
+meer.... 't Kon wel zijn!.... Ja, ja, hij herinnerde 't zich ook wel
+zoowat....
+
+"Jelie doet daar niet veel aan lezen, hè?" vroeg André.
+
+"Och ja!.... als we den tijd hebben," zei Edward. "We hebben een
+leesgezelschap natuurlijk.... zoo'n echt indisch leesgezelschap,....
+veel illustraties,.... veel tijdschriften over 't algemeen,.... en
+dan romans,.... maar dat 's een zoodje!.... Dat is natuurlijk wat de
+boekverkooper, die ons bedient, graag kwijt wil zijn, wat hij goedkoop
+kan krijgen, begrijp je wel?...."
+
+En hij greep weer naar een ander boek en las den titel halfluid en
+bladerde er weer in en gooide 't opzij. En Bernard zweeg en keek er naar
+met ergernis; iets dat hem lief was werd nonchalant behandeld.
+
+Van Bernards kamer gingen ze naar 't koffiehuis in de Kalverstraat
+waar zij gewoon waren te komen, en waar ook Sam hen zou komen treffen
+tegen vijf uur. 't Was donker en vol in de nauwe straat onder den
+laaghangenden regenhemel en nog donkerder en voller in 't bekende,
+drukbezochte café. Ze gingen zitten aan een tafeltje aan 't raam, dat
+toevallig vrij kwam. De stoelen waren nog warm en de kelner haalde de
+vuile glazen weg en veegde met een viezen doek haastig en onvoldoende de
+tafel af, roepend terwijl naar een ander tafeltje: kóm bij u!
+
+Een uitgaand endje sigaar bleef liggen stinken op den looden aschbak.
+Bernard smeet 't op den grond met een gebaar van walging, waar André om
+lachte.
+
+Zij gingen zitten domineeren. Bernard deed dat slecht, hij kreeg
+herhaaldelijk standjes van André, die zei dat hij speelde als een
+jongejuffrouw, dat hij bang was om te koopen. "Wees blij, dat ik mee wil
+doen, jij die 't zoo graag speelt," zei Bernard. "Waarom," vroeg André,
+"als je 't liever niet doet, kijk dan toe, dan speel ik alleen met
+Edward; die houd er ook wel van,.... hè?.... zeg?...."
+
+"Jawel," zei Edward kalmpjes, "ik mag 't wel."
+
+"Och zanik niet," bromde Bernard, "je zult zien, dat ik 't nog win ten
+slotte."
+
+Toevallig was 't zoo, hij won 't eerste rondje. Dat ergerde André een
+beetje, die zei, dat 't meer geluk dan wijsheid was.
+
+"Ja, dat heb ik altijd gehad," zei Bernard bedaard, starend in zijn
+steenen, "dubbele zes!.... dubbele vijf!...."
+
+Even over vijven kwam Sam 't café binnen. Toen werden de dominosteenen
+opzij geschoven en bleven ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en
+kijkend naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde ramen, naar
+de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa, het leger van
+Zondagsmenschen in saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren,
+onder 't wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in loome groepen,
+waar nu en dan, slank en haastig een heer doorstapte, met een strak
+gezicht, wendend zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er
+door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw, en tusschen
+de donkere huizengevels, boven de menschen, hing laag de schemer van den
+motregen.
+
+De ontmoeting van Sam en Edward was heel bedaard geweest. Ook hadden
+ze elkaar vroeger maar weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met
+nieuwe menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en bleef toen,
+zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal gezicht dan den een
+dan den ander aan, rustig zitten luisteren naar wat zij zeiden,
+gezellig-tevreden, bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een
+man, schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf, toch
+gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard altijd om de volkomen
+geslotenheid van zijn ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den
+blik van zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van zijn
+prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen, beminnelijk-opwekkenden
+omgang.
+
+Ook thans peinsde Bernard -- naar hem kijkend nu en dan, al pratend
+intusschen met de anderen -- over die altijd zoo door hem gewenschte,
+nooit heelemaal bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam er ook
+wel 's moeite mee had, hij vermoedde dat hij, onbewust van zijn eigen
+zielsvermogen, daar eigenlijk nooit over nadacht, dat hij nooit lust
+voelde zich te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke
+teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was de schijn. Maar was
+'t wel zoo? Bernard nam zich voor te trachten dat te doorgronden.
+
+De neerschemerende namiddag vulde de hoeken van 't café met een lugubere
+duisternis, waar de donkere manfiguren met brommende drankstemmen
+pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen en de
+laag-hangende, vaal-grijze rookwolken sloegen lauw-warm om de ros-heete,
+van binnenuit-verhitte hoofden, die samenkoppelden boven de glimmende
+tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde een schamplichtje op een
+borrelglaasje of op een bril. Bernard voelde zijn oogen steken en een
+doffe drukking van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor nu maar
+'s te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden gaan in een duur restaurant
+daar ergens in de buurt, ter eere van Edward, en tot luidruchtige
+blijdschap van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze stonden
+dus op en gingen met moeite tusschen de donker-gejaste mannenkringen
+door naar de deur, en kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun
+stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en glad, waar hun groep
+uiteen viel, in de onmogelijkheid van naast elkaar te blijven loopen.
+Ze liepen -- ieder alleen -- zoo snel als 't ging door de traag gaande
+menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend, behendig manoeuvreerend met
+hun parapluies.
+
+Want 't regende al maar door, de lucht werd valer, donkerder, zich
+hullend in regendampen als in sluiers van stillen en onbegrepen rouw. Er
+was nu geen geschreeuw van straatventers, er was een roezig geploeter
+van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen, soms overtoond door
+een schel ruzie-geluid van een burgervrouw, die nijdig was omdat 't
+droop van een passeerende parapluie op haar goeie-goed.
+
+Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime vestibule in het
+rijke, rustige restaurant, van uit de kilmistige regenschemering
+in-eens in de zachte warmte, in 't al vermooiende avondlicht, dat de
+dof-flonkerende, overdadige pracht van de zaal zich opdringen deed
+aan den klein-turenden, half-verblinden blik, stil-precies met een
+oneigenlijke duidelijkheid. Ze gingen zitten, zoo ver mogelijk van
+de schel-schitterende lichtkroon, in een hoek van warm-donkere
+gordijnen en behang, en ze aten veel en duur, bizondere schotels, met
+gedrild-strakken eerbied aangedragen door de deftig-arrogante kelners,
+en wisselden telkens van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk
+kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste, zacht glanzende
+damast van hun tafel. Ze praatten eerst zacht, bijna fluisterend,
+evenals de andere menschen die hier en daar door de niet heel groote
+zaal zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon het eerst
+met hardop te praten, en al gauw bekommerden ze zich niet meer om die
+andere menschen -- die naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en
+ergernis -- en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk en opgewonden
+door den wijn en de weelde van de tafel.
+
+Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke rijkheid groeien in zijn
+warm hoofd en loome leden. Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens,
+met onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van allen dag, zijn
+zorgen, zijn stervende illusies. Dan dronk hij schielijk zijn glas uit
+en schonk zich opnieuw in en animeerde de anderen om toch uit te drinken
+en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat, vol onzinnige
+dwaasheden, met Sam, zoodat de anderen 't uitschaterden, en hij toostte
+op Edward, joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar zonder
+aandoening in zijn stem, en toen dronken ze ad fundum, en Edward toostte
+op hem, en 't hinderde Bernard een beetje dat in Edwards stem wel even
+emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit van 't drinken
+kwam -- een sentimenteele dronk! -- maar in zijn gemoed dreinde toch
+wat zelfverwijt, dat hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals
+aanstootend met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar daarbij even,
+vast, recht in de oogen keken, voelde Bernard ondanks zijn opwinding
+opnieuw met wreede duidelijkheid dat 't niet meer dàt was tusschen hen
+beiden en dat 't ook nooit meer dàt zou worden. Hun oogen hadden in dat
+moment met koele terughouding gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden.
+
+Ook Sam dronk -- een koddig-onsamenhangenden toost -- op de vrindschap,
+en André begon, een beetje dronken, op Edward te toosten die zoo'n
+fideele, joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel, waar
+hij nog wel 's meer mee uit wou, waarachtig!.... "en dan naar de
+meisjes ook, wat jij, zeg! Edward?" En zijn toost eindigde in een
+dol-uitgeschaterd: "Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!"
+
+En Edward lachte ook en antwoordde met een schielijk vertelden, schuinen
+ui, waar André om proestte tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn
+stemming weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig te kijken
+naar de anderen, die nu, over de tafel gebogen, half-fluisterend, meer
+van die moppen gingen vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid
+kwam en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer doen kon; hij
+bestelde koffie en cognac en rekende af met den beleefd-serieuzen ober.
+Zoo merkte niemand dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk
+stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep en gepraat van André
+in de nu leege zaal, en trokken in den stil-lichten, keurigen corridor
+hun klamme, van vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners,
+en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen, wachtend op de tram om
+naar 't circus te rijden. Want daar wou Edward 't liefste heen, hij was
+er nog niet geweest na zijn terugkomst.
+
+Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de
+drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, 'n beetje
+stil te houden, en ze kwamen aan 't circus, en gingen op den eersten
+rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw
+afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg,
+kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende
+oogen en opgewonden gebaren: "Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe
+de kerel dat doet?...." zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken
+met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig,
+maar na een poosje -- terwijl er geen notitie van hem genomen werd --
+viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar
+toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de
+koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een
+paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard -- die een
+beetje boos werd -- om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de
+voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen
+vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn
+kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist
+lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden.
+
+En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal
+dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl
+Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette,
+en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen.
+Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was 't ergst
+dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar
+Bernard, jaloersch, dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en
+zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis,
+naar de stille kamer op 't Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden
+en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed
+ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door
+elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal
+met zijn hoofd in 't kussen lag, sliep hij, met een open mond
+achteroverliggend, bijna dadelijk in.
+
+Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als
+'t noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden
+vrind.
+
+De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd
+bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een
+gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein
+en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en
+zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep 't niet, hij
+vond alles vreemd, 't was of 't niet werkelijk was, die roezige nacht,
+dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen
+hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... "Ik ben
+toch ook dronken," zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij
+gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed.
+
+ * * * * *
+
+Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en
+moe, -- Edward sliep nog, -- en 't was een morgen, dof-smartelijk van
+landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van
+denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist
+dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat
+vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.
+
+Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was
+keurig-netjes afgeborsteld en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was
+heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek.
+Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over
+gisteren-avond. Bernard begreep 't niet.
+
+Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden
+juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend
+gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om
+behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn
+groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was
+in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar 't was een meisje, o!....
+
+Bernard streek zich met de hand over 't voorhoofd. Hij feliciteerde
+Hendrik, maar 't feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij
+glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij
+moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!....
+Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....
+
+Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met
+den trein van één uur veertig.
+
+Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem
+naar 't station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram
+achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor
+sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de
+werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't
+opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende,
+schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel
+gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.
+Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met
+ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin
+alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde,
+gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke
+vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken.
+
+Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig,
+'t gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je
+plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van
+Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot
+weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven
+voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet
+merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen,
+misschien.... En zij.... zij!....
+
+Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar
+de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste
+momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld
+van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en
+liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs
+naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en
+eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke,
+bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn
+bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje,
+zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing
+glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door
+haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in
+Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend
+naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in
+zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk,
+overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte
+over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij
+'t was die haar man zou worden.
+
+En Bernard benijdde hem niet.
+
+Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat
+hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge
+menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom,
+jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze
+van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en
+pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een
+beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de
+maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.
+
+Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in
+Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag
+aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat
+hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was
+niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond
+van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn
+geest in klankenweelde.
+
+Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die
+stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan
+mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk
+met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige
+verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde
+hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen,
+zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel
+om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.
+
+ * * * * *
+
+Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den
+heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich
+voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn
+vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de
+stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den
+Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk.
+Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast
+altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen.
+
+'s Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en
+gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op
+een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van
+muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had
+dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.
+
+En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een
+drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten.
+Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de
+stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in
+'t rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de
+stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij
+menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In
+'t midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem
+breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn
+handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met
+jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van
+zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend
+in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt
+had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem
+luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en
+ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de
+hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en
+Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel.
+Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte
+fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf.
+En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige
+benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte
+groetend en glimlachte officieel.
+
+Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een
+vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven,
+koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en
+voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn
+wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te
+stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm
+op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij
+was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich
+meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten,
+een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van
+tijd tot tijd een teugje thee.
+
+En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en
+Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette,
+zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo
+trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij,
+langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook
+blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.
+
+De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook
+niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard
+verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog
+een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu
+blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een
+luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat
+te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en
+ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument,
+dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast
+haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen,
+korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de
+bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en
+lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven
+'t gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve
+luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar
+André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik
+naar de zoldering.
+
+Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een
+beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide
+uit op een muziekavondje.
+
+Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer,
+daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd
+hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt
+alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te
+zeggen, dat 't mooi was geweest.
+
+Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een
+gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat
+zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje
+recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende
+gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte
+hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten
+kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken
+gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten
+vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte
+van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met
+hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd
+naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige
+energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om
+nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar
+hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde
+verdraagzaamheid en rust.
+
+Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw,
+die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een
+meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano
+speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn
+verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet
+ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer
+en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn
+rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig
+balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de
+gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door
+afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij
+genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te
+kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan
+zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en
+de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die
+gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken
+waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij
+ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de
+menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen
+hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij
+alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel
+interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen,
+lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen
+waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige
+menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn
+lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken,
+en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de
+Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan
+koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was
+nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep,
+daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets
+hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die
+gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in
+zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die
+menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één
+handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel,
+die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn
+torenwoning, dan zwijgen?....
+
+Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in
+zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden,
+witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken
+onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn
+trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet
+duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten
+morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat
+hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu
+toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook
+zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige
+mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de
+wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam
+bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht
+op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn
+hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde,
+diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een
+gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap
+waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles
+maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren
+ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee
+en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit
+weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen
+ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere
+licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij
+ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig
+waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit
+genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet
+of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies
+wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen
+die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de
+sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze
+waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles
+flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar
+prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden
+en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te
+zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder
+lijden.
+
+Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze
+wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard
+werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren,
+zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk
+en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar
+in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de
+stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te
+kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En
+als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de
+rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen
+aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn
+dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook
+naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met
+Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten
+blijkbaar niet op hem.
+
+In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid,
+zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de
+klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen
+door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en
+hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal
+belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn
+soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant.
+Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't
+figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem
+gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein
+kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde
+zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En
+hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en
+heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan
+zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze
+uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap
+overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan,
+alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te
+stampen op den grond en te krijschen van drift.
+
+Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er
+werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met
+voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes
+rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.
+
+Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen,
+gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een
+praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet
+veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem
+nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor
+hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van
+zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven
+zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij
+deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen
+naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of
+ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met
+haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even
+aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want
+hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk
+kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij
+wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó,
+glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte
+hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......
+
+Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde
+hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --,
+dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij
+eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen
+dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met
+haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste.
+"Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen
+Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel
+gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op
+smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de
+rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met
+glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom
+weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich
+opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's
+met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze
+zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een
+dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias,
+een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten
+met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna
+niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om
+zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de
+kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond
+te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks
+nog maar 's laten dansen?"
+
+"Wel jà, wel jà...." zei Bernard.
+
+Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar
+vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou
+bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een
+indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te
+vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens
+kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur
+slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond.
+Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch
+wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en
+die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en
+grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen
+zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat
+zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!
+
+Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit.
+Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen,
+zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren
+met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan.
+Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer
+naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij
+en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met
+hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf
+liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten
+heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den
+Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en
+hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze
+ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter
+zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.
+
+Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer
+uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk
+al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij
+elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om
+verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel
+had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den
+onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet
+van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van
+burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken.
+Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is
+één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog
+dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten
+loopen met de oogen toe.
+
+Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou
+kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen
+loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en
+gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë
+ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval
+meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en
+Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen
+met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En
+goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en
+Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef
+eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen
+gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te
+doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en
+walste met haar.
+
+En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal
+overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek
+was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest
+doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig.
+En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een
+heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.
+
+Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen,
+en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot
+worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed,
+heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende
+gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms
+gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding,
+en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste,
+moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en
+weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen
+verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij
+niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien,
+en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den
+wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend
+verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg,
+in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden,
+liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk
+hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en
+hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!"
+
+André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die
+naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil
+leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets
+bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn
+mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André,
+"gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna
+roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een
+hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander
+meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat
+gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei
+hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze
+elkaar niet aankeken.
+
+Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar
+in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.
+
+Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd
+en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij
+ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op
+een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes
+nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje
+pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas
+wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel
+van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om
+een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij
+zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar
+hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde
+ouwelijkheid in zijn stappen.
+
+En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar
+hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was
+datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....
+
+ * * * * *
+
+De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes
+gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen.
+Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden
+glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van
+Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden,
+zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen
+of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier
+bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen
+weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in
+een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen
+gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone
+vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.
+
+Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat
+altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard
+liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op
+zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig.
+Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets
+van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen
+over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak
+met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder
+zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André.
+Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk
+gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die
+bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.
+
+Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van
+Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen
+mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En
+hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij
+'t omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard
+glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met
+extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind
+'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde
+zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een
+zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r
+maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch
+raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen
+voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward.
+"Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...."
+
+Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich
+zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in
+Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje
+zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat
+ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam
+gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik
+dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke
+hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent
+dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!"
+
+Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem
+op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch,
+heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...."
+
+"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...."
+
+"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat
+dat maar aan mij over, hoor!...."
+
+Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde,
+had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo
+ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch
+was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen
+en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de
+straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat
+gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.
+
+Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet
+hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij
+dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van
+iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een
+gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't
+merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende
+verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon
+verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen
+en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.
+
+Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen
+kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij
+'t zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet,
+'t leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich
+zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte.
+Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met
+minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen,
+dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat
+hij was!
+
+Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker
+steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in
+half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig,
+laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen.
+'t Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende
+mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen
+zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en
+gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen
+nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen
+die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen
+verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel.
+
+Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was
+koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend
+was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere
+sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen
+opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die
+negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden,
+los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij
+herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't
+overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan
+gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam
+begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze
+dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André
+proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde
+luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.
+
+Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten
+niet van weggaan.
+
+Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo,
+terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren
+tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je
+laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel
+sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop.
+Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis,
+en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn
+rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu
+eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan.
+Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n
+gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat
+nou nog?....
+
+Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's
+even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl,
+dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar
+aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek
+voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo
+gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't
+niet te doen.
+
+En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een
+breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje
+lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten
+en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat
+meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam
+er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar
+André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen:
+"Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding
+in zijn zak en schelde aan.
+
+Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door
+en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig
+verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed
+en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend
+de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds
+schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen,
+kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal
+zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er
+een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't
+heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van
+netwerk, zwart.
+
+De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep,
+sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om
+zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend.
+Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten,
+grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning
+van zijn stoel. Hij huiverde even.
+
+Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was
+verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met
+zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij
+zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met
+een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind
+was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd,
+te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast
+hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij
+telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.
+
+André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar
+flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig
+flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof;
+veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan
+ergens ver-weg, op een tafeltje.
+
+Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om
+naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even
+later ging André diezelfde deur door met een andere.
+
+Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat
+kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa,
+vreemd-rustig en op zijn gemak.
+
+Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en
+drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren.
+Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er
+een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant
+van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend
+naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.
+
+En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn
+lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar
+was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn
+lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging
+van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een
+dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre
+doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd,
+om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die
+hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind
+aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te
+worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende
+warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van
+genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die
+achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit
+haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak,
+was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even
+zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden
+glimlach.
+
+Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van,
+alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was
+een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met
+een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en
+laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje
+stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden
+verdoovend: Ik ben er van af....
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+'t Was vroeg in den killen morgen toen hij naar huis liep. Hij geloofde,
+dat 't zoowat half zeven was, hij wist 't niet precies. Met onbestemde
+verbazing ging hij door de stille kilte van de uitgestorven straten,
+kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten huizenrijen,
+die in de strakke puurheid van 't eerste licht onwezenlijk-duidelijk
+waren, schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een tooneel. En in
+zijn ooren was niets dan zilver-zuiver, hoog-lief, al te lief getjielp
+van vogeltjes, en nu en dan 't dofdreigend gebrom van groepen gebogen
+ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met gereedschap. Hij week
+wijd uit voor die groepen, met bijna slaafsch ontzag. 't Was hem of ze
+'t wisten allemaal en hem verachtten.
+
+Want 't was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde 't zich precies
+met al de kleine bizonderheden, nu in zijn herinnering een reeks
+staal-hard werkelijke noodlotsmomenten. 't Was geen droom. 't Was
+gebeurd.
+
+Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet begreep in vollen omvang
+wàt er gebeurd was. Daarvoor was zijn denken nog te veel bekneld; het
+scheen onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep, door 't
+onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare, ondeelbare van 't eenmaal
+gebeurde, gedane. Zijn oogen staarden tot ze brandden op dat ééne,
+doorzoekend zijn herinnering, als was er nog een hoop dat 't niet zoo
+was, tóch schijn, tóch een droom. Maar neen, zijn herinnering was
+onbedrieglijk zuiver en gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen.
+Hij wist nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en toen dat
+moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling, alomme ellende,
+onafzienbaar; en o! dat aldoor hooren van zijn ademhaling, als akelig
+naargeestig, van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij 't opstaan,
+aankleeden, weggaan, en toen dat moment, die bijna-niet-te-doorleven
+seconden, die onduldbaar-wrange gedachten-stilstand van 't betalen,
+'t neertellen van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende
+tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze neergelegd, naast elkaar,
+plat, schuivend, maar toch hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn
+klamme hand.
+
+Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij met zijn handen in
+zijn zakken om zich heen trok, den rug krom, 't hoofd laag, schichtig
+stappend. Hij wist niet of 't physieke pijn was die bonsde in zijn
+hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg tegen zijn slapen,
+van binnen.
+
+Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger, en hij was er gauw,
+schielijk draaide hij zijn sleutel om, die schuurde in 't slot, en
+vluchtte naar binnen, de zware deur achter zich dichtgooiend met een
+onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden slag. En stil, met
+ingehouden adem, vluchtte hij verder, de trap op en zijn kamer in,
+waarvan hij de deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op slot.
+
+Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende kamer, naar al de
+gewone stille dingen, kwam er eerst een snikkend smeeken van gedweeën
+boeteling in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid liet af. Hij
+begon te begrijpen. Hij voelde den blik van al die hoogzwijgende dingen,
+die hem gekend hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen in zijn
+vernedering. En in-eens woedend van wanhoop nam hij een koperen
+aschbakje van de tafel om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok
+van 't schuurgeluid dat 't ding op de tafel maakte en liet 't vallen op
+den grond, waar 't dof bonkend neerrommelde. De alkoofdeuren stonden
+open; met een huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn
+over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van machtelooze woede,
+en een heftig verlangen naar bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte
+als waanzin op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een gevlam
+van rood en blauw. Hij liep al naar de deur en sloeg zijn hand aan den
+sleutel, willend ver-weg-gaan, buiten in 't park, waar hij wist 't diepe
+water, stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de dingen in zijn
+kamer keken naar hem, fel-donker en een dreigend grommen scheen uit hen
+te slaan. Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem, en duwden hem
+neer, op den kalen grond, waar hij diep-snikkend neerlag, ineengekromd
+als een gegeeselde. Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem als een
+stormvlaag....
+
+En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond, op den ouden
+donkergrijzen grond van zijn kamer, zijn kamer, ruikend die bekende
+stof-lucht van 't kleed, kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn
+hoofd, kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel van veilig zijn, achter
+de gesloten deur, op zijn eigen kamer, tusschen al de dingen, die van
+hem waren, van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde in
+zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal weer gewoon en ieder op zijn
+plaats; ze zwegen, wijs kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging
+zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij wou alleen zijn met
+zijn intieme dingen. En toen, in 't vreemd gelende, zwart-schaduwende
+licht, kleedde hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond.
+Zijn kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn hand
+scheppend 't koude water uit de porceleinen kan van zijn waschtafel,
+begon hij zich daarmee te wasschen, snik-hijgend telkens als 't
+water kletste tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te
+klappertanden van de kou.
+
+Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop. Gewone menschelijkheid,
+bedelend verlangen naar warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven.
+Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn breed schonkig
+mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn, uit de kast, schoon
+linnengoed en ook andere bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop
+van 't uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin 't lag.
+
+Toen hij bijna klaar was zag hij dat 't over half acht was. Zijn
+juffrouw was dus niet gekomen om hem te wekken. Natuurlijk had ze hem
+thuis hooren komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze 't nu, zij ook
+al....
+
+Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed was, bijna klaar om
+naar kantoor te gaan. Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog
+weg zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.
+
+En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas weer aan -- dat waren
+nog twee dingen die mee geweest waren, die 't gezien hadden, zwijgende
+medeplichtigen, maar hij had geen anderen hoed en jas -- sloop hij
+voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de sleutel had even geknarst in
+'t slot en in de gang kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij
+licht schrikkend een deur opengaan en hij keek om en zag zijn juffrouw,
+die hem aankeek met een onderzoekende verwondering, vragende schel en
+wrevelig, valsch-lieverig: "Gaat u al weg, meneer?.... moet u niet
+ontbijten?.... 't Is klaar!...."
+
+Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een stugge meneer, hij
+praatte nooit met haar als 't niet hoog noodig was. Ze was een beetje
+schuw voor hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink geantwoord.
+"Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten. Goeie-morgen!" Goed zoo!
+zijn stem had bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat gaf een
+beetje steun, een beetje pose. Zoo moest hij zich er bovenop zien te
+houden.
+
+'t Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te gaan; de werkvrouw zou
+er nog bezig zijn, en Bram, de oude knecht, die den sleutel had en 's
+morgens altijd 't eerste kwam, die zouden verbaasd kijken. Toch ging hij
+naar kantoor. Hij zou er dan zitten als de bedienden kwamen, ze zouden
+hem niet zien binnenkomen, ze zouden zijn gezicht niet hoeven te zien.
+
+Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok hij, met een ernstig
+gezicht, vlug zijn jas uit en ging dadelijk aan zijn lessenaar zitten,
+zoodat de werkvrouw en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs te
+doen had, iets waar groote haast bij was. Hij liet den knecht de post
+uit de bus halen, zei dankje, en liet 't stapeltje naast zich liggen,
+quasi-ingespannen schrijvend een brief aan een klant. Toch verbeeldde
+hij zich dat Bram en de werkvrouw achter zijn rug elkaar vragend
+aankeken en even fluisterden. En hij schreef, diep voorovergebogen,
+nog haastiger door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een
+gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel er op, "Hier Bram,"
+zei hij, "dadelijk naar de post! Hard loopen, hoor!" "Ja, meneer," zei
+Bram bedaard, maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde zich
+weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw. "Wat is er, wat is er?"
+vroeg hij ruw-driftig. "Niks, meneer," antwoordde Bram verbaasd,
+"hoofdpost, meneer?" "Nee,.... breng 'm maar liever naar 't station,
+maar loop vooral hard!" "Ja, meneer!" En Bram ging weg.
+
+Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had den brief te copieeren.
+Hij bromde een paar vloeken en schold mopperend op zich zelf. Hij werd
+kregel. En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door te zien. Er
+waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld, den schrijver in
+'t gezicht had willen smijten.
+
+Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige verlegenheid om hem
+heen; ze was niet gewoon dat meneer er bij was; ze mocht nu alles wel
+in de puntjes doen; 't kon niet maar-zoo'n-beetje, zooals anders, onder
+een gezellig babbeltje met Bram, die zijn pijpje rookte.
+
+En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren luidruchtig op de trap en
+schrokken als ze meneer zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte
+stemmen; waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder omkijken.
+
+Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om met gefronste wenkbrauwen,
+zoekend met de oogen naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag hij
+dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich keken. Hij stond op om
+de post te verdeelen en sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met
+den ouden boekhouder en met den correspondent. Maar toen die een kleine
+tegenwerping maakte, een beleefde aanmerking op een plan van den
+patroon, werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat 't gebeuren moest
+zooals hij zei.
+
+En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk wisten zijn
+bedienden ook alles. Voortaan zou hij ze alleen kunnen regeeren door
+schrik en ontzag er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij niet
+meer. Maar hij was de patroon en hij zou er 't respect in weten te
+houden, zei hij in zich zelf, een vloek prevelend.
+
+Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij had nu een hekel
+aan zijn bedienden, die in lauwe tevredenheid zaten op hun krukken,
+stil-zeurig werkend. Hij verlangde er naar, een van hen 's een standje
+te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke jongen vooral, die achter zat,
+die altijd romans van Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien
+had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit veel reden tot
+klagen over hem gehad, en 't was een beetje een protégé van zijn oom,
+omdat hij van een vrij goede familie was; dus moest hij hem wel blijven
+dulden. Maar er moest ook niet zóóveel gebeuren,.... niet zóóveel,
+óf....
+
+Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid van zijn
+gedachten. Maar hij aanvaardde dat. Goed! hij was ook maar een
+doodgewoon mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig zijn?
+Dat overkwam iederen patroon wel 's!
+
+Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend bezig-zijn; geen
+enkel incident gaf hem aanleiding zich boos te maken. Hij werkte
+gejaagd-haastig door, met groote inspanning zijn denken houdend bij zijn
+werk. Als hij er maar even niet op lette, dan zag hij weer dat kleine
+kamertje, en voelde weer de benauwende warmte, en rook de gemeene odeur,
+en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen.... en dan zich zelf....
+En hij maakte onbewuste bewegingen van walging met zijn onderkaak. O dat
+weeë! en die gloeiende, gniepig martelende schaamte in zijn dof-bonkend
+hoofd.
+
+Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te drinken. Hij ging
+natuurlijk ergens waar hij wist, dat niemand komen zou dien hij kende.
+Hij at een paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast groote
+brokken verduwend, zich ergerend weer over die gulzigheid, en dronk
+wat van zijn koffie, die slecht was en akelig zoet, want hij had er,
+abstract, al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte
+bleef hij nog een poos zitten kijken in een viezige krant, las de
+gemengde berichten en advertenties die hem niets konden schelen, en
+liep toen loom op, naar de Beurs. Daar, in 't roezig geraas, werd zijn
+hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig van werd, en tegen een pilaar
+moest gaan staan. Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed of
+hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En zoo gauw mogelijk liep
+hij weer naar kantoor, vroeger dan anders. Al de bedienden blikten op en
+keken hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude boekhouder tuurde
+onderzoekend over zijn bril en die bleeke jongen, achter, wreef zich de
+dikkige handen en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard bleef
+hem even aankijken. Toen schrok de jongen en hervatte schuw-haastig zijn
+werk.
+
+Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel? zei Bernard in zich zelf.
+
+Hij ging weer zitten werken. En 't slechte humeur en de ruzielust
+waren er ook weer. Hij verbeeldde zich nu aldoor dat ze fluisterden
+en ginnegapten over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig
+wenkbrauwfronsen. Plotseling -- 't was om half vier zoowat -- hoorde hij
+duidelijk gichelen en omkijkend zag hij dien jongen achter een gebaar
+maken naar den jongsten-bediende, die in 't voorkantoor zat.
+
+Hij stond op en vroeg hard-luid: "Wat is er, Bekker?" "Niets meneer,"
+zei de jongen, quasi-onschuldig en bedaard naar hem omkijkend. "Niets
+meneer!.... niets meneer!" herhaalde Bernard met dreigenden wrevel en
+klimmende drift. "Wat heb je dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan
+Willemse hier?.... Kom hier!...."
+
+Bekker kwam loom aanloopen. "Gauw wat! Kom hier!" riep Bernard. "Wat heb
+je te lachen, vlegel!" En hij gaf hem een harden klap in 't gezicht.
+
+"Au!" huilde Bekker, achteruit stuivend. "Verdomme!.... U hoeft me niet
+te slaan! Ik heb niet gelachen!.... Ik deed niets.... Ik zat kalm te
+werken, hier, aan de facturen!"
+
+"Je liegt, vlerk!" schreeuwde Bernard, "je liegt, beroerde lummel!" En
+hij pakte hem bij den kraag van zijn jas en schudde hem heen en weer.
+
+Al de andere bedienden staarden, verstomd van verbazing, naar zijn rood
+hoofd, dat scheen te zwellen, te zullen bersten. "Werken jelie maar
+door!" snauwde Bernard, "'t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom hier,
+vlegel!" En hij duwde hem voor zich uit naar zijn lessenaar en hij nam
+wat geld uit een laadje. "Hier is je salaris.... voor de heele maand,
+maar maak als de donder dat je van me kantoor afkomt, gauw!.... Pak je
+hoed!.... Gauw dan, zeg ik!" Zijn stem klonk schril-hoog en hij stampte
+van woede. Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de jongen 't
+geld aangenomen en was weggegaan, de deur uit, de trap af.
+
+Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij -- zijn bonzend hoofd
+steunend met zijn hand -- terug naar zijn lessenaar. Hij had moeite om
+niet te wankelen.
+
+Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht door dat woeste
+uitwoeden. Hij was blij dat die lamme jongen weg was. Een dégoutante
+papzak. Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem altijd al verveeld
+en ontstemd. Hij was blij dat hij hem niet meer zien zou, die akelige
+bleeke tronie, dat dom-zoetige meelgezicht.
+
+'t Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde telkens met
+ingehouden adem en iets van angst in zijn warm-soezig hoofd of de
+anderen niet fluisterden onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan -- van
+tijd tot tijd -- een droge kuch of een liniaal die werd neergelegd.
+Buiten versomberde 't straatrumoer in 't vergrijzen van den dag; met
+klamme melancolie sloeg 't geroep van een lorrenjood in de schimmige
+leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van zijn schrijvende hand
+verflauwen en vervagen tot een spookachtig-bewegende grijsheid zonder
+vorm.
+
+Voor 't eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp aan, die op zijn
+schrijftafel stond, en liet 't rolgordijntje naar beneden rommelen. En
+met een ruk schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in 't
+nieuwe, heldere licht weer flink aan 't werk zetten. "Ik zou daar ook 't
+licht maar aansteken," beval hij zijn bedienden, "'t is vroeg donker van
+daag." Niemand antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen
+op.
+
+Maar ondanks 't helle avondlicht, voelde Bernard nog altijd de kille
+krimping van den namiddag buiten, in de nauwe straat; hij hoorde het
+geroep en kargerommel versomberen, al dieper.
+
+En nu kwam ook 't strenge bewustzijn, dat hij in wreed-onredelijke drift
+een bediende had beroofd van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht
+even aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen, ....
+misschien had hij een moeder..... en zusters, die nu zaten te smalen op
+hem, den slechten patroon, den gemeenen man....
+
+Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op 't hel-lichte,
+koel-glanzende papier, dat voor hem lag. Maar dat kon natuurlijk niet.
+Hij was de patroon. Hij moest 't gezag handhaven in 't belang van de
+zaken.
+
+Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden met zich zelf.
+'t Was tergend dat nu juist, met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn
+wegging. Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer reden te
+hebben zich zelf te beklagen.
+
+Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt groet-gebrom
+vertrokken de bedienden. Er was stil gemor in dien verplichten groet.
+Bernard voelde 't.
+
+Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds, terwijl hij ook opruimde,
+sloot, en wegging. 't Is nu eenmaal gebeurd.... 't Kan toch niet meer
+ongedaan gemaakt worden.... En al kon 't ook, al kon 't ook!.... Wat
+bliksem, die jongen is ook niet voor zijn plezier op de wereld....
+
+Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik liep hij de
+Warmoesstraat door naar den Dam en toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan
+eten. Aan zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers toch, dat
+terugzien en weer omgaan met hen. Of 't nu vandaag of morgen gebeurde
+wat deed dat er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....
+
+Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal hun vrind, meer dan
+ooit hun makker, een van hun slag. Dat zich heimelijk eenigszins
+boven hen voelen van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden, een
+gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen met fellen hoon. Ze
+zouden hem zeker hartelijk, kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou
+vroolijk zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon nu alles
+doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar wou, er was niets meer
+aan verloren.... Jammer! hij had daar eigenlijk al veel langer plezier
+van kunnen hebben....
+
+Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee borrels, achter elkaar,
+aan de toonbank, en met voldoening merkte hij hoe 't werkte van binnen,
+verhittend zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle vlammen zijn
+suffe hoofd in.
+
+En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren, bitterend aan hun
+gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit waren er ook, en hij zag dadelijk
+dat die twee 't ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen was
+aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen genoegen in 't
+geval, Hendrik keek hem ernstig, kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden
+er geen woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er niet aan
+dachten. André was opgewekt, heel amicaal, en Sam bedaard hartelijk,
+leuk-natuurlijk-hartelijk, als een broer.
+
+Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat ze er dadelijk over
+beginnen zouden, en daarvoor dan zijn antwoord klaar had, was verward
+en abstract. En toen hij nog een borrel gedronken had en er aan gewend
+was dat ze er niet over spraken, een beetje wegzakkend in half-dronken
+gesoes, was hij telkens bang dat ze een toespeling zouden maken of één
+van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet meer hoe hij zich dan houden
+zou.
+
+En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder koffie, bewerend dat hij
+naar kantoor moest. Maar hij ging naar zijn kamer.
+
+Hij stak er 't licht niet aan, hij bleef in 't donker liggen op zijn
+kanapee, met gesloten oogen, achterover, zijn dof-bonzend hoofd tegen
+den hard-houten rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst goed, de
+hardheid van 't hout, die pijn gaf aan 't beenige achterhoofd. Maar gauw
+werd 't te erg en zakte zijn hoofd lager, tegen 't broeiige trijp. En
+willoos toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn moeie lijf,
+was hij gauw in een doffen slaap.... weg....
+
+Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd, zag hij, met
+een aangestoken lucifer op zijn horloge kijkend, dat 't bij tienen was.
+Hij was nog dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen ondanks de
+stijfheid van zijn klammig-koude leden, de pijn in zijn gewrichten en in
+zijn hals.
+
+Met een angstige klopping in zijn polsen keek hij rond in de schemerige
+duisternis van het vertrek. Zijn gordijnen waren opengebleven;
+mysterieus zwierven de gelige glimpjes van in 't water weerkaatste
+flikkering langs 't plafond, en in den eenen hoek streepte zwak 't
+armoedige licht van de straatlantaarn, die een eindje verder stond. Hij
+hoorde 't gebel van de tram die de flikkering wierp in 't water. Maar in
+zijn kamer was 't stil.
+
+En nu steeg in-eens in zijn hoofd, -- dof-treurend als uit de verte
+gehoord gezangen-zingen in een protestantsche kerk, -- het volle
+bewustzijn van wat er in hem was vernield.
+
+En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd van een sterk in
+zijn hoofd staande, smartlijke verbazing. Hoe was 't mogelijk!.... Hoe
+was 't mogelijk!.... De eenige illusie die hij nog had, de teeder
+gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den doorstanen hoon, het
+zonnevlekje van poëzie in zijn leven, het blauwe lint aan zijn stalen
+lans, het teeken der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn handen
+verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En uit zijn wijd-openstaande
+oogen persten de groote tranen en liepen langs zijn verkild gelaat, lang
+voor hij er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig begon te
+snikken, zijn gezicht in zijn beide handen duwend, zijn kil-klamme
+handen van eenzaamheid.
+
+Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat verdriet heeft. Hij
+fluisterde zacht: moeder.... moeder.... waarom ben je niet bij me
+gebleven?.... en waar is mijn vader, mijn vrind....
+
+En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op Zorgvliet. Hij was er
+niet dikwijls heengegaan. Ze waren daar immers toch niet. Ze waren niet
+in de kille duisternis, ze waren in 't licht, in 't diepe-stralende
+licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er heen gaan, nu wou hij gaan
+denzelfden weg waar zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood,
+in den zwarten wagen. Want hij was nu immers ook dood,.... verslagen
+door 't leven.
+
+Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging de trap af, en de deur uit.
+'t Was koel buiten, een vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij
+begon al langzamer en langzamer te loopen.... en bleef staan.... Hij
+voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij er niet langs kon loopen zoo lang,
+langs 't koel-kabbelende, donkere water, daar buiten, in de wijde
+stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan. 't Ging niet. Dan zou
+hij 't doen, 't lafste, 't laagste. En dan zou hij nooit, nooit kunnen
+stijgen tot hen in 't licht, in 't pure licht, maar hij zou daar blijven
+liggen, rottend in 't zwarte slijk, als een verdoemeling.
+
+Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij 't wist was hij weer
+op zijn kamer.
+
+En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast in 't alkoof, met
+moeite, de ouderwetsche mahoniehouten kist, waar de reliquieën in lagen,
+de brieven en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen hij
+die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar 't deed hem toch goed.
+Pieuse aandoening en weemoed verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken
+bedaarde kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel. En een vage
+behoefte om te bidden. Maar dat deed hij niet. Hij dorst niet denken dat
+God hem hooren kon.
+
+De rust na 't uithuilen voelend in zijn hoofd wreef hij herhaaldelijk
+met zijn handen langs zijn slapen om nu tot klaarheid te komen, tot een
+plan voor de toekomst. 't Was een lange, kale weg, dien hij voor zich
+zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan 't eenige. Werken van 't
+opstaan tot 't naar bed-gaan, om den zegen van den slaap te verdienen,
+waarin dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou zijn als 't
+zwakke schijnsel van 't groote licht dat hij niet meer hopen dorst te
+zullen zien.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu tot zijn levensdoel te
+maken ging hij den volgenden morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij
+zich voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen als waren ze nieuw
+voor hem en ten hoogste belangwekkend, met volle aandacht, de zaken
+breed overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de voltooiende
+finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang alle storende gedachten,
+aldoor krachtig in zich opstuwend dien wil om zich van nu af heelemaal
+te wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen, correcten
+stijl in zijn brieven -- zich juist en duidelijk uit te drukken in
+weinig woorden -- en naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven
+gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij kweekte 't stil.
+
+Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden,
+eenvoudig-kameraadschappelijk. Die vrees van gisteren dat ze wat weten
+konden was weg. Dat was natuurlijk onzin geweest, een hersenschim.
+Zulke toevalligheden, dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor. Ze
+wisten niets van zijn leven buiten 't kantoor, ze letten er niet op, 't
+kon hun niet schelen. Ze kenden hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een
+doorgaans nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer niets.
+
+Hij werkte 's morgens, 's middags en dikwijls 's avonds ook nog. De
+drukke tijd duurde lang dit jaar. April uit en bijna de heele maand Mei
+was er veel te doen. En meer en meer boeide 't hem en merkte hij den
+bedarenden zegen van 't werken.
+
+Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel, was dan
+bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over zijn drukte, over de bergen
+werk die hem wachtten, om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen.
+Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn zuster, zag hij een
+paar maal. Eens ging hij er eten en een anderen keer kwam zijn vrind 's
+avonds op zijn kamer om 's ouderwets te praten. En beide ontmoetingen
+stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw dat hij nog altijd hield van
+Edward en graag alles voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige
+intimiteit tusschen hen kon zijn.
+
+Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging veel uit, maakte nieuwe
+kennissen, kwam van den een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer
+was hij bijna voortdurend aan 't woord. Hij had 't over Mimi en over
+andere meisjes, die hij ontmoet had in de laatste weken. Ze hielden hem
+erg bezig, al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven, maar hij
+kon ze toch allemaal niet vragen en de eene was zoo mooi, en de andere
+zoo geestig en een derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden
+ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen nemen om 't geld!....
+Maar och, er was toch ook wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral
+in Indië, daar hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruit
+wou komen, carrière maken.... En dan, 't was ook een allerliefst
+meisje, bepaald een +goed+ meisje,.... en ze had ook wel een aardig
+gezichtje....
+
+Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en sprak wat tegen, en werd
+niet gestoord. Hij zat met kalm genoegen naar Edward te kijken, te
+luisteren naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk allemaal
+zat te vertellen, dat wist hij niet precies.
+
+Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat was een vreugde voor oom
+en tante. Ze begrepen eigenlijk niet goed hoe 't kwam, dat Bernard nu
+wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens een of andere
+verhindering had. Maar ze wilden er niet over spreken, want ze vonden
+'t veel te prettig zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo
+opgeruimd. Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn en voor zich
+uit staren, en dat kregele, licht geraakte en scherpe. Hij was veel
+zachter. Wel scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd ouder
+geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak dat tante nooit dorst
+vragen hoe 't nu eigenlijk zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op
+'t punt gestaan van hem daar 's over aan te spreken, maar ze was altijd
+een beetje bang dat hij haar dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en
+toch niets loslaten. "De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs
+geworden," zei ze eens tegen oom, maar toen die leuk-weg antwoordde, dat
+hij daar nog niets van had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen:
+"Nou ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies heeft.... Dat
+heelemaal niet!.... hij is bescheiden genoeg.... Alleen, hij kan soms
+net kijken of hij 't eigenlijk allemaal al lang weet, wat je 'm zit te
+vertellen...."
+
+Oom haalde zijn schouders op, "'k Begrijp niet, wat je bedoelt," zei
+hij.
+
+Bernard wandelde veel 's Zondags in Bussum. Liefst alleen, maar ook
+dikwijls met oom, die dan liep te praten uit zijn ondervinding van
+zaken en menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen en de lucht en de
+huisjes aan den weg. En hij genoot stil van het mooie, het teere, het
+fijne. Maar vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan 't genot
+van 't zien, 't bespieden van de dingen buiten, dan was hij stil-blij en
+bijna gelukkig. Als hij liep in 't bosch en zag de zwartige takken en
+takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid, en hij zag
+het teer-reine lichtgroen van de eerste blaadjes, en hier en daar een
+kastanjeboom, die al verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes
+stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de hooge lucht, die
+al dieper begon te blauwen en de blank-glanzende witte wolken, die
+geluidloos dreven in de zoete koelte, en als hij hoorde 't zuiver
+gefluit, de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene vogels --
+als waren er nimfen in 't woud, die lachten en kusten elkaar op de koele
+ruggetjes -- en dan daaronder 't intiem-dichtbije gekrak van zijn stap
+op 't droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend kwamen rijzen
+in zijn hooggedragen hoofd, dan werd 't lichter, zijn hoofd, en als
+doorruischt van zuivere liefelijkheid, was 't zorgen-leeg en vrij van
+lijden, van menschelijk getob.
+
+Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg, op den bruin-zwarten
+grond, zoodat de vochtige koelte van de aarde begon te huiveren in
+zijn lijf, en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren van
+voorjaarswind en vocht van weeke aarde. Hij genoot meer van de natuur
+dan ooit vroeger in zijn leven; veel was er wat hij nu voor 't eerst pas
+merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording van hooger leven in
+hem, een plotseling heel diepe, suizende stilte van denken aan 't leven.
+En met lange teugen ademde hij de lucht van 't vrije buiten.
+
+En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld, uit de ongekende
+diepten van zijn gemoed -- die waren als stille grotten, waarin de
+boschklanken echo riepen -- een heimelijk sidderen van hoop en blijde
+verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten in zich zelf, als hij
+terug wandelde naar 't druk-modieuse villa-gebouw, waar ze hem wachtten
+met een chic-gedekte koffietafel, opziend tegen 't moeten scheiden van
+zijn stil zijn in 't plechtige buiten, en hij zei: laat ik daar nu toch
+niet aan toegeven, dat is toch allemaal bedrog! laat ik nu blijven
+leven, stil, met 't genot van de dagelijksche dingen, met me werk en 't
+goed zien van alles om me heen, laat ik nu tevreden zijn, leven in me
+zelf zonder hoop op geluk van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens,
+altijd even onverwacht, en maar half bewust was ze er weer, die
+kloppende ontroering, van iets groots, moois, eindeloos begeerlijks, dat
+glansde, even boven zijn blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er
+naar kijken wou, er denkend naar zocht.
+
+Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn eenzame wandelingen door
+de Mei-natuur, en maakten hem soms weer triestiger, week neerslachtig en
+moe, met lust lang uit-te-huilen.
+
+In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor weekheid, met enkel
+frissche verliefdheid op natuur, zocht hij daar de boomen, en als hij
+de boomen niet zag keek hij naar 't water en naar de lucht, naar de
+heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs in de Warmoesstraat zien
+kon. Hij stond meestal vroeg op 's morgens en liep een eindje om
+voor hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen en zag de
+malsch-buigende twijgjes, waar 't jonge groen uitschiet en vrij zich
+ontplooit en naar de zuivere zon richt 't ongerepte glanzen van zijn
+blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en bloeien, kort boven de
+bevuilde klinkertjes en de bonkige keien, die daar lagen in eindelooze
+regelmaat samengestampt, de vale vloer van de stad.
+
+Maar ook van de met handen gebouwde stad, van de gevelrijen, van de
+hoogtorenende kerken en laagwelvende bruggen wilde hij 't mooie zien en
+hij zag 't ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er van genoot,
+iedren morgen en ook 's avonds, als hij lui-langzaam liep te dwalen
+langs de grachten, in de schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had
+het sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd, had hij altijd
+verlangd naar 't volkomen-donker, als de lantaarns werden aangestoken,
+op de stille grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die wazig
+streep-straalden voor de klein getrokken oogen, wiegend heen en weer
+met 't wiegende hoofd, en als in de wijde winkelstraten een intieme
+huiselijkheid kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om de
+haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij van de schemering en rekte
+met loom bewegen van zijn lijf 't genot er van in zijn wijd kijkende
+oogen en luisterende ooren. 't Wegkrimpen van 't daglicht tusschen de
+breed-gekruinde grachtboomen en de hellende gevels van de oude huizen
+gaf hem een eigen en innig genot van weemoed, vredigende melancolie,
+waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren naar 't stille klagen
+van den avondwind, hoog in de toppen van de drukke straten in 't hart
+van de stad, de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten.
+
+Want op de grachten was 't stil, de enkele voorbijgaande menschen
+spraken met gedempte stemmen, zonder luidruchtigheid of harden lach....
+
+Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde wegen van de stad, tot de
+hemel al lang zwart was en de maan opkwam, heilig mysterie van koel
+groen licht in den diepen nacht....
+
+Als hij dan -- nu en dan huiverig, rillend -- aankwam op zijn kantoor,
+ging hij zitten lezen onder zijn lamp, mijmerend boven de stille
+glanzing van de bladen van zijn boek.
+
+Hij was stil en rustig....
+
+En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd bevangen door hittige
+prikkeling van zinnelijke begeerten, die brandden in zijn droge keel en
+klopten in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen, zich moe
+loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten tegen de straatsteenen,
+net zoo lang tot hij bezweet en door de inspanning half versuft alleen
+nog naar rust verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij dikwijls
+week en slap van vermoeienis, maar de kwelling was weg.
+
+Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de eenige manier was om
+zoo'n verlangen weg te krijgen, als je er niet aan voldoen wou.
+
+En dat wou hij nu eenmaal niet.
+
+Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht in zijn
+vredigend-melancholische stemming. Hij vond op-zich-zelf niets slechts
+of leelijks in zulke begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of
+leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend, plat, banaal en
+wee waren de eenige middelen waarmee hij ze bevredigen kon. Eens had hij
+dat platte aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan, die er
+op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste gebracht. Hij verweet zich
+dat nu niet meer. 't Was noodig geweest, dat begreep hij nu. 't Was
+helaas noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem 't belachelijke van
+zijn vroegeren hoogmoed, van zijn malle, verwaande illusies te doen
+voelen. 't Was noodig geweest om hem te brengen in 't leven van
+tegenwoordig, 't bescheiden, stille leven van dag op dag, 't eenige op
+den duur mogelijke.
+
+Maar die eene avond beteekende verder heel weinig in zijn lange leven.
+Dikwijls, als hij er nu aan dacht, scheen hem die avond een droom of
+iets ergens gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen dat hij
+al niet lang wist, dat alleen een leven zooals hij nu leidde, zonder
+illusies, maar ook zonder zorgen -- want waarom zorgen? -- de wanhoop
+weren kon. Hoe was 't mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan verontrust
+had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende begeerten en
+mensch-verachtende gedachten. Alsof hij-zelf een gigant was en niet een
+menschje, even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren ook niet de
+giganten teruggeslingerd, in de diepte, te pletter?
+
+Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje, uit de
+Warmoesstraat, zoo'n gewoon beurslummeltje, paste de hubris, de hooge
+over-moed.
+
+En wat er overbleef van 't bestaan, als je 't opvatte gelijk hij nu
+deed, was toch nog wel de moeite waard. Als je maar wat zorgde voor
+afwisseling in de kleine vreugden en stille genietingen van allen dag,
+dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet voordat je oud bent
+en weet dat je dood moet. En zelfs dan bleef toch nog altijd 't
+in-zich-zelf-schoone, dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van mooie
+dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken om te lezen, om in weg
+te zijn, weg van je zelf en het leven. Zulke genietingen maar stil
+aankweeken in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig aangelegden
+tuin vol vreemde heesters en bloemen in tallooze variëteiten -- wel
+nergens wild, nergens grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite
+van 't bewandelen waard. En de hof van je buurman is allicht weer
+een beetje anders, en als hij er geen heining omzet dan kun-je er 's
+inkijken, dan heb-je ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel
+een klein-burgerlijk genot, je kunt 't af op je pantoffels, maar als je
+nu eenmaal geen gigant bent.... en geen reus met zevenmijlslaarzen....
+
+Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl hij stil zat te
+werken, en hij herinnerde zich dat hij als kind veel meer hield van dien
+vliegenden reus dan van 't listige klein-duimpje....
+
+O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder over hem zat en
+vertelde.... Even dwaalde zijn blik over zijn werk heen, kijkend zonder
+te zien.... Toen ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn hoofd
+bijhouden, 't was de balans van 't afgeloopen jaar, waar hij mee bezig
+was.
+
+ * * * * *
+
+Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen langs 't
+diep-liggende water van een breed-gewalde gracht, kwam hij Sam tegen,
+die daar in de buurt woonde, op een bovenhuis.
+
+"Waar ga jij naar toe," vroeg Sam.
+
+"Zoo langzamerhand naar huis," antwoordde Bernard, "ik heb maar een
+endje omgekuierd."
+
+"Ga met mij mee," zei Sam, "laten we bij mij een kalm glaasje wijn gaan
+drinken."
+
+"Dat's goed," zei Bernard.
+
+En ze liepen samen op.
+
+Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk voor hem geweest,
+niet met daden of woorden, maar met blikken en houdingen en een stem van
+natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan samen alleen geweest,
+lang zwijgend beiden zonder hinder van de stilte, als goede, oude
+vrinden.
+
+Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van den dag, stil-rustig
+en vertrouwelijk, en waren gauw in de mooie, groote zitkamer van Sam,
+die met veel luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed.
+Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid, te vermijden dat er fuiven,
+drukke drinkgelagen gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk
+genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden, die dan in ruime,
+gemakkelijke stoelen kwamen te zitten, de voeten op een dik perzisch
+kleed van verwonderlijk mooie kleurschakeering. Ook nu weer was Sam
+bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was; hij schoof lage leunstoelen
+aan, en niet zijn licht cadanzenden stap vlug door de kamer gaande,
+bracht hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van den
+voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoo bizonder op verlekkerd
+was, en die alleen met kalm-proevende aandacht, in stil-rustig samenzijn
+gedronken mocht worden.
+
+Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen, lagen stoel;
+allengs vervuld van stille bewondering, zacht-innige vreugde in mooie
+dingen -- alleen niet volkomen vrij van jaloezie -- keek hij rond in de
+kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch opentrok en de glazen
+inschonk. De met veel zorg-volle vinding en een sterk-persoonlijken
+smaak geornamenteerde kamerwanden, vol schilderijtjes en slank-omlijste
+etsjes, in den avond meer vermoed dan gezien, en de eenvoud van 't
+plafond en de gordijnen, die in rechte plooien neerhingen, innig
+schaduwend in 't getemperde avondlicht, gaven een geheel van rustige
+harmonie, dat hem aandeed met een gevoel van weelde-genieten en stil
+benijden van den man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol de
+koele wijn in 't glinster-heldere kristal van de glazen, geschonken met
+vaste hand, en werd de bestofte, zwarte flesch, nog rijk van edelen
+drank, terzij gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende weelde
+van 't fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam zich, met een ernstige
+tevredenheid, in den anderen armstoel zakken en namen ze beiden hun
+glazen op, mompelden "prosit" en dronken, en Bernard roemde even den
+wijn, wat een glans van genoegen gaf in Sams goedhartige, blauw-groene
+oogen. Een poosje zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten.
+
+"Weet je wel, waar André tegenwoordig 's avonds zit," vroeg toen Sam.
+
+"Nee....," zei Bernard vragend.
+
+"Hij gaat minstens tweemaal in de week naar Frank,.... zoogenaamd om
+Hugo,.... maar je begrijpt dat 't om 't zusje te doen is.... Dat zaakje
+zal wel in orde komen, vermoed ik...."
+
+"Zou je denken," vroeg Bernard, "hij spreekt er nooit over, hè!"
+
+"Daarom juist!.... Als 't 'm geen ernst was, zou hij er wel over
+praten!...."
+
+Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid op Betsy....
+vier, vijf jaar geleden nu,.... die jonge tijd van lachen en stoeien en
+van zingen, uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door zijn
+hersenen varen als een van ver aanstrijkende lenteluwte. "Hij heeft
+gelijk," zei hij ernstig, "'t is een goed meisje...."
+
+Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht mompelen: "Gelijk!....
+Hm!.... Betrekkelijk!...."
+
+"Vindt-je 't niet," vroeg hij, een beetje verbaasd.
+
+"Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat 't voor hem maar 't beste is
+dat hij trouwt...."
+
+"Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van elkaar houden," zei
+Bernard.
+
+Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen naar voren stekend. Er
+was een uitdrukking van goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn
+gezicht, een uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij liet zijn
+hoofd naar achter zakken op de rugleuning van zijn stoel en sloot zijn
+oogen even, koeltjes vragend: "Ben je 't er niet mee eens, jij,....
+verstokte celibatair?"
+
+Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch van zijn sigaar, en
+zei, zijn wenkbrauwen optrekkend, met quasi-deftige kraakstem: "Je weet,
+het celibaat is bij mij een tweede natuur."
+
+Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei: "Wees nou's even
+niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk niet willen trouwen, al was je
+nog zoo verliefd?"
+
+"Maar daar is immers geen gevaar voor," zei Sam, "ik ben nooit zoo
+verliefd."
+
+"En kan dat dan ook niet komen?"
+
+"Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... ik +laat+ 't nooit zoo ver komen....
+Ik wil eenvoudig geen vrouw."
+
+"Als ik 't niet beter wist, zou ik denken dat je er al een hadt, dat je
+'t niet weten wou...."
+
+Sam lachte even: "Stel-je voor!.... We zijn hier niet in Parijs!.... We
+zijn gezeten Amsterdamsche burgers,.... deftighedentjes...."
+
+"Maar wáárom wil je dan niet," vroeg Bernard een beetje dringend.
+
+"Wèl!.... Mijn God, kerel! 't zou me eenvoudig veel te lastig zijn,....
+al die soesa!.... 't zou me heelemaal uit me gewone doen brengen,
+natuurlijk.... Zoo'n vrouw, die overal aanzit met 'r vingers!....
+nee!.... dat 's niets voor mij!...."
+
+En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst, langzaam terugzakkend
+in zijn stoel.
+
+Bernard lachte even, een beetje stroef.
+
+"Ben jij soms ook weer 's verliefd," vroeg Sam.
+
+"Ik?.... wel neen!...." zei Bernard.
+
+"Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel van terugkomen op den
+duur, van dat kinderachtige verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed
+op weg.... je kunt dat immers heel goed vermijden als je wilt!.... M'n
+hemel, je kunt net zoo goed op 't eerste 't beste meisje verlieven als
+heelemaal nooit!.... Dat hangt er maar van af, of je er aan toe wilt
+geven of niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik heb niets
+tegen die lieve kinderen,.... integendeel!.... ze zijn altijd allemaal
+even lief en aardig voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,.... ik
+heb 't altijd best overal waar meisjes zijn...."
+
+Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid in Sams stem en
+zijn dom-weg voor-zich-uit zeggen van die korte zinnetjes hadden iets
+clownachtig-komieks. En ook voelde Bernard dat er een ongevaarlijke
+aard, een onverstoorbaar goed humeur voor noodig waren om dat zoo te
+zeggen.
+
+"Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van 'n ouden vrijer, een goeien
+oom,...." zei hij lachend.
+
+"Dat ben ik," zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw komiek was. "Maar
+ik vind 't heusch niets moeilijk!.... De verleiding is niet groot
+voor me.... Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten zijn
+teleurgesteld.... Och, weet je waar 't ze allemaal om te doen is? Ze
+willen gekoesterd worden, lekkertjes verwend, aldoor-maar-door.... Ze
+doen net als kindertjes die huilen om een koekje, en als de trommel leeg
+is zijn ze boos.... Mijn huishoudster zorgt heel voldoende voor me...."
+
+Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams stuursche oude
+huishoudster. "Dus," zei hij even later, "jij zult je geluk nooit zoeken
+in de liefde."
+
+Hij werd een beetje wee van de banaliteit van zijn eigen woorden; 't
+gesprek begon hem tegen te staan.
+
+"Geluk zoeken?" bromde Sam nog. "Ik weet niet waar je 't over hebt!....
+Ik ben zoo gelukkig als ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen
+af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn zoo overdreven
+niet...."
+
+Hij trok 't zich volstrekt niet aan, dat hij geen antwoord meer kreeg,
+maar dronk langzaam zijn glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw
+in. En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend. Bernard voelde 't
+wufte van zulk hol gepraat nadreinen in zijn ziel en hij merkte weer een
+kregele kriebeligheid van ergernis, als hij keek naar 't kalm plooilooze
+hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust: Sam was hem tegengevallen,
+had hem teleurgesteld; hij had veel meer diepte vermoed achter die koele
+leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te rekenen op zoo wat
+los geklets onder een glaasje wijn. Dienden al die nuchtere frasen zijn
+vrind niet om gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?.... En
+scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd naar Sam, die over hem
+lag, bespiedde hij de uitdrukking van zijn starende oogen. Maar die
+waren dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd.
+
+"Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht," begon Sam weer.
+"Daar, in 't midden!.... Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets
+van zien.... je moet maar 's komen kijken overdag.... 't Is verrukkelijk
+mooi!.... Dat 's nou mijn lust en mijn leven!...."
+
+Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig aan. Zoo'n enthousiaste
+uitdrukking had hij nog nooit van hem gehoord.... En hij zag de
+dof-glanzende staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje....
+Er was passie in dien blik.... En nu werd 't Bernard helder.... Dat was
+'t weer, altijd 't zelfde!.... alleen verschil van hartstocht verdeelde
+de menschen.
+
+Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er
+van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat 's ging ontwikkelen, zou 't
+hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien 't middel zijn
+om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd,
+zoo dat 't eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming,
+waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen
+kunt, als je er 's uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of
+'t lijden van anderen.
+
+Hij gaf toe aan dat plan, 't rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag
+zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw
+kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch
+maken, zoodat niets meer stoorde....
+
+Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik
+zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar
+blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en
+machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf....
+
+En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis....
+
+Maar Sam blies kringetjes en zei: "Kom, drink toch 's uit en beweer 's
+wat.... Hoe gaat 't in de zaken?"
+
+Bernard zette zich recht. "Sam," zei hij, "al wat je daar net gezegd
+hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!...."
+
+"God, kerel!" zei Sam, glimlachend, "denk je daar nog over?.... 't Is de
+moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet
+dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik,
+niemand met m'n egoïsme!...."
+
+Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna
+onverstaanbaar, bromde hij nog: "Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd
+hebben...."
+
+"Maar ik vroeg," zei hij dadelijk hard-op, "hoe 't in je zaken gaat."
+
+En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis
+ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan.
+
+En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van
+weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken
+en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor 't geluk van een
+ander, of voor een idee.
+
+
+
+
+XV.
+
+
+'t Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten
+zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en
+'t riet. 't Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars
+beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met
+villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte
+bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend
+in de zon, en liet zich lekker omgolven door 't tintelende licht, en
+de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen, dartelend 't
+zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes
+tegen, mompelend in 't vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen,
+maar hij lette niet op hen....
+
+Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude
+dame in 't zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur,
+recht-op, in teere slankheid.
+
+Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een
+half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook
+aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat 't Lucie Tadingh was. Hij groette
+met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met
+zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en
+helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde
+strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en
+zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig
+van ja.
+
+Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat
+was 't nu ook weer?.... 't Was iets aangenaams, iets rustigends, maar
+wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij
+eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo'n kleur? En ze groette
+bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze
+misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij
+misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en
+beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit.
+
+Een vreemdsoortige ontmoeting....
+
+Hoe was 't toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te
+binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan 't souper....
+o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was
+voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van
+den Bosch hem nog over haar gesproken.... Dat ze zoo'n lief, zacht meisje
+was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame....
+haar moeder....
+
+Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar
+nooit meer 's tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg
+afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had....
+
+Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....
+
+En neen, 't was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende
+verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was
+dat hij haar herkende.... Ja, zoo was 't, dat drukte 't best uit de
+herinnering, die hij er van gehouden had. 't Was vreemd. Een meisje dat
+hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op
+een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....
+
+Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later.
+
+Hij vond 't al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van.
+
+'t Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat
+zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem
+om op te verlieven!.... Wat had hij in 's hemelsnaam dat een vrouw kon
+bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij
+was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets
+interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon....
+
+Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een
+knappe jongen was en dat in dien tijd -- wat was dat lang geleden --
+bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy.
+Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op 't gymnasium was.
+Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later
+Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens zeker geweten. Had ze
+van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn
+vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en 't nichtje dat
+logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge
+meisjes!....
+
+Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan
+denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel
+vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij
+misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs,
+onbevangens, een dichter in den dop....
+
+Maar nu?.... Hij begreep 't niet.
+
+Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn
+tante: "Kent u hier een weduwe Tadingh?"
+
+"Tadingh," herhaalde ze, verwonderd, "Tadingh?.... Nee.... 'k Heb den
+naam wel 's hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee...."
+
+"Jawèl," zei oom, "dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die
+een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en
+een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op
+de Prinsengracht."
+
+"Hoe dat zoo, Bert," vroeg tante.
+
+"Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den
+Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben
+ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende...."
+
+"Nee," zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond 't blijkbaar gewichtig
+en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard
+interesseerde, en die zij niet kende. "Nee!.... wonen die hier?...."
+
+"Ik weet 't heusch niet," zei hij, "'t is best mogelijk dat ze maar voor
+een enkelen dag zijn gekomen."
+
+'s Middags wandelde hij met oom. Maar hij was lang niet zoo rustig als
+anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte,
+wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij
+voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend.
+Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij
+had 't land aan zijn uiterlijk. 't Was te vol en te blozend, het had
+iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde 't heelemaal niet
+in harmonie met zijn innerlijk....
+
+En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee....
+onmogelijk....
+
+Maar hij was aldoor onrustig. Na 't eten liep hij al weer uit, tot
+teleurstelling van oom en tante. "Ik kom gauw terug," zei hij, "nog even
+een luchtje scheppen!"
+
+Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek
+ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan.
+
+Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou
+gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want 't was natuurlijk
+een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van
+terzij glurend in de tuintjes en waranda's. Vruchteloos natuurlijk.
+'t Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen
+loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang
+rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En
+droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje
+triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een
+heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van 't tuintje
+waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed
+denken. Was ze 't? Hij luisterde even. Blijkbaar was 't een meisje, dat
+met een hond speelde.
+
+Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was 't;
+ze zag hem ook en bloosde weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij
+voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.
+
+Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op
+'t hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan,
+een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: "Dag,
+juffrouw Tadingh, hoe gaat 't u?"
+
+"Dag, meneer Bandt," zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een
+hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje.
+
+"Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk," zei hij.
+
+"Jawèl," zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, "u groette toch?"
+
+"O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al
+even aangekeken voor ik groette...."
+
+"Ik vond 't juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende," zei ze, "we
+hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en 't is al zoo'n tijd
+geleden."
+
+"Ja...." zei Bernard, aarzelend, "ja.... dat 's wel waar." En er was een
+oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op 't
+punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij
+had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich
+in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende
+emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had
+hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend
+lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....
+
+"Gaat u dien kant op," vroeg hij, om wat te zeggen.
+
+"Och," zei ze, "'t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op
+met Hek,.... hier Hek!...."
+
+En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij
+zei, 't had hem verwonderd, dat hij haar nooit 's was tegengekomen. Zij
+zei -- even blozend -- op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze
+hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en
+eens op de tram. Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in
+comedies of zoo. 's Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en 's
+avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap
+houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was
+heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat
+villatje, waar ze daar juist uit gekomen was.
+
+Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.
+
+"Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was
+nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek 't veel erger geworden.
+Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.
+
+"Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet
+waar?" vroeg Bernard met stillen eerbied.
+
+"Ja," zei ze dof, "twee-en-een-half jaar is 't nu." En even liepen ze
+zwijgend verder, met gebogen hoofden. "Kom!" zei ze toen in-eens, "ik
+moet naar huis." En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand
+al uitstekend. "Mag ik u nog even terugbrengen," vroeg hij.
+
+"O!.... zeker!" zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen
+lachend, maar onmiskenbaar blij.
+
+En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote,
+eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor 't ranke
+meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een
+bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook
+bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn
+moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond 't offeren
+van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te
+gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch
+scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem
+te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch
+vreemd, bizonder....
+
+Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik
+begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar
+zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen
+aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij
+er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was
+volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze
+wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen
+leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar
+dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over 't Gooi,.... ze hield
+dol van wandelen,.... 't was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe
+was....
+
+Bij 't hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden
+elkaar goeden dag. "Tot weerziens, juffrouw Tadingh," zei hij op
+vroolijk-hartelijken toon, "'k ben blij dat ik u weer 's ontmoet heb."
+En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem
+weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging 't krakende
+schelpenpad naar de waranda van 't huisje op, terwijl hij langzaam,
+omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was 't, haar
+slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij 't
+huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag 't.
+
+En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker
+al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een
+gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger,
+in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van
+dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu
+geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe 't kwam, wat haar in
+hem zoo beviel, begreep hij niet, maar 't was duidelijk, dat ze hem
+heel graag zag, dat ze 'n beetje verliefd op hem was.... Wat een
+aangenaam-verwonderend, vreemd zacht-streelend idee was dat!....
+
+Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden
+en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou
+ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een
+vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker
+al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon
+daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een
+goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend
+al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze
+werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo'n
+houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg
+vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. 't Zou nu veel te jammer
+zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar
+vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een
+lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer
+opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar
+een beetje helpen in 't opbeuren en steunen van die arme zwakke....
+Zoo'n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster,
+dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel
+sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele
+kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil,
+gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren
+als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid.
+
+O! 't Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn
+overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem
+van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn
+gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....
+
+Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar
+zei dat 't lekker weer was, dat 't hem altijd goed deed zoo'n
+avondwandeling.
+
+En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en
+uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. 't Vulde
+de avonden zoo.
+
+ * * * * *
+
+In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie.
+Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar
+gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid,
+reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de
+essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in 't
+stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door 't somber mooi van
+de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in 't
+onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek
+zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige
+genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend
+bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep,
+starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel 's even of 't toch niet
+verliefdheid was, of 't niet passie zou kunnen worden wat hij voelde
+voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte
+die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit
+zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach
+weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook
+herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd
+onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met
+gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen.
+Maar nu was 't of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter,
+wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door 't licht van haar
+oogen. Zij was nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want
+dood was zijn hoog begeeren.
+
+Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een
+donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur.
+'t Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te
+glimmen in 't bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de
+dampen brak.
+
+Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht
+de rhumatiekige armen en beenen te wrijven.
+
+Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij -- alsof dat heel
+natuurlijk was -- regelrecht naar 't zwarte weggetje waar Lucie woonde.
+Hij had zich zoo vereenzelvigd met 't idee haar weer te zullen zien dien
+Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij 't villatje stond, begon te
+begrijpen hoe vreemd 't eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en
+zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom
+vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad
+was 't nog wat anders, maar buiten kon dat best, want 't samenzijn
+ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser,
+natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken.
+
+Dus liep hij -- licht schrikkend van 't kraken van zijn stappen -- 't
+schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar
+moeder, stil oud-vrouwtje, 't bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf
+was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend.
+Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen
+bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen.
+
+Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei
+op vroolijken toon: "Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even
+voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... 'k Heb 't genoegen gehad kennis
+te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar 's opzoeken.... en ook
+'s kennis maken met u!...."
+
+Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder
+glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem:
+"O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week
+tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even...." En ze liep naar
+binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere,
+bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: "Lucie!....
+Lucie!...."
+
+Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. "Maar,
+mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers
+wel komen.... Blijft u rustig zitten....," zei hij luid en dringend. Hij
+begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. 't Was weer
+echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!....
+
+'t Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al
+doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan,
+haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen
+terug. Hij zag zich alleen staan in 't intieme warandatje. 't Breiwerk
+lag neergegooid op 't houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten
+leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was 't
+eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en
+dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat
+hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met
+ingehouden adem naar 't fluister-gepraat binnen, maar hij verstond
+niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: "Mevrouw,"
+begon hij, "u is wel vriendelijk, maar...." Ze glimlachte nu bedaard.
+"Ze zal wel dadelijk komen," zei ze, en ging weer zitten en nam 't
+breiwerk weer op, den bril naar voren halend. "'t Is heel aardig van u,
+dat u ons 's op komt zoeken, meneer Bandt...."
+
+"Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en 't niet brutaal van me
+vindt," zei hij. "Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier
+op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde...."
+
+"Ja, ja!" knikte ze vriendelijk, "dat heeft ze me verteld."
+
+"En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u 's een visite te komen
+maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld 's Zondags in Bussum.... En ik
+heb niet veel kennissen...."
+
+"Wij ook niet," zei ze.
+
+"Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?"
+
+Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht
+in de oogen en 't viel hem op, 't deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo
+in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende,
+'t was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam 't doordat Lucie
+op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen,
+maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en 't hooge,
+blanke voorhoofd....
+
+Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij 's Zondags
+altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig,
+want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend,
+alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie....
+
+Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en
+in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. "Dag meneer Bandt,"
+zei ze, "hoe gaat het?...." Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze
+elkaar de hand.
+
+Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een
+rustige, heldere blijdschap. Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt;
+een vroolijk-wit lintje was strak om 't halsboordje gehaald en het
+zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong
+op 't achterhoofd. Ze zag er frisch uit, 't was of ze wat voller was
+geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren.
+Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een
+houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan....
+
+"Die Bussumsche lucht doet u goed," zei Bernard, "u ziet er uitstekend
+uit...." Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde
+blijdschap, en over 't oude gezicht met den stalen bril gleed een teere
+glans van innige, weemoedsvolle vreugde. "Ja, ja," zei Lucie, "we
+knappen hier op, niet waar, moesje?" Die knikte weer. "Ja, ja,
+zeker!.... zeker!...." Maar daarna zuchtte ze. "'t Doet mama ook zoo
+goed, die lekkere lucht hier," voegde ze er bij, zich weer naar Bernard
+keerend. "'t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht."
+
+En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en
+allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat 't er
+eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; 't samen-zijn, 't
+elkaar zien en hooren, dat was 't enkel. De moeder ging, met stillen
+ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend
+bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard.
+
+Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan,
+als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en
+recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich
+groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer
+klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of
+stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte
+huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk was en trotsch
+zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en
+dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid
+steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar
+werk.
+
+Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde
+teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem
+en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,....
+ontroerde.... En plotseling werd 't hem te machtig, kon hij 't niet meer
+verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn....
+Midden in 't gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest,
+dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten,
+en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer
+zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag,
+verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie,
+blozend nu voor 't eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot
+aan 't hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen
+de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende
+teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde
+staan, en zijn oogen werden vochtig. "Ik kom gauw terug," zei hij met
+een doffe, licht trillende stem, "adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie
+zeggen, nietwaar?...." "Graag!" zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar
+dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, "doe
+je 't heusch?.... 't Zal mama ook zoo'n plezier doen!.... Dag Bernard!"
+
+Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat
+een mooi woord maakte zij er van....
+
+Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de
+waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, 't zwarte weggetje
+af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want 't was
+heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? 't Was
+daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was 't eenige
+waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet
+verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare
+gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld,
+dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij
+op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens
+met een weerzin aan 't terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op
+en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen
+weg, in stil gesoes....
+
+En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze
+zich weer samen te voegen tot 't gewone, lang gekende complex.
+
+En toen merkte hij 't in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor
+had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, -- was 't zijn naam wel
+geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? -- neen, dat had niets
+van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid,
+vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij
+hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en
+nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer
+van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat
+was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande,
+trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. 't Was meer dan gewone
+vriendschap nu tusschen hen, 't was zuivere, lichtende sympathie, 't was
+een verliefdheid van zielen.... Maar, -- of hij de gedachte al ontweek,
+'t gaf niet, hij wist 't toch, 't was als 't hoonend gegrijns van een
+duivel achter de rozenhaag van zijn geluk -- hij kon haar aanzien zonder
+begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van
+zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend zag
+hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk
+was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien
+was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan 't nobel welven van haar
+mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de
+begeerte in heete kussen wellust te drinken van 't meegevende
+lippen-vleesch.
+
+Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man,
+die koel, vast-emotie-loos zei: "Dit wordt uw vrouw." Zou 't zoo zijn?
+Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?
+
+En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet
+denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en
+begon opnieuw.
+
+Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was
+verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was
+op haar. Als ze 't gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar
+oogen. Neen, ze had 't zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat
+hij weer kwam, 't had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel!
+Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en
+ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd.
+Maar hoe kwam 't dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden
+in haar, wier zieleleven van zoo'n stil-pralende pracht, van zoo'n
+weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem,
+bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep
+'t niet, maar 't was zoo en 't streelde hem als zacht fluweel, 't
+doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, 't doorgloeide hem als
+zuivere zonnestralen, 't bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in
+zoo'n vrouwenziel, en 't hief hem op, 't droeg hem door de lichte lucht,
+hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid
+te zullen zijn, zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend
+bewegen scheen en 't leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat
+bewustzijn.
+
+Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn
+linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat
+hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat
+zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig
+begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde
+geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij 't noodig had, nu dat
+het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet,
+nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood,
+verstikt, verdroogd?.... hij wist 't niet, maar 't was niet om uit te
+staan! 't Was om dol te worden, om te gaan razen!....
+
+Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos
+te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel
+van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond 't zoo heerlijk,
+zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast
+niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, 't zou gemakkelijk
+genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook
+weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet
+meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen
+weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij
+al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend.
+
+Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze
+toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef
+op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot
+voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan 't recht hebben
+hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze 't hem niet,
+hij voelde dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de
+teleurstelling zien in haar oogen, 't verdriet, de wanhoop misschien,
+en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!....
+
+Maar wat dan?
+
+Hij wist 't niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een
+oogenblik speet 't hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef
+hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten,
+dat hij zoo'n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou
+toch voortaan zijn z'n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend
+alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken
+weg. 't Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij
+schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij
+voelde 't kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn
+schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme
+vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos
+van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen.
+Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein
+medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot
+Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder 't zich te verwijten. Hij
+moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk
+dan doen; hoe zou 't moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan 't
+werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg
+geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus
+liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij
+doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij 's ziek werd, als hij
+niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar
+waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd
+had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen....
+
+Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor 't raam. Ze waren
+boos, ze bromden erg. Ze vonden 't bespottelijk en heel verkeerd je zoo
+moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op
+buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze
+bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond
+dat ze groot gelijk had.
+
+Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En 's avonds in den trein
+kwamen al die gedachten van 's middags terug en schenen hem nog
+ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens
+een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij
+stond er den volgenden morgen mee op.
+
+Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt
+niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten
+alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en
+haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer
+over te tobben en 's avonds kon hij nergens anders aan denken, was 't
+een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen
+plan van handelen....
+
+En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor
+zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen 't plotseling in
+hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige
+tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God
+gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte
+kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde
+eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had
+begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de
+durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als
+een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan,
+dat was de hooge taak hem opgelegd. 't Was of een witte duif zacht
+klapwiekend neergestreken op zijn schouder, 't hem had ingefluisterd.
+In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn
+leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde
+hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat
+levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar,
+met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde
+stilte als in een hooge kathedraal.
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo
+vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van
+blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze
+natuurlijk nooit. Ze hadden 't over de nieuwe Beurs.
+
+Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn
+groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van 't eerste succes. Zóó,
+verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw
+werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft -- als wijn in den
+mond -- de stemmingen die 't maken hem geven zal.
+
+Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken
+moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur
+wou komen in een zeker laantje -- hij duidde 't haar nauwkeurig uit --
+een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom.
+
+En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den
+sleutel van "de zaak" aan den boekhouder en verzocht hem voor 't sluiten
+te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs
+naar 't station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen.
+
+Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak en helder als de
+blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling.
+
+'t Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in 't laantje.
+'t Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den
+eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen
+'t plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer
+dan mans-hoog.
+
+Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en
+soms even, tusschen de boomen, 't weiland over, dat frisch-wijd-uit in
+'t helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar
+in 't rustige wachten -- hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou --
+ging dat over.
+
+'t Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder
+ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder
+geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider
+voorbij en mompelde 'n groet. Anders was 't stil. Wat gonzen van
+insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof,
+gedempt....
+
+'t Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als 't was.... Hij dacht
+even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte
+stil-weemoedig, soezerig starend langs 't laantje.
+
+Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan
+kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen
+gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó
+zou hij 't juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat
+was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; 't
+zeggen, zooals 't in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....
+
+En toen hij haar in-eens -- 't was nog vóór vieren -- den hoek omkomen
+zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu
+eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom,
+abstract en dof....
+
+Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds -- den grooten stroohoed
+in de hand -- zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op 't strakke
+zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen,
+geluk-glanzenden blos hem aankijken....
+
+Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer
+en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. "Hier ben ik, Bernard,"
+hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen
+zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam
+de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar
+in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij
+begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt,
+beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend,
+zoekend naar zijn woorden: "Heel lief van je om hier te komen,.... ik
+dank je wel,.... vond-je 't niet gek, dat briefje?...."
+
+"Gek.... Nee!.... Maar wat is er?" vroeg ze. En ook in haar stem
+hoorde hij de onrust, den angst dat 't niet dàt zou zijn, maar....
+iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even
+half-bewust van genoot en 't plan in hem opkwam er nog geen eind aan te
+maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of
+zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij 't weer, dat wufte spelletje;
+'t gaf hem wat nieuwen wrevel....
+
+Even was er stilte....
+
+Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten
+wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast
+zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij
+zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en
+helder-rustigen glimlach, zei hij: "Je weet best, wat er is,.... je
+begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!...."
+
+Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde
+langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: "Lucie,.... mijn
+lieve Lucie,.... mijn vrouw!...."
+
+En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte
+achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem.
+"Wil je me?" vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. "Ja,"
+fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om
+haar heen. Toen lei ze 't warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn
+schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op 't
+strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn
+goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag,
+beschermend tegen zijn borst.
+
+Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan
+hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij 't niet goed
+aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe
+te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te
+zien. Maar ze schudde 't hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg
+fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor
+zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep 't niet,
+dat lange snikken.
+
+Maar in-eens hief ze 't hoofd op, veegde met de linkerhand een paar
+tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van 't
+huilen, lag nu zoo'n wijd-zachte zaligheid, zoo'n groot en innig geluk,
+dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl
+hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht,
+op 't voorhoofd. "Je zult 't wel vreeselijk gek van me vinden, die
+huilbui, hè," zei ze met een zenuwachtig lachje, "ja, ik vind 't
+eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe 't kwam
+in-eens.... Maar 't is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo
+overweldigend.... En 'k heb zóó lang naar je verlangd...." Langzaam,
+fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van
+innigheid.
+
+"Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden," vroeg hij met
+hoog-blijde verbazing.
+
+"O! dadelijk! dol!" zei ze met extase. "Ik weet 't nog precies. Ik had
+je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna
+van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist 't dadelijk,
+toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb 't vroeger zelf nooit willen
+gelooven, dat 't mogelijk was, en als ik 't las in boeken heb ik er wel
+'s om gelachen, en toch was 't zoo, toch is 't zoo!.... Van 't eerste
+oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel,
+zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!...."
+
+"Lieveling!" zei hij, "vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht
+tot-ie kwam?...." En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid,
+zacht-voorzichtigjes op 't voorhoofd, en drukte haar hand.
+
+"Ja.... natuurlijk....," fluisterde ze.
+
+En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. "En jij," vroeg ze toen,
+zalig glimlachend, "wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je
+houdt toch van me, hè?.... Je hebt 't me nog niet eens gezegd!...."
+
+"Hoeft dat dan wel," vroeg hij.
+
+"'k Zou 't je zoo graag hooren zeggen," zei ze, en ze leunde weer tegen
+hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: "Zeg 't 's!....
+Bernard!.... Heb je me lief?...."
+
+"Ja,.... ik heb je lief....," fluisterde hij toen, zijn oogen even
+sluitend. Weer waren ze een poosje stil.
+
+"Hoe komt 't toch dat je nu in eens van me bent gaan houden," vroeg ze
+weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. "Op die partij
+toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen
+voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag 't wel!.... Heb je haar later niet
+meer ontmoet?"
+
+"Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch...."
+
+"En was je toen weer niet verliefd op haar?"
+
+"Nee, o! heelemaal niet!", zei hij lachend.
+
+"Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je
+hield?"
+
+"Een beetje...."
+
+"Ja, ik dacht 't wel," zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor
+zacht stralenden blik, "'t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat
+ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me
+opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!....
+En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet
+op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog
+veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je
+te bespreken!...."
+
+"Maar als we nu 's naar je moeder gingen," opperde hij.
+
+"Hè?.... Nu al?...." zei ze, met een vleiende stem, "toe, laten we nog
+wat hier blijven!.... 't Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?...."
+
+"Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze 't dadelijk goed vinden?"
+
+"Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt 't zeker bijna net
+zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je
+denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou....
+O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin,
+altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een
+heerlijk laantje, zeg! Ik kende 't heelemaal niet!.... Toe, laten we nog
+even blijven!...."
+
+Ze vroeg 't met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem
+opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk
+aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij
+zei 't haar. Hij moest nu in ieder geval naar haar moeder gaan en haar
+vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook
+wel even naar oom en tante gaan en 't die zeggen....
+
+"O! weten die er nog niets van," vroeg ze.
+
+"Wel nee! niets!" zei hij. "En 't zou toch te gek zijn als ze later
+hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en
+weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch
+niet!"
+
+"Wèl nou maar, ik weet goed raad," zei ze, "je blijft natuurlijk
+bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar
+Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante....
+Nee, nee, dat 's waar, dat gaat ook niet," viel ze zich zelf
+teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, "je dient ze daar wel
+even op voor te bereiden, hè?"
+
+"Ja, natuurlijk!" zei hij, "dus moet dat allemaal een beetje gauw
+gebeuren.... Maar 't kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je
+moeder gaan, en dan loop ik nog even voor 't eten naar oom...."
+
+"Ja," zei ze, "goed!...." En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm,
+waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje
+stil, blijkbaar vond ze 't niet prettig dat alles nu zoo haastig moest
+gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal
+meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken
+zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden
+maken, en de kleine uitstapjes 's Zondags, en dat wond haar op tot een
+stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes
+doorging, zei ze even met een bezorgde stem: "Ja!.... 't is natuurlijk
+altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we
+zullen wel zien!"
+
+"Wel ja," zei hij, zonder daarover na te denken, "dat zal wel terecht
+komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar 's met je
+heen te vliegen...."
+
+Toen ze dicht bij 't villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een
+beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover
+zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in
+zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover
+die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die
+wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel
+waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste
+stem en blik?
+
+ * * * * *
+
+Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met
+een boek voor zich. Lucie ging vooruit. "Ma-tje, hier is meneer Bernard
+Bandt, die komt u wat vragen," zei ze met een opgewonden-hooge,
+zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf
+haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van
+geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward
+weer.
+
+"Wat is dat?.... Wat is dat?...." zei de moeder, quasi-niet-begrijpend,
+met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. "Dag, meneer
+Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie!
+kindje! wat is er nu in-eens?...."
+
+Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden
+en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem:
+"Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu
+hopen we maar dat u 't ook goed vindt,.... dat we trouwen...."
+
+Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de
+lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker
+hand streelde ze Lucie's hoofd, dat in haar schoot lag, terwijl ze de
+rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige
+goedhartigheid.
+
+"Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt," zei ze eindelijk
+met een piepende, gebroken stem, "maar ik weet hoe m'n kind van je
+houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel
+goeds van je verteld...."
+
+En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard,
+en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te
+sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening.
+
+Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte.
+"O! Bernard," zei ze glimlachend, "als je wist hoe dat kind van den
+winter...." "Sst, sst! stil toch ma," viel Lucie haar blij-blozend in de
+rede, "ik moet 'm dat nog allemaal vertellen...."
+
+Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, 't Was al laat genoeg!
+Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op
+een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op
+stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter
+voor zijn neef en pupil.
+
+"Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!...." zei de moeder, "'t zal me
+aangenaam zijn." Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch
+wel tegen op te zien.
+
+"Dan komt je tante zeker mee," vroeg Lucie.
+
+"Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien...."
+
+Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer
+opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie;
+zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.
+
+Ze waren op 't punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn
+bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde 't werk op waar ze aan
+bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze Bernard zagen,
+zoo onverwacht, midden in de week.
+
+"Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?"
+
+Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. "Ja," zei hij, driftig
+zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel.
+"Gaat u 's even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt
+niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met
+juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel,
+waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En
+met de moeder is 't ook al in orde!"
+
+Met open monden en groote oogen hoorden ze 't aan.
+
+"Hè?.... wàt?...." vroeg tante. "Wat 's dat nou in-eens?" vroeg oom.
+
+Toen zei hij 't nog 's heelemaal, wat langzamer, wat kalmer.
+
+En tante, 't eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen
+geven, en feliciteeren met tranen in de oogen.
+
+Oom pruttelde. "Nou ja.... hoor 's even!.... dat kan je nou wel zoo
+'s effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan
+ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet 's eerder over
+gesproken!...."
+
+"Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent 't meisje immers toch niet!.... En
+als 't anders geloopen was dan had ik 't heele zaakje maar kalm voor me
+gehouden."
+
+"Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een
+ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou
+je trouwen, heertje?...."
+
+"Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet 's feliciteeren?"
+verweet tante. "Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig
+natuurlijk!.... Breng je ze 's gauw hier?"
+
+"Hé!.... wacht nou 's even!" zei oom, "feliciteeren wil ik je wel,
+jongen, -- ofschoon ik 't meisje nog niet eens ken --, hier! geef me 'n
+hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar
+niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès
+bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!...."
+
+"Wel ja, oom," zei Bernard, "dat moet u nou natuurlijk maar net doen,
+zooals u 't goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel
+'s een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel
+geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast 's kennis.
+
+"Hm!.... Nou.... dat 's goed,.... dat 's goed!"
+
+"Afgesproken," zei Bernard, "dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu
+maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan
+kunt u beiden er intusschen nog 's over denken.... en over praten!....
+Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!...."
+
+En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog
+vragend of 't een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die
+dingen.
+
+Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. "Nou?.... wie heeft er nu
+gelijk gehad," vroeg ze. "Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!....
+Ik merk zulke dingen altijd dadelijk...."
+
+Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad
+dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van
+zijn andere handelsvrienden. Zoo'n juffertje Tadingh!.... Dat zou
+natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in
+zulke dingen....
+
+"Ik vind je niets aardig," zei tante. "Daar net ook al! Waarom
+feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met
+je berekeningen!...."
