summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38211-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '38211-0.txt')
-rw-r--r--38211-0.txt2318
1 files changed, 2318 insertions, 0 deletions
diff --git a/38211-0.txt b/38211-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..d9455dd
--- /dev/null
+++ b/38211-0.txt
@@ -0,0 +1,2318 @@
+The Project Gutenberg EBook of De H. Nikolaas in het folklore, by
+Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De H. Nikolaas in het folklore
+
+Author: Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen
+
+Release Date: December 5, 2011 [EBook #38211]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |
+ | verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
+ | MEYER/MEIJER. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
+ | e-boek op http://www.gutenberg.org/ |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ DE H. NIKOLAAS
+ IN
+ HET FOLKLORE
+
+ DOOR
+
+
+ Dr. JOS. SCHRIJNEN,
+
+ _leeraar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond,
+ bibliothekaris van het Genootschap „Limburg”._
+
+
+ [Illustratie: Limburgs provinciewapen]
+
+
+ ROERMOND,
+
+ J. J. ROMEN EN ZONEN.
+
+ 1898.
+
+
+
+
+De H. Nicolaas in het Folklore.
+
+
+„Folk-lore,” zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm[1], „is op alle gebied de
+wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt
+tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school!
+Folk-lore in alle kunstuitingen!” En zoo is het Folklore in engeren zin,
+dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en
+gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen,
+legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks,
+niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die
+uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des
+tijds. Immers: „men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt
+ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna
+had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste
+stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van _Folk-lore_
+bestempeld heeft, d. i. _volkskunde, volkswetenschap_.”[2] Aan hare
+verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het
+Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver
+zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat
+van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met
+verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen
+en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf—voor
+het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der _Camden Society_ in het
+Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt—had slechts enkele
+tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch
+burgerrecht te verschaffen.
+
+[1] In de _Lettervruchten_ v. h. Taal- en Letterlievend
+ Studentengenootschap „Met Tijd en Vlijt”. Leuven 1892. P. 4.
+
+[2] P. ALBERDINGK THIJM, l. l., ib.
+
+Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare
+zusterwetenschappen—Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en
+Linguïstiek—deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als _vergelijkende_
+wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene
+reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven
+oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen,
+zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op
+te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene
+bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne
+oorspronkelijke beteekenis door te dringen.
+
+Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet
+duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr.
+G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van
+Joës a Leydis schuil gaat[3]: „Maar de verschijning van Sint-Nikolaas
+als _Bisschop_ pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken
+oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden
+_overal_ in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons
+eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping
+niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd
+toediende: „qui sua tantum mirantur.” Op zijn Hollandsch gezegd: die
+niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur,
+en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat.”
+
+[3] In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij
+ Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: _Sint Nikolaas,
+ zijn Feest en Gebruiken_. Zie _De Katholiek_, Dl. CXIII, p. 154.
+
+En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden,
+die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke
+bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit
+
+1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het
+feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij
+op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, _die
+niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te
+danken hebben_; en
+
+2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen
+verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H.
+Nikolaas in verband staat, als van _zuiver_ kristelijken oorsprong te
+beschouwen.
+
+Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering
+tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,—vaker door de
+overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene _moralis
+certitudo_ wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in
+den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan
+Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar,
+_het spoor der orthodoxie bijster te raken_.
+
+Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig
+versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek
+van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van _De Katholiek_.
+Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het
+katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze
+gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. „verkerstening” zijn er
+aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen
+heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd
+van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de
+behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen,
+zonder de eenheid van het geheel te schaden;—en toch is de mogelijkheid
+niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met
+de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak
+op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met
+de woorden: „aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te
+brengen”. In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal
+gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als
+_specimina_ dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek
+aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in
+eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene
+verhandeling over de „_Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg_”,
+Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap „Limburg” is gezegd.
+Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel
+gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te
+putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als
+bronnen kon aanhalen!
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+I.
+
+HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.
+
+ Sinte Klaas, die goede man,
+ Die ook alles bakken kan,
+ Suikergoed en taaie man,
+ Ja, daar krijg ik ook wat van.
+ (DR. EELCOO VERWIJS, _Sinterklaas_, 's Gravenhage,
+ 1863. P. 74.)
+
+
+Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest
+van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep
+in de waarlijk „onmisbare distinctie,” door Dr. Brom in zijn eerste
+artikel vastgesteld[4]. Zelfs dan, als de Kerk _wilde_ afschaffen,
+gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom
+uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den
+_Indiculus superstitionum et paganiarum_[5] na te gaan, en aldra zal
+men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. _De
+incantationibus_[6] (No 12), en _De divinis vel sortilegis_[7] (No 14)
+nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat
+zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag
+en St. Thomasdag vasthecht;—en aan _deze_ opvattingen en praktijken zal
+toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook
+vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten
+behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in
+het Limburgsche Folklore terug: _Qui exercent supersticiositates cum acu
+qua cadaver est consutum_[8].
+
+[4] L. L., p. 83.
+
+[5] Bij MORITZ HEIJNE, _Kleinere altniederdeutsche Denkmäler_.
+ Paderborn, 1877. Pp. 89, 90.
+
+[6] Over tooverij.
+
+[7] Over zieners en waarzeggers.
+
+[8] Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd
+ genaaid is. Bij HERMANN USENER, _Christlicher Festbrauch._
+ Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door
+ mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; _De Doode in het
+ Limburgsche Folklore_, in het Jaarboek van „Limburg”. I, p. 192.
+
+Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten
+van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het
+werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de
+Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar
+zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen
+al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge
+dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het
+dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het
+betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling
+van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.
+
+Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en
+bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op
+de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden,
+zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol.
+Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband
+hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven
+vasthouden, ofwel—wat waarschijnlijker is—met Weinhold en
+Phannenschmid, door Mogk gevolgd[9], het Germaansche jaar in vieren
+indeelen,—het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand
+ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde,
+begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest
+of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel
+in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt
+het tijdperk der „Twaalf Nachten” genoemd; onze oostelijke naburen
+spreken van de _Zwölften_, _Unternächte_, _Rauchnächte_ of _Losstage_.
+Volgens sommigen moet men door de _Rauchnächte_ de drie Donderdagen vóór
+Kerstmis verstaan[10]. De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6,
+25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord „Joel”, afkomstig van
+het Oud-Noordsche _jol_ (= _*jul_), hangt waarschijnlijk niet met het
+Angel-Saksische _hveol_ = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene
+Indo-Germaansche wortel JEKU, en beteekent „scherts”, „vroolijkheid”,
+zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het „jolige” bij
+uitstek was[11]. Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond
+in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der
+offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der
+afgestorvenen gebracht; en 2º—reden van œkonomischen aard—door de
+twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen,
+wanneer deze niet, zooals Tille beweert[12], zelfs de hoofdaanleiding
+tot de winterfeestviering gegeven hebben.
+
+[9] _Grundr. d. Germ. Philol._, her. v. H. PAUL. I, p. 1125.
+
+[10] WILHELM MANNHARDT, _Der Baumkultus der Germanen und ihrer
+ Nachbarstämme_. Berlin, 1875. P. 542.
+
+[11] Vgl. ELARD HUGO MEIJER, _Germanische Mythologie_. Berlin, 1891.
+ P. 197.
+
+[12] ALEXANDER TILLE, _Die Geschichte der Deutschen Weihnacht_.
+ Leipzig, 1893. P. 6 vlg.
+
+Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest,
+het _Góiblót_, in Februari, „til gródhrar” voor den wasdom, terwijl het
+„Joelfeest” daar in Januari viel, „til árs” voor den oogst[13].
+
+[13] MOGK, l. l., p. 1126; MEIJER, l. l., p. 196.
+
+Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van
+dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en
+Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat
+beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid
+golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt
+uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de
+voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als
+voorrijder, door het luchtruim joeg[14], dan krijgen wij een bijna
+aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat
+zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari
+uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen,
+welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,—St.
+Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30
+November), vooral St. Andreas_nacht_, St. Barbara (4 December),
+St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas
+(21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December),
+het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6
+Januari)—veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken
+van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die
+alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun
+huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en
+bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke
+overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking,
+zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat
+het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en
+door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke
+instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.
