diff options
Diffstat (limited to '38211-0.txt')
| -rw-r--r-- | 38211-0.txt | 2318 |
1 files changed, 2318 insertions, 0 deletions
diff --git a/38211-0.txt b/38211-0.txt new file mode 100644 index 0000000..d9455dd --- /dev/null +++ b/38211-0.txt @@ -0,0 +1,2318 @@ +The Project Gutenberg EBook of De H. Nikolaas in het folklore, by +Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De H. Nikolaas in het folklore + +Author: Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen + +Release Date: December 5, 2011 [EBook #38211] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | + | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de | + | verwijzing. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | + | MEYER/MEIJER. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | + | e-boek op http://www.gutenberg.org/ | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + DE H. NIKOLAAS + IN + HET FOLKLORE + + DOOR + + + Dr. JOS. SCHRIJNEN, + + _leeraar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond, + bibliothekaris van het Genootschap „Limburg”._ + + + [Illustratie: Limburgs provinciewapen] + + + ROERMOND, + + J. J. ROMEN EN ZONEN. + + 1898. + + + + +De H. Nicolaas in het Folklore. + + +„Folk-lore,” zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm[1], „is op alle gebied de +wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt +tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school! +Folk-lore in alle kunstuitingen!” En zoo is het Folklore in engeren zin, +dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en +gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen, +legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks, +niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die +uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des +tijds. Immers: „men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt +ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna +had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste +stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van _Folk-lore_ +bestempeld heeft, d. i. _volkskunde, volkswetenschap_.”[2] Aan hare +verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het +Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver +zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat +van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met +verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen +en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf—voor +het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der _Camden Society_ in het +Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt—had slechts enkele +tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch +burgerrecht te verschaffen. + +[1] In de _Lettervruchten_ v. h. Taal- en Letterlievend + Studentengenootschap „Met Tijd en Vlijt”. Leuven 1892. P. 4. + +[2] P. ALBERDINGK THIJM, l. l., ib. + +Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare +zusterwetenschappen—Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en +Linguïstiek—deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als _vergelijkende_ +wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene +reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven +oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, +zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op +te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene +bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne +oorspronkelijke beteekenis door te dringen. + +Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet +duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr. +G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van +Joës a Leydis schuil gaat[3]: „Maar de verschijning van Sint-Nikolaas +als _Bisschop_ pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken +oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden +_overal_ in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons +eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping +niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd +toediende: „qui sua tantum mirantur.” Op zijn Hollandsch gezegd: die +niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur, +en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat.” + +[3] In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij + Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: _Sint Nikolaas, + zijn Feest en Gebruiken_. Zie _De Katholiek_, Dl. CXIII, p. 154. + +En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden, +die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke +bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit + +1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het +feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij +op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, _die +niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te +danken hebben_; en + +2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen +verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H. +Nikolaas in verband staat, als van _zuiver_ kristelijken oorsprong te +beschouwen. + +Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering +tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,—vaker door de +overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene _moralis +certitudo_ wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in +den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan +Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar, +_het spoor der orthodoxie bijster te raken_. + +Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig +versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek +van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van _De Katholiek_. +Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het +katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze +gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. „verkerstening” zijn er +aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen +heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd +van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de +behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen, +zonder de eenheid van het geheel te schaden;—en toch is de mogelijkheid +niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met +de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak +op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met +de woorden: „aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te +brengen”. In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal +gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als +_specimina_ dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek +aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in +eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene +verhandeling over de „_Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg_”, +Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap „Limburg” is gezegd. +Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel +gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te +putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als +bronnen kon aanhalen! + +[Decoratieve illustratie] + + + + +I. + +HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK. + + Sinte Klaas, die goede man, + Die ook alles bakken kan, + Suikergoed en taaie man, + Ja, daar krijg ik ook wat van. + (DR. EELCOO VERWIJS, _Sinterklaas_, 's Gravenhage, + 1863. P. 74.) + + +Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest +van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep +in de waarlijk „onmisbare distinctie,” door Dr. Brom in zijn eerste +artikel vastgesteld[4]. Zelfs dan, als de Kerk _wilde_ afschaffen, +gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom +uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den +_Indiculus superstitionum et paganiarum_[5] na te gaan, en aldra zal +men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. _De +incantationibus_[6] (No 12), en _De divinis vel sortilegis_[7] (No 14) +nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat +zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag +en St. Thomasdag vasthecht;—en aan _deze_ opvattingen en praktijken zal +toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook +vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten +behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in +het Limburgsche Folklore terug: _Qui exercent supersticiositates cum acu +qua cadaver est consutum_[8]. + +[4] L. L., p. 83. + +[5] Bij MORITZ HEIJNE, _Kleinere altniederdeutsche Denkmäler_. + Paderborn, 1877. Pp. 89, 90. + +[6] Over tooverij. + +[7] Over zieners en waarzeggers. + +[8] Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd + genaaid is. Bij HERMANN USENER, _Christlicher Festbrauch._ + Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door + mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; _De Doode in het + Limburgsche Folklore_, in het Jaarboek van „Limburg”. I, p. 192. + +Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten +van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het +werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de +Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar +zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen +al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge +dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het +dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het +betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling +van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen. + +Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en +bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op +de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden, +zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol. +Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband +hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven +vasthouden, ofwel—wat waarschijnlijker is—met Weinhold en +Phannenschmid, door Mogk gevolgd[9], het Germaansche jaar in vieren +indeelen,—het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand +ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, +begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest +of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel +in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt +het tijdperk der „Twaalf Nachten” genoemd; onze oostelijke naburen +spreken van de _Zwölften_, _Unternächte_, _Rauchnächte_ of _Losstage_. +Volgens sommigen moet men door de _Rauchnächte_ de drie Donderdagen vóór +Kerstmis verstaan[10]. De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6, +25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord „Joel”, afkomstig van +het Oud-Noordsche _jol_ (= _*jul_), hangt waarschijnlijk niet met het +Angel-Saksische _hveol_ = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene +Indo-Germaansche wortel JEKU, en beteekent „scherts”, „vroolijkheid”, +zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het „jolige” bij +uitstek was[11]. Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond +in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der +offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der +afgestorvenen gebracht; en 2º—reden van œkonomischen aard—door de +twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, +wanneer deze niet, zooals Tille beweert[12], zelfs de hoofdaanleiding +tot de winterfeestviering gegeven hebben. + +[9] _Grundr. d. Germ. Philol._, her. v. H. PAUL. I, p. 1125. + +[10] WILHELM MANNHARDT, _Der Baumkultus der Germanen und ihrer + Nachbarstämme_. Berlin, 1875. P. 542. + +[11] Vgl. ELARD HUGO MEIJER, _Germanische Mythologie_. Berlin, 1891. + P. 197. + +[12] ALEXANDER TILLE, _Die Geschichte der Deutschen Weihnacht_. + Leipzig, 1893. P. 6 vlg. + +Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest, +het _Góiblót_, in Februari, „til gródhrar” voor den wasdom, terwijl het +„Joelfeest” daar in Januari viel, „til árs” voor den oogst[13]. + +[13] MOGK, l. l., p. 1126; MEIJER, l. l., p. 196. + +Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van +dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en +Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat +beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid +golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt +uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de +voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als +voorrijder, door het luchtruim joeg[14], dan krijgen wij een bijna +aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat +zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari +uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen, +welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,—St. +Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30 +November), vooral St. Andreas_nacht_, St. Barbara (4 December), +St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas +(21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December), +het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6 +Januari)—veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken +van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die +alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun +huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en +bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke +overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking, +zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat +het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en +door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke +instellingen en persoonlijkheden vastgehecht. + +[14] _Overblijfselen_, p. 10. + +Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat +hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? „In unserem +Volksglauben”, zegt Mogk[15] „sind in algemeinen die Opfer vergessen; +gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach +daran zu erinnern”; en Grimm[16] beschouwt als offerresten vooral „das +reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen +in das feuer, _backen und austheilen grosser brote oder kuchen_, und der +reihetanz”. Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: „Der Weihnachtsschmaus +trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden +waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie +die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen +Tieren haben, deutlich bekunden”[17]. Men mag deze meening zijn +toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den +Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste +smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden. + +[15] L. L., I, p. 1125. + +[16] JACOB GRIMM, _Deutsche Mythologie_. Berlin, 1875 (Vierte Ausg. + bes. v. E. H. MEIJER) I. p. 35. + +[17] _Das festliche Jahr der Germanischen Völker_. Leipzig, 1898. + P. 4. + +Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St. +Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk +althans spreekt van _Martinsschmäusen_[18]. In het Freudenthal (Oostenr. +Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond +velerlei geschenken, maar vooral het _Martinshörndl_ mag niet +ontbreken[19]. Met St. Andreas wordt te Reichenberg de _Andreaskranz_ +gebakken[20]. In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas +reeds met het bakken van het _Klausenmannle_, een wittebrood in den vorm +van een dansenden man[21]. Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land +oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen. +Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den +vorm van pyramiden hebben; in het „Oberambt Ehingen” kleine, ronde +suikerbroodjes, z. g. _Cloosen-Weckle_; te Dieburg (Hessen-Nassau) +_Nicolaus-Lebkuchen_; te Leipzig _Pflaumentoffel_, eene eigenaardige +lekkernij[22]. Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore +eigenaardige Kerstbroodje van Geleen[23], en tweede Kerstdag, waarop de +kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden[24]; +voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene +zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden[25]. Ook zijn +de _Weihnachtsstollen_ bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor +brandstillend[26]. Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds +een bijzonder soort brood[27]. Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak +(„Nieuwjaarsmoppen”, aan den Rijn: „Neujahrskränzchen”) en de +smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg) +plaats vinden[28], en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen +gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde +meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de +Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der +aangehaalde Bartsch'sche verzameling[29]: „Die gegen Weihnachten +gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach +jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen +sollen, _unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am +Julfeste dargebracht wurden_ (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden +von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch: +Saffran=Pöppings”. Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan[30], met het +oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)[31] zijn Wôdan +vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als _symbolen +der vruchtbaarheid_ in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der +vruchtbaarheid geofferd. “Veel wind, veel ooft,” zegt een spreekwoord; +wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen[32]. Vandaar 1º +dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de +winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter +eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd[33]; +en 2º dat om redenen van œkonomischen aard dit feest bij de Germaansche +plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het +_heele Joeltijdperk_, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken +in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens. +Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. _Kinjes-Poppen_ meestal +varkens voor[34]. In Zwaben bakt men met Kerstmis _Springerle_, d. i. +koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het +Noorden de _Julgalt_ gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak +heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger +een _Hörnstöter_ onder het voêr[35]. Ook in het Odenwald mengt men z. g. +_Julkuchen_ onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te +worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is[36]. Dit +mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer +een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan +Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van +zijn hamer den bliksem deed geboren worden[37]. Waarschijnlijk hebben +wij hier te doen met No 26 van den _Indiculus superstitionum_:[38] _De +simulacro de consparsa farina_[39]. Ook anderszins nog wordt zulk een +_simulacrum_ vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid +overtrokken blok, _Julbucken_ genoemd; en in Silezië snijdt men schapen +en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met +konijnsvel[40]. + +[18] L. L., I, p. 1127. + +[19] THEODOR VERNALEKEN, _Mythen und Bräuche des Volken in + Oesterreich_. Wien, 1859. P. 62. + +[20] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l.l., p. 420. + +[21] DR. EUGEN SCHNELL, _Sanct Nicolaus, der heilige Bischof und + Kinderfreund_. Brünn, 1886. I. p. 17. + +[22] SCHNELL, l. l., I, pp. 46, 51, 62. + +[23] RUSSEL, _De heerlijkheid Geleen_, p. 73. + +[24] H. WELTERS, _Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in + Limburg_. Venloo, 1877. P. 12. + +[25] TILLE, l. l., p. 47. + +[26] MEIJER, l. l., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 24sten + December _Vulbuuksabend_ genoemd. Zie V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, + l.l., p. 464. + +[27] TILLE, l. l., ib. + +[28] KARL BARTSCH, _Sagen, Märchen und Gebräuche aus Meklenburg_. + Wien, 1879. II, p. 250. + +[29] II, p. 227. + +[30] L. L., pp. 215, 218. + +[31] _Overblijfselen_, p. 15. + +[32] _Overblijfselen_, p. 22. + +[33] MOGK, l. l., I, pp. 1125, 1126. Op Nieuwjaarsnacht schiet men + in Meklenburg in de boomen, om ze vruchtbaar te maken (BARTSCH, + l.l., II. p. 232); tot dit doeleinde worden in Engeland de + boomen dien nacht met stokken geslagen (MANNHARDT, l. l., p. + 279). „Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel + vruchten dragen,” zegt men in Limburg; zoo ook: „Sneeuw in den + Kerstnacht geeft een goeden hopoogst.” En in Mecklenburg: „Als + in de _Zwölften_ de boomen zich bukken, komt er veel ooft.” + (BARTSCH, l. l., II, p. 250). + +[34] BARTSCH, l. l., II, p. 227. + +[35] BARTSCH, l. l., II, p. 241. + +[36] MEIJER, l. l., pp. 101, 103, 215, 211. + +[37] GRIMM, l. l., II, pp. 835, 1021. Daar de geloofsverkondigers de + afgoden als duivels voorstelden (_Overblijfselen_, pp. 5, 6, + 16, 19, 34) werd Hamer tot synoniem van Donar, zoo b. v. in de + verwensching: „Dass dîch der Hammer schlage!” De hamer is ook + het symbool der macht en vernieling. + +[38] HEIJNE, l. l., p. 90. + +[39] Over den vorm van koekdeeg. + +[40] SCHNELL, l. l., I, p. 65. + +De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr. +Brom het zoo juist uitdrukt, „gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven +wordt”[41]. + +[41] L. L., p. 157. + +Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie +Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen +Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer +zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet +heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens +blijkt[42]. Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg[43], in de +Altmark[44] en in Oostenrijksch Silezië[45]; daar geeft men alsdan ook +aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is +St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de +tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt[46], waar men als te +Venloo, te Utrecht[47] en voorheen in Oostfriesland[48] met lantaarns en +lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te +IJperen, in heel het kanton Aalst[49] en voorheen te Augsburg[50]. Over +de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St. +Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest[51]. + +[42] _Martinus, Bisschop der Galliërs_, in zijne _Tilburgsche + Avondstonden_. Amsterdam, 1850. Zie ook V. + REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 406. + +[43] BARTSCH, II, p. 222. + +[44] ADALBERT KUHN, _Märkische Sagen und Märchen_. Berlin, 1843. + P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een + St. Maartenslied mee, in de Altmark gezongen: + + Märtiin Märtiins Vaegelken + Mett siin vergült Snaevelken! + Geft us watt un lat us gan, + Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz. + +[45] VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11. + +[46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 406, 408. + +[47] SCHOTEL, l. l., p. 55. + +[48] SCHNELL, l. l., I, p. 36. + +[49] BROM, l. l., p. 156. + +[50] TILLE, l. l., p. 28. + +[51] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 412, 414, 420. + +Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster +van Sinterklaas[52]. De gebruiken van 6 December zijn overbekend; +in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in +Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en +lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in +de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz[53]. In Tirol speelt Lucia +voor de meisjes de rol van Sinterklaas[54]. + +[52] BROM, l. l., ib. + +[53] SCHNELL, l. l., I., pp. 22, 73, 78. + +[54] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 434. + +Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en +eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons +Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht +der _Weihnachtsbescherung_ is door Tille geleverd[55]. In de +Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep +„heio” te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te +Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op +Nieuwjaarsdag[56]. In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari +appelen, noten en peperkoek[57]. Eindelijk, met Driekoningen, gaan op +verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de +kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk[58]. + +[55] L. L. pp. 189–219. + +[56] WELTERS, l. l., pp. 12, 13. + +[57] BARTSCH, l. l., p. 234. + +[58] Enkele soortgelijke gebruiken, die buiten dit tijdperk vallen, + zoo b. v. het „rijden” der Engelen op Palmzondag, staan + waarschijnlijk met het Lentefeest in verband. + +Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geven van geschenken in +enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding, +die door het verband tusschen „wind” en „vruchtbaarheid” in een helder +daglicht treedt[59], en in de synonimie der termen „rijden” en „ten +geschenke geven” hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook +het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het +Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des voorrijders der Wilde +Jacht, des „gevers der goede gaven”, mag gescheiden worden. Iets meer +dan de bloote namen van _Joel_tijd, _Joel_gebak, _Joel_bok, _Joel_knots, +_Joel_stroo, _Joel_licht, _Joel_blok, enz. moet van het vóórkristelijke +vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven. Beslister dan ooit blijf +ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne _Overblijfselen_ +neerschreef[60]: „Mogt dan ook het geven van geschenken op +Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van +den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op +Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden +invloed op dit gebruik hebben uitgeoefend”. + +[59] Zie pp. 12, 13. + +[60] P. 28. + +Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toe hebben bijgedragen, +het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna +alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke, +het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome's +invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking +gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders +in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet[61]; in navolging der +Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der +week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het +Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der +_bivia_ en _trivia_ op onzen bodem overgeplant[62]. Met alle reden +mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het +Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is +bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus „der dritte im Bunde”, wien +ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende +geschenken vereerden[63]. + +[61] E. SIEVERS, _Grundr. d. Germ. Philol._, I, p. 246. + +[62] _De Doode_, enz., l. l., I, p. 191. + +[63] JORDAN-PRELLER, _Römische Mythologie_. Berlin, 1891. Pp. 179, + 180. Vgl. Ov., _Fast._, I, 71 vlg. + +[Decoratieve illustratie] + + + + +II. + +SCHOORSTEEN EN SCHOEN. + + Sint Niklaas, dou goede bloed! + Geefme een zakje vol suikergoed: + Niet te veel en niet te min. + Smijt het maar tot de schoorsteen in. + + (EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74). + + +Sinterklaas werpt veelal zijne gaven, „rijdt” door den schoorsteen. Niet +alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens +gaven niet altijd even begeerenswaardig. + +Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman +in den Harz den voorrijder het bekende „hoho” achterna. Daar valt +plotseling een zwarte klomp _door den schoorsteen_, dat de vonken er van +opstuiven[64]. + +[64] GRIMM, l. l., II, p. 774. + +In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen +de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te +openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de +Jager een zijner honden achter, die _door den schoorsteen_ op den haard +viel[65]. + +[65] BARTSCH, l. l., I, p. 17. + +Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud[66], evenals +zijne gemalin Frija, onder de benaming van _Fru Gor_[67]. + +[66] GRIMM, l. l., II, p. 770 vlg.; _Overblijfselen_, pp. 27, 28; + DR. L. KNAPPERT, _Folklore_. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.; + VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 38, 46. Goud als geschenk van + woudgeesten: MANNHARDT, l. l., pp. 142, 152. + +[67] BARTSCH, l. l., II, pp. 242, 243. + +Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld +en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen, +zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan +wonder, dat hij eene groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op +Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk +bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te +doorgronden[68]? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden +opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den +haard, het middelpunt des huisgezins, af[69]. + +[68] BARTSCH, l. l., p. 237. + +[69] Niet slechts door den schoorsteen, ook door het _sleutelgat_ + komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in + Folklore eene niet onbeduidende rol: om b.v. van ziekte genezen + te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen. + (BARTSCH, l. l., II, p. 103). + +Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan „den +overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den +overwinnaar van Diana” bij diens komst door den schoorsteen, een groote +geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef..... + +[Decoratieve illustratie] + + * * * * * + + Heiliger Sanct Nicolaus + Wir stell'n dir unsere Schuh' hinaus, + Leg uns doch was schönes ein, + Wir woll'n recht fromm und fleissig sein, + +zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden +onze Nederlandsche _spes patriæ_. Onder den schoorsteen wordt de +_schoen_ gezet: „een schoen bij iemand zetten” is synoniem van „iemand +iets afbedelen”. Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige +vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen +beteekent, _Zopata_ genoemd[70]. Dat ons dit gebruik uit Spanje is +overgewaaid, acht SCHNELL bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook +ons geschenk dien naam dragen[71]. Daarenboven is Spanje een dier +landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair +was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid +geene nadere verhouding van Nederland tot Spanje kan doen gelden; den +schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en +eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn. + +[70] BRANDT bij EELCOO VERWIJS, l. l., p. 19. + +[71] L. L., V, p. 42. + +Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven; doch al +kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk +nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië? Hij „zal wel +op niets anders doelen dan op de legende der drie maagden”, zegt Eelcoo +Verwijs[72]; de reden, dat nl. bedoelde maagden „bij het ontwaken +telkens den schat onder hare kleederen, _als 't ware_[73] in de +schoenen, vonden”, komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is +in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te +Salzburg[74], in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar[75]. + +[72] L. L., p. 19. + +[73] Wij kursiveeren. + +[74] SCHNELL, l. l., p. 10. + +[75] SCHNELL, l. l., III, p. 60. + +De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Germaansche Folklore. +Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wôdan, vult schoenen en +laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm'sche +verhaal[76] zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas +geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd +te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met +goud voor[77]. + +[76] L. L., II, pp. 770 vlg. + +[77] _Overblijfselen_, p. 28. + +Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in elken +schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een +slangentong in elken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie 's nachts +ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt, +wordt niet door den hond aangeblaft[78]. Op Kerst- en Silvesteravond +werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen +of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is +weggelegd[79]. Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen +zeer veel voor[80]. + +[78] BARTSCH, l. l., II, 61, 349, 449. + +[79] VERNALEKEN, l. l., pp. 349, 350; BARTSCH, l. l., 236. + +[80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 438. + +Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats _om +het voeder te bevatten „voor Sinterklaas zijn paard”_. In heel Limburg +en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver +en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie, +Tirol en Vorarlberg[81]. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen +van Duitschland en Skandinavië heerschende oogstgebruik, eenige halmen +op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, _„voor +Wōdan en zijn paard”_, dan dunkt me, dat de oorsprong van bedoeld +Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. En zijn dan meer +aanknoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden +schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende +der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het +tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele, +overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den +god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een +offer van hooi, dat immers reeds in de Edda „Sleipnis verdr”[82] genoemd +wordt[83]. Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in +een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld. + +[81] SCHNELL, l. l., p. 60. + +[82] Sleipnir's spijs. + +[83] _Overblijfselen_, l. l., p. 24. + +Maar laten we eenige feiten aangeven. + +In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op +den akker eene gave „für Odens pferde” achterlieten[84]; in Beieren, +in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den _Waudlgaul_ +bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de +_Waudlhunde_, die den derden nacht komen en de gaven verslinden[85]. +Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons +het best en volledigst door Bartsch[86] meegedeeld, reden, waarom wij +het stuk hier in zijn geheel laten volgen: + +[84] GRIMM, l. l., I, p. 128. + +[85] Overblijfselen, l. l., p. 24. + +[86] L. L. l. l., pp. 307, 308. + +„Früher allgemein und theilweise noch jetzt liess man beim Abmähen des +Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich +dem Wode. Das älteste Zeugniss für diesen merkwürdigen Gebrauch enthält +der ausführliche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem +Ende des 16. Jahrhunderts. „„Im Heidendome,”” erzählt derselbe, „„hebben +tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen, +denn wenn de Roggenarne geendet, hefft man up den lesten Platz eins +ydern Veldes einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan +laten, dat sulwe baven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet +unde besprenget, alle Meyers syn darumme hergetreden, ere Höde vom Koppe +genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche +upgerichtet, unde hebben den Wodendövel dremal semplick lud averall also +angeropen unde gebeden: + + Wode, + Hale dinem Rosse nu Voder, + Nu Distel und Dorn, + Thom andren Jhar beter Korn! + +Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch +an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher +avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne +gespöret wert””. + +Diese Erzählung wird vollkommen bestätigt durch einen gleichzeitigen +Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider +nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es +„„Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem +letzten Humpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke +Ackers ein klein Plätzlein oder, wie mans nennet, schurtzen sie oben +an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan +das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen +beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts +gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut: + + Ho Wode, Ho Wode, du goder, + Hale dinem Rosse nu voder, + Hale nu Disteln und Dorn, + Thom andern Jar beter Korn!”” + +Eben dieses Gebrauches erwähnt auch der Präpositus Frank zu Sternberg +in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus +Gryse als seinen Gewährsmann anführt, aber zugleich versichert, dass +er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer +Jugend erinnert hätten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abweichend so +an: + + Wode, Wode, + Hahl dinem Rosse nu Voder, + Nu Distel und Dorn, + Aechter Jahr bäter Korn! + +Zu Franck's Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser +Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag +unzweifelhafte Spuren desselben erhalten. Noch jetzt nämlich sind die +angeführten Verse in den Dörfern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn +auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte, +am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen, wenn man ihn +auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet.” + +In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst +wordt[87]; volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een +rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden: + + „Wôld, Wôld, Wôld[88]!” + +[87] GRIMM, l. l., I, p. 128. + +[88] _Overblijfselen_, l. l, p. 24. + +Ook Wôdan's gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712 +verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder +het roepen van: „Fru Gaue, haltet (_of_ halet) ju fauer[89]!” Te +Kerstlingerode, in het Göttingsche, laat men den laatsten armvol aren +ongemaaid staan „vor Fru Holle[90]”; in den omtrek van het voormalige +klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van _Vergodendeelstruss_. +Sommigen verklaren dit woord als „vergelding voor zwaren arbeid”, +anderen, met Kuhn[91], als „Frô Goden Deel Struuss”. In deze laatste +schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische +beteekenis boven gesproken is[92]. + +[89] Neem uw voêr in ontvangst (_of_ haal uw voêr). Zie MEIJER, + l. l., p. 291. + +[90] KNAPPERT, l. l., p. 173. + +[91] L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik + MANNHARDT, l. l., pp. 190, 213, 393, 396; GRIMM, l. l., I, + p. 209. + +[92] Zie p. 12. + +Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan „damit”, +zooals men zeide, „de Waur Futter für sin Pferd finde”. Vergelijken wij +nu hiermee het ook in Duitschland gebezigde: „Sankt Martin muss noch ein +Heu für sein Rössl finden[93]”. De synonimie springt in het oog, schoon +het in deze laatste uitdrukking niet _Waur_, noch Sinterklaas, maar St. +Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest +en de Sinterklaasviering uit. Te Müggelsheim (Altmark) gelooven de +kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi +voor de huisdeur[94]. Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij +Stavenhagen eene schoof op buurmans grondgebied; stilzwijgend wordt de +schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee +de zegen van 's nabuurs vee over[95]. In Oostenrijksch Silezië wordt op +Kerstavond het vee met weit en erwten gevoerd[96]; ook in Mecklenburg +werd dien nacht eertijds _Haferloses_ (losse haver) als veevoeder op +tafel gelegd[97]. Eindelijk, bij het haver _zaaien_ laten de boeren op +den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het +paard van koning Abel[98]. + +[93] TILLE, l. l., p. 23. + +[94] KUHN, l. l., pp. 345, 346. + +[95] BARTSCH, l. l., II, p. 233. + +[96] MANNHARDT, l. l., p. 232. Over de erwten als symbool der + vruchtbaarheid in een volgend hoofdstuk. + +[97] BARTSCH, l. l., II, p. 227. + +[98] MEIJER, l. l., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de + Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk. + +Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken +uit het feit, dat te Pölitz (Mecklenburg) het nabootsen van een +schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op +Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is[99]; dat +het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den +z. g. _Roggenbär_[100]; en eindelijk, dat men op beide tijden bijna +algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen +denken aan de _simulacra de pannis facta_[101], en aan het _simulacrun +quod per campos portant_[102], resp. No 27 en 28 van den _Indiculus +superstitionum_[103]. + +[99] BARTSCH, l. l., II, p. 306. + +[100] MEIJER, l. l., p. 102; MANNHARDT, l. l., p. 421. + +[101] Poppen uit lompen. + +[102] Pop, die men door het veld draagt. + +[103] HEIJNE, l. l., p. 90. + +[Decoratieve illustratie] + + + + +III. + +DE SCHIMMELRIJDER.