+
+Maar 's avonds kwamen ze, en Lucie, met haar groote, eenvoudige
+goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om
+te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in.
+Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn
+visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou
+komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken.
+Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem
+trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een
+goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch
+zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer 't een beetje te
+kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij
+wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en
+liet "de kinderen" zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.
+
+Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten
+kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw
+zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of
+fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!....
+
+Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich
+toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van
+overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als
+een drukke droom....
+
+Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens
+ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn
+visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze
+kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen
+te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor
+heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust.
+
+Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest 's middags in Amsterdam
+zijn, menschen spreken, en 's avonds werk inhalen wat al was blijven
+liggen. 't Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij 't natuurlijk
+aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam
+vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem
+hartelijk de hand. "In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet
+'t zelf maar weten," zei hij.
+
+André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar
+hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen
+kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig.
+Hendrik stootte Bernard aan: "Die denkt: 'k wou dat ik al zoo ver was,"
+fluisterde hij. Maar André, die 't gehoord had, bromde "verrek!" en
+dronk zijn borrel uit in één teug.
+
+Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest
+natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had,
+kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang
+in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de
+aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij 't erg druk om al dien
+verloren tijd weer in te halen. En 's Zondags werd er visite gewacht,
+buren en familie en de beste vrinden.
+
+Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij 't liefst dat
+ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van
+haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde
+aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld
+had 't zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige
+omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit
+starend. Hij zag haar nog niet, hij "lette niet op haar." En langzaam,
+met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem 't begrijpen
+van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden blik in één
+handbewegen, geschapen had.
+
+Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. "Wat ben je ernstig,
+is er wat?" vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: "Wel nee, lieveling,
+niets," en kuste haar op 't voorhoofd of op 't haar. En hij ging
+vroolijk met haar praten. Maar 't medelijden in hem werd grooter, met
+scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen
+zich aantrok, of 't hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen
+geslagen....
+
+Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd.
+Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er
+uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje
+voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond
+haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo 'n echt simpel buitenmeisje,
+'n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat
+neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten
+en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was
+een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te
+houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.
+
+Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren.
+Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was 't den
+heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh's eenvoudig
+buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die
+gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de
+menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar
+slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.
+
+'s Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie
+over haar moeder. "Ze schijnt wel héél zwak te zijn," zei hij. "Dat is
+'t," antwoordde Lucie, "de minste inspanning pakt haar zoo aan. En ik
+weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige
+slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar
+op te beuren.... Je kunt 't zoo goed....", zei ze, met een lief lachje.
+Maar even daarna, angstig weer: "Hoe zullen we toch later met haar
+doen,.... als we trouwen?...."
+
+"Ja," zei hij, "daar heb ik ook al over gedacht.... 't Best zal zijn
+haar maar bij ons in huis te nemen, hè...."
+
+"Ja," zei ze,.... "zou je dat willen?...."
+
+Ze zei 't op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou
+toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze 't toch zeker wel 't
+liefste zoo hebben zou....
+
+"Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?" vroeg hij.
+
+"Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof
+ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen...." "Ja! och," zei
+hij, "dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?....
+Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo
+gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van
+haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen."
+
+"Ja!...." zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar
+ze richtte zich op, met een schokje. "Je bent mijn goeie vent, hoor!"
+zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van
+roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer.
+Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden
+in Utrecht en in den Haag, en "'t jonge paar" werd uitgevraagd op
+dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden
+ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en
+nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag
+aan de oogen wat ze er van dachten, 't was heel ergerlijk en vervelend,
+vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een
+heelen avond zoo 'n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van
+weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar
+liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf
+een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos.
+En dan in-eens zoo'n kriebelige lust, een vloed van vloeken en
+kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring,
+dat was een temptatie.
+
+Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden,
+alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van 't succes van
+zijn plannen, van die stichtende voldoening....
+
+Maar Lucie scheen 't niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd
+werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij
+me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek
+maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch
+op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de
+meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als
+een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde 't niet. Want dat was
+immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag 't immers
+aan hem, zooals zij 't gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond
+'t een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem
+bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij
+zag 't zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten.
+Lucie scheen 't nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden
+blik....
+
+Misschien kon 't haar ook niet schelen!....
+
+Dikwijls als hij met haar praatte had hij 't met stugge minachting
+over "de menschen." De menschen geloofden dit, de menschen deden dat
+altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo
+triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging 't haar
+blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze 't in-eens ronduit,
+dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met "de
+menschen." Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren
+toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk,
+zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!....
+
+Ze vond 't wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel
+dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond
+hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?
+
+Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend -- en schaamde zich een
+beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot
+klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan
+in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend,
+om 't haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken
+over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.
+
+Dat gebeurde meest op wandelingen, in 't maklijk voortgaan, naast
+elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd
+dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de
+preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten
+eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde
+en gevoeld had. Heel bescheiden -- als een vluchtig liedje in hooge
+eenzaamheid gezongen -- klankten haar weinige woorden, en toch waren ze
+voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of
+diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een licht ontroerde stem
+van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen
+lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een
+dom schaap was, niet waard zoo'n knappen man. Wat zou hij van haar
+kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was
+'t omdat 't hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles,
+alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit 't hoofd te praten!....
+Maar hij beproefde 't toch, sprekend over de oneindigheid van dingen,
+die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme
+gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie....
+'t Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en
+gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....
+
+Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op
+kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in,
+behalve 's Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan,
+ofschoon 't moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij
+dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg
+genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor 't eten. Ze was
+altijd aan 't station.
+
+Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes
+eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in
+jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge
+opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher,
+zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met
+kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat 't gelukt was
+tot nog toe en dat 't ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk
+was dan, vaag-zweverig -- iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was
+hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders
+op als hij 't merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was
+gelukkig, zijn Lucie, zijn meisje. Hij voelde 't telkens als hij haar
+zag staan, onder de wachtende menschen aan 't station, hem dadelijk
+en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar
+vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher,
+gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig
+waar te nemen, hij begon eindelijk "op haar te letten...."
+
+En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden.
+
+Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. "'t Komt alleen omdat jij van
+me houdt," zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even
+stilstaan om hem een zoen te geven.
+
+Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn
+hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd
+tegen haar aanleggen zou, "om uit te rusten." En dan keek hij naar haar,
+dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan
+zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de
+verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van
+nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in 't
+lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen.
+Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit 't kapsel
+gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen
+zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar
+gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, 't kleine
+moedervlekje aan de kin. En hij keek naar 't stille bewegen van haar
+gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij 't zijne. Hij zag
+dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook
+in die mysterieus onbewuste plooiingen waren.
+
+En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar
+rank-soepel vrouwelijf warm tegen zijn oude beenige borst, knakkend de
+strakke hardheid van 't heerige overhemd, dan kwam, -- als lekkere lucht
+van zomer in April -- malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn
+gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust.
+En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte
+haar vaster tegen zich aan.
+
+En dikwijls als hij op kantoor zat, of 's avonds op zijn kamer,
+verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten,
+zóó, met haar....
+
+Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken
+over haar en over hun verhouding. 't Stond nu eenmaal vast, hij was niet
+verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken
+negeerde hij nog die koortsige aandoeningen.
+
+ * * * * *
+
+Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange
+wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw
+Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo'n Zondag
+te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan
+'t zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke,
+deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een
+goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met
+die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig
+waren begaan. De moeder had 't goedgevonden, ze mocht die meelijdende
+dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de
+juffrouwen, die dol op "'t aardige jonge paar" waren, wisten niet wat
+ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met
+'t vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar 't
+beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw
+Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.
+
+Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard. Ze vond 't heerlijk,
+dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan,
+zoo'n heelen dag, zoo'n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want
+in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar
+dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat
+ze weer te tobben had gehad met haar moeder.
+
+Als ze van haar sprak was 't altijd met hetzelfde teere medelijden,
+en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig
+gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg
+lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar
+hij zag 't en hij ging 't begrijpen door goed te letten op de moeder
+zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de
+houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze
+was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening
+die 't gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes
+gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van "haar kind", en zei dat ook
+ontelbare malen, maar dat was vooral -- leek 't wel -- om nog meer recht
+te hebben op liefde en vertroeteling, en "'t kind" zorgde dan ook
+voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen
+zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze
+ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht
+en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar 't
+maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En
+hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg
+opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den
+rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen
+te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte
+teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel
+en deed 't er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig opgebeurd te
+worden, daar was 't haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij
+de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar
+goedig beklagend nu en dan, met stille vereering.
+
+Die Zondagmorgens dan, als 't mooi weer was, dan kwam Bernard met een
+heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan 't station. En
+dan dat wegwandelen, Bussum uit, 't Gooi in: naar Hilversum, of 's
+Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren,
+met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste
+vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn;
+Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen,
+frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was 't
+heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, 't hoofd ietwat naar achteren, met
+een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje
+dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze 't zoo
+verrukkelijk vond.
+
+Soms scheen 't haar bijna te machtig te worden, 't alleen zijn met haar
+liefde in de bloeiende zonnelanden, en 't vrij zijn, 't mogen doen wat
+ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht,
+en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit,
+dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of
+haar hoed afwoei, verfomfaaiend 't thuis zoo netjes strak getrokken
+kapsel. En hij holde haar achterna. 't Was hem vreemd, hij had 't sinds
+zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond 't eigenlijk een
+beetje bespottelijk, en hij zei dat hij 't niet graag deed, dat hij er
+zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze 'n beetje en keek
+hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige
+meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen
+lach, en op een afstand riep ze: "Kom 's hier, kom 's kijken! Gauw!
+gauw dan, anders is 't weg!" Dan draafde hij er heen en dan was 't
+niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad,
+glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En
+dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar
+in te halen en af te straffen....
+
+Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar
+een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen.
+Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij 't
+eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange
+wandeling in de morgenlucht.
+
+En 's middags gingen ze lui-soezerig ergens in 't bosch liggen, of ze
+liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen.
+
+Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt
+wat rond te zwerven, had ze weer zoo'n echte, dol-uitgelaten bui. Ze
+kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze
+liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze
+waren in 't bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel
+om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou 's zien of hij dat
+nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo
+goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens
+weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer
+terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken
+aan dat fluitje en 't was af -- toen riep hij: "Ben je daar?....
+Lucie!...." Maar er kwam geen antwoord, 't geluid van zijn stem stierf
+kort in 't dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij
+liep en hoorde 't kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep
+krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen.
+En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in
+zijn keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half
+verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen
+brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij
+had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze
+gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend,
+soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak
+antwoorden; "Bernard!" hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar
+hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde
+nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. "Ik kom!"
+riep hij. Hij struikelde telkens, in 't driftige loopen, viel op een
+knie maar was dadelijk weer op. En op 't punt een weg over te steken zag
+hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze
+keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een
+beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en
+zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de
+neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend,
+overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig
+verlangen in haar stem: "Bernard!" Toen liep hij haastig naar haar toe,
+en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig
+sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had
+ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen,
+telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij
+dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer
+aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen,
+en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had.
+
+En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van
+zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist
+den weg terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk
+gedacht, dat hij haar wel vinden zou.
+
+Zóó -- stil gaande -- kwamen ze in een mooie laan van gelijke
+laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En
+fluisterend genoten ze.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht,
+aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn
+hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een
+zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou 't toch nog komen?.... Werd hij
+nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou 't zalig
+zijn!....
+
+Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat
+te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens.
+En dat ergerde hem volstrekt niet, maar 't maakte hem vroolijk,
+onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar 's
+avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil
+dwepen....
+
+Den daarop volgenden dag, 's morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er
+in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig,
+dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen....
+'t Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al
+verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok
+hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te
+letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken.
+En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend,
+sniklachend. Maar eindelijk kwam 't: "Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil
+me toch hebben!.... Hoe vindt je 't, vindt je 't niet bespottelijk?....
+Zoo'n vent als ik!.... Zeg!... Zoo'n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk
+ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je 't?"
+
+Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem
+mee, zenuwachtig, en zei dat hij 't ook eigenlijk bespottelijk vond, en
+ze proestten 't allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn
+vrind, 't was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit
+te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden
+konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en
+André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe 't
+gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was
+dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens
+alle menschen.
+
+En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in
+zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te
+luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach
+van intieme verstandhouding, alsof hij 't kende, dat allemaal.... Dat
+hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel 's, als hij
+dacht aan liefde tusschen Betsy en André.
+
+Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover
+zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn
+ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig
+maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk,
+hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar
+zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar
+hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar 't haar te
+vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was,
+want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want
+ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had 't niet aardig
+gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar
+nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en
+die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn
+alles....
+
+En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm.
+Hij dacht aan haar, aan hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich
+diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht,
+zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde 't koortsig
+verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze
+daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik
+even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi
+was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie
+rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij
+voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar
+verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door
+'t met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde 't nu, in zijn overspanning:
+zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment
+naderde; straks zou hij 't grijpen en zalig zijn....
+
+Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering
+recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in
+lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag
+warm-soezerig tegen de nare weekheid van 't fluweelige trijp. Want als
+een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk,
+had hij 't visioen weer gezien van dien nacht in 't bordeel, van dat
+week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al
+zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon
+hij 't nu niet vergeten! 't Was nog alleen in zijn herinnering, waarom
+kon hij 't niet daaruit weg doen nu, zoodat 't heelemaal niet meer
+bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort
+voordat zij kwam!
+
+Maar toen, langzaam -- hij voelde 't al, vaag, voor hij 't dorst te
+aanvaarden -- kwam 't verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te
+rukken, 't los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij 't eenmaal
+had aanvaard, groeide 't, als een volksopstand tegen lange verdrukking,
+en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, 't had uitgediend, hij
+wilde 't niet langer, hij verachtte 't nu, hij trapte en spuwde er op.
+Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde
+naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door
+kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten,
+ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou
+hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen
+spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot
+een hooger, wijder, lichter leven!....
+
+ * * * * *
+
+Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen,
+stil; hij zag voor 't eerst haar fijn profiel in 't maanlicht, op een
+eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en
+oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij
+alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde
+haar warmen adem. En fluisterend had hij 't over later, over de
+zaligheid van 't altijd-samen zijn, 't zich heelemaal geven de een aan
+den ander. Hij hoorde 't rythmisch opgolven van haar gelukkigen
+lach. "En kwam mama dan bij ons inwonen," vroeg ze in-eens, zacht,
+leuk-guitig.... "Waarachtig niet!" zei hij, en ze lachten beiden met
+stille schokjes en intiem gefluister. "Nou ja!" zei hij, "ik dacht toen
+nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders
+voor haar vinden, wàt?...." En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde
+liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde
+en geluk.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+'t Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze
+waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie
+gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
+
+Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was
+er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn
+meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo
+zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om
+beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de
+juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat
+hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.
+
+Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de
+liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij
+had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten.
+Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw
+leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer
+ergerlijk....
+
+Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als
+dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden
+verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en
+de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen
+hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van
+wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten
+vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde
+verwachting, vage begeerte....
+
+Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in
+de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en
+zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te
+drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat
+gedurig vulde de hooge lichte lucht.
+
+Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met
+vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de
+koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer
+bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.
+
+En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't
+hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien
+van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de
+naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.
+
+Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle
+helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat
+glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie
+op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt,
+over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een
+blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.
+
+En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij
+haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!....
+O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare
+werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief
+had en van hem was....
+
+En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't
+strakke blauw....
+
+Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden
+geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende
+droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo
+dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering
+zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in
+'t bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach.
+Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen
+aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog
+wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat
+liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral
+na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij
+zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord,
+verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster,
+had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had
+begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....
+
+Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en
+langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't
+eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....
+
+Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van
+'t teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend
+den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte
+haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met
+vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij
+vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de
+oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond,
+haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem
+liefkoosden.
+
+Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind
+suizend over de toppen streek.
+
+Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige
+wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de
+wereld, wijd-rondom.
+
+Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar
+de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze
+langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat
+aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand
+af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t
+water.
+
+Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in
+hand....
+
+Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.
+
+En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan
+'t sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog
+dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje
+was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.
+
+
+ +Amsterdam+, 1895-'97.
+
+
+
+
+Opmerkingen van de bewerker
+
+
+In dit boek komen twee vormen van nadruk voor: _cursief_ en
++gespatieerd+.
+
+De volgende veranderingen zijn aangebracht: op pagina
+
+24 "intelgente" in "intelligente" (witte halsboorden, intelligente en
+domme)
+
+60 "frische" in "frissche" (veerkracht met frissche rillingen)
+
+63 "ombarmhartig" in "onbarmhartig" (onbarmhartig-koude bij elkaar
+komen)
+
+85 "ververlopen" in "verlopen" (bewegelijke groepen meiden met
+verlopen kerels)
+
+93 "Warmoestraat" in "Warmoesstraat" (terug en de Warmoesstraat door.)
+
+114 "oogenbik" in "oogenblik" (laat mij ook geen oogenblik om 's met
+Bernard)
+
+129 "zal" in "zat" (Bernard zat nu rechts van de gastvrouw)
+
+182 "gememelijkheid" in "gemelijkheid" (verveling en gemelijkheid.)
+
+220 "mer" in "met" (sprak met ernstig-doffe stem over)
+
+231 "al" in "als" (vooral als hij alleen was)
+
+242 "eigoïstisch" in "egoïstisch" (eigenlijk vervloekt egoïstisch)
+
+251 "avondden" in "avonden" ('t Vulde de avonden zoo.)
+
+278 "eindedelijk" in "eindelijk" (hinderen, en eindelijk zei ze)
+
+290 "uitwuivan" in "uitwuiven" (een juichend uitwuiven van wijde).
+
+Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd.
+
+Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+***** This file should be named 38229-8.txt or 38229-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/2/2/38229/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38229-8.zip b/38229-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..6d9a129
--- /dev/null
+++ b/38229-8.zip
Binary files differ
diff --git a/38229-h.zip b/38229-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..bb3d8be
--- /dev/null
+++ b/38229-h.zip
Binary files differ
diff --git a/38229-h/38229-h.htm b/38229-h/38229-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..ad063de
--- /dev/null
+++ b/38229-h/38229-h.htm
@@ -0,0 +1,12927 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of De Roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body { margin-left: 10%; margin-right: 10%;}
+
+h1,h2 {text-align: center; clear: both; font-weight: normal;}
+
+h1 {font-size: 110%;}
+h2 {font-size: 110%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1.5em;}
+
+p {margin-top: .75em; text-align: justify; margin-bottom: .75em;}
+
+p.tp1 {text-align: left; line-height: 130%; font-variant: small-caps;
+ padding-left: 1em; text-indent: -1em;}
+p.tp2 {text-align: left; line-height: 130%; font-variant: small-caps;
+ padding-left: 2em; text-indent: -2em;}
+p.tp3 {text-align: center; font-weight: normal; line-height: 140%;}
+
+hr.l1 {width: 60%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;
+ margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;}
+hr.l2 {width: 30%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;
+ margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;}
+
+.pagenum {position: absolute; left: 94%; font-size: 60%; text-align: right;
+ color: #999999; letter-spacing: 0; font-style: normal; font-weight: normal;}
+
+.sign {float: right; margin-right: 1em; margin-bottom: 2em; clear: both;}
+
+.smcap {font-variant: small-caps;}
+
+.center {text-align: center;}
+
+.g {letter-spacing: .3em; margin-right: -.3em; font-style: normal;}
+
+.r2 {margin-top: 2em;}
+
+.f8 {font-size: 80%;}
+.f9 {font-size: 90%;}
+
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;
+ padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;}
+
+.tnote {border: dashed 1px; margin-left: 10%; margin-right: 10%;
+ margin-top: 2em; padding: .5em 1em .5em 1em; font-size: 80%;}
+.tnote .tn {text-align: center; margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em;}
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van Bernard Bandt
+
+Author: Herman Robbers
+
+Release Date: December 6, 2011 [EBook #38229]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/cover.jpg" width="450" height="685" alt="Voorkant kaft" title="Voorkant kaft" />
+</div>
+
+<hr class="l2" />
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/opdracht.jpg" width="300" height="138" alt="Opdracht" title="Handgeschreven op de 1e pagina" />
+</div>
+
+<hr class="l2" />
+
+<h1>DE ROMAN VAN BERNARD BANDT.</h1>
+
+<hr class="l2" />
+
+<p class="tp1">Van denzelfden schrijver:</p>
+
+<p class="tp1">EEN KALVERLIEFDE, DE VERLOREN
+ZOON &amp; DE VREEMDE PLANT.</p>
+
+<p class="tp1">DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH.</p>
+
+<p class="tp2">VAN STILTE EN STEMMING,<br />
+ <span class="smcap in">een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, IJs in de
+ gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte)</span>.</p>
+
+<p class="tp2">DE ROMAN VAN EEN GEZIN. I<br />
+ <span class="smcap">De gelukkige familie</span>.</p>
+
+<p class="tp2">DE ROMAN VAN EEN GEZIN. II.<br />
+ <span class="smcap">Eén voor één</span>.</p>
+
+<p class="tp1">HELENE SERVAES</p>
+
+<hr class="l2" />
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/titelpagina.png" width="400" height="672" alt="Titelpagina" title="Titelpagina" />
+</div>
+
+<hr class="l2" />
+
+<h1>DE ROMAN VAN <br />
+BERNARD BANDT,</h1>
+
+<p class="tp3"><span class="f8">DOOR</span> HERMAN ROBBERS</p>
+
+<p class="tp3 f8">VIJFDE DRUK</p>
+
+<p class="tp3 f9">UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS<br />
+TE AMSTERDAM. &nbsp; &nbsp; MCMXV.</p>
+
+<hr class="l2" />
+
+
+<p class="tp3 f8">Lith. en Typ. van <span class="smcap">J. Hoekstra</span> &amp; Co., Den Haag.</p>
+
+<hr class="l2" />
+
+
+<p><span class="smcap">Aan mijn vriend</span><br />
+<br />
+Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND.</p>
+<hr class="l1" />
+<p><span class="pagenum"><a name="Page_1" id="Page_1">[1]</a></span></p>
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/sierstrip.png" width="400" height="108" alt="Sierstrip" title="" />
+</div>
+
+
+
+
+<h2>I.</h2>
+
+
+<p>Op zijn kantoor in de Warmoesstraat, aan zijn schrijftafel
+vlak bij &rsquo;t raam, zat hij te schrijven aan zijn
+vriend Edward, die in Batavia woonde. Zijn stijf,
+geglansd papier bolde op, glimmend in &rsquo;t kil-wittige
+Octobermorgenlicht, zoodat hij zijn natte letters bijna
+niet zien kon. Hij zat sterk voorover, met zijn linkerhand
+op &rsquo;t papier, dat &rsquo;t niet kon verschuiven, nu en
+dan alleen wat rechter-op, als hij zijn zinnen zat te
+maken, bijtend met zijn voortanden op &rsquo;t botte eind
+van zijn pennenhouder en kijkend, zonder te zien,
+door de beregende ruit tegen de huizen aan van den
+overkant, zijn gezicht vertrokken als was er een vies
+luchtje.</p>
+
+<p>Verderop, aan weerszijden van &rsquo;t lange lage vertrek,
+stonden een paar bedienden tegen hun hooge,
+gele, leelijk grauwgele lessenaars te hangen en een
+klein klerkje hurkte op een hooge kruk, aapachtig
+opgevouwen.</p>
+
+<p>Dit schreef hij:</p>
+
+<p>Je weet niet wat dat is voor mij, zoo&rsquo;n brief van
+jou. Je kunt &rsquo;t niet weten, jij die er zooveel krijgt,
+met elke mail, niet waar? Van je vader en je moeder,
+van je broers en je vrienden. Je kunt niet weten
+wat zoo&rsquo;n brief is voor mij, die geen vader, geen<span class="pagenum"><a name="Page_2" id="Page_2">[2]</a></span>
+moeder, geen broers en geen zusters, en geen vrienden
+heb &mdash; dan jou alleen! Houd dit niet voor &rsquo;n
+klacht of voor bitterheid, want dat is &rsquo;t juist niet,
+heelemaal niet, &rsquo;t is een verhoovaardiging, &rsquo;n blij
+bluffen op iets wat ik heb en jij niet. Zoo&rsquo;n brief is
+voor mij wat &rsquo;n haas is, dien hij cadeau krijgt, voor
+iemand die verschrikkelijk veel houdt van haas, maar
+geen geweer heeft om er een te schieten en geen
+geld om er een te koopen. Nee! meer is zoo&rsquo;n brief
+voor mij. Want de man, die van haas houdt, brengt
+&rsquo;m naar den poelier om &rsquo;m te laten villen en &rsquo;t vel,
+daar bekommert hij zich niet verder over, en over &rsquo;t
+beest zelf eigenlijk ook niet; als hij er lekker aan
+gesmuld heeft, gooit-ie de beentjes weg. Maar ik, als
+&rsquo;k den brief gelezen heb, stop &rsquo;m weer in z&rsquo;n envelop,
+want daar hoort-ie in, daar heb ik &rsquo;m in zien
+komen en daar houd ik van, bijna net zooveel als
+van den brief. En zoo, in z&rsquo;n eigen envelop, steek
+ik &rsquo;m in me jaszak, in me rechterbinnenzak, en graag
+haal ik &rsquo;m daar nu en dan &rsquo;s uit (onder een of ander
+voorwendsel voor me zelf) om &rsquo;m weer &rsquo;s te zien. En
+lang duurt &rsquo;t voor ik &rsquo;m opberg bij de andere....</p>
+
+<p>O! als ik &rsquo;s morgens op kantoor kom, koud, huiverig
+door den slaap, die nog in me leden zit, wakker
+alleen in me hoofd door &rsquo;n fel-schroevend gevoel van
+&bdquo;&rsquo;t moet&rdquo;, en als ik dan de bus licht en &rsquo;t heele
+zoodje van brieven en drukwerken meeneem naar
+me lessenaar waar ik &rsquo;t ga zitten lezen en sorteeren,
+nuchter, leeg, in &rsquo;n minachtende onverschilligheid
+voor al die zakenmenschen met hun quasi-gewichtig
+gezeur en gezanik, hun aanstellerig gebeveel, hun
+peuterige aanmerkingen of hun kleverig geflikflooi,
+en als er dan onder al die vervelende, firmabedrukte
+grauwe dingen plotseling, heel leuk, met
+&rsquo;n rustig air van &bdquo;o, wist-je niet, dat ik hier lag?&rdquo;,
+zoo&rsquo;n witte brief te voorschijn komt, zacht-roomwit,
+met me naam, me particulieren naam, me voornaam
+Bernard en me familienaam Bandt, en heelemaal
+niets van &bdquo;Vermeet &amp; Co.&rdquo;, en dat door jou geschreven,<span class="pagenum"><a name="Page_3" id="Page_3">[3]</a></span>
+door jou, dat zie ik nog voor &rsquo;k iets lees;
+ik herken den brief; als ik den brief zie, zie ik
+dadelijk jou, zie ik je ouwe goeie vrindenfacie en
+hoor ik je stem me naam zeggen, jou stem die in m&rsquo;n
+herinnering is als geluidgeworden sympathie, de eenige
+stem, die me doet voelen, dat ik niet ganschelijk
+alleen ben op de wereld.... Zoo&rsquo;n brief dan leg ik
+apart en &rsquo;k ga haastig door met lezen en sorteeren
+van de andere. Wat ik zelf moet behandelen leg ik
+op &rsquo;n stapeltje en de rest verdeel ik onder de bedienden,
+en &mdash; zenuwachtig van verlangen &mdash; vergeet ik
+hun er bij te zeggen sommige dingen, die ik wil dat ze
+schrijven, zoodat ze dan later, als ik je brief zit te
+lezen, komen vragen: meneer dit en meneer dat, en
+dan snauw ik ze af met: ja, ja, ik kom bij je, laat me nou
+toch even met rust. Want als ik dan eindelijk je brief
+heb opengemaakt, dan wil ik niet gestoord worden, dan
+wil ik rustig en langzaam genieten, met kleine delicieuse
+teugjes, de intieme zinnen, die daar voor mij
+alleen staan opgeschreven door jou hand.</p>
+
+<p>Ik voel &rsquo;t heel goed: de zeldzaamheid maakt &rsquo;t
+genot van je vriendschapsuitingen fijner, exquizer; als
+je hier was, als &rsquo;k je allen dag sprak, zou &rsquo;k niet
+zooveel van je houden als ik nu doe, nu ik niet zie
+dingen die je doet, niet hoor dingen die je zegt, en
+die ik niet zoo doen en zeggen zou, nu ik alleen
+maar van tijd tot tijd krijg een stuk papier volgeschreven
+met eerlijke uitingen van je innigst voelen.
+Maar toch, als je weer terugkomt, wat je schrijft
+dat je gauw doen zult, dan zal ik toch &mdash; geloof ik &mdash; meer
+van je houden dan vroeger, want ik weet nu
+zooveel meer van je, ik begrijp dingen in je, die &rsquo;k
+vroeger niet begreep, en die me dus toen afstootten,
+nu aantrekken, en ik ben langzamerhand beginnen
+te merken, dat ik bepaald houd van manieren
+van je, die &rsquo;k vroeger dacht dat me heelemaal niet
+bevielen. Ik zie je beter nu. Je bent anders dan ik,
+maar daarom vooral niet minder.<span class="pagenum"><a name="Page_4" id="Page_4">[4]</a></span></p>
+
+<p>Dat wou ik je even zeggen, voor ik ga doen wat
+je van me vraagt, voor ik je ga schrijven over me
+zelf. Want ik wil dat doen. Ja! Voor jou wil ik dat
+doen. Want jij hebt er ook eigenlijk recht op, jij bent
+de eenige, die er recht op heeft. Jij doet &rsquo;t voor mij
+ook, je schrijft over wat je innerlijk ik te lijden en
+te genieten heeft, je schrijft ontboezemingen. Maar
+dit lijkt me nu bijvoorbeeld een groot verschil tusschen
+ons. Jij doet &rsquo;t graag, dat ontboezemen, ja &rsquo;k
+geloof dat je &rsquo;r behoefte aan hebt, en dat komt door
+je heerlijk krachtgevende zelfingenomenheid. Je praat
+heel zelfbewust over jezelf. Dat neem ik je niet kwalijk,
+ik vind &rsquo;t ook niet pedant of maar eenigszins
+afkeuringswaardig, maar ik heb &rsquo;t niet, dat &rsquo;s alles!
+Ik heb er juist &rsquo;n helsch plezier in me heel anders
+voor te doen dan ik ben &mdash; of eigenlijk, nee!......
+ik wil er tegen jou niet om liegen, ik geloof dat ik me
+dat maar wijs maak, dat ik eenvoudig de kracht en
+den moed niet heb mezelf te zijn, altijd en overal.
+Want soms, midden in me dagelijksche werk, in &rsquo;t afdoen
+van me dagelijksch stapeltje, voel ik &rsquo;t, met
+diepe schaamte, mijn ellendig gebukt-gaan, en dan
+slaat er in-eens &rsquo;n dolle drift over me, &rsquo;n felwassende
+woede, &rsquo;n hijgende lust om stuk te trappen de lieverig-vergulde
+tralietjes van &rsquo;t hok waar &rsquo;k in gevangen
+zit. O! wat &rsquo;n genot zou dat zijn, wat &rsquo;n heerlijk
+lichte dag, wat &rsquo;n dag van gouden zon en voorjaarsluwte!
+Ik zou &rsquo;t netjes willen doen, met ingehouden
+kracht, kranig, als &rsquo;n heer, m&rsquo;n eene been kalm buigend
+met spanning van al de beenspieren en dan &mdash; pang!
+vooruit! en aan splinters de heele mooie boel!
+En dan weggaan, kalm, weggaan, bedaardjes, lief groetend.
+En de menschen, die denken dat ze je wat
+te bevelen hebben, met de complimenten naar huis
+sturen: &bdquo;en als dat meneer &rsquo;t nou verder verdomde,&rdquo;
+en dan gaan leven, het gansche leven, vrij, ongebonden,
+wild, al de kracht van me lijf en van me ziel gebruikend,
+met goeddoende, o zoo zacht en teer goeddoende<span class="pagenum"><a name="Page_5" id="Page_5">[5]</a></span>
+liefde, en met driftig strijdenden, neerhouwenden
+haat. Want o &rsquo;t leven, Edward, &rsquo;t leven! Wat
+weet ik er van en wat weet jij er van? Wij zijn lekkertjes
+gevoed en zoetjes gekoesterd, we zijn wel
+&rsquo;s ziekjes geweest, we hebben wel &rsquo;s pijntjes gehad,
+en dan zijn we voorzichtigjes weer opgelapt met
+drankjes en pilletjes en zoo door en zoo door; altijd
+is er voor ons gezorgd; en de menschen zijn wel &rsquo;s
+onvrindelijk tegen ons geweest, ze hebben ons wel
+&rsquo;s gesard en verveeld, o soms vreeselijk verveeld,
+maar niemand heeft er nog ooit met ons willen vechten
+op leven en dood! Maar wat praten we dan toch
+over honger, armoe, ellende, smart, liefde, haat, genot,
+zaligheid, verrukking, leven! We weten er niets
+van, niets, niets! geen flauw benul hebben we ervan!
+En kan jij daar dan bedaard bij blijven zitten en zeggen:
+ja, ja, zoo is &rsquo;t, en niet opvliegen en je haren
+uittrekken en vloeken en grienen en beuken en stampen?!
+Huil jij nooit tot je oogkassen branden om je
+jeugdjaren die verloren gaan, die nooit weerkomen,
+nooit, nooit?! Is jou mond nooit droog en heet geschroeid
+van verlangen naar leven?.... Maar o!
+niet waar? dan komt sluiplangzaam, poeserig-zacht
+langs je schuiven je gemeene, beroerd-laffe houden
+van lekker eten en drinken en &rsquo;n zacht bed, dan komt
+je lafheid en houdt &rsquo;t nuchter mombakkes van je verstand
+voor z&rsquo;n apentronie en sust je zoetjes en vriendschappelijk,
+klopt je op je rug en zegt: &bdquo;Mooi zoo!
+je bent &rsquo;n goeje jongen, iemand met gevoel, heel interessant,
+heel mooi! Ja, ja, die kleingeestige wereld,
+niet waar? Maar je meent &rsquo;t natuurlijk niet. Je kunt
+je immers niet eens &rsquo;n voorstelling maken van dat
+vrije leven. En daar ben je toch ook veel te goed voor,
+je zoo te vergooien, foei! daar ben je &rsquo;n veel te knappe,
+aardige jongen voor. Ga nou maar weer aan je
+werk en zet je die fantasieën uit je hoofd, en denk
+aan je toekomst.&rdquo; Ja!.... En dan gehoorzaam ik!
+Dan gehoorzaam ik, godbetere &rsquo;t! Maar dan huil ik<span class="pagenum"><a name="Page_6" id="Page_6">[6]</a></span>
+van pure woede, machtelooze woede en diep ga ik
+gebukt onder m&rsquo;n gedweeë tamheid....</p>
+
+<p>Voel je nu hoe &rsquo;t komt, dat ik niet graag schrijf
+over mezelf, dat ik opzie tegen ontboezemingen?
+Toch.... heb ik &rsquo;t al gedaan en zal ik er mee doorgaan,
+omdat ik &rsquo;t nu eenmaal wil. Ik zal je schrijven
+hoe ik me dagen doorbreng, ik zal je schrijven hoe
+&bdquo;&rsquo;t me gaat....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar toe alsjeblieft, hoeft &rsquo;t vandaag niet meer?
+Morgen! morgen! &rsquo;k beloof &rsquo;t je. En hier heb je dus
+dit stuk papier vast, want anders zou ik &rsquo;t morgen
+misschien overlezen en &rsquo;t verscheuren &mdash; of weer niet
+verder kunnen....</p>
+
+<p>En Bernard teekende den brief en adresseerde hem
+en gaf &rsquo;m aan zijn jongsten bediende, die &rsquo;m naar de
+post bracht. Zelf ging hij kort daarna uit om koffie
+te drinken, in een koffiehuis, vooraan in de Kalverstraat,
+en daarna liep hij gauw naar de Beurs; &rsquo;t was
+al laat....</p>
+
+<p>Maar den volgenden dag, wat vroeger, ging hij
+weer aan zijn schrijftafel zitten en begon een tweeden
+brief aan Edward:</p>
+
+<p>Ik ben heel wel. Behalve nu en dan wat hoofdpijn,
+van katterigheid of koude voeten, scheelt me tegenwoordig
+nooit iets. Ik geloof bepaald dat ik &rsquo;n gezond
+en krachtig gestel heb. Daarbij komt dat ik vrij matig
+en bedaard en vreeselijk geregeld leef, &mdash; zoodat
+ik misschien wel zeventig of tachtig jaar worden kan.</p>
+
+<p>Me zaken gaan goed. M&rsquo;n oom trekt zich meer en
+meer terug. Hij is nu voor goed in Bussum gaan wonen.
+Hij heeft zich daar in &rsquo;t voorjaar een villa laten
+bouwen, die heelemaal door Jansen ingericht is, fijn,
+hoor! prachtig! En er is een groote tuin bij (hij zegt:
+lap grond) waar hij zelf nu in staat te spitten en te
+graven met z&rsquo;n tuinman. Dat is zoo z&rsquo;n liefhebberij.
+Beste man! Tante maakt &rsquo;t ook heel goed en laat je,
+met &rsquo;r gewone vriendelijkheid, wel zeer groeten. Ja,
+ja, beste menschen, o zulke goeie menschen! Denk<span class="pagenum"><a name="Page_7" id="Page_7">[7]</a></span>
+niet dat ik met ze spot, hoor! &rsquo;t Zou schande zijn.
+&rsquo;k Heb aan die menschen alles te danken, wat ik ben
+(ik zeg: wat ik ben) en wat ik heb, al wat ik geleerd
+heb, me dagelijksch brood, me klanten!.... Gaat
+&rsquo;r maar &rsquo;s &rsquo;anstaan!....</p>
+
+<p>Ik ben dus gezond en me zaken gaan goed, ik ben
+dus &rsquo;n deftig, geposeerd man, &rsquo;n bourgeois-satisfait.</p>
+
+<p>Lach nu niet. &rsquo;t Is niet om te lachen. Of....
+waarom zouden we er ook niet &rsquo;s om lachen, hè? Zeg,
+ouwe jongen, kijk me &rsquo;s even aan, vind je &rsquo;t eigenlijk
+niet om te gieren? Ik vind &rsquo;t om te brullen, te schudden,
+te trappen van-de-lach, om je handen op je heupen
+te zetten en telkens weer te beginnen! Ik vind &rsquo;t
+verregaand belachelijk, God! ik vind &rsquo;t zoo gek! Ik
+vind &rsquo;t om te gaan staan dansen en scheel te kijken
+en wa!- wa!- wa!- te roepen als &rsquo;n idioot, zoo
+vind ik &rsquo;t!</p>
+
+<p>Stil! &rsquo;n vraag! &rsquo;n raadsel!.... Wat ontbreekt &rsquo;n
+jong man van vier-en-twintig jaar, gezond, met &rsquo;n
+nette beklante zaak, die op &rsquo;t Rokin op kamers woont
+en in Bussum een rijken oom zonder kinderen heeft
+wonen?.... &rsquo;n Meisje!.... Juist! precies! Kerel,
+wat kan jij toch goed raden! Natuurlijk! &rsquo;n meisje!
+&rsquo;n vrouw! Waarom trouw ik niet? Waarom ben ik
+nog niet geëngageerd? Waarom in &rsquo;s hemelsnaam
+ben ik toch nog niet geëngageerd?! Dat hoort &rsquo;r toch
+zoo bij! En als er nou geen lieve, aardige, mooie
+meisjes meer waren in Amsterdam! In Amsterdam?
+Wat zeg ik? in Nederland! in Europa! Wat bindt me
+aan Amsterdam?.... Maar, &rsquo;t is waar, ik kom niet
+overal voor me zaken!.... Wat dan ook volmaakt
+onnoodig is, want, m&rsquo;n hemel! er zijn hier meisjes
+&bdquo;te over&rdquo; en de eene is al mooier en liever en vriendelijker
+en zachter dan de andere! En jongen-jongen!
+wat zijn hier &rsquo;n boel vroolijke en geestige meisjes,
+nee maar kolossaal!</p>
+
+<p>Ik ben dan ook in den regel verliefd. Op &rsquo;t oogenblik
+toevallig niet, maar &rsquo;t zal wel niet lang meer duren,<span class="pagenum"><a name="Page_8" id="Page_8">[8]</a></span>
+want morgenavond ga &rsquo;k naar &rsquo;n bal. Nou, en
+als je zoo&rsquo;n heelen avond letterlijk niets anders te
+doen heb dan je zoo&rsquo;n beetje op te winden....</p>
+
+<p>Nu vind ik dat verliefd zijn iets erg aangenaams.
+Ook is &rsquo;t &rsquo;n geoorloofde, onschuldige bezigheid, die
+je onder je werk door best er bij waarnemen kan. Je
+hebt &rsquo;n meisje gezien, gesproken, misschien zelfs met
+&rsquo;r gedanst en dat heeft je gelukkig gemaakt. En nu
+soes je &mdash; zoo achter je wakkere, flinke om-zaken-gedenk
+om &mdash; voortdurend aan dat meisje, met lekkere
+scheutjes van heimelijk genot vol gesoes, dat is als
+&rsquo;t zoete gefluister van kinderstemmetjes achter de kalig-kamgaren
+rugvlakten van degelijke, gelijkhebbende
+pa&rsquo;s. En al weet je best, al voel je blozend, dat
+je niets dan flauwe, banale, stomme, botte gezegden
+tegen &rsquo;r gezegd heb, je heb toch &rsquo;n stille hoop &mdash; die
+je verbergt voor jezelf &mdash; dat je misschien nog
+al &rsquo;n tamelijk goeden indruk hebt gemaakt, en je verlangt,
+niet sterk, niet onweerstaanbaar, maar zoo net
+even genoeg om er &rsquo;n straatje voor om te loopen,
+naar &rsquo;n nieuwe ontmoeting. En als je haar dan weer
+aan ziet komen, naar je toe, en ze lacht en ze geeft
+je &rsquo;n hand, dan voel je licht-amoureuze trillingen, &rsquo;n
+zacht neerstrijkende, streelende, niet-beklemmende bevangenheid,
+je bent in eens in &rsquo;n soort van roes, &rsquo;t
+suist in je hoofd als pas ingeschonken champagne,
+je lijf is niet meer zoo zwaar en lomp, je voelt &rsquo;t niet,
+je bent je donkere, degelijke, vervelende zelf kwijt,
+je merkt in eens dat je in de zon staat, dat &rsquo;t zomerachtig
+zoel en lekker om je is. Je bent gelukkig, je
+hebt aangename droomenvolten.... tot dat je liefste,
+je nimbusomkranste engel, je sprookjeskoningin, je
+droomengebiedster even met &rsquo;r wijsvinger aan &rsquo;r neus
+komt of leelijk geeuwt of tersluiks glimlacht om &rsquo;n
+dubbelzinnigen mop of &rsquo;r moeder afsnauwt of &mdash; weet
+ik wat nog meer! &mdash; tot dat ze, bedoel ik, in één
+blik, &rsquo;n klank, in &rsquo;n tiende deel van &rsquo;n seconde, verandert
+in &rsquo;n doodgewone juffrouw, die natuurlijk d&rsquo;r<span class="pagenum"><a name="Page_9" id="Page_9">[9]</a></span>
+goeje zij wel hebben zal, zooals ieder mensch, wel ja,
+waarom niet!.... maar dan ga je toch maar weg,
+hè, dan ga je maar weg....</p>
+
+<p>O, maar vriendinnen heb ik heel veel, ik heb, geloof
+ik, wel vijfentwintig vriendinnen in Amsterdam.</p>
+
+<p>Ja, ja! ik weet wel, je vindt dit kinderachtig, kwajongensachtig,
+kalverig geklets, je denkt: zijn dat nu
+z&rsquo;n ontboezemingen? Je leest &rsquo;t met &rsquo;n medelijdend
+glimlachje, innerlijk &rsquo;n beetje geërgerd, maar je wilt
+je niet boos maken op mij. Maar je vindt dat &rsquo;n
+man, &mdash; &rsquo;n man nietwaar? &mdash; dat &rsquo;n man, als hij &rsquo;n
+vrouw liefheeft, werkelijk liefheeft, nietwaar? dat hij
+dan blind is en doof en dol en niet <em class="g">wil</em>, niet <em class="g">wil</em>
+zien de nuchtere dingen, niet <em class="g">wil</em> redeneeren, maar
+dat hij dan aldoormaardoor doet wat hij kan om die
+vrouw te krijgen! Zeker, zeker, zoo is &rsquo;t, je hebt gelijk.
+Ik had &rsquo;t dan ook maar alleen, ik causeerde
+zoowat over verliefdheid en misschien was dat woord
+niet goed, maar ik weet geen ander, en verder dan
+zoo&rsquo;n kalverliefde heb ik &rsquo;t nog niet gebracht. Van
+dat andere, dat machtige, dat volwassene, dat eenige
+echte, daar droom ik van in zoete, bedwelmende
+dagdroomen, daar verlang ik naar met &rsquo;n angstig-wachtend
+verlangen, en altijd glanst in de ramen
+van mijn zielehuis de gouden gloed van mijn hoop,
+maar soms, als ik &rsquo;t zie, dat kasteel van mijn ziel,
+dan is &rsquo;t &rsquo;n roode gloed, mooi donker bloedrood,
+weemoedig-dofrood, als van een ondergaande zon.</p>
+
+<p>Maar neen! neen! dat moet komen, dat zal komen!
+Want o! als ik niet wist dat ééns mijn leven rijzen
+zal, recht, met verdoovende, verbijsterende snelheid,
+en opvlammen, rein en trotsch, in dien fel-zuiveren
+zielebrand, als ik niet wist dat ik dat, dat heerlijkste,
+dat eenig-hoogstbegeerlijke van &rsquo;t leven kennen zal,
+dat dàn tenminste, dat dàn eindelijk, al is &rsquo;t dan
+maar &rsquo;n maand, &rsquo;n dag, &rsquo;n uur, één oogenblik het
+leven door mij heen zal gaan, zoodat ik &rsquo;t merk,
+zoodat ik &rsquo;t sidderend voel in mijn ademlooze zaligheid,<span class="pagenum"><a name="Page_10" id="Page_10">[10]</a></span>
+als ik dat niet wist.... o, mijn goede vriend,
+als ik dat niet wist!.... Maar dan had ik me
+immers al verzopen.</p>
+
+<p>Maar ik weet &rsquo;t, zij zal komen, ik zal haar zien.
+Dikwijls heeft God &rsquo;t mij gezegd, sprekend met zijn
+machtige stem tot mij in mijn ziel. Ik ben geduldig, ik
+zal wachten.</p>
+
+<p>Zal zij blond zijn, bruin of zwart, blauwoogig, roomigwit
+van tint, ik weet &rsquo;t niet. Soms, in stille uren,
+hoor ik van verre haar zacht vertrouwelijke stem,
+maar zij is mij nog nooit verschenen. Maar eens
+zal zij komen en mij begrijpen en mij liefhebben en
+ik zal haar liefhebben.</p>
+
+<p>Ik zal wachten op haar en mijn zielehuis zal ik
+rein houden, want zij zal er in wonen, en ook mijn
+lijf, mijn mat-blank, vreemd-bewegend lijf, mijn warm
+lijf, waar ik zooveel van houd, zal ik voor haar bewaren,
+want als zij komt, recht naar mij toe, en zich
+glimlachend neervlijt in mijn verlangende armen, als
+ik haar oogen voel in de mijne, haar warmen adem
+gaande langs mijn hoofd en haar heilig lijf zich voegend
+naar de stugge buiging mijner leden, dan zal
+ik &rsquo;t plotseling heftig begeeren haar lijf en zij zal &rsquo;t
+geven, aarzelend eerst, schuchter trachtend mij te
+weren, onbewust rekkende de zoete verrukking. En
+weten zullen wij dan dat niemand nog bezat wat wij
+bezitten. Ik zal &rsquo;t haar zeggen. O hoe zalig zal &rsquo;t dan
+zijn haar dankbaar liefkoozende hand te voelen streelen
+mijn borst, mijn armen, mijn gansche lijf, dat zoolang
+ontbeerde....</p>
+
+<p>Om dat besluit van mij, kuisch te blijven leven,
+zonder lijfsgenot tot haar komst, word ik dikwijls
+bespot, soms gehoond, ja zelfs kleinzielig verdacht
+en misschien ook wel &rsquo;s belasterd, wie weet &rsquo;t! Maar
+daardoor juist groeit &rsquo;t in me als &rsquo;n boom in &rsquo;t
+bosch, hoog, trotsch, altijd dieper en verder geworteld.
+Er zal wel &rsquo;n storm noodig zijn om &rsquo;t neer te
+rukken. En toch, als de storm komt, dan zal ik niet<span class="pagenum"><a name="Page_11" id="Page_11">[11]</a></span>
+vluchten, want ik zal houden van den storm omdat
+&rsquo;t storm is, omdat &rsquo;t geen Amsterdamsche winderigheid
+en motregen is, maar storm.</p>
+
+<p>Als maar niet de voortdurend doordruppelende motregen
+langzaam verrotten zal en doen bezwijken,
+wat de storm neer zou kunnen slaan met een ruk!....</p>
+
+<p>Dezen laatsten zin schrapte Bernard weer door. En
+hij las den heelen brief over en voelde zich vaag-verdrietig
+en leeg. &rsquo;t Was &rsquo;t niet! &rsquo;t Was nog heel
+anders. Hij zou &rsquo;t nooit kunnen zeggen zoo zuiver
+en eenvoudig als &rsquo;t was.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Hij schreef alleen nog: &rsquo;t Is &rsquo;n kille dag vandaag,
+mijn vingers verkleumen, morgen verder.</p>
+
+<p>En den volgenden dag:</p>
+
+<p>O ja, nu zou ik je vertellen hoe &rsquo;k me dagen doorbreng.
+Zóó: Ik sta &rsquo;s morgens om acht uur op. Dan
+brengt &bdquo;de juffrouw&rdquo; me &rsquo;n cadetje met thee op me
+kamer en dan loop ik op &rsquo;n kippendraf naar kantoor.
+Dan werken tot half één, koffiedrinken, ergens hier
+in de buurt, met Sam van &rsquo;t Hout of André, of alleen,
+dan naar de Beurs en gauw weer naar kantoor
+en daar zitten tot zes uur. Dan &rsquo;n borrel, hier-en-daar-en-overal,
+met allerlei lui, en eten op &rsquo;t Leidsche-plein,
+en &rsquo;s avonds zitten lezen op me kamer
+of in &rsquo;n koffiehuis, of zitten kijken in &rsquo;n komedie &mdash; of
+in &rsquo;n koffiehuis, of zitten kaarten op me kamer &mdash; of
+in &rsquo;n koffiehuis, of &rsquo;n partij meemaken, &rsquo;n soireetje
+of eterijtje bij vrinden of kennissen &mdash; of in
+&rsquo;n koffiehuis......</p>
+
+<p>Daar is ook &rsquo;n tijd van &rsquo;t jaar, dat is juist altijd
+in &rsquo;t begin van de lente, in dien tijd als je &rsquo;s avonds
+je raam opengooit en dan in eens bevangen wordt
+door &rsquo;n vreemd-geurige zoelte en je deur uitloopt
+met &rsquo;n niet-te-zeggen gevoel van verlangen naar zomer,
+en toch eigenlijk niet &rsquo;n verlangen, als je &rsquo;t
+goed nagaat, maar juist &rsquo;n vrees, &rsquo;n angst voor iets
+onbekends, iets geheimzinnigs, &rsquo;n gevoel van: o, nu<span class="pagenum"><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span>
+zal &rsquo;t komen!.... De menschen loopen je voorbij
+als schimmen en in de verte blaft &rsquo;n hond. En
+plotseling voel-je, dat je wel zoudt kunnen huilen van
+slapte en loomen weemoed.</p>
+
+<p>Nu, in dien tijd dan, zoo tegen half Maart, en in
+April soms ook nog en ook in Mei nog wel &rsquo;s &rsquo;n
+poosje, dan heb ik me drukke weken, dan eet ik
+schrokkerig en gauw, weinig en toch te veel, en zit
+om acht uur weer op kantoor en werk tot elf of tot
+twaalf of tot één uur.</p>
+
+<p>O, die benauwende weken! Die strenge stroeve weken,
+die harde werkweken, van je niet bemoeien met de
+lucht en de boomen en de menschen en de vreugde
+en de kalme genoegens, maar altijd maar werken,
+weg zijn in je werk, die weken van niet-leven, maar
+ook niet van dood, want er wordt veel afgedaan,
+een berg van werk wordt weggeruimd met taai-volhoudenden,
+nijdig-zwijgenden, al maar doorpeuterenden
+arbeid.</p>
+
+<p>Als ik dan &rsquo;s avonds laat de deur van mijn zakenhuis
+achter me dicht getrokken heb, en ik loop naar
+me kamer, dan heb ik &rsquo;n rustgevend gevoel van te
+moe zijn om nog iets te gaan doen. Dan loop ik nog
+aan kleinigheden van me zaken te denken en aan
+wat ik morgen weer doen moet. &rsquo;t Is maar &rsquo;n slap
+en traag gedenk, ik voel me suf en dof en dom,
+maar zonder schaamte berust ik in mijn domheid;
+gelaten, stil-tevreden als &rsquo;n kind, eet ik nog &rsquo;n boterham
+en drink &rsquo;n glas gerste-bier en ga naar bed met
+klamme, koude voeten en &rsquo;n gloeiend hoofd. En den
+volgenden morgen hijsch ik in &rsquo;n werktuigelijk, heelemaal
+gewoonte geworden gevoel van plicht, me lamgeslagen
+lijf uit me warme bed-hol, en nonchalant
+op me kleeren en op m&rsquo;n ontbijt, draaf ik haastig
+naar kantoor, waar ik langzaam-aan opleef en me
+weer gewoon ga voelen tegen tien, elf uur. Maar
+soms......</p>
+
+<p>Neen, nu is &rsquo;t genoeg, laat me je niet hoeven mee<span class="pagenum"><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span>
+te nemen naar de diepe, kille donkergroene grotten
+van mijn innigste bitterheid. Scheld &rsquo;t me kwijt, wat
+er nog ontbreekt aan dit pijnlijke geschrijf, dit vinger-vegend,
+voorzichtig betastend, maar toch aanraken,
+aanraken van mijn overgevoelig binnenste, van al die
+teer-opene, licht schrijnende plekken. En laat me tot
+slot van deze brieven, die je weg moet doen als je
+ze gelezen hebt, &mdash; want ze zijn wel eigenlijk nog
+niets, neen, niets, als ik er aan denk; zij zijn maar
+heel grove benaderingen, ze tasten met dikke handen,
+ze treffen niet; ik durf niet; ik durf nog niet
+mijn arm zelf voor je neerleggen met afgestroopt vel
+en dan snijden en grijpen in &rsquo;t bloedrig lillend vleesch,
+&rsquo;t warme vleesch, en aanwijzen en uitleggen, maar
+toch, &rsquo;t zou me hinderen te weten op den duur, dat
+ze daar nu liggen bij jou, als sombere stukken, als
+processen-verbaal van mijn getob en gepeuter en waar
+je me mee aan zoudt kunnen komen, zeggend: Kijk,
+dat heb je geschreven! &mdash; O laat me tot slot nog &rsquo;n
+beetje aan de koele oppervlakte blijven, wat praten,
+even maar, over luchtige, lichte dingen!....</p>
+
+<p>Want, waarachtig! &rsquo;t Zou ten slotte ook wel gaan
+lijken of ik niet jong was en levenslustig! Zeg, kerel,
+je moet niet gaan denken dat ik somber ben of zwartgallig
+of zwaartillend, hoor! Ik ben vroolijk, vriendelijk
+en goedhartig. Ik ben &rsquo;n opgeruimd zakenheertje,
+ik ben &rsquo;n lustig beursmannetje. Ik ben blozend,
+ik ben flink, ze vinden me &rsquo;n energieken jongen koopman
+op de Beurs en me kennissen mogen me graag
+lijden, want ik kan heel gezellig zijn en moppen tappen,
+dat ze lachen rondom de koffiehuistafel en weer
+gaan drinken uit vroolijkheid. Ik houd ook veel van
+fuiven en ik doe &rsquo;t ook dikwijls, ik kan &rsquo;t ook goed en
+ik kan er ook goed tegen. Nog pas hebben we &rsquo;n beestig
+dolle pan gehad op André&rsquo;s nieuwe kamer op &rsquo;t
+Rembrandtsplein. We hebben &rsquo;t ingewijd, dat nieuwe
+feestterrein. Je hadt er bij moeten wezen, &rsquo;t was &rsquo;n
+avond van uitgelaten dwaas-doen en je lekker roezig<span class="pagenum"><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span>
+dronken voelen worden. Na &rsquo;t souper hebben we &rsquo;n
+allergekste scène gehad met de tafel. Dat was zoo&rsquo;n
+ronde, met een blad dat je op kunt slaan als je &rsquo;n knip
+wegtrekt. Nou, je begrijpt &rsquo;t natuurlijk al. Sam deed
+&rsquo;t, &rsquo;n heidensch kabaal!...... en rrang!, neer lag de
+rommel, en &rsquo;t licht was uit. André stak &rsquo;n lucifer aan;
+daar zaten we allemaal op den grond tusschen de
+scherven en plassen wijn en vla, stil, in-eens stil van
+den schrik. &rsquo;t Flikkerlichtje van den lucifer glimmerde
+maar even om onze rooie koppen, maar dat eene
+oogenblik zal me onvergetelijk zijn in z&rsquo;n groteske
+onwezenlijke dwaasheid........</p>
+
+<p>Maar nu moet ik weg. Ik groet je, mijn beste Edward,
+houd je goed en schrijf gauw weer aan je
+vriend<br />
+
+<span class="sign">Bernard Bandt.</span></p>
+
+
+
+
+<h2>II.</h2>
+
+
+<p>In den avond van dien dag dus zou Bernard naar
+dat bal gaan. Het was een groote soirée dansante,
+die de heer en mevrouw van den Bosch gaven, omdat
+een van hun dochters ging trouwen met Mr. Langendijk
+van Enkhuizen.</p>
+
+<p>Bernard had &rsquo;s middags op de Beurs een onaangename
+kwestie te bepraten gehad en was wat opgewonden
+en geërgerd naar kantoor geloopen, waar hij
+&rsquo;n paar brieven had gevonden, die hem veel en vervelend
+werk bezorgden. Korzelig was hij geworden
+en nog even voor zessen had hij om &rsquo;n kleinigheid
+een bediende een heftig standje gemaakt. Toen hij
+daarop zijn kantoor had gesloten en door de Warmoesstraat
+ging naar Kras, waar hij eten wou, liep hij
+zich eerst koppig op te dringen, dat hij groot gelijk had
+gehad met dat standje, mopperend in zich zelf, dat
+&rsquo;t ook zoo vervelend was, dat je nooit &rsquo;s iets overlaten
+kon, dat je om alles denken moest en dat al die
+bedienden ook zulke stomme lummels waren, en zoo<span class="pagenum"><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span>
+onverschillig, niets geen hart voor de zaken! Maar
+&rsquo;t ging niet, hij kon zich niet overtuigen, machteloos
+voelde hij zich wegzakken in een onbehagelijk zich-bewust-zijn
+iemand beroerd behandeld te hebben. En,
+eenmaal aanvaard, verbreedde en verscherpte zich
+die onvoldaanheid tot een algemeene ergernis over
+zijn eigen doen en zeggen, over zijn zich-niet-beheerschen-kunnen,
+over dien brief ook al, dien brief aan
+Edward, over die intieme uitingen, die hem nu al
+laffe klachten schenen. &rsquo;t Ergerde hem dat &rsquo;n ander
+nu ook wat weten zou van het leed, dat hij altijd hoogmoedig
+verborgen gehouden had voor iedereen, waar
+hij tot-nog-toe alleen mee geweest was, opgesloten
+in één hok met dat smartbeest, er mee vechtend in
+trotsch-mannelijken tweekamp, in eerlijken strijd als
+van man tegen man, &rsquo;t beneden zich achtend hulp te
+halen. Dat had hij nu toch gedaan, want Edward
+zou hem willen troosten, bemoedigen, opwekken, en
+dat is immers helpen. En hij soesde over &rsquo;t plan den
+eerstvolgenden brief van Edward ongelezen te verbranden.</p>
+
+<p>Er hing een nattige damp, een kille motregen-atmosfeer
+in de nauwe straatvallei. Hij liep in &rsquo;t midden,
+over &rsquo;t nat-gladde asphalt in &rsquo;t schichtig schaduwende
+halflicht dat uit de winkelhuizen en kroegen
+kwam, hier en daar wat opgehaald door een
+straatlantaarn, en boven was de nacht, een raggende
+oneindigheid van vaal-zwart, waarvan de schuw-armoedige
+flarden wuifden tusschen de spookgestalten van
+de donkere geveltoppen. Hij liep met een ongeregelden
+stap, zijn hals en kin weggestoken in &rsquo;t intiem-warme
+van zijn jaskraag, zijn handen in zijn zijzakken. En
+in eens in &rsquo;t volle licht bij Kras, de vestibule doorloopend,
+en toen de groote zaal in, voelde hij zich ruw-gestoord,
+opgeschreeuwd uit lichte sluimering, rillerig,
+erg alleen, vervreemd van alle menschen. Hij groette
+met een zwijgenden hoofdknik een paar kennissen, die
+luid bonjourden van hun tafeltje, en ging achter in de<span class="pagenum"><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span>
+zaal zitten, waar kelners bedienden, die hem niet
+kenden. &rsquo;t Galmend geroep en &rsquo;t borden-en-lepelgekletter
+en de etenslucht vooral, de lauwe benauwende
+etenslucht hinderden hem. Hij zat met een vies gezicht
+te kijken, hield zijn jas aan en zijn hoed op, zonder
+eenige behoefte &rsquo;t zich behagelijk te maken. Tegen den
+kelner, die bij hem kwam staan met een spijzenlijst en
+vroeg wat hij zou eten, zei hij dat &rsquo;t hem niet schelen
+kon, als &rsquo;t maar gauw kwam. Toen ried de kelner
+met een aanbevelend lekker-genotlachje een schotel
+aan, en hij knikte dat &rsquo;t goed was en ging toen
+zitten wachten, trommelend met zijn mes op de tafel,
+voor zich kijkend in de zaal, naar de plantengroepen
+en etende menschenhoofden, suf door &rsquo;t roezig geraas
+en dien zoetigen weeën walm, opnieuw dof doorsoezend,
+zich klein en min voelend zonder te weten waarom
+ook weer....</p>
+
+<p>Maar, toen hij in eens dicht bij zich hard hoorde
+lachen, een vetten vleezigen lach, en daarop ook zag
+een dik, glimmerig-rood boerengezicht, dat een grooten
+viezen mond scheef openzette, dom lachend, met &rsquo;n
+lage platte vroolijkheid, brutaal wijd-uit boven zijn
+breed-witte servet, toen keerde hij zich met plotseling
+weer wakkeren wrevel snel om en riep den
+kelner toe wat haast te maken, want dat hij geen
+tijd had. &rsquo;t Nuchtere begrip van de werkelijkheid, van
+waar en hoe laat ook weer, was nu scherp van
+uit den grauwen achtergrond van zijn gedachten naar
+voren geschoten; hij keek op zijn horloge en zag met
+onaangename bevreemding dat &rsquo;t al half zeven was.
+En die partij begon om acht uur. Hij moest zich nog
+laten scheren en dan zijn rok aan gaan trekken op
+zijn kamer. &rsquo;t Was een bruiloftspartij, daar mocht je
+niet te laat komen. De haast verwarde zijn denken; hij
+kon niet, als anders, de anderhalf uur, die hij nog voor
+zich had, netjes verdeelen: zóó lang nog hier bij Kras,
+zooveel tijd voor scheren, zooveel voor kleeden. Toen
+&rsquo;t eten eindlijk kwam, at hij &rsquo;t gejaagd en schrokkerig<span class="pagenum"><a name="Page_17" id="Page_17">[17]</a></span>
+achter elkaar op, slokken bier verzwelgend met een
+half vollen mond, betaalde, liet den kelner zeven stuivers
+houden omdat hij niet wachten wou op &rsquo;t wisselen
+en liep haastig de restauratie uit, de straat op en
+den kapperswinkel in, die een paar huizen verder was.</p>
+
+<p>Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden.</p>
+
+<p>In een opkomende verheuging daarover trok hij
+vlug zijn overjas uit en liet hij zich neerploffen in
+een van de ruime leeren leuningstoelen waar zijn
+tenger lijf lekker in wegzakte. Hij liet zijn hoofd tegen
+&rsquo;t koele leer rusten, en de kapper knoopte hem
+handig den frisschen witten doek om zijn hals en
+zette toen zijn scheermes aan met gelijke kantige
+krassen, heen en terug op &rsquo;t stijf-stroeve leer, wat een
+aangenaam rhytmisch geluid gaf.</p>
+
+<p>Kwart voor zeven op de groote houten hangklok;
+hij begon zich rustig te voelen, had eigenlijk nog
+al den tijd. Hij zou om even zeven uur thuis zijn en
+op zijn gemak zijn toilet maken. &rsquo;t Rijtuig kwam
+om kwart voor achten.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was stil in &rsquo;t barbierszaaltje, dat in &rsquo;t achterhuis
+lag, door den winkel gescheiden van de straat.
+Gejoel van straatjongens was flauw in de verte, niet
+storend. Voor hem, in een overstrooming van electrisch
+licht, de groote vierkante, stralend-heldere spiegel
+en daaronder &rsquo;t zacht vonkelend geglans van gepolijst
+marmer met kristallen flaconnen en glimmende
+scharen en kammen er op. &rsquo;t Was warm in &rsquo;t
+zaaltje, maar &rsquo;t leer van zijn stoel aldoor lekker koel.
+En van den helwitten handdoek op zijn borst steeg
+een frissche geur naar zijn gezicht, dat nu tevreden,
+vergenoegd bijna, ging liggen gluren naar zijn stil
+beeld in &rsquo;t wijde spiegelmeer. Hij vond zich niet
+leelijk zoo, hij zag plotseling iets innemends in zijn
+gezicht, en dat gaf hem een snelwassend plezier in
+zichzelf en in zijn leven van vrijen jongen man, en
+hij kreeg een overmoedig verlangen naar &rsquo;t feest,
+naar de lichte zaal en den gladden vloer en &rsquo;t gewoel<span class="pagenum"><a name="Page_18" id="Page_18">[18]</a></span>
+van menschen in feestkleeren en naar de jonge
+meisjes in hun lichte japonnetjes en &rsquo;t dansen en
+lachen en flirten. Terwijl de barbier hem voor de
+tweede maal inzeepte en schoor, deed hij zijn oogen
+dicht en liet hij lijdelijk zijn gezicht betasten om er
+aldoor zoo aan te kunnen denken. Het schrapen van &rsquo;t
+mes langs zijn strak-harde onderkaak verhoogde nog
+die sensatie van zijn voorkomen, hij voelde zich nu
+correct en welverzorgd, ervaren groote-stadsman, zijn
+wereld kennend en heel ver van de melkmuilen-periode.</p>
+
+<p>Toen hij geschoren was streek hij zijn snor wat
+op, zacht streelend de malsch opkrullende haren, en
+hij voelde met wellust het trekken van zijn gespannen
+vel als hij zijn onderkaak vooruitzette. Op de
+vraag van den kapper, of hij zijn knevel ook opgebrand
+wou hebben, antwoordde hij met een deftig
+minachtend dankje. Hij vond &rsquo;t &rsquo;n beetje ploertig
+van den man zoo iets te vragen. En hij liet zich
+zijn jas opgeven, stak op zijn gemak een sigaar aan,
+en minzaam &rsquo;n praatje makend liet hij zijn abonnementskaart
+knippen, schoof bedaard zijn handschoenen
+op en ging den winkel uit, vriendelijk groetend
+den barbier en zijn vrouw, die achter de toonbank
+stond.</p>
+
+<p>Op straat, in &rsquo;t gaan door de krommende Warmoesstraat,
+deed hij zijn best dat gevoel vast te houden,
+rechtop in kranige, overmoedige houding doorstappend,
+maar op den Vijgendam al, in de drukke
+volte, was hij &rsquo;t in-eens kwijt, leeggevloeid van stemming;
+zijn gedachten schoven onrustig van dit op
+dat, en hij liep weer gauwer door, opnieuw onder
+den indruk van dat hij daar nu waarachtig nog liep
+in zijn daagsch pakje op de vieze straatsteenen in
+de donkere volte, en dat hij straks keurig gekleed
+aanlanden moest in die ruimte vol licht, in
+dien kring van zich correct bewegende heeren en
+dames. Hij liep dus haastig door, wat voorover als<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span>
+gewoonlijk. &rsquo;t Rokin langs tot het huis waar zijn kamer
+was, &rsquo;n eindje voorbij de Wijde Kapelsteeg. Hij had
+de voorkamer op de eerste verdieping; beneden was
+een handel in zakkengoed, gedreven door een oud
+heertje met een paar knechts. Ze zaten te werken
+aandachtig, bij stil lamplicht, in &rsquo;t kneuterig klein
+kantoortje, maar boven was &rsquo;t huis heelemaal
+donker.</p>
+
+<p>Hij had den sleutel al in zijn hand toen hij aankwam
+en dadelijk was hij binnen en liep de onbekleede
+houten trap op, een oud wrak van &rsquo;n trap,
+met gladde afgesleten randen, die vettig glimmerden
+in &rsquo;t armoedig schemerlicht van een petroleumlampje,
+dat boven in de gang hing. Onder de tree-randen
+gaapten de donkere hoeken als zwarte gaten.</p>
+
+<p>Boven gekomen ging hij haastig zijn kamer in.</p>
+
+<p>Daar was &rsquo;t heel donker; alleen langs &rsquo;t plafond
+trilde zwak-strepend wat licht van een lantaarn buiten.
+Hij haalde zijn lucifers uit zijn zak en stak zijn
+gaslamp aan, die in &rsquo;t midden hing, boven de tafel.
+En in-eens leefde de kamer op en zag hij alles op
+zijn gewone plaats, de ronde tafel, waar &rsquo;t donkere
+tafelkleed rondom afhing, de stoelen en kanapee van
+dof-rood trijp, en zijn boekenkast van oud-eiken, en
+de dingen aan de wanden en op den schoorsteen,
+allemaal waren ze weer in-eens om hem heen en
+keken naar hem toen hij naar de ramen ging om
+ze dicht te dekken, die drie donkere raamgaten,
+eerst met de gelige ophaalgordijnen, die zakten met
+lammerige schokken, en daaroverheen de zware donkerplooiende
+overgordijnen. En toen ook de ramen
+muur geworden waren, ging hij naar de tafel, voelend
+dat achter en voor, naast en onder en boven
+hem muren waren en dat hij alleen was. Alleen in
+de stilte. En hij draaide &rsquo;t licht wat hooger op, en
+kuchte uit behoefte aan geluid. Toen zag hij al de
+dingen nog scherper in hun verstijfde onbewegelijkheid,
+en de boekenkast kraakte. Hij schrok en rilde<span class="pagenum"><a name="Page_20" id="Page_20">[20]</a></span>
+licht, maar dat was van de kou, dacht hij; want &rsquo;t
+was heel kil op zijn kamer; de kachel stond nog niet.</p>
+
+<p>Hij bleef weer aan de tafel staan, nam een paar
+boeken op, bladerde er in en gooide ze weer neer.
+Hij vond dat verkleeden altijd zoo vervelend......</p>
+
+<p>Buiten ging dof rommelend de tram voorbij, gedempt
+klonk &rsquo;t koperen geluid van de schel, al verder......
+En &rsquo;t was weer stil......</p>
+
+<p>Toen deed hij de deuren van zijn alkoof open,
+die met behangsel beplakt waren, dat schuurde langs
+&rsquo;t kleed toen zij opengingen. Er viel nu ook wat licht
+in de alkoof en hij zag zijn ijzeren ledikant staan,
+zijn waschtafel en &rsquo;t houten kastje waar zijn linnengoed
+in lag. Daar ging hij naar toe en haalde
+zijn sleutelring te voorschijn, die dof rammelde langs
+&rsquo;t hout toen hij een la opentrok. Hij nam er wat
+schoongestreken linnen uit en de lucht daarvan en &rsquo;t
+betasten gaven hem een nieuwe droomenvolte, een
+nieuwe stemming, een vaag herdenken van vroeger
+gaan naar feesten en van koud en ongezellig verkleeden,
+plichtmatig ruilen van warm-intieme voor
+kille, nieuwe, vijandig-vreemde dingen. Hij lei &rsquo;t linnengoed
+op de tafel en haalde uit een andere kast
+in de alkoof zijn rok, die over een stijven houten
+hanger hing met slappe mouwen als over de hoekige
+hooge schouders van een gebocheld man. Hij lei zijn
+zwarten rok en vest en broek over een stoel en
+haalde zijn schoone overhemd uit de vouwen en hing
+&rsquo;t er overheen, een vreemd slap doekengedoe om
+de glimmende stijve borst, een onhandig, onmogelijk
+ding, dat hoekig en plompverloren neerlag, als
+een zoo-maar-ergens-neergesmeten houten janklaassen.
+Toen trok hij zijn jas en vest en zijn overhemd uit
+en gooide ze over de kanapee, waar ze dadelijk
+in slordige plooien wegzakten, tot een onherkenbaar
+hoopje goed.</p>
+
+<p>Zoo, in zijn onderkleeren, waar zijn hals vreemd
+naakt uit kwam steken, nu geen heerehals meer,<span class="pagenum"><a name="Page_21" id="Page_21">[21]</a></span>
+maar een stuk bloot mannelijf, dat kalvrig-nuchter
+afstak bij &rsquo;t hoofd, dat nog wel &rsquo;n heerehoofd was,
+met netjes opgestreken haren en snorren, zoo ging
+hij zijn handen staan wasschen, ze in &rsquo;t water stekend
+tot over de benig-magere polsen, wat hem weer
+deed huiveren van kou. Hij haastte zich, al door zenuwachtig
+rillend, en op zijn borst en achter, tegen
+zijn rug, voelde hij de kille lucht als een tocht. Vlug
+droogde hij zich af en trok toen ook, met snelle
+handige rukken, zijn beenen uit de warme donkerte
+van zijn broek en schoot de stijve, scherpgevouwen
+pijpen van zijn kamgaren rokbroek aan. Daarop
+begon hij de knoopjes in zijn schoone overhemd
+te doen, nu en dan blazend tegen zijn vingers, die
+peuterend aan die knoopjes blauwden van kou. Toen
+&rsquo;t af was trok hij &rsquo;t gekke, eigenwijs armzwaaiende
+ding over zijn hoofd en &rsquo;t flodderde en zwabberde
+om hem met een scheurend geluid en schokte en
+plooide en rondde zich om &rsquo;t lijf, &rsquo;t beheerschend
+nu met zijn brutaal-blinkend helle wit zoodat de been-enden
+er lummelig onderuit kwamen. Maar toen begon
+hij &rsquo;t wit te bedekken met stukken dofzwart, die er
+omvielen in keurig-kantige lijnen, zoodat &rsquo;t witte geblink
+alleen van voren bleef, rustig nu liggend, stil-deftig
+als &rsquo;n bevroren stadsgracht, ingesloten in &rsquo;t
+warme zwart. En met ieder stuk kleeren ontkilde en
+vervroolijkte zijn stemming en hij begon zich netjes
+te vinden, weer heelemaal heer; hij kreeg er weer
+plezier in; dat vol-zijn van overmoedige schitterlust
+kwam terug met frissche scheuten. Intusschen was
+zijn juffrouw komen kloppen en had geroepen dat de
+vigilante er was, en dus haastte hij zich nog meer, de
+voorwerpjes bijeenzoekend, die hij noodig hebben zou,
+zijn hoogen hoed opstrijkend, dien hij daarna &mdash; als
+voorloopig &mdash; schuin op zijn hoofd zette. Zijn handschoenen
+stak hij in zijn zak en bedacht zich toen
+even, stil-bedaard op de tafel leunend, of hij niets vergeten
+had. En terwijl hij zoo staande droomerig voor<span class="pagenum"><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span>
+zich keek, zag hij zijn kamer in eens met een nieuwen
+blik, in een aardig-scherp licht, als door een stereoscoop,
+met al de prentjes en de pulletjes zoo precies en
+intiem, en hij voelde in-eens lust om er te blijven zitten,
+met een boek, en dan de vreemde sensatie te hebben
+van daar op zijn eigen kamer te zitten in galakostuum,
+tot verbazing van de meubels en de dingen
+aan de muren. Maar hij deed &rsquo;t natuurlijk niet, hij
+nam zijn overjas van den kapstok en draaide &rsquo;t licht
+uit en ging weg, zijn kamerdeur achter zich afdraaiend,
+en hij daalde rechtop de oude trap af, zich voornaam
+voelend als een prins, die afklimt in een ellendige
+kelderwoning. En snel wipte hij over &rsquo;t trottoir
+en in de vigilante, waarbij hij zijn hoed stootte, terwijl
+hij den koetsier toeriep waar hij heen rijden moest,
+&rsquo;n bekend huis-voor-feesten op de Keizersgracht.</p>
+
+<p>In &rsquo;t rijtuig was een vochtige, duffe kilte, nog
+kouder dan daarnet op zijn kamer (hij dacht er even
+aan terug met een gevoel van genegenheid) en de
+raampjes rinkelden en rammelden naar-hard bij &rsquo;t
+schokkend rijden over de hobbelige straat. Hij zat
+te vloeken tegen vigilantes, zijn hoed weer opstrijkend,
+en begon toen langzaam zijn handschoenen over
+zijn halfverkleumde vingers te duwen. Toen hij klaar
+was streek hij met een mouw van zijn overjas wat wasem
+van &rsquo;t eene raampje en ging naar buiten zitten
+turen, naar de vreemd-bewegende koppen van de
+menschen in &rsquo;t rosse avondlicht, zacht sissend tusschen
+zijn tanden een wijsje, dat hij zelf niet hooren kon
+door &rsquo;t geratel en de straatgeluiden.</p>
+
+<p>Met &rsquo;n schok stond &rsquo;t rijtuig stil in de file. &rsquo;t
+Stond wachtend stil, schokte rommelend &rsquo;n endje naar
+voren, stond weer stil en wachtte, en dat deed &rsquo;t nog
+een paar maal. Tot hij, door &rsquo;t opnieuw morsig bewasemde
+raampje turend, twee gebogen meisjesfiguren
+in lichte sorties zag komen uit &rsquo;t rijtuig dat
+voor &rsquo;t zijne stond; en hortend en stootend schoot de
+doos, waar hij in zat, nu tot onder de luifel, die<span class="pagenum"><a name="Page_23" id="Page_23">[23]</a></span>
+de breede stoep overkapte. Met een ruk werd zijn
+portier opengegooid en hij voelde zich er uitkomen
+in een golf van nattig-kille buitenlucht. &bdquo;Niet
+terugkomen!&rdquo; riep hij den dikgeduffelden koetsier toe,
+hem vlug &rsquo;t fooitje toereikend, dat hij klaar gehouden
+had en meteen ging de deur open en verdween
+hij in den lichten buik van het groote donkere
+Keizersgrachthuis.</p>
+
+
+
+
+<h2>III.</h2>
+
+
+<p>Eerst naar de garderobe om zijn hoed en overjas
+af te geven. Die was achterin de marmeren vestibule;
+&rsquo;t was daar ook al kil, kelder-kil; de gekuitbroekte
+kelners, dikke bejaarde mannen, en de dienstmeisjes
+van mevrouw, opgeprikt, in &rsquo;r Zondagsche
+japonnen en witte garen handschoenen, en gestreken
+mutsen met stijve witte strikken onder de kinnen,
+deden strak-deftig en fluisterend hun werk. Een
+paar heeren-gasten, jonge menschen, trokken heel
+langzaam met quasi-luchtig glimlachende gezichten
+hun handschoenen aan en drie jonge meisjes stonden
+vluchtigjes te schikken en te plukken aan kapsels en
+japonnetjes en te ginnegappen, zacht, zenuwachtig
+fluisterend met kleine gilletjes, terwijl &rsquo;n statige grijze
+ma, wachtend, gereed om naar binnen te stappen, hen
+zwijgend opnam door haar hoornen lorgnon.</p>
+
+<p>Bernard kende ze niet. Hij bewoog zich met een
+onverschillige kalmte. Hij was dadelijk geholpen en
+klaar. Maar &mdash; gaande, geluidloos, over den dikken
+looper naar de deur van de zaal rechts, de ontvangzaal &mdash; hoorde
+hij &rsquo;t gegons van het feestgezelschap
+en voelde hij zich wat beklemd worden, in-eens
+scherp wetend, dat hij daar dadelijk binnenkomen
+zou en dat veel menschen, die dat al achter den rug
+hadden, die al binnen waren, veel nare wereldwijze
+dames en heeren, naar hem kijken zouden, en misschien
+even lachen of een opmerking maken over niets,
+over een grooten of een kleinen stap, de houding<span class="pagenum"><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span>
+van een arm, over een naar voren hangend vlokje
+haar........</p>
+
+<p>En toen de deur openging, en &rsquo;t gegons snel opklaterde
+tot druk gepraat en gelach, en de lichte
+zaal in eens over en om hem was in helle schittering
+van spiegels en pracht van kleuren, en de feestmenschen
+daar stonden, rustig poseerend, lieverig
+glimlachend, in groepen, aan weerskanten van het
+pad dat naar de gastvrouw voerde, toen werd het
+erger en voelde hij iets van angst, iets belemmerends;
+&rsquo;t duurde maar een oogenblik, want hij stapte met een
+erg ernstig gezicht vlug door, recht tusschen de menschen
+door, naar de vriendelijke oude dame, de gastvrouw,
+die hem allerhartelijkst verwelkomde. En hij
+gaf ook een hand aan den gastheer, een beursman, een
+vrind van zijn oom, een goeden bekende; en rondkijkende
+voelde hij zich toen dadelijk bedaard worden,
+want eigenlijk waren &rsquo;t bijna allemaal goede vrinden
+en kennissen. Daar hadt-je Sam en André, Hendrik,
+en Hugo en Kees. En aan den anderen kant, bij de
+meisjes, daar stonden Betsy en Marie en Jo en Lize en
+Doortje......</p>
+
+<p>En &rsquo;t dikke kleed was wollig en week, zoodat stappen
+geen geluid gaven, en overvloedig avondlicht lag
+wijduit van de zware kristallen kronen, die schitterden
+als reusachtige bouquetten van licht, warm wijduit
+over &rsquo;t diep-donkerrood van wanden en sofa&rsquo;s en over
+de glanzende kapsels van meisjes en vrouwen en het
+dofdonzige, luchtig gepoederde vel van haar halsen en
+armen en over den kleurenrijkdom der lichtende zij-golven
+en de rustig-matte tinten van tulle en kant.</p>
+
+<p>De mannen stonden bijeen in groepen als compagnieën
+feestsoldaten in hun zwart-en-wit uniform, verbroederd
+door die eenheid van kleedij, verschillend
+alleen in lengte en statuur, en in hoofden die ze
+droegen boven de glimmende witte halsboorden, intelligente
+en domme, nobele en ordinaire hoofden.</p>
+
+<p>Hier en daar ging zoo&rsquo;n zwart-en-witte tusschen de<span class="pagenum"><a name="Page_25" id="Page_25">[25]</a></span>
+veelkleurige japonnen en spraken de goedig grijnzende,
+wijsdoende mannenhoofden tegen de zelfbewuste, pretentieuse
+meisjeshoofdjes, en ook stonden kale en
+witte koppen kraaklachend gekheid te maken met de
+jonge meisjes, terwijl de oudere dames, met &rsquo;r dikke
+grijze haartoeten en stroef-lieverig geglimlach zich bijeengeplant
+hadden, rechtop, deftigdoend en neigend
+met waardigheid de gewichtige hoofden. Soms was
+er een geluid van gemaakte, onnatuurlijke stemmen,
+geaffecteerd welwillend, gewild voornaam, waarover
+dan weer frisch als &rsquo;n emmer water een prettige open
+schaterlach of luid gepraat op eenigen afstand tusschen
+een paar goede vrinden. En de avond-warme lucht,
+doorgeurd, doorzoeld van velerlei parfumerie, wekkend
+weeke gedachten aan vrouwen-intimiteit en,
+nauw merkbaar, van onderop, het zijïge ritselen van
+rokken als gefluisterde beloften van weelde en heimelijk
+genot.</p>
+
+<p>Bernard, nu heelemaal rustig en slagvaardig, ingeleefd
+in &rsquo;t bal-bestaan, ging van den een naar den
+ander, vrinden en vrindinnen aansprekend, en liet
+zich voorstellen aan onbekenden, altijd gereede luchtige
+praatjes vindend in zijn bedaard hoofd, waarin
+het diepere gesoes nu als verdoofd, als sluimerend
+was, weg in de zware slagschaduw van het feestlicht.</p>
+
+<p>Zoo, al gaande tusschen de menschen, kwam hij
+ook tegenover Betsy Franck te staan en dat was een
+blijde ontmoeting, een hartelijk handengeven en vroolijk
+elkaar in de oogen kijken. Vroeger, vier, vijf jaar
+geleden was Bernard erg verliefd geweest op Betsy
+en zij had hem ook graag mogen lijden, maar ze was
+toen zeventien, hij amper twintig; &rsquo;t was niets geweest,
+een onvolwassen, vluchtig gevoel, een kalverliefde. Zij
+was toen naar een Londensch kostschool gegaan, en
+hij had gereisd en &rsquo;t altijd druk gehad, terwijl ze weg
+was, en toen ze terug was gekomen hadden ze allebei
+gemerkt dat &rsquo;t uit was. Dat was in &rsquo;t eerst een beetje
+pijnlijk geweest, ze waren een poos wat stuursch en<span class="pagenum"><a name="Page_26" id="Page_26">[26]</a></span>
+kort tegen elkaar gebleven en de een was den ander
+liefst uit den weg geloopen in een niet-te-verdedigen
+gevoel, een mengsel van schaamte en rancune, maar &rsquo;t
+was of ze gelijkertijd beiden &rsquo;t onnoodige en onzinnige
+van zoo&rsquo;n ietwat vijandige houding hadden gevoeld; &mdash; &rsquo;t
+was ook immers niets geweest, wat geflirt en gedweep
+op wandelingen in lichte lentedagen, wat gespeel
+en gestoei in zoele zomeravonden en toen een
+kort afscheid en één enkele blik van aarzelende teederheid;
+&rsquo;t was niets geweest, niets! &mdash; dat hadden ze
+in-ééns allebei begrepen en toen waren ze goede vrinden
+geworden, vertrouwelijk en hartelijk en prettig-gewoon
+met elkaar en over vroeger spraken ze nooit
+meer.</p>
+
+<p>Maar soms als hij bij haar was voelde Bernard
+nog wel wat &rsquo;t was geweest, dat hem toen zoo bekoord
+had, dat zachte, goeddoend zachte, dat troostende, opwekkende
+zachte, in de oogen en de trekken van den
+mond en in de stem vooral, de hartelijke warme stem,
+en dan dat vroolijk-reine, hoog-onschuldige, wat je
+aandoet met een gevoel van ridder-zijn, van willen
+verdedigen &rsquo;t teere goede tegen &rsquo;t felrobuste booze, en
+hij voelde &rsquo;t met weemoed, want de bekoring was nu
+niet sterk meer, en zeker lag dat aan hem, zeker was
+hij minder vatbaar voor indrukken van het goede, was
+hij zelf minder goed, onreiner geworden. Hoe kwam
+&rsquo;t anders, dat hij haar zachtheid nu dikwijls zoetig,
+wee-lieverig, overdreven, sentimenteel vond, dat haar
+goedhartige belangstelling in alle menschen, in al wat
+er met hen gebeurde hem nu soms wat wrevelig
+maakte en geneigd tot ruw-cynisch plagen. Met weemoed
+herdacht hij in zoo&rsquo;n oogenblik zijn geloof aan
+de echtheid van dat lieve doen en voelde hij zich ouder
+geworden en leelijker....</p>
+
+<p>Hij had haar gevraagd, met een plagenden glimlach,
+of ze André al wel gezien had, waarop ze, ook
+lachend, met een zoet-klagend stemmetje geantwoord
+had: &bdquo;Ja, maar hij schijnt niet naar me om te kijken<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span>
+van avond&rdquo;, en nu stonden ze te praten, intiem, over
+de partij en de menschen, en waren nog samen toen
+een geritsel kwam en opgeschuif in de zaal, de menschen
+drongen op in veelhoofdige rijen aan weerszijden
+van de deur, zoodat er een breed pad open
+kwam naar &rsquo;t partij-gevend paar bruidsouders. Er
+naderde geluid van korte bevelen uit de vestibule,
+en in de groote zaal, die aan de ontvangzaal grensde,
+was in-eens hoog opgegier van strijkmuziek; de menschen
+verstomden. En toen hoorden ze dat &rsquo;t het
+bruidskoor uit Lohengrin was en keken ze allemaal
+naar de deur, die openging nu. Vier heel jonge bruidsmeisjes,
+die zongen met zenuwachtige zwakke stemmetjes,
+kwamen binnen en in hun midden het bruidspaar.
+De blonde bruigom, blij stappend, met een lachend
+gezicht, overmoedig en vierkantig doend om
+zich goed te houden, en de bruid, de witte bruid,
+wat bleek, wat schuchter, lachend met de oogen alleen
+tegen de menschen-gestalten waar ze ruischend langs
+ging. En &rsquo;t glundere moedergezicht hun tegemoet en
+de vader ook, pogend zijn verlegenheid te verbergen
+met een joviaal air van zijn schuin-achterovergegooiden
+kop en een armgebaar van gulheid, en toen
+een gezoen en gelieflach en een algemeen luidruchtig
+gedrang om hen heen, een druk groeten en handen
+geven........</p>
+
+<p>In &rsquo;t gedrang toen ze binnenkwamen was Betsy
+voor Bernard komen te staan. Ze was kleiner dan
+hij. Vlak voor zijn mond en neus waren haar dof-glanzende,
+bruine haren, haar zacht geurende haren,
+achterop het hoofd samengedraaid in een wrong, zooals
+de oud-Grieksche vrouwenbeelden &rsquo;t hebben. En
+iets verder, schuin onder zijn kin, was &rsquo;t poezelzachte,
+warm-fluweelige vel van haar hals, rustig liggend, als
+een zonnig blank meer, in de strakke spanning van de
+blauwzijden japon, die, rond-uitgesneden, opstreefde
+aan de schouders, de weeke, innige rondingen verbergend
+onder groote blauwe strikken. Fijntjes kroesden<span class="pagenum"><a name="Page_28" id="Page_28">[28]</a></span>
+aan den week-bleeken bovenhals de lichte jonge haren,
+die te kort waren om meegenomen te worden in den
+wrong.</p>
+
+<p>Hij had er half-bewust van genoten; de geur van
+haar lijf had hem licht bedwelmd en even had een
+gevoel van onrust en nerveus verlangen hem doorhuiverd,
+toen ze, met &rsquo;n eenvoudig gebaar den ritselenden
+rok van den grond tillend, haar blooten bovenarm,
+den donzigen ronden arm tegen zijn mouw aangebracht
+had.</p>
+
+<p>Maar bij de begroeting van &rsquo;t bruidspaar verloren ze
+elkaar en toen werden er dadelijk balboekjes uitgedeeld
+en begon ook Bernard zijn afspraken te maken,
+slank gaande door de menschengroepen, van
+Marie naar Jo, en van Jo naar Lize, en van Lize naar
+Ada, en hij werd voorgesteld aan een juffrouw van
+Keppel. Mimi heette ze. Die gaf hem de eerste lanciers
+en hij wist dadelijk dat hij dien heelen avond, en
+veel volgende dagen misschien, verliefd op haar zijn
+zou. Snel &mdash; als in een stijf-deftig gezelschap een
+plotselinge lust tot dwaas doen &mdash; was die aandoening
+in hem opgeschokt. Kwam &rsquo;t door haar oogen,
+de wijd-open, brutale spot-oogen, van een vreemd
+groenachtig-blauw en helwit, oogen die altijd lachten,
+spotlachten, kwam &rsquo;t door haar mond, den ferm
+geslotenen, pittig hoekenden mond, kwam &rsquo;t door de
+rechte figuur, die elegant was zonder buigzaamheid,
+of door de stem, ja door de stem zou &rsquo;t komen, dacht
+hij, want die was heel bizonder, zwaar, grof, vol harde
+rauwe klanken; ze sprak vlug, de woorden afkauwend
+met &rsquo;n energieke positiefheid, zonder slepen of hakkelen,
+ze liet de r schor uit haar keel komen en de s
+siste scherp tusschen de dan even glinsterende tanden.