+
+[14] _Overblijfselen_, p. 10.
+
+Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat
+hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? „In unserem
+Volksglauben”, zegt Mogk[15] „sind in algemeinen die Opfer vergessen;
+gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach
+daran zu erinnern”; en Grimm[16] beschouwt als offerresten vooral „das
+reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen
+in das feuer, _backen und austheilen grosser brote oder kuchen_, und der
+reihetanz”. Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: „Der Weihnachtsschmaus
+trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden
+waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie
+die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen
+Tieren haben, deutlich bekunden”[17]. Men mag deze meening zijn
+toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den
+Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste
+smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.
+
+[15] L. L., I, p. 1125.
+
+[16] JACOB GRIMM, _Deutsche Mythologie_. Berlin, 1875 (Vierte Ausg.
+ bes. v. E. H. MEIJER) I. p. 35.
+
+[17] _Das festliche Jahr der Germanischen Völker_. Leipzig, 1898.
+ P. 4.
+
+Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St.
+Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk
+althans spreekt van _Martinsschmäusen_[18]. In het Freudenthal (Oostenr.
+Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond
+velerlei geschenken, maar vooral het _Martinshörndl_ mag niet
+ontbreken[19]. Met St. Andreas wordt te Reichenberg de _Andreaskranz_
+gebakken[20]. In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas
+reeds met het bakken van het _Klausenmannle_, een wittebrood in den vorm
+van een dansenden man[21]. Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land
+oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen.
+Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den
+vorm van pyramiden hebben; in het „Oberambt Ehingen” kleine, ronde
+suikerbroodjes, z. g. _Cloosen-Weckle_; te Dieburg (Hessen-Nassau)
+_Nicolaus-Lebkuchen_; te Leipzig _Pflaumentoffel_, eene eigenaardige
+lekkernij[22]. Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore
+eigenaardige Kerstbroodje van Geleen[23], en tweede Kerstdag, waarop de
+kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden[24];
+voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene
+zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden[25]. Ook zijn
+de _Weihnachtsstollen_ bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor
+brandstillend[26]. Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds
+een bijzonder soort brood[27]. Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak
+(„Nieuwjaarsmoppen”, aan den Rijn: „Neujahrskränzchen”) en de
+smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg)
+plaats vinden[28], en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen
+gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde
+meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de
+Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der
+aangehaalde Bartsch'sche verzameling[29]: „Die gegen Weihnachten
+gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach
+jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen
+sollen, _unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am
+Julfeste dargebracht wurden_ (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden
+von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch:
+Saffran=Pöppings”. Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan[30], met het
+oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)[31] zijn Wôdan
+vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als _symbolen
+der vruchtbaarheid_ in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der
+vruchtbaarheid geofferd. “Veel wind, veel ooft,” zegt een spreekwoord;
+wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen[32]. Vandaar 1º
+dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de
+winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter
+eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd[33];
+en 2º dat om redenen van œkonomischen aard dit feest bij de Germaansche
+plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het
+_heele Joeltijdperk_, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken
+in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens.
+Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. _Kinjes-Poppen_ meestal
+varkens voor[34]. In Zwaben bakt men met Kerstmis _Springerle_, d. i.
+koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het
+Noorden de _Julgalt_ gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak
+heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger
+een _Hörnstöter_ onder het voêr[35]. Ook in het Odenwald mengt men z. g.
+_Julkuchen_ onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te
+worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is[36]. Dit
+mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer
+een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan
+Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van
+zijn hamer den bliksem deed geboren worden[37]. Waarschijnlijk hebben
+wij hier te doen met No 26 van den _Indiculus superstitionum_:[38] _De
+simulacro de consparsa farina_[39]. Ook anderszins nog wordt zulk een
+_simulacrum_ vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid
+overtrokken blok, _Julbucken_ genoemd; en in Silezië snijdt men schapen
+en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met
+konijnsvel[40].
+
+[18] L. L., I, p. 1127.
+
+[19] THEODOR VERNALEKEN, _Mythen und Bräuche des Volken in
+ Oesterreich_. Wien, 1859. P. 62.
+
+[20] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l.l., p. 420.
+
+[21] DR. EUGEN SCHNELL, _Sanct Nicolaus, der heilige Bischof und
+ Kinderfreund_. Brünn, 1886. I. p. 17.
+
+[22] SCHNELL, l. l., I, pp. 46, 51, 62.
+
+[23] RUSSEL, _De heerlijkheid Geleen_, p. 73.
+
+[24] H. WELTERS, _Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in
+ Limburg_. Venloo, 1877. P. 12.
+
+[25] TILLE, l. l., p. 47.
+
+[26] MEIJER, l. l., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 24sten
+ December _Vulbuuksabend_ genoemd. Zie V. REINSBERG-DÜRINGSFELD,
+ l.l., p. 464.
+
+[27] TILLE, l. l., ib.
+
+[28] KARL BARTSCH, _Sagen, Märchen und Gebräuche aus Meklenburg_.
+ Wien, 1879. II, p. 250.
+
+[29] II, p. 227.
+
+[30] L. L., pp. 215, 218.
+
+[31] _Overblijfselen_, p. 15.
+
+[32] _Overblijfselen_, p. 22.
+
+[33] MOGK, l. l., I, pp. 1125, 1126. Op Nieuwjaarsnacht schiet men
+ in Meklenburg in de boomen, om ze vruchtbaar te maken (BARTSCH,
+ l.l., II. p. 232); tot dit doeleinde worden in Engeland de
+ boomen dien nacht met stokken geslagen (MANNHARDT, l. l., p.
+ 279). „Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel
+ vruchten dragen,” zegt men in Limburg; zoo ook: „Sneeuw in den
+ Kerstnacht geeft een goeden hopoogst.” En in Mecklenburg: „Als
+ in de _Zwölften_ de boomen zich bukken, komt er veel ooft.”
+ (BARTSCH, l. l., II, p. 250).
+
+[34] BARTSCH, l. l., II, p. 227.
+
+[35] BARTSCH, l. l., II, p. 241.
+
+[36] MEIJER, l. l., pp. 101, 103, 215, 211.
+
+[37] GRIMM, l. l., II, pp. 835, 1021. Daar de geloofsverkondigers de
+ afgoden als duivels voorstelden (_Overblijfselen_, pp. 5, 6,
+ 16, 19, 34) werd Hamer tot synoniem van Donar, zoo b. v. in de
+ verwensching: „Dass dîch der Hammer schlage!” De hamer is ook
+ het symbool der macht en vernieling.
+
+[38] HEIJNE, l. l., p. 90.
+
+[39] Over den vorm van koekdeeg.
+
+[40] SCHNELL, l. l., I, p. 65.
+
+De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr.
+Brom het zoo juist uitdrukt, „gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven
+wordt”[41].
+
+[41] L. L., p. 157.
+
+Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie
+Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen
+Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer
+zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet
+heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens
+blijkt[42]. Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg[43], in de
+Altmark[44] en in Oostenrijksch Silezië[45]; daar geeft men alsdan ook
+aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is
+St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de
+tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt[46], waar men als te
+Venloo, te Utrecht[47] en voorheen in Oostfriesland[48] met lantaarns en
+lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te
+IJperen, in heel het kanton Aalst[49] en voorheen te Augsburg[50]. Over
+de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St.
+Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest[51].
+
+[42] _Martinus, Bisschop der Galliërs_, in zijne _Tilburgsche
+ Avondstonden_. Amsterdam, 1850. Zie ook V.
+ REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 406.
+
+[43] BARTSCH, II, p. 222.
+
+[44] ADALBERT KUHN, _Märkische Sagen und Märchen_. Berlin, 1843.
+ P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een
+ St. Maartenslied mee, in de Altmark gezongen:
+
+ Märtiin Märtiins Vaegelken
+ Mett siin vergült Snaevelken!
+ Geft us watt un lat us gan,
+ Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz.
+
+[45] VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11.
+
+[46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 406, 408.
+
+[47] SCHOTEL, l. l., p. 55.