[104] + +[104] Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (SCHNELL, l. l., + II, p. 60). + + Sinter Klaas, die goede heer, + Hij komt alle jaren weer, + Met zijn paardje voor den wagen, + Daar komt Sinte Klaas aan jagen. + (EELCOO VERWIJS, l. l., p. 74). + + +Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter +op het hoofd[105], een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders +geslagen[106], die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden +hangt,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra +voor. + +[105] Sinterclaes bisschop, + Settie _hooghe mutse_ op! + (Amsterdam.) + +[106] Sinterklôs Gods (good?) heilig man, + Trek dînen besten _tabberd_ aan. + (Venloo.) + + Sint Niklaes, o heilige man, + Met uw _gespikkelden talfaerd_ aen. + (Oost-Vlaanderen.) + +Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den +breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de wonderlans _Gûngnir_ +in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, +waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op +zijn trouwen schimmel _Sleipnir_,—ziedaar het portret van Wôdan-Odhin, +ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend. + +Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den +Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige.—Volkomen +juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de +Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer +zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en vooral, +wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts +op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van +bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des +Wilden Jagers, wedervindt? Wanneer er van den anderen kant heel wat +goede wil, laat ik zeggen _esprit de système_ vereischt wordt, om +de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde +legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen? Zou het dan +ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over +te hellen? Ter zake dus. + +Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en +huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir +door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet +vormt het Wôdansheer of de z. g. „Wilde Jacht”, die nog heden bij alle +Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op +verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In +den Eiffel heet deze Jacht het _Wudes-_ of _Wodesheer_; in Zwaben het +_Wutes-_ of _Mutesheer_; in den Elzas het _Wütenheer_ (men vergete niet, +dat de naam _Wôdan_ van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het +Oud-Hoogduitsche _wuot_, wat „woede” en „verstand” beteekent); in Zweden +het _Odens här_. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk: „Oden far +förbi”[107]. + +[107] Odhin vaart voorbij. + +De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den +naam van _Wode_, _Jaue_, _Goi_ of _Joe_, in Mecklenburg _Waur_, in +Beieren _Wotn_, _Wutan_, _Wut_ of _Wode_[108]. In Zwaben worden hem, +buiten de algemeene betiteling van _Schimmelreiter_, dezelfde bijnamen +gegeven, waarmee men eertijds Wôdan placht aan te duiden: _Breithut_, +_Langhut_, _Schlapphut_. In Oostenrijk is hij in een langen mantel +gehuld en draagt een hoed met breeden rand[109]. Het zou echter eene +dwaling zijn te meenen, dat het volk aan Wôdan het monopolie, den +bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel +Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens +het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd, +door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam +Hackelberg[110], uit _hackel bärend_ „mantel dragend” verbasterd. +Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van +„Hänske met de hond”[111]. In Hessen is het de _Schnellertsgeist_[112]. +Veelal ook zijn het _historische persoonlijkheden_: In den Harz en +in de Lausnitz _Dietrich von Bern_ (Theodorik de Groote) ook wel +_Berndietrich_ genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam +van _Banadietrich_[113]; te Eisleben _Eckhart_[114]; in Engeland +koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel. +Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den +Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de +XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl +Roland het vaandel draagt[115]. + +[108] MEYER, l. l., pp. 236, 237. + +[109] VERNALEKEN, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47. + +[110] KUHN, l. l., pp. 19, 25, 101, 187. + +[111] _Overblijfselen_, l. l., p. 12. + +[112] J. W. WOLF, _Hessische Sagen_. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21. + +[113] VERNALEKEN, l. l., p. 41. + +[114] „Der treue Eckhart” of „Eckhart mit dem weissen Stab”. GRIMM, + l. l., II, pp. 779, 780. + +[115] GRIMM, l. l., II, pp. 779–788. + +Ook andere _Heiligen_, ja ook _Engelen_ deelen deze eer met den H. +Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in +Staffordshire noemt men nog heden de Wilde Jacht „Gabriel Hounds”, en te +Lembeck in Westfalen „de Engelske Jagd”, d. i. de Jacht des Engels[116]. +Zoo ook St. Hubertus, „la chasse St. Hubert” (door ontleening); zoo +vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone ikonografische +voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel +in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.: +_Sintermerte_), van _Junker Marten_, volgens welke deze, door zijn +knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint +Maartensavond draagt in Duitschland den naam van _Martinsgestämpf_[117]. + +[116] MANNHARDT, l. l., p. 251. + +[117] MEYER, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als +voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen, +zooals die, bedoeld door Prof. V. D. VLIET, _Tweemaandelijksch +Tijdschrift_, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle +geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en +Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald _niet_ worden afgeleid uit +het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v. +SIMROCK, _Rheinsagen_. Bonn, 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. 22, 23, +56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben +aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en +soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld. + +De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Middeleeuwsche +bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche +bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, _legio_. +Veeleer was de schimmel van Wôdan na de overwinning van het Kristendom +in de IXde en Xde eeuw, toen het _werkelijk_ geloof aan een Wôdan was +verloren gegaan, eene _res derelicta primi occupantis_, nog slechts +bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich +nog hier of daar in het Folklore vertoont[118], maar welke het niet +moeielijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op +dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het +hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige +geschiedenis of sage hadden gespeeld—Heiligen, koningen, legerhoofden +en anderen—eene eereplaats gegund; en zoo heeft Wôdan's Sleipnir ook +„als _substratum_ gediend voor de vereering van Sint Nicolaas”[119]. + +[118] Zie p. 26. + +[119] BROM, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke + studie van den Bollandist J. VAN DEN GHEYN, getiteld: _Le + Personnage d'Arlequin_, in zijne _Essais de Mythologie et de + Philologie comparée_. Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107–131. + +Nog eene opmerking. Niet slechts _dat er sprake is_ van het paard des +Heiligen; aan dit paard wordt als het ware _een zekere kultus gebracht_, +die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang, +dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde: _daar_ +had die vereering ook beteekenis, wijl Wôdan met zijn paard, beiden +verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden. +Beiden werden in één adem genoemd; „Oden und sein Pferd”, „Wôdan und +sein Pferd” is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen, +zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede, +die in het Lubecksche z. g. _Schwerttanzspiel_ (stedelijke en landelijke +tooneelvertooning) _Starkader_ in den mond wordt gelegd: „Heilige Wode, +nû lên mi dîn pêrd”[120]. + +[120] _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 13. De + _Schwerttanzspiele_ waren van de XVde tot XVIIde eeuw over + heel Duitschland verspreid. + +Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige +wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het achtbeenig en wit; in +het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig +en zwart[121]. In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten +op[122]. + +[121] VERNALEKEN, l. l., pp. 34, 35, 50. + +[122] VERNALEKEN, l. l., p. 83. + +Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre +tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te +laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond[123]; aldus ook Wôdan en +de Wilde Jager[124]. Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een +hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, als deze uit +den _Gudinsberg_ (_Wuodenesberg_) komt[125]. Van een Sinterklaas_wagen_ +spreken onze volksrijmpjes, en het Oostenrijksche Folklore[126]; van een +wagen bedienen zich ook de Wilde Jager[127], St. Thomas en het +Kerstkind[128]. De Wôdanswagen is genoegzaam bekend[129]. + +[123] _Overblijfselen_, l. l., p. 14. + +[124] VERNALEKEN, l. l., p. 46. + +[125] MEYER, l. l., p. 242. + +[126] VERNALEKEN, l. l., p. 286. + +[127] VERNALEKEN, l. l., p. 55. + +[128] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 436, 453. + +[129] _Overblijfselen_, l. l., pp. 18, 19. + +Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H. Bisschop gewend, +evenals Wôdan, die den bijnaam draagt van _vegtamr_ „aan verre tochten +gewend”. Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en +zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk +schijnt voorheen _Engeland_, de _Insula pomorum_[130], geweest te +zijn[131]; in onze Sinterklaasliedjes is het meestal _Spanje_, dan ook +_Condé_: + + Drie appelkens van _Condé_ + Breng mijn broerkens ook wat mee. + (West-Vlaanderen). + + Om appelkens van _Condé_ + Breng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee. + (Oost-Vlaanderen)[132]. + +[130] Het Appeleneiland. + +[131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77. + +[132] Ons „appeltjes van Oranje” is aan het Fransch ontleend. Bij + KILIAEN vindt men „aranienappel”, vgl. het _Ital._ arancio uit + het _Arab.-Perz._ nârandj. + +Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar _Picardië_: + + Gank ût rije, + No 't lendje van _Picardië_[133]. + +[133] MEYER, l. l., p. 256. + +Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is[134] zal het niemand +verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van _Ebermann_ +draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den „gever van goed +geluk”, en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De +Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer +verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en +op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz +en Ratibor met _St. Nikel_[135], te Osnabrück o. a. met Kerstmis en +Nieuwjaar: de schimmel heet dan de „Spaansche hengst”[136]. Zoo ook +in Mecklenburg[137]; te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op +Kerstavond[138], evenals in Engeland. Zou het volgende nog op een +samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? „Auf der +Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf +weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine +schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus”. (BARTSCH, l. l., +I, p. 16). + +[134] Zie p. 12. + +[135] SCHNELL, l. l., I, pp. 65, 66. + +[136] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448. + +[137] BARTSCH, l. l., II, pp. 224, 233, 234. + +[138] SCHNELL, l. l., I, p. 50. + +[Decoratieve illustratie] + + + + +IV. + +VORMVERANDERINGEN. + + Wie stout is of boos, + Sint Niklaas hoort alles, + Hij luistert altoos! + Hem kan men niet foppen, + Geloof mij oprecht, + Wat hij niet gezien heeft, + Vertelt hem zijn knecht. + (Uit SCHENKMAN'S prentenboek). + + +Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal +eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen +vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de +gevolgtrekking juist was. + +Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore +verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk: + +I. VAN HEIDENSCHEN OORSPRONG. + +1º _Wôdan_, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid. + +2º _Hruodperaht_, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal +onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde +Jacht—gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel—en is, +evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig +en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem. + +3º _Perchta_ of _Bertha_[139], eene godin, die in karakter het meest met +de godin Holda[140] overeenkomt. Als „die wilde Bertha” vaart zij door +de lucht, en verleent vruchtbaarheid aan de akkers[141]. Haar heilig +was de _Perchtenabend_, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen, +witten sluier is zij gehuld[142]. Nog heden laat men in Tirol eten voor +haar staan. + +[139] Zie p. 8. + +[140] Zie over deze godin KNAPPERT, l. l., pp. 123 vlg. + +[141] MOGK, l. l., pp. 1107, 1108. + +[142] Van haar en Holda stammen onze „Witte Juffers”. Somtijds + vertoont zij zich echter, onder den vorm van _Berchtel_, + in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl. V. + REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. + +II. VAN KRISTELIJKEN OORSPRONG. + +1º De _H. Nikolaas_, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van +Myra. + +2º De _H. Martinus_, bisschop van Tours, volksheilige. + +3º Het _Kerstkind_, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt. + +4º De _H. Driekoningen_, die hunne offergaven aan de kribbe des +Verlossers nederlegden. + +5º De _H. Lucia_, Maagd en Martelares. + +Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attributen van +heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat +kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke +omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat +men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische +_centra_, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze +heeft gekombineerd. + +1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door +de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij +_Junker Marten_[143]. In Zwaben noemt men hem _Pelzmärte_, vroeger +in Beieren _Pelzmartle_. Deze samenstellingen met _Pelz-_ zijn niet +zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene +vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid +heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den +Joelbok.— + +[143] Zie p. 27. + +Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard[144]. In gezelschap van +St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals +blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682[145]. In het +Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten +allerlei geschenken aan grooten en kleinen[146]. In de Rijnprovincie, +IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas[147]. + +[144] Zie p. 23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn + blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooals + MEYER, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. WOLF toch + spreekt t. a. p. (_Niederländische Sagen_. Leipzig, 1843. P. + 435) uitdrukkelijk van „Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, + der siebente Bischof von Tongern”. + +[145] BARTSCH, l. l., II, p. 222. + +[146] Zie p. 11. + +[147] Zie p. 14. + +2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een +eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als +bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een +pelsmantel gehuld[148]. Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor +den _Nikelmann_; ieder jaar haalt deze zich een offer[149]. Dergelijke +sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens +hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan +vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld[150]. Duidelijk blijken +althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton +Wallis, volgens welke hij—evenals de berggeesten—uit de rotsspelonken +te voorschijn komt[151]. In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hem +_Pelznikel_ (ook wel _Nikel_ of _St. Nikel_). In Tirol heet de vooravond +van Sinterklaas _Klaubautag_[152]. + +[148] BROM, l. l., p. 155. + +[149] SCHNELL, l. l., I, p. 29. + +[150] Zie p. 13. + +[151] SCHNELL, l. l., I, p. 73. + +[152] = _Klaubauftag_. _Klaubauf_ is de naam van den kobold. + +3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel[153], evenals +Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel +vindt voor zijn paard[154]. In het graafschap Rupin verschijnt een +naamlooze ruiter op een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede +figuur een grooten zak draagt, en de _Christmann_ of _Christpuppe_ +heet[155]. + +[153] MEYER, l. l., p. 257. + +[154] POL DE MONT, _Dietsche Warande_, X, 1, 1897. P. 30. + +[155] KUHN, l. l., p. 346. + +4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van +het Kerstkind voorzien, treedt _Hruodparaht_ op, óf zelfstandig, óf +aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de +Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, anders elders. +De benaming _Ruprecht_ heeft als wisselvorm _Rupel_[156]; ook de Wilde +Jager heet Ruprecht[157]. Op den _Hutberg_ bij Herrnhut huizen twee +Wilde Jagers: _Ulrich Ruprecht_ en _Bernhard Dietrich_[158]. Het +uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijnt +Ruprecht als kwaadaardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en +roedachtig dan is zijn gezicht zwart _van het roet_. Ook de zak op +zijn rug is een roetzak: _Schmutzbartel_ heet hij om zijn roetachtig +uitzicht. Ook de _Perchteln_ d. i. vermomde gestalten, die op +_Perchtenabend_[159] rondloopen, de _Pfingstlümmel_ in het Ansbachsche, +de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een +roetig gezicht[160]. Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is „keineswegs +bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise +ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon[161] ein nicht +sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein +Schatten, ein Gespenst sei”[162]. + +[156] GRIMM, l. l., I, p. 417. + +[157] MEYER, l. l., p. 237. + +[158] MEYER, l. l., p. 242. + +[159] Zie p. 33. + +[160] MANNHARDT, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548. + +[161] Als het Grieksche δαίμων, half goddelijk, half menschelijk + wezen, op te vatten. + +[162] L. L. p. 322. + +In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en +erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd +ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark _der hele Christ_, _Ruprecht_ +of _Hans Ruprecht_; in Mecklenburg _der ru Clas_ of _Ruklas_ in de +Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-Friesland _Clas_, _Glas Bur_, of +_Buller Clas_. In Beieren kent men een goeden en kwaden _Klas_[163]. In +de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante +van _Klas Bur_ met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond, +ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste +loon of straf[164]. In Mecklenburg heet _Rug-klas_ „des heiligen +Christ Vorposten”; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede +voorzien[165]. Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam +van _Schmutzli_[166]. In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet +bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van _Huosecker_[167], +in Tirol onder dien van de _Wauwe_[168]. Omstreeks het jaar 1850 +verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als +_Hel-Niclas_, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens[169]. +Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: _Sparmundi_, _Pelzebub_, +_Pelznikel_, _Butzemann_[170]. Dit _Butzemann_, waarmee men ons +„boezeman” of „boeman” kan vergelijken, is eene benaming van +den huisgeest[171]. _Pelzoppel_ heet hij in Hessen-Nassau. In +Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw, +_Berchtel_, _Buzebergt_ of _Eiserne Bertha_ genaamd; _Berchtel_ en +_—bergt_ staan blijkbaar in betrekking tot den naam Perchta, evenals +_—bartel_. In Oberhausen zei men eertijds: „Heut kommt der Klas, morgen +de Buzebercht”[172]. In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December +'s avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar de +ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij +zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij +door een soort _Nikolo_ begeleid. „Da der Name der heiligen Lucia”, zegt +v. Reinsberg-Düringsfeld[173], „welcher aus _lux_, Licht, entstanden +sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist +es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten +Göttin angenommen hat.” Ook door _Wode_ wordt niet zelden de rol +van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg[174]; in de Thuringsche +kerstsage van de 17de eeuw doet dit „der treue Eckhart”[175]. Ook wordt +Ruprecht veelal door den _Julbuk_ of _Julbock_ vervangen, d. i., een +knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte +_Klapperbock_[176]. In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen +vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is +reeds gesproken; over den ever insgelijks[177], zoodat het ons niet +moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in +erwtenstroo gehuld (_Erbsenbär_), die gedurende het Joeltijdperk plaats +heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol +verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: „Jemand einen Bären aufbinden” +haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is +_Nicolo_ vergezeld van _Bartel_, tot wien de kinderen roepen: + + Bartel, Bartel, wilder Bär, + Leg mir ein, was i beger, enz.[178] + +Bartel wordt ook _Strohbartel_ genoemd; hier en daar draagt Ruprecht +het epitheton _Strohbart_[179], als hij zich nl. in stroo gewikkeld +vertoont. + +[163] SCHNELL, l. l., I, p. 22. + +[164] KUHN, l. l., p. 345. + +[165] Zou tot deze verschijning wellicht _Klas Rugebart_ in betrekking + staan, die in het Lubecksche _Schwerttanzspiel_ voorkomt? Zie + _Zeitschr. für deutsches Altertum_, XX, p. 10. + +[166] SCHNELL, l. l., I, p. 73. + +[167] SCHNELL, l. l., V, p. 59. + +[168] VERNALEKEN, l. l., p. 62. + +[169] TILLE, l. l., p. 49. + +[170] SCHNELL, l. l., I, p. 21. + +[171] MOGK, l. l., p. 1034. Vergelijk ook den naam _Klaubauf_, boven + p. 34. + +[172] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 433. + +[173] L. L. p. 434. + +[174] GRIMM, l. l., II, pp. 781, 782. + +[175] TILLE, l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27. + +[176] SCHNELL, l. l., I, p. 62. + +[177] Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie + MEYER, l. l., p. 244. + +[178] SCHNELL, l. l., I, p. 63. + +[179] GRIMM, l. l., III, p. 149. + +De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat +het _erwten_stroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt +vruchtbaarheidssymbool[180]. Om veel ooft te krijgen worden gedurende +het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden; +gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden[181]; op +Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten +eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen[182]. +In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door +de kamerdeur[183]; gedurende de z. g. _Knöpflinsnächte_ (de +Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland +volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen +den vensterruiten[184]. Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde +bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: „In Zug +in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel +afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als +bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en +gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan +eene _blaas met erwten_[185] was bevestigd”[186]. + +[180] MEYER, l. l., p. 103. + +[181] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 464. + +[182] BARTSCH, l. l., II, p. 233. + +[183] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 453. + +[184] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 424, 425. + +[185] Wij kursiveeren. + +[186] L. L., p. 29. + +Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis +hebben? + +[Decoratieve illustratie] + + + + +V. + +BEL EN ROEDE. + + St. Niklasawen, + denn geit wi nâ baben, + _denn klingelt de klokken_, + denn danzen de poppen. + (MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2). + + +Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas +wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te +voren in het kanton Bern[187]; in Hohenzollern trekken op den vooravond +van het feest, mannen en vrouwen, z. g. _Niclause_, onder ketting- en +belgerinkel door de straten[188]; in het kanton Unterwalden gaat eenige +dagen te voren een als hanstworst gekleed man _Samichlausen-Geiggel_ +genaamd, met bellen van huis tot huis[189]. + +[187] SCHNELL, l. l., I, p. 95. + +[188] SCHNELL, l. l., I, p. 22. + +[189] SCHNELL, l. l., I, p. 73. + +Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het +volgende rijmpje: + + Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man, + Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan, + Geefftemen een beurs _met bellen_[190], + Soo sal ickje niet meer quellen, + So langhe als het God geliefft, + Heb ik Sinte Niclaesje lieff[191]. + +[190] Wij kursiveeren. + +[191] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 73. + +Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker; +daar hoort men: + + Heilige Krist du gôde mann, + trek dîn besten tabbert an[192], + komm veer onse deer, + _klinger ons wat veer_[193]. + +Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van _Klinggeest_[194] en +_Klingjes_[195] draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt +het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan[196]. +Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante, +waarvan op blz. 35 sprake was—Ruprecht, Clas of anders geheeten—die +met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie) +is Hans Muff van bellen voorzien[197]; in Mecklenburg heet de +Schimmelrijder _Klingklas_[198]; klokjes en belletjes draagt ook +_Aschenklas_[199]. In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes +op[200]. + +[192] Volgens J. A. LEYDIS stelt de tabberd het pallium voor! + +[193] MANNHARDT, l. l., p. 327 Aanm. 2. + +[194] MANNHARDT, l. l., p. 326. + +[195] BARTSCH, l. l., II, p. 224. + +[196] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., pp. 446, 453. + +[197] SCHNELL, l. l., I, p. 61. + +[198] BARTSCH, l. l., II, p. 324. + +[199] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 448. + +[200] MEYER, l. l., p. 218. + +Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den _huisgeest_ eigen; +niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit +attribuut; Wôdan is trouwens de _Elfenkönig_ of _Ellenkönig_[201]. Een +_Pück_ (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal[202], diende dertig +volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken, +stal en elders. Tot loon bedong hij: _tunicam de diversis coloribus et +tintinnabulis plenam_[203]. In Schotland huisde eertijds een kobold, die +den naam van _Shellycoat_ droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden +veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn +verwantschap met den lustigen huisgeest[204]. + +[201] VAN DEN GHEYN, l. l., p. 115 vlg. + +[202] Bij GRIMM, l. l., I, pp. 423, 424. + +[203] Een veelkleurig kleed vol bellen. + +[204] GRIMM, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148. + +Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen +zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest—_Grüner Georg_, +_Pfingstl_, _Pfigstbutz_, enz.—vertoont een roetgezicht en rinkelt met +eene koeschel[205]. Gedurende de _Rauchnächte_ loopen de Perchteln met +_koeschellen_ en _lange zweepen_ rond; op Kerstavond loopen op vele +plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het +dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming +hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met +paardenschellen[206]. De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid +in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in +het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente „das Gras +ausläuten”, d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het +gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met +groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt +men „den Langas (lente) wecken”[207]. + +[205] MANNHARDT, l. l., p. 608. + +[206] MANNHARDT, l. l., pp. 542, 543. + +[207] MANNHARDT, l. l., p. 540. + +Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit[208], „dass Glocke und +Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und +eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten”. Kon de huisgeest +als _geest_ zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen, +te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische +τρίζειν—de taal der geesten in het algemeen—bel en klok zijn hem wel +als daemon der vruchtbaarheid eigen. + +[208] L. L., p. 327. + +[Decoratieve illustratie] + + * * * * * + + Ein Schatten schleichet um das Haus, + Und horch, welch Kettengeklirre! + Fürwahr das ist Sanct Nicolaus, + Das Ruthen-Männlein von Myra. + (SCHNELL, l. l., I, p. 15). + +Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten, +Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken +uitdeelen, zijn ook gewapend met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men +de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk +is dezer roede van _berkenhout_; in Tirol vindt men de hazelaarsgard, +met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij +op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt[209]. In Zwitserland draagt de +H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een +groene twijg[210]. Hiermee komt de z. g. _Martinsgerte_ overeen, die de +Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter +krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen +alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. +Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk: + + Kommt der heilig St. Märten (Mirte) + Mit seiner Gerten; + _Soviel Kranewitbeeren, + Soviel Ochsen und Stiere. + Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_ + Steckt sie hinter den Kühbarn, + So wird auf's Jahr keine Kuh verloren, + Und steckt sie hinter die Stalltür, + Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür. + +[209] MANNHARDT, l. l., p. 269. + +[210] TILLE, l. l., pp. 130, 131. + +En in Beneden-Oostenrijk: + + Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten; + _Soviel als die Rute Zweige hat, + Soviel soll auch der Bauer Vieh haben._ + Nehmt ihr die Ruten in eure Hand, + Steckt ihr 's wol auf ober der Wand, + Wol hinter das Dach, + Am Sankt Gregoriustag + Treibt das arme Vieh aus, + Durch alle Engeln aus[211]. + +[211] MANNHARDT, l. l., pp. 273, 274; vgl. MEYER, l. l., p. 254. + +Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is +haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd. Hetzelfde kan gezegd +worden van de zweepen der Perchteln[212] en der boerenknapen, die te +Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden +trekken[213]. Zou dus de meening van Tille[214] het ware treffen, +volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door +het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak +hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten +toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den +derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan, +terwijl ze roepen: + + _Frisches Grün! Langes Leben!_ + Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben[215]. + +[212] Zie p. 41. + +[213] VERNALEKEN, l. l., pp. 285, 286. + +[214] L. L., p. 195 et passim. + +[215] MANNHARDT, l. l., p. 265; TILLE, l. l., p. 196. Mannhardt vooral + heeft over dit onderwerp in zijn _Baumkultus_ onder den + titel van: „Der Schlag mit der Lebensrute” eene meesterlijk + gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de + daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden + samenhangen is eene _zuivere hypothese_, en we geven ze dan + ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik + der _Lupercalia_, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar + den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de + _Luperci_ zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, + eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de + vruchtbaarheid in verband (JORDAN-PRELLER, l. l., p. 390), + zoodat de vrouwen den _Lupercis_ zelfs den weg versperden, om + zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, + v. 4: + _Nec prodest agili palmas præbere luperco._ + + En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te + bieden. + +De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben _Pfeffertag_, wijl +dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de +voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen, +noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens +de meisjes met rozemarijnstengels, al zeggend: + + Da komme ich her getreten + mit meiner frischen Gerten, + mit meinem frischen Mut. + Schmeckt der Pfeffertag gut?[216] + +[216] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 467. + +Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de +afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van +Sinterklaas toegediend, een „slag met de levensroede” moge geweest zijn! + +[Decoratieve illustratie] + + * * * * * + +En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest +uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat +er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere „mannen van naam en +groote kennis”, die men „helaas ook in ons eigen vaderland” dezelfde +meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter +meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten: + + De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat + sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage + met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het + volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan + door eene menigte van feiten worden gestaafd. + +Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës +a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar +mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en +Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven, +ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief +worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft—op +zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij +ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven +kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van +kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast: +de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering speelt, +niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne +slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de +oogen van het kristelijke volk. + +Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen +ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als +dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet +geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heeren _ware_ glorie, ter +bestrijding van _wezenlijke_ dwaalbegrippen het slagzwaard dient te +worden opgevat? + +[Decoratieve illustratie] + + + + +INHOUD. + + + Pagina. + + VOORREDE 3 + + I. HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK 7 + + II. SCHOORSTEEN EN SCHOEN 17 + + III. DE SCHIMMELRIJDER 25 + + IV. VORMVERANDERINGEN 32 + + V. BEL EN ROEDE 39 + + BESLUIT 44 + +[Decoratieve illustratie] + + + + + +-----------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: de Katholieken Fokloristen gevonden, | + | C: de Katholieken Folkloristen gevonden, | + | B: zich dit bijgeoof vooral | + | C: zich dit bijgeloof vooral | + | B: dichste stof der archieven | + | C: dichtste stof der archieven | + | B: speelden dan slecht eene ondergeschikte | + | C: speelden dan slechts eene ondergeschikte | + | B: „Joelfeest daar in Januari | + | C: „Joelfeest” daar in Januari | + | B: [16] JACOR GRIMM, _Deutsche | + | C: [16] JACOB GRIMM, _Deutsche | + | B: kinderen en volwassen op St. | + | C: kinderen en volwassenen op St. | + | B: Rijn: „Neujahrskränzchen) en de | + | C: Rijn: „Neujahrskränzchen”) en de | + | B: II. p. 252); tot dit doeleinde | + | C: II. p. 232); tot dit doeleinde | + | B: [41] L. L., p. 157, | + | C: [41] L. L., p. 157. | + | B: in de Altmark gezonden: | + | C: in de Altmark gezongen: | + | B: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 117. | + | C: VERNALEKEN, l. l., p. 62. Zie p. 11. | + | B: [46] V, REINSBERG-DÜRINGSFELD, | + | C: [46] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, | + | B: zijn overgebleven, Beslister dan | + | C: zijn overgebleven. Beslister dan | + | B: „Mog dan ook het geven | + | C: „Mogt dan ook het geven | + | B: er krachtig toen hebben bijgedragen, | + | C: er krachtig toe hebben bijgedragen, | + | B: Berlin, 1891. Pp, 179, | + | C: Berlin, 1891. Pp. 179, | + | B: [80] REINSBERG-DÜRINGSFELD, | + | C: [80] V. REINSBERG-DÜRINGSFELD, | + | B: seinen Gewährsmann auführt, aber | + | C: seinen Gewährsmann anführt, aber | + | B: _Overblijfselen_, l. l, p. 24 | + | C: _Overblijfselen_, l. l, p. 24. | + | B: [99] BARTSCH, i. l., | + | C: [99] BARTSCH, l. l., | + | B: [109] VERN ALEKEN, l. l., | + | C: [109] VERNALEKEN, l. l., | + | B: Staffordhire noemt men nog | + | C: Staffordshire noemt men nog | + | B: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l, pp. | + | C: 1850. P. 23; SCHNELL, l. l., pp. | + | B: lên mi dîn pêrd”[120] | + | C: lên mi dîn pêrd”[120]. | + | B: [131] EELCO VERWIJS, l. l., p. 77. | + | C: [131] EELCOO VERWIJS, l. l., p. 77. | + | B: het _Arab-Perz._ nârandj. | + | C: het _Arab.-Perz._ nârandj. | + | B: REINSBERG DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. | + | C: REINSBERG-DÜRINGSFELD, l. l., p. 483. | + | B: verschijnsel voor, dat attribubuten van | + | C: verschijnsel voor, dat attributen van | + | B: [144] Zie p. 129. Dat de indruk | + | C: [144] Zie p. 23. Dat de indruk | + | B: Sinterklaas _Klaubautag_[152] | + | C: Sinterklaas _Klaubautag_[152]. | + | B: [150] Zie p. 3. | + | C: [150] Zie p. 13. | + | B: [155] KUHN, l. l., p 346. | + | C: [155] KUHN, l. l., p. 346. | + | B: Ruprecht als kwaad aardige elf, | + | C: Ruprecht als kwaadaardige elf, | + | B: [164] KUHN, l. l, p. 345. | + | C: [164] KUHN, l. l., p. 345. | + | B: [170] SCHNELL, l. l, I, p. 21. | + | C: [170] SCHNELL, l. l., I, p. 21. | + | B: p. 140. | + | C: p. 34. | + | B: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 133. | + | C: l. l., p. 29. Vgl. boven p. 27. | + | B: der vensterruiten[184]. Aldus | + | C: den vensterruiten[184]. Aldus | + | B: [186] L. L, p. 29. | + | C: [186] L. L., p. 29. | + | B: daart hoort men: | + | C: daar hoort men: | + | B: op blz. 142 sprake was—Ruprecht, | + | C: op blz. 35 sprake was—Ruprecht, | + | B: in Meckenburg heet de Schimmelrijder | + | C: in Mecklenburg heet de Schimmelrijder | + | B: [201] VAN DEN GHEYN, l. l, | + | C: [201] VAN DEN GHEYN, l. l., | + | B: 265; TILLE, l. l, p. 196. | + | C: 265; TILLE, l. l., p. 196. | + | B: treffen. Vgl. JUV. _Sat._ II, | + | C: treffen. Vgl. JUV., _Sat._ II, | + | B: rozemarijnstengels, al zeggen: | + | C: rozemarijnstengels, al zeggend: | + | | + +-----------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De H. Nikolaas in het folklore, by +Jozef Karel Frans Hubert Schrijnen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE *** + +***** This file should be named 38211-0.txt or 38211-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/2/1/38211/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