+Er was niets melodieus in die stem en Bernard
+herinnerde zich nu ook hoe hij wel door andere meisjes
+over haar had hooren praten, met een zekere
+vrees, als van &bdquo;dat meisje met die mannenstem&rdquo;. Maar
+hem had ze bekoord, dadelijk, en &rsquo;t was ook haar<span class="pagenum"><a name="Page_29" id="Page_29">[29]</a></span>
+stem niet alleen, en ook niet enkel de wellustig-benauwende
+odeur waarmee ze zich geparfumeerd had,
+&rsquo;t was zij, zij heelemaal, zooals ze daar stond met het
+room-blanke hoofd boven &rsquo;t dofgroen van haar mousselinen
+baljapon, het fiergedragen hoofd overhuifd met
+een glanzing van rosblonde haren. Ze had iets wilds,
+iets ongetemds, iets brutaals en kwajemeidachtigs,
+maar toch was ze &rsquo;n dame. Ofschoon niet mooi, had
+ze iets onbeschaamd-overmoedigs, als voelde ze zich
+koningin van &rsquo;t bal. Hij vond haar ontzettend pikant.</p>
+
+<p>Ze scheen ook al gemerkt te hebben dat ze Bernard
+gecharmeerd had, want telkens als hij later naar
+haar omzag, keek ze hem aan, spotlachend en brutaal.
+Van haar was hij naar Doortje Post gegaan, die een
+vroolijk-open kindersnoetje had, ronde wangen en een
+opwippend bovenlipje. Hij vond Doortje anders altijd
+allerliefst, maar nu.... ocho...... &rsquo;n goedig kindje,
+onbeduidend. En Betsy sprak hij weer aan en vroeg
+haar een polka-mazurka, want met zulke zware meisjes
+danste hij liefst een rustige polka-mazurka, en &rsquo;t viel
+hem van avond al bizonder op, zoo zwaar als ze geworden
+was, Betsy; voor haar staande dacht hij oneerbiediglijk
+aan een van de weldoorvoede konijnen van
+zijn oom in Hilversum, dat eene, dat donzige witte, en
+zich in-eens herinnerend zijn vage emotie van zooeven
+toen hij bij haar gestaan had in &rsquo;t gedrang, kon hij zich
+die niet begrijpen en lachte hij zich uit in zijn ziel. En
+omkijkend zag hij ook Mimi lachen met de houding
+van een prinses en de oogen van een fabrieksmeid.</p>
+
+<p>En onder &rsquo;t buigend verder gaan van Betsy naar
+Frieda, die stijve strakke Frieda, dat mal-trotsche
+nest, en naar Anna van der Hoeven, zijn goede vrindin,
+was &rsquo;t hem of er een nieuw leven in hem gevaren
+was, waarbij &rsquo;t vorige enkel belachelijk goedig
+gedoe scheen, groen en schapig. Terwijl zijn
+mond gewoon-maatschappelijke dingen zei tegen Anna,
+stond hij zich te fantaseeren een vreemd-vrij
+bestaan, een zwerfleven, een rooversleven, een trotsch<span class="pagenum"><a name="Page_30" id="Page_30">[30]</a></span>
+gaan door bosschen en gebergten, naast hem: zij,
+zijn maitresse, gewapend, als hij zelf, met dolken
+en pistolen. En terwijl zijn hand zijn naam opschreef
+in Anna&rsquo;s balboekje voelde hij de begeerte naar
+zoo&rsquo;n wild bestaan met haar branden in zijn polsen.
+Met &rsquo;n overgegeven gemoed gaf hij toe aan den
+wellust van die fantasie.</p>
+
+<p>Maar toen nam Anna hem mee naar een meisje,
+dat, een beetje afgezonderd, bij den schoorsteen stond
+in de houding van iemand, die zich niet thuis voelt.
+Ze scheen &rsquo;n jaar of twintig te zijn. Ze zag wat
+bleek, haar oogen lagen diep in grijze schaduw. Haar
+japon was heel eenvoudig, van een roomkleurige stof
+met een breede ceintuur en een paar groote strikken
+van geel satijn. Anna sprak haar aan, op hartelijken
+toon met een zweem van medelijden. &bdquo;Lucie, mag
+ik je &rsquo;s even voorstellen: meneer Bandt,.... juffrouw
+Tadingh.&rdquo; Toen ging ze weg en Bernard maakte,
+met mondainen glimlach, zijn buiging, een overdreven-diepe
+buiging, maar toen hij Lucie aankeek,
+schaamde hij zich plotseling. Hij voelde zich gestoord,
+betrapt. Hij voelde dat zijn galanterig doen genegeerd
+werd; die zachte, klare oogen keken recht in zijn ziel,
+met iets van verwondering en stil-diepe aandacht. En
+&rsquo;t was hem plotseling of hij droomde, of &rsquo;t niet mogelijk
+was in die zaal die oogen, dat droge pure oogenlicht. Hij
+had een oogenblik van verlammende verwarring. &rsquo;t
+Was als een visioen, een verschijning. Duidelijk voelde
+hij zich staan, in zijn balkostuum, gansch alleen op een
+stille eenzame weide, onder een doorschijnend wit-lichten
+avondhemel.... Er was vage benauwing in
+zijn droom....</p>
+
+<p>Maar met inspanning, terwijl hij even voor zich
+keek op den grond, herstelde hij zich, een muur
+van gewoon redeneerend gedenk optrekkend achter
+zijn oogen, en hij zag haar weer aan, voorbereid
+nu, zich veilig voelend, koel-bestand tegen den blik
+van haar blauw-grijze oogen, zoo zacht en goed en<span class="pagenum"><a name="Page_31" id="Page_31">[31]</a></span>
+dof-weemoedig, zoo wondervreemd contrasteerend met
+de donkere wenkbrauwen en &rsquo;t kroezige zwarte haar.
+Hij zag dat zij rood geworden was, egaal rood
+tot in den hals en over haar oogen kwam nu een
+vochtige glans, als was er een traan over gegleden.
+Nu schenen ze zacht te verwijten en te vergeven tegelijk,
+alsof ze zijn onrust begrepen had.</p>
+
+<p>Hij begon een gewoon balpraatje, over de zaal,
+over den avond, over het bruidspaar, vlug-sprekend
+maar telkens abstract, glimlachend, maar zich innerlijk
+aldoor &rsquo;n beetje ergerend over zich zelf, over
+de onbeduidendheid van zijn gepraat, en omdat hij
+zich niet heelemaal rustig en op zijn gemak voelde
+met zoo&rsquo;n doodeenvoudig meisje. Zij was zich niet
+zoo gauw meester, ze moest zich blijkbaar inspannen
+om antwoorden te vinden, en die schenen dan
+niet uit haar te komen, die scheen ze voor te lezen
+uit een denkbeeldig boek. &rsquo;t Was of ze &rsquo;t praten niet
+gewoon was. Ze klaagde dat ze weinig menschen
+kende van die hier waren. Hij zei, dat &rsquo;t altijd interessant
+was nieuwe menschen te leeren kennen, dat
+hij haar immers ook niet gekend had voor van
+avond, maar nu toch heel blij was dat ze was gekomen.
+Hij hoorde dat complimentje zelf pas toen hij
+&rsquo;t al gezegd had, en hij keek haar aan en zag dat
+er in-eens blijheid in haar oogen was, ware blijheid.
+Hadden dat zijn woorden gedaan? Toen schaamde
+hij zich opnieuw, niet brutaal genoeg om dat onverdiend
+succes rustig te aanvaarden, en hij bloosde,
+vlug-vragend naar haar balboekje, en met een quasi-ernstig
+gezicht, fronsend zijn wenkbrauwen, vergeleek
+hij haar boekje met het zijne en besprak de
+tweede lanciers, ofschoon zij verlegen protesteerde,
+zeggend dat ze dien dans niet kende. Maar hij zei
+een paar maal dat &rsquo;t wel gaan zou en boog haastig,
+&rsquo;n beetje schutterig en excuseerde zich, eigenlijk niet
+wetend waarvoor, en hij liep naar Marie van den
+Bosch, want hij hoorde de muziek van de polonaise.<span class="pagenum"><a name="Page_32" id="Page_32">[32]</a></span></p>
+
+<p>Hij voelde zich onbehagelijk gestoord in zijn lekkere
+stemming van verliefde fantasieën, hij vond dat
+hij toch ook belachelijk weinig optreden had, een
+kinderachtig totaal gebrek aan pose, en naar Mimi
+kijkend verbeeldde hij zich dat ze hem uitlachte.
+Hij begon zich vernederd en lam te voelen, een jongetje;
+hij moest al zijn best doen om niet stil te worden,
+want dat mocht natuurlijk niet, er moest gepraat
+worden, want Marie van den Bosch was een zusje
+van de bruid; er moest veel gepraat worden over het
+bruidspaar en het feest. En hij praatte zich dan ook
+langzamerhand weer in een dragelijke stemming, ofschoon
+maar matigjes geboeid door dat Marietje; zij
+was een aardige balpop, mooi, vroolijk en gedistingeerd;
+hij zou zich anders wel met haar geamuseerd
+hebben, maar nu had &rsquo;t gedartel van haar blikjes en
+woordjes niet veel vat op hem. Maar het licht in de
+danszaal en het gaan op de maat van muziek, het
+gevoel van veerkracht in zijn leden, maakten weer een
+man van hem, maakte dat hij zich weer begon te voelen
+de sterke, die haar aan kon, haar, Mimi. Telkens
+keek hij om naar haar met steels-begeerende
+blikken.</p>
+
+<p>Een lange stoet van mooi-gemaakte menschenparen
+was uit de ontvangzaal in de danszaal komen stappen,
+rustig gaande in de langzame marschmaat, zich krommende
+in de hoeken en wijduitgeslingerd nu over den
+glasgladden dansvloer. De slanke stoet schreed voort
+met princelijke passen, blij omgolfd door diepten van
+licht, door &rsquo;t alompralende feestlicht, dat zich verdubbelde
+in de spiegels en den glimmenden vloer. En
+de voorste twee reikten elkaar de hand en stilstaande
+hieven ze hun ineengeslagen handen op tot een poort,
+waar de volgenden bukkend onderdoor gaan moesten,
+om dan ook stil te staan en een poort van armen te
+maken, en zoo deden al de volgende paren, en er
+was vroolijk gegons van stemmen en gelach van
+menschen, blij zich ongestoord te mogen verlustigen,<span class="pagenum"><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span>
+zonder dat het gek stond, want ze hadden nu immers
+niets anders te doen, al hun dagelijksche getob werd
+genegeerd door dit vrije, luchtige, kinderlijke spelegaan.
+De gewichtige gezichten van de oude deftige
+dames doken lachend en rood van &rsquo;t bukken van onder
+de armenpoorten op; boven de handen lachten de
+hoofden elkaar toe, en, toen na &rsquo;t spel de stoet weer
+voortging in wijde bochten slangend door de zaal,
+waren de bewegingen losser en vlugger geworden, was
+&rsquo;t of de muziek in de leden getogen was, ze lichter
+makend en veerkrachtiger. En nog andere menuetachtige
+dansfiguren voerden de paren in optocht uit.
+Maar plotseling, met fel gekras der violen, daar ging
+de muziek in een polka over, en dat gaf rumoerige
+verwarring, de oude menschen vluchtten uit den stoet
+en zetten zich op de sofa&rsquo;s, die tegen de wanden
+stonden. Maar de jonge paren polkeerden op, aldoor
+draaiende om zich zelven als tollen die gelijkertijd
+opgezet zijn, als gezweept door de muziek en uiteen
+dwarrelend dan door de heele zaal. In grillige springpas,
+cholerisch-ongracelijk, hupten en zwierden ze
+elkander voorbij, een verbijstrend gewirwar van al
+maar verandrende kleurencontrasten. Vreemd als een
+plotselinge wilde bezetenheid, gevaren in menschen,
+die polkaroes......</p>
+
+<p>Bernard danste met Marie. Hij hield niet van die
+wilde polka-bokkesprongen, afmattend, échauffeerend
+zoo vroeg al in den avond. Gelukkig duurde &rsquo;t niet
+lang. Met af en aan snerpende accoorden kwam de
+muziek tot zwijgen, het dansen verliep in een loomen
+gang; er viel rust in de zaal; de menschen vereenden
+zich tot groote groepen in de hoeken en langs de
+wanden.</p>
+
+<p>Marie viel quasi-afgemat op een sofa en Bernard
+ging pratend voor haar staan, haar warm gezichtje
+bewuivend met haar waaier van donzen witte veeren.
+Toen kwam van den overkant van de zaal Mimi kalm
+aanloopen en vlijde zich met gratie naast Marietje.<span class="pagenum"><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span>
+Ze scheen niet te letten op Bernard, maar ging druk
+zitten praten met het zusje van de bruid, om die een
+compliment te maken over haar toilet en te zeggen
+hoe dolheerlijk ze &rsquo;t feest vond. Ze bedekte haar gezicht,
+schijnbaar achteloos, half met een zwartkanten waaier,
+zoodat het roomblanke vel er verleidelijk bovenuit
+kwam, en alleen haar oogen dwaalden soms af, schuin
+naar boven, naar Bernard, die aldoor naar haar keek.
+Haar blik was dan koud, dof-abstract, om dadelijk
+weer vreugdevol te schitteren als ze doorpraatte tegen
+Marie.</p>
+
+<p>Toen sprak Bernard haar in-eens aan, luid en wat
+bruusk: &bdquo;Hebt u altijd in Amsterdam gewoond, juffrouw
+van Keppel?&rdquo;</p>
+
+<p>Ze keerde zich naar hem, dadelijk weer met dien
+spotlach, en haar blik recht in den zijnen antwoordde
+ze: &bdquo;Ja meneer.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe vreemd, dat ik u dan nooit vroeger heb
+gezien....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och!.... u zult niet op me gelet hebben!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zou zeker wel op u gelet hebben, als ik u
+ontmoet had.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Heel beleefd van u, heel vleiend,&rdquo; zei ze met een
+leuk lachje. &bdquo;Maar ik heb toch indertijd &rsquo;s een partij
+bijgewoond waar u ook was.... U hebt toen heusch
+geen notitie van me genomen.... &rsquo;t Is ook al weer
+&rsquo;n paar jaar geleden.... &rsquo;n Koperen bruiloft!.... Betsy
+Franck was er ook, weet u &rsquo;t nog wel?.... In Odéon
+was &rsquo;t....&rdquo;</p>
+
+<p>En toen ze dat gezegd had met haar plagend
+glimlachje, keerde ze zich weer naar Marie en praatte
+dadelijk over heel wat anders, maar Bernard zei
+nog, langzaam &rsquo;n beetje blozend: &bdquo;O ja!.... o ja!....&rdquo;
+en kuchte om zich een air te geven, want hij herinnerde
+&rsquo;t zich nu heel goed; dat was nog in dien tijd
+van Betsy geweest, wat &rsquo;n jongetje was hij toen nog,
+wat &rsquo;n goed-onschuldig ventje!....</p>
+
+<p>De violen begonnen een wals te spelen en er werd<span class="pagenum"><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></span>
+geroepen: Wals!.... wals!.... En Bernard boog diep
+voor zijn dame en kreeg op zijn weg nog een blik vol
+overmoedigen spot van Mimi mee. Hij stak de zaal
+over naar Anna van der Hoeven, die dadelijk opstond,
+want ze hield dol van walsen en ze wist dat Bernard
+&rsquo;t goed deed. Ze praatten niet veel en waren onder de
+eersten, die dansten. Bernard zag Mimi nog zitten op
+die sofa, kijkend over haar zwarten waaier, en zag
+André op haar afkomen, en zag hoe ze hem ontving,
+met dienzelfden blik, dien coquetten spotblik en hij
+voelde zich in-eens jaloersch worden op André. Maar
+ze stonden op en ze dansten ook en in de snelle
+draaiing van de wals verloor hij ze uit &rsquo;t oog.</p>
+
+<p>En zich nu meer gevend aan den dans, met een
+wreveligen lust om dat meisje nu &rsquo;s even uit zijn
+hoofd te zetten, sloeg hij zijn arm wat verder om
+Anna&rsquo;s middel en begon hij zijn passen met zorg te
+maken, netjes zijn voeten zettend, zooals &rsquo;t hoort,
+om weer heelemaal dat gevoel te krijgen van correcten
+meneer, wat hij gehad had bij zijn barbier, en hij
+luisterde naar de slepende violentonen, en nu nam de
+dans hem mee en hij liet zich gaan, hij hoefde zijn
+voeten niet meer te zetten, ze gingen van zelf.
+Hij voelde zich wiegen op de walsmuziek, zoetjes deinend
+als op lange kalme golven, op zee bij zacht
+zomerweer, oprijzend en wegzinkend, aanglijdend en
+afzakkend. Anna vergat hij; hij voelde niet meer dat
+zijn arm om haar lijf lag, hij voelde haar één met hem
+in &rsquo;t gelijke maat-gaan van hun lijven; even maar
+werd hij herinnerd aan haar toen ze, als in extase,
+met moeite fluisterend, zei: &bdquo;&rsquo;t Gaat heerlijk, hé?&rdquo; De
+weelde van den dans bezat hem heelemaal, hij genoot.
+En zonder vermoeienis, van-zelf bewegend, walsten ze
+door, gedragen door de muziek, de weekslepende
+Myosotiswals; opgewonden, half-bedwelmd door den
+dans, zweefden ze, scheerden ze over den dansvloer,
+licht als een droog blad dat snel draaiende wegwaait
+over den harden bevroren grond.<span class="pagenum"><a name="Page_36" id="Page_36">[36]</a></span></p>
+
+<p>Maar eindelijk viel Anna met een schok terug in
+zijn arm. &bdquo;Ik kan niet meer,&rdquo; zei ze, lachend, licht
+hijgend, en ze vielen neer op een paar stoelen in
+een hoek van de zaal. Anna wuifde hun beiden koelte
+toe met haar waaier. Daar kwamen Mimi en André
+aan. Ze dansten goed, ze dansten heel goed samen,
+alleen ze hield haar bovenlijf wat te veel voorover,
+bijna raakte haar wang André&rsquo;s schouder. Hun voorbij
+walsten ze, draaiend, ruischend. En onophoudelijk
+zwierden andere paren aan, de heele zaal was in walsgolving,
+de muziek walste door de zaal, &rsquo;t was àl harmonie
+van klanken, licht en kleuren, de muziek
+scheen in de kleuren te zijn en de kleuren in de
+muziek. En wéér kwamen ze aan, André en Mimi;
+haar wangen gloeiden. Bernard zag even &rsquo;t genietend
+glanzen van haar oogen. Mooi was haar rank
+lijf tippend vederlicht om de zwarte figuur van haar
+danser.</p>
+
+<p>&bdquo;Ken je Mimi van Keppel?&rdquo; vroeg Bernard aan
+Anna.</p>
+
+<p>&bdquo;Of ik haar ken?.... Nou, &rsquo;k zou &rsquo;t wel denken,....
+maar al te goed....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe dat zoo?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;We waren samen op kostschool in Bonn.... &rsquo;t Is &rsquo;n
+lieverdje, hoor!.... Heelemaal geen vrindin van
+me!........&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat heeft ze daar toch voor booze dingen uitgehaald
+op dat school? Ik hoorde er alwat van mompelen,
+hier en daar....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wèl!.... Nou, jou wil ik &rsquo;t wel zeggen, maar
+je moet er nooit over spreken, hoor!.... &rsquo;t Was
+eenvoudig verschrikkelijk! Ze stal allerlei dingen van
+ons, andere meisjes, en als je haar wat dorst te zeggen
+werd ze woedend en sloeg er royaal op......
+Eén van de meisjes heeft ze een haarspeld in &rsquo;t
+hoofd geslagen.... Dat had nog heel leelijk af kunnen
+loopen....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar waarom werd ze dan niet weggejaagd?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Och, je begrijpt toch, zoo&rsquo;n directrice maakt niet
+graag standjes.... Haar vader betaalde goed, denk
+ik.... En dan had ze altijd de leeraars op haar
+hand, want die wist ze wel in te pakken, coquet nest
+dat ze is!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard lachte. &bdquo;Zoo?.... Is ze zoo&rsquo;n Carmen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou!.... &rsquo;n Echte jongensgek, wat je noemt,
+hoor!.... Maar ik zou haar niet vertrouwen als ik
+&rsquo;n man was.&rdquo;</p>
+
+<p>Weer kwamen ze aan, wandelend nu. André wischte
+zich &rsquo;t bezweete voorhoofd af. Ze fluisterde achter
+haar waaier en hij lachte hardop om wat ze zei. En
+in &rsquo;t voorbijgaan keek ze Bernard aan, een blik gloeiend
+van triomf en overmoed.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ga nu met &rsquo;r dansen,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo!.... Zeg, vooral niets laten blijken, hoor!....
+Pas op, ik zou woedend zijn!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och wel nee! Natuurlijk niet. Waar denk je aan!&rdquo;</p>
+
+<p>De muziek zweeg. Maar Bernard, gemakzuchtig,
+bleef nog zitten bij Anna. Hij zag er tegen op Mimi
+te gaan halen. Hij voelde zich wat beklemd worden;
+zou ze met André over hem gelachen hebben? Hij
+moest nog een houding zoeken tegenover haar en
+er was geen zier geest in zijn warm hoofd. Maar Sam
+kwam al naar Anna toe.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb je al &rsquo;n carré,&rdquo; vroeg Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, willen we &rsquo;r een formeeren,&rdquo; vroeg Sam.
+&bdquo;Wacht dan even nog, dan zal ik André ook vragen.&rdquo;
+En hij liep weer weg, Bernard kon nog even blijven
+zitten. Want hij kon immers Anna niet alleen laten.</p>
+
+<p>Maar gauw was Sam weer terug. Hij had met André
+en Hendrik Schot afgesproken. En hij nam Anna
+mee, Bernard aansporend met &rsquo;n: &bdquo;kom, moet jij nu je
+dame niet gaan halen?.... Je bent hier niet voor je
+plezier, gauw &rsquo;n beetje!&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard glimlachte, wat verward en verlegen, maar
+toen in-eens ernstig wenkbrauwfronsend, richtte hij
+zich op, heel recht, en liep zoo naar Mimi toe, statig<span class="pagenum"><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span>
+en met een strak gezicht, en hij boog deftig, correct en
+zwijgend.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik was al bang, dat u me vergeten zou,&rdquo; zei
+Mimi, hem aankijkend van terzij, en alvast spotlachend
+om &rsquo;t complimentje dat ze verwachtte. Maar
+hij zei alleen: Nee!.... nee!.... en geleidde haar,
+deftig stappend, naar de plaats waar de drie andere
+paren al wachtten.</p>
+
+<p>En de quadrille begon. &rsquo;t Ging keurig in hun carré.
+Hendrik Schot alleen, die er niet veel van kon, vergiste
+zich dikwijls met zijn stijve stappen en de dwaze
+draaien van zijn houterig lichaam en deed de
+anderen lachen door &rsquo;t gekke gezicht waarmee hij
+&rsquo;t dan in zijn verlegenheid goed maken wou. &bdquo;God,
+God! wat &rsquo;n hein! wat &rsquo;n hark!&rdquo; hoorde Bernard
+Mimi zacht zeggen tegen Betsy die met Hendrik danste.</p>
+
+<p>Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance
+van haar trotsch-rechte figuur aldoor hoogst
+correct bewegend, was dol van opgewonden danslust.
+Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar uit-tartende
+blikken tusschen Bernard en André. En
+André scheen onder haar bekoring, hij boog overdreven-diep
+voor haar en lachte als ze hem zoo aankeek,
+maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend,
+en deed zijn passen afgemeten en meestal
+zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem aankeek en
+keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze
+dat merkte lette ze niet meer op André, maar deed
+al maar haar best Bernard&rsquo;s blikken aan zich te
+trekken, door lichaamswendingen en lachjes. Eindelijk
+kwam het slotfiguur, de grand&rsquo; chaine. Keurig,
+als paardjes in een circus, op de uitgegilde bevelen
+van een gerokten meneer op een stoel, liepen de dansende
+dames en heeren om in hun quadrille-kringen,
+elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven
+en passief gleden de gehandschoende handen
+in elkaar. En telkens lag ook Mimi&rsquo;s hand een
+oogenblik in Bernard&rsquo;s hand. Maar elken keer, even<span class="pagenum"><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span>
+voordat die handen uiteengleden, voelde Bernard
+een licht drukje van verstandhouding, even maar,
+heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond &rsquo;t brutaal,
+maar &rsquo;t streelde hem, hij bloosde van voldoening.
+Hij begreep niet, hoe ze &rsquo;t durfde doen, maar &rsquo;t
+kostte hem inspanning koel en strak te blijven, zooals
+hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij
+zich telkens nog deftiger en voornamer in postuur en
+zijn gezicht in een quasi-stroeve plooi, bij den laatsten
+omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht in
+den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in &rsquo;t
+voorbijgaan trof hem een oogenglanzen van kanaljeuse
+verleiding.</p>
+
+<p>Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst,
+hij voelde zich zijn aandoening niet meer meester, bij
+&rsquo;t &bdquo;balancez à vos dames&rdquo; vergiste hij zich twee maal
+en toen de muziek met groote drukte overging in de
+wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi&rsquo;s leest.
+Ze dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen.
+Dat walsen met haar was anders dan met Anna.
+Dit was niet de wellust van den dans alleen, maar
+dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem
+dronken van genot. &rsquo;t Was een roes! Duizelig stond hij
+eindelijk stil; hij was bijna tegen haar aangevallen. Zij
+lachte er om en vroeg of hij daar meer last van had.
+&bdquo;Nee, anders nooit,&rdquo; zei hij. En zij lachte weer, met
+oogen die &rsquo;t begrepen.</p>
+
+<p>Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen,
+die nu, loom loopend, optrokken naar de derde zaal,
+de tooneelzaal, waar wat vertoond zou worden ter
+eere van het bruidspaar.</p>
+
+<p>Voor de dames en de oude heeren waren stoelen
+en banken aangeschoven, maar de jongere heeren gingen
+tegen de wanden staan of achter in de zaal,
+beweeglijke zwarte groepen.</p>
+
+<p>Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen
+Lize en Doortje, waar ze dadelijk druk zat te praten;
+zelf ging hij achteraan staan naast den oudsten zoon<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span>
+van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte,
+gedrongen figuur, met het uiterlijk van een eersten
+stuurman, die zijn baard pas afgeschoren heeft. Hij
+had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn rok
+zat hem slecht en hij was erg warm.</p>
+
+<p>De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen.
+Toespelingen op &rsquo;t intieme leven van doodgewone
+menschen. Meisjes die slecht verzen opdreunden
+en meneeren die hun rollen vergeten waren en
+links en harkerig deden op &rsquo;t kleine tooneeltje. Kees
+luisterde aandachtig en dus zweeg ook Bernard uit
+beleefdheid. Hij verveelde zich, &rsquo;t vormelijk applaus
+ergerde hem &rsquo;n beetje, hij verlangde terug naar de
+balzaal. Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van
+&rsquo;t presenteerblad, dat werd rondgedragen, elk een
+glas wijn namen en even aanstootten, begon Kees,
+lachend: &bdquo;Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven.&rdquo;</p>
+
+<p>O God! dacht Bernard, die ook nog! &bdquo;Zoo!&rdquo;, zei hij,
+&bdquo;zullen we &rsquo;t genoegen hebben jou ook op de planken
+te zien.... als jeune amoureux hoop ik.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O,
+&rsquo;t is een prachtig stuk, dat begrijp je; me zwager en
+ik hebben &rsquo;t zelf gefabriceerd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van
+tuinman te bedeelen,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet &rsquo;n
+beetje weten te schikken!&rdquo; En Kees lachte met zijn
+breede grijns van goedronden zeeman. &bdquo;Je hebt daar
+net met Mimi van Keppel gedanst, hè,&rdquo; begon hij
+weer, na een paar teugjes, &bdquo;hoe vind-je die?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?....
+Wèl!.... &rsquo;n Aardig meisje, geloof ik!.... Is &rsquo;t &rsquo;n
+vriendin van een van je zusters? &rsquo;k Heb haar nooit
+ontmoet bij jelie....&rdquo;</p>
+
+<p>Kees haalde zijn schouders op met een minachtend
+krullen van zijn lippen. &bdquo;Vriendin?.... Och!....
+ja!.... ze is een goeie kennis van me getrouwde<span class="pagenum"><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span>
+zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie
+je.... Maar &rsquo;t is een kat!&rdquo; zei hij, schielijk fluisterend,
+met een plotseling nijdig gezicht opkijkend
+naar Bernard, die veel langer was.</p>
+
+<p>&bdquo;Hm!.... zoo!....&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend.
+&bdquo;Pas op voor die meid, hoor!&rdquo; fluisterde hij
+weer, snel en scherp. &bdquo;Ze heeft &rsquo;t hier!&rdquo; en hij tikte
+met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den
+elleboog van zijn linkerarm. &bdquo;Hm!&rdquo; zei Bernard nog
+eens. En hij schoof wat van Kees af, een paar verwenschingen
+smorend achter zijn tanden. &rsquo;t Begon
+hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar
+kattigheid. Allemaal jaloezie, bromde hij in zich zelf.
+&rsquo;t Is een weergaasch aardige meid!.... &rsquo;n pikante....
+ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat amusanter
+dan al die vervelende schapen daar op dat
+tooneeltje, met &rsquo;r armzalig geteem over liefde en
+geluk!.... Ze weten er wat van!....</p>
+
+<p>Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend
+was, tusschen de donkerder en doffer hoofden om
+haar heen, die volle golving van rosblond haar.
+&rsquo;t Glansde als gepolijst rood-koper in &rsquo;t helle licht.
+Mooi haar toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit,
+hij wilde alleen staan. En hij keek aldoor naar
+dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet meer
+op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar
+blik weer en haar handdrukjes. &rsquo;t Waren ál warme
+wellustdroomen die door zijn roezige hersens togen.
+En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer
+opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en
+wild begeeren in hem begon te leven. Hij dacht plotseling
+aan een leeuwentemmer, die hij &rsquo;s gezien had
+bij Carré. Temmen, ja, dat is &rsquo;t, mompelde hij, haar
+temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....</p>
+
+<p>Maar in-eens hoorde hij &rsquo;n stem vlak bij zijn oor!
+&bdquo;Zeg, wat doe je toch?.... Sta je je toost voor straks
+te repeteeren?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span></p>
+
+<p>&rsquo;t Was André. Hij had hem niet aan hooren komen,
+hij schrok even en glimlachte toen, licht blozend. &bdquo;Ik
+stond maar wat met mezelf te praten bij gebrek aan
+beter,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Vervelende vertooningen, hè?&rdquo; zei André, zijn hand
+door zijne bruine haren strijkend en zich dan geeuwende
+omdraaiend op zijn hielen.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou!&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond,
+hoor!.... Wat?.... Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kindje?.... zeg maar gerust kind!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;k Geloof dat jij &rsquo;t leelijk te pakken hebt, ouwe
+jongen,&rdquo; zei André, weer lachend.</p>
+
+<p>Bernard trok een minachtend gezicht. &bdquo;Geen kwestie
+van, hoor!.... Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet
+Kees moeten hooren? Die is, geloof ik, zoo bang als
+een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor
+haar, zei hij, ze had &rsquo;t achter de mouw!&rdquo;</p>
+
+<p>Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André
+deed de menschen vóór hem even omkijken.</p>
+
+<p>&bdquo;Sst?.... sst! kerel!&rdquo; zei Bernard, zelf glimlachend.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij is patent!&rdquo; zei André. &bdquo;Nou, je hoeft er dat
+jong dan ook maar op aan te kijken!.... Zijn rok zit
+&rsquo;m of &rsquo;t een gehuurde is!.... Hij is stom ook, geloof
+ik, is-t-ie niet?&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard gaf geen antwoord, maar na &rsquo;n poosje
+begon hij weer: &bdquo;Wat zie ik jou weinig met Betsy
+van avond.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga &rsquo;k &rsquo;s
+met &rsquo;r dansen!.... kalm aan! kalm aan!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O! Wat dat betreft, ze is charming!&rdquo; zei André met
+een gebaar als wierp hij Betsy een kushand toe. &bdquo;Een
+meisje, zie je, om mee te trouwen, maar niet om zoo
+&rsquo;s een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis
+mee uit wandelen te gaan.... zooals die Mimi....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen
+met je wandelingetjes!&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk
+mee!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Met jou?&rdquo; vroeg Bernard, spottend.</p>
+
+<p>&bdquo;Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Misschien wel,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent,&rdquo; plaagde
+André weer. &bdquo;Maar je moet je haasten, hoor! Ze
+heeft me onder &rsquo;t dansen heel wat vriendelijke oogjes
+gegeven en bij de grand&rsquo; chaine telkens een allerhartelijkst
+handdrukje....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat lieg je lekker!&rdquo; zei Bernard, geërgerd.</p>
+
+<p>&bdquo;Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een
+flauwe mop zijn!.... &rsquo;t Is waarachtig waar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Opsnijderij,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de
+eerste anders lang niet zijn, hoor! Er zijn er genoeg
+die &rsquo;s met &rsquo;r uit geweest zijn.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Verrek!&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>En hij liep wat naar voren als om de vertooning
+beter te zien. Juist kwam Kees op als tuinman; er
+ging een luid-juichend gelach op.</p>
+
+<p>Bernard keek nog even op naar André, die kalm
+was blijven staan, zijn handen in zijn zakken, wiegend
+zijn lange slanke figuur op zijn hielen, leuk lachend
+stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige
+avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden
+van inwendige pret.</p>
+
+
+
+
+<h2>IV.</h2>
+
+
+<p>Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren,
+gingen de feestmenschen aan een aantal tafels, die
+in den tusschentijd klaargezet waren, in de groote
+zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf of zestien
+zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in
+rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen.
+Bernard had Lucie Tadingh aan zijn rechterhand<span class="pagenum"><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span>
+en Lize Schot aan zijn linker. Mimi zat aan een
+andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij.
+Ze zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten
+Huug, met zijn gesoigneerd uiterlijk en zijn allures van
+handig boulevardier, en Samson, ook een kennis van
+Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een
+echten oude-vrijer, een cynischen aap van &rsquo;n vent, erg
+leelijk en coquetteerend met zijn leelijkheid. André zat
+over haar, naast Betsy.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was Bernard gelukt aan &rsquo;t slot der vertooningen
+Mimi te bereiken en hij was met haar de groote
+zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met haar
+te kunnen soupeeren. En toen hij &rsquo;t kaartje met zijn
+naam had zien liggen en aan weerszijden de namen
+van Lize en Lucie, was hij erg teleurgesteld geweest.
+Mimi had &rsquo;t gezien aan zijn gezicht en ze had gelachen,
+triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook
+haar plaats opgezocht en hij had gebogen en was
+teruggegaan naar de zijne, tusschen Lize en Lucie.</p>
+
+<p>Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in &rsquo;t eerst,
+soezig luisterend naar &rsquo;t stemgegons, trachtend den
+wrevel van teleurstelling weg te praten in zich zelf. &rsquo;t
+Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu juist
+naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette
+hij haast niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich
+te herinneren wie ze ook weer was. Zij zat met haar
+rechterbuurman te praten. Ook Lize liet hij over aan
+haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend
+deed hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en
+zat wat te kruimelen en te spelen met zijn brood.</p>
+
+<p>Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en
+toen dacht hij in-eens &mdash; hij hoorde haar stem &mdash; aan
+dat oogenblik van verwarring toen Anna hem had
+voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje....
+met die zachte oogen.... &rsquo;n lief meisje blijkbaar....
+Waarmee had ze hem ook weer verlegen gemaakt?....
+Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was een eenvoudig
+meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij<span class="pagenum"><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span>
+moest haar toch &rsquo;s aanspreken.... Dat was niet meer
+dan zooals-&rsquo;t-behoort.</p>
+
+<p>Hij deed &rsquo;t ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even
+naar zijn kant wendde en hem schielijk van terzij even
+aankeek. Hij vroeg met een vriendelijke, bedaarde
+stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze zich
+goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl,
+gaf ze antwoord, ze hield er wel van, ze hield veel van
+dansen, ze vond &rsquo;t alleen maar niet prettig dat ze zoo
+weinig menschen kende. Maar dadelijk &mdash; zeker wou
+ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde &mdash; zei
+ze er bij dat dat ook heel natuurlijk was, want ze
+ging haast nooit uit, ze leefde alleen met haar moeder,
+stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had nog
+wel vrindinnen, ze kwam nog wel &rsquo;s hier en daar aan
+huis, maar natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder
+toe, die haar beste vrindin was. Bernard, wat verwonderd
+weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg vertellen
+van zich zelf, en &rsquo;t geluid van haar stem herkennend
+met onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil
+dat hij geen moeder had. Toen keek ze hem in eens
+meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien
+vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden
+was. Och! dat vond ze erg treurig. Ze wist &rsquo;t
+wel wat &rsquo;t was zoo&rsquo;n verlies, want ze had haar vader
+verloren twee jaar geleden. &bdquo;Dat moet vreeselijk
+zijn,&rdquo; zei Bernard,.... &bdquo;ik heb mijn vader ook
+niet meer..... maar ik heb hem eigenlijk nooit gekend.&rdquo;
+Ze schrok weer. &bdquo;Heelemaal niet gekend?....
+En is uw mama al lang dood?&rdquo;</p>
+
+<p>Haar stem veranderde bijna niet door &rsquo;t spreken
+over die treurige dingen. Er was niets in van &rsquo;t gewone
+teemend mede-lijden gehuichel, alleen een lichte trilling
+van innigheid en groote aandacht.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!.... al lang!&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik heb maar een heel
+vage voorstelling van me moeder,.... ik was vier
+jaar toen ze stierf.... &rsquo;k Ben toen door &rsquo;n oom en
+tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen,<span class="pagenum"><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span>
+en die hebben me opgevoed alsof ik hun eigen
+zoon was....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van
+uw mama?&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard glimlachte even, weer een beetje verward.
+Hij was verbaasd. Hij vond haar een vreemd meisje.
+Hoe waren ze toch in-eens aan zoo&rsquo;n gesprek gekomen
+aan &rsquo;n vroolijk souper op een bruiloft!......
+En waarom vroeg ze dat zoo.... Wat kon &rsquo;t haar
+schelen....</p>
+
+<p>Maar hij vond &rsquo;t niet onaangenaam. Er was een
+zachte streeling van sympathie in zijn gemoed.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel!.... ik herinner me,&rdquo; zei hij nadenkend, &bdquo;dat
+we in een breede vensterbank zaten, zoo&rsquo;n vensterbank
+met kussens, geborduurde kussens, vol met gele
+en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen
+hoek en ik in den anderen. Ze had &rsquo;n lichtgroene....
+ja, &rsquo;n doffe grijzig-groene japon aan,.... ze had &rsquo;n
+ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte oogen (bijna
+had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht,
+zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze
+vertelde allerlei vertelseltjes.... en las voor van
+Prins Vriendelijk en de prinses met de lange haren....
+Ja, dat is geloof ik &rsquo;t eenige wat ik me goed herinner....&rdquo;
+Hij zweeg en keek even droomerig voor zich
+uit, kruimelend met zijn brood. Maar dadelijk schoot
+hij weer op, want achter hem kwam een kelner staan
+met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich
+zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen
+gemaakt, waar ze allemaal om lachten. Daarop
+sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong, heel vroolijk
+meisje, &mdash; ze werd door de anderen geplaagd met
+haar opvatting van een rolletje in een van de vertooningen.
+Sam hield quasi-ernstig vol dat die opvatting
+oneindig tragischer had moeten zijn. Ze riep Bernard
+te hulp.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?....&rdquo; Bernard
+gaf haar volkomen gelijk en was dadelijk druk<span class="pagenum"><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span>
+mee in &rsquo;t gepraat over dat rolletje. Hij had juffrouw
+Lize ternauwernood opgemerkt op &rsquo;t tooneel, maar
+dat was natuurlijk geen reden om geen opinie over
+haar spel te hebben aan &rsquo;t souper op een danspartij.
+Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam erkende
+dat zijn &bdquo;aantijgingen&rdquo; monsterlijk waren en werd gestraft
+met een poenitet, en &rsquo;t chapiter was afgehandeld.
+Bernard schonk Lize en zich zelf nog eens in en
+keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel
+gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd
+recht-op. En Hugo Franck zat te lachen achter zijn
+servet, blijkbaar om &rsquo;t gepraat van André, wiens stem
+soms hoorbaar was als &rsquo;t algemeen gonzende geroes
+wat daalde.</p>
+
+<p>&bdquo;U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op &rsquo;t
+tooneel, juffrouw Tadingh,&rdquo; begon hij toen weer.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zei ze, even lachend, &bdquo;dat &rsquo;s niets voor
+mij.... Comediespelen vind ik iets verschrikkelijks....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe dat zoo?.... Vindt u &rsquo;t zoo lastig &rsquo;n rol te
+onthouden.... of?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat
+positief iets komen zeggen in &rsquo;t publiek!.... ik vind
+&rsquo;t altijd iets aanstellerigs, iets onnatuurlijks.... Of
+eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt &rsquo;t....
+Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Alleen ongewoonte!&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Mogelijk wèl, ja.... Maar &rsquo;k weet &rsquo;t toch niet,
+&rsquo;t zit geloof ik, ook in me natuur. Ik heb er altijd
+bepaald van gehouden in gezelschappen stil te zijn,
+alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen,
+zoo als-&rsquo;t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet
+u, zoo weg te zakken.... O, ik had dat als kind heel
+sterk!.... Ik weet niet of u &rsquo;t kent, dat gevoel....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja zeker,&rdquo; zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel
+van sympathie weer merkte, &bdquo;dat ken ik heel
+goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar ik heb
+me altijd verbeeld, dat &rsquo;t eigenlijk niet mocht....
+&rsquo;t Is, geloof ik, ook wel &rsquo;n beetje egoïstisch.&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Vindt u?&rdquo; zei ze, droomerig, wat verwonderd
+naar &rsquo;t scheen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap
+bent hebben de menschen recht op je, dan moet je je
+&rsquo;n beetje geven.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Heel goed,&rdquo; zei ze kalmpjes, &bdquo;als ze dan tenminste
+wat aan je hebben, als je geestig bent....
+of knap, of alleen mooi.... maar....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O!&rdquo; zei Bernard, &bdquo;en dat is u allemaal niet?&rdquo; Hij
+zei &rsquo;t &rsquo;n beetje ironisch, &rsquo;t bedoelend als gewone
+galanterie.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, &bdquo;nee,
+heelemaal niet!.... dat zult u trouwens ook wel
+zien en merken....&rdquo;</p>
+
+<p>Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van
+praten altijd voor heel ordinair hengelen naar complimentjes
+gehouden, maar zij zei &rsquo;t alles zoo zakelijk,
+zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat
+niet in hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken.
+Hij vond haar juist heel ongewoon. Hij voelde duidelijk
+dat ze veel beter was dan hij, eenvoudiger, eerlijker....
+en dan was er nog iets wat hij vaag voelde: Ze was
+wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met
+groote begrippen alleen, minachtend &rsquo;t kleine, maatschappelijke,
+en dat ongewild, onbewust.... Hij zat
+daar even over te soezen, hij dacht: zoo&rsquo;n zuster
+hebben, zoo&rsquo;n zachte verstandige zuster om mee te
+praten over alles....</p>
+
+<p>Maar Lize klampte hem weer aan. &bdquo;Maar, meneer
+Bandt, hoe vindt u dat nou: meneer van der Hoeven
+beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee!&rdquo; zei Bernard, &bdquo;&rsquo;t is rossigblond, niet
+rood! Rood is heel anders.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u &rsquo;t, meneer van
+der Hoeven!&rdquo;</p>
+
+<p>En Bernard&rsquo;s gedachten in eens weer naar Mimi.
+Hij zag haar weer zitten. Hij vond haar profiel heel
+mooi. &rsquo;t Was misschien niet zuiver mooi, volgens de<span class="pagenum"><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></span>
+eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene
+baljapon stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in
+&rsquo;t donkerrood zijn, in een granate ochtendjapon bijvoorbeeld....
+zoo&rsquo;n wijde, met soepele plooien. Wat
+had ze &rsquo;t nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk,
+dat monster....</p>
+
+<p>Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke
+oom stond op en ging toosten. Toen breidde de
+zwijging zich ook over de andere tafels uit en was
+er een poosje alleen &rsquo;t deftig-langzame preek-gepraat, &rsquo;t
+zeurige zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom.
+Hier en daar alleen aan de uithoeken der bijtafels
+onderdrukt gegichel en toen &rsquo;t uit was een verruimd
+opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen
+en geloop naar &rsquo;t bruidspaar om te klinken, een druk
+gedrang en geroep.</p>
+
+<p>Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en
+glimlachend klonken ze samen, en hij keek haar heel
+brutaal in de oogen daarbij, wat ze even brutaal
+teruggaf.</p>
+
+<p>&bdquo;Bevalt de tafelschikking u nogal?&rdquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja zeker,&rdquo; zei ze, &bdquo;u ook?&rdquo; &bdquo;Bizonder,&rdquo; zei Bernard.
+Maar haastig keek hij even om of Lucie &rsquo;t gehoord kon
+hebben, want &rsquo;t bewustzijn hinderde hem dat hij haar
+voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats
+voelde hij Mimi&rsquo;s blik nog met zekere schaamte. Er
+was iets van de geheime verstandhouding van twee
+gauwdieven in geweest.</p>
+
+<p>Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk
+een levendig gepraat met Lucie. Over boeken ging &rsquo;t.
+Hij vroeg haar of ze dit gelezen had, of ze dat kende.
+Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van
+vertellen, wat &rsquo;t was. Zij vroeg al maar door, tot hij
+zelf weer over een ander boek begon.</p>
+
+<p>En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The
+Pleasures of Life. Nee, zei hij, en vroeg ironisch glimlachend
+of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest hij
+bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in<span class="pagenum"><a name="Page_50" id="Page_50">[50]</a></span>
+dat &rsquo;t de plicht van een mensch is gelukkig te zijn.
+Was dat niet mooi? Zij haalde een paar zinnen aan
+uit het boek. Ze sprak &rsquo;t Engelsch zuiver uit en hij
+vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment
+over maken mocht.</p>
+
+<p>Toen kreeg ze &rsquo;n kleur. Nee.... nee.... dat zei
+hij er maar om.... Ze sprak &rsquo;t natuurlijk erg schoolsch
+uit, dat wist ze wel......</p>
+
+<p>&bdquo;Integendeel, ik verzeker u, u doet &rsquo;t uitstekend!....
+Ik weet &rsquo;t wel zoo&rsquo;n beetje!.... ik ben verscheiden
+malen in Londen geweest....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja?&rdquo; zei ze toen met blij stralende oogen, met
+die zelfde kinderlijk-echte blijheid weer, &bdquo;nou, dat doet
+me plezier!.... Ik houd ook veel van Engelsch....&rdquo;</p>
+
+<p>Dat laatste had Lize Schot gehoord. &bdquo;O! ik ook,&rdquo;
+zei ze dadelijk. &bdquo;Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent
+u &rsquo;t land ook? Bent u er geweest?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zei Lucie, &bdquo;ik ben er nooit geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O, ik wel!.... &rsquo;n heerlijk land!.... &rsquo;t Eiland
+Wight, hè, verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze
+doen op die groote groene velden daar, tennis, crocket,
+football....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, nou,&rdquo; zei Bernard, &bdquo;football zult u toch wel
+niet mee gedaan hebben!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes,
+natuurlijk. &rsquo;t Is heerlijk!&rdquo; En ze gingen in dien hoek
+zitten praten over football.</p>
+
+<p>Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie,
+vertrouwelijk doorpratend: &bdquo;Bent u heelemaal nooit
+op reis geweest, juffrouw Tadingh?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, meneer, nooit!.... Maar &rsquo;t moet heerlijk zijn,
+dat geloof ik wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken....
+Sommige menschen, die anders altijd even
+kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over &rsquo;n
+ander land beginnen.... Toch is &rsquo;t onze ook mooi,
+vindt u niet?.... O, ik houd zooveel van mijn Amstel
+en mijn Vondelpark, en &rsquo;n wandeling naar &rsquo;t Kalfje
+met mooi weer vind ik verrukkelijk....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_51" id="Page_51">[51]</a></span></p>
+
+<p>Bernard zei, dat hij &rsquo;t zoo zelden deed. Hij kwam
+er niet toe. Weinig tijd....</p>
+
+<p>&bdquo;Dat &rsquo;s jammer,&rdquo; zei ze, &bdquo;&rsquo;t is er zoo mooi, vooral
+in den zomer, en dan &rsquo;s middags om &rsquo;n uur of vijf,
+zes, als &rsquo;t wat koeler wordt en rustiger, als &rsquo;t water
+niet meer zoo in &rsquo;t volle zonlicht is, maar alleen van
+die smeltende goudglansen in de golfjes tegen den
+kant en op één plek &rsquo;n groote wemelende schittering....
+O, dan is &rsquo;t licht zoo mooi om de boomen
+heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan
+zoo verrukkelijk, vooral in &rsquo;t oosten, waar de lucht dan
+al grijzer en koeler wordt.... als er dan geen wind
+is,.... als ze zoo stil staan, de boomen, als ze zoo
+stil staan te wachten in de ijle lichte lucht....&rdquo;</p>
+
+<p>Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend,
+met iets van extase in haar zachte, bijna fluisterende
+stem.</p>
+
+<p>Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat
+Mimi, zich half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend
+naar hem keek. Ook André en Hugo keken naar hem
+en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam
+gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van
+hem en van Lucie. &rsquo;t Ergerde hem, hij werd wrevelig
+en warm in zijn hoofd; ofschoon &rsquo;t maar even duurde;
+de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend
+met een air van onverschillige meerderheid.</p>
+
+<p>Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten.
+Hij kreeg last van de warmte, hij werd roezig,
+abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er werd
+nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.</p>
+
+<p>Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met
+haar andren buurman te praten, en er was geen intimiteit
+meer tusschen Lucie en hem. Hij kreeg meer
+en meer &rsquo;t land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn
+kwam zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging
+hij zitten schelden op zich zelf en zich plagen met
+nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe bespottelijk kinderachtig
+was weer zijn houding tegenover Mimi. Een<span class="pagenum"><a name="Page_52" id="Page_52">[52]</a></span>
+ander zou haar &rsquo;t hof gemaakt hebben &mdash; hij kon niet
+anders dan fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd,
+jongensachtig, onzinplannen, romantisch a la opéra-comique &mdash; en
+ze lachte hem uit, natuurlijk!</p>
+
+<p>Na &rsquo;t souper werd er nog wat vertoond en muziek
+gemaakt in de tooneelzaal &mdash; er was heel weinig aandacht,
+aldoor gepraat en gelach onder de heerengroepen &mdash; en
+toen gingen ze weer aan &rsquo;t dansen; de
+tafels waren weggenomen in dien tijd.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er
+werd haast gemaakt. Bernard danste een duitsche
+polka met Frieda, deftigjes, stil, met prenterige houdingen
+en zware passen, zonder eenige animo. Van
+Frieda ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger
+maakte. Hij voelde zich vereenzaamd, niet op zijn
+gemak, dupe &mdash; en zoo warm.</p>
+
+<p>Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was
+hartelijk en prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij
+zocht tevergeefs naar een praatje in zijn dof-verwarde
+hoofd. Hij was stil, een saaie partner, bijna triestig.
+Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje,
+loog hij.</p>
+
+<p>Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer
+wat opleven; &rsquo;t was &rsquo;t genot van den dans, &rsquo;t lekkere
+walswiegen. In-eens begreep hij zelf niet waardoor
+hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon
+weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt
+jong-vroolijke kostschoolmeisje. Na den dans bleef
+hij nog wat bij haar zitten, haar levendig al-maar-door
+gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een
+paar plagende woorden, zich bewuivend met haar
+waaier. Toen ging hij Lucie zoeken, want de tweede
+lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht haar vergeefs,
+ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar.
+Ja, Lucie was weggegaan. &bdquo;Och! weetje,&rdquo; fluisterde de
+goedig-praatzieke oude dame hem in, &bdquo;ze werd door
+een kruier gehaald, &rsquo;n beetje vroeger dan de rijtuigen
+komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat<span class="pagenum"><a name="Page_53" id="Page_53">[53]</a></span>
+&rsquo;s net iets voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd.
+Maar je moet er maar niet over praten, hoor!.... &rsquo;t Is
+anders &rsquo;n lief meisje, vindt-je niet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker,&rdquo; zei Bernard, &bdquo;zeker!.... Ze schijnt wat
+stil....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze is erg stil,&rdquo; zei mevrouw van den Bosch, &bdquo;ze
+is erg stil,.... maar heel lief.... en voor haar
+moeder moet ze &rsquo;n engel zijn....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zag Samson zitten, in-z&rsquo;n-eentje, lui-achterover
+op een sofa, en hij ging naast hem zitten.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder,&rdquo; zei
+Samson.</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn dame is er van door,&rdquo; antwoordde Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar zijn er anders nog wel &rsquo;n paar disponibel,&rdquo;
+zei de ander weer, met zijn hoofd wijzend naar een
+groep oudere dames, die zich zaten te bewaaien in
+een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.</p>
+
+<p>&bdquo;Après vous,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen,
+dankje!.... ik houd van me gemak, weetje....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik mag &rsquo;t wel&rdquo;, zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Mág &rsquo;t wel! Mág &rsquo;t wel!.... Je zult me toch zeker
+niet willen wijsmaken dat je &rsquo;t voor je plezier doet,
+dat malle rondspringen!.... &rsquo;t Is natuurlijk alleen om
+&rsquo;s &rsquo;n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik zal
+niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,....
+maar op me gemak, zie je! Zonder dat afmattende
+gehuppel....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde
+er zich niet meer aan; hij luisterde er amper naar,
+hij hoorde alleen &rsquo;t gewild lijmige, vadsig-zelf-genoegzame
+van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan
+dat vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van
+menschen vlak voor hem en de gierende muziek en
+de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te voelen,
+chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was
+aan den anderen kant van de zaal, maar toch kon hij
+haar nu en dan zien. Zij lachte dan altijd en hij ried,<span class="pagenum"><a name="Page_54" id="Page_54">[54]</a></span>
+hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen oogopslag.
+Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij
+in zijn fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd
+raakte, dat zij macht over hem had, dat hij
+meer en meer verliefd op haar werd. Toch ging hij
+niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef
+naast Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.</p>
+
+<p>Samson zat opmerkingen te maken over de dansende
+menschen. &bdquo;Kijk die vent daar met dien kalen
+kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou, die
+zal &rsquo;n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z&rsquo;n
+vrouw &rsquo;s zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele,
+hahaha!....&rdquo; Maar Bernard bleef wrevelig zwijgend
+voor zich kijken.</p>
+
+<p>Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij
+danste met Jo Dalbret, een mooi, &rsquo;n heel mooi en
+gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote donkerbruine
+oogen en &rsquo;n matte, zuidelijke tint. Maar hij
+keek over haar heen naar Mimi, die met Hugo Franck
+danste. En daarna nog een pas-de-quatre, die hij had
+met Doortje Post.</p>
+
+<p>Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen
+afscheid te nemen; het werd stiller in de zaal;
+loom wandelden de paren rond. De meisjes zagen er
+moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige
+kapsels afgezakt en een beetje verward. De
+heeren werden nonchalanter in hun manieren. De oude
+dames trokken leelijke gezichten om &rsquo;t geeuwen te
+bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest
+liep op zijn eind.</p>
+
+<p>En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was,
+begonnen de menschen bij groepen weg te gaan;
+namen werden afgeroepen met ruw-brutalig geschreeuw;
+de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en
+bruigom en de gastheer en de gastvrouw stonden handen
+te geven, moe-glimlachend.</p>
+
+<p>Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de
+bruid, opgewonden door &rsquo;t dansen en door &rsquo;t slagen<span class="pagenum"><a name="Page_55" id="Page_55">[55]</a></span>
+van &rsquo;t feest, niet wetend van uitscheiden, riepen aldoor
+nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden
+slaperige gezichten, deden of ze doof waren. Maar
+plotseling, daar begon de muziek weer. Kees van den
+Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk
+speet &rsquo;t toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht
+had in zijn landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd
+had aan Mimi. Snel liep hij op haar toe. Ze
+zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met
+haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar
+dat maakte haar mooier. Plaagziek, spottend glimlachte
+ze, toen ze Bernard aan zag komen.</p>
+
+<p>&bdquo;Mag ik &rsquo;t genoegen hebben, juffrouw van Keppel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor
+dit extra-walsje al met André.... met meneer ten
+Deen afgesproken....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend
+op de onderlip en fronsend zijn wenkbrauwen. Een
+oogenblik wou hij ruzie gaan maken met André. Maar
+in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit
+moest hij er om lachen. Zoo&rsquo;n handige bliksem, zei
+hij zacht in zichzelf, ze noemt &rsquo;m waarachtig al bij zijn
+voornaam.</p>
+
+<p>Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en
+de gastvrouw en van de bruid en bruigom en gauw
+schoot hij tusschen de menschen in de garderobe door,
+hier en daar een hand gevend, een korten groet
+wisselend, en was hij uit de drukte van de vestibule,
+waar de menschen in den vochtigen tocht stonden te
+wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer
+loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend
+uit haar kappen en omgeslagen doekjes met stille,
+moeie oogen.</p>
+
+<p>En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte
+van de gracht, in de wijde nachtstilte, opnieuw alleen.
+&rsquo;t Was nog altijd datzelfde weer, dat drukkend-dampige
+weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten
+huizen van de leege, grijze gracht, en door een paar<span class="pagenum"><a name="Page_56" id="Page_56">[56]</a></span>
+uitgestorven zijstraten, waar zijn stappen vreemd-hard
+opklonken, naar &rsquo;t stille huis op &rsquo;t Rokin, waar zijn
+kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte
+stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.</p>
+
+<p>Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij &rsquo;t er
+gelaten had. &rsquo;t Was er rommelig. Hij had nu spijt
+dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar neergegooid
+had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken.
+Want nu had hij er niets geen lust meer in.</p>
+
+<p>Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou
+arriveeren......</p>
+
+<p>Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde
+&rsquo;t nog niet. &rsquo;t Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren,
+die hij nu ook uittrok, loom en rukkerig.</p>
+
+
+
+
+<h2>V.</h2>
+
+
+<p>Het kantoor van de firma Vermeet &amp; Co. in de
+Warmoesstraat was een laag vertrek op een eerste
+verdieping. Vroeger waren &rsquo;t twee kamers geweest,
+maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat
+&rsquo;t nu één langwerpige ruimte was geworden, met
+drie ramen vóór, aan de straat, en één groot vierkant
+raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats.
+In de achterkamer was de ingang voor &rsquo;t
+publiek.</p>
+
+<p>Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven
+waren de magazijnen van de firma, die handel dreef
+in allerlei goederen voor export.</p>
+
+<p>Vermeet &amp; Co. was een van de voornaamste huizen
+in sommige branches. Het was een oud, degelijk,
+soliede huis.</p>
+
+<p>Het was ook nog zoo&rsquo;n ouderwetsch huis, zeiden
+ze op de Beurs, zoo&rsquo;n huis met een onbegrensd krediet,
+maar anders geen chic. Aan luxe op &rsquo;t kantoor
+was geen geld besteed, maar er was nog nooit een
+wissel teruggestuurd of het bedrag was niet accoord
+en de trekker niet soliede geweest. De patroons hadden<span class="pagenum"><a name="Page_57" id="Page_57">[57]</a></span>
+nooit een privé-kantoor gehad, hun schrijftafels
+stonden op een halven meter afstand van de bedienden-lessenaars
+en een bezoeker kon amper een plaats
+en een stoel vinden, maar in de woonhuizen van de
+Vermeets waren altijd veel ruime kostbaar gemeubelde
+kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet,
+die kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn
+firma opgenomen had, bewoonde nu in Hilversum een
+pracht van &rsquo;n villa.</p>
+
+<p>Oud waren al de dingen op het oude kantoor.
+De lessenaars die jaar-in jaar-uit stonden te leunen
+tegen de muren, hadden een onbestemde, grauwgele
+kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude
+vlekken van inkt en andere morsigheid, onherkenbaar.
+Ook op de vale, kaalgeloopen vloerbekleeding van
+linoleum waren inktvlekken en op het hout van de
+krukken en de splinterige pooten van de lessenaars,
+en op de groote bordpapieren plakkaten, die er
+bovenop lagen ter beschutting. Onder en boven de lessenaars
+dikke liassen met, scheef er over heen, kromgetrokken
+goorgele borden, waar de grijzige en blauwige
+paperassen slorderig onderuit piekten. Op de
+borden de conventioneele allegorische voorstelling,
+nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom.
+Mercurius en Neptunus tegenover elkaar liggend, en
+om hen heen vaten en kisten en masten en zeilen,
+en in &rsquo;t midden met van die mooie krulletters [waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben]
+al de
+soortnamen van de documenten, die ze bedekten:
+facturen, quitanties, cognossementen.... Gaslampen
+met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de
+rij van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten,
+de bakken met drukwerken en de pennenhouders en
+potlooden en carletten. Houten prullenbakken in de
+schemering onder de lessenaars en in het midden van
+&rsquo;t vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen
+en anderen zakenrommel.</p>
+
+<p>In een hoek stond een groote potkachel met een<span class="pagenum"><a name="Page_58" id="Page_58">[58]</a></span>
+rossigen ronden buik en een glimmende pijp, die
+scheef langs den muur naar boven liep.</p>
+
+<p>Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest,
+beweerde de boekhouder, de eenige, die &rsquo;t weten kon.
+En het behangsel, nog zichtbaar hier en daar tusschen
+de lessenaars en &rsquo;t plafond en achter de kachel, was
+benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een
+verschoten bruin-groen, valig, donker, op drie of vier
+plaatsen opgelapt met frisschere stukken, die niet
+patroonden.</p>
+
+<p>Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee
+schrijftafels van de heeren, hun leeren, platgezeten
+armstoelen er voor en hun prullemanden er naast,
+alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.</p>
+
+<p>Dien morgen na &rsquo;t feest was &bdquo;de jonge meneer&rdquo;
+laat. &rsquo;t Was negen uur en hij was er nog niet, tot
+groote bevreemding van den boekhouder, die dikwijls
+op zijn horloge keek en &rsquo;t aan zijn oor hield, twijfelend
+of &rsquo;t soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer
+was anders nooit zoo laat. De andere bedienden zaten
+te praten en te lachen, draaiend en wiebelend op hun
+krukken, maar de boekhouder, een ernstig man,
+ergerde zich aan dat geginnegap en keek nu en dan
+knorrig om, over zijn bril heen, naar den correspondent,
+die dan toch ook al een getrouwd man was en
+zich toch niet meer zoo aanstellen moest met die
+kwajongens.</p>
+
+<p>Een van de &bdquo;aankomende bedienden&rdquo;, een jongmensch
+met dom-dik gezicht en blauw overhemd en
+boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen
+op zijn katterigheid, op te snijden van &rsquo;t aantal glazen
+bier, dat hij den vorigen avond naar binnen geslagen
+had. De correspondent hield hem voor den gek, met
+spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede
+jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een
+vies boordje zat er om te grinniken met zijn groote
+roode handen op zijn knieën, zijn magere beenen lummelig
+bengelend langs zijn kruk. De &bdquo;jongste bediende&rdquo;,<span class="pagenum"><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span>
+een klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint
+luisterde, stil, angstvallig loerend, gebogen over &rsquo;t
+copieboek dat hij registreeren moest, en als hij even
+tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik van
+den correspondent, op zijn vingers, met een platte
+liniaal.</p>
+
+<p>In &rsquo;t schemerlicht van &rsquo;t achtervertrek &mdash; &rsquo;t was een
+donkere morgen &mdash; zat nog een zesde bediende, met
+zijn ellebogen op zijn lessenaar en zijn hoofd tusschen
+zijn handen, ingespannen te lezen een viezig, verwaarloosd,
+kwalijk-riekend boek: &bdquo;De Groote Iza&rdquo; van
+Bouvier, gehuurd à één cent per dag.</p>
+
+<p>&bdquo;De baas is laat van morgen!&rdquo; zei die met &rsquo;t blauwe
+hemd na een langen geeuw. &bdquo;Ook aan de fuif geweest
+van nacht.... Hij zal &rsquo;t er nou zeker &rsquo;s van nemen!...
+Ja! dat kan <em>hij</em> doen!....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap
+opkomen. &bdquo;Daar heb je &rsquo;m?&rdquo; riep de correspondent.
+De roman werd in een la gegooid, de krukken werden
+schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam,
+zaten ze allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met
+ernstige gezichten te schrijven aan hun lessenaars.</p>
+
+<p>&bdquo;Goeiemorgen,&rdquo; zei Bernard vrindelijk. &bdquo;Morgen,
+meneer!&rdquo; zeiden de bedienden, even opkijkend en
+buigend met hun hoofden.</p>
+
+<p>Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten
+lezen en sorteeren aan zijn schrijftafel, zijn jas nog
+aan, zijn hoed nog op, een beetje achterover. Hij was
+nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag nog
+de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek
+zong nog in zijn ooren, &rsquo;t was hem of hij zijn rok
+nog aan had en zijn dansschoenen. Nonchalant, met
+een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open
+en liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet
+goed; och, hij wist dat immers allemaal wel, dat was
+die geschiedenis, dat was die kwestie.... Hij verzette
+zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat komen
+moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting,<span class="pagenum"><a name="Page_60" id="Page_60">[60]</a></span>
+de plichten, wier dreigend naderen hij vaag voelde.
+Nog even was hij man van de wereld, en nog even was
+hij ridder, droomend van zijn dame. Midden in een
+belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie
+over condities en courtage en termijnen van betaling,
+las hij driemaal een zin over, die maar niet tot zijn
+bewust denken doordringen wou, zich aldoor precies
+herinnerend een houding en een blik van Mimi in de
+quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol
+herdenken. Zijn blik dwaalde over den brief heen en
+even keek hij glimlachend voor zich uit. Maar een
+van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens
+schoot toen de kantoorstemming, &rsquo;t bewustzijn van
+moeten werken, in hem op, en hij kuchte deftig en
+fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht
+te krijgen, en las dien brief nog eens van voren af
+aan en deponeerde hem toen bij de stukken, die hij
+zelf straks zou behandelen. En vlugger las en sorteerde
+hij verder, zich inspannend om de zaken snel
+in zich op te nemen, want &rsquo;t was al laat.... God! &rsquo;t
+was eigenlijk veel te laat, hij wist niet hoe hij nog
+klaar zou komen....</p>
+
+<p>Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald
+kloppen en roepen van zijn juffrouw, moe en
+loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf beklagend,
+had hij zich langzaam &rsquo;t bed uitgeheschen. Maar
+toen hij een paar minuten had staan flodderen en plassen
+met zijn hoofd en zijn handen in &rsquo;t koude water,
+waren de lust en de veerkracht met frissche rillingen
+teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die
+overmoedige, behagelijk-verliefde stemming gevoeld,
+waar hij zooveel van hield, met dat streelend bewustzijn
+van zoo iets geheims te hebben met een meisje,
+een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding
+zonder naam, niet te zeggen met woorden,
+maar toch bestaand, werkelijk bestaand. Hij kleedde
+zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend
+zijn schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde<span class="pagenum"><a name="Page_61" id="Page_61">[61]</a></span>
+zich wel even met een gevoel van vage leegheid zijn
+sombere bui van na het souper, maar hij begreep dat nu
+niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te
+schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in
+zichzelf. Hij was toch maar niet zoo&rsquo;n gewone degelijke
+kantoorman, dapper op de Beurs en in &rsquo;t koffiehuis,
+maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist
+wel met ze om te gaan....... Die handdrukjes van
+Mimi...... dat was toch maar aardig!......</p>
+
+<p>Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht,
+liep hij naar zijn kantoor. Op straat, in &rsquo;t nuchter-heldere
+morgenlicht en de onbarmhartig wakkerschuddende
+drukte, de stads-morgendrukte van vuilniskarren
+en groentenkarren en blaffende honden en
+kinderen die naar school toe gaan, zakte zijn stemming
+weer wat en kwamen nu en dan lastige duivels van
+herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf,
+waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze
+geschenen moesten hebben, en een twijfel of &rsquo;t wel
+zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet liggen,
+een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden,
+zich wat met &rsquo;m geamuseerd kon hebben, merkend
+dat hij onder haar bekoring was. Want natuurlijk
+had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet!
+En dan was er André met zijn opsnijderij.
+Och, nonsens! die had dat maar gezegd om hem te
+plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou.
+Maar o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem
+heel leuk houden, alsof &rsquo;t niets was geweest, een grap
+voor &rsquo;n avond.... En dat was &rsquo;t dan toch ook eigenlijk......
+Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar
+nog &rsquo;s te ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog
+&rsquo;s met &rsquo;r dansen!.... God! wat &rsquo;n genot was dat!....</p>
+
+<p>Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord
+door meiden die kleeden klopten, en door allerlei
+andere straatdrukte, maar telkens weer terugkeerend
+tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij
+voor de deur van zijn kantoor. Hij had &rsquo;t wel voorbij<span class="pagenum"><a name="Page_62" id="Page_62">[62]</a></span>
+willen loopen. Dat kwam even in hem op, maar werktuigelijk
+liep hij naar binnen en naar boven, zacht
+neuriënd op de trap een walswijsje.</p>
+
+<p>Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas
+eindelijk uit en hing zijn hoed op en gaf iederen
+bediende wat hij hebben moest van de post en besprak
+&rsquo;t werk met den correspondent en den boekhouder.
+Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en
+sprak een paar reizigers en liep rond en keek &rsquo;t werk
+na van de aankomende bedienden en telephoneerde en
+stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit. Hij
+was zelfs een tijd lang met zoo&rsquo;n animo bezig, dat hij
+aan niets anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens
+met verbazing. Maar toen hij wat tot rust gekomen
+was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat soezen
+over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig,
+ongeduldig verlangen, dat droog brandde in zijn polsen
+en binnen in zijn handen, en dat beklemmend bonsde
+in zijn borst, en soms met een plotselinge verslagenheid,
+een zich niet opgewassen voelen, een dreinerig-verlammenden
+twijfel of hij wel een dragelijk figuur
+geslagen had naast André, die zoo&rsquo;n handige drommel
+was, zoo&rsquo;n leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit
+van &rsquo;n jongen met zijn losse manieren, vrij, op &rsquo;t
+brutale af, waar sommige meisjes zoo dol op zijn....
+O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te gedistingeerd
+voor om door zulke manieren geboeid te worden
+langer dan een avond....</p>
+
+<p>Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond
+haar een lief meisje, een interessant meisje.... Als
+Mimi er niet geweest was, dan zou hij misschien
+zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!....
+Of althans.... Maar nu wás Mimi er
+geweest!....</p>
+
+<p>Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat,
+en onderweg liep hij plannen te bedenken om haar
+te ontmoeten. Hij dejeuneerde in-zijn-eentje, droomerig
+peinzend op die plannen, maar hij schoot er niet<span class="pagenum"><a name="Page_63" id="Page_63">[63]</a></span>
+mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand
+dien hij kende, behalve de van den Bosch&rsquo;en. En daar
+was ze nog niet eens bizonder gezien, en veel zou
+ze er ook wel niet komen.... Schaatsenrijden?....
+Hij was geen lid van de club, hij had toch haast
+nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou
+zien; als er ijs kwam.... Eigenlijk reed hij niet
+schitterend.....</p>
+
+<p>Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in
+&rsquo;t Concertgebouw te komen.</p>
+
+<p>Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en
+hij voelde zich een beetje ontstemd en gedrukt daardoor
+toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou &rsquo;t
+misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette!
+En hij ergerde zich nu weer aan zich zelf. Waarom
+was hij ook altijd zoo laks en bedeesd in die dingen!
+Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn
+hof gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar
+heelemaal in te pakken en een afspraak met haar
+te maken of tenminste &rsquo;s gevraagd waar hij haar weer
+zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan
+hebben!.... Ba, nee! hij was toch eigenlijk een
+lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug uitgelachen
+om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk
+altijd de kaas van &rsquo;t brood eten. Hij met zijn
+droomerig doen kwam altijd te laat!....</p>
+
+<p>En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een
+droomer....</p>
+
+<p>Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had,
+maar &rsquo;t stond hem vandaag al bizonder tegen, dat
+drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten over
+zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat
+leven van maak-dat-je-&rsquo;r-bijkomt, dat hard-werkelijke,
+onbarmhartig-koude bij elkaar komen van menschen
+om gewin alleen, dat haastige gedribbel van mannen
+in &rsquo;t zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart
+zonder tranen, die vroolijkheid van jij gisteren ik
+vandaag, dat brutale lachen om bofferij, dat zuur-zoete<span class="pagenum"><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span>
+lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij
+kende verscheidene van die menschen particulier,
+toch voelde hij zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk
+ging hij weg, moe en suffig, dof-verlangend naar zijn
+kantoor, naar zijn plaats aan zijn schrijftafel, om daar
+zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu en
+dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat.
+En er kwam weinig storing. Zijn middag verliep in
+stil gewerk en stemmingen van vage treurigheid en
+onbestemd verlangen.</p>
+
+<p>Na vier uur werd &rsquo;t heel stil op &rsquo;t kantoor. Allen
+zaten ze aan hun lessenaars als geruischloos werkende
+machines, met gezichten zonder uitdrukking,
+de mondspieren slap neerhangend door &rsquo;t lange
+zwijgen. Alleen &rsquo;t jongste-bediendetje fluisterde soms,
+stil ginnegappend, met een van de aankomenden
+en nu en dan brak Bernard&rsquo;s stem de stilte met
+een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd
+&rsquo;t van tijd tot tijd wat rumoerig door geschreeuw
+achter karren met koopwaar en hei-! en ho-!-geroep
+en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan
+weer weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde
+Bernard weer des te meer hoe stil &rsquo;t om hem was.
+Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet
+meer indenken, hij begreep &rsquo;t niet meer, dat hij nog
+zoo kort geleden uren achtereen had doorgebracht in
+een wijde balzaal, doorgolfd van licht, muziek en
+kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken,
+soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar,
+tusschen de wanden van zijn saai kantoor, kil
+en kleurloos in den wegschemerenden middag. Zoo&rsquo;n
+bal was als een betoovering, hij zou &rsquo;t misschien
+voor een droom gehouden hebben, als hij niet aldoor
+had gevoeld dat vreemd-zware in zijn ziel, die lekkere
+beklemdheid, meegebracht uit die balzaal. Daardoor
+wist hij dat &rsquo;t alles werkelijkheid was, Mimi
+en die handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar
+adres op in &rsquo;t adresboek, en zat er over te soezen<span class="pagenum"><a name="Page_65" id="Page_65">[65]</a></span>
+waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen
+misschien in de Leidschestraat en gegroet worden
+en glimlachend aangesproken door leegloopers en
+rijke patsers.... verdomd!....</p>
+
+<p>En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag
+lang, ellendig lang en vervelend!</p>
+
+<p>Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was
+naar zijn tafel, verlangde hij in-eens naar de afleiding
+van gezelschap en voelde een neiging om over zijn
+verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij
+schrok, bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral
+niet doen, dacht hij, met een gevoel alsof hij op &rsquo;t
+punt gestaan had iets te verliezen.</p>
+
+<p>En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten,
+of hij verlangde weer naar alleen te zijn.</p>
+
+<p>Ze zaten in &rsquo;t café, bitterend voor ze gingen eten,
+André en Sam, Hendrik Schot en Gerrit Volle.
+Bernard groette bedaard en ging er bij zitten. Hij
+bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te
+luisteren naar de anderen, die &rsquo;t druk hadden over
+een kwestie, den vorigen dag in den Gemeenteraad
+besproken. André zat heftig, bijna schreeuwend, te
+praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd
+stond. Hij had &rsquo;t tegen Sam, die verontwaardigd keek
+en antwoordde met &bdquo;Och, wel nee!.... dan heb je &rsquo;t
+niet begrepen!.... dat was heelemaal de kwestie
+niet!&rdquo; En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren,
+maar André overschreeuwde gauw de correct
+bedwongen stem van Sam. Gerrit zat te grinneken om
+hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie,
+Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol
+aandacht, zijn jenever. En Bernard begreep in-eens
+niet wat of hij eigenlijk te maken had met die menschen
+en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk schelen,
+er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen
+wat hij voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar
+luisteren....</p>
+
+<p>Toch hield hij van die vier menschen, wel &rsquo;t meest<span class="pagenum"><a name="Page_66" id="Page_66">[66]</a></span>
+van Sam, den beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden,
+pretensieloozen scepticus, maar ook van
+André, opgewonden man van indrukken, met zijn
+oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook
+Hendrik Schot mocht hij graag, een kalmen, droog-leuken
+man-van-de-daad, joviaal zonder vertooning. En
+zoo ook, schoon wel &rsquo;t minst, Gerrit Volle. Want al
+was die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid
+te verbergen, hij was toch ook erg goedhartig, hij
+had soms iets stil-gezelligs, hij zou je nooit tegenspreken
+vooral als je hem zoo nu en dan ook &rsquo;s gelijk gaf,
+wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle
+vier en van nog veel meer jonge-menschen die hij
+gewoon was te ontmoeten, in koffiehuizen en bij zijn
+kennissen aan huis, met wie hij gewoon was vriendschappelijk
+om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want &mdash; hij
+voelde &rsquo;t nu weer &mdash; hij had maar één vrind en
+die woonde in Batavia. O, als hij Edward maar hier
+had....</p>
+
+<p>Ofschoon die kwestie, waar André &rsquo;t met Sam over
+had, nog niet opgelost was &mdash; of juist daarom misschien &mdash; keerde
+André zich in-eens naar Bernard
+met &rsquo;n luidruchtig, uitdagend vragen: &bdquo;Zoo, jongeneer!
+heb-je goed geslapen na dien avond vol dansgenot?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dankje,&rdquo; zei Bernard koeltjes, &bdquo;best, jij ook?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van
+dat aardige kindje, die Mimi!....&rdquo;</p>
+
+<p>Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat
+Bernard een strak gezicht deed zetten, en fluisterde
+Gerrit, die naast hem zat iets toe, en toen lachten ze
+beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos
+worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam
+hoe &rsquo;t hem bevallen was gisterenavond.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo.... zoo...., matig!&rdquo; zei Sam, &bdquo;&rsquo;t souper was
+nogal gezellig, vond ik, de dames waren nogal spraakzaam,
+en de wijn was goed....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee! zoo&rsquo;n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan
+vindt,&rdquo; viel Hendrik in, zijn glas neerzettend, &bdquo;dat<span class="pagenum"><a name="Page_67" id="Page_67">[67]</a></span>
+begrijp ik waarachtig niet! Dan zit-je toch véél gezelliger
+in Polen of zoo, &rsquo;n potje te whisten of te domineeren,
+wàt jij, Gerrit?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ga er nooit heen &mdash; ik bedank altijd voor
+zulke invitaties,&rdquo; bromde Volle. &bdquo;Je hebt er niets aan
+en &rsquo;t kost-je nog geld ook; &rsquo;n rijtuig, &rsquo;n paar handschoenen,
+&rsquo;n fooi, &rsquo;t komt je al gauw op &rsquo;n tientje, zoo&rsquo;n
+avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Betrekkelijk,&rdquo; zei Sam, &bdquo;als je nou houdt van
+dansen.... en je hebt niets beters te doen zoo&rsquo;n
+avond....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Heb-jij soms weer niet d&rsquo;een of anderen mallen
+streek uitgehaald, gekke Sam,&rdquo; vroeg Bernard.</p>
+
+<p>Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand
+langzaam langs zijn gesoigneerden knevel &mdash; een eenvoudig
+gebaar zonder fattigheid &mdash; en zei, met oogen
+die kinderlijk-vroolijk lachten: &bdquo;Ik?.... welnee!....
+iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen
+je?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet van niets?.... Wat was er van dien
+hoed?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O, &rsquo;k dacht dat je dat bedoelde!.... &rsquo;k heb bij
+vergissing een verkeerden hoed meegenomen,....
+later bleek me dat-ie van den ouden heer Van Daalen
+was, &rsquo;t stond er in,.... &rsquo;t was ook een hooge zijden
+en ik bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet
+had.... en die zat ook nog in den zak van me jas....&rdquo;</p>
+
+<p>Hendrik barstte in schaterlachen uit. &bdquo;God ja!....
+dat &rsquo;s waar ook!.... Was jij daar niet meer bij,
+Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw uitgeknepen?....
+Je hadt &rsquo;m moeten zien met dien hoed,....
+hij was &rsquo;m een half hoofd te groot!....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een
+quasi-ernstig gezicht opmerkte: &bdquo;O maar,.... dat
+was niets!.... &rsquo;k Heb &rsquo;m netjes aangevuld met couranten!....
+&rsquo;k Heb er vandaag den heelen dag
+mee geloopen, en op de Beurs heb ik eenvoudig even
+aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of hij soms<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span>
+bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik
+twijfelde of ik de mijne wel had......&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En wat zei-die,&rdquo; vroeg Gerrit.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden
+en zoo wat meer.... En dat ik zijn hoed ophad....
+Hij was een beetje grof.... Nou ik heb &rsquo;t ding dadelijk
+door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met
+de boodschap, dat hier meneer z&rsquo;n hoed vast was, dat
+meneer zelf straks wel kwam....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Poeh!.... dat ouwe nijdasje!&rdquo; lachte Hendrik nog.</p>
+
+<p>Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar
+de restauratiezaal, waar ze gingen zitten eten, pratend
+weer over die gemeenteraadskwestie en over de menschen
+van de partij, en over &rsquo;t nieuwe boek van
+Couperus, en over een kennis, die aan een ander
+tafeltje zat met een juffie, en over de groenten, die
+aangebrand waren, en over den kelner, die te langzaam
+was en volgens André&rsquo;s dictatoriaal decreet geen
+fooi zou hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal
+een fooi, behalve Gerrit, en daarna gingen ze
+weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met
+warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen
+en elkaar wat voor den gek te houden en schuine
+moppen te tappen.</p>
+
+<p>Sam ging &rsquo;t eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden
+om naar een soirée te gaan.</p>
+
+<p>En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in
+ruwe termen te kennen, dat hij slaap had en gauw
+naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en
+Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging
+toen naar zijn kamer. Hij stak er &rsquo;t licht op en ging
+op zijn kanapee zitten, half-liggend, met een stapeltje
+tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al
+begonnen aan een interessant artikel in de &bdquo;Nineteenth
+Century,&rdquo; een artikel over de Oostersche kwestie, en
+dat wou hij van avond uitlezen. Maar al gauw gooide
+hij de aflevering neer en ging met zijn handen in zijn
+zakken soezend voor zich zitten kijken.<span class="pagenum"><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span></p>
+
+<p>Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?....
+Hij was moe, warm-doezig en suf, hij kon
+niet goed doordenken over zijn plannen, hij voelde zich
+erg leeg en onvoldaan en lusteloos....</p>
+
+<p>Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde
+al de geluiden van de partij en van de Beurs en van
+André&rsquo;s druk gepraat dof, als op een afstand; en ook
+al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug
+in verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid....
+&rsquo;t Was hem of hij Mimi in een heelen
+tijd niet gezien had....</p>
+
+<p>Op zijn kamer was &rsquo;t stil, nacht-stil, als altijd. Met
+strakke, wijze rust keken de kamerdingen op hem
+neer. Hij voelde zich dikwijls zoo dwaas ongedurig,
+zoo kinderachtig tobberig tegenover al die stil-staande,
+stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun
+onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig
+gepeins.... wachtend.... wachtend....</p>
+
+<p>Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat
+weg, maar als hij alleen was drukte &rsquo;t hem, dat zwijgend
+wachten. En van avond benauwde &rsquo;t hem bizonder,
+werd &rsquo;t als een last op zijn borst.</p>
+
+<p>Ook buiten was &rsquo;t stil. Hij hoorde een kerkklok
+loom bonzen tien uur. De sombere nagalm hing laag
+boven de huizen....</p>
+
+<p>Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had &rsquo;t
+immers dien middag opgezocht in &rsquo;t adresboek....</p>
+
+<p>Och nee, lezen! Hij kon &rsquo;t niet van avond....</p>
+
+<p>Maar...., hij wou toch wel &rsquo;s zien dat huis waar
+ze woonde......</p>
+
+<p>En hij stond op &mdash; licht schrikkend van zijn eigen
+gestommel &mdash; en trok zijn jas weer aan en zette zijn
+hoed en zijn kraag op. En zacht loopend ging hij de
+trap weer af en naar buiten.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met
+zijn handen in zijn zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden,
+&rsquo;t gerinkel van de trambel, &rsquo;t eenzaam-zeurig
+zingen van een slenterenden straatjongen, voelde<span class="pagenum"><a name="Page_70" id="Page_70">[70]</a></span>
+hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek
+de menschen niet aan die hij tegenkwam. Hij was
+heelemaal weg nu in zijn week gesoes, hij was te
+moe om zich te verzetten, om iets anders te willen
+dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders
+te verlangen, dan naar haar.... Hij wist wel, dat
+&rsquo;t kinderachtig was en belachelijk, goed, &rsquo;t ging immers
+geen mensch aan, hij was alleen....</p>
+
+<p>Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van
+de huizen. En hij vond &rsquo;t hare, een hoog vierkant
+huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd, en zonder
+hooge-stoep. De naam &bdquo;van Keppel&rdquo; stond met krulletters
+op den post van de deur geschilderd. &rsquo;t Was
+een deur met traliewerk, waarachter matglas, zoodat je
+de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er
+lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden,
+waar zware gordijnen voor hingen. En dicht langs het
+huis gaande hoorde hij pianomuziek; een vroolijke
+melodie was &rsquo;t.</p>
+
+<p>Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant,
+schuw-vlug stappende door &rsquo;t zwak-gelige licht
+van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje staan in
+de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij
+voelde zijn hart met vreemde volheid bonzen, op naar
+zijn keel, zijn handen gloeiden in zijne wijde jaszakken.
+Maar er kwamen menschen aan en hij begreep &rsquo;t zotte
+van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting,
+want ze zou immers toch niet naar buiten
+komen op den laten avond!.... En dan nog!....
+&rsquo;t Was of hij de vrijer van de meid was!....</p>
+
+<p>En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk
+in den kraag van zijn jas.</p>
+
+<p>Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom
+liep hij de grachten af en straten door, luisterend nu
+droomerig naar de stervende geluiden van den avond.</p>
+
+<p>En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling
+van Mimi vervaagde en verder wegging, dat zijn
+gedachten telkens van haar afgedwaald waren en met<span class="pagenum"><a name="Page_71" id="Page_71">[71]</a></span>
+een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren
+die als zwakbelijnde verschijningen tegen
+het wolkenland van zijn herinneren uitkwamen; hij
+voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond
+wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig
+haken naar bevrijding van alleen-zijn, naar &rsquo;t
+samen-zijn, &rsquo;t intiemste, met een vrouw, een vrouw die
+zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven....
+Het werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen
+naar haar, de onbekende, de vrouw die hem
+lief zou hebben, naar den diepgloeienden, toch zoo
+teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking,
+o de aanraking, van haar handen, van haar
+armen, haar lippen, van haar heele lieve lijf, &rsquo;t tengere,
+&rsquo;t slanke, &rsquo;t gladde, &rsquo;t dofglanzende, &rsquo;t week-warme,
+zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. &rsquo;t Was er
+weer, droog in zijn keel en brandend binnen in zijn
+handen, dat verlangen naar bevrediging van zijn zinnen
+en zijn ziel tegelijk, in één supreem moment. Maar
+telkens vlamde &rsquo;t zinnelijk begeeren boven zijn ziels-verlangen
+uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op
+naar de hooge lanen waar zijn gedachten gingen, die
+dan verbijsterd dwaalden en tastten naar verruiming....</p>
+
+<p>En &rsquo;t verlangen greep hem in de borst en beklemde
+hem telkens wanneer in de zwak verlichte avondstraat
+een vrouwenrok langs hem ruischte....</p>
+
+<p>En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken,
+maar die uit de verte waren als een diep-weemoedig,
+vreemd-klagelijk geroep.... Toen voelde
+hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten
+nacht die de levensgeluiden doofde....</p>
+
+<p>Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige
+benauwing.</p>
+
+<p>Hij kwam weer op &rsquo;t Rokin, waar hij woonde. En
+hier kwam soms in-eens een donker-flodderige vrouwengestalte
+met schichtige snelheid recht op hem aanloopen
+en hoorde hij &rsquo;t geschuif van rokken vlak bij
+zich en kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche<span class="pagenum"><a name="Page_72" id="Page_72">[72]</a></span>
+liefkoozingsnaampjes. Dat verergerde nog zijn nerveusen
+angst en &rsquo;t deed hem aan met afschuw, dat dat
+kon, dat zoo&rsquo;n vrouw in-eens maar voor hem stond en
+dorst te lachen met haar gemeen-berekenende oogen en
+haar flemerig-vertrokken mond, dorst te lachen met een
+beestachtige gemeenzaamheid, tegen hem!.... O &rsquo;t
+platte, o &rsquo;t leelijke, gemeene, dat gniepig uit de schaduw
+kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen
+dorst.... en dreigen.... Nog haastiger liep hij
+door en hij was dadelijk verruimd en rustig-blij toen
+hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de zwijgende
+dingen in &rsquo;t stille licht, ongenaakbaar voor den
+nacht en &rsquo;t vijandige platte....</p>
+
+<p>Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was
+erg moe....</p>
+
+<p>Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen,
+schaamde hij zich een beetje over dat malle uitloopen,
+dat weeke toegeven aan zijn jongensachtig verliefd
+gesoes. &rsquo;t Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk
+zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er
+was nog zoo&rsquo;n boel anders, zoo&rsquo;n boel wat je lezen
+moest, wat je weten moest......</p>
+
+<p>Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon
+moe, heelemaal op. Hij voelde &rsquo;t nu pas goed,
+nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap en
+zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed....
+En hij sliep dadelijk.</p>
+
+
+
+
+<h2>VI.</h2>
+
+
+<p>De volgende dag was een Zaterdag. Op &rsquo;t kantoor
+van Vermeet &amp; Co. was dat een drukke dag, de
+betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in
+roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden,
+gestommel op de trap, veel stemmen, allerlei stemmen,
+en daaronderdoor het moeten schrijven van brieven,
+het doen van werk dat haast had, dat klaar moest
+voor morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder<span class="pagenum"><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span>
+denkleven, bij de zaken, bij de werkelijkheid,
+waar alle gedroom, als &rsquo;t even in je opkomt, kinderachtig,
+sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht
+even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den
+tijd had gehad om te droomen, dat hij wel wat anders
+had te doen altijd. De man was dan ook overal bekend
+om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den
+tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.</p>
+
+<p>Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken,
+kwam hij tot zich zelf, wat een weldadig gevoel was.
+Zoo eindelijk even al dat gedoe uit je hoofd kunnen
+zetten en je armen langs je lijf laten hangen, werkeloos,
+en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven
+en merken dat je trek hebt, verlangen naar versch
+brood en warme koffie. Hij herinnerde zich nu ook
+weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan in
+de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk
+bestaan met haar was geweest, en door den drukken
+morgen was zijn geestesleven opgewekt tot zoo groote
+intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies zooals
+hij haar voor &rsquo;t eerst had gezien, met dat pikante, dat
+verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie
+zoo toegenomen, dat hij er geen weg mee wist en
+een oogenblik ernstig van plan was haar morgen een
+visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten....