+
+[48] SCHNELL, l. l., I, p. 36.
+
+[49] BROM, l. l., p. 156.
+
+[50] TILLE, l. l., p. 28.
+
+[51] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 412, 414, 420.
+
+Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster
+van Sinterklaas[52]. De gebruiken van 6 December zijn overbekend;
+in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in
+Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en
+lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in
+de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz[53]. In Tirol speelt Lucia
+voor de meisjes de rol van Sinterklaas[54].
+
+[52] BROM, l. l., ib.
+
+[53] SCHNELL, l. l., I., pp. 22, 73, 78.
+
+[54] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 434.
+
+Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en
+eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons
+Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht
+der _Weihnachtsbescherung_ is door Tille geleverd[55]. In de
+Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep
+„heio” te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te
+Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op
+Nieuwjaarsdag[56]. In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari
+appelen, noten en peperkoek[57]. Eindelijk, met Driekoningen, gaan op
+verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de
+kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk[58].
+
+[55] L. L. pp. 189–219.
+
+[56] WELTERS, l. l., pp. 12, 13.
+
+[57] BARTSCH, l. l., p. 234.
+
+[58] Enkele soortgelijke gebruiken, die buiten dit tijdperk vallen,
+ zoo b. v. het „rijden” der Engelen op Palmzondag, staan
+ waarschijnlijk met het Lentefeest in verband.
+
+Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geven van geschenken in
+enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding,
+die door het verband tusschen „wind” en „vruchtbaarheid” in een helder
+daglicht treedt[59], en in de synonimie der termen „rijden” en „ten
+geschenke geven” hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook
+het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het
+Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des voorrijders der Wilde
+Jacht, des „gevers der goede gaven”, mag gescheiden worden. Iets meer
+dan de bloote namen van _Joel_tijd, _Joel_gebak, _Joel_bok, _Joel_knots,
+_Joel_stroo, _Joel_licht, _Joel_blok, enz. moet van het vóórkristelijke
+vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven. Beslister dan ooit blijf
+ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne _Overblijfselen_
+neerschreef[60]: „Mogt dan ook het geven van geschenken op
+Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van
+den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op
+Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden
+invloed op dit gebruik hebben uitgeoefend”.
+
+[59] Zie pp. 12, 13.
+
+[60] P. 28.
+
+Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toe hebben bijgedragen,
+het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna
+alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke,
+het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome's
+invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking
+gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders
+in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet[61]; in navolging der
+Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der
+week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het
+Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der
+_bivia_ en _trivia_ op onzen bodem overgeplant[62]. Met alle reden
+mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het
+Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is
+bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus „der dritte im Bunde”, wien
+ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende
+geschenken vereerden[63].
+
+[61] E. SIEVERS, _Grundr. d. Germ. Philol._, I, p. 246.
+
+[62] _De Doode_, enz., l. l., I, p. 191.
+
+[63] JORDAN-PRELLER, _Römische Mythologie_. Berlin, 1891. Pp. 179,
+ 180. Vgl. Ov., _Fast._, I, 71 vlg.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+II.
+
+SCHOORSTEEN EN SCHOEN.
+
+ Sint Niklaas, dou goede bloed!
+ Geefme een zakje vol suikergoed:
+ Niet te veel en niet te min.
+ Smijt het maar tot de schoorsteen in.
+
+ (EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).
+
+
+Sinterklaas werpt veelal zijne gaven, „rijdt” door den schoorsteen. Niet
+alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens
+gaven niet altijd even begeerenswaardig.
+
+Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman
+in den Harz den voorrijder het bekende „hoho” achterna. Daar valt
+plotseling een zwarte klomp _door den schoorsteen_, dat de vonken er van
+opstuiven[64].
+
+[64] GRIMM, l. l., II, p. 774.
+
+In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen
+de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te
+openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de
+Jager een zijner honden achter, die _door den schoorsteen_ op den haard
+viel[65].
+
+[65] BARTSCH, l. l., I, p. 17.
+
+Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud[66], evenals
+zijne gemalin Frija, onder de benaming van _Fru Gor_[67].
+
+[66] GRIMM, l. l., II, p. 770 vlg.; _Overblijfselen_, pp. 27, 28;
+ DR. L. KNAPPERT, _Folklore_. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.;
+ VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 38, 46. Goud als geschenk van
+ woudgeesten: MANNHARDT, l. l., pp. 142, 152.
+
+[67] BARTSCH, l. l., II, pp. 242, 243.
+
+Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld
+en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen,
+zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan
+wonder, dat hij eene groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op
+Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk
+bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te
+doorgronden[68]? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden
+opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den
+haard, het middelpunt des huisgezins, af[69].
+
+[68] BARTSCH, l. l., p. 237.
+
+[69] Niet slechts door den schoorsteen, ook door het _sleutelgat_
+ komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in
+ Folklore eene niet onbeduidende rol: om b.v. van ziekte genezen
+ te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen.
+ (BARTSCH, l. l., II, p. 103).
+
+Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan „den
+overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den
+overwinnaar van Diana” bij diens komst door den schoorsteen, een groote
+geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef.....
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+ * * * * *
+
+ Heiliger Sanct Nicolaus
+ Wir stell'n dir unsere Schuh' hinaus,
+ Leg uns doch was schönes ein,
+ Wir woll'n recht fromm und fleissig sein,
+
+zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden
+onze Nederlandsche _spes patriæ_. Onder den schoorsteen wordt de
+_schoen_ gezet: „een schoen bij iemand zetten” is synoniem van „iemand
+iets afbedelen”. Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige
+vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen
+beteekent, _Zopata_ genoemd[70]. Dat ons dit gebruik uit Spanje is
+overgewaaid, acht SCHNELL bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook
+ons geschenk dien naam dragen[71]. Daarenboven is Spanje een dier
+landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair
+was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid
+geene nadere verhouding van Nederland tot Spanje kan doen gelden; den
+schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en
+eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn.
+
+[70] BRANDT bij EELCOO VERWIJS, l. l., p. 19.
+
+[71] L. L., V, p. 42.
+
+Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven; doch al
+kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk
+nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië? Hij „zal wel
+op niets anders doelen dan op de legende der drie maagden”, zegt Eelcoo
+Verwijs[72]; de reden, dat nl. bedoelde maagden „bij het ontwaken
+telkens den schat onder hare kleederen, _als 't ware_[73] in de
+schoenen, vonden”, komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is
+in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te
+Salzburg[74], in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar[75].
+
+[72] L. L., p. 19.
+
+[73] Wij kursiveeren.
+
+[74] SCHNELL, l. l., p. 10.
+
+[75] SCHNELL, l. l., III, p. 60.
+
+De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Germaansche Folklore.
+Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wôdan, vult schoenen en
+laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm'sche
+verhaal[76] zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas
+geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd
+te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met
+goud voor[77].
+
+[76] L. L., II, pp. 770 vlg.
+
+[77] _Overblijfselen_, p. 28.
+
+Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in elken
+schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een
+slangentong in elken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie 's nachts
+ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt,
+wordt niet door den hond aangeblaft[78]. Op Kerst- en Silvesteravond
+werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen
+of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is
+weggelegd[79]. Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen
+zeer veel voor[80].
+
+[78] BARTSCH, l. l., II, 61, 349, 449.
+
+[79] VERNALEKEN, l. l., pp. 349, 350; BARTSCH, l. l., 236.
+
+[80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 438.
+
+Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats _om
+het voeder te bevatten „voor Sinterklaas zijn paard”_. In heel Limburg
+en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver
+en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie,
+Tirol en Vorarlberg[81]. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen
+van Duitschland en Skandinavië heerschende oogstgebruik, eenige halmen
+op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, _„voor
+Wōdan en zijn paard”_, dan dunkt me, dat de oorsprong van bedoeld
+Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. En zijn dan meer
+aanknoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden
+schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende
+der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het
+tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele,
+overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den
+god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een
+offer van hooi, dat immers reeds in de Edda „Sleipnis verdr”[82] genoemd
+wordt[83]. Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in
+een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld.
+
+[81] SCHNELL, l. l., p. 60.
+
+[82] Sleipnir's spijs.
+
+[83] _Overblijfselen_, l. l., p. 24.
+
+Maar laten we eenige feiten aangeven.
+
+In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op
+den akker eene gave „für Odens pferde” achterlieten[84]; in Beieren,
+in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den _Waudlgaul_
+bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de
+_Waudlhunde_, die den derden nacht komen en de gaven verslinden[85].
+Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons
+het best en volledigst door Bartsch[86] meegedeeld, reden, waarom wij
+het stuk hier in zijn geheel laten volgen:
+
+[84] GRIMM, l. l., I, p. 128.
+
+[85] Overblijfselen, l. l., p. 24.
+
+[86] L. L. l. l., pp. 307, 308.
+
+„Früher allgemein und theilweise noch jetzt liess man beim Abmähen des
+Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich
+dem Wode. Das älteste Zeugniss für diesen merkwürdigen Gebrauch enthält
+der ausführliche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem
+Ende des 16. Jahrhunderts. „„Im Heidendome,”” erzählt derselbe, „„hebben
+tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen,
+denn wenn de Roggenarne geendet, hefft man up den lesten Platz eins
+ydern Veldes einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan
+laten, dat sulwe baven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet
+unde besprenget, alle Meyers syn darumme hergetreden, ere Höde vom Koppe
+genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche
+upgerichtet, unde hebben den Wodendövel dremal semplick lud averall also
+angeropen unde gebeden:
+
+ Wode,
+ Hale dinem Rosse nu Voder,
+ Nu Distel und Dorn,
+ Thom andren Jhar beter Korn!
+
+Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch
+an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher
+avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne
+gespöret wert””.
+
+Diese Erzählung wird vollkommen bestätigt durch einen gleichzeitigen
+Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider
+nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es
+„„Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem
+letzten Humpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke
+Ackers ein klein Plätzlein oder, wie mans nennet, schurtzen sie oben
+an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan
+das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen
+beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts
+gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut:
+
+ Ho Wode, Ho Wode, du goder,
+ Hale dinem Rosse nu voder,
+ Hale nu Disteln und Dorn,
+ Thom andern Jar beter Korn!””
+
+Eben dieses Gebrauches erwähnt auch der Präpositus Frank zu Sternberg
+in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus
+Gryse als seinen Gewährsmann anführt, aber zugleich versichert, dass
+er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer
+Jugend erinnert hätten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abweichend so
+an:
+
+ Wode, Wode,
+ Hahl dinem Rosse nu Voder,
+ Nu Distel und Dorn,
+ Aechter Jahr bäter Korn!
+
+Zu Franck's Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser
+Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag
+unzweifelhafte Spuren desselben erhalten. Noch jetzt nämlich sind die
+angeführten Verse in den Dörfern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn
+auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte,
+am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen, wenn man ihn
+auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet.”
+
+In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst
+wordt[87]; volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een
+rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden:
+
+ „Wôld, Wôld, Wôld[88]!”
+
+[87] GRIMM, l. l., I, p. 128.
+
+[88] _Overblijfselen_, l. l, p. 24.
+
+Ook Wôdan's gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712
+verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder
+het roepen van: „Fru Gaue, haltet (_of_ halet) ju fauer[89]!” Te
+Kerstlingerode, in het Göttingsche, laat men den laatsten armvol aren
+ongemaaid staan „vor Fru Holle[90]”; in den omtrek van het voormalige
+klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van _Vergodendeelstruss_.
+Sommigen verklaren dit woord als „vergelding voor zwaren arbeid”,
+anderen, met Kuhn[91], als „Frô Goden Deel Struuss”. In deze laatste
+schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische
+beteekenis boven gesproken is[92].
+
+[89] Neem uw voêr in ontvangst (_of_ haal uw voêr). Zie MEIJER,
+ l. l., p. 291.
+
+[90] KNAPPERT, l. l., p. 173.
+
+[91] L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik
+ MANNHARDT, l. l., pp. 190, 213, 393, 396; GRIMM, l. l., I,
+ p. 209.
+
+[92] Zie p. 12.
+
+Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan „damit”,
+zooals men zeide, „de Waur Futter für sin Pferd finde”. Vergelijken wij
+nu hiermee het ook in Duitschland gebezigde: „Sankt Martin muss noch ein
+Heu für sein Rössl finden[93]”. De synonimie springt in het oog, schoon
+het in deze laatste uitdrukking niet _Waur_, noch Sinterklaas, maar St.
+Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest
+en de Sinterklaasviering uit. Te Müggelsheim (Altmark) gelooven de
+kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi
+voor de huisdeur[94]. Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij
+Stavenhagen eene schoof op buurmans grondgebied; stilzwijgend wordt de
+schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee
+de zegen van 's nabuurs vee over[95]. In Oostenrijksch Silezië wordt op
+Kerstavond het vee met weit en erwten gevoerd[96]; ook in Mecklenburg
+werd dien nacht eertijds _Haferloses_ (losse haver) als veevoeder op
+tafel gelegd[97]. Eindelijk, bij het haver _zaaien_ laten de boeren op
+den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het
+paard van koning Abel[98].
+
+[93] TILLE, l. l., p. 23.
+
+[94] KUHN, l. l., pp. 345, 346.
+
+[95] BARTSCH, l. l., II, p. 233.
+
+[96] MANNHARDT, l. l., p. 232. Over de erwten als symbool der
+ vruchtbaarheid in een volgend hoofdstuk.
+
+[97] BARTSCH, l. l., II, p. 227.
+
+[98] MEIJER, l. l., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de
+ Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk.
+
+Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken
+uit het feit, dat te Pölitz (Mecklenburg) het nabootsen van een
+schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op
+Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is[99]; dat
+het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den
+z. g. _Roggenbär_[100]; en eindelijk, dat men op beide tijden bijna
+algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen
+denken aan de _simulacra de pannis facta_[101], en aan het _simulacrun
+quod per campos portant_[102], resp. No 27 en 28 van den _Indiculus
+superstitionum_[103].
+
+[99] BARTSCH, l. l., II, p. 306.
+
+[100] MEIJER, l. l., p. 102; MANNHARDT, l. l., p. 421.
+
+[101] Poppen uit lompen.
+
+[102] Pop, die men door het veld draagt.
+
+[103] HEIJNE, l. l., p. 90.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+III.
+
+DE SCHIMMELRIJDER.[104]
+
+[104] Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (SCHNELL, l. l.,
+ II, p. 60).
+
+ Sinter Klaas, die goede heer,
+ Hij komt alle jaren weer,
+ Met zijn paardje voor den wagen,
+ Daar komt Sinte Klaas aan jagen.
+ (EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74).
+
+
+Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter
+op het hoofd[105], een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders
+geslagen[106], die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden
+hangt,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra
+voor.
+
+[105] Sinterclaes bisschop,
+ Settie _hooghe mutse_ op!
+ (Amsterdam.)
+
+[106] Sinterklôs Gods (good?) heilig man,
+ Trek dînen besten _tabberd_ aan.
+ (Venloo.)
+
+ Sint Niklaes, o heilige man,
+ Met uw _gespikkelden talfaerd_ aen.
+ (Oost-Vlaanderen.)
+
+Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den
+breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de wonderlans _Gûngnir_
+in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld,
+waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op
+zijn trouwen schimmel _Sleipnir_,—ziedaar het portret van Wôdan-Odhin,
+ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend.
+
+Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den
+Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige.—Volkomen
+juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de
+Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer
+zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en vooral,
+wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts
+op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van
+bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des
+Wilden Jagers, wedervindt? Wanneer er van den anderen kant heel wat
+goede wil, laat ik zeggen _esprit de système_ vereischt wordt, om
+de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde
+legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen? Zou het dan
+ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over
+te hellen? Ter zake dus.
+
+Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en
+huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir
+door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet
+vormt het Wôdansheer of de z. g. „Wilde Jacht”, die nog heden bij alle
+Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op
+verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In
+den Eiffel heet deze Jacht het _Wudes-_ of _Wodesheer_; in Zwaben het
+_Wutes-_ of _Mutesheer_; in den Elzas het _Wütenheer_ (men vergete niet,
+dat de naam _Wôdan_ van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het
+Oud-Hoogduitsche _wuot_, wat „woede” en „verstand” beteekent); in Zweden
+het _Odens här_. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk: „Oden far
+förbi”[107].