+haar te vragen....</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t was ook maar een oogenblik.</p>
+
+<p>Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover
+haar, zeggend dat hij haar liefhad, en vragend
+of zij hield van hem.... o! dat zou nooit kunnen,
+onmogelijk!.... En &rsquo;t zou ook immers allerdwaast
+zijn en trouwens ook heelemaal niet te pas komen!....
+Want hij had haar niet lief,.... och, wel neen, daar
+had &rsquo;t niets van....</p>
+
+<p>Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl
+wou. Hij voelde een drang naar haar en tegelijk toch
+ook een zekere vrees voor haar, hij zou bij haar willen
+zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht<span class="pagenum"><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span>
+te stellen tegenover de hare en dan te genieten van
+de overwinning &mdash; maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk
+een straatje om zou loopen, als hij haar
+plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden
+angst voor &rsquo;t ongeluk waarop, als hij er
+mee doorging, de geschiedenis uit zou loopen, en toch
+ook een verlangen naar &rsquo;t avontuur en een minachting
+voor zijn angst.</p>
+
+<p>Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd hem niet helder. En &rsquo;t was hem een welkome
+afleiding, toen hij in &rsquo;t koffiehuis waar hij
+gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond, een
+schoolkameraad, nu medisch student, al van &rsquo;t zesde
+jaar, in Leiden. Wetend dat Bernard doorgaans in
+dat hoekje kwam zitten koffiedrinken, had de student
+hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde.
+De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar
+in maanden niet gezien. Bernard liet hem uitpakken,
+zelf ook nu en dan wat zeggend over zijn leven van
+den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops,
+zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid
+van die dingen van zijn eigen dagelijksch sleurleven,
+zoo eentonig, zoo gewoon, zoo niet-de-moeite-waard in
+vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan feiten,
+aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken
+van intense emotie, rijk aan allerlei openbaring van
+weten, van kennen, van leven. Hij voelde zich een
+beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar door
+het leven. &rsquo;t Had immers ook aan hem zooveel kunnen
+hebben. Hij had daar immers bijgehoord, hij had
+immers ook student moeten zijn. Waarom had hij toch,
+zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?....
+Hij was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij
+liet &rsquo;t hem niet merken, luisterend naar zijn verhalen
+met belangstellende aandacht en opmerkingen van
+sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander,
+daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat &rsquo;t toch
+zoo jammer was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan<span class="pagenum"><a name="Page_75" id="Page_75">[75]</a></span>
+studeeren, waarop Bernard, licht blozend, glimlachte
+en zei: &bdquo;Ja!.... ja!.... och, maar dat ging nou
+niet!.... En misschien zou &rsquo;k er toch ook niet voor
+gedeugd hebben.... Ik weet niet of &rsquo;k wel een studiekop
+heb,.... &rsquo;k geloof &rsquo;t eigenlijk niet....&rdquo; Toen
+vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij zei dat
+&rsquo;t er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en
+drong er op aan dat zijn vrind, die plan had &rsquo;s middags
+naar Leiden terug te gaan, aan zijn tafel zou blijven
+eten en den avond met hem en zijn vrinden zou doorbrengen.
+Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had
+een heel geschikte kanapee.</p>
+
+<p>De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en
+beloofde Bernard te zullen komen afhalen van kantoor
+om zes uur. Want hij moest nu weg en Bernard moest
+naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door
+elkaars teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar
+de hand. En Bernard liep haastig naar de Beurs, want
+&rsquo;t was weer laat geworden.</p>
+
+<p>Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige
+zakendrukte. Hij schreef brieven, keek facturen
+na en maakte zijn kas op. Er scheelde vijf-en-dertig
+cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen &rsquo;t al
+zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar,
+oploopen kwam en vroeg of hij meeging. Toen opruimen
+en nog een paar kleinigheden afdoen, en nog wat
+zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de
+student daar al stond, leunend tegen een lessenaar in
+een beklemmende wachthouding.... Goddank! eindelijk
+kon hij de deur achter zich dichttrekken en sluiten
+en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel gaan
+drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat
+en gingen toen de anderen opzoeken aan
+hun vaste tafel op &rsquo;t Leidscheplein.</p>
+
+<p>Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en
+Gerrit, en er was ook nog een broer van André,
+zijn broer die aan &rsquo;t Ministerie van Binnenlandsche
+Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot<span class="pagenum"><a name="Page_76" id="Page_76">[76]</a></span>
+Maandag om, zooals hij zei, de peentjes &rsquo;s op te
+scheppen in Amsterdam, om &rsquo;s los te zijn, vrij en
+uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie,
+moet je zóó oppassen! Ze hebben je dadelijk hier
+gezien en daar gezien, en dat doet je dan geen goed
+in je carrière.</p>
+
+<p>Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige
+vroolijkheid. De Amsterdammers, gewoon aan vreemde
+gezichten, deden net als altijd, of eigenlijk nog wat
+nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en
+den Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven
+in een groote stad. &rsquo;t Scheen den student wel te bevallen.
+Hij was vroolijk mee-in-&rsquo;t-gesprek, maar gaf zich
+toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken
+door correctheid, door netjes doen en netjes praten
+bleef hem eigen. Maar de Hagenaar had zich dadelijk
+overgegeven, hij deed mee als had hij &rsquo;t modieus-voorname
+pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den
+kapstok laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te
+overbluffen door al boven zijn bord-soep een schuine
+mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op. Sam
+beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden
+grappenmaker dat men in Amsterdam zulke
+moppen pas bij de pousjes voordiende. De ander lachte
+luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van
+wantrouwende rancune tegen Sam.</p>
+
+<p>Er werd een goed glas wijn gedronken ter eere
+van de gasten. En zij gingen ergens anders hun koffie
+en cognac drinken, ergens waar je in gemakkelijke
+lage stoelen zat om gezellige ronde tafeltjes. &rsquo;t Was
+een niet te groot zaaltje, met aardige intieme hoeken,
+met donker behang en een hooge donkere lambriseering
+en halfsleetsch bruin leer op de stoelen en kanapeetjes.
+Het aangenaam-gedempte avondlicht viel met
+wegschemerende schaduwen, en hier en daar zacht
+geglans, rustig op de halfliggende lijven van heeren
+die hun koffie dronken. &rsquo;t Was er vol. Overal van
+die ronde tafeltjes met die rustig kletsende hoofden<span class="pagenum"><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span>
+er om heen en een gegons van mannestemmen en nu
+en dan zwaar mannengelach. En in die zwoele atmosfeer,
+vol rook en geurigen damp van koffie, deed dat
+Bernard aan met een stemming van gemakkelijk-luchtig
+van uur tot uur leven, zonder zorgen en zonder
+diep-pijnigend, aftobbend gedenk. Hij voelde zich behagelijk.
+Hij was zijn dagelijksche droomen-ellende vergeten,
+hij genoot stilletjes van zijn stoel, die was om
+niet van op te staan en van de gezelligheid en de
+lekkere koffie en de goed voorgedragen studentenmoppen.
+Ja zelfs amuseerden hem de Haagsche schandaal-verhaaltjes,
+de pikante portretjes van een gansch
+andere wereld dan de zijne, van een wereld waar hij
+zich ver van voelde, die hij minachtte, maar toch wel
+curieus vond om de ambitie en de eerzucht, die
+&rsquo;t leven daar nog scheen te geven aan sommige
+menschen.</p>
+
+<p>Lang bleven ze zoo zitten in dat zaaltje, soms allemaal
+pratend, twee aan twee, soms luisterend naar
+een, die een verhaal deed of een ui debiteerde.
+André zat zich uit te rekken en hardop te geeuwen,
+in onhebbelijke houdingen, tot ergernis van Sam, die
+hem met koddige quasi-afschuw terecht wees. Hendrik
+blies genoegelijk kringetjes voor zich uit, ze
+naoogend met een leuk air van zich kalm door de
+anderen te laten amuseeren. En Gerrit, die wat ouder
+was, die al een lang jonge-heerenleven achter den rug
+had, was haast altijd klaar om velerlei inlichtingen te
+verschaffen omtrent de menschen, die in &rsquo;t gesprek
+werden genoemd. Want hij kende veel menschen, goedig
+omgaand met iedereen, zonder ooit ruzie te maken,
+grinnekend om ieders aardigheden, waardeerend ieders
+levensopvatting, prijzend elk afgeleefd stokpaardje een
+vurig jong beestje dat hij altijd wel even streelen wou
+met een langzaam gebaar van cynische maatschappelijkheid.</p>
+
+<p>De Hagenaar lag lui achterover in zijn stoel, herhalend
+hoe gezellig hij &rsquo;t vond in Amsterdam, en dat<span class="pagenum"><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span>
+&rsquo;t &bdquo;bij ons&rdquo; zoo&rsquo;n stijve boel was. Hij gaf voor, zijn
+stadgenooten en vooral zijn collega&rsquo;s, de ambtenaars te
+haten. Hij had een nogal vermakelijk kleintalent van
+nabootsing en schoot nu en dan op uit zijn vadsige
+houding om zijn chef na te doen, die een typische oude
+bureaucraat scheen te zijn. En dat die ambtenaars-vrouwen,
+en -dochters zulke mooie kleeren dragen,
+wat ze uitzuinigen op de slagersrekening, dat vond hij
+bespottelijk! Dat den fijnen meneer uithangen en thuis
+hongerlijden. Maar zelf snoefde hij, in vage termen,
+op galante avontuurtjes met aardige snoetjes, zoo je
+eenige amusement als jongmensch in den Haag, zie je,
+maar wat je een leelijken bom duiten kost, en als
+dan Sam daar leukweg verder naar vroeg, bleek &rsquo;t
+altijd weer &rsquo;t zelfde aardige snoetje te zijn, waar
+hij &rsquo;t over had, en dat hij met kinderlijke trouw
+en goedkoope broches en armbandjes scheen na te
+loopen.</p>
+
+<p>Eindelijk stonden ze, de een na den ander, loom
+op en liepen de Kalverstraat in, slenterend langs de
+lichte winkels, telkens van elkaar afrakend in de volte,
+in de nimmer-eindende optochten van donkere mensch-figuren,
+die in de straat-engte elkaar voorbij
+togen. Woelige Zaterdagavond-drukte rumoerde tusschen
+de huizen-muren. Het gieren van meiden en
+straatjongens, &rsquo;t eentonig, onafwendbaar-telkens-terugkeerend
+gekrijsch van venters, &rsquo;t ergerlijk aanmatigend
+hei-geroep en brutale lachen van troepen opgeschoten
+jonge-kerels, die, aaneengesloten tot dichte
+drommen, slungelig doorsloften in een dreun, plotselinge
+gapingen stootend in de lam-meegevende volte,
+wijde gapingen van naakt asphalt, die dadelijk weer
+volliepen als de geul die een schip maakt in &rsquo;t water.
+En een muffe, bedompte stank, menschenlucht, zich
+mengend met de warme walmen die uit de lage winkels
+sloegen, waar de gasvlammen stonden te gloeien,
+fel onder de hittig-witte kappen, en uit de koffiehuizen,
+waar de verbruikte lucht, zwaar van tabaksrook<span class="pagenum"><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span>
+en de dampen van allerlei drank, met golven naar
+buiten drong, telkens als de deur openging.</p>
+
+<p>Bernard voelde zich weggeduwd uit zijn lekkere,
+soezige stemming van zorgeloos voortleven. Drukke
+volte in een nauwe straat benauwde hem altijd, maar
+vooral &rsquo;s avonds als de zwarte lucht zoo zwaar en
+laag hangt boven de rustelooze massa. Hij vond iets
+geheimzinnig-dreigends in dat nachtelijk gekrioel van
+wildbewegende menschenlijven, in die brutale luidruchtigheid,
+zoo dicht onder het stil-groote, zwijgend-grondelooze
+zwart. &rsquo;t Gaf hem een voorgevoel van
+naderend onheil. Het drukte hem, maakte hem stil....
+En vooral dat innig-naargeestige, helsch-machinale
+straatventersgeroep.... Hij stelde voor, naar een groot
+koffiehuis voor in de straat te gaan, hij verlangde naar
+een wijde ruimte vol licht, naar overvloed van warm
+avondlicht om zich heen.</p>
+
+<p>Zij gingen er binnen. Het voorste gedeelte, waar
+&rsquo;t donker was, zoodat de menschen, die daar zaten
+zich konden amuseeren met kijken naar de bewegende
+volte in de schemerig verlichte straat, gingen
+ze door; ze gingen achter het groote, zware gordijn in
+&rsquo;t eigenlijke van &rsquo;t koffiehuis, in de hooge lichte hal
+tusschen de wijde wanden, hel gekleurd, blinkerend
+en schitterend door &rsquo;t buffet vol glaswerk en veel
+spiegels overal; maar in &rsquo;t midden lag als een stralend
+centrum van warme gezelligheid de groote groene
+leestafel met de rustig-groen-gekapte lampen er op en
+de stapels kranten en tijdschriften in donkere porte-feuilles
+met koperen knoppen, en er om heen de
+lezende en pratende mannenhoofden, rossig verlicht.
+&rsquo;t Was vol aan de leestafel en vol aan bijna al de
+andere tafeltjes, die stonden door de zaal verspreid
+en langs de wanden, als zoovele kleine middelpunten
+van gezelligheid en intimiteit. En naar alle kanten
+ging prettig praatgegons, vroolijk stemmengeroes zonder
+rumoer.</p>
+
+<p>Ze liepen naar links, waar nog een muurtafeltje<span class="pagenum"><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span>
+vrij was. Gerrit werd in &rsquo;t voorbijgaan door een kennis
+aangeklampt, een luidruchtig man met een ruwe
+stem, die hem een stoel toeschoof en vroeg wat hij
+gebruiken zou. Hij bleef er hangen. En Sam ging
+met den Hagenaar een partij biljarten, achter, in de
+biljartzaal. Maar de anderen zetten zich aan dat
+tafeltje en bestelden bier of grog en staken nieuwe
+sigaren op, en Hendrik en André, die in dezelfde
+branche van handel waren, begonnen samen over zaken
+te praten, een quasi-gewichtig gesprek als van twee
+ambassade-attaché&rsquo;s, waarbij veel werd gefluisterd en
+geknipoogd en stil, beteekenisvol geglimlacht. Terwijl
+zaten Bernard en zijn oude vriend, zich terugdenkend
+in hun samen-zijn op het gymnasium, herinneringen
+op te halen aan leeraars, die geen orde konden houden
+of gekke gewoonten hadden, en aan hun klasgenooten
+en waar die nu allemaal gebleven zouden zijn.
+Bernard kende er nog maar een paar, de Leidenaar
+verscheiden, maar sommigen waren mislukt.... of
+weg.... of dood....</p>
+
+<p>Bernard kwam niet meer terug in die stemming van
+zorgeloos, gedachtenvrij genieten, maar hij voelde zich
+toch weer op zijn gemak. Hij was wat soezig; hij
+dacht niet scherp; hij ontving zonder weerstand de
+aangename indrukken van &rsquo;t weelderige avondlicht en
+de gezelligheid in de zaal en om hun tafeltje en van
+den hartelijken vrindentoon en de opgewektheid van
+den student. En hij proefde, als een fijne vrucht op zijn
+tong, den weemoed van die herinneringen aan zijn
+schoolmakkers.... Toch was er ook iets, dat hem drukte,
+heel licht en onbestemd, maar hij had geen tijd om
+zich rekenschap te geven van wat dat was, want aldoor
+moest hij praten of luisteren. Maar dat was &rsquo;t juist,
+voelde hij later; hij had wel graag na die oude herinneringen
+even gezwegen in stil gemijmer, en dat ging
+niet, daarvoor was hij niet intiem genoeg met zijn
+vriend den student.</p>
+
+<p>Toen &rsquo;t zakengesprek hem begon te vervelen stelde<span class="pagenum"><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span>
+André voor, een partijtje te whisten en de anderen
+vonden &rsquo;t goed. En een tijdlang waren ze nu verdiept
+in dat spel, soms minuten lang doorspelend, met zwijgende
+denkgezichten, in stille houdingen, dan weer
+loskomend in druk gepraat en gelach over een vergooide
+kaart of een mislukte invite, over snijden of
+renonce maken. Ze waren alle vier geoefende spelers,
+de Leidenaar vooral speelde fijn en vlug. Maar Bernard
+had er gauw genoeg van. Hij werd warm en suffig,
+&rsquo;t spel vorderde te veel inspanning van hem, hij
+voelde de fut om goed op te letten en slim te spelen
+wegzakken uit zijn warm hoofd. Ook was hij nu verzadigd
+van de indrukken van licht en gezelligheid, hij
+kon ze niet meer opnemen; &rsquo;t geroes om hen heen,
+&rsquo;t lachen en praten en de koffiehuis-atmosfeer werden
+hem hinderlijk. Hij voelde zich lam-loom worden, warm,
+vol en overvoldaan, en nu en dan kwam even een
+vlaag van verlangen naar de dunne kille lucht en &rsquo;t
+melancholisch-rustige half-duister van een leege straat
+met lantaarns.... Maar hij begreep dat hij nu niet
+in-eens opstaan en wegloopen kon. Dus trachtte hij
+zich maar weer te dwingen tot beter opletten en speelden
+ze nog een heelen tijd door. Maar hij was blij
+toen Sam en de Hagenaar eindelijk terugkwamen en
+de kaarten weer weggedaan werden.</p>
+
+<p>Sam hield brommend, quasi-ernstig, den Hagenaar
+voor den gek met zijn &bdquo;beroerde manier van trekken&rdquo;
+en de ander had zijn eigenwijze bemerkingen op
+&rsquo;t Amsterdamsche biljarten.</p>
+
+<p>Gerrit kwam nu ook aan hun tafeltje en bracht
+zijn kennis mee, dien hij voorstelde. &rsquo;t Was een schilder.
+Een boom van een kerel, met een rood-robust
+openluchtsuiterlijk.</p>
+
+<p>Dus zaten ze er nu met z&rsquo;n achten.</p>
+
+<p>Er werden nieuwe grogjes en glazen bier besteld
+en &rsquo;t losse gepraat begon weer, &rsquo;t levendige gooien
+met woorden door de lauwe wolk van sigarenrook,
+heen en weer over de nattige, viezige tafel, de kleffe<span class="pagenum"><a name="Page_82" id="Page_82">[82]</a></span>
+tafel-met-glazen, &rsquo;t gebabbel en gelach om allerlei
+voorvallen en allerlei menschen, en de verhalen van
+vroegere fuiven en van slimme zetten en bofferij
+en verlakkerij, en de indécente verhalen en raadsels
+en uien. Sam gaf de dingen, die hij vertelde, een
+zekere distinctie door zijn beschaafde uitspraak, door
+de détails van zijn verhalen bedaard en geduldig te
+verzorgen, zonder haasten, dikwijls afdwalend met
+allerlei koddige zinswendingen, waar hij dan zelf een
+kinderlijk dol-plezier in had. Maar André, die altijd
+alleen maar wachtte op de pikante pointe van de mop,
+vond dat flauw. Hij had &rsquo;t hoogste woord met zijn
+luidruchtige uitroepen van overdreven ingenomenheid
+of walging en met zijn aanstellerige breede gebaren
+van onafhankelijk, ongegeneerd man.</p>
+
+<p>De meeste schuine moppen waren van den schilder.
+Die lei dan zijn ellebogen op tafel, stak zijn hel-blondharigen
+satyrkop met den kroesenden puntbaard naar
+voren en fluisterde de hem toegestoken hoofden zijn
+verhaaltjes toe, dan den een, dan den ander aankijkend
+met zijn zinnelijk-guitige oogjes van levenslustigen
+lekkerbek. Hij gebruikte platte termen, ruwe
+volksuitdrukkingen zonder eenig onderscheid in stem
+of intonatie met zijn overige woorden, als wist hij
+niet, dat er zoo iets als heerentaal bestond, onverschilligweg,
+even soms met iets leuk-spottends in zijn oogen
+kijkend naar den student en den Hagenaar, zich kennelijk
+stil-verlustigend in hun verblufte verbazing.</p>
+
+<p>André schoof een poos op zijn stoel heen en weer
+van plezier en ging eindelijk zoo ver mogelijk achteruit
+zitten om lekker te kunnen lachen, wat den schilder
+deed zeggen, dat hij er bij zat als een luis op een
+leer. En Sam, Hendrik en Gerrit keken elkaar soms
+even aan en begonnen dan te lachen, onder elkaar
+pret hebbend om &bdquo;dien lolligen vent&rdquo;, dien Gerrit
+meegebracht had. &bdquo;Vind-je &rsquo;m niet typisch&rdquo;, fluisterde
+Gerrit Bernard toe, met kleingetrokken oogen
+van heimelijk, inwendig genot.<span class="pagenum"><a name="Page_83" id="Page_83">[83]</a></span></p>
+
+<p>Bernard vond ze allemaal typisch. Hij zag de zinnelijke
+pret in hun oogen, hij hoorde &rsquo;t verborgen
+heete in hun heeren-kraaklach, hij voelde de atmosfeer
+van stilletjes-genieten-&rsquo;t-lekkere-verbodene hangen
+om hun hoofden, om hun heele groep. Hij voelde
+den band, die daardoor was ontstaan tusschen hen,
+als waren ze samenzweerders tegen &rsquo;t kuische. En
+dat hij daaraan meedeed, hij! meelachend, meepratend,
+aanvullend, paraphraseerend de schouwheden,
+die dweilden over de vuile tafel. Dat hij wel moest
+meedoen, dat hij niet dorst te zwijgen in hun gezelschap,
+want dan zou zijn ziel naar boven komen, en
+op zijn zwijgend gezicht zouden zij zien wat niemand
+zien mocht. Zoo was &rsquo;t, maar hij schaamde zich
+omdat hij niet dorst, en daar hij schaamte niet verdragen
+kon zat hij die weg te redeneeren, zich beduidend
+dat hij er wèl aan deed mee te doen. Dat dit
+zijn vrinden waren, die recht op hem hadden, dat
+hij gezellig, maatschappelijk moest zijn, en maken
+dat ze wat aan hem hadden. Dat hij zich niet moest
+verbeelden dat hij er niet bijhoorde. Wat een nonsens!....
+Waarom zou hij er niet bijhooren?....
+Was hij soms een dichter, een genie?.... Die schilder
+daar was veel meer dan hij!.... Hij was immers
+maar een doodgewoon Amsterdamsch koopmannetje
+net als al die anderen, André en Sam en Hendrik!....
+Niets beters!.... Zich dat te verbeelden was malle
+aanstellerij, zelfbedrog, vrouwelijke overgevoeligheid,
+kwam heelemaal niet te pas.... En die conversatie
+was de conversatie van zijn soort.... Je kunt dan
+toch ook in een koffiehuis niet praten over philosophische
+kwesties.... of over de liefde.... of over
+&rsquo;t leven en den dood!.... En kóm, hij hield óók wel
+van een pikante mop!.... wel waarachtig!....</p>
+
+<p>Hij overtuigde zich maar half. Maar hij deed aldoor
+mee, zoo natuurlijk dat de anderen niet beter wisten
+of &rsquo;t ging van harte; hij lachte hardop en dronk
+achterelkaar zijn glas grog uit, zoodat André riep:<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Kijk, Bert heeft lol!&rdquo; Hij debiteerde zelf ook nu en
+dan een mop, maar hij droeg ze slecht voor, de helft
+vergetend, zich telkens in de rede vallend en verwarrend
+&rsquo;t eene verhaal met &rsquo;t andere.</p>
+
+<p>Er kwam een man voorbij, die den schilder lachend
+aankeek en hem toeriep; &bdquo;Zoo.... zit je weer te
+vuilbekken?&rdquo; En toen tegen Gerrit, vertrouwelijk:
+&bdquo;Luister toch niet naar dat varken, Volle, je compromitteert
+je!....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de blonde satyrkop, even lachend, gaf geen
+antwoord, vertelde rustig door, met tintelende oogjes.</p>
+
+<p>Lang bleven ze zoo zitten kletsen en drinken, en
+ze aten ook wat, een slaadje of brood met spiegeleieren,
+en ze kregen allemaal warme, roode hoofden,
+en de altijd-even-kalme Hendrik werd opgewonden
+en begon bij wat hij zei met zijn vlakke hand op
+tafel te slaan, zoodat de kelners en de menschen
+aan andere tafeltjes naar hem keken. Maar eindelijk
+ging &rsquo;t ook André, die nu alle houdingen op zijn
+stoel geprobeerd had, vervelen in &rsquo;t groote, fatsoenlijke
+koffiehuis. &bdquo;Kom jongens,&rdquo; zei hij, na een schaterlach,
+&bdquo;nou naar de Nes!.... Denk er om, we hebben
+vreemdelingen over!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Goddome ja!&rdquo; zei de Hagenaar, &bdquo;daar moeten
+we nog naar toe!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben er ook in geen jaren geweest,&rdquo; zei de
+student.</p>
+
+<p>En dus begonnen ze, de een na den ander, af te
+rekenen met den kelner en lieten zich hun jassen
+opgeven en liepen zwaar-loom &rsquo;t koffiehuis uit. En
+langzaam aan, drentelend, in een ongeregeld, woelig
+troepje, luid pratend en lachend, trokken ze de nu
+leeger en donkerder geworden Kalverstraat uit en
+den Dam over.</p>
+
+<p>Bernard kende de Nes natuurlijk. Hij wist waar
+ze heengingen. Toch, op dat plein, terwijl hij de
+wijde, kil-vochtige ruimte om zich voelde, en den
+grauwig-zwarten hemel hoog boven zich, terwijl hij<span class="pagenum"><a name="Page_85" id="Page_85">[85]</a></span>
+zich, &rsquo;n beetje soezerig van drinken, voelde loopen
+in den nacht, den grooten geheimzinnigen nacht,
+en de straatgeluiden zwakker en verder werden, en
+de nacht &mdash; als hij zoo even naar boven keek en
+de kille, ijle lucht opsnoof &mdash; al wijder en stiller en
+geheimzinniger, toen vond hij er iets onwezenlijks,
+iets onmogelijks, iets helsch-waanzinnigs in, dat ze
+nu naar die sletten-en-kroegen-steeg gingen, dat hol
+van zatheid en gemeene brooddronkenheid en liederlijke
+pan. En &mdash; weer met onvolkomen succes &mdash; beduidde
+hij zich dat dat dood-gewoon was, dat ze
+in de Kalverstraat gezeten hadden en nu naar de
+Nes gingen, wat een climax was van mannenplezier
+in een groote stad, de gewone loop van zaken, vooral
+als je menschen uit de provincie over hadt.</p>
+
+<p>Op den Vijgendam was &rsquo;t nog vrij druk. Er was
+een standje met de politie er bij, voor een koffiehuis.
+En hier en daar stonden, wachtend, loerend, armoedige
+sletjes, in fletse, donkere burgerjuffrouw-plunje,
+bruinig en gitterig. De schilder sprak er een aan
+met hoonende liefkoozingsnaampjes, waarop ze begon
+te schelden in plat-jordaansch, vermakelijk vond
+Gerrit.</p>
+
+<p>En toen sloegen ze den hoek om en trokken de
+nauwe Nes in.</p>
+
+<p>Ze waren nu een loom treintje sjieke heeren, die
+uit waren, een relletje in de Nes. Vooraan waren
+al de winkeltjes nog open en straalden schel licht uit
+over de straat, en er stonden nog wagens met koopwaar
+en veel bewegelijke groepen meiden met verloopen
+kerels en poenige slungels. En dáár waren
+ook de grootere, van buiten verlichte café-chantants.
+Maar verderop werd &rsquo;t donkerder. Daar waren geen
+winkels meer, maar tusschen de rossig-grauwe, gesloten
+huizen, vunzige, donkere kroegjes, waar wijven
+in helgekleurde jakken en met geplakte ponnie aan
+de deur stonden, die de heeren fleemend inviteerden
+om binnen te komen, met lijmerige uithalen uit &rsquo;r<span class="pagenum"><a name="Page_86" id="Page_86">[86]</a></span>
+vette speekselmonden, en hen najouwden als ze
+lachend voorbijliepen. Daar brak alleen hel-licht en
+lawaai uit als een tjingeltjangel-portier in zijn versleten
+livrei een deur opensmeet en uitschreeuwde
+met zijn schorre stem, wat daarbinnen te genieten
+was. Ze liepen door tot in het heel stille, donkere
+gedeelte en keerden toen weer om en gingen een van
+de onaanzienlijkste café-chantants in, een vunzige, lage
+pijpenla met den naam van een Oostersch tooverpaleis.</p>
+
+<p>Er zat maar één vent, een habitué, fluisterend
+met den pianist. Op &rsquo;t kleine, bontbelapte tooneeltje,
+in een halve cirkel, zes meiden, erg gedecolteerd,
+beschilderd en bepoederd. Ze zaten te geeuwen en
+te kwebbelen. Loom-nonchalant lieten ze de dikke
+tricot-beenen hangen tegen &rsquo;t planken-vloertje.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t binnenkomen van de heeren bracht er wat
+leven in. De pianist &mdash; een bleeke lummel met een
+pervers-poenig gezicht &mdash; begon op de oude piano te
+hakken, dat er een deun uitkwam, een vaal, valsch
+versleten geluid. En van &rsquo;t stinkende buffet achterin
+kwam een magere, viezige kelner mee naar voren
+sloffen, luiig, vooroverloopend. &bdquo;Acht spuit!&rdquo; kommandeerde
+André. En de meiden op &rsquo;t tooneel zetten
+zich in opgewekter houdingen, als karikaturen van
+elegance, op hun matten koffiehuisstoelen, en één
+kwam naar voren, en ging een duitsch liedje aframmelen,
+accentueerend de dubbelzinnigheden met gemeene
+gebaren. De anderen begonnen te lonken en
+kinderlijk naïef te doen en te gichelen en met oogen
+en bewegingen te vragen om drank. Ze hielden niet
+op voordat ze allemaal wat hadden, glaasjes stout
+of ander bocht, en André tracteerde er een op champagne,
+waarvoor ze van &rsquo;t tooneeltje kwam en naast
+hem ging zitten, tusschen hem en Gerrit, die almaar
+grinnikte van innig plezier. André deed beschermend
+tegen haar, vaderlijk bijna.</p>
+
+<p>De andere meiden draaiden om beurten hun liedjes
+af, duitsche en engelsche.<span class="pagenum"><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span></p>
+
+<p>En toen moest die van André de danse du ventre
+voor hem dansen, hij wist dat ze die kende. André
+gaf bevelen, hij commandeerde wat er gespeeld moest
+worden. En de oude, verloopen kerel, die met den
+pianist had zitten fluisteren, begon te schreeuwen en
+te kwijlen van genot toen hij die dans zag. Strak-idiotig
+tuurde hij er naar, uit zijn fletse oogen, rood-ontstoken.
+Hij bleek dronken te zijn, dronken van
+glaasjes gemeene, heete pons, die hij &rsquo;t een na &rsquo;t ander
+naar binnen lebberde. En na de danse du ventre
+klommen André en de schilder op &rsquo;t tooneel, en
+André beval den pianist een polka te spelen, en
+toen begonnen ze, ieder met een meid, &mdash; terwijl de
+andere vier met elkaar dansten, &mdash; te polkeeren dat
+&rsquo;t houten vloertje kraakte en de vette, puisterige
+kastelein naar voren kwam om te zeggen dat &rsquo;t uit
+moest zijn.</p>
+
+<p>Bernard had al dien tijd bedaard zitten rooken,
+soms een beetje pratend met Sam, die ook kalm
+was nu. Hij was naar-nuchter geworden, wat wee
+alleen van al &rsquo;t miserabele om hem heen. Hij voelde
+wel iets van medelijden met die &rsquo;r vleesch-uitstallende
+jonge vrouwen op &rsquo;t tooneel, met den kelner en
+den pianist. Maar &rsquo;t was ook maar een klein beetje en
+zonder sentimentaliteit. Want hij was vervallen in
+een hem vreemd gedenk, in trotsch-onverschillige,
+koel-cynische overpeinzingen. Hij dacht met hardheid,
+met steenen minachting over zich zelf en zijn
+omgeving en zijn leven. Hij had nu een stemming
+gevonden, waarin hij zwijgen kon zonder angst. Hij
+had een glimlach, een rustige glimlachsplooi gezet op
+zijn gezicht, dat de anderen zouden denken dat hij
+zich ook amuseerde en de minachting niet merken.
+Hij was zich bewust dat hij hen bedroog. Hij wist dat
+hij alleen was en sterk.</p>
+
+<p>Maar in-eens, terwijl zijn denken zich verstarde op
+dat alleen-zijn, werd hij bevangen door zoo&rsquo;n wee-golvende
+walging, dat hij onwillekeurig opstond en<span class="pagenum"><a name="Page_88" id="Page_88">[88]</a></span>
+zei: &bdquo;Kom, gaan jelie mee?&rdquo; En hij liep &rsquo;t lage zaaltje
+uit, en de anderen, ofschoon hem eerst nog naroepend:
+&bdquo;Nou!.... hé! Wacht even.... Blijf nou nog
+even!...&rdquo; stonden nu toch ook op en kwamen
+bij hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Waar gaan we nou naar toe,&rdquo; vroeg de Hagenaar,
+opgewonden.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ga naar huis &mdash; &rsquo;k ga naar bed,&rdquo; zei Bernard,
+stroef.</p>
+
+<p>&bdquo;Jasses!&rdquo; riep André, &bdquo;wordt jij weer vervelend?&rdquo;</p>
+
+<p>Maar Bernard gaf &rsquo;m geen antwoord. &bdquo;Ga je mee,&rdquo;
+vroeg hij aan zijn Leidschen vrind, &bdquo;of willen we nog
+ergens anders gaan zitten?&rdquo;</p>
+
+<p>De Leidenaar keek een beetje verlegen voor zich
+en antwoordde niet dadelijk. En de schilder schaterde
+&rsquo;t luid uit en riep: &bdquo;Hij wil, geloof ik, nog wel &rsquo;s naar
+de meisjes, wat?.... Hahaha....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;God ja!&rdquo; zei André, &bdquo;dat &rsquo;s een idée!&rdquo; En hij
+noemde den naam van een van de bekendste bordeelen.
+&bdquo;Laat we daar &rsquo;s naar toe gaan!&rdquo;</p>
+
+<p>En alsof &rsquo;t van zelf sprak, dat zijn voorstel aangenomen
+werd, liep hij door, zonder verder te luisteren
+naar de anderen, die slenterend volgden.</p>
+
+<p>Maar toen ze de Nes uit waren, vroeg Bernard
+opnieuw aan den student: &bdquo;Nou? hoe is &rsquo;t?.... Wou
+je nog mee met hun, dan zal ik je den sleutel geven,
+want dan ga ik naar huis.&rdquo;</p>
+
+<p>De anderen bleven staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee....&rdquo; zei de Leidenaar, &bdquo;dan ga ik natuurlijk
+met jou mee!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, hoepelen jelie dan maar gauw op,&rdquo; zei de
+schilder met een vloek en lachend liepen de anderen
+door, de Damstraat in, terwijl Bernard en zijn vrind
+den kant van &rsquo;t Rokin opgingen.</p>
+
+<p>Zwijgend liepen ze &rsquo;n poosje naast elkaar.</p>
+
+<p>Toen begon de Leidenaar met een stem en een
+glimlach waarin teleurstelling en een minachtend wantrouwen:
+&bdquo;Doe jij er niet &rsquo;an?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_89" id="Page_89">[89]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Wat meen je?&rdquo; vroeg Bernard, fronsend zijn wenkbrauwen,
+zonder hem aan te kijken.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou!.... klets nou niet!.... je weet wat &rsquo;k bedoel!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O!.... dat!.... nee!.... daar doe &rsquo;k niet an!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kom!&rdquo; zei weer de student met dienzelfden glimlach
+van geërgerd ongeloof.</p>
+
+<p>&bdquo;Verdomd!&rdquo; riep Bernard, met een driftigen stamp
+op den grond, &bdquo;wil-je me nijdig maken?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee!.... God, kerel!.... Neem me niet kwalijk!....
+ik wist niet dat je &rsquo;t zoo ernstig meende.... Maar
+waarachtig.... dan wil ik je toch zeggen: &rsquo;t is niet
+goed!.... &rsquo;t is niet gezond, geloof me!&rdquo;</p>
+
+<p>En toen begon hij een ernstig betoog, met veel
+geleerde termen, over de ongezondheid van Bernard&rsquo;s
+onthouding. Hij sprak vrindelijk-geduldig en met overtuiging,
+autoriteiten aanhalend.</p>
+
+<p>En Bernard hoorde dat koel-vriendschappelijk praten
+op- en afgaan naast zijn hoofd en slikte &rsquo;t zwijgend,
+ernstig kijkend voor zich uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Je zoudt ten slotte gek worden!&rdquo; besloot zijn vrind.</p>
+
+<p>Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen
+dicht. Gek!.... Gek!.... Dat woord schoot hem als
+een visioen door &rsquo;t hoofd, gek worden, sterven misschien
+voor een idee.... Dat bestond dan toch nog,
+in deze eeuw.... &bdquo;Goed,&rdquo; zei hij dof, &bdquo;&rsquo;k zal &rsquo;t
+afwachten....&rdquo;</p>
+
+<p>De ander haalde zijn schouders op. &bdquo;Je moet &rsquo;t zelf
+weten,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze
+samen over de stille gracht. Heelemaal weg was nu uit
+Bernard&rsquo;s hoofd &rsquo;t somber-cynisch gedenk. Hij voelde
+zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder, blijmoedig
+als een die sterven gaat voor zijn ideaal.</p>
+
+<p>En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk.
+Toen ze op zijn kamer waren was hij
+weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En zijn
+vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als &rsquo;s morgens
+aan de koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er<span class="pagenum"><a name="Page_90" id="Page_90">[90]</a></span>
+wat tusschen hen was, maar ze negeerden dat. Ze
+dronken samen nog een droog cognacje, intiem pratend
+over kleinigheden, en toen werd &rsquo;t bed van den student
+opgemaakt op Bernard&rsquo;s kanapee.</p>
+
+<p>Onder &rsquo;t uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit.
+&rsquo;t Was laat, ze waren moe.</p>
+
+<p>Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard
+in zijn bed. Het licht was uit.</p>
+
+<p>Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou.... wel te rusten,&rdquo; zei toen Bernard, om er &rsquo;n
+eind aan te maken.</p>
+
+<p>&bdquo;Slaap wel,&rdquo; zei zijn vrind.</p>
+
+<p>En de stilte groeide......</p>
+
+<p>Al gauw hoorde Bernard &rsquo;t snurken, &rsquo;t goedig-onbewuste
+geknor van zijn ouden schoolkameraad, terwijl
+hij zelf nog lag te staren in de duisternis met wijd-open
+oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als
+&bdquo;zij&rdquo; niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn,
+wat zal ik dan doen als ik gek ben? Daar lag hij aan
+te denken, sterk en stil.</p>
+
+<p>Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen
+en te trillen tegen een raam van zijn kamer. Dat leidde
+hem af; luisterend viel hij in slaap.</p>
+
+
+
+
+<h2>VII.</h2>
+
+
+<p>Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen
+tijd wakker, maar zich met een jongensachtige, stil-innige
+blijdschap herinnerend dat &rsquo;t Zondag was, draaide
+hij zich nog &rsquo;s om en zonk dadelijk weer terug in
+rustigen slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol
+vluchtige droomen. Tegen half-elf werd hij weer wakker
+en zag nu, van de donkere alkoof uit, zijn vrind,
+den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in
+zijn onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend
+en onhandig doend in de ongewone omgeving.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Morgen!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Goed geslapen?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Best.... jij ook?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Uitstekend.... Geen hoofdpijn?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, &rsquo;n klein beetje!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in
+zijn bewegingen. Hij had een vaag gevoel alsof er
+iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets opzag.
+Maar hij wist niet wat &rsquo;t was, en hij duwde dat gevoel
+weg in zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden
+waar hij voor zorgen moest. Hij riep om de
+deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest
+brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met
+zijn boord en zijn dasje en zijn manchetten, kleedde
+hij zich haastig verder aan. Dat was even een stil
+gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te
+letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine
+schokgeluiden tegen waschkommen, hout en gestreken
+linnen, en nu en dan een los woord over gisteren-avond,
+een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden
+uitroep.</p>
+
+<p>De juffrouw &mdash; een tanige, oude burgerjuf &mdash; bracht
+&rsquo;t ontbijt, koppen thee en broodjes, op een oud blad,
+een gebladderd, namaak-japansch blad, dat ongezellig-slordig
+kwam te staan naast den rommel op tafel.
+Ze had bruinige paviljotten in &rsquo;t grauwe haar, de
+juffrouw. Ze scheen den student niet te zien, maar
+ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht schuwig
+naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem,
+halfnijdig, half-klagend, of meneer nog iets noodig had.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee.... dank u!&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten,
+nu wat meer pratend, maar met den slaap nog in
+hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna
+staken ze sigaren op en gingen uit.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na
+veel dagen achtereen van killen regen en sombere
+grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens als overgoten
+van puur najaarslicht; hij voelde de dunne
+lucht met vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn<span class="pagenum"><a name="Page_92" id="Page_92">[92]</a></span>
+zwaar hart en helderend zijn hoofd als een lichte
+roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd vroolijk,
+hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond,
+hij zei herhaaldelijk: &bdquo;Wat &rsquo;n lekker weer,
+wat &rsquo;n heerlijk weer!&rdquo; En de Zondagsmenschen, &rsquo;t
+stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo hinderen
+kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam
+als een kudde koeien op een landweg. Hij zag
+ze niet als vijanden nu die menschen, hij zag ze als
+goedige domme dieren. Hij lachte een beetje om de
+ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen,
+en om hun lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij
+proefde &rsquo;t stomme genot van dat langzame gaan op
+Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid
+in de lamme plooien van &rsquo;t suffisante Zondagsche
+goed, naar de kerk, en dan weer naar huis, en dan
+de jas uit en &rsquo;t lijzige zitten in overhemden aan
+de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en
+dan &rsquo;s middags de bitter en de ruzie, de zoetigheid
+en de verveling. Hij voelde &rsquo;t contrast van dat Zondagsleven
+met &rsquo;t roezige werkleven van allen dag en
+&rsquo;t idiote tasten van die menschen naar genot, wat
+hem soms deed vloeken van ergernis en hem soms
+groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen &rsquo;t komisch-domme,
+&rsquo;t hinderde hem nu niet, hij voelde
+geen lust er iets aan te veranderen, &rsquo;t scheen hem
+dwaas je &rsquo;r aan te ergeren; sentimenteel vond hij &rsquo;t
+nu meer medelijden te hebben met menschen dan
+met de echte dieren, de sprakelooze dieren, hun
+geslagen slaven.</p>
+
+<p>Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan
+moest de student weg, naar Leiden terug; hij moest
+er dien middag zijn voor een receptie. Maar eerst
+wandelden ze nog even wat om &mdash; &rsquo;t Rokin af en
+het open Damrak langs &mdash; kijkend naar &rsquo;t zonne-schitteren
+in &rsquo;t water en in de ramen van de huizen
+en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels.
+Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade<span class="pagenum"><a name="Page_93" id="Page_93">[93]</a></span>
+en toen langs het Y. Bernard genoot van die ruimte
+daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den blijen
+alom tintelenden zonneschijn.</p>
+
+<p>Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat
+hoofdpijn had. &rsquo;t Was toch bocht dat consumabel in
+die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te gaan
+dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou
+ook nog wel even op kantoor aanloopen; dus wandelden
+ze terug en de Warmoesstraat door. Eerst naar
+kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust.
+Ook van de straat kwamen geen geluiden. Hard
+hakten de stappen op den houten vloer en de stemmen
+scheurden de staande stilte. Er was iets onheilspellend-verlatens,
+iets somber-geraamteachtigs in dat
+kil-leege kantoor. De lessenaars stonden in treurige
+zwijging, als geduldige oude knollen in een stal, alles
+scheen nu nog ouder en valer, versleten en dood,
+alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur,
+een menging van geuren, muffig, bedompt.</p>
+
+<p>Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast
+niet meer zag en aan die atmosfeer; die hij haast
+niet meer voelde, &mdash; soms alleen zag en voelde hij
+&rsquo;t in-eens heel scherp &mdash; ging zijn post zitten nakijken,
+maar zijn vrind schoof dadelijk een raam op en stak
+zijn hoofd en zijn bovenlijf er uit. &bdquo;&rsquo;t Is hier niet
+bepaald om beter te worden als je koppijn hebt&rdquo;,
+zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet,
+want hij was bezig met een belangrijken brief, dien
+hij in volle aandacht las. &rsquo;t Was een groote order,
+waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit
+winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd
+van genoegen om dat succes, waar zijn oom weer
+zoo&rsquo;n plezier in zou hebben, las hij gauw ook zijn
+andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij,
+verstond nu ook wat zijn vrind daar straks gezegd
+had, en riep hem toe: &bdquo;Nou, laten we dan maar
+gauw naar Kras gaan, dan zullen we je &rsquo;n beetje
+restaureeren!....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_94" id="Page_94">[94]</a></span></p>
+
+<p>En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan
+hun tafeltje, net zooals ze ook den vorigen dag gedaan
+hadden. Maar toch was &rsquo;t heel anders nu. In-eens
+voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming
+van gisteren, die vreugde van &rsquo;t elkaar terugvinden,
+die ontboezemende hartelijkheid. Hij herinnerde
+zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen,
+zijn jaloerschheid op &rsquo;t leven van den student. Weg
+was nu dat allemaal. In zijn gevoel was hij de meerdere,
+de rijkere geworden in die vier-en-twintig uur.
+Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren nog
+zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student
+had moeten worden, die zoo hartelijk gevraagd had
+naar alles wat Bernard aanging, dat die vrind nu
+een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was
+geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat
+verlangend om van hem af te komen. Hij begreep,
+dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat er ook
+eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was
+tusschen hen beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul
+en gastvrij met elkaar blijven omgaan, o ja, ze waren
+nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor elkaar
+dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk
+allebei verlangden naar dat oogenblik van straks, als
+elk weer voorloopig alleen zou zijn en vrij. En weeïg
+verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij dat
+pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen
+door dat ééne verschil van opvatting, dat gebleken
+was door een houding en een paar woorden, &mdash; want
+een twist was &rsquo;t niet ééns geweest &mdash; of was daardoor
+misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen
+hun beider zielelevens, of lag &rsquo;t toch niet alleen
+daaraan maar aan honderd kleinigheden, houdingen,
+gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich tusschen hen
+hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie
+meer doorheen dringen kon. &rsquo;t Was vreemd
+en &rsquo;t was triestig. Want er was toch altijd zooveel
+overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper<span class="pagenum"><a name="Page_95" id="Page_95">[95]</a></span>
+of niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden
+&rsquo;t gevoeld. &rsquo;t Was wel vreemd. En zou &rsquo;t dan zoo
+kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap die
+toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou &rsquo;t
+altijd zoo gaan misschien, dat menschen als ze &rsquo;n
+poosje samen zijn weer verlangen naar scheiding?....
+Er was iets in hem, dat zei, dat &rsquo;t zoo ging altijd....
+Wel triestig was &rsquo;t!....</p>
+
+<p>Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon
+opgewekt gepraat om. Hij kon &rsquo;t niet meer van zich
+zetten; als hij zat te praten hoorde hij &rsquo;t koele, gevoellooze
+van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde
+hij &rsquo;t ook in de stem van zijn vrind en hij zag &rsquo;t in
+diens oogen. Hij voelde dat &rsquo;t ondragelijk worden
+zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt doorpraatten.</p>
+
+<p>Na hun dejeuner bracht hij den student naar &rsquo;t
+station. Ze kwamen er te vroeg aan, ze hadden zich
+te veel gehaast. Bernard voelde dat met een beetje
+schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij
+vond dat hij toch ook niets geen slag had om vrienden
+te ontvangen. Op &rsquo;t perron heen en weer loopend
+rekten ze hun gepraat. Maar &rsquo;t hokte telkens. Ze
+liepen de aanplakbiljetten te bekijken en maakten
+banale opmerkingen. Toen de trein vóór kwam te
+staan ging de student er dadelijk inzitten, &bdquo;om een
+goed plaatsje te hebben.&rdquo; En langzaam vulden de
+coupé&rsquo;s zich verder. &rsquo;t Was niet druk.</p>
+
+<p>In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig
+maal op zijn horloge.</p>
+
+<p>Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende
+beweging, boog de student zich uit &rsquo;t raampje en
+reikte Bernard glimlachend de hand. Ze keken elkaar
+aan; Bernard geloofde dat zijn vrind &rsquo;t ook voelde,
+den weemoed over dat verlorene, dat vervlogene
+van sympathie.</p>
+
+<p>&bdquo;Adieu!.... &rsquo;t ga je goed!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Adieu!.... zien we je weer &rsquo;s?....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Ja.... ja!&rdquo;</p>
+
+<p>En &rsquo;t hoofd terug in de coupé. En de trein weg,
+somber-zwart voortschuivend tot in de verte. Toen
+liep Bernard langzaam &rsquo;t station uit en stond buiten,
+onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel,
+alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij
+zich niet, wat hij toch had verwacht. Dadelijk drukte
+hem zijn alleen-zijn en was hij niet vroolijk meer.
+Hij voelde &rsquo;t met ergernis, met een heel lichte aanwaaiing
+van wanhoop. Wat was hij dan toch voor
+een man, die verlangde naar gezelschap als hij
+alleen was en naar alleen-zijn als hij gezelschap
+had!</p>
+
+<p>Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had &rsquo;t
+mooie weer geen genot meer voor hem en begonnen
+de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem
+meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche
+opgepronktheid, die zelfs in de grinnekend
+glimmende gezichten was. Die armzalige, smaaklooze
+verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk,
+leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken,
+zoo harkig en pietluttig, zoo oneindig
+poverder en ellendiger dan anders in hun bombazijnen
+alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde stukken,
+en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met
+&rsquo;r glimmende groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt
+en belapt, met vette haarpiekjes en krulletjes
+en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair, grof
+blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families,
+slenterend, sloffend, van de eene kroeg naar de
+andere met den kinderwagen voorop. En dan ook &mdash; niet
+zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog
+aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid &mdash; de
+klerken en ellejongens op-derlui-Zondags, die
+lachen tegen de gichel-juffies en tegen de Zondags-uitgaande
+meiden in &rsquo;r onhandig nagemaakte dameskleeren.</p>
+
+<p>In een verdrietige stemming, zonder wil of doel,<span class="pagenum"><a name="Page_97" id="Page_97">[97]</a></span>
+slenterde Bernard den Dam over en de Kalverstraat
+in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging om zich
+zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat
+op Zondagmiddag, dat was een folterplaats,
+een helletje. Daar was &rsquo;t fataal-onmogelijk ook maar
+iets fijns, iets nobels te voelen; dat was drukkend,
+pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve
+de Zondagsmenschen in de volle straat nog &rsquo;t bitter- en
+biervolk in de koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes
+lebberen met ontevreden gezichten en mannen
+die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover
+de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit
+kunnen krijgen, uit &rsquo;t gemeene geverfde goed. En
+de burgerheeren met de witte vesten en de hooge
+hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties
+bekijken om tegen vier, vijf uur terug te komen bij
+hun vrouwen, met roode koppen en nijdig breede
+bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat
+was het brandpunt van &rsquo;t vadsige Zondagsleven van
+een kleine &bdquo;groote stad&rdquo; zonder vreemdelingen, een
+bak met menschen, die niet weten wat ze doen
+zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen
+schieten om er &rsquo;s wat frissche emotie in te brengen,
+dat was één groot, donker, vol, zweeterig, klef, kleverig
+café.</p>
+
+<p>Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar
+zijn kamer. Die was netjes &bdquo;aan kant,&rdquo; &rsquo;t raam stond
+open, maar hij schoof &rsquo;t dicht, wars nu van straatgeluiden.
+Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen
+waar hij op geabonneerd was. Hij keek ze
+even door, maar hij miste de energie zich tot geregeld
+lezen te zetten.</p>
+
+<p>O ja!.... hij wou wel &rsquo;s weten of er nog iemand
+geweest was. Sam misschien of Hendrik. Hij deed
+zijn kamerdeur open en riep de gang in: &bdquo;Juffrouw!....
+juffrouw!&rdquo;</p>
+
+<p>Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof,<span class="pagenum"><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span>
+het gerinkel van de trambel en menschenstemmen
+buiten.</p>
+
+<p>Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw
+gaan &bdquo;wandelen&rdquo; met haar man.</p>
+
+<p>Nog eens: &bdquo;juffrouw!&rdquo;</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t bleef stil.</p>
+
+<p>Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een
+sigaar op, schoof &rsquo;t raam weer open en ging er voor
+zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel, achterover,
+naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog,
+heel hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend
+als ze kwamen bij den lichtenden zonovervloed.....</p>
+
+<p>Eigenlijk had hij al in &rsquo;t begin van de week plan
+gemaakt dezen Zondag, als &rsquo;t mooi weer was, in Bussum
+te gaan doorbrengen. Hij had &rsquo;s morgens willen
+gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei
+en door de bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij
+zijn oom en tante en hun verder zijn dag te geven.
+Om het blijven van den student had hij dat plan laten
+varen. Maar die was nu weg.... en &rsquo;t was wel wat
+laat, maar.... &rsquo;t was in Amsterdam zoo&rsquo;n nare
+Zondagsdrukte.... en hij had geen lust om te lezen....
+en geen lust om straks zijn tafelvrinden te ontmoeten
+en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn
+spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein,
+dien kon hij nog halen. En in-eens besloten zette
+hij zijn hoed weer op en nam zijn jas en zijn stok
+en liep vlug de straat op en terug naar het station.
+Zijn stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al
+verhoogd, kwam in den trein tot een hoogte, die
+hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn hoekje,
+turend door &rsquo;t intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde
+ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme
+droomen-volte, met een onverschillig neerzien
+op alle verdrietelijkheden, welwillend zonder
+dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid,
+teruggetrokken in de geheimzinnige schemering<span class="pagenum"><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span>
+van zijn zielehuis, zoodat zijn oogen werden als
+donkere stille meren, waarin de namiddagtinten spiegelden
+van &rsquo;t landschap en den hoogen hemel, zonder
+dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de
+hekjes, en het vee en het riet en de ver drijvende,
+stil-strepende wolkjes.</p>
+
+<p>En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer
+en zijn verbazing, dat hij weer in zooveel tijd niet
+aan haar gedacht had. Toch was hij nog verliefd, was
+er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn
+polsen als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als
+hij haar weer ontmoeten zou, die verliefdheid zou kunnen
+groeien tot een kracht, die andre krachten lam zou
+slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde kwajongen
+die uitfluit wie &rsquo;n ernstig gezicht tegen hem
+trekt. Daarom.... was &rsquo;t maar beter haar niet
+weer te zien!.... Maar juist omdat dat beter was,
+verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij &rsquo;t
+niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist
+om &rsquo;t gevaar hunkerde hij naar &rsquo;t avontuur. En
+hij ging weer zitten verzinnen op plannen om haar te
+ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet
+mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.</p>
+
+<p>Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te
+turen door &rsquo;t raampje naast zijn hoofd, had hij plotseling
+een gewaarwording, alsof hij iets gezien had
+met herkenning, iets wat hij meer gezien had of
+wat hem vaag teruggaf den indruk van iets anders.
+Dat hekje, neen.... dat huisje?.... neen.... die rij
+boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand
+tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den
+grijswitten, wegwademenden horizonhemel.... Ja....
+ja.... die was &rsquo;t? Van zoo&rsquo;n rij boomen in &rsquo;t oosten
+tegen den avond had Lucie gesproken aan de souper-tafel,
+juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken
+en gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat
+hij toen verstaan had wat ze zei, maar nu herinnerde
+hij &rsquo;t zich.... Ja, &rsquo;t was mooi, zacht-weemoedig-mooi,<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span>
+die rij boomen.... &rsquo;t Was als een verre horizon
+in je ziel waar &rsquo;t mooi is, blank zilverig mooi,
+maar waar je niet komen kunt, omdat je &rsquo;r altijd
+even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt met knikkende
+knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi,
+als een ver onbereikbaar verlangen was die rij
+boomen......</p>
+
+<p>Lucie!.... zoo&rsquo;n meisje veel zien, met haar praten,
+met haar omgaan, zoo&rsquo;n zuster hebben, dat zou
+een steun zijn....</p>
+
+<p>In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en
+zuchtend stopte de trein en stond te hijgen. &bdquo;Naarden-Bussum!....
+Bussum!....&rdquo; werd er geroepen.
+En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn
+schouder en liep langzaam, stil voor zich heen, in de
+volte &rsquo;t station uit, en krakend over den grintweg
+brachten zijn voeten hem naar de villa van zijn
+oom. &rsquo;t Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder
+lichtrood, met onbegroeide waranda&rsquo;s en pretentieuse
+torentjes en fratserige piekjes en uitwasjes. Een tuin
+met schelppaadjes en bloemperkjes en jonge boompjes
+er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en
+peuterig, alles keurig netjes aangeharkt, blinkende
+als een nieuwe hooge-hoed. Hij deed &rsquo;t piepende hekje
+open en stapte &rsquo;t knarsende schelpweggetje over, zich
+in haast voorbereidend op &rsquo;t ontmoeten van oom en
+tante, met een wat verwarde massa dingen waar
+hij over praten moest in zijn nog soezig hoofd. Hij
+schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem
+hielp in &rsquo;t verzamelen van zijn gedachten.</p>
+
+<p>Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte
+binnen. En op &rsquo;t geluid van zijn stem &mdash; in de wijde
+marmeren vestibule &mdash; daar kwam zijn oom hem al
+tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels
+en met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd.
+Een welverzorgd oud-heertje, levenslustig gekleed en
+met een joviaal air. &bdquo;Héérejé!.... Goeiemorgen!....
+Goeiemorgen!.... dat &rsquo;s nog &rsquo;s mooi van je!....<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span>
+Hoe gaat &rsquo;t? Kom binnen.... gooi die jas
+neer!.... kom binnen!.... Waar is mevrouw, Keetje?....
+Zeg &rsquo;s gauw dat de jonge meneer er is!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee,
+een kamer in, een luxueus gemeubelde kamer van
+rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed, zonder
+eenige artistieke bekommering, maar duur!....</p>
+
+<p>&bdquo;Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,....
+dat &rsquo;s een gemakkelijke, moet je &rsquo;s probeeren,....
+die heb ik er pas bij gekocht!.... Wat? is die niet
+lekker?.... je moet flink achteruit gaan zitten!....
+lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!....&rdquo;</p>
+
+<p>En tante kwam binnenruischen, vol en breed, &rsquo;t
+dikke hoofd ietwat achteroverliggend in den zwellenden
+hals, één en al glinstering van zware zij, met
+breede gitten spelden in &rsquo;t nog niet geheel grijze
+haar, dat zwart geweest was.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo Bertje!.... ben je daar! dat &rsquo;s heel lief
+van je!.... geef me &rsquo;n zoen!.... hoe gaat &rsquo;t?&rdquo;</p>
+
+<p>Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging
+van &rsquo;t statige hoofd, de wang toe, waarop hij
+haar kussen mocht, en Bernard deed &rsquo;t, eerbiedig
+en voorzichtig, en zei dat &rsquo;t hem best ging. Nu, oom
+en tante ging &rsquo;t ook uitstekend, ze voelden zich
+dagelijks meer thuis in de nieuwe villa, die zoo geriefelijk
+was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd
+geen last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel
+kennissen, aardige lieve menschen; en toch was &rsquo;t
+er vrij; je stoorde je niets aan elkaar, o heelemaal
+niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als
+daar waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest
+Bernard bepaald leeren kennen; nee! zoo&rsquo;n allerliefste
+man was dat nu toch!....</p>
+
+<p>&bdquo;En Bertje, wat wil je &rsquo;s van me hebben?.... &rsquo;n
+glas sherry, &rsquo;n glas port?....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zei, dat hij &rsquo;t nog wat vroeg vond, maar
+hij dronk toch maar een glas port om zijn gulle tante
+plezier te doen, en toen ging hij met zijn oom over<span class="pagenum"><a name="Page_102" id="Page_102">[102]</a></span>
+zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport
+van hem verwacht werd, liefst in détails, van wat
+er omgegaan was in de laatste dagen. Er waren sommige
+kleinigheden, handelsfijnigheden, koopmans-slimmigheden,
+waar hij wist dat zijn oom speciaal
+nieuwsgierig naar was. Maar Bernard plaagde hem
+soms even door te doen alsof hij zulke dingen vergat,
+vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te
+draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren,
+en dorst blijkbaar niet te vragen, maar deed
+&rsquo;t dan toch maar, in-eens, een beetje verlegen:
+&bdquo;Zeg!.... vertel dat nog &rsquo;s even als je wilt....
+Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet
+je ook nog de bewoordingen?&rdquo;</p>
+
+<p>En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist
+wat er ontbrak, hem alles wat hij weten wou, en dan
+lachte oom tevreden en schoof zijn petje weer recht
+en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een
+vlammetje, en begon van vroegere zaken &mdash; van hem
+en van zijn vader, &mdash; van aardige meevallertjes en
+slimme handige zetten te verhalen.</p>
+
+<p>Intusschen had tante al nu en dan een poging
+gedaan om er een paar woorden tusschen te krijgen,
+want ze was verlangend naar een relaas van de
+trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal &mdash; terwijl
+oom zijn sigaar aanstak of zijn neus snoot &mdash; vlug
+&rsquo;t een en ander weten mee te deelen over
+dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde
+naar meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te
+zien en deed ze den mond al open, &mdash; wat ze altijd
+deed, voor ze wat zeggen ging, &mdash; maar dan begon
+oom weer over wat anders &mdash; altijd over zaken &mdash; en
+sloot ze den mond weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen.
+En toen oom, die erg op dreef was,
+aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen
+voor het eten, was tante blijkbaar een beetje
+gepiqueerd. Met een goedig-knorrende stem zei ze:
+&bdquo;Je laat mij ook geen oogenblik om &rsquo;s met Bernard<span class="pagenum"><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span>
+te praten!.... Ik wil toch ook wel &rsquo;s wat weten!....
+Je hoort hier ook anders nooit &rsquo;s iets!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We
+komen immers terug!.... De jongen loopt niet
+weg!.... We komen eten, zoo meteen!....&rdquo; En
+lachend verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten
+grijzen flaphoed en troonde Bernard mee.</p>
+
+<p>Buiten werd &rsquo;t zelfde gesprek voortgezet, door den
+oom met veel animo, door den neef met geduld
+en reverentie en &rsquo;n beetje plezier door den terugslag.
+Was &rsquo;t een oogenblik stil, dan groeide in Bernard &rsquo;t
+stille genot van de avondstemming om hem heen,
+&rsquo;t zachte klagen van de avondkoelte in de boomen,
+de langzaam verschietende kleuren aan den hemel,
+den gloed in &rsquo;t westen, die lange schaduwen vaagde
+over den rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij
+even staan om ten volle te genieten, zacht-zeggend
+als tot zichzelf: &bdquo;Wat is dat weer mooi!....&rdquo; &bdquo;Ja
+zeker, zeker is dat mooi,&rdquo; zei oom dan, ook even
+stilstaand en rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling
+was, &bdquo;maar wat zei je daar over Jansen in
+Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag
+wat uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken
+.... dat komt terecht, hoor!....&rdquo;</p>
+
+<p>Thuis gekomen dronken ze nog even samen een
+bittertje in ooms kamer &mdash; zijn studeerkamer, zooals
+hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond &mdash; en
+gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop
+zittend met een statig-tevreden glimlach in &rsquo;t prettige
+vooruitzicht, dat nu haar beurt kwam.</p>
+
+<p>En al onder de soep begon &rsquo;t. Ze moest alles
+weten van de partij. Wat Bernard zich niet herinnerde
+van &rsquo;t menu en van de toiletten, dat vulde ze aan
+door net zoo lang te vragen tot hij zei: &bdquo;Ja, ja! dat
+was &rsquo;t, geloof ik.&rdquo; Ze had haar opmerkingen over al
+de menschen, die er geweest waren, over familie-bizonderheden
+of in &rsquo;t oog vallende karaktertrekken.
+Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit<span class="pagenum"><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span>
+van een van die menschen en dan kibbelden ze
+samen een beetje, waarbij tante met een groote koppigheid
+op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te
+kunnen begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón.
+Ook liet ze zich door zulke uitweidingen niet van haar
+apropos brengen, maar vroeg aldoor weer geregeld
+verder en &rsquo;t scheen haar ietwat te verbazen dat
+Bernard niet met al die menschen lange gesprekken
+gevoerd had, dat ze hem niet allemaal hun volledige
+levensgeschiedenis hadden verteld.</p>
+
+<p>Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en
+naast wie hij had gezeten aan &rsquo;t souper, met een aandachtig,
+uitvorschend gezicht lettend op zijn antwoorden.
+Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al
+die meisjes koel-bedaard op, sprak ook Mimi&rsquo;s naam
+uit zonder eenige uiterlijke ontroering of trilling in
+zijn stem en praatte een beetje door over Lize. Dat
+was nu toch zoo&rsquo;n aardig vroolijk meisje geworden,
+zoo&rsquo;n lief meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante
+beteekenisvol en keek oom aan en die trok zijn wenkbrauwen
+op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht
+te trekken, en zei: &bdquo;Zou dat niets voor jou zijn,
+jongen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe bedoelt u,&rdquo; vroeg Bernard droog-weg, &bdquo;om
+te trouwen?.... wel nee! &rsquo;t is immers nog zoo&rsquo;n
+jong ding!.... Wie weet wat &rsquo;n nuf &rsquo;t nog wordt.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen
+haar oogjes te tintelen. Maar ze nam zich dadelijk
+voor Bernard niet te plagen met dat meisje; daar
+hield ze niet van; &rsquo;t had soms juist een glad verkeerd
+effect, dat had ze al zoo dikwijls gemerkt bij
+anderen. Neen, de charme van &rsquo;t geheime moest
+blijven bestaan.</p>
+
+<p>Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten
+waranda. &rsquo;t Was bijna heelemaal donker nu, ze namen
+van binnen een petroleumlamp mee. &rsquo;t Werd rustig
+daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat
+ze weten wilden, ze hadden weer genoeg om een<span class="pagenum"><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span>
+paar dagen rustig over te soezen en nu en dan wat
+te kibbelen. Tante zat voor &rsquo;t theeblad, dicht onder
+de lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen
+trek om den mond; oom en neef rookten hun
+sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch
+en soms &rsquo;t rommelen van een rijtuig op den weg
+waren de eenige geluiden. Al gauw was &rsquo;t heelemaal
+nacht en &rsquo;t werd koeler.</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in
+de waranda thee drinken,&rdquo; zei oom, traag-sprekend,
+&bdquo;&rsquo;t is vandaag een bizondere dag, morgen zal &rsquo;t wel
+weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we
+midden in &rsquo;t najaar!&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar
+heen-en-weer bewegend onder zijn neus.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er
+nog lief uitziet,&rdquo; vroeg tante.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Bernard,.... &bdquo;heel lief!.... heel mooi!....&rdquo;</p>
+
+<p>En &rsquo;t was weer stil, ze raakten nu alle drie aan &rsquo;t
+soezen. Bernard gaf toe aan de halve-bedwelming
+van den sigarenrook, hij voelde zich behagelijk-passief
+genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom:
+&bdquo;Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O ja!&rdquo; zei Bernard langzaam, &bdquo;&rsquo;t is een heel geschikte
+kamer,.... gemakkelijk overal dichtbij....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat gaat wel,.... &rsquo;n beetje zeurig....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En je eet nog altijd daar op &rsquo;t Leidscheplein, hè?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja oom!&rdquo;</p>
+
+<p>En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante
+met een ernstig gezicht, een strak gezicht met vaste
+ouwelijke plooien, turend naar &rsquo;t haakje dat in haar
+dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet
+geluisterd te hebben, maar een paar minuten later
+zei ze in-eens zonder opzien &mdash; haar stem klonk
+vreemd-hard door &rsquo;t lange zwijgen: &mdash; &bdquo;Dat moet je
+toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven<span class="pagenum"><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span>
+en dat eten in zoo&rsquo;n café,.... je moest toch
+werkelijk &rsquo;s gaan trouwen, Bertje!&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt
+uit zijn behagelijk gesoes, in-eens vervelend
+leeg en wrevelig. Hij gaf niet dadelijk antwoord,
+trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een rukkenden
+zwaai van zijn arm voor zich uit bracht,
+terwijl de rook om zijn hoofd bleef hangen.</p>
+
+<p>&bdquo;Hebt u soms een meisje voor me op &rsquo;t oog, tante,&rdquo;
+vroeg hij met een poging om de zaak maar gauw in
+&rsquo;t gekke te gooien, een poging, die hij hoorde mislukken
+in zijn stem, want hij zei &rsquo;t te scherp en te vlug.</p>
+
+<p>&bdquo;Hè?.... och wel nee!&rdquo; zei tante, die &rsquo;t hartelijker
+bedoeld had dan Bernard vermoedde, een beetje
+geraakt, &bdquo;een meisje op &rsquo;t oog!.... Dacht-je dan dat
+ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... &rsquo;k Zou
+me schamen!&rdquo;</p>
+
+<p>Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze
+&rsquo;t haakwerk in den schoot vallen en verzette al de
+kopjes op &rsquo;t blad met kleine bonsjes. &bdquo;Nou ja....
+nou ja....&rdquo; zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend,
+&bdquo;Nee jongen,&rdquo; zei oom toen ook, &bdquo;dan begrijp
+je tante verkeerd, hoor! We hebben &rsquo;t er samen al
+dikwijls over gehad!.... Zoo &rsquo;n lang jongeheerenleven
+deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen....
+maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat
+spreekt van zelf!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met
+lange halen. Zijn behagelijk gesoes was weg en bleef
+weg, maar langzaam werd de leegte verdreven door
+den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen,
+zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen,
+en ook dat wee-klagende, dat wanhopige van &rsquo;t banale
+was er weer.... Hij voelde zich thuis komen in
+zijn ziele-omgeving van allen dag.</p>
+
+<p>&bdquo;Je vader zou &rsquo;t je zeker geraden hebben,&rdquo; begon
+oom weer.</p>
+
+<p>&bdquo;En je goede moeder ook,&rdquo; zei tante.<span class="pagenum"><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei oom, hoofdschuddend, &bdquo;die arme menschen!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar,&rdquo; vulde tante
+aan, haar haakwerk weer opnemend, &bdquo;&rsquo;t was wezenlijk
+een ideaal paar, wat dat betreft.... En dat op &rsquo;t
+eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? &rsquo;s Middags
+werden ze aan elkaar voorgesteld en &rsquo;s avonds
+waren ze geëngageerd.&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd
+tegen de rieten leuning van den stoel zat hij voor
+zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend als hij
+zijn sigaar uit den mond nam.</p>
+
+<p>Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van
+zijn vader en moeder. Maar altijd weer deed &rsquo;t zijn
+gansche gemoed ontroeren, was hij blij-bewogen en
+trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie
+zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel
+mocht niemand merken, allerminst zijn tante, die er
+immers niets van zou begrepen hebben, die &rsquo;t geval
+vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met
+iets beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te
+denken dat menschen, die hem zoo na waren, zijn
+ouders, zijn vader, op wien hij veel moest lijken,
+en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat
+gekend hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde
+op &rsquo;t eerste aanschouwen, dat hoogste, heerlijkste
+geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie volkomen,
+die als een zon rijst aan de kim van &rsquo;t leven en niet
+meer ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood....
+wat was dood?.... Dood is &rsquo;t eeuwige raadsel, is
+niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar als &rsquo;t
+leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een
+bijna tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de
+brand, die de tastbare dingen verteert.</p>
+
+<p>Er was geen zweem van medelijden in Bernard
+als hij dacht aan zijn ouders, die beklaagd werden
+door de menschen omdat ze maar zoo kort hadden
+kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur<span class="pagenum"><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span>
+van liefde een menschenleven waard, alsof levens-geluk
+een kwestie van tijd was! Bernard benijdde
+zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was
+gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o!
+zoo te sterven, liggend achterover in je witte kussen,
+met die lichtheid van liefde in je hoofd, doorklankt
+van die éene, éene stem, zoodat je &rsquo;t voelt liggen
+je hoofd, zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend
+puur als &rsquo;t kristallijne water van een bergbeek,
+en dan je leven te voelen vergaan, wegwademen in
+licht-prikkelende boschgeuren....</p>
+
+<p>Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest,
+dat &rsquo;t geluid van zijn stem werd verwacht, met eenige
+spanning. Hij kon &rsquo;t niet langer uitstellen.</p>
+
+<p>&bdquo;Als u &rsquo;t ernstig meent met dat trouwen van mij,&rdquo;
+zei hij eindelijk, &bdquo;spreekt u er dan niet meer over....
+Ik zal trouwen.... of ik zal niet trouwen, maar met
+praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen zijn.&rdquo;</p>
+
+<p>Meer zei hij er niet over. Hij vond &rsquo;t eigenlijk al
+te veel. Dat driemaal herhaalde woord trouwen gaf
+hem al een gevoel van tegenzin. Wat had eigenlijk
+dat trouwen te maken met zijn droomen van
+verlangen.</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze
+gingen binnen zitten en &rsquo;t licht ging op. En &rsquo;t duurde
+niet lang meer of ze zaten aan &rsquo;t gezellig-groen belakende
+speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren
+verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige
+lessen over &rsquo;t ruilen, over &rsquo;t tegenspelen van &bdquo;sans
+prendre&rsquo;s&rdquo; en zoo meer. Hij spande zich zeer in,
+maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom
+zich een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking
+maakte en tante deftig-breed glimlachte, want ze
+dacht dat &rsquo;t kwam door Lize, dat aardige, vroolijke
+meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet
+&rsquo;s te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en
+Bertje had trouwens verzocht niet over die dingen
+te spreken. Hij was &rsquo;t zeker nog niet met zich zelf<span class="pagenum"><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span>
+eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en
+niet storen.</p>
+
+<p>De winterdienst was al in werking, Bernard moest
+dus vrij vroeg weg. &rsquo;t Afscheid was heel hartelijk, hij
+moest vooral toch gauw terugkomen; liefst hadden
+ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien
+van de week ook &rsquo;s in de zaken komen kijken. Ofschoon
+hij wel wist, dat hij &rsquo;t gerust over kon laten,
+dat was &rsquo;t niet, hoor!</p>
+
+<p>Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en
+Bernard liep den donkeren weg naar &rsquo;t station op
+met een warm gevoel van vriendschap en dankbaarheid
+jegens die twee goedhartige menschen, die al
+zoo onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel
+geen groote dingen, maar och, wat zouden ze ook!
+Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes
+geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun
+best gedaan met kleine zorgen, hartelijkheidjes, en
+altijd zoo eenvoudig en kiesch, zooals zoo veel ouders
+&rsquo;t niet doen voor hun kinderen....</p>
+
+<p>Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde
+de nachtwind in de boompjes en struiken op
+zij van den weg, geheimzinnig schemerig flikkerden
+lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen
+de villa&rsquo;s in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend
+de stilte, de wijde nachtstilte om hem, en denkend
+aan de stad, waar hij heen ging, waar hij straks aan
+zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond,
+van menschen, die &bdquo;uit zijn&rdquo; en rekken hun roes
+van plezier, opgewonden negeerend &rsquo;t einde van den
+dag, van galmende troepen bezopen kerels en geil-gillende
+meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog
+trambelgerinkel, bleef hij staan en genoot van de
+stilte, en opziend naar de sterren, die twinkelden bij
+honderden tegen &rsquo;t diepe intense zwart, zag hij den
+nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En &rsquo;t was
+hem of hij dat nooit te voren zoo gezien had. Hij
+kreeg er een geweldigen indruk van. Een gevoel dat<span class="pagenum"><a name="Page_110" id="Page_110">[110]</a></span>
+hij anders nog alleen gekend had &mdash; een enkele maal &mdash; bij
+&rsquo;t hooren van muziek, dat had hij nu ook,
+staande alleen in den nacht; hij voelde zich groeien.
+Toen hij weer doorliep voelde hij zich lichamelijk
+grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel
+gevend aan &rsquo;t genieten van de zwarte stilte. Hij
+kreeg er zoo&rsquo;n sterken indruk van, dat &rsquo;t hem was
+als schreed de nacht, belichaamd, in rustige grootheid,
+met hem voort. En hij voelde sympathie voor
+den nacht, als voor een grootsche persoonlijkheid,
+onbegrepen.... En hoe kwam &rsquo;t dat hij nu in-eens
+weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een
+week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat
+verbroken was, een wijd en vaag-smartelijk verlangen....;
+&rsquo;t was of de nacht hem helpen kon om hen
+te vinden....</p>
+
+<p>Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming,
+en een hoek omgaande zag hij dat &rsquo;t station voor
+hem lag. Maar opgewekt, als een die &rsquo;n onverwacht
+geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op &rsquo;t
+perron was &rsquo;t al vol menschen, die mee moesten met
+den laatsten trein. Bernard voelde de stad al in die
+volte. En toen dacht hij met een gevoel van heimwee
+aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij
+vond &rsquo;t plotseling een dwaasheid terug te gaan naar
+die stad, waar hij nu een afkeer van had. Waarom
+bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet wandelen,
+de landwegen op, dwars door de velden, alleen
+met de boomen en de hekjes en slootjes en de verre
+sterren, alleen in den nacht, in die heerlijke hal van
+diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?</p>
+
+<p>Hij liep &rsquo;t perron zoo ver mogelijk af en staarde
+voor zich uit over het open veld. Maar de koele nachtwind
+kwam aanstrijken langs den grond en kou
+kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling
+en in-eens een niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn
+bed. Hij ergerde zich er aan; in zichzelf vloekend
+kwam hij terug onder de menschen, die stonden te<span class="pagenum"><a name="Page_111" id="Page_111">[111]</a></span>
+kletsen en te lachen onder de kap van &rsquo;t perron. Uit
+een van de gichelende groepen riep een zwarte meid,
+in-eens haar bovenlijf naar hem toebuigend, met een
+loeistem: boe!.... en ze gilde &rsquo;t uit van de lol. Hij
+begreep dat &rsquo;t was om &rsquo;t norsche gezicht dat hij trok,
+en tegen wil en dank, zich weeïg ergerend, moest
+hij meelachen.</p>
+
+<p>Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend,
+blazend, sissend en kreunend als een bezeten
+beest, haastte hij er zich heen en zocht een hoek-plaatsje
+op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging
+zitten, met zijn oogen toe, willend de ergernis in dof
+gesoes vergeten. Een paar minuten schreeuwerig
+lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch
+dreunend over &rsquo;t ijzer, door naar de stad. Want treinen
+stormen van stad tot stad; ze gaan in donderende
+vaart de stille duisternis der velden langs,
+der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten
+in hun heete haast. En de menschen, die er
+in zitten weten niets van de geheimen die fluisterend
+gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes
+op &rsquo;t land en naar de krekels en de veldmuisjes,
+zij vermoeden niet &rsquo;t intieme leven van &rsquo;t
+riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in
+de plassen van &rsquo;t moeras, en de torren en kikkers....,
+maar Bernard dacht aan dat allemaal, stil soezend in
+zijn hoek, gehinderd door &rsquo;t gebabbel van de anderen
+in de coupé. En weer voelde hij &rsquo;t onzinnige van zijn
+rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor
+&rsquo;t stille donkere veldenland.</p>
+
+<p>Maar zijn gesoes werd doffer, &rsquo;t gepraat ging verder,
+hij viel met knikkend hoofd in lichten slaap.</p>
+
+<p>Toen de trein de stad naderde met schel-gillend
+gefluit werd hij wakker en keek naar buiten en zag
+het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad hing.
+Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering,
+lag &rsquo;t groote hol waar &rsquo;t bezeten treinbeest hem
+heenbracht in hijgende haast. Daar lag de stad, de<span class="pagenum"><a name="Page_112" id="Page_112">[112]</a></span>
+sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer
+zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen
+van allen dag, en geen enkele groote vreugde.
+Daar leefden ál de menschen, tobbende, zorgende
+menschen, onder en boven en naast hem, huis aan
+huis, straat aan straat. Daar woelden ze en werkten
+ze, zochten geluk en vonden kleine genietingen. En
+dien rossigen schijn boven de stad zag Bernard toen
+in-eens als een lichtglans om &rsquo;t hoofd van een martelaar,
+die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt,
+zich afbeult, niet willend &rsquo;t genot wat voor &rsquo;t grijpen
+is, maar enkel de zaligheid.</p>
+
+
+
+
+<h2>VIII.</h2>
+
+
+<p>Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn
+ouden leeren kantoorstoel zat, voor zijn schrijftafel,
+die met stapeltjes paperassen en allerlei zakendingen
+dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en
+te piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen
+rommel heen, in even-opkomend gesoes, naar buiten,
+naar de oude viezige straat in &rsquo;t bleeke, vaag-schaduwende
+Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van
+de vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te
+zijn van kil-spokerige duisternis, toen voelde hij in-eens
+een spitse spijt, dat hij dien vorigen dag, dien vrijen
+Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet &rsquo;s een
+poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, &rsquo;s middags
+bijvoorbeeld, in &rsquo;t Concertgebouw of ergens anders, en
+al was &rsquo;t maar één blik op te vangen, één zoo&rsquo;n metaal-koel
+neer-huiverenden spotblik, één zoo&rsquo;n blik van uitdagenden
+trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking,
+één zoo&rsquo;n blik van haar langs de verstandig
+pratende hoofden en achter de hulpelooze halzen van
+degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O!
+zoo was &rsquo;t nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was
+te passief, veel te akelig laksch in zulke omstandigheden!<span class="pagenum"><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span>
+Daardoor kwam &rsquo;t, dat hij nooit &rsquo;s &mdash; zooals
+anderen zoo dikwijls &mdash; een pikant avontuurtje had,
+een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.</p>
+
+<p>Maar hoe kwam &rsquo;t dan toch dat hij, die anders
+toch zoo energiek was, die aanpakte en doortastte,
+dat hij altijd zoo&rsquo;n wachtende houding aannam in
+alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en
+besluiteloos, lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er
+zich weer aan, hij had &rsquo;t land aan zichzelf &mdash; maar
+hij vergat &rsquo;t in zijn werk. Want hij had &rsquo;t druk, en
+soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens
+boeien en hem dan uren lang niet loslaten. Dan ging
+met vollen geregelden gang de staal-gladde machine
+van zijn intellect en hield zijn aandacht strak gespannen.
+Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar
+het slagen van zijn zaken was hem een verstandelijk
+genot, een bijna zinnelijke bevrediging van zijn hersenbehoeften.</p>
+
+<p>Toen hij &rsquo;s middags naar &rsquo;t Leidscheplein liep om
+te gaan eten, dacht hij weer aan Zaterdagavond en
+hij zag &rsquo;n beetje op tegen &rsquo;t ontmoeten van zijn tafelvrinden.
+Van André vooral, en van Gerrit Volle, die
+zoo plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon.
+Hij liep tegen zich zelf te redeneeren dat &rsquo;t nonsens
+was bang voor die lui te zijn, dat ze toch eigenlijk
+tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn
+kracht. Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en
+bleef een beetje beklemd &mdash; tot zijn ergernis. Hij voelde
+zich pas ruimer worden, toen ze hem heel gewoon
+en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze
+waren vol nog over gisteren, ze hadden elkaar &rsquo;s middags
+weer getroffen en hadden een roezig-dollen dag
+gehad met André&rsquo;s broer; en de schilder was ook
+weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen
+door den echt vriendschappelijken toon van verwijt,
+toen ze hem vroegen, waarom hij ook niet was gekomen.
+Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde
+er zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke<span class="pagenum"><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span>
+kerels. &rsquo;t Was toch wel waar dat hij van hen
+hield en zij van hem.</p>
+
+<p>De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks
+zoo geregeld en eenvormig als een rij flesschen
+in een apothekerskast, alle dagen even lang, door
+de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen
+wat voller dan de ander, voller van werk dat gedaan
+en van woorden die gezegd waren, een dagenreeks
+zonder feiten, zonder een enkele daad, maar verschillend
+in hoogte van stemmingstinten; de eene dag
+helderder door een roes van actie, door opwekkende
+lectuur, muziek of een paar woorden van goedheid
+en vriendschap, de ander grijzer door kleine teleurstellingen,
+door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin
+van &rsquo;t werkelijke, zelf-minachting en door verveling
+die kwam van menschen en van dingen; de eene dag
+doorsprenkeld van lichtvlekjes als een beukenlaan in
+de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere
+emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een
+kreupelboschje in den mist, doorsiepeld van koude
+druppels, onverwacht vallend. Géén dagen van een en
+al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille
+treuring; altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk
+als een regenboog of licht contrasteerend, als een
+sober vrouwentoilet.</p>
+
+<p>Dikwijls als hij naar kantoor liep, overviel hem
+een drukkende, verslappende tegenzin in zijn werk,
+een gevoel van weeë moeheid, en dan ging hij traag
+en weifelend aan den gang en deed &rsquo;t ook lang zoo
+goed niet als anders &mdash; nog wel niet slordig of
+onnauwkeurig, maar onverschillig, verward, van-den-hak-op-den-tak-springend,
+en niet er van makend wat
+er van te maken was. Dan kon &rsquo;t hem ook niet
+schelen hoe &rsquo;t er uitzag, zijn werk. Maar andere dagen, &mdash; of
+soms wel andere uren van denzelfden dag &mdash; dan
+maakte hij er kleine kunststukjes van netheid van.
+Dan had hij daar plezier in, &rsquo;t niet alleen goed te
+doen, maar ook zoo dat &rsquo;t zien er van aangenaam<span class="pagenum"><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span>
+was, dan voelde hij wat van &rsquo;t genot dat z&rsquo;n werk
+moet geven aan iemand die iets moois maakt. Dan
+merkte hij in zich zelf een licht-fantaseerend ziele-koesteren
+van sommige prettige werkjes, dan voelde
+hij een opwekkende, soms bepaald vroolijk makenden
+strijdlust tegen andere bezigheid, stroef lastig of
+taai-vervelend, een lust er gauw mee te beginnen, zich
+er dapper en handig doorheen te slaan. Soms verweet
+hij zich, dat hij zich zoo weinig bemoeide met zijn
+bedienden; dan wilde hij die menschen beter leeren
+kennen, en dan lette hij meer op hen en ontdekte
+nieuwe kwaliteiten in hun werk en zei dat ook en
+prees en moedigde aan. Maar een volgenden dag
+ergerde hij zich weer aan hun kortzichtigheid, aan hun
+kleinzielig alleen-maar-doen wat hoog noodig was, aan
+hun blind-pedante, zelf-genoegzame domheid. Zoo
+gaven kleinigheden hem oogenblikken van klein verdriet
+en klein genot. En dat waren wel triestige uren,
+als hij voelde hoe klein dat allemaal was.</p>
+
+<p>Hij voelde ook wel dat zijn eigenlijke leven in zijn
+avonden was. Als &rsquo;t werk dat af moest af, en &rsquo;t eten
+dat op moest op was, en de uren kwamen van doen
+wat je wilt voor je weer moet gaan slapen, wat ook
+al noodig is, plicht, zaken! De avonduren, daar kwam
+&rsquo;t op aan in dat soort van leven van hem, dat wist hij
+wel. Ze waren goed of slecht, ze brachten hem vooruit
+of zetten hem terug. Soms voelde hij &rsquo;t gehalte
+van die uren een tijdje lang stijgen en dan weer
+afnemen, minderen. Daar was aldoor actie en reactie
+in. Waren zijn avonden eenige dagen achtereen heel
+min geweest, gedachteloos omgebracht in koffiehuis-praatjes,
+en spelletjes, in een halven roes soms en
+quasi-gewichtig geklets, dan volgde er geregeld een
+periode van stomme moedeloosheid, landerigheid, katterigheid.
+&rsquo;t Duurde meestal niet lang. Eén avond van
+stille lectuur, of een concert, of &rsquo;t zien van mooie
+dingen, of alleen maar een half uur droomend niets-doen
+bracht hem dikwijls weer op de hoogvlakten,<span class="pagenum"><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span>
+waar hij leven kon. Dikwijls. Maar soms ook gaf &rsquo;t
+allemaal niets; lectuur, muziek, tooneel, niets was
+er dan dat hem kon boeien. Dan was hij nurksch op
+kantoor en stil bij zijn vrinden, in zich zelf gekeerd,
+onverschillig schijnend en cynisch. Dan voelde hij
+zich verward, ontmoedigd, zonder plan en met een
+vaag verlangen om meegenomen te worden door sterkeren;
+dan was hij angstig, klein, laag-levend en erg
+alleen. Dan voelde hij &rsquo;t een beetje hoe ver hij leefde
+van zijn ziel, van zijn eigenlijk, van zijn eigen gevoels-terrein,
+en tastend naar den weg daarheen vond hij
+dien niet. Schimmen, leegte, niets dan leegte grepen
+zijn tastende handen, ijle, geheimzinnige, donker-beangstigende
+leegte. Hoe meer hij er over dacht,
+hoe verder &rsquo;t van hem wegging, als iets wat hij ééns
+had geweten en wat hij zich nu niet meer te
+binnen brengen kon, een wachtwoord, een tooverspreuk.
+Ja, dat was &rsquo;t, er moest een tooverspreuk zijn,
+waardoor je kon doen opengaan de streng-gesloten
+kristallen berg, die ligt in &rsquo;t diepst van je ziel. En als
+die openging, dan kon je recht in den hemel kijken.
+Maar hij was zijn spreuk kwijt..... heelemaal vergeten....
+En hij kon er niemand naar vragen....
+Want er waren nog maar twee andere menschen geweest,
+die &rsquo;t wisten, en die waren dood....</p>
+
+<p>Zoo was er aldoor actie en reactie in zijn stemmingen,
+soms heel snel opeenvolgend. &rsquo;t Gebeurde,
+dat hij uren achtereen met vrinden en allerlei kennissen
+in een café zat of in een duitsche bierkneip,
+waar kelnerinnen handjes kwamen geven en verliefd
+doen en klagen, dat ze niet met heeren mee mochten,
+&rsquo;s avonds, sentimenteel-huilerig als oude juffrouwen,
+die zuchten en smachten naar poëzie...., dat hij dan
+uren achtereen zat te kletsen en te lachen, biertjes
+en grogjes drinkend, en dat hij &rsquo;t gezellig vond dat
+geklets, en dat hij ze lekker vond, zijn biertjes en
+grogjes, zijn oesters met ale, zijn slaadjes en
+halve-gedraaiden, dat hij een warm plezier had in<span class="pagenum"><a name="Page_117" id="Page_117">[117]</a></span>
+zijn jongeheerenleven en zijn vrijheid, zijn alles-gemakkelijk-kunnen-doen &mdash; want
+er was geld genoeg
+en hij was jong en gezond en sterk &mdash; en dat hij dan
+toch in &rsquo;t naar huis gaan zich dat plezier liep te herinneren
+met een gevoel van sterke walging, als van
+veel warm vet, met een gevoel soms ook van fel-bittere
+zelfverachting, pijn schroeiend, als een brandmerk
+in zijn blanke borst. En dat hij dan toch den
+volgenden morgen die nachtelijke zelfkwelling toeschreef
+aan een sentimenteelen dronk en zich weer
+een heer vond, een gentleman. Ja, soms was hij bepaald
+ietwat ingenomen met zich zelf, vond hij zich
+lang niet de minste van zijn clubje, een kranig jong
+koopman, maar een uur later lachte hij zich schamper
+uit om die verbeelding en bespotte zijn eigen figuur
+en zijn manier van doen, tot in kleinigheden, als
+gold &rsquo;t een gek, die hij ergens zag zitten. Gebazel
+over moderne weltschmerz kon hem dikwijls nijdig
+maken en woorden doen zeggen van nurksche nuchterheid,
+zoo naar, zoo kriebelig-belachelijk vond hij
+dat dan, &mdash; en toch, hoe dikwijls zuchtte hij zelf naar
+een ver, onbereikbaar geluk, zich vragend welken
+draak hij toch dooden moest om daar te komen.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>In de eerste weken na die trouwpartij zag hij éénmaal
+Mimi. &rsquo;t Was op een middag, heel onverwacht.
+Na beurstijd was hij even geloopen naar een kantoor
+op de Prinsengracht, waar hij iemand spreken moest.