+
+[107] Odhin vaart voorbij.
+
+De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den
+naam van _Wode_, _Jaue_, _Goi_ of _Joe_, in Mecklenburg _Waur_, in
+Beieren _Wotn_, _Wutan_, _Wut_ of _Wode_[108]. In Zwaben worden hem,
+buiten de algemeene betiteling van _Schimmelreiter_, dezelfde bijnamen
+gegeven, waarmee men eertijds Wôdan placht aan te duiden: _Breithut_,
+_Langhut_, _Schlapphut_. In Oostenrijk is hij in een langen mantel
+gehuld en draagt een hoed met breeden rand[109]. Het zou echter eene
+dwaling zijn te meenen, dat het volk aan Wôdan het monopolie, den
+bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel
+Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens
+het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd,
+door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam
+Hackelberg[110], uit _hackel bärend_ „mantel dragend” verbasterd.
+Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van
+„Hänske met de hond”[111]. In Hessen is het de _Schnellertsgeist_[112].
+Veelal ook zijn het _historische persoonlijkheden_: In den Harz en
+in de Lausnitz _Dietrich von Bern_ (Theodorik de Groote) ook wel
+_Berndietrich_ genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam
+van _Banadietrich_[113]; te Eisleben _Eckhart_[114]; in Engeland
+koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel.
+Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den
+Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de
+XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl
+Roland het vaandel draagt[115].
+
+[108] MEYER, l. l., pp. 236, 237.
+
+[109] VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.
+
+[110] KUHN, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.
+
+[111] _Overblijfselen_, l. l., p. 12.
+
+[112] J. W. WOLF, _Hessische Sagen_. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.
+
+[113] VERNALEKEN, l. l., p. 41.
+
+[114] „Der treue Eckhart” of „Eckhart mit dem weissen Stab”. GRIMM,
+ l. l., II, pp. 779, 780.
+
+[115] GRIMM, l. l., II, pp. 779–788.
+
+Ook andere _Heiligen_, ja ook _Engelen_ deelen deze eer met den H.
+Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in
+Staffordshire noemt men nog heden de Wilde Jacht „Gabriel Hounds”, en te
+Lembeck in Westfalen „de Engelske Jagd”, d. i. de Jacht des Engels[116].
+Zoo ook St. Hubertus, „la chasse St. Hubert” (door ontleening); zoo
+vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone ikonografische
+voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel
+in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.:
+_Sintermerte_), van _Junker Marten_, volgens welke deze, door zijn
+knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint
+Maartensavond draagt in Duitschland den naam van _Martinsgestämpf_[117].
+
+[116] MANNHARDT, l. l., p. 251.
+
+[117] MEYER, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als
+voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen,
+zooals die, bedoeld door Prof. V. D. VLIET, _Tweemaandelijksch
+Tijdschrift_, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle
+geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en
+Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald _niet_ worden afgeleid uit
+het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v.
+SIMROCK, _Rheinsagen_. Bonn, 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. 22, 23,
+56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben
+aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en
+soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.
+
+De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Middeleeuwsche
+bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche
+bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, _legio_.
+Veeleer was de schimmel van Wôdan na de overwinning van het Kristendom
+in de IXde en Xde eeuw, toen het _werkelijk_ geloof aan een Wôdan was
+verloren gegaan, eene _res derelicta primi occupantis_, nog slechts
+bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich
+nog hier of daar in het Folklore vertoont[118], maar welke het niet
+moeielijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op
+dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het
+hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige
+geschiedenis of sage hadden gespeeld—Heiligen, koningen, legerhoofden
+en anderen—eene eereplaats gegund; en zoo heeft Wôdan's Sleipnir ook
+„als _substratum_ gediend voor de vereering van Sint Nicolaas”[119].
+
+[118] Zie p. 26.
+
+[119] BROM, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke
+ studie van den Bollandist J. VAN DEN GHEYN, getiteld: _Le
+ Personnage d'Arlequin_, in zijne _Essais de Mythologie et de
+ Philologie comparée_. Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107–131.
+
+Nog eene opmerking. Niet slechts _dat er sprake is_ van het paard des
+Heiligen; aan dit paard wordt als het ware _een zekere kultus gebracht_,
+die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang,
+dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde: _daar_
+had die vereering ook beteekenis, wijl Wôdan met zijn paard, beiden
+verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden.
+Beiden werden in één adem genoemd; „Oden und sein Pferd”, „Wôdan und
+sein Pferd” is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen,
+zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede,
+die in het Lubecksche z. g. _Schwerttanzspiel_ (stedelijke en landelijke
+tooneelvertooning) _Starkader_ in den mond wordt gelegd: „Heilige Wode,
+nû lên mi dîn pêrd”[120].
+
+[120] _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 13. De
+ _Schwerttanzspiele_ waren van de XVde tot XVIIde eeuw over
+ heel Duitschland verspreid.
+
+Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige
+wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het achtbeenig en wit; in
+het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig
+en zwart[121]. In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten
+op[122].
+
+[121] VERNALEKEN, l. l., pp. 34, 35, 50.
+
+[122] VERNALEKEN, l. l., p. 83.
+
+Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre
+tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te
+laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond[123]; aldus ook Wôdan en
+de Wilde Jager[124]. Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een
+hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, als deze uit
+den _Gudinsberg_ (_Wuodenesberg_) komt[125]. Van een Sinterklaas_wagen_
+spreken onze volksrijmpjes, en het Oostenrijksche Folklore[126]; van een
+wagen bedienen zich ook de Wilde Jager[127], St. Thomas en het
+Kerstkind[128]. De Wôdanswagen is genoegzaam bekend[129].
+
+[123] _Overblijfselen_, l. l., p. 14.
+
+[124] VERNALEKEN, l. l., p. 46.
+
+[125] MEYER, l. l., p. 242.
+
+[126] VERNALEKEN, l. l., p. 286.
+
+[127] VERNALEKEN, l. l., p. 55.
+
+[128] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 436, 453.
+
+[129] _Overblijfselen_, l. l., pp. 18, 19.
+
+Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H. Bisschop gewend,
+evenals Wôdan, die den bijnaam draagt van _vegtamr_ „aan verre tochten
+gewend”. Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en
+zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk
+schijnt voorheen _Engeland_, de _Insula pomorum_[130], geweest te
+zijn[131]; in onze Sinterklaasliedjes is het meestal _Spanje_, dan ook
+_Condé_:
+
+ Drie appelkens van _Condé_
+ Breng mijn broerkens ook wat mee.
+ (West-Vlaanderen).
+
+ Om appelkens van _Condé_
+ Breng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee.
+ (Oost-Vlaanderen)[132].
+
+[130] Het Appeleneiland.
+
+[131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77.
+
+[132] Ons „appeltjes van Oranje” is aan het Fransch ontleend. Bij
+ KILIAEN vindt men „aranienappel”, vgl. het _Ital._ arancio uit
+ het _Arab.-Perz._ nârandj.
+
+Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar _Picardië_:
+
+ Gank ût rije,
+ No 't lendje van _Picardië_[133].
+
+[133] MEYER, l. l., p. 256.
+
+Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is[134] zal het niemand
+verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van _Ebermann_
+draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den „gever van goed
+geluk”, en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De
+Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer
+verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en
+op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz
+en Ratibor met _St. Nikel_[135], te Osnabrück o. a. met Kerstmis en
+Nieuwjaar: de schimmel heet dan de „Spaansche hengst”[136]. Zoo ook
+in Mecklenburg[137]; te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op
+Kerstavond[138], evenals in Engeland. Zou het volgende nog op een
+samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? „Auf der
+Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf
+weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine
+schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus”. (BARTSCH, l. l.,
+I, p. 16).
+
+[134] Zie p. 12.
+
+[135] SCHNELL, l. l., I, pp. 65, 66.
+
+[136] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.
+
+[137] BARTSCH, l. l., II, pp. 224, 233, 234.
+
+[138] SCHNELL, l. l., I, p. 50.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+IV.
+
+VORMVERANDERINGEN.
+
+ Wie stout is of boos,
+ Sint Niklaas hoort alles,
+ Hij luistert altoos!
+ Hem kan men niet foppen,
+ Geloof mij oprecht,
+ Wat hij niet gezien heeft,
+ Vertelt hem zijn knecht.
+ (Uit SCHENKMAN'S prentenboek).
+
+
+Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal
+eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen
+vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de
+gevolgtrekking juist was.
+
+Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore
+verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:
+
+I. VAN HEIDENSCHEN OORSPRONG.
+
+1º _Wôdan_, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.
+
+2º _Hruodperaht_, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal
+onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde
+Jacht—gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel—en is,
+evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig
+en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem.
+
+3º _Perchta_ of _Bertha_[139], eene godin, die in karakter het meest met
+de godin Holda[140] overeenkomt. Als „die wilde Bertha” vaart zij door
+de lucht, en verleent vruchtbaarheid aan de akkers[141]. Haar heilig
+was de _Perchtenabend_, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen,
+witten sluier is zij gehuld[142]. Nog heden laat men in Tirol eten voor
+haar staan.
+
+[139] Zie p. 8.
+
+[140] Zie over deze godin KNAPPERT, l. l., pp. 123 vlg.
+
+[141] MOGK, l. l., pp. 1107, 1108.
+
+[142] Van haar en Holda stammen onze „Witte Juffers”. Somtijds
+ vertoont zij zich echter, onder den vorm van _Berchtel_,
+ in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl. V.
+ REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483.
+
+II. VAN KRISTELIJKEN OORSPRONG.
+
+1º De _H. Nikolaas_, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van
+Myra.
+
+2º De _H. Martinus_, bisschop van Tours, volksheilige.
+
+3º Het _Kerstkind_, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.
+
+4º De _H. Driekoningen_, die hunne offergaven aan de kribbe des
+Verlossers nederlegden.
+
+5º De _H. Lucia_, Maagd en Martelares.
+
+Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attributen van
+heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat
+kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke
+omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat
+men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische
+_centra_, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze
+heeft gekombineerd.
+
+1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door
+de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij
+_Junker Marten_[143]. In Zwaben noemt men hem _Pelzmärte_, vroeger
+in Beieren _Pelzmartle_. Deze samenstellingen met _Pelz-_ zijn niet
+zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene
+vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid
+heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den
+Joelbok.—
+
+[143] Zie p. 27.
+
+Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard[144]. In gezelschap van
+St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals
+blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682[145]. In het
+Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten
+allerlei geschenken aan grooten en kleinen[146]. In de Rijnprovincie,
+IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas[147].
+
+[144] Zie p. 23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn
+ blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooals
+ MEYER, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. WOLF toch
+ spreekt t. a. p. (_Niederländische Sagen_. Leipzig, 1843. P.
+ 435) uitdrukkelijk van „Martin, ein Sohn des Grafen von Namur,
+ der siebente Bischof von Tongern”.
+
+[145] BARTSCH, l. l., II, p. 222.
+
+[146] Zie p. 11.
+
+[147] Zie p. 14.
+
+2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een
+eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als
+bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een
+pelsmantel gehuld[148]. Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor
+den _Nikelmann_; ieder jaar haalt deze zich een offer[149]. Dergelijke
+sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens
+hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan
+vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld[150]. Duidelijk blijken
+althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton
+Wallis, volgens welke hij—evenals de berggeesten—uit de rotsspelonken
+te voorschijn komt[151]. In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hem
+_Pelznikel_ (ook wel _Nikel_ of _St. Nikel_). In Tirol heet de vooravond
+van Sinterklaas _Klaubautag_[152].
+
+[148] BROM, l. l., p. 155.
+
+[149] SCHNELL, l. l., I, p. 29.
+
+[150] Zie p. 13.
+
+[151] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
+
+[152] = _Klaubauftag_. _Klaubauf_ is de naam van den kobold.
+
+3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel[153], evenals
+Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel
+vindt voor zijn paard[154]. In het graafschap Rupin verschijnt een
+naamlooze ruiter op een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede
+figuur een grooten zak draagt, en de _Christmann_ of _Christpuppe_
+heet[155].
+
+[153] MEYER, l. l., p. 257.
+
+[154] POL DE MONT, _Dietsche Warande_, X, 1, 1897. P. 30.
+
+[155] KUHN, l. l., p. 346.
+
+4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van
+het Kerstkind voorzien, treedt _Hruodparaht_ op, óf zelfstandig, óf
+aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de
+Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, anders elders.
+De benaming _Ruprecht_ heeft als wisselvorm _Rupel_[156]; ook de Wilde
+Jager heet Ruprecht[157]. Op den _Hutberg_ bij Herrnhut huizen twee
+Wilde Jagers: _Ulrich Ruprecht_ en _Bernhard Dietrich_[158]. Het
+uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijnt
+Ruprecht als kwaadaardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en
+roedachtig dan is zijn gezicht zwart _van het roet_. Ook de zak op
+zijn rug is een roetzak: _Schmutzbartel_ heet hij om zijn roetachtig
+uitzicht. Ook de _Perchteln_ d. i. vermomde gestalten, die op
+_Perchtenabend_[159] rondloopen, de _Pfingstlümmel_ in het Ansbachsche,
+de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een
+roetig gezicht[160]. Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is „keineswegs
+bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise
+ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon[161] ein nicht
+sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein
+Schatten, ein Gespenst sei”[162].
+
+[156] GRIMM, l. l., I, p. 417.
+
+[157] MEYER, l. l., p. 237.
+
+[158] MEYER, l. l., p. 242.
+
+[159] Zie p. 33.
+
+[160] MANNHARDT, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.
+
+[161] Als het Grieksche δαίμων, half goddelijk, half menschelijk
+ wezen, op te vatten.
+
+[162] L. L. p. 322.
+
+In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en
+erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd
+ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark _der hele Christ_, _Ruprecht_
+of _Hans Ruprecht_; in Mecklenburg _der ru Clas_ of _Ruklas_ in de
+Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-Friesland _Clas_, _Glas Bur_, of
+_Buller Clas_. In Beieren kent men een goeden en kwaden _Klas_[163]. In
+de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante
+van _Klas Bur_ met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond,
+ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste
+loon of straf[164]. In Mecklenburg heet _Rug-klas_ „des heiligen
+Christ Vorposten”; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede
+voorzien[165]. Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam
+van _Schmutzli_[166]. In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet
+bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van _Huosecker_[167],
+in Tirol onder dien van de _Wauwe_[168]. Omstreeks het jaar 1850
+verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als
+_Hel-Niclas_, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens[169].
+Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: _Sparmundi_, _Pelzebub_,
+_Pelznikel_, _Butzemann_[170]. Dit _Butzemann_, waarmee men ons
+„boezeman” of „boeman” kan vergelijken, is eene benaming van
+den huisgeest[171]. _Pelzoppel_ heet hij in Hessen-Nassau. In
+Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw,
+_Berchtel_, _Buzebergt_ of _Eiserne Bertha_ genaamd; _Berchtel_ en
+_—bergt_ staan blijkbaar in betrekking tot den naam Perchta, evenals
+_—bartel_. In Oberhausen zei men eertijds: „Heut kommt der Klas, morgen
+de Buzebercht”[172]. In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December
+'s avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar de
+ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij
+zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij
+door een soort _Nikolo_ begeleid. „Da der Name der heiligen Lucia”, zegt
+v. Reinsberg-Düringsfeld[173], „welcher aus _lux_, Licht, entstanden
+sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist
+es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten
+Göttin angenommen hat.” Ook door _Wode_ wordt niet zelden de rol
+van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg[174]; in de Thuringsche
+kerstsage van de 17de eeuw doet dit „der treue Eckhart”[175]. Ook wordt
+Ruprecht veelal door den _Julbuk_ of _Julbock_ vervangen, d. i., een
+knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte
+_Klapperbock_[176]. In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen
+vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is
+reeds gesproken; over den ever insgelijks[177], zoodat het ons niet
+moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in
+erwtenstroo gehuld (_Erbsenbär_), die gedurende het Joeltijdperk plaats
+heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol
+verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: „Jemand einen Bären aufbinden”
+haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is
+_Nicolo_ vergezeld van _Bartel_, tot wien de kinderen roepen:
+
+ Bartel, Bartel, wilder Bär,
+ Leg mir ein, was i beger, enz.[178]
+
+Bartel wordt ook _Strohbartel_ genoemd; hier en daar draagt Ruprecht
+het epitheton _Strohbart_[179], als hij zich nl. in stroo gewikkeld
+vertoont.