+En op zijn weg terug, terwijl hij nog strak liep te
+denken aan de met dien man besproken zaken &mdash; daar
+kwam ze in-eens aan, al vlak bij toen hij haar
+zag. Hij groette bedaard, zeer eerbiedig, bijna statig,
+maar van schrik plotseling een steen in zijn borst
+voelend en zijn leden zwaar en loom. Zij groette
+ook, deftig-vriendelijk, koel-gewoon, een bijna onmerkbaar
+herinneringslachje in de hoeken van haar mond,
+maar in haar oogen geen gloed van spot, geen lach,
+geen zweem van emotie. Toen ze voorbij was bleef<span class="pagenum"><a name="Page_118" id="Page_118">[118]</a></span>
+hij staan en keek om, maar zij liep door, heel kalm
+stappend, een lieve, deftige dame in een stadsstraat,
+in een elegant wandelcostuum, met een dun parapluietje
+en een visiteboekje. Ze groette met zoo&rsquo;n
+zelfde minzame hoofdnijging een ander die haar tegenkwam.
+Er was geen reden, geen aanleiding om haar
+na te loopen, haar aan te spreken. Dat doen dames
+en heeren niet, die elkaar nog zoo weinig kennen.
+Een eindje verder ging ze een winkel in. Hij keerde
+om; langzaam, weifelend liep hij terug. Eigenlijk had
+hij hoegenaamd geen lust om haar aan te spreken,
+maar hij plaagde zich zelf met: Kom schiet nou &rsquo;s uit
+je slof! doe nou &rsquo;s wat! profiteer nou &rsquo;s van de
+gelegenheid. Hij liep den winkel voorbij. Zij stond
+te praten met een andere dame, hij verbeeldde zich
+haar stem te hooren. Twee huizen verder bleef hij
+weer staan, wachtend, kijkend naar de deur van
+den winkel waar zij ingegaan was. Hij had een paar
+zinnetjes in zijn hoofd gehaald, die hij zeggen wou.
+Maar &rsquo;t duurde zoo lang. Hij had geen tijd meer.
+Nog eens liep hij den winkel voorbij; zij zat er nog,
+rustig stoffen te bekijken. Toen liep hij door, eerst
+langzaam, dralend, telkens omkijkend, maar toen weer
+gewoon en zelfs sneller om den verbeuzelden tijd in
+te halen; hij had &rsquo;t plannetje nu in-eens heelemaal
+uit zijn hoofd gezet, wat hem dadelijk lichter maakte,
+opgewekt zelfs, als was hij ontslagen van een drukkende
+verplichting. Gebrek aan tijd was een heel
+soliede motief tegenover zijn plagende zelf. En toen
+hij langzamerhand weer geheel en al bekomen was
+van de emotie en naging in zich zelf wat er was
+gebeurd, toen merkte hij hoe ze hem tegengevallen
+was bij die tweede ontmoeting. &rsquo;t Was heelemaal niet
+zij geweest, zooals ze leefde in zijn droomen; ze was
+als een slecht-geslaagde copie van zich zelf geweest;
+op dit meisje zou hij nooit verliefd zijn geworden.</p>
+
+<p>Ook was hij heel gauw vergeten, hoe ze er uit
+zag zooals hij haar op straat was tegengekomen,<span class="pagenum"><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span>
+maar zooals ze was geweest op dien bal-avond, zoo
+dacht hij weer aan haar dien dag en den volgenden.
+En hij had weer datzelfde gevoel van gecharmeerd
+zijn, en een paar dagen later was hij ook die leegheid
+van tegenvallen, van teleurstelling weer vergeten,
+maakte hij zich een fantasiebeeld van haar hem tegenkomend
+op straat, en opnieuw mopperde hij tegen
+zich zelf over zijn gebrek aan actief optreden en
+tegenwoordigheid van geest in zulke gevallen. Als
+&rsquo;t weer gebeurde, zou hij nu bepaald heel anders
+doen. Hij zou haar dadelijk aanspreken, haar zeggen
+dat ze mooi was, dat hij aldoor aan haar dacht.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t gebeurde niet meer. En ook minder dan
+vroeger zon hij op plannen om haar te ontmoeten.
+Dat was nu al &rsquo;s gebeurd, de aantrekking van &rsquo;t ongekende
+bestond er niet meer voor. &rsquo;t Was al &rsquo;s gebeurd,
+en wat had &rsquo;t hem toen gegeven? Niets. Door zijn
+eigen schuld, door zijn aard, door zijn nu-een-maal-zoo-zijn.
+En zoo ging langzamerhand die hopelooze
+verliefdheid er bij hooren, bij al zijn overige grieven
+tegen zich zelf, en vervaagde meer en meer in
+zijn algemeen gevoel van gemis en eenzaamheid.
+Tot hij eindelijk niet meer verlangde naar een ontmoeting,
+er eigenlijk nooit meer aan dacht, gewoon
+geraakt aan haar staan in zijn gedachten, zooals dat
+nu eenmaal was, zooals &rsquo;t een deel van hem zelf
+was geworden.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Eens, tegen half November, werd hij door Hendrik
+uitgenoodigd, een Zondag met hem te gaan doorbrengen
+in Haarlem bij zijn familie. Hij nam &rsquo;t aan
+omdat hij &rsquo;t moeilijk kon weigeren, zonder blijdschap.
+Hij was er nooit geweest, hij kende alleen Hendrik
+en zijn zuster Lize, die aan &rsquo;t souper op die trouwpartij
+naast hem gezeten had. En &rsquo;t was een groote
+familie; veel kinderen; Hendrik was de oudste. Nu
+kwam hij niet graag in groote families. Hij hield er
+niet van de eenige &bdquo;vreemde&rdquo; te zijn aan zoo&rsquo;n<span class="pagenum"><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span>
+intiemen familiedisch, de gêne, de gemaakte glimlachjes
+te zien op de gezichten van menschen aan
+hun eigen tafel; door de ouderen, ieder op zijn beurt
+beleefd-opgewekt aangesproken te worden en aldoor
+aangegaapt door de jongeren; kleine, met moeite
+bedwongen familietwistjes bij te wonen en te doen
+alsof je &rsquo;t niet merkte; galant te moeten zijn met de
+gallige oude tante, die geregeld &rsquo;s Zondags komt
+eten en erg gesteld is op haar &bdquo;partijtje&rdquo;; en in den
+loop van den avond al de stokpaardjes van den gastheer
+te moeten afrijden.</p>
+
+<p>Maar hij wist dezen keer zoo gauw geen uitvlucht.
+En dus ging hij dien Zondagmorgen met Hendrik
+mee. &rsquo;t Was een koude grijze Novemberdag zonder
+regen. Hendrik kwam hem afhalen van zijn kamer
+en ze kwamen tegen twaalf uur in Haarlem aan.
+De familie woonde op een van de Singels, in
+een groot heerenhuis met een hooge stoep, een
+ouderwetsch huis, suffisant-breed, van donkere baksteen,
+eenvoudig en pretensieloos van bouw. Er was iets
+goedig-ouds, iets aantrekkelijk rustigs in &rsquo;t uiterlijk
+van dat huis, waarmee in overeenstemming de klank
+van de schel, een kalm-blank geluid, zonder natrilling.
+Even schoot de sensatie in Bernard op, maar hij
+kon er niet over mijmeren, want bijna dadelijk werd
+er open gedaan.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een van Hendriks zusjes, die dat deed, een
+meisje van vijftien of zestien jaar, een aardig donker
+kind, met losse krullen en lachende, klare oogen. Zij
+groette haar broer &rsquo;t eerst en gaf hem een zoen, waarvoor
+hij zich &mdash; wat houterig en licht verlegen &mdash; tintel-blikkend
+vooroverboog terwijl zij op haar teenen ging
+staan. En toen gaf ze ook Bernard een hand, bedaard-vroolijk
+groetend, luchtig en kort, als was hij een
+goede kennis. Hij voelde zich nu erg op zijn gemak,
+gaande door de rustige gang, langs de hooge donker-houten
+lambriseering, naar den kapstok, waar Hendrik
+hun beider jassen en hoeden aan hing, terwijl<span class="pagenum"><a name="Page_121" id="Page_121">[121]</a></span>
+hij met zijn harde, hoekige stem, praatte tegen zijn
+zusje, vragend naar allerlei dingen. En zij nam heelemaal
+geen notitie meer van Bernard, maar keek
+aldoor naar den grooten broer, vlug antwoordend
+op zijn vragen, met afdoende zakelijkheid, levendig
+en opgewekt.</p>
+
+<p>&bdquo;Ga binnen, ga binnen!&rdquo; zei Hendrik en duwde
+een deur open, waardoor ze kwamen in een ruime
+hooge kamer, achter in &rsquo;t huis. Er was niemand. Maar
+er was vuur in den haard, en op de groote vierkante
+tafel stond de koffie klaar, op een groot blad met
+koppen, eigen koppen in allerlei vormen en kleuren,
+en er was gedekt voor tien personen met aardig blauw
+porselein. De koffiekan stond te dampen uit z&rsquo;n tuit,
+en er was een rood Edammer kaasje op tafel en een
+aangesneden ossenhaas en twee lange brooden. Naast
+de tafel stond de ketel op de theestoof met kracht te
+razen. Als een beeld van &rsquo;t familieleven was die
+tafel, intiem, huiselijk, warm, gemoedelijk, onder-ons.
+En rondkijkend vond Bernard dat de heele kamer
+daar bijhoorde. De open piano, waar muziek over
+heen gegooid lag met een handwerk, de oude mahoniehouten
+boekenkast, met glazen deuren van boven
+alleen, waardoor je de boeken zag staan, in oude
+banden, met stille, bruinige, verschoten kleuren, een
+beetje rommelig, en de groote bloemenmand, waar
+veel in geplant en gekweekt scheen te worden, en de
+stapel stoven in een hoek, en de tegen &rsquo;t behangsel
+geprikte platen, dat alles te zamen wekte begrip van
+vrij en onbeklemd leven en bewegen, en veilig thuis
+zijn. Bernard was de stemming van dat soort van
+kamers een beetje vergeten; &rsquo;t was nu iets nieuws
+voor hem, iets bizonders, iets heel goeds en prettigs,
+en wat hij zoo zien kon, omdat hij er buiten stond,
+omdat hij er zoo heelemaal niet mee verwend was.
+&rsquo;t Was dus weer zoo&rsquo;n speciaal heimelijk genotje
+voor hem alleen. Want de menschen die daar thuis
+hoorden konden natuurlijk die stemming niet meer<span class="pagenum"><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span>
+merken, want ze waren niet, zooals hij, gewoon aan
+alleen-zijn en aan koffiehuisdrukte; hun waren de
+muren van die kamer zeker geworden een aangenaam-rustig,
+stil-geliefd levensomhulsel, als een oude, makkelijke
+jas of een luie stoel, waar je aan gewoon bent.
+Bernard dacht ook even aan de kamers van zijn oom
+in Bussum en voelde nu veel scherper, dan toen hij
+er was, de onhuiselijkheid, de koude prachtigheid daar.</p>
+
+<p>&bdquo;Waar is moeder?&rdquo; vroeg Hendrik.</p>
+
+<p>&bdquo;Ze komt dadelijk,&rdquo; zei &rsquo;t meisje, &bdquo;ze is zich nog
+aan &rsquo;t kleeden, maar &rsquo;t is haast koffietijd, dus zullen
+ze allemaal wel gauw verschijnen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga zitten, Bert,&rdquo; zei Hendrik, een leuningstoel
+aan een van de twee breede ramen schuivend, &bdquo;kijk,
+zoo ziet onze tuin er nou uit in November.&rdquo;</p>
+
+<p>En Bernard zat aan &rsquo;t raam en zag een zwartigen
+lap grond tusschen houten leuningen, een paar dikke
+gebogen boomen, die hier en daar nog vol groen-gele
+blaren zaten, en tusschen de oude grijzige kiezelweggetjes
+de bloemperkjes, leeggehaald, daar liggend
+nu als neergegooid, verwaarloosd speelgoed, zwart en
+vuil geworden door den regen. Het stille, leege tuintje
+had iets droef-verlorens, iets triestig-doodsch onder
+de grijze, kil-strakke lucht. Maar achter zich voelde
+hij de warme familiekamer en hoorde hij &rsquo;t kokende
+water razen, en de stem van &rsquo;t meisje, die praatte
+tegen haar grooten broer, vertellend van wat er gebeurd
+was in de afgeloopen week, van de poes die vier
+muizen had gevangen en van de St.-Niklaas-surprises
+waar ze aan bezig was, en waar eigenlijk niemand
+iets van weten mocht, maar Henk wel, want die zou
+&rsquo;t wel niet verraden....</p>
+
+<p>Toen hoorde hij de deur opengaan en opstaand
+en zich omkeerend zag hij een gezette oude dame
+naar zich toekomen met een prettig-rond gezicht van
+nobele regelmaat zonder strengheid. Ze was niet
+groot, maar ferm recht-op-loopend, zooals ze daar
+opgewekt-parmantig aan kwam stappen scheen ze<span class="pagenum"><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span>
+niet den indruk te willen maken van een klein vrouwtje,
+en dat deed ze dan ook niet. Ze had bijna heelemaal
+grijs haar en kleine, ronde oogen, die Bernard
+recht en ietwat onderzoekend, maar erg goedig en
+vrindelijk aankeken; ja, toen ze vlak bij hem was
+en hem een hand gaf, was &rsquo;t of haar oogen vochtig
+werden van blije aandoening. &bdquo;Dag meneer Bandt,&rdquo;
+zei ze, &bdquo;&rsquo;k ben blij dat ik u &rsquo;s zie.&rdquo; Toen gaf ze
+Hendrik een zoen, vragend met veel teederheid in
+haar stem: &bdquo;Hoe gaat &rsquo;t jou, Henk? Goed?&rdquo; en daarop
+praatte ze dadelijk weer door tegen Bernard en zei
+veel hartelijke woorden van welkom. Ze had een
+prettig-positieve, gulhartig-volle stem, soms even genoeglijk
+brommend, en dan weer melodieus-zangerig
+opklinkend, een heel mooie stem, vond Bernard. Al
+pratend was ze voor haar blad gaan staan en had de
+koffie opgeschonken en begon nu de boterhammen te
+snijden, wat een aardig gezicht was, zoo pittig-vlug
+ging &rsquo;t mes er door met een lekker-droog gespat en
+geknap van kruimels.</p>
+
+<p>En daarop kwam Lize binnen, die Bernard heel
+vroolijk groette en dadelijk over de trouwpartij begon,
+waar ze beiden geweest waren. Of Bernard zich ook
+zoo geamuseerd had? O zij dol! Wat een heerlijke
+zaal om te dansen! En ook zus Betsy, die achter
+haar de kamer inkwam, deed dadelijk vroolijk mee
+met uitroepen van verrukking over dat eenige bal!
+Want ze was er ook geweest, maar Bernard, verweet
+ze hem nu, had niets geen notitie van haar genomen,
+wat erg onvrindelijk van hem geweest was.
+Hendrik plaagde haar en Lize &rsquo;n beetje met leuk-nuchtere
+opmerkingen over &rsquo;t feest, en onder hun
+gepraat door hoorde Bernard telkens de stem van
+de moeder, die gedurig weer doorbabbelde met
+gemoedelijk-tevreden, bescheiden-vroolijke zinnetjes,
+als bruine moschjes tippend op een vensterbank: &bdquo;Ik
+ben &rsquo;n beetje in den late van morgen!.... Dat moet
+je me maar niet kwalijk nemen!.... zoo Zondags....<span class="pagenum"><a name="Page_124" id="Page_124">[124]</a></span>
+dat is zoo de eenige dag in de week.... zie je,
+meneer Bandt, dat ik m&rsquo; ook maar de weelde gun
+van &rsquo;n beetje langer (ze gaf Bernard een oolijk knipoogje)
+te slapen, weetje.... Dat moet een mensch
+dan toch ook ééns in de week er &rsquo;s van hebben,
+wat jij Henk!.... En de meisjes doen toch alles
+zoo graag voor d&rsquo;r oude moeder, niet waar?....
+hier Bets, pak &rsquo;s an!.... geef &rsquo;s even aan Jansje en
+zeg dat ze me gauw de gekookte melk brengt,....
+en jij Hans (tegen &rsquo;t jongste meisje) roep pa en de
+jongens &rsquo;s even, maar schreeuw niet zoo hard hoor!
+Betje heeft hoofdpijn.... arme meid!.... &rsquo;t Was nog
+al d&rsquo;r uitgaansdag vandaag!.... Ja, &rsquo;k heb er mee te
+doen, hoor! Alle harten bij je eigen!.... ze moest nu
+maar omruilen heb ik al gezegd.... Maar, je begrijpt,
+hij komt &rsquo;r halen!.... En ze gaat voor &rsquo;t eerst met &rsquo;r
+nieuwen winterhoed.... &rsquo;n aardig hoedje is &rsquo;t geworden
+.... ik heb &rsquo;t voor haar opgemaakt!.... ze was er
+zóó blij mee!.... O die meid!.... Och ja, wat wil je,
+in de winkels worden die meiden dikwijls zoo
+bedot......&rdquo;</p>
+
+<p>Hans bracht haar vader mee, die binnenkwam op
+zijn pantoffels en met de krant onder zijn arm. Hendrik
+stelde zijn vrind voor. &bdquo;Aha! meneer Bandt!&rdquo;
+zei de oude heer, &bdquo;aangenaam, meneer, aangenaam!
+Wacht &rsquo;s even!.... &rsquo;k zal me fok opzetten dan kan
+ik je beter zien!.... zóó.... zóó.... kom je &rsquo;s kijken
+hier?.... Wel dat &rsquo;s best hoor!.... Gaat &rsquo;t goed?....
+in de zaken.... tevreden?&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zei, dat hij geen klagen had, met een stil
+leed om &rsquo;t banale van die uitdrukking.</p>
+
+<p>&ldquo;Mooi! mooi!.... je doet veel op Indië, hè?....
+Ja, ja! ik weet er alles van.... &rsquo;k heb zoo lang in
+Amsterdam gewoond, o jé!.... Hoe gaat &rsquo;t met den
+ouden heer? Och nee, dat &rsquo;s waar ook!.... je bent
+met je oom in zaken...., ja, ja, nu herinner ik me
+weer.... precies.... zoo&rsquo;n kleine dikke man, hè....
+ja, ja, hij kwam vroeger veel in Polen!....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span></p>
+
+<p>Terwijl hij praatte draaide de oude heer vergenoegd
+aan zijn snor. Hij was een zestiger met een
+goed figuur, zonder embonpoint. Hij miste dat doorvoed-gezette,
+dat breed-gewichtige, wat Bernard soms
+zoo hinderde in de vaders van zijn vrinden. Hij verbaasde
+Bernard, die veel gehoord had van &rsquo;t werken
+van dien man zijn heele leven door, zonder rust,
+en nu had verwacht te zien een ernstig grijsaard,
+een beetje gebogen, een beetje moe. Maar o neen!
+dit was een opgewekte, levenslustige meneer, bijna
+jeugdig, met een zweem van coquetterie in de manier
+waarop hij zijn baard en snorren droeg, met een
+frisch-driesten oogopslag, met vrij wat zelfingenomenheid,
+met wat aanmatiging in zijn glimlach, met een
+gezicht van wacht &rsquo;s even, ik ben er ook nog! Zijn
+zakdoek stak met een keurig puntje uit den borstzak
+van zijn donkerblauw colbert en hij had welverzorgde
+witte handen met lange bolle nagels.</p>
+
+<p>Terwijl Bernard nog met hem stond te praten, kwamen
+ook Hendriks beide broers hem een hand geven,
+twee lange jongens van twintig en één of twee-en-twintig
+jaar. De een scheen dezelfde droge leukheid
+van Hendrik te hebben, maar de andere leek meer
+op zijn vader, had iets bewegelijks opgewondens, en
+was ook keuriger gekleed dan zijn broers.</p>
+
+<p>Ze gingen aan tafel. Bernard zat tusschen de twee
+oudste meisjes met hun aardig-gelijke gezichtjes. En
+&rsquo;t was heel vroolijk en gezellig; er was aldoor een
+algemeen over en weer gepraat, ook van de broers
+en zusjes met elkaar, en Bernard werd volstrekt niet
+gefêteerd of bizonder beleefd toegesproken. Hij voelde
+zich heel rustig en op zijn gemak, hij zei tot zich zelf
+dat hij toch niet heelemaal alleen op de wereld was
+zoolang er nog plaatsen waren als dit huis, waar hij
+voor niemand een vreemde scheen; hij voelde zich
+dankbaar en welwillend gestemd. Maar thuis voelde
+hij zich niet. Hij had er maar een vaag benul van
+hoe Hendrik zich hier voelen moest, Hendrik dien hij<span class="pagenum"><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span>
+zoo dikwijls over zich had zien zitten in een koffiehuis,
+en ook zijn eigen stemming was hem niet klaar.
+Want hij had nu geen tijd zijn indrukken goed na te
+gaan, zijn stemming te benaderen en te betasten met
+in zich zelf gesproken woorden. Dus trachtte hij zijn
+gemoedsgesteldheid vast te houden tot later en &rsquo;t
+gepraat van zijn mond daar buiten-om te laten gaan,
+wat hem haast altijd gelukte. Dit voelde hij heel goed,
+dat hij niet ten volle genoot, dat er iets ontbrak.
+Even probeerde hij &rsquo;t begrip jaloerschheid, maar dat
+was &rsquo;t niet.</p>
+
+<p>Na de koffie gingen de broers en zusjes dadelijk
+weg, ieder had zijn plannen, zijn afspraken. De oude
+heer ook; hij kwam nog even binnen met fijne sigaren
+en trok toen weer naar zijn kamer. Maar Hendrik
+en Bernard bleven nog zitten, wiegwippend met hun
+stoelen, stil rookend en overwegend nu en dan de
+wenschelijkheid van een wandeling, en na lang luiig
+praten over de grijze lucht en de kans op regen besloten
+ze &rsquo;t toch maar wèl te doen, vooral op aanraden
+van Hendriks moeder, die zei dat de frissche lucht
+altijd goed was voor menschen, die er niet veel uitkomen.
+Maar zij bleef liever thuis,.... ze was zoo
+gauw moe, door de dikte, weet-je:.... O! &rsquo;n last, als
+je zoo dik bent!.... en ze moest den podding ook
+nog maken, om de waarheid te zeggen....; dat deed
+ze altijd zelf,.... dan wist ze zeker dat-ie lekker
+werd;.... &rsquo;t ligt soms aan zoo&rsquo;n kleinigheid!....</p>
+
+<p>Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard
+en ze bleven den heelen middag uit, en dronken
+een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo
+lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar
+in gezelschap van anderen. En &rsquo;t was Bernard of hij
+zijn vrind nu voor &rsquo;t eerst goed zag. Wat een verbazende
+kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een
+leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder
+eenigen ophef! Wat een kracht, wat een solide
+bezit moest &rsquo;t zijn zoo&rsquo;n gestel. Bernard voelde zich<span class="pagenum"><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span>
+eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende
+gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de
+zwakkere, hij voelde zich een beetje kinderachtig
+eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te boven en
+begon &rsquo;t hem te vervelen, maakte &rsquo;t hem een beetje
+kriebelig, dat Hendrik nooit &rsquo;s overdreef, nooit &rsquo;s
+schold op iemand of bizonder ingenomen scheen met
+een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te lokken,
+begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden
+kenden en vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die?
+Wat &rsquo;s dat voor &rsquo;n vent? Maar Hendrik antwoordde
+dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes
+aan zijn sigaar, nam &rsquo;m uit zijn mond, keek er &rsquo;s naar,
+klopte de asch er af en zei dan: &bdquo;Och!.... hm!....
+zóó!.... ik kan wel met &rsquo;m opschieten;&rdquo; of: &bdquo;Ik vind
+&rsquo;m altijd nog al geschikt als je &rsquo;m zoo &rsquo;s spreekt!....&rdquo;
+Maar Bernard gaf &rsquo;t niet op &mdash; hij voelde zich geërgerd,
+maar bleef heel amicaal praten &mdash; hij begon
+over hun toekomst, over trouwen, en vroeg met een
+beetje spot in zijn stem of de ander nooit &rsquo;s verliefd
+was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:</p>
+
+<p>&bdquo;Nou!.... nooit!.... dat &rsquo;s een beetje sterk,.... ik
+heb wel &rsquo;s zoo&rsquo;n bui gehad.... ofschoon ik geloof dat
+ik niet van zoo&rsquo;n verliefde constitutie ben als jij!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, dat geloof ik ook niet,&rdquo; zei Bernard. &bdquo;God,
+kerel, ik ben eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat
+wel?&rdquo; En Bernard begon zich een beetje te ontboezemen,
+fantaseerend nu en dan, onwillekeurig,
+zonder innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy
+Franck, van een meisje in Londen, van een achternichtje
+dat bij zijn tante gelogeerd had, maar sprak
+niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd
+zou worden ook van zijn liefdesemoties
+wat te verraden, maar de ander zweeg, luisterend,
+rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards
+opgewonden taal, en bleef nu en dan even
+stilstaan om hem bedaard te wijzen op merkwaardigheden
+aan den weg.<span class="pagenum"><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span></p>
+
+<p>Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich
+een lichten roes gepraat, hij wist van geen stil-zijn
+meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde; dien
+man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want
+dat was geen stemming meer, dat was een hol harnas
+op een steenen stoel, daar was geen leven meer in,
+dat begon duf te ruiken! &bdquo;Zeg Hendrik,&rdquo; zei hij
+in-eens met een ernstige stem, &bdquo;ik moet je toch &rsquo;s wat
+vragen: Ga jij dikwijls naar de meisjes?&rdquo;</p>
+
+<p>Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet
+dadelijk en klopte de asch van zijn sigaar, en er was
+nu een zweem van korzeligheid in zijn toon toen hij
+antwoordde: &bdquo;Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem
+je dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m&rsquo;n
+agenda?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel,&rdquo; zei Bernard,
+&bdquo;dus.... zoo nu en dan, hè?.... Eéns in de
+maand bijvoorbeeld....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat kan wel!&rdquo; zei de ander, nu heel koel,
+&rsquo;n beetje boos blijkbaar, &bdquo;wie doet dat niet, hè?....
+als je niet getrouwd bent,.... &rsquo;n mensch is geen
+stokvisch!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En is &rsquo;t al lang geleden, dat je voor &rsquo;t eerst....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Verrek toch met al je vragen,&rdquo; viel Hendrik nu
+uit, voor &rsquo;t eerst dien middag, maar zijn stem klonk
+toch niet nijdig, &bdquo;wat kan &rsquo;t je schelen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och!&rdquo; zei Bernard, dreinerig, &bdquo;pure belangstelling!....
+Maar je hoeft &rsquo;t natuurlijk niet te zeggen,
+als je niet wilt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik
+in-eens: &bdquo;Ik weet wel, jij doet &rsquo;t niet.... Maar je
+zult er ook wel toe komen.... Wacht maar!.... Ik
+heb &rsquo;t ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk....
+Je moet maar &rsquo;s goed baloorig zijn!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard keek hem aan. Voor &rsquo;t eerst sinds hij hem
+kende zag hij Hendrik aangedaan. Zijn wenkbrauwen
+waren samengetrokken, hij zag heel bleek en zijn
+stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij<span class="pagenum"><a name="Page_129" id="Page_129">[129]</a></span>
+onbescheiden en onvrindschappelijk geweest was, en
+hij hield in-eens veel meer van Hendrik. Hij voelde
+dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij
+geleken had. &bdquo;Ja!.... nee!.... waarachtig!&rdquo; zei hij,
+&rsquo;n beetje verward en heel ernstig, &bdquo;daar heb je gelijk
+in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk nog niet over
+meepraten!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O zoo!&rdquo; zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig
+te spotten, om zich over zijn aandoening heen te
+brengen, die hem blijkbaar ergerde, &bdquo;jij bent nog
+zoo&rsquo;n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder,
+denk dáárom!&rdquo;</p>
+
+<p>En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk
+over wat anders te praten, over een huis aan den
+weg. Hij had &rsquo;t land, hij vond zich zelf jongensachtig,
+ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde
+zich erg. Ook was hun verder gepraat een beetje
+gedwongen en Bernard was blij toen ze thuis waren.</p>
+
+<p>Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje,
+en ze zaten nog een uurtje met hem te praten voor
+ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar &rsquo;t liefst over
+zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch,
+maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens
+vol vuur doordravend.</p>
+
+<p>De andere leden van de familie kwamen weer één
+voor één binnen, en eindelijk kwam ook mevrouw
+en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard bood
+haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig.
+&bdquo;Wel ja,&rdquo; zei ze, &bdquo;laten we &rsquo;s deftig doen!&rdquo; En lachende,
+gekheid makend, gingen ze nu allemaal, twee-aan-twee-gearmd,
+naar de eetkamer, een kleine stoet vroolijk
+pratende menschen.</p>
+
+<p>Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze
+zorgde heel goed voor hem en wilde ook wel graag
+door hem bediend worden, en was bijna moederlijk
+hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat,
+soms door allemaal tegelijk, zoodat er een
+roezige volte van stemmen was. &rsquo;t Viel Bernard op,<span class="pagenum"><a name="Page_130" id="Page_130">[130]</a></span>
+dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten
+en elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar
+boos om. Ze schenen heel veel van elkaar te houden.
+Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld blijkbaar.
+Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte.
+Hij praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij
+wat zei luisterden ze bijna altijd allemaal.</p>
+
+<p>En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard
+den familietrek, die hen maakte tot één soort menschen,
+hij zag die familie om haar tafel even, als in
+een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de
+essence van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij
+zich voelen moesten, hij voelde dat grage opgaan
+der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde de
+opoffering der enkelen en de glorie van &rsquo;t geheel.
+En nu wist hij &rsquo;t ook wat er ontbrak aan zijn genieten
+van de warme koestering in dien familiekring.
+Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar buiten
+leven, in treurige en onbegrepen afzondering,
+vreemd aan de broederliefde. Hij hield die menschen
+eigenlijk een beetje voor den gek, hij speelde kalm
+komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel
+anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld
+was &rsquo;t gezin. En dat was zoo&rsquo;n enorm verschil. Hij
+kon hier zich zelf niet zijn, hij zou die menschen verschrikken,
+beangstigen, hij zou hen storen. Als hij
+ging spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend
+de woorden, die hij hoorde in zijn ziel, zouden zij
+zwijgen en zich verlegen voelen. En dat hinderde hem,
+omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige
+menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking
+wou komen. &rsquo;t Hinderde hem dat hij
+die menschen voor den gek houden moest; ze waren
+zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En &mdash; in-eens
+besloten &mdash; nam hij zich voor, nooit meer
+terug te komen in hun kring, zich bannend, strengelijk
+en voorgoed, naar &rsquo;t Siberië van zijn eenzaamheid.</p>
+
+<p>Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was<span class="pagenum"><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span>
+&rsquo;t hem of hij daardoor zijn schuld al eenigermate had
+geboet en werd hij vroolijker en genoot rustiger. En
+ze brachten een heel prettigen avond door met muziek
+en gezelschapsspelletjes en veel gelach.</p>
+
+<p>Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij
+legde bij &rsquo;t afscheid nemen zooveel hartelijkheid in
+zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij schaamde
+zich weer wat, omdat &rsquo;t toch niet warm genoeg klonk,
+wat hij zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst.
+In den trein was hij stil en schijnbaar slaperig.</p>
+
+<p>En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed.
+Hij had wel willen huilen, maar zijn oogen bleven
+droog staren, hij werd niet week, hij kreeg geen
+medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets
+als wanhoop door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte
+angst, een dreiging van alle kanten. &bdquo;Je zult nog
+gek worden,&rdquo; zei hij in-eens, hardop in de stille
+kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende
+hand &rsquo;t angstzweet van &rsquo;t voorhoofd.</p>
+
+
+
+
+<h2>IX.</h2>
+
+
+<p>Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische
+stemming van alleen-zijn en &rsquo;t
+innerlijk koud hebben, en die bleef zoo den heelen
+dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom
+ook eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om
+hem heen, een somber dreigen van dingen, in-eens,
+terwijl hij er naar keek, meubelen op zijn kamer,
+huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige
+paperassen die trosten aan de muren van zijn
+kantoor. Soms trilden plotseling door zijn ziel sensaties
+van gisteren en dan voelde hij &rsquo;t weer, dat
+afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan &rsquo;t familieleven,
+aan &rsquo;t gemoedelijk-intieme van menschen in
+één huis, &rsquo;t heerlijk veilige van zoo&rsquo;n kamer met een
+paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend
+om de familietafel.<span class="pagenum"><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span></p>
+
+<p>En &rsquo;s avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en
+een torenklok, ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde
+bonzen, langzaam in de stilte, toen voelde hij &rsquo;t erg,
+dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn hand
+leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was &rsquo;t
+alleen de menschen, die hij miste, de vader en moeder,
+de broers en zusters, of was &rsquo;t ook &mdash; ja hij
+geloofde dat &rsquo;t vooral was &rsquo;t gevoel, dat hij niet kende,
+die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde,
+ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder
+twijfel zelfs, maar goed en natuurlijk. En hij hield
+dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn
+triestige stemming.</p>
+
+<p>Maar den dag daarop dacht hij, dat &rsquo;t juist dat
+praten over zich zelf weer was, wat hem zoo hinderde,
+dat zich uiten, zich &mdash; hoe onvolledig dan ook &mdash; geven,
+aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had
+hij dat dan ook weer gedaan! Hij wist immers zoo
+goed, dat hij daar altijd later &rsquo;t land over had! Want
+wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig
+spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat
+altijd. &rsquo;t Leek, als je er aan terugdacht, op walsen in
+een kerk, op uitgelatenheid in den maneschijn, op hard
+praten naast &rsquo;t bed waar een doode op ligt, &mdash; een
+doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig
+stil, beweegloos, zwijgend, maar luisterend, alles hoorend,
+te trotsch alleen om te spreken tegen menschen,
+want iedere doode is boven de menschen, is half
+god. &mdash; Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer
+doen. Dat zei hij zich wel twintig maal dien dag: laat
+ik dat nu nooit meer doen. Laat ik leven in me zelf,
+stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk, goedig-doende
+tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend
+met hen, maar voor allen een onvermoed geheim.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>De winter was er nu, de donkere maanden December
+en Januari. Bernard stond iederen morgen om
+half-acht, kwart-voor-achten op en soms was &rsquo;t nog<span class="pagenum"><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span>
+zoo donker, dat hij &rsquo;t gaslicht aan moest steken, de
+schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering.
+Dat gaf hem altijd een stemming van somberen
+ernst, alsof er oproer was, alsof hij moest gaan vechten
+of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan
+naar kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door
+de steenen kilte van de nog schaars-bevolkte ochtend-straten,
+door &rsquo;t harde, wit-grijze ochtendlicht, en daar
+op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige
+schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam
+warmende en dan in-eens dof-benauwende kachelhitte
+en de bedienden hoestten en snoten hun neuzen en de
+straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen,
+dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen
+en &bdquo;lemoen&rdquo;, en soms kwam een draaiorgel
+als een gillend hellebeest woeden onder de stille
+grijsheid van zijn kantoorramen.</p>
+
+<p>En op de Beurs was &rsquo;t voller en somberder dan
+ooit, door &rsquo;t armoedige licht en door al de dikke
+donkere winterjassen. Er werd geklaagd, gemopperd;
+haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou
+gauw weer weg naar zijn warme kantoor of naar een
+café om een borrel te drinken. Er hing een benauwd-zwoele,
+klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen,
+nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een sombere winter. Soms waren er wel
+eens een paar opwekkende dagen van droge vorst
+en zuiver zonlicht over harde straten en besneeuwde
+daken van huizen en kerken &mdash; mooi waren dan de
+boomen op de grachten, &rsquo;t wit berijpte takkengewar
+tegen de verre, blauwe lucht, &mdash; maar meestal was &rsquo;t
+een bruinige slobberboel overal in de donkere straten,
+en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht,
+fijn als zand.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t weer had weinig invloed op Bernard, wèl
+altijd meer dan hij zich bewust was, maar haast
+nooit zooveel dat hij &rsquo;t merkte; hij lette er doorgaans
+niet op, gewoon als hij was soezende door de straten<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span>
+te gaan en weinig te wandelen voor zijn genoegen.</p>
+
+<p>Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden
+in December waren als de avonden in November
+en zoo waren ook de avonden van Januari en Februari.
+De comedie en de café&rsquo;s, zitten op zijn kamer met
+een boek of zitten praten of spelen op de kamer van
+een van de vrinden. Ze hadden een whist-avond, ééns
+in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard. Hendrik
+speelde &rsquo;t beste, André met veel animo, met
+zekere genialiteit, wagend en winnend, Sam onverschillig-weg,
+uit gewoonte goed, en Bernard eerst
+tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig
+dan en niet meer met zijn hoofd er bij.</p>
+
+<p>Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid,
+koortsig brandend en kloppend onder zijn
+vel, gingen zijn gedachten, dreinig-onweerstaanbaar,
+telkens naar &rsquo;t naakt van vrouwen, moest hij loopen,
+heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde,
+doellooze wandelingen, want &rsquo;t was hem dan onmogelijk
+zich ergens toe te zetten, en hij wilde vooral
+geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van
+praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan
+als &rsquo;t maatschappelijk gepraat, &rsquo;t vluchtige bête
+gepraat tusschen kennissen, zonder eenige kleur of
+diepte van intimiteit, afschuwelijk-noodzakelijk....</p>
+
+<p>Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of
+een soiréetje, en als hij er niet af kon ging hij
+er heen en verveelde zich. Hij vond zoo&rsquo;n kamer met
+visite-dames-en-heeren niet veel beter dan &rsquo;t café en
+soms veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich
+zelf, bij zoo&rsquo;n gelegenheid &rsquo;t onbeduidendst, &rsquo;t minst,
+&rsquo;t prulligst. Die onbenullige avonden vergat hij gelukkig
+gauw, hij dacht er haast nooit aan terug, ze waren
+niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke
+gehechtheid aan één, niet in &rsquo;t oog vallend plaatsje
+in een groot café, een stoel aan een tafeltje, waar een
+kelner bediende die hem niet hinderlijk was door zijn
+uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil hoekje, waar<span class="pagenum"><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span>
+hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over
+zijn krant.</p>
+
+<p>Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en
+André deden druk aan schaatsenrijden. Maar Bernard
+had er dezen keer heelemaal geen lust in. Hij liet zijn
+schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André
+hem aan tafel dat hij &rsquo;s middags met Mimi had gereden.
+Toen had hij even spijt, een uur misschien,
+niet langer.</p>
+
+<p>Liever, liefst van al nog, zat hij &rsquo;s avonds op zijn
+kamer te lezen in &rsquo;t dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande
+licht van zijn gaslamp, waar hij schuin-onder
+zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd
+door &rsquo;t warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van
+&rsquo;t Leesmuseum, maar hij kwam er haast nooit, hij zat
+liever op zijn kamer, en de boeken die hij lezen wou
+kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn
+troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als
+hij er een paar dagen geen tijd of geen rust voor had
+gehad. Ook heele Zondagen bleef hij dikwijls op zijn
+kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend, levend
+in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend
+hoofd, óp van de wit-en-zwarte bladzijden van
+een boek dat voor hem lag, drinkend die stemmingen
+met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal
+van doortrokken was, tot hij een mooi vreemd,
+heerlijk vreemd leven in zich voelde, niet heelemaal
+een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar
+sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en
+daar plotseling zijnd, hoog-op als planten in één nacht
+gewassen, in den welbekenden, welvertrouwden tuin
+van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen bloembedden
+van zijn lectuur, tusschen de heesters van
+zijn eigenliefde, beschaduwd door den boom van zijn
+trots. Een hoog genot vond hij dat, zoo stil te gaan
+door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in
+diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie
+gewassen. Hij gaf er zich heelemaal aan over.<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span>
+Hij deed de deur van zijn kamer op slot om vooral
+niet gestoord te worden. En hij hield er van om,
+zoo&rsquo;n Zondagmiddag, na veel lectuur, als &rsquo;t ging schemeren,
+zoodat hij de letters niet meer zien kon, op
+te staan van zijn stoel en te gaan loopen door zijn
+half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend
+in zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd &rsquo;t
+doorwaaid van frisschen najaarswind en de kamer
+om hem heen als een stille kluis en dan ergens
+tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de
+stille dingen in de kamer, de dingen die begrijpen,
+kennen, en zwijgend peinzen in &rsquo;t slepende gewaad
+van de schemering. Dan zijn adem in te houden en
+de stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met
+zijn oogen toe te komen tot vlak bij den spiegel,
+en er in-eens in te kijken met groote oogen en te
+schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan
+om te keeren en te denken aan dat omgekeerde
+beeld in den spiegel. En dan zich langs een stoel te
+laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen
+te kijken, zich langzaam, slangig voorttrekkend
+over &rsquo;t donkere kleed, en dan in-eens stil te blijven
+liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met een
+kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd
+aldoor die suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende,
+fijn-spitse, als een boog strak gespannen gewaarwordingen
+van nieuwe en ook oude lang-vergeten-gewaande
+stemmingsmomenten en gedachten,
+nooit vroeger heelemaal gevoeld of begrepen en nu
+in-eens doorproefd, hoog-zuiver als een langzaam
+gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare
+geur binnendoor in den neus komt.</p>
+
+<p>O! van die stemmingen op zoo&rsquo;n leesdag, daar had
+hij een nooit aan zich zelf geuite verwachting van,
+een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend als een
+schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op
+liet vallen. Hij geloofde, dat &rsquo;t was de hoop, dat hem
+iets bizonders gebeuren zou in zoo&rsquo;n stemming, een<span class="pagenum"><a name="Page_137" id="Page_137">[137]</a></span>
+openbaring, iets van de eigenlijke dingen van &rsquo;t leven,
+die je alleen kunt bespeuren met de hoogste spanning
+van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten
+afgrond: waanzin.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal,
+en van de schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde,
+jaloersche liefde voor de fransche litteratuur; hij leefde
+er mee, hield zich op de hoogte, en hij kon niet goed
+hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek
+mooi vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan
+zijn boek, de ander had er niets mee te maken, wat
+verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen dat
+engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk
+makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat
+fransch was teruggebracht tot zijn ouden rang van taal
+der fijnere geesten. Hij hield van alles wat fransch was.
+Zoo&rsquo;n geel boek in &rsquo;t van-ouds bekende formaat &mdash; de
+afwijkingen mishaagden hem &mdash; gedrukt met een
+echte fransche lettersoort, zoo&rsquo;n boek met den spitter
+van Lemerre er op, of den Hermeshoed van den
+&bdquo;Mercure,&rdquo; hij vond &rsquo;t op zich zelf een genot &rsquo;t in zijn
+handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename
+eigenaardigheid in zich zelf, soms vond hij &rsquo;t kinderachtig,
+maar hij sprak zich nooit tegen dat &rsquo;t bestond.
+Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe &rsquo;t
+kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die
+toch zoo heel anders dachten en schreven over vrouwen
+en over de liefde, zoo heel anders dan hij daar
+altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een ongeoorloofde
+zwakheid in zich zelf gevonden, een soort
+zucht naar &rsquo;t verbodene, want de Franschen waren
+oppervlakkig en wuft, hij zelf noordelijk-diep-degelijk.
+Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist al lang
+dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen
+was een verschil in soort van hartstocht, dat hij even
+hartstochtelijk was als de Franschen, dat hij daardoor
+juist zooveel voelde voor dat volk. Wat hij vroeger<span class="pagenum"><a name="Page_138" id="Page_138">[138]</a></span>
+in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid,
+hij had al lang ontdekt, dat dat niets dan
+hartstocht en trots was, of eigenlijk, alleen hartstocht,
+want ook die trots was niets dan dat, passie, een
+brandend verlangen om zich altijd te voelen boven
+anderen door gevoelsverfijning, door alles te zien, te
+hooren en te vatten met zijn gevoel, &mdash; de tinten van
+zelfvoldoening in een melancholische stemming, de
+trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling
+in een stap, het dwalen van een blik, &mdash; een
+begeeren om zich te weten een gevoelslekkerbek,
+wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat was
+ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht
+naar verfijning, dat zoeken van &rsquo;t preciese en &rsquo;t exquise.
+Ook hij hield van &rsquo;t verfijnd perverse, en veel meer
+nog van de verfijnde, tot zwevende engelachtigheid
+verragde reinheid.</p>
+
+<p>Ja, dat was wel &rsquo;t mooiste van de verzameling! &mdash; Want
+dit gevoel leek op dat van een liefhebber voor
+zijn oud-porseleinen kopjes en precieus-broze beeldjes.
+Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties en bekeek
+ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook
+voelde hij zijn eigen handen die er mee omgingen,
+plotseling dik en log, vond hij zich een eenvoudige
+goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor
+zijn vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit
+om zijn ambities, en zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde
+onder hem. Maar hij leed daar dan een beetje
+onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek
+hij den schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van
+zijn gemoed net zoo lang, tot hij zag dat &rsquo;t was als
+Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit stukjes en
+steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van
+vorm. En dan was hij weer voldaan en trotsch.</p>
+
+<p>Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol
+weemoed, over hem, omdat hij zoo weinig eenvoudig
+was, en omdat dat nooit meer anders worden kon.</p>
+
+<p>Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel<span class="pagenum"><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span>
+vaag vermoede, maar toch onverwachte, en door de
+plotselinge openbaring warm-goeddoende sympathie.
+Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten
+met André, Sam en Gerrit. Hendrik was al &rsquo;s middags
+naar Haarlem gegaan om &rsquo;t intieme feest heelemaal
+mee te vieren met zijn familie. Na tafel gingen
+Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd
+den avond te komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd
+vol mal-jongensachtige grappen, die hij voorbereid had.
+Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En
+Bernard bleef met André alleen. &rsquo;t Was of ze dat
+eerst allebei &rsquo;n beetje pijnlijk vonden, wat moeilijk,
+hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch wilden ze
+bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste
+ook een beetje gezelligheid te hebben zoo&rsquo;n avond,
+als het weten van de stralende gezichten om de familietafels
+de woningen hult in een tooverglans, als al
+die grijze huizen, &mdash; waarvan &rsquo;t binnenlicht zorgvuldig
+is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je &rsquo;t
+alleen hier en daar kunt zien gloeien door een spleet
+of langs een plooi, &mdash; als zooveel ontoegankelijke
+kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende vreugde
+zijn.</p>
+
+<p>Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen
+gaan, maar had het niet gewild. Hij kwam daar tegenwoordig
+niet graag. Hij had te veel moeite om vriendelijk
+en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende
+kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel
+over niets, die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. &rsquo;t Was
+er hem ook te vol van fraaiigheden. &rsquo;t Werd hem er
+dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als van een
+stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; &rsquo;t
+kwam misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd
+werd met een watergeleiding.</p>
+
+<p>Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze
+een poosje nagetafeld en kalm hun koffie gedronken
+hadden slenterden André en hij, van &rsquo;t Leidscheplein
+komend, langs de helle flonkering van de groote<span class="pagenum"><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span>
+winkelruiten de drukke Leidschestraat door. &rsquo;t Was
+er heel vol. Er waren veel burgerfamilies op straat,
+die de winkels gingen bekijken, en veel jonge paren
+en gichelende meisjes, die uit waren &bdquo;onder mekaar.&rdquo;
+En André, zich een beetje opwindend, begon veel
+notitie te nemen van de meisjes, ze brutaal aankijkend,
+toelachend en in &rsquo;t voorbijgaan toesprekend met
+een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep
+een poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn
+arm om &rsquo;t middel van een ginnegappend burgerjuffie.
+Bernard vond hem een beetje lastig, hij voorzag
+een roezigen avond en even wou hij wel dat hij
+lekker rustig op zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling
+had André een plan. &bdquo;God, dat &rsquo;s waar ook,&rdquo;
+zei hij, &bdquo;goed, dat &rsquo;k er aan denk; &rsquo;k heb Anna wat
+beloofd voor d&rsquo;r Sinterklaas, en &rsquo;k heb nog niks;
+&rsquo;t arme kind rekent er vast op!&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een
+Warmoesstraatsche kneip. Hij kende haar ook wel,
+hij zag haar dikwijls overdag zich zitten vervelen
+voor &rsquo;t raam van &rsquo;t bierhuis, ze glimlachte hem toe
+als hij voorbijging, want ze wist dat hij een vrind
+was van André en Sam, en hij was er trouwens ook
+wel &rsquo;s geweest met hen, &rsquo;s avonds. Bij daglicht, zooals
+ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van
+de duffe leege kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt
+en sletterig-kwasi-damesachtig uit, met haar gekapte
+haar en de half-bloote armen, versierd met blinkende
+armbanden, die over &rsquo;t breede voorschoot bengelden,
+maar &rsquo;s avonds, als ze in functie was, in &rsquo;t avond-lichte
+bierlokaal, slank en licht en vlug gaande tusschen
+de tafeltjes met &rsquo;t witte voorschoot stijf gespannen
+om haar borst en buik en de kleine handen
+geklemd om ooren van bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige
+gezichtje, dat bloosde van de warmte van
+&rsquo;t werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe
+vilt bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers,
+de mannen van allerlei slag, die daar samenzaten<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span>
+in plompe houdingen, met hun zwaar-gewichtige
+bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten,
+die schaftuur houden.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat wou je koopen?&rdquo; vroeg Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Wèl, ik weet het waarachtig niet! &rsquo;n Ringetje of
+&rsquo;n speldje, &rsquo;n goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga
+mee, in de Kalverstraat zullen we wel wat vinden en
+dan gaan we &rsquo;t &rsquo;r brengen!&rdquo;</p>
+
+<p>En nu meer in &rsquo;t besef van hun samen-zijn, door
+dat ze een doel hadden, begonnen ze samen te praten,
+André en Bernard; geen geregeld gesprek was &rsquo;t,
+maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze
+zich toch al half gaven, waarin een toenadering klonk,
+een natuurlijke hartelijkheid, ongewoon tusschen die
+twee, die, schoon dagelijks samen, officieele vrinden,
+altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden,
+alsof er iets was dat ze elkaar nooit vergeven
+konden. Bernard merkte nu, dat hij toch wel veel van
+André hield en hij wilde zich daar nu niet dadelijk
+rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over
+toen hij hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank
+vond in dien van zijn vrind. Hij vond &rsquo;t goedig
+en gul van André om iets voor dat meisje te gaan
+koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond &rsquo;t in
+zich zelf weer burgerlijk-benepen dat hij nooit &rsquo;s op
+zulke ideeën kwam. Dat kon nu immers juist &rsquo;s een
+zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid te
+zien in de oogen van zoo&rsquo;n arm kind, als ze &rsquo;s werkelijk
+verrast werd, niet met een neergesmeten fooi, maar
+met een cadeautje, als van een broer.</p>
+
+<p>Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje.
+En toen ze daarna vlug stapten &rsquo;t Rokin over
+en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip waar
+Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke
+blijheid door de doffe avondzwaarte van zijn
+bewinterjasd lijf varen. En ook André, in gewild-ruw-cynische
+woorden pratend over &rsquo;t kelnerinnetje &mdash; waar
+hij wel &rsquo;s mee uit geweest was &mdash; trachtte<span class="pagenum"><a name="Page_142" id="Page_142">[142]</a></span>
+blijkbaar een jongensachtig plezier in &rsquo;t plannetje te
+verbergen. En ze werden zoo vroolijk samen in hun
+haastig voortstappen, dat ze telkens proestend liepen
+te lachen.</p>
+
+<p>Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk
+Anna met hun oogen. Ze gingen naar den hoek waar
+zij altijd bediende. &rsquo;t Was leeg in &rsquo;t lage lokaal, veel
+stamgasten schenen van avond ten minste &rsquo;s thuis te
+blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen,
+en aan een hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een
+kwasi-jeugdig, grijs-kalig heertje in een viezig-ruige
+jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend aan zijn
+dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand
+aan een pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij
+zat haar blijkbaar met een scheefgetrokken mond
+schunnige komplimentjes te maken; zijn dronkemansblik
+hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje,
+dat ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor
+zich keek. Haar handen, als die van een kostschoolmeisje,
+lagen slap in haar schoot.</p>
+
+<p>Bernard en André gingen in den tegenover gelegen
+hoek zitten. Ze zeiden niets. André vloekte stil voor
+zich heen, met nijdige gebaren, en Bernard voelde
+een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard
+tikte André met de knokkels van zijn hand op
+de tafel. Anna keek om en glimlachte flauw, zoetjes-langzaam
+knikkend, maar ze wendde zich dadelijk
+weer naar den man met den natten snor, die ook even,
+met een schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen
+opgenomen had.</p>
+
+<p>&bdquo;Stik!&rdquo; bromde André.</p>
+
+<p>En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid,
+erg duitsch, met een vette grijns, en André snauwde
+haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij twee halve
+liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd,
+en toen ze terug kwam met de twee steenen
+kroezen, streek ze intiem-vertrouwelijk neer op den
+derden stoel aan hun tafeltje. &bdquo;Donder op, jij, als de<span class="pagenum"><a name="Page_143" id="Page_143">[143]</a></span>
+bliksem!&rdquo; snauwde André weer met een kwaad
+gebaar, en opschrikkend ging ze weg, met een smalende
+lip, gemeene scheldwoorden prevelend, maar
+dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig
+naar den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar
+toen André Bernard aankeek begon hij te lachen en
+ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze &rsquo;t
+even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus
+stikbuitje van intieme verstandhouding
+tusschen twee kwajongens, die samen op kattekwaad
+betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg vertrouwelijk,
+nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen
+gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar
+geen gek figuur meer kunnen slaan. Ze staken nieuwe
+sigaren op. En, naar elkaar toegebogen over &rsquo;t houten
+tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten praten.
+&rsquo;t Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet
+meer op Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon
+was ruw-onverschillig. Hij praatte over zich zelf en
+over de manier waarop hij den tijd doodsloeg, zooals
+hij &rsquo;t noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting
+over zijn werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij &rsquo;t
+leven soms wel amusant vond, maar doorgaans stomvervelend.
+Hij ging veel uit, bedronk zich soms,
+scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met
+meisjes uit zijn eigen stand, en als hij veel geld had
+lei hij kleine orgieën aan met kennissen, wilde lui,
+die hij anders niet zag, die Bernard alleen van aanzien
+kende. Maar alles alleen uit verveling, bij
+gebrek aan beter. Hij hield dol van Betsy Franck,
+maar hij dorst haar niet te vragen, want ze zou wel
+weten dat hij zoo&rsquo;n lief heer was, en haar ouders
+wisten &rsquo;t zeker nog beter, en een blauwtje loopen of
+door zoo&rsquo;n pa uitgefoeterd te worden, neen, daar zou
+hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald heelemaal
+onder raken en zich verboemelen. En er was nou
+wel niet veel aan hem verloren, maar voor de goot
+was hij toch nog te goed misschien....<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span></p>
+
+<p>Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht,
+en hij had een bijna teeder medelijden met
+hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen zijn
+bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, &mdash; zooals
+een kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te
+mopperen tegen zijn vader, maar inwendig is &rsquo;t alleen
+kwaad op zich-zelf. &mdash; &bdquo;Jij kunt lezen,&rdquo; zei hij tegen
+Bernard, &bdquo;dat &rsquo;s ten minste wat!.... Maar dat kan
+ik ook al niet meer!.... ik heb er geen geduld meer
+voor!.... Vroeger wèl, maar dat &rsquo;s heelemaal uit....
+&rsquo;n Boek verveelt me nu dadelijk....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen,&rdquo;
+zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik kan er me kop niet meer bijhouden,&rdquo; zei
+André weer. &bdquo;Muziek, dat gaat nog wel &rsquo;s.... van
+tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan gedaan,
+en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit....
+Maar.... Ja ik voel &rsquo;t wel, ik ben eigenlijk gewoon
+verslaafd aan &rsquo;t koffiehuisleven.... en aan de meisjes....
+En als dàt nou nog maar wat was!....
+Maar &rsquo;t zijn, godbeter &rsquo;t, niets dan lellebellen
+hier!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard glimlachte even.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee!.... nee!....&rdquo; zei André, &bdquo;dat zeg ik nou
+niet om dat kindje daar.... och god nee! dát &rsquo;s
+wel een aardig kind, maar ook al niks.... niks!....
+Och, laten we &rsquo;r eigenlijk maar niet over praten!....
+zie je, ik zou willen, dat je hier iets kon hebben
+zooals bijvoorbeeld in Parijs, dat dat hier bestond,
+dat je &rsquo;r een maîtresje op na kon houden.... Een
+goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen
+dag aan je kop maalt om een broche of een paar
+armbandjes, alleen om je toch maar zooveel mogelijk
+te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en niet
+zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt,
+naar huis sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te
+wezen, dat ze zich van kant zal maken of zoo iets
+theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span>
+kennis! Zoo&rsquo;n meisje, dat netjes je boeltje reddert,
+en dat een beetje smaak heeft, zoo&rsquo;n beetje.... ik
+weet &rsquo;t niet!.... ik weet &rsquo;t niet!.... daar wat élan
+in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!....
+en die &rsquo;n traan inslikken kan als &rsquo;t noodig is....
+Want die meisjes hier! Ba! als ze niet kijven, dan
+huilen ze.... of zeuren ze....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover
+zittend en kalm rookend. &bdquo;&rsquo;t Zou je in Parijs
+misschien ook niet meevallen,&rdquo; zei hij enkel.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan wel!.... &rsquo;t Is maar zoo&rsquo;n idee van me!....
+Alles lijkt me daar lichter, dragelijker!.... Pf! &rsquo;t
+leven is hier zoo zwaar!.... Nou is &rsquo;t tegenwoordig
+ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe
+tijd.... Ik verbeeld me altijd, dat &rsquo;k al &rsquo;s meer op
+de wereld geweest ben.... Dat zal je gek vinden!....
+Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener ben
+uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!....
+dat was toch ook een andere tijd, hè!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme
+emotie. &bdquo;God! heb jij dat ook?&rdquo; vroeg hij, snel vooroverbuigend,
+met glanzing in zijn oogen. Hij wou
+doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen
+zijn vast besluit om riet meer over zijn innigste zelf
+te spreken, en hij zweeg, een beetje verward, hij deed
+net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn sigaar
+wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen
+met den lucifer, en zakte toen weer langzaam terug
+in zijn vorige houding, André keek hem even aan,
+maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil....
+En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen
+van zijn eigen figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen,
+o de donker-rumoerige middeleeuwen, dat
+was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij
+was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een
+maliënkolder op een hoog, geharnast paard te zitten,
+gewapend met een lans, een gevederden helm op
+&rsquo;t fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof<span class="pagenum"><a name="Page_146" id="Page_146">[146]</a></span>
+te voelen, aan &rsquo;t hooge, &rsquo;t heilige van een taak,
+een strijd!....</p>
+
+<p>Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en
+toen hij weer naar André keek, zag hij dat die glimlachend
+zijn hoofd schudde tegen Annatje, die nu
+aan &rsquo;t buffet stond. Het oude heertje zat met een
+nijdig-vies gezicht naar hem te gluren van uit zijn
+hoek. En toen wenkte André haar, maar ze schudde
+van neen en riep, om hem te plagen, de andere
+kelnerin, zeggende dat ze bedienen moest daar in den
+hoek. Die kwam aanloopen en André, om zich groot
+te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een
+halven.</p>
+
+<p>Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor
+om op te stappen en ergens anders te gaan zitten.
+En zoo stonden ze vijf minuten later weer op straat.
+André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. &bdquo;Wat
+of dat malle kind had van avond?.... ze boudeerde
+blijkbaar een beetje!.... enfin, ik zal dat dingetje
+maar voor haar bewaren,&rdquo; zei hij goedig.</p>
+
+<p>Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar
+in een café zitten domineeren en praten, tot over
+twaalven, en toen bracht André Bernard naar huis,
+en liep nog even op, en hij vond die kanapee van
+Bernard van avond bizonder gemakkelijk, en hij wou
+nog wel een grog en hij bleef plakken tot half drie.
+Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer
+verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde
+zijn stem als een geluid dat hem niet aanging en hij
+zag hem zitten, heel klein, heel ver. Er was iets angstigs
+in, &rsquo;t had wat van een nachtmerrie. En hij stond
+plotseling op en zei: &bdquo;Nou, ruk nou maar uit &mdash; ik heb
+slaap &mdash; ik verlang naar me bed, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik niet,&rdquo; zei André, opstaand, &bdquo;maar ik ben waarachtig
+stijf van &rsquo;t zitten!.... Is dat ook kletsen!....
+Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap lekker!....&rdquo;</p>
+
+<p>Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter
+hem dicht.<span class="pagenum"><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></span></p>
+
+<p>En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd
+een vreemde gewaarwording: alleen achterblijven na
+lang druk gepraat. Maar dezen keer vooral trof &rsquo;t hem,
+&rsquo;t was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille kamer,
+en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur
+van den grog. Hij gooide een raam open en ging
+op een stoel in een hoek van zijn kamer zitten wachten
+tot &rsquo;t weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas
+hoe zijn zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. &rsquo;k Geloof,
+dat ik de koorts heb, mompelde hij, terwijl hij opstond
+om &rsquo;t raam weer dicht te doen. En daarop deed hij
+de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit
+op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde.
+Ik heb bepaald koorts, dacht hij,.... anders
+wel een aardige avond,.... toch wel een goeie kerel
+André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!....
+Toen hij in bed lag voelde hij &rsquo;t heelemaal dat hij
+onwel was, koortsig, onrustig, en toch zoo moe, zoo
+doodmoe. En een brandende pijn in zijn hoofd. Hij
+sliep eindelijk in, maar &rsquo;t was een slaap zonder rust,
+en tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen.
+Eéns zag hij duidelijk André die aan zijn bed
+stond en met zijn gewone gebaar zei: Wat zoek je
+toch?.... Er is niets!....</p>
+
+<p>Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig,
+doof en slap van moeheid heesch hij zich weer zijn
+bed uit en in de kleeren. Hij had nog hoofdpijn. Dat
+beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op
+weg naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende
+uit om kininepillen.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>December en Januari en Februari gingen dan voorbij.
+En in de laatste week van Februari op een morgen
+dat hij zijn post zat te kijken op kantoor, daar lag
+in-eens weer zoo&rsquo;n vierkante, roomkleurige brief van
+Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk
+open en ging zitten lezen. En plotseling schoof hij
+zijn stoel met een ruk naar achteren, en stond op, en<span class="pagenum"><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span>
+ging aan &rsquo;t raam staan, en voelde tranen in zijn oogen
+en een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen,
+hij moest dat eerst even verwerken....</p>
+
+<p>Edward was al op weg naar Holland.</p>
+
+
+
+
+<h2>X.</h2>
+
+
+<p>Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij
+schreef, dat hij &rsquo;n dag of wat in Italië zou blijven,
+maar dan zonder verder oponthoud naar Holland doorsporen.
+Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn
+woonde, zou hij reizen over Amsterdam, en daar overstappen.
+Dat kwam zoo &rsquo;t beste uit. Dus zou Bernard
+wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien....</p>
+
+<p>Vroeger hadden de Van Laeken&rsquo;s, Edward&rsquo;s familie,
+in Amsterdam gewoond, waar zijn vader een rijksbetrekking
+had, en toen waren ze alleen &rsquo;s zomers
+geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar
+jaar bleven ze &rsquo;r winter en zomer en verhuurden &rsquo;t
+huis op de Keizersgracht aan een modenaaister. Ze
+waren een deftige, oude familie. In &rsquo;t huis waar nu
+japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken&rsquo;s
+overgrootvader al gewoond en diens vader misschien
+ook al.</p>
+
+<p>Edward had met Bernard school gegaan, eerst op
+een dure lagere-school voor jongens, waar ze tot hun
+twaalfde jaar gebleven waren, en toen op &rsquo;t gymnasium.
+Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden
+altijd in dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde
+waren ze vrinden geweest; onafscheidelijk werden ze
+genoemd op school. Bernard had een herinnering &mdash; maar
+hij wist niet of &rsquo;t geen fantasie was &mdash; dat hij
+als kleine jongen zich omgedraaid had in de bank
+om Eddy te vragen of hij zijn vrind wou zijn, en dat de
+ander toen ernstig op zijn knoopen had afgeteld, ja,
+nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert
+ook, zonder daar ooit meer over te praten, vrinden<span class="pagenum"><a name="Page_149" id="Page_149">[149]</a></span>
+waren gebleven. Dikwijls hadden ze samen gevochten
+in dien tijd &mdash; o! heel dikwijls en verwoed! &mdash; maar
+altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan
+om ieder ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen
+van zijn vrind. En toen ze in hun vlegeljaren kwamen &mdash; zestien,
+zeventien, achttien jaar, &mdash; toen ze begonnen
+te merken, met schokken van onbegrepen ontroering,
+de verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling
+van hun gemoedsleven, &rsquo;t wilde opwassen van
+hun begeerten, de wording van hun wil, in dien tijd
+toen ze &rsquo;t erg druk hadden over principes, maar dikwijls
+vol verwondering merkten dat ze over toch zeer
+belangrijke abstracties heel anders dachten dan de
+vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden
+ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien
+tijd en wat later nog, toen was &rsquo;t een maar half-bewuste,
+nooit gekweekte heerlijkheid voor hen geworden, dat
+hun vrindschap onveranderd, of althans onverminderd
+bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na
+de schooljaren, dat de oogen van den een altijd even
+graag keken in die van den ander. Dikwijls had er een
+vage angst in hen getrild, een vrees plotseling te zullen
+merken, dat ook dat was veranderd &mdash; want zooveel
+dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd
+hadden, waren ze vaal en valsch en leelijk gaan vinden, &mdash; maar
+dat gevoel, wat ze voor elkander hadden,
+was altijd nog waar en echt gebleven, in hun
+zielen iets hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als
+barnsteen.</p>
+
+<p>&rsquo;t Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren
+in de rechten, maar door toevallige omstandigheden,
+relaties van zijn vader, was hij aan een bank
+gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië.
+Hij had goede kans later directeur te worden van
+die bank.</p>
+
+<p>Voor Bernard was &rsquo;t een groote gerustheid geweest
+toen &rsquo;t bepaald was dat zijn vrind niet zou gaan
+studeeren. Hij had daar tegen op gezien: Edward<span class="pagenum"><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span>
+student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld
+van, een student en een niet-student, die intieme
+vrinden waren. Gelukkig. Edward was ook kantoorman
+geworden, elken werkdag &rsquo;s morgens en &rsquo;s middags
+aan zijn lessenaar, &rsquo;s avonds oplevend en &rsquo;s Zondags
+vrij.</p>
+
+<p>O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien
+en twintig waren, wat hadden ze toen samen &rsquo;n wandelingen
+gemaakt, soezerig zwijgend soms een uur
+achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap,
+soms ook pratende, luid bewerende, hardop
+dwepende en droomende, schetterend over alles wat
+ze bevatten en niet bevatten konden. En die avonden,
+die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe
+dikwijls hadden ze samen genoten, bij avondlicht in
+een stille kamer, verdiept in diepzinnig-philosophische
+gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en tranen
+gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de
+fuif geweest, met anderen, maar toch altijd samen, en
+waren ze samen boven hun bier geraakt, en hadden
+ze samen in hoog-vreugdevolle stemming &bdquo;bruderschaft&rdquo;
+gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die
+supreme momenten in hun leven waren, die ze nooit
+vergeten zouden.</p>
+
+<p>En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was
+gegaan, toen zou Bernard &rsquo;t liefst meegegaan zijn,
+maar dat kon niet en dus was hij alleen maar een
+klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam
+naar Leiden, want hij wou absoluut de laatste zijn,
+die hem de hand drukken zou, de laatste die hem
+zien zou in de grijze atmosfeer van &rsquo;t oud-schijnende
+land, en toen hij hem dan ook eindelijk voor het
+laatst in de oogen gekeken had, toen &rsquo;t portier dicht
+geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en al
+sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver
+weg.... en dan een hoek om en heelemaal weg....
+toen was &rsquo;t wel de eerste keer geweest dat Bernard
+die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span>
+had. Hij had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel
+verbijsterd en als verhard door die maanden vooruit
+geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en maanden
+ook had &rsquo;t geduurd voor &rsquo;t bewustzijn heelemaal
+in hem gedrongen was, ook in zijn halve-gedachten,
+zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn vrind, ver-weg
+was.</p>
+
+<p>Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven....</p>
+
+<p>En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan
+hij gedacht had. Hij zou een half jaar blijven in Holland.
+Hij kwam deels voor zaken, deels omdat hij &rsquo;t
+laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat
+opfrissching noodig had.</p>
+
+<p>En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde
+zuster van zijn vrind aan, om te vragen of
+zij den datum en &rsquo;t uur van Edwards aankomst al
+wist, en toen hij &rsquo;t had gehoord begon hij de uren op
+te rekenen, die hem nog afhielden van dat oogenblik,
+waar hij zich nog maar een vage voorstelling van maken
+kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn hoofd
+warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende
+voorvreugde.</p>
+
+<p>Dikwijls onder zijn werk en &rsquo;s avonds dacht hij aan
+dien vroegeren tijd, en veel momenten van hun samenzijn
+kwamen met de omgeving en allerlei kleinigheden
+wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde
+zich precies den klank van Edwards stem bij
+een ruzie die ze gehad hadden en hoe hij gekeken en
+gelachen had andere keeren. En God ja! dat was me
+&rsquo;n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op
+dat meisje in Baarn, die niets van hem wou weten!....
+Toen had hij hem heel wat zorg en tobberij gegeven....
+Want &rsquo;t was heel ernstig geweest, Bernard
+had &rsquo;t net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen
+had en hardop tegen zichzelf redeneerde, alles wat
+hij zei tot zijn vrind.</p>
+
+<p>Hij wist &rsquo;t nu: Maandag den zeventienden Maart,
+&rsquo;s morgens om drie minuten over half twaalf zou<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span>
+Edward aankomen. &rsquo;t Was ellendig jammer dat &rsquo;t
+juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week
+bijna geen tijd hebben om aan Edward te geven.
+Maar &rsquo;s Zondags! Ja, de Zondagen zouden weer
+ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze
+maken, heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei,
+tegen zonsondergang....</p>
+
+<p>De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om,
+ze waren ten slotte verduwd, de taaie dagen. En dien
+Zondag, den dag vóór Edwards aankomst ging Bernard
+naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen
+tijd weg kon blijven, zonder dat ze &rsquo;t onhartelijk gingen
+vinden, en ook omdat hij niet geweten zou hebben
+wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou niet
+kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden
+bij &rsquo;t gepraat van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij
+was een en al zenuwachtige ongedurigheid. In Bussum
+ging hij wandelen, in zijn eentje, in &rsquo;t gure regenweer
+en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn
+gejaagde opgewondenheid.</p>
+
+<p>Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat
+de jongen zich overwerkte, en nu weer die vrind,
+juist in den drukken tijd, hij had daar geen tijd voor
+nu; hij was op &rsquo;t oogenblik overspannen-opgewekt,
+maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en
+zoo.... Maar tante zei, met een breeden glimlach,
+dat zij er &rsquo;t hare van dacht, en toen oom dom-verbaasd
+opkeek: &bdquo;Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets,
+hoor!.... we zullen zien!....&rdquo; En oom, haalde zijn
+schouders op en zei met wat ongeduldige ergernis:
+&bdquo;Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge menschen
+eeuwig en altijd verkikkerd zijn!....&rdquo; &bdquo;Nou, en is dat
+dan niet waar,&rdquo; vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog
+wat pruttelend alleen van: man van zaken.... andere
+dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes.</p>
+
+<p>En den anderen morgen al om kwart over elven
+was Bernard op &rsquo;t perron. Ziende de drukte daar,
+&rsquo;t haastige bewegen van menschen, die weggingen en<span class="pagenum"><a name="Page_153" id="Page_153">[153]</a></span>
+menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders
+in uniform, schaamde hij er zich even over,
+dat hij zoo vroeg was, weer scherp voelend zijn gebrek
+aan, &bdquo;altijd man van zaken zijn,&rdquo; businesslike, clever,
+up to the market.... ja, die Engelschen weten &rsquo;t.
+Even bleef hij staan, vaag hopend Edward zoo te zullen
+zien komen, alleen naar hem die alleen was.
+Maar zoo ging &rsquo;t natuurlijk niet. Even later kwam de
+getrouwde zuster met haar man en daarna ook
+Edwards vader uit Baarn en nog later een van zijn
+broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven Bernard
+en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig
+te praten met kleine uitroepjes, intusschen
+allemaal telkens kijkend naar den kant van
+waar de trein moest komen, allemaal in de spanning
+van de laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis.
+&rsquo;t Werd half twaalf, &rsquo;t werd drie, &rsquo;t werd vier
+en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen op hun
+horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel
+minuten de trein al over zijn tijd was. &rsquo;t Duurde
+lang. En eindelijk wist geen van de wachtenden iets
+meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf
+gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling
+angstig-nabij voelen van &rsquo;t in de dagelijksche soesa
+bijna vergeten noodlot, &rsquo;t wreede toeval, verlamde
+hun praatvermogen, maakte hun &rsquo;t wachten tot een
+tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en
+dan was er een gefluit in de verte en rekten ze hun
+halzen uit, maar ze zagen niets. &rsquo;t Duurde lang.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar-is-t-ie!&rdquo; riep Bernard eindelijk. Werkelijk was
+een trein, een ronden hoek makend, in-eens in &rsquo;t
+gezicht gekomen. De zwarte machine, als een laagvliegend
+monster, kwam snel-groeiend, recht op hen
+af; de grond onder hen begon te dreunen en in de
+lucht daverde een schurend gestamp. En, nu zelfs
+voor ze &rsquo;t zich nog heelemaal bewust waren, stond
+de trein stil met heesch gehijg. Toen &rsquo;t ongeregelde
+openstooten van de portieren en in-eens begon &rsquo;t<span class="pagenum"><a name="Page_154" id="Page_154">[154]</a></span>
+perron te wemelen van menschen, een beweeglijke
+grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie.
+Juist werd een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden
+sloegen tegen elkaar met een verbijsterend
+kabaal....</p>
+
+<p>Maar daar! daar was hij, Edward; &rsquo;t was Bernard,
+die hem &rsquo;t eerste zag, maar hij liet de familie voorgaan
+om hem te begroeten, zich met moeite op zij houdend.
+Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad
+van zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe
+dreunen op naar zijn keel. &rsquo;t Waren de oude oogen.
+En daar hoorde hij ook de stem, klein onder &rsquo;t gedaver
+van den vertrekkenden trein, zeggend: &bdquo;Dag
+vader!&rdquo; &rsquo;t Was de oude stem. En, een paar seconden
+later, daar keek hij recht in die oogen, en daar voelde
+hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en daar
+stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen,
+en met vertrokken monden woorden van groet
+en hartelijkheid uit te hijgen. &bdquo;Ben jij daar ook weer?&rdquo;
+hoorde Bernard, &bdquo;kerel!...... hoe gaat &rsquo;t?....
+hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat &rsquo;t!&rdquo;</p>
+
+<p>&rsquo;t Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger,
+zijn vrind. Maar ouder, angstig ouder, veel ouder
+dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was mager
+geworden, &rsquo;t kon zijn dat &rsquo;t daaraan lag. Zijn trekken
+waren veel scherper geworden, zijn oogen lagen dieper
+en vooral zijn voorhoofd was veel ouder. Bernard
+had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan
+hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van
+rechtop loopen, die hij niet kende, bewegingen van
+bereisd man, van iemand van ondervinding. Alle slapheid
+van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard
+nu in-eens met een loom-landerige schaamte, nog
+heelemaal de oude jongensachtigheid.</p>
+
+<p>Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward
+zou kunnen praten. Maar daar was geen gelegenheid
+voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk zijn vader,
+zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar<span class="pagenum"><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span>
+allerlei en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag
+en zoo meer. En ze hadden heelemaal maar zeven
+minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam
+doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was.
+En daarbij moest er nog gezorgd worden voor zijn bagage.
+Dat nam Bernard toen maar op zich, want hij kon
+toch niet praten met zijn vrind. Hij deed &rsquo;t vlug,
+oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te
+geven in die zorg. Want achter zijn koortsig-tintelende
+blijdschap kwam nu al somberen een gelig-grijs verschiet
+van teleurstelling, en toen de familie haastig
+in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, &mdash; de
+student en de getrouwde zuster gingen mee, &mdash; toen
+hij daar stond, los en koud naast dien bijna onbekenden
+man van Edwards zuster, den vertrekkende
+nog even nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide
+en dien vreemden man een hand gaf en goeden-dag-zei,
+en langzaam &rsquo;t station afliep, de onverschillige
+straat op, terug naar zijn kantoor, toen was
+er in plaats van den verwachten gloed van vreugde
+een weeë leegte in hem, waarvan hij wel had kunnen
+huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat;
+de menschen liepen en praatten en lachten alsof er
+niets was gebeurd. En op kantoor zat een duitsche
+reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde
+met veel strijkages en luidruchtige complimenten.
+Hij was onaangenaam kort, een beetje onhebbelijk
+tegen dien man. Hij stuurde hem gauw weg, liefst
+had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige
+onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen
+gekomen was, en gaf een paar korte standjes
+aan bedienden en ging toen weer weg, koffiedrinken,
+niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders,
+alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien.</p>
+
+<p>En daar zittend, tot rust komend onder &rsquo;t wachten
+op &rsquo;t bestelde dejeuner, begon hij zich te troosten,
+en kreeg langzaam aan de blijdschap weer de overhand.
+Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen<span class="pagenum"><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span>
+fontein van lichtgedachten, zooals hij &rsquo;t zich had voorgesteld....
+Dat hij nu ook juist zoo weinig tijd had
+dezer dagen!.... Edward had in de haast nog beloofd
+dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?....
+Was dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?....
+Hij had geen tijd van de week naar
+Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer,
+dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer
+voor een half jaar, hij bleef den heelen zomer over,
+en dan althans zou hij &rsquo;t niet zoo overkropt druk hebben....
+O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet
+meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien
+tijd in Amsterdam te komen logeeren, bij zijn getrouwde
+zuster bijvoorbeeld.</p>
+
+<p>Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs
+kwam er een sinds lang niet gekende, rustige vroolijkheid
+in hem, terwijl hij &mdash; lezend, onder zijn
+dejeuneeren door, de woorden van een krant die
+naast zijn bord lag &mdash; zat te droomen van de komende
+middagen en avonden met Edward. Telkens dacht
+hij even terug aan die aankomst in die haastige herrie
+op &rsquo;t perron, en dan kwam ook weer die schimmige
+leegheid van teleurstelling als een vlaag van killen
+tocht, maar daarom drong hij dat aldoor weg uit
+zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën
+om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming
+van aangename vooruitzichten. En zoo liep hij
+ook naar de Beurs en vertelde daar &rsquo;t nieuwtje van
+Edwards aankomst aan dezen en genen die hem
+kenden, met een glans van vroolijkheid in zijn oogen.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;s middags op kantoor, terwijl hij weer net als
+altijd moest zitten werken, en denken over zijn zaken,
+en zorgen voor zijn zaken, toen voelde hij met machtelooze
+ergernis zijn stemming weer zakken. Er was niets
+aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, &rsquo;t
+altijd noodige ploeteren van &rsquo;s morgens vroeg tot &rsquo;s
+avonds laat drukte hem. Hij maakte er zich verwijten
+van. &rsquo;n Ander, dacht hij, zou niet weten wat<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span>
+hij deed van halfdronken blijdschap, als zijn beste
+vrind terug was gekomen, na jaren van ver-weg zijn,
+maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige, ontevreden
+egoïst!.... Maar toch was er niets aan te
+doen, zijn stemming werd ál triestiger; zittend aan
+zijn schrijftafel bij &rsquo;t raam van zijn kantoor voelde hij
+de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende
+massa&rsquo;s opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden
+vielen loom-somber in zijn zwaar-zorgend
+hoofd.</p>
+
+<p>&rsquo;s Avonds weer op kantoor &mdash; zoo ging &rsquo;t nu
+dikwijls! &mdash; werd &rsquo;t hem helder hoe &rsquo;t kwam. Hij
+had er zich veel te veel van voorgesteld, hij had
+nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment
+van weerzien heen kunnen kijken. In zijn droomerige
+verstrooidheid had hij iets bizonders, een anderen
+levenstoestand verwacht na dat moment, maar
+dat was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als
+vroeger. Alleen woonde nu een goede vrind van
+hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er
+kans dat hij hem in de komende maanden eenige
+malen zou zien. Anders was er niet. Hij voelde &rsquo;t
+nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger en
+zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk
+weer leegloopend Danaïdenvat van zaken, van
+inkoopen en verkoopen, van omzet-vergrooten, relatiën
+uitbreiden, oppassen voor de concurrentie, een
+altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren
+en papiertjes. Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen....</p>
+
+<p>En ook de avonden waren net als vroeger; hij
+was er niet minder alleen om of Edward nu al in
+Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem was.</p>
+
+<p>Hij wende daar weer aan in een paar dagen.</p>
+
+<p>Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van
+ruwe steen langs de huid, en dadelijk daarna met
+de benauwing van een nieuwen berg levensondervinding,
+onverwacht opdoemend uit den mist, en waar<span class="pagenum"><a name="Page_158" id="Page_158">[158]</a></span>
+hij nog doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een
+vraag, los-weg gedaan door André, een dag of wat
+later. Of Edward niet bij hem geweest was dien dag,
+want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat,
+alleen. Neen, Edward was niet bij hem geweest. Hij
+zei &rsquo;t onverschillig, mat, zonder opkijken.... Maar
+waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet
+gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten
+slotte &rsquo;t oude gevoel bij hem verminderd, weggeslonken
+of verdord en weggekild misschien binnen
+de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd,
+de als roestig ijzer ruig-kille muren van een
+cijfer-en-paperassen-bergplaats? Neen, neen, zoo was
+Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien
+te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter
+kameraden gevonden om zijn vacantie mee te
+passeeren, vroolijke vrinden, die &rsquo;t leven begrepen?....
+Er was innige bitterheid in Bernards
+overdenkingen terwijl &rsquo;t gewone gepraat ging aan
+hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij zorgde
+er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat
+ze zijn stilheid niet merkten.</p>
+
+<p>Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten.
+En toen zijn bedienden al een heelen tijd weg waren
+zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp, allerlei
+dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn
+werk te denken, maar hij werd moe; de dag was
+lang geweest, hij raakte op. En in-eens overmand
+door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed
+en zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen
+op &rsquo;t papier en snikte even achter de andere, waarmee
+hij zijn hoofd steunde. Hij kon veel verdragen, maar
+dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had
+hij verlangd naar &rsquo;t weerzien van Edward, zijn eenigen
+vrind &mdash; dat had hij hem toch zoo dikwijls geschreven
+en altijd had de toon van &rsquo;t antwoord zuiver teruggeklonken! &mdash; hoe
+had hij naar hem verlangd en
+wat &rsquo;n teleurstelling was &rsquo;t voor hem geweest, dat<span class="pagenum"><a name="Page_159" id="Page_159">[159]</a></span>
+hij hem maar zoo&rsquo;n paar enkele minuten had kunnen
+zien aan &rsquo;t station!.... Was er dan niets in
+Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch
+van die teleurstelling?!....</p>
+
+<p>&rsquo;t Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en
+weer doorging aan zijn werk, met wat schaamte, &rsquo;n
+beetje ergernis over dat kinderachtig verdriet, werd
+hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men
+immers wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid,
+maar niet meer week. Wijs zijn zij die geen illusiën meer
+hebben. Dat alleen zijn de wijze, de welbewapende
+en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even
+zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel.</p>
+
+<p>En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje
+op, en sloot zijn kantoor en ging naar huis, eenzaam
+door de stille nachtstraten, met een hoog-rustige,
+streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn
+gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele
+overdenking van zijn verhouding tot de menschen.
+Hij was alleen, goed, hij zou alleen zijn. Dat
+was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen,
+die alleen zijn, zonder dat je &rsquo;t ze aan kunt
+zien. Hij zou &rsquo;t leven wel doorkomen alleen. Niemand
+zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij zou
+minder lijden, want er was veel stil genot in &rsquo;t
+alleen-zijn, alleen met jezelf, met de wereld binnen
+in je. Hoe zuiver vormden zich je voorstellingen in
+de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden
+je ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen,
+zooals een rotsblok wordt tot schoonheid, met stille
+aandacht bebeiteld door den eenzaam-werkenden
+kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen
+zijn &mdash; hij had &rsquo;t goddank geleerd.... En in een
+met fijn gedenk, kunstmatig mooi bewaarde rust
+legde hij zich dien nacht te bed, en hij sliep vast
+en zonder droomen.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Maar den anderen dag &mdash; och! daar was zijn gevoel<span class="pagenum"><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></span>
+weer en bezat zijn arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk
+verdriet weer om dat niet-komen van
+Edward. En nu &mdash; als een moeder die haar kind
+sust &mdash; zat hij zich te beduiden dat &rsquo;t immers best kon
+zijn, dat Edward geen tijd gehad had. Dat hij op een
+bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij zijn
+zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen,
+of.... ja, honderd andere gewone toevalligheden
+die hem belet hadden naar Bernard te gaan!
+Anders zou hij &rsquo;t stellig wel gedaan hebben!....
+Ofschoon,.... eigenlijk wist hij wel, dat Bernard
+feitelijk geen tijd zou gehad hebben om hem te ontvangen.
+Want zoo was &rsquo;t immers! Als hij bij hem
+op kantoor was komen oploopen, wat zou hij er aan
+gehad hebben?.... De bedienden om hen heen zouden
+alle intimiteit weggenomen hebben en na een
+kwartier of een half uur zou Bernard dat gevoel hebben
+gekregen van: ik moet werken, er is werk dat
+baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen
+gepraat met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij
+Edward het gevoel dat hij hem van zijn werk hield,
+dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling zou
+er geweest zijn bij hun scheiding.</p>
+
+<p>&rsquo;t Zou immers veel beter &mdash; o natuurlijk veel beter
+en aangenamer zijn dat Edward &rsquo;s bij hem kwam
+als hij tijd had, als &rsquo;t er niet op aankwam hoe laat
+&rsquo;t werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en
+praten, zonder aan tijd te denken.</p>
+
+<p>Ook &rsquo;s Zondags daarop kwam Edward niet.</p>
+
+<p>Bernard had &rsquo;t hem kunnen vragen met een briefje.
+Hij had &rsquo;t niet willen doen. Hij had ook naar Baarn
+kunnen gaan, maar wie weet of hij soms stoorde &rsquo;n
+familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef
+dus in Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag,
+wachtend, lezend, met lange tusschenpoozen van
+droomerig denken.</p>
+
+<p>Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde.
+Er kwamen nu telkens van die dagen waarvan Bernard<span class="pagenum"><a name="Page_161" id="Page_161">[161]</a></span>
+toen geschreven had aan zijn vrind. Er zat
+lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht
+omwaaid van een zoetige-zoele koelte, licht van jonge
+frischheid en zwaar van zomergeuren; er zat iets
+nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker aandoend
+en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna,
+niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen,
+en dan weer in-eens weg. Een hoopvolle verwachting
+van zomersche malschheid, die lang strijkt en
+streelt langs &rsquo;t gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens
+door &rsquo;t willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar
+bevrediging van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn.
+En in de lichter wordende avonden, de dampige,
+vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge
+kilheid verraderlijk aanstrijkend over &rsquo;t water, als de
+hoonende aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter,
+die nooit weggaat, die alleen maar wacht, met
+cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen
+weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld....</p>
+
+<p>Bernard ging door de straten van zijn kamer naar
+zijn kantoor en van daar naar zijn restauratie en naar
+de Beurs; ergens anders kwam hij haast niet. Maar
+toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide
+langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten
+naar lust van liefde los liet over zijn gedachten,
+waar ze dan even mee speelden als naakte nimfjes
+met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling
+korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien
+en kloppen, en soms in-eens zijn voor hem liggend
+werk verhulde in een trillenden nevel, een rossig
+gewirwar, zoodat hij moeite had &rsquo;t aldoor te blijven
+zien en er aan door te gaan met ijver en aandacht.
+En soms als hij buiten was, midden op den dag,
+kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn
+lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige
+verwachting, als zou er iets bizonders met hem
+gebeuren.<span class="pagenum"><a name="Page_162" id="Page_162">[162]</a></span></p>
+
+<p>Maar er gebeurde niets.</p>
+
+<p>Alleen, &rsquo;s Zaterdags van die week, kreeg hij een
+briefje van Edward: &bdquo;Waarom kom je toch niet &rsquo;s
+naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te zien, je
+bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den
+afgeloopen Zondag, en reken nu op je voor morgen.&rdquo;</p>
+
+<p>En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar
+zijn hoofd, om al zijn harde gedachten over zijn
+verhouding tot zijn vrind. Wat een ongemotiveerd wantrouwen
+was dat geweest, niets dan gekrenkte trots
+en ijdelheid. &rsquo;t Was &rsquo;n schande.... Eigenlijk moest
+hij zich zelf verbieden te gaan morgen.... Maar hij
+zou &rsquo;t toch maar doen.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte
+dag van zon en wind en aldoor wisselende
+luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten, waar
+je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden
+en stralende tronen omkranst van engelen. Bernard
+zat in den trein aldoor stil naar buiten te turen. Snel
+zeilden de scherpe schaduwen over &rsquo;t zwarte voorjaarsland,
+dat fel opkwam in &rsquo;t harde licht, snel als
+groote vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over
+de vlakte. Er was onrust, er was actie in de buiten-dingen.
+En Bernard voelde zich meelevend in die
+actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt,
+bijna vroolijk en met verlangen naar veel beweging.
+Toen hij aankwam in Baarn zag hij dadelijk Edward
+staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand
+de hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke
+hartelijkheid. En, dadelijk druk pratend,
+liepen ze samen naar de villa van de familie, die midden
+in &rsquo;t dorp lag.</p>
+
+<p>&rsquo;t Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard
+aan &rsquo;t station te Amsterdam maar even had kunnen
+zien. Ja, dat kwam ook door dat late aankomen van
+dien beroerden trein! Maar &rsquo;t was jammer; en nu
+was hij waarachtig al veertien dagen in &rsquo;t land en<span class="pagenum"><a name="Page_163" id="Page_163">[163]</a></span>
+had hem eigenlijk nog niet eens gesproken. Maar
+waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen?
+&bdquo;Och-god ja! geen tijd, dat&rsquo;s waar, dit is juist je
+drukste tijd, hè?.... Kerel, wat een brief was dat,
+die laatste van je, die van October.... neen, maar
+kolossaal, je was op dreef, hoor!.... &rsquo;t was geloof
+ik wel &rsquo;n twintig zijdjes....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard lachte &rsquo;n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering
+aan dat moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam
+aan. &bdquo;Ik dacht.... dat je.... dat je zoo
+iets ook van me hebben wou,&rdquo; zei hij, even blozend.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven
+heb ik zoo graag!.... Je hebt er mij erg veel genoegen
+mee gedaan....&rdquo; Edward lachte even, zenuwachtig.
+&bdquo;Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!....
+nee-maar, waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch
+op dat je mij je eenigen vrind noemde....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar,&rdquo; vervolgde hij na even zwijgen, met een
+licht, heel licht-ironisch glimlachje, &bdquo;je zult me wel
+toegeven, dat je stemming nu niet van de allervroolijkste
+was toen je dien brief schreeft, hè!....
+Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!....
+Zóó beroerd heb je &rsquo;t ook niet, is &rsquo;t wel?.... En je
+eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld trotsch op,
+maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je
+rondom dik in de vrinden zat!.... En ik geloof ook
+eigenlijk-gezegd niet, dat je je daarover zoo te beklagen
+hebt.... Ik geloof om je de waarheid te
+zeggen, dat je wel een beetje erg ondankbaar bent,
+zoo nu en dan, hè?.... Nou ja! ik weet wel wat je
+zeggen wilt!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;k Geloof &rsquo;t niet, dat je weet wat ik zeggen wil,&rdquo;
+begon Bernard, &bdquo;je kunt er wel gelijk in hebben
+dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar ik weet
+toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige
+dingen....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Als bijvoorbeeld een brief van mij!&rdquo; vulde Edward
+weer aan op luchtigen toon, &bdquo;ja zeker! dat weet<span class="pagenum"><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span>
+ik ook wel, hoor!.... Maar kom!&rdquo; zei hij weer met
+dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, &bdquo;laten we daar
+van middag nog maar &rsquo;s over praten.... Want van
+middag moeten we weer &rsquo;s een echte ouwerwetsche
+lange kuiering maken, hè, ouwejongen?&rdquo;</p>
+
+<p>En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van
+terzij aan, zoo heelemaal met de oude, lang-gekende
+vrindenoogen, dat hij met dien blik &rsquo;t opgekomen
+gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards
+gemoed, achter warme emotie van zich geliefd voelen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is best!&rdquo; zei Bernard met een glimlach van
+innige vreugde. &bdquo;Ja, want nou,&rdquo; ging zijn vrind door,
+&bdquo;moet ik je eerst nog een heelen boel vertellen van
+mijn reis hierheen.&rdquo; En hij begon een opgewekt
+relaas van allerlei wat hij gezien en doorleefd had
+op reis, telkens afdwalend, maar ook telkens weer
+terugkomend op zijn verhaal met een groote inwendige
+rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid.</p>
+
+<p>En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind
+nu langzamerhand heelemaal te zien en te herkennen.
+&rsquo;t Was toch wel zoo: Edward was ouder geworden.
+Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat
+bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger;
+hij had een paar dwarse plooien in zijn voorhoofd
+en in het trekken van zijn mond had hij iets eigenwijs-deftigdoends,
+iets ouweheerigs gekregen. Maar
+zijn oogen, die waren nog net als vroeger, mooie,
+donkerbruine, fluweel-zachte oogen. Zijn oogen maakten
+zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten
+dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van
+zijn blik ging van droog-eerlijke goedhartigheid tot
+een diep-vonkelende zieleweelde. En Bernard voelde
+misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een
+goed man was.</p>
+
+<p>Even voor ze er waren zei Edward: &bdquo;Je bent in
+die drie jaar niet dikwijls bij ons geweest, hè!....&rdquo;
+En Bernard, licht blozend weer, bekende: &bdquo;Nee, heel
+weinig!.... Ik heb wel &rsquo;s een visite gemaakt,....<span class="pagenum"><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span>
+maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je
+weet, ik heb nooit veel tijd!&rdquo; &bdquo;Ja, ja! altijd die
+drukte van jou!&rdquo; zei Edward, vroolijk-plagend, maar
+Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep
+de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de
+familie van zijn vrind. En dat was, dat hij niet veel
+hield van de familie, vooral niet van Edwards moeder,
+een statig-deftige, trotsch-vrindelijke, voorname
+dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde
+op een onuitstaanbaren toon van gezag.</p>
+
+<p>Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen
+waren in de villa &mdash; een leelijk-vierkanten
+massief-degelijken bouw, zonder zwier of statigheid,
+in een onevenredig-kleinen tuin &mdash;; ze vonden haar
+zitten in de zijkamer links, met een lorgnet op en
+een borduurwerk in de hand. Ze stond op om Bernard
+met beleefde vriendelijkheid te begroeten. Glimlachend
+vroeg ze hoe &rsquo;t hem ging en hoe zijn oom
+en tante &rsquo;t maakten, en schoof hem een stoel toe.
+Maar toen hij even zat begon ze: &bdquo;Wat hebben we
+jou in geen tijd gezien! &mdash; Wel, laat &rsquo;s kijken....
+dat is, geloof ik, wel een heel jaar!&rdquo; &bdquo;&rsquo;k Geloof &rsquo;t
+ook, mevrouw,&rdquo; zei Bernard en hij praatte weer zoowat
+over zijn drukte altijd.</p>
+
+<p>&bdquo;Och, maar je moest je toch niet zoo door je
+zaken laten ringelooren, jongelief, wat een dwaasheid!....
+Zaken zijn om te leven!.... Niet andersom!....
+En dan, kijk &rsquo;s even aan: wij kennen je
+nu wel, maar heusch.... héél.... véél.... ándere
+menschen zullen je heel onbeleefd vinden,.... zullen
+je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!....
+Ik geloof niet, dat er veel menschen zijn, die over
+me denken, als ze me niet zien.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dát zeg ik ook niet!.... dát &rsquo;s wel mogelijk!....
+dát weet ik natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je
+denken, dan zeggen ze: wel foei, wat &rsquo;n onbeleefd
+heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe &rsquo;t<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span>
+hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg &rsquo;t altijd
+maar net zooals ik er over denk. Ik heb me altijd
+zoo&rsquo;n beetje beschouwd als een tante van je, die je
+wel zoo er &rsquo;s à faire mocht nemen!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar mama,&rdquo; viel Edward in, &bdquo;neem me niet
+kwalijk, hoor! maar nou vind ik toch wezenlijk, dat
+u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door hem
+dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!....
+De arme jongen is er beduusd van!....
+Trek jij je &rsquo;r maar niks van aan, hoor Bert!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nota bene,&rdquo; antwoordde ze langzaam, &bdquo;zeg &rsquo;s,
+jij hebt daar uit Indië ook fijne manieren meegebracht!....
+Maar al spreken die liplappen daar zoo
+tegen hun mama&rsquo;s, dat is nog geen reden om &rsquo;t
+hier in te voeren.&rdquo;</p>
+
+<p>Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende
+stem was aldoor damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk,
+maar Bernard voelde toch dat &rsquo;t maar veiliger was
+gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij
+schielijk: &bdquo;En hoe maakt meneer &rsquo;t, en Truida en
+Frits?&rdquo; &bdquo;O, dank je! heel goed,&rdquo; zei mevrouw, &bdquo;Frits
+zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in
+Utrecht.&rdquo; &bdquo;En hebt u goede berichten van Herman
+uit Hannover?&rdquo; &bdquo;Zóó.... zóó!&rdquo; zei ze, &bdquo;de jongen
+verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt nogal
+met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over
+zoo&rsquo;n bierkommers &mdash; of hoe heet zoo&rsquo;n ding, &mdash; dat
+bevalt me niet erg. Die duitsche distinctie,
+dat is ook al niet dàt! &mdash; net zoo min als de
+indische....&rdquo;</p>
+
+<p>Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond
+naar voren zettend om kinderlijk-deemoedige verlegenheid
+na te bootsen, en gaf hem toen een vroolijk
+knipoogje.</p>
+
+<p>In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende
+menschen en even later kwamen Edwards
+vader en zijn zuster Truida, een meisje van zeventien of
+achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken groette<span class="pagenum"><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span>
+Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde
+vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en &rsquo;t meisje
+zei hem heel stijfjes goeden-dag.</p>
+
+<p>En ze gingen even zitten praten in een vormelijk
+half-kringetje.</p>
+
+<p>&bdquo;Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet,&rdquo; vroeg
+meneer. &bdquo;Nee,&rdquo; antwoordde Bernard. Hij vond &rsquo;t niet,
+integendeel, hij vond dat Edward veel ouder was
+geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan
+ook wel!&rdquo; zei de vader, zijn sigaret aanstekend, die
+bij &rsquo;t binnenkomen uitgegaan was. &bdquo;Hij heeft nogal
+besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!....
+je moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!....
+Maar hij heeft dan ook aardig promotie gemaakt,
+vindt je niet?.... Heeft hij &rsquo;t je al verteld?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zei Edward, &bdquo;we hebben &rsquo;t nog niet over
+de zaken gehad.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!....
+hij moet &rsquo;t je maar &rsquo;s precies vertellen....
+Dat wordt een persoon van gewicht in Indië, hoor!
+Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje,
+pas op!&rdquo;</p>
+
+<p>Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting,
+maar ook met iets van verlegenheid tegenover
+Bernard. &bdquo;Ja, ja!.... Ik denk &rsquo;t ook,&rdquo; zei hij,
+&bdquo;maar, &rsquo;t is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er
+wel komen daar.... En ik heb er ook veel plezier
+in,&rdquo; voegde hij er bij, na even zwijgen, op verhoogden toon,
+als wou hij die verlegenheid weggooien.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar heb-je &rsquo;t, zie je,&rdquo; zei zijn vader, &bdquo;dat is &rsquo;t
+voornaamste, dat vind ik ook!.... Waar je plezier
+in hebt, dat doe je goed. Als je geen plezier hebt
+in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen,&rdquo;
+zei hij, zich naar Bernard draaiend met &rsquo;t glimlachend
+gezicht en de gebaren van een goochelaar, die een
+schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak haalt.</p>
+
+<p>&bdquo;Die bankzaken lijken me toch anders niet erg<span class="pagenum"><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span>
+verkwikkelijk,&rdquo; zei mevrouw, langzaam en vrindelijk,
+doorbordurend met een kalm-gracelijke armbeweging.
+Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat
+gekuch. Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen
+&rsquo;t raam uit.</p>
+
+<p>Bernard vond dat &rsquo;t gezin er niet amusanter op
+was geworden in dat jaar van zijn verwaarloozing.
+Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat de
+koffie klaar was. Aan zoo&rsquo;n koffietafel, dacht hij,
+daar heb-je tenminste wat te doen. Maar &rsquo;t viel ook
+niet mee. De stemming bleef koud. Er werd gepraat
+maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de
+stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen,
+en de ouders van Edward schenen elkaar ook
+niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat veel
+meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan
+iets over &rsquo;t weer, met een vadsig-lijmige stem, alsof
+&rsquo;t haar eigenlijk te veel was om haar mond open te
+doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen &rsquo;t
+afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam
+naar zijn kamer, om hem allerlei dingen te laten zien,
+die hij meegebracht had. Ook voor hem had hij wat,
+een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard
+was er heel blij mee; hij bekeek &rsquo;t mooie ding met
+eerbied, met iets van stille aanbidding, hij vond &rsquo;t
+mysterieus als een lang van binnen bekeken bloem,
+een heerlijk bezit. Hij vond &rsquo;t een genot het fijn-glooiende,
+scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn
+hand en het snijwerk gaf hem een gevoel van
+jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat
+daar zitten te maken in stille aandacht, zooals hij &rsquo;t
+wel &rsquo;s gezien had op een tentoonstelling, die menschen
+die niets doen dan mooie dingen maken en
+zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn....</p>
+
+<p>&bdquo;Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór &rsquo;t weer
+verandert,&rdquo; zei Edward, en haastig trokken ze hun
+jassen aan en gingen op weg.</p>
+
+<p>En ze maakten een mooie wandeling samen, breede<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span>
+lanen door, langs uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan
+de huizen, als wijkplaatsen van intiem genot,
+rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre,
+bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over
+wegen, half verwoest door &rsquo;t winterweer, en ook over
+de eenzame, wijd-naakte heigronden. En ze praatten
+veel, vooral in &rsquo;t begin. Edward had nog te vertellen
+van zijn leven in Indië en van de terugreis en later
+begon hij te vragen naar een heelen boel menschen,
+die hij gekend had in Amsterdam.</p>
+
+<p>Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend
+wat hij gehoord had over een ouden kennis,
+zei Bernard: &bdquo;Hé, je bent verleden week nog
+in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien
+loopen in de Kalverstraat.&rdquo;</p>
+
+<p>Edward keek op. &bdquo;O ja,&rdquo; zei hij, met een zweem
+van verlegenheid. &bdquo;Ja.... ik moest er even zijn,....
+&rsquo;n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden me
+op de koffie gevraagd.... &rsquo;k Had graag nog even
+bij jou aangeloopen, maar.... eigenlijk hebben ze
+me aan de praat gehouden,.... ik kon &rsquo;t niet meer
+halen.... Wie zag me, zeg je? André?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Bernard kort.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe gaat &rsquo;t dien?&rdquo; vroeg Edward.</p>
+
+<p>&bdquo;O, best.... &rsquo;k zie &rsquo;m zooals je weet haast allen
+dag!.... We eten samen met Sam van &rsquo;t Hout en
+nog een paar lui....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... &rsquo;k
+Mocht &rsquo;m altijd graag!.... &rsquo;n Beetje druk....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En een beetje oppervlakkig,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat &rsquo;s wel
+waar, maar.... heeft hij dan toch ook ten slotte
+geen gelijk met zich de dingen niet te veel aan te
+trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook <em>te</em> veel
+doen,.... je kunt ook <em>al te</em> &mdash; hoe zal ik zeggen?
+.... degelijk is &rsquo;t woord niet,.... te diep.... te
+zwaar zijn!....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Zóó? Heb jij dat ook ingezien,&rdquo; vroeg Bernard,
+licht spottend.</p>
+
+<p>&bdquo;Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel
+wat luchtiger geworden!.... Misschien kwam &rsquo;t wel
+omdat ik jou ernst niet meer om me heen voelde!....
+Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig tegenwoordig
+en erg optimistisch!.... Misschien ook is &rsquo;t
+klimaat daar in Indië bizonder geschikt voor me!....
+&rsquo;t Is een feit dat ik er me lekker voel, ik kan best
+tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een
+koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel
+een beetje meer practisch filosoof geworden!.... De
+ondervinding in &rsquo;t zakenleven en zoo&rsquo;n heel nieuwe
+omgeving met zooveel verschillende menschen,....
+dat doet ook wat!.... Ik voel dat een heele boel
+dingen, waar ik vroeger wel mee dweepte, me nu
+niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!....
+ik weet &rsquo;t wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch
+vinden!.... &rsquo;t Valt je tegen van me, maar.... ik
+moet &rsquo;t toch wel zeggen, want &rsquo;t is nu eenmaal
+zoo!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, natuurlijk,&rdquo; zei Bernard op matten toon. &bdquo;En
+je zult ook wel gelijk hebben....&rdquo; Maar hij wist
+eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet eens precies
+wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn
+stem gehoord, die klonk als van iemand die iets
+zwaars op zij duwt. En hij had in-eens begrepen,
+dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had
+in-eens heel duidelijk gevoeld, dat &rsquo;t ook wel niet
+anders kon, want dat hij zwaar was, te zwaar voor
+anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn opvattingen
+van alles, waren zwaar. O, &rsquo;t drukte hem zelf zoo,
+altijd overal dat zware.</p>
+
+<p>Ze zwegen een poos en Bernard voelde &rsquo;n grijze
+triestigheid trekken over alles wat hij zag en over
+hem zelf. &rsquo;t Was of er een nevel kwam voor zijn
+starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig
+en eenzaam als een landlooper voelde hij<span class="pagenum"><a name="Page_171" id="Page_171">[171]</a></span>
+zich gaan over den weg. Al dat opgewekte van den
+morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was
+weer weg.</p>
+
+<p>Maar plotseling &mdash; &rsquo;t bloed sloeg hem naar &rsquo;t hoofd
+met een schok als van schrik &mdash; neen, neen! hij
+wilde die stemming niet! Hij wilde zijn besten vrind
+niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem
+was. Hij moest zich overwinnen, hij moest dat van
+zich gooien. Want anders &mdash; die gedachte was &rsquo;t die
+als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en
+hij had dat voor zich gezien als een visioen &mdash; anders
+zou Edward hem uit den weg gaan loopen, dan zouden
+Edward en zijn andere vrinden, die vroolijk waren
+en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en
+hij, Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal,
+heelemaal alleen zijn. Neen,.... neen,.... dat nog
+niet!.... hij zou &rsquo;t toch nog niet kunnen,.... en hij
+wou &rsquo;t ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem
+afstaan aan anderen....</p>
+
+<p>En hij was &rsquo;t die nu weer begon te praten, &mdash; met
+een opgeruimde, toonige, ietwat te hooge stem, &mdash; te
+vragen naar &rsquo;t leven in Indië, hoe dit daar ging
+en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem
+wel even schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk
+op denzelfden toon antwoord, en een heelen tijd praatten
+ze weer door op die manier.</p>
+
+<p>Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning
+waren gekomen en daar een borrel zaten te drinken,
+begon Edward in-eens: &bdquo;Zeg &rsquo;s, je moet nou niet
+denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt
+dan je eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je,
+en dat vind ik toch ook niet prettig. Zoo zijn wij
+nooit samen geweest! Praat met mij ronduit over
+alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je....
+te raden,.... te helpen....&rdquo;</p>
+
+<p>Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde &rsquo;t.
+En toch deed &rsquo;t hem pijnlijk aan, met naar-weeë
+schrijning. Hij wist zelf niet hoe &rsquo;t kwam. Was &rsquo;t<span class="pagenum"><a name="Page_172" id="Page_172">[172]</a></span>
+Edwards stem, die &rsquo;n beetje aarzelend, zijn toon die
+ietwat meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!....
+Hij wist &rsquo;t niet.... Edward had gelijk,
+&rsquo;t was niet prettig voor hem, bij God neen, niet
+prettig, prettig, prettig....</p>
+
+<p>&bdquo;Dank je!....&rdquo; zei hij, hem even aankijkend met
+een matten, droomerigen blik, &bdquo;je bent heel hartelijk
+voor me.... Je bent trouwens altijd zoo voor me
+geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we
+toch maar liever gewoon doorkletsen! Nee, zie je!....
+laat ik maar niet te veel gaan praten over me
+zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet
+prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, zooals je wilt,&rdquo; zei Edward, toonloos.</p>
+
+<p>&bdquo;Kom! ga je mee,&rdquo; vroeg hij even later. En hij
+betaalde. Ze stonden op en liepen verder, op weg
+naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend naast
+elkaar gaand tot Bernard weer begon. &bdquo;Kom, kerel,
+ben je nou gek! Trek-je je dat nou wezenlijk aan?....
+Wat een nonsens!.... Mijn God! ik heb toch immers
+niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet
+hopeloos verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan
+ligt dat aan mezelf en aan mezelf alleen. Waarom
+zou ik daar nou over loopen zeuren?....&rdquo;</p>
+
+<p>En Edward draaide zich half om naar hem en zei
+heftig, blijkbaar wat opgewonden: &bdquo;Juist! Daar wou
+ik je hebben! Nu sla je den spijker op zijn kop!
+&rsquo;t Doet me verdomd veel plezier, dat je &rsquo;t nou zelf
+zegt, dat &rsquo;t alleen aan je zelf ligt. Zoo is &rsquo;t ook. Je
+bent wat melancholisch aangelegd en je geeft daar
+te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet flink! Je
+moet je daartegen verzetten met al de kracht die
+in je is. Je bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog
+haast je heele leven voor je, bedenk dat toch, en
+houdt je zelf frisch en moedig!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker!&rdquo; zei Bernard, &mdash; die maar blij was dat
+zijn vrind &rsquo;t zich blijkbaar toch niet zoo aantrok en
+weer gewoon praatte. &mdash; &bdquo;Zeker, zoo is &rsquo;t ook!....<span class="pagenum"><a name="Page_173" id="Page_173">[173]</a></span>
+Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt....
+Denk-je dat ik &rsquo;t allemaal niet weet wat je daar
+zegt?.... Ik beloof je; ik zal mijn best doen. Kom
+jij, in den tijd dat je nog hier in &rsquo;t land bent, maar
+veel bij me. Dat zal me wel goed doen....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Goed!.... graag! &rsquo;k beloof &rsquo;t je,&rdquo; zei Edward.
+&bdquo;Maar zeg me nu nog één ding: ben je werkelijk
+niet verliefd?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee!&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat &rsquo;s
+wel een wonder voor jou!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zou &rsquo;t ook zijn,&rdquo; zei Bernard glimlachend.
+En hij vertelde met een kalme vertel-stem van de
+trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde aldoor
+aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand
+die innig plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer
+heelemaal over zijn ergernis heen.... &bdquo;En hoe komt
+&rsquo;t dat dat nu zoo heelemaal bij je weg is,&rdquo; vroeg hij
+ten slotte.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel, ik weet &rsquo;t waarachtig niet,&rdquo; zei Bernard.
+&bdquo;&rsquo;t Was toch zeker niet dat!.... Ik denk haast nooit
+meer aan haar tegenwoordig.... Als ik morgen haar
+verlovingskaart kreeg, zou &rsquo;t misschien even......
+Nee! ik geloof eigenlijk dat &rsquo;t me onverschillig zou
+laten. Ik zou haar een kaartje sturen, en wat bloemen....
+of ook niet....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je moet me haar toch &rsquo;s laten kijken,&rdquo; zei Edward,
+aldoor glimlachend, &bdquo;ik ken haar, geloof ik, nog wel
+van vroeger.... Wel ja, ik geloof haast, dat ik &rsquo;r
+wel &rsquo;s ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan
+huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je
+je wel?.... &rsquo;t Zijn familievrinden van ons.... Ik
+zal er weer &rsquo;s gauw een visite gaan maken....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer
+&rsquo;s,&rdquo; zei Bernard met een stem alsof hij over wat
+anders dacht.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik hoop &rsquo;t,&rdquo; zei Edward. &bdquo;Want zie je ik ben
+net in een stemming dezer dagen om gecharmeerd te<span class="pagenum"><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span>
+worden op zoo&rsquo;n soort meisje.... En als ik jou
+dan toch niet in de wielen rijd....&rdquo; Hij keek Bernard
+even spottend aan, maar die zei eenvoudigweg en met
+een strak gezicht: &bdquo;Ga jij je gang, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen
+tot ze thuis waren.</p>
+
+<p>Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. &bdquo;Ben
+je niet doodmoe?&rdquo; vroeg ze aan Bernard.</p>
+
+<p>Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen
+kwamen voor Edward. &rsquo;t Was wel jammer dat hij
+nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er dezer
+dagen, en vooral &rsquo;s Zondags, kennissen kwamen om
+hem te verwelkomen!</p>
+
+<p>&bdquo;We hebben een goddelijke wandeling gemaakt,
+mama,&rdquo; zei Edward.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan ik me denken,&rdquo; zei ze, &bdquo;&rsquo;t is nu nog
+al een seizoen voor zulke tochten!.... Waarom heb
+je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie
+dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me,
+jongelief, je zult je nog ziek maken....&rdquo;</p>
+
+<p>Aan tafel was weer dezelfde stemming als &rsquo;s morgens.
+Alleen was papa wat spraakzamer en zijn vroolijkheid
+wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed verhalen
+uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen
+blik naar zijn vrouw, die intusschen, als hoorde ze &rsquo;t
+niet, zacht met Truida zat te praten, nu en dan over
+haar heen den tuin inkijkend, met een air van licht-gemelijk,
+maar berustend dédain.</p>
+
+<p>Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu.</p>
+
+<p>En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne
+sigaren, koffie en pousjes. En meneer raakte erg op
+dreef. Hij vertelde een paar dingen waaruit bleek
+dat hij &rsquo;s middags op de societeit was geweest. Hij
+vroeg herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat
+Bernard wel zei van Edward, of hij ook niet dacht
+dat hij een piet zou worden daar in Indië. Ja zeker,
+dat dacht Bernard ook.</p>
+
+<p>Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames<span class="pagenum"><a name="Page_175" id="Page_175">[175]</a></span>
+en net nog wat zouden gaan whisten, merkte Bernard
+op dat &rsquo;t zijn tijd was. Och, maar dat was jammer,
+vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral
+&rsquo;s gauw terugkomen.</p>
+
+<p>Edward bracht hem naar den trein. Onderweg
+maakten ze nog een afspraak voor de volgende week.
+Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen
+doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren.</p>
+
+<p>En Bernard was weer alleen in den trein. Maar
+hij voelde &rsquo;t nog niet dadelijk, &rsquo;t alleen-zijn. In zijn
+warm hoofd roesde en soesde nog al &rsquo;t gepraat van
+den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward
+en zijn vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat
+roezige in hem, dommelend in een hoek van de
+coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken
+en aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid
+komen in zijn geest. Hij wou den algemeenen
+indruk van dien dag, van den eersten dag met
+Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij
+wou eerst slapen. Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst
+slapen. Toen hij weer in de open lucht kwam, loopend
+van &rsquo;t station naar zijn kamer, wou &rsquo;t telkens
+boven komen, &rsquo;t denken over dien indruk. Maar
+met een vagen angst herhaalde hij in zich zelf: eerst
+slapen.</p>
+
+<p>En &rsquo;t lukte. Hij was moe van den ongewonen
+dag-in-de-lucht en die lange wandeling.</p>
+
+
+
+
+<h2>XI.</h2>
+
+
+<p>Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen
+&rsquo;t opstaan. &rsquo;t Was of de slaap hem geen
+rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den
+rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een
+onbestemd gevoel van bange benauwing &mdash; zonder
+zich er in te denken &mdash; zag hij op tegen den dag.
+Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen,<span class="pagenum"><a name="Page_176" id="Page_176">[176]</a></span>
+liggen in zijn bed. &rsquo;t Was of de tijd hem niet aanging.
+Maar met een druk-dringend geklop op zijn deur kwam
+zijn juffrouw hem weer roepen, met een hoog-schelle
+stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone
+luiheid: &bdquo;Meneer!.... weet u wel dat &rsquo;t bij
+half-negen is?.... meneer!.... meneer!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ja!&rdquo; riep hij nijdig terug en bromde: &bdquo;stik
+toch!&rdquo; en in-eens trok hij zich de dekens tot om &rsquo;t
+hoofd en kwam &rsquo;t in hem op &rsquo;t nu eens niet te doen,
+&rsquo;t te verdommen, gladweg.... Maar &mdash; beter wakker
+nu &mdash; schoten hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid
+allerlei dingen in, waar hij bepaald voor
+zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet
+opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast
+in zijn zak, en er kwam hem iemand spreken,
+tegen tien uur.... En even later trapte hij met driftigen
+wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit
+zijn bed zakken.</p>
+
+<p>Er was aldoor nog iets anders dan &rsquo;t gewone alledag-kantoorleven,
+waar hij tegen op zag, maar hij
+liet &rsquo;t niet nader komen, &mdash; vaag voelde hij &rsquo;t dreigen
+als wanhoopsstemmen in de verte.</p>
+
+<p>En toen hij de frischheid van &rsquo;t water gevoeld
+had en, zich afdrogend, naar een raam van zijn
+kamer liep om even te zien wat voor weer &rsquo;t was,
+herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om
+nu, van morgen, &mdash; in den kil-nuchteren stadsmorgen &mdash; in
+zich na te gaan den indruk van dien eersten dag
+met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit
+zijn gedachten, &rsquo;t uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf,
+dat hij geen tijd had, dat hij denken moest
+aan zijn zaken.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t werk viel mee dien morgen, en tegen elf
+uur, terwijl hij aan zijn lessenaar zat te schrijven een
+paar brieven, kwam &rsquo;t nader, àl nader, &rsquo;t dreigende
+in zijn ziel, en &rsquo;t hielp niet meer of hij al zijn best
+deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf,
+in-eens bonkte &rsquo;t op hem neer en wrong &rsquo;t zich in<span class="pagenum"><a name="Page_177" id="Page_177">[177]</a></span>
+hem, met onwrikbare stevigheid &mdash; als een schroef
+die met een domme-kracht gedraaid wordt in &rsquo;t
+wijkende hout: &mdash; Dat is uit, je hebt geen vrind
+meer!.... Er was lijdelijk, lijdend verzet in hem, hij
+wilde niet, maar hij moest; onmachtig onderging hij
+zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een
+zacht, onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed:
+Er is geen vrindschap.... Er is geen vrindschap....</p>
+
+<p>Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen,
+over provisiën en termijnen van betaling. Het was zijn
+gewone, regelmatige handschrift, groot-open, zonder
+krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal aan-zaken-gedenk
+van die zware gedachten, die als van-zelf
+ontstonden, zich verdrongen en ophoopten in
+zijn achterhoofd. &rsquo;t Was of een diep-sombere stem
+daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn gansche
+zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er
+is geen vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel
+is niet te deelen. Niemand kan een ander geven
+wat hij heeft zonder &rsquo;t zelf te verliezen.... En telkens
+terugkeerend, allengs vergrijzend, weg-somberend in
+de doffe melancolie: De mensch is alleen....</p>
+
+<p>In &rsquo;t koffie-uur, terwijl hij liep op straat en terwijl
+hij zat te dejeuneeren, met Sam, &mdash; ze lazen allebei
+de krant, &mdash; en daarna, terwijl hij slenterend opliep
+naar de Beurs, deed hij zijn best in zich op te diepen
+en dan te bekijken zijn aparte indrukken van gisteren &mdash; nu
+niet bang meer voor teleurstelling, want in zijn
+somberheid van nu was alles egaal grijs, zonder
+tinting van bizondere stemmingen, en alle gedachten
+gelijkwaardig als de steenen van de straat. En &rsquo;t was
+onmogelijk over te voelen de sensaties van gisteren,
+want er hing een nevel van melancolie overheen en
+er was een minachting in hem voor al die sentimenten,
+die de moeite niet waard waren, die, als ze even
+opkwamen, zwak en schraal, dadelijk werden weggeslorpt
+in zijn somberheid, als in een moeras dat treurig-onvruchtbaar
+zich uitstrekt tot den horizon.<span class="pagenum"><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></span></p>
+
+<p>Zoo leefde hij ook dien middag door. En aan tafel,
+met zijn tafelvrinden, zijn kameraden van allen dag,
+vonden ze hem stil en in zich zelf gekeerd, maar
+dat was hij wel &rsquo;s meer, ze namen er niet veel
+notitie van. André vroeg naar Edward, en hij vertelde
+kalmpjes en droog de feiten van gisteren, met een
+blanke conversatiestem, en hij zei dat Edward den
+volgenden Zondag in Amsterdam komen zou. &bdquo;Zoo!....
+komt-ie &rsquo;s fuiven hier?....&rdquo; vroeg André. &bdquo;Mooi!....
+dan zullen we &rsquo;m &rsquo;s fijn ontvangen, hè?.... Wat doen
+we met &rsquo;m?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;k Weet nog niet!.... &rsquo;k Zal nog &rsquo;s zien!....&rdquo;
+zei Bernard. &rsquo;s Avonds, alleen in zijn kamer zittend,
+nu en dan wat lezend en dan weer soezend, starend
+in de stille vlam van zijn lamp, werd zijn stemming
+draaglijker, niet meer zoo drukkend, en rustiger. Dat
+bedaarde, van verstandig en resoluut alleen-leven
+keerde terug. Vooral ook als hij zich bewoog, als
+hij liep door zijn kamer, met kalme, stil-aandachtige
+bereddering, voelde hij dat in zijn bewegingen.</p>
+
+<p>En dat hield hij ook den volgenden en daarop
+volgenden dag. Hij bewaakte die stemming zorgvuldig.
+&rsquo;s Middags aan tafel zat hij bedaard te praten
+over alles wat toevallig ter sprake kwam, met een
+niet-opvallende gelijkmatigheid. &rsquo;s Woensdags ging hij
+naar de comedie, in &rsquo;t rustig gezelschap van Hendrik,
+en liet zich bezighouden met een aangenaam gevoel
+van niets beters te doen te hebben. Verder dan ooit
+van den levenslust, kwam hij in een soort van goede-verstandhouding
+met het leven, iets dat leek op vrede,
+op te-vreden-zijn.</p>
+
+<p>Donderdagsavonds bleef hij weer laat op kantoor
+allerlei dingen afdoen, waar hij een oogenblik kalm
+voor zitten moest, zonder storing. En tusschen de
+dingen door soms even stil peinzend dacht hij zonder
+verdriet aan Edward. Zeker, hij hield nog veel van
+zijn ouden vrind. En Edward van hem ook, o! zonder
+twijfel! Beiden hadden ze den wil in zich, den goeden<span class="pagenum"><a name="Page_179" id="Page_179">[179]</a></span>
+wil, elkaar zooveel mogelijk te helpen en genoegen
+te doen, en misschien begrepen ze elkander nu en dan
+ook wel even.... Zeker! o ja! daar was veel goeds
+in. Edward was hem trouw en hij was Edward trouw.
+Zeker voelde ook zijn vrind die trouw als een soort
+van heilige afspraak, een verbond zooals in vroegere
+eeuwen zwervende ridders samen sloten, broederlijke
+vrinden blijvend al zagen ze elkaars gelaat in lange
+jaren niet. Zij waren immers van de ridders van
+deze tijden, ze waren gentlemen. En zij hielden van
+elkaar. Er was geen twijfel aan; hun vrindschap
+stond hoog, was misschien wel &rsquo;t hoogst-bereikbare
+tusschen twee menschen, twee van die werelden die
+mensch heeten.... wie weet &rsquo;t?.... Maar vrindschap?....
+Bernards gedachten van dien avond losten
+zich op in een glimlach, een koel-hoogen, ster-hoog
+ironisch-minachtenden ziele-glimlach.</p>
+
+<p>Maar Vrijdag &mdash; zooals een stormige morgen komt
+na een stil-helderen nacht &mdash; was weer onrustig, oproerig,
+mokkend. Hij voelde zich als weggeduwd, met
+hoongelach, in een put van gewoonheid en minne
+beslommering, als opgesloten, terwijl anderen samen-leefden.
+En plotseling in den namiddag schrok hij van
+een nieuw gevoel, dat vreemd-licht opsloeg naar zijn
+hoofd, hij wist niet waar vandaan. Hij was bang dat
+&rsquo;t wanhoop was, hij was bang, bang voor zich zelf.
+Hij dorst &mdash; nog nooit had hij dat gehad &mdash; &rsquo;s avonds
+niet op zijn kamer te blijven, alleen; hij ging uit, met
+André en een paar andere kennissen en dronk veel,
+zoodat hij zich den volgenden dag physiek-ellendig
+voelde, dien dag doorzeurend, verlangend naar zijn
+bed, en zich heel vroeg te slapen lei, met een wil &mdash; een
+soort plichtsbesef &mdash; om frisch en helder te zijn
+dien Zondag als Edward kwam.</p>
+
+<p>Hij was dan ook weer beter, weer gewoon dien
+Zondag. Hij was ook weer bedaard, kalm-somber.
+&rsquo;t Speet hem dat &rsquo;t regende. Dat was lastig, hij had
+willen wandelen met Edward. Niet omdat zoo&rsquo;n lange<span class="pagenum"><a name="Page_180" id="Page_180">[180]</a></span>
+wandeling hem nog aanlokte &mdash; dat was voorbij &mdash; maar
+omdat die &rsquo;t best den middag vulde. Nu zou
+&rsquo;t wel weer worden een blijven hangen in kamers en
+koffiehuizen. Hij kende dat, hij proefde &rsquo;t al.</p>
+
+<p>Toen hij, achter op de tram, naar &rsquo;t station reed
+om Edward af te halen, keek hij telkens naar de
+lucht, hopend dat &rsquo;t wat lichter worden zou. Maar
+&rsquo;t werd niet lichter, en &rsquo;t regende door, &rsquo;t was een
+echte regendag. Hij zette zich er dus over heen.
+Wat kon &rsquo;t hem eigenlijk ook schelen. De dag kwam
+wel weer om, wel zeker, &rsquo;t zou zelfs wel gezellig zijn
+met Edward en André en Sam, vroolijke lui. Bedaard
+wachtend liep hij op &rsquo;t perron heen en weer,
+nauwelijks merkend dat de trein weer wat te laat
+kwam. En hij ontving zijn vrind met gul-lachende
+vrindschappelijkheid.</p>
+
+<p>Edward was vroolijk en spraakzaam. Hij was blij
+dat hij weer &rsquo;s in Amsterdam was. &rsquo;t Begon hem
+eigenlijk al erg te vervelen in Baarn. Hij was al
+&rsquo;s naar Utrecht geweest, naar zijn broer, en hij dacht
+van den zomer naar Hannover te gaan en met Herman
+een reisje te maken in den Harz of zoo. Hij zou
+hem er over schrijven. Maar eerst, ja, ja.... eerst
+kwam hij in Amsterdam logeeren, waarschijnlijk al
+gauw, in April nog, bij zijn zuster. Hij had ook nog
+heel wat zaken af te doen in Amsterdam, van de
+week was hij daarvoor ook nog &rsquo;s een dag in de
+stad geweest; helaas had hij weer geen tijd gehad bij
+Bernard aan te loopen.</p>
+
+<p>Bernard luisterde rustig naar zijn ijverig pratenden
+vrind en zei nu-en-dan ook een paar woorden met
+een opgeruimde, kalm-blanke stem, aldoor in die
+stemming van stil-wijs evenwicht, berustend in zijn
+alleen-zijn, zonder behoefte aan uiting en bijval, koel
+versmadend de soort van troost die komen kon van
+wat men vrienden noemde. Hij was ook vast besloten
+in die gemoedshouding te blijven dien dag, zich
+niet te laten storen.<span class="pagenum"><a name="Page_181" id="Page_181">[181]</a></span></p>
+
+<p>Maar &rsquo;t mislukte weer volkomen.</p>
+
+<p>Ze zouden koffiedrinken in &bdquo;de Poort.&rdquo; Daar zat
+André hen al op te wachten. Hij en Edward begroetten
+elkaar met joviaal-lustige hartelijkheid en een
+zekere heimelijke verstandhouding. Tenminste Bernard
+voelde &rsquo;t zoo terwijl hij er bij stond. &rsquo;t Was
+hem dadelijk of die twee elkaar lachend deden opmerken
+zijn figuur van dooien-diender. Een chagrijnig
+gevoel van dupe-zijn kwam snel in hem op.</p>
+
+<p>Ze zouden voorloopig met-z&rsquo;n-drieën blijven. Hendrik
+was naar Haarlem, Gerrit was ook uit de stad
+en Sam zou hen komen treffen tegen vijf uur in een
+café. Met-z&rsquo;n-drieën gingen ze dus zitten dejeuneeren,
+en bijna voortdurend praatten Edward en André
+samen, wat heel natuurlijk was, redeneerde Bernard
+tegen zich zelf, want ze hadden elkaar nog niet weergezien.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t hinderde hem toch.</p>
+
+<p>Daar was weer niets aan te doen.</p>
+
+<p>Hij hoorde hoe heel anders, hoe veel opgewekter,
+jonger, joliger, dat praten van Edward met André
+was dan zijn eigen gesprekken met zijn vrind, daar
+net nog op straat en den vorigen Zondag. Hij
+voelde dat die twee elkaar bevielen, dat ze iets zonnigs,
+iets prettigs waren voor elkaar, Edward voor
+André en André voor Edward. En hij was jaloersch
+op André en &rsquo;t ergerde hem dat hij jaloersch was.
+Hoe kinderachtig was dat nu weer, hoe beroerd dat
+hij zijn stemming van bedaard en verstandig alleen-zijn
+niet wist te bewaren!.... Waar was die stemming nu?....
+weg.... totaal weg!.... Hij was wee-leeg
+van stemming nu, wrevelig; hij voelde zich als
+zonder doel neergegooid in een warboel van antipathieke
+gedachte-scheuten en sentiment-vleugjes, hij
+voelde een vijandige onverschilligheid om zich heen
+in &rsquo;t drukke lawaaiige café.</p>
+
+<p>Rondom hun tafeltje stonden andere tafeltjes, naakt-houten
+koffiehuistafeltjes, en daaraan zaten allerlei<span class="pagenum"><a name="Page_182" id="Page_182">[182]</a></span>
+mannen, heer-menschen, met oplettendheid lekker
+te eten en te praten met gezichten die wat uitdrukten:
+genot, genoegelijkheid, blijdschap, belangstelling, &mdash; er
+was er een die keek met een siekeneurige
+bezorgdheid; &mdash; en hij voelde dat zijn eigen gezicht
+niets uitdrukte dan &mdash; misschien &mdash; verveling en gemelijkheid.
+Overal in &rsquo;t café, tusschen de kil-naakte
+caféwanden, was geroes van hard praten, en de kelners
+liepen en riepen door de zaal met een zjeuïge
+haast, met famieljare aanmatiging en harde, mislukkende
+affectatie-geluiden, quasi-grappige dreunen:
+As-je-blief!.... Aánnemen, meneer!.... kóm bij
+u!.... hàlve biefstuk met twéé spiegeleieren bovenóp....
+koffie!.... &rsquo;t Was een naar schreeuwerig
+lawaai. Er was een ploertig-luidruchtige, commis-voyageursachtige
+soort gezelligheid in de zaal. En
+aldoor kwamen en gingen de menschen hard over
+den houten vloer en krasten de stoelen naar achteren
+en naar voren en, telkens onverwachts, gaapte wijd de
+bekleede deur open en liet menschen binnen in
+een kilte van vochtigen tocht en zoog dan weer dicht,
+lamlendig terugvallend met een dof-stille bons.</p>
+
+<p>En Edward zat te luisteren naar André, die ophaalde
+van vroeger, en allerlei dingen vertelde van
+menschen die ze kenden, en telkens zei Edward tegen
+Bernard half-verwijtend: &bdquo;God! dat heb-je me nog
+heelemaal niet verteld!&rdquo; en luisterde dan weer naar
+André of sloeg zelf aan &rsquo;t vertellen van beleefde
+gekke voorvallen en van pikante bizonderheden in &rsquo;t
+indische leven en de menschen daar.</p>
+
+<p>Toen ze gedejeuneerd hadden, staken ze sigaren
+op. &rsquo;t Regende altijd nog door, fijntjes, dampig; de
+lucht was egaal grijs.</p>
+
+<p>Stil somber in hun Zondagsche geslotenheid stonden
+de donkerrosse huizenrijen, droevig gelaten neerdruipend
+vunzige regenstrepen.</p>
+
+<p>Bernard was stil.</p>
+
+<p>Maar André sloeg hem op zijn schouder, luid zeggend:<span class="pagenum"><a name="Page_183" id="Page_183">[183]</a></span>
+&bdquo;Cheer up, old man!.... &rsquo;t Valt je tegen die
+regendag, hè.... Ja, daar is nu niets aan te doen!....
+Als we &rsquo;s naar mijn kamer gingen?....&rdquo;</p>
+
+<p>Dat zijn stil-zijn opvallend was geworden ergerde
+Bernard opnieuw. Hij keek even Edward aan, die
+glimlachte, zwijgend. En hij kreeg een kleur van
+ergernis. Hij werd verward, suffig, en zei dat &rsquo;t hem
+niet schelen kon, waar ze heen gingen, dat Edward
+&rsquo;t maar weten moest, wat hij &rsquo;t liefst deed.</p>
+
+<p>Naar een museum?</p>
+
+<p>Neen, een museum op zoo&rsquo;n regenachtigen Zondagnamiddag
+was de geïncarneerde verveling, vond
+Edward.</p>
+
+<p>André&rsquo;s kamer?.... Dat was te ver.</p>
+
+<p>Dus zouden ze nog maar even blijven zitten om
+te zien of &rsquo;t ook wat opklaren zou, dan konden ze
+misschien nog wat omwandelen.</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t bleef regenen.</p>
+
+<p>Om half drie zaten ze er nog. &rsquo;t Was Bernard
+met inspanning gelukt weer een toon van opgewektheid
+in zijn stem te brengen, en hij praatte nu, kalm
+rookend! Maar meer en meer werd hem de koffiehuisdrukte,
+benauwd-besloten tusschen de zwaar-dichte
+muren en zoldering en de groote, vaal-grijs beslagen
+en beregende ramen, een kwelling, een obsessie. Aldoor
+ging die deur, met een lichtkreunend geluid, en
+viel weer dicht, dof-stil. En nu waren veel burgermenschen
+binnengekomen, winkeliers, kantoorbedienden,
+diamantslijpers met hun vrouwen, dochters, tantes,
+ellejongens met scharrel-meisjes en winkeljuffies
+met galanten. Er werden al borreltjes gedronken en
+de rook van de goedkoope sigaren grauwde blauwig
+om de met Zondagsche zorg gekamde, vet-glimmende
+haarkoppen van de mannen en idiotig opgeflodderde
+vrouwenhoeden.</p>
+
+<p>En door de dikke rook-en-borrel-atmosfeer dreunde
+zwaar &rsquo;t ploertig-bevelend geroep van de kelners:
+&rsquo;n gláásje Catz en &rsquo;n glás advokaat!.... kóffie!....<span class="pagenum"><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></span></p>
+
+<p>Ook Edward begon &rsquo;t nu blijkbaar te voelen. Hij
+keek verveeld rond en stelde voor nu in ieder geval
+maar &rsquo;s weg te gaan. &bdquo;All right, let&rsquo;s have a move,&rdquo;
+zei André, die vroolijk beweerde dat hij zijn engelschen
+dag had.</p>
+
+<p>Op straat, in de regenkilte, die van den natten steenen-grond
+ophuiverde langs zijn beenen en koelde
+zijn soezerig hoofd, hoopte Bernard zijn klaar-bewuste,
+kalm-rustige stemming van &rsquo;s morgens terug te vinden.
+Hij deed er zijn best voor, maar &rsquo;t lukte niet.
+Aldoor dreinde die jaloerschheid op André. En een
+oogenblik zijn ergernis daarover op zij duwend zei hij
+driftig in zich zelf, dat hij &rsquo;t ook niet wou dat Edward
+meer bevrind zou worden met een ander dan met
+hem. Hij begreep zelf niet, wat &rsquo;t hem eigenlijk schelen
+kon, daar toch vriendschap niet bestond, maar
+hij wou &rsquo;t toch niet, hij wou &rsquo;t tóch niet!.... En hij dwong
+zich weer vroolijk te zijn. Hij stelde voor even naar
+zijn kamer te gaan, een glas Vermouth drinken, en
+dat deden ze. Edward kwam er voor &rsquo;t eerst. Hij
+vond de trap allermiserabelst, maar de kamer zelf
+heel aardig, heel gezellig. Hij liep er in rond met
+nieuwsgierige belangstelling, kijkend naar al de dingen
+aan den muur; hij snuffelde in de boeken die op de
+tafel lagen en begon te praten over sommige daarvan,
+die hij toevallig ook gelezen had. Dat was voor Bernard
+even een onverwachte aanwaaiing van sympathie,
+even maar, want toen hij dadelijk, met den hartstochtelijken
+ijver van een echten lezer, over die boeken
+begon te beweren, gaf Edward op onverschilligen toon,
+verstrooide, vluchtige antwoorden: Zoo!.... ja!....
+hij wist &rsquo;t zoo precies niet meer.... &rsquo;t Kon wel
+zijn!.... Ja, ja, hij herinnerde &rsquo;t zich ook wel zoowat....</p>
+
+<p>&bdquo;Jelie doet daar niet veel aan lezen, hè?&rdquo; vroeg
+André.</p>
+
+<p>&bdquo;Och ja!.... als we den tijd hebben,&rdquo; zei Edward.
+&bdquo;We hebben een leesgezelschap natuurlijk.... zoo&rsquo;n<span class="pagenum"><a name="Page_185" id="Page_185">[185]</a></span>
+echt indisch leesgezelschap,.... veel illustraties,....
+veel tijdschriften over &rsquo;t algemeen,.... en dan
+romans,.... maar dat &rsquo;s een zoodje!.... Dat is
+natuurlijk wat de boekverkooper, die ons bedient, graag
+kwijt wil zijn, wat hij goedkoop kan krijgen, begrijp
+je wel?....&rdquo;</p>
+
+<p>En hij greep weer naar een ander boek en las den
+titel halfluid en bladerde er weer in en gooide &rsquo;t
+opzij. En Bernard zweeg en keek er naar met
+ergernis; iets dat hem lief was werd nonchalant
+behandeld.</p>
+
+<p>Van Bernards kamer gingen ze naar &rsquo;t koffiehuis
+in de Kalverstraat waar zij gewoon waren te komen,
+en waar ook Sam hen zou komen treffen tegen vijf
+uur. &rsquo;t Was donker en vol in de nauwe straat onder
+den laaghangenden regenhemel en nog donkerder
+en voller in &rsquo;t bekende, drukbezochte café. Ze gingen
+zitten aan een tafeltje aan &rsquo;t raam, dat toevallig vrij
+kwam. De stoelen waren nog warm en de kelner
+haalde de vuile glazen weg en veegde met een viezen
+doek haastig en onvoldoende de tafel af, roepend
+terwijl naar een ander tafeltje: kóm bij u!</p>
+
+<p>Een uitgaand endje sigaar bleef liggen stinken op
+den looden aschbak. Bernard smeet &rsquo;t op den
+grond met een gebaar van walging, waar André om
+lachte.</p>
+
+<p>Zij gingen zitten domineeren. Bernard deed dat
+slecht, hij kreeg herhaaldelijk standjes van André,
+die zei dat hij speelde als een jongejuffrouw, dat hij
+bang was om te koopen. &bdquo;Wees blij, dat ik mee wil
+doen, jij die &rsquo;t zoo graag speelt,&rdquo; zei Bernard. &bdquo;Waarom,&rdquo;
+vroeg André, &bdquo;als je &rsquo;t liever niet doet, kijk dan
+toe, dan speel ik alleen met Edward; die houd er
+ook wel van,.... hè?.... zeg?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel,&rdquo; zei Edward kalmpjes, &bdquo;ik mag &rsquo;t wel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och zanik niet,&rdquo; bromde Bernard, &bdquo;je zult zien,
+dat ik &rsquo;t nog win ten slotte.&rdquo;</p>
+
+<p>Toevallig was &rsquo;t zoo, hij won &rsquo;t eerste rondje. Dat<span class="pagenum"><a name="Page_186" id="Page_186">[186]</a></span>
+ergerde André een beetje, die zei, dat &rsquo;t meer geluk
+dan wijsheid was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat heb ik altijd gehad,&rdquo; zei Bernard bedaard,
+starend in zijn steenen, &bdquo;dubbele zes!.... dubbele
+vijf!....&rdquo;</p>
+
+<p>Even over vijven kwam Sam &rsquo;t café binnen. Toen
+werden de dominosteenen opzij geschoven en bleven
+ze nog wat zitten kletsen, bitter drinkend en kijkend
+naar buiten, door de viezig-beslagen en beveegde
+ramen, naar de onophoudelijk voorbijschuivende menschenmassa,
+het leger van Zondagsmenschen in
+saai-donkere, bruinige, groenige Zondagskleeren, onder
+&rsquo;t wiebelend parapluie-dak vadsig aanslenterend in
+loome groepen, waar nu en dan, slank en haastig
+een heer doorstapte, met een strak gezicht, wendend
+zijn parapluie vlug naar links en naar rechts om er
+door te kunnen. De asphaltvloer was morsig-nat, vuil-grauw,
+en tusschen de donkere huizengevels, boven de
+menschen, hing laag de schemer van den motregen.</p>
+
+<p>De ontmoeting van Sam en Edward was heel
+bedaard geweest. Ook hadden ze elkaar vroeger maar
+weinig gekend, en Sam was altijd wat stijf met nieuwe
+menschen. Hij deed een paar beleefdheidsvragen en
+bleef toen, zonder praten, kijkend met zijn goed-joviaal
+gezicht dan den een dan den ander aan, rustig
+zitten luisteren naar wat zij zeiden, gezellig-tevreden,
+bescheiden zwijgend zonder stil te zijn, een man,
+schijnbaar zonder strijd, kalm-gelukkig in zich zelf,
+toch gedistingeerd, toch een heer. Hem benijdde Bernard
+altijd om de volkomen geslotenheid van zijn
+ziel, waarvan hij nooit iets blootgaf in den blik van
+zijn koel-vroolijke oogen noch in de buigingen van
+zijn prettig-hartelijke stem, noch in zijn ganschen,
+beminnelijk-opwekkenden omgang.</p>
+
+<p>Ook thans peinsde Bernard &mdash; naar hem kijkend nu
+en dan, al pratend intusschen met de anderen &mdash; over
+die altijd zoo door hem gewenschte, nooit heelemaal
+bereikte geslotenheid. Hij wou wel weten of Sam er<span class="pagenum"><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span>
+ook wel &rsquo;s moeite mee had, hij vermoedde dat hij,
+onbewust van zijn eigen zielsvermogen, daar eigenlijk
+nooit over nadacht, dat hij nooit lust voelde zich
+te geven, levend in een natuurlijken afkeer van weeke
+teederheid, van liefde-behoefte. Zoo ten minste was
+de schijn. Maar was &rsquo;t wel zoo? Bernard nam zich
+voor te trachten dat te doorgronden.</p>
+
+<p>De neerschemerende namiddag vulde de hoeken
+van &rsquo;t café met een lugubere duisternis, waar de
+donkere manfiguren met brommende drankstemmen
+pratend samenzaten als roovers in een hol; de jeneverwalmen
+en de laag-hangende, vaal-grijze rookwolken
+sloegen lauw-warm om de ros-heete, van binnenuit-verhitte
+hoofden, die samenkoppelden boven de
+glimmende tafelvierkantjes. Hier en daar alleen trilde
+een schamplichtje op een borrelglaasje of op een bril.
+Bernard voelde zijn oogen steken en een doffe drukking
+van hoofdpijn tegen zijn slapen. Hij stelde voor
+nu maar &rsquo;s te gaan eten. Hij was gastheer. Ze zouden
+gaan in een duur restaurant daar ergens in de buurt,
+ter eere van Edward, en tot luidruchtige blijdschap
+van André, die veel hield van lang en lekker eten. Ze
+stonden dus op en gingen met moeite tusschen de
+donker-gejaste mannenkringen door naar de deur, en
+kwamen weer in de regenkilte van buiten, waar hun
+stemmen in-eens hooger klonken, doorzichtig dun en
+glad, waar hun groep uiteen viel, in de onmogelijkheid
+van naast elkaar te blijven loopen. Ze liepen &mdash; ieder
+alleen &mdash; zoo snel als &rsquo;t ging door de traag
+gaande menschenmassa, elkaar nu en dan toeroepend,
+behendig manoeuvreerend met hun parapluies.</p>
+
+<p>Want &rsquo;t regende al maar door, de lucht werd valer,
+donkerder, zich hullend in regendampen als in sluiers
+van stillen en onbegrepen rouw. Er was nu geen geschreeuw
+van straatventers, er was een roezig geploeter
+van nattig-schuifelend gestap en brommende stemmen,
+soms overtoond door een schel ruzie-geluid van
+een burgervrouw, die nijdig was omdat &rsquo;t droop van<span class="pagenum"><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span>
+een passeerende parapluie op haar goeie-goed.</p>
+
+<p>Maar gauw waren ze aangekomen, door de helder-ruime
+vestibule in het rijke, rustige restaurant, van
+uit de kilmistige regenschemering in-eens in de zachte
+warmte, in &rsquo;t al vermooiende avondlicht, dat de dof-flonkerende,
+overdadige pracht van de zaal zich opdringen
+deed aan den klein-turenden, half-verblinden blik,
+stil-precies met een oneigenlijke duidelijkheid. Ze
+gingen zitten, zoo ver mogelijk van de schel-schitterende
+lichtkroon, in een hoek van warm-donkere gordijnen
+en behang, en ze aten veel en duur, bizondere
+schotels, met gedrild-strakken eerbied aangedragen
+door de deftig-arrogante kelners, en wisselden telkens
+van fijnen wijn, zoodat er een rijkdom van glaswerk
+kwam te staan op het, hier en daar slordig bemorste,
+zacht glanzende damast van hun tafel. Ze praatten
+eerst zacht, bijna fluisterend, evenals de andere menschen
+die hier en daar door de niet heel groote zaal
+zaten, verspreid in intieme groepjes, maar André begon
+het eerst met hardop te praten, en al gauw bekommerden
+ze zich niet meer om die andere menschen &mdash; die
+naar hen keken met nieuwsgierige verbazing en
+ergernis &mdash; en praatten alsof ze alleen waren, vroolijk
+en opgewonden door den wijn en de weelde van
+de tafel.</p>
+
+<p>Ook Bernard voelde een stemming van behaaglijke
+rijkheid groeien in zijn warm hoofd en loome leden.
+Maar soms herinnerde hij zich weer in-eens, met
+onbestemden angst, zijn triestige eenzaamheid van
+allen dag, zijn zorgen, zijn stervende illusies. Dan
+dronk hij schielijk zijn glas uit en schonk zich opnieuw
+in en animeerde de anderen om toch uit te drinken
+en hij wond zich op in een dol-doorslaand twistgepraat,
+vol onzinnige dwaasheden, met Sam, zoodat de
+anderen &rsquo;t uitschaterden, en hij toostte op Edward,
+joviaal-vriendschappelijk, met hartelijke woorden maar
+zonder aandoening in zijn stem, en toen dronken ze
+ad fundum, en Edward toostte op hem, en &rsquo;t hinderde<span class="pagenum"><a name="Page_189" id="Page_189">[189]</a></span>
+Bernard een beetje dat in Edwards stem wel even
+emotie trilde. Hij beredeneerde in zich zelf dat dit
+van &rsquo;t drinken kwam &mdash; een sentimenteele dronk! &mdash; maar
+in zijn gemoed dreinde toch wat zelfverwijt, dat
+hij weg wou nevelen door meer wijn, nogmaals aanstootend
+met zijn ouden vrind. Maar toen ze elkaar
+daarbij even, vast, recht in de oogen keken, voelde
+Bernard ondanks zijn opwinding opnieuw met wreede
+duidelijkheid dat &rsquo;t niet meer dàt was tusschen hen
+beiden en dat &rsquo;t ook nooit meer dàt zou worden. Hun
+oogen hadden in dat moment met koele terughouding
+gespeurd in elkaar, gezocht zonder vinden.</p>
+
+<p>Ook Sam dronk &mdash; een koddig-onsamenhangenden
+toost &mdash; op de vrindschap, en André begon, een
+beetje dronken, op Edward te toosten die zoo&rsquo;n fideele,
+joviale vent gebleven was, een verduiveld leuke kerel,
+waar hij nog wel &rsquo;s meer mee uit wou, waarachtig!....
+&bdquo;en dan naar de meisjes ook, wat jij, zeg!
+Edward?&rdquo; En zijn toost eindigde in een dol-uitgeschaterd:
+&bdquo;Leve de meisjes! daar gaan ze,.... allemaal!&rdquo;</p>
+
+<p>En Edward lachte ook en antwoordde met een
+schielijk vertelden, schuinen ui, waar André om proestte
+tot stikkens toe, en Bernard voelde zijn stemming
+weer erg zakken. Hij dronk niet meer, zat stil-roezig
+te kijken naar de anderen, die nu, over de tafel
+gebogen, half-fluisterend, meer van die moppen gingen
+vertellen. Hij glimlachte als de aardigheid kwam
+en hield zich gepréoccupeerd, wat hij als gastheer
+doen kon; hij bestelde koffie en cognac en rekende
+af met den beleefd-serieuzen ober. Zoo merkte niemand
+dat hij wat minder vroolijk werd. En eindelijk
+stonden ze op met veel stoelgerommel en luid geroep
+en gepraat van André in de nu leege zaal, en trokken
+in den stil-lichten, keurigen corridor hun klamme, van
+vocht zware jassen weer aan, geholpen door de kelners,
+en buiten bleven ze dadelijk op en neer loopen,
+wachtend op de tram om naar &rsquo;t circus te rijden.<span class="pagenum"><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span>
+Want daar wou Edward &rsquo;t liefste heen, hij was er nog
+niet geweest na zijn terugkomst.</p>
+
+<p>Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen
+binnen zitten, waar de drie anderen moeite hadden
+André, die heel druk geworden was, &rsquo;n beetje
+stil te houden, en ze kwamen aan &rsquo;t circus, en gingen
+op den eersten rang zitten. De voorstelling was al
+lang begonnen. En ze werden gauw afgeleid, bezig
+gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg,
+kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens
+roepend met glanzende oogen en opgewonden gebaren:
+&bdquo;Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe de
+kerel dat doet?....&rdquo; zoodat Sam en Bernard elkaar
+soms even aankeken met glimlachende verstandhouding.
+André was eerst nog druk en ongedurig, maar
+na een poosje &mdash; terwijl er geen notitie van hem genomen
+werd &mdash; viel hij in slaap; ze moesten hem wakker
+maken in de pauze. Maar toen was hij in-eens
+weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de koffiekamer
+sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk
+weggaan met een paar van die meisjes, maar
+Sam en Edward hielpen Bernard &mdash; die een beetje
+boos werd &mdash; om hem weer mee naar binnen te krijgen.
+En toen de voorstelling afgeloopen was, scheen
+André in-eens weer al die plannen vergeten en noodigde
+de anderen met aandrang uit mee te gaan naar
+zijn kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te
+fuiven. Hij had juist lekkere whisky in huis gekregen,
+die bepaald gauw geproefd moest worden.</p>
+
+<p>En ze gingen met hem mee en bleven lang op
+die kamer en werden allemaal dronken. Om twee
+uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl
+Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen
+ondersteboven zette, en Edward in Bernards
+arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen.
+Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten
+tijd, was &rsquo;t ergst dronken. André zei, dat hij op zijn
+kamer kon blijven slapen, maar Bernard, jaloersch,<span class="pagenum"><a name="Page_191" id="Page_191">[191]</a></span>
+dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan,
+en zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard
+en Sam in, naar huis, naar de stille kamer op &rsquo;t
+Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden en legden
+hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en
+tot bed ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch
+en hollandsch door elkaar, onverstaanbaar en
+idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal met zijn
+hoofd in &rsquo;t kussen lag, sliep hij, met een open mond
+achteroverliggend, bijna dadelijk in.</p>
+
+<p>Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn
+of hij was weer kalm als &rsquo;t noodig was, bedaard weg
+en bleef Bernard alleen met zijn slapenden vrind.</p>
+
+<p>De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht
+en zijn altijd bezig gedenk hadden hem bijna
+geheel ontnuchterd. Maar hij had een gloeiende,
+dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig
+klein en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward
+liggen met zijn open mond en zijn zweet-parelend,
+breed-blank voorhoofd en hij begreep &rsquo;t niet, hij vond
+alles vreemd, &rsquo;t was of &rsquo;t niet werkelijk was, die
+roezige nacht, dat liggen daar van zijn vrind. Even
+dacht hij aan een winteravond toen hij had zitten
+verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... &bdquo;Ik
+ben toch ook dronken,&rdquo; zei hij, heesch-hardop met
+een ruwen vloek. En hij gooide zijn jas uit en viel
+toen neer op zijn bed.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen,
+katterig en moe, &mdash; Edward sliep nog, &mdash; en &rsquo;t
+was een morgen, dof-smartelijk van landerigheid en
+hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen
+van denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg
+voor zich, maar hij wist dat ze ginnegapten achter zijn
+rug. En dan was er nog een beetje dat vreemde, dat
+gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.</p>
+
+<p>Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te
+gaan koffiedrinken. Hij was keurig-netjes afgeborsteld<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span>
+en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was
+heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij
+zei. Hij had trek. Hij was heel vroolijk en sprak
+met groote ingenomenheid over gisteren-avond. Bernard
+begreep &rsquo;t niet.</p>
+
+<p>Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet
+opdagen. En ze stonden juist op om weg te gaan,
+toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend
+gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den
+tijd niet om behoorlijk voorgesteld te worden aan
+Edward, maar vertelde dadelijk zijn groote nieuws.
+Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar
+vader was in de bloembollen. Ze kenden haar niet,
+maar &rsquo;t was een meisje, o!....</p>
+
+<p>Bernard streek zich met de hand over &rsquo;t voorhoofd.
+Hij feliciteerde Hendrik, maar &rsquo;t feit drong
+niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij glimlachte,
+begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep
+weer weg, hij moest nog even naar kantoor en dan
+ging hij weer gauw naar Haarlem!.... Maar morgen
+kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....</p>
+
+<p>Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd
+thuis te komen met den trein van één uur veertig.</p>
+
+<p>Als een boodschap, die hij even gauw doen moest,
+bracht Bernard hem naar &rsquo;t station. Ze namen haastig
+afscheid en Bernard holde een tram achterop, die
+naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te
+komen voor sommige dingen, die hij daar doen moest,
+noodzakelijk.</p>
+
+
+
+
+<h2>XII.</h2>
+
+
+<p>Een paar weken volgden nu van doffe melancolie,
+draaglijk overdag in de werkuren, die soms een stil,
+klein-menschelijke verheuging gaven door &rsquo;t opschieten
+en &rsquo;t slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende,
+schijn-lichte leegheden aan &rsquo;t einde van
+den dag. Daarom werd maar veel gewerkt, &rsquo;s avonds
+ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert.<span class="pagenum"><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span>
+Dat vulde, dan was &rsquo;t gauw weer tijd om te gaan
+slapen, om met ontspannen spieren weg te zinken
+in &rsquo;t onbewuste van den slaap, waarin alleen &rsquo;t mysterieusch
+halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde,
+gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een
+schimmig-bedriegelijke vreugde-ontroering bij &rsquo;t eerste
+ontwaken.</p>
+
+<p>Hij ging een beetje houden van dat soort leven,
+en kweekte &rsquo;t weemoedig, &rsquo;t gemakkelijk vindend, en
+&rsquo;t gaf ook een zekere voldoening van stil je plicht
+doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen &rsquo;t komen
+logeeren van Edward in Amsterdam. Dat zou een
+storing geven, onrust, schijn-genot weer en teleurstelling.
+&rsquo;t Was maar &rsquo;t verstandigst zoo te blijven voort-peuteren,
+van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de
+smart je niet merkt, niet pakt. Want dat andere leven
+zou toch wel nooit komen, misschien.... En zij....
+zij!....</p>
+
+<p>Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en
+Sam naar Haarlem, naar de verlovingsreceptie van
+Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste momenten
+binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend
+doorzoeld van bloemengeuren, was vol met
+menschen, met dames, zelfbewust en liefdoende, en
+met heeren, die in &rsquo;t slungelige staan vergeefs naar
+deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van
+gisteren en eergisteren, was een ander, was niet hun
+Hendrik, niet de droog-leuke, bedaarde man van
+zaken, die een pose van wijsheid had door zijn bescheiden
+teruggetrokkene, onverwonderde kalmte.
+Naast zijn meisje, zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke,
+in fiere rijzing glanslachende meisje, was
+hij onbewust inférieur, als beschermd door haar, in
+zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend
+in Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover,
+telkens uitstekend naar een bezoeker zijn lange, blanke
+hand, met een reine blijheid in zijn lichte oogen, &mdash; die
+wat zwak nu schenen, &mdash; bleek van geluk,<span class="pagenum"><a name="Page_194" id="Page_194">[194]</a></span>
+overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend
+als van schaamte over zijn niet-waardig zijn,
+als moest hij zich verontschuldigen dat hij &rsquo;t was
+die haar man zou worden.</p>
+
+<p>En Bernard benijdde hem niet.</p>
+
+<p>Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang
+voor was geweest, dat hij daarom zwakjes opgezien
+had tegen de impressie van dat jonge menschenpaar
+tusschen bloemen en groen. &rsquo;t Zou min geweest zijn
+en dom, jaloersch te zijn. Maar hij was &rsquo;t ook niet,
+heelemaal niet; toen ze van die receptie kwamen
+had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en pijnlijk-overgevoelig
+voor indrukken van menschen en dingen,
+een beetje schuw, zoowat &rsquo;t tegenovergestelde van
+een bruikbaar lid van de maatschappij, wat hij toch
+eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.</p>
+
+<p>Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar
+dineerden weer in Amsterdam, en &rsquo;s avonds gingen ze
+naar &rsquo;t concertgebouw, Bernard zag aldoor dat staan
+van Hendrik voor zich, en &rsquo;t speet hem een beetje
+dat hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen
+voortaan, maar hij was niet jaloersch. En de
+muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond
+van passieve overgave aan de bekoring der melodieën;
+soezig rustte zijn geest in klankenweelde.</p>
+
+<p>Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum
+en, aldoor in die stemming van zich afleiding
+willen geven, van niet-toegeven aan mijmering, van
+veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte
+hij druk met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig
+naar omslachtige verhalen van tante over
+de Bussumsche menschen. En bij &rsquo;t weggaan haalde
+hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar
+&rsquo;t station te brengen, zich een beetje schamend later
+over die huichelarij, want &rsquo;t was enkel om niet alleen
+te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een<span class="pagenum"><a name="Page_195" id="Page_195">[195]</a></span>
+uitnoodiging van den heer en mevrouw van den
+Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich voorstelden
+te geven op aanstaanden Woensdag, mede
+ter eere van zijn vriend Edward van Laeken. Hij
+wist &rsquo;t al half; Edward zou Dinsdag in de stad komen
+en had hem al gesproken van een avondje dat de van
+den Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er
+heen gaan, natuurlijk. Waarom zou hij er niet heen
+gaan? Hij nam zoo&rsquo;n uitnoodiging haast altijd aan
+omdat er geen voldoende reden was om &rsquo;t niet te doen.</p>
+
+<p>&rsquo;s Maandags hoorde hij van André en Sam dat
+ze ook gevraagd waren en gaan zouden. Sam had
+er niet veel plezier in, hij dacht dat &rsquo;t wel op een
+ordinair muziekavondje uit zou draaien en &mdash; ernstig
+liefhebber van muziek &mdash; had hij &rsquo;t land aan zulke
+avondjes. Maar André, die hoop had dat Betsy
+komen zou, sprak er met animo over.</p>
+
+<p>En &rsquo;t was die Woensdagavond. Bernard was weer
+wat laat, hij had een drukken dag gehad. Bij half
+zeven pas had hij zijn kantoor gesloten. Voor hij
+binnen kwam, gaande, &rsquo;t dienstmeisje achter zich,
+door de stil-statige gang naar de deur van de zaal,
+de groote achterkamer in &rsquo;t rijke, ruime koopmans-huis,
+hoorde hij al &rsquo;t gedempte roezen van de stemmen,
+en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige
+rij menschen tegenover zich op stoelen zitten
+en naar hem kijken. In &rsquo;t midden van den halven
+kring zat mevrouw van den Bosch, die hem breed-glimlachend
+aankeek en meneer stond, zijn rug naar
+de deur, zijn handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante
+houding te praten met jonge meisjes.
+Die zware figuur was &rsquo;t eenige wat Bernard zag op
+zij van zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep
+naar mevrouw, haar kijkend in de licht-glanzende
+oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt had,
+draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer,
+die hem luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een
+paar anderen een hand, en ging toen zitten aan &rsquo;t<span class="pagenum"><a name="Page_196" id="Page_196">[196]</a></span>
+linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de hoofden
+langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de
+meisjes Post en Hugo en Edward &mdash; en hij schrok,
+want naast Edward zat Mimi van Keppel. Hij boog
+met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij
+knikte fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte
+met leuk-stillen triomf. En ze zeiden wat tegen
+elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige benauwing
+in zijn borst keek hij verder langs de hoofden
+en knikte groetend en glimlachte officieel.</p>
+
+<p>Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging
+in zich en een vasten wil om dezen avond
+boven verliefdheidsaandoeningen te blijven, koel en
+zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe
+in en voelde ook met voldoening den warmen blos
+snel wegzinken van zijn wangen. En toen Kees van
+den Bosch naar hem toekwam om hem even voor
+te stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet
+kende, stond hij kalm op en boog tegen die menschen,
+rustig notitie nemend van hun namen. Hij
+was blij-tevreden over zich zelf, dat &rsquo;t hem zoo gauw
+gelukt was zich meester te worden, en met bedaarde
+opgewektheid ging hij zitten praten, een officieel leuterpraatje,
+met &rsquo;t meisje dat naast hem zat, en nam
+van tijd tot tijd een teugje thee.</p>
+
+<p>En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den
+overkant, naar Mimi en Edward, en hij was blij voor
+zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette, zooals hij
+gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat
+dat zoo trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu
+ook André&rsquo;s stem en zag hij, langs de hoofden kijkend,
+Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook
+blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker
+te vinden.</p>
+
+<p>De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet
+getrouwd en ook niet verloofd, en de tafel stond
+schuin in een hoek, zoodat Bernard verwachtte dat
+er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog<span class="pagenum"><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></span>
+een paar andere jongelui binnengekomen waren en
+&rsquo;t gezelschap nu blijkbaar voltallig was, hoorde hij
+mevrouw van den Bosch, met een luid-vriendelijke
+beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken
+wat te willen pianospelen. En met een verlegen
+lachje stond dat meisje op en ging in een zwijgend-berustende
+houding naar &rsquo;t koel-stomme instrument,
+dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel,
+en Kees ging naast haar, galantheid stralend, en
+sloeg de pianoklep op met een doffen, korten slag.
+Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar
+om de bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige
+haast een lang en lastig stuk. Ze maakte
+geen muziek. En dadelijk was uitgestorven &rsquo;t gepraat
+langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve
+luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden
+om tersluiks naar André, die ook naar hem keek, en
+toen met een nagemaakten wanhoopsblik naar de
+zoldering.</p>
+
+<p>Ook Sam keek hem even aan met een blik van
+verstandhouding en met een beetje voldoening over
+gelijk-hebben. Hij had &rsquo;t wel gezegd, &rsquo;t draaide uit
+op een muziekavondje.</p>
+
+<p>Maar Bernard vond &rsquo;t eerst niet zoo onaangenaam.
+Dansen in een kamer, daar word-je zoo warm van.
+En zoolang als er op de piano gespeeld werd hoefde
+je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen.
+Je hadt alleen maar even te klappen als &rsquo;t stuk uit
+was en tegen je buurvrouw te zeggen, dat &rsquo;t mooi
+was geweest.</p>
+
+<p>Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen
+niets-doen in een gedwongen houding, begon &rsquo;t hem
+te vervelen. Het was vooral ook dat zitten als kinderen
+op een rijtje, en aan den overkant ook zoo&rsquo;n
+rijtje recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos
+luisterende gezichten, en daar tusschen in
+een wee-geeuwende leegte, een ruimte hongerend naar
+de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat<span class="pagenum"><a name="Page_198" id="Page_198">[198]</a></span>
+zitten kijken, in glazige turing, met strakke of slappe
+of verlegen-vertrokken gezichten naar elkaars lijf en
+armen en beenen, en naar elkaars voeten vooral, die
+in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte
+van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op
+die piano, met hakkelende loopjes en gerommel van
+akkoorden, waar iedereen verstomd naar zat te luisteren,
+alsof &rsquo;t mooi was. Bernard voelde even driftige
+energie van ergernis. &rsquo;t Was toch eigenlijk te
+stom-idioot, &rsquo;t was om nijdig te worden, om te gaan
+vloeken en stampen of weg te loopen! Maar hij duwde
+dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot
+bedaarde verdraagzaamheid en rust.</p>
+
+<p>Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en
+daarna een juffrouw, die leelijk voordroeg overbekende
+fransche monoloogjes, en toen een meneer die
+wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano
+speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel
+weinig. Want nu, in zijn verstarrende kalmte van stil-zitten
+en niets doen en zich ook niet ergeren, waren
+eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer
+en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen
+rijzen in zijn rechtop-gehouden hoofd &mdash; zijn zwaren
+kop, die netjes, heerachtig balanceerde tusschen de
+randen van zijn stijf-hoogen boord, &mdash; de gedachten
+die hij in de laatste weken had kunnen terughouden
+door afleiding van werken en praten en naar de
+comedie gaan, die hij genegeerd had, zooals je een
+kennis negeert door een anderen kant op te kijken, &mdash; maar
+je voelt hem toch langs je gaan, &mdash; de gedachten
+aan zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen,
+tot de wereld en de begrippen. En hij verwonderde
+zich en begreep ze amper zelf, die gedachten,
+die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste
+denken waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid
+waren en grooter dan hij ze wist. &rsquo;t Was of hij
+las in een boek. Dat hij vervreemdde van de menschen,
+dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag,<span class="pagenum"><a name="Page_199" id="Page_199">[199]</a></span>
+dat de menschen hem niet veel meer waren en wel
+gauw niets meer zouden zijn. Dat hij alleen zich zelf
+iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen
+wel interessant-kunstig gemaakte poppen waren,
+gaande hierheen, daarheen, lachende, pratende &mdash; een
+taal die hij niet verstond &mdash;, doende dingen
+waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield
+wel van sommige menschen, o zeker, zooals hij ook
+hield van zijn kamer en van zijn lessenaar en van de
+stadsgrachten in schemeravond en van de wolken, en
+aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had
+aan de Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige
+dingen op kantoor en aan koffiehuizen-tegen-vier-uur
+en &rsquo;t geroep van sinaasappelenjoden. Dat was nu eenmaal
+zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of
+begreep, daar hield hij van of hij hield er niet van.
+Als hij dacht dat iets hem onverschillig was, dan bedroog
+hij zich. Maar wat waren hem die gevoelens,
+dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem
+dat alles in zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam
+torenleven? Als God al die menschen en die dingen
+met één oogenflikkeren verdoemde, met één handoplegging
+vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou
+de vreemde vogel, die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken,
+op de stille transen van zijn torenwoning,
+dan zwijgen?....</p>
+
+<p>Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van
+die gedachten, die in zijn hoofd waren als zuivere
+droge kou onder een ver-wegwademenden, witblauwen
+winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken
+onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de
+hooge burg van zijn trotsche eenzaamheid neerstorten
+zou, want dat God den overmoed niet duldt, en
+dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou
+kosten morgen. Hij wist, hij voelde &rsquo;t al hoe hij morgen
+dorsten zou naar wat hij hoonde vandaag. Want
+hij wist dat al &rsquo;t geluk wat menschen tot nu toe gevonden
+hadden, gekomen was van andere menschen, en<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span>
+dat het ook zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar
+dat geluk, &rsquo;t eenige mogelijke. Hij wist dat,.... en &rsquo;t
+leven scheen hem lang en somber en de wijde wereld
+scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er
+kwam bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij
+dan niet blijven mocht op zijn toren, waarom had
+God hem dien dan laten bouwen onder zijn hemel?
+Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde,
+diamanten klanken van Gods eigen stem?
+Waarom was hij dan niet een gewoon mensch en net
+als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap
+waren en gelukkig door elkaars genegenheid?....
+Of was dat ook alles maar schijn, comedie,.... of
+droegen dan alle menschen maskers, en waren ze
+allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van
+onuitgesproken wee en wijd verlangen?.... Hij wist
+&rsquo;t niet, hij zou &rsquo;t ook wel nooit weten.... Hij wist
+alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen ziele-streven.
+Hij wist zijn liefde voor &rsquo;t goddelijke, voor &rsquo;t
+zuivere licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn
+verlangen en dat hij ongelukkig was en dat anderen
+lachten. Hij wist niet of zij gelukkig waren, maar ze
+zeiden dat ze genoten van &rsquo;t leven. Hij had nog nooit
+genoten van &rsquo;t leven! Hij wist niet wat &rsquo;t leven was.
+Hij wist ook niet of de anderen &rsquo;t wisten, maar hij
+zag hen doen alsof ze &rsquo;t heel precies wisten, hij zag
+hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen
+die er zijn, die &rsquo;t onder de knie hebben, hij zag
+hen grif-grijpen de sappige levensvruchten en ze verdeelen
+en verkwanselen onder elkaar. Ze waren hebzuchtig,
+onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze
+deden alles flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende,
+of slim-meesmuilend en elkaar prijzend, genietend van
+hun doen. Hij wist niet of ze &rsquo;t berouw kenden en de
+zelfverachting. Hij zag &rsquo;t niet. En hij wenschte zoo&rsquo;n
+ander te zijn, want God zou daarom niet minder groot
+zijn, en hij zou minder lijden.</p>
+
+<p>Al die gedachten gingen door Bernards hoofd,<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span>
+elkaar verdringend, en ze wekten er veel andere
+gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard werden,
+in &rsquo;t vol gedrang, en er was een doffe suizing
+in zijn ooren, zoodat hij de klanken van de muziek
+en de fransche monologen onduidelijk en ver-af hoorde,
+en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar
+in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op
+zijn schouder en de stem van André in zijn oor fluisterend:
+&bdquo;Zeg, zit toch niet zoo gek te kijken met een
+open mond, de lui die over je zitten lachen er om.&rdquo;
+En als met een schok teruggekomen in de warm-lichte
+avondkamer, zag hij de rij hoofden tegenover zich
+glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen aankeek
+stierf &rsquo;t glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot
+onder zijn dikke haren, die prikten in zijn warme
+hoofd. Schichtig keek hij ook naar Mimi, maar die zat
+stil te fluisteren achter haar waaier, met Edward die
+zijn hoofd dicht naast &rsquo;t hare gebracht had. Ze letten
+blijkbaar niet op hem.</p>
+
+<p>In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige
+gedruktheid, zich bespot voelend en vernederd,
+bleef hij zitten luisteren naar de klanken van
+de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel
+sloegen door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen
+&rsquo;t meisje naast hem, en hij vond idioot wat hij zei. Hij
+verbeeldde zich, dat hij er heelemaal belachelijk uitzag,
+hij geloofde niet dat &rsquo;t alleen was geweest om
+zijn soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden
+daar aan den overkant. Een kinderachtige, chagrijnige,
+laf-onderworpen ongerustheid over &rsquo;t figuur dat
+hij sloeg zoo&rsquo;n avond, dreinde telkens in hem op,
+maakte hem gemelijk, als &rsquo;t altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren
+van een klein kind dat over zijn slaap
+is. Hij kon &rsquo;t niet van zich zetten, hij voelde zich minder
+dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot,
+belachen. En hij vloekte inwendig, met lange, grove
+vloeken, tegen al die dames en heeren in die deftige,
+wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan zaten,<span class="pagenum"><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span>
+luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij
+schold ze uit in zijn ziel, met de machtelooze woede
+van iemand die in zijn slaap overvallen, nu worstelend
+onder ligt en zich niet meer verdedigen kan,
+alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met
+kracht om niet te stampen op den grond en te krijschen
+van drift.</p>
+
+<p>Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en
+vioolspelen; er werd opgestaan en rondgeloopen, de
+heeren naar de dames toe, met voorovergeneigde
+bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes
+rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.</p>
+
+<p>Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige
+dingen, gebeurtenisjes van den dag, met &rsquo;t
+meisje dat naast hem zat, een praatgraag juffertje
+van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet veel
+te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die
+zij van hem nam, de animo waarmee ze aldoor zich
+met hem bemoeide, maakte haar voor hem tot een
+klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee
+van zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet
+aldoor bij haar blijven zitten, hij moest nu ook &rsquo;s
+opstaan en &rsquo;s iemand anders aanspreken. Hij deed dat
+ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters,
+en toen naar Mimi, die juist even alleen stond,
+en vroeg hoe &rsquo;t haar ging en of ze veel schaatsen-gereden
+had van den winter. Hij bleef een poosje met
+haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als
+hij er maar even aan toegeven wou, de verliefdheid
+op haar in-eens terugkomen kon. Want hij zag weer
+dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk
+kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele
+figuur. Maar hij wilde &rsquo;t nu niet, hij wilde haar haten
+als de rest. Wanneer hij zóó, glimlachend, met de
+menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte
+hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus
+wraak......</p>
+
+<p>Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam<span class="pagenum"><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span>
+Edward er bij en vertelde hem, &mdash; kijkend naar
+Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen &mdash;,
+dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw
+van Keppel en hij eigenlijk nog heel-oude kennissen
+waren, dat ze elkaar als kinderen dikwijls ontmoet
+hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer
+&rsquo;s met haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed,
+dat ze uitstekend walste. &bdquo;Dat moest jij nou &rsquo;s gaan
+vragen aan de gastvrouw,&rdquo; zei hij tegen Bernard,
+&bdquo;of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg
+jij wel gedaan....&rdquo; &bdquo;Hè ja, meneer Bandt, toe, doet
+u &rsquo;t is,&rdquo; zei ook Mimi op smeekenden toon.... Bernard
+keek haar aan. &bdquo;Ik geloof niet dat ik de rechte man
+ben om dat met &rsquo;t noodige &bdquo;entrain&rdquo; te vragen,&rdquo;
+zei hij met glimlachende minachting, &bdquo;maar doe jij &rsquo;t,
+Edward!....&rdquo; en hij liep loom weg naar Kees van
+den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich
+opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of
+Mimi en Edward niet &rsquo;s met elkaar mochten dansen!....
+Ze meenden dat natuurlijk niet, ze zeiden
+dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen
+wat een dooie-diender hij was, want dat was hij,
+ja, een vervelende saaie-pias, een doodvreter. Dat
+ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten met
+Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel
+gezien, nu bijna niet meer gekend en &mdash; in die stemming
+van &rsquo;t oogenblik &mdash; gehaat om zijn flinke opgewektheid,
+zijn levenslust van hollandschen-jongen, de
+kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een
+prettigen avond te bezorgen. &bdquo;Wat dunk je,&rdquo; vroeg
+hij aan Bernard, &bdquo;zullen we ze straks nog maar &rsquo;s
+laten dansen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel jà, wel jà....&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, &mdash; met
+verheffing van haar vrindelijk-deftige stem, &mdash; dat
+men eens een paar charades en action zou bedenken,
+dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard
+kreeg er een indruk van alsof ze dat alleen<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span>
+maar verzonnen had om hem nog meer te vernederen
+door hem te dwingen mee te doen aan zoo&rsquo;n
+tot idioot-wordens kinderachtig spelletje. Natuurlijk
+zou hij ook daarbij een gek figuur slaan. Dan zouden
+ze plezier hebben. &rsquo;t Was een kwelling zoo&rsquo;n avond.
+Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen,
+hij wist toch wel hoe ze waren, die avondjes.
+Kijk nu die ingebeelde malle schapen en die
+misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te
+grinneken en grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben
+wat voor charade ze wel doen zullen, zei hij in
+zich zelf. De oude van den Bosch poetst &rsquo;m! Die gaat
+zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!</p>
+
+<p>Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene
+helft ging de kamer uit. Bernard niet. En een poosje
+later kwam die eene helft weer binnen, zwijgend achter
+elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de
+heeren met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins
+een figuur te slaan. Ze deden allemaal hetzelfde:
+eerst half-weg de kamer omkeeren en weer naar de
+deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit
+de rij en in de kamer rondloopen en zoeken zonder
+richting of doel, met hei!-en-ho!-geroep van de heeren,
+die elkaar grappiglijk tegen &rsquo;t lijf liepen. Dit beduidde
+&rsquo;t spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten
+heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door &rsquo;t
+jongste meisje van den Bosch, een brutale daad, waarvoor
+ze door mama met een knorrigen blik en hard
+fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar
+bed gestuurd. Ze ging pruilend en boos schouder-schuddend
+weg en gooide de deur achter zich dicht;
+en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.</p>
+
+<p>Nu moest de andere helft van &rsquo;t gezelschap, en
+dus ook Bernard, de kamer uitgaan. En de killige rust
+van de gang verbrekend praatten dadelijk al die menschen
+tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden
+bij elkaar en begonnen spreekwoorden op te
+geven, die geschikt waren om verbeeld te worden met<span class="pagenum"><a name="Page_205" id="Page_205">[205]</a></span>
+bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel had
+aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd
+over den onuitputtelijken voorraad van de
+anderen, over dien dwazen stoet van lijzige, dom-banale
+wijsheden, die leek op een optocht van burger-vereenigingen
+met sjerpen en vaandels en gehuurde
+rokken. Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In
+het land der blinden is één-oog koning. Edward kreeg
+een papieren kroon op en moest één oog dicht houden,
+terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend
+moesten loopen met de oogen toe.</p>
+
+<p>Eén oogenblik kwam &rsquo;t in Bernard op, dat hij ook
+kinderlijk mee zou kunnen doen en zonder nadenken
+pret maken, maar toen ze binnen kwamen loopen,
+tastend, met kromme knieën, en hij &rsquo;t gedempte gelach
+en gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen
+in zijn oogen van weeë ergernis over zooveel aanstellerij.
+Hij nam zich voor in geen geval meer mee te
+doen, maar &rsquo;t hoefde ook niet, want nu gingen Edward
+en Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van
+den Bosch en vroegen met vrindelijk vleiende stemmen
+of ze nog even mochten dansen. En goedig-breed
+glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan
+spelen wou, en Kees ging dadelijk aan de piano zitten
+en begon een wals. Bernard bleef eerst landerig-hangend
+tegen den muur staan, maar bijna al de
+anderen gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem
+uit de verte om toch mee te doen; loom ging hij toen
+naar &rsquo;t meisje dat naast hem gezeten had en walste
+met haar.</p>
+
+<p>En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard
+deed mee, heelemaal overgegeven nu aan zelf-minachtende
+gedachten, dat hij toch ook een gek was
+om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook
+maar mee moest doen en zich aanstellen en grinneken
+en galanterig zijn en grappig. En zijn stille kamer
+als hij er nu aan dacht, scheen hem een heerlijk-rustig
+toevluchtsoord van alleene mijmering.<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span></p>
+
+<p>Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar
+hem keken en lachten samen, en met een nieuwe
+heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot
+worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige
+drift in zijn bloed, heete prikking in de ooghoeken.
+Hij zag Mimi met haar tartende gratie zich bewegen,
+zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms
+gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende
+verleiding, en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke,
+zinnelijk-woeste, moeilijk-bedwongen woede.
+De lust was in hem haar in-eens op te nemen en
+weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou
+zijn en de anderen verbaasd gapen zouden, en dan
+met haar alleen te zijn, waar wist hij niet, maar
+alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar
+aan te zien, en tegen zich aan te drukken &rsquo;t weerstrevende
+lijf en te zoenen den wulpschen mond, en
+haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend
+verlangen in hem om haar te bezitten en dan van
+zich te stooten, weg, in de verdoemenis. Hij haatte
+haar nu innig, met een rood-vlammenden, liefdevollen
+haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den
+dans dronk hij, op een stoel neergevallen, snel een
+glas wijn uit, in één teug, en hoorde de stem van
+André die zei: &bdquo;&rsquo;t Schijnt jou te smaken!&rdquo;</p>
+
+<p>André stond tegen den muur geleund, en Bernard
+merkte in zijn stem, die naklonk in zijn hoofd, een
+ongewonen klank, iets van bitterheid en stil leed.
+Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk
+dat hij iets bizonders had. André was wat bleek en
+trok zenuwachtig met zijn mondhoeken. &bdquo;Wat
+scheelt jou?&rdquo; vroeg hij. &bdquo;Och niets,&rdquo; zei André, &bdquo;gekheid,
+gekheid!.... Kom vooruit maar weer!&rdquo; En luid
+sprekend, bijna roepend, vroeg hij Mimi een dans.
+Bernard keek naar Betsy, die in een hoek van de
+zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een
+ander meisje. Hij zag ook aan haar dat ze &rsquo;t land
+had, hij kende nog dat gemelijke wenkbrauwfronsen<span class="pagenum"><a name="Page_207" id="Page_207">[207]</a></span>
+van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei hij in
+zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al
+gauw dat ze elkaar niet aankeken.</p>
+
+<p>Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend
+samen en er werd hier-en-daar in de groepjes over
+gefluisterd en geginnegapt.</p>
+
+<p>Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn
+heftig gevoel gevolgd en hij voelde nu in-eens dat
+hij er heelemaal niet meer instond, dat hij ontwassen
+was aan die verliefderige stemmingen van jongens
+en meisjes op een bal, dat hij hun geheime intrigetjes,
+hun hoopjes en wanhoopjes nu beneden zich
+voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje pijnlijk-belachelijk
+vond. Hij zat daar even over te denken,
+een glas wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf &rsquo;t
+hem wat voldoening, dat gevoel van ontgroeid te zijn
+aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om
+een dans te gaan vragen &mdash; ze zouden nog één wals
+dansen &mdash; voelde hij zijn manlijke vrijheid als een
+last meer, dien hij torsen moest en waar hij een beetje
+onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij
+voelde ouwelijkheid in zijn stappen.</p>
+
+<p>En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan
+Sam denken, hij keek naar hem en zag hem zitten
+praten, voorovergebogen; in zijn houding was datzelfde,
+een verborgen geblaseerdheid....</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches
+en saucijzebroodjes gegeten en men ging
+afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen.
+Ook dat van Betsy. En Bernard zag met
+een spottend-medelijdenden glimlach dat André haar
+koel-buigend adieu zei. En ook &rsquo;t rijtuig van Mimi,
+waar de genotstralende Edward haar heen geleidde,
+opgewonden, zonder hoed op straat gaand. En Sam
+kwam naar Bernard toe om te vragen of hij meeging;
+ze wisselden wenken met André en Edward,
+en alle vier bedankten ze de gastvrouw en ook meneer<span class="pagenum"><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span>
+van den Bosch, die na &rsquo;t dansen weer binnengekomen
+was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend
+in een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst,
+ieder met zijn eigen gedachten bezig, werden ze
+langzaam weer van salonmenschen de gewone vrinden,
+dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André,
+Edward en Bernard.</p>
+
+<p>Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in
+een café op &rsquo;t Rokin, dat altijd laat open was, waar
+ze meer kwamen &rsquo;s nachts na éénen. Bernard liep
+met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André
+praten, Sam op zijn gewonen kalm-opgewekten toon,
+André onverschillig, mat-landerig. Sam zei dat hij
+zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar
+niets van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide,
+ruw-rake opmerkingen over de familie van
+den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak
+met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard
+voelde weer, zonder zich er rekenschap van te geven
+hoe &rsquo;t kwam, dat hij hield van André. Terwijl hij
+hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een
+sterk gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van
+dien avond in die bierkneip, een hartelijk-welwillend
+meelij en toch ook zekeren eerbied.</p>
+
+<p>Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij
+aldoor de stem van Edward, die liep te praten over
+Mimi, met zijne gewone zelfingenomen mededeelzaamheid.
+Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd
+had. En hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem
+telkens de hand had gedrukt bij &rsquo;t omgaan aan &rsquo;t
+slot van de lanciers. &bdquo;Zóó.... zoo!....&rdquo; zei Bernard
+glimlachend, &bdquo;je schiet al op met &rsquo;r!&rdquo; &bdquo;O, kerel!&rdquo;
+zei Edward met extase, &bdquo;nee, zie je, ik vind &rsquo;r een
+verduiveld leuke meid, en ik vind &rsquo;r mooi ook,....
+jij niet!&rdquo; &bdquo;Jawèl,&rdquo; zei Bernard. &bdquo;Waarachtig,&rdquo;
+bromde zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna
+uitbarstend in een zenuwachtige proestbui, riep hij
+uit: &bdquo;Wat zou &rsquo;k een furore met &rsquo;r maken bij ons<span class="pagenum"><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span>
+in Batavia!....&rdquo; &bdquo;Nou, nou,&rdquo; zei Bernard, &bdquo;ik zou
+je toch raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen.
+Wou je soms nog trouwen voor je weggaat?
+Dat zal toch niet gaan!&rdquo; &bdquo;Waarom niet?&rdquo; vroeg
+Edward. &bdquo;Ik zou wel &rsquo;s willen weten waarom niet!....
+Alles gaat!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een
+poosje niets, wenschend zich zelf, met vaag verlangen,
+kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in Indië.
+Want nu ging &rsquo;t immers niet anders &mdash; en hij had
+er een beetje zijn booze vreugde om &mdash; nu moest hij hem
+wel even ontnuchteren. &bdquo;Wat ben je opgewonden van
+avond, Eddy,&rdquo; begon hij, hem dien ouden naam gevend
+met zekeren spot. &bdquo;Ik heb je toch immers al
+verteld, dat ik dien bal-avond al even ver met &rsquo;r was
+als jij nu. Ze gaf me net zulke hartelijke handdrukjes
+en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent
+dat nou bij zoo&rsquo;n geil dier van &rsquo;n meid!&rdquo;</p>
+
+<p>Maar &rsquo;t had niet de verwachte uitwerking. Edward
+lachte en klopte hem op zijn schouder en zei: &bdquo;Je
+bent, geloof ik, een beetje jaloersch, heertje! Noemde
+ze jou ook bij je voornaam dien avond?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,....&rdquo; zei Bernard, &bdquo;dat niet, maar....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou!&rdquo; viel de ander in, &bdquo;wat wou je dan beweren!....
+Nee, amice, laat dat maar aan mij over,
+hoor!....&rdquo;</p>
+
+<p>Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem,
+en Bernard, die dat hoorde, had spijt dat hij &rsquo;t gezegd
+had. Dat was weer net iets voor hem, zoo
+ondoordacht!.... &rsquo;t Had er nu waarachtig veel van
+of hij jaloersch was!.... Ba!.... Ba!.... En hij
+voelde zijn stemming weer versomberen en dat lang
+gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen
+door de straten gaande, een vreemde voor alle menschen,
+dat was er weer en dat gaf hem een oogenblik
+van steun in melancholische zelfzucht.</p>
+
+<p>Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in
+zijn gemoed, die niet hebben konden, dat hij zich<span class="pagenum"><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span>
+even rustig voelde, want dadelijk kon hij dat weer
+van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame
+van iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden
+met zich zelf zijn van een gewilden martelaar.
+Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij &rsquo;t
+merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren
+met minachtende verwijten, hij was bitter en
+koud-hard voor zich zelf, hij verzon verfijnd wreede
+sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van
+doen en leven, zonder mededoogen voor schrijning
+die dat gaf in zijn gemoed.</p>
+
+<p>Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich,
+dat hij niet velen kon, in nijdige galligheid, dat zijn
+vrinden &rsquo;t leven genoten, omdat hij &rsquo;t zelf niet kon.
+Want dat was &rsquo;t immers! Niets anders! Hij kón &rsquo;t
+niet, &rsquo;t leven genieten, hij had er &rsquo;t talent niet voor,
+&rsquo;t zout niet in zich zelf, &mdash; zooals zijn oom dat altijd
+noemde, dien hij dan uitlachte. Want dat kon hij,
+iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met
+minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf
+uit-te-lachen, dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje,
+ellendig machteloos zotje, dat hij was!</p>
+
+<p>Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was
+in een vies, donker steegje, en dan moest je &rsquo;t trapje
+op en dan weer een trapje af, in half donker, en
+dan was je in-eens in &rsquo;t drinklokaal, een langwerpig,
+laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht
+door gasvlammen. &rsquo;t Was er warm en rookerig, en
+vol op lage stoelen lig-zittende mannen, meerendeels
+jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen
+zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden
+klonken dof en gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts
+in dat, laat in den stillen nacht, zoo hel verlichte
+rook- en drink-hol; &rsquo;t was alsof de mannen die
+daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar,
+toch allen verbonden waren door één in-&rsquo;t-gniep den
+duivel dienend doel.</p>
+
+<p>Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten<span class="pagenum"><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span>
+drinken, want &rsquo;t was koud buiten, zei Edward; hij
+had loopen rillen. En toen André gewend was aan
+&rsquo;t helle avondlicht en de warmte, en geproefd had
+&rsquo;t lekkere sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg
+zijn stem in-eens den gewonen opgewekten klank, en
+in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die negeerend
+nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich
+op te winden, los-vroolijk te doen, een ruwe kwant
+die er goed van leeft. En hij herhaalde zijn opmerkingen
+over de menschen van de soirée in &rsquo;t overdrevene,
+en zonder de leuke spontaniteit die er de
+charme aan gegeven had, en hij lachte er nu zelf
+om, de anderen weinig. Maar Sam begon zachtjes, op
+een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de
+dwaze dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord
+had dien avond. En André proest-lachte, stampend
+met zijn eene voet, en Edward schaterde luidkeels.
+En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken
+te drinken.</p>
+
+<p>Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig
+half-dronken en wisten niet van weggaan.</p>
+
+<p>Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en
+stil gesoes, en zoo, terwijl hij half-dommelend zat te
+rooken, hoorde hij André fluisteren tegen Edward:
+&ldquo;Zeg ga je nou &rsquo;s mee?.... je weet wel.... waar
+ik je laatst van vertelde?....&rdquo; En Bernard begreep
+dat hij van een bordeel sprak en een driftige wrevel
+kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop. Daar had-je
+dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen
+naar huis, en door de anderen uitgelachen worden,
+in zijn gezicht of achter zijn rug, en met blikken
+beleedigd. En &rsquo;t stond in-eens in hem vast dat nu
+eens niet te doen van avond, maar mee te gaan,
+eenvoudig mee te gaan. Waarom ook niet? Hij was
+wel &rsquo;s meer even mee ingeloopen in zoo&rsquo;n gelegenheid;
+daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten,
+wat zou dat nou nog?....</p>
+
+<p>Even later stonden ze buiten. &bdquo;Nou, Bert,&rdquo; zei<span class="pagenum"><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span>
+André, &bdquo;wij gaan nog &rsquo;s even naar de meisjes kijken,
+jij gaat zeker niet mee....&rdquo; &bdquo;Och, jawèl, dat &rsquo;s
+goed,&rdquo; zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen
+elkaar aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar
+hij zag &rsquo;t niet, hij keek voor zich. Even had hij
+weer erg &rsquo;t land, dat André &rsquo;t hem juist zoo gemakkelijk
+had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal
+besloten was &rsquo;t niet te doen.</p>
+
+<p>En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste
+van de stad, een breed huis, somber-donker gesloten
+van buiten. Uit een grauwig groepje lange lummels,
+dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten
+en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en
+de verleiding en zoo wat meer, en wilde hun flodderige
+drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam
+er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn
+papiertjes, maar André wel. Hij zei opgewekt: &bdquo;O,
+dank u zeer!&rdquo; en toen tegen de anderen: &bdquo;Zoo&rsquo;n tractaatje
+aan &rsquo;t ontbijt, dat mag ik wel,&rdquo; en hij stak &rsquo;t
+ding in zijn zak en schelde aan.</p>
+
+<p>Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en
+gingen een holle gang door en kwamen in een groote
+kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig verlichte
+zaal. &rsquo;t Geluid van hun stappen werd gedoofd
+in &rsquo;t dikke kleed en rondom zagen ze roode sofa&rsquo;s
+waar vrouwen op zaten, half-liggend de meeste, sigaretten
+rookend en grijnslachend, sommige aanstonds
+schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen
+bleven indolent liggen, kijkend alleen naar hen met
+loerende oogen. Ze waren bijna allemaal zoogenaamd
+oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er
+waren er een paar met één arm en één borst naakt,
+er was er ook een die over &rsquo;t heele slap-neerliggende,
+leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van netwerk,
+zwart.</p>
+
+<p>De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve
+André, die rondliep, sprong, danste en dol-deed, en
+er waren er die schel-gemaakt lachten om zijn malligheid,<span class="pagenum"><a name="Page_213" id="Page_213">[213]</a></span>
+maar anderen, die indolent bleven liggen,
+loeroogend. Een logge, vleezige deern kwam poeserig
+dicht naast Bernard zitten, grijnsde hem aan en lei
+haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning van
+zijn stoel. Hij huiverde even.</p>
+
+<p>Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was
+koud, rillerig. Er was verschrompeling in zijn lijf.
+Hij zag Edward zitten op een sofa, met zijn arm om
+een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst,
+en hij zag haar op hem neerkijken met een vreemde
+minachting. Hij zag Sam met een klein sletje op zijn
+knie; hij deed haar huppelen alsof &rsquo;t een kind was.
+En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver
+van zijn hoofd, te kijken en begreep er niets van.
+En als hij keek naar die meid naast hem en even
+hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde
+hij telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen
+voor ze in-een sloegen.</p>
+
+<p>André had luid-schreeuwend champagne besteld.
+Er werden een paar flesschen gebracht door een
+oudachtige burgervrouw met grijzig flodderhaar en
+een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden
+dof; veel glazen werden ingeschonken. Ook voor
+hem zag hij een glas staan ergens ver-weg, op een
+tafeltje.</p>
+
+<p>Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die
+meid en zij keek nog even om naar een van de
+anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid.
+En even later ging André diezelfde deur door met
+een andere.</p>
+
+<p>Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar
+Sam zat nog altijd met dat kleine sletje op zijn knie,
+en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa, vreemd-rustig
+en op zijn gemak.</p>
+
+<p>Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar
+Bernard toeloopen en drongen zich beurtelings tegen
+hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren. Toen werd
+hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat<span class="pagenum"><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span>
+er een begon te schelden, terwijl anderen lachten.
+Maar van den overkant van &rsquo;t zaaltje lag nog altijd
+een jonge, tengere vrouw indolent loerend naar hem
+te kijken, en lachte niet en zweeg.</p>
+
+<p>En toen, met een schok, stond Bernard op. In één
+flitsen was al zijn lijden-door-zich-zelf hem door &rsquo;t
+moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar was de woedende
+wil dat op te doen houden. Eén oogenblik
+zag hij zijn lijden los van zich. Zijn opstaan was een
+onbegrepen wanhoopsbeweging van zijn gestriemde
+ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een dierlijk-dolle
+lust, om nu neer te smijten en te vertrappen
+die dorre doornenkroon van godsgedachten, die altijd,
+altijd pijnde om zijn hoofd, om nu vaneen te scheuren,
+huilend te vernielen zijn ijle illusies, die hem
+niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn,
+om er een eind aan te maken, om in des duivels
+naam dan maar een gewoon mensch te worden en
+plat-weg mee te smullen van &rsquo;t voor &rsquo;t grijpen liggende
+warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë,
+weeë waar iedereen zoo van genoot. En hij ging
+recht door de lauwheid van de kamer naar die achterover
+in die sofa liggende jonge vrouw, die hem
+even toelachte uit haar klein-geknepen oogen, bijna
+zonder te vertrekken haar strak, was-bleek gezicht
+en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog
+even zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen,
+goedig-bemoedigenden glimlach.</p>
+
+<p>Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had
+hij er niet van, alleen een zekere voldaanheid en
+doffe walging. Maar in zijn ziel was een vage rust.
+Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend
+met een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had
+na veel dagen van lang en laat werken &mdash; als een
+afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje
+stroo &mdash; en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die
+woorden verdoovend: Ik ben er van af....<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span></p>
+
+
+
+
+<h2>XIII.</h2>
+
+
+<p>&rsquo;t Was vroeg in den killen morgen toen hij naar
+huis liep. Hij geloofde, dat &rsquo;t zoowat half zeven was,
+hij wist &rsquo;t niet precies. Met onbestemde verbazing
+ging hij door de stille kilte van de uitgestorven
+straten, kijkend schuw, links en rechts, naar de zwijgend-gesloten
+huizenrijen, die in de strakke puurheid
+van &rsquo;t eerste licht onwezenlijk-duidelijk waren,
+schijnbeelden, als de geschilderde schermen op een
+tooneel. En in zijn ooren was niets dan zilver-zuiver,
+hoog-lief, al te lief getjielp van vogeltjes, en nu en
+dan &rsquo;t dofdreigend gebrom van groepen gebogen
+ambachtsmannen, die op karwei gingen, beladen met
+gereedschap. Hij week wijd uit voor die groepen,
+met bijna slaafsch ontzag. &rsquo;t Was hem of ze &rsquo;t
+wisten allemaal en hem verachtten.</p>
+
+<p>Want &rsquo;t was gebeurd. Gebeurd, gebeurd. Hij herinnerde
+&rsquo;t zich precies met al de kleine bizonderheden,
+nu in zijn herinnering een reeks staal-hard werkelijke
+noodlotsmomenten. &rsquo;t Was geen droom. &rsquo;t Was gebeurd.</p>
+
+<p>Wel was hij zich vaag bewust dat hij nog niet
+begreep in vollen omvang wàt er gebeurd was. Daarvoor
+was zijn denken nog te veel bekneld; het scheen
+onwrikbaar vastgegrepen, met stroef-harden greep,
+door &rsquo;t onmeedoogend-onherstelbare, onschendbare,
+ondeelbare van &rsquo;t eenmaal gebeurde, gedane. Zijn
+oogen staarden tot ze brandden op dat ééne, doorzoekend
+zijn herinnering, als was er nog een hoop dat
+&rsquo;t niet zoo was, tóch schijn, tóch een droom. Maar
+neen, zijn herinnering was onbedrieglijk zuiver en
+gaaf en hij liep daar en hoorde zijn stappen. Hij wist
+nog precies dat wakker worden en dat herkennen, en
+toen dat moeie, dof-verslagene van groote teleurstelling,
+alomme ellende, onafzienbaar; en o! dat aldoor
+hooren van zijn ademhaling, als akelig naargeestig,<span class="pagenum"><a name="Page_216" id="Page_216">[216]</a></span>
+van vreemde verten aanzuchtend windgehuil, bij &rsquo;t
+opstaan, aankleeden, weggaan, en toen dat moment,
+die bijna-niet-te-doorleven seconden, die onduldbaar-wrange
+gedachten-stilstand van &rsquo;t betalen, &rsquo;t neertellen
+van de verschuldigde guldens op dat vettig-glimmende
+tafeltje. Met bange voorzichtigheid had hij ze
+neergelegd, naast elkaar, plat, schuivend, maar toch
+hadden ze even geklonken, onverwacht, in zijn klamme
+hand.</p>
+
+<p>Hij liep diep in den kraag van zijn jas, die hij
+met zijn handen in zijn zakken om zich heen trok,
+den rug krom, &rsquo;t hoofd laag, schichtig stappend. Hij
+wist niet of &rsquo;t physieke pijn was die bonsde in zijn
+hoofd, of alleen de ellende, die dof bonkend sloeg
+tegen zijn slapen, van binnen.</p>
+
+<p>Meer menschen tegenkomend, liep hij àl haastiger,
+en hij was er gauw, schielijk draaide hij zijn sleutel
+om, die schuurde in &rsquo;t slot, en vluchtte naar binnen,
+de zware deur achter zich dichtgooiend met een
+onbewust angstgebaar; hij schrok van den dreunenden
+slag. En stil, met ingehouden adem, vluchtte hij
+verder, de trap op en zijn kamer in, waarvan hij de
+deur met bevende voorzichtigheid dicht deed en op
+slot.</p>
+
+<p>Terwijl hij toen schuw rondkeek in zijn zwijgende
+kamer, naar al de gewone stille dingen, kwam er
+eerst een snikkend smeeken van gedweeën boeteling
+in hem. De greep van de raadselende werkelijkheid
+liet af. Hij begon te begrijpen. Hij voelde den blik
+van al die hoogzwijgende dingen, die hem gekend
+hadden in zijn hoogmoed en hem nu weer-zagen
+in zijn vernedering. En in-eens woedend van wanhoop
+nam hij een koperen aschbakje van de tafel
+om te gooien naar den spiegel, maar hij schrok van
+&rsquo;t schuurgeluid dat &rsquo;t ding op de tafel maakte en liet
+&rsquo;t vallen op den grond, waar &rsquo;t dof bonkend neerrommelde.
+De alkoofdeuren stonden open; met een
+huivering zag hij de ongerepte strakheid van zijn<span class="pagenum"><a name="Page_217" id="Page_217">[217]</a></span>
+over-spreid bed. En hij huilde, heesch hijgend, van
+machtelooze woede, en een heftig verlangen naar
+bevrijding, naar niet-meer-zijn, schokte als waanzin
+op naar zijn hoofd, zijn blik befloersend met een
+gevlam van rood en blauw. Hij liep al naar de deur
+en sloeg zijn hand aan den sleutel, willend ver-weg-gaan,
+buiten in &rsquo;t park, waar hij wist &rsquo;t diepe water,
+stil, ongerimpeld, een zwart geheim. Maar al de
+dingen in zijn kamer keken naar hem, fel-donker
+en een dreigend grommen scheen uit hen te slaan.
+Ze groeiden en kwamen dichter bij, grepen hem,
+en duwden hem neer, op den kalen grond, waar hij
+diep-snikkend neerlag, ineengekromd als een gegeeselde.
+Lafaard! dreigde zwaar in zijn ziel een stem
+als een stormvlaag....</p>
+
+<p>En zóó een tijd lang stil-liggend op den killen grond,
+op den ouden donkergrijzen grond van zijn kamer,
+zijn kamer, ruikend die bekende stof-lucht van &rsquo;t kleed,
+kreeg hij scheuten koele nuchterheid naar zijn hoofd,
+kwam hij langzaam tot bedaren. Een gevoel
+van veilig zijn, achter de gesloten deur, op zijn eigen
+kamer, tusschen al de dingen, die van hem waren,
+van hem alleen, net als zijn jas en zijn laarzen, vredigde
+in zijn hoofd. De dingen waren nu allemaal
+weer gewoon en ieder op zijn plaats; ze zwegen, wijs
+kijkend, hem beschermend. Hij stond op. Hij ging
+zijn ramen dicht-dekken en stak zijn gaslamp op, hij
+wou alleen zijn met zijn intieme dingen. En toen,
+in &rsquo;t vreemd gelende, zwart-schaduwende licht, kleedde
+hij zich uit, heelemaal, tot hij rillend naakt stond. Zijn
+kleeren gooide hij bij elkaar in een hoek. En met zijn
+hand scheppend &rsquo;t koude water uit de porceleinen
+kan van zijn waschtafel, begon hij zich daarmee te
+wasschen, snik-hijgend telkens als &rsquo;t water kletste
+tegen zijn bloote lijf, en hij begon te beven en te klappertanden
+van de kou.</p>
+
+<p>Toen voelde hij zich beveiligd tegen de wanhoop.
+Gewone menschelijkheid, bedelend verlangen naar<span class="pagenum"><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span>
+warmte en physieke behaaglijkheid kwam boven.
+Rustiger nu droogde hij zich af, forsch wrijvend zijn
+breed schonkig mannelijf, en haalde kleeren te voorschijn,
+uit de kast, schoon linnengoed en ook andere
+bovenkleeren, schoppend den slordigen hoop van &rsquo;t
+uitgetrokken goed nog dieper in den hoek waarin
+&rsquo;t lag.</p>
+
+<p>Toen hij bijna klaar was zag hij dat &rsquo;t over half
+acht was. Zijn juffrouw was dus niet gekomen om
+hem te wekken. Natuurlijk had ze hem thuis hooren
+komen, natuurlijk had ze begrepen, wist ze &rsquo;t nu,
+zij ook al....</p>
+
+<p>Maar ze kon niet weten, dat hij al bijna aangekleed
+was, bijna klaar om naar kantoor te gaan.
+Straks zou ze zijn ontbijt brengen. Hij kon nog weg
+zijn voor dien tijd. Hij haastte zich daarvoor.</p>
+
+<p>En toen hij klaar was, zijn hoed weer op, zijn jas
+weer aan &mdash; dat waren nog twee dingen die mee
+geweest waren, die &rsquo;t gezien hadden, zwijgende medeplichtigen,
+maar hij had geen anderen hoed en jas &mdash; sloop
+hij voorzichtig-zachtjes zijn kamer af. Maar de
+sleutel had even geknarst in &rsquo;t slot en in de gang
+kraakten zijn laarzen. En achter zich hoorde hij licht
+schrikkend een deur opengaan en hij keek om en
+zag zijn juffrouw, die hem aankeek met een onderzoekende
+verwondering, vragende schel en wrevelig,
+valsch-lieverig: &bdquo;Gaat u al weg, meneer?.... moet u
+niet ontbijten?.... &rsquo;t Is klaar!....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze hield niet van hem, dat wist hij; hij was een
+stugge meneer, hij praatte nooit met haar als &rsquo;t niet
+hoog noodig was. Ze was een beetje schuw voor
+hem. Dat nu tenminste er in gehouden en flink
+geantwoord. &bdquo;Nee, juffrouw, dank u! ik zal niet ontbijten.
+Goeie-morgen!&rdquo; Goed zoo! zijn stem had
+bedaard-koel, vast en uit-de-hoogte geklonken, dat
+gaf een beetje steun, een beetje pose. Zoo moest
+hij zich er bovenop zien te houden.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was eigenlijk nog te vroeg om naar kantoor te<span class="pagenum"><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span>
+gaan; de werkvrouw zou er nog bezig zijn, en Bram,
+de oude knecht, die den sleutel had en &rsquo;s morgens
+altijd &rsquo;t eerste kwam, die zouden verbaasd kijken.
+Toch ging hij naar kantoor. Hij zou er dan zitten als
+de bedienden kwamen, ze zouden hem niet zien binnenkomen,
+ze zouden zijn gezicht niet hoeven te
+zien.</p>
+
+<p>Dus liep hij toch haastig door en op kantoor trok
+hij, met een ernstig gezicht, vlug zijn jas uit en ging
+dadelijk aan zijn lessenaar zitten, zoodat de werkvrouw
+en Bram moesten denken dat hij iets hoognoodigs
+te doen had, iets waar groote haast bij was.
+Hij liet den knecht de post uit de bus halen, zei
+dankje, en liet &rsquo;t stapeltje naast zich liggen, quasi-ingespannen
+schrijvend een brief aan een klant. Toch
+verbeeldde hij zich dat Bram en de werkvrouw achter
+zijn rug elkaar vragend aankeken en even fluisterden.
+En hij schreef, diep voorovergebogen, nog haastiger
+door, en enveloppeerde den brief, aldoor met een
+gewichtig-gerimpeld gezicht en plakte den postzegel
+er op, &bdquo;Hier Bram,&rdquo; zei hij, &bdquo;dadelijk naar de post!
+Hard loopen, hoor!&rdquo; &bdquo;Ja, meneer,&rdquo; zei Bram bedaard,
+maar Bernard, die niet naar hem opkeek, verbeeldde
+zich weer dat hij zacht wat zei tegen de werkvrouw.
+&bdquo;Wat is er, wat is er?&rdquo; vroeg hij ruw-driftig. &bdquo;Niks,
+meneer,&rdquo; antwoordde Bram verbaasd, &bdquo;hoofdpost,
+meneer?&rdquo; &bdquo;Nee,.... breng &rsquo;m maar liever naar &rsquo;t
+station, maar loop vooral hard!&rdquo; &bdquo;Ja, meneer!&rdquo; En
+Bram ging weg.</p>
+
+<p>Toen bedacht Bernard zich dat hij vergeten had
+den brief te copieeren. Hij bromde een paar vloeken
+en schold mopperend op zich zelf. Hij werd kregel.
+En dat werd erger terwijl hij zijn brieven zat door
+te zien. Er waren er een paar bij, die hij wel, ineengefrommeld,
+den schrijver in &rsquo;t gezicht had willen
+smijten.</p>
+
+<p>Intusschen schutterde de werkvrouw in tobberige
+verlegenheid om hem heen; ze was niet gewoon dat<span class="pagenum"><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span>
+meneer er bij was; ze mocht nu alles wel in de
+puntjes doen; &rsquo;t kon niet maar-zoo&rsquo;n-beetje, zooals
+anders, onder een gezellig babbeltje met Bram, die
+zijn pijpje rookte.</p>
+
+<p>En een voor een kwamen de bedienden. Ze waren
+luidruchtig op de trap en schrokken als ze meneer
+zagen, hem groetend met eerbiedig gedempte stemmen;
+waarop hij in wreveligen toon antwoordde, zonder
+omkijken.</p>
+
+<p>Ze fluisterden soms even. Dan keek Bernard om
+met gefronste wenkbrauwen, zoekend met de oogen
+naar de lippen die bewogen hadden, maar dan zag
+hij dat al de gezichten kalm en plooiloos voor zich
+keken. Hij stond op om de post te verdeelen en
+sprak met ernstig-doffe stem over de zaken met den
+ouden boekhouder en met den correspondent. Maar
+toen die een kleine tegenwerping maakte, een beleefde
+aanmerking op een plan van den patroon,
+werd Bernard boos en zei op hoogen toon, dat &rsquo;t
+gebeuren moest zooals hij zei.</p>
+
+<p>En hij ging weer zitten aan zijn schrijftafel. Natuurlijk
+wisten zijn bedienden ook alles. Voortaan zou
+hij ze alleen kunnen regeeren door schrik en ontzag
+er onder te brengen. Persoonlijk overwicht had hij
+niet meer. Maar hij was de patroon en hij zou er
+&rsquo;t respect in weten te houden, zei hij in zich zelf,
+een vloek prevelend.</p>
+
+<p>Meer en meer verscherpte zijn slecht humeur. Hij
+had nu een hekel aan zijn bedienden, die in lauwe
+tevredenheid zaten op hun krukken, stil-zeurig werkend.
+Hij verlangde er naar, een van hen &rsquo;s een
+standje te schoppen.... Die lamme, paffig-bleeke
+jongen vooral, die achter zat, die altijd romans van
+Sue of Bouvier in zijn lessenaar had liggen, dien
+had hij nooit kunnen uitstaan. Maar hij had ook nooit
+veel reden tot klagen over hem gehad, en &rsquo;t was
+een beetje een protégé van zijn oom, omdat hij
+van een vrij goede familie was; dus moest hij hem<span class="pagenum"><a name="Page_221" id="Page_221">[221]</a></span>
+wel blijven dulden. Maar er moest ook niet zóóveel
+gebeuren,.... niet zóóveel, óf....</p>
+
+<p>Bernard voelde wel de kleinzieligheid, de nietswaardigheid
+van zijn gedachten. Maar hij aanvaardde
+dat. Goed! hij was ook maar een doodgewoon
+mensch, waarom zou een onredelijk standje hem onwaardig
+zijn? Dat overkwam iederen patroon wel &rsquo;s!</p>
+
+<p>Maar de morgen verliep kalm en gewoon, in zwijgend
+bezig-zijn; geen enkel incident gaf hem aanleiding
+zich boos te maken. Hij werkte gejaagd-haastig
+door, met groote inspanning zijn denken houdend
+bij zijn werk. Als hij er maar even niet op
+lette, dan zag hij weer dat kleine kamertje, en voelde
+weer de benauwende warmte, en rook de gemeene
+odeur, en hij zag dat slap-passieve vrouwelijf liggen....
+en dan zich zelf.... En hij maakte onbewuste
+bewegingen van walging met zijn onderkaak.
+O dat weeë! en die gloeiende, gniepig martelende
+schaamte in zijn dof-bonkend hoofd.</p>
+
+<p>Op den gewonen tijd ging hij weg om koffie te
+drinken. Hij ging natuurlijk ergens waar hij wist,
+dat niemand komen zou dien hij kende. Hij at een
+paar taaie broodjes met vleesch, in jachterige haast
+groote brokken verduwend, zich ergerend weer over
+die gulzigheid, en dronk wat van zijn koffie, die
+slecht was en akelig zoet, want hij had er, abstract,
+al de klontjes ingegooid. En opziend tegen de beurs-drukte
+bleef hij nog een poos zitten kijken in een
+viezige krant, las de gemengde berichten en advertenties
+die hem niets konden schelen, en liep toen
+loom op, naar de Beurs. Daar, in &rsquo;t roezig geraas,
+werd zijn hoofdpijn zoo erg, dat hij er wat duizelig
+van werd, en tegen een pilaar moest gaan staan.
+Hij ontweek zooveel mogelijk zijn kennissen, deed
+of hij ze niet zag, aldoor druk zaken doende.... En
+zoo gauw mogelijk liep hij weer naar kantoor, vroeger
+dan anders. Al de bedienden blikten op en keken
+hem tersluiks aan toen hij binnenkwam; de oude<span class="pagenum"><a name="Page_222" id="Page_222">[222]</a></span>
+boekhouder tuurde onderzoekend over zijn bril en
+die bleeke jongen, achter, wreef zich de dikkige handen
+en trok zijn mond alsof hij gelachen had. Bernard
+bleef hem even aankijken. Toen schrok de jongen
+en hervatte schuw-haastig zijn werk.</p>
+
+<p>Lacht die lummel? lacht dat vervelende meubel?
+zei Bernard in zich zelf.</p>
+
+<p>Hij ging weer zitten werken. En &rsquo;t slechte humeur
+en de ruzielust waren er ook weer. Hij verbeeldde
+zich nu aldoor dat ze fluisterden en ginnegapten
+over hem. Telkens keek hij schielijk op met toornig
+wenkbrauwfronsen. Plotseling &mdash; &rsquo;t was om half vier
+zoowat &mdash; hoorde hij duidelijk gichelen en omkijkend
+zag hij dien jongen achter een gebaar maken naar
+den jongsten-bediende, die in &rsquo;t voorkantoor zat.</p>
+
+<p>Hij stond op en vroeg hard-luid: &bdquo;Wat is er,
+Bekker?&rdquo; &bdquo;Niets meneer,&rdquo; zei de jongen, quasi-onschuldig
+en bedaard naar hem omkijkend. &bdquo;Niets
+meneer!.... niets meneer!&rdquo; herhaalde Bernard met
+dreigenden wrevel en klimmende drift. &bdquo;Wat heb je
+dan te ginnegappen en wat wou je wijzen aan Willemse
+hier?.... Kom hier!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bekker kwam loom aanloopen. &bdquo;Gauw wat! Kom
+hier!&rdquo; riep Bernard. &bdquo;Wat heb je te lachen, vlegel!&rdquo;
+En hij gaf hem een harden klap in &rsquo;t gezicht.</p>
+
+<p>&bdquo;Au!&rdquo; huilde Bekker, achteruit stuivend. &bdquo;Verdomme!....
+U hoeft me niet te slaan! Ik heb niet gelachen!....
+Ik deed niets.... Ik zat kalm te werken,
+hier, aan de facturen!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je liegt, vlerk!&rdquo; schreeuwde Bernard, &bdquo;je liegt,
+beroerde lummel!&rdquo; En hij pakte hem bij den kraag
+van zijn jas en schudde hem heen en weer.</p>
+
+<p>Al de andere bedienden staarden, verstomd van
+verbazing, naar zijn rood hoofd, dat scheen te zwellen,
+te zullen bersten. &bdquo;Werken jelie maar door!&rdquo; snauwde
+Bernard, &bdquo;&rsquo;t gaat jelie geen bliksem aan!.... Kom
+hier, vlegel!&rdquo; En hij duwde hem voor zich uit naar
+zijn lessenaar en hij nam wat geld uit een laadje.<span class="pagenum"><a name="Page_223" id="Page_223">[223]</a></span>
+&bdquo;Hier is je salaris.... voor de heele maand, maar
+maak als de donder dat je van me kantoor afkomt,
+gauw!.... Pak je hoed!.... Gauw dan, zeg ik!&rdquo; Zijn
+stem klonk schril-hoog en hij stampte van woede.
+Lijk-bleek, verstomd en met schuwen blik had de
+jongen &rsquo;t geld aangenomen en was weggegaan, de
+deur uit, de trap af.</p>
+
+<p>Toen Bernard hem niet meer hoorde, ging hij &mdash; zijn
+bonzend hoofd steunend met zijn hand &mdash; terug
+naar zijn lessenaar. Hij had moeite om niet te
+wankelen.</p>
+
+<p>Maar toen hij weer zat voelde hij zich even verlicht
+door dat woeste uitwoeden. Hij was blij dat die
+lamme jongen weg was. Een dégoutante papzak.
+Een type van een ambtenaarsklerk. Hij had hem
+altijd al verveeld en ontstemd. Hij was blij dat hij
+hem niet meer zien zou, die akelige bleeke tronie,
+dat dom-zoetige meelgezicht.</p>
+
+<p>&rsquo;t Werd nu heel stil op kantoor; Bernard luisterde
+telkens met ingehouden adem en iets van angst in
+zijn warm-soezig hoofd of de anderen niet fluisterden
+onder elkaar. Maar hij hoorde niets dan &mdash; van
+tijd tot tijd &mdash; een droge kuch of een liniaal die werd
+neergelegd. Buiten versomberde &rsquo;t straatrumoer in
+&rsquo;t vergrijzen van den dag; met klamme melancolie
+sloeg &rsquo;t geroep van een lorrenjood in de schimmige
+leegte van de huizen. Bernard zag de schaduw van
+zijn schrijvende hand verflauwen en vervagen tot
+een spookachtig-bewegende grijsheid zonder vorm.</p>
+
+<p>Voor &rsquo;t eigenlijk nog noodig was, stak hij de gaslamp
+aan, die op zijn schrijftafel stond, en liet &rsquo;t rolgordijntje
+naar beneden rommelen. En met een ruk
+schoof hij zijn zwaren stoel weer aan, willend zich in
+&rsquo;t nieuwe, heldere licht weer flink aan &rsquo;t werk zetten.
+&bdquo;Ik zou daar ook &rsquo;t licht maar aansteken,&rdquo; beval hij
+zijn bedienden, &bdquo;&rsquo;t is vroeg donker van daag.&rdquo; Niemand
+antwoordde; in triestige stilte ploften de gasvlammen
+op.<span class="pagenum"><a name="Page_224" id="Page_224">[224]</a></span></p>
+
+<p>Maar ondanks &rsquo;t helle avondlicht, voelde Bernard
+nog altijd de kille krimping van den namiddag buiten,
+in de nauwe straat; hij hoorde het geroep en kargerommel
+versomberen, al dieper.</p>
+
+<p>En nu kwam ook &rsquo;t strenge bewustzijn, dat hij in
+wreed-onredelijke drift een bediende had beroofd
+van zijn werk, van zijn broodwinning. Hij dacht even
+aan dat tehuis, waar hij nu zeker zijn zou, die jongen,
+.... misschien had hij een moeder..... en zusters,
+die nu zaten te smalen op hem, den slechten
+patroon, den gemeenen man....</p>
+
+<p>Hij had graag zijn moe-warm hoofd laten zinken op
+&rsquo;t hel-lichte, koel-glanzende papier, dat voor hem lag.
+Maar dat kon natuurlijk niet. Hij was de patroon. Hij
+moest &rsquo;t gezag handhaven in &rsquo;t belang van de zaken.</p>
+
+<p>Hij voelde zich slachtoffer nu, hij kreeg wat medelijden
+met zich zelf. &rsquo;t Was tergend dat nu juist,
+met vlagen lichtheid in zijn hoofd, de pijn wegging.
+Hij had nu wel graag erge hoofdpijn gehad om meer
+reden te hebben zich zelf te beklagen.</p>
+
+<p>Eindelijk zes uur. De een na den ander, met gedempt
+groet-gebrom vertrokken de bedienden. Er was
+stil gemor in dien verplichten groet. Bernard voelde &rsquo;t.</p>
+
+<p>Goed!.... Goed!.... bromde hij binnensmonds,
+terwijl hij ook opruimde, sloot, en wegging. &rsquo;t Is
+nu eenmaal gebeurd.... &rsquo;t Kan toch niet meer ongedaan
+gemaakt worden.... En al kon &rsquo;t ook, al
+kon &rsquo;t ook!.... Wat bliksem, die jongen is ook niet
+voor zijn plezier op de wereld....</p>
+
+<p>Met stroef-gesloten mond en donker-starenden blik
+liep hij de Warmoesstraat door naar den Dam en
+toen de Kalverstraat in. Hij zou gaan eten. Aan
+zijn tafel, met zijn vrinden. Want dat moest immers
+toch, dat terugzien en weer omgaan met hen. Of
+&rsquo;t nu vandaag of morgen gebeurde wat deed dat
+er toe! En alleen zijn was toch nog ellendiger....</p>
+
+<p>Trouwens, waarom ook niet? Hij was nu heelemaal
+hun vrind, meer dan ooit hun makker, een van hun<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span>
+slag. Dat zich heimelijk eenigszins boven hen voelen
+van vroeger was schreeuwend belachelijk geworden,
+een gevoel om uit te fluiten, om neer te striemen
+met fellen hoon. Ze zouden hem zeker hartelijk,
+kameraadschappelijk ontvangen, en hij zou vroolijk
+zijn met hen, waarom niet? Hij was nu vrij, hij kon
+nu alles doen, zich bedrinken,.... alles wat hij maar
+wou, er was niets meer aan verloren.... Jammer!
+hij had daar eigenlijk al veel langer plezier van kunnen
+hebben....</p>
+
+<p>Hij dronk onderweg in een klein drankhuisje twee
+borrels, achter elkaar, aan de toonbank, en met voldoening
+merkte hij hoe &rsquo;t werkte van binnen, verhittend
+zijn donkre, loome lijf, opslaand met helle
+vlammen zijn suffe hoofd in.</p>
+
+<p>En hij vond zijn vrinden, die er altijd al waren,
+bitterend aan hun gewone tafeltje. Hendrik en Gerrit
+waren er ook, en hij zag dadelijk dat die twee &rsquo;t
+ook al wisten, dat er over gesproken en gelachen
+was aan hun tafeltje. Gerrit glimlachte met een gemeen
+genoegen in &rsquo;t geval, Hendrik keek hem ernstig,
+kalm-onderzoekend aan. Maar ze zeiden er geen
+woord van, geen van allen, ze deden alsof ze er
+niet aan dachten. André was opgewekt, heel amicaal,
+en Sam bedaard hartelijk, leuk-natuurlijk-hartelijk, als
+een broer.</p>
+
+<p>Maar Bernard, die er zich op voorbereid had, dat
+ze er dadelijk over beginnen zouden, en daarvoor
+dan zijn antwoord klaar had, was verward en abstract.
+En toen hij nog een borrel gedronken had en er
+aan gewend was dat ze er niet over spraken, een
+beetje wegzakkend in half-dronken gesoes, was hij
+telkens bang dat ze een toespeling zouden maken
+of één van allen in-eens wat vragen. Hij wist niet
+meer hoe hij zich dan houden zou.</p>
+
+<p>En daarom ging hij na het eten gauw weg, zonder
+koffie, bewerend dat hij naar kantoor moest. Maar
+hij ging naar zijn kamer.<span class="pagenum"><a name="Page_226" id="Page_226">[226]</a></span></p>
+
+<p>Hij stak er &rsquo;t licht niet aan, hij bleef in &rsquo;t donker
+liggen op zijn kanapee, met gesloten oogen, achterover,
+zijn dof-bonzend hoofd tegen den hard-houten
+rand van knobbelig lofwerk. Dat deed hem eerst
+goed, de hardheid van &rsquo;t hout, die pijn gaf aan &rsquo;t
+beenige achterhoofd. Maar gauw werd &rsquo;t te erg en
+zakte zijn hoofd lager, tegen &rsquo;t broeiige trijp. En willoos
+toegevend aan de slaperigheid, die krieuwde in zijn
+moeie lijf, was hij gauw in een doffen slaap....
+weg....</p>
+
+<p>Toen hij wakker werd, stijf en rillerig en gedésorienteerd,
+zag hij, met een aangestoken lucifer op zijn
+horloge kijkend, dat &rsquo;t bij tienen was. Hij was nog
+dof en zwaar van den slaap, hij bleef nog liggen
+ondanks de stijfheid van zijn klammig-koude leden,
+de pijn in zijn gewrichten en in zijn hals.</p>
+
+<p>Met een angstige klopping in zijn polsen keek
+hij rond in de schemerige duisternis van het vertrek.
+Zijn gordijnen waren opengebleven; mysterieus zwierven
+de gelige glimpjes van in &rsquo;t water weerkaatste
+flikkering langs &rsquo;t plafond, en in den eenen hoek
+streepte zwak &rsquo;t armoedige licht van de straatlantaarn,
+die een eindje verder stond. Hij hoorde &rsquo;t gebel van
+de tram die de flikkering wierp in &rsquo;t water. Maar in
+zijn kamer was &rsquo;t stil.</p>
+
+<p>En nu steeg in-eens in zijn hoofd, &mdash; dof-treurend
+als uit de verte gehoord gezangen-zingen in een
+protestantsche kerk, &mdash; het volle bewustzijn van wat
+er in hem was vernield.</p>
+
+<p>En hij ging recht-op zitten; plotseling hevig ontroerd
+van een sterk in zijn hoofd staande, smartlijke
+verbazing. Hoe was &rsquo;t mogelijk!.... Hoe was &rsquo;t mogelijk!....
+De eenige illusie die hij nog had, de teeder
+gekoesterde, hem zoo innig-lief geworden om den
+doorstanen hoon, het zonnevlekje van poëzie in zijn
+leven, het blauwe lint aan zijn stalen lans, het teeken
+der jonkvrouw, weg, weg, voor altijd. Door zijn
+handen verscheurd, door zijn voeten vertrapt. En<span class="pagenum"><a name="Page_227" id="Page_227">[227]</a></span>
+uit zijn wijd-openstaande oogen persten de groote tranen
+en liepen langs zijn verkild gelaat, lang voor hij
+er bewustzijn van had, en zich voorover buigend heftig
+begon te snikken, zijn gezicht in zijn beide handen
+duwend, zijn kil-klamme handen van eenzaamheid.</p>
+
+<p>Hij voelde zich nu zwak en klein, een kind dat
+verdriet heeft. Hij fluisterde zacht: moeder....
+moeder.... waarom ben je niet bij me gebleven?....
+en waar is mijn vader, mijn vrind....</p>
+
+<p>En hij dacht aan hun graf, daar ver buiten, op
+Zorgvliet. Hij was er niet dikwijls heengegaan. Ze
+waren daar immers toch niet. Ze waren niet in de
+kille duisternis, ze waren in &rsquo;t licht, in &rsquo;t diepe-stralende
+licht van eeuwige liefde. Maar nu wou hij er
+heen gaan, nu wou hij gaan denzelfden weg waar
+zij langs gebracht waren, liggend stil, koud, dood,
+in den zwarten wagen. Want hij was nu immers
+ook dood,.... verslagen door &rsquo;t leven.</p>
+
+<p>Hij stond op en nam zijn hoed en jas en ging
+de trap af, en de deur uit. &rsquo;t Was koel buiten, een
+vochtig-zoele koelheid kwam hem tegen.... En hij
+begon al langzamer en langzamer te loopen.... en
+bleef staan.... Hij voelde dat &rsquo;t niet gaan zou. Dat
+hij er niet langs kon loopen zoo lang, langs &rsquo;t koel-kabbelende,
+donkere water, daar buiten, in de wijde
+stilte. De sterren flonkerden. Er was geen maan.
+&rsquo;t Ging niet. Dan zou hij &rsquo;t doen, &rsquo;t lafste, &rsquo;t laagste.
+En dan zou hij nooit, nooit kunnen stijgen tot hen
+in &rsquo;t licht, in &rsquo;t pure licht, maar hij zou daar blijven
+liggen, rottend in &rsquo;t zwarte slijk, als een verdoemeling.</p>
+
+<p>Hij liep terug, sneller, angstig-gehaast. Voor hij &rsquo;t
+wist was hij weer op zijn kamer.</p>
+
+<p>En hij stak zijn lamp aan en haalde uit de kast
+in &rsquo;t alkoof, met moeite, de ouderwetsche mahoniehouten
+kist, waar de reliquieën in lagen, de brieven
+en portretten en de ringen van zijn ouders. En toen
+hij die zag begon hij weer heftig te snikken. Maar<span class="pagenum"><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span>
+&rsquo;t deed hem toch goed. Pieuse aandoening en weemoed
+verzachtten zijn smart. Toen zijn snikken bedaarde
+kwam er wat berusting en vrede in zijn ziel.
+En een vage behoefte om te bidden. Maar dat deed
+hij niet. Hij dorst niet denken dat God hem hooren
+kon.</p>
+
+<p>De rust na &rsquo;t uithuilen voelend in zijn hoofd wreef
+hij herhaaldelijk met zijn handen langs zijn slapen
+om nu tot klaarheid te komen, tot een plan voor
+de toekomst. &rsquo;t Was een lange, kale weg, dien hij
+voor zich zag. Stil plicht-doen, werken, was voortaan
+&rsquo;t eenige. Werken van &rsquo;t opstaan tot &rsquo;t naar bed-gaan,
+om den zegen van den slaap te verdienen, waarin
+dan misschien nu en dan een vluchtige droom zou
+zijn als &rsquo;t zwakke schijnsel van &rsquo;t groote licht dat
+hij niet meer hopen dorst te zullen zien.</p>
+
+
+
+
+<h2>XIV.</h2>
+
+
+<p>Met den vasten, strengen wil zich zijn werk nu
+tot zijn levensdoel te maken ging hij den volgenden
+morgen naar kantoor. En zoo ook zette hij zich
+voor zijn lessenaar en begon al de gewone dingen
+als waren ze nieuw voor hem en ten hoogste belangwekkend,
+met volle aandacht, de zaken breed
+overziend en tegelijk lettend op de kleinigheden, de
+voltooiende finesses, negeerend met ijzeren zelfdwang
+alle storende gedachten, aldoor krachtig in zich opstuwend
+dien wil om zich van nu af heelemaal te
+wijden aan zijn werk. Hij trachtte naar een kortkernigen,
+correcten stijl in zijn brieven &mdash; zich juist en
+duidelijk uit te drukken in weinig woorden &mdash; en
+naar een mooi, ruim, regelmatig schrift. Dat streven
+gaf al dadelijk een klein, opbeurend plezier, en hij
+kweekte &rsquo;t stil.</p>
+
+<p>Hij was bedaard-vrindelijk tegen zijn bedienden, eenvoudig-kameraadschappelijk.
+Die vrees van gisteren
+dat ze wat weten konden was weg. Dat was natuurlijk<span class="pagenum"><a name="Page_229" id="Page_229">[229]</a></span>
+onzin geweest, een hersenschim. Zulke toevalligheden,
+dat las je in boeken, maar dat kwam niet voor.
+Ze wisten niets van zijn leven buiten &rsquo;t kantoor, ze
+letten er niet op, &rsquo;t kon hun niet schelen. Ze kenden
+hem eigenlijk niet. Voor hen was hij een doorgaans
+nogal geschikte patroon, die goed betaalde, meer
+niets.</p>
+
+<p>Hij werkte &rsquo;s morgens, &rsquo;s middags en dikwijls
+&rsquo;s avonds ook nog. De drukke tijd duurde lang dit
+jaar. April uit en bijna de heele maand Mei was
+er veel te doen. En meer en meer boeide &rsquo;t hem
+en merkte hij den bedarenden zegen van &rsquo;t werken.</p>
+
+<p>Hij zag zijn gewone vrinden dagelijks aan tafel,
+was dan bedaard-opgewekt, klaagde een beetje over
+zijn drukte, over de bergen werk die hem wachtten,
+om maar weer gauw weg te kunnen gaan, alleen.
+Ook Edward, die nog een poosje logeerde bij zijn
+zuster, zag hij een paar maal. Eens ging hij er eten
+en een anderen keer kwam zijn vrind &rsquo;s avonds op
+zijn kamer om &rsquo;s ouderwets te praten. En beide ontmoetingen
+stoorden hem niet. Hij voelde opnieuw
+dat hij nog altijd hield van Edward en graag alles
+voor hem zou doen, maar dat er nooit meer eenige
+intimiteit tusschen hen kon zijn.</p>
+
+<p>Edward amuseerde zich in Amsterdam, hij ging
+veel uit, maakte nieuwe kennissen, kwam van den
+een bij den ander. Dien avond op Bernards kamer
+was hij bijna voortdurend aan &rsquo;t woord. Hij had &rsquo;t
+over Mimi en over andere meisjes, die hij ontmoet
+had in de laatste weken. Ze hielden hem erg bezig,
+al die meisjes; hij had veel lust zich te verloven,
+maar hij kon ze toch allemaal niet vragen en de
+eene was zoo mooi, en de andere zoo geestig en een
+derde.... had wat geld.... nogal veel geld, zeiden
+ze,.... en, niet dat hij ooit een vrouw zou willen
+nemen om &rsquo;t geld!.... Maar och, er was toch ook
+wel wat voor te zeggen, zie je. Vooral in Indië, daar
+hadt je heel wat noodig; tenminste als je vooruit<span class="pagenum"><a name="Page_230" id="Page_230">[230]</a></span>
+wou komen, carrière maken.... En dan, &rsquo;t was ook
+een allerliefst meisje, bepaald een <em class="g">goed</em> meisje,....
+en ze had ook wel een aardig gezichtje....</p>
+
+<p>Bernard luisterde en knikte en gaf wat toe en
+sprak wat tegen, en werd niet gestoord. Hij zat met
+kalm genoegen naar Edward te kijken, te luisteren
+naar zijn welluidende stem, maar wat hij eigenlijk
+allemaal zat te vertellen, dat wist hij niet precies.</p>
+
+<p>Iederen Zondag ging hij nu naar Bussum. Dat
+was een vreugde voor oom en tante. Ze begrepen
+eigenlijk niet goed hoe &rsquo;t kwam, dat Bernard nu
+wel geregeld komen kon, terwijl hij vroeger telkens
+een of andere verhindering had. Maar ze wilden er
+niet over spreken, want ze vonden &rsquo;t veel te prettig
+zoo. En Bernard was altijd zoo hartelijk en zoo opgeruimd.
+Hij had niet meer die buien van lang stil-zijn
+en voor zich uit staren, en dat kregele, licht
+geraakte en scherpe. Hij was veel zachter. Wel
+scheen hij ook ernstiger dan vroeger, in korten tijd
+ouder geworden, en was iets koels in zijn blik oorzaak
+dat tante nooit dorst vragen hoe &rsquo;t nu eigenlijk
+zat met dat meisje.... Meermalen had ze al op
+&rsquo;t punt gestaan van hem daar &rsquo;s over aan te spreken,
+maar ze was altijd een beetje bang dat hij haar
+dan goedig-bedaardjes uit zou lachen en toch niets
+loslaten. &bdquo;De jongen is eigenlijk wel een beetje eigenwijs
+geworden,&rdquo; zei ze eens tegen oom, maar toen
+die leuk-weg antwoordde, dat hij daar nog niets van
+had gemerkt, liet ze er schielijk op volgen: &bdquo;Nou
+ja,.... ik meen maar zoo.... Niet dat-ie pretensies
+heeft.... Dat heelemaal niet!.... hij is bescheiden
+genoeg.... Alleen, hij kan soms net kijken of hij
+&rsquo;t eigenlijk allemaal al lang weet, wat je &rsquo;m zit te
+vertellen....&rdquo;</p>
+
+<p>Oom haalde zijn schouders op, &bdquo;&rsquo;k Begrijp niet,
+wat je bedoelt,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>Bernard wandelde veel &rsquo;s Zondags in Bussum.
+Liefst alleen, maar ook dikwijls met oom, die dan<span class="pagenum"><a name="Page_231" id="Page_231">[231]</a></span>
+liep te praten uit zijn ondervinding van zaken en
+menschen. Terwijl keek Bernard naar de boomen
+en de lucht en de huisjes aan den weg. En hij
+genoot stil van het mooie, het teere, het fijne. Maar
+vooral als hij alleen was en zich overgeven kon aan
+&rsquo;t genot van &rsquo;t zien, &rsquo;t bespieden van de dingen
+buiten, dan was hij stil-blij en bijna gelukkig. Als
+hij liep in &rsquo;t bosch en zag de zwartige takken en
+takjes, fijntjes wirwarrend tegen de wazige eindloosheid,
+en hij zag het teer-reine lichtgroen van de eerste
+blaadjes, en hier en daar een kastanjeboom, die al
+verder was en over den grond zijn schaduwvlekjes
+stoeien liet met het guldene licht, en hij zag de
+hooge lucht, die al dieper begon te blauwen en de
+blank-glanzende witte wolken, die geluidloos dreven
+in de zoete koelte, en als hij hoorde &rsquo;t zuiver gefluit,
+de trillertjes en tjielp-geluidjes van de ongeziene
+vogels &mdash; als waren er nimfen in &rsquo;t woud, die lachten
+en kusten elkaar op de koele ruggetjes &mdash; en dan
+daaronder &rsquo;t intiem-dichtbije gekrak van zijn stap op
+&rsquo;t droge pad, en als dan de boschgeuren zoet-prikkelend
+kwamen rijzen in zijn hooggedragen hoofd, dan
+werd &rsquo;t lichter, zijn hoofd, en als doorruischt van
+zuivere liefelijkheid, was &rsquo;t zorgen-leeg en vrij van
+lijden, van menschelijk getob.</p>
+
+<p>Dikwijls ook bleef hij lang zitten aan den weg,
+op den bruin-zwarten grond, zoodat de vochtige
+koelte van de aarde begon te huiveren in zijn lijf,
+en dan voelde hij zich één met de natuur, als doorvaren
+van voorjaarswind en vocht van weeke aarde.
+Hij genoot meer van de natuur dan ooit vroeger
+in zijn leven; veel was er wat hij nu voor &rsquo;t eerst
+pas merkte. Dan was er in-eens een vage bewustwording
+van hooger leven in hem, een plotseling
+heel diepe, suizende stilte van denken aan &rsquo;t leven.
+En met lange teugen ademde hij de lucht van &rsquo;t
+vrije buiten.</p>
+
+<p>En dan kwam soms ook in eens, niet voorgevoeld,<span class="pagenum"><a name="Page_232" id="Page_232">[232]</a></span>
+uit de ongekende diepten van zijn gemoed &mdash; die
+waren als stille grotten, waarin de boschklanken echo
+riepen &mdash; een heimelijk sidderen van hoop en blijde
+verwachting. Daar liep hij dan wel tegen te praten
+in zich zelf, als hij terug wandelde naar &rsquo;t druk-modieuse
+villa-gebouw, waar ze hem wachtten met een
+chic-gedekte koffietafel, opziend tegen &rsquo;t moeten scheiden
+van zijn stil zijn in &rsquo;t plechtige buiten, en hij zei:
+laat ik daar nu toch niet aan toegeven, dat is toch
+allemaal bedrog! laat ik nu blijven leven, stil, met
+&rsquo;t genot van de dagelijksche dingen, met me werk
+en &rsquo;t goed zien van alles om me heen, laat ik nu
+tevreden zijn, leven in me zelf zonder hoop op geluk
+van buiten af.... Maar toch, telkens in-eens, altijd
+even onverwacht, en maar half bewust was ze er
+weer, die kloppende ontroering, van iets groots, moois,
+eindeloos begeerlijks, dat glansde, even boven zijn
+blik, en dat vervaagde en weg was, als hij er naar
+kijken wou, er denkend naar zocht.</p>
+
+<p>Die oogenblikken kwamen telkens terug op zijn
+eenzame wandelingen door de Mei-natuur, en maakten
+hem soms weer triestiger, week neerslachtig en
+moe, met lust lang uit-te-huilen.</p>
+
+<p>In de stad was hij sterker. Zonder vrees voor
+weekheid, met enkel frissche verliefdheid op natuur,
+zocht hij daar de boomen, en als hij de boomen
+niet zag keek hij naar &rsquo;t water en naar de lucht,
+naar de heerlijke, diepe lucht vooral, die hij zelfs
+in de Warmoesstraat zien kon. Hij stond meestal
+vroeg op &rsquo;s morgens en liep een eindje om voor
+hij naar kantoor ging en dan vond hij de boomen
+en zag de malsch-buigende twijgjes, waar &rsquo;t jonge
+groen uitschiet en vrij zich ontplooit en naar de
+zuivere zon richt &rsquo;t ongerepte glanzen van zijn
+blaadjes; hij zag dat goddelijk reine groeien en
+bloeien, kort boven de bevuilde klinkertjes en de
+bonkige keien, die daar lagen in eindelooze regelmaat
+samengestampt, de vale vloer van de stad.<span class="pagenum"><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span></p>
+
+<p>Maar ook van de met handen gebouwde stad,
+van de gevelrijen, van de hoogtorenende kerken en
+laagwelvende bruggen wilde hij &rsquo;t mooie zien en hij
+zag &rsquo;t ook, ál beter, ál dieper en breeder, tot hij er
+van genoot, iedren morgen en ook &rsquo;s avonds, als hij
+lui-langzaam liep te dwalen langs de grachten, in de
+schemering. Vroeger, herinnerde hij zich, had het
+sombere avondvallen in de stad hem altijd beangstigd,
+had hij altijd verlangd naar &rsquo;t volkomen-donker,
+als de lantaarns werden aangestoken, op de stille
+grachten een lange rij lichtjes als nacht-pitjes, die
+wazig streep-straalden voor de klein getrokken oogen,
+wiegend heen en weer met &rsquo;t wiegende hoofd, en als
+in de wijde winkelstraten een intieme huiselijkheid
+kwam van veel avondlicht, flauw-rossige glansen om
+de haastig-gaande menschen.... Maar nu hield hij
+van de schemering en rekte met loom bewegen van
+zijn lijf &rsquo;t genot er van in zijn wijd kijkende oogen en
+luisterende ooren. &rsquo;t Wegkrimpen van &rsquo;t daglicht tusschen
+de breed-gekruinde grachtboomen en de hellende
+gevels van de oude huizen gaf hem een eigen
+en innig genot van weemoed, vredigende melancolie,
+waarin hij gaarne, zacht ademend liep te luisteren
+naar &rsquo;t stille klagen van den avondwind, hoog in de
+toppen van de drukke straten in &rsquo;t hart van de stad,
+de geel-lichte koffiehuis- en winkelstraten.</p>
+
+<p>Want op de grachten was &rsquo;t stil, de enkele voorbijgaande
+menschen spraken met gedempte stemmen,
+zonder luidruchtigheid of harden lach....</p>
+
+<p>Uren kon hij zoo blijven loopen langs de wijde
+wegen van de stad, tot de hemel al lang zwart was
+en de maan opkwam, heilig mysterie van koel groen
+licht in den diepen nacht....</p>
+
+<p>Als hij dan &mdash; nu en dan huiverig, rillend &mdash; aankwam
+op zijn kantoor, ging hij zitten lezen onder
+zijn lamp, mijmerend boven de stille glanzing van de
+bladen van zijn boek.</p>
+
+<p>Hij was stil en rustig....<span class="pagenum"><a name="Page_234" id="Page_234">[234]</a></span></p>
+
+<p>En als hij soms, in de zoele Mei-avonden werd
+bevangen door hittige prikkeling van zinnelijke begeerten,
+die brandden in zijn droge keel en klopten
+in zijn gloeiende slapen, dan ging hij snel loopen,
+zich moe loopen, driftig slaande de gloei-warme voeten
+tegen de straatsteenen, net zoo lang tot hij bezweet
+en door de inspanning half versuft alleen nog naar rust
+verlangen kon. En als hij dan thuis kwam was hij
+dikwijls week en slap van vermoeienis, maar de
+kwelling was weg.</p>
+
+<p>Hij had gemerkt, dat afmatting van je lichaam de
+eenige manier was om zoo&rsquo;n verlangen weg te krijgen,
+als je er niet aan voldoen wou.</p>
+
+<p>En dat wou hij nu eenmaal niet.</p>
+
+<p>Hij had daar in den laatsten tijd veel over nagedacht
+in zijn vredigend-melancholische stemming. Hij
+vond op-zich-zelf niets slechts of leelijks in zulke
+begeerten, zoo als er heelemaal niets slechts of
+leelijks zijn kon in de natuur. Maar leelijk, storend,
+plat, banaal en wee waren de eenige middelen waarmee
+hij ze bevredigen kon. Eens had hij dat platte
+aanvaard en de walging van zich zelf en zijn bestaan,
+die er op gevolgd was, had hem bijna tot het laagste
+gebracht. Hij verweet zich dat nu niet meer. &rsquo;t Was
+noodig geweest, dat begreep hij nu. &rsquo;t Was helaas
+noodig geweest om hem zijn niets-zijn, om hem &rsquo;t
+belachelijke van zijn vroegeren hoogmoed, van zijn
+malle, verwaande illusies te doen voelen. &rsquo;t Was
+noodig geweest om hem te brengen in &rsquo;t leven van
+tegenwoordig, &rsquo;t bescheiden, stille leven van dag op
+dag, &rsquo;t eenige op den duur mogelijke.</p>
+
+<p>Maar die eene avond beteekende verder heel weinig
+in zijn lange leven. Dikwijls, als hij er nu aan
+dacht, scheen hem die avond een droom of iets ergens
+gelezen of gehoord. Dan kon hij zich niet begrijpen
+dat hij al niet lang wist, dat alleen een leven zooals
+hij nu leidde, zonder illusies, maar ook zonder zorgen &mdash; want
+waarom zorgen? &mdash; de wanhoop weren<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span>
+kon. Hoe was &rsquo;t mogelijk dat hij zoo lang zijn bestaan
+verontrust had, en in gevaar gebracht, door hemel-bestormende
+begeerten en mensch-verachtende gedachten.
+Alsof hij-zelf een gigant was en niet een menschje,
+even machteloos als de rest.... En dan nog! Waren
+ook niet de giganten teruggeslingerd, in de diepte,
+te pletter?</p>
+
+<p>Maar wel aan niemand minder dan aan een kantoorheertje,
+uit de Warmoesstraat, zoo&rsquo;n gewoon beurslummeltje,
+paste de hubris, de hooge over-moed.</p>
+
+<p>En wat er overbleef van &rsquo;t bestaan, als je &rsquo;t opvatte
+gelijk hij nu deed, was toch nog wel de moeite
+waard. Als je maar wat zorgde voor afwisseling in
+de kleine vreugden en stille genietingen van allen
+dag, dat ze niet te gauw afstompen en vervelen, niet
+voordat je oud bent en weet dat je dood moet.
+En zelfs dan bleef toch nog altijd &rsquo;t in-zich-zelf-schoone,
+dat nooit verveelt, van natuur en kunst, van
+mooie dingen om te zien, muziek om te hooren, boeken
+om te lezen, om in weg te zijn, weg van je zelf
+en het leven. Zulke genietingen maar stil aankweeken
+in jezelf, en zoo van je leven maken een kunstig
+aangelegden tuin vol vreemde heesters en bloemen
+in tallooze variëteiten &mdash; wel nergens wild, nergens
+grootsch, maar toch iets bizonders en de moeite
+van &rsquo;t bewandelen waard. En de hof van je buurman
+is allicht weer een beetje anders, en als hij er geen
+heining omzet dan kun-je er &rsquo;s inkijken, dan heb-je
+ook wat aan zijn heesters en bloemen. Dat is wel
+een klein-burgerlijk genot, je kunt &rsquo;t af op je pantoffels,
+maar als je nu eenmaal geen gigant bent....
+en geen reus met zevenmijlslaarzen....</p>
+
+<p>Aan dat oude verhaaltje dacht Bernard eens, terwijl
+hij stil zat te werken, en hij herinnerde zich dat hij
+als kind veel meer hield van dien vliegenden reus
+dan van &rsquo;t listige klein-duimpje....</p>
+
+<p>O! die droomen in de vensterbank, als zijn moeder
+over hem zat en vertelde.... Even dwaalde zijn blik<span class="pagenum"><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span>
+over zijn werk heen, kijkend zonder te zien.... Toen
+ging hij weer door; hij moest er waarachtig zijn
+hoofd bijhouden, &rsquo;t was de balans van &rsquo;t afgeloopen
+jaar, waar hij mee bezig was.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Op een avond dat hij naar gewoonte liep te droomen
+langs &rsquo;t diep-liggende water van een breed-gewalde
+gracht, kwam hij Sam tegen, die daar in de
+buurt woonde, op een bovenhuis.</p>
+
+<p>&bdquo;Waar ga jij naar toe,&rdquo; vroeg Sam.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo langzamerhand naar huis,&rdquo; antwoordde Bernard,
+&bdquo;ik heb maar een endje omgekuierd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga met mij mee,&rdquo; zei Sam, &bdquo;laten we bij mij
+een kalm glaasje wijn gaan drinken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat&rsquo;s goed,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>En ze liepen samen op.</p>
+
+<p>Sam was in den laatsten tijd aldoor bizonder hartelijk
+voor hem geweest, niet met daden of woorden,
+maar met blikken en houdingen en een stem
+van natuurlijke broederlijkheid. Ze waren nu en dan
+samen alleen geweest, lang zwijgend beiden zonder
+hinder van de stilte, als goede, oude vrinden.</p>
+
+<p>Ze liepen nu te praten over de gebeurtenisjes van
+den dag, stil-rustig en vertrouwelijk, en waren gauw
+in de mooie, groote zitkamer van Sam, die met veel
+luxe en verfijning van smaak was ingericht en aangekleed.
+Sam wist altijd, met bedaarde behendigheid,
+te vermijden dat er fuiven, drukke drinkgelagen
+gehouden werden op zijn kamer, maar met kennelijk
+genoegen ontving hij er een of twee kalme vrinden,
+die dan in ruime, gemakkelijke stoelen kwamen te
+zitten, de voeten op een dik perzisch kleed van verwonderlijk
+mooie kleurschakeering. Ook nu weer was
+Sam bedaard-blij dat Bernard eens gekomen was;
+hij schoof lage leunstoelen aan, en niet zijn licht
+cadanzenden stap vlug door de kamer gaande, bracht
+hij fijne sigaretten te voorschijn en een flesch van
+den voortreffelijken ouden wijn, waar hij-zelf zoo<span class="pagenum"><a name="Page_237" id="Page_237">[237]</a></span>
+bizonder op verlekkerd was, en die alleen met kalm-proevende
+aandacht, in stil-rustig samenzijn gedronken
+mocht worden.</p>
+
+<p>Bernard legde zich met behagelijkheid in den langen,
+lagen stoel; allengs vervuld van stille bewondering,
+zacht-innige vreugde in mooie dingen &mdash; alleen
+niet volkomen vrij van jaloezie &mdash; keek hij rond in
+de kamer, terwijl zijn vrind voorzichtig de flesch
+opentrok en de glazen inschonk. De met veel zorg-volle
+vinding en een sterk-persoonlijken smaak geornamenteerde
+kamerwanden, vol schilderijtjes en
+slank-omlijste etsjes, in den avond meer vermoed dan
+gezien, en de eenvoud van &rsquo;t plafond en de gordijnen,
+die in rechte plooien neerhingen, innig schaduwend
+in &rsquo;t getemperde avondlicht, gaven een geheel
+van rustige harmonie, dat hem aandeed met een
+gevoel van weelde-genieten en stil benijden van den
+man, die daarin woonde. En bijna geluidloos zwol
+de koele wijn in &rsquo;t glinster-heldere kristal van de
+glazen, geschonken met vaste hand, en werd de bestofte,
+zwarte flesch, nog rijk van edelen drank, terzij
+gezet, drukkend zijn gladden voet in de wijkende
+weelde van &rsquo;t fluweelen tafelkleed. Toen liet Sam
+zich, met een ernstige tevredenheid, in den anderen
+armstoel zakken en namen ze beiden hun glazen op,
+mompelden &bdquo;prosit&rdquo; en dronken, en Bernard roemde
+even den wijn, wat een glans van genoegen gaf in
+Sams goedhartige, blauw-groene oogen. Een poosje
+zaten ze zoo in welbehagelijke rust te genieten.</p>
+
+<p>&bdquo;Weet je wel, waar André tegenwoordig &rsquo;s avonds
+zit,&rdquo; vroeg toen Sam.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee....,&rdquo; zei Bernard vragend.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij gaat minstens tweemaal in de week naar
+Frank,.... zoogenaamd om Hugo,.... maar je begrijpt
+dat &rsquo;t om &rsquo;t zusje te doen is.... Dat zaakje
+zal wel in orde komen, vermoed ik....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zou je denken,&rdquo; vroeg Bernard, &bdquo;hij spreekt er
+nooit over, hè!&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_238" id="Page_238">[238]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Daarom juist!.... Als &rsquo;t &rsquo;m geen ernst was, zou
+hij er wel over praten!....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard zat even te soezen. De tijd van zijn verliefdheid
+op Betsy.... vier, vijf jaar geleden nu,....
+die jonge tijd van lachen en stoeien en van zingen,
+uit volle borst, onbegrepen liefdeliederen, kwam door
+zijn hersenen varen als een van ver aanstrijkende
+lenteluwte. &bdquo;Hij heeft gelijk,&rdquo; zei hij ernstig, &bdquo;&rsquo;t is
+een goed meisje....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zwegen weer, maar Bernard hoorde Sam zacht
+mompelen: &bdquo;Gelijk!.... Hm!.... Betrekkelijk!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Vindt-je &rsquo;t niet,&rdquo; vroeg hij, een beetje verbaasd.</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel!.... Och ja!.... Ik geloof ook dat &rsquo;t voor
+hem maar &rsquo;t beste is dat hij trouwt....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is dunkt me niet twijfelachtig, als ze van
+elkaar houden,&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>Sam zei niets, maar glimlachte leuk, zijn lippen
+naar voren stekend. Er was een uitdrukking van
+goedigen, ouwelijk-bedaarden spot in zijn gezicht, een
+uitdrukking, die Bernard een beetje hinderde. Hij
+liet zijn hoofd naar achter zakken op de rugleuning
+van zijn stoel en sloot zijn oogen even, koeltjes vragend:
+&bdquo;Ben je &rsquo;t er niet mee eens, jij,.... verstokte
+celibatair?&rdquo;</p>
+
+<p>Sam zette zich recht in zijn stoel, klopte de asch
+van zijn sigaar, en zei, zijn wenkbrauwen optrekkend,
+met quasi-deftige kraakstem: &bdquo;Je weet, het
+celibaat is bij mij een tweede natuur.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar Bernard, in-eens een beetje geërgerd-ernstig zei:
+&bdquo;Wees nou&rsquo;s even niet grappig, Sam... Zou jij werkelijk
+niet willen trouwen, al was je nog zoo verliefd?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar daar is immers geen gevaar voor,&rdquo; zei Sam,
+&bdquo;ik ben nooit zoo verliefd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En kan dat dan ook niet komen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee!.... Dat doe ik niet,.... ik <em class="g">laat</em> &rsquo;t nooit
+zoo ver komen.... Ik wil eenvoudig geen vrouw.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Als ik &rsquo;t niet beter wist, zou ik denken dat je
+er al een hadt, dat je &rsquo;t niet weten wou....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_239" id="Page_239">[239]</a></span></p>
+
+<p>Sam lachte even: &bdquo;Stel-je voor!.... We zijn hier
+niet in Parijs!.... We zijn gezeten Amsterdamsche
+burgers,.... deftighedentjes....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar wáárom wil je dan niet,&rdquo; vroeg Bernard
+een beetje dringend.</p>
+
+<p>&bdquo;Wèl!.... Mijn God, kerel! &rsquo;t zou me eenvoudig
+veel te lastig zijn,.... al die soesa!.... &rsquo;t zou me
+heelemaal uit me gewone doen brengen, natuurlijk....
+Zoo&rsquo;n vrouw, die overal aanzit met &rsquo;r vingers!....
+nee!.... dat &rsquo;s niets voor mij!....&rdquo;</p>
+
+<p>En Sam lei zijn gevouwen handen over zijn borst,
+langzaam terugzakkend in zijn stoel.</p>
+
+<p>Bernard lachte even, een beetje stroef.</p>
+
+<p>&bdquo;Ben jij soms ook weer &rsquo;s verliefd,&rdquo; vroeg Sam.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik?.... wel neen!....&rdquo; zei Bernard.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, wat zanik je dan?.... Je zult er ook wel
+van terugkomen op den duur, van dat kinderachtige
+verliefd-zijn, je bent, geloof ik, al goed op weg....
+je kunt dat immers heel goed vermijden als je
+wilt!.... M&rsquo;n hemel, je kunt net zoo goed op &rsquo;t eerste
+&rsquo;t beste meisje verlieven als heelemaal nooit!.... Dat
+hangt er maar van af, of je er aan toe wilt geven of
+niet,.... aan die romantische neigingen!.... God, ik
+heb niets tegen die lieve kinderen,.... integendeel!....
+ze zijn altijd allemaal even lief en aardig
+voor me,.... ze fêteeren me, ze verwennen me,....
+ik heb &rsquo;t altijd best overal waar meisjes zijn....&rdquo;</p>
+
+<p>Nu lachte Bernard guller. De bescheiden dankbaarheid
+in Sams stem en zijn dom-weg voor-zich-uit
+zeggen van die korte zinnetjes hadden iets clownachtig-komieks.
+En ook voelde Bernard dat er een
+ongevaarlijke aard, een onverstoorbaar goed humeur
+voor noodig waren om dat zoo te zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Je bent, geloof ik, wel een zuiver type van &rsquo;n
+ouden vrijer, een goeien oom,....&rdquo; zei hij lachend.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat ben ik,&rdquo; zei Sam, met iets van trots, wat opnieuw
+komiek was. &bdquo;Maar ik vind &rsquo;t heusch niets
+moeilijk!.... De verleiding is niet groot voor me....<span class="pagenum"><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span>
+Ik ken zooveel getrouwde menschen.... De meesten
+zijn teleurgesteld.... Och, weet je waar &rsquo;t ze allemaal
+om te doen is? Ze willen gekoesterd worden, lekkertjes
+verwend, aldoor-maar-door.... Ze doen net
+als kindertjes die huilen om een koekje, en als de
+trommel leeg is zijn ze boos.... Mijn huishoudster
+zorgt heel voldoende voor me....&rdquo;</p>
+
+<p>Bernard glimlachte weer bij de gedachte aan Sams
+stuursche oude huishoudster. &bdquo;Dus,&rdquo; zei hij even
+later, &bdquo;jij zult je geluk nooit zoeken in de liefde.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij werd een beetje wee van de banaliteit van
+zijn eigen woorden; &rsquo;t gesprek begon hem tegen te
+staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Geluk zoeken?&rdquo; bromde Sam nog. &bdquo;Ik weet niet
+waar je &rsquo;t over hebt!.... Ik ben zoo gelukkig als
+ik zijn kan.... Dat hangt toch maar weer alleen
+af van de eischen die je stelt.... De mijne zijn
+zoo overdreven niet....&rdquo;</p>
+
+<p>Hij trok &rsquo;t zich volstrekt niet aan, dat hij geen
+antwoord meer kreeg, maar dronk langzaam zijn
+glas uit en schonk zich zelf en Bernard opnieuw in.
+En ze zwegen weer, beiden soezend en stil rookend.
+Bernard voelde &rsquo;t wufte van zulk hol gepraat nadreinen
+in zijn ziel en hij merkte weer een kregele kriebeligheid
+van ergernis, als hij keek naar &rsquo;t kalm
+plooilooze hoofd van zijn vrind. Hij was zich bewust:
+Sam was hem tegengevallen, had hem teleurgesteld;
+hij had veel meer diepte vermoed achter die koele
+leukheid. Maar was er eigenlijk wel eenigszins te
+rekenen op zoo wat los geklets onder een glaasje wijn.
+Dienden al die nuchtere frasen zijn vrind niet om
+gemakkelijk te verbergen zijn eigenlijk zieleleven?....
+En scherp kijkend weer met zijn opzij-liggend hoofd
+naar Sam, die over hem lag, bespiedde hij de uitdrukking
+van zijn starende oogen. Maar die waren
+dof-abstract, geen gedachte verradend, als altijd.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb-je dat Maris-je al gezien, dat ik pas heb gekocht,&rdquo;
+begon Sam weer. &bdquo;Daar, in &rsquo;t midden!....<span class="pagenum"><a name="Page_241" id="Page_241">[241]</a></span>
+Nee.... je kunt er eigenlijk bij avond niets van
+zien.... je moet maar &rsquo;s komen kijken overdag....
+&rsquo;t Is verrukkelijk mooi!.... Dat &rsquo;s nou mijn lust en
+mijn leven!....&rdquo;</p>
+
+<p>Nu keek Bernard hem even verwonderd aandachtig
+aan. Zoo&rsquo;n enthousiaste uitdrukking had hij nog nooit
+van hem gehoord.... En hij zag de dof-glanzende
+staring van zijn oogen, even, naar dat schilderijtje....
+Er was passie in dien blik.... En nu werd &rsquo;t Bernard
+helder.... Dat was &rsquo;t weer, altijd &rsquo;t zelfde!....
+alleen verschil van hartstocht verdeelde de menschen.</p>
+
+<p>Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam,
+hij voelde de kiemen er van ook in zijn eigen ziel....
+Als hij dat &rsquo;s ging ontwikkelen, zou &rsquo;t hem dan
+misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien
+&rsquo;t middel zijn om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig
+te bevestigen voor altijd, zoo dat &rsquo;t eindelijk
+werd een sterke burg van onverstoorbare stemming,
+waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk
+in terug komen kunt, als je er &rsquo;s uit bent gegaan,
+om mee te doen met de pretmakerij of &rsquo;t lijden
+van anderen.</p>
+
+<p>Hij gaf toe aan dat plan, &rsquo;t rustig uitwerkend in
+zijn hoofd. Hij zag zich al mooie dingen koopen
+voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw kantoor
+inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch
+maken, zoodat niets meer stoorde....</p>
+
+<p>Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens
+voor zijn ziele-blik zijn zitten op die vensterbank
+over zijn moeder en hij hoorde haar blanke stem
+vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel
+rijk en machtig, die van niemand anders hield dan
+van zich zelf....</p>
+
+<p>En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel
+van wijd gemis....</p>
+
+<p>Maar Sam blies kringetjes en zei: &bdquo;Kom, drink
+toch &rsquo;s uit en beweer &rsquo;s wat.... Hoe gaat &rsquo;t in de
+zaken?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_242" id="Page_242">[242]</a></span></p>
+
+<p>Bernard zette zich recht. &bdquo;Sam,&rdquo; zei hij, &bdquo;al wat
+je daar net gezegd hebt is toch eigenlijk vervloekt
+egoïstisch!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;God, kerel!&rdquo; zei Sam, glimlachend, &bdquo;denk je daar
+nog over?.... &rsquo;t Is de moeite niet waard, hoor!....
+Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet dat voor
+zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik,
+niemand met m&rsquo;n egoïsme!....&rdquo;</p>
+
+<p>Er trilde even een toon van bitterheid in zijn
+stem. Zachter, bijna onverstaanbaar, bromde hij nog:
+&bdquo;Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd hebben....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar ik vroeg,&rdquo; zei hij dadelijk hard-op, &bdquo;hoe
+&rsquo;t in je zaken gaat.&rdquo;</p>
+
+<p>En ze praatten daarover en over andere dingen
+tot Bernard naar huis ging. Hij was ontstemd, onrustig,
+onvoldaan.</p>
+
+<p>En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer
+week en plan-loos van weemoed. Op den rand van
+zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken en merkte
+een vage behoefte om zich op te offeren, voor &rsquo;t
+geluk van een ander, of voor een idee.</p>
+
+
+
+
+<h2>XV.</h2>
+
+
+<p>&rsquo;t Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen,
+wijd lichten zomerdag, met wat wind, zacht
+ruischend en ritselend in de boomen en &rsquo;t riet. &rsquo;t
+Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een
+schaars beschaduwden straatweg, in de buurt van
+Bussum, een vroolijken weg met villatjes hier en
+daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte
+bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend
+door, klein-oogend in de zon, en liet zich
+lekker omgolven door &rsquo;t tintelende licht, en de ongedurige
+koelte die van de Zuiderzee was gekomen,<span class="pagenum"><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span>
+dartelend &rsquo;t zonnige Gooiland over.... Nu en dan
+kwam hij donkere menschengroepjes tegen, mompelend
+in &rsquo;t vadsige aanstappen, de kerkboeken in de
+handen, maar hij lette niet op hen....</p>
+
+<p>Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen,
+hem tegemoet, een oude dame in &rsquo;t zwart, gebogen
+gaand, en een jongere, een meisjesfiguur, recht-op,
+in teere slankheid.</p>
+
+<p>Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk
+vaagde een half-herkennen door zijn soezend hoofd.
+Hij keek beter; zij keek hem ook aan en bloosde
+sterk. Toen zag hij dat &rsquo;t Lucie Tadingh was. Hij
+groette met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed,
+houterig buigend met zijn hoofd, dat van droomen
+vol en zwaar was. En met blijen glimlach en helle
+glinstering in de oogen groette ze terug; de oude
+dame nijgde strak en langzaam. Dadelijk toen ze
+voorbij waren, keek Bernard om en zag dat ze liepen
+te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig
+van ja.</p>
+
+<p>Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep
+te denken.... Wat was &rsquo;t nu ook weer?.... &rsquo;t Was
+iets aangenaams, iets rustigends, maar wat?....
+Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep
+hij eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo&rsquo;n
+kleur? En ze groette bepaald met zekere blijdschap,
+met glinsterende oogen!.... Of lachte ze misschien
+om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover?
+Had hij misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek
+zich, lijf, armen en beenen.... Neen, hij zag
+er doodgewoon uit.</p>
+
+<p>Een vreemdsoortige ontmoeting....</p>
+
+<p>Hoe was &rsquo;t toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij
+ging zich dat te binnen brengen. O ja, hij had naast
+haar gezeten aan &rsquo;t souper.... o ja.... en toen had
+hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was
+voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen....
+Toen had mevrouw van den Bosch hem nog over<span class="pagenum"><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span>
+haar gesproken.... Dat ze zoo&rsquo;n lief, zacht meisje
+was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker
+die zwarte dame.... haar moeder....</p>
+
+<p>Na dien avond had hij haar niet meer gezien....
+Wel vreemd, dat hij haar nooit meer &rsquo;s tegen gekomen
+was in de stad!.... Ze moest wel erg afgezonderd
+leven, zooals ze trouwens toen ook verteld
+had....</p>
+
+<p>Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....</p>
+
+<p>En neen, &rsquo;t was geen gewone kleur van verlegenheid,
+er was een glanzende verheuging geweest in
+haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was dat
+hij haar herkende.... Ja, zoo was &rsquo;t, dat drukte &rsquo;t
+best uit de herinnering, die hij er van gehouden had.
+&rsquo;t Was vreemd. Een meisje dat hij nauwelijks
+kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig,
+op een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....</p>
+
+<p>Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een
+paar weken later.</p>
+
+<p>Hij vond &rsquo;t al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig
+niets van.</p>
+
+<p>&rsquo;t Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij
+lachte bijna hard op.) Dat zou te gek zijn.... Op
+hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem
+om op te verlieven!.... Wat had hij in &rsquo;s hemelsnaam
+dat een vrouw kon bekoren?.... Hij had een
+doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij was
+niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends,
+hij had niets interessants in uiterlijk of manieren,
+hij was erg gewoon....</p>
+
+<p>Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld
+dat hij nogal een knappe jongen was en dat
+in dien tijd &mdash; wat was dat lang geleden &mdash; bijvoorbeeld
+Saartje een beetje op hem verliefd was.... en
+later Betsy. Saartje, dat was zijn meisje geweest
+toen hij nog op &rsquo;t gymnasium was. Hij had met haar
+geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En
+later Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens<span class="pagenum"><a name="Page_245" id="Page_245">[245]</a></span>
+zeker geweten. Had ze van hem gehouden of was
+ze alleen maar gevleid geweest door zijn vereering?....
+En toen dat dartele kind in Londen! .. en &rsquo;t nichtje
+dat logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou
+ja, lustige jonge meisjes!....</p>
+
+<p>Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij
+kon daar nu alleen aan denken met een stil-weemoedigen
+glimlach. Toen was hij ook nog veel vroolijker
+in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen
+had hij misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes,
+iets curieus-losserigs, onbevangens, een dichter
+in den dop....</p>
+
+<p>Maar nu?.... Hij begreep &rsquo;t niet.</p>
+
+<p>Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij
+vroeg aan zijn tante: &bdquo;Kent u hier een weduwe
+Tadingh?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Tadingh,&rdquo; herhaalde ze, verwonderd, &bdquo;Tadingh?....
+Nee.... &rsquo;k Heb den naam wel &rsquo;s hooren noemen,
+maar of dat hier was.... Nee....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawèl,&rdquo; zei oom, &bdquo;dat zal wel zijn van den makelaar
+in effecten, die een paar jaar geleden gestorven
+is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en een dochtertje,
+als ik me niet bedrieg.... jawèl C.&nbsp;J. Tadingh
+Jr., op de Prinsengracht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe dat zoo, Bert,&rdquo; vroeg tante.</p>
+
+<p>&bdquo;Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij
+toen, van Emma van den Bosch, u weet wel, daar
+heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben
+ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms
+dat u haar kende....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond
+&rsquo;t blijkbaar gewichtig en een beetje onaangenaam,
+dat er iemand in Bussum woonde die Bernard interesseerde,
+en die zij niet kende. &bdquo;Nee!.... wonen
+die hier?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet &rsquo;t heusch niet,&rdquo; zei hij, &bdquo;&rsquo;t is best mogelijk
+dat ze maar voor een enkelen dag zijn gekomen.&rdquo;</p>
+
+<p>&rsquo;s Middags wandelde hij met oom. Maar hij was<span class="pagenum"><a name="Page_246" id="Page_246">[246]</a></span>
+lang niet zoo rustig als anders. Die glanzige blos
+van blijdschap was aldoor in zijn gedachte, wat vermoeiend,
+als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen
+ging hij voor den grooten spiegel in de voorkamer
+staan, bekeek zich, oplettend. Maar hij draaide
+zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel.
+Hij had &rsquo;t land aan zijn uiterlijk. &rsquo;t Was te vol en
+te blozend, het had iets onnoozel-dikkigs vond hij
+altijd.... Hij voelde &rsquo;t heelemaal niet in harmonie
+met zijn innerlijk....</p>
+
+<p>En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?...
+Nee.... nee.... onmogelijk....</p>
+
+<p>Maar hij was aldoor onrustig. Na &rsquo;t eten liep hij
+al weer uit, tot teleurstelling van oom en tante. &bdquo;Ik
+kom gauw terug,&rdquo; zei hij, &bdquo;nog even een luchtje
+scheppen!&rdquo;</p>
+
+<p>Oom gromde wat van ochtend, middag en avond
+wandelen en tante keek ontevreden, maar hij stoorde
+zich er niet aan.</p>
+
+<p>Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat
+hij naar dat meisje wou gaan zoeken, en hij moest
+er inwendig om lachen, want &rsquo;t was natuurlijk een
+zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten
+door, van terzij glurend in de tuintjes en waranda&rsquo;s.
+Vruchteloos natuurlijk. &rsquo;t Ging hem ook gauw vervelen.
+Onwillekeurig ging hij aan andere dingen
+loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze
+zitten nu zeker al lang rustig in Amsterdam, zei hij,
+toen hij dat merkte, in zich zelf. En droomerig liep
+hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje
+triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen
+hij in eens een heldere meisjesstem hoorde, vlak achter
+de hooge haag van &rsquo;t tuintje waar hij langs
+liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie
+deed denken. Was ze &rsquo;t? Hij luisterde even. Blijkbaar
+was &rsquo;t een meisje, dat met een hond speelde.</p>
+
+<p>Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg
+opgaande; ze was &rsquo;t; ze zag hem ook en bloosde<span class="pagenum"><a name="Page_247" id="Page_247">[247]</a></span>
+weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij voelde
+dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.</p>
+
+<p>Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg
+op, nu niet meer lettend op &rsquo;t hondje, dat keffende
+om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan,
+een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens
+deed: &bdquo;Dag, juffrouw Tadingh, hoe gaat &rsquo;t u?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dag, meneer Bandt,&rdquo; zei ze, vrindelijk, stilstaand
+en ze gaf hem een hand, een zenuwachtig-vluchtig
+handdrukje.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Jawèl,&rdquo; zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld,
+&bdquo;u groette toch?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had
+u, geloof ik, al even aangekeken voor ik groette....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vond &rsquo;t juist bizonder merkwaardig, dat u me
+nog kende,&rdquo; zei ze, &bdquo;we hebben toen maar zoo vluchtig
+kennis gemaakt, en &rsquo;t is al zoo&rsquo;n tijd geleden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja....&rdquo; zei Bernard, aarzelend, &bdquo;ja.... dat &rsquo;s wel
+waar.&rdquo; En er was een oogenblik van stilte, terwijl
+ze over elkaar bleven staan. Hij was op &rsquo;t punt
+geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje,
+maar hij had haar aangekeken in de klare,
+blij-eerlijke oogen. En hij had zich in-eens herinnerd
+hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende
+emotie.... En met een korte huivering,
+van schrikkende herkenning, had hij weer boven zich
+gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend
+lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....</p>
+
+<p>&bdquo;Gaat u dien kant op,&rdquo; vroeg hij, om wat te zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Och,&rdquo; zei ze, &bdquo;&rsquo;t komt er niet op aan. Ik liep nog
+maar even den weg op met Hek,.... hier Hek!....&rdquo;</p>
+
+<p>En ze praatten, over die partij, en over haar leven
+na dien tijd. Hij zei, &rsquo;t had hem verwonderd, dat
+hij haar nooit &rsquo;s was tegengekomen. Zij zei &mdash; even
+blozend &mdash; op haar gewone, open-eenvoudige manier
+dat ze hem wel had gezien, tweemaal, eens met
+vrinden op de Leidschegracht en eens op de tram.<span class="pagenum"><a name="Page_248" id="Page_248">[248]</a></span>
+Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in
+comedies of zoo. &rsquo;s Winters mocht haar moeder zoo
+zelden uit en &rsquo;s avonds heelemaal niet. En ze bleef
+haar natuurlijk altijd gezelschap houden. Nu waren ze
+met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was
+heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter
+en zomer, dat villatje, waar ze daar juist uit gekomen
+was.</p>
+
+<p>Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg
+zwak en zenuwachtig. Ze was nooit sterk geweest,
+maar na vaders dood leek &rsquo;t veel erger geworden.
+Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood
+van uw vader, niet waar?&rdquo; vroeg Bernard met stillen
+eerbied.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei ze dof, &bdquo;twee-en-een-half jaar is &rsquo;t nu.&rdquo;
+En even liepen ze zwijgend verder, met gebogen
+hoofden. &bdquo;Kom!&rdquo; zei ze toen in-eens, &bdquo;ik moet naar
+huis.&rdquo; En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen,
+de hand al uitstekend. &bdquo;Mag ik u nog even
+terugbrengen,&rdquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&bdquo;O!.... zeker!&rdquo; zei ze weer licht blozend en een
+beetje verlegen lachend, maar onmiskenbaar blij.</p>
+
+<p>En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard,
+voelde een groote, eenvoudige vriendschap, een broederlijke
+liefde voor &rsquo;t ranke meisjesfiguurtje, dat zoo
+stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een bijna-meelijdend
+zich beschermer voelen in zijn sympathie
+en toch ook bewondering en groote eerbied. Hij
+voelde hoe oneindig goed zij zijn moest, die zoo open
+en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond &rsquo;t offeren
+van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op
+van haar weg te gaan, hij wou haar zoo graag helpen,
+steunen, wat vreugde bezorgen. Toch scheen ze daar
+volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van
+hem te houden en toch hem te versmaden. Ze was
+dood-eenvoudig en toch vreemd, bizonder....<span class="pagenum"><a name="Page_249" id="Page_249">[249]</a></span></p>
+
+<p>Er was geen zweem van gewone verliefdheid in
+hem. Hij had geen oogenblik begeerte haar tegen
+zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar
+zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan
+uit te laten huilen aan zijn schouder. Dat kwam
+even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij er aan
+kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben.