+
+[163] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
+
+[164] KUHN, l. l., p. 345.
+
+[165] Zou tot deze verschijning wellicht _Klas Rugebart_ in betrekking
+ staan, die in het Lubecksche _Schwerttanzspiel_ voorkomt? Zie
+ _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 10.
+
+[166] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
+
+[167] SCHNELL, l. l., V, p. 59.
+
+[168] VERNALEKEN, l. l., p. 62.
+
+[169] TILLE, l. l., p. 49.
+
+[170] SCHNELL, l. l., I, p. 21.
+
+[171] MOGK, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naam _Klaubauf_, boven
+ p. 34.
+
+[172] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 433.
+
+[173] L. L. p. 434.
+
+[174] GRIMM, l. l., II, pp. 781, 782.
+
+[175] TILLE, l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27.
+
+[176] SCHNELL, l. l., I, p. 62.
+
+[177] Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie
+ MEYER, l. l., p. 244.
+
+[178] SCHNELL, l. l., I, p. 63.
+
+[179] GRIMM, l. l., III, p. 149.
+
+De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat
+het _erwten_stroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt
+vruchtbaarheidssymbool[180]. Om veel ooft te krijgen worden gedurende
+het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden;
+gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden[181]; op
+Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten
+eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen[182].
+In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door
+de kamerdeur[183]; gedurende de z. g. _Knöpflinsnächte_ (de
+Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland
+volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen
+den vensterruiten[184]. Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde
+bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: „In Zug
+in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel
+afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als
+bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en
+gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan
+eene _blaas met erwten_[185] was bevestigd”[186].
+
+[180] MEYER, l. l., p. 103.
+
+[181] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 464.
+
+[182] BARTSCH, l. l., II, p. 233.
+
+[183] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 453.
+
+[184] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 424, 425.
+
+[185] Wij kursiveeren.
+
+[186] L. L., p. 29.
+
+Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis
+hebben?
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+V.
+
+BEL EN ROEDE.
+
+ St. Niklasawen,
+ denn geit wi nâ baben,
+ _denn klingelt de klokken_,
+ denn danzen de poppen.
+ (MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2).
+
+
+Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas
+wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te
+voren in het kanton Bern[187]; in Hohenzollern trekken op den vooravond
+van het feest, mannen en vrouwen, z. g. _Niclause_, onder ketting- en
+belgerinkel door de straten[188]; in het kanton Unterwalden gaat eenige
+dagen te voren een als hanstworst gekleed man _Samichlausen-Geiggel_
+genaamd, met bellen van huis tot huis[189].
+
+[187] SCHNELL, l. l., I, p. 95.
+
+[188] SCHNELL, l. l., I, p. 22.
+
+[189] SCHNELL, l. l., I, p. 73.
+
+Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het
+volgende rijmpje:
+
+ Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,
+ Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan,
+ Geefftemen een beurs _met bellen_[190],
+ Soo sal ickje niet meer quellen,
+ So langhe als het God geliefft,
+ Heb ik Sinte Niclaesje lieff[191].
+
+[190] Wij kursiveeren.
+
+[191] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 73.
+
+Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker;
+daar hoort men:
+
+ Heilige Krist du gôde mann,
+ trek dîn besten tabbert an[192],
+ komm veer onse deer,
+ _klinger ons wat veer_[193].
+
+Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van _Klinggeest_[194] en
+_Klingjes_[195] draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt
+het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan[196].
+Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante,
+waarvan op blz. 35 sprake was—Ruprecht, Clas of anders geheeten—die
+met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie)
+is Hans Muff van bellen voorzien[197]; in Mecklenburg heet de
+Schimmelrijder _Klingklas_[198]; klokjes en belletjes draagt ook
+_Aschenklas_[199]. In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes
+op[200].
+
+[192] Volgens J. A. LEYDIS stelt de tabberd het pallium voor!
+
+[193] MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2.
+
+[194] MANNHARDT, l. l., p. 326.
+
+[195] BARTSCH, l. l., II, p. 224.
+
+[196] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 446, 453.
+
+[197] SCHNELL, l. l., I, p. 61.
+
+[198] BARTSCH, l. l., II, p. 324.
+
+[199] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448.
+
+[200] MEYER, l. l., p. 218.
+
+Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den _huisgeest_ eigen;
+niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit
+attribuut; Wôdan is trouwens de _Elfenkönig_ of _Ellenkönig_[201]. Een
+_Pück_ (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal[202], diende dertig
+volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken,
+stal en elders. Tot loon bedong hij: _tunicam de diversis coloribus et
+tintinnabulis plenam_[203]. In Schotland huisde eertijds een kobold, die
+den naam van _Shellycoat_ droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden
+veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn
+verwantschap met den lustigen huisgeest[204].
+
+[201] VAN DEN GHEYN, l. l., p. 115 vlg.
+
+[202] Bij GRIMM, l. l., I, pp. 423, 424.
+
+[203] Een veelkleurig kleed vol bellen.
+
+[204] GRIMM, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.
+
+Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen
+zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest—_Grüner Georg_,
+_Pfingstl_, _Pfigstbutz_, enz.—vertoont een roetgezicht en rinkelt met
+eene koeschel[205]. Gedurende de _Rauchnächte_ loopen de Perchteln met
+_koeschellen_ en _lange zweepen_ rond; op Kerstavond loopen op vele
+plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het
+dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming
+hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met
+paardenschellen[206]. De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid
+in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in
+het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente „das Gras
+ausläuten”, d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het
+gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met
+groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt
+men „den Langas (lente) wecken”[207].
+
+[205] MANNHARDT, l. l., p. 608.
+
+[206] MANNHARDT, l. l., pp. 542, 543.
+
+[207] MANNHARDT, l. l., p. 540.
+
+Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit[208], „dass Glocke und
+Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und
+eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten”. Kon de huisgeest
+als _geest_ zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen,
+te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische
+τρίζειν—de taal der geesten in het algemeen—bel en klok zijn hem wel
+als daemon der vruchtbaarheid eigen.
+
+[208] L. L., p. 327.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+ * * * * *
+
+ Ein Schatten schleichet um das Haus,
+ Und horch, welch Kettengeklirre!
+ Fürwahr das ist Sanct Nicolaus,
+ Das Ruthen-Männlein von Myra.
+ (SCHNELL, l. l., I, p. 15).
+
+Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten,
+Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken
+uitdeelen, zijn ook gewapend met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men
+de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk
+is dezer roede van _berkenhout_; in Tirol vindt men de hazelaarsgard,
+met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij
+op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt[209]. In Zwitserland draagt de
+H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een
+groene twijg[210]. Hiermee komt de z. g. _Martinsgerte_ overeen, die de
+Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter
+krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen
+alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide.
+Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:
+
+ Kommt der heilig St. Märten (Mirte)
+ Mit seiner Gerten;
+ _Soviel Kranewitbeeren,
+ Soviel Ochsen und Stiere.
+ Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_
+ Steckt sie hinter den Kühbarn,
+ So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,
+ Und steckt sie hinter die Stalltür,
+ Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.
+
+[209] MANNHARDT, l. l., p. 269.
+
+[210] TILLE, l. l., pp. 130, 131.
+
+En in Beneden-Oostenrijk:
+
+ Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;
+ _Soviel als die Rute Zweige hat,
+ Soviel soll auch der Bauer Vieh haben._
+ Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,
+ Steckt ihr 's wol auf ober der Wand,
+ Wol hinter das Dach,
+ Am Sankt Gregoriustag
+ Treibt das arme Vieh aus,
+ Durch alle Engeln aus[211].