+Want ze was volstrekt niet verdrietig; integendeel,
+ze liep opgewekt te praten. Ze wist blijkbaar nog
+precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen
+leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante
+en of hij daar dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme
+over &rsquo;t Gooi,.... ze hield dol van wandelen,....
+&rsquo;t was jammer dat haar moeder altijd zoo
+gauw moe was....</p>
+
+<p>Bij &rsquo;t hek van haar tuintje bleef ze weer staan en
+ze zeiden elkaar goeden dag. &bdquo;Tot weerziens, juffrouw
+Tadingh,&rdquo; zei hij op vroolijk-hartelijken toon,
+&bdquo;&rsquo;k ben blij dat ik u weer &rsquo;s ontmoet heb.&rdquo; En toen
+lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en
+keek hem weer aan met dien blik van kinderlijke
+blijheid. Ze ging &rsquo;t krakende schelpenpad naar de
+waranda van &rsquo;t huisje op, terwijl hij langzaam, omkijkend,
+terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg.
+Mooi was &rsquo;t, haar slank figuurtje zoo te zien gaan
+langs de hooge heesters. Vlak bij &rsquo;t huis keek ze
+schuw-schielijk even om. Hij zag &rsquo;t.</p>
+
+<p>En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend
+dat zijn tante zeker al lang wachtte met de thee. Hij
+voelde zich bedaard-gelukkig, met een gulle goedigheid
+jegens de menschen, in een stemming van veel
+vroeger, in lang niet gehad. Hij was blij met zijn
+ontdekking, met de vondst van dat lieve meisje, een
+zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu geen
+twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe &rsquo;t kwam,
+wat haar in hem zoo beviel, begreep hij niet, maar
+&rsquo;t was duidelijk, dat ze hem heel graag zag, dat
+ze &rsquo;n beetje verliefd op hem was.... Wat een aangenaam-verwonderend,<span class="pagenum"><a name="Page_250" id="Page_250">[250]</a></span>
+vreemd zacht-streelend idee
+was dat!....</p>
+
+<p>Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet
+sterker kunnen worden en gevaarlijk, als ze elkaar
+meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou ze zich
+dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer
+zag dan een vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou
+immers aan hem merken, ze had zeker al wel gemerkt,
+dat hij heelemaal niet verliefd op haar was,
+en hij kon daar nog meer op letten, zich geheel-en-al
+en altijd voordoen als een goede vrind, een
+broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend
+al wat zweemt naar manieren van een minnaar....
+Gesteld al, dat ze werkelijk eenigszins ernstig
+verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo&rsquo;n houding
+van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel
+gauw genoeg vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk.
+&rsquo;t Zou nu veel te jammer zijn haar niet meer
+te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar vrindlijke,
+zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring,
+een lieflijkheid van poëzie aan den naam
+Bussum. Hij zou haar bepaald weer opzoeken den
+volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken,
+en haar een beetje helpen in &rsquo;t opbeuren
+en steunen van die arme zwakke.... Zoo&rsquo;n meisje
+als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster,
+dat was immers waar hij altijd naar verlangd had,
+soms in-eens heel sterk terwijl hij in een koffiehuis
+zat, tusschen lachende, fideele kennissen. En nu
+vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil,
+gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin,
+wier oogen waren als bleeke zonnen van stil-weemoedige
+tevredenheid.</p>
+
+<p>O! &rsquo;t Was niet zij, de onbekende, de vrouw van
+zijn droomen, van zijn overmoed, maar die verlangens
+waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem van echte
+vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand
+op zijn gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....<span class="pagenum"><a name="Page_251" id="Page_251">[251]</a></span></p>
+
+<p>Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van
+zijn ontmoeting, maar zei dat &rsquo;t lekker weer was,
+dat &rsquo;t hem altijd goed deed zoo&rsquo;n avondwandeling.</p>
+
+<p>En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de
+gewone gezegden en uitroepjes, hun ombertje. Want
+dat ging winter en zomer door. &rsquo;t Vulde de avonden
+zoo.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>In de week die op dien Zondag volgde, dacht
+Bernard veel aan Lucie. Evenals vroeger vervaagden
+allengs de vormen en tinten van haar gestalte, maar
+bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid,
+reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle
+blijdschap, wat hij voelde de essence van haar wezen
+te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in &rsquo;t stads-namiddaglicht,
+als hij liep te dwalen door &rsquo;t somber
+mooi van de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden,
+of als hij, in &rsquo;t onbewogen licht van zijn
+lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek
+zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik
+van teer-innige genegenheid. Dikwijls gaf hij zich
+over aan dat zoet, bevredigend bewustzijn, dat een lief
+meisje van hem hield, en glimlachte diep, starend
+voor zich uit. Hij twijfelde ook wel &rsquo;s even of &rsquo;t
+toch niet verliefdheid was, of &rsquo;t niet passie zou kunnen
+worden wat hij voelde voor haar, maar dan
+stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte die van
+Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen
+uit zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd
+zijn inwendige glimlach weemoediger en voelde hij
+iets van medelijden voor haar.... Ook herinnerde
+hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was,
+altijd onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling
+opkomende drift, met gejaagdheid, dan in-eens dol
+uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen. Maar
+nu was &rsquo;t of zijn welbewaakte rust van de vorige
+weken nog grooter, wijder was geworden, bevestigd
+en geheiligd door &rsquo;t licht van haar oogen. Zij was<span class="pagenum"><a name="Page_252" id="Page_252">[252]</a></span>
+nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want
+dood was zijn hoog begeeren.</p>
+
+<p>Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met
+triestig, buiïg weer, een donkeren morgen. Hij ging
+natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur. &rsquo;t Had
+den heelen nacht en morgen geregend, de wegen
+buiten lagen te glimmen in &rsquo;t bleek-schaduwende
+wittige licht dat in den middag door de dampen brak.</p>
+
+<p>Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich
+met een leelijk gezicht de rhumatiekige armen en
+beenen te wrijven.</p>
+
+<p>Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij &mdash; alsof
+dat heel natuurlijk was &mdash; regelrecht naar
+&rsquo;t zwarte weggetje waar Lucie woonde. Hij had zich
+zoo vereenzelvigd met &rsquo;t idee haar weer te zullen
+zien dien Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij
+&rsquo;t villatje stond, begon te begrijpen hoe vreemd &rsquo;t
+eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en zoo
+maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in
+zich zelf. Waarom vreemd? Hij mocht haar toch wel
+een visite maken? En dan, in de stad was &rsquo;t nog
+wat anders, maar buiten kon dat best, want &rsquo;t samenzijn
+ergens buiten verbroedert de menschen altijd
+en maakt ze losser, natuurlijker.... Haar moeder
+zou er wel niet zoo van opkijken.</p>
+
+<p>Dus liep hij &mdash; licht schrikkend van &rsquo;t kraken
+van zijn stappen &mdash; &rsquo;t schelpenlaantje op. Onder de
+kleine, dicht begroeide waranda zat haar moeder, stil
+oud-vrouwtje, &rsquo;t bleek-gelig hoofd gebogen, breiend.
+Zelf was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar
+had hij niet op gerekend. Maar hij kon niet terug.
+Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen
+bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke,
+zoekende oogen.</p>
+
+<p>Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en
+groette, en zei op vroolijken toon: &bdquo;Goeie morgen,
+mevrouw!.... Mag ik me even voorstellen!....
+Bandt is mijn naam.... &rsquo;k Heb &rsquo;t genoegen gehad<span class="pagenum"><a name="Page_253" id="Page_253">[253]</a></span>
+kennis te maken met uw dochter en.... en nu kom
+ik haar &rsquo;s opzoeken.... en ook &rsquo;s kennis maken met
+u!....&rdquo;</p>
+
+<p>Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en
+licht blozend, zonder glimlach, stond de oude dame
+op, en stamelde met een zwakke stem: &bdquo;O juist!....
+ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week
+tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even....&rdquo;
+En ze liep naar binnen, gebogen, de rokken samengrijpend,
+zenuwachtig, in haar magere, bleeke hand,
+roepende met een piepend-hooge stem: &bdquo;Lucie!....
+Lucie!....&rdquo;</p>
+
+<p>Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer.
+&bdquo;Maar, mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer
+u toch niet!.... Ze zal immers wel komen....
+Blijft u rustig zitten....,&rdquo; zei hij luid en dringend.
+Hij begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal
+binnenloopen. &rsquo;t Was weer echt iets voor hem! Zoo
+ondoordacht, zoo jongensachtig!....</p>
+
+<p>&rsquo;t Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was
+de tuinkamer al doorgeloopen en een andere kamer
+in; hij hoorde, zonder te verstaan, haar praten in
+die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar
+stappen terug. Hij zag zich alleen staan in &rsquo;t intieme
+warandatje. &rsquo;t Breiwerk lag neergegooid op &rsquo;t houten
+tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten leuningstoel
+een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten
+was &rsquo;t eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop
+en kers, waar nog nu en dan, stil tikkend, een regendrup
+aflekte.... Zonder goed te weten wat hij deed
+ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend
+met ingehouden adem naar &rsquo;t fluister-gepraat
+binnen, maar hij verstond niets. Toen mevrouw Tadingh
+terugkwam stond hij weer op: &bdquo;Mevrouw,&rdquo;
+begon hij, &bdquo;u is wel vriendelijk, maar....&rdquo; Ze glimlachte
+nu bedaard. &bdquo;Ze zal wel dadelijk komen,&rdquo;
+zei ze, en ging weer zitten en nam &rsquo;t breiwerk
+weer op, den bril naar voren halend. &bdquo;&rsquo;t Is heel<span class="pagenum"><a name="Page_254" id="Page_254">[254]</a></span>
+aardig van u, dat u ons &rsquo;s op komt zoeken, meneer
+Bandt....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt
+en &rsquo;t niet brutaal van me vindt,&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik heb
+uw dochter verleden week even gesproken, hier op
+den weg.... Ze zei me dat u hier woonde....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ja!&rdquo; knikte ze vriendelijk, &bdquo;dat heeft ze me
+verteld.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u &rsquo;s
+een visite te komen maken.... Ik kom tegenwoordig
+geregeld &rsquo;s Zondags in Bussum.... En ik heb niet
+veel kennissen....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wij ook niet,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook
+pas, niet waar?&rdquo;</p>
+
+<p>Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij
+keek de oude dame recht in de oogen en &rsquo;t viel
+hem op, &rsquo;t deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo in-goedig
+keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht
+dat hij herkende, &rsquo;t was of hij haar al meer
+had gezien. Misschien kwam &rsquo;t doordat Lucie op
+haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had
+heel andere oogen, maar wel die zelfde regelmatige
+trekken om neus en mond, en &rsquo;t hooge, blanke voorhoofd....</p>
+
+<p>Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde
+dat hij &rsquo;s Zondags altijd kwam bij zijn oom en
+tante, die in Bussum woonden tegenwoordig, want
+dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens,
+glimlachend, alsof ze dat allemaal al lang wist, door
+Lucie....</p>
+
+<p>Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend
+in de tuinkamer, en in-eens stond ze vlak voor hem
+en gaf hem een hand. &bdquo;Dag meneer Bandt,&rdquo; zei
+ze, &bdquo;hoe gaat het?....&rdquo; Hij stond vlug op. Glimlachend
+drukten ze elkaar de hand.</p>
+
+<p>Er was nu niets van verwondering of verlegenheid
+in haar blik, maar een rustige, heldere blijdschap.<span class="pagenum"><a name="Page_255" id="Page_255">[255]</a></span>
+Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt; een vroolijk-wit
+lintje was strak om &rsquo;t halsboordje gehaald
+en het zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes
+naar de vaste wrong op &rsquo;t achterhoofd. Ze zag
+er frisch uit, &rsquo;t was of ze wat voller was geworden,
+of haar lippen en wangen van frisscher rood dan
+vroeger waren. Ze wisselde even een goedigen blik
+met haar moeder en ging toen op een houten stoel
+zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor
+aan....</p>
+
+<p>&bdquo;Die Bussumsche lucht doet u goed,&rdquo; zei Bernard,
+&bdquo;u ziet er uitstekend uit....&rdquo; Toen keek ze weer
+even naar haar moeder, met verhoogde blijdschap,
+en over &rsquo;t oude gezicht met den stalen bril gleed
+een teere glans van innige, weemoedsvolle vreugde.
+&bdquo;Ja, ja,&rdquo; zei Lucie, &bdquo;we knappen hier op, niet waar,
+moesje?&rdquo; Die knikte weer. &bdquo;Ja, ja, zeker!....
+zeker!....&rdquo; Maar daarna zuchtte ze. &bdquo;&rsquo;t Doet mama
+ook zoo goed, die lekkere lucht hier,&rdquo; voegde ze er
+bij, zich weer naar Bernard keerend. &bdquo;&rsquo;t Is hier
+veel beter dan op de Prinsengracht.&rdquo;</p>
+
+<p>En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk,
+over Amsterdam en allerlei andere dingen, Lucie
+en Bernard. En hij voelde, dat &rsquo;t er eigenlijk heel
+weinig op aan kwam wat ze zeiden; &rsquo;t samen-zijn,
+&rsquo;t elkaar zien en hooren, dat was &rsquo;t enkel. De moeder
+ging, met stillen ijver, door aan haar breiwerk, nu
+en dan zacht wat zeggend, fluisterend bijna, beamend
+iets wat Lucie zei of Bernard.</p>
+
+<p>Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was.
+Ze keek hem aldoor aan, als kon ze zich daaraan
+niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en recht,
+met groote, innige warmte keek ze hem aan. En
+hij voelde zich groeien en gedijen in haar blik. Hij
+merkte dat zijn stem meer klank kreeg, dat zijn
+armen, die anders meestal slap neerhingen of stijf-stil-lagen,
+levendige gebaren maakten, hij voelde met
+lichte huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk<span class="pagenum"><a name="Page_256" id="Page_256">[256]</a></span>
+was en trotsch zich-zelf. En hij zag, met halven
+blik, opzij, dat haar moeder nu en dan met een
+stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid
+steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar
+hem en dan weer op haar werk.</p>
+
+<p>Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde,
+lief-bezorgde teederheid, stille trouw. Meer en meer
+kwam dat nieuwe gevoel over hem en vulde zijn
+gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,....
+ontroerde.... En plotseling werd &rsquo;t hem te
+machtig, kon hij &rsquo;t niet meer verdragen, dat gevoel,
+wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn.... Midden
+in &rsquo;t gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu
+gaan moest, dat hij zijn oom had beloofd nog wat
+met hem te zullen biljarten, en hij nam schielijk
+afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer
+zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling,
+naar hem opzag, verward wat zeggende van wèl de
+complimenten, en zoo.... En Lucie, blozend nu voor
+&rsquo;t eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem
+tot aan &rsquo;t hek van het tuintje. Daar keek ze op en
+zag hij in haar oogen de spijt dat hij al wegging. En
+een innige warmte van medelijdende teederheid sloeg
+van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde
+staan, en zijn oogen werden vochtig. &bdquo;Ik kom gauw
+terug,&rdquo; zei hij met een doffe, licht trillende stem,
+&bdquo;adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie zeggen, nietwaar?....&rdquo;
+&bdquo;Graag!&rdquo; zei ze, in-eens weer vroolijk,
+en haar dof glanzende blik zweefde over hem heen,
+verward van aandoening, &bdquo;doe je &rsquo;t heusch?.... &rsquo;t Zal
+mama ook zoo&rsquo;n plezier doen!.... Dag Bernard!&rdquo;</p>
+
+<p>Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken
+zooals zij het deed; wat een mooi woord maakte
+zij er van....</p>
+
+<p>Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug
+terugloopen naar de waranda, zonder omkijken. En
+zelf ook doorloopend nu, &rsquo;t zwarte weggetje af, had
+hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want<span class="pagenum"><a name="Page_257" id="Page_257">[257]</a></span>
+&rsquo;t was heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij
+dat nu weer gedaan? &rsquo;t Was daar zoo goed geweest,
+o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was &rsquo;t eenige
+waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten;
+hij kon nog niet verder denken; hij voelde zich
+boordevol verwarde, onherkenbare gedachten, als had
+een kind, spelend, in zijn brein gewoeld, dooreengegooid
+al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens.
+Toen hij op den weg kwam waaraan de villa van zijn
+oom lag, dacht hij in-eens met een weerzin aan &rsquo;t terugkomen
+daar, en hij ging den anderen kant op en
+liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten,
+week modderigen weg, in stil gesoes....</p>
+
+<p>En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te
+bezinken en begonnen ze zich weer samen te voegen
+tot &rsquo;t gewone, lang gekende complex.</p>
+
+<p>En toen merkte hij &rsquo;t in-eens; er was wèl gevaar.
+Zooals ze hem aldoor had aangekeken, zooals ze
+zijn naam had gezegd, &mdash; was &rsquo;t zijn naam wel geweest,
+dat woord met dien heel nieuwen klank? &mdash; neen,
+dat had niets van zusterlijke vriendschap, dat
+was innige, diep-brandende teederheid, vol zoet verlangen,....
+liefde.... En hij? O! hij hield van haar,
+hij hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer
+hoe oneindig goed en nobel, hoe hoog-beminnenswaard
+ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer van
+haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat
+deed zoo goed, dat was een ware weldaad aan hem,
+den eenzame, dat had een warm-opslaande, trouwe
+dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. &rsquo;t Was meer dan
+gewone vriendschap nu tusschen hen, &rsquo;t was zuivere,
+lichtende sympathie, &rsquo;t was een verliefdheid van zielen....
+Maar, &mdash; of hij de gedachte al ontweek, &rsquo;t gaf
+niet, hij wist &rsquo;t toch, &rsquo;t was als &rsquo;t hoonend gegrijns van
+een duivel achter de rozenhaag van zijn geluk &mdash; hij
+kon haar aanzien zonder begeerte, hij verlangde niet
+haar te bezitten, haar ziel en lichaam van zich te
+weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend<span class="pagenum"><a name="Page_258" id="Page_258">[258]</a></span>
+zag hij haar wonderlijk precies nu, en hij
+vond dat ze lang niet leelijk was, maar die helle
+trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien
+was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan &rsquo;t nobel
+welven van haar mooien mond, kreeg hij een weldadig
+gevoel van zoete rust, niet de begeerte in heete
+kussen wellust te drinken van &rsquo;t meegevende lippen-vleesch.</p>
+
+<p>Er was wel gevaar. Er was een stem in hem,
+een stem als van een oud man, die koel, vast-emotie-loos
+zei: &bdquo;Dit wordt uw vrouw.&rdquo; Zou &rsquo;t zoo zijn?
+Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?</p>
+
+<p>En hij had weer oogenblikken van verwarrende
+opwinding waarin hij niet denken kon, onmogelijk....
+Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en begon
+opnieuw.</p>
+
+<p>Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat
+stond vast? Zij was verliefd op hem. En zij scheen
+niet te merken dat hij niet verliefd was op haar.
+Als ze &rsquo;t gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben
+in haar oogen. Neen, ze had &rsquo;t zeker niet gemerkt.
+Ze was heel blij geweest, dat hij weer kwam, &rsquo;t
+had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel!
+Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er
+zóó van bevangen en ontroerd, dat ze leefde als
+in een droom, half verblind en verdoofd. Maar hoe
+kwam &rsquo;t dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren
+worden in haar, wier zieleleven van zoo&rsquo;n stil-pralende
+pracht, van zoo&rsquo;n weemoedige distinctie
+scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem, bescheiden
+geurend, onwetend van haar wonderen bouw....
+Hij begreep &rsquo;t niet, maar &rsquo;t was zoo en &rsquo;t streelde
+hem als zacht fluweel, &rsquo;t doorklankte hem als aangehouden
+vioolgeluiden, &rsquo;t doorgloeide hem als zuivere
+zonnestralen, &rsquo;t bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken
+in zoo&rsquo;n vrouwenziel, en &rsquo;t hief hem op, &rsquo;t droeg
+hem door de lichte lucht, hoog, hoog, zoodat hij zich
+niet meer verbeelden kon ooit vermoeid te zullen zijn,<span class="pagenum"><a name="Page_259" id="Page_259">[259]</a></span>
+zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend
+bewegen scheen en &rsquo;t leven een dag, zoo groot werd
+zijn kracht door dat bewustzijn.</p>
+
+<p>Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig,
+met zijn linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken
+grond, woedend dat hij nu niet verliefd was op dat
+meisje!.... Zóóveel maal had dat zoet-betooverende
+gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig begeeren,
+soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte,
+vreemde geur, maar dan juist vol genot.... En nu,
+nu hij &rsquo;t noodig had, nu dat het eenige scheen wat
+ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet,
+nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg
+uit hem,.... dood, verstikt, verdroogd?.... hij wist
+&rsquo;t niet, maar &rsquo;t was niet om uit te staan! &rsquo;t Was om
+dol te worden, om te gaan razen!....</p>
+
+<p>Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich
+dan triestig en moedeloos te voelen. Wat moest
+hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel
+van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij
+vond &rsquo;t zoo heerlijk, zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks
+bij haar te zijn, dat hij er haast niet aan denken
+kon haar voortaan te ontwijken. Och, &rsquo;t zou gemakkelijk
+genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij
+die vleug van poëzie ook weer moest verbannen
+uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet meer
+zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude
+lees-Zondagen weer te beginnen.... Maar neen, hij
+voelde dat &rsquo;t niet gaan zou. Dat hij al niet meer
+buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid
+verwend.</p>
+
+<p>Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien?
+Maar dan zou ze toch eindelijk wel gaan merken
+dat hij niet verliefd was, dat hij bleef op den
+afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling
+zou groot voor haar zijn, te groot misschien.... Ook
+zou ze dan &rsquo;t recht hebben hem te verwijten.... Neen,
+dat niet! verwijten zou ze &rsquo;t hem niet, hij voelde<span class="pagenum"><a name="Page_260" id="Page_260">[260]</a></span>
+dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de
+teleurstelling zien in haar oogen, &rsquo;t verdriet, de wanhoop
+misschien, en.... O! dat zou hij heelemaal
+niet kunnen, nooit!....</p>
+
+<p>Maar wat dan?</p>
+
+<p>Hij wist &rsquo;t niet.... hij zag geen oplossing.... geen
+uitkomst.... Een oogenblik speet &rsquo;t hem dat hij haar
+ontmoet had, maar dadelijk verdreef hij die gedachte
+ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten,
+dat hij zoo&rsquo;n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel.
+En dat zou toch voortaan zijn z&rsquo;n groote troost in
+zijn bescheiden-plichtdoend alleen-leven.... Tobberig-peinzend
+liep hij door langs den weeken weg. &rsquo;t
+Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige
+stortbui. Hij schuilde onder een boom, maar hij werd
+toch langzamerhand doornat; hij voelde &rsquo;t kille plakken
+van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn schouders
+en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf
+van klamme vochtigheid, die optrok van den natten
+weg, en zijn voeten gevoelloos van kou. Hij begon
+te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen.
+Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor
+kon hij wat klein medelijden hebben met zich
+zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot Lucie
+van zich zetten, uitstellen, zonder &rsquo;t zich te verwijten.
+Hij moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want
+wie zou zijn werk dan doen; hoe zou &rsquo;t moeten gaan
+met de zaak; oom zou weer aan &rsquo;t werk moeten, allen
+dag.... En die oude man had waarachtig genoeg geploeterd....
+en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer
+in.... Dus liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard
+naar huis, denkend aan wat hij doen zou met zijn
+natte kleeren, en wat als hij &rsquo;s ziek werd, als hij
+niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief
+op zijn lessenaar waar hij aan bezig was, en waarvan
+hij nu alles precies in zijn hoofd had, maar hoe dat
+aan een ander te vertellen, uit te leggen....</p>
+
+<p>Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor<span class="pagenum"><a name="Page_261" id="Page_261">[261]</a></span>
+&rsquo;t raam. Ze waren boos, ze bromden erg. Ze vonden
+&rsquo;t bespottelijk en heel verkeerd je zoo moedwillig
+ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen
+op buitenwegen, nog wel zonder parapluie!
+Tante was bepaald heftig, maar ze bedaarde gauw,
+want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard
+vond dat ze groot gelijk had.</p>
+
+<p>Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En &rsquo;s avonds
+in den trein kwamen al die gedachten van &rsquo;s middags
+terug en schenen hem nog ernstiger.... gewichtig....
+zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens
+een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang
+over te denken, en hij stond er den volgenden morgen
+mee op.</p>
+
+<p>Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig,
+en volstrekt niet dringend, en werd hij verkwikt door
+lichte scheuten alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi
+figuurtje, haar lieven lach, en haar oogen.... Maar
+tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er
+weer over te tobben en &rsquo;s avonds kon hij nergens
+anders aan denken, was &rsquo;t een drukkende zorg geworden....
+En hij zag maar geen uitkomst,.... geen
+plan van handelen....</p>
+
+<p>En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den
+morgen. Hij stond even voor zijn kantoorraam naar
+de grijze straat te kijken, toen &rsquo;t plotseling in hem
+stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn
+klein-ernstige tobberijen als laag, min volk. Dat
+meisje met haar liefde had God gezonden, hem tegemoet
+op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte
+kracht, zijn ongemeten schat van opofferende,
+zelfzucht-looze liefde eindelijk zou kunnen gebruiken.
+O, dat hij dat niet dadelijk had begrepen! Zich
+geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen
+de durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke
+toewijding, die als een aangehouden volle toon doorklinken
+zou zijn heele verdere bestaan, dat was de
+hooge taak hem opgelegd. &rsquo;t Was of een witte duif<span class="pagenum"><a name="Page_262" id="Page_262">[262]</a></span>
+zacht klapwiekend neergestreken op zijn schouder,
+&rsquo;t hem had ingefluisterd. In één trilling van gedachten
+had hij besloten, vast en voor goed, zijn leven
+te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal.
+Even staarde hij voor zich uit met wijde oogen,
+ontroerd door de heiligheid van dat levensmoment....
+Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar,
+met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide
+in hem met wijde stilte als in een hooge kathedraal.</p>
+
+
+
+
+<h2>XVI.</h2>
+
+
+<p>Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard
+in langen tijd zoo vroolijk niet was geweest, zoo
+rustig-vroolijk, zoo open en helder van blik. Ze waren
+een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken
+ze natuurlijk nooit. Ze hadden &rsquo;t over de nieuwe
+Beurs.</p>
+
+<p>Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met
+de uitvoering van zijn groot plan. Hij hunkerde naar
+de voldoening van &rsquo;t eerste succes. Zóó, verbeeldde
+hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een
+nieuw werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al
+proeft &mdash; als wijn in den mond &mdash; de stemmingen
+die &rsquo;t maken hem geven zal.</p>
+
+<p>Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie.
+Dat hij haar spreken moest en niet wachten kon
+tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur wou
+komen in een zeker laantje &mdash; hij duidde &rsquo;t haar
+nauwkeurig uit &mdash; een stil laantje, dat hij kende, niet
+ver van de villa van oom.</p>
+
+<p>En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken,
+gaf hij den sleutel van &bdquo;de zaak&rdquo; aan den
+boekhouder en verzocht hem voor &rsquo;t sluiten te willen
+zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk
+van de Beurs naar &rsquo;t station moest, om den trein
+van kwart voor drieën te halen.</p>
+
+<p>Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak<span class="pagenum"><a name="Page_263" id="Page_263">[263]</a></span>
+en helder als de blauwe lucht. Hij had geen oogenblik
+van aarzeling.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was nauwelijks half vier toen hij al heen en
+weer liep in &rsquo;t laantje. &rsquo;t Was een stil, vergeten
+weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den eenen
+kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan
+den anderen &rsquo;t plankerig getimmerte van een oude
+tuinheining, donkergroen, iets meer dan mans-hoog.</p>
+
+<p>Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend
+naar den grond en soms even, tusschen de boomen,
+&rsquo;t weiland over, dat frisch-wijd-uit in &rsquo;t helle
+zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd,
+maar in &rsquo;t rustige wachten &mdash; hij wist dat ze
+niet voor vier uur komen zou &mdash; ging dat over.</p>
+
+<p>&rsquo;t Was een warme namiddag. De verre koeien
+graasden, rustig, zonder ophouden, met altijd eendere
+zwaaiing van koppen en staarten, zonder geluid. Een
+paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande
+arbeider voorbij en mompelde &rsquo;n groet. Anders was
+&rsquo;t stil. Wat gonzen van insecten alleen, en nu en dan
+verwijderd blaffen of kargeratel, dof, gedempt....</p>
+
+<p>&rsquo;t Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als &rsquo;t
+was.... Hij dacht even aan de schreeuwerige beurs-drukte
+daarnet nog. En hij glimlachte stil-weemoedig,
+soezerig starend langs &rsquo;t laantje.</p>
+
+<p>Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou
+straks. Nu en dan kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes
+in hem op, die hij zou kunnen gebruiken, maar
+die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen,
+zóó zou hij &rsquo;t juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte
+zinnetjes, dat was al te wee banaal, te komedianterig.
+Niets vooruit bedenken; &rsquo;t zeggen, zooals &rsquo;t in
+hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....</p>
+
+<p>En toen hij haar in-eens &mdash; &rsquo;t was nog vóór vieren &mdash; den
+hoek omkomen zag, kwam zijn beklemming
+sterker terug, want hij voelde dat hij nu eenmaal
+niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan,
+vreemd-loom, abstract en dof....<span class="pagenum"><a name="Page_264" id="Page_264">[264]</a></span></p>
+
+<p>Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds &mdash; den
+grooten stroohoed in de hand &mdash; zoodat telkens kleine
+zonplekjes glansden op &rsquo;t strakke zwarte haar. Toen
+ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen, geluk-glanzenden
+blos hem aankijken....</p>
+
+<p>Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward
+sloeg hij de oogen neer en keek niet op voor ze vlak
+bij hem stond. &bdquo;Hier ben ik, Bernard,&rdquo; hoorde hij
+haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening.
+Toen zag hij haar aan en stak haar zwijgend
+zijn hand toe, waar ze langzaam de hare in legde. Hij
+voelde dat haar hand klam was en hij zag haar in-eens
+bleek worden, met iets van onrustige spanning in de
+oogen. Hij begreep nu dat zijn blijven staan en zijn
+verwarring haar verschrikt, beangstigd hadden. Toen
+trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend, zoekend
+naar zijn woorden: &bdquo;Heel lief van je om hier te komen,....
+ik dank je wel,.... vond-je &rsquo;t niet gek, dat
+briefje?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gek.... Nee!.... Maar wat is er?&rdquo; vroeg ze.
+En ook in haar stem hoorde hij de onrust, den angst
+dat &rsquo;t niet dàt zou zijn, maar.... iets anders....
+En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er
+even half-bewust van genoot en &rsquo;t plan in hem opkwam
+er nog geen eind aan te maken, maar bijvoorbeeld
+te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen
+of zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij &rsquo;t weer,
+dat wufte spelletje; &rsquo;t gaf hem wat nieuwen wrevel....</p>
+
+<p>Even was er stilte....</p>
+
+<p>Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk
+van een omgekapten wilg, kort-scherpe schopjes....
+Hij voelde haar schielijk-ademend naast zich staan
+en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens
+was hij zich weer meester, en terwijl hij haar nu
+aanzag met vasten blik en helder-rustigen glimlach,
+zei hij: &bdquo;Je weet best, wat er is,.... je begrijpt heel
+goed, wat ik je kom vragen!....&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_265" id="Page_265">[265]</a></span></p>
+
+<p>Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik
+verward af, staarde langs hem heen. En hij drukte
+haar hand, en zei zacht: &bdquo;Lucie,.... mijn lieve
+Lucie,.... mijn vrouw!....&rdquo;</p>
+
+<p>En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden
+blik, die snel verdofte achter tranen, en ze sprak
+zijn naam uit met een half verstikte stem. &bdquo;Wil je
+me?&rdquo; vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig.
+&bdquo;Ja,&rdquo; fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe
+en sloeg zijn linkerarm om haar heen. Toen lei ze
+&rsquo;t warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn schouder
+en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste
+haar op &rsquo;t strakke zwart dat haar hoofd overkapte
+en noemde haar zijn schat, zijn goeie engel, en hij
+drukte haar hand, die nog in de zijne lag, beschermend
+tegen zijn borst.</p>
+
+<p>Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken
+bleef, langer dan hij begreep, werd hij een beetje
+ongerust.... Had hij &rsquo;t niet goed aangelegd,.... te
+schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe te
+spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem
+nu eens aan te zien. Maar ze schudde &rsquo;t hoofd, opnieuw
+snikkend, wilder. Hij vroeg fluisterend of ze
+nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor
+zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd;
+hij begreep &rsquo;t niet, dat lange snikken.</p>
+
+<p>Maar in-eens hief ze &rsquo;t hoofd op, veegde met de
+linkerhand een paar tranen weg en keek hem aan,
+en over haar smal gezichtje, rood van &rsquo;t huilen, lag
+nu zoo&rsquo;n wijd-zachte zaligheid, zoo&rsquo;n groot en innig
+geluk, dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu
+ook in zijn oogen, terwijl hij haar weer toesprak met
+liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht, op &rsquo;t voorhoofd.
+&bdquo;Je zult &rsquo;t wel vreeselijk gek van me vinden,
+die huilbui, hè,&rdquo; zei ze met een zenuwachtig lachje,
+&bdquo;ja, ik vind &rsquo;t eigenlijk ook heel mal van mezelf....
+Ik weet niet hoe &rsquo;t kwam in-eens.... Maar &rsquo;t is ook
+alles zoo plotseling gegaan, zoo overweldigend....<span class="pagenum"><a name="Page_266" id="Page_266">[266]</a></span>
+En &rsquo;k heb zóó lang naar je verlangd....&rdquo; Langzaam,
+fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep
+trillenden klank van innigheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden,&rdquo;
+vroeg hij met hoog-blijde verbazing.</p>
+
+<p>&bdquo;O! dadelijk! dol!&rdquo; zei ze met extase. &bdquo;Ik weet
+&rsquo;t nog precies. Ik had je eerst niet gezien.... of op
+je gelet.... Toen kwam in-eens Anna van der Hoeven
+met je aan, recht naar me toe. En ik wist &rsquo;t
+dadelijk, toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb
+&rsquo;t vroeger zelf nooit willen gelooven, dat &rsquo;t mogelijk
+was, en als ik &rsquo;t las in boeken heb ik er wel &rsquo;s om
+gelachen, en toch was &rsquo;t zoo, toch is &rsquo;t zoo!.... Van
+&rsquo;t eerste oogenblik af dat je voor me stond heb ik
+van je gehouden, zóóveel, zooveel als ik niet wist
+dat ik ooit van een man houden kon!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Lieveling!&rdquo; zei hij, &bdquo;vrouwtje!.... En toen heb
+je trouw gewacht tot-ie kwam?....&rdquo; En weer kuste
+hij haar met vaderlijke teederheid, zacht-voorzichtigjes
+op &rsquo;t voorhoofd, en drukte haar hand.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.... natuurlijk....,&rdquo; fluisterde ze.</p>
+
+<p>En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. &bdquo;En
+jij,&rdquo; vroeg ze toen, zalig glimlachend, &bdquo;wanneer ben
+jij van me gaan houden?.... Want je houdt toch van
+me, hè?.... Je hebt &rsquo;t me nog niet eens gezegd!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoeft dat dan wel,&rdquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&bdquo;&rsquo;k Zou &rsquo;t je zoo graag hooren zeggen,&rdquo; zei ze,
+en ze leunde weer tegen hem aan, haar gezicht verbergend,
+en vroeg zacht: &bdquo;Zeg &rsquo;t &rsquo;s!.... Bernard!....
+Heb je me lief?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,.... ik heb je lief....,&rdquo; fluisterde hij toen, zijn
+oogen even sluitend. Weer waren ze een poosje stil.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe komt &rsquo;t toch dat je nu in eens van me bent
+gaan houden,&rdquo; vroeg ze weer, glimlachend opkijkend
+naar zijn toegewend gezicht. &bdquo;Op die partij toen
+heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt
+alleen oogen voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag
+&rsquo;t wel!.... Heb je haar later niet meer ontmoet?&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_267" id="Page_267">[267]</a></span></p>
+
+<p>&bdquo;Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van
+den Bosch....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En was je toen weer niet verliefd op haar?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, o! heelemaal niet!&rdquo;, zei hij lachend.</p>
+
+<p>&bdquo;Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt
+dat ik van je hield?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Een beetje....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ik dacht &rsquo;t wel,&rdquo; zei ze ietwat teleurgesteld,
+maar met aldoor zacht stralenden blik, &bdquo;&rsquo;t was ook
+zoo iets onverwacht heerlijks, dat ik je hier in-eens
+vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me
+opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd,
+die acht maanden!.... En ik zag je natuurlijk haast
+nooit!.... En als ik je zag, lette je niet op me....
+Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk
+nog veel van vertellen,.... nog heel veel,....
+ik heb vreeselijk veel met je te bespreken!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar als we nu &rsquo;s naar je moeder gingen,&rdquo; opperde
+hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Hè?.... Nu al?....&rdquo; zei ze, met een vleiende
+stem, &bdquo;toe, laten we nog wat hier blijven!.... &rsquo;t Is
+hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze
+&rsquo;t dadelijk goed vinden?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze
+vindt &rsquo;t zeker bijna net zoo heerlijk als ik!.... Ze
+weet er natuurlijk alles van, moet je denken!....
+Den heelen winter heeft ze met me moeten praten
+over jou.... O! mijn moedertje, die ken je nog
+niet.... Dat is mijn beste vrindin, altijd geweest!....
+Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een
+heerlijk laantje, zeg! Ik kende &rsquo;t heelemaal niet!....
+Toe, laten we nog even blijven!....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze vroeg &rsquo;t met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig
+naar hem opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam
+nu allerlei droog-practisch gedenk aan tijd en aan
+alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden.
+En hij zei &rsquo;t haar. Hij moest nu in ieder geval naar<span class="pagenum"><a name="Page_268" id="Page_268">[268]</a></span>
+haar moeder gaan en haar vragen. Niet waar? dat
+hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook
+wel even naar oom en tante gaan en &rsquo;t die zeggen....</p>
+
+<p>&bdquo;O! weten die er nog niets van,&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee! niets!&rdquo; zei hij. &bdquo;En &rsquo;t zou toch te gek
+zijn als ze later hoorden, dat ik vandaag hier ben
+geweest, een meisje gevraagd heb en weer weg ben
+gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat
+toch niet!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wèl nou maar, ik weet goed raad,&rdquo; zei ze, &bdquo;je
+blijft natuurlijk bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft
+toch van middag niet weer naar Amsterdam?....
+En dan gaan we van avond samen naar je oom en
+tante.... Nee, nee, dat &rsquo;s waar, dat gaat ook niet,&rdquo;
+viel ze zich zelf teleurgesteld in de rede, met een
+kort lachje, &bdquo;je dient ze daar wel even op voor te
+bereiden, hè?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, natuurlijk!&rdquo; zei hij, &bdquo;dus moet dat allemaal
+een beetje gauw gebeuren.... Maar &rsquo;t kan nog
+wel!.... Laten we nu maar eerst naar je moeder gaan,
+en dan loop ik nog even voor &rsquo;t eten naar oom....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei ze, &bdquo;goed!....&rdquo; En ze gingen op weg.
+Hij bood haar zijn arm, waar ze haar hand op lei met
+een zalig lachje; ze was even een beetje stil, blijkbaar
+vond ze &rsquo;t niet prettig dat alles nu zoo haastig
+moest gebeuren, zag ze er wel wat tegen op....
+Maar Bernard, zich nu heelemaal meester, begon met
+vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken
+zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen,
+die ze zouden maken, en de kleine uitstapjes
+&rsquo;s Zondags, en dat wond haar op tot een stemming
+van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die
+uitstapjes doorging, zei ze even met een bezorgde
+stem: &bdquo;Ja!.... &rsquo;t is natuurlijk altijd lastig met ma....
+Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we zullen
+wel zien!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja,&rdquo; zei hij, zonder daarover na te denken,<span class="pagenum"><a name="Page_269" id="Page_269">[269]</a></span>
+&bdquo;dat zal wel terecht komen!.... Ik stel er me zooveel
+van voor, zoo hier en daar &rsquo;s met je heen te
+vliegen....&rdquo;</p>
+
+<p>Toen ze dicht bij &rsquo;t villatje kwamen, werden ze
+stil. Bernard zag er een beetje tegen op, de zwak-lichte,
+zoekende oogen van de moeder tegenover zich
+te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van
+schuldbesef in zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein,
+wat wuft zou staan tegenover die stille oude vrouw
+met haar onzichtbaren krans van verdriet, die wijs-teedere,
+half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of
+hij Lucie wel waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg
+ja durven zeggen met vaste stem en blik?</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar
+hoekje, breiende, met een boek voor zich. Lucie
+ging vooruit. &bdquo;Ma-tje, hier is meneer Bernard Bandt,
+die komt u wat vragen,&rdquo; zei ze met een opgewonden-hooge,
+zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep
+ze op haar moeder toe, gaf haar een kus en knielde
+schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van geluk.
+Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich
+ziend, verward weer.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat is dat?.... Wat is dat?....&rdquo; zei de moeder,
+quasi-niet-begrijpend, met een trillende stem en teer-vriendelijken
+glimlach. &bdquo;Dag, meneer Bandt!....
+kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!....
+Lucie! kindje! wat is er nu in-eens?....&rdquo;</p>
+
+<p>Door de goedigheid van die stem voelde Bernard
+zich weer kalm worden en helder, en hij zei met
+een vaste, van aandoening wat schorre stem: &bdquo;Mevrouw....
+ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft
+ja gezegd,.... en nu hopen we maar dat u &rsquo;t ook
+goed vindt,.... dat we trouwen....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude
+vrouw. Ze bewoog de lippen, maar er kwam geen
+geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker hand
+streelde ze Lucie&rsquo;s hoofd, dat in haar schoot lag,<span class="pagenum"><a name="Page_270" id="Page_270">[270]</a></span>
+terwijl ze de rechter beverig aan Bernard toestak, met
+een zwijgenden knik van innige goedhartigheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt,&rdquo;
+zei ze eindelijk met een piepende, gebroken stem,
+&bdquo;maar ik weet hoe m&rsquo;n kind van je houdt,.... hoe
+ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo
+veel goeds van je verteld....&rdquo;</p>
+
+<p>En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal,
+en kuste Bernard, en ging dicht naast hem zitten,
+en een poosje zaten ze alle drie te sniklachen van
+nieuw, teer geluk en aandoening.</p>
+
+<p>Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze
+was precies op de hoogte. &bdquo;O! Bernard,&rdquo; zei ze
+glimlachend, &bdquo;als je wist hoe dat kind van den winter....&rdquo;
+&bdquo;Sst, sst! stil toch ma,&rdquo; viel Lucie haar
+blij-blozend in de rede, &bdquo;ik moet &rsquo;m dat nog allemaal
+vertellen....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante,
+&rsquo;t Was al laat genoeg! Maar hij zou heel gauw
+terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor
+op een bezoek van zijn oom, die een deftig man
+was en er zeker prijs op stellen zou plechtiglijk te
+komen vragen om de hand van haar dochter voor
+zijn neef en pupil.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!....&rdquo; zei
+de moeder, &bdquo;&rsquo;t zal me aangenaam zijn.&rdquo; Maar ze
+deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch wel
+tegen op te zien.</p>
+
+<p>&bdquo;Dan komt je tante zeker mee,&rdquo; vroeg Lucie.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien....&rdquo;</p>
+
+<p>Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom.
+Hij werd meer en meer opgewonden, hij was overspannen-opgewekt,
+in een lichten roes van actie; zonder
+zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.</p>
+
+<p>Ze waren op &rsquo;t punt van aan tafel te gaan. Oom
+zat, met een krant, zijn bittertje te drinken in de
+waranda; tante ruimde &rsquo;t werk op waar ze aan bezig
+geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze<span class="pagenum"><a name="Page_271" id="Page_271">[271]</a></span>
+Bernard zagen, zoo onverwacht, midden in de week.</p>
+
+<p>&bdquo;Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?&rdquo;</p>
+
+<p>Hij had een kleur van opwinding en hard loopen.
+&ldquo;Ja,&rdquo; zei hij, driftig zijn hoed neergooiend, en neervallend
+in een rieten warandastoel. &bdquo;Gaat u &rsquo;s even
+allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt
+niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!....
+Met juffrouw Tadingh,.... een dochter
+van de weduwe Tadingh, u weet wel, waar we
+laatst over spraken.... Ik heb haar van middag
+gevraagd.... En met de moeder is &rsquo;t ook al in orde!&rdquo;</p>
+
+<p>Met open monden en groote oogen hoorden ze
+&rsquo;t aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Hè?.... wàt?....&rdquo; vroeg tante. &bdquo;Wat &rsquo;s dat nou
+in-eens?&rdquo; vroeg oom.</p>
+
+<p>Toen zei hij &rsquo;t nog &rsquo;s heelemaal, wat langzamer,
+wat kalmer.</p>
+
+<p>En tante, &rsquo;t eerst van den schrik bekomen, stond
+op en ging hem een zoen geven, en feliciteeren met
+tranen in de oogen.</p>
+
+<p>Oom pruttelde. &bdquo;Nou ja.... hoor &rsquo;s even!....
+dat kan je nou wel zoo &rsquo;s effen gauw in een roeffie
+komen vertellen.... Maar zoo gauw kan ik dat niet
+verwerken.... Waarom heb-je daar niet &rsquo;s eerder
+over gesproken!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent &rsquo;t meisje
+immers toch niet!.... En als &rsquo;t anders geloopen
+was dan had ik &rsquo;t heele zaakje maar kalm voor me
+gehouden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!....
+Ik ben maar een ouderwetsch man....
+Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer
+wou je trouwen, heertje?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst
+niet &rsquo;s feliciteeren?&rdquo; verweet tante. &bdquo;Gut Bertje,
+ik ben vreeselijk nieuwsgierig natuurlijk!.... Breng
+je ze &rsquo;s gauw hier?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hé!.... wacht nou &rsquo;s even!&rdquo; zei oom, &bdquo;feliciteeren<span class="pagenum"><a name="Page_272" id="Page_272">[272]</a></span>
+wil ik je wel, jongen, &mdash; ofschoon ik &rsquo;t meisje
+nog niet eens ken &mdash;, hier! geef me &rsquo;n hand!....
+Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje
+toch maar niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien
+toch eerst fatsoenlijk accès bij de moeder te gaan
+vragen.... Dat hoort toch zoo!....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja, oom,&rdquo; zei Bernard, &bdquo;dat moet u nou
+natuurlijk maar net doen, zooals u &rsquo;t goed vindt!....
+Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel &rsquo;s
+een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog
+maar niet officieel geëngageerd, begrijpt u wel?
+Maar u maakt vast &rsquo;s kennis.</p>
+
+<p>&bdquo;Hm!.... Nou.... dat &rsquo;s goed,.... dat &rsquo;s goed!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Afgesproken,&rdquo; zei Bernard, &bdquo;dan komen we van
+avond!.... En dan ga ik nu maar gauw weg....
+Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En
+dan kunt u beiden er intusschen nog &rsquo;s over denken....
+en over praten!.... Dag oom, dag tante!....
+adieu!.... tot van avond!....&rdquo;</p>
+
+<p>En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk
+in de gang nog vragend of &rsquo;t een mooi meisje was,
+blond of bruin, en meer van die dingen.</p>
+
+<p>Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen.
+&bdquo;Nou?.... wie heeft er nu gelijk gehad,&rdquo; vroeg
+ze. &bdquo;Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!....
+Ik merk zulke dingen altijd dadelijk....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen.
+Hij had liever gehad dat Bernard een dochter
+van Van den Bosch had genomen, of van een van
+zijn andere handelsvrienden. Zoo&rsquo;n juffertje Tadingh!....
+Dat zou natuurlijk ook wel geen cent
+hebben!.... Enfin, je moest je schikken in zulke
+dingen....</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vind je niets aardig,&rdquo; zei tante. &bdquo;Daar net
+ook al! Waarom feliciteerde je den jongen niet
+dadelijk?.... Jelie mannen altijd met je berekeningen!....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar &rsquo;s avonds kwamen ze, en Lucie, met haar<span class="pagenum"><a name="Page_273" id="Page_273">[273]</a></span>
+groote, eenvoudige goedhartigheid, haar aardige manier
+van dadelijk hartelijk met hen om te gaan, welwillend,
+voorkomend, pakte oom en tante heelemaal
+in. Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet,
+maar zei, met zijn visite-kraakstem, dat hij van Bernards
+plannen had gehoord en morgen zou komen
+belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens
+te bespreken. Maar Lucie nam van dat stijve doen
+niets geen notitie, ze keek hem trouwhartig-vroolijk
+aan en beloofde al haar best te zullen doen om een
+goede dochter voor hem te worden,.... want, niet
+waar, Bernard was toch zoo goed als een zoon van
+hem.... zoodat de oude heer &rsquo;t een beetje te kwaad
+kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden.
+Toen zij wegging kneep hij haar in de wang, en
+zei dat ze een lieve meid was, en liet &bdquo;de kinderen&rdquo;
+zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.</p>
+
+<p>Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich
+wat eleganter moeten kleeden.... ze zag er een
+beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw zijdje zou
+haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of
+fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was
+ze.... allerliefst!....</p>
+
+<p>Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even
+praten en moest zich toen erg haasten om den laatsten
+trein nog te halen. Hij was dof van overspanning
+toen hij in de coupé zat. De dag was hem als
+een roes, als een drukke droom....</p>
+
+<p>Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen.
+Donderdags-morgens ging hij weer naar Bussum, wat
+afgesproken was met oom die dan zijn visite zou
+maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een
+ring, waar ze kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar
+blij te zien, haar dan in de oogen te kijken, vond hij
+een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor heel
+opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam
+haast niet tot rust.</p>
+
+<p>Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest<span class="pagenum"><a name="Page_274" id="Page_274">[274]</a></span>
+&rsquo;s middags in Amsterdam zijn, menschen spreken, en
+&rsquo;s avonds werk inhalen wat al was blijven liggen.
+&rsquo;t Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij
+&rsquo;t natuurlijk aan zijn vrinden vertellen. Dat was een
+luidruchtige verbazing! Sam vroeg eerst of hij gek
+was, maar dadelijk daarop drukte hij hem hartelijk
+de hand. &bdquo;In Godsnaam!.... jij dan ook maar!....
+Jelie moet &rsquo;t zelf maar weten,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met
+zijn armen. Maar hij werd in-eens ernstig, feliciteerde
+Bernard, hem vast in de oogen kijkend, en bleef toen
+even voor zich uit staren, een beetje triestig. Hendrik
+stootte Bernard aan: &bdquo;Die denkt: &rsquo;k wou dat ik al zoo
+ver was,&rdquo; fluisterde hij. Maar André, die &rsquo;t gehoord
+had, bromde &bdquo;verrek!&rdquo; en dronk zijn borrel uit in
+één teug.</p>
+
+<p>Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend
+en Bernard moest natuurlijk een paar
+fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had, kwam
+hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En
+hij bleef lang in den nacht werken, want Vrijdags
+moest hij weer naar Bussum om de aankondigingen te
+verzenden, en Zaterdag had hij &rsquo;t erg druk om al
+dien verloren tijd weer in te halen. En &rsquo;s Zondags
+werd er visite gewacht, buren en familie en de beste
+vrinden.</p>
+
+<p>Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan
+had hij &rsquo;t liefst dat ze, rustig tegen zijn schouder
+liggend, wat vertelde, met die stem van haar, dat
+geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde
+aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij
+met haar op en neer gewandeld had &rsquo;t zwarte weggetje.
+Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige
+omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar,
+voor zich uit starend. Hij zag haar nog niet, hij &bdquo;lette
+niet op haar.&rdquo; En langzaam, met lichte, half-zelfbewuste
+ophuiveringen, groeide in hem &rsquo;t begrijpen
+van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden<span class="pagenum"><a name="Page_275" id="Page_275">[275]</a></span>
+blik in één handbewegen, geschapen had.</p>
+
+<p>Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd
+aan. &bdquo;Wat ben je ernstig, is er wat?&rdquo; vroeg ze dan.
+Maar hij antwoordde: &bdquo;Wel nee, lieveling, niets,&rdquo; en
+kuste haar op &rsquo;t voorhoofd of op &rsquo;t haar. En hij ging
+vroolijk met haar praten. Maar &rsquo;t medelijden in hem
+werd grooter, met scherper huiveringen, als zij schuchter
+liefkoozend, zijn hoofd tegen zich aantrok, of &rsquo;t
+hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen
+geslagen....</p>
+
+<p>Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was
+hartelijk, maar erg gejaagd. Hij had zich dure, al
+te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er
+uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij
+was een beetje voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze
+scheen hem niet mee te vallen. Hij vond haar blijkbaar
+wel wat erg eenvoudig, zoo &rsquo;n echt simpel buitenmeisje,
+&rsquo;n beetje een schaap. Maar ze nam alweer
+geen notitie van zijn ietwat neerbuigend-voornaam
+doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten en
+zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk
+met hem. Hij was een vrind van Bernard, dat scheen
+haar genoeg reden om van hem te houden. En hij had
+mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.</p>
+
+<p>Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes
+van Lucie en eenige buren. Maar den volgenden
+Zondag kwamen er veel menschen, toen was &rsquo;t den
+heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw
+Tadingh&rsquo;s eenvoudig buitenhuisje. Lucie keek
+telkens bezorgd naar haar moeder, die gelig-bleek zag
+en suf en verward-gejaagd werd van overspanning.
+Toen de menschen weg waren bracht Lucie haar
+als een kind weg, naar haar slaapkamer en naar bed.
+Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.</p>
+
+<p>&rsquo;s Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten
+Bernard en Lucie over haar moeder. &bdquo;Ze schijnt
+wel héél zwak te zijn,&rdquo; zei hij. &bdquo;Dat is &rsquo;t,&rdquo; antwoordde
+Lucie, &bdquo;de minste inspanning pakt haar zoo aan.<span class="pagenum"><a name="Page_276" id="Page_276">[276]</a></span>
+En ik weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal
+hebben van die akelige slapte en droefgeestigheid. Je
+moet maar veel komen om me te helpen haar op te
+beuren.... Je kunt &rsquo;t zoo goed....&rdquo;, zei ze, met een
+lief lachje. Maar even daarna, angstig weer: &bdquo;Hoe zullen
+we toch later met haar doen,.... als we trouwen?....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei hij, &bdquo;daar heb ik ook al over gedacht....
+&rsquo;t Best zal zijn haar maar bij ons in huis te nemen,
+hè....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei ze,.... &bdquo;zou je dat willen?....&rdquo;</p>
+
+<p>Ze zei &rsquo;t op doffen toon, zonder blijdschap. Hij
+dacht dat ze niet wou toonen, dat ze daarop gehoopt
+had, maar dat ze &rsquo;t toch zeker wel &rsquo;t liefste
+zoo hebben zou....</p>
+
+<p>&bdquo;Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?&rdquo;
+vroeg hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons
+hebben er, geloof ik, wel op tegen hun schoonmoeder
+in huis te nemen....&rdquo; &bdquo;Ja! och,&rdquo; zei hij,
+&bdquo;dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf,
+nietwaar?.... Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn,
+geloof ik; ze is zoo gemakkelijk, zoo weinig eischend,
+hè?.... Ik houd ook al zooveel van haar.... Ik
+zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!....&rdquo; zei ze, en keek even nog stil, kromzittend
+voor zich.... Maar ze richtte zich op, met
+een schokje. &bdquo;Je bent mijn goeie vent, hoor!&rdquo; zei
+ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.</p>
+
+
+
+
+<h2>XVII.</h2>
+
+
+<p>Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde
+die eerste tijd van roezige drukte, van niet tot rust
+komen, van dan dit en dan dat weer. Er moesten
+contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en
+vrinden in Utrecht en in den Haag, en &bdquo;&rsquo;t jonge paar&rdquo;<span class="pagenum"><a name="Page_277" id="Page_277">[277]</a></span>
+werd uitgevraagd op dinertjes en soiréetjes, dikwijls
+te hunner eere aangelegd. Dan werden ze licht gefêteerd
+en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken
+en nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun
+omgang met elkaar. En je zag aan de oogen wat ze
+er van dachten, &rsquo;t was heel ergerlijk en vervelend,
+vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere
+dames. O! een heelen avond zoo &rsquo;n glimlach van duf-verstarde
+vrindelijkheid, van weldoorvoede, zich rustig-veilig
+voelende eigenwijsheid, dat was om maar
+liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele
+gepraat, dat jezelf een belabberden lummel voelen,
+fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos. En dan in-eens
+zoo&rsquo;n kriebelige lust, een vloed van vloeken en kwajongenswoorden
+te gooien in den glimlachend-raisonneerenden
+kring, dat was een temptatie.</p>
+
+<p>Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust
+gelaten te worden, alleen met zijn meisje, en dan
+te genieten, in kalmte, van &rsquo;t succes van zijn plannen,
+van die stichtende voldoening....</p>
+
+<p>Maar Lucie scheen &rsquo;t niet zoo vervelend te vinden,
+als ze uitgevraagd werden, telkens weer. Dan heb
+ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij me! En bij
+de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en
+keek maar naar hem, met haar lichte droomoogen.
+Blijkbaar was ze heel trotsch op hem en verbeeldde
+ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de
+meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot
+zijn lof, en als een ander hem prees lachte ze enkel,
+beaamde &rsquo;t niet. Want dat was immers onnoodig,
+iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag &rsquo;t immers
+aan hem, zooals zij &rsquo;t gezien had, dadelijk.... Maar
+Bernard vond &rsquo;t een beetje benauwend, dat ook. Dat
+zij, vervoerd door liefde, hem bewonderde, goed!....
+maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij zag
+&rsquo;t zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde
+hypocrieten. Lucie scheen &rsquo;t nooit te zien. Ze keek
+naar hem, met zacht-stralenden blik....<span class="pagenum"><a name="Page_278" id="Page_278">[278]</a></span></p>
+
+<p>Misschien kon &rsquo;t haar ook niet schelen!....</p>
+
+<p>Dikwijls als hij met haar praatte had hij &rsquo;t met
+stugge minachting over &bdquo;de menschen.&rdquo; De menschen
+geloofden dit, de menschen deden dat altijd. Dat
+scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo
+triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand
+ging &rsquo;t haar blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk
+zei ze &rsquo;t in-eens ronduit, dat ze dat niet prettig
+vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met &bdquo;de menschen.&rdquo;
+Waren dat alle anderen, alleen zij beiden
+niet? Zij waren toch ook menschen! En waren dan
+alle anderen wezenlijk zoo belachelijk, zoo dom? Maar
+dat konden ze dan toch niet helpen!....</p>
+
+<p>Ze vond &rsquo;t wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze
+zelf over heel veel dingen net zoo dacht als hij zei
+dat de menschen er over dachten. Vond hij haar dan
+ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?</p>
+
+<p>Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend &mdash; en
+schaamde zich een beetje.... Van dien dag af
+ging hij zijn best doen in zich zelf tot klaarheid en
+onder woorden te brengen al wat hem altijd had
+tegengestaan in de mannen en vrouwen, in de jongens
+en meisjes, die hij had gekend, om &rsquo;t haar te
+kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te
+spreken over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.</p>
+
+<p>Dat gebeurde meest op wandelingen, in &rsquo;t maklijk
+voortgaan, naast elkaar, op effen buitenwegen, licht
+en open. Lucie begreep haast altijd dadelijk wat hij
+bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de
+preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken,
+met een onbewusten eenvoud en directheid zeggend
+wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde en gevoeld
+had. Heel bescheiden &mdash; als een vluchtig liedje in
+hooge eenzaamheid gezongen &mdash; klankten haar weinige
+woorden, en toch waren ze voor hem soms beschamende
+openbaringen van klaarheid, van teederheid
+of diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een<span class="pagenum"><a name="Page_279" id="Page_279">[279]</a></span>
+licht ontroerde stem van innige bewondering, dan
+lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen lach. Dat zei
+hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze
+een dom schaap was, niet waard zoo&rsquo;n knappen man.
+Wat zou hij van haar kunnen leeren, hij wist toch
+alles! Of, als hij iets niet wist, dan was &rsquo;t omdat &rsquo;t
+hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles,
+alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit &rsquo;t hoofd
+te praten!.... Maar hij beproefde &rsquo;t toch, sprekend
+over de oneindigheid van dingen, die niemand wist en
+niemand kon.... En zoo groeide hun intieme gemoedsbetrekking,
+zoo bouwden ze een huis voor hun
+sympathie.... &rsquo;t Werd al gauw een groot ruim huis,
+met veel oude-vertrouwde kamers en gangen, en er
+kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....</p>
+
+<p>Meer en meer begon Bernard te houden van die
+wandelingen met haar. Op kantoor zat hij er naar
+te verlangen. En hij richtte zich er op in, behalve
+&rsquo;s Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum
+te kunnen gaan, ofschoon &rsquo;t moeite kostte en nachtwerk
+dikwijls. Hij was blij als hij dan den trein van
+kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg
+genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen
+voor &rsquo;t eten. Ze was altijd aan &rsquo;t station.</p>
+
+<p>Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van
+visites en uitgangetjes eindelijk voorbij was, kwam
+er een groote rust over hem, een gevoel in jaren niet
+gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een
+hooge opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen.
+Zijn gang werd trotscher, zijn gebaren rustig-forsch.
+Graag overdacht hij, als hij alleen was, met kalm
+methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat
+&rsquo;t gelukt was tot nog toe en dat &rsquo;t ook wel gelukken
+zou verder. En boven zijn gedenk was dan, vaag-zweverig &mdash; iets
+lichts, iets van hoop.... Maar dat was
+hem niet de moeite waard om over te denken; hij
+haalde zijn schouders op als hij &rsquo;t merkte en dacht
+weer aan haar, aan haar alleen. Zij was gelukkig, zijn<span class="pagenum"><a name="Page_280" id="Page_280">[280]</a></span>
+Lucie, zijn meisje. Hij voelde &rsquo;t telkens als hij haar zag
+staan, onder de wachtende menschen aan &rsquo;t station,
+hem dadelijk en onafgebroken aankijkend vol innigheid,
+tot hij bij haar was, haar vroolijk de hand toestak.
+Het was ook of zij blozender, frisscher, gezonder
+van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar
+nauwkeurig waar te nemen, hij begon eindelijk &bdquo;op
+haar te letten....&rdquo;</p>
+
+<p>En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was
+geworden.</p>
+
+<p>Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. &bdquo;&rsquo;t Komt
+alleen omdat jij van me houdt,&rdquo; zei ze, en drukte
+zich tegen zijn arm en liet hem even stilstaan om
+hem een zoen te geven.</p>
+
+<p>Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten,
+met haar armen om zijn hals en haar hoofd op zijn
+schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd tegen haar
+aanleggen zou, &bdquo;om uit te rusten.&rdquo; En dan keek hij
+naar haar, dan gleed zijn koesterende blik langs haar
+zalig-glanzend gezicht. Dan zag hij van heel dichtbij
+haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de verschillende
+trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking
+van nobele goedheid en weemoedsvolle
+blijdschap gaven, dan keek hij in &rsquo;t lichte grijsblauw
+van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen.
+Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij
+de slapen uit &rsquo;t kapsel gesprongen waren, en de heel
+kleine, wittige haartjes, die haar wangen zoo dof-donzig
+maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar
+gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels,
+&rsquo;t kleine moedervlekje aan de kin. En hij keek
+naar &rsquo;t stille bewegen van haar gezicht als ze sprak
+zoo liggend, haar hoofd vlak bij &rsquo;t zijne. Hij zag dat
+al de goedheid en al de liefheid en innigheid van
+haar woorden ook in die mysterieus onbewuste plooiingen
+waren.</p>
+
+<p>En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen
+arm, haar rank-soepel vrouwelijf warm tegen<span class="pagenum"><a name="Page_281" id="Page_281">[281]</a></span>
+zijn oude beenige borst, knakkend de strakke hardheid
+van &rsquo;t heerige overhemd, dan kwam, &mdash; als lekkere
+lucht van zomer in April &mdash; malsche zinneverliefdheid
+opgolven naar zijn gebogen hoofd en hij kreeg korte
+huiveringen van verlangen naar wellust. En hij kuste
+haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en
+drukte haar vaster tegen zich aan.</p>
+
+<p>En dikwijls als hij op kantoor zat, of &rsquo;s avonds
+op zijn kamer, verlangde hij in-eens met doffe klopping
+in zijn keel naar dat zitten, zóó, met haar....</p>
+
+<p>Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen
+verandering in zijn denken over haar en over hun
+verhouding. &rsquo;t Stond nu eenmaal vast, hij was niet
+verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er
+van. In zijn denken negeerde hij nog die koortsige
+aandoeningen.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor
+de Zondagen, lange wandelingen en uitstapjes naar
+alle richtingen. Bernard had mevrouw Tadingh weten
+over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo&rsquo;n Zondag
+te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen,
+die aan &rsquo;t zelfde laantje woonden, een paar
+gedistingeerd-vriendelijke, deftig-sekure dametjes van
+tusschen de veertig en vijftig, die op een goeden middag,
+na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis
+maken met die sympathieke oude dame, met wier toestand
+ze zoo oprecht en innig waren begaan. De moeder
+had &rsquo;t goedgevonden, ze mocht die meelijdende
+dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard
+haar zelf, en de juffrouwen, die dol op &bdquo;&rsquo;t aardige
+jonge paar&rdquo; waren, wisten niet wat ze doen zouden
+van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze
+met &rsquo;t vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd
+weg dien morgen. Maar &rsquo;t beviel best, de dames waren
+toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw Tadingh,
+en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.</p>
+
+<p>Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard.<span class="pagenum"><a name="Page_282" id="Page_282">[282]</a></span>
+Ze vond &rsquo;t heerlijk, dat dit gelukt was, dat ze nu
+onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan, zoo&rsquo;n heelen
+dag, zoo&rsquo;n langen lichten zomerdag, met hem alleen.
+Want in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was
+ze altijd-weer enkel maar dol-blij als Bernard kwam,
+hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat ze weer
+te tobben had gehad met haar moeder.</p>
+
+<p>Als ze van haar sprak was &rsquo;t altijd met hetzelfde
+teere medelijden, en met pieuse liefde en eerbied,
+maar soms gleed over haar ernstig gezichtje een waas
+van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg
+lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets
+van merkte. Maar hij zag &rsquo;t en hij ging &rsquo;t begrijpen
+door goed te letten op de moeder zelf, hoe ze naar
+Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de
+houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch,
+ze was verwend, ze was gaan houden
+van klagen om de zachte voldoening die &rsquo;t gaf
+beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en
+innigjes gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van
+&bdquo;haar kind&rdquo;, en zei dat ook ontelbare malen, maar
+dat was vooral &mdash; leek &rsquo;t wel &mdash; om nog meer recht
+te hebben op liefde en vertroeteling, en &bdquo;&rsquo;t kind&rdquo;
+zorgde dan ook voor haar zooals dikwijls teerhartige
+moeders voor ziekelijke kinderen zorgen, met eindeloos
+geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze
+ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem,
+met diep gezucht en stille tranen, over haar droevig
+lot en haar eenzaam leven, maar &rsquo;t maakte Bernard
+ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette!
+En hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar
+een beetje ruw-weg opbeuren, met vriendelijk geweld,
+met woorden als korte duwtjes in den rug, die
+wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren.
+En dat scheen te helpen. Ze werd dan kalmer, ze
+berustte dan maar en glimlachte teertjes met hem
+mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel
+en deed &rsquo;t er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig<span class="pagenum"><a name="Page_283" id="Page_283">[283]</a></span>
+opgebeurd te worden, daar was &rsquo;t haar niet om te
+doen. Daarom was ze zoo graag bij de vriendelijke oude
+dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar goedig
+beklagend nu en dan, met stille vereering.</p>
+
+<p>Die Zondagmorgens dan, als &rsquo;t mooi weer was,
+dan kwam Bernard met een heel vroegen ochtendtrein.
+En hij vond zijn meisje aan &rsquo;t station. En
+dan dat wegwandelen, Bussum uit, &rsquo;t Gooi in: naar
+Hilversum, of &rsquo;s Graveland, naar Laren en Blaricum
+langs de breede lanen met diepe voren, met stille
+kudden vredige schapen, of naar Huizen over de
+hei, de woeste vrije hei, de zonnige, kleurige hei.
+Ze liepen wel tot Soest en Baarn; Lucie was even
+onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen,
+frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht,
+dat was &rsquo;t heerlijkste. Vlug en veerkrachtig,
+&rsquo;t hoofd ietwat naar achteren, met een blijden
+blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte
+zijn meisje dan naast hem voort en zei telkens, met
+extase, dat ze &rsquo;t zoo verrukkelijk vond.</p>
+
+<p>Soms scheen &rsquo;t haar bijna te machtig te worden,
+&rsquo;t alleen zijn met haar liefde in de bloeiende zonnelanden,
+en &rsquo;t vrij zijn, &rsquo;t mogen doen wat ze wou.
+Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche
+lucht, en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens
+holde ze wild vooruit, dartel als een veulentje,
+tot haar japon bleef haken in een heester, of haar
+hoed afwoei, verfomfaaiend &rsquo;t thuis zoo netjes strak
+getrokken kapsel. En hij holde haar achterna. &rsquo;t Was
+hem vreemd, hij had &rsquo;t sinds zijn jongensjaren niet
+gedaan, zoo draven, hij vond &rsquo;t eigenlijk een beetje
+bespottelijk, en hij zei dat hij &rsquo;t niet graag deed, dat
+hij er zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar
+dan pruilde ze &rsquo;n beetje en keek hem guitig-smeekend
+aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige
+meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze
+weer weg met een dollen lach, en op een afstand
+riep ze: &bdquo;Kom &rsquo;s hier, kom &rsquo;s kijken! Gauw! gauw<span class="pagenum"><a name="Page_284" id="Page_284">[284]</a></span>
+dan, anders is &rsquo;t weg!&rdquo; Dan draafde hij er heen en
+dan was &rsquo;t niets of enkel een mooie tor, die vadsig
+zat te wiegen op een blad, glanzend in de zon, of een
+kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En dan zij
+dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem
+tartend haar in te halen en af te straffen....</p>
+
+<p>Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk,
+ergens waar ze maar een glas melk en een oud-bakken
+broodje met oude kaas konden krijgen. Dat
+vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij
+ook, ofschoon hij &rsquo;t eerst niet weten wou. Want
+allebei hadden ze honger van de lange wandeling in
+de morgenlucht.</p>
+
+<p>En &rsquo;s middags gingen ze lui-soezerig ergens in &rsquo;t
+bosch liggen, of ze liepen heel langzaam en stil te
+praten onder de boomen.</p>
+
+<p>Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan
+om daar in de buurt wat rond te zwerven, had ze
+weer zoo&rsquo;n echte, dol-uitgelaten bui. Ze kriebelde
+hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend
+weg, of ze liep een vogeltje na of een eekhoorn die
+van boom tot boom sprong. Ze waren in &rsquo;t bosch
+alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel
+om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij
+wou &rsquo;s zien of hij dat nog kon; hij had er tegen haar
+op gesnoefd dat hij al die dingen zoo goed gedaan had
+als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens
+weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt
+dadelijk wel weer terug, dacht hij. Maar na een poosje,
+hij had aandachtig zitten werken aan dat fluitje en &rsquo;t
+was af &mdash; toen riep hij: &bdquo;Ben je daar?.... Lucie!....&rdquo;
+Maar er kwam geen antwoord, &rsquo;t geluid van zijn
+stem stierf kort in &rsquo;t dichte bosch. Hij stond op
+en keek rond. Ze was er niet. Hij liep en hoorde
+&rsquo;t kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep
+krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er
+niet. Hij was alleen. En in eens voelde Bernard
+zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in zijn<span class="pagenum"><a name="Page_285" id="Page_285">[285]</a></span>
+keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril
+geluid, half verstikt. Angst schokte traag door zijn
+warm hoofd, zijn polsen brandden. Hij kon zich
+niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij
+had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar
+hij wist niet hoe ze gegaan was. Op goed geluk af
+holde hij een kant uit, aldoor roepend, soms stilstaand
+om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde
+hij zwak antwoorden; &bdquo;Bernard!&rdquo; hoorde hij roepen,
+links van zich, nog ver. Maar hij rende dien kant uit,
+dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde nu
+voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn
+naam. &bdquo;Ik kom!&rdquo; riep hij. Hij struikelde telkens, in
+&rsquo;t driftige loopen, viel op een knie maar was dadelijk
+weer op. En op &rsquo;t punt een weg over te steken zag
+hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag
+hem nog niet, ze keek een anderen kant op. Rechtop
+stond ze, den grooten stroohoed een beetje achterover,
+met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en
+zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van
+boschbloemen in de neerhangende hand. En hij bleef
+ook even staan, naar haar kijkend, overstelpt door
+warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig
+verlangen in haar stem: &bdquo;Bernard!&rdquo; Toen liep hij
+haastig naar haar toe, en ze hoorde hem en lachte,
+hem met glans-oogen aankijkend. Driftig sloeg hij zijn
+armen om haar heen en kuste haar op den mond. En
+zij had ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste
+haar, met lange zoenen, telkens opnieuw, en hij
+voelde dat haar lippen warm en week waren en hij
+dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend
+keken ze elkaar dan weer aan. En toen ging zij hem
+kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen, en gaf
+hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden
+had.</p>
+
+<p>En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder.
+Hij vertelde haar van zijn mallen angst. Zij was ook
+een oogenblik angstig geweest; ze wist den weg<span class="pagenum"><a name="Page_286" id="Page_286">[286]</a></span>
+terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze
+had dadelijk gedacht, dat hij haar wel vinden zou.</p>
+
+<p>Zóó &mdash; stil gaande &mdash; kwamen ze in een mooie laan
+van gelijke laag-takkende dennen, een toover-stille,
+lange, rechte laan. En fluisterend genoten ze.</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard
+zich zacht, aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd.
+En nu en dan werd zijn hoofd doorvaren van
+een groote gedachte, hoog-stil, licht als een zonne-morgen,
+geurig als de hei.... Zou &rsquo;t toch nog komen?....
+Werd hij nu werkelijk, nu heelemaal verliefd
+op haar?.... O! wat zou &rsquo;t zalig zijn!....</p>
+
+<p>Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij
+glimlachend zat te soezen over zijn werk. Hij vergiste,
+verschreef zich telkens. En dat ergerde hem
+volstrekt niet, maar &rsquo;t maakte hem vroolijk, onrustig-vroolijk.
+Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar
+&rsquo;s avonds kwam die stemming weer van blanken
+weemoed met lust tot stil dwepen....</p>
+
+<p>Den daarop volgenden dag, &rsquo;s morgens, toen hij
+op kantoor zat, kwam er in-eens iemand luidruchtig
+de trap opstormen, zoo schielijk en driftig, dat al
+de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met
+hun stoelen.... &rsquo;t Was André, warm, opgewonden,
+zijn hoed achterover, een en al verheugde glanzing....
+Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok
+hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de
+gang, zonder te letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd
+zaten te kijken. En toen kon hij nog
+eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend, sniklachend.
+Maar eindelijk kwam &rsquo;t: &bdquo;Ze wil me hebben, zeg!....
+Ze wil me toch hebben!.... Hoe vindt je &rsquo;t, vindt je
+&rsquo;t niet bespottelijk?.... Zoo&rsquo;n vent als ik!.... Zeg!...
+Zoo&rsquo;n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk ja gezegd!....
+Ze houdt van me.... Hoe vindt je &rsquo;t?&rdquo;</p>
+
+<p>Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind
+en lachte met hem mee, zenuwachtig, en zei dat hij<span class="pagenum"><a name="Page_287" id="Page_287">[287]</a></span>
+&rsquo;t ook eigenlijk bespottelijk vond, en ze proestten &rsquo;t
+allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn
+vrind, &rsquo;t was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd
+om nog wat uit te voeren. Op straat praatten ze over
+dingen, die hun geen van beiden konden schelen, en
+dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en
+André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes,
+hoe &rsquo;t gegaan was tusschen Betsy en hem in
+den laatsten tijd. Hij was dol-verliefd en kinderlijk-blij
+gestemd en hartelijk-welwillend jegens alle menschen.</p>
+
+<p>En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte
+hij in-eens, dat in zijn denken die vrind naast hem
+zijn lotgenoot was, dat hij liep te luisteren naar die
+uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach
+van intieme verstandhouding, alsof hij &rsquo;t kende,
+dat allemaal.... Dat hij ook heelemaal niet jaloersch
+was, zooals vroeger wel &rsquo;s, als hij dacht aan liefde
+tusschen Betsy en André.</p>
+
+<p>Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij
+schaamde zich tegenover zich zelf en schold en lachte
+zich wat uit. Waar bleef nu zijn ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen,
+zijn wijs-glimlachend gelukkig maken,
+zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig
+en sterk, hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten,
+verlangde hij naar zijn meisje, naar haar
+liefkoozingen, haar teedere blikken, haar hartstochtelijke
+omhelzingen. Hij verlangde er ook naar &rsquo;t haar
+te vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal
+niet jaloersch was, want dat hij alleen hield van
+haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want ze wist al
+van zijn vroegere verliefdheden. Ze had &rsquo;t niet aardig
+gevonden, ze was er even wat stil van geweest,
+jaloersch blijkbaar. Maar nu zou hij haar kunnen bewijzen,
+dat hij nooit meer dacht aan Betsy en die
+anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar,
+zijn alles....</p>
+
+<p>En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was
+nerveus-opgewonden, warm. Hij dacht aan haar, aan<span class="pagenum"><a name="Page_288" id="Page_288">[288]</a></span>
+hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich diep
+in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken,
+zijn oogen dicht, zijn toegeklemde handen in zijn zakken,
+en hij voelde &rsquo;t koortsig verlangen branden in
+zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze daar
+in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen,
+in dat oogenblik even vóórdat ze weer riep. God! hoe
+mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi was dat geweest!
+Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie rijzing
+van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven
+hoofd! Hij voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd.
+Met korte golven, elkaar verdringend als de
+branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door
+&rsquo;t met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde &rsquo;t nu, in zijn
+overspanning: zij kwam dan toch nog, de hooge
+vreugde; het zuivere geluksmoment naderde; straks
+zou hij &rsquo;t grijpen en zalig zijn....</p>
+
+<p>Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een
+licht-doffe huivering recht naar boven, verijlde zijn
+vreugde en zijn spieren verslapten in lamme loomheid.
+Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag
+warm-soezerig tegen de nare weekheid van &rsquo;t fluweelige
+trijp. Want als een schimmig schrikbeeld
+eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk, had hij &rsquo;t
+visioen weer gezien van dien nacht in &rsquo;t bordeel, van
+dat week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed
+hij, stil-trachtend al zijn denken te verdooven in gesoes....
+O dat onherstelbare, waarom kon hij &rsquo;t nu
+niet vergeten! &rsquo;t Was nog alleen in zijn herinnering,
+waarom kon hij &rsquo;t niet daaruit weg doen nu, zoodat &rsquo;t
+heelemaal niet meer bestaan zou.... En waarom, God!
+waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort voordat zij
+kwam!</p>
+
+<p>Maar toen, langzaam &mdash; hij voelde &rsquo;t al, vaag, voor
+hij &rsquo;t dorst te aanvaarden &mdash; kwam &rsquo;t verzet tegen dat
+lijden, de wil er zich uit op te rukken, &rsquo;t los van zich,
+beneden zich te voelen. En toen hij &rsquo;t eenmaal had
+aanvaard, groeide &rsquo;t, als een volksopstand tegen lange<span class="pagenum"><a name="Page_289" id="Page_289">[289]</a></span>
+verdrukking, en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt,
+&rsquo;t had uitgediend, hij wilde &rsquo;t niet langer, hij
+verachtte &rsquo;t nu, hij trapte en spuwde er op. Hij was
+een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten
+voelde naderen. En, bij God! hij zou zich die niet
+laten bederven door kinderachtige schaamte over klein
+gedoe van vroeger! Hij zou genieten, ongestoord, het
+allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen
+zou hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele
+verachting en subliemen spot, en dan zonder omkijken,
+licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot een
+hooger, wijder, lichter leven!....</p>
+
+<p>&nbsp;</p>
+
+<p>Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum.
+Zij wandelden samen, stil; hij zag voor &rsquo;t eerst haar
+fijn profiel in &rsquo;t maanlicht, op een eenzamen weg,
+in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel
+was en oneindig diep.... En later zaten ze samen
+onder de waranda. Daar zag hij alleen het glanzen
+van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde
+haar warmen adem. En fluisterend had hij &rsquo;t over
+later, over de zaligheid van &rsquo;t altijd-samen zijn, &rsquo;t zich
+heelemaal geven de een aan den ander. Hij hoorde
+&rsquo;t rythmisch opgolven van haar gelukkigen lach. &bdquo;En
+kwam mama dan bij ons inwonen,&rdquo; vroeg ze in-eens,
+zacht, leuk-guitig.... &bdquo;Waarachtig niet!&rdquo; zei hij, en
+ze lachten beiden met stille schokjes en intiem gefluister.
+&bdquo;Nou ja!&rdquo; zei hij, &bdquo;ik dacht toen nog dat jij dat
+graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat
+anders voor haar vinden, wàt?....&rdquo; En zij kuste zijn
+mond dicht, en fluisterde liefkoozingsnaampjes, met
+helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde en
+geluk.</p>
+
+
+
+
+<h2>XVIII.</h2>
+
+
+<p>&rsquo;t Was in den nazomer, op een mooien dag in &rsquo;t
+laatst van Augustus. Ze waren &rsquo;s morgens naar Beverwijk<span class="pagenum"><a name="Page_290" id="Page_290">[290]</a></span>
+gespoord, daar hadden ze koffie gedronken, en
+ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.</p>
+
+<p>Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten,
+maar toen was er een zwijging ingevallen. En
+Bernard, nu en dan kijkend naar zijn meisje &mdash; en
+dan keek ze hem ook altijd aan! &mdash; voelde dat ze,
+zoo zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren
+dan straks, toen ze, om beurten, moesten luisteren en
+zelf zinnetjes maken, zoekend naar de juiste woorden.
+&rsquo;t Was of &rsquo;t praten stoorde hun dieper samen-zijn,
+dat hoog-opbloeide in &rsquo;t emotievolle zwijgen.</p>
+
+<p>Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan
+&rsquo;t groote genot van de liefde, die nog dagelijks scheen
+toe te nemen in omvang en kracht. Hij had nooit te
+voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen
+bezitten. Met bewondering had hij &rsquo;t in zich voelen
+groeien tot een rijk, nieuw leven, al &rsquo;t andere omvattend....
+De menschen waren hem nu niet meer
+ergerlijk....</p>
+
+<p>Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig
+gevoeld als dezen dag. Hij wist niet waar
+&rsquo;t door kwam, een prikkelend bevreemden verhoogde
+zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle
+zonnevelden en de volle boomen, de rijke overvloed
+van vredigend donkergroen. En toen hij de blonde,
+golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven
+van wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje
+aankijkend met lichten vreugde-blik begon hij gauwer
+te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde verwachting,
+vage begeerte....</p>
+
+<p>Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan &rsquo;t strand
+tuurden ze lang in de wijde oneindigheid van diep-blauwende
+lucht, wazig wolkende lucht en zee, wiegende
+zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten
+schenen te drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden
+naar &rsquo;t diepe geruisch, dat gedurig vulde de
+hooge lichte lucht.</p>
+
+<p>Over &rsquo;t gladde strand waarlangs &rsquo;t ebbende water<span class="pagenum"><a name="Page_291" id="Page_291">[291]</a></span>
+was weggevloeid, met vreemd verdwijnen, liepen ze
+noordwaarts, een heel eind, totdat ze de koetsjes en
+de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En
+weer bleven ze staren in zee en luisteren naar &rsquo;t
+eeuwig geruisch.</p>
+
+<p>En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen
+ze recht van de zee &rsquo;t hooge duin op, en verder &rsquo;t
+eenzaam duinenland in, de stille valleien van lichtgroen,
+en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de
+naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.</p>
+
+<p>Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van
+duintoppen, tegen de snelle helling op, in de schaduw
+van een boschje donkergroene struiken, dat glansde
+in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden
+stond Lucie op om een bouquetje viooltjes te
+plukken. Hij zag haar gaan, gebukt, over de zonnige
+hellingen aan den overkant, plukkend met een blij-ernstig
+gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder
+geluid.</p>
+
+<p>En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd.
+&rsquo;t Was of hij haar zag in een droom, een hel
+visioen van liefde, zomer, zaligheid!.... O! &rsquo;t genot
+van weten, dat &rsquo;t geen droom was maar tastbare werkelijkheid,
+dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze
+leefde, en hem lief had en van hem was....</p>
+
+<p>En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen,
+drijvend over &rsquo;t strakke blauw....</p>
+
+<p>Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen
+aan zijn herinnerenden geest voorbij, met verre ruisching
+van stemmen, met snel-verschietende droomgezichten.
+En al zijn stemmingen van vroeger leken
+hem zoo dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn
+opwindingen, en zoo gering zijn falen en dwalen, zijn
+jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in &rsquo;t bordeel
+dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden
+glimlach. Arme goeie jongen die hij geweest was,
+wat had hij zich dat toen aangetrokken! Toch beteekende
+&rsquo;t minieme feitje niet veel meer dan, nog wat<span class="pagenum"><a name="Page_292" id="Page_292">[292]</a></span>
+langer geleden, dat liegen toen op school &mdash; of
+eigenlijk was dat liegen een beetje erger.... Maar
+o! wat was ook in dit voorjaar, vooral na die teleurstelling
+van Edward, zijn arme jongensziel, die hij
+zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven
+verdord, verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij,
+Lucie, zijn bruid, zijn redster, had kunnen verschijnen
+in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had begrepen
+wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....</p>
+
+<p>Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar
+gegeven.... en langzaam was de hemel toen open
+gegaan.... En nu vandaag begon &rsquo;t eigenlijk pas,
+zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....</p>
+
+<p>Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was
+niet af te wenden van &rsquo;t teere bewegen van haar
+slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend den
+zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem
+om, en hij lachte haar toe uit de verte, en dadelijk
+kwam ze aanloopen, vlug en met vreugde-stralend
+gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij vlijde
+er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang
+in de oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan
+en zoende haar mond, haar wangen, oogen, haar haar
+en hals, en haar kleine handen, die hem liefkoosden.</p>
+
+<p>Lang bleven ze nog liggen daar, in &rsquo;t stille duindal,
+terwijl de wind suizend over de toppen streek.</p>
+
+<p>Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel
+waarlangs de reuzige wolken gingen, midden in &rsquo;t
+heilige zonneland, en daar om heen was de wereld,
+wijd-rondom.</p>
+
+<p>Maar de gouden middag gleed over de stille vallei
+van groene duinen naar de ongedurige zee. De rossige
+zon stond recht boven den horizon, toen ze langs
+de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar &rsquo;t breede
+strand, dat aan den zeekant, als een mes zoo glad,
+glom in de zon. En, van &rsquo;t strand af, liep ver in zee,
+een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-&rsquo;t
+water.<span class="pagenum"><a name="Page_293" id="Page_293">[293]</a></span></p>
+
+<p>Toen liepen ze langzaam terug naar &rsquo;t verre badplaatsje,
+hand in hand....</p>
+
+<p>Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.</p>
+
+<p>En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde
+om de zee, dieper dan &rsquo;t sereene blauw dat tusschen
+de wolken, en lichter, o! veel lichter nog dan de
+laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en &rsquo;t
+meisje was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.</p>
+
+
+<p class="r2"><span class="g">Amsterdam</span>, 1895&mdash;&rsquo;97.</p>
+
+<hr class="l1" />
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/achterkant.jpg" width="450" height="682" alt="Achterkant kaft" title="Achterkant kaft" />
+</div>
+
+<div class="tnote">
+<p class="tn">Opmerkingen van de bewerker</p>
+
+
+<p>De volgende veranderingen zijn aangebracht: op
+pagina</p>
+
+<p>24 &bdquo;intelgente&rdquo; in &bdquo;intelligente&rdquo; (witte halsboorden,
+intelligente en domme)</p>
+
+<p>60 &bdquo;frische&rdquo; in &bdquo;frissche&rdquo; (veerkracht met frissche
+rillingen)</p>
+
+<p>63 &bdquo;ombarmhartig&rdquo; in &bdquo;onbarmhartig&rdquo; (onbarmhartig-koude
+bij elkaar komen)</p>
+
+<p>85 &bdquo;ververlopen&rdquo; in &bdquo;verlopen&rdquo; (bewegelijke groepen
+meiden met verlopen kerels)</p>
+
+<p>93 &bdquo;Warmoestraat&rdquo; in &bdquo;Warmoesstraat&rdquo; (terug en de
+Warmoesstraat door.)</p>
+
+<p>114 &bdquo;oogenbik&rdquo; in &bdquo;oogenblik&rdquo; (laat mij ook geen
+oogenblik om &rsquo;s met Bernard)</p>
+
+<p>129 &bdquo;zal&rdquo; in &bdquo;zat&rdquo; (Bernard zat nu rechts van de
+gastvrouw)</p>
+
+<p>182 &bdquo;gememelijkheid&rdquo; in &bdquo;gemelijkheid&rdquo; (verveling en
+gemelijkheid.)</p>
+
+<p>220 &bdquo;mer&rdquo; in &bdquo;met&rdquo; (sprak met ernstig-doffe stem over)</p>
+
+<p>231 &bdquo;al&rdquo; in &bdquo;als&rdquo; (vooral als hij alleen was)</p>
+
+<p>242 &bdquo;eigoïstisch&rdquo; in &bdquo;egoïstisch&rdquo; (eigenlijk vervloekt
+egoïstisch)</p>
+
+<p>251 &bdquo;avondden&rdquo; in &bdquo;avonden&rdquo; (&rsquo;t Vulde de avonden zoo.)</p>
+
+<p>278 &bdquo;eindedelijk&rdquo; in &bdquo;eindelijk&rdquo; (hinderen,
+en eindelijk zei ze)</p>
+
+<p>290 &bdquo;uitwuivan&rdquo; in &bdquo;uitwuiven&rdquo; (een juichend
+uitwuiven van wijde).</p>
+
+<p>Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd.</p>
+
+<p>Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen.</p>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN BERNARD BANDT ***
+
+***** This file should be named 38229-h.htm or 38229-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/2/2/38229/
+
+Produced by Branko Collin, eagkw and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/38229-h/images/achterkant.jpg b/38229-h/images/achterkant.jpg
new file mode 100644
index 0000000..80228a5
--- /dev/null
+++ b/38229-h/images/achterkant.jpg
Binary files differ
diff --git a/38229-h/images/cover.jpg b/38229-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b0c4805
--- /dev/null
+++ b/38229-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/38229-h/images/opdracht.jpg b/38229-h/images/opdracht.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6e39039
--- /dev/null
+++ b/38229-h/images/opdracht.jpg
Binary files differ
diff --git a/38229-h/images/sierstrip.png b/38229-h/images/sierstrip.png
new file mode 100644
index 0000000..2514551
--- /dev/null
+++ b/38229-h/images/sierstrip.png
Binary files differ
diff --git a/38229-h/images/titelpagina.png b/38229-h/images/titelpagina.png
new file mode 100644
index 0000000..5e21883
--- /dev/null
+++ b/38229-h/images/titelpagina.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..dcbd27b
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #38229 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38229)