+
+[211] MANNHARDT, l. l., pp. 273, 274; vgl. MEYER, l. l., p. 254.
+
+Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is
+haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd. Hetzelfde kan gezegd
+worden van de zweepen der Perchteln[212] en der boerenknapen, die te
+Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden
+trekken[213]. Zou dus de meening van Tille[214] het ware treffen,
+volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door
+het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak
+hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten
+toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den
+derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan,
+terwijl ze roepen:
+
+ _Frisches Grün! Langes Leben!_
+ Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben[215].
+
+[212] Zie p. 41.
+
+[213] VERNALEKEN, l. l., pp. 285, 286.
+
+[214] L. L., p. 195 et passim.
+
+[215] MANNHARDT, l. l., p. 265; TILLE, l. l., p. 196. Mannhardt vooral
+ heeft over dit onderwerp in zijn _Baumkultus_ onder den
+ titel van: „Der Schlag mit der Lebensrute” eene meesterlijk
+ gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de
+ daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden
+ samenhangen is eene _zuivere hypothese_, en we geven ze dan
+ ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik
+ der _Lupercalia_, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar
+ den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de
+ _Luperci_ zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden,
+ eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de
+ vruchtbaarheid in verband (JORDAN-PRELLER, l. l., p. 390),
+ zoodat de vrouwen den _Lupercis_ zelfs den weg versperden, om
+ zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II,
+ v. 4:
+ _Nec prodest agili palmas præbere luperco._
+
+ En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te
+ bieden.
+
+De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben _Pfeffertag_, wijl
+dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de
+voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen,
+noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens
+de meisjes met rozemarijnstengels, al zeggend:
+
+ Da komme ich her getreten
+ mit meiner frischen Gerten,
+ mit meinem frischen Mut.
+ Schmeckt der Pfeffertag gut?[216]
+
+[216] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 467.
+
+Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de
+afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van
+Sinterklaas toegediend, een „slag met de levensroede” moge geweest zijn!
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+ * * * * *
+
+En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest
+uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat
+er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere „mannen van naam en
+groote kennis”, die men „helaas ook in ons eigen vaderland” dezelfde
+meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter
+meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten:
+
+ De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat
+ sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage
+ met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het
+ volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan
+ door eene menigte van feiten worden gestaafd.
+
+Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës
+a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar
+mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en
+Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven,
+ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief
+worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft—op
+zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij
+ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven
+kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van
+kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast:
+de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering speelt,
+niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne
+slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de
+oogen van het kristelijke volk.
+
+Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen
+ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als
+dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet
+geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heeren _ware_ glorie, ter
+bestrijding van _wezenlijke_ dwaalbegrippen het slagzwaard dient te
+worden opgevat?
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Pagina.
+
+ VOORREDE 3
+
+ I. HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK 7
+
+ II. SCHOORSTEEN EN SCHOEN 17
+
+ III. DE SCHIMMELRIJDER 25
+
+ IV. VORMVERANDERINGEN 32
+
+ V. BEL EN ROEDE 39
+
+ BESLUIT 44
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ +-----------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: de Katholieken Fokloristen gevonden, |
+ | C: de Katholieken Folkloristen gevonden, |
+ | B: zich dit bijgeoof vooral |
+ | C: zich dit bijgeloof vooral |
+ | B: dichste stof der archieven |
+ | C: dichtste stof der archieven |
+ | B: speelden dan slecht eene ondergeschikte |
+ | C: speelden dan slechts eene ondergeschikte |
+ | B: „Joelfeest daar in Januari |
+ | C: „Joelfeest” daar in Januari |
+ | B: [16] JACOR GRIMM, _Deutsche |
+ | C: [16] JACOB GRIMM, _Deutsche |
+ | B: kinderen en volwassen op St. |
+ | C: kinderen en volwassenen op St. |
+ | B: Rijn: „Neujahrskränzchen) en de |
+ | C: Rijn: „Neujahrskränzchen”) en de |
+ | B: II. p. 252); tot dit doeleinde |
+ | C: II. p. 232); tot dit doeleinde |
+ | B: [41] L. L., p. 157, |
+ | C: [41] L. L., p. 157. |
+ | B: in de Altmark gezonden: |
+ | C: in de Altmark gezongen: |
+ | B: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 117. |
+ | C: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11. |
+ | B: [46] V, REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
+ | C: [46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
+ | B: zijn overgebleven, Beslister dan |
+ | C: zijn overgebleven. Beslister dan |
+ | B: „Mog dan ook het geven |
+ | C: „Mogt dan ook het geven |
+ | B: er krachtig toen hebben bijgedragen, |
+ | C: er krachtig toe hebben bijgedragen, |
+ | B: Berlin, 1891. Pp, 179, |
+ | C: Berlin, 1891. Pp. 179, |
+ | B: [80] REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
+ | C: [80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, |
+ | B: seinen Gewährsmann auführt, aber |
+ | C: seinen Gewährsmann anführt, aber |
+ | B: _Overblijfselen_, l. l, p. 24 |
+ | C: _Overblijfselen_, l. l, p. 24. |
+ | B: [99] BARTSCH, i. l., |
+ | C: [99] BARTSCH, l. l., |
+ | B: [109] VERN ALEKEN, l. l., |
+ | C: [109] VERNALEKEN, l. l., |
+ | B: Staffordhire noemt men nog |
+ | C: Staffordshire noemt men nog |
+ | B: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l, pp. |
+ | C: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. |
+ | B: lên mi dîn pêrd”[120] |
+ | C: lên mi dîn pêrd”[120]. |
+ | B: [131] EELCO VERWIJS, l. l., p. 77. |
+ | C: [131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77. |
+ | B: het _Arab-Perz._ nârandj. |
+ | C: het _Arab.-Perz._ nârandj. |
+ | B: REINSBERG DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. |
+ | C: REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. |
+ | B: verschijnsel voor, dat attribubuten van |
+ | C: verschijnsel voor, dat attributen van |
+ | B: [144] Zie p. 129. Dat de indruk |
+ | C: [144] Zie p. 23. Dat de indruk |
+ | B: Sinterklaas _Klaubautag_[152] |
+ | C: Sinterklaas _Klaubautag_[152]. |
+ | B: [150] Zie p. 3. |
+ | C: [150] Zie p. 13. |
+ | B: [155] KUHN, l. l., p 346. |
+ | C: [155] KUHN, l. l., p. 346. |
+ | B: Ruprecht als kwaad aardige elf, |
+ | C: Ruprecht als kwaadaardige elf, |
+ | B: [164] KUHN, l. l, p. 345. |
+ | C: [164] KUHN, l. l., p. 345. |
+ | B: [170] SCHNELL, l. l, I, p. 21. |
+ | C: [170] SCHNELL, l. l., I, p. 21. |
+ | B: p. 140. |
+ | C: p. 34. |
+ | B: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 133. |
+ | C: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27. |
+ | B: der vensterruiten[184]. Aldus |
+ | C: den vensterruiten[184]. Aldus |
+ | B: [186] L. L, p. 29. |
+ | C: [186] L. L., p. 29. |
+ | B: daart hoort men: |
+ | C: daar hoort men: |
+ | B: op blz. 142 sprake was—Ruprecht, |
+ | C: op blz. 35 sprake was—Ruprecht, |
+ | B: in Meckenburg heet de Schimmelrijder |
+ | C: in Mecklenburg heet de Schimmelrijder |
+ | B: [201] VAN DEN GHEYN, l. l, |
+ | C: [201] VAN DEN GHEYN, l. l., |
+ | B: 265; TILLE, l. l, p. 196. |
+ | C: 265; TILLE, l. l., p. 196. |
+ | B: treffen. Vgl. JUV. _Sat._ II, |
+ | C: treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, |
+ | B: rozemarijnstengels, al zeggen: |
+ | C: rozemarijnstengels, al zeggend: |
+ | |
+ +-----------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De H. Nikolaas in het folklore, by
+Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE ***
+
+***** This file should be named 38211-0.txt or 38211-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/2/1/38211/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.